Verordening jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2026De raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 30 september 2026; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; gezien het advies van Adviesraad Sociaal Domein Hendrik-Ido-Ambacht; overwegende dat: Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(
- s)en de jeugdige zelf ligt; ouders worden geacht de tot hun gezin behorende jeugdige(
- n)dagelijkse hulp, zorg en ondersteuning te bieden ook als er sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking; de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft gelegd; het op grond van de Jeugdwet noodzakelijk is hieromtrent regels vast te stellen: over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen; over de afbakening Jeugdwet in relatie tot andere wetgevende kaders; over de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet wordt vastgesteld; voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet; over de wijze waarop ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en hun ouder(s), worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet; ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij wordt rekening gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden; over de voorwaarden waaronder de persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk; besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2026. HOOFDSTUK1.ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder; budgethouder: persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet; budgetplan: plan waarin staat beschreven hoe het pgb wordt gebruikt om zorg of ondersteuning te regelen. Het plan geeft inzicht in welke zorg nodig is, wie daarvoor wordt ingeschakeld en hoeveel het gaat kosten; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht; draagkracht: de fysieke, psychische en sociale (niet de financiële) vermogens waarover een persoon of huishouden beschikt om dagelijkse zorgtaken en problemen zelfstandig of met hulp uit het eigen netwerk aan te kunnen. Dit omvat onder meer de gebruikelijke zorg die ouders of huisgenoten bieden aan minderjarige kinderen, ook in situaties waarin sprake is van ziekte, beperking of aandoening. draaglast: de totale hoeveelheid fysieke, psychische en sociale belasting die op een persoon of huishouden rust, inclusief het vermogen te voorzien in een inkomen, als gevolg van omstandigheden, gebeurtenissen of verantwoordelijkheden die aandacht, energie of aanpassing vragen. De draaglast omvat zowel structurele taken als plotselinge of ingrijpende gebeurtenissen die de beschikbare draagkracht op de proef stellen. hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouder(
- s)aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een (licht) verstandelijke beperking; individuele voorziening: niet vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid, waarvoor het college een beschikking afgeeft; iJw: door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties, overeenkomstig artikel 1, van de Regeling Jeugdwet; lokaal team: op gebiedsniveau georganiseerd, multidisciplinair team dat zorgdraagt voor de toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening. overige voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid, waarvoor het college geen beschikking afgeeft en die voorliggend is op individuele voorzieningen; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1, van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; sociaal netwerk: familieleden van de jeugdige of zijn ouders tot en met bloed- of aanverwantschap in de tweede graad; andere personen binnen de kring van vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s). wet: Jeugdwet. HOOFDSTUK2.VORMEN VAN JEUGDHULP Artikel2.Vormen van jeugdhulp 1.De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar: Jeugdhulp uitgevoerd door het lokaal team; 2.De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: Persoonlijke verzorging Dagbehandeling/dagbesteding Jeugdhulp ambulant Jeugd GGZ basis Jeugd GGZ specialistisch Jeugdzorg Plus Gezinshuis Pleegzorg Logeren Wonen met begeleiding Verblijf met behandeling Crisishulp Curatieve zorg door kinderarts Medicatieveiligheid Jeugdhulpvervoer Onderzoek en behandeling bij ernstige dyslexie 3.De in het vorige lid genoemde individuele voorzieningen zijn opgenomen in bijlage 1 (Dienstomschrijvingen Jeugdhulp ZHZ) bij deze verordening en zijn onderverdeeld in producten, waarbij per product in elk geval is opgenomen: doelgroepen; activiteiten (aanpak); Maximale doorlooptijd (duur); Maximale intensiteit (frequentie); kwaliteit (product specifieke eisen); beoogd resultaat (doel); vermelding productcode iJW. 4.De individuele voorzieningen hebben in beginsel een maximale duur en frequentie. Dit is opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening. HOOFDSTUK3.TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN Artikel3.Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerst lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(
- s)is verleend door een jeugdhulpaanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 3.De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de nadere regels en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Artikel4.Toegang jeugdhulp via de gemeente 1.Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college. 2.Het eerste contact over de hulpvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2, van de Algemene wet bestuursrecht. 3.Het college merkt een ondertekend verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 8 aan als een aanvraag als er, gelet op het tweede lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven. 4.Als een jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een budgetplan in als bedoeld in artikel 16. Een door de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend budgetplan wordt aangemerkt als aanvraag voor een pgb. 5.Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag. 6.Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking. 7.In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. HOOFDSTUK4.BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE Artikel5.Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1.Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger, waarbij de jeugdige ten minste één keer wordt gezien, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met het college kunnen de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen. 2.Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3.Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(
- s)het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(
- s)daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. 4.Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd. 5.Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder of een wettelijke vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger: wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(
- s)is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan; de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(
- s)of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens: welke problemen of stoornissen dat zijn; welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; of en in hoeverre de draagkracht en draaglast van de ouder(
- s)en van het sociale netwerk in evenwicht zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden, overeenkomstig artikel 10; voor zover de balans tussen de draagkracht en draaglast niet in evenwicht is, de mogelijkheden om met inzet van een andere voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp; voor zover de balans tussen de draagkracht en draaglast niet in evenwicht is en de mogelijkheid tot inzet van een andere voorziening ontoereikend is, de mogelijkheden om met inzet van een overige voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp; en voor zover de balans tussen de draagkracht en draaglast niet in evenwicht is, de mogelijkheid tot inzet van een andere voorziening en de mogelijkheid tot inzet van een overige voorziening ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met inzet van een individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp; hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s); indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. 6.Als de jeugdige of zijn ouder(
- s)een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. 7.Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger medegedeeld dat het gecontracteerde zorgaanbod het uitgangspunt is en welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze. Artikel6.Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming 1.Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2.Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. 3.Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt. Artikel7.Identificatie 1.Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht. 2.Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan: een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); een buitenlands paspoort; of een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). Artikel8.Verslag 1.Binnen tien werkdagen na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger worden door hen aan het verslag toegevoegd. 2.Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen. 3.Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend voor akkoord door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. 4.Als uit het verslag blijkt dat de gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met de eigen draagkracht, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend voor akkoord door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening. Artikel9.Criteria voor toekenning van een individuele voorziening 1.Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder slechts in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag: Binnen hun eigen draagkracht zoals bedoeld in artikel 10; Door gebruik te maken van een andere voorziening, of; Door gebruik te maken van een overige voorziening. 2.Het college verleent geen individuele voorziening als het hulpverleningstraject waarvoor de jeugdige en/of de ouders die voorziening vragen op het moment van aanvraag al is afgerond, tenzij sprake is van gewijzigde omstandigheden of een hernieuwde hulpvraag. 3.Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden. Normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en ouders’ van het Nederlands Jeugdinstituut’, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze verordening. 4.Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: daadwerkelijk beschikbaar is; en passend en toereikend is voor de hulpvraag. 5.Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. 6.Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er wordt waar beschikbaar gewerkt met een bewezen effectieve interventie. Indien er geen bewezen effectieve interventie is, moet de jeugdhulpaanbieder aantonen dat hij werkt met een practice based methodiek of een historisch en in de branche gangbare methodiek. In geen geval mag er gewerkt worden met een bewezen niet effectieve interventie. 7.Er is sprake van bewezen effectieve interventies als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(
- s)zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg); 8.In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(
- s)niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening. 9.Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin. Artikel10.Beoordeling draagkracht en draaglast 1.Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 5, blijkt dat de balans tussen de draagkracht en draaglast van de jeugdige of zijn ouder(
