Verordening fysieke leefomgeving gemeente Zevenaar 20241.Inleiding 1.1Aanleiding Op 1 januari 2024 zal de Omgevingswet in werking treden. Met de Omgevingswet wil de overheid de regels voor ruimtelijke ontwikkeling vereenvoudigen en samenvoegen, waardoor er minder regels zijn en er meer ruimte is voor initiatieven. De wet biedt hierdoor kansen om nog beter, efficiënter, maar ook sneller op nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving in te kunnen spelen. Om de Omgevingswet in de praktijk uit te voeren, hebben overheden verschillende instrumenten tot hun beschikking, waaronder het omgevingsplan. Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied. Ter voorbereiding op het werken met het omgevingsplan, kunnen gemeenten er als tussenstap voor kiezen om een Verordening Fysieke Leefomgeving vast te laten stellen. De Verordening fysieke leefomgeving is een integratie van de regels over de fysieke leefomgeving uit diverse verordeningen van gemeente Zevenaar. Dit is immers ook het criterium dat de Omgevingswet hanteert voor het opnemen van verordenende bepalingen in het omgevingsplan. Middels deze verordening wordt door de gemeente Zevenaar nu alvast geanticipeerd op het werken met het omgevingsplan onder de Omgevingswet. 1.1.2Doelstelling en subdoelstelling Het hoofddoel van deze integratie is geweest om te komen tot een eenduidige opzet en een goede onderlinge samenhang tussen artikelen uit de verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Hiernaast is naar het behalen van de volgende subdoelen gestreefd: (I) praktische toepasbaarheid, (II) leesbaarheid, (III) actualiteit en (IV) afwezigheid van dubbelingen en tegenstrijdigheden. 1.2Methodiek In 2022 zijn alle artikelen uit de verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving gecentraliseerd in één overzichtelijk Excel-bestand. De eerste actie lag in het vinden van deze verordeningen, waarop de centralisatieslag volgde. Het Excel-bestand bestaat op dit moment uit ruim 800 vigerende artikelen. Deze afzonderlijke artikelen zijn allereerst geanalyseerd op basis van de volgende aspecten: Wel/geen directe betrekking op de fysieke leefomgeving; Type van de regel in het artikel (algemene regel, vergunningplicht, verbodsbepaling etc.). Hierna zijn de artikelen, indien mogelijk, 'gelabeld' op de volgende twee aspecten: Thema: Milieu, Economie, Bodem etc.; Activiteit: Milieubelastend, bouwen, kappen etc. Vanuit deze analyse is een kernteam aangesteld met diverse (vakinhoudelijke) medewerkers uit verschillende disciplines. In de verschillende overleggen die voor het kernteam zijn georganiseerd, zijn de relevante regels geanalyseerd op basis van de mate waarin deze nog actueel zijn en in aanmerking komen voor de Verordening fysieke leefomgeving. Aangezien beleidsneutraal wordt overgegaan, zijn er enkel beleidsneutrale en tekstuele wijzigingen doorgevoerd. Inhoudelijke wijzigingen kunnen worden doorgevoerd zodra aan de slag wordt gegaan met het omgevingsplan. 1.3Reikwijdte De Verordening fysieke leefomgeving bestaat uit een verschillende verordeningen en afzonderlijke regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Verordeningen en regels die een ander motief hebben, zoals openbare orde en veiligheid, zijn daarom niet meegenomen in de integratie. Aangezien de Omgevingswet aan de burgemeester als bestuursorgaan geen bevoegdheden toekent, zijn ook regels die de burgemeester bevoegdheden geeft niet in de Verordening fysieke leefomgeving opgenomen. Dit zijn vaak ook regels het motief openbare orde en veiligheid en deze regels komen daardoor al niet voor integratie in aanmerking. In de Verordening fysieke leefomgeving zijn de volgende verordeningen of onderdelen daarvan opgenomen: Afvalstoffenverordening Zevenaar 2019 Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar 2023 Bomenverordening Zevenaar 2019 Bouwverordening Zevenaar 2019 Marktverordening Zevenaar 2019 Parkeerverordening Zevenaar 2017 Verordening naamgeving en nummering (adressen) gemeente Zevenaar 2018 Erfgoedverordening
- 1.4Uitgangspunten De verordeningen zijn beleidsneutraal geïntegreerd, behalve op het punt van: Begripsbepalingen en procedurele regels: Deze regels van de opgenomen verordeningen zijn zo veel mogelijk op elkaar afgestemd en vereenvoudigd; ‘Quick wins’: Het doorvoeren van wijzigingen die de leesbaarheid en toepasbaarheid van de verordeningen ten goede komen. Dit omvat het schrappen van overbodige regels, het herschrijven van slecht leesbare regels en het logisch ordenen van regels. Her en der zijn (ondergeschikte) inhoudelijke wijzigingen aangebracht; De VFL is technisch aangepast aan de Omgevingswet. 1.5Leeswijzer De Verordening fysieke leefomgeving is ingedeeld in 12 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat inleidende bepalingen. Dit betreft vooralsnog alleen een regeling van de begripsbepalingen. De daaropvolgende hoofdstukken bevatten regelingen voor diverse onderwerpen. Dit varieert van algemene bepalingen voor vergunningen, maar ook specifieke onderwerpen, zoals bomen, tot meer algemene regelingen, bijvoorbeeld voor 'omgevingshinder' in brede zin. De laatste 3 hoofdstukken zijn algemeen en gelden in samenhang met elk afzonderlijk hoofdstuk. Deze hoofdstukken bevatten procedurele regels en straf-, overgangs- en slotregels. Uitgangspunt bij het opstellen van de verordening was om de regels die de verordeningen gemeen hebben (bijvoorbeeld regels over beslistermijnen en toezicht), te bundelen in één van de algemene hoofdstukken. In hoofdstukken 10, 11 en 12 is daarom zo veel mogelijk de algemene lijn uit de verschillende verordeningen gedestilleerd. Desondanks was het niet mogelijk om alle procedurele bepalingen bij elkaar te zetten. Sommige verordeningen bevatten regelingen die zo specifiek zijn dat ze zich niet leenden voor opname in de algemene bepalingen. In die gevallen is de specifieke procedurele regel gehandhaafd in het inhoudelijke hoofdstuk. 2.Toelichting per hoofdstuk.
- Inleidende regels De meeste verordeningen en bestemmingsplannen (nu tijdelijk omgevingsplan) beginnen met een opsomming van begripsbepalingen. In deze verordening zijn al deze begripsbepalingen samengevoegd en waar mogelijk geharmoniseerd.
- Algemene bepalingen voor vergunningen en ontheffingen In hoofdstuk 2 komen de algemene bepalingen aan bod.
- Geluid In dit hoofdstuk zijn de bepalingen die betrekking hebben op geluid opgenomen. Het gaat om de regels uit de volgende verordening: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar 2023 (deel van Afdeling 1: Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting, te weten de artikelen 4:1, 4:2, 4:3, 4:5, 4:6 tot en met 4: 4:6c). Alleen artikel 4:6d blijft in de APV staan. Het gaan om: Mosquito (artikel 4:6d). Geen fysieke component.
- Economie Binnen dit hoofdstuk worden de bepalingen die betrekking hebben op economische aspecten in relatie tot de fysieke leefomgeving weergegeven. De volgende verordeningen, of regels van deze verordeningen, zijn in dit hoofdstuk opgenomen: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar 2023 (hoofdstuk 5, afdeling 4 als geheel m.b.t. standplaatsen, te weten de artikelen 5:17 tot en met 5:20); Marktverordening Zevenaar 2019 (gehele Marktverordening).
