Deel I, Algemeen Hoofdstuk 1, Begripsbepalingen Artikel 1.1 In deze verordening wordt verstaan onder: a. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van een waterschap in de provincie Drenthe; b. beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de Waterwet; c. boorput: met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering; d. buisleiding: buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van aardgasleiding bestemd voor het plaatselijke transport van en naar particulieren en bedrijven), olie of chemicaliën, alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën; e. Ctgb: het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; f. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van een waterschap in de provincie Drenthe; g. evaluatieverslag: het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming; h. gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Drenthe; i. gewasbeschermingsmiddelen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; j. grond- of funderingswerken: een werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies; k. insteek van het oppervlaktewater: de insteek van het oppervlaktewater als bedoeld in het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij; l. nader onderzoek: het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wet bodembescherming; m. nazorgplan: het nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming n. peilbesluit: een besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de Waterwet; o. profiel van vrije ruimte: de ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering; p. projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet; q. regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet; r. regionale waterkering: een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de Waterwet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening; s. retourbemaling: het in een grondwaterlichaam brengen van onttrokken water, ter compensatie of vermindering van de gevolgen van het onttrekken van water; t. schadelijke stoffen: stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen; u. saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; v. waterbeheerder: het openbaar gezag, dat is belast met het oppervlaktewaterkwantiteits- en oppervlaktewaterkwaliteitsbeheer, zijnde de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa's, Reest en Wieden en Velt en Vecht en de provincie Drenthe, voor zover belast met het kwantiteitsbeheer van de bij haar in beheer zijnde kanalen; w. waterleidingmaatschappij: een bedrijf dat grond- of oppervlaktewater wint met het doel dit te gebruiken voor de bereiding van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening; x. waterschap: de waterschappen Hunze en Aa's, Noorderzijlvest, Reest en Wieden en Velt en Vecht; y. achtergrondwaarde, baggerspecie, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse wonen, kwaliteitsklasse A en werk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit. Hoofdstuk 2, Inspraak Artikel 2.1 Bij wijzigingen van deze verordening wordt de Algemene Inspraakverordening Drenthe toegepast. Deel II, Ruimtelijke ordening DEEL II, RUIMTELIJKE ORDENING Hoofdstuk 3, RUIMTELIJKE ORDENING Titel 1, Algemeen Artikel 1, Begripsbepalingen 1.
- In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: agrarisch bedrijf: bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren; ab. beschermingszones radioastronomie: zones rond de Dwingeloo radiotelescoop, de Westerbork synthese radiotelescoop en het centrale gebied van de LOFAR radiotelescoop ter voorkoming van elektromagnetische storing aangegeven op kaart 12 en zoals bepaald in paragraaf 4.3.1 van de Omgevingsvisie; b. bedrijvenregio:binnen Drenthe bestaan de regio's Groningen - Assen en de Drentse Zuidas; c. bedrijventerrein: cluster van aaneengesloten percelen met een minimumoppervlakte van ten minste 1 hectare bruto dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening, met uitzondering van terreinen voor agrarische doeleinden en terreinen voor afvalstort; d. beeldkwaliteitsplan:plan dat eisen en aanbevelingen bevat:
- met betrekking tot inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot de karakteristieken en kwaliteiten van een gebied;
- met betrekking tot stedenbouwkundige en architectonische vorm, massa en (wegen)structuur van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen; met het oogmerk de kwaliteit van ruimtelijke ontwikkelingen te waarborgen alsmede de wijze waarop deze in hun omgeving worden ingepast, en dat juridisch deel uitmaakt van het ruimtelijk plan waarop het betrekking heeft; e. bestaande bebouwing: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden op grond van een bouwvergunning/omgevingsvergunning, met uitzondering van bebouwing die gebouwd is zonder bouwvergunning/ omgevingsvergunning en in strijd is met het op dat tijdstip geldende bestemmingsplan, wijzigingsplan of vrijstellingsbesluit ex artikel 19 WET RUIMTELIJKE ORDENING, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van genoemde planvormen; f. bestaand gebruik: gebruik van grond en bebouwing dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestond, met uitzondering van gebruik dat op dat tijdstip in strijd was met het geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan. fa. bestaand stedelijk gebied: het bestaand stedelijk gebied komt neer op het feitelijke stedelijk gebied, aangevuld met verleende bouwrechten in onherroepelijk geworden bestemmingsplannen en inpassingsplannen. Tot het stedelijk gebruik wordt gerekend woon- en bedrijfsbebouwing, waartoe ook gerekend worden openbare voorzieningen en verkeersinfrastructuur, van een stad, dorp of kern; g. complex van recreatiewoningen: een terrein of een plaats van enige omvang, al dan niet geheel of gedeeltelijk met gemeenschappelijke voorzieningen ingericht, en blijkens die inrichting en juridische bestemming bedoeld om meerdere recreatiewoningen te plaatsen of geplaatst te houden en bedrijfsmatig te exploiteren; h. ecologische hoofdstructuur:een samenhangend netwerk van gebieden, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen; i. glastuinbouwbedrijf: een agrarisch bedrijf gericht op de teelt of veredeling van gewassen geheel of nagenoeg geheel met behulp van kassen; j. grondgebonden agrarisch bedrijf: agrarisch bedrijf waarvan de exploitatie geheel of grotendeels gebonden is aan aanwezige gronden; ja. informatiewaarde: de betekenis van een kernkwaliteit als bron van kennis over het verleden; k. intensieve veehouderij:agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en die gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkveehouderij en het biologisch houden van dieren conform de Landbouwkwaliteitswet; l. kantoor:inrichting voor de bedrijfsmatige uitoefening van administratieve diensten; m. kassen: gebouwen van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de teelt of veredeling van tuinbouwgewassen, fruitteelt of sierteelt; n. kernkwaliteiten:de mate waarvan in een concrete situatie sprake is van
- stilte en duisternis;
- openheid van het landschap;
- natuur binnen de ecologische hoofdstructuur;
- diversiteit en gaafheid van het landschap;
- cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden;
- sociale, externe en verkeersveiligheid;
- leefbaarheid, kleinschaligheid, alleen waar deze zijn aangeduid op kaart 2, Kernkwaliteiten, van de Omgevingsvisie; o. kernwaarde bedrijvigheid: de economische dynamiek binnen of in de directe omgeving van het plangebied, voor zover deze zich vertaalt in een bijdrage aan de vitaliteit, waaronder mede begrepen de werkgelegenheid; p. landgoed: een landgoed is een landschappelijk ontwikkeld gebied met 1 wooneenheid, eventueel in combinatie met ondergeschikte functies, die het voornamelijk door architectonische verbintenis met een landgoedontwerp allure en uitstraling verkrijgt, waarbij geldt dat:
- het landgoed minimaal 5 hectare bos bevat;
- het landgoed past in het bosclusteringsgebied zoals aangegeven in de paragraaf 4.3.3 van de Omgevingsvisie;
- het landgoed openbaar toegankelijk is;
- het landgoed een ecologische, economische en esthetische eenheid vormt;
- het landgoed past in het aanwezige landschap en houdt rekening met de cultuurhistorie en bodemgesteldheid; q. landschappelijk inpassingsplan:juridisch bindend plan dat aangeeft op welke wijze inpassing van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt. Tot deze inpassing behoren situering van de opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap. Het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap. Een en ander uit zich in een ontwerpgerichte benadering waarin de karakteristieken en kwaliteiten verder worden versterkt; r. locatie voor kantoren:perceel of cluster van aaneengesloten percelen waarop gebouwen gerealiseerd dan wel te realiseren zijn met een minimale bruto vloeroppervlakte van 3.000 m2 uitsluitend of hoofdzakelijk voor kantoren en daarbij behorende voorzieningen; s. lokale werklocatie: een bedrijventerrein dat:
- plaats biedt aan bedrijven met een lokale oriëntatie om reden van de sociale binding aan de kern en haar directe omgeving (veelal doordat de eigenaar daar in de buurt woonachtig is) vooral qua arbeidsmarkt en qua toelevering- en afnemersrelaties;
- bedrijven huisvest die kleinschalig zijn;
- plaats biedt aan bedrijfsbebouwing die qua kwaliteit, volume en kavelgrootte aansluiten bij de kwaliteit van de directe omgeving;
- geen ruimte biedt voor significant milieubelastende activiteiten (maximaal categorie 3 volgens VNG-uitgave Handreiking bedrijven en milieuzonering). Op basis van duidelijk gemotiveerd uitzonderingsbeleid is de vestiging van categorie-4-bedrijven eventueel ook mogelijk; sa. maatschappelijk belang: een belang is maatschappelijk wanneer het educatief, sociaal-medisch, sociaaleconomisch, sociaal-cultureel, recreatief of levensbeschouwelijk van aard is, de duurzaamheid bevordert, dan wel gerelateerd is aan sport of aan openbare dienstverlening; t. multifunctionele gebieden:gebieden waar meerdere provinciale functies en ambities samenkomen en waarbij geen duidelijke hoofdfunctie valt te onderscheiden. Het gaat om combinaties van landbouw, natuur, water, recreatie en landschap; u. neventak: aan de agrarische hoofdactiviteit ondergeschikte activiteiten die niet rechtstreeks tot de bedrijfsvoering van die hoofdactiviteit behoren; v. Omgevingsvisie: de Omgevingsvisie Drenthe, zoals vastgesteld door provinciale staten op 2 juni 2010 en gepubliceerd op 11 augustus 2010, inclusief bijbehorend kaartmateriaal (waarvan de visiekaart op 7 juli 2010 door provinciale staten bij besluit 2010-441-1 met een aanpassing gewijzigd is vastgesteld); w.permanente bewoning:gebruik van een recreatiewoning als feitelijk hoofdverblijf; x. recreatiewoning: woning ten behoeve van tijdelijk recreatief verblijf; y. regionale werklocatievisie:een werklocatievisie is regionaal wanneer deze tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio is afgestemd en minimaal de onderwerpen planningsbehoefte en fasering, de kwantitatieve verdeling, de herstructureringsopgave, mogelijkheden voor lokale en regionale segmentatie en de inpassing van milieuhinderlijke bedrijven met betrekking tot de regionale werklocatie omvat; z. regionale werklocatie: een bedrijventerrein of locatie voor kantoren die plaats biedt aan bedrijven met een bovenlokale oriëntatie, zowel qua arbeidsmarkt als qua toelevering- en afnemersrelaties, en die is gelegen in 1 van de 2 stedelijke netwerken (Groningen-Assen of de Drentse Zuidas), dan wel het VAM/MERA-terrein te Wijster betreft; aa. robuust systeem:een systeem is robuust als een verstoring door een ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor het functioneren van het systeem als zodanig. Het gaat in Drenthe om stedelijke netwerken, watersysteem, landbouw en natuur, zoals globaal weergegeven op kaart 1 (Visie 2020) behorende bij de Omgevingsvisie; bb. rood-voor-groen regeling: regeling waarbij nieuwe bebouwing gekoppeld is aan een substantiële verbetering van in de directe omgeving daarvan aanwezige kwaliteiten van natuur, water of landschap of de recreatieve mogelijkheden van omgeving, waartoe mede het in de Omgevingsvisie (paragraaf 4.3.1) bepaalde voor landgoederen wordt gerekend; cc. ruimtelijk plan: bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, een besluit zoals genoemd in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een beheersverordening zoals bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, een beheersverordening zoals bedoeld in artikel 3.22 van de Wet ruimtelijke ordening of een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de CHW; dd. ruimte-voor-ruimteregeling: regeling ter verbetering van ruimtelijke kwaliteit in landelijk gebied door het verwijderen van landschapsontsierende voormalige agrarische bebouwing waarbij de agrarische functie definitief wordt beëindigd en waarbij ter compensatie voor de verwijderde bebouwing de bouw van een of meerdere woningen wordt toegestaan, zoals vastgelegd in de door gedeputeerde staten vastgestelde beleidsregel d.d. 18 januari 2011; ee. SER-ladder: een methode om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik bij het inpassen van ruimtebehoefte langs de volgende stappen:
- gebruik de ruimte die al beschikbaar is gesteld voor een bepaalde functie of door herstructurering beschikbaar gemaakt kan worden;
- maak optimaal gebruik van de mogelijkheden om door meervoudig ruimtegebruik de ruimteproductiviteit te verhogen;
- indien het voorgaande onvoldoende soelaas biedt, is de optie van uitbreiding van het ruimtegebruik buiten bestaand stedelijk gebied aan de orde. Daarbij dienen de verschillende relevante waarden en belangen goed te worden afgewogen in een gebiedsgerichte aanpak. Door een zorgvuldige keuze van de locatie van de ruimtebehoevende functie en door investeringen in kwaliteitsverbetering van de omliggende groene ruimte moet worden verzekerd dat het meerdere ruimtegebruik de kwaliteit van natuur en landschap respecteert en waar mogelijk versterkt; gg. perifere detailhandel: winkelformules die onder andere vanwege hun omvang of aard veelal gevestigd zijn op werklocaties buiten bestaande winkelconcentraties in de stedelijke, dorps- of wijkwinkelcentra, zoals tuincentra, bouwmarkten en wooninrichtingszaken; hh. vrijkomende agrarische bebouwing: bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel dat door (gedeeltelijke) beëindiging van het agrarische bedrijf vrij komt voor invulling met een niet-agrarische functie, dan wel gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een voormalige overeenkomstige bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn geweest, maar inmiddels een niet-agrarische functie hebben; ii. weidewinkel:zelfstandige detailhandelverkoop buiten het bestaand stedelijk gebied; jj. werklocatie: bedrijventerrein of een locatie voor kantoren; kk. wezenlijke kenmerken en waarden: voor gebieden met een agrarische bestemming de aanwezige waarden en voor gebieden met een andere bestemming de aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, neergelegd in de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, de mate van stilte donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde; ll. windturbine:door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit; nn. woonregio:binnen Drenthe bestaan de woonregio's Noord-Drenthe (gemeenten Aa en Hunze, Assen, Noordenveld, Tynaarlo en Midden-Drenthe), Zuidoost-Drenthe (gemeenten Borger-Odoorn, Coevorden en Emmen) en Zuidwest-Drenthe (gemeenten Hoogeveen, De Wolden, Meppel en Westerveld). oo. regionale woonvisie:een regionaal beleidsdocument waarin - op basis van een gezamenlijke analyse - tussen alle gemeenten in een woonregio afstemming plaatsvindt over minimaal de onderwerpen demografie, ontwikkelingen op de woningmarkt, invulling van de ruimtevraag (bundelingsbeleid, zorgvuldig ruimtegebruik en de kernenstructuur), doelgroepenbenadering (kwalitatieve afstemming) en monitoring (uitvoering en effecten van de regionale woonvisie) omvat. Deze visie is basis voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen. Deel III, Milieu Hoofdstuk 4, Geluidhinderdienst Drenthe Artikel 4.1 Er is een provinciale geluidhinderdienst die in elk geval een meetdienst en een klachtendienst omvat. Artikel 4.2 Geluidhinderklachten, waarvan de behandeling en verwerking tot de bevoegdheid van een andere instantie dan de provincie behoren, worden zo spoedig mogelijk aan die instantie ter behandeling doorgegeven. Artikel 4.3
- De klachtendienst licht de indiener van een geluidhinderklacht zo spoedig mogelijk in over de behandeling en verwerking van de klacht.