- s)in evenwicht is. 2.Als de balans tussen de draagkracht en draaglast van de jeugdige of zijn ouder(
- s)in evenwicht is, is het college van oordeel dat de eigen mogelijkheden toereikend zijn om, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s). 3.Tot de eigen mogelijkheden behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. 4.Bij de beoordeling van de balans tussen draagkracht en draaglast, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(
- s)zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de draagkracht van de ouder(
- s)tekortschiet, omdat sprake is van: geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 5.Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(
- s)hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(
- s)maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; de planbaarheid van de hulp; de benodigde ondersteuningsintensiteit; de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; en de noodzaak van de ouder(
- s)om in een inkomen te voorzien. Artikel11.Vervoer 1.Uitgangspunt is dat ouder(
- s)zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. 2.Het college verstrekt alleen een vervoersvoorziening aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3.Het college kent uitsluitend een vervoersvoorziening aan de jeugdige toe: als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een medische noodzaak bestaat of beperkingen in de zelfredzaamheid bestaan tot inzet van deze voorziening; en als de enkele reisafstand meer bedraagt dan 6 kilometer gerekend vanaf de gemeente waar betrokkene woonachtig is, tenzij de aard van de medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid het nemen van eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer onevenredig maken. Het college stelt de enkele reisafstand vast aan de hand van de kortste route volgens de ANWB-routeplanner tussen het ophaaladres van de jeugdige en de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 4.Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 10, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de balans tussen de draagkracht en draaglast van de jeugdige of zijn ouder(
- s)niet in evenwicht is en zij daardoor de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer niet op zich kan nemen. 5.Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. 6.De vervoersvoorziening betreft groepsvervoer per taxi bij een gecontracteerde vervoerder, tenzij groepsvervoer niet mogelijk is. In dat laatste geval zet het college individueel vervoer in per taxi bij een gecontracteerde vervoerder. 7.De looptijd van een beschikking tot verstrekking van een vervoersvoorziening kan afwijken van de looptijd van de beschikking voor de individuele jeugdhulpvoorziening zelf, als de noodzaak voor vervoer daartoe aanleiding geeft. 8. Het college kan nadere regels stellen. Artikel12.Dyslexie 1.De zorg voor kinderen die primair onderwijs volgen met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet. 2.Het college kent alleen een individuele voorziening ED toe als de ED-specialist van het Samenwerkingsverband Drechtsteden op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling versie 3.0 van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is. Artikel13.Vaktherapie 1.Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de wet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is. 2.De behandelaar van een jeugdhulpaanbieder of medewerker van het lokaal team die zelf of onder verantwoordelijkheid valt van iemand die beschikt over een registratie zoals bedoeld in artikel 6 lid 2, moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling. 3.Het maximum aantal uren behandeling dat vergoed wordt door de gemeente is 30 uren op jaarbasis. Als de ouder(
- s)aanvullend verzekerd zijn, dan moet het aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van de maximale inzet. Artikel14.Kinderopvang en buitenschoolse opvang 1.Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. 2.In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(
- s)kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet. Artikel15.Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening 1.In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt en wordt ook aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3.Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking ook in ieder geval vastgelegd: voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. HOOFDSTUK5.AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB Artikel16.Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb 1.Als een jeugdige of zijn ouder(
- s)in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een budgetplan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het budgetplan is opgenomen: de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(
- s)niet passend is en een pgb gewenst is; welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(
- s)willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd; de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(
- s)willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; en de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 17 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; 2.Het college verstrekt een pgb als: de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, niet passend achten; uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 17 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 19 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat. 3.Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag: fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; of op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder; 4.Het college weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is. Artikel17.Pgb-vaardigheid 1.Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners; in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 2.Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder; er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden: schuldenproblematiek; ernstige verslavingsproblematiek; aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; een aanmerkelijke verstandelijke beperking; een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; of het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag; Artikel18.Onderscheid pgb formele hulp en pgb sociaal netwerk 1.Van pgb formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen: personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 2.Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 3.Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van pgb sociaal netwerk omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk. 4.Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van pgb sociaal netwerk. Artikel19.Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb 1.Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp minimaal aan de kwaliteitseisen zoals gesteld in de overeenkomsten met gecontracteerde jeugdhulpaanbieders in de regio Zuid-Holland Zuid. Daarnaast gelden de volgende eisen: beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s); stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(
- s)gebruik van maken; respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(
- s)en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(
- s)voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college; werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 2.Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen: hetgeen is bepaald in artikel 17, eerste en tweede lid; handelt in overeenstemming met de professionele standaard; werkt op basis van een hulpverleningsplan; werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. 3.Er wordt geen pgb sociaal netwerk verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is. Artikel20.Hoogte pgb 1.De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp bedraagt 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. 2.De hoogte van het pgb sociaal netwerk bedraagt het wettelijke minimumloon. 3.De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij: de indexering wordt berekend uit de som van het geprognostiseerde percentage voor het komende jaar (t + 1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t – 1) geprognostiseerde percentage voor het lopende jaar (
- t)en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages zijn verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 80% op basis van het geprognostiseerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZA en voor 20% op basis van het geprognostiseerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA. 4.Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 5.Met inachtneming van voorgaande bepalingen stelt het college de pgb-tarieven vast in nadere regels. 6.Het college maakt minimaal eenmaal per jaar de tarieven bekend. Artikel21.Uitgesloten van pgb De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb: kosten voor bemiddeling; kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; kosten voor het voeren van een pgb-administratie; kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; kosten voor feestdagenuitkering en eenmalige uitkering; kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college; kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 11 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening; kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp); en kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag; HOOFDSTUK6.HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK Artikel22.Inlichtingen 1.Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb. Artikel23.Niet meewerken ouder(
- s)1.De jeugdige en zijn ouder(
- s)is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp. 2.Als de jeugdige of zijn ouder(
- s)naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. Artikel24.Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering 1.Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen. 2.Onverminderd artikel 8.1.4, van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat: de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige of zijn ouder(
- s)niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten; de jeugdige of zijn ouder(
- s)niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb; de jeugdige of zijn ouder(
- s)het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is; de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulpaanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 16, derde lid; of de jeugdige met het pgb jeugdhulp langer dan twaalf weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4.Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder. 5.Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het tweede lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb. 6.Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. 7.Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken. Artikel25.Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s 1.Het college kan een toezichthouder aanwijzen die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 2.Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen. 3.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel26.Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik 1.Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 2.Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract. HOOFDSTUK7.AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN Artikel27.Voorliggende voorzieningen 1.Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er: met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet; naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe. 2.Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen. 3.De jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld. Artikel28.Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 1.Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: de Leerplichtwet; de Participatiewet; de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; de Wet Inburgering 2021; de Wet kinderopvang; de Wet langdurige zorg; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Wet passend onderwijs; de Wet publieke gezondheid; de Wet tijdelijk huisverbod; de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en de Zorgverzekeringswet, zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(