- Bodem, milieu en natuur De samenvoeging van de onderdelen bodem, milieu en natuur komt voort uit de samenhang tussen de onderwerpen. Het in de verordening opnemen van aparte hoofdstukken hiervoor, zou kunnen leiden tot verwarring. De volgende verordeningen, of regels van deze verordeningen, zijn in dit hoofdstuk opgenomen: Afvalstoffenverordening Zevenaar 2019 (artikel 2 en artikelen 14 t/m 19); Algemene Plaatselijke Verordening 2018 Gemeente Zevenaar (artikel 2.60, 5:35- 5:37); Bouwverordening Zevenaar 2019 (artikelen 2.1.5, 2.4.1, 2.4.2 en 10.6); Bomenverordening Zevenaar 2019 (als geheel opgenomen in VFL).
- Parkeren, stallen en opslag Parkeren wordt als apart hoofdstuk behandeld. De volgende verordeningen, of regels van deze verordeningen, zijn in dit hoofdstuk opgenomen: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar 2023 (artikelen 2:51, 2:52, 4:18, 4:19 en 5:2-5:12, 5:24, 5:25); Parkeerverordening Zevenaar 2017 (als geheel opgenomen in de VFL).
- (Ondergrondse) infrastructuur Infrastructuur is een breed onderwerp, hierdoor zijn er meerdere bepalingen op van toepassing uit verschillende verordeningen. Om ervoor te zorgen dat deze eenduidig geborgd worden binnen de verordening is er ook voor infrastructuur een apart hoofdstuk opgesteld. Vooralsnog heeft dit hoofdstuk om technisch-juridische redenen alleen betrekking op bepalingen van de Algemene Plaatselijke Verordening. De volgende verordening wordt bij een eerstvolgende wijziging van de Vfl opgenomen: Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur. Infrastructuur is een breed onderwerp, hierdoor zijn er meerdere bepalingen op van toepassing uit verschillende verordeningen. Om ervoor te zorgen dat deze eenduidig geborgd worden binnen de verordening is er ook voor infrastructuur een apart hoofdstuk opgesteld. Regels van de volgende verordeningen zijn in dit hoofdstuk opgenomen: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar 2023 (artikelen 2:10-2:12, 2:21, 4:13 en 4:16).
- Bouwen en Bouwkwaliteit Vanwege de bouwopgave die vanuit het rijk en de provincie geambieerd wordt, is het handig om een hoofdstuk specifiek op dit thema te richten. De volgende verordeningen, of regels van deze verordeningen, zijn in dit hoofdstuk opgenomen: Bouwverordening Zevenaar 2019 (artikelen 7.3.
- en 10.6); Verordening naamgeving en nummering (adressen) gemeente Zevenaar 2018 (geheel opgenomen); Erfgoedverordening Zevenaar 2018 (geheel overgenomen).
- Veiligheid Omdat veiligheid een belangrijk onderwerp is binnen de fysieke leefomgeving en hier meerdere regels aan worden gewijd, is ook het thema veiligheid ondergebracht in een apart hoofdstuk. Regels van de volgende verordening zijn in dit hoofdstuk opgenomen: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar 2023 (artikelen 2:14, 2:15, 2:18, 2:19, 2:42 (plakken en kladden), 2:45b, 4:9, 4:9a en 5:32- 5:34).
- Toezichtbepalingen In hoofdstuk 10 bevinden zich alle regels met betrekking tot toezicht.
- Strafbepalingen In hoofdstuk 11 bevinden zich de strafbepalingen uit alle regels.
- Overgangs- en slotbepalingen In hoofdstuk 12 bevinden zich de overgangs- en slotbepalingen uit alle regels. 3.Bijlagen bij toelichting
- Verordening op de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Zevenaar 2022 Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Zevenaar 2024 Officiële titel en citeertitel Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Zevenaar 2024 Wettelijke grondslag Artikel 149 van de Gemeentewet Datum aanmaak 6 september 2023 Hoofdstuk1.Inleidende regels Artikel1.1.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder:
- (huis)aansluiting het gedeelte van de kabel of leiding door openbare grond dat een netwerk verbindt met een netwerkaansluitpunt ten behoeve van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met d, van de Wet Waardering Onroerende Zaken, of meteen ander netwerk.
- Afgebakend terrein een terrein met een kunstmatige of natuurlijke afbakening, waarop zich geen verblijfsobjecten bevinden en dat betreedbaar en afsluitbaar is.
- Anciënniteitlijst de lijst van vergunninghouders van een vaste standplaats.
- Archeologisch monument archeologisch monument, als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.
- Archeologisch onderzoek werkzaamheden met betrekking tot het bodemarchief die ten behoeve van de archeologische monumentenzorg worden uitgevoerd volgens de eisen zoals gesteld door het college van burgemeester en wethouders en de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).
- Archeologisch veldonderzoek inventariserend veldonderzoek en archeologische opgraving conform de eisen van het college en de KNA.
- Archeologische waarden waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die in de ondergrond zitten en die een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling.
- Asverstrooiing het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent.
- Bebouwde kom het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet
- Belanghebbendenplaats een parkeerplaats die is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschriftzone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd.
- Beschermd monument (rijks)monument of archeologisch monument dat staat ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister of dat staat ingeschreven in het Rijksmonumentenregister.
- Beschermd stad- of dorpsgezicht een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke en/ of cultuurhistorische waarde, waarin zich al dan niet één of meer monumenten bevinden en welke groep ingevolge deze verordening is opgenomen in het gemeentelijke erfgoedregister.
- Beschrijving gemeentelijk monument een beschrijving betreft een rapportage van de bouwhistorische, architectuurhistorische, stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of archeologische waarden.
- Bouwhistorisch onderzoek rapportage waarin de bouw- en gebruiksgeschiedenis van een bouwwerk of structuur wordt vastgesteld, dat naar het oordeel van het college voldoet aan de ‘Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek’ uitgave Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
- Bovengronds cultuurhistorisch onderzoek onderzoek naar bovengrondse sporen, objecten, patronen en structuren uit het verleden ten einde de cultuurhistorische waarden daarvan te kunnen bepalen/vaststellen.
- Bevoegd gezag het college tenzij een bijzondere wet bepaalt dat er een ander bestuursorgaan is.
- Boom een houtachtig, overblijvende gewas, daaronder mede verstaan minder vitaal of dood gewas, meteen dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam.
- Bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.
- Bromfiets het geen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet
- Collectieve festiviteit Festiviteiten (zoals Carnaval, Koningsnacht, Koningsdag, Bevrijdingsdag, Kermis, Schuttersfeest, Oudejaarsavond, Nieuwjaarsnacht) die niet specifiek gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen. Voor inrichting zie de begripsbepaling in artikel 38 uit hoofdstuk
- College het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar.
- Cultuurgoed roerende zaak die deel uit maakt van het cultureel erfgoed.
- Cultureel erfgoed uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden.
- Evenement In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet en de begripsbepaling onder 1.1.
- kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; de van gemeentewege georganiseerde jaarlijkse kermissen; sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f. Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht, niet zijnde een betoging op een openbare plaats op de weg; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (een klein evenement). een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s. In deze afdeling wordt onder een klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; het evenement plaatsvindt tussen 10.00 en 23.00 uur; er geen verkeersmaatregelen vereist zijn, anders dan het onttrekken van parkeerplaatsen en het eventueel afsluiten van een straat met een beperkte verkeersfunctie. het evenement voldoet aan de risicocategorie 0 ‘te melden evenement’; Evenementen worden op basis van de uitkomst van een risicoscan ingedeeld in de volgende risicocategorieën: Te melden evenement
(0)‘Evenement’ waarbij geen risico’s te verwachten zijn voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en die geen maatregelen of voorzieningen vergen van het daartoe bevoegd gezag. Regulier evenement (A): ‘Evenement’ waarbij het (zeer) onwaarschijnlijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en maatregelen of voorzieningen vergen van het daartoe bevoegd gezag om die dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken. Aandachts evenement (B): ‘Evenement’ waarbij het mogelijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en maatregelen of voorzieningen vergen van het daartoe bevoegd gezag om die dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken. Risicovol evenement (C): ‘Evenement’ waarbij het (zeer) waarschijnlijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en maatregelen of voorzieningen vergen van het daartoe bevoegd gezag om die dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken.
- Gebouw Gebouwen zoals bedoeld in bijlage 1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
- Geluidsgevoelige gebouwen Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.21 Besluit kwaliteit leefomgeving.
- Geluidsgevoelige terreinen locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als ligplaats voor woonschepen of als standplaats voor woonwagens.
- Gemeentelijk adviescommissie ruimtelijke kwaliteit de commissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet die naast Rijksmonumenten ook adviseert over gemeentelijke monumenten, (gemeentelijk) beschermde stads- of dorpsgezichten en omgevingsplanactiviteiten.
- Gemeentelijk erfgoedregister de lijst waarop zijn geregistreerd de in overeenstemming met deze verordening als gemeentelijk monument of gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling aangewezen zaken.
- Gemeentelijk monument monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister.
- Grondwater water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen.
- Handelsreclame iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.
- Houder van inrichting degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft.
- Houtopstand één of meer bomen, hakhout, een houtwal, meidoornhagen, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of een heg.
- Iepenspintkever het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.)en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.
- Iepziekte de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf.
- Incidentele festiviteit Festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen. Voor inrichting zie de begripsbepaling in artikel 38 uit hoofdstuk
- Inrichting(en) Dichtbij elkaar gelegen onderdelen van dezelfde onderneming of instelling met onderlinge technische, organisatorische of functionele bindingen, zijn één inrichting.
- Kampeermiddel Een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
- Karakteristiek een zaak die op basis van het omgevingsplan (voorheen: bestemmingsplan) als zodanig isaangeduid, dan wel een beeldondersteunend object.
- Markt de door het college ingestelde warenmarkt.
- Marktmeester de persoon die als zodanig is aangewezen door het college.
- Monument een monument zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.
- Motorvoertuig het geen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
- NEN een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm.
- Nummeraanduiding dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, met dien verstande dat deze bestaat uit een of meer Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter- of cijfer combinatie [en ook betrekking kan hebben op een afgebakend terrein].
- Onder het centrum van Zevenaar Onder het centrum van Zevenaar wordt verstaan het gebied tussen Kampsingel, Bommersheufsestraat, Schoolstraat, Didamsestraat, Wittenburgstraat, Weverstraat, de Markt, Kerkstraat, Nieuwe Doelenstraat, Molenstraat, Schievestraat en Haspelstraat.
- Onversterkt muziek Muziek die niet elektronisch is versterkt.
- Openbaar water wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn.
- Openbare plaats een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld in artikel 67 uit hoofdstuk
- Parkeerapparatuur parkeermeters, parkeerautomaten met inbegrip van verzamelparkeermeters en het geen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan.
- Parkeerapparatuurplaats een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting wordt geheven door middel van parkeerapparatuur.
- Parkeerschijfzone een zone als bedoeld in artikel 25 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (blauwe zone).
- Parkeren het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
- Perceel een onroerende zaak, een stuk grond, al dan niet met bebouwing, die met erf en tuin een eenheid vormt.
- RVV 1990 het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
- Spoedeisende werkzaamheden reparatie of onderhoudswerk waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening via het betreffende net is opgetreden.
- Standplaats het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen, verstrekken of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement zoals bedoeld artikel 1.1.1 onder 25 van deze verordening.
- Standwerken de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel
- Standwerkersplaats de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken.
- Vaste standplaats de standplaats die voor onbepaalde tijd of een termijn van exact 10 jaar ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder.
- Vellen kappen of rooien, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de waardevolle houtopstand tot gevolg kunnen hebben.
- Vergunninghouder de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend;
- Vergunninghouder- standplaats degene aan wie door het college vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats.
- Voertuig hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen.
- Waardevolle houtopstanden de als zodanig door het college aangegeven houtopstanden, zoals opgenomen op de lijst van waardevolle houtopstanden.
- Weg het geen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet
- Hoofdstuk2Algemene bepalingen voor vergunningen en ontheffingen 2.1.1Toepasselijkheid Dit hoofdstuk is van toepassing voor zover andere van toepassing zijnde wet- of regelgeving of specifieke regels in deze verordening niet anders bepalen. 2.1.2Beslistermijn Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag, tenzij elders in deze verordening of in een andere wettelijke regeling een andere beslistermijn is gesteld of afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste zes weken verdagen. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. 2.1.3Voorschriften en beperkingen Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. 2.1.4Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. 2.1.5Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing , intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of de houder dat verzoekt. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. 2.1.6Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. 2.1.7Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. Het bevoegde bestuursorgaan kan, onverminderd het elders in deze verordening bepaalde, een vergunning of ontheffing weigeren. Indien de aanvrager voorschriften, verbonden aan een eerdere vergunning of ontheffing voor een soortgelijke activiteit of beperkingen waaronder zo’n vergunning of ontheffing is verleend, niet heeft nageleefd en het vermoeden gerechtvaardigd is dat indien de gevraagde vergunning of ontheffing wordt verleend, hij ook daaraan verbonden voorschriften of beperkingen waaronder zij zou worden verleend, niet zal naleven. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager deze nodig heeft. Hoofdstuk3.Geluid 3.1Geluid 3.1.1Aanwijzing collectieve festiviteiten (was artikel 4:2 APV) De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.71 van de Bruidsschat en artikel 3.1.3 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen en locaties. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 22.239 van de Bruidsschat gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen en locaties. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer door het college aangewezen locaties of wijken. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de collectieve festiviteit, bedraagt niet meer dan 80 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek. De bedrijfsduurcorrectie wordt buiten beschouwing gelaten. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.71 van de Bruidsschat en artikel 3.1.3 uiterlijk om 01.00 uur beëindigd, tenzij burgemeester en wethouders anders hebben bepaald. 3.1.2Kennisgeving incidentele festiviteiten (was artikel 4:3 APV) Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 dag of dagdelen per kalenderjaar in verband met al dan niet vergunningplichtige incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.71 van de Bruidsschat en artikel 3.1.3 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan melding heeft gedaan. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van al dan niet vergunningplichtige incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 22.239 van de Bruidsschat niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan melding heeft gedaan. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de incidentele festiviteit, bedraagt niet meer dan 80 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek. De bedrijfsduurcorrectie wordt buiten beschouwing gelaten. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.71 van de Bruidsschat en artikel 3.1.3, uiterlijk om 01.00 uur beëindigd, tenzij burgemeester en wethouders anders hebben bepaald. 3.1.3Onversterkte muziek (was artikel 4:5 APV) Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 22.70 eerste lid onder i. en 22.63 van de Bruidsschat binnen inrichtingen (daarvoor aangewezen activiteiten) is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige geluidsgevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze geluidsgevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij geluidsgevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. Tabel: 7.