- In het geval van artikel 4.2 bericht de klachtendienst de indiener van de geluidhinderklacht over het doorgeven van de klacht, met vermelding van de reden van het doorgeven. Het bericht vermeldt tevens aan welk bestuursorgaan de klacht is doorgegeven.
- Indien de klacht niet binnen 3 maanden is afgehandeld, verzoekt de klachtendienst het betrokken bestuursorgaan de indiener van de klacht over de stand van zaken met betrekking tot de behandeling van de klacht te informeren.
- Indien de behandeling en verwerking van de klacht tot de bevoegdheden van gedeputeerde staten behoren en de klacht niet binnen 3 maanden is afgehandeld, informeert de klachtendienst de indiener over de stand van zaken met betrekking tot de behandeling van de klacht. Artikel 4.4
- De klachtendienst brengt ten minste eenmaal per kalenderjaar van de ingekomen klachten en de behandeling daarvan verslag uit aan gedeputeerde staten.
- Het verslag bevat een overzicht van de ontvangen geluidhinderklachten, met inbegrip van de klachten in de zin van artikel 4.
- Het verslag vermeldt de wijze waarop de klachten zijn behandeld en verwerkt. HOOFDSTUK 5, WARMTE- EN KOUDEOPSLAG Artikel 5.1, Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. WKO-systeem: een bodemenergiesysteem dat kan bestaan uit een open dan wel een gesloten systeem; b. open systeem: een bodemenergiesysteem waarmee uitwisseling van warmte of koude met de bodem plaatsvindt door grondwater uit de bodem te onttrekken en weer daarin terug te brengen; c. gesloten systeem: een bodemenergiesysteem waarmee uitwisseling van warmte of koude met de bodem plaatsvindt, zonder daarbij grondwater te verplaatsen; d. zone I: een in de ondergrond liggende zone die ligt tussen het maaiveld en een diepte van 25 m beneden maaiveld; e. zone II: een in de ondergrond liggende zone die ligt tussen een diepte van 25 m beneden maaiveld en een diepte van 300 m beneden maaiveld; f. rood gebied: een verbodsgebied dat in deze verordening is aangewezen waar bodemenergie niet is toegestaan; g. oranje gebied: een restrictiegebied dat in deze verordening is aangewezen en als zodanig op kaart staat aangegeven, waar in geval van strijdige belangen de bescherming van daarbij aangewezen belangen voorrang heeft op de toepassing van bodemenergie; h. groen gebied: een gebied dat niet is aangewezen als rood of oranje gebied; i. klein systeem: een WKO-systeem waarbij bij een open systeem de onttrokken hoeveelheid maximaal 10 m3 per uur bedraagt en bij gesloten systemen sprake is van een maximale capaciteit van 70 kW (thermisch); j. eco-scan: een onderzoek als bedoeld in de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet naar de mogelijk negatieve effecten op de flora en fauna van de geplande activiteit; k. archeologische toets: een (voor)onderzoek als bedoeld in de Wet op de Archelogische Monumentenzorg naar de gevolgen van een activiteit voor de mogelijke archelogische waarden in een gebied; l. WKO-masterplan: een plan waarin het gebruik van de ondergrond in een bepaald gebied ten aanzien van open en gesloten WKO-systyemen zo optimaal mogelijk wordt geregeld. Artikel 5.2, Doelstellingen De toepassing van dit hoofdstuk is gericht op het zodanig reguleren en sturen van de aanleg van WKO-systemen dat hiermee een bijdrage wordt geleverd aan een duurzame energieopwekking. Tevens is het gericht op het stimuleren dat WKO op een zodanige wijze wordt aangelegd dat rekening wordt gehouden met de onderlinge relatie van deze WKO-systemen en andere (toekomstige) belangen die spelen in de ondergrond. Artikel 5.3, Open systemen
- Het verbod als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet is niet van toepassing op het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem in een groen gebied waarbij de te onttrekken hoeveelheid ten hoogste 10 m3 per uur bedraagt en wordt voldaan aan hetgeen met betrekking tot deze onttrekking is opgenomen in Bijlage II van deze verordening.
- Van de voorgenomen aanleg van een bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid doet de eigenaar van het perceel waarop het perceel wordt aangelegd 2 weken voor de start van de aanleg melding bij gedeputeerde staten Artikel 5.4, Gesloten systemen
- Het is verboden om een gesloten WKO-systeem aan te leggen of te hebben.
- Het is verboden om in zone II een gesloten WKO-systeem aan te leggen door middel van een methode waarbij het systeem in de bodem wordt gedrukt.
- Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op de aanleg van een klein systeem in een groen gebied als wordt voldaan aan hetgeen met betrekking tot dit gesloten WKO-systeem is opgenomen in Bijlage II van deze verordening.
- Van de voorgenomen aanleg van een gesloten WKO-systeem als bedoeld in het derde lid doet de eigenaar van het perceel waarop het perceel wordt aangelegd 2 weken voor de start van de aanleg melding bij gedeputeerde staten.
- Het verbod genoemd in het eerste lid is niet van toepassing op gesloten WKO-systemen die aanwezig waren op het moment van inwerkingtreding van dit artikel. Artikel 5.5, Ontheffing gesloten systeem Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid. Artikel 5.6, Melding en ontheffing Voor het doen van een melding of het aanvragen van een ontheffing als bedoeld in dit hoofdstuk, wordt gebruikgemaakt van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier. Artikel 5.7, Aanvullende voorwaarden Bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet of een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 5.5, dat betrekking heeft op een WKO-systeem dat wordt aangelegd in een oranje gebied, gaat: a. in het geval dat er sprake is van een gebied dat is aangewezen op grond van de Habitat- of Vogelrichtlijn dan wel de Natuurbeschermingswet de aanvraag vergezeld van een eco-scan; b. in het geval dat er sprake is van een gebied dat is opgenomen op de door de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek vastgestelde Archeologische monumentenkaart de aanvraag vergezeld van een archeologische toets. Artikel 5.8, WKO-masterplan
- De gemeente kan een WKO-masterplan vaststellen.
- Het plan moet worden goedgekeurd door gedeputeerde staten.
- Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de inhoud van het WKO-masterplan. Artikel 5.9, Reikwijdte WKO-masterplan Indien de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet of een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 5.5 betrekking heeft op een WKO-systeem dat wordt aangelegd in een gebied waarop een WKO-masterplan van toepassing is, nemen gedeputeerde staten bij de verlening van de vergunning of ontheffing hetgeen hierover is opgenomen in dit plan in acht. Artikel 5.10, Voorschriften en beperkingen gesloten systemen
- Aan een ontheffing als bedoeld in artikel 5.5 kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. De aan de ontheffing te verbinden voorschriften kunnen mede betrekking hebben op het na het staken van de vergunde handeling wegnemen, compenseren of beperken van de door de vergunde handeling of het staken van die handeling veroorzaakte nadelige gevolgen voor het watersysteem.
- Gedragingen in strijd met de aan de ontheffing verbonden voorschriften zijn verboden. Artikel 5.11, Weigeringsgronden Een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet of een ontheffing als bedoeld in artikel 5.5, wordt geweigerd: a. voor zover de verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 5.2; b. indien uit de onderzoeken als bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, onder a of b, blijkt dat de realisatie van een WKO-systeem onacceptabele schade veroorzaakt aan de te beschermen waarden in dat gebied of in strijd is met de doelstellingen die ten grondslag liggen aan de belangen op grond waarvan het gebied of het object zijn bijzondere status heeft gekregen; c. indien het WKO-systeem effecten veroorzaakt in een rood gebied. Artikel 5.12, Wijziging
- Gedeputeerde staten kunnen een ontheffing als bedoeld in artikel 5.5 en de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen wijzigen of aanvullen.
- Gedeputeerde staten kunnen de ontheffing als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk intrekken, indien de ontheffing gedurende 3 achtereenvolgende jaren niet is gebruikt.
- Gedeputeerde staten trekken de ontheffing als bedoeld in het eerste lid of de vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet geheel of gedeeltelijk in: a. op aanvraag van de vergunninghouder; b. indien zich omstandigheden en feiten voordoen waardoor de handeling of handelingen waarvoor de ontheffing is verleend niet langer toelaatbaar worden geacht met het oog op het belang waarmee deze regeling is opgesteld. Artikel 5.13, Rechtsopvolging
- De ontheffing geldt tevens voor de rechtsopvolgers van de vergunninghouder, tenzij dat bij de ontheffing anders is geregeld.
