Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Amersfoort houdende regels omtrent het VTH Beleidsplan 2019-20221.Inleiding Voor u ligt het VTH beleidsplan 2019-
- Dit is de opvolger van de Nota Integrale Handhaving Fysieke Leefomgeving. Met dit plan geven we invulling aan de wettelijke plicht die we hebben vanuit art. 7.1 Besluit omgevingsrecht (Bor). In dit plan staat beschreven hoe wij de komende jaren omgaan met onze taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-taken) binnen de omgeving waar mensen wonen, werken en recreëren. Naast het invullen van de wettelijke verplichtingen die we hebben, is het doel van het plan om een bijdrage te leveren aan het realiseren van de visie die VTH heeft: "Wij dragen bij aan een leefbare stad waarin inwoners en Bedrijven zonder al te veel gedoe hun zaken kunnen regelen en waarin iedereen zich houdt aan de regels." Dit doen we door risico’s in kaart te brengen, prioriteiten te stellen en doelstellingen te formuleren op de geprioriteerde thema’s. Door dit beleidsplan geven wij op uniforme en transparante wijze inzicht in de beleidskeuzes die we maken, de organisatiewijze en de uitvoering van de VTH-taken. Het beleid kent voor een groot deel een uitvoerend karakter omdat de wetgever ons opdraagt hier beleid voor vast te stellen. De strategische keuzes zitten voornamelijk in het vaststellen van de prioriteiten. 2.Afbakening en positionering Dit plan heeft betrekking op een breed scala aan VTH-taken binnen het omgevingsrecht. Samengevat gaat het over taken die betrekking hebben op: bouwen, ruimtelijke ordening, monumenten, milieu, brandveilig gebruik, openbare ruimte (APV), drank en horeca, coffeeshops en ondermijning. De volledige lijst met landelijke en lokale wet- en regelgeving waar dit beleidsplan betrekking op heeft is te vinden in bijlage
- Relatie met andere beleidsnota’s Er zijn 2 andere belangrijke beleidsnota’s die zich tot dit beleidsplan verhouden Integraal Veiligheids Programma (IVP) Dit programma ziet hoofdzakelijk op een uitwerking van de beleidskeuzes op het gebied van sociale veiligheid. Dit staat in verbinding met fysieke veiligheid waar dit beleidsplan op ziet. In de uitvoering is vaak sprake van overlap. Ook leveren vergunningverleners, toezichthouders en handhavers vaak direct een bijdrage aan het realiseren van de doelstellingen uit het IVP. De doelstellingen en prioriteiten uit het nieuwe IVP worden daarom waar van belang ook meegenomen in dit beleidsplan en in het Uitvoeringsprogramma dat hieruit volgt. Preventie- en Handhavingsplan Drank- en Horecawet Dit plan geeft inzicht in de wijze waarop wij invulling geven aan alcoholpreventie en handhaving van de Drank- en Horecawet. Bij de uitvoering van het DHW-plan wordt aansluiting gezocht bij deze nota en het HUP. 3.Leeswijzer Dit beleidsplan is opgebouwd uit een beknopte kern en een bijlagenboek. In de kern, welke nu voor u ligt, komen de volgende onderwerpen aan de orde: Visie op kwaliteit en plaats binnen de beleidscyclus Ontwikkelingen Visie op VTH Risico’s en prioriteiten Doelstellingen en indicatoren Uitvoeringsstrategie Er wordt steeds verwezen naar het bijlagenboek, welke integraal onderdeel uitmaakt van dit plan en waar een nadere uitwerking van de kern is te vinden. 4.De beleidscyclus Het VTH beleidsplan is het belangrijkste document in de VTH beleidscyclus. Deze cyclus staat hieronder afgebeeld in de big-
- Het VTH beleidsplan vormt het strategisch beleidskader. De in dit plan gestelde prioriteiten en doelstellingen worden in het Uitvoeringsprogramma VTH, het operationeel beleidskader, doorvertaald. In de begroting worden de financiële middelen geregeld. Na degelijke voorbereiding vindt de uitvoering plaats. De gestelde doelen worden gemonitord en na een jaarverslag volgt een bijstelling van het Uitvoeringsprogramma voor het volgende jaar. Het beleidsplan wordt eens per vier jaar opgesteld. De provincie controleert als interbestuurlijk toezichthouder of wij de big-8 naar behoren doorlopen en uitvoeren. 5.Visie op kwaliteit De raad heeft in 2017 de “Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Amersfoort 2017” vastgesteld. In deze verordening staat aangegeven dat de kwaliteitscriteria, welke landelijk gezien worden als het instrument om de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken te meten, gelden voor de taken die door de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD Utrecht) uit worden gevoerd. Voor wat betreft de VTH-taken die wij zelf uitvoeren is dat enkel het geval voor zover door burgemeester en wethouders nader bepaald. Door middel van het vaststellen van dit beleidsplan verklaart het college de kwaliteitscriteria ook van toepassing op de VTH-taken die binnen de eigen gemeentelijke organisatie uit worden gevoerd. Waar niet voldaan kan worden aan de criteria of waar dit toch niet wenselijk blijkt, zal aan worden gegeven waarom niet. Hier geldt het zogenoemde ‘comply or explain’. Of we passen de kwaliteitscriteria toe, of we leggen jaarlijks uit waarom we dat niet doen. De kwaliteitscriteria zijn geen doel op zich, maar een waardevol middel om een zo hoog mogelijke kwaliteit van uitvoering te realiseren. In de Uitvoeringsprogramma’s binnen deze beleidsperiode zal steeds aan worden gegeven welke activiteiten moeten worden ondernomen om aan de criteria te voldoen. In bijlage 2 “Visie op kwaliteit” staat een nadere uitleg van de kwaliteitscriteria. 6.Beleidsevaluatie In bovenstaande weergave van de Big-8 gaat de evaluatie van het beleid vooraf aan het opstellen van een nieuw beleidskader. In bijlage 4 is deze beleidsevaluatie opgenomen. Uit de beleidsevaluatie komen een aantal aanbevelingen voor het nieuwe Beleidsplan en zijn de doelstellingen die in 2018 in het Uitvoeringsprogramma zijn gesteld, geëvalueerd. 7.Ontwikkelingen Het omgevingsrecht is continu in ontwikkeling. Het is dan ook onmogelijk om hier alle ontwikkelingen te schetsen die gedurende deze beleidsperiode een rol zullen spelen. We volstaan met het benoemen van de belangrijkste ontwikkelingen en de richting die we daarin zoeken. In de Uitvoeringsprogramma’s worden activiteiten opgenomen om in te spelen op de op dat moment relevante ontwikkelingen. Invoeren omgevingswet Op 1 juli 2015 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Omgevingswet aangenomen. Deze wet zal op 1 januari 2021 van kracht worden. Het huidige omgevingsrecht is verbrokkeld en verdeeld over tientallen wetten. Er zijn aparte wetten voor ruimtelijk toezicht, bodem, waterbeheer, milieu, mijnbouw, monumentenzorg, natuur, geluid, bouwen en infrastructuur. Deze verbrokkeling leidt tot afstemmings- en coördinatieproblemen en verminderde kenbaarheid en bruikbaarheid voor alle gebruikers. De Omgevingswet beoogt om te komen tot één afgestemd instrumentarium voor de integrale aanpak van nieuwe initiatieven en de duurzame ontwikkeling voor gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Voor de invoering zullen we de wijze waarop we werken aan moeten passen aan de nieuwe wet. Op de inhoud is de verwachting dat er een verschuiving gaat plaatsvinden van vergunningverlening naar advisering aan inwoners en ondernemers en/of toezicht en handhaving. Dit is wel afhankelijk van de kaders die de raad zal stellen de keuzes zij daarin maakt. Energietransitie De energietransitie die landelijk is ingezet zal gevolgen hebben voor met name de activiteit bouwen onder de Wabo. De toetsing van vergunningaanvragen zal veranderen. Denk aan de eisen die gesteld worden aan nieuwe installaties als warmtepompen. De transitie zou een uitbreiding van het werkaanbod kunnen betekenen. Toezicht op basis van data Als overheden beschikken we over steeds meer data in verschillende databases welke nuttige informatie op kunnen leveren voor gericht toezicht. Met inachtneming van de juridische kaders (AVG) zullen we onderzoeken hoe we slim en efficiënt gebruik kunnen maken van deze data. Verwijderen asbestdaken Per 1 januari 2025 zijn asbestdaken verboden. Vanaf dat moment zullen we hierop moeten handhaven. In de aanloop naar 2025 zullen we een bijdrage leveren om voor 2025 zo veel mogelijk asbestdaken verwijderd te krijgen. Toezicht op bestaande gebouwen Mede onder invloed van de Omgevingswet en wet Private kwaliteitsborging bestaat de kans dat er een verschuiving plaats zal vinden van vergunningverlening naar toezicht. De bestaande gebouwenvoorraad veroudert en (thematisch) toezicht op deze voorraad zal vorm worden gegeven. Deze ontwikkeling is bovendien geprioriteerd in de raadspeiling van 8 januari
- 8.Missie en visie Op de afbeelding rechts staan de missie, visie en de leidende principes van VTH van de gemeente Amersfoort weergegeven. Deze is tot stand gekomen door een jarenlange ontwikkeling en ervaring in het werkveld. De elementen uit de visie zullen tot uitdrukking worden gebracht in een aantal concrete doelstellingen. In het Uitvoeringsprogramma VTH in geven we aan welke activiteiten we ondernemen om de visie zo goed mogelijk te realiseren. 9.Omgevingsanalyse In bijlage 5 staat een uitgebreide probleemanalyse opgenomen. De probleemanalyse bestaat uit een omgevingsanalyse en een risicoanalyse. In de omgevingsanalyse duiden wij wat voor soort gemeente Amersfoort is en welke uitdagingen we op het gebied van VTH verwachten de komende beleidsperiode. We kijken hierbij naar de sociaal geografische factoren en het aanbod van VTH- taken in het afgelopen jaar. 10.Risicoanalyse In bijlage 6 Risicomatrix gemeente Amersfoort’ is de volledige uitkomst van de risicoanalyse te vinden die voor Toezicht en Handhaving op is gesteld. Voor Vergunningverlening wordt er niet gewerkt met een risicoanalyse. Voor bouwen wordt de landelijke toetsmatrix (zie bijlage 7) en een daaraan gekoppeld toezichtsprotocol gebruikt. Deze laatste wordt deze beleidsperiode ingevoerd. Voor de overige vergunningen toetsen we volledig aan alle daarvoor geldende toetsingskaders (zie bijlage 8 Vergunningenstrategie). De risicoanalyse is opgesteld volgens een landelijke systematiek*. De activiteiten die een hoge of een zeer hoge risicoscore hadden zijn geprioriteerd in deze beleidsperiode. Deze activiteiten zijn aangevuld met de bestuurlijke prioriteiten van zowel het college als de raad. Om deze bestuurlijke prioriteiten op te halen is voorafgaand aan de vaststelling van dit plan een Peiling gehouden in de Amersfoortse raad. Gezamenlijk vormen zij de “Meerjaren-prioriteiten” voor deze beleidsperiode. * Risicomatrix gebaseerd op het model van het Expertisecentrum Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie dat is ontwikkeld in het kader van het programma Handhaven met effect 11.Meerjaren-prioriteiten VTH 2019-2022 Bouwenen RO Bouwen zonder vergunning > 100m3 Sloop zonder of in afwijking vande vergunning met asbestop bedrijventerreinen, buitengebied enkernen Bouwen zonder vergunning > 100m3 Toezicht op bestaande bouw Brandveiliggebruik van bouwwerken Bijeenkomstfunctie (onderwijs/kinderopvang) gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) gezondheidszorgfunctie (overig) Inrichting type B (Milieubelastend - meldingsplichting) Inrichting type C (Erg milieubelastend - vergunningplichting) Milieu(bodem) NalevingBesluit bodemkwaliteit (meldingen RUD) Saneringsplicht Wet bodembescherming Milieu (water) Lozing afvalwater Milieu (lucht) Geurhinder & stankoverlast Milieu (externe veiligheid) Opslag gevaarlijke stoffen (BEVI-inrichtingen) Vervoer gevaarlijke stoffen (weg, spoor, water & buisleidingen) Vuurwerk Milieu inrichtingen Milieutoezicht op bedrijven zonderverg./ melding Milieutoezicht bijkleine bedrijven Drank- en Horecawet Leeftijdsgrens Evenementen met vergunning Heelgroot, groot Evenementenzonder vergunning Heelgroot, groot, klein Drugs Drugshandel/ gebruik van drugs op straat Voertuigen Onbeheerd stallen van (brom)fietsen Parkeren Horecabedrijven Exploitatie openbare inrichting zonder of in afwijking vanvergunning Sluitingstijden openbare inrichting (ontheffing) Terras Seksinrichtingen Exploiteren seksinrichting zonder vergunning Straatprostitutie Vuurwerk Consumentenvuurwerk gebruik (aanwijzing) Dieren Loslopende honden (aanwijzing) Verontreiniging door honden Huishoudelijkafval Verbod inzameling & aanbieden huishoudelijk afval Jeugd Aanpakjeugdoverlast Algemeen Toezichtop basis van data Sociale veiligheid (ondermijning) Toezicht op socialeveiligheid 12.Relatie risico’s, prioriteiten, doelstellingen en top-10 Uit de VTH-visie en de vereisten uit de kwaliteitscriteria volgen een aantal algemene en kwaliteitsdoelstellingen. Deze doelen hebben een looptijd van 4 jaar. Uit de prioriteiten, die op de vorige pagina zijn benoemd, stellen we jaarlijks een top-10 op in het Uitvoeringsprogramma. Aan de top-10 worden prioriteitsdoelstellingen verbonden. Aan het eind van elk jaar wordt gekeken of deze doelstellingen zijn behaald en welke onderwerpen in het Uitvoeringsprogramma van het daaropvolgende jaar in de top-10 komen. We pakken de landelijke prioriteiten in Amersfoort doorgaans op via het “Provinciale Milieu Overleg” (PMO). Naast de overheden (gemeenten, provincie, waterschappen, Uitvoeringsdiensten, politie, Openbaar Ministerie), landelijke inspectiediensten (NVWA, RWS, Belastingdienst, SZW, ILT) en de Veiligheidsregio, nemen ook een aantal beherende instanties (Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Utrechts Landschap) en belangenorganisaties, zoals Utrechts Particulier Grondbezit deel aan het overleg.. 13.Gevolgen werkwijze prioriteitstelling Prioriteiten stellen we niet voor niets. We kunnen niet voor elke activiteit een doelstelling opstellen. Voor de geprioriteerde onderwerpen in de top-10 doen we dit wel. In de nalevingsstrategie (zie bijlage 9) staat uitvoerig beschreven wat per beleidsterrein (“Bouwen en Ruimtelijke Ordening”, “APV”, “Evenementen” en “Drank- en Horecawet, Horeca, Wet op de kansspelen en Coffeeshops”) de gestelde prioriteiten betekenen voor de mate van toezicht, de afhandeling van meldingen en de afhandeling van handhavingsverzoeken. Vereenvoudigd werken de prioriteiten als volgt door: Mate van toezicht Meldingen Handhavings- verzoeken Laag Geen Geen actie Licht feitelijk onderzoek en besluit Midden Geen Actie bij specifiek meldingenpatroon Onderzoek en besluit Hoog Niet planmatig Onderzoek en afhandeling Onderzoek en besluit Zeer Hoog Planmatig Onderzoek en afhandeling Onderzoek en besluit Per situatie zal wel een inschatting gemaakt worden in hoeverre direct handelen, ondanks een lage prioriteit, toch gewenst is. Zeker als de veiligheid in het geding is zal er direct gehandeld worden. Daarnaast krijgt iedereen altijd een terugkoppeling wat er met de melding wordt gedaan, of gedaan is. 14.Doelstellingen We maken onderscheid in 3 typen doelstellingen: Algemene doelstellingen: Doelstellingen voor VTH die we meten op outcome aangevuld met de doelstellingen per domein, veelal gemeten op output. Deze doelstelling gelden voor 4 jaar. Kwaliteitsdoelstellingen: Deze doelstellingen komen voort uit het Besluit omgevingsrecht (Bor), de kwaliteitscriteria de VTH-visie. Er zijn een aantal onderwerpen waar vanuit de Bor en de kwaliteitscriteria verplicht doelstellingen over moeten worden opgenomen. Daarnaast formuleren we aantal doelstellingen op basis van de VTH-visie die we hebben om deze visie ook te realiseren. Deze doelstellingen gelden voor 4 jaar. Prioriteitsdoelstellingen: Voor alle activiteiten die zijn geprioriteerd en die voor dat jaar in de top-10 van het Uitvoeringsprogramma zijn opgenomen, wordt tenminste één doelstelling opgenomen in het Uitvoeringsprogramma. Voor 2019 is die top-10 ook in dit beleidsplan te vinden. De prioriteitsdoelstellingen worden jaarlijks getoetst op doelbereiking en eventueel bijgesteld. 14.1Algemene doelstellingen 14.2Kwaliteitsdoelstellingen 14.3Prioriteitsdoelstellingen: Top-10 In “bijlage 5 Probleemanalyse en Risicoanalyse” staan alle activiteiten opgesomd die op basis van de risicoanalyse of de bestuurlijke wens hoge en of zeer hoge prioriteit hebben gekregen. Deze prioriteit heeft een gevolg voor de wijze waarop wij het werk uitvoeren (zie “