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur LAr,LT op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A LAr, LT in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A 45 dB(A) Voor de duur van 6 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de uren tussen 7.00 en 23.00 uur uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing. Het eerste lid geldt niet indien artikel 3.1.1 of artikel 3.1.2 van deze verordening van toepassing is. 3.1.4Overige geluidhinder (was artikel 4:6 APV) Het is verboden buiten een inrichting toestellen of (geluids)apparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, of de provinciale omgevingsverordening. 3.1.5a (Geluid)hinder door dieren (was artikel 4:6a APV) Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt. 3.1.5b (Geluid)hinder door motorvoertuigen, bromfietsen e.d. (was artikel 4:6b APV) Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat. 3.1.5c Verbod oplaten sfeerballonnen (was artikel 4:6c APV) Het is verboden één of meerdere sfeerballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen. Onder sfeerballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon of soort gelijk te stellen ballonnen. Hoofdstuk4.Economie 4.1Standplaatsen en de markt 4.1.1Standplaatsvergunning en weigeringsgronden (was artikel 5:18 APV) Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend (tijdelijk) omgevingsplan. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.1.7 kan de vergunning worden geweigerd als: de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; of een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid. 4.1.2Toestemming rechthebbende (was artikel 5:19 APV) Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. 4.1.3Afbakeningsbepalingen (was artikel 5:20 APV) Het verbod van artikel 4.1.1 eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hogere regelgeving. De weigeringsgrond van 4.1.1, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. 4.1.4Inrichting van de markt; branche-indeling (was artikel 2 van de Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) Het college bepaalt ten aanzien van de markt: het aantal standplaatsen; de afmetingen van de standplaatsen; de opstelling en indeling van de markt; welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats. Het college kan voor de markt vaststellen: een lijst met artikelengroepen of branches; een maximum aantal standplaatsen per branche 4.1.5Nadere regels (was artikel 3 van de Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening. 4.1.6Voorschriften en beperkingen (was artikel 4 van de Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen. 4.1.7Standplaatsvergunning voor de weekmarkt (was artikel 5 van de Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college. Een vaste standplaatsvergunning geldt voor 10 jaar voor de op de vergunning vermelde standplaats, tenzij de vergunning anders bepaalt. Het college kan in bijzondere gevallen een andere standplaats aanwijzen of een andere geldigheidstermijn bepalen. 4.1.8Waarnemen (was artikel 6 van de Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) Een vergunninghouder van een vaste plaats kan een vergunning aanvragen bij het college om zijn vaste plaats te laten waarnemen door een met name genoemde persoon. 4.1.9Overschrijving vaste standplaatsvergunning (was artikel 7 van de Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) In geval van overlijden, of blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder, of ingeval van bedrijfsbeëindiging kan de vaste standplaatsvergunning worden overgeschreven op de echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam samenwoonde voor de duur van de resterende looptijd van de vergunning. Indien de vergunning niet kan worden overgeschreven op grond van het eerste lid, kan een kind of een medewerk(st)er van de vergunninghouder de vergunning voor een vaste standplaats krijgen indien hij persoonlijk voldoet aan de vereisten in artikel 4.1.10 voor de duur van de resterende looptijd van de vergunning. Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee maanden na het overlijden van de vergunninghouder of nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld. Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van het bepaalde in dit artikel. 4.1.10Vereisten (was artikel 8 van de Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college. 4.1.11Intrekking vaste standplaatsvergunning (was artikel 9 van de Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in: op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder; bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 4.1.9 van het marktreglement van de gemeente de vergunning wordt overgeschreven. Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 4.1.10 genoemde vereisten. Indien degene op wie een vergunning ingevolge 4.2.1 van het marktreglement van de gemeente is overgeschreven, reeds vergunning heeft voor een andere marktplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken. 4.1.12Intrekking en schorsing vaste standsplaatsvergunning (was artikel 10 van de Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) Onverminderd het bepaalde in artikel 4.1.11 kan het college een vergunning voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of een persoon die hem waarneemt of bijstaat: het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf of de voorschriften van de vergunning overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. 4.1.13Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker (was artikel 11 van de Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats; niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. 4.1.14Onmiddellijke verwijdering (was artikel 12 van de Verordening op de weekmarkt voor de gemeente Zevenaar 2019) Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien hij: het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats. Hoofdstuk5.Bodem, milieu en natuur 5.1Overlast dieren 5.1.1Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren (was artikel 2.60 van de APV) Het college kan buiten een inrichting plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben; of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels; of aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of te voeren. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 5.1.2Verontreiniging door honden (was artikel 2:58 APV) De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op openbare plaatsen binnen de bebouwde kom; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op een andere door het college aangewezen plaats. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, onder a niet geldt. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 5.2Afvalstoffen 5.2.1Doelstelling (was artikel 2 Afvalstoffenverordening gemeente Zevenaar 2019) De toepassing van deze paragraaf is gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen. 5.2.2Dumpingsverbod (was artikel 14 Afvalstoffenverordening gemeente Zevenaar 2019) 1.Het is verboden zonder ontheffing van burgemeester en wethouders, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Omgevingswet. 3.Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. 5.2.3Zwerfafval in de openbare ruimte (was artikel 15 Afvalstoffenverordening gemeente Zevenaar 2019) 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen. 2.Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3.Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen. 5.2.4.Zwerfafval rondom inrichtingen (was artikel 16 Afvalstoffenverordening gemeente Zevenaar 2019) 1.
- Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2.Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting. 3.De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet. 5.2.5.Afval en verontreiniging op de weg (was artikel 17 Afvalstoffenverordening gemeente Zevenaar 2019) 1.Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 2.Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. 5.2.6.Geen opslag van afval in de open lucht (was artikel 18 Afvalstoffenverordening gemeente Zevenaar 2019) Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting op te slaan of opgeslagen te hebben, met uitzondering de door burgermeester en wethouders daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. 5.2.7.Ontdoen van autowrakken (was artikel 19 Afvalstoffenverordening gemeente Zevenaar 2019) 1.Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving. 5.3Bomen 5.3.1Waardevolle houtopstanden (was artikel 2 Bomenverordening Zevenaar 2019) 1.Het college stelt een lijst met de waardevolle houtopstanden vast (https://www.zevenaar.nl/waardevolle-en-monumentale-bomen) , waarvoor op basis van deze verordening een vergunning tot vellen aangevraagd moet worden. Bij de beoordeling van aanvragen voor vergunningen raadpleegt het college deze lijst. 2.Bij het opstellen van de lijst met de waardevolle houtopstanden spelen met name de volgende aspecten een rol: de natuurwaarde van de houtopstand; de landschappelijke waarde van de houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor de straat en het dorpsschoon; de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand; de beeldbepalende waarde van de houtopstand. 3.De lijst met de waardevolle houtopstanden (zie https://www.zevenaar.nl/waardevolle-en-monumentale-bomen) omvat in ieder geval een voor een ieder goed herkenbare omschrijving, de standplaats, adres en huisnummer, de eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en de reden van registratie van iedere houtopstand. 4.De lijst met de waardevolle houtopstanden wordt minimaal één keer vijf jaar geactualiseerd en door het college vastgesteld. Een ieder kan zijn of haar zienswijze naar voren brengen ten aanzien van de geactualiseerde ontwerplijst. 5.Het is verboden om een of meer voorwerpen in of aan de waardevolle houtopstanden aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens met toestemming van het college. 6.De gemeenteraad stelt een regeling vast voor het subsidiëren van kosten die noodzakelijk zijn voor het duurzaam instandhouden van de waardevolle/monumentale bomen en bijzondere houtopstand. 5.3.2.Verbod tot vellen (was artikel 3 Bomenverordening Zevenaar 2019) 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de als waardevolle houtopstanden aangemerkte houtopstanden te vellen of te doen vellen, alsmede handelingen, zowel het boven- als ondergronds te verrichten, die de dood of ernstige beschadiging van deze houtopstanden ten gevolge kunnen hebben. 2.Het verbod geldt niet voor waardevolle houtopstanden die moeten worden geveld op grond van de Plantenziektewet óf op grond van een aanschrijving op last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.3.