- De rechtsopvolger van de ontheffing doet binnen 4 weken nadat de ontheffing voor hem is gaan gelden daarvan mededeling aan gedeputeerde staten. Hoofdstuk 6, Bodemsanering Titel 6.1, Landbodemsanering Artikel 6.1
- De melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming, het rapport van het nader onderzoek, het saneringsplan, een melding van wijziging van het saneringsplan, het evaluatieverslag en het nazorgplan worden met de daarbij behorende stukken in vijfvoud bij gedeputeerde staten ingediend, waarbij gebruik wordt gemaakt van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier.
- Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot gegevens die moeten worden vermeld bij de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming, in het rapport van het nader onderzoek, in het saneringsplan, bij een melding van wijziging van het saneringsplan, in het evaluatieverslag en in het nazorgplan. Artikel 6.2 Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk 13 weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan gedeputeerde staten aan. Artikel 6.3 Indien gedeputeerde staten opdracht geven om een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering uit te voeren, stellen zij ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep in, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. Artikel 6.4
- De projectgroep als bedoeld in artikel 6.3 heeft tot taak gedeputeerde staten haar zienswijze te geven over de uitvoering van het in artikel 48 van de Wet bodembescherming bedoelde nader onderzoek en saneringsonderzoek, respectievelijk de in dat artikel bedoelde sanering.
- Een projectgroep bestaat ten minste uit: a. een vertegenwoordiger van gedeputeerde staten; b. een vertegenwoordiger van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen het geval van verontreiniging is gelegen; c. voor zover mogelijk een vertegenwoordiger van de ingezetenen van de betrokken gemeente en van andere belanghebbenden bij de uitvoering van het nader onderzoek, het saneringsonderzoek of de sanering van dat geval. Hoofdstuk 7, Gebieden Titel 7.1, Aanwijzing gebieden Artikel 7.1
- Als gebieden ter bijzondere bescherming van het grondwater met het oog op de winning van grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening worden aangewezen de gebieden die als gebieden ter bescherming van het grondwater zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart A.
- Een gebied ter bescherming van het grondwater kan bestaan uit de volgende zones: a. waterwingebied b. grondwaterbeschermingsgebied c. verbodszone diepe boringen d. grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa
- In de gebieden ter bescherming van het grondwater gelden de in titel 7.3 opgenomen regels voor zover dat voor de verschillende zones is aangegeven. Artikel 7.2 Als gebieden ter voorkoming of beperking van geluidhinder worden aangewezen de gebieden die als stiltegebieden zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart A. In deze gebieden gelden de in titel 7.4 opgenomen regels. Titel 7.2, Zorgplichtbepaling Artikel 7.3
- Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een gebied dat in artikel 5.1.2 is aangewezen kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten behoudens voor zover dat ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk uitdrukkelijk is toegestaan dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
- In geval van een verontreiniging of een direct dreigende verontreiniging van het grondwater behoort tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval dat degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten, terstond gedeputeerde staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf informeert.
- Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing: a. voor zover artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1, eerste, tweede of derde lid, van de Wet milieubeheer of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is; b. met betrekking tot inrichtingen tenzij in deze verordening anders is bepaald. Titel 7.3, Grondwaterbescherming Paragraaf 7.3.1, Bevoegd gezag Artikel 7.3a (bevoegd gezag) Waar in titel 7.3 sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoeld: a. indien sprake is van een toestemming voor een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, van de Wet milieubeheer: het daartoe bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen bevoegde gezag; b. in alle andere gevallen: gedeputeerde staten. Paragraaf 7.3.2, Waterwingebieden Artikel 7.4a Waar in titel 7.3 sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoeld: a. indien sprake is van een toestemming voor een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, van de Wet milieubeheer: het daartoe bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen bevoegde gezag; b. in alle andere gevallen: gedeputeerde staten. Artikel 7.4 (inrichtingen)
- Het is verboden in een waterwingebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.
- Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien het in werking hebben van de inrichting noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening. Artikel 7.5 (activiteiten buiten inrichtingen)
- Het is in waterwingebieden verboden: a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen; b. een constructie of werk van welke aard dan ook op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan; c. grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt; d. handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd; e. een lozing in de bodem uit te voeren.
- Onder schadelijke stoffen worden in elk geval begrepen aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen, IBC-bouwstoffen, meststoffen als bedoeld in de Meststoffenwet en gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
- Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in elk geval begrepen boorputten, grond- en funderingswerken, wegen, parkeergelegenheden voor motorvoertuigen, kampeerterreinen, recreatiecentra, leidingen, installaties, opslagreservoirs, begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as.
- Het in het eerste lid onder a, b en c gestelde verbod geldt niet voor: a. het oprichten en hebben van boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; b. het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding; c. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; d. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; e. het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; f. het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit; g. het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembescherming.
- Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien de desbetreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening of als de activiteit of gedraging is opgenomen in een beheerplan als bedoeld in artikel 7.
- Artikel 7.6 (beheerplannen)
- De waterleidingmaatschappij stelt, voor de bij haar in gebruik zijnde waterwingebieden, beheerplannen op waarin is aangegeven op welke wijze de waterwingebieden zijn of worden ingericht en beheert en op welke wijze de bodem en het grondwater worden beschermd met het oog op de waterwinning. In de beheerplannen kan worden aangegeven welke activiteiten en handelingen als bedoeld in artikel 7.5 in het voor dat gebied opgestelde beheerplan naar de mening van de waterleidingmaatschappij in dat gebied toegestaan zijn.
- Het in het eerste lid bedoelde beheerplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten. Paragraaf 7.3.3, Grondwaterbeschermingsgebieden Artikel 7.7 (inrichtingen) Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een of meer van de categorieën die zijn aangewezen in bijlage I. Artikel 7.8 (boorputten en grond- of funderingswerken)
- Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben. Het verbod geldt niet voor: a. boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; b. het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet bodembescherming; of c. tijdelijke bronbemaling, mits de BRL SIKB 2101 Mechanisch boren in acht wordt genomen en voor de algemene kwaliteitseisen voor het uitvoerende boorbedrijf BRL SIKB 2100 in acht wordt genomen.
- Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 3 m of meer onder het maaiveld. Het verbod geldt niet voor graafwerkzaamheden en het inbrengen van palen indien wordt voldaan aan de volgende algemene voorschriften: a. bij graafwerkzaamheden: indien grond wordt verwijderd, wordt het bodemprofiel aangevuld tot ten minste 3 m onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken; b. voor het inbrengen van palen: indien uitsluitend gebruik gemaakt wordt van: 1° grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; 2° in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken; of 3° schroefpalen.
- Van het voornemen tot het oprichten van een boorput of het uitvoeren van grond- of funderingswerken, waarbij toepassing wordt gegeven aan de in het tweede lid bedoelde voorschriften, doet degene die de activiteit onderneemt een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 7.20 van toepassing. Artikel 7.
- (buisleidingen) Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een buisleiding te leggen, te hebben, te vervangen, te veranderen of te verleggen. Artikel 7.10 (gebouwen, wegen en andere verhardingen)
- Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om afstromend water van gebouwen en verhardingen op of in de bodem te lozen. Het verbod geldt niet voor oppervlakkige infiltraties: a. ten aanzien van gebouwen: indien geen bouwmaterialen worden gebruikt die tot gevolg hebben dat schadelijke stoffen door afspoelen of uitloging in het afstromend water kunnen komen en afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem; b. ten aanzien van wegen: indien het afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem.
- Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden afstromend water via diepinfiltratie in het grondwater te lozen.
- Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden parkeergelegenheid voor motorvoertuigen, anders dan voor privégebruik, aan te bieden indien het terrein niet is voorzien van een aaneengesloten verharding.
- Van het voornemen tot het lozen van afstromend water op of in de bodem als bedoeld in het eerste lid, doet degene die de activiteit onderneemt een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 7.20 van toepassing. Artikel 7.11 (begraafplaatsen) Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een begraafplaats of uitstrooiveld, als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te hebben. Artikel 7.12 (gewasbeschermingsmiddelen) Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden buiten inrichtingen gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken indien:
- in de voor die gewasbeschermingsmiddelen door de Ctgb afgegeven toelatingsbeschikking als wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen: "Het is verboden dit middel in grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodembescherming, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen, zoals grondboringen zijn verboden, te gebruiken";
- in de voor die gewasbeschermingsmiddelen door de Ctgb afgegeven toelatingsbeschikking als wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen dat het gebruik in bepaalde perioden, op bepaalde gronden of in bepaalde gewassen verboden is binnen grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodembescherming, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen zoals grondboringen zijn verboden, waar het gaat om toepassingen in die bepaalde perioden, op die bepaalde gronden of in die bepaalde gewassen. Artikel 7.13 (warmtetoevoeging en -onttrekking) Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd. Artikel 7.14 (IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie)
- Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied IBC-bouwstof toe te passen.
- Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied grond of baggerspecie toe te passen.
- Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor de toepassing van grond of baggerspecie: a. op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie 1° de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel 2° de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is; b. in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie 1° de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel 2° de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is; c. bij toepassing in een omvang van meer dan 5.000 m3 indien wordt aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de desbetreffende drinkwaterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie 1° bij een toepassing op of in de bodem de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt; 2° bij een toepassing in oppervlaktewater de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt; d. voor zover het betreft baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen: op het aangrenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen.
- Van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid, onder c, doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. De melding bevat de resultaten van locatiespecifiek onderzoek op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen. Ten aanzien van de melding is artikel 7.20 van toepassing. Paragraaf 7.3.4, Verbodszone diepe boringen Artikel 7.15
- De artikelen 7.8, 7.10, tweede lid, en 7.13 zijn van toepassing in verbodszones diepe boringen, met dien verstande dat in die artikelen voor "grondwaterbeschermingsgebied" wordt gelezen: verbodszone diepe boringen.
- De in het eerste lid van toepassing verklaarde verboden gelden niet indien de activiteiten of handelingen waarop deze verboden betrekking hebben niet dieper gaan dan de voor die zone geldende en op kaart aangegeven maximale diepte. Paragraaf 7.3.5, Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa Artikel 7.16 Het is verboden om vanuit de op kaart aangegeven waterlopen oppervlaktewater in te nemen bestemd voor het (rechtstreeks) vullen en spoelen van machines voor het verspuiten van gewasbeschermingsmiddelen. Artikel 7.17
- Het is verboden om binnen een afstand van 4 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater van de op kaart aangegeven waterlopen gewasbeschermingsmiddelen toe te passen.
- Het verbod in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op het gebruik van op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden toegelaten gewasbeschermingsmiddelen door middel van de pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring en jacobskruiskruid op gronden in gebruik als grasland, wegbermen, plantsoenranden en/of bermen langs spoorwegen, met uitzondering van: a. die gewasbeschermingsmiddelen waarbij in de voor die gewasbeschermingsmiddelen door de Ctgb afgegeven toelatingsbeschikking als wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen: "Het is verboden dit middel in grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodembescherming, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen zoals grondboringen zijn verboden, te gebruiken"; b. die gewasbeschermingsmiddelen waarbij in de voor die gewasbeschermingsmiddelen door de Ctgb afgegeven toelatingsbeschikking als wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen dat het gebruik in bepaalde perioden, op bepaalde gronden of in bepaalde gewassen verboden is binnen grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodembescherming, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen zoals grondboringen zijn verboden, waar het gaat om toepassingen in die bepaalde perioden, op die bepaalde gronden of in die bepaalde gewassen. Paragraaf 7.3.6, Aanduiding gebieden Artikel 7.18
- De waterleidingmaatschappij dient de grondwaterbeschermingsgebieden en de waterwingebieden aan te duiden door middel van borden, waarvan het model door gedeputeerde staten is vastgesteld.
