← Nederland

Natura 2000-beheerplan Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 2025-2031 (Zuid-Holland)

In het kort

Dit is het tweede beheerplan voor het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck voor de periode 2025-2031. Het beschrijft hoe de natuurwaarden in dit gebied behouden en ontwikkeld worden, en dient als kader voor vergunningverlening en handhaving.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/provincie/2025/CVDR749681 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv28/2025/N2K-103-2025-2031 /join/id/stop/work_019 2025-12-11 2025-12-11 /akn/nl/act/provincie/2025/CVDR749681/nld@2025-12-12 /join/id/proces/pv28/2025/PZH-2025-882932500 2025-12-12 2025-12-12 /akn/nl/act/pv28/2025/N2K-103-2025-2031/nld@2025-12-02;1 /akn/nl/act/pv28/2025/N2K-103-2025-2031 /akn/nl/act/pv28/2025/N2K-103-2025-2031/nld@2025-12-02;1 /join/id/stop/work_019 1 Natura 2000-beheerplan Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 2025-2031 1 Samenvatting 1.1 Inleiding Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is een Vogel- en Habitatrichtlijngebied, gelegen in de provincies Zuid-Holland en Utrecht. Voor ieder Natura 2000-gebied geldt een beheerplan. Het beheerplan geeft aan hoe het met de instandhoudingsdoelstellingen gaat en wat er gedaan moet worden om die te halen. Het beschrijft de mogelijkheden om de natuur verder te ontwikkelen en het geeft een kader voor vergunningverlening en handhaving in relatie met de activiteiten die in en rond het gebied plaatsvinden. Het eerste beheerplan van Nieuwkoopse Plassen & De Haeck was door Gedeputeerde Staten in juli 2015 vastgesteld en had een doorwerkingsperiode tot en met

  1. Er is gebruik gemaakt van de (eenmalige) mogelijkheid om dit beheerplan met een periode te verlengen. Dit tweede beheerplan vormt een actualisatie van het eerste. 1.2 Natura 2000-doelen en opgaven Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is aangewezen voor diverse habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten. Aan deze habitattypen en soorten zijn instandhoudingsdoelstellingen meegegeven. Deze staan verderop tabelsgewijs opgesomd. Daarnaast zijn op het gebied vier landelijke kernopgaven van toepassing, waarbij de doelen die voor Nieuwkoopse Plassen niet relevant zijn, schuingedrukt staan: ● 4.08 Evenwichtig systeem: Nastreven van een meer evenwichtig systeem (waterkwaliteit, waterkwantiteit en hydromorfologie): waterplantengemeenschap (voor kranswierwateren H3140 en meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H3150), zwarte stern A197, platte schijfhoren H4056 en vissen zoals o.a. bittervoorn H1134, grote modderkruiper H1145, kleine modderkruiper H1149 en insecten, zoals gevlekte witsnuitlibel H1042 en gestreepte waterroofkever H
  2. Hier ligt een sense of urgency m.b.t. watercondities en een wateropgave. ● 4.09 Compleetheid in ruimte en tijd: Alle successiestadia laagveenverlanding in ruimte en tijd vertegenwoordigd: overgangs- en trilvenen (trilvenen en veenmosrietlanden) H7140A en H7140B met onder meer grote vuurvlinder H1060, groenknolorchis H1903 en vochtige heiden (laagveengebied) H4010B, blauwgraslanden H6410, galigaanmoerassen *H7210 en hoogveenbossen H91D0, in samenhang met gemeenschappen van open water. Hier ligt een sense of urgency m.b.t. watercondities en een wateropgave. ● 4.12 Overjarig riet: Herstel van grote oppervlakten/brede zones overjarig riet, inclusief waterriet, door herstel van natuurlijke peildynamiek en tegengaan verdroging voor rietmoerasvogels, zoals roerdomp A021, purperreiger A029, snor A292, grote karekiet A298 en voor de Noordse woelmuis *H
  3. Hier ligt een wateropgave. ● 4.15 Vochtige graslanden: Herstel inundatie, behoud en nieuwvorming blauwgraslanden H6410, glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) H6510_B, met name kievitsbloemhooilanden, mede als leefgebied van de kemphaan A151 en watersnip A
  4. 1.3 LESA en ontwikkeling habitattypen en soorten De Landschapsecologische Systeemanalyse (LESA) in dit beheerplan gaat in op de ontstaansgeschiedenis, het abiotisch systeem en de fauna- en vegetatieontwikkeling in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. In het hoofdstuk ‘Ontwikkeling habitattypen en soorten’ in dit beheerplan is een ecologische analyse gegeven van de huidige omvang en kwaliteit van de habitattypen en (leefgebieden van) habitat- en vogelrichtlijnsoorten, en de trends die daarin zichtbaar zijn. Zie de samenvattingen hiervan in onderstaande tabellen. Habitattypen Samenvatting van de doelstelling, trend en opgave van de habitattypen. Doel: > is uitbreiding oppervlak of verbetering kwaliteit, = is behoud oppervlak of kwaliteit Habitatrichtlijnsoorten Overzicht van de doelstellingen, trend en opgave van de Habitatrichtlijnsoorten binnen Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Doel: > is uitbreiding oppervlak of verbetering kwaliteit; = is behoud oppervlak of kwaliteit. Vogelrichtlijnsoorten Overzicht van de doelstellingen, trends en opgaven van de vogelrichtlijnsoorten binnen Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Doel: > is uitbreiding oppervlak of verbetering kwaliteit; = is behoud oppervlak of kwaliteit. 1.4 Knelpunten tweede beheerplanperiode Door het uitvoeren van maatregelen in de eerste beheerplanperiode is één knelpunt opgelost. Deze wordt niet meegenomen naar de tweede beheerplanperiode: ● K7: Achteruitgang soortensamenstelling en vegetatiestructuur H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietland) en H4010B Vochtige heiden (laagveengebied), door de effecten van mostrekken en het gebruik van MCPA. Uit de LESA en de ecologische analyse blijkt wel een aantal andere knelpunten voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Dit zijn: ● K1: Verzuring ● K2: Eutrofiëring ● K3: Onvoldoende waterkwaliteit en -kwantiteit ● K4: Versnelde successie ● K5: Het proces van verlanding ligt nagenoeg stil ● K6: Gebrek aan broedbiotoop roerdomp en verstoring van beschermde (broed)vogels ● K8: Aanwezigheid van exoten ● K9: Geïsoleerde ligging ten opzichte van andere laagveengebieden ● K10: Oppervlakte habitattype kleiner dan functionele omvang (bij H3140, H3150, H6410, H6430B, H7140A, H7210 en H91D0) ● K11: Geschikte condities ontbreken voor H6430B (Ruigten en zomen, subtype harig wilgenroosje) (Geen systeemeigen habitattype) ● K12: Afname leefgebied zeggekorfslak ● K13: Afname leefgebied noordse woelmuis ● K14: Onvoldoende broedbiotoop en foerageergebied zwarte stern ● K15: Verdwijnen kraamkolonies meervleermuis buiten het N2000-gebied ● K16: Afname onderwatervegetatie (dus leefgebied platte schijfhoren), mogelijk door exotische rivierkreeften Hiervan waren knelpunten K1 t/m K7 al opgenomen in het eerste beheerplan. Knelpunten K8 t/m K16 zijn nieuw toegevoegd. 1.5 Visie op doelbereik In dit beheerplan is een visie opgenomen met de kenmerken en het functioneren van het Natura 2000-gebied zoals zich dit op termijn voordoet. Daarmee is het een visie voor de nabije toekomst waarbij het beheer optimaal is en maatregelen die uitgevoerd zijn of die in het kader van dit beheerplan worden geformuleerd bijdragen. De visie zet in op het realiseren van de kernopgaven (hoofdstuk 3). De ambitie in voorliggend en volgende beheerplan(nen) is dat systeemherstel uiterlijk 2050 gerealiseerd is, maar waarvoor reeds in 2030 effectieve stappen dienen te zijn gezet en tussendoelen te zijn behaald. In de visie is Nieuwkoopse Plassen & De Haeck beschreven als een laagdynamisch, aan successie onderhevig, laagveenmoeraslandschap. De doelen waarvoor het gebied is aangewezen worden gehaald. Hierbij is sprake van: ● Waterbeheer dat optimaal is ingesteld op het vasthouden van gebiedseigen water. Waar mogelijk is sprake van een natuurlijke peildynamiek. ● Voortzetting van natuurbeheer, geoptimaliseerd voor de specifieke doelen. ● De kwaliteit van het oppervlaktewater in het Natura 2000-gebied is basenrijk, sulfaatarm en matig voedselrijk tot (matig) voedselarm, zodat onderwatervegetaties zich goed kunnen ontwikkelen. ● Door verduurzaming van onder andere landbouw, verkeer en industrie is de stikstofdepositie op het gebied fors gedaald tot een acceptabel niveau. ● Inrichtingsmaatregelen en beheer staan in dienst van het behoud van de successiestadia van laagveenverlanding en soortenrijke graslanden (blauwgrasland), en de daarbij behorende flora en fauna. ● Oevers en natte tot vochtige graslanden zijn kruidenrijk wat de insectenrijkdom en de amfibieën- en muizenstand ten goede komt en daarmee het prooiaanbod voor moerasvogels. ● De interne rust en kwaliteit is goed geborgd waardoor het gebied optimaal invulling geeft aan slaap- en rustgebied voor de broedvogels en niet-broedvogels. ● Er is voldoende openheid voor o.a. zwarte stern. ● Exoten zijn onder controle en vormen niet langer een knelpunt voor het halen van de doelen. ● Binnen deelgebieden in de Meijegraslanden is het peilbeheer optimaal ingericht op ontwikkeling en behoud van leefgebied van moerasvogels. Overjarig rietland en de riet-gedomineerde natte graslanden biedt daarnaast ook volop leefgebied voor noordse woelmuis. ● Rondom Nieuwkoopse Plassen & De Haeck ligt een overgangsgebied waar functies en activiteiten bijdragen aan natuurherstel, onder andere doordat landbouw in deze gebieden geëxtensiveerd is. Daarnaast is de connectiviteit van het landschap robuust en duurzaam tussen Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en andere natuurgebieden. 1.6 Maatregelen Afgelopen jaren zijn er heel veel maatregelen uitgevoerd in het gebied, waaronder KRW-maatregelen om de waterkwaliteit te verbeteren, aangepast beheer en inrichtingsmaatregelen (o.a. petgaten graven, plaggen voor trilveen). Deze maatregelen hebben geleid tot een flinke verbetering van de waterkwaliteit in grote delen van het gebied en gunstige omstandigheden voor de ontwikkeling van de beoogde natuurdoelen. Voor de daadwerkelijke ontwikkeling van de gewenste natuurdoelen is vaak nog meer tijd nodig (enkele tot enkele tientallen jaren), maar de eerste ontwikkelingen lijken positief. Uit de evaluatie van het vorige beheerplan is gebleken dat vrijwel alle maatregelen uit dat beheerplan zijn uitgevoerd. Om de resterende knelpunten aan te pakken, zijn in dit beheerplan nieuwe maatregelen opgenomen. Daarnaast wordt het reguliere beheer voortgezet. In onderstaande tabel zijn alle maatregelen van de tweede beheerplanperiode van Nieuwkoopse Plassen & De Haeck opgenomen. Totaaloverzicht maatregelen tweede beheerplanperiode Nieuwkoopse Plassen & De Haeck Weergegeven zijn de profiterende habitattypen en soorten en het betreffende knelpunt. * Op 7 juli 2025 is een ontwerp-wijziging van het Aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck gepubliceerd. In dit ontwerp-wijzigingsbesluit wordt voor de grutto als broedvogel een instandhoudingsdoelstelling aan het gebied toegevoegd. Naar verwachting wordt eind 2025 het definitieve besluit vastgesteld. Bij het opstellen van dit Natura 2000-beheerplan is het besluit dus nog niet definitief en is grutto dus nog niet meegenomen. Wel is in dit beheerplan de maatregel opgenomen dat na de definitieve aanwijzing van de broedvogel onderzocht wordt welke maatregelen nodig zijn om de instandhoudingdoelstellingen voor grutto te behalen. 1.7 Monitoring Om een complete en gedegen analyse te kunnen maken van de toestand van de Natura 2000-waarden en deze ook te kunnen vergelijken met een volgend moment, is monitoring van belang. Monitoring richt zich hierbij op onderdelen die samenvallen met de instandhoudingsdoelstelling voor die Natura 2000-waarden. In het beheerplan is opgenomen hoe habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten, maar ook het abiotisch systeem en de maatregelen worden gemonitord. 1.8 Vergunningverlening en handhaving In dit beheerplan staat hoe de instandhoudingsdoelstellingen gerealiseerd worden. Naast fysieke maatregelen is hier ook regulering voor nodig. Toezicht en handhaving wordt uitgevoerd door toezichthouders in dienst van de provincies, het waterschap, de gemeente, Staatsbosbeheer of Natuurmonumenten. Daarnaast zijn er ook toezichthouders in het gebied actief van bijvoorbeeld de politie en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Vaak trekken de verschillende toezichthouders samen op. 2 Inleiding 2.1 Wat is Natura 2000? Wereldwijd zijn er afspraken tussen landen over het behoud en duurzaam gebruik van planten, dieren en micro-organismen (De Verenigde Naties, 1992). Binnen de Europese Unie zijn vervolgens nadere afspraken gemaakt over de uitwerking van deze wereldwijde verdragen. Twee daarvan zijn de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (zie tekstkader). Vanuit de Europese Vogelrichtlijn zijn beschermingsgebieden voor vogels aangewezen. In de Europese Habitatrichtlijn worden belangrijke natuurgebieden beschermd. Binnen Europa vormen beide samen het Natura 2000-netwerk van bijna 26.000 natuurgebieden, waarin planten en dieren beschermd moeten worden. In Nederland liggen 162 van deze Natura 2000-gebieden. De lidstaten hebben deze richtlijnen in nationale wetgeving verwerkt. In Nederland is dat de Omgevingswet (verder: Ow). Door de Natura 2000-gebieden doelgericht te beheren en te beschermen, wordt het voortbestaan van de bijzondere natuurwaarden (habitattypen en leefgebieden van soorten) verzekerd. Per gebied moet om die reden een Natura 2000-beheerplan worden opgesteld waarin is aangegeven hoe de bijzondere natuurwaarden in dat gebied duurzaam worden behouden. Voorliggend Natura 2000-beheerplan is het tweede in rij. Het eerste beheerplan is door Gedeputeerde Staten in juli 2015 vastgesteld en had een doorwerkingsperiode tot en met
  5. Er is gebruik gemaakt van de (eenmalige) mogelijkheid om dit beheerplan met een periode te verlengen. Dit tweede beheerplan vormt een actualisatie van het eerste. Samenhang tussen Natura 2000, de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn (79/409/EEG) heeft als doel om alle in het wild levende vogelsoorten en hun leefgebieden te beschermen. In Nederland zijn 79 gebieden aangewezen als 'speciale beschermingszone' die vallen onder de Vogelrichtlijn: dit zijn gebieden waar bedreigde (trek-)vogelsoorten voorkomen en daarom beschermd moeten worden. Daarnaast bevat de Vogelrichtlijn andere regels om (trek-)vogels te beschermen, ook buiten de speciale zones. De Habitatrichtlijn (92/43/EEG) heeft als doel om de veelheid aan planten en dieren (biologische diversiteit) te behouden door het in stand houden van hun natuurlijke leefgebieden. Net als bij de Vogelrichtlijn dienen Europese lidstaten 'speciale beschermingszones' voor bedreigde dieren en planten aan te wijzen en die te handhaven. Ook bevat de Habitatrichtlijn regels voor het beschermen van dieren en planten los van deze beschermingszones. De gebieden die worden aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogel- en Habitatrichtlijnen worden tezamen als 'Natura 2000' aangeduid. 2.2 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en Natura 2000 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is een bijzonder natuurgebied en als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied aangewezen. Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is volgens het Aanwijzingsbesluit (Minister van EZ, 2013) en het Wijzigingsbesluit (Minister van Natuur & Stikstof, 2022) één van de belangrijkste gebieden van Nederland voor de habitattypen Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, Vochtige heiden (laagveengebied), Blauwgraslanden, Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) en Hoogveenbossen. Het is zelfs één van de drie gebieden met de grootste oppervlakte Vochtige heiden (laagveengebied), Blauwgraslanden en Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) in Nederland. Voor de habitattypen Kranswierwateren, Ruigten en zomen (moerasspirea), Ruigten en zomen (harig wilgenroosje), Overgangs- en trilvenen (trilvenen) en Galigaanmoerassen is de bijdrage beperkt, maar voor de landelijke spreiding wel van belang. Kenschets Het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (zie Figuur 2‑1) is vrijwel geheel aangewezen als Vogel- en Habitatrichtlijngebied. Uitzondering vormt het gebied Schraallanden langs de Meije (oranje in Figuur 2‑1), dat alleen is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Het deelgebied Schraallanden langs de Meije ligt binnen de Provincie Utrecht. Het overige deel van het Natura 2000-gebied ligt binnen de Provincie Zuid-Holland. Het gehele gebied heeft een oppervlak van 2008 ha. Figuur 2‑