- s)actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(
- en)of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. 2.De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 3.Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder; de balans tussen de draagkracht en draaglast van een jeugdige of ouder(
- s)zoals bedoeld in artikel 10 en de mogelijkheden van het sociaal netwerk; welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 4.Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren. 5.Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om: voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is; 6.Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet. 7.Conform de overeenkomsten met gecontracteerde jeugdhulpaanbieders in de regio stelt een jeugdhulpaanbieder voor jeugdigen die jeugdhulp krijgen een perspectiefplan op bij het bereiken van het 16e levensjaar. Wanneer een jeugdige bij aanmelding de leeftijd van 16 jaar reeds heeft bereikt, wordt dit plan opgesteld bij de start van de zorg. In het perspectiefplan staat: welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf de 18e verjaardag; en hoe en vanuit welke wet (Wmo, Wlz, zorgverzekeringswet of verlengde Jeugdwet) de hulp de 18e verjaardag wordt ingezet. 8.De jeugdhulpaanbieder betrekt de jeugdige, de ouder(
- s)en het college bij het opstellen van het perspectiefplan. HOOFDSTUK8.WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT Artikel29.Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 1.Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen: cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; overheadkosten; kosten voor indexering; en de voor de sector toepasselijke CAO-schalen; 2.Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid. 3.Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten. HOOFDSTUK9.KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP Artikel30.Klachtregeling Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen, ouders en hun wettelijk vertegenwoordigers die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening. Artikel31.Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de, krachtens artikel 150 van de Gemeentewet, gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het college stelt jeugdigen en hun ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. HOOFDSTUK10.SLOTBEPALINGEN Artikel32.Evaluatie en monitoring 1.Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens één jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. 2.Ten behoeve van de evaluatie verzamelt het college systematisch informatie bij relevante betrokkenen over de uitvoering en het proces over: het aantal jeugdigen met jeugdhulp (totaal en per type jeugdhulp); de kosten van jeugdhulp (totaal, gemiddeld per cliënt, gemiddeld per type jeugdhulp); het aantal verwijzingen (per type verwijzer); de verhouding tussen Zorg in natura en pgb; cliënttevredenheid. Artikel33.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(
- s)afwijken van de bepalingen in deze verordening, wanneer toepassing van deze verordening of van de hieruit voortvloeiende nadere regels leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel34.Overgangsrecht, intrekking oude verordening 1.Een jeugdige of zijn ouder(
- s)houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2022, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening. 2.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2022 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 3Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van Verordening Jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2022 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(
- s)van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige Verordening jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2026 leidt tot een gunstiger uitkomst. 4.Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van Verordening Jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2022 te herzien: op de gronden, vermeld in Verordening Jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2022; indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen; indien de cliënt wenst te veranderen van jeugdhulpaanbieder of van verstrekkingsvorm. 5.Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder Verordening Jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2022, terug te vorderen op de in deze verordening[en] genoemde gronden. 6.De Verordening Jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2022 wordt ingetrokken. Artikel35.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2026. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 1 december 2025.De voorzitter, De griffier,Bijlage1:Dienstomschrijvingen Jeugdhulp ZHZ versie per 1 januari 2026 Dienstomschrijvingen Jeugdhulp ZHZ Inleiding Voor u ligt het document ‘Dienstomschrijvingen Jeugdhulp Zuid-Holland Zuid'. Vanaf 1 januari 2022 zijn de hierin opgenomen diensten van toepassing binnen de regio Zuid-Holland Zuid. Dit document dient als een overzicht van alle jeugdhulpdiensten waarop binnen deze regio gedeclareerd kan worden. In de inleiding en hoofdstuk 1 worden relevante begrippen nader toegelicht en gedefinieerd. Vanaf hoofdstuk 2 vindt u de gedetailleerde omschrijvingen van de producten. De rode draad In 2018 heeft de regio Zuid-Holland Zuid het beleidsplan Meerjarenperspectief vastgesteld. In aanloop naar de nieuwe inkoopperiode zijn bestuurlijke uitgangspunten geformuleerd en vastgesteld die het kader vormen voor de contractering van jeugdhulp. Deze uitgangspunten zijn in dialoog met cliëntvertegenwoordigers, jeugdhulpaanbieders en gemeenten verder geconcretiseerd en vertaald naar onder andere doelen, inspanningsverplichtingen, resultaatverplichtingen, KPI's en de dienstomschrijvingen in dit document. Deze gezamenlijke ontwikkeling heeft geleid tot de volgende zes kernwaarden die richtinggevend zijn voor de jeugdhulp in de regio: Jeugdhulp wordt geboden in de leefomgeving; jeugdigen groeien thuis op. Jeugdhulpaanbieders (professionals) bieden dienstbaar vakmanschap. Iedere jeugdige volgt onderwijs. Jeugdhulp zorgt voor toegenomen zelfredzaamheid en duurzaam herstel van de jeugdige en het gezin. Jeugdhulp versterkt het netwerk van de jeugdige en het gezin. Doelmatige inzet van (schaarse) middelen. Verhouding deelovereenkomsten en dienstomschrijvingen Diensten kunnen uitsluitend worden gedeclareerd wanneer de jeugdhulpaanbieder hiervoor een Bijzondere Deel Overeenkomst (hierna: BDO) met SOJ ZHZ heeft gesloten. Sommige diensten kunnen vanuit meerdere BDO's worden aangeboden/geleverd. In onderstaande tabel is aangegeven voor welke diensten dit van toepassing is: Naam Segment 1: Hoog specialistisch Segment 2: Wonen Segment 3a: Dagbesteding & dagbehandeling Segment 4: Specialistisch veelvoorkomend Persoonlijke verzorging X Ervaringsdeskundige X X X X Begeleiding basis X Begeleiding regulier X Begeleiding specialistisch X Behandeling VG X Behandeling J&O X Dienstverlening consult en advies X X X X Vaktherapie X GGZ regulier/ generalistisch (basis GGZ) X GGZ specialistisch X Curatieve zorg door kinderartsen X Medicatieveiligheid X Forensische GGZ X Basis diagnostiek X Specialistische diagnostiek X Dagbesteding regulier X Dagbesteding intensief X Naschoolse dagbesteding X Dagbehandeling regulier X Dagbehandeling intensief X Dagbehandeling specialistisch (GGZ) X Pleegzorg Intensief X Pleegzorg regulier (voltijd) X Pleegzorg regulier (deeltijd) X Gezinshuis (regulier) X Gezinshuis (intensief) X Gezinsbehandeling X Logeren (regulier) X Logeren (intensief) X Logeren (extra-intensief) X Wonen met begeleiding - licht X Wonen met begeleiding - regulier X Wonen met begeleiding intensief X Verblijf met behandeling X Verblijf met behandeling – 3 milieu X Toeslag crisis ambulant X Toeslag crisis bij pleegzorg X ED Diagnostiek en behandeling * Verblijf met behandeling - intensief X HIC - GGZ X GGZ Specialistisch Midden X GGZ Hoogspecialistisch X Toeslag crisis bij Wonen (diverse intensiteiten) X Toeslag crisis bij Verblijf met behandeling X Voorbeeld Het product 'ervaringsdeskundige' is in alle Bijzondere Delen Overeenkomsten toegankelijk. Ieder hoofdstuk start met een overzicht van alle diensten, met hierbij opgenomen of deze specifiek zijn toegekend aan een bepaalde Bijzondere Delen Overeenkomst. Als hier geen opmerkingen over opgenomen zijn, is de dienst toegekend aan alle Bijzondere Delen Overeenkomsten. Voorwaarde voor declaratie is en blijft natuurlijk dat u voor de betreffende dienst gecontracteerd bent en voldoet aan de kwaliteitscriteria en specifieke eisen die per dienst zijn beschreven. Voorbeeld De diensten voor dagbesteding en dagbehandeling kunnen uitsluitend verleend worden door jeugdhulpaanbieders die de Bijzondere Delen Overeenkomsten voor dagbesteding en dagbehandeling hebben ondertekend. Voor andere diensten geldt dat het tekenen van het Algemene Deel en een van de Bijzondere Delen Overeenkomsten het mogelijk maakt het product te declareren, mits aan de kwaliteitscriteria van het product wordt voldaan. Hoofdstuk 1: Toelichting op begrippen en processen In deze dienstomschrijvingen jeugdhulp 2026 worden de begrippen aangehouden zoals die zijn opgenomen in de Jeugdwet en de Verordening Jeugd van de gemeenten. In bijlage 5 van deze overeenkomst worden, daar waar noodzakelijk, nog een aantal begrippen nader toegelicht. Waar in dit hoofdstuk dat aan de orde is, wordt met een sterretje (*) verwezen naar deze bijlage. Hieronder geven we een nadere duiding van een aantal begrippen en processen die van invloed zijn op de uitvoering van de jeugdhulp. Jeugdige, gezin en netwerk De jeugdhulpaanbieder ondersteunt de jeugdige én hun sociale omgeving. Dat betekent dat ondersteuning en advies aan gezins- en familieleden, school, vereniging, kerk, enzovoorts onderdeel uitmaken van de jeugdhulp wanneer dat leidt tot een grotere inzet van het sociale netwerk, meer zelfredzaamheid en participatie van de jeugdige en bijdraagt aan de voor de jeugdige en het gezin opgestelde doelen. De hulp wordt geboden op de locatie die het meest passend en effectief is om de gestelde doelen te bereiken. Uitgangspunt is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor degenen die het echt nodig hebben en dat de jeugdhulp betaalbaar moet blijven. De jeugdhulp wordt immers gefinancierd met gemeenschapsgeld. De wijze waarop de jeugdhulp wordt uitgevoerd draagt bij aan het onderhouden, activeren en/of opbouwen van een steunend netwerk voor de jeugdige en het gezin. De jeugdhulpaanbieder zet actief netwerkversterkende strategieën in. Het werken vanuit sociale netwerkstrategieën is een basishouding van waaruit de professional denkt