Algemene Plaatselijke Verordening Borger-Odoorn 2025 De raad van de gemeente Borger-Odoorn; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders nr. 10606-2025. gelet op de bepalingen in de Gemeentewet, in het bijzonder artikel 149, van de Gemeentewet; BESLUIT: vast te stellen de Algemene plaatselijke verordening Borger-Odoorn 2025 en bijbehorende toelichting. Algemene plaatselijke verordening Borger-Odoorn 2025 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1:1Definities In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; Openbaar lichaam: de staat, zijn territoriale lichamen, publiekrechtelijk instellingen en verenigingen gevormd door een of meer van deze lichamen of meer van deze publiekrechtelijke instellingen. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op een andere manier toegankelijk zijn; openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder l; parkeren: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens; rolstoelen e.d.; weg: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1, 1e lid onder b van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel1:2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bestuursorgaan kan de termijn eenmalig voor ten hoogste zes weken verlengen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel1:4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1:6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: als ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; als op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; als de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; als van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of als de vergunninghouder dit verzoekt. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1:7Termijnen 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in elk geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen beperkt is en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel1:8Weigeringsgronden 1.De vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de openbare orde en veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; de bescherming van het woon- en leefmilieu; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen en goederen. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan acht weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Hoofdstuk2Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2.Degenen die op een openbare plaats: aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in het 3e lid. 5.Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. 6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:3Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, 1e lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en tenminste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging organiseert; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging; de plaats van de betoging en, voor zover van toepassing, de route; voor zover van toepassing de wijze van samenstelling; en maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop van de betoging te bevorderen. 3.Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van de betoging vooraf gaat, vóór 12.00 uur. 5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek buiten deze termijn een kennisgeving in behandeling nemen. Afdeling2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel2:10Voorwerpen op of aan de weg of een openbare plaats 1.Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of een gevaar is voor de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen. 2.Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden. 3.Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het 1e lid. 4.De ontheffing wordt door het bevoegde gezag verleend als omgevingsvergunning als het in het 1e lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet. 5.Het verbod in het 1e lid is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:19; en overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 6.Het verbod in het 1e lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe. 7.Op de aanvraag, niet zijnde een omgevingsvergunning, om een vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:11Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder wegen verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3.Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening Drenthe, de waterschapsverordening en de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Borger-Odoorn. 5.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van schade of overlast, door de werkzaamheden toegebracht aan de gemeente of aan derden; de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen; de bescherming van het milieu; Het omgevingsplan. Artikel2:12Maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder vergunning van het college: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente; Wanneer het Omgevingsplan een vergunning niet toestaat. 3.Het verbod in het 1e lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, de waterschapsverordening of de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe. Artikel2:16Openen straatkolken e.d. Het is aan degenen die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel2:18Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van 30 meter daarvan: te roken gedurende een door het college aangewezen periode; voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2.De verboden in het 1e lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3.Het rookverbod is niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen of op aangrenzende erven. Artikel2:21Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het 1e lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet. Afdeling3. Evenementen Artikel2:24Definities 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoop- en theatervoorstellingen in een daarvoor bestemde inrichting; markten als bedoeld in artikel 160, 1e lid onder g van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de Kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie, snuffel- of rommelmarkt op of aan de weg; een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; een straatfeest of -barbecue; vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3.Voor een evenement wordt de volgende classificering gehanteerd: Categorie A: Laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en de gevolgen voor het verkeer beperkt zijn. Categorie B: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer. Categorie C: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van grote impact op de omgeving en/of gevolgen voor het verkeer. Artikel2:25Evenement 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens aangeleverd als bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, 1e lid van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3.Het verbod van het 1e lid geldt niet voor een wedstrijd op- of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 4.Voor vergunningsplichtige evenementen geldt dat de vergunning minimaal 12 weken voorafgaand aan de datum van het evenement aangevraagd moet worden. 5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning weigeren als naar zijn oordeel: het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de plaats waar het wordt gehouden; er vanwege het aantal verschillende evenementen in een periode van 2 maanden op of in de nabijheid van de locatie van het evenement, dan wel de duur van het evenement, er onvoldoende waarborgen bestaan dat de openbare orde of de woon- en leefsituatie in de omgeving niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed. 6.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, en het in artikel 2.25a bepaalde is het verboden een evenement te organiseren bij extreme weersomstandigheden. Van extreme weersomstandigheden is sprake bij weeralarm (code rood), zoals bekend gemaakt door het KNMI te De Bilt. 7.Op de vergunning bedoeld in het 1e lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beslissing bij niet tijdige beslissing) niet van toepassing. Artikel2:25aVergunningsvrije kleine evenementen 1.Het verbod van artikel 2:25 lid 1 geldt niet voor kleine evenementen als: er een organisator is, en het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 100 personen op enig moment tijdens het evenement, en het evenement plaatsvindt op maandag tot en met donderdag tussen 10.00 uur en 24.00 uur, op vrijdag en zaterdag tussen 10.00 uur en 01.00 uur en op zondag tussen 13.00 uur en 24.00 uur, en geen alcoholhoudende drank wordt verkocht, en het evenement niet leidt tot een belemmering voor het verkeer en de hulpdiensten, of zorgt voor verkeerssituaties waardoor de verkeersveiligheid in het gevaar komt, en Er maximaal drie kleine objecten geplaatst worden, waarbij de oppervlakte per object niet meer bedraagt dan 16 vierkante meter, met een totale oppervlakte van alle objecten samen van maximaal 25 vierkante meter, en Minstens vier weken voorafgaand aan het evenement daarvan een melding is gedaan aan de burgemeester. 