  6. Begrenzing en status van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. In Figuur 2‑2 zijn de deelgebieden van het Natura 2000-gebied De Nieuwkoopse Plassen & De Haeck weergegeven. Nieuwkoopse Plassen & De Haeck maken deel uit van het Hollands-Utrechts laagveengebied dat is ontstaan na afgraving van een deel van het veen. Binnen het gebied is een opeenvolging van verschillende stadia van verlanding aanwezig vanuit open water met kranswiervegetaties, een moerasgebied met rietkraggen, (schraal)graslanden, overgangsveen, moerasheide, legakkers, petgaten en broekbos. Deelgebied de Haak bestaat uit broekbos, rietland en schrale hooilanden. Deelgebied Schraallanden langs de Meije bestaat uit blauwgrasland met op enkele plekken wat elzen- en wilgenstruweel. De Meijegraslanden, gelegen ten zuiden van het Plassen- en moerasgebied, bestaan inmiddels voor ongeveer de helft uit natuurgrasland, wat voor een deel gehooid wordt (mede om de mestbelasting uit het agrarische verleden te doen afnemen, maar ook om verruiging tegen te gaan) en deels extensief beweid voor fauna (waaronder Noordse woelmuis). De overige percelen bestaan uit regulier gebruikte agrarische percelen. Polder Westveen bestaat uit natuurgraslanden, particuliere percelen en in het zuiden uit agrarische graslanden. In een groot deel van Westveen vindt omvorming naar natuurgrasland plaats. Het gebied bestaat voorts uit een aantal complexen van petgaten (aan de westzijde) en is doorsneden door sloten. De toponiemenkaart (Figuur 2‑3) geeft een aantal plaatsaanduidingen en namen van deelgebieden binnen het Natura 2000-gebied, die in voorliggend beheerplan vaak gebruikt worden. 2.3 Aanwijzingsbesluit Het Aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is vastgesteld op rijksniveau op 25 november 2013 (te vinden op: https://www.natura2000.nl/gebieden/zuid-holland/nieuwkoopse-plassen-de-haeck/nieuwkoopse-plassen-de-haeck-aanwijzing). In het Aanwijzingsbesluit is de begrenzing van het gebied opgenomen en is aangegeven voor welke typen natuur (habitattypen en/of leefgebieden van soorten, de zogenaamde Natura 2000-waarden) Nieuwkoopse Plassen & De Haeck belangrijk is. Het Aanwijzingsbesluit geeft aan welke instandhoudingsdoelstellingen gelden voor deze Natura 2000-waarden. Instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op de oppervlakte en kwaliteit van habitattypen en de populatiegrootte en leefgebieden van soorten en geven aan of behoud of uitbreiding c.q. verbetering van kwaliteit wordt nagestreefd. In het Wijzigingsbesluit ‘Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden’ (Ministerie van Natuur & Stikstof, 2022) zijn voor Nieuwkoopse Plassen & De Haeck doelen toegevoegd aan het Aanwijzingsbesluit. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is het corrigeren van wat ten aanzien van de te beschermen habitattypen van Bijlage 1 en soorten van Bijlage 2 van de Habitatrichtlijn niet goed is gegaan bij het publiceren van de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten. Het betreft vooral het alsnog beschermen van habitattypen en soorten die op het moment van aanwijzen (in voldoende mate en duurzaam) aanwezig bleken te zijn. Deze waarden en de daarvoor gestelde instandhoudingsdoelstellingen worden met dit wijzigingsbesluit aan de betreffende aanwijzingsbesluiten toegevoegd. In een beperkt aantal gevallen bleken typen en soorten op het moment van aanwijzen niet (in voldoende mate en duurzaam) aanwezig te zijn. Deze worden met dit wijzigingsbesluit verwijderd. Figuur 2‑
  7. Begrenzing van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen& De Haeck met de deelgebieden. Een groot deel van Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is in eigendom van en in beheer bij Natuurmonumenten. De natuurbeschermingsorganisatie is eigenaar van het grootste deel van het Plassen- en moerasgebied, delen van De Haak, de Meijegraslanden en Polder Westveen. De Schraallanden langs de Meije zijn eigendom van en in beheer bij Staatsbosbeheer. Ook is een deel van het Natura 2000-gebied in handen van particulieren anders dan de terreinbeherende organisaties: percelen in de Meijegraslanden, Polder De Haak , Polder Westveen en een substantieel deel van de waterpercelen in het Plassen- en moerasgebied. Een aantal percelen in het gebied is verpacht, zowel percelen van Natuurmonumenten als van andere particulieren. In Figuur 2‑3 zijn de belangrijkste toponiemen opgenomen zoals die in dit beheerplan worden gebruikt. Figuur 2‑
  8. Begrenzingen van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck met toponiemen van binnen en buiten de Natura 2000-begrenzing gelegen (deel)gebieden. Van der Zwet / Natuurmonumenten

(2008)2.4 Over het beheerplan 2.4.1 De juridische status van het beheerplan Na aanwijzing van het Natura 2000-gebied door het Rijk is door Gedeputeerde Staten al eerder een beheerplan opgesteld voor het gebied. Het beheerplan heeft in juridische zin meerdere functies: het geeft een uitwerking van de in het aanwijzingsbesluit vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen in omvang, ruimte en tijd; het geeft aan welke instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen nodig zijn om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren; het geeft kaders voor toestemmingsverlening voor activiteiten en projecten en de handhaving daarvan. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Ook onder de Omgevingswet zijn gedeputeerde staten verantwoordelijk voor het vaststellen van een beheerplan voor het Natura 2000-gebied (artikel 3.8, derde lid, Omgevingswet). Als een Natura 2000-gebied in meerdere provincies is gelegen (zoals het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck) zijn Gedeputeerde Staten bevoegd van de provincie waarin het gebied grotendeels ligt. Ingevolge de Omgevingswet is een Natura 2000-beheerplan een wettelijk verplicht vast te stellen programma. Het beheerplan Natura-2000 gebied bevat ook onder de Omgevingswet de uitwerking in omvang, ruimte en tijd van de instandhoudingsdoelstellingen. In het beheerplan worden de te nemen instandhoudings- en passende maatregelen in samenhang beschreven met inbegrip van de daarmee beoogde resultaten (artikel 4.26 Besluit kwaliteit leefomgeving, hierna: Bkl). Het beheerplan kan beschrijven welke handelingen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten het bereiken van instandhoudingsdoelstellingen in het gebied niet in gevaar brengen. Daarbij kan worden aangegeven da aan bepaalde nadere voorwaarden en beperkingen moet worden voldaan. Bij de vaststelling dat de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar worden gebracht, kunnen de positieve gevolgen van de in het gebied te treffen instandhoudingsmaatregelen worden betrokken. De beschrijving van deze maatregelen in combinatie met activiteiten in het beheerplan betekent dat in het vervolg een afzonderlijke beoordeling van deze activiteiten in het kader van een vergunningprocedure – onder de Omgevingswet: een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit – niet noodzakelijk is (artikel 11.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving, hierna: Bal). Er dient dan wel een voortoets, passende beoordeling en, indien noodzakelijk, een ADC-toets te zijn gemaakt (artikel 11.21 Bal). Zoals hiervoor opgemerkt, worden beheerplannen gekwalificeerd als een programma in de zin van de Omgevingswet. Dit betekent dat sprake kan zijn van een plan-mer-plicht. Dit geldt voor programma's (en dus ook beheerplannen): a. Die het kader vormen voor m.e.r.(-beoordelings)-plichtige besluiten over projecten (als bedoeld in artikel 16.43 van de Omgevingswet; b. Die het kader vormen voor (andere) projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben; c. Waarvoor op grond van artikel 16.53c van de Omgevingswet een passende beoordeling moet worden gemaakt. Voor onderhavig beheerplan geldt geen plan-mer-plicht. Dit omdat er geen activiteiten vrijgesteld zijn in voorliggend beheerplan waarvoor een Passende Beoordeling moet worden opgesteld noch worden er maatregelen genomen die zijn opgenomen in de lijst van m.e.r.-plichtige activiteiten. Bij de voorbereiding van een beheerplan moeten burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen worden betrokken. Bij het vaststellen van het beheerplan wordt aangegeven hoe deze participatie vorm is gegeven en wat de resultaten daarvan zijn (artikel 10.8 Omgevingsbesluit, hierna: Ob). Er geldt tevens een (algemene) verplichting om rekening te houden met taken en bevoegdheden van andere overheden en een plicht om zo nodig afstemming te zoeken (artikel 2.2, eerste lid, Omgevingswet). De in het beheerplan opgenomen maatregelen moeten tijdig door de verantwoordelijke overheden worden uitgevoerd (artikel 3.18, derde lid, Omgevingswet). Een beheerplan wordt elke zes jaar geactualiseerd (artikel 10.18 Ob). 2.4.2 De totstandkoming van het plan De Omgevingswet verplicht het bevoegd gezag om elke zes jaar een Natura 2000-beheerplan vast te stellen. Dit beheerplan is een actualisatie van het eerste beheerplan voor het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck dat in 2015 is vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland en de Staatssecretaris van Economische Zaken in afstemming met Gedeputeerde Staten van Utrecht (Provincie Zuid-Holland, 2015a). Daarbij wordt opgemerkt dat Gedeputeerde Staten het tijdvak van het eerste beheerplan bij besluit van 20 april 2021 hebben verlengd met vier jaar. Dit betekent dat het beheerplan nu moet worden geactualiseerd. In het kader van het eerste beheerplan is een groot aantal maatregelen uitgevoerd dat bijdraagt aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied. Deze maatregelen, en de verwachte effecten daarvan, zijn uitgangspunt bij het opstellen van dit tweede beheerplan. Participatie Participatie is een belangrijke pijler in de Omgevingswet. Met participatie wordt bedoeld het vroegtijdig betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Bij het vaststellen van een programma moet worden gemotiveerd hoe belanghebbenden zijn betrokken en wat hiervan het resultaat is (artikel 10.8, Omgevingsbesluit). Tevens vindt de Provincie het belangrijk dat tijdens het uitwerken van het beheerplan alle benodigde perspectieven en kennis op tafel komen. Dit leidt tot betere en gedragen beheerplannen. Om dit te bereiken is provincie Zuid-Holland in een zo vroeg mogelijk stadium met alle direct betrokkenen in gesprek gegaan. Ook ondernemers en omwonenden worden geïnformeerd, dit vraagt maatwerk per gebied. Hoe vult Provincie Zuid-Holland dit in? Bij het opstellen van dit beheerplan zijn relevante gebiedspartijen betrokken. Hierbij zijn de wettelijke kaders voor participatie gevolgd (artikel 10.8, Omgevingsbesluit) met als doel te komen tot een door de omgeving gedragen beheerplan. Alle belanghebbende partijen hebben de gelegenheid gehad om hun belangen in te brengen. Deze belangen zijn meegewogen in de totstandkoming van dit beheerplan. Dit beheerplan is opgesteld door de provincie Zuid-Holland in samenwerking met Arcadis en in overleg met een begeleidingsgroep van (een vertegenwoordiging van) betrokken terrein beherende instanties (Vereniging Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Particuliere grondeigenaren) en andere betrokken overheden (Provincie Utrecht, Gemeente Nieuwkoop, Hoogheemraadschap van Rijnland, Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden, Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht) en partijen (LTO, Verenigde Ondernemers Nieuwkoop, Rietsnijders, Gebruikersbelang Plassengebied Nieuwkoop). Gedurende het opstellen van het beheerplan is de begeleidingsgroep meerdere keren bij elkaar gekomen om geïnformeerd te worden en vragen te stellen. Daarnaast is met een deel van begeleidingsgroep gesproken over specifieke onderwerpen. Binnen de provincie(s) zijn verschillende afdelingen en programma’s betrokken bij de totstandkoming van dit beheerplan, waaronder Monitoring, Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) en Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ), recreatie, gebiedsgerichte aanpak van het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG) en provincie Utrecht. Hiermee is invulling gegeven aan de (verplichte) participatie voor het beheerplan. De afstemming over de beide gebiedsprogramma’s ZH-PLG en UPLG vindt plaats in de ambtelijke en bestuurlijke netwerken die in het kader van deze programma’s zijn ingericht. Dit betreft de ambtelijke deelgebiedsoverleggen en de bestuurlijke regiegroep. 2.4.3 De vaststelling van het beheerplan Het Natura 2000-beheerplan Nieuwkoopse Plassen & De Haeck wordt (op grond van artikel 3.8, derde lid, van de Omgevingswet) vastgesteld door de overheden die op basis van eigendom en beheer voor het gebied verantwoordelijk zijn. In dit geval zijn dat: ● Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland; ● Gedeputeerde Staten van Utrecht (ingestemd). De procedure voor de vaststelling van het beheerplan is als volgt: ● Door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland wordt een ontwerp-beheerplan vastgesteld, in afstemming met Gedeputeerde Staten van Provincie Utrecht. ● Vervolgens wordt het ontwerp-beheerplan ter visie gelegd en kan eenieder, die het niet eens is met gewijzigde teksten in en/of nieuwe onderdelen van dit beheerplan ten opzichte van het eerste beheerplan, een zienswijze indienen. Deze zienswijzen worden beoordeeld en het plan wordt hierop al dan niet aangepast. De nota van beantwoording is opgenomen in Bijlage VIII Nota van beantwoording zienswijzen. ● Tot slot wordt het plan definitief vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Provincie Zuid-Holland in afstemming met Gedeputeerde Staten van Utrecht. Daarna bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid tegen het plan in beroep te gaan. Een dergelijk beroep kan alleen betrekking hebben op de beschrijvingen van handelingen die het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen, en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen en voor zover nieuw ten opzichte van het eerdere beheerplan. Dit volgt uit de Algemene Wet van Bestuursrecht. Een beroep kan leiden tot de aanpassing van het plan. Communicatie Provinciaal blad In het Provinciaal blad wordt de terinzagelegging van het beheerplan aangekondigd. Het Provinciaal Blad is openbaar en de publicatie hierin is bij de participerende partijen van het beheerplan aangekondigd. Omwonenden Omwonenden zijn met een bericht in de plaatselijke krant geïnformeerd over het nieuw beheerplan. Daarnaast is een informatieavond georganiseerd. 2.5 Leeswijzer In hoofdstuk 3 is ingegaan op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en welke kernopgaven er voor dit gebied liggen. Hierna wordt in hoofdstuk 4 beschreven wat de kaders zijn waarin Natura 2000 is vormgegeven in de provincie Zuid-Holland. Dit is het tweede beheerplan voor Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. In hoofdstuk 5 is aangegeven welke maatregelen in het eerste beheerplan zijn uitgewerkt en wat de staat van uitvoering daarvan is bij het ingaan van dit tweede beheerplan. Voor dit tweede beheerplan is de landschapsecologische systeemanalyse (LESA) die is opgesteld voor de Natuurdoelanalyse Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (Provincie Zuid-Holland, 2021) geactualiseerd, en is op basis daarvan beschreven welke knelpunten voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen na uitvoering van de maatregelen nog resteren, of zich nieuw hebben voorgedaan. Deze LESA is samengevat in hoofdstuk