en handelt. Zijn rol is die van een facilitator; hij maakt mogelijk dat iedereen die aanklopt in zijn eigen kracht blijft en gebruik maakt van de krachten in zijn eigen omgeving. De jeugdige houdt de regie over zijn eigen leven. Het verdient aanbeveling om naast deze basishouding ook hiervoor specifiek ontwikkelde werkwijzen consequent toe te passen. (Zoals de Jim aanpak en Eigen Kracht conferenties). Analyse van de problematiek van de jeugdige en/of het gezin Voordat overgegaan kan worden tot het inzetten van hulp aan de jeugdige en/of het gezin is het noodzakelijk dat er een gedegen analyse plaatsvindt van de problematiek van de jeugdige en/of het gezin. Daarvoor zijn verschillende methoden mogelijk. Te denken valt bijvoorbeeld aan een probleemanalyse*, risico-taxatie*, DSM* en/of de verklarende analyse*. Vanaf 2024 wordt er met name ingezet op het gebruik van de verklarende analyse waar in een gezamenlijk proces met de jeugdige, de ouders en de jeugdhulpverlener wordt toegewerkt om de problemen te begrijpen. De focus hierbij ligt op het achterhalen waardoor de hulpvragen zijn ontstaan en waardoor ze blijven voortbestaan. Daarbij wordt gekeken naar de verschillende factoren die een rol spelen, zoals kindfactoren, gezinsfactoren, omgevingsfactoren en interacties tussen betrokkenen. Het moet helpen om patronen te herkennen in de problemen en de interacties binnen het gezin en de omgeving. Doel van de verklarende analyse is dat er inzicht ontstaat in de problematiek en er betere beslissingen kunnen worden genomen welke hulp passend en noodzakelijk is. In de komende jaren zal tot verdere implementatie van deze methode gekomen moeten worden. Aanmelding en intake Aanmelding en intake zijn activiteiten die plaatsvinden aan het begin van het traject bij de desbetreffende aanbieder. Hoewel de intake kenmerken van een analyse kan bevatten, mag deze niet worden gedeclareerd onder het product diagnostiek als er geen diagnostiek of behandeling op volgt. De intake wordt beschouwd als start van de hulpverlening en is declarabel zodra de jeugdige daadwerkelijk jeugdhulp gaat ontvangt. Indien u na een intake tot de conclusie komt dat u geen passende hulp kunt bieden voor de gestelde hulpvraag, neemt u direct contact op met de verwijzer. Dit helpt om mismatches in het vervolg te voorkomen. Werkwijze jeugdhulpverleners (aanvullend op de gestelde personele eisen) Norm verantwoorde werktoedeling en inzet via de verlengde arm Volgens de Jeugdwet dienen de toegang, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen in beginsel te werken met geregistreerde professionals. Dit betreft professionals die zijn opgenomen in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of die als artikel 3-beroep zijn geregistreerd in het BIG-register. De norm verantwoorde werktoedeling is opgenomen in het Besluit Jeugdwet en verplicht jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen om zorgvuldig taken toe te delen aan professionals. Deze norm bestaat uit drie onderdelen: Geregistreerde professionals voeren de taken uit De taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional. Er wordt gewerkt met professionals die zijn geregistreerd in het BIG-register en/of Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), op HBO- of WO-niveau. Toedeling taken op basis van kennis en vaardigheden De jeugdhulpaanbieder deelt de taken toe met inachtneming van de specifieke kennis en vaardigheden van de geregistreerde professionals. Werken volgens professionele standaarden Jeugdhulpaanbieders dragen er zorg voor dat de geregistreerde professionals werken volgens de voor hen geldende professionele standaarden, zoals de beroepscode en vakinhoudelijke richtlijnen. Daarnaast moet de werkwijze voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en aan de beroepscode. Hierin is vastgesteld welke niet SKJ-geregistreerde professional mag werken onder de eindverantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerde professional. Dit wordt de verlengde arm-constructie genoemd. Gedeelde besluitvorming/shared decision making Het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) stelt dat minderjarigen, ongeacht hun leeftijd, recht hebben om hun mening te geven. Bij beslissingen die in het leven van jeugdigen genomen worden, dus ook over passende hulp, moet een passend gewicht aan hun mening gehecht worden (artikel 12 IVRK). Daarnaast is wettelijk vastgelegd dat ouders verplicht zijn om de ontwikkeling en het welzijn van hun kind te bevorderen (Burgerlijk wetboek 1, art 247). Daarmee ligt de verantwoordelijkheid om hulp in te schakelen bij ouders wanneer jeugdigen zich onvoldoende ontwikkelen. Zowel de literatuur over jeugdhulp en jeugdbescherming als de medische literatuur laat zien dat participatie van ouders en jeugdigen in het besluitvormings- en het behandelproces een positief effect heeft op de uitkomsten van de behandeling of zorg. In de medische wereld is shared decision making’ ontwikkeld. Dit is een methode waarbij zorgprofessionals samen met jeugdigen beslissingen nemen over de behandeling. Shared decision making is gebaseerd op ‘evidence based practice, wat inhoudt dat beslissingen gebaseerd zijn op de hoogst haalbare evidentie. Uitgangspunt van jeugdhulp is dan ook dat in dialoog tussen de professional, het gezin en de jeugdige een gezamenlijk beeld ontwikkeld wordt over de problematiek en de meest passende aanpak. Werkwijzen binnen de jeugdzorg Evidence-based practice en practice based werken Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid wordt beoordeeld door vast te stellen of de individuele voorziening bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. Ook wordt er door jeugdhulpaanbieders gewerkt met bewezen effectieve interventies, oftewel evidence based-practice*. Wanneer er geen bewezen effectieve interventie is, moet de jeugdhulpaanbieder aantonen dat hij werkt met een practice based* methodiek. In geen geval mag er gewerkt worden met een bewezen niet effectieve interventie. In de gemeentelijke verordening is aanvullende informatie over de verschillende methodieken terug te lezen. U bent verplicht hier kennis van te nemen. Methodisch werken Alle jeugdhulp kenmerkt zich door een methodische aanpak. Dat betekent dat er stelselmatig, geordend en voor de jeugdige navolgbaar wordt gewerkt, met een concreet resultaat voor ogen. Methodisch werken bevat een aantal stappen: verzamelen van informatie vaststellen van behoeften en problemen, formuleren van doelen vaststellen van en plannen van passende activiteiten uitvoeren van de activiteiten volgens planning, evalueren van de voortgang bijstellen van de zorg en ondersteuning indien nodig Deze werkwijze is cyclisch, dat wil zeggen dat op basis van evaluatie doelen en aanpak kunnen worden aangepast, waarna de stappen opnieuw worden doorlopen. De stappen worden vastgelegd in het hulpverleningsplan van de jeugdige en/of het gezin. Als je als hulpverlener gestructureerd en planmatig werkt, weten jeugdigen en opvoeders beter wat er gaat gebeuren. Dit vergroot hun betrokkenheid en actieve inzet. Het resultaat is doelgerichte hulp die op koers blijft en daadwerkelijk bijdraagt aan verbeteringen in het leven van jeugdigen en gezinnen (T. van Yperen) Multidisciplinair team en multidisciplinaire samenwerking In de dienstenomschrijving maken we onderscheid tussen een multidisciplinair team en multidisciplinaire samenwerking. Dit onderscheid helpt bij het inzetten van de juiste diensten. Het hier gedefinieerde onderscheid is geen allesomvattende definitie van multidisciplinair werken. Vanuit de werkwijze 1 Gezin, 1 Plan, 1 Regisseur is er altijd sprake van multidisciplinaire samenwerking als meerdere partijen of organisaties (binnen of buiten de jeugdhulp) actief zijn in een gezin. De professional brengt zijn specifieke kennis en expertise in binnen dit netwerk en stemt werkzaamheden en doelrealisatie af met andere betrokkenen. In de dienstenomschrijving noemen we deze vorm van samenwerking een multidisciplinair netwerk. Er is sprake van een multidisciplinair team wanneer verschillende noodzakelijke disciplines geborgd zijn binnen de organisatie en de verantwoordelijkheid voor de uitvoerings- en behandelregie binnen dit team is belegd. Een multidisciplinair team is samengesteld uit verschillende noodzakelijke complementaire disciplines en bestaat tenminste uit: Uitvoerend ambulante behandelaren/gezinswerkers die actief betrokken zijn bij de uitvoering van het behandelplan; Ambulant begeleiders; Indien van toepassing: groepswerkers van de dag- en/of verblijfsvoorziening; Een regiebehandelaar (zie beschrijving onder regie); Aanvullende inhoudelijke specialistische deskundigheid in relatie tot de gestelde hulpvraag wordt zo nodig toegevoegd aan het team. De kracht van een multidisciplinair team ligt in de structurele en georganiseerde uitwisseling tussen disciplines én tussen persoonlijk professionele inzichten van de bovengenoemde disciplines (minimaal 4 personen). Indien nodig participeert het multidisciplinaire team in breder een multidisciplinair netwerk rondom het gezin. Een multidisciplinair team kan worden gevormd wanneer: Eén jeugdhulpaanbieder het team volledig binnen de eigen organisatie samenstelt, of Meerdere (gecontracteerde) jeugdhulpaanbieders gezamenlijk een team vormen, waarbij afspraken over beschikbaarheid, rolverdeling, inzet en afrekening formeel zijn vastgesteld Let op: Wanneer in de dienstomschrijving expliciet wordt geëist dat een multidisciplinair team wordt ingezet, is de bekostiging van dit team inbegrepen in het tarief. De inzet van het multidisciplinair team kan in dat geval niet separaat worden gedeclareerd. Direct cliëntgebonden tijd, indirect cliëntgebondentijd en niet-cliëntgebonden tijd, De volgende definities, zoals uitgewerkt door de VNG, worden gehanteerd voor de begrippen: direct cliëntgebonden, indirect cliëntgebondentijd en niet-cliëntgebondentijd: Direct cliëntgebonden tijd De tijd waarbij de jeugdaanbieder direct contact heeft met de jeugdige en/of gezin ten behoeve van de begeleiding/behandeling. Dit kan zowel face-to-face als telefonisch of elektronisch zijn. De direct cliëntgebonden tijd is gericht op de behandeling/begeleiding van de jeugdige en levert handvatten voor omgeving om de effecten van de behandeling/begeleiding te versterken. Een onderdeel van direct cliëntgebonden tijd is de groepscontacttijd per cliënt. Deze wordt als volgt berekend: De totale tijd van aanwezige hulpverlener bij een groepsbehandeling /begeleiding groep, gedeeld door het aantal aanwezige cliënten in behandeling / begeleiding. Voorbeeld Bij groepstherapie van 1 uur door verpleegkundige en psycholoog (2 * 60 minuten = 120 minuten), delen door 10 aanwezige cliënten betekent 12 minuten facturatie per jeugdige; 6 minuten te facturen op functiecode verpleegkundige en 6 minuten op functiecode van de psycholoog. Indirect cliëntgebonden tijd De tijd die de jeugdhulpaanbieder besteedt aan zaken rondom een contactmoment (de direct cliëntgebonden tijd), maar waarbij de jeugdige en/of gezin zelf niet aanwezig is zoals: administratie, verslaglegging, rapportage overleg over de cliënt (dus ook de tijd die anderen dan de directe behandelaar hieraan besteden) analysetijd (bijvoorbeeld ten behoeve van diagnostiek) reistijd (van en naar de cliënt(en)) voorbereiding coördinatie met andere hulpverleners in het gezin (wanneer nodig) Niet-cliëntgebonden tijd De tijd van een professional die niet direct of indirect gerelateerd is aan contactmomenten met de jeugdig zoals instellingsoverleg beleidsmatig