- De borden met het opschrift "grondwaterbeschermingsgebied" respectievelijk "waterwingebied" dienen te worden geplaatst langs alle verharde en onverharde openbare wegen die de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk de waterwingebieden doorkruisen c.q. daaraan grenzen en wel bij de buitenste grens van de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk waterwingebieden. Paragraaf 7.3.7, Overige bepalingen Artikel 7.19 (relatienotagebied) Deze titel is niet van toepassing op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer. Artikel 7.20 (meldingen)
- Indien in deze titel het doen van een melding is voorgeschreven, wordt in de melding aangegeven: a. de naam en het adres van degene die de melding doet; b. de dagtekening; c. een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft; d. een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden; e. op welke wijze aan de bodembeschermende voorschriften wordt voldaan.
- De melding wordt gedaan aan het bevoegd gezag uiterlijk negen weken voordat tot de handeling waarop de melding betrekking heeft, wordt overgaan.
- Het bevoegd gezag staten bevestigt de ontvangst van de melding en sturen onverwijld een afschrift van de melding aan de waterleidingmaatschappij. De waterleidingmaatschappij geeft uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst van de melding schriftelijk zijn oordeel of op basis van die gegevens verwacht mag worden dat wordt voldaan aan de voorschriften, waarop de melding betrekking heeft.
- De aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden waarop de melding betrekking heeft, wordt minimaal twee weken van tevoren schriftelijk aan het bevoegd gezag gemeld.
- Indien de voorgenomen toepassing niet binnen zes maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde melding is aangevangen, dient opnieuw een melding te worden gedaan. Artikel 7.21 (ontheffingen)
- Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit waarop een verbod betrekking heeft, noodzakelijk maakt, kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen van de in de artikelen 7.5, 7.8, 7.9 voor zover sprake is van transport van niet verontreinigd aardgas, 7.10 en 7.14 opgenomen verboden. Aan de ontheffing worden de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden.
- De aanvrager vermeldt in de aanvraag om ontheffing het algemeen belang dat met de uitvoering van de activiteit is gediend.
- Het bevoegd gezag stelt de inspecteur en de waterleidingmaatschappij in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om ontheffing. Artikel 7.22 (overgangsrecht) Het verbod genoemd in de artikelen 7.4, 7.7, 7.8, eerste en tweede lid, 7.9, 7.11 en 7.13 is niet van toepassing op een inrichting of een activiteit die is opgericht of al werd uitgevoerd voor de inwerkingtreding van die artikelen. Titel 7.4, Stilte Paragraaf 7.4.1, Begripsbepalingen Artikel 7.17 In deze titel wordt verstaan onder: a. een geluidsapparaat, toestel, motorvoertuig en bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder; b. openbare weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip "wegen", met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers en fietsers. Paragraaf 7.4.2, Verbodsbepalingen Artikel 7.18 Het is verboden een grootschalig evenement waarbij gebruik wordt gemaakt van: a. een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen; b. een modelvliegtuig, modelboot, of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; c. een muziekinstrument en een ander daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan geluidversterker, te houden of te organiseren. Artikel 7.19 Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. Artikel 7.20 Het is verboden een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen. Paragraaf 7.4.3, Vrijstellingen Artikel 7.21 De verboden in artikelen 7.19 en 7.20 gelden niet voor zover deze betrekking hebben op: a. een motorvoertuig of bromfiets dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin-, bosbouw of vervening of ten behoeve van het onderhoud van het stiltegebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies; b. motorvoertuigen en bromfietsen voor zover sprake is van elektrische aandrijving. Paragraaf 7.4.4, Aanduiding gebieden Artikel 7.22 Gedeputeerde staten duiden een stiltegebied aan door middel van borden, waarvan het model door gedeputeerde staten is vastgesteld. Deel IV, Natuur en landschap Hoofdstuk 8, Ontgrondingen Artikel 8.1, Vrijstellingen
- Het verbod van artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet geldt niet voor de hierna genoemde werkzaamheden, die uitsluitend zijn of omvatten: a. het uitvoeren van rijkswaterstaats- en waterschapswerken, door het bevoegde gezag goedgekeurde bodemsaneringen en werken door of op last van de provincie uit te voeren; b. het aanleggen en wijzigen van watergangen, deel uitmakend van een stelsel van waterlopen, voor zover deze een bovenbreedte van niet meer dan 6 m, een bodembreedte van niet meer dan 3 m en een diepte van niet meer dan 2 m beneden het maaiveld ter plaatse hebben of zullen verkrijgen; c. het delven, openen en ruimen van graven, het leggen, onderhouden en opruimen van buisleidingen en kabels met toebehoren, het plaatsen, aanbrengen, oprichten, wijzigen, onderhouden en opruimen van bouwwerken en hun funderingen, beplantingen, palen en andere in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen en het doen van grondboringen en sonderingen; d. het aanleggen, onderhouden, wijzigen en opruimen van tuinen, vijvers, putten, reservoirs en bassins, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd op erven bij woningen of bedrijven, de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven en er niet meer dan 1.000 m3 bodemmateriaal van het erf wordt afgevoerd; e. het aanleggen, onderhouden, wijzigen en opruimen van mestbassins, mits de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; f. het aanleggen en wijzigen van poelen ten behoeve van natuurontwikkeling met een maximale doorsnede van 12 m, mits de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; g. het aanleggen, onderhouden en wijzigen van openbare werken, wegen, waterkeringen, spoorwegen, vliegvelden, industrieterreinen, bouwterreinen, sport- en recreatieterreinen, plantsoenen, parken, vijvers en andere waterpartijen, mits de grondlagen dieper dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld, dan wel bij bestaande waterpartijen 3 m beneden het vlak dat wordt gevormd door denkbeeldige rechte lijnen die het maaiveld ter plaatse van de tegenover elkaar liggende oevers met elkaar verbinden, ongemoeid blijven, de hoogteligging van de terreinen na beëindiging van de werkzaamheden, behoudens ter plaatse van waterpartijen, met niet meer dan 1,5 m zal zijn verminderd en de werken plaatshebben ter uitvoering van een geldend bestemmingsplan of krachtens een vrijstelling of een aanlegvergunning op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, nadat gedeputeerde staten daarvoor een verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven; h. het oprichten en veranderen van een inrichting, waarvoor krachtens de Wet milieubeheer een vergunning is vereist, tot het op of in de bodem brengen van afvalstoffen of tot het opslaan van bodemmateriaal, mits de grondlagen dieper dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; i. het verrichten van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie.
- Het eerste lid is niet van toepassing op ontgrondingen die geschieden ter verkrijging van bodemmateriaal, behoudens ten behoeve en ter plaatse van de activiteiten genoemd in het eerste lid, onder d, e en h.
- Het verbod van artikel 3, eerste lid van de Ontgrondingenwet geldt eveneens niet voor: a. werkzaamheden aan en in gronden, gebezigd voor de uitoefening van een land-, tuin- of bosbouwbedrijf, mits deze werkzaamheden uitsluitend geschieden ten dienste van het bedrijf en de daartoe behorende gronden, de hoogteligging van de gronden na beëindiging van de werkzaamheden met niet meer dan 0,5 m zal zijn verminderd, er geen afvoer van bodemmateriaal plaatsheeft voor gebruik buiten het bedrijf waartoe de gronden behoren en de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van wallen; b. werkzaamheden verricht door of in opdracht van natuurterreinbeherende instanties aan en in gronden die door deze instanties worden beheerd, mits de werkzaamheden zijn gericht op behoud of ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden, de hoogteligging van de gronden na beëindiging van de werkzaamheden met niet meer dan 0,5 m zal zijn verminderd, er geen afvoer van ander dan humeus bodemmateriaal plaatsheeft en de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van wallen. Artikel 8.2, Meldingen Degene die voornemens is een ontgronding uit te voeren als bedoeld in artikel 8.1, waarbij 10.000 m3 of meer bodemmateriaal wordt afgevoerd of in depot gezet, meldt dit uiterlijk 4 weken voor de aanvang van de werkzaamheden aan gedeputeerde staten met gebruikmaking van een door hen vastgesteld formulier. Bij de melding worden de gegevens verstrekt die op het meldingsformulier worden gevraagd. Artikel 8.3, Vergunningen
- Een aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning wordt met gebruikmaking van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier ingediend, vergezeld van de op grond van het aanvraagformulier verlangde gegevens en bescheiden.
- Een aanvraag tot intrekking van een vergunning bevat een aanduiding van de vergunning waarop de aanvraag betrekking heeft en de reden van de aanvraag.
- Gedeputeerde staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het eerste lid buiten behandeling laten indien de aanvrager geen eigenaar is van alle onroerende zaken waarop de aanvraag betrekking heeft en hij geen verklaring van toestemming van de eigenaar overlegt. Artikel 8.4 Gedeputeerde staten kunnen bestuursorganen, instanties en organisaties aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het geven van een beschikking betreffende het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning, of die op een andere wijze worden betrokken bij de voorbereiding van zodanige beschikking. Artikel 8.5, Eenvoudige procedure
- Gedeputeerde staten kunnen artikel 10, eerste, tweede en derde lid, van de Ontgrondingenwet buiten toepassing laten, indien de aanvraag als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, of de ambtshalve te geven beschikking, betrekking heeft op een ontgronding van geringe omvang of op een geringe uitbreiding van een ontgronding waarvoor reeds vergunning is verleend, indien andere belangen hierbij niet of nauwelijks zijn betrokken.
- Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van wijziging van een vergunning betreffende verlenging van de geldigheidstermijn, de tenaamstelling, de in de vergunningsvoorschriften genoemde zekerheidstelling en wijziging van ondergeschikte betekenis van vergunningsvoorschriften.
- Het eerste lid is eveneens van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van de vergunning op aanvraag van de vergunninghouder. Hoofdstuk 9, Vaarverbod Drentsche Aa Titel 9.1, Aanwijzing gebied Artikel 9.1 Als gebied Vaarverbod Drentsche Aa wordt ter bijzondere bescherming van natuur en landschap aangewezen het gebied dat op de bij deze verordening behorende kaarten is aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa, met uitzondering van de waterlopen ten zuiden van het wegvak Assen-Rolde van de provinciale weg N
- In het gebied Vaarverbod Drentsche Aa gelden de in titel 9.2 opgenomen regels. Titel 9.2, Het vaarverbod Artikel 9.2 Het is verboden in een waterloop te varen of een vaartuig in een waterloop te leggen of te laten drijven of te laten liggen. Artikel 9.3 Het verbod als bedoeld in artikel 9.2 geldt niet voor zover het betrekking heeft op een vaartuig dat wordt gebruikt ten behoeve van het onderhoud van de waterloop en het aangrenzende gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies. Artikel 9.4
- Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 9.2 gestelde verbod.
- Een ontheffing kan alleen worden verleend voor zover deze betrekking heeft op het verrichten van onderzoek. Artikel 9.5 Staatsbosbeheer duidt de waterlopen, waarvoor het in artikel 9.2 bedoelde verbod geldt, aan door middel van borden waarvan het model door gedeputeerde staten is vastgesteld. Deel V, Water Hoofdstuk 10, Water Titel 10.1, Normen Artikel 10.1, Aanwijzen regionale waterkeringen Als regionale keringen gelden de regionale waterkeringen die zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten. Artikel 10.2, Veiligheidsnorm
- Op de bij deze verordening behorende kaarten is voor elke regionale waterkering of voor elk deel daarvan de veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop de regionale waterkering moet zijn berekend, mede gelet op overige het waterkerende vermogen bepalende factoren.
- Gedeputeerde staten kunnen voorschriften vaststellen voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen en stellen ten behoeve van de beoordeling de maatgevende waterstanden vast.
- De verschillende regionale waterkeringen moeten uiterlijk 1 januari 2015 voor de eerste keer voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid.
- Indien een regionale waterkering is gelegen in meer dan 1 provincie, kunnen gedeputeerde staten van die provincies besluiten, dat het toezicht op die waterkering wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten van de provincie waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen. Artikel 10.3, Regionale verdringingsreeks
- In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt bij het beheer bij de in artikel 2.1, eerste lid, onder 3°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. doorspoeling van stedelijk en landelijk gebied ter voorkoming van botulisme en blauwalgen, in geval sprake is van een risico voor de volksgezondheid; b. onttrekking voor proces- en gietwater; c. doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt; d. beregening van akker- en tuinbouwgewassen, waarvoor in het tweede lid, onder a, een uitzondering wordt gemaakt.