  1. In hoofdstuk 7 is beschreven welke ontwikkelingen zich hebben voorgedaan in de verspreiding en kwaliteit van habitattypen en leefgebieden, en in welke mate deze aansluiten bij de instandhoudingsdoelstellingen. Deze beschrijving is gebaseerd op een uitvoerige analyse die is opgenomen in de Natuurdoelanalyse Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (Provincie Zuid-Holland, 2021). In hoofdstuk 8 is een overzicht gegeven van de knelpunten voor doelrealisatie, die in de voorgaande hoofdstukken zijn geïdentificeerd. In hoofdstuk 9 is vervolgens uitgewerkt wat dit betekent voor de visie op doelbereik op systeemniveau en op het niveau van de instandhoudingsdoelstellingen. In hoofdstuk 10 zijn de maatregelen uitgewerkt die in de komende beheerplanperiode worden genomen om binnen de reikwijdte van het beheerplan knelpunten op te lossen. Het beheerplan sluit af met een toelichting op de wijze waarop monitoring van het effect en doelbereik van de maatregelen plaatsvindt (hoofdstuk 11), een toelichting op de juridische aspecten rond vergunningverlening en handhaving (hoofdstuk 12) en de toetsing van het huidig gebruik (hoofdstuk 13). Tenslotte wordt in Bijlage I Advies van de ecologische autoriteit ingegaan op het advies van de Ecologisch Autoriteit over de natuurdoelanalyse en hoe dit verwerkt is in dit beheerplan of andere documenten en beleid. In Bijlage II Ecologische eisen habitattypen en soorten zijn de ecologische eisen van habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten opgenomen. In Bijlage III Habitatkaarten T0 en T1 zijn de T0- en T1-habitattypenkaarten opgenomen. In Bijlage IV Water- en bodemkwaliteit is een analyse van de water- en bodemkwaliteit opgenomen. In Bijlage V Monitoring is extra informatie over de monitoring opgenomen. In Bijlage VI Samenvatting eindoordeel instandhoudingsdoelstellingen Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is een samenvatting opgenomen van het eindoordeel van de instandhoudingsdoelstellingen van Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. In Bijlage VII Voortoets huidig gebruik is de voortoets opgenomen en in Bijlage VIII Nota van beantwoording zienswijzen is tot slot de nota van beantwoording van de zienswijzen opgenomen. 3 Natura 2000-doelen en -opgaven 3.1 Inleiding Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld en vastgelegd in het Aanwijzingsbesluit. Het aanwijzen van Natura 2000-gebieden en de instandhoudingsdoelstellingen is een taak van het Rijk. Het aanwijzen van doelen vindt plaats volgens vaste regels die vanuit de Europese commissie zijn vastgesteld. In het Natura 2000-doelendocument (Ministerie van LNV, 2006) is dit uitgebreid beschreven. In de Nota van toelichting bij het Aanwijzingsbesluit zijn allereerst de algemene doelstellingen geformuleerd. Het Aanwijzingsbesluit geeft aan voor welke habitattypen en/of soorten het gebied is aangewezen. Voor deze habitattypen en leefgebieden van soorten zijn instandhoudings-doelstellingen vastgelegd. Daarbij worden de termen “behoud”, “uitbreiding” en “verbetering” gebruikt. Voor een habitattype wordt de verdeling gemaakt in oppervlakte en kwaliteit, zodat de aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een habitattype altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de oppervlakte en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit wordt gegeven. Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit van het leefgebied. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang van het leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van “behoud” of “uitbreiding” van de populatie. Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden In het Natura 2000-gebied kwamen ten tijde van de aanwijzing al natuurwaarden (habitattypen en soorten) voor, waarvoor in het Aanwijzingsbesluit nog geen doelen zijn geformuleerd. Het Wijzigingsbesluit ‘Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden’ herstelt deze situatie en formuleert voor de betreffende natuurwaarden nu ook doelen om deze in stand te houden. Het Wijzigingsbesluit vormt een aanvulling op het Aanwijzingsbesluit. Grutto als broedvogel in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck Op 7 juli 2025 is een ontwerp-wijziging van het Aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck gepubliceerd. In dit ontwerp-wijzigingsbesluit wordt voor de grutto als broedvogel een instandhoudingsdoelstelling aan het gebied toegevoegd. Bij het opstellen van dit Natura 2000-beheerplan is het besluit nog niet definitief en is grutto dus nog niet meegenomen. Wel is in dit beheerplan de maatregel opgenomen dat na de definitieve aanwijzing van de broedvogel onderzocht wordt welke maatregelen nodig zijn om de instandhoudingdoelstellingen voor grutto te behalen. Algemene doelen voor Nieuwkoopse Plassen & De Haeck In het Aanwijzingsbesluit zijn de volgende algemene doelen geformuleerd voor Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Behoud en indien van toepassing herstel van: de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen. 3.2 Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen Het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is aangewezen voor tien habitattypen. In het Aanwijzingsbesluit en het Wijzigingsbesluit ‘Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden’ zijn voor deze habitattypen onderstaande instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd. Prioritaire habitattypen en prioritaire soorten zijn met een sterretje (*) aangegeven. Voor prioritaire habitattypen en prioritaire soorten hebben de lidstaten een bijzondere verantwoordelijkheid. Dit zijn soorten of habitattypen van de Habitatrichtlijn die gevaar lopen te verdwijnen en waarvoor de Europese Unie een bijzondere verantwoordelijkheid draagt omdat een belangrijk deel van hun totale verspreidingsgebied binnen de Europese Unie ligt. De hieronder weergegeven toelichtingen zijn afkomstig uit het aanwijzingsbesluit of, in het geval van H6430B Ruigten en Zomen, uit het Wijzigingsbesluit ‘habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden’. De toelichtingen geven dus niet in alle gevallen de huidige situatie in het gebied weer. Voor een toelichting op de huidige situatie, zie de uitwerking in hoofdstuk
  2. H3140 Kranswierwateren Doel: Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Reden voor aanwijzing: Het habitattype kranswierwateren komt in een vorm voor die kenmerkend is voor laagvenen. Het is van oudsher een belangrijk gebied voor dit habitattype en nu vooral voor de landelijke spreiding van belang. H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Doel: Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Reden voor aanwijzing: Het gebied is van grote betekenis voor het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden. Het is gewenst de kwaliteit verder te verbeteren en de oppervlakte uit te breiden. H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) Doel: Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige heiden, laagveengebied (subtype B). Reden voor aanwijzing: Ofschoon het gebied een van de grootste vindplaatsen vertegenwoordigt van dit subtype, zijn er goede potenties voor verdere uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. H6410 Blauwgraslanden Doel: Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Reden voor aanwijzing: Het gebied is van oudsher een belangrijk gebied voor het habitattype blauwgraslanden en nu vooral voor de landelijke spreiding van belang. Het gebied hoort tot de laatste bastions waar dit eertijds in de omgeving wijdverbreide habitattype blauwgraslanden nog voorkomt. Er zijn goede potenties voor uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) Doel: Behoud oppervlakte en kwaliteit. Reden voor aanwijzing: Het habitattype ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) komt verspreid in het gebied voor op enkele percelen. De vegetatie is mede van belang voor enkele vogelsoorten en de Noordse woelmuis (H1340). H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) Doel: Behoud oppervlakte en kwaliteit. Reden voor aanwijzing: Het habitattype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B) komt met een beperkte oppervlakte en een matige kwaliteit voor in het uiterste noorden van het gebied en bij Zuidhoek. Omdat het gebied niet tot de belangrijkste gebieden behoort en evenmin potenties heeft voor de brakke variant, is behoud van de huidige oppervlakte en kwaliteit van subtype B voldoende. H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) Doel: Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Reden voor aanwijzing: Het habitattype overgangs- en trilvenen komt vooral voor in basenarm milieu. Lokaal zijn in het gebied ook voorbeelden aanwezig van het basenrijke trilveen (overgangs- en trilvenen, trilvenen (subtype A)). H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) Doel: Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Reden voor aanwijzing: Het habitattype overgangs- en trilvenen komt vooral voor in basenarm milieu. H7210* Galigaanmoerassen Doel: Behoud oppervlakte en kwaliteit. Reden voor aanwijzing: Het habitattype galigaanmoerassen is nauw verbonden met het voorkomen van trilvenen (H7140A). H91D0* Hoogveenbossen Doel: Behoud oppervlakte en kwaliteit. Reden voor aanwijzing: Het habitattype is verspreid in het gebied aanwezig. Samenvatting In Tabel 3‑1 zijn deze instandhoudingsdoelstellingen samengevat, waarbij per doel de landelijke staat van instandhouding (uit het Aanwijzingsbesluit of het Wijzigingsbesluit ‘Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden’) en de relatieve bijdrage van Nieuwkoopse Plassen & De Haeck aan de landelijke situatie is weergegeven, zoals deze zijn weergegeven in het Aanwijzingsbesluit en Wijzigingsbesluit ‘Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden’. Ook hierbij geldt dat hier de situatie ten tijde van het nemen van het betreffende besluit wordt weergegeven. Tabel 3‑
  3. Overzicht instandhoudingsdoelstellingen Habitatrichtlijnsoorten Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. De landelijke staat van instandhouding (SvI) en relatieve bijdrage van Nieuwkoopse Plassen & De Haeck hieraan zijn bepaald op het moment van aanwijzing. * = prioritair habitattype. Landelijke staat van instandhouding ‘--‘ is zeer ongunstig, ‘-‘ is matig ongunstig, ‘+’ is gunstig. Relatieve bijdrage aan de landelijke situatie: A4 = >75%, A3 = 50-75% A2 = 30-50%, A1 = 15-30%, B2 = 6-15%, B1 = 2-6% en C = <2%. Doelstelling: ‘=’ is Behoud; > is Uitbreiding of verbetering. Habitattype Landelijke Svi Relatieve bijdrage Doelstelling oppervlakte Doelstelling kwaliteit H3140 Kranswierwateren - C > > H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden - B1 > > H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) - A1 > > H6410 Blauwgraslanden -- B2 > > H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) + C = = H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) - C = = H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) -- C > > H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) - B2 > > H7210 Galigaanmoerassen - B1 = = H91D0 Hoogveenbossen - B1 = = 3.3 Instandhoudingsdoelstellingen voor Habitatrichtlijnsoorten Het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is aangewezen voor negen Habitatrichtlijnsoorten. In het Aanwijzingsbesluit en, voor H1163 Rivierdonderpad, in het Wijzigingsbesluit ‘Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden’ zijn voor deze soorten de volgende instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd: H1016 Zeggekorfslak Doel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. Reden voor aanwijzing De zeggekorfslak is op enkele locaties in het gebied aangetroffen. De soort is aangetroffen in aantallen variërend van enkele tot tientallen exemplaren. H1082 Gestreepte waterroofkever Doel: Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie. Reden voor aanwijzing: Het voorkomen van de gestreepte waterroofkever is in dit gebied bekend sinds
  4. De gestreepte waterroofkever heeft een zeer ongunstige staat van instandhouding en is vrijwel geheel beperkt tot laagveenmoerassen. In de Nieuwkoopse Plassen is één van de grootste populaties van Nederland aanwezig. H1134 Bittervoorn Doel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. Reden voor aanwijzing: De bittervoorn is op enkele plaatsen in het gebied aangetroffen. H1149 Kleine modderkruiper Doel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. Reden voor aanwijzing: De kleine modderkruiper komt voor in enkele polderwateren in het gebied. H1163 Rivierdonderpad Doel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie Reden voor aanwijzing: De rivierdonderpad is verspreid door het gebied waargenomen, zowel langs de grotere plassen als in smallere wateren. H1318 Meervleermuis Doel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. Reden voor aanwijzing: Het betreft een belangrijk foerageergebied voor meervleermuizen die overdag in de gebouwen in de wijde omgeving verblijven (actieradius 10 km). H1340 *Noordse woelmuis Doel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. Reden voor aanwijzing: In Nieuwkoop is een grote populatie van de soort aanwezig. Deze staat in verbinding met een kleinere populatie in de Kamerikse Nessen. H1903 Groenknolorchis Doel: Behoud omvang en kwaliteit biotoop voor behoud populatie. Reden voor aanwijzing: De groenknolorchis komt voor op een beperkt aantal plaatsen, waar de soort groeit in een smalle gradiënt tussen oppervlaktewater en sterk door regenwater beïnvloede verlandingsvegetatie. H4056 Platte schijfhoren Doel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. Reden voor aanwijzing: Het gebied levert een belangrijke bijdrage voor de platte schijfhoren. De platte schijfhoren is afhankelijk van veenbodems en helder voedselarm water. Samenvatting In Tabel 3‑2 zijn deze instandhoudingsdoelstellingen samengevat, waarbij per doel de landelijke staat van instandhouding (uit het Aanwijzingsbesluit of het Wijzigingsbesluit ‘Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden’) en de relatieve bijdrage van Nieuwkoopse Plassen & De Haeck aan de landelijke situatie is weergegeven, zoals deze zijn weergegeven in het aanwijzingsbesluit. Tabel 3‑