- Gevolgen prioriteitstelling” en in de Uitvoeringsstrategien). Jaarlijks kiezen we ook tien onderwerpen waar we, naast de algemene en de kwaliteitsdoestellingen, ook concrete doelstellingen op formuleren en waar we acties aan koppelen in het Uitvoeringsprogramma van dat jaar. Hieronder staat de “Top-10” voor 2019 met de daaraan gekoppelde doelstellingen. 15.Monitoring De Bor stelt in art. 7.6 dat gemeenten moeten monitoren of de doelstellingen worden bereikt. Om dit te meten is er een set aan indicatoren benoemd. In “bijlage 14 Doelstellingenoverzicht” is deze lijst met indicatoren opgenomen. Het betreffen indicatoren die genoemd staan in de kwaliteitscriteria aangevuld met indicatoren die volgen uit de beschreven doelstellingen. Denk aan het aantal en de aard van de genoemde aanvragen, aantal gegronde bezwaren en beroepen en de het naleefgedrag. 16.Vergunningenstrategie Onder punt 13 is vastgelegd welke doelen we willen bereiken. In de uitvoeringsstrategieën wordt bepaald hoe we dit gaan doen. In “bijlage 8 Vergunningenstrategie” wordt beschreven welke basiswerkwijzen worden gehanteerd bij de verschillende vergunningen en meldingen die we kennen. Uitgangspunt daarbij is dat dat burgers en bedrijven verantwoordelijk zijn voor het indienen van goede en volledige aanvragen. De aanvraag vormt immers de basis voor de te beoordelen vergunning. Bij de taakuitvoering worden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel nageleefd. Per activiteit wordt beschreven wat het beoordelingskader is en welke toetsen worden uitgevoerd. In “bijlage 12 Proces Vergunningverlening” en “bijlage 13 Proces Bouwtoezicht” staat het volledige proces voor bouwen gedetailleerd uitgewerkt. 17.Nalevingsstrategie De nalevingsstrategie bestaat uit de preventiestrategie, de toezichtstrategie, de sanctiestrategie en de gedoogstrategie. Deze strategieën zijn volledig uitgewerkt in “bijlage 9 Nalevingsstrategie”. De preventiestrategie beschrijft welke middelen worden ingezet om overtredingen van wet- en regelgeving te voorkomen. Hierbij speelt communicatie een cruciale rol. De toezichtstrategie beschrijft op welke wijze invulling wordt gegeven aan onze toezichtstaak. En met welke intensiteit het toezicht binnen deze thema’s en taken wordt uitgevoerd. Als overtredingen worden geconstateerd, zijn we in beginsel verplicht hiertegen handhavend op te treden. Hiertoe staan een aantal sanctiemiddelen ter beschikking. De handhavingsstrategie bepaalt welke sanctiemiddelen, wanneer en tegen welke overtredingen worden ingezet. De handhavingsstrategie wordt ook wel sanctiestrategie genoemd. Door middel van dit beleidsplan wordt de “Landelijke Handhavingsstrategie” (LHS) vastgesteld die ook op is genomen in bijlage
- Tenslotte wordt in de gedoogstrategie beschreven in welke bijzondere situaties en onder welke voorwaarden wij van handhavend optreden afzien. 18.Bijlagenboek Om dit beleidsplan kort en overzichtelijk te houden is er voor gekozen om veel beschrijvende delen op te nemen als bijlage in de vorm van een bijlagenboek. Dit bijlagenboek maakt onderdeel uit van dit beleidsplan. Bijlage 1 Overzicht wettelijke kaders Bijlage 2 Visie op kwaliteit Bijlage 3 Kwaliteitscriteria 2.1 Bijlage 4 Beleidsevaluatie Nota Integrale Handhaving Fysieke Leefomgeving Bijlage 5 Probleemanalyse en Risicoanalyse Bijlage 6 Risicomatrix VTH Amersfoort Bijlage 7 Toetsingsmatrix Bouwbesluit 2012 Amersfoort Bijlage 8 Vergunningenstrategie Bijlage 9 Nalevingsstrategie Bijlage 10 Landelijke handhavingsstrategie Bijlage 11 Sanctiebeleid horeca Amersfoort Bijlage 12 Proces Vergunningverlening Bijlage 13 Proces Bouwtoezicht Bijlage 14 Doelstellingenoverzicht Bijlage 15 Samenwerkingspartners en –afspraken Bijlage1:Overzicht wettelijke kaders Het VTH beleidsplan gaat over (de uitvoering van) de VTH-taken waarvoor wij het bevoegd gezag zijn. Het programma vloeit voort uit de wet- en regelgeving die betrekking heeft op de fysieke leefomgeving in een zo breed mogelijk zin. Concreet zijn dit de volgende landelijke en gemeentelijke kaders: Landelijke wet- en regelgeving Lokale regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Besluit omgevingsrecht (Bor) Marktverordening 2013 Regeling omgevingsrecht (Mor) Erfgoedverordening 2010 Woningwet (Wonw) Winkeltijdenverordening 2013 Bouwbesluit Afvalstoffenverordening 2015 Wet milieubeheer Huisvestingsverordening 2018 Activiteitenbesluit milieubeheer Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe inrichtingen buisleidingen/- transportroutes Besluit risico zware ongevallen (Brzo) Vuurwerkbesluit Wet bodembescherming (Wbb) Besluit bodemkwaliteit Besluit lozing afvalwater huishoudens Besluit lozing buiten inrichtingen Wet luchtkwaliteit (Wlk) Wet geurhinder veehouderij (Wgv) Wet geluidhinder (Wgh) Monumentenwet (ICC (Monw) Drank- en horecawet (Dhw) Wet op de kansspelen (Wodk) Winkeltijdenwet (Ww) Zondagswet (Zw) Deze nota is niet van toepassing op de taken die voortvloeien uit de sociale en financiële wet- en regelgeving waarvoor de gemeente het bevoegd gezag is of wordt. Zoals: de Wet werk en bijstand (Wwb); Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo); Leerplichtwet (Lpw); Wet kinderopvang (Wko); Wet onroerende zaken (Woz); Bijlage2:Visie op kwaliteit Visie op VTH In het Beleidsplan is de Amersfoortse visie voor de uitvoering op de VTH-taken opgenomen. Deze is weergegeven in onderstaande afbeelding. In deze visie is opgenomen welke hogere doelstelling we willen realiseren (missie), voor welke concrete doelstellingen wij gaan (visie) en op welke manier we dat willen bereiken (Leidende principes). Jaarlijks stellen we een jaarplan voor de afdeling op, waarin we omschrijven wat we in dat betreffende jaar gaan doen om dit te realiseren. Landelijke visie op kwaliteit: De kwaliteitscriteria(2.1) Landelijk is een set aan criteria ontwikkeld om de kwaliteit van de uitvoering van de VTH taken te meten, de Kwaliteitscriteria 2.1 (zie bijlage 3). Het is geen wettelijke verplichting om je aan deze criteria te houden, maar ze staan wel centraal in de discussie. Ook is in de wet opgenomen dat elke gemeente een verordening vast moet stellen waarin zij aangeeft hoe zij de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken wil waarborgen. In Amersfoort is deze verordening op 3 augustus 2017 vastgesteld. In deze verordening is opgenomen dat de kwaliteitscriteria gelden voor de taken die door de RUD uit worden gevoerd. Voor de taken die niet door de RUD worden uitgevoerd, en dus in overwegende mate binnen onze eigen organisatie, gelden de criteria voor zover nader door het college bepaald. Door middel van het vaststellen van dit Beleidsplan gelden deze criteria ook voor de taken die we in eigen huis uitvoeren. In het jaarlijkse Uitvoeringsprogramma zal verslag worden gedaan van de mate waarin aan de kwaliteitscriteria wordt voldaan. Voldoen aan de kwaliteitscriteria vergt een continue investering en onderhoud en meten waar je staat. In deze beleidsperiode zullen we dit verder vormgeven. De kwaliteitscriteria bestaat uit 3 onderdelen: Inhoudelijke criteria: met welke inhoudelijke kwaliteit wordt het werk uitgevoerd Op de inhoudelijke criteria voldoen we voor het overgrote merendeel. Veel van deze criteria zijn weer opgenomen in deel 2 “procescriteria”. In deze beleidsperiode zullen we evalueren waar we nog een stap moeten zetten om volledig aan deze criteria te voldoen. Procescriteria: De procescriteria samen leiden tot een sluitende cyclus en kwaliteitsborging. De procescriteria betreffen eisen aan het proces dat doorlopen wordt. De eis is dat de “Big-8” wordt doorlopen. In Amersfoort doorlopen we deze “Big-8” ook elke beleidsperiode. De procescriteria betreffen een lange lijst aan eisen waar aan voldoen moet worden. We voldoen aan de overgrote merendeel van deze criteria. Ruimte voor verbetering is er altijd. Met het vaststellen van dit Beleidsplan zetten we hierin ook weer een grote stap voorwaarts. Criteria voor kritieke massa: Criteria over vakmanschap (opleiding, ervaring, kennis en het onderhouden en borgen daarvan) Met de kwaliteitscriteria voor kritieke massa kan een antwoord gegeven worden op de vraag of een organisatie en haar medewerkers in principe in staat zijn om de taken en onderliggende operationele activiteiten uit te voeren, gegeven de minimaal benodigde deskundigheid voor de uitvoering van deze taken en de continuïteit daarvan. In Amersfoort beschikken wij over een robuust team van medewerkers die qua omvang voor het overgrote merendeel voldoen aan de kwaliteitscriteria. Voor de specialistische deskundigheidsgebieden is dit nog niet voldoende in beeld en moet dat nauwgezetter in kaart worden gebracht. Het bijhouden van vakmanschap door kennis en opleiding is een aandachtspunt. Een opleidingsplan is in de maak. Interbestuurlijk toezicht (IBT) De Provincie Utrecht ziet als interbestuurlijk toezichthouder toe of en in hoeverre gemeenten voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen, onder andere op het gebied van het omgevingsrecht. Het IBT richt zich zowel op de taken vergunningenverlening, toezicht en handhaving, als op ruimtelijke ordening, milieu, externe veiligheid en erfgoed/monumenten. In de provinciale verordening systematische toezichtinformatie is vastgelegd welke informatie de provincie van de gemeenten jaarlijks wil ontvangen op de onderdelen van het omgevingsrecht. Op basis van de aangeleverde informatie vindt de beoordeling plaats. Hierbij kan het oordeel uitkomen op ‘adequaat’, ‘redelijk adequaat’ of ‘niet adequaat’. De Amersfoort is over de periode 2016-2017 beoordeeld met het oordeel ’redelijk adequaat’. Voor de periode 2017-2018 is dit verbeterd naar het beste oordeel mogelijk ‘adequaat’. In termen van de kwaliteitscriteria is het IBT gefocust op de procescriteria. Ook op de inhoudelijke criteria en de criteria voor kritieke massa willen we blijven verbeteren. De verbeteringen die we jaarlijks willen realiseren staan opgesomd in “Productblad G IBT” van het jaarlijks Uitvoeringsprogramma. Kwaliteitscriteria 2.1 Voor vergunningverlening, toezicht en handhaving krachtens de Wabo 7 september 2012 Deel A: Algemeen 1 Inleiding 1.1 1 Achtergrond In artikel 21 van de Grondwet staat de zorgplicht van de overheid voor het milieu vermeld. De gezamenlijke overheden hebben daarom hier een belangrijke taak te vervullen. De instrumenten vergunningverlening, toezicht en handhaving in het Omgevingsrecht geven hier, naast andere instrumenten, invulling aan. Als overheid zijn we verantwoordelijk voor een goede taakinvulling. Belangrijk hierbij zijn afspraken over wat een goede taakinvulling is. In de Packagedeal die de VNG, het IPO en het Rijk in juni 2009 hebben gesloten, is afgesproken dat er kwaliteitscriteria worden ontwikkeld en vastgesteld waaraan vergunningverlening, toezicht en handhaving in het Omgevingsrecht moeten voldoen. Vanuit de uitdaging om te komen tot één set met criteria die het fundament vormt voor een adequate uitvoering van de vergunningverlening, toezicht en handhaving is de set aan kwaliteitscriteria 2.0 tot stand gekomen (3 december 2009). Een grote en brede groep praktijkdeskundigen uit gemeenten, provincies, landelijke en regionale diensten leverden hieraan een bijdrage. De ervaring die tot nu toe is opgedaan met de toepassing van deze criteria, heeft geleid tot de set kwaliteitscriteria 2.
- De uitdaging was om de aanpassingen door te voeren, zonder in te leveren op het ambitieniveau van de kwaliteitscriteria 2.
- De kwaliteitscriteria zijn herzien op tien punten, die vastgesteld zijn in het Bestuurlijk overleg van PUmA met de staatssecretaris van Milieu (28 juni 2012). Om de eenduidige interpretatie van de systematiek en daartoe behorende kwaliteitscriteria te bevorderen, is de structuur en diepgang van dit document aangepast en is aangesloten bij andere lopende trajecten als Programmatisch handhaven. 1.2 Doel De kwaliteitscriteria zijn bedoeld om de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving (de VTH-taken) door gemeenten en provincies in het Omgevingsrecht te professionaliseren en de kwaliteit in de organisatie te borgen. De criteria gaan over proces, inhoud en kritieke massa. Het voldoen aan de criteria zorgt ervoor dat het bevoegd gezag in staat is om de gewenste kwaliteit en continuïteit te leveren. De set maakt inzichtelijk welke kwaliteit van de VTH-taken burgers, bedrijven en instellingen, maar ook overheden onderling en als opdrachtgevers, mogen verwachten. Door te voldoen aan de criteria zorgt het bevoegd gezag ervoor dat ze in staat is om de gewenste kwaliteit te leveren. De kwaliteitscriteria zijn er op verschillende niveaus beschreven. Deels hebben ze betrekking op de organisatie en deels op de medewerkers. Voor de organisatie betekent dit dat er een sluitende beleidscyclus om kwaliteit te borgen moet zijn, er een inhoudelijke ondergrens is en de taken belegd moeten worden organisaties die continuïteit in de uitvoering kunnen garanderen. Op medewerkerniveau moeten de taken belegd worden bij medewerkers die voldoende deskundig zijn om deze taken adequaat uit te kunnen voeren. 1.2.1 Wat is er nog meer? In 2010 zijn de output- en outcomecriteria ontwikkeld voor VTH-taken. Het biedt organisaties handvatten voor het stellen van meetbare doelen en afrekenbare resultaten. De ouput- en outcomecriteria zijn daarmee een waardevolle concretisering op de kwaliteitscriteria 2.