- en 4.3.7 óf indien sprake is van direct gevaar of vergelijkbaar spoedeisend belang. Het college kan in de laatstgenoemde situatie een herplantplicht opleggen. 5.3.3.Aanvraag vergunning (was artikel 4 Bomenverordening Zevenaar 2019) 1.De vergunning moet schriftelijk gemotiveerd met behulp van het door het bevoegd gezag vastgesteld formulier worden aangevraagd bij het college door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken. 2.De aanvraag kan mondeling worden ingediend indien er sprake is van een spoedeisend belang wegens calamiteiten of ernstige bedreiging van de houtopstand. 5.3.4.Criteria (was artikel 5 Bomenverordening Zevenaar 2019) Het college weigert de vergunning, tenzij: sprake is van een gevaarlijke situatie voor zaken of personen door instabiliteit van de houtopstand; het bevoegd gezag bij afweging van het belang bij het behoud van de houtopstand tegenover andere zwaarwegende belangen tot de conclusie komt dat een vergunning gerechtvaardigd is. 5.3.5.Beslistermijn (was artikel 6 Bomenverordening Zevenaar 2019) Artikel 16.64 van de Omgevingswet is van toepassing op een aanvraag om een vergunning. 5.3.6.Vergunningsvoorschriften (was artikel 7 Bomenverordening Zevenaar 2019) 1.Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant 2.In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 5.3.7.Herplant-/instandhoudingsplicht (was artikel 8 Bomenverordening Zevenaar 2019) 1.Indien de houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze verordening van toepassing is, zonder vergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijke gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten. 2.Aan de in het eerst lid bedoelde verplichting kan een termijn worden verbonden, waarbinnen overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herbeplant, alsmede een termijn waarbinnen en de wijze waarop na de herbeplanting niet-aangeslagen beplanting moet worden vervangen. 3.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze verordening van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is de verplichting opleggen om: overeenkomstig de door hem te geven aanwijzing binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen; een bomen effect analyse op te stellen en te overleggen aan het college. 4.Een beslissing als bedoeld in de vorige leden wordt schriftelijk ter kennis van betrokkene gebracht. 5.Degene aan wie een verplichting is opgelegd als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. 6.Een gedraging in strijd met een opgelegde verplichting als bedoeld in het eerste tot en met het derde lid van dit artikel is verboden. 5.3.8.Schorsende werking van het bezwaar (was artikel 9 Bomenverordening Zevenaar 2019) 1.Een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van deze verordening, schorst de werking van het besluit. 2.Deze schorsing eindigt twee weken na de onherroepelijke beslissing op het bezwaar of zoveel eerder als de voorzieningenrechter van de rechtbank uitspraak heeft gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening. 5.3.9.Vervaltermijn vergunning (was artikel 10 Bomenverordening Zevenaar 2019) De vergunning als bedoeld in artikel 5.3.2 van deze verordening vervalt, indien daarvan niet binnen één jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning volledig gebruik is gemaakt. 5.3.10Bestrijding iepziekte (was artikel 11 Bomenverordening Zevenaar 2019) 1.Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: de iepen te vellen; de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen; de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 2.Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 5.Een gedraging in strijd met een aanschrijving als bedoeld in het eerste lid is verboden. 5.3.11Schadevergoeding (was artikel 12 Bomenverordening Zevenaar 2019) Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding op grond van Hoofdstuk 15 van de Omgevingswet. 5.4Bodem 5.4.1Bodemonderzoek (was artikel 2.1.5 Bouwverordening Zevenaar 2019) 1.Om het bouwen van een bouwwerk op verontreinigde bodem tegen te gaan, dient men bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een onderzoek naar de bodemgesteldheid aan te leveren: Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016NL; Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015NL. 2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport betreffende verontreiniging van de bodem, gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een ‘bouw’vergunningvrij bouwwerk. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de regels voor vergunningvrij bouwen. 3.Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, zoals bedoeld in het vorige lid toe als voor toepassing van het verbod om te bouwen op de verontreinigde bodem bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als uit het in NEN 5725:2009 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+ A12006NL niet rechtvaardigen. 5.Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. 5.4.2Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem (was artikel 2.4.1 Bouwverordening Zevenaar 2019) Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd 5.4.3Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen (was artikel 2.4.2 Bouwverordening Zevenaar 2019) Het verbod uit artikel 5.4.2 is niet van toepassing als het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van het betrokken bouwwerk voorschriften en beperkingen verbindt waarmee naar hun oordeel uit het bodemonderzoeksrapport of uit het goedgekeurde bodemsaneringsplan, als bedoeld in paragraaf 5.2.2 Bal, blijkt dat daarmee de bodem geschikt kan worden gemaakt voor het bouwen van een bouwwerk. 5.4.4Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften (was artikel 10.6 Bouwverordening Zevenaar 2019) Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening – of in de bij deze verordening behorende bijlagen – wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. 5.4.5Verboden plaatsen asverstrooiing (was artikel 5:36 APV) 1.Incidentele asverstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 2.Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. 3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 5.4.6Hinder of overlast (was artikel 5:37 van de APV) Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. Hoofdstuk6Parkeren, stallen en opslag 6.1Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade 6.1.1Neerzetten van fietsen e.d. (was artikel 2.51 APV) 1.Het is verboden een fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuig te parkeren als daardoor: op de weg de doorgang wordt gehinderd of belemmerd; de veiligheid of de doorstroming van of het uitzicht voor het verkeer wordt belemmerd; schade ontstaat of voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of waarvoor de fiets, bromfiets of het gehandicaptenvoertuig staat geparkeerd, de doorgang of het uitzicht wordt belemmerd. 2.Het is verboden: een fiets of bromfiets te parkeren in door het college daarvoor aangewezen openbare plaats langer dan een door het college te bepalen periode; fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een kennelijke verwaarloosde toestand verkeren, op de openbare plaats te laten staan. 3.Het college kan in het belang van de veiligheid en ter voorkoming van hinder een gebied aanwijzen waarin fietsen of bromfietsen uitsluitend in een daarvoor bestemde voorziening mogen worden geparkeerd. 4.Het is verboden een fiets of een bromfiets in een gebied als bedoeld in het derde lid buiten een voor parkeren bestemde voorziening te plaatsen. 6.1.2Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke (was artikel 2.52 APV) Het is verboden zich op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of een bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. 6.1.3Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen (was artikel 4:18 APV) 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of middels een omgevingsvergunning mogelijk gemaakt is. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.1.7 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: natuur en landschap; een beschermd stadsgezicht. 6.1.4Aanwijzing kampeerplaatsen (was artikel 4:19 APV) 1.Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 6.1.3, eerste lid niet geldt. 2.Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 6.1.3, vierde lid. 6.1.5Voertuigen van autobedrijf en dergelijke (was artikel 5:2 APV) 1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod zoals bedoeld in lid
- 6.1.6Te koop aanbieden van voertuigen (was artikel 5.3 APV) 1.Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod zoals bedoeld in lid
- 6.1.7Defecte voertuigen (was artikel 5.4 APV) Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. 6.1.8Voertuigwrakken (was artikel 5.5 APV) 1.Het is verboden een voertuig dat rij technisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Besluit activiteit leefomgeving. 6.1.9Kampeermiddelen e.a. (was artikel 5.6 APV) 1.Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een weg binnen de bebouwde kom; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de provinciale Omgevingsverordening. 6.1.10Parkeren van reclamevoertuigen (was artikel 5.7 APV) 1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod zoals bedoeld in lid