- In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt bij het beheer bij de artikel 2.1, eerste lid, onder 4°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. beregening van akker- en tuinbouwgewassen, sportvelden en greens; b. doorspoeling tegen verzilting en verontreiniging ten behoeve van beregening akker- en tuinbouw; c. peilhandhaving klei- en zandgebieden; d. peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur; e. beregening gras/mais; f. doorspoeling tegen botulisme en blauwalgen voor zover de volksgezondheid niet in het geding is; g. het onnodig verlies van water tijdens het schutten van schepen. Artikel 10.4, Normen waterkwantiteit
- Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, dat in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, een gemiddelde overstromingskans van eens in de 100 jaar en voor het overige gebied een gemiddelde overstromingskans van eens in de 10 jaar.
- Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, een gemiddelde overstromingskans van niet vaker dan: a. eens in de 50 jaar voor glastuinbouw en hoogwaardig land- en tuinbouw, waarbij 1 % van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; b. eens in de 25 jaar voor akkerbouw, waarbij 1% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; c. eens in de 10 jaar voor grasland, niet zijnde natuur, waarbij 5% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben.
- Op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart B is voor verschillende te onderscheiden gebieden de norm aangegeven waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht.
- Voor de teelt van mais en roulerende teelten (bollen en dergelijke) geldt voor de in het tweede lid bedoelde overstromingskans dat wordt aangesloten bij de gemiddelde overstromingskans voor het overwegende grondgebruik in de directe omgeving.
- Gedeputeerde staten stellen voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren.
- De bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren voldoen uiterlijk in 2015 voor de eerste keer aan de in het eerste en tweede lid opgenomen normen. Zo nodig kunnen gedeputeerde staten op verzoek van het dagelijks bestuur ontheffing van deze termijn verlenen. Artikel 10.5, Verslag toetsing watersysteem
- Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, periodiek verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.
- Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer op basis van artikel 10.2 en de legger bedoeld in artikel 10.
- Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de normen, bedoeld in artikel 10.4, periodiek verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.
- Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de normen en voorschriften bedoeld in artikel 10.4 en de legger bedoeld in artikel 10.
- Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen bedoeld in het eerste en derde lid een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.
- Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, vast voor welk tijdstip de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, voor de eerste maal wordt uitgebracht en met welke frequentie het verslag daarna wordt uitgebracht. Artikel 10.6, Nadere voorschriften Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen, bedoeld in artikel 10.
- Titel 10.2, Toedeling beheer en vaarwegenbeheer Artikel 10.7, Begripsomschrijvingen In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. lijst A: de in de bij deze verordening behorende bijlage 3 opgenomen lijst van vaarwegen in beheer bij de provincie Drenthe; b. lijst B: de in de bij deze verordening behorende bijlage 3 opgenomen lijst van binnen de provincie gelegen vaarwegen in beheer bij andere overheidslichamen, het Rijk uitgezonderd; c. minimaal benodigde vaarwegdiepte: de vaarwegdiepte op basis van de scheepstype indeling conform CEMT, of conform de klasse indeling volgens de BRTN, vermeerderd met de benodigde kielspeling; d. schip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet; e. vaarweg: elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, voor zover vermeld op lijst A of lijst B; f. vaarwegbeheer: de overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken; g. vaarwegbeheerder: het bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast en als zodanig is vermeld op lijst A of lijst B; h. werk: elk kunstwerk of ander bouwwerk, waaronder begrepen oevers en oevervoorzieningen, boven, op, in, onder of langs een vaarweg gelegen. Artikel 10.8, Beheer watersysteem Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in het reglement van het waterschap. Artikel 10.9, Toedeling beheer vaarwegen In lijst A en lijst B is aangegeven welk bestuursorgaan, niet zijnde een bestuursorgaan van het Rijk, is belast met het vaarwegbeheer. Artikel 10.10, Belangenbescherming
- Deze titel en de daarop berustende bepalingen hebben tot doel: a. regels te stellen in het belang van de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen en de bijbehorende werken; b. aanvullende regels te stellen in het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarwegen.
- Deze titel kan mede strekken ter bescherming van ecologische, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve, toeristische of landschappelijke belangen. Artikel 10.11 Vaarwegdiepte en vaarwegonderhoud
- Gedeputeerde staten kunnen de minimaal benodigde vaarwegdiepten vaststellen van de vaarwegen op de lijsten A en B.
- De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van de minimaal benodigde vaarwegdiepten, vastgesteld krachtens het eerste lid.
- Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Artikel 10.12, Afmetingen scheepvaart Gedeputeerde staten kunnen voor de scheepvaart regels stellen voor de lengte, breedte en diepgang. Artikel 10.13, Bedieningstijden van bruggen en sluizen
- Gedeputeerde staten stellen de bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen, behorende bij de vaarwegen op de lijsten A en B.
- Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor spoorbruggen en voor bruggen en sluizen in beheer bij het Rijk.
- De beheerders van de bruggen en sluizen dragen er zorg voor dat de bruggen en sluizen worden bediend op de door gedeputeerde staten vastgestelde tijden.
- Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is Afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Artikel 10.14, Onttrekken van een vaarweg aan het openbaar scheepvaartverkeer
- Het besluit van een vaarwegbeheerder tot het blijvend geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het openbaar verkeer van een vaarweg van lijst B voor alle schepen, behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.
- Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Artikel 10.15, Absoluut verbod voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken Het is verboden: a. het voor het scheepvaartverkeer noodzakelijke uitzicht op en bij scheepvaartwegen te belemmeren; b. de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de scheepvaartweg in gevaar te brengen; c. vaste stoffen of voorwerpen in een vaarweg te brengen, dan wel vaste stoffen of voorwerpen op een zodanige wijze op oevers te plaatsen of te hebben, dat deze geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken. Artikel 10.16, Verboden met ontheffingsmogelijkheid voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken
- Het is verboden om: a. zodanig te handelen of na te laten dat aan vaarwegen schade wordt of kan worden toegebracht; b. zodanig te handelen of na te laten dat het veilig en doelmatig gebruik of de instandhouding van vaarwegen in de ruimste zin wordt of kan worden belet; c. veranderingen aan te brengen aan de scheepvaartweg; d. enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, onder of binnen een afstand van tien meter landinwaarts van de scheepvaartweg horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn; e. onverminderd het bepaalde in artikel 1.23 van het Binnenvaartpolitiereglement, een waterweg te gebruiken voor het houden van wedstrijden of evenementen.
- De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten vaarwegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die vaarwegen in het geding is.
- Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen van het eerste lid, indien de belangen bedoeld in artikel 10.10 zich daartegen niet verzetten. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
- Een ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien: a. de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou worden verleend; b. de ontheffing gedurende twee jaar niet is gebruikt; c. gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de houder verstrekte onjuiste gegevens; d. de in het derde lid bedoelde voorschriften of beperkingen niet of niet voldoende worden nageleefd.
- Op de voorbereiding van een besluit omtrent de beperking van de gebruiksmogelijkheid van een kanaal voor de scheepvaart is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Artikel 10.17, Provinciaal belang Het in de artikelen 10.15 en 10.16 opgenomen verbod geldt niet voor handelingen die worden uitgevoerd ten behoeve in het belang van een goed provinciaal vaarwegenbeheer. Artikel 10.18, Aanwijzing andere ligplaats Onverminderd artikel 7.11 van het Binnenvaartpolitiereglement moeten schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen op aanwijzing van de vaarwegbeheer een andere ligplaats innemen indien onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt. Titel 10.3, Regionaal waterplan en beheerplannen Artikel 10.19, Inhoud regionaal waterplan
- Het regionaal waterplan bevat, naast het bepaalde in de artikel 4.4 van de Waterwet, een of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld zijn gebracht.
- De ruimtelijke aspecten bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de Waterwet worden in het regionaal waterplan aangeduid. Artikel 10.20, Voorbereiding regionaal waterplan
- Gedeputeerde staten voeren, ter voorbereiding van het regionaal waterplan, ten minste overleg met het dagelijks bestuur, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.
- Gedeputeerde staten raadplegen ter voorbereiding van het regionaal waterplan de minister van Verkeer en Waterstaat en gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies en de beheerder van de grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen.
- Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Artikel 10.21, Uitwerking regionaal waterplan
- In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat gedeputeerde staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionaal waterplan gegeven regels.
- Het besluit van gedeputeerde staten tot uitwerking van het regionaal waterplan maakt deel uit van het regionaal waterplan.
- Artikel 10.20 is van overeenkomstige toepassing op het in het tweede lid genoemde besluit. Artikel 10.22, Inhoud beheerplan
- Het beheerplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.6 van de Waterwet, ten minste: a. de beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt; b. het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen; c. de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren; d. een raming van de kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de planperiode; e. het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem voor de aan het oppervlaktewater en het freatisch grondwater toegekende functies; f. een of meer kaarten, waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken staan aangegeven.
- Het beheerplan is voorzien van een toelichting, waarin ten minste is opgenomen: a. de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken; b. een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterplan, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het eerste lid, onder c, genoemde maatregelen. Artikel 10.23, Raadplegen beheerplan Het dagelijks bestuur raadpleegt, bij het opstellen van het beheerplan, ten minste de dagelijks besturen van de aangrenzende waterbeheerders, gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende provincies en gemeenten, alsmede de ten aanzien van grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen bevoegde Duitse autoriteiten. Artikel 10.24, Voorbereiding beheerplan
- Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. De stukken worden ter inzage gelegd in ten minste het kantoor van het desbetreffende waterschap en in de gemeentehuizen van de gemeenten die zijn gelegen binnen het gebied waarop het beheerplan betrekking heeft.
- Het dagelijks bestuur kan besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Awb geregelde procedure niet wordt toegepast bij het actualiseren van het maatregelenprogramma en het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem als bedoeld in artikel 10.22, eerste lid, onder c en e, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.
- Een vastgesteld beheerplan wordt toegezonden aan de instanties als bedoeld in artikel 10.23 en aan de minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 10.25, Uitwerking beheerplan
- In het beheerplan kan worden bepaald dat het dagelijks bestuur het beheerplan of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens de in het beheersplan gegeven regels.
- Het besluit van het dagelijks bestuur tot uitwerking van het beheerplan maakt deel uit van het beheerplan.
- Artikel 10.24 is van overeenkomstige toepassing op het in het tweede lid genoemde besluit. Artikel 10.26, Goedkeuring beheerplan Indien het beheerplan in zijn geheel wordt herzien, wordt het beheerplan ter goedkeuring gestuurd naar gedeputeerde staten. Indien het een herziening van beperkte strekking betreft, wordt de herziening ter goedkeuring gestuurd naar gedeputeerde staten van de provincie waarop de herziening van het beheerplan betrekking heeft. Als bijlagen voegt het dagelijks bestuur toe het verslag van het bij de voorbereiding gevoerde overleg, de ingediende zienswijzen en de beschouwingen van het algemeen bestuur daarover. Artikel 10.27, Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan Het dagelijks bestuur rapporteert ten minste eenmaal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen. Artikel 10.28, Nadere voorschriften beheerplan Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 10.
- Titel 10.4, Aanleg en beheer van waterstaatswerken Artikel 10.29, Legger waterstaatswerken
- De legger bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet bevat naast het bepaalde in het eerste en tweede lid van dat artikel in ieder geval: a. het lengteprofiel en dwarsprofielen van de primaire- en regionale waterkeringen, regionale oppervlaktewaterlichamen; b. een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire- en regionale waterkering, regionale oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden.