- 1.2.2 Hoe nu verder? Deze set met kwaliteitscriteria zal conform het wetsvoorstel VTH wettelijk worden vastgelegd. De datum waarop alle overheidsorganisaties zullen moeten is per 1 januari
- De implementatie gaat niet vanzelf, daarom zal er vanaf begin 2013 een implementatietraject gestart worden. De uitvoering van de VTH-taken is veranderd in loop van de tijd. Ook de eisen die gesteld worden aan de uitvoering veranderen. Een dynamische set kwaliteitscriteria is daarom belangrijk, zodat de kwaliteit van de taken, ook bij nieuwe onderwerpen, gewaarborgd blijft. De eerste grote aanpassingen wordt verwacht begin 2015, wanneer het kwaliteitsstelsel moet draaien. 1.3 3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de afbakening van de kwaliteitscriteria beschreven. De driedeling in de kwaliteitscriteria is vervolgens in de hoofdstukken 3 (criteria voor kritieke massa), 4 (procescriteria) en 5 (criteria voor inhoudelijke kwaliteit en prioriteiten) uitgewerkt. In afwijking van versie 2.0 zijn de spelregels opgenomen in deze drie hoofdstukken. In de bijlagen zijn de kwaliteitscriteria opgenomen die voorheen (versie 2.0) in Deel B stonden. In bijlage 1 staan de criteria voor kritieke massa en in bijlage 2 de criteria voor proces, inhoudelijke kwaliteit en prioriteiten. 2 Afbakening In de onderstaande paragrafen is de afbakening van de kwaliteitscriteria uitgewerkt. 2.1 Voor wie zijn de criteria? De kwaliteitscriteria zijn primair voor het bevoegd gezag van de Wabo. Daarbij gelden de volgende bijzonderheden: De kwaliteitscriteria voor taken behorende bij de bevoegdheid van het Ministerie van Economische Zaken (voor mijnbouw) en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (voor defensieterreinen) zijn niet uitgewerkt. De kwaliteitscriteria gelden niet als eis voor de adviserende taken die door wettelijke adviseurs (LNV, OC&W en waterschappen) in het kader van de Wabo worden uitgevoerd. De kwaliteitscriteria gelden wel voor de activiteiten in het kader van de verklaring van geen bedenkingen (vvgb), omdat deze vvgb in feite een onderdeel van de omgevingsvergunning betreft waarvoor een ander bestuursorgaan materieel bevoegd gezag is. De kwaliteitseisen gelden voor dat bestuursorgaan met betrekking tot het vvgb-onderdeel. De criteria hebben geen betrekking op artikel 2.2 van de Wabo (autonome taakuitoefening, onder meer kap en inrit). Een vrijwillige toepassing van de criteria op deze taken uit artikel 2.2 is uiteraard mogelijk. 2.2 2 Reikwijdte takenpakket De criteria hebben betrekking op het minimale kwaliteitsniveau dat nodig is om taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (inclusief de hiervoor benodigde activiteiten) tijdig, met de juiste procedurele en inhoudelijke kwaliteit en in continuïteit te kunnen uitvoeren. De afbakening is gebaseerd op artikel 2.
- van de Wabo. Het betreft de vergunningverlening van, het toezicht op én de handhaving van onder meer de activiteiten bouwen, monumenten, milieu, brandveilig gebruik, planologische afwijking, flora- en fauna en natuurbescherming. Op grond van artikel 2.1 zijn de onderstaande taken te benoemen: Het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een omgevingsvergunning; Het afhandelen van meldingen; Het verlenen van ontheffingen; Het opstellen en vaststellen van een verklaring van geen bedenkingen. De afbakening voor toezicht en handhaving is gebaseerd op de activiteiten die zijn benoemd in artikel 2.1 van de Wabo, op de activiteiten zoals bedoeld in artikel 5.2, eerste lid van de Wabo en op de rechtstreekse verboden op grond van de wetten (o.a. Wet bodembescherming, Wet milieubeheer, Wet ruimtelijke ordening en Woningwet) en artikelen die in bijlage 1 zijn opgenomen. Op grond van artikel 5.2, eerste lid van de Wabo zijn de volgende taken te benoemen: Informatie verzamelen over de vraag of een activiteit of zaak voldoet aan de daaraan gestelde eisen, het zich daarna vormen van een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan interveniëren of adviseren ter zake van sanctionering aan het bevoegd gezag; Informatie vastleggen en uitwisselen (inclusief de overdracht en meldingen aan het OM) met het oog op de beoordeling van de naleving van de regelgeving door de rechtssubjecten en de eventueel daarop volgende interventie of advisering inzake het opleggen van bestuurlijke sancties (waaronder het opleggen van een bestuurlijke strafbeschikking); Zorg dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de geldende voorschriften, op grond van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten voor degene die het betrokken project uitvoert; Beoordelen van wettelijke adviezen in het kader van bestuursrechtelijke, dan wel strafrechtelijke bevoegdheden; Klachten behandelen die betrekking hebben op de naleving van de regelgeving door rechtssubjecten; Bestuursrechtelijke of strafrechtelijke sanctiebevoegdheden toepassen (en in dat kader procedures te voeren). Tenslotte is de afbakening voor zowel vergunningverlening als toezicht en handhaving gebaseerd op de activiteiten die benoemd zijn in artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3 van de Wabo. Dit betreffen de activiteiten voor het verlenen van de omgevingsvergunning in strijd met het vigerende bestemmingsplan, het inpassingplan of de beheersverordening en waarvoor een goede ruimtelijke onderbouwing en motivering nodig is (afwijkingsbesluit). 2.3 Elementen van de kwaliteitscriteria In lijn met het gedachtegoed vanuit (inter-)nationale standaarden voor kwaliteitsmanagement is gekeken naar de belangrijkste elementen voor het opstellen van de kwaliteitscriteria om de uitvoeringspraktijk op een steeds hoger plan te krijgen. Deze elementen zijn
(1)de kritieke massa,
(2)proceskwaliteit en
(3)inhoud en prioriteiten en worden in de volgende hoofdstukken uitgewerkt. 3 Criteria voor kritieke massa 3.1 Waarom? Het fundament van kwaliteit is het afleveren van een zo goed mogelijk product. Hiervoor is vooral vakmanschap nodig. De criteria voor kritieke massa adresseren dit vakmanschap in termen van voldoende opleiding, ervaring, kennis en het onderhouden en borgen daarvan. Organisaties en medewerkers die aan deze criteria voldoen moeten in de kern in staat zijn om producten af te leveren met de gewenste kwaliteit. Met de kwaliteitscriteria voor kritieke massa kan een antwoord gegeven worden op de vraag of een organisatie en haar medewerkers in principe in staat zijn om de taken en onderliggende operationele activiteiten uit te voeren, gegeven de minimaal benodigde deskundigheid voor de uitvoering van deze taken en de continuïteit daarvan. In dit hoofdstuk zullen de criteria van de kritieke massa uiteen worden gezet, mede aan de hand van enkele spelregels die voor de organisaties gelden. 3.2 Overwegingen 3.2.1 Afhankelijkheid van werkaanbod Er zijn situaties denkbaar die logischerwijs niet zullen voorkomen gezien de aard, grootte of omvang van het inrichtingenbestand dan wel het gebied. Indien het bevoegd gezag dit gemotiveerd kan aantonen, dan hoeft zij niet over de betreffende deskundigheidsgebieden te beschikken. Dit is met name afhankelijk van: De aard en complexiteit van de aanvragen; De aard en omvang van bouw- en/of verbouwactiviteiten; De klasse inrichtingen per sector; De (delen van) specialistische deskundigheidsgebieden die uitbesteed worden; Het principebesluit om wel of geen afwijkingsbesluiten te nemen. De criteria voor kritieke massa hebben geen relatie met de omvang van het werkaanbod. Organisaties die een beperkt aantal activiteiten uitvoeren, dienen te voldoen aan dezelfde criteria als organisaties die veelvuldig deze activiteiten uitvoeren. De criteria voor kritieke massa geven de organisaties een ondergrens van het aantal medewerkers en hun deskundigheid, die nodig is om activiteiten in continuïteit uit te kunnen voeren. Het is zeer waarschijnlijk dat bij een aantal organisaties vanuit het werkaanbod een grotere capaciteit nodig is voor een aantal deskundigheden dan in dit rapport (op basis van de kritieke massa) staat aangegeven. Daarnaast zal er mogelijk op onderdelen onvoldoende werkaanbod zijn voor het benodigde aantal medewerkers en de bijbehorende tijdsbesteding per persoon. Het verdient in dat geval dan ook aanbeveling om de samenwerking met andere partijen op te zoeken. De kwaliteitscriteria in dit rapport zijn niet de rekentool om te bepalen wat het aantal benodigde medewerkers is op basis van het werkaanbod. In de procescriteria is bij criterium 2 (probleemanalyse) en criterium 11 (borging personele en financiële capaciteit) aangegeven op basis waarvan de capaciteit moet worden vastgesteld en geborgd. 3.2.2 Vaardigheden en competenties Kritieke massa heeft geen betrekking op algemene (sociale) vaardigheden en competenties. Hiermee worden vaardigheden en competenties bedoeld die niet direct te koppelen zijn aan de wettelijke afbakening maar waaraan medewerkers van overheidsorganen veelal moeten voldoen, zoals het kunnen opstellen van besluiten en project- en procesmanagement. Vanuit het oogpunt van lokale autonomie en in aansluiting op bestaande competentieprofielen is er gekozen geen competentieprofielen te ontwikkelen in het kader van dit project. Binnen het Programma Uitvoering met Ambitie is binnen het project Arbeidsmarkt en deskundigheid wel aandacht voor opleidingen en het ontwikkelen van de juiste competenties. De deskundigheidsgebieden waarvoor de kritieke massa geldt zijn geen functieprofielen. Zij ordenen de activiteiten die uitgevoerd moeten worden en geven vervolgens per activiteit aan welke kritieke massa nodig is. In de praktijk kan één medewerker over meerdere deskundigheden beschikken. 3.2.3 Verschillende eisen binnen één deskundigheidsgebied In sommige gevallen gelden voor de activiteiten binnen één deskundigheidsgebied verschillende eisen voor kritieke massa. In de praktijk betekent dit dat activiteiten door verschillende personen binnen of buiten de organisatie kunnen worden uitgevoerd en dat de organisatie dan alsnog voldoet. Met andere woorden, het is goed mogelijk dat drie van de vier activiteiten van één deskundigheid door medewerker A, B of C worden uitgevoerd en de overige activiteiten door medewerker D en E. Voor de deskundigheden „3. Vergunningverlening milieu‟ en „5. Toezicht en handhaving milieu‟ geldt een verbijzondering. Voor deze deskundigheden is onderscheid gemaakt in de sectoren
(1)procesindustrie,
(2)agrarisch en
(3)afval. Medewerkers die binnen deze sectoren actief zijn, dienen minimaal 1/3 van een fte te besteden aan deze sector én in totaal minimaal 2/3 van een fte te besteden aan de deskundigheid „
- Vergunningverlening milieu‟ of „
- Toezicht en handhaving milieu‟. Spelregel: De bevoegd gezag organisatie dient te voldoen aan de criteria, ongeacht waar activiteiten worden uitgevoerd. Hieronder staat van deze mogelijkheid een concreet voorbeeld uitgewerkt. 3.2.4 Mogelijkheden voor integraal werken De optelsom van het aantal medewerkers in de deskundigheidstabellen is niet gelijk aan het totaal aantal benodigde medewerkers. In de tabellen (deel B) staat hoeveel medewerkers over een bepaalde deskundigheid moeten beschikken. Eén medewerker kan beschikken over deskundigheid voor meerdere activiteiten, groepen van activiteiten of deskundigheidsgebieden. De frequentie waarmee de taak uitgevoerd moet worden is bepalend voor over hoeveel deskundigheidsgebieden één medewerker kan beschikken. Spelregel: Eén persoon kan (delen van) meerdere deskundigheden bezitten en daarbij is het ook mogelijk om generieke en specialistische deskundigheden te combineren. Het verenigen van generieke en specialistische deskundigheden binnen één persoon is in principe mogelijk als de opleiding, kennis en ervaring vanuit een specialistische deskundigheid vaak binnen een generieke deskundigheid worden toegepast. Gangbare voorbeelden hiervan zijn het combineren van de generieke deskundigheden „
- Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening‟ en ‟
- Bouwfysica‟. of bijvoorbeeld het combineren van de generieke deskundigheid „
- Vergunningverlening milieu‟ en de specialistische deskundigheid ‟
- Luchtkwaliteit‟. Spelregel: De deskundigheden ‘
- Behandelen juridische aspecten vergunningverlening’ en ‘
- Behandelen juridische aspecten toezicht en handhaving’ zijn te combineren wanneer de domeinen ‘bouw’ en ‘milieu’ voldoende geborgd zijn en een minimaal aantal van vier medewerkers voor beide deskundigheden tezamen zeker wordt gesteld. Organisaties die de activiteiten van de deskundigheidsgebieden „
- Behandelen juridische aspecten vergunningverlening‟ en „
- Behandelen juridische aspecten toezicht en handhaving‟ uitvoeren binnen zowel het domein bouwen en milieu, kunnen voldoen met vier medewerkers die ieder 2/3 fte besteden. Van deze vier medewerkers dienen: er twee te voldoen aan de eisen voor „
- Behandelen juridische aspecten vergunningverlening‟ en twee te voldoen aan de eisen voor „
- Behandelen juridische aspecten toezicht en handhaving‟. er twee hoofdzakelijk binnen het domein milieu actief te zijn en twee hoofdzakelijk binnen het domein bouwen. Daardoor zijn er mogelijkheden tot collegiaal overleg en is er achtervang beschikbaar binnen
(1)deskundigheden vergunningverlening en toezicht & handhaving en
(2)binnen de domeinen bouwen en milieu. Indien een organisatie alleen binnen het milieudomein actief is, gelden alleen de eisen voor „
- Behandelen juridische aspecten vergunningverlening‟ en de eisen voor „
- Behandelen juridische aspecten toezicht en handhaving‟. Voor alle combinaties geldt de eis van functiescheiding op dossier- dan wel objectniveau. 3.2.5 Functiescheiding Voor functiescheiding gelden de volgende spelregels. Spelregel: Voor de generalistische deskundigheidsgebieden geldt een principiële functiescheiding op persoonsniveau tussen vergunningverlening enerzijds en toezicht en handhaving anderzijds. Deze scheiding op persoonsniveau geldt ook tussen vergunningverlening of toezicht en handhaving enerzijds en het bevoegd gezag in de rol van initiatiefnemer of ontwikkelaar anderzijds. Voor de specialistische functies geldt een scheiding op object- of dossierniveau. Een specialist die een advies heeft uitgebracht in het vergunningverleningproces voor dossier X kan niet dezelfde zijn die in het toezicht- en handhavingproces een advies opstelt voor ditzelfde dossier. Bij toezicht en handhaving voor bouwwerken geldt nog een extra eis. De scheiding op dossier- of objectniveau geldt ook tussen de bouwfase en de gebruiksfase voor de toezichthouders. De toezichthouder die tijdens de bouw toezicht heeft gehouden kan niet dezelfde zijn die in de gebruikfase het toezicht op ditzelfde object of dossier uitvoert. Deze spelregel geldt niet voor de specialisten die de toezichthouder daarbij consulteert. 3.2.6 Complexe versus eenvoudige situaties en activiteiten Indien voldaan wordt aan de deskundigheidseisen voor complexere activiteiten, dan wordt automatisch voldaan aan de deskundigheidseisen voor dezelfde eenvoudige activiteiten. Ditzelfde geldt ook voor de indeling in klassen bij de deskundigheden „
- Vergunningverlening milieu‟ en „