- 6.1.11Grote voertuigen (was artikel 5.8 APV) 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter of een breedte van meer dan 2,05 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een breedte van meer dan 2,05 meter te parkeren op wegen of weggedeelten binnen de bebouwde kom, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3.Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 5.Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. 6.1.12Uitzichtbelemmerende voertuigen (was artikel 5.9 APV) 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. 6.1.13Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan (was artikel 5.10 APV) 1.Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2.Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam. 6.1.14Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen (was artikel 5.10a APV) 1.Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 6.1.15Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen (was artikel 5.11 APV) 1.Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of in een voor recreatief gebruik beschikbaar terrein, met uitzondering van de aldaar aangelegde wegen en fietspaden, of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2.Dit verbod is niet van toepassing op: de weg; voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 6.2Openbaar water en waterstaatwerken 6.2.1Voorwerpen op, in of boven openbaar water (was artikel 5:24 APV) 1.Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4.Het verbod is niet van toepassing op activiteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. 6.2.2Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen (was artikel 5:25 APV) 1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3.Het verbod is niet van toepassing op activiteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement. 4.Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. 6.3Parkeren: plaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en vergunningsbewijzen 6.3.1Parkeren: weggedeelten en tijdstippen (was artikel 2 Parkeerverordening Zevenaar 2017) 1.Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. Het college kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 6.3.2, derde lid. 2.Het college kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders is toegestaan. 6.3.2Parkeren: verlenen vergunningen (was artikel 3 Parkeerverordening Zevenaar 2017) 1.Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag: een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen; een ontheffing verlenen voor het parkeren op terreinen of weggedeelten die bestemd en ingericht zijn als parkeerschijfzone. 2.Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een vergunning. 3.Een vergunning kan worden verleend aan: een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn of waar een parkeerschijfzone geldt (categorie I); een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie II); een eigenaar of houder van een motorvoertuig die op de loonlijst staat bij een bedrijf of instelling gevestigd in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie III); een eigenaar of houder van een voertuig die vanwege het spoedeisende karakter snel en op korte afstand van de bestemming hulp moet kunnen bieden in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie IV). 4.Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de in het derde lid genoemde vereisten. 5.Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximum aantal uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied en per categorie vaststellen. 6.Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. 6.3.3Parkeren: beslistermijn (was artikel 4 Parkeerverordening Zevenaar 2017) 1.Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning. 2.Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld. 6.3.4Parkeren: geldigheid vergunningen en gegevens (was artikel 5 Parkeerverordening Zevenaar 2017) 1.Een vergunning wordt voor ten hoogste voor 1 kalenderjaar verleend.
- De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens: de periode waarvoor de vergunning geldt; het gebied waarvoor de vergunning geldt; de naam van de vergunninghouder, het adres waarvoor de vergunning is afgegeven en het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend. 6.3.5Parkeren: bezoekersvergunning (was artikel 6 Parkeerverordening Zevenaar 2017) 1.Ieder particulier huishouden, woonachtig op een adres binnen het in artikel 6.2.1 bedoelde vergunninghoudergebied, heeft recht op een bezoekersvergunning in digitale vorm of kraskaarten; 2.Het college kan nadere regels en voorwaarden stellen aan het gebruik van de in de lid 1 genoemde bezoekersvergunning of kraskaarten (waaronder locatie, tijdvenster, geldigheidsduur). 6.3.6Parkeren: intrekken of wijzigen vergunning (was artikel 7 Parkeerverordening Zevenaar 2017) 1.Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen: op verzoek van de vergunninghouder; wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de vergunning is verleend; wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning; wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen; wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan; wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; indien een vergunning ten onrechte is verstrekt; om redenen van openbaar belang. 6.4Verbodsbepalingen 6.4.1Parkeren: gebruik vergunning (was artikel 8 Parkeerverordening Zevenaar 2017) 1.Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden: zonder vergunning; zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de voor dat motorvoertuig afgegeven vergunning; in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; of zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart; 2.Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. 6.4.2Parkeren: gebruik parkeerapparatuur (was artikel 9 Parkeerverordening Zevenaar 2017) Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen. 6.4.3Parkeren: gebruik plaats (was artikel 10 Parkeerverordening Zevenaar 2017) 1.Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig, te plaatsen of te laten staan: op een parkeerapparatuurplaats; op een belanghebbendenplaats; op een parkeerplaats in een parkeerschijfzone 2.Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. Hoofdstuk7(Ondergrondse) infrastructuur en riolering 7.1Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats 7.1.1Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats (was artikel 2.10 APV) 1.Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college de openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: evenementen als bedoeld in onderdeel 17 van artikel 1.1.1; standplaatsen als bedoeld in artikel 4.1.1.f; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 4.Geen vergunning is vereist voor het tijdelijk plaatsen van onder andere bouwmaterialen zoals bouwketen, steigers, containers als ook aankondigingsborden, spandoeken en spanframes, mits: er geen gevaar voor de bruikbaarheid van de weg wordt veroorzaakt; het object geen overlast veroorzaakt voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak; bouwmaterialen alleen worden geplaatst op of nabij de locatie waar de werkzaamheden plaatsvinden; bouwmaterialen op de openbare weg dienen te voldoen aan de door het CROW uitgebrachte “Richtlijnen voor het markeren van onverlichte obstakels”; de objecten geen belemmering vormen voor beheer en onderhoud van de weg; de objecten niet in het centrum van Zevenaar, zoals beschreven staat in hoofdstuk 1.1.1, worden geplaatst; de van toepassing zijnde beleidsregels in acht wordt genomen; er 3 weken voorafgaand melding wordt gedaan aan het college en deze niet binnen 8 werkdagen na ontvangst van de melding heeft besloten het plaatsen van het object te verbieden. 5.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet of het Provinciaal omgevingsverordening: De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet; De weigeringsgrond van het tweede lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken; De weigeringsgrond van het tweede lid, onder c, geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving. 5.Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt. 7.1.2Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (was artikel 2.11 APV) 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3.Het verbod is voorts niet van toepassing op een beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. 7.1.3Maken of veranderen van een uitweg (was artikel 2.12 APV) 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de verdeling van de beschikbare parkeerruimte; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. het ter plaatse geldende omgevingsplan. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een beperkingengebiedenactiviteit met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale verordening of de waterschapsverordening. 7.1.4Voorzieningen voor verkeer en verlichting (was artikel 2:21 APV) 1.De rechthebbende op een bouwwerk c.q. perceel grond is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk c.q. perceel grond voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet. 7.2Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente 7.2.1Vergunningplicht handelsreclame (was artikel 4:16 APV) 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren die vanaf een openbare plaats zichtbaar is. 2.Het verbod geldt niet voor: opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer; één bord op het erf met een maximale afmeting van 0,5 m2, hoogte maximaal 1,2 m, breedte maximaal 1 m; één makelaarsbord van beperkte omvang (maximaal 2 m2) op het erf van een woning; één makelaarsbord op het erf van een (in aanbouw zijnde) gebouw, niet zijnde een woning, met een maximale afmeting van 10 m2; vergunningplichtige voorwerpen zoals bedoeld in artikel 7.1.
- gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits: van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het bevoegd gezag; het bevoegd gezag niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken; deze opschriften of aankondigingen niet langer dan dertig dagen op, aan of in de onroerende zaak aanwezig zijn. 4.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het opschrift, de aankondiging, voorwerp of afbeelding als bedoeld; in het tweede lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken; indien de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. 7.2.2Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. (was artikel 4:13 APV) 1.In het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, kan het college plaatsen aanwijzen die buiten een inrichting, in de openlucht of buiten de weg zijn gelegen, waar het verboden is de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als beschreven staat in hoofdstuk 1.1.1 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een door hem aangeduid voorwerp of stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3.Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 4.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Omgevingswet en de provinciale Omgevingsverordening. Hoofdstuk8.Bouwwerken en bouwkwaliteit 8.1Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen 8.1.1Vergunningsplicht nachtverblijf (was artikel 7.3.1 Bouwverordening Zevenaar 2019) 1.Er geldt een vergunningsplicht wanneer in een bouwwerk bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf verschaft wordt aan meer dan 4 personen. 8.1.2Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften (was artikel 10.6 Bouwverordening Zevenaar 2019) 1.Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening of in de bij deze verordening behorende bijlagen wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. 8.2Naamgeving en nummering 8.2.1Naamgeving woonplaatsen en openbare ruimte (was artikel 2 van Verordening naamgeving en nummering (adressen) gemeente Zevenaar 2018) 1.Het college stelt de grens en de naam van een of meer woonplaatsen vast en kunnen deze in wijken en buurten verdelen conform de eisen die het Centraal Bureau voor de Statistiek aan deze indeling verbindt. 2.Het college kent per woonplaats namen toe aan delen van de openbare ruimte en zo nodig aan gemeentelijke gebouwen en bouwwerken. 3.Onder vaststellen, verdelen en toekennen als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan. 8.2.2Nummering objecten (was artikel 3 van Verordening naamgeving en nummering (adressen) gemeente Zevenaar 2018) 1.Het college stelt de lig- en standplaatsen vast. 2.Het college kent de nummeraanduidingen toe aan verblijfsobjecten, lig- en standplaatsen. 3.Zij bepaalt de afbakening van panden, verblijfsobjecten, lig- en standplaatsen. 4.De toekenning of afbakening, bedoeld in het tweede en derde lid, kan ook op voor personen toegankelijke objecten, niet zijnde verblijfsobjecten, dan wel op afgebakende terreinen worden toegepast. 5.Onder vaststellen, toekennen en bepalen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan. 8.2.3Aanbrengen aanduiding (was artikel 4 van Verordening naamgeving en nummering (adressen) gemeente Zevenaar 2018) 1.De door het college aan de openbare ruimte of een gedeelte daarvan toegekende namen, bedoeld in artikel 8.2.1, worden door of in opdracht van de gemeente blijvend zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht. 2.De door het college aan een object toegekende nummers, bedoeld in artikel 8.2.2, tweede en vierde lid, worden daaraan op doeltreffende wijze aangebracht. 3.Het is eenieder die daartoe niet bevoegd is verboden namen aan de openbare ruimte of delen daarvan, dan wel nummers aan een pand of verblijfsobject of lig- of standplaats of afgebakend terrein toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen. 8.2.4Gedoogplicht naamaanduiding (was artikel 5 van Verordening naamgeving en nummering (adressen) gemeente Zevenaar 2018) 1.Als het college het nodig oordeelt dat de door hen toegekende aanduidingen, bedoeld in artikel 8.2.1, tweede lid, aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, draagt de rechthebbende er zorg voor dat de hier bedoelde aanduidingen vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van burgemeester en wethouders worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Als het college het nodig oordeelt een naamaanduiding, waarop de vervallen naam is doorgehaald, gedurende ten hoogste een jaar naast de naamaanduiding met de nieuwe naam te handhaven laat de rechthebbende dit toe. 3.De rechthebbende draagt er voor dat de in het eerste en tweede lid bedoelde aanduidingen vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar blijven. 8.2.5Aanbrengplicht nummeraanduiding (was artikel 6 van Verordening naamgeving en nummering (adressen) gemeente Zevenaar 2018) 1.Tenzij het college anders heeft besloten, draagt de rechthebbende van een object er zorg voor dat de nummers, bedoeld in artikel 8.2.2, tweede lid, worden aangebracht overeenkomstig het krachtens artikel 8.2.6 bepaalde. 2.De rechthebbende draagt er zorg voor dat de nummers binnen 4 weken na kennisgeving van het besluit van het college is aangebracht. 3.Als een verblijfsobject, lig- of standplaats of afgebakend terrein nog niet gereed is gekomen, wordt het nummer binnen 4 weken na het gereedkomen daarvan aangebracht. 4.Als het college het nodig oordeelt een nummeraanduiding, waarop het vervallen nummer is doorgehaald, gedurende ten hoogste een jaar naast de nummeraanduiding met het nieuwe nummer te handhaven laat de rechthebbende dit toe of geeft de rechthebbende daaraan uitvoering. 5.Het college kan de in het tweede en derde lid genoemde termijnen verlengen. 8.2.6Nadere regels (was artikel 7 van Verordening naamgeving en nummering (adressen) gemeente Zevenaar 2018) 1.Het college kan nadere regels stellen over het proces en de wijze van: naamgeving en begrenzing van woonplaatsen, wijken, buurten en bouwblokken; naamgeving en begrenzing van de openbare ruimte; nummering van verblijfsobjecten, lig- en standplaatsen [en afgebakende terreinen]; opmaak van formulieren, besluiten en verklaringen. 2.De nadere regels zijn niet strijdig met het Convenant inzake postcodes. 8.3Erfgoed 8.3.1Gemeentelijk erfgoedregister (was artikel 2 van de Erfgoedverordening Zevenaar 2018) 1.Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. 2.Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht; gegevens over door burgemeester en wethouders van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht. 8.4Erfgoedcommissie 8.4.1Taak Erfgoedcommissie (was artikel 3 van de Erfgoedverordening Zevenaar 2018) 1.De Erfgoedcommissie adviseert het college op basis van artikel 17.9 Omgevingswet en de Verordening op de Commissie Omgevingskwaliteit
- 2.De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 8.5Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 8.5.1Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling (was artikel 4 van de Erfgoedverordening Zevenaar 2018) 1.Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed. 2.Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling. 3.Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. 4.Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. 5.Dit artikel is niet van toepassing op: door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 6.Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. 8.5.2.Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling (was artikel 5 van de Erfgoedverordening Zevenaar 2018) 1.Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 8.5.