overleg, ziekte, vakantie, verlof, opleiding, reflectie/intervisie en pauzes. Niet-cliëntgebonden tijd is niet declarabel. Normenkader In lijn met de ontwikkelingen in de regio en met de pilot 'Begeleiding' is per product een normenkader opgesteld. De exacte definities zijn opgenomen in de definitielijst in bijlage 5. Dit normenkader heeft als doel een impuls te geven aan de doelmatigheid van de geleverde hulp en bij te dragen aan kernwaarde 4: Jeugdhulp zorgt voor toegenomen zelfredzaamheid en duurzaam herstel van de jeugdige en het gezin (zie bijlage 1 ´Kernwaarden Jeugdhulp 2022´ en verder). Een belangrijk aandachtspunt is dat het normenkader niet te rigide mag worden toegepast. Een te strikte toepassing kan maatwerk in de hulpverlening belemmeren, wat haaks staat op het beoogde doel, namelijk een impuls voor doelmatigheid. Indien noodzakelijk mag er van het normenkader worden afgeweken binnen de vastgestelde bandbreedte zoals omschreven in definitielijst. De bevoegdheid om hierover te beslissen ligt bij het lokale team of de betrokken GI. Afwijking van het normenkader wordt met name overwogen in de volgende situaties: Dreigende uithuisplaatsing; Dreigende schooluitval; Bij een levenslange en levensbrede noodzaak tot ondersteuning en hulp; Een rechterlijke uitspraak die afwijking vereist. Het besluit tot afwijking wordt genomen vóór de start van de zorg. Indien gedurende de looptijd van de toewijzing door gewijzigde omstandigheden een aanpassing noodzakelijk is, dient de jeugdhulpaanbieder tijdig contact op te nemen met het lokaal team of de GI. Een afwijking van het normenkader zonder (tijdige) toestemming van het lokale team of de GI zal er toe leiden dat de dienstverlening die buiten het normenkader valt niet vergoed wordt. Jeugdhulpverleningsplannen Het is belangrijk dat achter de in te zetten jeugdhulp een plan ligt waarin de verschillende aspecten van de jeugdhulp zelf maar ook doelen en te behalen resultaten beschreven staan. Het zorgen dat de gestelde doelen worden behaald is vanzelfsprekend. Door de plannen samen met de jeugdigen, ouders en het eventuele netwerk op te stellen ontstaat er een basis van waaruit gewerkt kan worden. Er zijn verschillende soorten van plannen die afhankelijk van de situatie van de jeugdige en/of het gezin worden opgesteld. Zo is daar het familiegroepsplan* waar gemeenten hun inwoners op wijzen dat bij de vraag om jeugdhulp op te stellen. Wanneer de jeugdhulp start is het verplicht een perspectiefplan* op te stellen dat voor jeugdigen van 16 jaar en ouder*l nog eens speciaal noodzakelijk om hun toekomstperspectief na hun 18de verjaardag te schetsen en tussen hun 16de en 18de jaar ook nog eens bij te stellen. Daar het volgen van onderwijs belangrijk en noodzakelijk is voor de toekomst van de jeugdigen wordt het opstellen van het ontwikkelingsperspectief (OPP)* binnen de jeugdhulp is samenwerking met het onderwijs steeds belangrijker. Het opstellen van een OPP is de verantwoordelijkheid van school (vanuit de Wet Passend Onderwijs). Bij verzoek om inzet jeugdhulp in school moet er een OPP zijn (opgesteld door school) waaruit blijkt dat er extra ondersteuning vanuit onderwijs en jeugdhulp nodig is. Het OPP is een werkdocument en omvat naast het ontwikkelingsdeel (denk aan belemmerende en stimulerende factoren) een planningsdeel (uitstroom, doelen en beredeneerd aanbod) en een evaluatiedeel. Zo moet duidelijk worden wat de school inzet om doelen met de leerling te bereiken. Het OPP dient in gezamenlijkheid met ouders te worden opgesteld. Ouders moeten instemming verlenen op het handelingsdeel (de individuele ondersteuning die de leerling krijgt). School is dit verplicht vanuit de Wet Passend Onderwijs. Nazorg of gewoon jeugdhulp Om overgangen tussen verschillende typen jeugdhulp te verbeteren en multidisciplinair samenwerken te bevorderen, wordt een overdrachts- of afbouwperiode ingezet. Met andere woorden: de jeugdhulpaanbieder is klaar als de ander verder kan. Dit kunnen ouders of de jeugdige zelf zijn, maar ook leerkrachten, woonvoorzieningen, dagbehandelingen, beschermd wonen, en andere betrokken partijen. Uitgangspunt is dat jeugdhulp alleen tijdelijk en voor een korte periode wordt ingezet, en alleen indien nodig. Bij diensten met een verblijfscomponent (eenheid = etmaal) en de diensten met een dagdeelcomponent (eenheid = dagdeel) is in de productomschrijving een ambulant natraject opgenomen. Dit betekent dat een aantal uren voor deze overgangsfase is verdisconteerd in het tarief van het betreffende product. Wanneer niet tijdig gestart wordt met het voorbereiden van en toewerken naar deze overgangsfase, loopt de jeugdhulpaanbieder het risico dat het verwachte aantal uren uit de omschrijving onvoldoende toereikend is. Dit ontslaat de aanbieder echter niet van de verantwoordelijkheid de bijbehorende activiteiten en acties uit te voeren. Voor diensten waarbij geen natraject is opgenomen, dienen deze activiteiten worden uitgevoerd binnen het gestelde normenkader (maximale uren/ intensiteit en maximale duur). Het is van belang om tijdig te starten met de jeugdige en/of het gezin en met de transfer van het geleerde naar mede-opvoeders of beroepsopvoeders die na afloop van de interventie betrokken zijn. Met de term “transfer” wordt bedoeld dat jeugdigen de gelegenheid krijgen om het geleerde onder begeleiding toe te passen in de thuissituatie. Regie De regie op de uitvoering van het opgestelde plan ligt primair bij ouders en, afhankelijk van de leeftijd, bij de jeugdigen. Indien nodig ondersteunt de professional hierbij. In uitzonderlijke situaties kan het wenselijk of noodzakelijk zijn om de regie tijdelijk en voor zeer korte duur over te nemen. Ook wanneer er sprake is van een jeugdbeschermingsmaatregel, blijft de regie – waar mogelijk – bij het gezin . Het (gedeeltelijk) overnemen van het gezag betekent niet automatisch dat de regie op het plan volledig wordt overgenomen. Naast de algehele regie op de uitvoering van het plan zelf hebben we binnen het gehele hulpverleningsproces te maken met behandelregie* en casusregie* en procesregie*. Van belang is dat verschillende verantwoordelijkheden hierin steeds goed worden belegd (en genomen) en dat, zeker bij zeer complexe situaties, samenwerking tussen de verschillende regiehouders plaats heeft. Voor wat betreft de casusregie ligt de verantwoordelijkheid hiervan bij het lokale team of een GI. Wanneer één van deze partijen niet betrokken zijn, ligt dit bij de uitvoerende jeugdhulpaanbieder. De functie van procesregie is primair belegd bij het expertteam Passende Hulp Zuid-Holland Zuid dat kan worden ingezet bij zeer complexe situaties of waarin de hulpverlening vastloopt. Vanwege de aard en het karakter van de rol, is de procesregisseur in principe niet betrokken bij de inhoudelijke behandeling en draagt geen verantwoordelijkheid voor de uitvoering daarvan. No show binnen de jeugdhulp No show, ook wel ongeplande afwezigheid, is het niet verschijnen van een jeugdige op een afspraak die niet minimaal 24 uur van tevoren is afgezegd. Er is dus sprake van ongeplande afwezigheid. Over geplande afwezigheid spreken we als een jeugdige niet verschijnt op een afspraak die wel minimaal 24 uur van tevoren is afgezegd. Declaratie van no shows is uitsluitend toegestaan voor onderstaande producten. Het is van belang dat de jeugdhulpaanbieder zich aantoonbaar inspant om no show te voorkomen. De jeugdhulpaanbieder is verplicht om no shows administratief bij te houden (valt o.a. onder indicator bereik/uitval – verschijnen op afspraak – zie opmerking). No show bij ambulante voorzieningen Bij een no show op locatie bij de jeugdige thuis mag de reistijd worden gedeclareerd onder de code van de beoogde dienst. Bijvoorbeeld indien begeleiding basis was gepland, mag de reistijd worden gefactureerd onder de code begeleiding basis. De ingeroosterde tijd voor de afspraak dient te worden benut voor werkzaamheden voor andere jeugdigen. Afwezigheidsdagen bij jeugdhulp met een verblijfscomponent De periode van tijdelijke afwezigheid start op de eerste dag na vertrek bij de jeugdhulpaanbieder of het woonadres en eindigt op de dag vóór de terugkomst. Verplichting: De dagen worden alleen bekostigd als de jeugdige voorafgaand aan de vakantie of detentie minimaal 14 dagen in de instelling verbleef. Afwezigheid van een jeugdige in een verblijfssetting wordt in de volgende situaties bekostigd: Bij afwezigheid vanwege vakantie, detentie of ziekenhuisopname voor: Maximaal 14 aaneengesloten dagen per keer en Maximaal 42 dagen per kalenderjaar. Weekenddagen tellen mee in de telling van de dagen Bij weekendverlof geldt: Maximaal 52 keer 2 aaneengesloten dagen in een periode van 7 dagen (=104 dagen op jaarbasis). Voor jeugdigen die dagonderwijs volgen, wordt afwezigheid bekostigd tot maximaal de wettelijke vakantieduur . No show bij dagvoorzieningen De no show vergoeding is opgenomen in de opbouw van het tarief van de dagvoorzieningen. Aparte declaratie is hiervoor dus niet mogelijk. No show binnen Jeugdhulp op School Enkel voor aanbieders die gecontracteerd zijn voor BDO 7 Jeugdhulp op School geldt de volgende no-show regeling. Bij onvoorziene uitval (afzegging binnen 24 uur) mag gedurende maximaal drie weken maximaal 80% van de reguliere inzet worden gedeclareerd. Dit gebeurt op basis van het gemiddelde van de inzet (wat blijkt uit declaraties) over de drie voorafgaande maanden. In dit geval vervalt de mogelijkheid om gebruik te maken van de no-show regeling voor ambulante voorzieningen. Bijzondere kosten Wanneer jeugdigen niet thuis wonen, maar in een instelling of pleeggezin verblijven, blijven de ouders verantwoordelijk voor alle kosten die voortvloeien uit hun onderhoudsplicht, zoals vastgesteld in artikel 1:392 van het Burgerlijke wetboek. De enige uitzondering hierop zijn verzorgingskosten die direct samenhangen met het verblijf. Kosten voor voeding, verzorgingsproducten, linnengoed en was zijn opgenomen in de tarieven voor logeren, pleegzorg, gezinshuizen, wonen met begeleiding en verblijf met behandeling. Naast de reguliere kosten maken jeugdigen – ook wanneer zij niet thuis wonen – gebruik van voorzieningen waarvoor aanvullende kosten ontstaan. Deze worden aangeduid als bijzondere kosten*. Voorbeeld hiervan zijn aanvullende zorgverzekering, reiskosten voor omgangsregeling, kosten voor aanschaf van een fiets en schoolkosten. Deze kosten vallen onder de verantwoordelijkheid van de ouders of verzorgers, tenzij zij aantoonbaar niet kunnen betalen of zij weigeren te betalen ondanks inspanningen daartoe. Zak en kleedregeling in residentiële hulp Bijzondere kosten Jeugdbescherming Bijzondere kosten Pleegzorg Zak- en kleedgeldregeling in residentiële jeugdhulp De zak- en kleedgeldregeling in residentiële jeugdhulp is per 1 januari 2024 vastgelegd in de Regeling Jeugdwet. Deze regeling is bedoeld voor jeugdigen die langdurig in een jeugdhulpinstelling verblijven en waarvan de ouders niet (meer) in staat zijn om te voorzien in zak- en kleedgeld, ondanks hun wettelijke onderhoudsplicht. Uitgangspunten en voorwaarden; Ouders zijn primair verantwoordelijk voor het levensonderhoud van hun kind, ook wanneer de jeugdige in een residentiële voorziening verblijft onder toezicht of voogdij. Jeugdhulpaanbieders zijn verplicht om de kosten op ouders te verhalen. Pas wanneer dit aantoonbaar niet lukt, mogen zij zak- en kleedgeld verstrekken aan de jeugdige. Gemeenten vergoeden deze kosten achteraf aan de jeugdhulpaanbieder via een nacalculatie. De jeugdige moet minimaal één maand voltijds in een jeugdhulpinstelling verblijven. De