- In afwijking van het eerste lid, onder a, en van artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet, geldt in het geval van meanderen van een oppervlaktewaterlichaam dat daarvoor in de legger wordt opgenomen ten minste de ruimtelijke begrenzing en het minimale dwarsprofiel.
- Op de overzichtskaart bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet is ten aanzien van de primaire- en regionale waterkeringen tevens aangegeven het profiel van vrije ruimte.
- In afwijking van artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet, wordt in het geval van bergingsgebieden in de legger alleen opgenomen de ruimtelijke begrenzing en het bergend vermogen.
- Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet, gedurende een daarbij vast te stellen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen of onderdelen daarvan.
- Gedeputeerde staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet met betrekking tot vorm, afmeting en constructie indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen. 10.30, Opstellen peilbesluiten Het algemeen bestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewateren in de gebieden die: a. deel uitmaken van provinciegrensoverschrijdende peilvakken waarvoor een door de provincie Groningen, Overijssel of Friesland opgestelde verplichting geldt als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Waterwet; b. zijn aangewezen op een als zodanig aangeduide kaart bij het beheerplan van het waterschap. Artikel 10.31, Inhoud peilbesluit
- Het peilbesluit bevat naast het bepaalde in het tweede lid van artikel 5.2 van de Waterwet een kaart met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft.
- Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin ten minste zijn opgenomen: a. de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken; b. een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie; c. een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven grond- en oppervlaktewaterstanden voor de diverse belangen. Artikel 10.32, Openbare voorbereiding peilbesluit Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Artikel 10.33, Herziening peilbesluit
- Een peilbesluit wordt in ieder geval herzien indien hiertoe uit de evaluatie van het beheerplan de noodzaak blijkt.
- Indien een peilbesluit betrekking heeft op een provinciegrensoverschrijdend peilvak, dan is op de herziening van het peilbesluit de regelgeving van de provincie van toepassing, waarbinnen het grootste deel van het gebied waarvoor het peilbesluit geldt is gelegen. Artikel 10.34, Projectprocedure voor waterstaatswerken Gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen kunnen, mede op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap, paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet van toepassing verklaren op: a. projectplannen tot de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen; b. projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen. Artikel 10.35 Toezending projectplannen Projectplannen, als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet, behoeven de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen. Een projectplan dat betrekking heeft op een primaire of regionale waterkering die deel uitmaakt van een dijkring die tevens is gelegen op het grondgebied van een andere provincie of provincies wordt door het dagelijks bestuur tevens toegezonden aan gedeputeerde staten van die provincie of provincies. Artikel 10.36, Waterakkoorden Bij de voorbereiding van het waterakkoord, bedoeld in artikel 3.7 van de Waterwet, raadpleegt het dagelijks bestuur het college van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten. Titel 10.5, Handelingen in watersystemen Artikel 10.37, Grondwaterregister
- Gedeputeerde staten houden een register bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van water uit een grondwaterlichaam en infiltraties in een grondwaterlichaam worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van het tweede lid en artikel 10.38, eerste lid worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt.
- Het dagelijks bestuur van de waterschappen verstrekt aan gedeputeerde staten van de provincie of de provincies waarin de onttrekking van grondwater of infiltratie plaatsvindt de gegevens die door toepassing van artikel 10.38, derde lid worden verkregen. Voorts wordt een overzicht verstrekt van de vergunningen en meldingen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt.
- Het dagelijks bestuur maakt voor de uitvoering van het gestelde in het vorige lid gebruik van het Landelijk Register Grondwater (LGR) zoals dat is ondergebracht bij TNO/DINO.
- De in het tweede lid bedoelde gegevens, meldingen en vergunningen worden door het dagelijks bestuur binnen 3 maanden nadat deze door hen zijn ontvangen dan wel zijn verleend, verstrekt aan gedeputeerde staten. Artikel 10.38, Registratieplicht
- Degene die water onttrekt aan of infiltreert als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet is verplicht: a. de onttrekking op te geven aan gedeputeerde staten van de provincie of de provincies, waarin de onttrekking geschiedt; b. de hoeveelheden water die worden onttrokken, te meten en daarvan aantekening te houden; c. telkenmale in de maand januari of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen 1 maand na die beëindiging, aan gedeputeerde staten van de provincie of provincies, waarin de onttrekking geschiedt, opgave te verstrekken van de in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar per kwartaal onttrokken hoeveelheden water; d. bij de onder c bedoelde opgave kennis te geven van wijzigingen die zich in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar hebben voorgedaan met betrekking tot de bij de opgave, als bedoeld onder a, verstrekte gegevens.
- Gedeputeerde staten kunnen, na overleg met het dagelijks bestuur, nadere regels stellen omtrent de wijze van meting en registratie.
- Het algemeen bestuur van de waterschappen regelt bij verordening dat ten minste degene die meer dan 10 m3 water per uur of meer dan 5.000 m3 water per kwartaal onttrekt uit een grondwaterlichaam en degene die water infiltreert in een grondwaterlichaam voor andere doeleinden of in kleinere hoeveelheden dan genoemd in het eerste lid, de gegevens bedoeld in het eerste lid verstrekt aan het dagelijks bestuur. Artikel 10.39, Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister
- Gedeputeerde staten kunnen een inrichting en/of infiltratie die niet ingevolge artikel 10.38 is opgegeven, ambtshalve in het register, genoemd in artikel 10.37, inschrijven.
- Indien de ambtshalve inschrijving, genoemd in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen. Artikel 10.40, Onttrekking van grondwater en infiltratie van water
- Bij het beslissen op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet houden gedeputeerde staten in ieder geval rekening met: a. de thermische en hydrologische effecten op de omgeving; b. de (micro)biologische of chemische veranderingen van de grondwaterkwaliteit; c. de wijze waarop de boring zal worden uitgevoerd.
- Een vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet wordt door gedeputeerde staten niet verleend indien: a. er bij een bodemenergiesysteem geen sprake is van een energiebalans; b. er geen sprake is van een hoogwaardige toepassing van het opgepompte water; c. er door het verlenen van de vergunning strijd ontstaat met de belangen van andere reeds verleende vergunningen en toekomstige belangen; d. bij infiltratie deze niet plaatsvindt in hetzelfde diepte als waar het grondwater wordt onttrokken; e. voor een industriële onttrekking of de aanleg van een bodemenergiesysteem de locatie van de boring is gelegen binnen een gebied als bedoeld in artikel 7.
- Titel 10.6, Financiële bepalingen grondwater Artikel 10.41, Instelling commissie van deskundigen Gedeputeerde staten stellen een commissie van deskundigen in die is belast met het adviseren inzake verzoeken als bedoeld in artikel 7.14a, eerste lid, van de Waterwet. Artikel 10.42, Procedure advies
- Gedeputeerde staten kunnen een verzoek als bedoeld in artikel7.14a, eerste lid, van de Waterwet in handen van de commissie van deskundigen stellen. Indien zij de commissie een verzoek voorleggen, zenden zij daarvan een afschrift aan de vergunninghouder of vergunninghouders die zij daarbij betrokken achten. Zij doen daarvan mededeling aan de verzoeker en, in geval het verzoek verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur.
- De commissie van deskundigen brengt zo spoedig mogelijk advies uit over de ondervanging of vergoeding van schade dan wel over de overneming van de onroerende zaak.
- De commissie van deskundigen zendt het ontwerp van haar advies toe aan degene op wiens verzoek zij een onderzoek heeft ingesteld en aan de betrokken vergunninghouder of vergunninghouders. Artikel 10.43, Indienen zienswijzen
- Gedurende 6 weken na de verzending van het ontwerpadvies kunnen de betrokkenen, bedoeld in artikel 10.42, derde lid, schriftelijk hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen bij de commissie van deskundigen. De commissie stelt degenen die een zienswijze hebben ingediend in de gelegenheid hun zienswijze in persoon of bij gemachtigde op een daartoe door haar te beleggen zitting voor een of meer van haar leden mondeling toe te lichten, daarbij desgewenst bijgestaan door deskundigen.
- Van hetgeen op de zitting, bedoeld in het eerste lid, naar voren wordt gebracht wordt een verslag gemaakt.
- Indien zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies al dan niet gewijzigd vast en zendt dat gelijktijdig met het verslag van de hoorzitting en haar beschouwingen omtrent de zienswijzen toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 10.42, derde lid.
- Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, vast en zendt dat toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 10.42, derde lid.
- De in het derde en vierde lid genoemde stukken worden tevens toegezonden aan gedeputeerde staten en, in geval het verzoek, bedoeld in 7.14a, eerste lid, van de Waterwet, verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur. Hoofdstuk 11 Deel VI, Wegen Hoofdstuk 12, Wegen en waterwegen Titel 12.1, Algemene bepalingen Artikel 12.1, Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder wegen: wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet, met inbegrip van verhardingen, bermen, glooiingen en bermsloten, met alle bijbehorende werken of op enigerlei wijze daarmee verbonden voorzieningen en begroeiingen. Artikel 12.2, Toepassing
- Dit hoofdstuk is van toepassing op wegen in beheer bij de provincie Drenthe en tevens op situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is.
- Op de bij deze verordening behorende kaarten zijn deze wegen aangegeven. Titel 12.2, Bepalingen inzake instandhouding en dergelijke Artikel 12.3, Bescherming
- Dit hoofdstuk kan mede strekken ter bescherming van ecologische, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve, toeristische of landschappelijke belangen.
- Gedeputeerde staten kunnen ten behoeve van de in het eerste lid genoemde belangen nadere regels stellen.
- De geboden en verboden worden voor zover noodzakelijk aangegeven door middel van bijlage1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
- Artikel 12.4 Artikel 12.5 Artikel 12.6 Artikel 12.7, Dijken
- Provinciale staten stellen de afmetingen vast van de dijken met een waterkerende functie.
- Gedeputeerde staten dragen zorg voor de handhaving van deze afmetingen. Titel 12.3, Gebods- en verbodsbepalingen Artikel 12.7a Waar in dit hoofdstuk sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoeld: a. indien sprake is van een toestemming voor een activiteit als bedoeld in artikel 12.9a van deze verordening: het daartoe bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen bevoegde gezag; b. in alle andere gevallen: gedeputeerde staten Artikel 12.8
- Het is verboden zodanig te handelen of na te laten: a. dat aan wegen schade wordt of kan worden toegebracht; b. dat het veilig en doelmatig gebruik of de instandhouding van wegen in de ruimste zin wordt of kan worden belemmerd of belet.
- De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is. Artikel 12.9
- Het is verboden enig werk aan te brengen, te hebben of te wijzigen, beplantingen aan te brengen of te hebben binnen een dusdanige afstand uit de grens van de weg, indien daardoor het vrije zicht op de weg zodanig wordt belemmerd dat daardoor de verkeersveiligheid in het gedrang komt of kan komen.
- De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is. Artikel 12.9a Als verbod om te handelen zonder omgevingsvergunning in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden aangemerkt de verboden als bedoeld in artikel 12.9 voor zover er sprake is van: a. het aanleggen van een weg of veranderingen te brengen in de aanleg van een weg; b. het maken van een uitweg of deze te veranderen; c. het als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toe te staan of te gedogen dat op of aan die onroerende zaak handelsreclame wordt gemaakt of gevoerd met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats. Artikel 12.10 Het in de artikelen 12.8 en 12.9 genoemde geldt niet voor handelingen ten behoeve van het provinciaal belang. Titel 12.4, Ontheffing Artikel 12.11
- Het bevoegd gezag kan schriftelijk ontheffing verlenen van de in de artikelen 12.8 en 12.9 genoemde bepalingen.
- Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een ontheffing.
- Een ontheffing kan worden ingetrokken indien: a. de omstandigheden zodanig gewijzigd zijn dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou zijn verleend; b. de ontheffing gedurende een aaneengesloten periode van 2 jaar niet is gebruikt; c. de aan de ontheffing verbonden voorschriften en/of beperkingen niet of niet behoorlijk worden nageleefd; d. gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de aanvrager verstrekte onjuiste gegevens. Artikel 12.12
- Met betrekking tot een aanvraag voor een omgevingsvergunning waar sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 12.9a worden gedeputeerde staten als adviseur aangewezen.