- eerste of tweede lid, wijzigen of intrekken. Artikel 8.5.1, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermverzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan. 2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 3.Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. 8.6Aanwijzing gemeentelijk monument 8.6.1De aanwijzing gemeentelijk monument (was artikel 6 van de Erfgoedverordening Zevenaar 2018) 1.Het college kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2.Dit artikel is niet van toepassing op: rijksmonumenten, en monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. 8.6.2Voornemen tot aanwijzing (was artikel 6 van de Erfgoedverordening Zevenaar 2018) 1.Een voornemen om toepassing te geven aan de aanwijzing in voorgaand artikel, wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar. 8.6.3Voorbescherming 1.De bescherming van paragraaf 7.8 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in deze paragraaf is bekendgemaakt. 2.De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister. 8.6.4Beslistermijn, bekendmaking en mededeling (artikel 9 van de Erfgoedverordening Zevenaar 2018) 1.Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 18 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. 3.De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 4.Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. 8.6.5Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument (nieuw artikel op basis van het VNG Model) 1.In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 8 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2.Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 18 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 8.6.1, eerste lid. 3.Paragraaf 8.8 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 8.6.
- is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. 8.6.6Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument (was artikel 11 van de Erfgoedverordening Zevenaar 2018) 1.Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register zijn de artikelen 8.6.1 e.v. van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. 8.7Bescherming gemeentelijke monumenten 8.7.1Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument (was artikel 13 van de Erfgoedverordening Zevenaar 2018) Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument en een beschermd gemeentelijk archeologisch monument te beschadigen, te vernielen of af te breken of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvoor noodzakelijk is. 8.7.2Omgevingsvergunning gemeentelijk monument (was artikel 14 van de Erfgoedverordening Zevenaar 2018) 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; doen van begravingen of asbijzettingen, of ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument.] 3.Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod in het eerste lid of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. 8.7.3Weigeringsgronden (was artikel 15 van de Erfgoedverordening Zevenaar 2018) 1.De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2.Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. 8.8Beschermde rijksmonumenten 8.8.1Vergunning voor beschermd rijksmonument 1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument voor advies aan de commissie als bedoeld in artikel 8.4, lid 1 (Erfgoedcommissie). 2.De Erfgoedcommissie adviseert over de aanvraag binnen acht weken na de dag van verzending van het afschrift. 3.Ingeval het bevoegd gezag na acht weken geen advies heeft ontvangen, wordt de Erfgoedcommissie geacht te hebben geadviseerd. 8.9De bescherming van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten 8.9.1De aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan een gebied aanwijzen als beschermd stads- of dorpsgezicht. 2.Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 3.Voordat de gemeenteraad over de aanwijzing een besluit neemt, verzoekt hij het college advies te vragen aan de Erfgoedcommissie. 4.De Erfgoedcommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na de dag van ontvangst van het verzoek van het college. In spoedeisende gevallen kan het advies achterwege blijven. 8.9.2Bekendmaking en mededeling Burgemeester en wethouders maken het besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing tot beschermd stads- en dorpsgezicht binnen 4 weken na de datum van het besluit bekend. Artikel 8.6.4, tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing. 8.9.3Registratie in het gemeentelijke erfgoedregister 1.Het college registreert het beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezicht in het gemeentelijke erfgoedregister. 2.De vermelding, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de op een kaart aangegeven gebiedsbegrenzing en de redengevende beschrijving van het gebied. 8.9.4Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 18, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 18, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 3.Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. 8.9.5Beschermend omgevingsplan 1.De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, een omgevingsplan vast zoals bedoeld in de Omgevingswet. 2.Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht bepaalt de gemeenteraad of en in hoeverre een geldend omgevingsplan als beschermend plan in de zin van het eerste lid kan worden aangemerkt. 3.Het college hoort de Erfgoedcommissie inzake een raadsvoorstel tot vaststelling van een omgevingsplan bedoeld in het eerste lid. 4.De Erfgoedcommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na de dag van ontvangst van het verzoek van het college. 8.9.6Verbodsbepaling 1.Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen. 2.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college of in strijd met de bij de vergunning gestelde voorwaarden een bouwwerk in een beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht: te verstoren, te plaatsen, op te richten, geheel of gedeeltelijk af te breken, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of aan onderhoud te onttrekken; een bouwwerk te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het stads-en dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht; onroerende zaken, geen bouwwerk zijnde, hieronder begrepen straten, wegen, pleinen, wateren en erfafscheidingen -niet zijnde een bouwwerk- te wijzigen. 3.In een gebied dat is aangewezen als een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht en waarvoor nog geen beschermend onherroepelijk is geworden, is het verboden bouwwerken en andere werken te plaatsen, op te richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen zonder vergunning van het college; 4.De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 5.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. 6.Op de behandeling van aanvragen om een vergunning zijn de artikelen 8.7.1 tot en met 8.7.6 van overeenkomstige toepassing. 8.10Schadevergoeding 8.10.1Schadevergoeding Zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van: de weigering een vergunning te verlenen tot wijziging, afbraak, verstoring, verwijderen van een gemeentelijk als bedoeld in artikel 8.7.1 en 8.8.1; de weigering een vergunning te verlenen tot wijziging, afbraak, verstoring, verwijdering van een onroerende zaak gelegen in een gebied dat is aangewezen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht; voorschriften verbonden aan een vergunning bedoeld onder a. en b. schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kent de gemeenteraad hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. 8.11Vangnet Archeologie 8.11.1Vangnet archeologie 1.Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij: voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend; het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2.Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek. Hoofdstuk9.Veiligheid 9.1Veiligheid op de weg en voorkomen van overlast, gevaar of schade 9.1.1Winkelwagentjes (was artikel 2.14 APV) 1.Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze: te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf, voor zover deze buiten een winkelwagenstalling staan. 2.Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3.Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet. 9.1.2Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (was artikel 2:15 APV) Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. 9.1.3Rookverbod in bossen en natuurterreinen (was artikel 2:18 APV) 1.Het is verboden te roken in bossen of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode. 2.Het is verboden in bossen of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3.Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. 9.1.4Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (was artikel 2:19 APV) 1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. 2.Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet
- 9.1.5Plakken en kladden (was artikel 2:42 APV) 1.Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 2.Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 3.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. 9.1.6Overlast skaten (was artikel 2:45b APV) 1.Onder skaten wordt in dit artikel verstaan: het zich voortbewegen op rolschaatsen, rollerskates, skates, skeelers, skateboarden en vergelijkbare voorwerpen. 2.Het college kan wegen of gebieden aanwijzen waar het is verboden om te skaten. 3.De in het vorige lid bedoelde wegen of gebieden kunnen worden aangewezen in het belang van: het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, waaronder mede begrepen de voorkoming van schade aan de weg en het straatmeubilair; de bescherming van verkeersdeelnemers en de verdeling van de gebruiksmogelijkheden van de weg; de voorkoming of opheffing van hinder of overlast. 9.2Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente 9.2.1Crossterreinen (was artikel 5:32 APV) 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren. 9.2.2Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen (was artikel 4:9 APV) Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. 9.2.3Aanwijzing gebieden voor bijzondere regels (was 4:9a APV) Het college kan gebieden aanwijzen waar zij bijzondere regels kan stellen in het kader van de bescherming van het milieu. 9.2.4Beperking verkeer in natuurgebieden (was 5:33 APV) 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2.Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden; de veiligheid van het publiek. 3.Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.Het verbod is voorts niet van toepassing: op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 9.2.5Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken (was 5:34 APV) 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en