2.De burgemeester kan, onverlet het in lid 1 bepaalde, nadere voorschriften geven of besluiten het evenement te verbieden of voortijdig te beëindigen als door het evenement de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Artikel2:26Ordeverstoring 1.Het is verboden om onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden, deze te veroorzaken of anderszins de openbare orde te verstoren. 2.Het is verboden messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen. 3.Eenieder is verplicht alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen. Afdeling4. Toezicht op openbare inrichtingen. Artikel2:27Definities 1.In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, coffeeshop, cafetaria, snackbar, discotheek, bar, buurthuis, clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid. 2.Onder een openbare inrichting wordt mede verstaan een door de burgemeester aangewezen bedrijf waar andere dienstverlenende of detailhandelsgerichte activiteiten plaatsvinden, al dan niet met horeca gerelateerde activiteiten. 3.Een buiten de in het 1e lid bedoelde besloten ruimte liggend deel zoals een terras, waar sta- of zitgelegenheid wordt geboden en waar dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directie consumptie kunnen worden bereid of verstrekt, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Artikel2:28Exploitatie openbare inrichting 1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan 3.Het verbod in het 1e lid geldt ook niet voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; zorginstelling; museum; school; bedrijfskantine of -restaurant; tenzij die inrichting specifiek is aangewezen door de burgemeester. In deze gevallen is er wel een vergunning nodzakelijk. 4.De burgemeester kan nadere regels stellen met betrekking tot: de wijze en het moment van aanvraag van de vergunning; de bij de aanvraag te overleggen documenten; de persoon/het levensgedrag van de exploitant en de feitelijke leidinggevenden van de openbare inrichting; de plicht tot het informeren van het bevoegde gezag over in de nadere regels aangegeven zaken, alsmede de manier van informeren en het moment waarop. 5.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als niet voldaan wordt aan de nadere regels als bedoeld in het 4e lid. 6.De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend omgevingsplan, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, mits het verlenen van een vergunning voor het afwijkend gebruik niet mogelijk is. 7.De burgemeester kan de vergunning weigeren als de aanvrager geen Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) met betrekking tot de aanvrager en/of exploitant en/of leidinggevende(
- n)overlegt die is afgegeven uiterlijk 3 maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend. 8.De burgemeester kan de vergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). 9.Het niet voldoen aan nadere regels als bedoeld in het 4e lid is een grond voor het intrekken van een al verleende vergunning. 10.Op de vergunning bedoeld in het 1e lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beslissing bij niet tijdige beslissing) niet van toepassing. Artikel2:29Sluitingstijd 1.Het is verboden een terras als bedoeld in artikel 2:27 lid 3 voor bezoekers geopend te houden op zondag tot en met zaterdag tussen 24.00 en 09.00 uur. 2.Voor een openbare inrichting in een winkel gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 3.De burgemeester kan door middel van een voorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend terras, dan wel ontheffing van de sluitingstijden verlenen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend terras. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:30Sluitingstijd, tijdelijke sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.Het 1e lid is niet van toepassing in die situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel2:31Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: de orde te verstoren; zich aldaar te bevinden gedurende de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30 1e lid; op het tot de openbare inrichting behorende terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. Artikel2:33Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:30 en 2:31 op als bevoegd bestuursorgaan. Afdeling5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Artikel2:34aDefinities In deze afdeling wordt verstaan onder: alcoholhoudende drank; horecabedrijf; horecalokaliteit; inrichting; paracommerciële rechtspersoon; sterke drank; slijtersbedrijf; zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Artikel2:34bRegulering paracommerciële rechtspersonen 1.Een paracommerciële rechtspersoon kan uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken tot 2 uren na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de betreffende paracommerciële rechtspersoon, met een eindtijd van ten hoogste 01.00 uur. 2.Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard of tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij activiteiten van de betreffende rechtspersoon betrokken zijn, met uitzondering van: ten hoogste 12 bijeenkomsten per kalenderjaar in het geval van een paracommerciële rechtspersoon van sociaal-culturele aard; ten hoogste 4 bijeenkomsten per kalenderjaar in geval van een andere paracommerciële rechtspersoon; mits de eindtijd van die bijeenkomsten niet is gelegen na 01.00 uur. 3.Het is paracommerciële rechtspersonen verboden om sterke drank als bedoeld in artikel 1 lid 1 Alcoholwet te verstrekken. Afdeling6. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel2:41Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel2:42Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf een openbare plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf een openbare plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het in het 2e lid gestelde verbod is niet van toepassing als gehandeld wordt krachtens een wettelijk voorschrift. 4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5.Het is verboden de in het 4e lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. Artikel2:43Vervoer plakgereedschap e.d. 1.Het is verboden op de weg of openbaar water een aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Dit verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Artikel2:44Vervoer inbrekerswerktuigen en voorwerpen om het plegen van winkeldiefstal gemakkelijker te maken 1.Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels voorwerpen om het plegen van winkeldiefstal gemakkelijker te maken te vervoeren of bij zich te hebben. 3.Het verbod is niet van toepassing als de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen kennelijk niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het 1e en 2e lid bedoelde handelingen. Artikel2:47Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden op een openbare plaats: te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden overlast of hinder veroorzaakt. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:48Verboden drankgebruik 1.Het is verboden om op of aan de weg binnen de bebouwde kom aangebroken flessen, blikjes e.d. met alcoholhoudende drank bij zich te hebben of alcoholhoudende drank te nuttigen. 2.Het bepaalde in het 1e lid geldt niet voor: een terras dat hoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; een plaats niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld onder a., waarvoor een ontheffing op grond van artikel 35 van de Alcoholwet geldt; door het college aangewezen plaatsen. Artikel2:49Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan de bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw en soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel2:50Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten vallen in elk geval: portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel2:57Loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk waaruit blijkt wie de eigenaar of houder van de hond is. 2.Het bepaalde in het 1e lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3.Het verbod genoemd in het 1e lid onder a tot en met c geldt niet voor de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel2:58Verontreiniging door honden 1.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd: op een openbare plaats binnen de bebouwde kom; op een gedeelte van de weg buiten de bebouwde kom dat bestemd is of ook bestemd voor het verkeer van voetgangers; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of recreatiegebied buiten de bebouwde kom;; op een andere door het college aangewezen plaats. 2.Degene die zich met een hond in de openbare ruimte begeeft is verplicht, als de hond zich in de openbare ruimte bevindt, ervoor te zorgen een doeltreffend hulpmiddel dat als zodanig is bestemd voor het verwijderen van uitwerpselen, bij zich te dragen. Onder een doeltreffend hulpmiddel moet in ieder geval worden verstaan een daarvoor geschikt stevig zakje, een schepje of een hondenpoepgrijper. Op de eerste vordering van de ambtenaar, belast met de zorg voor de naleving van één of meer bepalingen van deze verordening, moet de eigenaar of houder dit hulpmiddel tonen. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: Die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of Die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Gelet op de bepalingen in de Gemeentewet, in het bijzonder artikel 149, van de gemeentewet; Artikel2:59Gevaarlijke of hinderlijke honden 1.Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en/ of muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3.Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevig kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zodanig is gemaakt dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.Een hond als bedoeld in het 1e lid dient voorzien te zijn van een microchip met een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer die met een chipreader afleesbaar is. Artikel2:59aGevaarlijke honden op eigen terrein Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond en hem die een hond onder zijn toezicht heeft, verboden deze hond op zijn erf zonder muilkorf los te laten lopen als de burgemeester heeft meegedeeld dat hij het dier gevaarlijk of hinderlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings- opsporings- en verdedigingswerk, tenzij: op een vanaf de weg zichtbare plaats een - ter beoordeling van de burgemeester - duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; de brievenbus bereikt kan worden en aangebeld kan worden zonder dat men het erf hoeft te betreden; het erf voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond zonder menselijke tussenkomst niet buiten het erf kan komen. Artikel2:65Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken. Afdeling7. Consumentenvuurwerk Artikel2:71Definitie Voor de definitie van consumentenvuurwerk wordt aangesloten bij de definitie in het Vuurwerkbesluit. Artikel2:73Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429 aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:73aGebruik van carbid e.d. 1.Het is verboden acetyleengas, al dan niet afkomstig van de reactie tussen calciumcarbide (carbid) en water, als ook andere gassen op explosieve wijze te verbranden. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het 1e lid genoemde verbod, indien: gebruik wordt gemaakt van originele melkbussen en/ of andere voorwerpen met een inhoud van maximaal 50 liter, met gebruikmaking van een mengsel van lucht en acetyleengas afkomstig van de reactie tussen calciumcarbide (carbid) een water; en het gebruik plaatsvindt op 31 december van 10.00 uur tot 20.00 uur; en er schriftelijke toestemming is van de eigenaar van het terrein van waaraf geschoten wordt; en de aanvraag voorzien is van een kaart waarop de betreffende locatie is ingetekend; en de plaats van waar geschoten wordt is gelegen: op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing; en op een afstand van tenminste 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg; en op een afstand van tenminste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren; en op een locatie waar geschoten kan worden in een richting die tegengesteld is aan de richting waarin de dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen; en op een locatie waar het vrije schootsveld minimaal 75 meter is; en op een locatie waar in het schootsveld geen verharde openbare wegen of paden liggen. 3.De ontheffing zoals bedoeld in het tweede lid, dient uiterlijk op 1 december van het betreffende jaar aangevraagd te zijn. Aanvragen ingediend na 1 december worden niet in behandeling genomen. 4.Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel2:73bGebruik klaphamer, knalhamer of knalijzer 1.Het is verboden om op een openbare plaats gebruik te maken van een klaphamer, knalhamer of knalijzer waarbij door middel van een poeder zoals een mengsel van zwavel en kaliumchloraat, kaliumnitraat of kaliumcarbonaat, een knal of ontploffing wordt veroorzaakt. 2.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet precursoren en voor explosieven, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht. Afdeling8. Drugsoverlast Artikel2:74Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel2:74aOpenlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Afdeling9. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel2:75Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:26, 2:31, 2:47, 2:48, 2:48a, 2:50, 2:74 dan wel 2:74a van deze verordening niet naleven. Artikel2:76Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel2:77Cameratoezicht op openbare plaatsen De burgemeester heeft de bevoegdheid overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. Artikel2:78Gebiedsontzeggingen 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan de persoon (personen) die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen begaat (begaan) een bevel geven zich gedurende een bepaald tijdvak niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2.Met het oog op de in het 1e lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw een overtreding begaat een bevel geven zich gedurende ten hoogste 8 weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3.Een bevel als bedoeld in het 2e lid kan slechts worden gegeven als de overtreding plaatsvindt binnen 6 maanden na het geven van een eerder bevel op grond van het 1e of 2e lid. 4.De burgemeester beperkt het (
- de)in het 1e of 2e lid gestelde bevel (bevelen), als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene(
- n)noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Artikel2:79Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d van de Gemeentewet 1.Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.De burgemeester kan in ieder geval een last onder bestuursdwang opleggen wegens overtreding van het 1e lid bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf. 3.De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid. Hoofdstuk3Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen Afdeling1. Algemene bepalingen Artikel3:1Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Artikel3:2Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel seksbedrijf; werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht. Afdeling2. Vergunning seksbedrijf Artikel3:3Vergunning 1.Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. 2.Een toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur maakt deel uit van de procedure tot verlening van de vergunning. 3.Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen 12 weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste 12 weken worden verlengd. 4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel3:5Beperking aantal vergunningen In de gemeente Borger-Odoorn worden maximaal 2 seksbedrijven vergund. Artikel3:6Aanvraag 1.Een aanvraag om vergunning wordt ingediend middels een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier. 2.Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd en er worden in elk geval de volgende gegevens overlegd: de persoonsgegevens van de exploitant; en het nummer van inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel; en of in de 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken; en het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; en het telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht; en voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant; en een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst; en bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf; en een situatietekening met een schaal van tenminste 1 op 1000 met daarop de plaatselijke en kadastrale ligging van het seksbedrijf; en een tekening met een schaal van tenminste 1 op 100 met daarop de plattegrond van het seksbedrijf; en Het bedrijfsplan, voor de vereisten wordt verwezen naar artikel 3:15 van deze verordening. 3.Als er een beheerder is aangesteld is het 2e lid a. tot en met c., f. en g. van overeenkomstige toepassing op de beheerder. 4.Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens vragen. Artikel3:7Weigeringsgronden 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning geweigerd als: de exploitant of de beheerder onder curatele staat; de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met de in de aanvraag vermeldde gegevens in overeenstemming zal zijn; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunningvoorschriften en beperkingen; er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen te werk gesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt en als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; de exploitant of de beheerder minder dan 5 jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan 6 maanden; de exploitant of de beheerder minder dan 5 jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan 1 rechterlijke uitspraak of straf-beschikking onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 Euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, 1e lid onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; de artikelen 8 en 162 3e lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt; het voornemen tot uitoefening van een seksbedrijf strijd oplevert met een geldende beheersverordening, bestemmingsplan of een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd. 2.Met een veroordeling als bedoeld in het 1e lid onder g wordt gelijkgesteld: een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf; vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74 2e lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76 3e lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 Euro bedraagt. 