vergoeding wordt verstrekt voor een kalenderjaar of de duur van de opname. De jeugdhulpaanbieder verhaalt deze kosten bij de SOJ middels het zak- en kleedgeldformulier. Pleegzorg valt buiten deze regeling Tolkkosten De jeugdhulpaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor de inzet van tolken/vertalers bij de hulpverlening. Een zorgverlener wordt namelijk geacht 'verantwoorde hulp' te bieden conform professionele richtlijnen en standaarden. Een onderdeel daarvan kan zijn dat in een aantal situaties een professionele of informele tolk wordt ingezet om 'verantwoorde zorg' te kunnen bieden. De jeugdhulpaanbieder is in dat geval ook zelf verantwoordelijk voor de kosten van de tolk. Declaratie is niet mogelijk. Respijtzorg Respijtzorg wordt ingezet om de balans tussen draagkracht en draaglast van de jeugdige en het gezin te behouden. Het doel is om overbelasting van ouders en andere gezinsleden te voorkomen en de veerkracht van het gezin te versterken. Doelgroep: Gezinnen met één of meerdere kinderen die vanwege hun beperking of aandoening een bovengemiddeld beroep doen op de draagkracht van ouders en andere gezinsleden. De balans is zodanig verstoord dat overbelasting dreigt. Respijtzorg voor volwassenen is vanuit de Wmo voorliggend op de Jeugdwet. Voordat respijtzorg vanuit de Jeugdwet wordt verkend, is het verplicht om eerst respijtzorg vanuit de Wmo in te zetten. Neem hiervoor contact op met de Wmo-afdeling van de betreffende gemeente. Jeugdigen vanaf 12 jaar die vanwege hun aandoening of beperking in combinatie met onvoorspelbaar en/of agressief gedrag, geen gebruik kunnen maken van reguliere activiteiten in de lokale sociale infrastructuur (zoals sport, vrije tijd, jongerenwerk of cultuur). Ook het sociale netwerk biedt structureel en periodiek onvoldoende ondersteuning. Voor de inzet van respijtzorg wordt eerst gekeken naar de mogelijkheden binnen reguliere voorzieningen binnen de lokale infrastructuur; de inzet van het (brede) sociale netwerk van het gezin. Hierbij wordt nadrukkelijk ingezet op netwerkversterkende strategieën om een duurzame steunstructuur te realiseren. Wanneer uit onderzoek blijkt dat deze mogelijkheden onvoldoende beschikbaar of toegankelijk zijn, wordt eerst kortdurende begeleiding ingezet om deze voorzieningen alsnog bereikbaar te maken. Indien deze inzet ontoereikend is, kan (tijdelijk) gebruik gemaakt worden van de volgende diensten: Begeleiding regulier Begeleiding specialistisch Dagbesteding regulier Dagbesteding intensief Naschoolse dagbesteding Logeren regulier Logeren intensief Logeren extra intensief Weekendpleegzorg Vergroten van de zelfredzaamheid In de dienstomschrijvingen wordt regelmatig verwezen naar het vergroten van de zelfredzaamheid van jeugdigen. Voor de jeugdhulpverlening houdt dit in dat men zich niet alleen richt op het oplossen van de problemen of bieden van tijdelijk ondersteuning, maar vooral om de jeugdige vaardigheden, inzichten en mogelijkheden bij te brengen zodat hij/zij in het dagelijks leven steeds beter zelfstandig kan functioneren. Concreet gaat het dan om: Praktische zelfredzaamheid, zoals het leren omgaan met geld, structureren van hun dag, huishouden doen, afspraken nakomen of hun school- en werkzaken regelen. Sociaal-emotionele zelfredzaamheid, waarbij jeugdigen wordt geleerd om te gaan met hun emoties, weerbaar worden, relaties opbouwen en onderhouden, hulp durven vragen en grenzen aangeven. Vergroten van hun probleemoplossend vermogen door hen vaardigheden te laten ontwikkelen om met tegenslagen om te gaan, keuzes te maken en hun eigen toekomst vorm te geven. Het realiseren van zelfregie, waarbij zij worden gestimuleerd om eigen doelen te formuleren, mee te beslissen over zijn/haar traject en verantwoordelijkheid te nemen voor stappen die gezet worden. Het uiteindelijke doel is dat de jeugdige na afloop van de jeugdhulp zo zelfstandig mogelijk kan functioneren in de samenleving, met zo min mogelijk blijvende afhankelijkheid van hulpverlening. Draagkracht* en draaglast* Bij het beoordelen van de noodzaak om jeugdhulp in te zetten spelen de begrippen draagkracht en draaglast een belangrijke rol. De gemeenten hebben in hun lokale verordening jeugdhulp
(2025)daarover een aantal bepalingen opgenomen die zij in de beoordeling van een aanvraag meenemen. Maar ook bij het uitvoeren van het jeugdhulptraject zelf is de balans en eventuele disbalans van beiden van belang. Draagkracht verwijst naar wat een jeugdige en het gezin/ouders aankan. Hoe zit het bijvoorbeeld met de beschikbare energie, vaardigheden, veerkracht, copingstrategieën, beschermende factoren en steun uit het sociale netwerk? Bij draaglast gaat het over de belasting die een jeugdige en het gezin/ouders ervaart. Hierin spelen de aard van de problemen, conflicten thuis, stress (bijv. schooldruk) en verplichtingen, zoals te weinig inkomen, schulden maar ook mantelzorgtaken waarmee men te maken heeft, een rol. Centrale Intake Jeugdhulpaanbieders in segment 1 'Hoog specialistische hulp' hebben zich bij het ondertekenen van de betreffende Bijzondere Deelovereenkomsten gecommitteerd aan het inrichten en uitvoeren van een centrale intake. Deze centrale intake, als deze operationeel is, komt in plaats van de intake bij de afzonderlijke organisaties. Doel van deze centrale intake: Vroegtijdig inzet van de benodigde deskundigheid in het hulpverleningsproces; Versterking van gedeeld eigenaarschap op casusniveau, met name bij complexe casussen; Voorkomen en verminderen van onnodige vertraging en wachttijden voor jeugdige en gezinnen in ingewikkelde omstandigheden. De centrale intake is uiterlijk per 1 januari 2026 operationeel. (Onderwijs)urennorm dagvoorzieningen In de regio zal de (onderwijs)urennorm voor dagvoorzieningen worden geïntroduceerd. Voor de dagvoorzieningen betekent dit dat een urenrichtlijn wat betreft de aanwezigheid op de voorzieningen in lijn wordt gebracht met de door het ministerie van OCW vastgestelde onderwijs-urennorm. Deze norm zal worden vastgesteld voor een periode van 3 jaar maar kan worden aangepast als het ministerie de norm bijstelt. De onderwijs-urennorm is vanaf 2024 operationeel. Uitsluitings- en afwegingslijst Op alle in dit documenten beschreven diensten zijn in beginsel - maar niet uitsluitend -de criteria uit de uitsluitings- en afwegingslijst van toepassing. Zie hoofdstuk 7. Deze lijst biedt handvatten voor het beoordelen van aanvragen en het maken van zorgvuldige afwegingen binnen het jeugdhulpaanbod. Jeugdhulpvervoer Het product jeugdhulp vervoer is niet opgenomen in deze dienstenomschrijving. Op grond van artikel 2.3 lid 2 van de Jeugdwet zijn gemeenten verplicht om jeugdhulpvervoer te organiseren voor jeugdigen, die om medische redenen of beperkingen in de zelfredzaamheid hierop zijn aangewezen. Het college beslist over de noodzaak voor de inzet van deze voorziening. In Zuid-Holland Zuid worden deze verwijzingen door Stichting Jeugdteams ZHZ uitgevoerd Conform het geldende delegatiebesluit heeft de SOJ ZHZ de vervoersvoorziening middels een Europese aanbestedingen separaat in de markt gezet. Hiermee wordt voorzien in de vervoersvoorziening voor jeugdigen. Jeugdhulpvervoer wordt derhalve niet belegd bij jeugdhulpaanbieders en maakt geen onderdeel uit dienstomschrijvingen. Dit betekent dat jeugdhulpvervoer dat door aanbieders wordt georganiseerd niet voor vergoeding in aanmerking komt. Voor vragen omtrent vervoer kunnen jeugdhulpaanbieders zich richten tot Stichting Jeugdteams/het lokale team van de gemeente. Indien nodig stemt Stichting jeugdteams/het lokale team van de gemeente af met SOJ ZHZ en/of Stroomlijn (de regionale regiecentrale voor vervoer). Meer informatie is te vinden in de vervoersregeling op de website van de SOJ ZHZ. Overige voorzieningen Jeugdhulp lokaal – overige voorziening Met jeugdhulp naar voren hebben gemeenten de lokale infrastructuur versterkt door deskundigheid naar voren te halen en zelf te contracteren. De inhoud en omvang van deze deskundigheid kan variëren per gemeente. Initiatief tot en regie op deze lokale contractering ligt bij de gemeenten. Hoofdstuk 2: Jeugdhulp zonder verblijfscomponent Inleiding Jeugdhulp wordt doorgaans uitgevoerd in de dagelijkse leefomgeving van het gezin of op de locatie van de aanbieder. Jeugdhulp kan ook worden gecombineerd met vormen van jeugdhulp met verblijf, zoals dagvoorzieningen met een 24-uurs verblijfsvoorziening. Wanneer de hulpvraag van de jeugdige vraagt om aanvullende begeleiding of behandeling naast de verblijfsvoorziening (bed of stoel), is het mogelijk om verschillende diensten per jeugdige te combineren. Basisvoorzieningen van dag- en verblijfsdiensten kunnen niet worden uitgebreid met aanvullende diensten uit dit hoofdstuk. Een uitzondering hierop de geldt voor de inzet van jeugdhulp binnen het (speciaal) onderwijs. Begeleiding en behandeling op school dienen altijd via Jeugdhulp op school te worden ingezet. Alleen wanneer deze voorziening niet beschikbaar is kan een dienst uit deze dienstomschrijvingen worden gedeclareerd, mits er een geldige wettelijke verwijzing aanwezig is. Niet declarabele activiteiten In hoofdstuk 7 van deze dienstomschrijving is een overzicht opgenomen van activiteiten die niet declarabel zijn binnen de producten in dit hoofdstuk. Jeugdhulp in groepsverband Jeugdigen leren van volwassenen én van elkaar en hetzelfde geldt voor ouders. Om dit onderlinge leren te bevorderen en ook om te stimuleren dat de uitgevoerde interventie bijdraagt aan het ontwikkelen en bouwen van een netwerk (zoals lotgenotencontact, herkenning en herstel), is het uitvoeren van begeleiding en behandeling in groepsverband voorliggend op individuele jeugdhulp. Hiermee worden niet de diensten bedoeld die vallen onder dagbesteding of dagbehandeling. Dit betreft gestructureerde dagdeelactiviteiten die doorgaans plaatsvinden op een speciaal ingerichte locatie van de aanbieder. Groepsgerichte jeugdhulpinterventies kunnen betrekking hebben op onderdelen van het programma, maar ook op het geheel. Centraal staat dat de interventie bijdraagt aan het doel van de jeugdige en/of het gezin. De bedoeling is om gezamenlijk de beweging te maken van individuele (dure) jeugdhulp naar groepsgerichte jeugdhulp, en op deze manier de jeugdhulp betaalbaar en beschikbaar te houden. Jeugdhulp op School (JOS) JOS is een individuele voorziening die scholen in staat stelt jeugdhulp binnen de school te organiseren als onderdeel van de ondersteuningsstructuur. Door de deskundigheid van de jeugdhulpaanbieders hieraan toe te voegen, wordt de ondersteuning versterkt. De samenwerkingsverbanden kiezen hiervoor een preferente jeugdhulpaanbieder. Vooralsnog is JOS beschikbaar op scholen voor het speciaal basis- , voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs. Op verzoek van de samenwerkingsverbanden in het werkgebied Zuid-Holland Zuid worden contracten gesloten met door hen aangewezen preferente jeugdhulpaanbieders. Resultaatgebieden Elke jeugdige volgt een vorm van onderwijs; Jeugdhulp op school maakt onderdeel uit van het integraal onderwijs perspectiefplan onder regie van de school waarbij een optimaal onderwijsklimaat wordt beoogd en schooluitval wordt voorkomen. Activiteiten (niet uitputtend) Jeugdhulp die wordt geleverd op de groep of op locatie van de school waar de jeugdige onderwijs volgt is onderdeel van het onderwijs perspectiefplan (OPP). Als een leerling extra ondersteuning nodig heeft, bovenop de basisondersteuning zoals beschreven in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband, dient een OPP te worden opgesteld. Vanuit