- Toezicht en handhaving milieu‟. Het is in de praktijk mogelijk activiteiten te combineren binnen één medewerker. Waarbij geldt dat indien deze medewerker voldoet aan de eisen voor de hoogste klasse (III), deze medewerker automatisch voldoet aan de eisen voor de lagere klassen (I en II) binnen dezelfde sector. In de deskundigheidstabellen is per deskundigheidsgebied aangegeven of er een onderscheid is te maken tussen complexe en eenvoudige situaties waar binnen activiteiten worden uitgevoerd. Aan het uitvoeren van de activiteiten zijn op deze manier verschillende eisen gesteld afhankelijk van de complexiteit. De mate van complexiteit is daarmee mede bepalend voor aan welke delen van de kritieke massa criteria de organisatie moet voldoen. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke situaties complex zijn en welke situaties eenvoudig. Een medewerker op HBO-niveau beoordeelt bij de intake per geval of er sprake is van een complexe of eenvoudige situatie. Daarbij gelden wel enkele richtlijnen. Casemanagen Meervoudige aanvragen waarbij onder andere sprake is van het in werking stellen of wijzigen van vergunningplichtige bedrijfssituatie, zijn per definitie complex. De complexiteit van overige aanvragen is afhankelijk van diverse factoren. Bouwen De complexiteit van de activiteiten wordt veroorzaakt door de ingewikkeldheid van de activiteit zelf of het type bouwwerk. Hierbij zijn de volgende bouwwerken doorgaans niet- complex: (Schotel) antennes; Gevelwijzigingen; Erf- en perceelsafscheidingen; Zonnecollectoren en zonnepanelen; Dakkapel/dakopbouw; Dakramen; Reclame Bijgebouw, berging/garage; overige gebruiksfunctie < 50 m2 Verbouw/aanbouw woningen; Geschakelde en seriematige bouw. De volgende type bouwwerken zijn doorgaans complex: Gestapelde bouw; Bouwwerken > 1000 m2; Bouwwerken waar personen slapen (m.u.v. woningen). De volgende aspecten kunnen een bouwwerk complex maken: Kwaliteit aangeleverde stukken; Aanvragers die de grenzen van de bouwregelgeving zoeken; Bijzondere bouwmethoden; Klachten/handhavingzaken; Calamiteiten; Verbouwingen waarbij er gebruik gemaakt wordt van het rechtens verkregen niveau; Bebouwde omgeving (kans schade omgeving/bouwveiligheid); Gelijkwaardigheden; Meerdere functies; Aanwezigheid brandmeld-/ontruimingsinstallaties; Woningen kunnen complex zijn als er sprake is van het opzoeken van grenzen bij epc-, daglicht-, ventilatieberekeningen etc.; Luxe villa bouw is meestal ook complex. Deze indeling komt ook terug bij de specialistische deskundigheidsgebieden met het accent bouwen: ‟
- Bouwfysica‟, ‟
- Brandveiligheid‟, ‟
- Constructieve veiligheid‟ en ‟
- Bouwakoestiek‟. Afwijkingsbesluiten Complexe afwijkingsbesluiten zijn bouwplannen of gebiedsontwikkeling met potentiële strijdigheid met diverse gemeentelijke, provinciale, landelijke en Europese toetsingskaders, een groot aantal belanghebbenden, meerdere procedures en/of ontheffingen tegelijkertijd (o.a. M.e.r. procedures, Natura 2000, diverse erfgoedbepalingen, etc) en/of een relatief hoge kans op een Raad van State procedure. Milieu Voor activiteiten milieu wordt onderscheid gemaakt in de klassen I, II en III. Uitgangspunt is dat bij het opstellen van de probleemanalyse (procescriterium 2) bepaald wordt of een inrichting complex of niet-complex is. Jaarlijks wordt geëvalueerd of de handhavingresultaten uitmonden in verbeteringen ten aanzien van de handhaving(beleid)cyclus (procescriterium 19.3 g). Dit geldt alleen voor klasse II. De volgende indeling wordt gehanteerd als richtlijn. Klasse VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering Activiteitenbesluit IPPC BRZO Opleiding en ervaring I Cat.1 en 2 TypeA en B Nee Nee MBO,3 jaar II Cat. 3.1 t/m 4.2 Type B en C Nee Nee MBO of HBO, 3 jaar III Cat. 4.2 t/m 6 Type C, incl. IPPC Ja Ja HBO + sectorkennis, 3 jaar Geluid Van complexe situaties is sprake bij meervoudige bronnen. 3.3 Definities Om de criteria voor kritieke massa goed te kunnen begrijpen en te interpreteren zijn heldere definities nodig. De criteria voor kritieke massa zijn uitgewerkt op basis van het onderstaande model. Figuur 1: Model kritieke massa Op hoofdlijnen bestaat de kritieke massa uit de onderstaande elementen: Deskundigheid Opleiding: de minimale basisopleiding en een indicatie van de aard en de omvang van de benodigde aanvullende opleidingen waarmee de kennis is te verkrijgen. Werkervaring: het minimale aantal jaren relevante werkervaring die men nodig heeft om de taak zelfstandig uit te kunnen voeren. Aanvullende kennis: de minimaal benodigde basiskennis en diepgaande kennis voor de zelfstandige uitvoering van de taak, in aanvulling op de opleidingen. Continuïteit Frequentie: de minimale frequentie per jaar waarmee een taak zelfstandig moet worden uitgevoerd om de deskundigheid te behouden. Aantal: het minimale aantal medewerkers met de omschreven deskundigheid en frequentie waarover de organisatie moet kunnen beschikken om de noodzakelijke deskundigheid te kunnen borgen. Borging: de omgeving waar deze activiteiten uitgevoerd moeten worden (binnen de overheid of uitbesteed) en de mogelijkheden die er zijn om in te huren. In de onderstaande paragrafen worden deze elementen van de kritieke massa toegelicht en worden wederom (daarbij behorende) spelregels geformuleerd. Allereerst wordt in figuur 2 gevisualiseerd hoe de criteria voor kritieke massa zijn weergegeven in deel B. Figuur
- Elementen van de criteria voor kritieke massa 3.3.1 Borging In de tabellen is aangegeven of bepaalde activiteiten binnen de overheid uitgevoerd moeten worden of aan marktpartijen uitbesteed kunnen worden. Spelregel: Activiteiten binnen de verschillende deskundigheden kunnen in sommige gevallen worden uitbesteed en dienen in sommige gevallen binnen de overheid uitgevoerd te worden. Activiteiten dienen binnen de overheid uitgevoerd te worden, indien: De activiteit behoort tot één van de kernactiviteiten van de Wabo. Een mogelijkheid bestaat voor belangenverstrengeling wanneer activiteiten worden uitgevoerd door een marktpartij. De onafhankelijkheid van de uitvoerende medewerker in het geding kan komen. De mogelijkheid tot uitbesteden is op activiteitenniveau binnen de deskundigheidsgebieden aangegeven. Indien de deskundigheid benodigd voor het uitvoeren van de activiteit redelijkerwijs alleen bij gespecialiseerde bureaus te verwachten is, dan bestaat de mogelijkheid deze activiteiten uit te besteden. Hiervoor geldt dat specifieke activiteiten of deskundigheidsgebieden binnen de overheid georganiseerd dienen te zijn. Op de volgende pagina is in figuur 3 samengevat welke deskundigheidsgebieden binnen de overheid uitgevoerd dienen te worden en welke mogelijk uitbesteed kunnen worden. Figuur 3: Schematische weergave van deskundigheidsgebieden die binnen de overheid uitgevoerd moeten worden en die uitbesteed kunnen worden. Bij Deskundigheid „
- Vergunningverlening milieu‟ is activiteit 6 een uitzondering. Deze mag worden uitbesteed aan een marktpartij, mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschikt over minimaal één medewerker die voor de deskundigheid nodig is voor activiteit
- Spelregel: Als uitbesteden is toegestaan dan zorgt het bevoegd gezag voor het tijdig beschikken over de benodigde deskundigheid en zorgt het bevoegd gezag dat de activiteiten behorend bij de verschillende deskundigheidsgebieden worden uitgevoerd door de daartoe toegeruste personen. In de uitwerking in deel B van dit rapport is per deskundigheidsgebied aangegeven voor welke (delen van) deskundigheden en of activiteiten uitbesteding mogelijk is en onder welke aanvullende condities. Deskundigheden zijn binnen de overheid georganiseerd als zij belegd zijn bij personen: die zijn aangesteld door het bevoegd gezag; die zijn aangesteld door het bestuur van een gemeenschappelijke regeling 1 Een regionale uitvoeringsdienst, een veiligheidsregio, een regionalebrandweer zijn voorbeelden voor dergelijke gemeenschappelijke regelingen; indien een andere juridische vorm voor eenregionale uitvoeringsdienst wordt toegepast wordt die ook hier bedoeld. waaraan het bevoegd gezag voor de betreffende activiteiten deelneemt; aangesteld door derden of werkzaam als zelfstandige zonder personeel, in de vorm van detachering (de persoon werkt een vast aantal dagen per week voor een vaste periode bij de overheidsorganisatie). Waarbij de overheidsorganisatie zelf verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de uitgevoerde werkzaamheden en in staat is deze zelf te beoordelen. Daarvoor is het nodig dat de overheid zelf minimaal één persoon in dienst heeft die beschikt over de betreffende deskundigheden en behoort tot het eerste en tweede punt van bovenstaande opsomming; die zijn aangesteld door andere overheden (waar het bevoegd gezag geen bestuurlijke verantwoordelijkheid voor draagt), waarmee het bevoegd gezag een structureel samenwerkingscontract heeft, Deskundigheden zijn uitbesteed als zij belegd zijn bij personen: die zijn aangesteld door andere overheden (waar het bevoegd gezag geen bestuurlijke verantwoordelijkheid voor draagt), waarmee het bevoegd gezag een ad hoc-contract heeft gesloten voor het leveren van die deskundigheden; die zijn aangesteld door derden in de vorm van adviesdiensten (ad hoc advies, geen detachering). In onderstaand figuur 4 is de wijze van beleggen van activiteiten schematisch weergegeven. Figuur 4: schematische weergave van beleggen van activiteiten bij de juiste personen in het kader van uitbesteden. Spelregel: Wanneer uitbesteden is toegestaan, zijn de benodigde kritieke massa criteria expliciet benoemd in de deskundigheidstabellen en behoudt het bevoegd gezag de bestuurlijke verantwoordelijkheid. Het bevoegd gezag is en blijft ook bij uitbesteding verantwoordelijk voor de inzet van de betrokken deskundigheid bij het te nemen besluit. Het bevoegd gezag blijft ook altijd verantwoordelijk voor het voldoen aan kwaliteitseisen, waaronder die van de kritieke massa criteria. Dit geldt wanneer de uitvoering van (specifieke activiteiten binnen) deskundigheden wordt uitbesteed aan elke organisatie. Dit geldt ook als sprake is van het werken onder mandaat. Het volledig overdragen van verantwoordelijkheden, waaronder die voor het voldoen aan de kwaliteitscriteria, is alleen mogelijk via het delegeren daarvan. Een Openbaar Lichaam op grond van de Wgr leent zich hier, onder specifiek in de wet benoemde situaties. Spelregel: Wanneer uitbesteden is toegestaan verklaart de uitvoerende organisatie te voldoen aan de criteria. De organisatie die de betreffende deskundigheid levert aan het bevoegd gezag moet voldoen aan de kwaliteitscriteria voor de kritieke massa en de activiteiten dienen uitgevoerd te worden op basis van de overige criteria voor proces, inhoudelijke kwaliteit en prioriteiten. 3.3.2 Opleiding De verschillende elementen van opleiding zijn als volgt gedefinieerd: Nr. Opleiding 1 Basisopleiding: Hetminimale denkniveau, uitgedrukt in termen van relevante MBO,HBO of WO opleiding. 2 Aanvullende opleiding(en): De minimaal benodigde aanvullende opleidingen. Alleen vantoepassing indien de betreffende onderwerpen niet aantoonbaar onderdeel uitmaken van de basisopleiding. De benodigde permanente bijscholing is inhet kader van dit projectniet uitgewerkt. Basiscursus: een cursus van indicatief 1-5 dagenvoor de genoemde opleiding of het thema. Verdiepingscursus: een cursus of opleiding van indicatief 5-10 dagenper genoemde opleiding of thema. Specialistische opleiding: een opleiding van indicatief meer dan 10 dagen. Specifiekemodules, standaard opleidingen, post HBO opleidingen en certificaten worden expliciet genoemd. Indien ditaan de orde is, wordt actualiseringsplichtvermeld. Van medewerkers wordt verwachtdat zij de kennis die uitde genoten opleidingen voortkomt, altijd actueelhouden. Voor bijscholing zijndaartoe (nog) geencriteria opgenomen. Een vergunningverlener Wet milieubeheer met 20 jaar ervaring heeft als basis een MBO opleiding. Zijn ervaring beslaat veel complexe procedures met zware chemische inrichtingen, MER procedures en hij heeft als specialisatie afvalstoffen. Deze vergunningverlener kan aan alle criteria die voor vergunningverlener klasse III afval worden genoemd voldoen, mede gezien aanwezige kennis en ervaringop het gebied van het LAP, IPPC, verbranden en storten.Echter gezien zijn basisopleiding (een MBO opleiding) zou hij niet voldoen aan de criteria voor opleiding. Spelregel: Aan de in de tabellen benoemde opleidingseisen kan ook voldaan worden door aantoonbaar gelijkwaardige opleiding en/of verkregen werk- en denkniveau door ruime ervaring. Dit laatste kan bijvoorbeeld door middel van de systematiek die gehanteerd wordt in het kader van de Beoordelingsrichtlijn (BRL) 5019 (zie www.bpt.nu) of een volledig uitgewerkte systematiek voor Erkenning Verworven Competenties (EVC). De systematiek van eerder verworven competenties kan worden toegepast in specifieke gevallen. Bijvoorbeeld wanneer een medewerker meer dan 2 jaar werkervaring heeft en dat kan bewijzen met beoordelingen, getuigschriften en verklaringen. En de systematiek is toepasbaar wanneer een medewerker met bijvoorbeeld met goede beoordelingen op een hoger niveau of in een andere functie actief is dan waar hij een diploma voor bezit. Indien het bevoegd gezag deze aantoonbare vergelijkbare opleidingseisen kan motiveren, dan voldoen de betreffende medewerkers en daarmee de organisatie. Spelregel: Voorgeschreven opleidingseisen betreffen minimale eisen. In sommige gevallen is het verstandig op eigen initiatief van het bevoegd gezag voor bepaalde activiteiten academisch (WO) niveau in te zetten in plaats van HBO niveau. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de verschillende juridische deskundigheidsgebieden, ‟
- Bouwfysica‟, ‟
- Constructieve veiligheid‟, ‟
- Externe veiligheid‟, ‟
- Luchtkwaliteit‟, ‟
- Geluid‟ of bij ‟
- Cultuurhistorie‟. De noodzaak voor HBO of academisch niveau is hierbij lastig exact te bepalen. Daarom is voor de kritieke massa criteria in deze gevallen HBO als opleidingseis opgenomen. Spelregel: Activiteiten kunnen worden uitgevoerd door medewerkers met een lager opleidingsniveau dan de criteria voorschrijven, mits deze uitvoering gecontroleerd wordt door medewerkers die wel voldoen aan de gestelde eisen voor dit deskundigheidsgebied. De tabellen bevatten het minimaal aantal medewerkers dat moet beschikken over de betreffende deskundigheden. Dit betekent niet dat alle medewerkers die delen van de bijbehorende activiteiten uitvoeren over de voorgeschreven deskundigheid moeten beschikken. Hieronder staat voor de deskundigheid „bouwfysica‟ een voorbeeld opgenomen dat de relatie met de praktijk legt. 3.3.3 Werkervaring De verschillende elementen van „werkervaring‟ zijn als volgt gedefinieerd: Nr. Werkervaring 1 Het aantal jaren: Het minimale aantal jaren relevante werkervaring die men nodig heeft om de activiteit100% zelfstandig uit te kunnen voeren. Relevante werkervaring wordt uitgedrukt inhet type werk en/of het onderdeel van een deskundigheidsgebied waarinde ervaring moet zijnopgedaan. 2 Basisfrequentie: Hetaantal keren dat een bepaalde activiteit moet zijn uitgevoerd voordat dezeactiviteit 100% zelfstandig kan worden uitgevoerd. Tot het moment dat deze ervaring is opgedaan,vindt begeleiding plaats door medewerkers die wel voldoen aan de ervaringseisen. In de criteria wordt uitgegaan van „100 % zelfstandige uitoefening‟. Medewerkers met minder werkervaring kunnen (een deel van de) activiteiten uitvoeren, mits voldoende begeleiding wordt gegeven door medewerkers met voldoende werkervaring. 3.3.4 Aanvullende kennis De verschillende elementen van „aanvullende kennis‟ zijn als volgt gedefinieerd: Nr. Aanvullende kennis Alleen de (basisen diepgaande) kennis is opgenomen, indien de betreffende onderwerpen nietaantoonbaar onderdeel uitmaken van de opleiding. Van de kennis die aantoonbaar onderdeel uitmaakt van de opleiding wordt verwachtdat deze kennis altijd actueelgehouden wordt. 1 Basiskennis betreft thema‟s, onderwerpen waarvoor inzicht en/of kennis nodig is van één of meerdere van de onderstaande punten: De structuur en systematiek van bepaalde wetgeving (inclusief jurisprudentie), normen en overige cruciale kaders voor het deskundigheidsgebied. De grondbeginselen, de dosis-effectrelaties en cumulatie van milieueffecten. De grondbeginselen, de fysieke effecten en aandachtspunten bij veel voorkomende oplossingen in (bouw)werken. De grondbeginselen, ruimtelijke consequenties en aandachtspuntenbij ruimtelijke planvormen. 2 Diepgaande kennis betreft thema‟s, onderwerpen waarvoor: Het kunnen doorgronden van de opzet, data-invoer en resultatenvan voor het deskundigheidsgebied gangbare analysemethoden,technische berekeningen, bestekken en/of computerprogramma‟s nodig is; Hetin onderlinge samenhang interpreteren en hanteren vanverschillende wetsvoorschriftennodig is; Maatwerk per deskundigheidsgebied(o.a.actualiseringsplicht opgedane kennis) nodigis. 3.3.5 Frequentie De verschillende elementen van „frequentie‟ zijn als volgt gedefinieerd: Nr. Frequentie 1 Aantal keer per jaar: De minimale frequentie per jaar waarmee een activiteit zelfstandig moet worden uitgevoerd om de deskundigheid te kunnenbehouden. 2 Deel van een volledige weektaak waarin de activiteit zelfstandig wordt uitgevoerd om de deskundigheid te kunnenbehouden: tenminste 2/3 van één fte tenminste 1/3 van één fte Spelregel: De uitvoeringsfrequentie is gebaseerd op het maken van voldoende vlieguren voor het uitvoeren van een bepaalde activiteit gericht op borging van de deskundigheid in de praktijk en de bijbehorende product- en vakontwikkeling. De essentie van de frequentie-eis is het maken van voldoende vlieguren om een activiteit dusdanig vaak uit te voeren dat deze activiteit beheerst wordt, zelfstandig en met voldoende, up to date, kennis kan worden uitgevoerd. Deze frequentie is bij voorkeur uitgedrukt in aantal keren dat activiteiten dienen te worden verricht. Door de diversiteit in tijdsbesteding is het uitdrukken in aantallen keren vaak niet eenduidig te maken. Daarom is er in veel gevallen gekozen voor een richtinggevende tijdsbesteding vertaald in een deel (1/3 of 2/3 deel) van de totale tijdsbesteding van een fulltime medewerker gebaseerd op een 36-urige werkweek. Het kunnen voldoen aan deze eis is mede afhankelijk van het werkaanbod om de deskundigheid te kunnen onderhouden. Het uitbreiden van het werkaanbod door samenwerking kan hierbij een stimulans zijn voor de vakontwikkeling en het bieden van een uitdagende werkomgeving voor vakspecialisten die graag hun specifieke kennis zo vaak mogelijk toepassen. 3.3.6 Aantal De verschillende elementen van „aantal‟ zijn als volgt gedefinieerd: Nr. Aantal 1 Aantal: Het minimale aantal medewerkers met de omschreven deskundigheid waarover menmoet kunnen beschikken om de noodzakelijke deskundigheid te kunnen borgen. Het minimum aantal is altijd 2 (m.u.v.BOA‟s). Het wordt aan de organisatie overgelatenhoe het minimale aantal medewerkers met de omschreven deskundigheid geborgd wordt, bijvoorbeeld door tijdige opleiding en werving. Voor het uitvoeren van veel specialistische activiteiten is altijd een collegiale toets en/of mogelijkheid tot overleg nodig door een collega die ook beschikt over minimaal de benodigde deskundigheid voor deze activiteit. Dit omdat uitgangspunten, context, wet- en regelgeving, modellering, invoergegevens en de daarop gebaseerde analyses en resultaten niet altijd eenduidig te bepalen zijn en de kans op fouten altijd aanwezig is. Daarnaast geldt dat ook in geval van o.a. verlof, ziekte en vertrek voldoende bedrijfszekerheid/continuïteit gegarandeerd kan worden. De uitzonderingen hierop zijn die (onderdelen van) deskundigheidsgebieden waarvoor