- Het eerste lid is niet van toepassing wanneer gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn. Deel VII, Overige bepalingen DEEL VII, OVERIGE BEPALINGEN Hoofdstuk 13, Vergoeding van schade en kosten Artikel 13.1
- Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van gedeputeerde staten met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van de hoofdstukken 5, 6, 7 en 9 van deze verordening.
- De bepalingen in dit hoofdstuk betrekking hebbende op "de waterleidingmaatschappij in wiens belang de bescherming van het beschermingsgebied is gerealiseerd" zijn slechts van toepassing voor zover het verzoek om schadevergoeding betrekking heeft op bepalingen op grond van hoofdstuk 7, titel 7.3, van deze verordening. Artikel 13.2 De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat ten minste de volgende gegevens: a. de bepalingen van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt; b. de aard en omvang van de kosten dan wel de schade; c. de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt. Artikel 13.3
- Gedeputeerde staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 13.
- Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het gestelde in het eerste lid, brengen deze deskundigen advies uit inzake: a. de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening; b. de omvang van de kosten dan wel de schade; c. de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de aanvrager behoren onderscheidenlijk behoort te blijven; d. de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien; e. de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt; f. de hoogte van de toe te kennen vergoeding.
- Alvorens een advies aan gedeputeerde staten uit te brengen horen de aangewezen deskundigen de aanvrager. Tevens stellen de aangewezen deskundigen de waterleidingmaatschappij in welker belang de bescherming van het beschermingsgebied is gerealiseerd in de gelegenheid haar opvattingen over de voorliggende aanvraag aan hen kenbaar te maken. Artikel 13.4 Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer gedeputeerde staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 7, titel 7.3, dient dat verzoek ten minste vergezeld te gaan van: a. indien het bestuursorgaan een verzoek om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van dat verzoek en de daarbij gevoegde stukken; b. een afschrift van de schriftelijke opvattingen die de waterleidingmaatschappij over het verzoek of het voornemen een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt aan het bestuursorgaan; c. indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 15.20, vierde lid, van de Wet milieubeheer heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies; d. het ontwerp van de beschikking houdende een toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van die beschikking. Hoofdstuk 14, Handhaving Artikel 14.1 Een gedraging in strijd met artikel 5.3, tweede lid, 5.4, 5.10, tweede lid, 7.3, 7.4, eerste lid, 7.5, eerste lid, 7.7, 7.8, 7.9, 7.10, 7.11, 7.12, 7.13, 7.14, 7.15, 7.16, 7.17 of 9.2 is een strafbaar feit. Artikel 14.2 Overtreding van de artikelen 1110.15, 10.16, 12.8 of 12.9 wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste 2 maanden of een geldboete van de tweede categorie. Artikel 14.3
- Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in hoofdstuk 12 zijn belast de daartoe door gedeputeerde staten aangewezen personen.
- Met de opsporing van overtredingen van het bepaalde in hoofdstuk 12 zijn belast de krachtens de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren en de door gedeputeerde staten aangewezen personen. Hoofdstuk 15, Overgangs- en slotbepalingen Artikel 15.1 Een ontheffing, vrijstelling, melding of aanwijzing op grond van één van de in artikel 15.3 genoemde verordeningen wordt gelijkgesteld aan een ontheffing, vrijstelling, melding of aanwijzing op grond van de POV Drenthe, voor zover de juridische grondslag voor de ontheffing, vrijstelling, melding of aanwijzing in de POV Drenthe is opgenomen. Artikel 15.2 Indien de aanvraag tot het geven van een ontheffing van het bepaalde in een verordening als bedoeld in artikel 15.3 is ingediend voor het tijdstip waarop dat artikel ten aanzien van die verordening in werking treedt, blijft die verordening op de aanvraag van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden. Artikel 15.3 De volgende verordeningen worden ingetrokken:
- de Provinciale milieuverordening Drenthe;
- de Verordening wegen en waterwegen provincie Drenthe 1994;
- de Verordening waterhuishouding Drenthe;
- de Ontgrondingenverordening voor Drenthe
- Artikel 15.4
- Op het tijdstip waarop de algemene maatregelen van bestuur op grond van de artikelen 10.28, 10.29, 10.41, 10.44, 10.46 en 10.51 van de Wet milieubeheer in werking zijn getreden, vervalt: a. artikel 1.1, voor zover het betreft de onderdelen o, p en q; b. artikel 5.2; c. artikel 5.17; d. bijlage II.
- Op het tijdstip dat alle in het eerste lid bedoelde algemene maatregelen van bestuur in werking zijn getreden, komt artikel 14.1 als volgt te luiden: Artikel 14.
- Een gedraging in strijd met artikelen 7.3, 7.5, 7.7, 7.8, 7.9, 7.13, eerste lid, 7.14, 7.15, eerste lid, 7.18, 7.19, 7.20 of 9.2 is een strafbaar feit. Artikel 15.5 Deze verordening treedt in werking op een nader door gedeputeerde staten te bepalen tijdstip, dat voor onderdelen van de verordening verschillend kan zijn. Artikel 15.6 Deze verordening kan worden aangehaald als: POV Drenthe. Toelichting op de Provinciale omgevingsverordening Algemeen Inleiding Tot nu toe kende de provincie Drenthe vier provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving. Dit zijn de Provinciale milieuverordening Drenthe, de Verordening waterhuishouding Drenthe, de Verordening wegen en waterwegen provincie Drenthe 1994 en de Ontgrondingenverordening voor Drenthe
- Zowel de Provinciale milieuverordening als de Verordening waterhuishouding Drenthe werden de afgelopen tijd grondig herzien. Dit heeft geleid tot de nieuwe voorontwerpen van de Provinciale milieuverordening en de Verordening waterhuishouding Drenthe. Deze zijn gelijktijdig met het voorontwerp-Provinciaal omgevingsplan II naar buiten gebracht. De ontgrondingenverordening en de Verordening wegen en waterwegen zijn niet herzien. De ontgrondingenverordening bestaat pas sinds 2000 en is in alle opzichten actueel. De Verordening wegen en waterwegen dateert van
- In verband met het Interprovinciaal overleg wordt gewerkt aan 2 nieuwe modelverordeningen voor respectievelijk wegen en waterwegen. Deze zijn medio 2004 gereed en worden dan verwerkt in de POV. Bij de evaluatie en herziening van de Provinciale milieuverordening en de Verordening waterhuishouding Drenthe stond "zuinig omgaan met regelgeving" voorop. Uitgangspunt was de vraag of een bepaalde activiteit op provinciaal niveau diende te worden gereguleerd. Dit heeft voor beide verordeningen geleid tot een aanzienlijke beperking van het aantal bepalingen. De ontgrondingenverordening en de Verordening wegen en waterwegen werden eerder al volgens ditzelfde principe opgesteld. Toen werd vastgesteld dat het aantal regels in de afzonderlijke verordeningen niet verder kon worden teruggebracht is onderzocht of integratie van de verordeningen nog voordeel zou opleveren. Dat bleek inderdaad het geval te zijn. De omvang van de POV, ten opzichte van de vier verordeningen, kon verder worden beperkt. Dit vloeit voort uit het uniformeren van een aantal begripsbepalingen en het samenvoegen van een aantal bepalingen die betrekking hebben op onder meer de totstandkoming van het Provinciaal omgevingsplan. Door de integratie is de overzichtelijkheid en leesbaarheid ten opzichte van de 4 aparte verordeningen sterk verbeterd. Doel en de strekking van de diverse verordeningen zijn uiteraard niet aangetast. Deregulering Door de samenvoeging van de verschillende verordeningen wijkt de POV, wat betreft zijn vorm, af van de verordeningen die andere provincies hebben vastgesteld voor de fysieke leefomgeving. De POV is opgesteld aan de hand van duidelijke criteria. Deze waren eerder ook richtsnoer bij de totstandkoming van de voorontwerp-Provinciale milieuverordening en de voorontwerp-Verordening waterhuishouding Drenthe. Het betreft hier onder andere de volgende criteria: - duidelijkheid/leesbaarheid; - bestuurslast; - effect (toegevoegde waarde van de regeling om het gewenst effect te bereiken); - motivatie (noodzaak provinciale regeling); - handhaafbaarheid (maatschappelijk draagvlak, objectieve en werkbare regels); - doeltreffende vertaling van het provinciale omgevingsbeleid in formele bepalingen. Opbouw De POV bevat 6 delen. Dit zijn de delen Algemeen, Milieu, Natuur en landschap, Water, Wegen en waterwegen en Overige bepalingen. Per deel staat hierna aangegeven welke (delen van) verordeningen in het desbetreffende hoofdstuk zijn verwerkt. Deel I, Algemeen Dit deel is samengesteld uit 4 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat begripsbepalingen die eerder waren ondergebracht in de Provinciale milieuverordening en de Verordening waterhuishouding Drenthe. Het beknopte tweede hoofdstuk bevat een inspraakbepaling. Hoofdstuk 3 bevat de geïntegreerde regeling voor de Provinciale Commissie voor het Omgevingsbeleid. Daarin is neergelegd de instelling, werkwijze en samenstelling van de Provinciale Commissie voor het Omgevingsbeleid. Eerder bevatten de Provinciale milieuverordening en de Verordening waterhuishouding Drenthe voor dit onderwerp afzonderlijke regelingen. Hoofdstuk 4 regelt de instelling van de geluidhinderdienst Drenthe. Eerder maakte dit hoofdstuk deel uit van de Provinciale milieuverordening. Deel II, Milieu Deel II bestaat uit de hoofdstukken 5 tot en met
- Hoofdstuk 5 bevat de Provinciale afvalstoffenregelgeving met bepalingen voor huishoudelijke afvalstoffen. Hoofdstuk 6 regelt bodemsaneringen. Aan de orde komen landbodem- en waterbodemsaneringen. Het gebiedenbeleid is neergelegd in hoofdstuk
- Het bevat bepalingen ten aanzien van de stiltegebieden en de gebieden ter bescherming van het grondwater met het oog op de waterwinning. Eerder maakten deze 3 hoofdstukken deel uit van hoofdstuk 9 van de Provinciale milieuverordening. Deel III, Natuur en Landschap Dit deel bevat in hoofdstuk 8 regels voor ontgrondingen en regelt in hoofdstuk 9 het vaarverbod op de Drentsche Aa ter bescherming van belangen van natuur en landschap. Eerder maakten deze hoofdstuk 8 deel uit van de Ontgrondingenverordening en hoofdstuk 9 van de Provinciale milieuverordening. Deel IV, Water Deel IV bestaat uit de hoofdstukken 10 Waterhuishouding en 11 Grondwateronttrekkingen. Het hoofdstuk Waterhuishouding bevat onder meer bepalingen ten aanzien van de beheersplannen van de waterschappen, peilbesluiten en waterakkoorden. Hoofdstuk 11 bevat onder meer algemene regels voor meldingsplichtige grondwateronttrekkingen. Eerder waren deze regels neergelegd in de Verordening waterhuishouding Drenthe. Deel V, Wegen waterwegen Dit deel bevat het hoofdstuk 12, waarin onder meer is opgenomen dat gedeputeerde statennadere regels kunnen stellen ten aanzien van wegen en waterwegen ter behartiging van een breed scala aan belangen. Ook bevat het hoofdstuk een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Eerder waren deze regels neergelegd in de Verordening wegen en waterwegen provincie Drenthe
- Deel VI, Overige bepalingen De volgende onderwerpen komen aan de orde in deel VI. Hoofdstuk 13 regelt de vergoeding van schaden en kosten met betrekking tot de hoofdstukken 5, 6, 7 en