  5. Overzicht instandhoudingsdoelstellingen Habitatrichtlijnsoorten Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. De landelijke staat van instandhouding (SvI) en relatieve bijdrage van Nieuwkoopse Plassen & De Haeck hieraan zijn bepaald op het moment van aanwijzing. * = prioritair habitattype. Landelijke staat van instandhouding ‘--‘ is zeer ongunstig, ‘-‘ is matig ongunstig, ‘+’ is gunstig. Relatieve bijdrage aan de landelijke situatie: A4 = >75%, A3 = 50-75% A2 = 30-50%, A1 = 15-30%, B2 = 6-15%, B1 = 2-6% en C = <2%. Doelstelling: ‘=’ is Behoud; > is Uitbreiding of verbetering. Habitatrichtlijnsoort Landelijke SvI Relatieve bijdrage aan landelijke situatie Doelstelling oppervlakte Doelstelling kwaliteit H1016 Zeggekorfslak -- C = = H1082 Gestreepte waterroofkever -- Onbekend > > H1134 Bittervoorn - C = = H1149 Kleine modderkruiper + Onbekend = = H1163 Rivierdonderpad - Onbekend = = H1318 Meervleermuis - B1 = = H1340* Noordse woelmuis -- C = = H1903 Groenknolorchis -- C = = H4056 Platte schijfhoren - B1 = = 3.4 Instandhoudingsdoelstellingen voor Vogelrichtlijnsoorten - Broedvogels Het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is aangewezen voor zes broedvogelsoorten. In het Aanwijzingsbesluit zijn voor deze soorten instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd. Daarnaast is in juli 2025 een ontwerp-besluit gepubliceerd waarin een instandhoudingsdoel voor de grutto wordt voorgesteld. A021 RoerdompDoel: Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 6 paren (territoria). Reden voor aanwijzing: De roerdomp is van oudsher een gewone broedvogel van de rietmoerassen. Het gebied kan onvoldoende draagkracht leveren voor een sleutelpopulatie, maar kan wel bijdragen aan de draagkracht in de regio Hollands-Utrechts Plassengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.A029 PurperreigerDoel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 120 paren.Reden voor aanwijzing: De purperreiger is al zeker vanaf de jaren veertig broedvogel in dit gebied.A176 ZwartkopmeeuwDoel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 9 paren.Reden voor aanwijzing: Buiten de Zeeuws-Hollandse delta worden zelden kolonies van zwartkopmeeuwen aangetroffen. Meestal gaat het om één of enkele paartjes in een kokmeeuwenkolonie. In de Nieuwkoopse Plassen bevindt zich de enige “kolonie” buiten de delta. Het gebied kan onvoldoende draagkracht leveren voor een sleutelpopulatie en het betreft een geïsoleerde broedplaats.A197 Zwarte SternDoel: Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 115 paren.Reden voor aanwijzing: De zwarte stern is van oudsher een algemene broedvogel met rond 1950 nog honderden paren (in 1950 mogelijk 300 paren). Het gebied levert voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.A292 SnorDoel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 25 paren.Reden voor aanwijzing: De snor is van oudsher een talrijke broedvogel in dit gebied. Het gebied kan onvoldoende draagkracht leveren voor een sleutelpopulatie, maar kan wel een bijdrage gaan leveren aan de draagkracht in de regio Hollands-Utrechts plassengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.A295 RietzangerDoel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 680 paren.Reden voor aanwijzing: De rietzanger is van oudsher een zeer talrijke broedvogel met honderden paren. Het is één van de grootste sleutelpopulaties van Nederland. Het gebied levert voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.SamenvattingIn Tabel 3‑3 zijn deze instandhoudingsdoelstellingen samengevat, waarbij per doel de landelijke staat van instandhouding (Ministerie van Economische Zaken, 2013) en de relatieve bijdrage van Nieuwkoopse Plassen & De Haeck aan de landelijke situatie is weergegeven, zoals deze zijn weergegeven in het aanwijzingsbesluit. Tabel 3‑
  6. Overzicht instandhoudingsdoelstellingen broedvogels Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. De landelijke staat van instandhouding (SvI) is bepaald op het moment van aanwijzing. Landelijke staat van instandhouding: ‘--‘ is zeer ongunstig, ‘-‘ is matig ongunstig, ‘+’ is gunstig. Relatieve bijdrage aan de landelijke situatie: A4 = >75%, A3 = 50-75% A2 = 30-50%, A1 = 15-30%, B2 = 6-15%, B1 = 2-6% en C = <2%. Doelstelling: ‘=’ is Behoud; > is Uitbreiding of verbetering. Broedvogel Landelijke SvI Relatieve bijdrage aan landelijke situatie Doelstelling oppervlakte Doelstelling kwaliteit Doelstelling populatie (paren) A021 Roerdomp -- C > > 6 A029 Purperreiger -- A1 = = 120 A176 Zwartkopmeeuw + C = = 9 A197 Zwarte Stern -- B1 > > 115 A292 Snor -- C = = 25 A295 Rietzanger - C = = 680 3.5 Instandhoudingsdoelstellingen voor Vogelrichtlijnsoorten - Niet-broedvogels Naast voor broedvogelsoorten, is het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck aangewezen voor vier niet-broedvogelsoorten. In het aanwijzingsbesluit zijn voor deze soorten instandhoudings-doelstellingen vastgelegd. A027 Grote zilverreiger Doel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 60 vogels (seizoensmaximum). Reden voor aanwijzing: De aantallen grote zilverreigers zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als slaapplaats. Het gebied levert de grootste bijdrage als slaapplaats binnen het Natura 2000-netwerk. A041 Kolgans Doel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 3.000 vogels (seizoensmaximum). Reden voor aanwijzing: Het gebied heeft voor de kolgans met name een functie als slaapplaats. A050 Smient Doel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 3.500 vogels (seizoensmaximum). Reden voor aanwijzing: Het gebied heeft voor de smient met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied. A051 Krakeend Doel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 90 vogels (seizoensmaximum). Reden voor aanwijzing: Het gebied heeft voor de krakeend met name een functie als foerageergebied. Samenvatting In Tabel 3‑4 zijn deze instandhoudingsdoelstellingen samengevat, waarbij per doel de landelijke staat van instandhouding (Ministerie van Economische Zaken, 2013) en de relatieve bijdrage van Nieuwkoopse Plassen & De Haeck aan de landelijke situatie is weergegeven, zoals deze zijn weergegeven in het Aanwijzingsbesluit. Tabel 3‑
  7. Overzicht instandhoudingsdoelstellingen niet-broedvogels Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. De landelijke staat van instandhouding (SvI) is bepaald op het moment van aanwijzing. Landelijke staat van instandhouding ‘--‘ is zeer ongunstig, ‘-‘ is matig ongunstig, ‘+’ is gunstig. Relatieve bijdrage aan de landelijke situatie: A4 = >75%, A3 = 50-75% A2 = 30-50%, A1 = 15-30%, B2 = 6-15%, B1 = 2-6% en C = <2%. Doelstelling: ‘=’ is Behoud; > is Uitbreiding of verbetering. Niet-broedvogel Landelijke SVI Doelstelling oppervlakte Doelstelling kwaliteit Doelstelling populatie (vogels) A027 Grote zilverreiger + = = 60 A041 Kolgans + = = 3000 A050 Smient + = = 3500 A051 Krakeend + = = 90 3.6 Kernopgaven Naast instandhoudingsdoelstellingen zijn voor elk Natura 2000-gebied zogenaamde kernopgaven aangegeven in het landelijke Natura 2000-Doelendocument (Ministerie van LNV, 2006). De kernopgaven zijn niet opgenomen in het aanwijzingsbesluit, maar worden in het aanwijzingsbesluit wel beschouwd als verdere invulling voor het stellen van prioriteiten (“richting geven”). Zij geven aan wat de belangrijkste bijdragen van een concreet gebied aan het Natura 2000-netwerk zijn en wat de belangrijkste verbeteropgaven zijn. In cursief zijn de doelen weergegeven waarvoor dit gebied geen nadere opgave heeft. Nieuwkoopse Plassen & De Haeck maakt deel uit van het Natura 2000-landschap Meren en Moerassen, waaruit de volgende kernopgaven voor het gebied voortvloeien: 4.08 Evenwichtig systeem: Nastreven van een meer evenwichtig systeem (waterkwaliteit, waterkwantiteit en hydromorfologie): waterplantengemeenschap (voor kranswierwateren H3140 en meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H3150), zwarte stern A197, platte schijfhoren H4056 en vissen zoals o.a. bittervoorn H1134, grote modderkruiper H1145, kleine modderkruiper H1149 en insecten, zoals gevlekte witsnuitlibel H1042 en gestreepte waterroofkever H
  8. Hier ligt een sense of urgency m.b.t. watercondities en een wateropgave. 4.09 Compleetheid in ruimte en tijd: Alle successiestadia laagveenverlanding in ruimte en tijd vertegenwoordigd: overgangs- en trilvenen (trilvenen en veenmosrietlanden) H7140A en H7140B met onder meer grote vuurvlinder H1060, groenknolorchis H1903 en vochtige heiden (laagveengebied) H4010B, blauwgraslanden H6410, galigaanmoerassen *H7210 en hoogveenbossen H91D0, in samenhang met gemeenschappen van open water. Hier ligt een sense of urgency m.b.t. watercondities en een wateropgave. 4.12 Overjarig riet: Herstel van grote oppervlakten/brede zones overjarig riet, inclusief waterriet, door herstel van natuurlijke peildynamiek en tegengaan verdroging voor rietmoerasvogels, zoals roerdomp A021, purperreiger A029, snor A292, grote karekiet A298 en voor de Noordse woelmuis *H
  9. Hier ligt een wateropgave. 4.15 Vochtige graslanden: Herstel inundatie, behoud en nieuwvorming blauwgraslanden H6410, glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) H6510_B, met name kievitsbloemhooilanden, mede als leefgebied van de kemphaan A151 en watersnip A
  10. 4 Landelijk en provinciaal beleid 4.1 Inleiding In Zuid-Holland ligt een aantal internationaal belangrijke natuurgebieden, waaronder Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Natuur is niet alleen van belang vanwege ecologisch waarden, maar draagt ook in belangrijke mate bij aan een gezonde en prettige leefomgeving. Provincie Zuid-Holland werkt daarom aan het versterken van de natuur, zodat een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving ontstaat om in te wonen en te werken, die toegankelijk is voor iedereen. De provincie werkt daarom samen met partner-overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties aan het vergroenen van Zuid-Holland. 4.2 Beleid Visie Rijke Groenblauwe Leefomgeving De visie Rijke Groenblauwe Leefomgeving (https://www.zuid-holland.nl/publish/pages/22909/visiergbl.pdf) vormt het kader waarbinnen provincie Zuid-Holland werkt aan vijf belangrijke thema’s: a. Gezonde leefomgeving voor mens en natuur. b. Groenblauw in en om de stad. c. Landschap en duurzame landbouw. d. Beheren, ontwikkelen en beschermen. e. Beleven en genieten van de leefomgeving. De provincie Zuid-Holland heeft een uitvoeringsagenda (https://www.zuid-holland.nl/publish/pages/22910/uitvoeringsagendargbl2019.pdf) vastgesteld om deze doelen te bereiken. De komende jaren richt de provincie zich met haar partners op het verduurzamen van de landbouw, het groener en waterrijker maken van het stedelijk landschap en het vergroten van de biodiversiteit. Daarnaast is, vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet, de Omgevingsvisie Zuid-Holland vastgesteld (https://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/omgevingsbeleid/). Omgevingsvisie Zuid-Holland In provincie Zuid-Holland is de kern van het Natura 2000-beleid het orde hebben van de biodiversiteit, het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (in termen van behoud, verbetering kwaliteit en uitbreiding oppervlak) en het bijdragen aan de landelijke gunstige staat van instandhouding van habitats en soorten. Er wordt daarbij een evenwichtige situatie verwacht tussen economie en natuur, met heldere kaders waarbinnen nieuwe economische, sociale en maatschappelijke activiteiten zich kunnen ontwikkelen. Dit is vastgelegd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland die per 1 mei 2024 van kracht is gegaan. Omgevingsvisie Utrecht In provincie Utrecht is de kern van het natuurbeleid het behouden, versterken en verbinden van de natuur. Hoofdlijnen van het natuurbeleid zijn de inzet op een robuust netwerk en meer aandacht voor beleefbaarheid en toegankelijkheid van natuurgebieden. Dit is vastgelegd in de Omgevingsvisie Provincie Utrecht (https://www.provincie-utrecht.nl/sites/default/files/2022-10/Omgevingsvisie%20provincie%20Utrecht%20PS%2010%20maart%202021_INTERACTIEF.pdf). Ruimtelijke bescherming Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 15 december 2021 de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) vastgesteld. Hierin is onder andere de planologische bescherming van de natuur in vastgelegd. Deze is in werking vanaf 1 januari 2024, gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Ook provincie Utrecht heeft een Omgevingsverordening die in werking is vanaf 1 maart 2024 (https://www.provincie-utrecht.nl/onderwerpen/omgevingsvisie-en-omgevingsverordening/omgevingsverordening). De Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Naast de Natura 2000-gebieden maken ook andere natuurgebieden en ecologische verbindingszones daarvan deel uit. Het NNN heeft als doel om de Natura 2000-gebieden met elkaar te verbinden, zodat een robuuste natuur ontstaat die tegen een stootje kan, en waarbinnen soorten van het ene naar het andere gebied kunnen bewegen. Natuurbeheerdoelen De provincies leggen elk jaar de beheerdoelen en natuurontwikkelingsdoelen voor het NNN vast in het Natuurbeheerplan. In het Natuurbeheerplan is vastgelegd op welke specifieke natuurdoelen het natuurbeheer moet worden gericht en welke subsidies daarvoor beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor nieuwe natuur; functieverandering waarbij gronden voor natuur bestemd worden. Het Natuurbeheerplan geeft aan voor welke doelen deze nieuwe natuur ingericht moet worden. De beheerpakketten en ontwikkeldoelen die opgenomen zijn in het provinciale Natuurbeheerplan zijn, voor de Natura 2000-gebieden, afgestemd op de doelen uit de Natura 2000-aanwijzingsbesluiten. Daarmee draagt het Natuurbeheerplan middels de Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL) ook bij aan de Natura 2000-doelen. Watercondities en bodemdaling Het waterbeheer van provincies (onderdeel van de Provinciale Omgevingsvisie) en van waterschappen is erop gericht om de watercondities voor de natuurdoelen te behouden of te verbeteren. Vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW) zorgen de waterschappen ervoor dat de waterkwaliteit voldoende is voor het behalen van de natuurdoelen. In Nieuwkoopse Plassen & De Haeck wordt nauw samengewerkt met drie waterschappen (Hoogheemraadschap van Rijnland, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht) om de waterkwaliteit te optimaliseren voor de natuurdoelen. Daarnaast heeft het tegengaan van verdroging en bodemdaling, mede gezien de klimaatontwikkeling, een hoge prioriteit. Specifiek in het veenweidegebied, waar Nieuwkoopse Plassen & De Haeck deel van uitmaakt, is het tegengaan van bodemdaling essentieel. Het waterbeheer is daar nauw mee verbonden. Dit is nader uitgewerkt in de regionale veenweidestrategieën die in 2022 zijn vastgesteld (Provincie Utrecht, 2021; Provincie Zuid-Holland, 2022). Maatregelen ten behoeve van Natura 2000-doelen kunnen ook zijn opgenomen in het maatregelenpakket van de Kaderrichtlijn Water. Eveneens een Europees doel waar Rijk, provincies en waterschappen zich toe hebben verplicht. Wet stikstofreductie en natuurherstel Na de uitspraken van de Raad van State van 29 mei 2019, waardoor het niet meer mogelijk was om met het Programma Aanpak Stikstof vergunningen te verlenen, is het Rijk in nauw overleg met de provincies aan de slag gegaan met nieuw beleid en regelgeving om de bescherming van Natura 2000 te borgen en reductie van stikstofemissie te bewerkstelligen. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden, waarin de reductie van stikstof als resultaatsverplichting is opgenomen: in 2025 moet 40%, in 2030 50% en in 2035 74% van het areaal stikstofgevoelige natuur onder de kritische depositiewaarde (KDW) zijn gebracht. In het regeerakkoord is aanvullend afgesproken dat het doel voor 2035 al in 2030 bereikt moet zijn. Om dit te bereiken is in de Wsn een programma voorgeschreven, waarin de maatregelen voor stikstofreductie (bronmaatregelen) en natuurherstel (instandhoudingsmaatregelen) zijn beschreven. De stikstofreductiemaatregelen worden opgepakt in het ZH-PLG. De instandhoudings-maatregelen zijn opgenomen in dit Natura 2000-beheerplan. De Wsn is op 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet. Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied Eind juni 2023 is het voorontwerp voor het gebiedsprogramma Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG) aan het ministerie van LNV opgestuurd. Omdat het landschap in Zuid-Holland zo verschillend is, wordt er gewerkt vanuit drie kerngebieden: Veenweiden, Kust en Duinen en Zuid-Hollandse delta. De uitdagingen zijn complex en verschillen per gebied. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de bodemgesteldheid, de beschikbaarheid en kwaliteit van water. Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is gelegen in kerngebied Veenweiden. Dit kerngebied bestaat naast Nieuwkoopse Plassen en omgeving uit de deelgebieden Krimpenerwaard, Alblasserwaard, Midden-Delfland, Zuidplas, Oostland, Boskoop en Groene Hart Noord. Voor de deelgebieden is een gebiedsagenda opgesteld met daarin de belangrijkste maatregelen die daar genomen kunnen worden. In het provinciale gebiedsprogramma ZH-PLG zijn de maatregelen samengevoegd tot maatregelpakketten. Met elkaar vormen die maatregelpakketten de ‘menukaart’ waaruit gebiedspartners uit de hele provincie kunnen putten. Voor de Veenweiden zijn met name de volgende maatregelen en maatregelpakketten relevant: Maatregelpakket Landschap en natuurversterking (groenblauwe dooradering; kwaliteitsverbetering Natura-2000-gebieden; realisatie Natuurnetwerk Nederland). Maatregelenpakket Toekomstbestendig water- en bodemsysteem (reductie broeikasgasuitstoot uit veenbodems; toekomstbestendig watersysteem; overgangsgebieden). Maatregelenpakket Verbetering waterkwaliteit (aanpak waterkwaliteit landbouw, emissiereductie boomteelt). Maatregelpakket Toekomstbestendige land- en tuinbouw (kringloopdeals akkerbouw; natuurinclusieve landbouw; agrarisch natuurbeheer). Na de oplevering van de eerste versie van het gebiedsprogramma ZH-PLG worden binnen deze maatregelpakketten verschillende concrete projecten uitgewerkt. Utrechts Programma Landelijk Gebied Provincie Utrecht heeft haar eigen programma landelijk gebied, het UPLG (Utrechts Programma Landelijk Gebied). In het UPLG is beschreven hoe Utrecht werkt aan een vitaal landelijk gebied, waarin een gezonde natuur, een gezond water- en bodemsysteem, een klimaatbestendig landschap en een economisch rendabele en duurzame landbouw hand in hand gaan. In het UPLG zijn zes maatregelenpakketten opgenomen, waarvan de volgende relevant zijn: Maatregelenpakket veenweide (gericht op klimaatdoelen, tegengaan bodemdaling). Maatregelenpakket Natura 2000-gebieden en overgangszones (gericht op functieverandering en – aanpassing, hydrologie en bronmaatregelen stikstof). Specifiek voor de Schraallanden langs de Meije is vanuit Programma Natuur geld beschikbaar voor het opstellen van een monitoringsplan, monitoring van effecten van de aanleg van de bufferzone en de sifon, potentieonderzoek voor uitbreiden blauwgrasland en het actualiseren van de systeemanalyse uit 2012 (Van der Welle et al., 2012). Maatregelenpakket landbouw (gericht op verduurzaming en verminderen van emissies). Natuurdoelanalyse In de natuurdoelanalyses, die zijn getoetst door de onafhankelijke Ecologische Autoriteit, is breed gekeken naar wat er nodig is voor een goede staat van instandhouding. Voor Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is de natuurdoelanalyse (Provincie Zuid-Holland, 2021) in 2021 afgerond en begin 2023 getoetst door de Ecologische Autoriteit. Het advies van de Ecologische Autoriteit is zoveel mogelijk verwerkt in dit beheerplan. In Bijlage I Advies van de ecologische autoriteit is aangegeven hoe het advies is verwerkt. 4.3 Sociaal-economische aspecten De status van Natura 2000-gebied brengt verplichtingen, maar ook kansen met zich mee. Voor activiteiten binnen het gebied maar ook voor de activiteiten in de omgeving kan dat beperkingen opleveren wanneer er kans is op schade aan de natuur. Dat is bijvoorbeeld aan de orde wanneer er sprake is van de uitstoot van stoffen waar de natuur kwetsbaar voor is, bij grondwateronttrekking, of wanneer bedrijven of activiteiten op een andere manier een verstorend effect hebben op de natuur. Aan de andere kant biedt de nabijheid van een Natura 2000-gebied ook kansen op het gebied van recreatie en maakt het een gemeente aantrekkelijk om in te wonen. Hierbij liften vele belangen mee op natuurbescherming, zoals: gezondheid, tegengaan klimaatverandering en verbetering van waterkwaliteit. Het uitgangspunt is dat de activiteiten die al plaatsvonden op het moment van aanwijzing van het Natura 2000-gebied kunnen blijven bestaan, mits deze ongewijzigd zijn en niet leiden tot verslechtering van de instandhoudingsdoelen (zie ook hoofdstuk 12). Dat neemt niet weg dat in sommige gevallen, zoals bijvoorbeeld bij toenemende recreatiedruk, het noodzakelijk kan zijn om in de bestaande situatie toch bij te sturen door bijvoorbeeld delen van het gebied minder of beperkter toegankelijk te maken. Nieuwe projecten en activiteiten moeten altijd worden getoetst. Het zonder vergunning plaatsen van recreatieve voorzieningen zoals aanlegsteigers of voorzieningen voor verblijfrecreatie is niet toegestaan. In hoofdstuk 12 wordt verdere uitwerking gegeven aan de vergunningplicht. Woonomgeving De aanwezigheid van een Natura 2000-gebied is niet zelden een argument om de kwaliteit van de woonomgeving aan te geven. Ook hier geldt dat het bestaande gebruik van wonen, leven, werken, in de regel zonder beperking kan worden voortgezet. Bij nieuwe activiteiten of bij wijziging van het huidige gebruik kan wel sprake zijn van een vergunningplicht. Zo zijn bijvoorbeeld veel Natura 2000-gebieden erg gevoelig voor verlaging van het grondwaterpeil. Voor ingrepen die de waterhuishouding kunnen beïnvloeden zoals bijvoorbeeld de aanleg van drainage of aanpassing van watergangen zal dan ook meestal een vergunning noodzakelijk zijn. Bedrijvigheid en stikstof De huidige depositie van stikstof is te hoog voor de instandhoudingsdoelen van het gebied. In Bijlage II Ecologische eisen habitattypen en soorten is dit verder uitgewerkt. De meeste instandhoudingsdoelen zijn (bijzonder) gevoelig voor een overmaat aan stikstof. Een toename van stikstof moet dan ook in veel gevallen worden beschouwd als significant schadelijk voor de natuur. Dat betekent dat de stikstofdepositie verder moet worden teruggedrongen. Dat betekent ook dat tot die tijd nieuwe ontwikkelingen in de omgeving, die leiden tot een toename van stikstofdepositie, zijn uitgesloten, tenzij er in het kader van een vergunningenprocedure mitigerende of compenserende maatregelen worden getroffen. Voor het terugdringen van de stikstofdepositie is op landelijk en provinciaal niveau beleid in ontwikkeling. Dat beleid is gericht op het terugdringen van stikstofemissie uit alle sectoren. Dit beleid wordt niet in dit beheerplan maar in afzonderlijke provinciale en landelijke beleidsdocumenten vastgelegd (zie kader stikstofbeleid en onder NPLG). De concrete uitvoering van dit beleid zal vooral ook via de gebiedsplannen vorm krijgen. Naast de uitstoot van stikstof kunnen er ook andere zaken spelen die het behalen van de Natura 2000-doelen in de weg staan. Vanuit de agrarische sector kan gedacht worden aan de uitspoeling van meststoffen en bestrijdingsmiddelen. Ook verdroging of verstoring in de vorm van licht en geluid kunnen een negatief effect hebben op de natuur. Activiteiten waarbij dit speelt zijn niet toegestaan zonder vergunning en zonder dat hiervoor mitigerende of compenserende maatregelen worden genomen. Agrarische bedrijvigheid In de meeste gevallen bevinden percelen met een blijvende agrarische bestemming zich buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Dat betekent dat hier de relatie tussen landbouw en Natura 2000 vooral betrekking heeft op de zogenaamde ‘externe werking' van het agrarisch gebruik op de natuur. Externe werking betreft activiteiten die buiten het Natura 2000-gebied plaatsvinden, maar binnen het gebied een effect kunnen hebben, bijvoorbeeld verdroging van een Natura 2000-gebied door grondwateronttrekking buiten het gebied, of stikstof die buiten het gebied wordt geproduceerd, maar binnen het gebied neerslaat. Het uitgangspunt is dat het agrarische gebruik, zoals dat op het moment van aanwijzing als Natura 2000-gebied (plaatsing als Habitatrichtlijngebied op de Communautaire Lijst op 7 december 2004) van toepassing was en dat sindsdien niet in betekenende mate is gewijzigd, vooralsnog zonder vergunning kan worden voortgezet. Leiden deze activiteiten, ook bij ongewijzigde voortzetting, volgens de eindevaluatie van een Natura 2000-beheerplan tot een (mogelijke) verslechtering van de natuur, dan kunnen reguleren en een vergunning alsnog aan de orde zijn. De provincie treedt dan eerst in gesprek met de betrokken partijen. In Nieuwkoopse Plassen & De Haeck bevinden zich nog wel percelen in agrarisch gebruik binnen de Natura 2000-begrenzing. In de gebiedsprocessen vanuit het ZHPLG en UPLG wordt samen met de betrokken agrariërs gekeken welke mogelijkheden er zijn voor een vitale landbouwsector, gelet op de opgaven die er in het gebied zijn ten aanzien van natuur, water, stikstof en klimaat. Hierbij geldt hetzelfde uitgangspunt dat geen verslechtering mag optreden van de instandhoudingsdoelen. Overige bedrijvigheid Naast de uitstoot van stikstof kunnen er ook andere zaken spelen die het behalen van de Natura 2000-doelen in de weg staan. Vanuit de bedrijvensector kan gedacht worden aan wateronttrekking, windmolens of verstoring in de vorm van licht, geluid, verontreiniging of anderszins. Wanneer er sprake is van kans op significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelen is een vergunning vereist. De aanwezige bedrijvigheid ten tijde van de aanwijzing is geïnventariseerd, exclusief stikstofdepositie. Mobiliteit Voor gemotoriseerd verkeer, waarbij sprake is van diverse knelpunten voor de instandhoudings-doelstellingen (bijvoorbeeld door uitstoot van stikstof, verstoring en versnippering van leefgebied), geldt hetzelfde als hierboven beschreven. Er is een noodzaak tot terugdringing van de stikstofdepositie. Nieuwe ontwikkelingen waarbij sprake is van een toename van stikstof zijn vergunningplichtig. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan uitbreiding van parkeerplaatsen, vergroting van de wegcapaciteit of de organisatie van verkeersaantrekkende activiteiten. Naast de uitstoot van stikstof kan mobiliteit ook leiden tot directe schade aan habitattypen, soorten (aanrijdingen) of leefgebieden. Dat kan bijvoorbeeld ook gelden voor fietspaden of nieuwe ATB-routes. Ook daarvoor geldt een vergunningplicht. Recreatie en toerisme De behoefte aan het recreëren in de natuur neemt nog steeds toe. Door de toenemende mobiliteit (auto, elektrische fiets en boten) wordt de natuur meer en intensiever benut. Alhoewel het mogelijk maken van de beleving van de natuur beleidsmatig een belangrijk doel is voor Natura 2000-gebieden (Provincie Zuid-Holland, 2023), lijkt dit in verschillende gebieden in Nederland zijn grens te bereiken. Waar recreatie een knelpunt vormt voor het houden van de instandhoudingsdoelen dient gekeken te worden naar passende maatregelen. Om ervoor te zorgen dat de natuur en de beleving daarvan in de juiste balans blijven zal de huidige inrichting van de natuurgebieden dan moeten worden aangepast ten gunste van de natuurdoelen. Dit alles vraagt ook om verantwoordelijkheid vanuit de recreatiesector. De bijzondere natuurkwaliteit en de Natura 2000-status worden niet zelden door horeca en verblijfsrecreatie als ‘selling-point’ ingezet. Daar mag een verantwoordelijke ondernemer en een goede voorlichting aan de recreant voor worden teruggevraagd. In Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is voornamelijk waterrecreatie. In Nieuwkoopse Plassen & De Haeck zijn verschillende verstoringsgevoelige soorten aanwezig, maar uit de evaluatie van het vorige beheerplan blijkt dat verstoring door recreatie op dit moment geen knelpunt is. Voor recreatie geldt in het gebied een duidelijke zonering zoals in het vorige beheerplan is aangegeven. Ondernemers, gemeente Nieuwkoop en Natuurmonumenten hebben afspraken gemaakt over het opruimen van opdrijvende veenbonken in de vaarroutes en grote plassen. De hoofdvaarroutes dienen vrijgehouden te worden van deze veenbonken en er moet een doorgang moet blijven vanaf de Machinesloot naar de doorgaande vaarroute (betond) op de Noordeinderplas. Wanneer er elders gevaarlijke situaties ontstaan voor waterrecreatie, worden de veenbonken in overleg met de gemeente en Natuurmonumenten opgeruimd. Liggen de veenbonken buiten de hoofdvaarroutes dan worden ze gemarkeerd met staken, zodat ze (ook als ze net onder de waterlijn liggen) zichtbaar zijn. Daarnaast kan er (zeer beperkt) gewandeld worden. Over de (Oude) Meije wordt veel gefietst. Recreatief rijden met motoren is voor een deel van de Meije beperkt door een verbod op motoren in het weekeinde en op feestdagen (1 april-1 oktober). Particulier natuurbeheer Sinds 2013 is het voor individuele particulieren in het Natura 2000-gebied ook mogelijk om subsidie aan te vragen voor natuurbeheer op hun eigendommen in het gebied, mits het eigendom binnen de Natuurbeheerplankaart begrensd is. Dit wordt geregeld in het Natuurbeheerplan van de provincie. Het aanvragen van deze subsidie vraagt een waarborg van een goed en professioneel beheer van de natuur(doelen). Hierbij gelden meerdere regels. Het terrein moet bijvoorbeeld voldoen aan de kenmerken van een natuurbeheertype en het beheer moet voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen. Ook moet de beheerder voor een individuele subsidieaanvraag ten minste 75 hectare aan grond bezitten en beheren binnen het Natuur Netwerk Nederland in de provincie. Als de beheerder niet aan deze oppervlakte-eis voldoet, kan ook een samenwerkingsverband gevormd worden met andere natuurbeheerders voor een collectieve subsidieaanvraag. Een overzicht van alle voorwaarden en procedures is te vinden op: https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-en-landschap/natuurbeheer/. Daarnaast zijn er incidentele subsidies mogelijk vanuit het Programma Natuur. Ook hiervoor kunnen particuliere eigenaren subsidie aanvragen. Meer informatie is te vinden op de website van provincie Zuid-Holland (https://www.zuid-holland.nl/online-regelen/subsidies/). Faunabeheer Binnen het faunabeheer streeft de provincie naar een gezond evenwicht in populaties en weegt de belangen van natuur en samenleving zorgvuldig af. Onder faunabeheer wordt verstaan: de jacht op de wildsoorten en het beheren of bestrijden van inheemse dieren ter bescherming van de in de wet genoemde belangen. Het gaat dan om de bescherming van flora en fauna, openbare veiligheid en volksgezondheid alsmede beperking van (landbouw)schade of andere wettelijke belangen. Faunabeheer is beschreven in faunabeheerplannen. Zie voor de actuele plannen de website van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland (https://www.fbezh.nl/diersoorten/). Faunabeheer binnen de Natura 2000-gebieden kan onder andere nodig zijn om instandhoudingsdoelen van het gebied te realiseren, om de doelstanden voor de standganzen te behalen, ter beperking van predatie of ten behoeve van gestelde maatschappelijke- en natuurdoelen buiten het Natura 2000-gebied. Faunabeheer binnen de Natura 2000-gebieden is wettelijk toegestaan indien het niet in de weg staat van het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. In het kader van de integraliteit is faunabeheer meegenomen in de toetsing van het huidig gebruik (zie hoofdstuk 13). Hiermee wordt vergunningverlening ontlast en ontstaat er voor alle partijen duidelijkheid over wat wel en niet mogelijk is, gelet op de doelstellingen van het gebied. Hieronder is een algemene tekst opgenomen over de verschillende typen faunabeheer in Zuid-Holland. Voor een specifieke beschrijving van het faunabeheer in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, zie paragraaf 5.