(1)de ervaringseis 0-1 jaar is en
(2)er geen eisen aan de frequentie worden gesteld die niet binnen enkele weken gerealiseerd kunnen worden. Een voorbeeld hiervan is de activiteit „
- Onderhouden, gebruiken en toegankelijk maken van informatie uit een Bodeminformatiesysteem (BIS)‟ binnen de deskundigheid ‟
- Bodem, bouwstoffen, water‟. 3.4 Opbouw De kritieke massa criteria zijn opgebouwd uit generieke en specialistische deskundigheden. Tot de generieke deskundigheidsgebieden behoren handelingen/activiteiten die een algemeen of generiek karakter hebben. Deze taken kunnen in principe uitgevoerd worden door generalisten zonder expert te zijn op een specifiek aspect. Voor deze deskundigheidsgebieden is het veelal voldoende om over basiskennis van verschillende aspecten te beschikken. Deze basiskennis stelt de generalist in staat om zelfstandig afwegingen te maken, waar nodig specialisten in te schakelen en om de toepasbaarheid van het werk van de specialist te kunnen beoordelen. Onder specialistische deskundigheidsgebieden zijn die activiteiten uitgewerkt die een expertmatig karakter hebben. Om deze taken te kunnen uitvoeren is diepgaande kennis van een bepaald aspect nodig (bijvoorbeeld aangaande het uitvoeren van geluidsberekeningen). In onderstaand figuur 5 zijn de generieke en specialistische deskundigheidsgebieden weergegeven. De deskundigheidsgebieden waarvoor een frequentie eis van 2/3 fte geldt, zijn blauw gekleurd. Figuur 5: Deskundigheidsgebieden De deskundigheid „
- Buitengewone opsporing‟ is hierin een bijzondere, gezien BOA‟s bij voorkeur fulltime toezichthouder zijn, waarvan minimaal 1/3 van een fte actief met BOA activiteiten. Voor „ketentoezicht‟ geldt een soortgelijke voorkeur. Spelregel: Elk bevoegd gezag moet voor het kunnen uitvoeren van de sanctiestrategie 24 uur per dag, 7 dagen per week beschikken over BOA’s met bevoegdheden voor alle wettelijke bepalingen uit de afbakening. BOA's zijn niet alleen noodzakelijk voor de bestuurlijke strafbeschikking maar ook voor opstellen van PV's. Het opnemen van eisen t.a.v. BOA's is ingegeven vanuit de noodzaak om te allen tijde over het volledige pakket aan interventie mogelijkheden te kunnen beschikken als bevoegd gezag. Voorts moet het bevoegd gezag altijd het instrument „bestuurlijke strafbeschikking‟, indien aan de orde, kunnen inzetten. Voor zaken waarin veel personen moeten worden gehoord of in lastige zaken, is het nodig om twee (of meer) BOA‟s tegelijkertijd in te kunnen zetten. De eisen die aan individuele BOA‟s worden gesteld, zijn op basis van het Besluit Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BBO) en de bijbehorende Circulaire bekwaamheid al verankerd. In deel B zijn de kritieke massa criteria in detail uitgewerkt in deskundigheidstabellen. 4 Procescriteria 4.1 Waarom? Voor de totstandkoming van producten zoals vergunningen, controles en handhavingacties zijn diverse werkprocessen nodig. Transparantie en bestuurlijke vastlegging spelen daarin een belangrijke rol. De procescriteria samen leiden tot een sluitende cyclus en kwaliteitsborging. Op alle kritieke punten van overdracht in het hoofdproces van vergunningverlening en toezicht en handhaving dient goed nagedacht te worden over de borging van kwaliteit. De criteria bieden de kaders voor het kwaliteitssysteem van het bevoegd gezag. De criteria geven de elementen aan die minimaal aanwezig moeten zijn. Daarnaast moeten de criteria gebruikt worden bij het inrichten van de organisatie, bijvoorbeeld om onafhankelijke oordeelsvorming te borgen. Zoals het woord „procescriteria‟ doet vermoeden, betreft het eisen aan het proces. Door het proces te verbeteren, dient de output en outcome in positieve zin te ontwikkelen. Naast de procescriteria wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van output- en outcome criteria, zoals omschreven in de Handleiding output- en outcomecriteria van de VNG (februari 2012). 4.2 Overwegingen 4.2.1 Sluitende BIG-8 De procescriteria beschrijven de eisen die gesteld worden aan de beleidscyclus. Door de criteria te volgen wordt de cyclus gesloten. Daarbij is de BIG-8 gehanteerd. Dit model maakt vanuit een strategisch kader de vertaling naar operationeel beleid ten behoeve van kwaliteitsborging te samen met een sluitende planning en control cyclus. De eisen die worden gesteld aan een sluitende BIG-8 (zie figuur hiernaast) komen grotendeels overeen met de eisen uit de ISO Norm 9001:
- De criteria zoals vastgelegd in de rapportage “Professionalisering van de milieuhandhaving; Kwaliteitscriteria, doe je voordeel met het oordeel” en de IPO norm kwaliteitsmanagement bedrijfsgebonden omgevingstaken vormden het vertrekpunt bij het ordenen van de criteria. Figuur 6: BIG-8 model 4.2.2 Transparantie in de uitvoering Voorgeschreven documentatie volgens de criteria wat betreft proces, inhoudelijke kwaliteit en prioriteiten, leidt niet per definitie tot meer bureaucratie. In de procescriteria wordt onder andere verwezen naar het handhavingsbeleid, de naleefstrategie, de sanctiestrategie, de probleemanalyse, de prioriteitstelling en de verantwoording. Hiermee wordt niet beoogd dat deze onderwerpen allemaal in verschillende documenten uitgeschreven moeten worden. Het is bijvoorbeeld goed mogelijk om de probleemanalyse, naleefstrategie, sanctiestrategie en doelstellingen in één document uit te werken. Het gaat er om dat de verschillende analyses, strategieën, prioriteiten en doelstellingen transparant zijn, echt worden vastgesteld en dat de organisatie hier aantoonbaar naar handelt. 4.2.3 Andere kwaliteitseisen Voor de activiteiten op het gebied van toezicht en handhaving op de bodemsanering gelden zeer specifieke eisen. In aanvulling op de geformuleerde procescriteria gelden de SIKB-eisen. Voor provincies gelden de eisen conform normblad 8001 en voor gemeenten geldt normblad
- In 2010 zijn de output- en outcomecriteria ontwikkeld voor VTH- taken. Het biedt organisaties handvatten voor het stellen van meetbare doelen en afrekenbare resultaten. De ouput- en outcomecriteria zijn daarmee een waardevolle concretisering van de in de procescriteria gevraagde doelen. 4.3 3 Processtappen In onderstaande paragrafen worden de 7 elementen van de BIG-8 toegelicht. Per element zijn een aantal kernvragen opgenomen die het bevoegd gezag zichzelf zal moeten stellen bij het beoordelen of zij voldoet aan de eisen conform de procescriteria. Het volledige overzicht met procescriteria is opgenomen in deel C. 4.3.1 Rapportage en evaluatie In essentie betreft deze stap het analyseren van allerlei relevante elementen dan wel veranderingen voor de vergunningverlenings- en handhavingsorganisatie. Voor de vergunningverleningsorganisatie betreft dit met name een analyse van het huidige en toekomstige inrichtingenbestand inclusief het aantal te verwachten vergunningen en de actualiteit van het milieudeel van de vergunningen. Voor de handhavingsorganisatie zijn dit bijvoorbeeld wijzigingen in het beleid, in het takenpakket of in het bedrijvenbestand, dan wel de verbetering of verslechtering van het naleefgedrag van bedrijven/inrichtingen of van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de regio. Kernvragen rapportage en evaluatie Handelt mijn organisatie op grond van een probleemanalyse? Legt mijn organisatie verantwoording af over inzet,prestaties en resultaten? Vergelijkt mijn organisatie haar prestaties met anderen? 4.3.2 Strategisch beleidskader De volgende stap in het beleidsproces is het voorbereiden en voorleggen van prioriteiten en meetbare doelstellingen aan het bestuur van de vergunningverlening- en handhavingsorganisatie, het bespreken van keuzes met de politiek en het nemen van besluiten over de te stellen doelen op het gebied van vergunningverlening en handhaving. De uitgevoerde beleidsevaluatie legt voor deze stap de basis, waarbij output en outcome indicatoren gebruikt worden om de doelen te stellen. Kernvragen strategisch beleidskader Heeft mijn organisatie prioriteiten gesteld op basis van de probleemanalyse? Worden in mijn organisatie de doelen van vergunningverlening en handhaving (per beleidsveld) omschreven? Is voor de prioriteiten de geplande personele capaciteit in de begroting vastgelegd? Is voor de prioriteiten de geplande financiële capaciteit in de begroting vastgelegd? 4.3.3 Operationeel beleidskader In deze stap moeten prioriteiten en doelstellingen worden vertaald in concrete strategieën en objectieve criteria. Voor de vergunningverleningorganisatie worden prioriteiten en doelstellingen vertaald in een set van objectieve criteria voor toetsing. Voor de handhavingorganisatie worden de prioriteiten en doelstellingen vertaald naar doelgroepen en in nalevingstrategieën (of indien reeds aanwezig het periodiek toetsen daarvan). Pas dan blijkt op welke wijze specifieke doelgroepen in de praktijk benaderd moeten gaan worden en hoe bepaalde beleidsaspecten (zoals bijvoorbeeld strenger sanctioneren of minder gedogen) moeten gaan uitpakken. Kernvragen operationeel beleidskader Handelt mijn vergunningverleningsorganisatie op basis van een strategie en objectieve criteria voor het beoordelen, verlenen en/of weigeren van een omgevingsvergunning? Handelt mijn handhavingsorganisatie op grond van een nalevingstrategie die de inzet vanoverige instrumenten, niet zijnde handhaving, omvat? Is er een toezichtstrategie opgesteld? Is er een sanctiestrategie opgesteld? Is er een gedoogstrategie opgesteld? 4.3.4 Planning en control Centraal in deze stap staat het toewijzen van de noodzakelijke capaciteit en financiële middelen die nodig zijn om de gestelde doelen te kunnen bereiken. Hiertoe worden organisatorische condities gesteld en een systematiek van interne borging ingericht voor de wijze waarop werkzaamheden beheerst kunnen worden uitgevoerd. De bouwstenen voor deze stap zijn de resultaten van de beleidsevaluatie, de prioriteiten daaruit, doelstellingen voor de komende periode en overeenstemming over te voeren strategieën. Kernvragen planning en control Kan mijn organisatie aantonen dat zij voldoet aande benodigde kritieke massa? Kan mijn organisatie de (personele) onafhankelijkheid borgen van vergunningverleners en toezichthouders en handhavers? Heeft mijnorganisatie regelingen getroffen voor functiescheiding tussenvergunningverlening en handhaving op persoons- dan wel objectniveau? Bevatten toegewezen capaciteit en financiële middelen eenduidelijke verbinding met de doelstellingen en prioriteiten? Handelt mijn organisatie op grond van een systematiek van interne borging van de wijzewaarop de werkzaamheden beheerst kunnen worden uitgevoerd? Is het informatiebeheer op orde? 4.3.5 Voorbereiden De essentie van deze stap is een goede voorbereiding van de af te geven vergunning en het uit te voeren controlebezoek door eerst te kijken naar de resultaten van eerdere vergunningverleningsprocedures met gelijke initiatiefnemers en van eerdere controlebezoeken, de meldingen, klachten en incidenten, eventuele rapportageverplichtingen, van toepassing zijnde nalevingstrategieën, etc. Kernvragen voorbereiden Wordt er voor de voorbereiding en uitvoering van de vergunningverlenings- en handhavingstaken gehandeld op grond van protocollen en werkinstructies? Heeft mijnorganisatie eenuitvoeringsprogramma voor vergunningverlening en toezicht en handhaving? Handelt mijn organisatie op basis van protocollen voor communicatie, informatiebeheer en informatie-uitwisseling? 4.3.6 Uitvoering Dit kernelement betreft de uitvoering van de te verlenen vergunningen en het controlebezoek zelf (inclusief de hieruit volgende acties). Kernvragen uitvoering Beschikt mijn organisatie over voldoende kwantitatieve en kwalitatieve voorzieningen en hulpmiddelen die de taakuitvoering informatietechnisch,inhoudelijk technisch, juridisch en administratief mogelijk maken? 4.3.7 Monitoring Het laatste onderdeel van de beleidscyclus is de monitoring van diverse zaken die relevant zijn voor bijsturing in de operationele cyclus (bijvoorbeeld het aantal/de aard/de complexiteit van de te verwachte vergunningen of het aantal gerealiseerde controles, het bestede aantal uren, etc.) of als input voor de beleidsevaluatie (zoals de verbetering of verslechtering van het naleefgedrag van bedrijven of de milieukwaliteit in de regio). Daarbij wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van output- en outcome indicatoren, zoals omschreven in de Handleiding input- en outcomecriteria van de VNG (februari 2012). Kernvragen monitoring Zorgt u voor het het monitorenvan de diverse vergunningverlening- en handhavingdoelen vanvastgestelde indicatoren? Worden de vergunningverlening- en handhavingresultaten weergegeven in een verantwoordingsrapportage? 4.4 Toepassing van de criteria In deel C zijn de kwaliteitscriteria wat betreft proces, inhoudelijke kwaliteiten en prioriteiten per BIG-8 element uitgewerkt. De bevoegd gezag organisaties dienen aan deze criteria te voldoen. Hieronder staat per BIG-8 element de procescriteria op hoofdlijnen weergegeven. Figuur 7: Schematische weergave van de procescriteria 5 Criteria voor inhoudelijke kwaliteit en prioriteiten 5.1 Waarom? De criteria voor inhoud en prioriteiten bepalen de minimale ondergrens binnen de werkprocessen. Het gaat bijvoorbeeld om criteria met betrekking tot de diepgang waarmee getoetst wordt en landelijke prioriteiten. Uitgangspunt bij het opstellen van de criteria voor inhoud en prioriteiten was dat er een inhoudelijke ondergrens nodig is om voldoende robuustheid mee te geven aan de criteria. 5.2 Definitie De inhoudelijke criteria hebben betrekking op: Inhoudelijke elementen probleemanalyse, beleid, strategie en programma; Diepgang toetsing vergunningen bouw en toezicht bouwfase; Wijze van toezicht ter plaatse; Toepassing landelijke sanctiestrategie; Landelijke prioriteiten toezicht en handhaving. 5.2.