de Wet Passend Onderwijs heeft school de verplichting om een OPP op te stellen. Het OPP dient door school in gezamenlijkheid met ouders te worden opgesteld. Ouders moeten instemming verlenen op het handelingsdeel (de individuele ondersteuning die de leerling krijgt).De concrete activiteiten worden, binnen de kaders van de overeenkomst, in samenwerking met de samenwerkingsverbanden, scholen en poortwachters vastgesteld. Jeugdhulp op school is niet bedoeld voor: Het aanleren van didactische kennis, inzichten of vaardigheden die samenhangen met de leerdoelen van jeugdige. Het financieren van preventieve activiteiten, zoals sociale vaardigheidstrainingen, Rots & Water trainingen, weerbaarheidstrainingen, coachingsgesprekken en vergelijkbare interventies. Deze vallen onder het lokale preventiebeleid van de gemeenten. Het aanbieden van scholing of training gericht op deskundigheidsbevordering van leerkrachten. Deze vallen onder het reguliere scholingsbeleid van de school of het samenwerkingsverband. Verwijzing JOS is een individuele voorziening. De toetsing op de inzet is belegd bij de poortwachters. De poortwachters zijn een team van tenminste twee personen namelijk een vertegenwoordiger van het samenwerkingsverband en een vertegenwoordiger van de lokale toegangsorganisatie. Jeugdhulp op School Normenkader Wanneer er sprake is van dreigend schooluitval, gelden binnen JOS de volgende normen: De beoordeling van dreigende schooluitval is belegd bij de poortwachter van de lokale (gemeentelijke) toegang. Er geldt een maximum van 6 uur jeugdhulp per jeugdige per week, gedurende maximaal 40 schoolweken per jaar. Binnen deze inzet mag maximaal 2 uur per jeugdige per week bestaan uit gespecialiseerde begeleiding . Per klaslokaal kan maximaal één medewerker worden toegevoegd voor het bieden van de diensten begeleiding of persoonlijke verzorging; Overzicht Overzicht persoonlijke verzorging, begeleiding, behandeling Dienst Persoonlijke verzorging Begeleiding Behandeling Diagnostiek en analyse opmerking Ervaringsdeskundige X Wordt toegevoegd aan begeleidings- of behandeltraject Consult en advies Beschikkingsvrij en niet via berichtenverkeer Persoonlijke verzorging X Begeleiding basis X Begeleiding regulier X Zo nodig ook in te zetten voor respijtzorg Begeleiding specialistisch X Zo nodig ook in te zetten voor respijtzorg Vaktherapie X Behandeling VG X Behandeling J&O X Curatieve zorg door kinderartsen X (medicamenteus) Medicatieveiligheid X Basis GGZ X Specialistische GGZ X GGZ Specialistisch Midden X Uitsluitend bij aanbieders met een contract in segment 1 Forensische GGZ X GGZ Hoogspecialistisch X Uitsluitend bij aanbieders met een contract in segment 1 Gezinsbehandeling X Uitsluitend bij aanbieders met een contract in segment 4 ED diagnostiek en behandeling X X Jeugdhulp op school X X X X Uitsluitend bij aanbieders met een contract in segment 7 Ervaringsdeskundige Normenkader Eenheid Minuut Intensiteit Maximaal 10% van de totale tijdsinzet van jeugdhulp door jeugdhulpaanbieder, met een maximale inzet van 4 uur per week Omschrijving Type dienst Ambulant individueel De ondersteuning die door de ervaringsdeskundige geboden wordt, is gebaseerd op herkenning, erkenning en begrip van ‘binnenuit’ en sluit aan op de principes van herstel ondersteunende zorg, methodische zelfhulp en de kernwaarden van ervaringsdeskundigheid. De ervaringsdeskundige onderscheidt zich van andere hulpverleners doordat hij of zij ervaringskennis heeft van de methoden en het proces van jeugdige en gezinnen. Daarnaast is hij zelf een voorbeeld van hoop en empowerment. De kerntaken van een ervaringsdeskundige zijn uitgewerkt naar verschillende taakgebieden1Beroepscompetentieprofiel Ervaringsdeskundigheid - Trimbos-instituut: cliëntgebonden, organisatiegebonden en professiegebonden taken. In het kader van een voorziening Jeugdhulp zijn uitsluitend de cliëntgebonden taken declarabel. De ervaringsdeskundige wordt vooral ingezet voor gezinnen en jeugdigen met meer complexe hulpvragen. De inzet van de ervaringsdeskundige is uitsluitend declarabel als aanvulling, ondersteuning en versterking van een andere dienst uit deze dienstencatalogus. Activiteiten De ervaringsdeskundige is in te zetten op de volgende activiteiten: De ervaringsdeskundige ondersteunt het individuele proces van de jeugdige en het gezin Maakt en houdt contact en verbinding; Creëert een vertrouwensband en bouwt een samenwerkingsrelatie op; Nodigt uit tot dialoog; Faciliteert ruimte voor het vertellen en onderzoeken van het eigen verhaal; Brengt herstelkennis in; Ondersteunt de opbouw van zelfbesef en eigenwaarde; Ondersteunt bij het ontdekken en ontwikkelen van eigen krachtbronnen en handelingsstrategieën (ervaringskennis). De ervaringsdeskundige biedt gevraagd sociale en praktische ondersteuning. Faciliteert ruimte en toegang tot hulpbronnen voor het herwinnen van zelfredzaamheid en regie; Is ondersteunend bij het ontdekken van eigen mogelijkheden en voor het zelf formuleren van doelen; Kan motiveren tot het nemen van eigen initiatief en ondersteunen bij het realiseren daarvan; Ondersteunt bij het zoeken naar andere mogelijkheden voor hulp binnen en buiten de professionele jeugdhulp; Ondersteunt bij het organiseren van het persoonlijk netwerk, bv. door ondersteuning bij inzet van eigen krachtconferenties en maatschappelijke steunsystemen; Kan in regie en belang van de jeugdige/ ouders de zorg kortdurend overnemen als iemand daar meer bij gebaat blijkt te zijn, komt hier altijd op terug; Doet wat aan de orde is en biedt gevraagde praktische en sociale steun, bv. door bezoek aan huis, praktische hulp, het gezamenlijk ondernemen van ontspannende activiteiten, begeleiden bij bezoek aan maatschappelijke instellingen of instanties; Ondersteunt bij bemiddeling en conflicthantering met derden; Biedt ondersteuning bij en tijdens crisismomenten vanuit gemaakte afspraken; De ervaringsdeskundige begeleidt mensen in groepsverband in hun jeugdhulpproces. Doelgroep Voor wie? Jeugdigen en gezinnen met meervoudige problematiek De ervaringsdeskundige wordt vooral ingezet voor: Gezinnen met problematiek op meerdere levensgebieden (richtlijn: minimaal 3 leefgebieden van de ZRM); Jeugdigen met problematiek op meerdere levensgebieden. Resultaat Type resultaat De inzet van een ervaringsdeskundige voor jeugdige of ouders beoogt bij te dragen aan een aantal gestelde doelen: De jeugdige en de ouders worden gesteund in hun proces van acceptatie en verwerking. Hierdoor zijn ze meer ontvankelijk voor de noodzakelijke verandering/ hulp; De geboden specialistische jeugdhulp sluit beter aan bij de jeugdige/ het gezin; Door de laagdrempeligheid en de te ontwikkelen vertrouwensband wordt het beeld van de mogelijkheden van de jeugdige, het gezin en hun netwerk, verrijkt met meer verfijnde kennis. Dienst specifieke eisen De inzet van de ervaringsdeskundige is uitsluitend facturabel als aanvulling, ondersteuning en versterking van een andere dienst uit deze dienstencatalogus De ervaringsdeskundige voldoet tenminste aantoonbaar aan het competentieprofiel opgesteld door het Trimbos instituut met betrekking tot het cliëntgebonden taakgebied.2Beroepscompetentieprofiel Ervaringsdeskundigheid - Trimbos-instituut Hiertoe is tenminste een voor jeugdhulp relevante cursus gevolgd tot ervaringsdeskundige, zoals 'Werken met eigen ervaring', Herstellen doe jezelf', de ‘TOED’ training of de ‘Expex’ training. De ervaringsdeskundige neemt tenminste twee keer per jaar deel aan activiteiten voor deskundigheidsbevordering; maakt onderdeel uit van een (regionaal netwerk) van ervaringsdeskundigen waarbinnen intervisie geborgd is; ontvangt supervisie van een SKJ of BIG geregistreerde jeugdhulpverlener, bij voorkeur met ervaringskennis. Functieprofiel n.v.t. Functiemix n.v.t. Dienstverlening consult en advies Normenkader Eenheid Minuten Inleiding Een belangrijk doel van de Jeugdwet is dat deskundigheid van specialisten vroegtijdig en (thuis)nabij beschikbaar is, voor het gezin en de jeugdige. In de gesprekken met de aanbieders kwam naar voren dat in voorkomende gevallen de bekostiging een belemmering was om de beschikbare deskundigheid dichtbij te brengen. Namelijk wanneer een aanbieder een consult of advies geeft voor een jeugdige die geen hulp ontvangt of gaat ontvangen van deze aanbieder. Deze dienstverlening consultatie en advies is toegevoegd aan de declaratiemogelijkheden, zodat de inspanning voor een jeugdige gedeclareerd kan worden. Omschrijving Type dienst NVT Door consult en advies wordt aanvullende specifieke kennis en ervaring ingezet om tot een goede duiding van problematiek te komen. Opdrachtnemer wordt gevraagd om gericht mee te denken over een vraagstuk/casus, het beoordelen van de hulpvraag en inzet van passende jeugdhulp/ ondersteuning terwijl de jeugdige niet bij opdrachtnemer in zorg is. Jeugdige en/of ouders zijn geïnformeerd over het gevraagde consult. Het betreft nadrukkelijk het wisselen en kennis en informatie ten gunste van de probleemanalyse en/of het komen tot vervolgstappen voor passende hulpverlening. Doelgroep Voor wie? Jeugdhulpprofessionals, waarbij de beschikbare kennis- en kunde binnen de eigen organisatie incidenteel onvoldoende is in relatie tot de hulpvraag van de jeugdige/ het gezin. Resultaten Type resultaat Een integrale, eventueel tussentijdse (probleem)analyse en heldere vervolgstappen voor de jeugdige en het gezin. Dienst specifieke eisen Dit product betreft niet: intervisie, coaching, kennisuitwisseling zonder dat een jeugdige/gezin betrokken is, reguliere nazorg, intern casuïstiekoverleg, reguliere en telefonische afstemming met jeugdhulpaanbieder (zie ook definitie multidisciplinair netwerk); Zodra een jeugdhulpaanbieder een jeugdhulpproduct biedt aan jeugdige/gezin, kan ‘consultatie en advies’ niet meer (separaat) worden gedeclareerd. Consultatie en advies maken dan onderdeel uit van de geboden jeugdhulp; Reguliere afstemming die plaatsvindt in het kader van toeleiding, aanmelding en acceptatie van een jeugdige kan niet als advies en consult gedeclareerd worden. Hiermee is rekening gehouden in de reguliere tariefopbouw van de verschillende diensten. Consult en advies kan een zorgaanbieder één keer per jaar indienen bij de SOJ. Het format wordt maximaal één keer per jaar verwerkt. Correcties en/of aanvullingen op het ingediende format worden niet meer in behandeling genomen. Zorgaanbieders dienen de gedeclareerde bedragen voor Consult & Advies op te nemen in de productieverantwoording. Deze bedragen dienen ook onderdeel uit te maken van de controleverklaring van aanbieder. Indien dit niet is verantwoord op de hiervoor beschreven werkwijze, worden uitbetaalde bedragen teruggevorderd. Voor het indienen van consult en advies mag er per overleg één behandelaar opgegeven worden. Netwerkbijeenkomsten tussen zorgaanbieder en Stichting jeugdteams zijn geen onderdeel van de dienst consult en advies. Functieprofiel Functiemix Alle professionals die voldoen aan de kwaliteitseisen gesteld door de Jeugdwet en werken bij een gecontracteerde aanbieder. Regiebehandelaar Nee Persoonlijke verzorging Normenkader Eenheid Minuut Duur Niet van toepassing Intensiteit Niet van toepassing Omschrijving Type dienst Ambulant individueel Persoonlijke verzorging richt zich op de ontwikkeling of stabiliseren van algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg om een tekort aan zelfredzaamheid op te lossen door het aanleren van vaardigheden zodat de jeugdige zo zelfstandig mogelijk kan deelnemen aan de samenleving. De inzet van persoonlijke verzorging is tevens