  11. Ganzenbeheer De grote populaties ganzen veroorzaken aanzienlijke schade aan landbouwgewassen en natuurlijke vegetaties. Daarnaast vormen ze een risico voor de veiligheid van het luchtverkeer. De provincie zet zich jaarrond actief in om de populaties standganzen binnen de provincie te reduceren tot op een niveau waarbij de schade acceptabel en de populatie beheersbaar is. Daarnaast is van groot belang dat ganzen met alle geschikte middelen, inclusief afschot, worden verjaagd van plaatsen waar ernstige schade kan ontstaan. Gedurende de winterperiode wordt rekening gehouden met de rust binnen de voor winterganzen aangewezen Natura 2000-gebieden en met de aangewezen ganzenrustgebieden. Predatiebeheer Ter bescherming van kwetsbare soorten waaronder grond-broedende vogels zoals weidevogels en kustbroedvogels, zet de provincie in op het voorkomen dan wel beperken van predatie door bijvoorbeeld de vos en (verwilderde) huiskatten. Waar mogelijk zet de provincie zich specifiek in om de populatie vossen zo laag mogelijk te houden in gebieden of locaties waar de vos nog niet voorkomt of tot voorkort nog niet voorkwam ter bescherming van grondbroeders. Het beheer van vossen vindt meestal in de schemering en ’s nachts plaats, waarbij gebruik wordt gemaakt van nachtzichtapparatuur. Reeënbeheer Reeën horen in het Zuid-Hollandse landschap en worden sterk gewaardeerd door mensen. Het gaat goed met de reeën en de populatie neemt toe, waardoor de reeën op steeds meer plekken binnen de provincie voorkomen. De reeënpopulaties binnen deze drukbevolkte provincie zorgen voor risico’s voor het verkeer, schade aan landbouwgewassen en overlast en schade aan particuliere eigendommen. De provincie neemt maatregelen, waaronder het toestaan van beheer van de reeënpopulatie in het kader van o.a. het belang verkeersveiligheid en ter voorkoming en ter beperking van belangrijke schade aan landbouwgewassen. Reeënbeheer gebeurt statisch (vanaf een hoogzit) of door het dier rustig en in stilte te benaderen (‘aanbersen’). Hierbij is het bewaren van de rust en het tegengaan van verstoring essentieel om het beheer goed uit te voeren. Jacht De jacht op de wildsoorten (op dit moment haas, fazant, wilde eend en houtduif) is in principe het recht van de eigenaar van de grond. De verantwoordelijke minister bepaalt wanneer de jacht is geopend; dit verschilt per soort. De wet verbiedt de jacht in Natura 2000-gebieden niet, maar uiteraard geldt ook voor de jacht dat de uitvoering hiervan niet in de weg mag staan aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Exotenbeheer Exoten zijn dieren, planten, schimmels of micro-organismen die door menselijk handelen terechtkomen in een gebied waar ze van oorsprong niet voorkwamen en zich daar handhaven. Zogenaamde “Invasieve exoten” kunnen zich snel vermeerderen en/of verspreiden en zo inheemse soorten verdringen of op een andere manier de omgeving voor deze soorten ongeschikt maken. Daarmee vormen zij een gevaar voor onze biodiversiteit en Natura 2000-doelen evenals economische belangen. Hieronder is een algemene tekst opgenomen over exotenbeheer in Zuid-Holland. Voor een specifieke beschrijving van het faunabeheer in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, zie paragraaf 5.
  12. Om de verspreiding van invasieve exoten tegen te gaan is een Europese verordening tot stand gekomen, die de lidstaten verplicht om maatregelen te treffen voor exoten die zijn geplaatst op de zogenaamde Unielijst (https://www.nvwa.nl/onderwerpen/invasieve-exoten/unielijst-invasieve-exoten). Verschillende overheden zijn verantwoordelijk voor implementatie van deze verordening: Voor het bestrijden van de Chinese wolhandkrab en vijf Amerikaanse rivierkreeftsoorten is het Rijk verantwoordelijk; Voor het bestrijden van beverrat en muskusrat zijn de waterschappen verantwoordelijk; Voor het bestrijden van een aantal exoten zoals benoemd in Bijlage Vc, behorende bij artikel 3.67 van het Besluit Kwaliteit leefomgeving is de provincie verantwoordelijk. Daarnaast kan de provincie maatregelen treffen tegen (invasieve) exoten waar de provincie geen wettelijke verplichting voor heeft als deze inheemse beschermde flora en fauna (c.q., instandhoudingsdoelstellingen) schaden, al of niet in combinatie met schade aan de economie en/of de volksgezondheid. Bestrijding richt zich op volledige eliminatie van nog niet gevestigde invasieve exoten (als bedoeld onder Unielijst artikel 17) en gevestigde uitroeibare soorten (als bedoeld onder Unielijst artikel 19a). Voor invasieve exoten die al gevestigd en ruim verspreid zijn en niet in redelijkheid uit te roeien zijn (als bedoeld onder Unielijst artikel 19b), worden beheersmaatregelen getroffen [1] Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit, Bureau Risicobeoordeling en Onderzoeksprogrammering, divisie Landbouw & Natuur.
(2016). Onderbouwing strategie Unielijstsoorten. Bouwstenen voor het bepalen van de strategie voor eliminatie en beheer van Unielijstsoorten (EU-verordening 1143/2014) in Nederland. Versie 1.
  1. Utrecht). . De provincie prioriteert beheer van wijdverspreide exoten in en rond eigen gebieden, Natuur Netwerk Nederland en Natura 2000-gebieden of als deze soorten een belangrijke populatie vogel- of habitatrichtlijnsoorten in het buitengebied bedreigen. Additioneel aan de soorten op de Unielijst worden maatregelen genomen tegen exoten die het biodiversiteitsbelang schaden binnen de provincie. Bestrijding of beheer van exotische flora gebeurt diverse partijen, zoals waterschappen en terreinbeheerders. Bestrijding en beheer van exotische fauna wordt veelal uitgevoerd door de faunabeheereenheid (FBE) Zuid-Holland, welke de coördinatie voert, in samenwerking met een lokale wildbeheereenheid (WBE) en/of waterschappen en terreinbeherende organisaties. Drones Vliegen met drones (alle gewichtsklassen) boven Natura 2000-gebied biedt kansen en risico’s. Kansen voor beheerders om met drones te monitoren en kansen voor toezichthouders om snel inzicht te krijgen in illegale- en noodsituaties. Inzet van drones kan belangrijke voordelen hebben ten opzichte van de inzet van helikopters, andere voertuigen en/of menselijke betreding. Inzet van drones brengt ook risico’s met zich mee, wanneer drones worden ingezet zonder kennis van aanwezige natuurdoelen en mogelijk verstoring van deze doelen veroorzaken. Omdat deze activiteit potentieel nadelige effecten kent op de Natura 2000-doelen, is deze activiteit in het kader van gebiedsbescherming in principe vergunningplichtig in het kader van de Omgevingswet (Natura 2000-activiteit). Buiten deze gebiedsbescherming kan vanuit de Ow en het Bal ook andere regelgeving van toepassing zijn op het vliegen met drones in N2000‐gebieden, zoals soortenbescherming of toegangsbeperkende besluiten. Daarnaast is de specifieke zorgplicht (artikel 11.6 Bal) altijd van kracht. Het gebruik van drones binnen een Natura 2000‐gebied is een vergunningplichtige activiteit. Gebruik van drones is alleen vrijgesteld van de vergunningplicht in het kader van artikel 5.1, lid 1 onder e van de Ow, als het dronegebruik voldoet aan elk van de volgende vier voorwaarden: a. De vluchten worden uitgevoerd voor de uitvoering van noodzakelijk beheer en onderhoud, noodzakelijke monitorings-, reddings-, inspectie-, toezicht-, opsporings-, en defensietaken (waaronder HEMS5, SAR6, politie, brandweer of kustwachtvluchten), alsmede voor de uitvoering van calamiteitenbeheer. In algemene zin geldt in daadwerkelijke calamiteitensituaties het adagium ‘nood breekt wet’. b. De vluchten voor de onder 1 genoemde publieke taken worden in opdracht van de overheid, dan wel door of in opdracht van de terreinbeherende natuurorganisatie uitgevoerd. c. De vluchten worden uitgevoerd binnen de specifieke (drone)categorie, of met inachtneming van een door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) goedgekeurd handboek RPAS operaties
  2. d. De piloot van de drone is aantoonbaar op de hoogte van de lokale en actuele situatie ten aanzien van de beschermde natuurwaarden en de verstoringsgevoeligheid van die waarden. De piloot handelt conform artikel 11.6 (specifieke zorgplicht) van het Bal. Verslaglegging hiervan ligt bij de gebruiker en kan via bijvoorbeeld het vluchtplan of vlieglogboek. 5 Uitgevoerde instandhoudingsmaatregelen en regulier beheer 5.1 Inleiding In Tabel 5‑1 staan de knelpunten die in het eerste beheerplan gesignaleerd zijn en de daarbij behorende maatregelen om deze knelpunten op te lossen. In het eerste beheerplan is geen expliciete lijst met knelpunten opgenomen. Wel zijn er veel maatregelen geformuleerd, waaraan vaak een probleem is gekoppeld. Op basis hiervan zijn in dit beheerplan de knelpunten uit de eerste beheerplanperiode geformuleerd. Bij de nummering is het Natura 2000-gebiedsnummer toegevoegd (voor Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 103) waarmee de koppeling met het Natura 2000-gebied vastgelegd is. Tabel 5‑
  3. Overzicht knelpunten en bijbehorende maatregelen 1e beheerplanperiode. Voor dit beheerplan zijn de knelpunten genummerd. Knelpunt nr Omschrijving Maatregelen nr 103K1 Verzuring 103M1: Proef met winterinundatie in Schraallanden langs de Meije 103M26: Winterbevloeiing vochtige heide 103M9: Afvoeren in plaats van verbranden van het sluik in veenmosrietland en pijpenstrootjerietland op de percelen van Natuurmonumenten 103M14: Compartimenteren en isoleren van aalscholverkolonie in De Pot en bouw defosfateringsinstallatie langs de Uitweg 103M15: Isoleren Meijegraslanden 103M17: Verminderen doorvoer vanuit Nieuwkoopse Plassen naar omringende polders 103M18: Beperken schut- en lekverliezen 103M22: Realiseren bufferzone in Achttienhoven (KRW) 103M23: Onderzoek verplaatsen water inlaat de Haak (KRW) 103M25: Agrarisch gebruik met beperkingen in Meijegraslanden 103K2 Eutrofiëring (intern en extern) 103K3 Onvoldoende waterkwaliteit en -kwantiteit 103M13: Behoud natuurvriendelijke oevers (KRW) 103M14: Compartimenteren en isoleren van aalscholverkolonie in De Pot en bouw defosfateringsinstallatie langs de Uitweg 103M15: Isoleren Meijegraslanden 103M17: Verminderen doorvoer vanuit Nieuwkoopse Plassen naar omringende polders 103M18: Beperken schut- en lekverliezen 103M21: Actief Biologisch Beheer (KRW) 103M22: Realiseren bufferzone in Achttienhoven (KRW) 103M23: Onderzoek verplaatsen water inlaat de Haak (KRW) 103M25: Agrarisch gebruik met beperkingen in Meijegraslanden 103M28: Natuurbeheer Polder Westveen (schone sloten en bloemrijke graslanden) 103K4 Versnelde successie, mede veroorzaakt door K1 t/m K3 103M2: Plaggen en inrichten blauwgrasland op percelen Hazeleger;103M3: Graven 6 ha nieuwe petgaten; 103M4: Plaggen 1 ha 103M5: Rooien 1,35 ha bosranden langs watergangen 103M6: Diep plaggen 3 ha veenmosrietland 103M7: Ondiep plaggen 21 veenmosrietland 103M8: Omschakelen van winter- naar nazomermaaien in pijpenstrootjerietland 103M20: Peilverruiming (KRW) 103M24: Herstelplan petgaten Natuurmonumenten 103K5 Het proces van verlanding ligt nagenoeg stil, mede veroorzaakt door K1 t/m K4 103K6 Gebrek aan broedbiotoop roerdomp en verstoring van beschermde (broed)vogels 103M12: Zonering ruimte en tijd faunabeheer 103M16: Reguleren recreatievaart (KRW) 103M20: Peilverruiming (KRW) 103M27: Aanleg overjarig rietland voor roerdomp in de Meijegraslanden 103K7 Achteruitgang soortensamenstelling en vegetatiestructuur H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietland) en H4010B Vochtige heiden (laagveengebied), door de effecten van mostrekken en het gebruik van MCPA. 103M10: Beëindigen mostrekken op percelen Natuurmonumenten 103M11: Beëindigen spuiten MCPA op percelen van Natuurmonumenten In paragraaf 5.2 wordt een overzicht gegeven van de voortgang van de uitvoering van deze maatregelen. De beoogde effecten en de eventuele gemeten effecten van de uitgevoerde maatregelen worden behandeld in deze paragraaf. De maatregelen waar de wijze van uitvoering is gewijzigd en de maatregelen die niet zijn uitgevoerd worden behandeld in paragraaf 5.2.
  4. Hier wordt de reden voor de wijziging of het niet uitvoeren van de maatregel gegeven en wordt het beoogde effect van deze maatregelen behandeld. Gedurende de eerste beheerplanperiode is een aantal nieuwe maatregelen opgesteld en uitgevoerd. Deze worden behandeld in paragraaf 5.2.