- Inhoudelijke elementen probleemanalyse, beleid, strategie en programma Door de VROM-Inspectie is in het verleden een „adequate niveau‟ gedefinieerd. Dit niveau betrof niet alleen de wettelijke eisen, maar ook procedurele en inhoudelijke eisen voor niet-wettelijke elementen voor een goede taakuitoefening. De wijze van formuleren van deze eisen lijkt in veel gevallen op wat in dit rapport „procescriteria‟ zijn. Het adequate niveau bevat veel waardevolle punten. De procescriteria zijn nader gespecificeerd en aangevuld op basis van formuleringen uit het adequate niveau. Uitgangpunt daarbij was om niet het detailniveau uit het adequate niveau over te nemen. Enkele punten vanuit het adequate niveau zijn expliciet gemaakt in de procescriteria. Het betreft met name: Toezicht bestaande gebouwenvoorraad; Landbreedte voor de toezichtstrategie en het bijbehorende programma. Door in de probleemanalyse expliciet te vermelden dat toezicht betrekking heeft op de bestaande gebouwenvoorraad en bouwen zonder of in afwijking van de omgevingsvergunning, is het bevoegd gezag vervolgens gehouden om dit toezicht ook feitelijk met de vastgestelde frequenties, diepgang en op basis van de toezicht- en sanctiestrategie op te nemen in het uitvoeringsprogramma en als zodanig uit te voeren. 5.2.
- Toets- en toezichtprotocol De inhoudelijke ondergrens wordt onder andere bepaald door de werkwijze en diepgang vanuit het toets en integrale toezichtprotocol. Beide protocollen zijn naar buiten gebracht door de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht, nadat de VROM-inspectie het daarin geadviseerde collectieve niveau van diepgang als adequaat heeft beoordeeld. Het collectieve niveau is dat niveau waar je als overheid tenminste aan moet kunnen voldoen. In het BIG-8 element operationeel beleidskader is het volgende opgenomen: Het bevoegd gezag toetst op basis van een systematiek (inclusief het collectieve niveau) zoals beschreven in het toetsprotocol (of vergelijkbaar); Het bevoegd gezag voert toezicht uit op basis van een systematiek (inclusief het collectieve niveau) zoals beschreven in het integraal toezichtprotocol (of vergelijkbaar). Hiermee wordt niet alleen een eis gesteld aan de te hanteren systematiek maar ook de diepgang daarbinnen. Om recht te doen aan het uitgangspunt dat het bevoegd gezag zelf een gedegen risicoafweging moet maken op basis van lokale omstandigheden bestaat de mogelijkheid om, gemotiveerd, af te wijken van het hierboven genoemde collectieve niveau. De essentie is dat transparant en op basis van een bestuurlijk vastgestelde aanpak wordt gewerkt. De gemeenteraad en de burgers moeten kunnen weten met welke kwaliteit een taak uitgevoerd wordt. 5.2.
- Wijze van toezicht ter plaatse Geadviseerd wordt om te streven naar het uitvoeren van preventieve controles op één en hetzelfde toezichtmoment. Dit vanuit het oogmerk van de Wabo om de lastendruk te verminderen. Dit streven is opgenomen bij het BIG-8 element uitvoering. 5.2.
- Landelijke sanctiestrategie Het overnemen van de landelijke sanctiestrategie is verplicht. De uitwerking daarvan is opgenomen onder het BIG-8 element “Operationeel Beleidskader”. De landelijke sanctiestrategie wordt geoptimaliseerd en op maat gemaakt voor de afbakening van de kwaliteitscriteria en te komen tot een (nieuwe) landelijke handhavingstrategie (inclusief de interpretatie voor bouwaspecten en handreikingen voor de wijze waarop politie en OM zich binden aan de sanctie en/of handhavingstrategie). Deze nieuwe handhavingstrategie zal de huidige sanctiestrategie vervangen en wordt in 2013 verwacht. 5.2.
- Landelijke prioriteiten In het handhavingsbeleid van het bestuursorgaan wordt uitwerking gegeven aan de landelijke prioriteiten. Dit criterium is uitgewerkt in BIG-8 element “strategisch beleidskader”. 5.3 Toepassing van de criteria De criteria voor inhoud en prioriteit zijn verwerkt in de tabellen met de procescriteria (zie deel C). Een toets op de procescriteria impliceert daarmee ook een toets op de inhoudelijke criteria. Bijlage 1: Rechtstreekse verboden Overzicht rechtstreekse verboden Wetten Artikel Omschrijving Wabo 2.1 lid 1 Verbod totuitvoeren project zonder omgevingsvergunning. Flora-en Faunawet, Monumentenwet1988, Natuurbeschermingswet 1998 Aanhakers Toezicht en handhaving voor zover hetbetreft de naleving van omgevingsvergunningplichtigeactiviteiten. Wet milieubeheer 1.1a Algemene zorgplicht. 8.1 Verbod oprichten,veranderen, in werking hebben van een inrichting. 8.40 en 8.42 Algemene regels en maatwerkvoorschriften. 10.1 Verbodennadelige handelingen mbt afvalstoffen te verrichten, en verplichting maatregelen treffen ivm handelen of nalatenm.b.t. afvalstoffen. 10.2 Verbod storten of op bodem brengen van afvalstoffen. 10.15 Verbodbepaalde handelingen die bij AmvB worden gesteld, te verrichten in het belang van het voorkomen of beperken vanhet ontstaan van afvalstoffen. Regelgeving die op dit artikelisgebaseerd (gedelegeerde regelgeving): Besluit beheer autobanden; Besluit beheer autowrakken; Besluit beheer batterijen en accu‟s 2008; Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur; Besluitbeheer verpakkingen en papier en karton; Besluit bodemkwaliteit; Regeling beheer batterijen en accu‟s 2008; RegelingEuropese afvalstoffenlijst; WijzigingsbesluitBesluit beheer autobanden, enz. (aanpassing van de meldings- en mededelingstermijn (onbeperkte geldigheid melding en mededeling); WijzigingsbesluitBesluit beheer autowrakken, enz. (verbetering regels autowrakken en autobanden). 10.16 Verplichting tothet voeren van bepaalde aanduidingen op stoffen, preparaten of producten of de verpakking daarvan. 10.17 Verplichtingen met betrekking tothet innemen, nuttig toepassenof verwijderen van daarbij aangewezen categorieën van stoffen, preparaten of producten. 10.30 Verbod lozing afvalwater of afval op een werk (riool) anders dan vanuitinrichting. 10.37 Verbod zich door afgifte aan eenander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen. 10.44 Verplichting begeleidingsbrief bij vervoer bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen. 10.54 Verbod totnuttig toepassen of verwijderen gevaarlijke afvalstoffen buiten een inrichting. 10.55 Verboden bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor anderen tegen vergoeding te vervoeren, te verhandelen,of ten behoeve van anderen te bemiddelen bij het beheer ervan. 17.1 en 17.2 Ongewone voorvallen(melden en maatregelen). Wetruimtelijke ordening 7.10 Verboden(laten) gebruiken gronden en bouwwerken in strijd met bestemmingsplan, inpassingsplan, projectbesluit, beheersverordening, besluit tot buiten toepassing laten bestemmingsplan etc., een voorbereidingsbesluit, provinciale verordening,algemene maatregel van bestuur,aanwijzing. Plusverbod tot gedraging in strijd met vergunning- of ontheffingvoorschrift. Woningwet 1b Verbodzonder vergunningals bedoeld inartikel 40: een gebouw te bouwen in afwijking Bouwbesluit; een bouwwerk,niet zijnde een gebouw, te bouwenin afwijking Bouwbesluit; een standplaats te bouwen inafwijking Bouwbesluit. Plus verbod: een bestaand gebouw in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van datgebouw van toepassing zijnde voorschriften; een bestaand bouwwerk, niet zijnde een gebouw,in een staat te brengen, te laten komenof te houden die niet voldoetaan de op destaat vandat bouwwerk van toepassing zijnde voorschriften; een bestaande standplaats in een staat te brengen, te laten komenof te houden die niet voldoet aan de op de staat van die standplaats van toepassing zijnde voorschriften. Plusverbod een gebouw, bouwwerk,niet zijnde een gebouw, of standplaats, dan wel deel daarvan,in stand te laten voor zover bij het bouwen daarvan nietis voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften. 7b Verbod zonder vergunning eenbouwwerk, erf, etc.te bouwen of te gebruiken etc. in afwijking van Bouwverordening. 14a Bijzondere verplichtingen (o.a. staat van gebouw/bouwwerk/standplaats, redelijke eisen van welstand, sluiting terrein/bouwwerk/etc.). 40 Verbod zonder vergunningte bouwenof in stand te laten. 60 Verbod i.v.m. woonvergunning. Wet bodembescherming 6 t/m 13 Zorgplicht en regelgeving die op dit artikelis gebaseerd (gedelegeerde regelgeving): Besluit bodemkwaliteit; Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998; Besluit lozingafvalwater huishoudens; Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer. 27 Verplichting totmelding van verontreiniging of de aantasting van de bodem. 30 Verplichting te voldoen aan bevel i.v.m. ongewoon voorval. 39a Verplichting totnakoming saneringsplan. 39e Verplichting totnakoming nazorgplan. 43 Verplichtingte voldoenaan bevel m.b.t. onderzoeksgeval op de daarbij aangegeven wijzenader onderzoek te verrichten, of m.b.t.een geval van ernstige verontreiniging tijdelijke beveiligingsmaatregelen te treffen. 64 Verplichting tot naleving voorschriften bij vrijstelling voor categorieën van gevallen van de algemene regels ter bescherming van de bodem. 65 Verplichting tot naleving beperkingen of voorschriften bijontheffing van regels van AMvB. Bijlage 2: Afkortingenlijst ADR Article Dangereux de Route AMvB Algemene Maatregel van Bestuur AO/IC Administratieve Organisatie en Interne Controle Awb Algemene wet bestuursrecht BAG Basisregistratie Adressen en Gebouwen BAT Best Available Techniques BBO Besluit Buitengewoon Opsporingsambtenaar BBT Beste Beschikbare Technieken Bevi Besluit externe veiligheid inrichtingen BOA Buitengewoon opsporingsambtenaar BREFs BAT Reference documents BRL Beoordelingsrichtlijn Brzo Besluit risico's zware ongevallen BWT Bouw en Woning Toezicht EV Externe Veiligheid EVC Erkenning Verworven Competenties HBO Hoger Beroepsonderwijs IL Industrie Lawaai IMRO Informatie Model Ruimtelijke Ordening IPO Interprovinciaal Overleg IPPC Integrated Pollution Prevention and Control ISO International Standards Organisation LNV Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit m.e.r. milieueffectrapportage MBO Middelbaar Beroepsonderwijs Nb-wet Natuurbeschermingswet NEN Nederlandse Norm NeR Nederlandse emissierichtlijn lucht NPR Nederlandse praktijkrichtlijn NRB Nederlandse Richtlijn Bodembescherming OC&W Onderwijs, Cultuur en Wetenschap OM Openbaar Ministerie PGS Publicatiereeks gevaarlijke stoffen PRTR Pollutant Release Transfer Register PUmA Programma Uitvoering met Ambitie PV Proces verbaal Qra Quantitatieve Risico Analyse Revi Regeling externe veiligheid inrichtingen RNVGS Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen RO Ruimtelijke Ordening SIKB Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer SVBP Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen VBS Veiligheidsbeheersysteem VNG Vereniging van Nederlandse Gemeenten VOGM/BUGM Vervolgbijdrageregeling Ontwikkeling Gemeentelijk Milieubeleid / Bijdrageregeling Uitvoering Gemeentelijk Milieubeleid VROM Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer VTH vergunningverlening, toezicht en handhaving vvgb verklaring van geen bedenkingen Wabo Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Wbb Wet bodembescherming Wgh Wet geluidshinder Wm Wet milieubeheer WMS Wet Milieugevaarlijke Stoffen WO Wetenschappelijk onderwijs Wro Wet ruimtelijke ordening Deel B: Criteria voor kritieke massa Generieke deskundigheidsgebieden
- Casemanagen Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kernactiviteiten van de Wabo die bij het bevoegd gezag thuishoren. Een medewerker op HBO-niveau beoordeelt bij de intake per gevalof er sprake is van een complexeof eenvoudige situatie. Activiteiten Uitvoeren toets op volledigheid. Organiseren / begeleiden van overleg met de aanvrager (vooroverleg). Bewaken proces, integraliteit en voortgang van de aanvraag. Inschakelen van vakdisciplines en wanneer nodig externe partijen (coördineren inhoudelijke volledigheid). Het uitzetten van adviesaanvragen aan de wettelijke adviseurs. Besluit (laten) samenstellen en coördineren. Eisen aan medewerkers die deze zes activiteiten uitvoeren voor alleen eenvoudige situaties Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante MBO 2 jaar in procesmanagement en het afhandelen van Awb procedures Basiskennis: Structuur en systematiek (bouw)tekeningen Besteden van1/3 fte aan dezezes activiteiten. Aanvullende opleiding(en): BasiscursusOmgevingsrecht Basiscursus Awb een of meerdere complexe situaties Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Denkniveau: Relevante HBO 3 jaar in procesmanagement en het afhandelen van Awb procedures Basiskennis: Zieeenvoudige situaties Bestedenvan1/3 fte aan dezezes activiteiten en/of begeleiden van 5 complexe meervoudige aanvragen. Aanvullende opleiding(en): Zieeenvoudige situaties Eisen aan organisaties die deze zes activiteiten uitvoeren voor alleen eenvoudige situaties minimaal 2 medewerkers die voldoen aan de bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties óf de criteria voor de deskundigheid „Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening‟ (blz.46) óf de criteria voor de deskundigheid „ Vergunningverlening milieu‟ (blz.49). een of meerdere complexe situaties minimaal 2 medewerkers die voldoen aan bovengenoemde criteria voor complexe situaties óf de criteria voor de deskundigheid „Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening‟ (blz.46) óf de criteria voor de deskundigheid „Vergunningverlening milieu‟ (blz. 49).
- Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kernactiviteiten van de Wabo die bij het bevoegd gezag thuishoren. Een medewerker op HBO-niveau beoordeelt bij de intake per gevalof er sprake is van een complexeof eenvoudige situatie. Activiteit Beoordelen aanvraagomgevingsvergunning voor het bouwenvaneen bouwwerk. controleren van de volledigheid, juistheid van de inhoud (inclusief berekeningen en rapportages) van aanvragen in relatietot de indieningsvereisten; toetsen van bouwaanvragen aan bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplanen/of voorbereidingsbesluit; toetsen van bouwaanvragen aan bouwbesluit en bouwverordening; opstellen conceptvergunning en bepalenvoorwaarden op basis van (eventuele) bijdragen jurist enspecialisten; verlenen van ontheffing of het toepassen van de gelijkwaardigheidbepaling van hetBouwbesluit / bouwregelgeving; beoordelen en afwegen legalisatiemogelijkheden bijafwijking van de vergunning. Eisen aan medewerkers die deze activiteituitvoeren voor alleen eenvoudige situaties Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante MBO 3 jaar (inclusief het verzamelen en/of opmaken van voorschriften) Besteden van 2/3 fte aan dezezes activiteit. Aanvullende opleiding(en): Basiscursusbrandveiligheid BasiscursusWm BasiscursusWro (bestemming) Basiscursusmonumenten Basiscursusomgevingsrecht Basiscursusbouwfysica en bouw- en woningtoezicht Diepgaande kennis: Bouwbesluit en bouwverordening Werking gelijkwaardigheidsbesluit een of meerdere complexe situaties Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 3 jaar (inclusief het verzamelen en/of opmaken van voorschriften) Bestedenvan2/3 fte aan dezezes activiteit. Aanvullende opleiding(en): Zieeenvoudige situaties(van activiteit 1) Specialistische opleiding ambtenaar bouw- en woningtoezicht I en II Diepgaandekennis: Zie eenvoudige situaties(vanactiviteit 1) Medewerkers die aan deze eisenvoldoen, voldoen ook aan de eisenom de activiteiten 1 t/m 6 uitvoeren van de deskundigheid
- Casemanagen. Eisen aan organisaties die deze activiteit uitvoeren voor alleen eenvoudige situaties minimaal 2 medewerkers die voldoen aan bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties een of meerdere complexe situaties minimaal 2 medewerkers met minimaal HBO denkniveau die voldoenaan bovengenoemde criteria voor complexe situaties Inhoudelijk input leveren voor vooroverleg, overlegadviseurs en beoordelen zienswijzen en bezwaren bijhetbouwen van een bouwwerk en/of planologische ontheffing bij gebruik gronden en bouwwerken. Beoordelen aanvraag omgevingsvergunning tijdelijke, binnenplanse of buitenplanse ontheffing voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit (in verband met het afwijkingsbesluit) beoordelen aanvraag; opstellen conceptbesluit op basis van integraleafweging van (eventuele) bijdragen van jurist en specialisten. Eisen aan medewerkers diedeze drie activiteitenuitvoeren voor alleen eenvoudige situaties Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: RelevanteMBO 3 jaar in de RO praktijk (inclusief hetmaken en/of interpreteren van voorschriften vanruimtelijke plannen) en/of20 ontheffingen voordat zelfstandig gewerkt kan worden Besteden van 2/3 fte aan dezedrie activiteiten (eenvoudig of complex). Aanvullende opleiding(en): Basiscursusomgevingsrecht Basiscursus bouw- en woningtoezicht Diepgaandekennis: Bestemmingsplannen IMRO codering (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) Beheersverordeningen, exploitatieplannen en voorbereidingsbesluiten een of meerdere complexe situaties Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 3 jaar (inclusief het verzamelen en/of opmaken van voorschriften) Besteden van 2/3 fte aan dezedrie activiteiten (complex). Aanvullende opleiding(en): Zieeenvoudige situaties(van activiteiten 2 t/m 4) Specialistische opleiding ambtenaar bouw- en woningtoezicht I en II Diepgaandekennis: Zie eenvoudige situaties(van activiteiten 2 t/m 4) Medewerkers die aan deze eisenvoldoen, voldoen ook aan de eisenom de activiteiten 1 t/m 6 uitvoeren van de deskundigheid
- Casemanagen. Eisen aanorganisaties diedeze drie activiteiten uitvoeren voor alleeneenvoudige situaties minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties een of meerdere complexe situaties minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor complexe situaties Beoordelen melding voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigenvan bouwwerken beoordelen eventuele monumentale status, situatiebeschermd stads,- en dorpsgezicht en andere geldende kaders; beoordelen wanneer specialisten (slopen, monumenten e.a.)moeten worden ingeschakeld; opstellen conceptbesluit op basis van integraleafweging van (eventuele) bijdragen van jurist en specialisten (o.a. sloop en asbest enmonumentenzorg); inhoudelijk input leveren voor vooroverleg, overleg adviseurs en beoordelen zienswijzen en bezwaren. Eisen aan medewerkers diedeze activiteituitvoeren voor alleen eenvoudige situaties Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: RelevanteMBO 3 jaar (inclusief het beoordeling vansituaties omtrent slopen,verstoren, verplaatsen of wijzigen van bouwwerken) en enkeletientallen cases per jaar Besteden van2/3 fte aan dezedrie activiteiten (eenvoudig of complex). Aanvullende opleiding(en): Basiscursusomgevingsrecht Basiscursusmonumenten Basiscursusbouwfysica Basiscursusbouw- en woningtoezicht een of meerdere complexe situaties Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 3 jaar (inclusief het beoordeling vansituaties omtrent slopen,verstoren, verplaatsen of wijzigen van bouwwerken) en enkeletientallen cases per jaar Besteden van 2/3 fte aan dezedrie activiteiten (complex). Aanvullende opleiding(en): Zie eenvoudige situaties (vanactiviteiten 5) Medewerkers die aan deze eisenvoldoen, voldoen ook aan de eisenom de activiteiten 1 t/m 6 uitvoeren van de deskundigheid
- Casemanagen. Eisen aanorganisaties diedeze activiteit uitvoeren voor alleen eenvoudige situaties minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor eenvoudige situaties een of meerdere complexe situaties minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor complexe situaties
- Vergunningverlening milieu Onderstaande activiteiten 1 tot/met 5 moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kernactiviteitenvan de Wabo die bijhetbevoegd gezag thuishoren. Het is aan het bevoegd gezag om de portefeuille aan inrichtingen te beoordelen (probleemanalyse) en te bepalen welke inrichtingen klasse I, klasse II eenvoudig, klasse II complex en klasse III zijn. Activiteit 6 kan worden uitbesteed aan een marktpartij, mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschikt over minimaal één medewerker die voor de deskundigheid nodig is voor activiteit
- Activiteit Toetsen van de ontvankelijkheid van het milieudeel van een aanvraag. Adviseren over en/of opstellen van besluiten in relatie tot het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van het milieudeel van een omgevingsvergunning voor het oprichten,veranderen of veranderen van de werking of het inwerking hebben van een inrichting. Afhandelen van meldingen in het kader van het activiteitenbesluit, inclusief het beoordelen van gekwantificeerde doelvoorschriften, erkende maatregelen, verplichte maatregelen en/of het beoordelen van een gelijkwaardige voorziening op basis van representatieve meetgegevens, onderbouwde berekeningen of een risico-analyse en hetopstellen van maatwerkvoorschriften en instemmende beschikkingen. Tijdig signaleren welke milieuspecialisten en/of juristen moetenworden ingeschakeld en hun bijdragen op relevantie, toepasbaarheid en benodigde diepgang beoordelen. Eisen aan medewerkers diedeze vier activiteitenuitvoeren voor alleen klasse I inrichtingen Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante MBO 1 jaar in klasse I ofII Basiskennis: Groene wetten, Waterwet (indirecte lozingen), Besluitlandbouw Afhandelen van 10 meldingen en/ofvergunningaanvragen per jaar in dezeof een zwaardere klasse. Aanvullende opleiding(en): Basiscursus omgevingsrecht Basiscursus Awb Basiscursus Wm Basiscursus EV / Bevi / Revi / PGS Basiscursus Geluid / IL BasiscursusBodem / NRB BasiscursusNER,lucht, afval, energie, afvalwater Diepgaandekennis: Onderlinge samenhang doorgronden van wetsvoorschriften en normen Medewerkers die aan dezeeisen voor eenvoudige of complexe situaties voldoen, voldoenook aan de eisen om de activiteiten 1 t/m 6 uitvoeren van de deskundigheid
- Casemanagen. Eisen aan medewerkers diedeze vier activiteitenuitvoeren voor alleen klasse I en II inrichtingen Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 3 jaar in klasse II of III Basiskennis: Pseudowetgeving (NER, handreiking industrielawaai, Nederlandse Richtlijn Bodembescherming, Energiebesparings- methodieken) Besteden van2/3 fte aan dezevier activiteiten bij klasseII en III inrichtingen. Aanvullende opleiding(en): Zieklasse I Basiscursus Brzo Diepgaande kennis: Europese milieurichtlijnen Jurisprudentie milieu in omgevingsrecht Cumulatie-, domino en ketenrelaties milieuthema‟s Overwegingen gelijkwaardigheidsbesluit Medewerkers die aan deze eisenvoldoen, voldoen ook aan de eisenom de activiteiten 1 t/m 6 uitvoeren van de deskundigheid
- Casemanagen. klasse I, II en III inrichtingen algemeen Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 5 jaar in klasse II of III, waarvan3 jaar in klasse III Basiskennis: Zieklasse II Besteden van2/3 fte aan dezevier activiteiten bij klasseIII inrichtingen. Aanvullende opleiding(en): Zie klasse II Diepgaandekennis: Zieklasse II Onderlinge samenhang doorgronden van wetsvoorschriften en normen IPPC regelgeving en jurisprudentie RelevanteBREFs, BBT Afstand totbaseline en BBT Medewerkers die aan deze eisenvoldoen, voldoen ook aan de eisenom de activiteiten 1 t/m 6 uitvoeren van de deskundigheid
- Casemanagen. Eisen aan medewerkers die deze vier activiteitenuitvoeren voor klasse I, II en III inrichtingen binnen de sector procesindustrie Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 5 jaar in de sectorprocesindustrie in klasse II of III, waarvan3 jaar in klasseIII Basiskennis: Zieklasse III algemeen Besteden van2/3 fte aan dezevier activiteiten bij klasseIII inrichtingen, waarvan1/3 fte aan deze vier activiteitenbij klasse III inrichtingenin de sector procesindustrie. Aanvullende opleiding(en): Zie klasse II algemeen Diepgaandekennis: Zieklasse III algemeen Technische procesvoering en methoden gevaarlijke stoffen klasse I, II en III inrichtingen binnen de sector agrarisch Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 5 jaar in de sector agrarisch in klasseII of III, waarvan3 jaar in klasse III Basiskennis: Zie klasse III algemeen Verspreidingsmodellen geur, fijnstof en ammoniak Natuurbeschermingswet, reconstructieplan Besteden van2/3 fte aan dezevier activiteiten bij klasseIII inrichtingen, waarvan1/3 fte aan deze vier activiteitenbij klasse III inrichtingenin de sectoragrarisch Aanvullende opleiding(en): Zie klasse II algemeen Diepgaande kennis: Zieklasse III algemeen Wet geurhinder ammoniak Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij Eisen aan medewerkers die deze vier activiteitenuitvoeren voor klasse I, II en III inrichtingen binnen de sector afval Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 5 jaar in de sector afval in klasseII of III, waarvan3 jaar in klasse III Basiskennis: Zie klasse III algemeen LandelijkAfvalstoffenPlan Specialismen geluid, geur, luchtkwaliteit, stof, externe veiligheid en groene wetgeving Bestedenvan2/3 fte aan dezevier activiteiten bij klasseIII inrichtingen, waarvan1/3 fte aan deze vier activiteitenbij klasse III inrichtingenin de sectorafval. Aanvullende opleiding(en): Zie klasse II algemeen Diepgaandekennis: Zieklasse III algemeen Problematiek stortplaatsen Acceptatie en verwerkingsbeleid AO/IC afvalverwerkende inrichtingen Activiteit Begeleiden, beoordelen en interpreteren vaneen milieuzoneringsonderzoek. Uitvoeren van een milieuzoneringsonderzoek. Eisen aan medewerkers die deze twee activiteitenuitvoeren voor alleen klasse I, II en III inrichtingen Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 3 jaar Besteden van 1/3 fte aan dezetwee activiteiten óf begeleiden, beoordelen, interpreteren of uitvoeren van 15 milieuzoneringsonderzoeken per jaar. Aanvullende opleiding(en): Basiscursusomgevingsrecht Basiscursus Awb BasiscursusWm Basiscursus EV Basiscursus Geluid BasiscursusLucht(geur en stof) BasiscursusBedrijven en milieuzonering Diepgaandekennis: Bepalen van(meest) milieuzoneringsrelevante (bedrijfsmatige) activiteiten Relevante rekenmodellen Inhoudelijke overwegingen overaan te houden milieuzones Eisen aan organisaties die deze twee activiteiten uitvoeren minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria
- Toezicht en handhaving bouwen en ruimtelijke ordening Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kernactiviteiten van de Wabo die bij het bevoegd gezag thuishoren. Een medewerker op HBO-niveau beoordeelt bij de intake per gevalof er sprake is van een complexeof eenvoudige situatie. Activiteit Uitvoeren toezicht aan de hand van vergunningstekeningen, voorwaarden en geldendeplanologische regels: toezicht houdenop de uitvoering van de bouw; toezicht houdenbij bestaande bouw; toezicht houdenop sloopwerkzaamheden, exclusief asbest; toezicht houdenop de naleving van veiligheidsvoorschriften; toezicht op de naleving van brandvoorschriften; toezicht houdenop het gebruik van gebouwen; toezicht houdenop het gebruik van gronden; toezicht houdenop werken/werkzaamheden. Inschakelen van specialist voor complexe situaties en beoordelen toepasbaarheid advies van specialist. Bevindingen rapporteren, overtredingen melden,optreden en ambtelijke vooraankondiging maken. Handhaven bij geconstateerde overtredingen. Verzorgen van de gereedmelding van aanleg, bouw en/of sloop. Behandelen ongewone voorvallen 24 uur per dag, klachten,meldingen en verzoekentot handhaven. Eisen aan medewerkers diedeze zes activiteitenuitvoeren voor alleen activiteiten 1 en 2 eenvoudige situaties Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante MBO 3 jaar Basiskennis: Constructies Geohydrologie Basisregistratie Adressen en Gebouwen(BAG) Bestedenvan2/3 fte aan dezezes activiteiten. Aanvullende opleiding(en): Basiscursusbrandveiligheid BasiscursusWm BasiscursusWro (bestemming) Basiscursusmonumenten Basiscursus omgevingsrecht Basiscursusbouwfysica Basiscursusbouw- en woningtoezicht Diepgaandekennis: Bouwbesluit Handhavingsprocedures enjurisprudentie Eisen aan medewerkers diedeze zes activiteitenuitvoeren voor een of meerdere activiteiten 1 en 2 bij complexe situatiesen activiteiten 3 t/m 6 Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 3 jaar voor bouwen 5 jaar voorruimtelijke ordening Basiskennis: Zie activiteiten 1 en 2 bij eenvoudige situaties Bestedenvan2/3 fte aan dezezes activiteiten. Aanvullende opleiding(en): Zieactiviteiten 1 en 2 bij eenvoudige situaties Basiscursus Awb Basiscursusasbestherkenning Basiscursusconstructieve veiligheid Specialistische opleiding ambtenaar bouw- en woningtoezicht I en II Diepgaandekennis: Zie activiteiten 1 en 2 bij eenvoudige situaties Eisen aanorganisaties diedeze zes activiteiten uitvoeren minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria voor complexe situaties
- Toezicht en handhaving milieu Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kernactiviteiten van de Wabo die bij het bevoegd gezag thuishoren. Het is aan het bevoegd gezag om de portefeuille aan inrichtingen te beoordelen (probleemanalyse) en te bepalen welke inrichtingen klasse I, klasse II eenvoudig, klasse II complex en klasseIII zijn. Activiteit Maken van risicoanalyses op bedrijfsniveau en indien nodig vertalen naar bedrijfsspecifiek toezichtsplan met risico‟s, beoordelingspunten en bijbehorende toezichtmethode en frequentie. Administratief toezicht houden op basis van openbare en bedrijfsspecifieke documenten (inclusief het beoordelen van rapporten die naar aanleiding van de vergunning moeten worden ingediend, bijv.NRBtoets). Voorbereiden en uitvoeren vancontroles ter plaatse op basis van vergunningvoorschriften, rechtstreekse verboden, meldingen en/of de eisen uithetActiviteitenbesluit (of de gelijkwaardige voorzieningen). Bevindingen rapporteren, overtredingen melden,optreden en ambtelijke vooraankondiging maken. Opstellen bezoekverslag/brief. Handhaven bij (opnieuw) geconstateerde overtredingen conformsanctiestrategie. Behandelen ongewone voorvallen 24 uur per dag, klachten, meldingen en verzoekentot handhaven. Tijdig signaleren welke specialisten en/of juristen moeten wordeningeschakeld en hun bijdragen op relevantie, toepasbaarheid en benodigde diepgangbeoordelen. . Eisen aan medewerkers diedeze zeven activiteitenuitvoeren voor alleen klasse I en eenvoudige klasseII inrichtingen Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante MBO voor ieder van de sectoren 3 jaar in klasseI of II Basiskennis: Awb Besluit landbouw AO/IC financieel en stofstromen Waterwet (indirecte lozingen) Pseudowetgeving (NER, handreiking industrielawaai, Nederlandse Richtlijn Bodembescherming, Energiebesparings- methodieken) Bestedenvan2/3 fte aan dezezeven activiteiten bij klasseI en II inrichtingen en/of die ieder enkele tientallenfysieke controles per jaar uitvoerenin een mix van klasse I en II. Aanvullende opleiding(en): Basiscursusomgevingsrecht BasiscursusWm BasiscursusEV / Bevi / Revi / PGS Basiscursusadministratief toezicht Specialistische opleiding handhaving milieuwetgeving BasiscursusNER,lucht, afval, energie, afvalwater BasiscursusGeluid / IL Basiscursus Bodem / NRB Diepgaandekennis: Onderlinge samenhang doorgronden van wetsvoorschriften en normen Europese milieurichtlijnen Jurisprudentie milieuin omgevingsrecht Cumulatie-, domino en ketenrelaties milieuthema‟s Documentenbijlage 2, regeling aanwijzing bbt Overwegingen gelijkwaardigheidsbesluit Eisen aan medewerkers die deze zeven activiteitenuitvoeren voor klasse I, II en III inrichtingen algemeen Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 5 jaar in klasse I, II of III, waarvanminimaal 3 jaar in klasse III Basiskennis: Zie klasse I en eenvoudige klasse II Bestedenvan2/3 fte aan dezezeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen en/of ieder enkele tientallenobjecten in klasseII en III per jaar waarvoor fysieke en/of administratieve controles worden uitgevoerd (incl. enkele volledige audits milieu- managementsystemen). Aanvullende opleiding(en): Zieklasse I en eenvoudige klasse II Verdiepings- of specialistische opleidingadministratief toezicht en auditvaardigheden Diepgaandekennis: Zie klasse I en eenvoudige klasse II Toetsingstechnieken geld en goederenbeweging Milieumanagementsystemen en bijbehorende toetsingstechnieken IPPC regelgeving en jurisprudentie Relevante BREFs, BBT Afstand totbaseline en BBT PRTR klasse I, II en III inrichtingen binnen de sector procesindustrie Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 5 jaar in de sectorprocesindustrie in klasse I, II of III, waarvan 3 jaar in klasseIII Basiskennis: Zie klasse I, II en III algemeen Besteden van 2/3 fte aan dezezeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen, waarvan1/3 fte aan deze zeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen in de sector procesindustrie én vijffysieke inspecties bij IPPC procesindustrie inrichtingen uitvoeren. Aanvullende opleiding(en): Zie klasse I, II en IIIalgemeen Diepgaandekennis: Zie klasse I, II en III algemeen Technische procesvoering en methoden gevaarlijke stoffen Eisen aan medewerkers die deze zeven activiteitenuitvoeren voor klasse I, II en III inrichtingen binnen de sector agrarisch Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 5 jaar in de sectoragrarisch in klasseI, II of III, waarvan 3 jaar in klasseIII Basiskennis: Zie klasse I, II en III algemeen Verspreidingsmodellengeur, fijnstof en ammoniak Natuurbeschermingswet, reconstructieplan Besteden van 2/3 fte aan dezezeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen, waarvan1/3 fte aan deze zeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen in de sector agrarisch én vijf fysieke inspecties bij IPPC agrarisch inrichtingenuitvoeren. Aanvullende opleiding(en): Zie klasse I, II en IIIalgemeen Diepgaandekennis: Zieklasse I, II en IIIalgemeen Wet geurhinder ammoniak Besluitammoniakemissie huisvesting veehouderij klasse I, II en III inrichtingen binnen de sector afval Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 5 jaar in de sector afval in klasseI, II of III, waarvan 3 jaar in klasseIII Basiskennis: Zieklasse I, II en III algemeen LandelijkAfvalstoffenPlan Specialismen geluid, geur, luchtkwaliteit,stof, externe veiligheid en groene wetgeving Besteden van 2/3 fte aan dezezeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen, waarvan1/3 fte aan deze zeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen in de sector afval én vijf fysieke inspecties bij IPPC afval inrichtingen uitvoeren. Aanvullende opleiding(en): Zie klasse I, II en IIIalgemeen Diepgaandekennis: Zieklasse I, II en IIIalgemeen Technische procesvoering gevaarlijke stoffen Acceptatie en verwerkingsbeleid AO/IC afvalverwerkende inrichtingen Eisen aan medewerkers die deze zeven activiteiten uitvoeren voor klasse IIIBrzo inrichtingen * Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 4 jaar metinrichtingen met gevaarlijke stoffen, waarvan2 jaar inuitvoering Brzo-activiteiten en 2jaar Safety, milieu of kwaliteitsmanagement Brzo toezicht Basiskennis: Zie klasse I, II en III algemeen Veiligheidsbeheerssystemen AuditkennismetVBS Besteden van 2/3 fte aan dezezeven activiteiten bij klasseIII inrichtingen, waarvan1/2 fte aan deze zeven activiteiten bij klasseIII Brzo inrichtingen én uitvoeren van vier volledige auditsper jaar Aanvullende opleiding(en): Basiscursusauditor Specialistisch opleidingsprogrammaNIM voor Brzo toezicht Diepgaandekennis: Technische procesvoering gevaarlijke stoffen *voor zover dit betrekking heeft op het toezicht in het kader van het Besluit risico‟s zware ongevallen
- Toezicht en handhaving bodem Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffenkernactiviteiten van de toezicht en handhaving. Activiteit Maken van een risicoanalyse en indien nodig vertalennaar locatiespecifiek toezichtsplan met risico‟s, beoordelingspunten en bijbehorende toezichtmethode en frequentie. Voorbereiden op basis van openbare en locatiespecifieke bronnen en uitvoerenvan controles ter plaatse. Bevindingen rapporteren, overtredingen melden,optreden en ambtelijke vooraankondiging maken. Opstellen bezoekverslag/brief. Handhaven bij (opnieuw) geconstateerde overtredingen conformsanctiestrategie. Behandelen ongewone voorvallen 24 uur per dag, klachten, meldingen en verzoekentot handhaven. Tijdig signaleren welke specialisten en/of juristen moeten wordeningeschakeld en hun bijdragen op relevantie, toepasbaarheid en benodigde diepgangbeoordelen. Eisen aan medewerkers die deze zes activiteitenuitvoeren Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante MBO 2 jaar Basiskennis: Awb Besluit stortplaatsen indien stortplaats op grondgebied Bestedenvan1/3 fte aan dezezes activiteiten. Aanvullende opleiding(en): Verdiepingscursus toezicht en handhaving Specialistische opleiding bodem Diepgaandekennis: Handhavingsprocedures jurisprudentie en Eisen aanorganisaties diedeze zes activiteiten uitvoeren minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria
- Toezicht en handhaving groene wetten Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kernactiviteiten van de toezicht en handhaving. Activiteit Maken van een risicoanalyse en indien nodig vertalen naar situatie specifiek toezichtsplan met risico‟s, beoordelingspunten en bijbehorende toezichtmethode en frequentie. Voorbereiden op basis van openbare en situatiespecifieke bronnen en uitvoerenvan controles ter plaatse. Bevindingen rapporteren, overtredingen melden,optreden en ambtelijke vooraankondiging maken. Opstellen bezoekverslag/brief. Handhaven bij (opnieuw) geconstateerde overtredingen conformsanctiestrategie. Behandelen klachten, meldingen(ongewone voorvallen) en verzoekentot handhaven. Tijdig signaleren welke specialisten en/of juristen moeten wordeningeschakeld en hun bijdragen op relevantie, toepasbaarheid en benodigde diepgangbeoordelen. Eisen aan medewerkers diedeze zes activiteitenuitvoeren Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: RelevanteMBO 2 jaar Bestedenvan2/3 fte aan dezezes activiteiten. Aanvullende opleiding(en): BasiscursusFlora en faunawet Basiscursus Nb-wet en Boswet BasiscursusWro Verdiepingscursus toezicht en handhaving Diepgaandekennis: Stedelijk groen Natura2000 Ecologische en landschappelijke condities Eisen aanorganisaties diedeze zes activiteiten uitvoeren minimaal 2 medewerkers die voldoenaan bovengenoemde criteria Juridische deskundigheidsgebieden
- Behandelen juridische aspecten vergunningverlening Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffenkernactiviteiten van de Wabo diebij het bevoegd gezag thuishoren. Activiteit (Procedureel) beoordelen van vergunningaanvragen. Adviseren over diverse juridische vraagstukkenophet terrein van het omgevingsrecht. Adviseren dan wel opstellenvan (gedoog) beschikkingen ten aanzien van(complexe) aanvragen op grond vandeWabo. Behandelen van bezwaar- en beroepschriften, verzoeken voorlopige voorziening en zienswijzen, opstellen verweerschriften en pleitnota‟s en vertegenwoordigen van het bevoegd gezag bij de behandeling hiervan. Eisen aan medewerkers diedeze vier activiteitenuitvoeren Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 1 jaar voor activiteiten 1 en 2 3 jaar voor activiteiten 3 en 4 Basiskennis: Strafrecht Bestedenvan2/3 fte aan dezevier activiteiten en/ofminimaal 5 procedures doorlopen (reageren op bezwaar / beroeptot en met bepleiten danwel commissie) Aanvullende opleiding(en): BasiscursusWm BasiscursusWro Basiscursusbouwbesluit BasiscursusNb-wet Verdiepingscursus Awb Verdiepingscursus omgevingsrecht Diepgaandekennis: Asbest Jurisprudentie Eisen aanorganisaties diedeze vier activiteiten uitvoeren minimaal 2 medewerkers met 3 jaar werkervaring die voldoenaan bovengenoemde criteria
- Behandelen juridische aspecten handhaving Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffenkernactiviteiten van de Wabo die bij het bevoegd gezag thuishoren. Activiteit (Procedureel) beoordelen van handhavingsverzoeken en gedoogbeschikkingen. Adviseren over juridische vraagstukken op hetterrein van omgevingsrecht. Behandelen en begeleiden van handhavingprocedures. Opstellen van beschikkingen ten aanzien van (complexe)handhavingszaken en hetdoen van aanschrijvingen in het kader vanbouw, RO en milieu. Behandelen van bezwaar- en beroepschriften, opstellen verweerschriften en pleitnota‟s en vertegenwoordigen van het bevoegd gezag bij de behandeling hiervan. Invorderen bestuurlijke geldschulden. Coördineren flankerend beleid / strafrechtelijk en bestuursrechtelijk acties door boa. Eisen aan medewerkers diedeze zeven activiteitenuitvoeren Opleiding Werkervaring Aanvullendekennis Frequentie Basisopleiding: Relevante HBO 1 jaar voor activiteiten 1 en 2 3 jaar voor activiteiten 3 t/m 7 Basiskennis: Strafrecht Bestedenvan2/3 fte aan dezezeven activiteiten en/of minimaal 5 procedures doorlopen(reageren op bezwaar / beroep tot en metbepleiten danwel commissie) Aanvullende opleiding(en): Basiscursus Wm Basiscursus Wro Basiscursus bouwbesluit Basiscursus Nb-wet Verdiepingscursus Awb Verdiepingscursus omgevingsrecht Diepgaandekennis: Asbest Jurisprudentie Eisen aan organisaties die deze zeven activiteiten uitvoeren minimaal 2 medewerkers met 3 jaar werkervaring die voldoenaan bovengenoemde criteria
- Behandelen juridische aspecten afwijkingsbesluiten Onderst