- Dit onderdeel maakte eerder deel uit van de Provinciale milieuverordening. Hoofdstuk 14 bevat handhavingsbepalingen. Deze waren eerder opgenomen in de afzonderlijke verordeningen. Hoofdstuk 15 bevat de overgangs- en slotbepalingen. Het regelt onder andere de intrekking van de bestaande vier verordeningen en de inwerkingtreding van de POV. Grondslag De POV is gebaseerd op meerdere wetten met elk een eigen doel en werkingssfeer. De verordenende bevoegdheid van provinciale staten is neergelegd in de volgende bepalingen. Artikel 1.2 van de Wet milieubeheer Dit artikel bepaalt dat provinciale staten een verordening vaststellen ter bescherming van het milieu. Artikel 5, tweede lid, van de Ontgrondingenwet Dit artikel bepaalt dat, bij provinciale verordening, nadere regelen worden gesteld omtrent ontgrondingen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Ontgrondingenwet. De artikelen 8, eerste lid, 9, vierde lid, 16, derde lid en 24, derde lid, van de Wet op de waterhuishouding Deze artikelen bepalen dat provinciale staten, bij verordening, onder meer nadere regelen kunnen stellen ten aanzien van het Provinciaal omgevingsplan, het beheersplan van het waterschap, peilbesluiten en vergunningen voor het onttrekken aan en lozen op oppervlaktewater. Artikel 15a van de Grondwaterwet Dit artikel bepaalt dat provinciale staten bij verordening met betrekking tot daarbij aan te wijzen gevallen ten aanzien van het onttrekken van grondwater regels kunnen stellen ter bescherming van bij het grondwaterbeheer betrokken belangen. Deze regels kunnen ten aanzien van het onttrekken verboden en beperkingen inhouden. Bij die regels kan aan gedeputeerde statende bevoegdheid worden verleend in bij die regels aan te geven omstandigheden het onttrekken te verbieden. Artikel 105, eerste lid, van de Provinciewet Dit artikel bepaalt dat de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de provincie aan het provinciebestuur wordt overgelaten. De bepalingen ten aanzien van wegen en waterwegen zijn gebaseerd op dit artikel. DEEL I. ALGEMEEN Hoofdstuk 1, BegriPSbepalingen Algemeen Voor de inhoud van verschillende van de in de verordening gehanteerde begrippen (zoals bijvoorbeeld inspecteur) behoeft geen omschrijving te worden gegeven, omdat veelal de afzonderlijke wetten waarop deze verordening is gebaseerd, bepalen dat de daar gegeven omschrijvingen doorwerken in de verordening. Begrippen waarbij in een van de wetten geen begripsbepaling is opgenomen, zijn opgenomen in dit artikel. Bij het begrip "waterbeheerder" kan nog worden opgemerkt dat alle bevoegdheden voortvloeiend uit de hoofdstukken 10 en 11 van deze verordening, overeenkomstig artikel 77 van de Waterschapswet, aan het algemeen bestuur van een waterschap worden toegedeeld tenzij de wet of de Waterschapswet hierin reeds heeft voorzien. Binnen de grenzen van de Provinciewet, de Waterschapswet en de waterschapsreglementen bepaalt het waterschap zelf de verdeling van taken en bevoegdheden tussen het algemeen en dagelijks bestuur. Hoofdstuk 2, Inspraak In dit artikel wordt de Algemene Inspraakverordening Drenthe van toepassing verklaard op het wijzigen van deze verordening. Hierdoor is het niet noodzakelijk om in deze verordening de inspraak verder uit te werken. Hoofdstuk 3, Provinciale Commissie voor het Omgevingsbeleid [Vervallen.] Hoofdstuk 4, Geluidhinderdienst Drenthe Algemeen De artikelen in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op hoofdstuk XIII, paragraaf 3, van de Wet geluidhinder. Voor uitvoering van de door de Wet geluidhinder aan het provinciaal bestuur opgedragen taken is de provincie verplicht noodzakelijke geluidmetingen te verrichten en klachten te behandelen, voor zover die betrekking hebben op het bij of krachtens de Wet geluidhinder is bepaald. De organisatie van de geluidhinderdienst moet bij provinciale verordening geregeld worden. Artikelsgewijs Artikel 4.1 Op grond van artikel 159, eerste lid, van de Wet geluidhinder dient de provincie zorg te dragen dat een provinciale geluidhinderdienst functioneert die in elk geval een meetdienst en een klachtendienst omvat. De meetdienst en de klachtendienst (ondergebracht bij het Meldpunt Milieuklachten Drenthe) zijn organiek ondergebracht bij de Productgroep Handhaving. Ze verrichten hun werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van het hoofd van deze productgroep. Artikel 4.2 Behandeling en verwerking van geluidhinderklachten die tot de bevoegdheid horen van een andere instantie, worden door het secretariaat van de klachtendienst direct doorgegeven aan de desbetreffende instanties. Voorbeelden zijn geluidhinderklachten over de luchthavens in Eelde en Hoogeveen. Artikel 4.3 en 4.4 Op grond van artikel 159, derde lid, van de Wet geluidhinder dient de provincie bij verordening regels te stellen die betrekking hebben op de registratie van ingekomen klachten en de verwerking van de uitkomsten van de behandeling van die klachten (artikel 4.3.), alsmede de regelmatige openbaarmaking van de gegevens (artikel 4.4.). DEEL II. MILIEU Hoofdstuk 5, Afvalstoffen Algemeen Op 8 mei 2002 is de Wijzigingswet Wet milieubeheer in werking getreden (Wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de Wet milieubeheer; structuur beheer afvalstoffen; Staatsblad 2001/346, in werking: Staatsblad 2002/206). De structuur van het beheer van afvalstoffen is daarmee sterk gewijzigd. De wijzigingswet legt de sturing van het afvalstoffenbeleid op landelijk niveau, in plaats van op provinciaal niveau. De Wijzigingswet Wet milieubeheer heeft gevolgen voor de regelgeving van de provincies. De wijzigingswet is een raamwet. Dit betekent dat de hoofdlijnen vastliggen, maar dat daarbinnen nog veel vastgelegd moet worden in plannen of Algemene maatregelen van bestuur. Bij de inwerkingtreding van de wijzigingswet op 8 mei 2002 is een groot aantal artikelen van de toentertijd fingerende Provinciale milieuverordening* reeds van rechtswege komen te vervallen. Voor de provincies en de POV is van belang dat er nog een aantal Algemene maatregelen van bestuur bij Koninklijk besluit moeten worden vastgesteld. In de wijzigingswet is in artikel XVII een overgangsregeling opgenomen. Daardoor geldt een overgangsperiode, waarin de nog "bestaande" provinciale regelgeving met betrekking tot deze onderwerpen van toepassing blijft, totdat in het betrokken onderwerp wordt voorzien door een Algemene maatregel van bestuur. * De op 8 mei 2002 vervallen artikelen hebben betrekking op de lijst van inzamelbedrijven inzake bedrijfsafvalstoffen, onderdelen van de meldingsregelingen, inzake de afgifte van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, het provinciegrensoverschrijdend verkeer van bedrijfsafvalstoffen, het inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen en voorschriften voor inrichtingen. De Algemene maatregel van bestuur op basis van artikel 10.52 van de Wet milieubeheer, waarin regels zijn opgenomen voor mobiele puinruimers, is per 1 maart 2004 in werking getreden. Vandaar dat er in deze POV, in afwijking van de Provinciale milieuverordening, geen regels zijn opgenomen voor mobiele puinbrekers. De Algemene maatregelen van bestuur op basis van de artikelen 10.28 en 10.29 van de Wet milieubeheer (Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur), waarin regels voor huishoudelijk afval (wit- en bruingoed, afkomstig van particuliere huishoudens) zijn opgenomen, is per 13 augustus 2004 in werking getreden (Staatsblad 2004/340). Hierdoor vervalt van rechtswege artikel 5.1 van de POV. De Algemene maatregelen van bestuur op basis van de artikelen 10.41 en 10.44 van de Wet milieubeheer (Besluit melden), waarin regels voor het melden van afgifte, ontvangst en vervoer van afval zijn opgenomen, is per 1 januari 2005 in werking getreden (Staatsblad 2004/552). Hiervoor vervallen van rechtswege de artikelen uit de paragrafen 5.2.3, 5.2.4 en 5.3.2 van de POV. Naar verwachting zullen de Algemene maatregelen van bestuur op basis van artikel 10.51 van de Wet milieubeheer in 2005 in werking treden. Hierin worden regels opgenomen voor het scheiden en gescheiden houden van afval. Als deze Algemene maatregel van bestuur in werking treedt, vervallen van rechtswege de artikelen uit paragraaf 5.2.2 van deze verordening die betrekking hebben op het gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen. Naast vorengenoemde artikelen, die van rechtswege zijn of komen te vervallen, bevat de Provinciale milieuverordening ook ondersteunende bepalingen voor vorengenoemde artikelen. Door de wetswijziging vervallen deze ondersteunende bepalingen niet van rechtswege. Formeel kunnen deze ondersteunende artikelen (en bijlagen) in de milieuverordening gehandhaafd blijven, maar ze zijn overbodig. Een aantal ondersteunende artikelen en bijlagen kan onmiddellijk vervallen, andere kunnen vervallen op het moment dat alle desbetreffende Algemene maatregelen van bestuur in werking zijn getreden (zie overgangs- en slotbepalingen). Als alle genoemde Algemene maatregelen van bestuur in werking zijn getreden, zijn alle artikelen van hoofdstuk 5 (Afvalstoffen) van de POV vervallen. Artikelsgewijs Titel 5.1, Huishoudelijke afvalstoffen Artikel 5.1 [Vervallen.] Titel 5.2, Bedrijfsafvalstoffen Paragraaf 5.2.1, Algemeen Artikel 5.2 Volgens artikel 1.2, zesde lid, van de Wet milieubeheer kunnen regels ter uitvoering van een aantal bepalingen van het hoofdstuk Afvalstoffen van die wet rechtstreeks betrekking hebben op categorieën van inrichtingen die bij die regels zijn aangewezen. In dit artikel is die aanwijzing opgenomen. In artikel 5.2 zijn alle categorieën van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer aangewezen, omdat in beginsel in alle inrichtingen de administratieve voorschriften van deze verordening dienen te worden nageleefd. Uitzonderingen worden gemaakt voor specifieke categorieën van afvalstoffen of van gevallen (bijvoorbeeld kleine hoeveelheden) niet naar categorieën van inrichtingen. De aanwijzing van inrichtingen betreft zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige inrichtingen waarvoor een Algemene maatregel van bestuur geldt. Ook deze laatste inrichtingen zijn inrichtingen die in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit zijn aangewezen. Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling dat de regels van de inrichtingen alleen op inrichtingen betrekking zouden hebben. Wij zijn van mening dat dat ook niet in deze verordening kan worden gelezen. De verplichtingen van de artikelen 5.3 en volgende richten zich immers tot personen die handelingen verrichten, vervoeren, inzamelen etc. Het is overigens niet geheel duidelijk in welke gevallen afvalregels rechtstreeks op inrichtingen betrekking hebben. De regels richten zich volgens het hoofdstuk Afvalstoffen van de wet immers tot personen ("degene die...") en in veel gevallen gaat het om handelingen (bijvoorbeeld de afgifte van afvalstoffen) die niet binnen inrichtingen behoeven plaats te vinden. Wel wordt ervan uitgegaan dat voor zover de afvalstoffenregels handelingen betreffen die binnen inrichtingen plaatsvinden - daargelaten of deze handelingen "rechtstreeks" betrekking hebben op inrichtingen - het bevoegd gezag voor de inrichting die regels zal handhaven. Paragraaf 5.2.2, Het gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen Met deze regeling wordt - samen met stimulering van afvalpreventie, hergebruik en nuttige toepassing - invulling gegeven aan het gestelde in artikel 10.1 van de Wet milieubeheer (uitwerking van de "Ladder van Lansink"). Deze verordening bevat een minimumregeling voor het scheiden en gescheiden houden van afvalstoffen. De scheidingsverplichtingen die op grond van vergunningvoorschriften zijn opgelegd aan een bedrijf