  5. In paragraaf 5.3 wordt het reguliere beheer in beeld gebracht dat naast de maatregelen uitgevoerd wordt. 5.2 Overzicht maatregelenpakket 1e periode en staat van uitvoering In deze paragraaf is een overzicht gegeven van de voortgang van de uitvoering van de maatregelen zoals deze in het eerste beheerplan zijn afgesproken. De voortgang van de uitvoering voor alle maatregelen staat weergegeven in Tabel 5‑
  6. Door het wegvallen van het PAS is ook de term PAS-maatregelen komen te vervallen. De voormalige PAS-maatregelen zijn in de tabel nog wel apart gelabeld, maar hebben (vooralsnog) geen aparte juridische status meer. Afbeelding Tabel 5-2 Effect van uitgevoerde maatregelen In Tabel 5‑3 staan de maatregelen uit het eerste beheerplan die zijn uitgevoerd de afgelopen jaren en hun beoogde effect. Waar data beschikbaar was, is een samenvatting gegeven van het waargenomen effect. De maatregelen zijn echter de afgelopen jaren uitgevoerd, waardoor het effect vaak niet gemeten is. Tabel 5‑
  7. Beoogde effecten en waargenomen effecten van de uitgevoerde maatregelen uit het eerste beheerplan in de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Provinciaal Maatregel-ID Maatregel Beoogd effect Profiterend habitattype/soort Waargenomen effect 103M1 Proef met winterinundatie in Schraallanden langs de Meije Het aanrijken van de bodem met basen in de Schraallanden langs de Meije. H6410 Blauwgraslanden Licht positief effect op bodemchemie 103M3 Graven 6 ha nieuwe petgaten Uitbreiding van H3140 Kranswierwateren, H3150 Meren met krabbenscheer, H7140A Trilvenen, H7140B Overgangs- en trilvenen, H7210 Galigaanmoeras. H3140 Kranswierwateren; H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden; H7140A&B Overgangs- en Trilvenen; H7210 Galigaanmoeras; H1903 Groenknolorchis De petgaten zijn waardevol leefgebied geworden van vele soorten waterplanten en libellen. Het verlandingsproces is al na korte tijd begonnen. Galigaan kiemt op veel plekken langs de nieuwe oevers en diverse ondergedoken waterplanten zoals groot blaasjeskruid en witte waterlelie bloeien in de zomer in de petgaten (Vereniging Natuurmonumenten, 2022). Het graven van de petgaten heeft een positief effect gehad voor het behoud van biotoop en populatie groenknolorchis. Deze soort heeft zich op de oevers dicht bij de waterlijn gevestigd (Provincie Zuid-Holland, 2021). 103M4 Plaggen 1,2 ha Terugzetten successie en de aanvoer van basenrijk grondwater bevorderen. Door het plaggen heeft o.a. H7140A Trilveen de mogelijkheid om zich binnen enkele jaren opnieuw te ontwikkelen. H7140A&B Overgangs- en Trilvenen; H1903 Groenknolorchis Door de introductie van doelsoorten en spontane vestiging hebben trilveensoorten zich gevestigd, zoals groenknolorchis en rood schorpioenmos. Daarnaast zijn bedjes van kranswieren en miljoenen plantjes klein blaasjeskruid te vinden in de geplagde stukken (Vereniging Natuurmonumenten, 2022). 103M5 Rooien 1,35 ha bosranden langs watergangen Het jaarlijks rooien van bosranden ten behoeve van kraggevorming langs de oevers. Met het weghalen van de bomen ontstaan er weer aanhechtingsplaatsen voor kraggevorming. De ingreep wordt gevolgd door maaibeheer. De breedte waarover dit kan worden uitgevoerd is beperkt, er wordt uitgegaan van 15 m. Deze breedte is gebaseerd op het beperken van bladinval en het wegnemen van licht en anderzijds het behoud van het wegnemen van de invloed van wind op oevers. Hierdoor kunnen drijftilvegetaties zich succesvol hechten ten behoeve van kraggevorming (Vereniging Natuurmonumenten, 2022). H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen); H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) Riet en veenmos hebben de locaties snel gekoloniseerd en in de oever groeit moerasvaren. De ontwikkeling naar veenmosrietland vindt plaats. Het perceel is deels geïnundeerd waardoor enige buffering met oppervlaktewater plaatsvindt (veldbezoekverslag 2020). De bosranden hebben plaats gemaakt voor plekken waar veenmosrietland kan groeien. Het duurt even voordat veenmosrietland groeit maar eerste veldjes met veenmos en ronde zonnedauw zijn aangetroffen (Vereniging Natuurmonumenten, 2022). 103M6 Diep plaggen 3 ha veenmosrietlanden Het graven van nieuwe petgaten levert pas op langere termijn resultaat op voor het herstel en uitbreiding van H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietland). Daarom is voor de middellange termijn verouderd veenmosrietland geplagd om de laatste successiestadia terug te zetten tot eerdere successiestadia. Ook is het plaggen kansrijk voor de vestiging van H7140A Trilvenen (Vereniging Natuurmonumenten, 2022). H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) De verdroogde en vergraste kraggen hebben nog tijd nodig om vegetatiekundig te herstellen. De eerste veldjes met veenmos en ronde zonnedauw zijn al te vinden op de geplagde delen (Vereniging Natuurmonumenten, 2022). Deze maatregel is expres langs greppels uitgevoerd, zodat nutriënten uit het oppervlaktewater al worden opgenomen langs de oevers, voordat het de plagstroken bereikt. De resultaten van de bachelorscriptie van Visser
(2021)indiceren echter dat de greppels juist een negatief effect hebben, doordat het water de concentraties van Ca en HCO3 verdunt. 103M8 Omschakelen van winter- naar nazomermaaien in pijpenstrootjerietland over 25,2 ha Voor het verbeteren van kwaliteit van bestaand veenmosrietland en omvorming van pijpenstrootje rietland naar veenmosrietland is afvoer van stikstof overschot door middel van het afvoeren van sluik nodig. Daarnaast wordt in de rietlanden die niet worden omgevormd het sluik ook afgevoerd en niet verbrand (Vereniging Natuurmonumenten, 2022). Nazomermaaien is een maatregel die kan worden ingezet om verruigde of verouderde, niet als veenmosrietland kwalificerende, rietlanden om te zetten naar H7140B Overgangs- en trilveen (veenmosrietland) en de totale hoeveelheid stikstof in veenmosrietlanden te verminderen. De maatregel wordt sinds 2014 uitgevoerd. H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) Dit gebeurt inmiddels op 279 ha. Gezamenlijk effect met 103M9, 103M10 en 103M
  1. De maatregel heeft een positief effect op de verspreiding en aantal van doelsoorten van vochtig hooiland, trilveen en veenmosrietland (Vereniging Natuurmonumenten, 2022). Dit is o.a. te zien aan de verspreiding van de ronde zonnedauw en welriekende nachtorchis. Ongeveer 50% van de rietlanden worden nu in de zomer gemaaid (veldbezoekverslag 2020). Het oppervlakte veenmosrietland is met 60 ha toegenomen sinds de kartering van 2006-2009 en ook de bedekking van het pijpenstrootje neemt al binnen enkele jaren fors af. Negatieve effecten op het aantal rietzangers snor en Noordse woelmuis zijn echter ook te zien ten gevolge van de maatregel (veldbezoekverslag 2021). 103M9 Afvoeren in plaats van verbranden van het sluik in veenmosrietland en pijpenstrootjesrietland op de percelen van Natuurmonumenten Door te stoppen met sluik verbranden en in plaats daarvan sluik af te voeren kan een aanzienlijke hoeveelheid stikstof uit het gebied worden afgevoerd en zal bovendien de kwaliteit van het rietland verbeteren (mogelijk zelfs van niet kwalificerend naar habitattype). Dit bevordert de ontwikkeling van veenmosrietland. Waarschijnlijk heeft deze maatregel op de lange termijn ook een positief effect op de zeggekorfslak (Prov. Zuid-Holland, 2021) H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden); H1016 Zegge-korfslak Gezamenlijk effect met 103M8, 103M10 en 103M
  2. 103M10 Beëindigen mostrekken op percelen Natuurmonumenten Het beoogde effect is kwaliteitsverbetering van veenmosrietland en vochtige heide. H4010B Vochtige heiden (laagveengebied); H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) Gezamenlijk effect 103M8, 103M9 en 103M
  3. 103M11 (KRW) Beëindigen spuiten MCPA op percelen van Natuurmonumenten Gebruik MCPA kan zorgen voor negatieve effecten soortensamenstelling in veenmosrietland. Op de percelen van Natuurmonumenten in er gestopt met spuiten van MCPA. De verwachting is dat hier de soortdiversiteit van zal profiteren (Provincie Zuid-Holland, 2021; Bijlage O4-1a). H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) Gezamenlijk effect 103M8, 103M9 en 103M
  4. 103M13 (KRW) Behoud natuurvriendelijke oevers Om afkalving van legakkers te voorkomen worden bomen en struiken aan de oevers van legakkers gesnoeid en wordt er oeverbeschoeiing aangebracht en onderhouden. Door legakkers op strategische plekken te herstellen is een stroming door het hele gebied gecreëerd waardoor de defosfateringsinstallatie effect bereikt in het hele gebied van De Pot (Prov. Zuid-Holland, 2021). Dit verbetert de waterkwaliteit in het gebied. H7210 Galigaanmoeras; H1903 Groenknolorchis Nog onbekend 103M15 (KRW) Isoleren Meijegraslanden Deze maatregel betreft het isoleren van de Meijegraslanden van de rest van het plassengebied door lekkende sloten af te sluiten met dammen of stuwen. Het doel is om de uitspoeling van voedingsstoffen vanuit de Meijegraslanden naar andere percelen te beperken en daarmee de waterkwaliteit te verbeteren. H3140 Kranswierwateren; H1134 Bittervoorn; H1149 Kleine modderkruiper; H1082 Gestreepte waterroofkever; H4056 Platte schijfhoren In alle doorgaande sloten tussen de Meije en de plassen is een dam(wand) of doorvaarbare stuw aangebracht. Er zijn daarmee twee nieuwe elektrisch bedienbare stuwen in het gebied. Deze liggen in de door de gemeente Nieuwkoop aangewezen vaarroutes. De andere twee doorvaarbare stuwen zijn hydraulisch bedienbaar. Wat het effect hiervan is geweest op de waterkwaliteit en waterstroming is nog niet bekend. 103M22 (KRW) Realiseren bufferzone Achttienhoven Vanuit natuurgebied de Haak stroomt permanent grondwater naar polder Achttienhoven. Met de inrichting van een hydrologische bufferzone wordt extra wegzijging vanuit de Haak voorkomen. Dit is bedoeld om extra verdroging in de Haak tegen te gegaan. Ook wordt hierdoor de agrarische polder niet belast met extra water, waardoor de bergingscapaciteit op orde blijft 1) Bron: https://www.hdsr.nl/buurt/nieuwkoop/verbeteren-watersysteem-natuurgebied-0/#PagCls_
  5. . H4010B Vochtige heiden (laagveengebied); H6410 Blauwgraslanden Nog onbekend. 103M23 (KRW) Onderzoek verplaatsen waterinlaat de Haak Deze maatregel heeft als doel om minder gebiedsvreemd water het gebied in te laten. Voor de Haak kan dit worden bereikt door de inlaat te verplaatsen. H4010B Vochtige heiden (laagveengebied); H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen); H1903 Groenknolorchis; H6410 Blauwgraslanden De maatregel is uitgevoerd. In recente jaren bevat het inlaatwater lagere concentraties van sulfaat, stikstof, fosfor en calcium. De Haak vormt echter nog een lek in het watersysteem waardoor veel schoon water wordt afgevoerd naar het omliggende agrarische gebied (Prov. Zuid-Holland, 2021). Op basis hiervan is de wateruitlaat verplaatst, zie maatregel 103M31 Retourpomp De Haak in paragraaf 5.2.
  6. 103M24 Herstelplan petgaten Natuurmonumenten Terugzetten successie en verlanding vanaf het initiële stadium. H7140A Overgangs- en trilvenen (Trilvenen); H1903 Groenknolorchis De maatregel is succesvol gebleken op 9 ha waar het is uitgevoerd. Op de overige 41 ha is besloten dat de maatregel niet wordt uitgevoerd. De waterkwaliteit is hier namelijk nog niet op orde, waardoor herstel van petgaten hier niet leidt tot gewenste natuurverbetering 103M26 Winterbevloeiing Vochtige heiden Uitgevoerd H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) Nog geen gemeten resultaten. 103M27 en 103M2 Inrichting Meijegraslanden NNN Uitgevoerd (restopgave rietland) H6410 Blauwgrasland, roerdomp Nog geen resultaten gemeten 5.2.1 Maatregelen die gewijzigd of gedeeltelijk of niet zijn uitgevoerd Een aantal maatregelen uit het eerste beheerplan is nog niet gewijzigd, gedeeltelijk of niet uitgevoerd. De eventuele redenen hiervoor worden in deze paragraaf toegelicht. Zie Tabel 5‑4 voor een samenvatting van het beoogde effect van de maatregelen, of het waargenomen effect in het geval dat de maatregelen gedeeltelijk zijn uitgevoerd. 103M2 Plaggen en inrichten blauwgrasland op percelen Hazeleger: Het definitieve ontwerp is vastgesteld en betreft tevens maatregel 103M
  7. Vanwege intensief overleg met gebiedspartners heeft de uitvoering vertraging opgelopen. Inmiddels is het project afgerond, op iets andere percelen dan oorspronkelijk gepland. Er is nog een restopgave voor rietland. 103M7 Ondiep plaggen veenmosrietlanden: Deze maatregel is gewijzigd uitgevoerd. Gebleken is dat plaggen niet altijd een goede herstelstrategie is. Vooraf is namelijk nooit exact te bepalen of een rietland na het plaggen precies de goede uitgangssituatie heeft voor het verbeteren van veenmosrietland. Ook is gebleken dat het omschakelen van winter- naar nazomermaaien en afvoeren van sluik een zeer succesvolle maatregel is. Daarom is besloten om alleen matige tot slechte percelen waar geen kwalificerende vegetatie voorkomt te plaggen. Daarnaast is ervoor gekozen om het zoekgebied voor het plaggen uit te breiden. Percelen met matige tot redelijke kwaliteit worden niet geplagd maar krijgen een beheer met nazomermaaien. 103M12 Zonering ruimte en tijd faunabeheer: Deze maatregel is niet uitgevoerd omdat het de afgelopen beheerplanperiode niet nodig is bevonden aanvullende maatregelen te nemen op de manier waarop het faunabeheer al wordt uitgevoerd (zie paragraaf 5.3 voor de beschrijving van het faunabeheer). De Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) heeft geen meldingen ontvangen van verstoring afkomstig van activiteiten met betrekking tot jacht, beheer- en schadebestrijding. 103M14 Isoleren van aalscholverkolonie in De Pot van de rest van het gebied. Bouw defosfateringsinstallatie langs de Uitweg. (KRW): De defosfateringsinstallatie is gebouwd, maar is onvoldoende effectief gebleken om de uitstroom van fosfaat richting andere gebiedsdelen voldoende te beperken. Er is daarom onderzoek uitgevoerd naar optimalisatie van defosfateringsinstallatie. Daarnaast is een pilot uitgevoerd om extra ijzerhydroxide (geëxtraheerd ijzer (roest) als restproduct van drinkwaterwinning) toe te voegen aan het water. De isolatie van de Pot staat gepland voor 2024/2025, zie maatregel 103M32 ‘verbeteren waterkwaliteit in de Pot’, in paragraaf 10.