mogelijk om het gezin tijdelijk te ondersteunen omdat de draagkracht/draaglast binnen het gezin is verstoord of om de maatschappelijke participatie van ouders mogelijk te maken. De hulp vindt plaats in de thuissituatie. De persoonlijke verzorging wordt thuis en zo nodig buiten kantoortijden uitgevoerd, als ouders niet in staat zijn deze verzorging zelf te bieden. Activiteiten Het ondersteunen bij, stimuleren van, het aanleren van of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging; Risicovolle handelingen: dit zijn veelal handelingen die bij onbekwaam en onzorgvuldig handelen vrijwel zeker tot gezondheidsschade zullen leiden. Voorbeelden zijn het toedienen van medicatie via een infuus of sonde. Doelgroep Voor wie? Jeugdigen 0 – 18 jaar Jeugdigen die extra ondersteuning nodig hebben bij de dagelijkse verzorging als wassen/douchen, aankleden, eten en drinken, toedienen van medicatie en toiletbezoek. Het betreft ondersteuning die niet door ouders, leerkrachten of jeugdprofessionals kan worden geleverd. Resultaten Type resultaat De zelfredzaamheid van de jeugdige/ het gezin m.b.t. zelfzorg van de jeugdige is toegenomen. Dienst specifieke eisen Persoonlijke verzorging vanuit de Jeugdwet bekostigd, kan uitsluitend ingezet worden, als geen beroep gedaan kan worden op de WLZ of de zorgverzekeringswet. Persoonlijke verzorging dat wordt vergoed vanuit de zorgverzekeringswet betreft verpleging en verzorging. https://www.schulinck.nl/infographic/persoonlijke-verzorging-valt-het-onder-de-wmo-2015-zvw-of-de-jeugdwet/ Wanneer persoonlijk verzorging onderdeel is van een ander product (diensten jeugdhulp met verblijf), kan niet separaat dit product ingezet worden, tenzij er specifiek sprake is van de eerdergenoemde risicovolle handelingen; De jeugdhulpaanbieder heeft, wanneer er sprake is van de uitvoering van risicovolle handelingen, een ‘bevoegdheidsregeling’, waarbij aangegeven wordt welke handelingen (protocollen) getoetst worden en hoe vaak; Persoonlijke verzorging op school is onderdeel van Jeugdhulp op school wanneer Jeugdhulp op school operationeel is op de betreffende school; Uitreiking van medicatie, het aan-en afkoppelen van sondevoeding tijdens lesuren is een verantwoordelijkheid van de school/ouders zelf en valt niet onder de jeugdhulp, tenzij dit deel uitmaakt van de totale ondersteuning van de ADL. Functieprofiel MBO Functiemix De uitvoering vindt tenminste plaats door een MBO verzorgende. Regiebehandelaar Nee Begeleiding basis Normenkader Eenheid Minuut Duur Maximaal 18 maanden Intensiteit Maximaal 182 uur per jaar (maand 13 t/m 18 mag max. 91 uur) Omschrijving Type dienst Ambulant individueel of als groepsdienst De ondersteuning richt zich op: Het aanbrengen of behouden van regie en structuur (coachen en stimuleren) Het aanleren of behouden van vaardigheden in het dagelijks leven (meehelpen) Het stabiliseren van een ernstig ontregelde thuissituatie (regisseren en samen aan de slag) Voorwaarde is dat altijd systeemgericht wordt gewerkt op alle leefgebieden. Begeleiding basis is gericht op het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen. De in te zetten hulp is doelmatig met een passende (personele) inzet om de in het gezinsplan en/of begeleidingsplan gestelde doelen te bereiken en de leefbaarheid te optimaliseren. Begeleiding basis is in het kader van respijtzorg, enkel met toestemming van het lokale team mogelijk, maar daar is de inzet vanuit het eigen netwerk of lokale voorzieningen altijd voorliggend. Bij het ontbreken van mogelijkheden binnen het eigen netwerk kan begeleiding tijdelijk ingezet worden voor een maximale periode van een half jaar voor maximaal 2 uur per week. In die periode worden er alternatieven in het eigen netwerk, omgeving en gemeentelijke voorzieningen onderzocht en georganiseerd. Afwijking op deze richtlijn is enkel mogelijk na toestemming van het lokale team. Activiteiten Onder begeleiding basis kunnen onder andere de volgende activiteiten vallen: Verbeteren en/of stabiliseren opgroeiomgeving; Advies aan en begeleiding van jeugdigen, ouders/verzorgers en hun netwerk; Leren omgaan met een beperking en/of stoornis; Oefenen, inslijten en generaliseren van (opvoed)vaardigheden; Aanbrengen van dag-structuur. Doelgroep Voor wie? Jeugdigen van 0 tot 18 jaar en hun ouders Begeleiding basis richt zich op jeugdigen en hun ouders, met één of meerdere van de volgende kenmerken: Jeugdige/gezin ondervindt matige opgroei-, opvoed- en/of gedragsproblemen; Jeugdige heeft een (licht) verstandelijke of fysieke beperking en/of psychische stoornis; Jeugdige (incl. het gezin) met beperkt regieverlies, en (redelijk) voorspelbare situatie, matige complexiteit, (redelijk) ziekte-inzicht en stabiel medicatiegebruik. Resultaten Type resultaat De beoogde resultaten van de jeugdhulp liggen op de volgende gebieden: De opvoed- en opgroeisituatie is gestabiliseerd of verbeterd; De gedragsproblemen zijn verminderd; De jeugdige functioneert en ontwikkelt zich zo leeftijdsadequaat als mogelijk; De ontwikkeling van de jeugdige is zo veel als mogelijk gestimuleerd; Jeugdigen/ouders/(pleeg)gezin weten in het dagelijks leven om te gaan met een specifieke gedragsstoornis en/of beperking; Dreiging van terugval wordt tijdig gesignaleerd en waar mogelijk met gerichte inzet zo veel mogelijk voorkomen; Jeugdige kan thuis blijven wonen; De zelfredzaamheid van jeugdigen en (pleeg) gezinnen is zoveel als mogelijk vergroot; Het netwerk om het gezin is zodanig versterkt dat zij zonder professionele jeugdhulp verder kunnen (bijvoorbeeld ook door het activeren van een vrijwillig netwerk); De ouders hebben geleerd over de beperking, stoornis en aandoening van hun kind en diens nieuwe vaardigheden om hiermee om te gaan; Ouders hebben geleerd met de opvoeding en verzorging van hun kind beter aan te sluiten bij de behoeften en mogelijkheden van hun kind. Dienst specifieke eisen Evidence of practice based Methodisch, practice based Om tot een juiste afgestemde begeleiding te komen kan het nodig zijn om op basis van de vraaganalyse vanuit het lokale team of een andere verwijzer, een nadere inventarisatie te maken van de krachten en de problemen van de jeugdige, het gezin en het netwerk evenals van de factoren die de klachten positief of negatief beïnvloeden c.q. in stand houden. Zie de uitsluitingslijst (hoofdstuk 7) voor activiteiten die niet declarabel zijn. Functieprofiel MBO (+) Functiemix MBO-registerplein sociaal werker Ondersteungingsplan wordt opgesteld onder verantwoordelijkheid van SKJ geregistreerde HBO-jeugd- en gezinsprofessional of gedragswetenschapper. Regiebehandelaar Nee Groepsgrootte 2-8 Begeleiding regulier Normenkader Eenheid Minuut Duur Maximaal 18 maanden Intensiteit Maximaal 182 uur per jaar (maand 13 t/m 18 mag max. 91 uur) Omschrijving Type dienst Ambulant individueel of als groepsdienst. Groepsdienst is voorliggend op individuele jeugdhulp. De ondersteuning richt zich op: Het aanbrengen of behouden van regie en structuur (coachen en stimuleren) Het aanleren of behouden van vaardigheden in het dagelijks leven (meehelpen) Het stabiliseren van een ernstig ontregelde thuissituatie (regisseren en samen aan de slag) Voorwaarde is dat altijd systeemgericht wordt gewerkt op alle leefgebieden. Begeleiding regulier is gericht op het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen. De in te zetten hulp is doelmatig met een passende (personele) inzet om de in het gezinsplan en/of begeleidingsplan gestelde doelen te bereiken en de leefbaarheid te optimaliseren. Begeleiding regulier is in het kader van respijtzorg, enkel met toestemming van het lokale team mogelijk, maar daar is de inzet vanuit het eigen netwerk of lokale voorzieningen altijd voorliggend. Financiering vanuit de Wmo is voorliggend op financiering vanuit de Jeugdwet. Bij het ontbreken van mogelijkheden binnen het eigen netwerk kan begeleiding tijdelijk ingezet worden voor een maximale periode van een half jaar voor maximaal 2 uur per week. In die periode worden er alternatieven in het eigen netwerk, omgeving en gemeentelijke voorzieningen onderzocht en georganiseerd. Afwijking op deze richtlijn is enkel mogelijk na toestemming van het lokale team. Activiteiten Onder begeleiding regulier kunnen onder andere de volgende activiteiten vallen: Verbeteren en/of stabiliseren opgroeiomgeving; Advies aan en begeleiding van jeugdigen, ouders/verzorgers en hun netwerk; Leren omgaan met een beperking en/of stoornis; Oefenen, inslijten en generaliseren van (opvoed)vaardigheden; Aanbrengen van dagstructuur. Doelgroep Voor wie? Jeugdigen van 0 tot 18 jaar en hun ouders Begeleiding regulier richt zich op jeugdigen en hun ouders, met één of meerdere van de volgende kenmerken: Jeugdige/gezinnen met een ernstig tekortschietende zelfregie; Sociaal- emotionele problematiek; Waar sprake is van complexe en/of meervoudige problematiek. Resultaten Type resultaat De beoogde resultaten van de jeugdhulp liggen op de volgende gebieden: De opvoed- en opgroeisituatie is gestabiliseerd of verbeterd; De gedragsproblemen zijn verminderd; De jeugdige functioneert en ontwikkelt zich zo leeftijdsadequaat als mogelijk; De ontwikkeling van de jeugdige is zo veel als mogelijk gestimuleerd; Jeugdigen/ouders/(pleeg)gezin weten in het dagelijks leven om te gaan met een specifieke gedragsstoornis en/of beperking; Dreiging van terugval wordt tijdig gesignaleerd en waar mogelijk met gerichte inzet zo veel mogelijk voorkomen; Jeugdige kan thuis blijven wonen; De zelfredzaamheid van jeugdigen en (pleeg) gezinnen is zoveel als mogelijk vergroot; Het netwerk om het gezin is zodanig versterkt dat zij zonder professionele jeugdhulp verder kunnen. (Bijvoorbeeld ook door het activeren van een vrijwillig netwerk); De ouders hebben geleerd over de beperking, stoornis en aandoening van hun kind en diens nieuwe vaardigheden om hiermee om te gaan; Ouders hebben geleerd met de opvoeding en verzorging van hun kind beter aan te sluiten bij de behoeften en mogelijkheden van hun kind. Dienst specifieke eisen Evidence of practice based Methodisch, practice based Om tot een juiste afgestemde begeleiding te komen kan het nodig zijn om op basis van de vraaganalyse vanuit het lokale team of een andere verwijzer, een nadere inventarisatie te maken van de krachten en de problemen van de jeugdige, het gezin en het netwerk evenals van de factoren die de klachten positief of negatief beïnvloeden c.q. in stand houden. Zie de uitsluitingslijst (hoofdstuk 7) voor activiteiten die niet declarabel zijn. Functieprofiel HBO Functiemix Uitvoering wordt verricht door een minimaal HBO opgeleide SKJ geregistreerde jeugd- en gezinsprofessional. De regievoering en inhoudelijke coördinatie van het werkproces wordt uitgevoerd door minimaal een SKJ geregistreerde gedragswetenschapper/gedragsdeskundige (orthopedagoog, ontwikkelingspsycholoog of psycholoog met afstudeerrichting klinische psychologie). Bij EMB-kinderen kan ook een Arts Verstandelijk Gehandicapten (AVG) deze rol vervullen. De inzet wordt geleverd vanuit tenminste een multidisciplinair netwerk.Een gedragsdeskundige (WO- geschoold) is beschikbaar voor consultatie en advies en ondersteuning van de uitvoerend professional. Regiebehandelaar Nee Groepsgrootte 2-8 Begeleiding specialistisch Normenkader Tarief & eenheid Minuut Duur Maximaal 18 maanden Intensiteit Maximaal 182 uur per jaar (maand 13 t/m 18 mag max. 91 uur) Omschrijving Type dienst Ambulant individueel De ondersteuning richt zich op: Het aanbrengen of behouden van regie en structuur (coachen en stimuleren) Het aanleren of behouden van vaardighed