3.De periode van 5 jaar bedoeld in het 1e lid onder g en h wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum intrekking. 4.Voor de berekening van de periode van 5 jaar bedoeld in het 1e lid onder g en h telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan niet mee. 5.Een vergunning kan in elk geval worden geweigerd: voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9 1e lid, aanhef en onder a tot en met f of 2e lid, aanhef onder a tot en met f, of in het geval en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van 5 jaar na de intrekking; als niet voldaan is aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn; als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waar eerder een vergunning is ingetrokken of als in die seksinrichting eerder zonder vergunning het prostitutiebedrijf is uitgeoefend; als de openbare orde en/of de woon- en leefomgeving wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15 1e en 2e lid; als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitante de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal nakomen. Artikel3:8Eisen met betrekking tot de vergunning 1.De vergunning vermeldt in ieder geval: de naam van de exploitant; voor zover van toepassing, de naam van de beheerder; voor welke activiteit de vergunning is verleend; het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; het telefoonnummer van het seksbedrijf dat in advertenties zal worden gebruikt; voor zover van toepassing, het adres van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend; de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning; het nummer van de vergunning. 2.De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in het seksbedrijf en in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, tevens moet aan de buitenkant van het seksbedrijf en de seksinrichting zichtbaar zijn dat men over een vergunning beschikt. Artikel3:9Intrekkingsgronden 1.De vergunning wordt ingetrokken als: de verstrekte gegevens zodanig onjuist als onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; de vergunning is toegekend in strijd met een wettelijk voorschrift; is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13 aanhef en onder a, 3:15 en 3:17 1e en 2e lid, aanhef en onder b, aanhef en onder 1; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar op levert voor de openbare orde en veiligheid; zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7 1e lid onder a tot en met h; de vergunninghouder dat verzoekt. 2.De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten voor wat betreft de belangen met het oog waarop een vergunning moet worden aangevraagd; een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het bepaalde in het 1e lid, aanhef en onder c; is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; de exploitant of beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; er bij het seksbedrijf personen werken die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; gedurende tenminste 6 maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning. Artikel3:10Melding gewijzigde omstandigheden De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8 1e lid in de vergunning opgenomen gegevens, binnen een week bij het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning als het seksbedrijf aan alle gestelde eisen voldoet. Afdeling3. Uitoefening seksbedrijf Paragraaf3.1Regels voor alle seksbedrijven Artikel3:12Sluitingstijden seksinrichting, aanwezigheid, toegang 1.Het is verboden een seksinrichting geopend te hebben en daarin klanten en bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 03.00 uur en 10.00 uur. 2.Het bevoegde orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 per seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3.Het is klanten en bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het 1e of 2e lid, dan wel krachtens artikel 3:7 1e lid gesloten moet zijn. 4.Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in de seksinrichting. Artikel3:13Adverteren Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: geen vermelding op te nemen van de bedrijfsnaam, het telefoonnummer bedoeld in artikel 3:8 1e lid onder e en het vergunningnummer bedoeld in artikel 3:8 1e lid onder i; de vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer als bedoeld onder a; en als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen. Paragraaf3.2Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees Artikel3:14Leeftijd en verblijfstitel prostituees Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000. Artikel3:15Bedrijfsplan 1.Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: op het gebied van hygiëne; ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees; ter bescherming van de gezondheid van de klanten; ter voorkoming van strafbare feiten. 2.De door de exploitant te treffen maatregelen bedoeld in het 1e lid onderdelen a en b waarborgen dat: de hygiëne in de seksinrichting voldoet aan algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is; inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor de prostituees; in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn; de prostituees zich regelmatig kunnen laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en dat zij door de exploitant voldoende geïnformeerd zijn over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek; de prostituees klanten, diensten en bijvoorbeeld alcohol en drugs kunnen weigeren zonder dat dit gevolgen heeft; aan de exploitant of beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin; de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt; de exploitant aan de voor of bij hem werkende prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als de prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt; de overlast voor de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt. 3.Het bedrijfsplan wordt overlegd bij de vergunningaanvraag. 4.De exploitant meldt een wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het 1e en 2e lid aan een bedrijfsplan worden gesteld. 5.De rechten van de prostituees, die gewaarborgd worden op grond van het 2e lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant. 6.In de seksinrichting wordt in tenminste 2 talen te weten Nederlands en Engels en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken. Artikel3:17Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder van een prostitutiebedrijf 1.De exploitant of beheerder is aanwezig gedurende de tijden dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend. 2.De exploitant van een prostitutiebedrijf zorgt er voor dat: de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen; er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval: de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees; als dat van toepassing is, de verhuuradministratie; als dat van toepassing is, de werkroosters van de beheerders; de bedrijfsadministratie wordt bewaard, met inachtneming van de wettelijke termijnen en dat deze te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders; medewerkers van gemeentelijke gezondheidsdiensten en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn om voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden; ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting onverwijld bij de politie worden gemeld; onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende tenminste 1 maand geen gebruik wordt gemaakt van de vergunning. Deze melding bevat de reden daarvan en de verwachte duur; gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf. Paragraaf3.3Straat- en raamprostitutie Artikel3:18Raamprostitutie Het is een prostituee verboden zich beschikbaar te stellen vanuit een gebouw of de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden en passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden. Artikel3:19Straatprostitutie Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, zich op te houden met het kennelijke doel prostitutie of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van prostitutie. Afdeling4. Beëindiging exploitatie Artikel3:21Beëindiging exploitatie 1.De vergunning vervalt zodra de op de vergunning vermelde exploitant de exploitatie van de seksinrichting feitelijk heeft beëindigd. 2.Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegde bestuursorgaan. Afdeling5. Overige bepalingen Artikel3:22Verbodsbepalingen voor klanten 1.Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend. 2.Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats aan de weg gebruik te maken van de diensten van een prostituee. 