  8. 103M16 Reguleren recreatievaart inclusief afspraken vaarbeperking in noordoostelijk deel en in Noordeinderplas (KRW): Deze maatregel is niet uitgevoerd. De huidige zonering voldoet op dit moment en de huidige situatie levert geen problemen op. Mogelijk is organische belasting door recreatie wel een knelpunt. Er zijn openbare toiletten aanwezig, maar Hoogheemraadschap van Rijnland heeft verdenkingen dat recreatievaartuigen ook regelmatig direct lozen. Er is overleg tussen de gemeente, Gebruikersbelang Plassengebied Nieuwkoop en Hoogheemraadschap van Rijnland om dit te verbeteren. Dit is los van het beheerplan opgepakt, er is een vuilwaterstation aangelegd (bij de Hoogt). 103M17 Verminderen doorvoer vanuit de Nieuwkoopse Plassen naar omringende polders (KRW): Deze maatregel is gerealiseerd. Het kassengebied Noordse Buurt is gesaneerd, hierdoor is er een forse afname van doorvoer van water. 103M18 Beperken lek- en schutverliezen (KRW): Beperken lekverliezen is opgelost door renovatie Ziendersluis en Slikkendamsesluis. Daarnaast hebben de Hoogheemraadschappen van Rijnland en Stichtse Rijnlanden de wateraflaat verminderd. 103M19 Aanleg vispassage (KRW): Er is een eenzijdige passage aanwezig die alleen werkt voor paling. Deze maatregel wordt doorgezet in de tweede beheerplanperiode als onderzoeksmaatregel. Onderzocht dient te worden of een andere vispassage nodig is en zo ja, waar en hoe deze gebouwd kan worden. Deze moet tweezijdig passeerbaar zijn voor paling en andere vissoorten (met name stekelbaars en spiering). Dit wordt opgepakt in het vismigratieplan van Hoogheemraadschap van Rijnland. 103M20 Peilverruiming (KRW): Ten tijde van het opstellen van het eerste beheerplan was al onderzocht of er mogelijkheden waren voor peilfluctuatie. Deze mogelijkheden bleken echter beperkt (Provincie Zuid-Holland, 2015a). Het streefpeil mag nu 2-4 cm fluctueren. Uit de Natuurdoelanalyse blijkt dat een verruiming van de peilmarge binnen de Meijegraslanden en wellicht in Westveen wel een positief effect kan hebben, zie Tabel 5‑
  9. Dit laatste is uitgewerkt onder 103M
  10. 103M21 Actief biologisch beheer (KRW): Deze maatregel is niet uitgevoerd, omdat de huidige abiotische condities niet voldoet aan de randvoorwaarden om de maatregel uit te kunnen voeren. Ook is het benodigde rendement van 80% (niet gewenste vis wegvangen) lastig te halen omdat het een groot gebied is Verwacht wordt dat de maatregel in het gebied onder de huidige omstandigheden niet of nauwelijks effect zal hebben (Hoogheemraadschap van Rijnland, 2021). 103M25 Agrarisch gebruik met beperkingen in Meijegraslanden: Deze maatregel is niet uitgevoerd en komt te vervallen. Eventuele beperkingen aan agrarisch gebruik zijn onderdeel van een bredere discussie over de toekomst van de landbouw in de Meijegraslanden en de (directe) omgeving van Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Deze discussie wordt gevoerd in het kader van het gebiedsproces Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied. 103M26 Winterbevloeiing Vochtige heiden: Natuurmonumenten heeft zes pompen op zonnepanelen geplaatst die worden ingezet om de buffercapaciteit van de bodem van moerasheide en veenmosrietland te verbeteren. 103M27 Aanleg overjarig rietland voor roerdomp in de Meijegraslanden: Het definitieve ontwerp is vastgesteld en betreft tevens maatregel M
  11. Vanwege intensief overleg met gebiedspartners heeft de uitvoering vertraging opgelopen. Inmiddels zijn alle vergunningen aangevraagd en is het de planning dat de maatregelen uitgevoerd worden onder die nieuwe maatregel 103M40, zie paragraaf 10.
  12. Het oppervlak wat hierbij gecreëerd wordt, is echter nog ruimschoots onvoldoende om tegemoet te komen aan de noodzakelijke omvang van het leefgebied van roerdomp (Provincie Zuid-Holland, 2021). 103M28 Natuurbeheer Polder Westveen: Deze maatregel is deels uitgevoerd. De maatregel wordt vervolgd in een nieuw maatregelenpakket gericht op de herinrichting van Polder Westveen. In 2019 is men begonnen met het verwerven en plannen maken voor de inrichting van het NNN. Eén particuliere eigenaar doet aan particulier natuurbeheer en heeft daartoe zijn percelen ingericht als N10.02 Vochtig hooiland. Daarnaast zijn alle graslanden van Natuurmonumenten sinds 2019 beheerd zonder mestgift. Dit heeft ertoe geleid dat de bloemrijkdom is toegenomen. Inmiddels ligt er een definitief ontwerp (Van Rijsbergen et al., 2023) en wordt deze beheerplanperiode met de inrichting gestart. Tabel 5‑
  13. Maatregelen uit het eerste beheerplan van Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck die gewijzigd, gedeeltelijk of niet zijn uitgevoerd. Aangegeven is de status van de maatregel, het beoogde effect en, waar data beschikbaar was, het waargenomen effect. Maat-regel-ID Maatregel Status Beoogd effect Profiterend habitattype/soort Waargenomen effect 103M2 Plaggen en inrichten blauwgrasland op percelen Hazeleger Gewijzigd uitgevoerd Op de hoge delen liggen mogelijkheden voor het ontwikkelen van blauwgraslanden door het verwijderen van de veraarde en verdroogde bovenlaag (Vereniging Natuurmonumenten, 2022). H6410 Blauwgraslanden n.v.t. 103M7 Ondiep plaggen 21 ha veenmosrietlanden Gewijzigd uitgevoerd Deze maatregel lijkt op diep plaggen maar wordt tot ruimer boven de grondwaterspiegel uitgevoerd. Het doel is om sterk verzuurde, sterk verouderde stadia van veenmosrietland iets terug te zetten in de successie. De maatregel wordt uitgevoerd waar diep plaggen gelet op de waterkwaliteit geen zin heeft. Het effect is tijdelijk van aard en gericht op het ruimtelijk behouden van bronnen dan de typische karakteristieke soorten die zich vanuit hier moeten vestigen in nieuwe of geplagde veenmosrietlanden (Vereniging Natuurmonumenten, 2022). H7140B Overgangs- en Trilvenen (veenmosrietlanden) Het veenmosrietland heeft zich op de geplagde percelen geregenereerd. Echter alleen soorten van het zure aspect van de veenmosrietlanden hebben zich hersteld. Diverse soorten veenmossen, ronde zonnedauw en tormentil zijn te vinden (Vereniging Natuurmonumenten, 2022). 103M12 Zonering ruimte en tijd faunabeheer Niet uitgevoerd Faunabeheer kan zorgen voor verstoring van andere soorten door optische verstoring, geluid e.d. Zonering faunabeheer sluit de kans op deze negatieve effecten uit. Verschillende vogelsoorten n.v.t. 103M14 Compartimenteren en isoleren (KRW) Gedeeltelijk uitgevoerd Isoleren van de aalscholverkolonie in De Pot van de rest van het gebied. Daarbij de bouw van de defosfateringsintallatie langs de Uitweg. Het doel is om de eutrofiëring ten gevolge van de vogelkolonie te verminderen en daarmee de waterkwaliteit te verbeteren. H3140 Kranswierwateren; H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden; H7140A Overgangs- en trilvenen (Trilvenen); H1903 Groenknolorchis; H1134 Bittervoorn; H1149 Kleine modderkruiper; H4056 Platte schijfhoren De maatregel is uitgevoerd maar de defosfatering in De Pot onvoldoende effectief om uitstroom van fosfaat richting andere gebiedsdelen voldoende te beperken (Prov. Zuid-Holland, 2021). Om de defosfatering te optimaliseren zijn er proeven uitgevoerd met het toevoegen van extra ijzeroxide. Momenteel vindt er een monitoring plaats wat voor effect dit heeft op de vispopulatie en de waterkwaliteit. Het isoleren van de Pot is gepland voor 2024/
  14. 103M16 Reguleren recreatievaart inclusief afspraken vaarbeperking in noordoostelijk deel en in Noordeinderplas (KRW). Niet uitgevoerd Recreatievaart kan zorgen voor verstoring van rust en voor golfslag waardoor oevers aangetast kunnen worden. Het reguleren van recreatievaart zorgt dat bepaalde delen van het gebied niet begaanbaar zijn en daardoor de verstoring beperkt blijft. Verschillende vogelsoorten Verstoring van recreatievaart is op dit moment niet opgenomen als knelpunt. Wel wil het waterschap tegengaan dat de recreanten hun organisch materiaal in het water lozen. 103M17 Verminderen doorvoer vanuit de Nieuwkoopse Plassen naar omringende polders (KRW) Uitgevoerd Noordse Buurt Afname van doorvoer water uit plassen naar omringende polders, zodat de inlaatbehoefte en daarmee de inlaat van voedingsstoffen naar de Nieuwkoopse Plassen afneemt. Het doorvoerwater naar de Noordse Buurt Hangt samen met gemeentelijk besluit om de kassen gedeeltelijk te verwijderen. Deze maatregel is ten behoeve van de verbetering van de waterkwaliteit. H3140 Kranswierwateren; H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden; H7140A Overgangs- en trilvenen (Trilvenen); H1903 Groenknolorchis; H1134 Bittervoorn; H1149 Kleine modderkruiper; H4056 Platte schijfhoren De waterkwaliteit in het gebied is verbeterd doordat minder gebiedsvreemd water door het Plassen- en moerasgebied wordt getrokken. Wel is opvallen dat de waterkwaliteit in de Binnenpolder is afgenomen terwijl deze in de rest van het gebied (behoudens Schippersgat) is verbeterd. Door het afkoppelen van de voormalige doorvoer naar Noordse Buurt is de uitstraling van De Pot naar de omgeving (specifiek het westelijke deel) toegenomen. Hierdoor is de waterkwaliteit in het Schippersgat aanzienlijk verslechterd vanwege de fosfaatlast afkomstig van de aalscholverkolonie in De Pot (Prov. Zuid-Holland, 2021). 103M18 Beperken schut- en lekverliezen (KRW) Deels uitgevoerd Deze maatregel is bedoeld om het verlies van kwalitatief goed water tegen te gaan en het peil hoog te houden. Beperken lekverliezen uitgevoerd door renovatie sluizen. H3140 Kranswierwateren; H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden; H1134 Bittervoorn; H1149 Kleine modderkruiper; H4056 Platte schijfhoren Nog onbekend 103M19 Aanleg vispassage (KRW) Niet uitgevoerd Deze maatregel moet uitgevoerd worden omdat door 103M18 de vissen het systeem niet meer vrij kunnen passeren. Wordt opgepakt in vismigratieplan. Verschillende soorten waterfauna Niet van toepassing 103M20 Peilverruiming (KRW) Onderzoek uitgevoerd, verdere maatregelniet uitgevoerd In het peilbesluit is opgenomen dat het peil met 4 cm wordt verruimd (+/- 2 cm t.o.v. het huidige vaste peil). De inlaat wordt gebruikt om de ondergrens de behouden en via uitmalen wordt de bovengrens behouden. Geen, zie uitkomst onderzoek hiernaast. Uit onderzoek blijkt dat verruiming van de peilmarge binnen het Plassen- en moerasgebied heeft een negatief effect op veenmosrietland, moerasheide en hoogveenbos, omdat inundatie van deze habitattypen met basenrijk water (hoger peil) nadelig werkt en verdroging (lager peil) leidt tot zwaveluitspoeling wat negatief is voor de waterkwaliteit. Peilverruiming in de Meijgraslanden kan wel een positief effect hebben, dit wordt uitgewerkt onder 103M28 (Provincie Zuid-Holland, 2021). 103M21 Actief Biologisch Beheer KRW) Niet uitgevoerd Onder deze maatregel wordt bodemwoelende vis weggevangen met als doel verbetering van de helderheid van het water. H3140 Kranswierwateren; H3150 Meren met krabbescheer en fonteinkruiden; H1134 Bittervoorn; H1149 Kleine modderkruiper; H4056 Platte schijfhoren n.v.t. 103M25 Agrarisch gebruik met beperkingen in Meijegraslanden Niet uitgevoerd Met deze maatregel wordt de mestgift beperkt, zodat er minder voedingsstoffen in het oppervlaktewater terecht komen. Deze maatregel draagt bij aan verbetering waterkwaliteit. Het gaat hierbij om de percelen met agrarische bestemming en niet om de percelen die al een natuurbestemming hebben. H3140 Kranswierwateren; H6410 Blauwgraslanden; H1340 Noordse woelmuis n.v.t. 103M27 Aanleg overjarig rietland voor roerdomp in de Meijegraslanden Gedeeltelijk uitgevoerd In deze maatregel wordt een inrichtingsplan opgesteld om het leefgebied van de roerdomp te verbeteren. Door beheer van de rietlanden moet er worden voorkomen dat er successie naar veenmosrietland ontstaat. De maatregelen komen ten goede aan met name de roerdomp, maar ook de snor, rietzanger, zwarte stern en Noordse woelmuis (Provincie Zuid-Holland, 2015a). A021 Roerdomp; A292 Snor; A295 Rietzanger; A197 Zwarte stern; H3140 Noordse woelmuis Dit draagt positief bij aan het beschikbare leefgebied van roerdomp. Echter, het oppervlak wat hierbij gecreëerd wordt, is nog ruimschoots onvoldoende om tegemoet te komen aan de noodzakelijke omvang van het leefgebied van roerdomp (Provincie Zuid-Holland, 2021). 103M28 Natuurbeheer Polder Westveen Deels uitgevoerd, vervolg in NNN realisatie Realisatie van schone sloten en bloemrijke graslanden. Deze ambitie draagt bij aan de algehele natuurwaarde van de polder. Ook leidt dit tot de versterking van het foerageergebied van de zwarte stern en de purperreiger. H6410 Blauwgraslanden, A029 Purperreiger; A197 Zwarte stern; H1082 Gestreepte waterroofkever; H1134 Bittervoorn; H1149 Kleine modderkruiper; H3140 Noordse woelmuis n.v.t. 5.2.2 Nieuw toegevoegde maatregelen gedurende de eerste beheerplanperiode Gedurende de eerste beheerplanperiode is een aantal nieuwe maatregelen opgesteld en uitgevoerd. Deze maatregelen waren niet opgenomen in het eerste beheerplan en zijn daardoor niet hierboven geëvalueerd. Zie Tabel 5‑5 voor deze maatregelen, de uitvoeringsstatus, het beoogde effect en het eventuele waargenomen resultaat. Tabel 5‑
  15. Maatregelen toegevoegd en uitgevoerd gedurende de eerste beheerplan periode. Aangegeven is de status van de maatregel, het beoogde effect en de uitkomst van het onderzoek. Maat-regel-ID Maatregel Status Beoogd effect Profiterend habitattype/soort Resultaat maatregel 103M29 Onderzoek toepassen waterijzer (Polder Westveen en De Pot) Afgerond in 2023 IJzerslib kan worden toegevoegd om fosfaatbeschikbaarheid te verminderen. Hiermee is weinig ervaring, dus wordt eerst nader onderzoek uitgevoerd in een lab- en veldexperimenten om te onderzoeken of dit in Nieuwkoop kan worden toegepast (Prov. Zuid-Holland, 2021). H3140 Kranswierwateren; H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden; H7140A Overgangs- en trilvenen (Trilvenen); H1903 Groenknolorchis; H1082 Gestreepte waterroofkever; H1134 Bittervoorn; H1149 Kleine modderkruiper De Pot Uit het onderzoek blijkt dat het toevoegen van wa

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.