3.Het verbod, bedoeld in het 2e lid geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend. Artikel3:23Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d. 1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende bekend heeft gemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt. 2.Het 1e lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7 1e lid van de Grondwet. Hoofdstuk4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Artikel4:1Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: In deze afdeling wordt verstaan onder: collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; gevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet Geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet Geluidshinder; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel4:2Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148 1e lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3.In een aanwijzing als bedoeld in het 1e en 2e lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in bepaalde gebieden. 4.Het college maakt de aanwijzing tenminste 4 weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5.Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond aanwijzen als collectieve festiviteit als bedoeld in het 1e lid. Artikel4:3Melding incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting tenminste twee weken voor aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 8 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te laten ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148 1e lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting tenminste 10 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4.De melding is gedaan wanneer het formulier volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier staat vermeld. 5.De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.Bij het ten gehore brengen van muziek blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel4:5Onversterkte muziek 1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, 1e lid onder f en 5e lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het 2e lid opgenomen tabel van toepassen, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in- en aanpandige gevoelige gebouwen voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1 onder d van het Besluit geluidhinder; bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. tabel 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Lar.LT in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.Van de genoemde geluidsniveaus is uitgezonderd het onversterkte geluid in een inrichting dat veroorzaakt wordt door het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten of harmonie- en fanfaregezelschappen. 4.Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. 5.Het 1e lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3 van deze verordening. Artikel4:6Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Zondagswet, Wom, het Vuurwerkbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving, de Omgevingswet, de Bruidsschat en de Omgevingsverordening provincie Drenthe een afbakeningsdiscussie opleveren. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel4:7Verbod oplaten van (wens)ballonnen 1.In dit artikel wordt onder een (wens)ballon verstaan een ballon van rubber, latex, papier of ander materiaal vervaardigd die door middels van hete lucht afkomstig van vuur dan wel door middel van helium of andere gassen in de lucht wordt gebracht en door de wind door de lucht wordt verplaatst. Onder (wens)ballonnen wordt mede verstaan een herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon geluksballon of andere daarmee vergelijkbare ballon of ballonachtige voorwerpen. 2.Het is verboden een (wens)ballon op te laten tijdens een evenement, verjaardag, bruiloft, begrafenis of een andere dergelijke gebeurtenis. Artikel4:8Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel4:10Autowasplaats 1.Het is verboden: op of aan de weg of op een erf of terrein dat direct afstroomt op de weg een auto te reinigen met water of een ander vloeistof, al dan niet vermengd met een reinigingsmiddel. 2.Het verbod geldt uitsluitend voor wegen, erven en terreinen voor zover die gelegen zijn binnen een door het college aangewezen gebied. 3.Het verbod geldt niet voor zover het reinigen gebeurt op een binnen het aangewezen gebied als autowasplaats ingerichte en als zodanig aangeduide plaats. Afdeling3. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel4:13Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen e.d. 1.Het is verboden in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 van deze verordening of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan bedoeld is voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, bouwafval en oude metalen. 2.Het college kan nadere regels stellen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, het Omgevingsplan of de provinciale omgevingsverordening. Artikel4:15Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2.Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. Afdeling4. Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel4:17Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel4:18Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op zijn terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het 1e lid. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 van deze verordening kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: natuur en landschap; of het dorpsgezicht. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4:19Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Artikel 4:18 1e lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2.Het college kan nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18 4e lid. Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling1. Parkeerexcessen en stopverbod Artikel5:3Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden in de berm van een weg binnen de bebouwde kom een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Het college kan daarnaast wegen binnen en buiten de bebouwde kom aanwijzen waar het verboden is een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 3.Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:5Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuig op de weg te parkeren dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en/of een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikelen5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1.Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor recreatie wordt gebruikt dan wel uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan 5 achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg of plaats waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente 2.De rechthebbende op een voertuig als genoemd in het 1e lid wordt geacht met het voertuig op dezelfde plaats te zijn gebleven als het voertuig binnen een straal van 500 meter - hemelsbreed gemeten - vanaf de in het 1e lid bedoelde plaats staat. 3.Het is de rechthebbende op een voertuig als genoemd in het 1e lid verboden het voertuig binnen 5 dagen nadat het is verplaatst, opnieuw op de in het 1e lid bedoelde plaats neer te zetten. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het 1e lid gestelde verbod. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. 6.Het in het 1e lid gestelde verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe. Artikel5:7Parkeren van reclamevoertuigen 1.Het is verboden om een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken. 2.Het college kan ontheffing verlenen van dat verbod. 3.Op aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:8Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op openbare plaatsen binnen de bebouwde kom, met uitzondering van de aanwezige bedrijventerreinen. 2.Het verbod in het 1e lid is niet van toepassing op laden en lossen. 3.Het is een verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte. 4.Het verbod in het 3e lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag van 08.00 tot 18.00 uur. 5.Het verbod in het 3e lid is ook niet van toepassing op kampeermiddelen als bedoeld in artikel 5:6 van deze verordening, voor zover deze voertuigen niet langer dan 5 achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of geparkeerd. 6.Het college kan ontheffing verlenen van de verboden gesteld in het 1e en 2e lid. 7.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:9Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Van hinderlijk parkeren als bedoeld in de vorige zin is in elk geval sprake wanneer het voertuig wordt geparkeerd binnen een afstand van 20 meter vanaf de dichtstbijzijnde gevel van een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw. 3.Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel5:11Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door, of deze te doen staan of te laten staan in, een park, plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook 2.Dit verbod is niet van toepassing op: de weg; de voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:12Overlast van fietsen of bromfietsen 1.Het is verboden een fiets of bromfiets te plaatsen of te laten staan op een plaats in de open lucht binnen een door burgemeester en wethouders aangegeven gebied. 2.Het college kan de werking van het in het 1e lid gestelde verbod beperken tot nader aan te duiden dagen en uren. 3.Het in het 1e lid gestelde verbod geldt niet voor door het college te bepalen plaatsen binnen het gebied. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling2. Collecteren Artikel5:13Inzameling van geld of goederen of leden- of donateur werving 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2.Onder een inzameling als bedoeld in het 1e lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3.Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: in besloten kring; of door een instelling die is ingedeeld in het door het college vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving plaatsvindt overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gestelde regels. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling3. Venten Artikel5:14Definitie 1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. 2.Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160 1e lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17. Artikel5:15Ventverbod 1.Het is verboden te venten als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 3.Het verbod is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. Afdeling4. Standplaatsen Artikel5:17Definitie 1.In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de open lucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2.Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160 1e lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24. Artikel5:18Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen. 2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: als de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:19Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel5:20Afbakeningsbepalingen 1.Artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening Drenthe. 2.De weigeringsgrond van artikel 5:18 3e lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken. Afdeling5. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel5:32Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel ter voorbereiding van een wedstrijd een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van ander milieuwaarden; de veiligheid van de deelnemers van de in het 1e lid bedoelde wedstrijden en ritten of het publiek. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidsproductie sportmotoren. Afdeling6. Vuurverbod Artikel5:34Verbod afvalstoffen te verbranden of anderszins vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden bof anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels e.d.; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, mits geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 6.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale omgevingsverordening Drenthe of bij of krachtens de Omgevingswet. Afdeling7. Verstrooiing van as Artikel5:35Definitie In deze afdeling wordt onder incidentele as verstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(
- n)gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel5:36Verboden plaatsen 1.Incidentele as verstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen. 2.Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het 1e lid as verstrooiing plaats vindt. 3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het 1e lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. Artikel5:37Hinder of overlast Incidentele as verstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. Hoofdstuk6Sanctie- overgangs- en slotbepalingen Artikel6:1Sanctiebepaling 1.Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 3 maanden of een geldboete van de 2e categorie. 2.In afwijking van het 1e lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikel 2:10, 2:11 en 2:12 als er sprake is van een omgevingsvergunningsplichtige activiteit. Artikel6:2Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de daartoe bevoegde gemeentelijke toezichthouders; de medewerkers van de Stichting Veiligheidszorg Drenthe. 2.Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen belasten met het toezicht, bedoeld in het 1e lid. 3.Onverminderd het 1e en 2e lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften. Artikel6:3Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel6:4Intrekken oude verordening De “Algemene Plaatselijke Verordening Borger-Odoorn 2022” wordt ingetrokken. Artikel6:5Overgangsbepaling De besluiten, genomen krachtens de verordening als bedoeld in artikel 6:4 die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Onder besluiten worden onder meer ook verstaan: nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten. Artikel6:6Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de 8e dag na die van bekendmaking. Artikel6:7Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als de “Algemene plaatselijke verordening Borger-Odoorn 2025”. Vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 24 april 2025De gemeenteraad van Borger-Odoorn,de griffier, I. Oosting MSc LLMde voorzitter,mr. J. SetonToelichting Algemene plaatselijke verordening Borger-Odoorn 2025 Algemene toelichting Autonomie en medebewind De Algemene plaatselijke verordening (APV) is hét klassieke voorbeeld van een autonome gemeentelijke verordening. Toch bevat de APV medebewindsbepalingen, zoals bijvoorbeeld: artikel 2:3 ‘Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen’: Dit artikel is een uitwerking van de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties (Wom); hoofdstuk 2, afdeling 5, ‘Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet: Op grond van artikel 4 van de Alcoholwet wordt een paracommerciële verordening verplicht gesteld. Wettelijke grondslag APV artikel 149 Gemeentewet algemene verordenende bevoegdheid artikel 149a Gemeentewet (binnentreden woningen) artikel 6:3 artikel 151a Gemeentewet (prostitutie) hoofdstuk 3 artikel 151b Gemeentewet (veiligheidsrisicogebieden) artikel 2:76 artikel 151c Gemeentewet (cameratoezicht) artikel 2:77 artikel 151d Gemeentewet (woonoverlast) artikel 2:79 artikel 154 Gemeentewet (strafbepaling) artikel 6:1 artikel 154a Gemeentewet (bestuurlijke ophouding) artikel 2:75 artikelen 3 en 4 Wet openbare manifestaties (kennisgeving samenkomst/betoging) artikel 2:3 artikel 4 Alcoholwet artikel 2:34b artikelen 2.18, 1e lid onder f en g en 5e lid, 2.21 en 3.148, 2e lid, zoals deze waren onder het Activiteitenbesluit milieubeheer hoofdstuk 4, afdeling 1 artikel 2a Wegenverkeerswet 1994 (verordenende bevoegdheid) hoofdstuk 5, afdeling 1 Provinciale wegenverordening of provinciaal wegenreglement In een aantal artikelen in de APV wordt de grens afgebakend tussen de APV en andere regelingen. Soms is die andere regeling een provinciale verordening of een provinciaal reglement voor de provinciale wegen. Vergunning, ontheffing of melding In de APV komen drie toestemmingsstelsels voor: een ontheffingsstelsel; een vergunningstelsel; een meldingsstelsel. Bij een ontheffingsstelsel geldt een verbod om een bepaalde activiteit uit te voeren. In uitzonderlijke gevallen is daarop een ontheffing mogelijk. Er kan sprake zijn van schaarste (meer aanvragen dan het aantal ontheffingen dat wordt verleend). Bij een vergunningstelsel geldt in beginsel een verbod, maar bestaat er in het algemeen geen bezwaar tegen de activiteit. De gemeente wil de regie op de activiteiten houden. Zij kan ook het aantal beschikbare vergunningen beperken. In dat geval kan er sprake zijn van schaarste. Als sprake is van schaarse ontheffingen of vergunningen gelden bepaalde verdelings- en procedurevoorschriften. Zie hiervoor de Handreiking voor gemeenten ‘Schaarse vergunningen’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de toelichting hieronder. Bij een meldingsstelsel bestaat er al dan niet een verbod, maar bestaat er geen bezwaar tegen de activiteit als zodanig. Om grip en regie te houden, stelt de gemeente een melding verplicht. Er kan dan geen sprake zijn van schaarste, want elke melding die aan de voorschriften voldoet, wordt geaccepteerd. Juridisch karakter van een melding In januari 2015 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) haar rechtspraak rond meldingsstelsels aangepast. Beknopt samengevat komt de wijziging er op neer dat alleen een meldingsstelsel beheerst door algemene regels en waarbij niet is voorzien in enige reactie van het bestuursorgaan niet leidt tot een appellabel besluit. In andere gevallen leidt de weigering of acceptatie, dan wel het uitblijven of niet tijdig reageren door het bestuursorgaan tot een appellabel besluit. Zie ABRvS 14-01-2015, ECLI:NL:RVS:2015:14 (Leeuwarden-Lekkum) en ABRvS 14-01-2015, ECLI:NL:RVS:2015:36 (Stein-Elsloo). De Afdeling volgt hiermee de conclusie van Advocaat-Generaal Widdershoven over meldingsstelsels (ABRvS 12-11-2014, ECLI:NL:RVS:2014:4116). Zie over meldingenstelsels verder ook (onder meer) ABRvS 17-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1884, ABRvS 24-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1965, ABRvS 18-05-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1309 en ABRvS 25-01-2017, ECLI:NL:RVS:2017:164. Lex silencio positivo In artikel 4:20a, 1e lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) bij wettelijk voorschrift van toepassing verklaard kan worden. In dat geval geldt dat als het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking beslist, de gevraagde beschikking van rechtswege is afgegeven. Het doel hiervan is vermindering van regeldruk en verbetering van de dienstverlening aan bedrijven en burgers. Afdeling 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is: van toepassing op aanvragen om vergunningen, ontheffingen en vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 2:10, 2:11, 5:6, 5:7 en 5:8. niet van toepassing op aanvragen om vergunningen, ontheffingen en vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 2:12, 2:25, 2:28, 3:3, 4:6, 4:18, 5:3, 5:11, 5:12, 5:13, 5:18 en 5:34. In de APV wordt in diverse regelingen de Lex Silencio Positivo (LSP) niet van toepassing verklaard. Dit is de zogenaamde positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen. Dit wordt geregeld in paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht. De LSP houdt in dat een vergunning of ontheffing wordt geacht te zijn verleend, indien een beslissing op een aanvraag door het bevoegde bestuursorgaan binnen de wettelijke termijn uitblijft. Dit wordt ook wel het van rechtswege verlenen van vergunningen of ontheffingen genoemd. Schaarse vergunningen In gevallen waarin een activiteit beperkt is tot een aantal vergunninghouders, kan sprake zijn van schaarste. Als een activiteit onder de werking van de Dienstenrichtlijn valt en het aantal vergunningen voor deze activiteit wordt beperkt, komt de vraag op of die beperking gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang en daarnaast ook of die beperking evenredig is met die dwingende reden van algemeen belang. Zie hiervoor ABRvS 07-06-2017, ECLI:NL:RVS:2017:1520. Voor schaarse vergunningen geldt verder dat deze vergunningen niet voor onbepaalde tijd mogen worden verleend (HvJEU 01-10-2015, ECLI:EU:C:2015:641 (Trijber en Harmsen)). Ook zal een redelijke looptijd voor de schaarse vergunning bepaald moeten worden, waartoe kan worden aangesloten bij de jurisprudentie over concessieverleningen. De looptijd moet worden afgestemd op de tijd die het de vergunninghouder kost om investeringen terug te verdienen. Ook gelden er bijzondere verdeelregels: er moet een passende mate van openbaarheid betracht worden bij de verdeling door potentiële gegadigden tijdig te informeren over de beschikbaarheid van een vergunning, het aanvraagtijdvak, de verdeelregels en de toewijzingscriteria, die objectief, duidelijk en niet discriminatoir moeten zijn. Op grond van het gelijkheidsbeginsel, waaruit het beginsel van gelijke kansen voortvloeit, geldt dit ook voor andere schaarse vergunningen dan vergunningen die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen (ABRvS 02-11-2016, ECLI:NL:RVS:2016: 2927 (De Vries/Vlaardingen)). Voor de looptijd van de vergunning bij schaarste zie ook artikel 1:7 2e lid, en de toelichting daarop. Meer informatie is te vinden in de VNG Handreiking voor gemeenten ‘Schaarse vergunningen’. Lijst van in de toelichting gebruikte afkortingen Afkorting Betekenis Activiteitenbesluit milieubeheer Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (vervallen) Afdeling Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State AVG Algemene verordening gegevensbescherming AMvB Algemene Maatregel van Bestuur APV Algemene plaatselijke verordening ABRvS Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ARRS Afdeling rechtspraak van de Raad van State Awb Algemene wet bestuursrecht Awbi Algemene wet op het binnentreden BABS Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer BABW Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer Bal Besluit activiteiten leefomgeving Bbl Besluit bouwwerken leefomgeving; BBOOR Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte Bibob Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur BKL Beluit kwaliteit leefomgeving BOA Buitengewoon opsporingsambtenaar BPR Binnenvaartpolitiereglement BW Burgerlijk Wetboek CBb College van Beroep voor het bedrijfsleven CBF Centraal Bureau Fondsenwerving CCV Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid CROW Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond, Water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek DDDN Vereniging Direct Dialogue Donateurwervers Nederland ECRM Europese conventie voor de rechten van de mens EG-recht Recht van de Europese Gemeenschappen EHRM Europese Hof voor de Rechten van de Mens EVRM Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden GFT-afval Groente-, fruit- en tuinafval GWWD Gezondheids- en welzijnswet voor dieren HR Hoge Raad HvJ Hof van Justitie Igr 100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever IVBPR Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten KNAC Koninklijke Nederlandsche Automobiel Club KNMV Koninklijke Nederlandse Motorrijders Vereniging MMA Mixed Martial Arts model-APV Model Algemene plaatselijke verordening MON Motorsport Organisatie Nederland MvT Memorie van toelichting NOC*NSF Nederlands Olympisch Comité en de Nederlandse Sport Federatie NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit OM Openbaar Ministerie Ow Omgevingswet OVSE Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa PMV Provinciale milieuverordening RVV 1990 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 SGBO Staf Grootschalig en Bijzonder Optreden Stb. Staatsblad Stcrt. Staatscourant Sv Wetboek van Strafvordering SVW Scheepvaartverkeerswet Trb. Tractatenblad Vb 2000 Vreemdelingenbesluit 2000 VNG Vereniging van Nederlandse Gemeenten VOG Verklaring Omtrent het Gedrag Vw 2000 Vreemdelingenwet 2000 Wbp Wet bescherming persoonsgegevens WED Wet op de economische delicten Wok Wet op de kansspelen Wom Wet openbare manifestaties WOR Wet op de openluchtrecreatie Wrp Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche Wvgs Wet vervoer gevaarlijke stoffen WvSr Wetboek van Strafrecht WVW 1994 Wegenverkeerswet 1994 Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die slechts op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de definities kan het volgende worden opgemerkt. Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom. Voor het begrip ‘bebouwde kom’ kan aangesloten worden bij de aanwijzing van Gedeputeerde Staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, 2e lid, van de Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is. Ook is het mogelijk om de bebouwde kom aan te geven op een kaart die bij de verordening is gevoegd. Deze kaart maakt deel uit van de verordening en moet dus mee gepubliceerd worden. Een ander, praktisch alternatief is om als de definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Daarnaast kan er sprake zijn van een feitelijke bebouwde kom. Volgens vaste jurisprudentie is de vraag of een perceel al dan niet binnen de bebouwde kom ligt van feitelijke aard. Niet de plaats van het verkeersbord dat de bebouwde kom aangeeft, is bepalend, maar de aard van de omgeving. Van belang is waar de bebouwing feitelijk (nagenoeg) ophoudt. Daarbij is van belang of er sprake is van een concentratie van bebouwing en of het gebied door die bebouwing overwegend een woon- of verblijffunctie heeft. Zie ECLI:NL:RVS:2011:BQ5896/ECLI:NL:RVS:2008:BG4684 of ECLI:NL:RVS:2019:3842/ECLI:NL:RVS:2019:408. Bevoegd gezag Met het begrip ‘bevoegd gezag’ wordt aangehaakt bij de Omgevingswet. Die is van toepassing op de omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (artikel 2:11). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 5.1 van de Omgevingswet. De Omgevingswet kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in 5.1 Omgevingswet. Zie verder de toelichting bij artikel 2:10. De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project plaats vindt. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het college, maar bij Gedeputeerde Staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2:10 en 2:11. Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term ‘bevoegd bestuursorgaan’ voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college, ofwel de burgemeester. De Omgevingswet brengt hierin geen verandering. Bouwwerk Een bouwwerk is “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming direct of indirect met de grond verbonden is, of direct of indirect steun vindt in of op de grond en bedoeld om ter plaatse te functioneren”. Gebouw Hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving: “bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”. Handelsreclame In artikel 7, 4e lid van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met artikel 7, 1e lid van de Grondwet dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken en dergelijke. Aan een vergunningstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip ‘reclame’ dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot ‘handelsreclame’ heeft de in artikel 7, 4e lid van de Grondwet geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin van het woord en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningstelsel. Openbaar water Een ‘openbaar water’ in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is ieder water, dat open staat voor het publiek. ‘Openbaar’ is hier dus synoniem aan ‘feitelijk voor het publiek toegankelijk’. Openbare plaats Hiervoor is aangehaakt bij de Wom. Artikel 1, 1e lid van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus 2 criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de Memorie van Toelichting (MvT) zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de MvT (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 16). Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip ‘openbare plaats’ ook een aantal ’besloten plaatsen’ als bedoeld in artikel 6, 2e lid van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, 2e lid van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, 2e lid van de Grondwet (Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6). Parkeren De definitie van ‘parkeren’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1 van het Regels voor Verkeer en Vervoer 1990 (RVV). Dit artikelonderdeel verstaat onder parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die door de APV-bepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf stilstaan om benzine te tanken; ook in dit geval is er geen sprake van parkeren. Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. Voertuig De definitie van ‘voertuig’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1 van het RVV 1990. ‘Voertuigen’ in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen en dergelijke is een uitzondering gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen. Weg De definitie van ‘weg’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1, 1e lid onder b van de WVW 1994. Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Hiertoe behoren ook trottoirs, voetpaden, voetgangersgebieden, rijwielpaden en parkeerplaatsen of -terreinen. Uit de definitie van ‘openbare plaats’ blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt. Jurisprudentie ABRvS 16-03-1999, Gst. 1999, 7100, 3. Strandovergang is openbare weg in de zin van artikel 4, 1e lid onder II van de Wegenwet. ABRvS 29-08-2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD3795. Nu in dit geval onvoldoende vaststaat dat de strook grond een weg in de zin van de APV was, staat evenmin vast dat het verbod van de APV-bepaling is overtreden. Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen ‘op of aan de weg’. De term ‘aan de weg’ duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Als het gaat om stations die nog een doorloopfunctie hebben, of waarin bijvoorbeeld winkels aanwezig zijn, dan zijn deze (doorgangen
- in)stations weliswaar geen weg, maar wel openbare plaats. Artikel 1:2 Beslistermijn 1e en 2e lid Het uitgangspunt van artikel 4:13 Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. De VNG heeft een beslistermijn van 8 weken als voorbeeld opgenomen (1e lid). Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die bij gebreke van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn in artikel 4:13, 2e lid van de Awb wordt gesteld. Uiteraard kan een gemeente ook kiezen voor een andere, kortere of langere, beslistermijn of zelfs per type besluit voor verschillende beslistermijnen. Dit laatste doet bij uitstek recht aan het algemeen beginsel dat elke termijn redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen 8 weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is in de APV op 8 weken gesteld (2e lid). Ook hier geldt dat een individuele gemeente een andere termijn kan vastleggen. Uitgangspunt blijft altijd dat die termijn redelijk moet zijn. Artikel 4:14 van de Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen ingevolge artikel 6:2 onder b van de Awb in bezwaar en beroep gaan. Artikel 4:14 van de Awb schort de termijn niet op, het is alleen een 'beleefdheidsvoorschrift' om te laten weten dat de termijn niet gehaald wordt. Het is dus geen besluit. Zie hierover ook bijvoorbeeld Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, p. 10 (MvT Wet dwangsom en beroep). Daar wordt zelfs gezegd dat een dergelijk briefje in feite juist ‘een uitdrukkelijke erkenning door het bestuursorgaan (
- is)dat het in gebreke is’. Dienstenrichtlijn Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het 3e lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtwekentermijn van artikel 1:2 voldoet daaraan. Artikel 13, 3e lid van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium. De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij moet ook – ten overvloede – worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. 2e lid De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Wanneer bij het creëren van een vergunning- of ontheffingsplicht de formulering wordt gebruikt “het is verboden om (…) te doen zonder vergunning/ontheffing van (…) of in afwijking daarvan“, dan is een bepaling als in het 2e lid niet nodig. Het handelen in strijd met een vergunnings- of ontheffingsvoorschrift is dan immers ook verboden en levert dus een overtreding op waartegen met een last onder bestuursdwang kan worden opgetreden. Bij vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn op grond van artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen Omgevingswet, is noch de formulering “of in afwijking daarvan”, noch een bepaling à la artikel 1:4 2e lid, nodig. De reden is dat artikel 5.5 Omgevingswet het handelen in strijd met een vergunningsvoorschrift al heeft verboden. Voor alle andere vergunningen of ontheffingen op basis van de APV is het 2e lid van artikel 1:4 wel nodig. Handelen in strijd met zo’n vergunning of ontheffing levert dan strijd op met artikel 1:4, 2e lid juncto het vergunningsvoorschrift. Daartegen kan met bestuursdwang worden opgetreden. Dienstenrichtlijn Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan de algemene toelichting en het commentaar onder artikel 1:8. Op grond van artikel 10 5e lid van de Dienstenrichtlijn wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan. Sanctiebepaling In de algemene sanctiebepaling die in deze APV is opgenomen (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de aanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal ver overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een ander, terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat. Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken schriftelijk te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing. Literatuur en jurisprudentie Voor de overdraagbaarheid van APV-vergunningen, zie: C.L. Knijff, “Rechtsopvolging bij vergunningen in de gemeentepraktijk”, GS 2004, 7205, onder 3.4 Overgang uitgesloten: APV-vergunningen: Volgens artikel 1:10 is de vergunning of ontheffing persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Ingevolge artikel 1:11, aanhef en onder e, van de APV kan de vergunning of ontheffing worden gewijzigd indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. ABRvS 23-11-1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5058. De Afdeling is van oordeel dat de APV-bepaling niet afdoet aan het persoonsgebonden karakter van de vergunning. Van een zelfstandige bepaling die het persoonsgebonden karakter van de exploitatievergunning voor een coffeeshop kan opheffen is geen sprake, gelet op de aard van de vergunning en op de strekking van het in de APV neergelegde vergunningstelsel. De burgemeester was derhalve niet zonder meer gehouden zijn medewerking te verlenen aan een verzoek tot overdracht van een vergunning aan een derde. ABRvS 13-03-2019, ECLI:NL:RVS:2019:774. Aan de orde was een wijziging van de tenaamstelling van een vergunning op grond van de Wet op de kansspelen (Wok). De reden voor de wijziging van de tenaamstelling was een rechtsvormwijziging van de vergunninghouder(s). De rechtsvormwijziging brengt volgens de Afdeling niet mee dat er sprake is van overdracht van de vergunning. Wel oordeelt de Afdeling dat de wijziging van de tenaamstelling een ‘aanzienlijke wijziging’ van de vergunning is, die tevens heeft geleid tot een aanpassing van de vergunningvoorschriften. Aangezien het gaat om een éénvergunningstelsel en daarmee om een schaarse vergunning, komt de Afdeling tot het oordeel dat de wijziging niet is toegelaten. Bij een wezenlijke wijziging van een schaarse vergunning kan geen aanspraak worden gemaakt op continuering van de schaarse vergunning. Zie ook ABRvS 27 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2611. Als het gaat om een schaarse vergunning waarbij een wijziging van de tenaamstelling wordt beschouwd als een wezenlijke (of aanzienlijke) wijziging, moet dus opnieuw gelegenheid tot indiening van aanvragen worden geboden. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften hoeven te leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking. Onder d wordt grondslag geboden om een vergunning in te trekken als die langere tijd niet is gebruikt, bijv. bij het innemen van een standplaats. Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun zienswijzen naar voren te brengen (artikel 4:8 Awb). Jurisprudentie ABRvS 11-06-2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF9809. De burgemeester was in het onderhavige geval bevoegd de vergunning in te trekken. Intrekking van een vergunning vereist een zorgvuldige voorbereiding. Als specifieke kennis bij het bestuursorgaan ontbreekt, moet advies worden ingewonnen. Zes werkdagen zijn daarvoor voldoende. Artikel 1:7 Termijnen Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhan