Kavelbesluit VI windenergiegebied Hollandse Kust (west), Ministerie van Economische Zaken en Klimaat Kavelbesluit VI windenergiegebied Hollandse Kust (west) I Besluit Gelet op de artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee en gelet op de Wet natuurbescherming, besluit de Minister van Economische Zaken en Klimaat in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit als volgt: – Kavel VI in windenergiegebied Hollandse Kust (west) wordt aangewezen als locatie voor een windpark met een totaal geïnstalleerd vermogen van minimaal 693 MW. De coördinaten van de begrenzing van kavel VI zijn weergegeven in voorschrift 2, eerste lid, bij dit besluit; – Het windpark wordt aangesloten op het TenneT-platform Hollandse Kust (west Alpha), waarvan de coördinaten (van de veiligheidszone) zijn weergegeven in voorschrift 2, tweede lid, bij dit besluit; – De natuurlijke kenmerken van de gebieden zoals bedoeld in artikel 2.8 en artikel 2.9 van de Wet natuurbescherming zullen niet door het kavelbesluit worden aangetast; – Van het bepaalde in de artikelen 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming wordt vrijstelling verleend voor de soorten zoals opgenomen in de tabel in de bijlage bij dit besluit; – Aan het kavelbesluit zijn voorschriften verbonden. Deze zijn opgenomen in deel III van dit besluit. ’s-Gravenhage, 26 november 2021 Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat – Klimaat en Energie D. Yeşilgöz-Zegerius II Toelichting kavelbesluit VI windenergiegebied Hollandse Kust (west) 1 Inleiding 1.1 Nut en noodzaak Nederland voert al enige kabinetsperiodes lang een klimaatbeleid dat binnen de Europese Unie is afgestemd met de andere lidstaten. Hierbij gaan het streven naar het sterk verminderen van de uitstoot van broeikasgassen (met name CO2), het besparen op energieverbruik en het ontwikkelen van bronnen van duurzame energie hand in hand.1Bij het akkoord over het Klimaat- en Energie Beleidsraamwerk voor 2030 is een Europees bindend doel van 27 procent hernieuwbare energie afgesproken. Zie Kamerstukken II, 2014/15, 21 501-20, nr.
- Doel is het beperken van de opwarming van de atmosfeer tot 2 graden Celsius om ernstige maatschappelijke en economische gevolgen van klimaatverandering af te wenden. Nevendoel is het minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen, met name die uit politiek instabiele regio’s afkomstig zijn. Het Energieakkoord voor duurzame groei2Energieakkoord voor duurzame groei, Kamerstukken II, 2012/13, 30 196, nr.
- (hierna: Energieakkoord) bevat afspraken tussen de overheid, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties over het aandeel duurzame energie in
- Windenergie op zee speelt daarin een prominente rol. Specifiek voor windparken op zee is afgesproken dat in 2023 circa 4,5 GW operationeel vermogen gerealiseerd is. Ook is vastgelegd dat het kabinet zorgdraagt voor een robuust wettelijk kader om de opschaling van windenergie op zee mogelijk te maken. Korte(re) doorlooptijden en kostenreductie waren daarbij belangrijke uitgangspunten. Het resultaat, de Wet windenergie op zee, voorziet daartoe in een stelsel van uitgifte van kavels in windenergiegebieden (zie paragrafen 1.2 en 2.1). In lijn met het Energieakkoord zijn op grond van de Wet windenergie op zee inmiddels kavels uitgegeven in achtereenvolgens de windenergiegebieden Borssele, Hollandse Kust (zuid) en Hollandse Kust (noord).3De ‘routekaart windenergie op zee 2023’ bevat het uitrolschema tot 2023, zie Kamerstukken I/II 2014/15, 33 561, A/nr. 11 Herdruk. De windparken in genoemde kavels worden tussen 2020 en 2023 in gebruik genomen. De Energieagenda4Energieagenda ‘Naar een CO2-arme energievoorziening’, Kamerstukken II, 2016/17, 31 510, nr.
- uit 2016 bevat vervolgafspraken die de periode tot 2050 beslaan. In 2050 moet de energievoorziening bijna helemaal duurzaam zijn. De uitstoot van CO2 is dan 80-95 procent minder vergeleken met
- In de Energieagenda heeft het kabinet tevens aangekondigd het beleid van windenergie op zee door te zetten. Voor de periode 2024–2030 betekent dit dat aanvullend op de thans bestaande windparken (ca. 2,5 GW) en de windparken die nog tot en met 2023 worden gebouwd (ca. 2 GW), nog eens ca. 7 GW (in 2030) wordt gerealiseerd. De routekaart windenergie op zee 2030 (hierna: routekaart 2030) bevat het uitrolschema hiervoor.5Kamerstukken II, 2017/18, 33 561, nr.
- Het Klimaatakkoord van juni 2019, dat voor windenergie op zee spreekt van ten minste 49 TWh productie in 2030, sluit daarbij aan.6www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/06/28/klimaatakkoord. De kavels VI en VII in windenergiegebied Hollandse Kust (west) zijn de eerste kavels die in het kader van de routekaart 2030 worden uitgegeven. Kavel VI van windenergiegebied Hollandse Kust (west) draagt ongeveer 7 procent bij aan de genoemde doelstelling van 49 TWh. Een windpark in kavel VI kan meer dan een miljoen huishoudens van elektriciteit voorzien.7De gemiddelde woning heeft volgens het CBS
(2016)een elektriciteitsverbruik van 2.910 kWh per jaar. Bij de hierboven bedoelde opschaling en uitrol van windenergie op zee, zoals beoogd in dit besluit voor kavel VI Hollandse Kust (west), worden ook andere belangen zoals natuurbescherming, visserij en scheepvaart in ogenschouw genomen om tot een integrale afweging te komen. 1.2 Uitgiftestelsel Ter realisering van de opgaven voor duurzame energie voorziet de Wet windenergie op zee in een uitgiftestelsel van kavels voor windparken. Het uitgiftestelsel omvat een aantal stappen en besluiten die genomen moeten worden voordat windparken op zee gebouwd mogen worden. De eerste stap in het traject is het in het nationaal waterplan aanwijzen van een gebied op zee dat geschikt is voor windenergie.8Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet windenergie op zee, worden kavels voor windparken alleen vastgesteld binnen de gebieden die in het nationaal waterplan zijn aangewezen als windenergiegebied. Het nationaal waterplan is voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Bij de vaststelling van het nationaal waterplan wordt nagegaan of een aan te wijzen gebied geschikt is voor de bouw en exploitatie van een of meer windparken. Ook worden de mogelijke effecten van toekomstige windparken in een aan te wijzen gebied op hoofdlijnen onderzocht, en wordt (de geschiktheid van) een aan te wijzen gebied vergeleken met overige aangewezen gebieden op zee voor windenergie. Bij de vaststelling van het Nationaal Waterplan 2009–2015 zijn de windenergiegebieden Borssele (344 km2) en IJmuiden Ver (1.170 km2) aangewezen. Bij een partiële herziening van het Nationaal Waterplan 2009–20159Kamerstukken I/II 2014/15, 33 561, A/nr. 11 (herdruk). zijn in 2014 de gebieden voor de Hollandse Kust (1.210 km2) en Ten noorden van de Waddeneilanden (200 km2) aangewezen.10Met de Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee Aanvulling Hollandse Kust, een partiële herziening van het Nationaal Waterplan 2016–2021, is nog een strook tussen 10 en 12 nautische mijl (circa 18,5 tot 22,2 kilometer) toegevoegd aan het reeds aangewezen windenergiegebied Hollandse Kust. Deze wijziging heeft betrekking op de deelgebieden Hollandse Kust (zuid) en Hollandse Kust (noord). Het deelgebied Hollandse Kust (west) is hiermee niet gewijzigd. Deze herziening wordt de Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee genoemd. De aanwijzingen zijn in het vigerende Nationaal Waterplan 2016–202111Kamerstukken II 2015/16, 31 710, nr.
- gehandhaafd. De tweede stap in het traject is het vaststellen van de kavels middels kavelbesluiten. Kavels worden uitsluitend vastgelegd binnen een gebied dat is aangewezen in een nationaal waterplan. In het kavelbesluit wordt bepaald waar en onder welke voorwaarden een windpark gebouwd en geëxploiteerd mag worden. De voorwaarden betreffen onder meer een bandbreedte voor de toe te passen turbines en funderingstechnieken. Het kavelbesluit bepaalt niet wie het recht heeft om op die locatie een windpark te bouwen en te exploiteren. In de derde stap van het traject wordt een vergunning verleend op grond van de Wet windenergie op zee. Alleen de houder van die vergunning heeft het recht om op de locatie van de kavel een windpark te bouwen en te exploiteren. Wie uiteindelijk een vergunning voor het bouwen van een windpark krijgt, wordt bepaald in een tenderprocedure. In de toekomst kan dit ook een veilingprocedure zijn.12Deze mogelijkheid is opgenomen in de voorgestelde wijziging van de Wet windenergie op zee (ondersteunen opgave windenergie op zee), Kamerstukken II, 2018/19, 35 092, nr. 1.-4 Op grond van de Elektriciteitswet 1998 is TenneT aangewezen als de beheerder van het hoogspanningsnet op zee voor het transport van met wind opgewekte elektriciteit naar het landelijke hoogspanningsnet. Kavels worden door TenneT voorzien van een transformatorstation op een platform in zee en een aansluitverbinding. Dit net op zee is geen onderdeel van het kavelbesluit. Uiteraard worden de besluitvormingsprocessen voor windkavels en het net op zee wel zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Zie in dit verband ook paragraaf 4.1.
- 1.3 Ontwikkelingen: voorbereidingsbesluit Op 2 juli 2020 is op grond van artikel 9 van de Wet windenergie op zee het voorbereidingsbesluit voor kavel VI gepubliceerd in de Staatscourant (2020, nr. 34647).13Dit besluit vervangt het eerder gepubliceerde voorbereidingsbesluit (Stcrt. 2020, nr 35459). De publicatie van een nieuw voorbereidingsbesluit houdt verband met een wijziging van de begrenzing van de kavel en het verstrijken van de termijn genoemd in artikel 9, derde lid, van de Wet windenergie op zee. Het voorbereidingsbesluit vervalt op het moment dat met betrekking tot de kavel een besluit tot instellen van de veiligheidszone op grond van artikel 6.10 van de Waterwet wordt vastgesteld. 2 Wet- en regelgeving 2.1 Wet windenergie op zee Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet windenergie op zee kan de Minister van Economische Zaken en Klimaat, in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, een kavelbesluit nemen. In het kavelbesluit wordt een kavel ten behoeve van een windpark en een tracé voor de aansluitverbinding tussen het windpark en het net op zee aangewezen. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet windenergie op zee kan een kavel slechts worden aangewezen binnen gebieden die in het nationaal waterplan zijn aangewezen als voor windenergie geschikte gebieden. Bij de voorbereiding van het kavelbesluit moeten de belangen zoals opgenomen in artikel 3, derde lid, van de Wet windenergie op zee onderzocht en afgewogen worden. Deze belangen betreffen de vervulling van maatschappelijke functies, de gevolgen voor derden, het ecologisch belang, de kosten om een windpark in het gebied te realiseren en het belang van een doelmatige aansluiting op een aansluitpunt. Met betrekking tot het ecologische belang is een belangrijk onderdeel van het kavelbesluit de toets van de natuuraspecten op grond van de Wet natuurbescherming. De geïntegreerde uitvoering van de toets van de natuuraspecten is nader uitgewerkt in de artikelen 5 en 7 van de Wet windenergie op zee. Dit heeft als gevolg dat geen aparte ontheffing (soortenbescherming) of vergunning (gebiedsbescherming) op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet windenergie op zee worden aan het kavelbesluit regels en voorschriften verbonden. Daarbij gaat het met name om locatie-specifieke randvoorwaarden voor de bouw en exploitatie van een windpark, teneinde de hierboven genoemde belangen te beschermen. Naast het verbinden van regels en voorschriften moeten ook onderdelen in het kavelbesluit opgenomen worden zoals gesteld in artikel 4, tweede lid, van de Wet windenergie op zee. Dit betreft onder meer de uitkomsten van locatie-specifieke onderzoeken. Op grond van hoofdstuk 3 van de Wet windenergie op zee kan door de Minister van Economische Zaken en Klimaat een vergunning verleend worden voor de bouw en exploitatie van een windpark op zee binnen een kavel waarvoor een kavelbesluit is genomen. In deze vergunning wordt onder meer bepaald voor welk tijdvak de vergunning geldt en binnen welke termijn de in de vergunning aangegeven activiteiten moeten worden verricht. 2.2 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt onder meer Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2, gebiedenbescherming) en planten- en diersoorten (hoofdstuk 3, soortenbescherming). Artikel 5 van de Wet windenergie op zee bepaalt dat artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, dat ziet op de vergunningplicht voor activiteiten met mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden, niet van toepassing is op projecten of andere handelingen waarop het kavelbesluit van toepassing is. Dit betekent dat naast het kavelbesluit geen vergunning is vereist op grond van de Wet natuurbescherming voor het bouwen en exploiteren van een windpark op zee. Wel is in artikel 5 van de Wet windenergie op zee bepaald dat artikel 2.8 en artikel 2.9, zevende lid, van de Wet natuurbescherming van overeenkomstige toepassing zijn op het vaststellen van het kavelbesluit. Hieruit volgt dat, indien het bouwen en exploiteren van een windpark de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied als bedoeld in de Wet natuurbescherming kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, een zogenoemde ‘passende beoordeling’ moet worden opgesteld. Gelet op de conclusies van de passende beoordeling over de gevolgen voor het gebied wordt een kavelbesluit pas genomen nadat zekerheid is verkregen dat het windpark de natuurlijk kenmerken van de betrokken gebieden niet zal aantasten. Uit artikel 7 van de Wet windenergie op zee volgt dat de Minister in het kavelbesluit vrijstelling kan verlenen van de verboden bedoeld in de artikelen 3.1, eerste, tweede, en vierde lid14Het betreft de verboden in paragraaf 3.1 van de Wnb op het opzettelijk doden, vangen en storen van vogels in de zin van de Vogelrichtlijn en het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels. , 3.5, eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid15Het betreft de verboden in paragraaf 3.2 van de Wnb op onder meer het opzettelijk doden, vangen en verstoren van alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn, het opzettelijk vernielen of rapen van hun eieren en het beschadigen of vernielen van hun voortplantingsplaatsen en rustplaatsen., en 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming16Het betreft vergelijkbare verboden als hierboven genoemd, voor soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 van de Wnb vallen. . De meest relevante verboden in relatie tot windparken op zee zien op het doden en het storen van beschermde diersoorten, zoals verschillende soorten vogels, vleermuizen en zeezoogdieren. Een vrijstelling van de verboden ten aanzien van in het wild levende vogelsoorten wordt pas verleend als het project niet leidt tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort, er geen andere bevredigende oplossing is en minstens een van de belangen wordt gediend die zijn opgenomen in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, van de Wet natuurbescherming. Een vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend en er kunnen in het kavelbesluit voorschriften aan verbonden worden. Een vrijstelling voor in het wild levende diersoorten bedoeld in artikel 3.5 Wet natuurbescherming wordt pas verleend als geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, er geen andere bevredigende oplossing is en minstens een van de belangen wordt gediend die zijn opgenomen in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, van de Wet natuurbescherming. Een vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend en er kunnen in het kavelbesluit voorschriften aan verbonden worden. 2.3 Waterwet Uit artikel 6.5, aanhef en onderdeel c, van de Waterwet in samenhang met artikel 6.13 van het Waterbesluit volgt dat het verboden is om zonder watervergunning werken te plaatsen of te bouwen in de Noordzee. In artikel 6.5a van de Waterwet staat dat dit verbod niet van toepassing is op windparken waarop de Wet windenergie op zee van toepassing is. Dit betekent dat hiervoor geen watervergunning vereist is. Voor het overige is de Waterwet en daarop gebaseerde regelgeving wel van toepassing. Zo kan op grond van artikel 6.10 van de Waterwet een veiligheidszone ingesteld worden rondom een werk, en zijn in paragraaf 6a van het Waterbesluit regels opgenomen die betrekking hebben op de bouw, de exploitatie en de verwijdering van windparken op zee. 2.4 Beleidskader Noordzeebeleid Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan 2016–2021 vastgesteld. Het bevat de hoofdlijnen van het Noordzeebeleid. Uit het Nationaal Waterplan 2016–2021 volgt dat het kabinet op de Noordzee in de ruimtelijke afweging prioriteit geeft aan activiteiten van nationaal belang, zijnde scheepvaart, olie- en gaswinning, CO2-opslag, windenergie, zandwinning en -suppletie en defensie, boven andere activiteiten. In de gebieden die zijn aangemerkt voor activiteiten van nationaal belang mogen andere activiteiten dit gebruik niet belemmeren. Wanneer activiteiten van nationaal belang stapelen in hetzelfde gebied, is het uitgangspunt dat gestreefd wordt naar gecombineerd en ruimte-efficiënt gebruik, mits de eerste vergunninghouder daarbij geen onevenredige schade of hinder ondervindt. Het Noordzeebeleid is nader uitgewerkt in de Beleidsnota Noordzee. De Beleidsnota Noordzee is onderdeel van het Nationaal Waterplan 2016–2021 en vormt het kader voor activiteiten op de Noordzee, waaronder windparken. Bij de aanwijzing van een kavel wordt dit kader betrokken. Het gaat onder meer om uitgangspunten over aan te houden afstanden tot scheepvaartroutes, mijnbouwplatforms, kabels en leidingen. Tevens worden de uitgangspunten en doelen uit relevante internationale verdragen ter bescherming van het (mariene) milieu betrokken. Noordzeeakkoord en het Programma Noordzee 2022–2027 In februari 2019 heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), mede namens de ministers van LNV, EZK en BZK, het Overleg Orgaan Fysieke Leefomgeving (OFL) gevraagd om samen met de rijksoverheid en stakeholders een Noordzeeoverleg in te richten en in werking te stellen met als doel om samen met de betrokken ministeries en maatschappelijke partijen tot een ‘Noordzeeakkoord’ te komen.17Kamerstukken II, 2018/19, 33 450 nr.
- Het daaruit resulterende Noordzeeakkoord bevat keuzes en afspraken voor beleid die de opgaven voor visserij, natuur en windenergie concreet en langdurig met elkaar in balans brengen. Hierbij wordt rekening gehouden met de belangen van andere gebruikers zoals zeevaart, defensie en zandwinning. Het betreft afspraken tussen Rijk en stakeholders over een duurzaam gebruik van de Noordzee tot en met 2030 en daarna. Het Noordzeeakkoord is in juni 2020 vastgesteld en in februari 2021 aan de Tweede Kamer voorgelegd. Met het door de Tweede Kamer gesteunde Noordzeeakkoord wordt een basis gelegd onder het besluitvormingsproces voor het Programma Noordzee 2022–2027 (bijlage bij het Nationaal Waterprogramma 2022–2027). Een belangrijk deel van de afspraken krijgt in dit Programma Noordzee zijn beslag. Op dit moment is het Programma Noordzee nog in voorbereiding en daarmee nog geen vaststaand beleid. Voor zover mogelijk wordt geanticipeerd op het Noordzeeakkoord en de te verwachte beleidswijzigingen in het Programma Noordzee 2022–2027 die van invloed kunnen zijn op dit kavelbesluit. Dit geldt met name voor het aspect doorvaart (zie paragraaf 6.12.1). Energiebeleid In het Energierapport ‘Transitie naar duurzaam’ uit 201618Energierapport ‘Transitie naar duurzaam’, Kamerstukken II, 2015/16, 31 510, nr.
- , zijn voor de periode tot 2050 de hoofdlijnen van het toekomstig energiebeleid geschetst. Het kabinet heeft voor de transitie naar duurzame energie drie uitgangspunten centraal gesteld: 1) aansturen op CO2-reductie; 2) verzilveren van de economische kansen die de energietransitie biedt, en; 3) integreren van energie in het ruimtelijk beleid. De hoofdlijnen van het Energierapport zijn uitvoerig met onder meer burgers, wetenschappers en ondernemers besproken in de Energiedialoog. De uitkomsten van de dialoog zijn bouwstenen geweest voor de Energieagenda uit 2016.19Energieagenda ‘Naar een CO2-arme energievoorziening’, Kamerstukken II, 2016/17, 31 510, nr.
- Met deze agenda beoogt het kabinet een helder en ambitieus perspectief te schetsen richting 2030 en
- Het doel is om in 2050 80-95 procent minder CO2 uit te stoten. Nadere uitwerking beleid voor windenergie op zee Het kabinet heeft in 2018 de routekaart 2030 aangeboden aan de Tweede Kamer.20Kamerstukken II, 2017/18, 33 561, nr.
- De routekaart 2030 bevat de hoofdlijnen voor de ontwikkeling van windenergie op zee van 2024 tot
- Het is de opvolger van de routekaart windenergie op zee 2023 en een verdere uitwerking van de lijn uit de Energieagenda. De routekaart 2030 omvat plannen voor het ontwikkelen van windparken met een totale capaciteit van ten minste 6,1 GW in de volgende windenergiegebieden: • Hollandse Kust (west) met een vermogen van 1,4 GW, waarvan de ingebruikname zou moeten plaatsvinden in 2025–2026; • Ten noorden van de Waddeneilanden met een vermogen van 0,7 GW, waarvan de ingebruikname staat gepland in 2027; • IJmuiden Ver, met een vermogen van circa 4 GW het grootste windenergiegebied, waarvan de ingebruikname in de periode 2028–2029 moet plaatsvinden. Figuur 1: Overzicht windenergiegebieden op het Nederlandse deel van de Noordzee tot 2030 3 Procedure 3.1 Voorbereidingsprocedure Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wet windenergie op zee komt het kavelbesluit tot stand via de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Van vrijdag 5 februari 2021 tot en met donderdag 18 maart 2021 heeft het (oorspronkelijke) ontwerpkavelbesluit VI Hollandse Kust (west) voor dit project ter inzage gelegen. Het ontwerpbesluit is vervolgens op wezenlijke aspecten gewijzigd. Het herziene ontwerpkavelbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken hebben van 24 september 2021 tot en met 4 november 2021 ter inzage gelegen. Gedurende die periodes is eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen op het ontwerpkavelbesluit. 3.1.1 Zienswijzen Naar aanleiding van de publicatie van de kennisgeving en de terinzagelegging van het herziene ontwerpkavelbesluit VI Hollandse Kust (west) zijn in totaal zeven zienswijzen ontvangen. Eerder zijn, naar aanleiding van de kennisgeving en de terinzagelegging van het oorspronkelijke ontwerpkavelbesluit, in totaal zes zienswijzen ontvangen. In het herziene ontwerpkavelbesluit is aangekondigd dat zienswijzen op beide ontwerpbesluiten per deelaspect worden beantwoord bij de definitieve besluitvorming. Aan het eind van deze toelichting, onder IV, is de ‘Nota van beantwoording op afzonderlijke zienswijzen en reacties in het kader van het ontwerpkavelbesluit VI Hollandse Kust (west)’ opgenomen. De nota van beantwoording maakt, voor zover de zienswijzen zich richten tegen het ontwerp van dit besluit, onderdeel uit van het besluit. Naar aanleiding van de zienswijzen en reacties zijn, in hoofdzaak, de volgende wijzigingen doorgevoerd in dit definitieve besluit: – Voorschrift 3, eerste, tweede en zevende lid, bepaalt dat ten hoogste 60 turbines worden geplaatst van ten minste 14 MW. Het (aangepaste) totale rotoroppervlak is maximaal 2.624.613 m
- Met de aanscherping van de bandbreedte op deze aspecten is beoogd de gevolgen voor het aan te wijzen Natura 2000-gebied Bruine Bank te beperken. Dit is een wijziging ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerpkavelbesluit. Ten opzichte van het herziene ontwerpkavelbesluit is het totale maximaal rotoroppervlakte aangepast, van 2.280.780 m2 naar 2.624.613 m
- Voor een toelichting wordt verwezen naar paragraaf 7.2 en de nota van beantwoording (onder IV). – Voorschrift 3, zesde lid, bepaalt een minimale turbine-ashoogte van 135 meter boven MSL. Dit is conform het herziene ontwerpkavelbesluit maar was in het oorspronkelijke ontwerp 135,5 meter. De ashoogte van (afgerond) 135 meter is voorgeschreven om te waarborgen dat de toegestane bandbreedte van het windpark in overeenstemming is met de bandbreedte als gehanteerd in relatie tot het gemodelleerde aantal aanvaringsslachtoffers onder vogels in het Kader ecologie en cumulatie (KEC). – Voorschrift 3, achtste lid, bepaalt dat een samenstel van turbines met een gecombineerd geïnstalleerd vermogen tot 760 MW in ieder geval wordt aangesloten op het TenneT-platform Hollandse Kust (west Alpha). Dit is conform het herziene ontwerpkavelbesluit. Het oorspronkelijk ontwerp ging uit van alle turbines. Het voorschrift houdt rekening met de door de (gewijzigde) Wet windenergie op zee geboden mogelijkheid dat het net op zee niet het enige aansluitpunt is. Zie voor een nadere toelichting paragraaf 4.1.
- – Voorschrift 4, vijfde lid, bevat een inspanningsverplichting om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht in de bouw- en verwijderingsfase te beperken. Dit is conform het herziene ontwerpbesluit. Het oorspronkelijke ontwerp bevatte een gekwantificeerd en bindend emissieplafond. Deze bepaling wordt gelet op de wettelijke voorziening als bedoeld in artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming en artikel 2.5 Besluit natuurbescherming niet langer passend geacht. Met het vervangende voorschrift wordt aangesloten bij de aanpak van het (voorgestelde) artikel 7.19a van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat voor windparken in de EEZ niet van toepassing is. Een nadere motivering is opgenomen in paragraaf 7.8.
- – Aan voorschrift 4, achtste lid, is een coördinatentabel toegevoegd van de in de kavel aanwezige (afgesloten) mijnbouwputten. Dit is conform het herziene ontwerpkavelbesluit maar ontbrak in het oorspronkelijke ontwerpbesluit. – De in voorschrift 4, negende lid, genoemde termijn voor het overleggen van een archeologie-werkplan is drie maanden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden. Dit is conform het herziene ontwerpkavelbesluit, maar in het oorspronkelijke ontwerp was deze termijn abusievelijk gesteld op achttien maanden voorafgaand aan de start van de bouw. – In het ontwerpkavelbesluit was in voorschrift 4, tiende lid, onderdeel c voorgeschreven dat in ieder geval de contouren van het windpark verlicht dienen te zijn in het kader van de luchtvaartveiligheid, waarbij, vanuit de cockpit van het luchtvaartuig gezien, de afstand op de horizon tussen de afzonderlijke lichten op de windturbines niet meer dan 900 meter is. Dit onderdeel van voorschrift 4, tiende lid, is geschrapt. De reden daarvan is dat in onderdeel a van voorschrift 4, tiende lid, dwingend is bepaald dat de obstakellichten op het hoogste vaste punt op alle windturbines vastbrandende rode lichten zijn. Het voorschrift zoals opgenomen in zowel het oorspronkelijke als herziene ontwerpkavelbesluit was daarmee innerlijk tegenstrijdig en niet in overeenstemming met het informatieblad ‘Aanduiding offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’. – In voorschrift 4, tiende lid, is ter bevordering van de scheepvaartveiligheid de verplichting opgenomen dat alle turbines zijn voorzien van goed zichtbare herkenningstekens/identificatiecodes die indirect en overkapt zijn verlicht met een eigen lichtbron van lage lichtsterkte. Dit is conform het herziene ontwerpkavelbesluit, maar ontbrak nog in het oorspronkelijke ontwerpkavelbesluit. – Voorschrift 6 bepaalt dat de vergunning wordt verleend voor 35 jaar. Dit is conform het herziene ontwerpkavelbesluit maar gelet op de gewijzigde Wet windenergie op zee vijf jaar langer dan bepaald in het oorspronkelijke ontwerpkavelbesluit. De nadere motivering is opgenomen in paragraaf 4.4.
- – Voorschrift 8, waarin de financiële zekerheidsstelling is geregeld, is gelet op het bovenstaande aangepast op de wijziging van de vergunningsduur. Dit is conform het herziene ontwerpkavelbesluit, maar ontbrak nog in het oorspronkelijke ontwerpkavelbesluit. Daarnaast is aanvullend het vierde lid geschrapt, dat gelet op de gewijzigde Wet windenergie op zee niet meer relevant is. – Bij voorschrift 2, tweede lid, in het oorspronkelijke ontwerp was een foutieve bijlage gevoegd. Deze is vervangen door de correcte versie, conform het herziene ontwerpkavelbesluit. – In paragraaf 6.5.4 van het oorspronkelijke ontwerpkavelbesluit stond in relatie tot voorschrift 4, achtste lid, ten onrechte vermeld dat onder voorwaarden steenbestorting aanwezig mag zijn in een straal van 100 meter rond een (afgesloten) mijnbouwput. Deze passage is reeds in de toelichting bij het herziene ontwerpkavelbesluit verwijderd. – In paragraaf 6.8.2 is conform het herziene ontwerpkavelbesluit in de toelichting verduidelijkt dat (gedeeltelijke) overdraai van turbinebladen is toegestaan in een straal van 100 meter rond de mogelijk archeologisch waardevolle objecten en de begraven ijzerhoudende voorwerpen. In afwijking van het herziene ontwerpbesluit is het tevens in de betreffende voorschriften (voorschriften vier, achtste en negende lid) tot uitdrukking gebracht. – In de paragrafen 6.10.2 en 6.10.3 is conform het herziene ontwerpkavelbesluit toegevoegd dat de (verlaten) telecomkabel UK-NL10 aanwezig is in het gebied. – In paragraaf 6.11.3 is conform het herziene ontwerpkavelbesluit nader toegelicht dat in het kavelbesluit geen (bindende) ruimtelijke reservering/uitsluiting wordt opgenomen voor de straalverbindingen die de kavel doorkruisen. 3.2 Milieueffectrapportage (m.e.r.) De procedure van de milieueffectrapportage (m.e.r.-procedure) is voorgeschreven op grond van nationale en Europese wetgeving indien sprake is van besluitvorming over activiteiten met potentieel aanzienlijke milieueffecten. Artikel 7.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bepaalt dat activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, worden aangewezen. De aangewezen categorieën zijn te vinden in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Afhankelijk van het type activiteit en daarmee de categorisatie in de bijlage van het Besluit m.e.r., moet bij de voorbereiding van de plannen en/of besluiten een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt of moet het bevoegd gezag beoordelen of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In onderdeel C, categorie C22.2, is de oprichting van een windpark bestaande uit twintig windturbines of meer, opgenomen. Dit betekent dat windparken op zee (bestaande uit twintig turbines of meer) die middels kavelbesluiten mogelijk worden gemaakt m.e.r.-plichtig zijn. Voor het MER ten behoeve van het kavelbesluit VI in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) wordt op grond van artikel 7.24, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wm de uitgebreide m.e.r.-procedure gevolgd. Omdat significante effecten op Natura 2000-gebieden bij het realiseren van windparken in windenergiegebied Hollandse Kust (west) niet op voorhand zijn uit te sluiten, is ook een passende beoordeling opgesteld. De reikwijdte en het detailniveau van het milieueffectonderzoek wordt vastgesteld op basis van de concept-notitie reikwijdte en detailniveau (concept-NRD) van de initiatiefnemer en de daarop ontvangen zienswijzen, reacties en adviezen. Tijdens de terinzagelegging van de concept-NRD van 14 juni 2019 tot en met 25 juli 2019 is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. De betrokken bestuursorganen en wettelijk adviseurs zijn geraadpleegd over de reikwijdte en het detailniveau. Tevens is de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.) om advies gevraagd.21Het dossier is te vinden op: www.commissiemer.nl/adviezen/3369 De definitieve NRD is op 7 november 2019 gepubliceerd.22https://www.rvo.nl/onderwerpen/bureau-energieprojecten/lopende-projecten/windparken/wind-op-zee-kavels-hollandse-kust-west-vi-en-vii Gedurende de terinzagelegging van het oorspronkelijke ontwerpkavelbesluit is de Commissie m.e.r. gevraagd te adviseren over de milieueffectrapportage zelf. De commissie heeft op 14 april 2021 geadviseerd het MER op een aantal specifieke aspecten aan te vullen: • De gevolgen van stikstofdepositie in de aanlegfase voor daarvoor gevoelige natuurgebieden. • De gevolgen voor het toekomstige Natura 2000-gebied Bruine Bank. • De gebiedsspecifieke effecten op soorten die in of op de zeebodem leven. Voorts adviseerde de Commissie m.e.r. in het scheepvaartveiligheidsonderzoek naar de gevolgen van een passage door het windpark het resultaat van de (op dat moment nog niet beschikbare) formal safety assessment te betrekken. Naar aanleiding van het advies is door de opsteller van het MER een addendum opgesteld dat integraal onderdeel is van het MER-dossier. De resultaten van het aanvullend onderzoek naar het afzonderlijke gevolg van een windpark in kavel VI voor de Bruine Bank hebben geleid tot het aanscherpen van de voorschriften ten aanzien van het maximaal aantal te plaatsen turbines, het minimumvermogen per turbine en het totale rotoroppervlak binnen de kavel. Hiermee worden de gevolgen voor het aan te wijzen Natura 2000-gebied Bruine Bank beperkt. Hierbij is relevant te vermelden dat het definitieve aanwijzingsbesluit Bruine Bank ten tijde van de voorbereiding van dit besluit nog niet was gepubliceerd, maar dat publicatie aanstaande is. Ingevolge artikel 5 van de Wet windenergie op zee moet voor een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet natuurbescherming worden uitgesloten dat een windpark in kavel VI (ook) in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben. Anticiperend op het definitieve aanwijzingsbesluit Bruine Bank is een nader onderzoek naar effecten in cumulatie uitgevoerd. De resultaten zijn betrokken in een aanvulling op de Passende Beoordeling bij dit kavelbesluit.23Bureau Waardenburg, Aanvullend natuuronderzoek voor Hollandse Kust (west). Rapport 21-
- De conclusie is dat (ook in cumulatie) significant negatieve effecten op de Bruine Bank zijn uit te sluiten. 3.3 Afstemming Het Energierapport, de daaropvolgende Energiedialoog en de Energieagenda vormen de basis voor de keuzes ten aanzien van de verdere ontwikkeling van windparken op zee voor de lange termijn. Op basis van een breed georiënteerd proces heeft het kabinet in maart 2018, in de routekaart 2030, de Tweede Kamer geïnformeerd over de keuze om in de periode 2024–2030 in ten minste drie gebieden op zee windparken te ontwikkelen. Het windenergiegebied Hollandse Kust (west) is een van die gebieden. Daarmee bouwt deze stap voort op het proces dat met betrokkenheid van veel partijen is doorlopen. Ook bij het tot stand komen van de NRD zijn partijen betrokken middels consultatie en via de inspraakmogelijkheden. De uitkomsten van dit afstemmingsproces zijn betrokken bij het opstellen van dit kavelbesluit. 4 Kavel VI 4.1 Kenmerken windenergiegebied Hollandse Kust (west) In de routekaart 2030 is uiteengezet hoe de doelstelling voor windenergie op zee conform de Energieagenda gerealiseerd kan worden. Windenergiegebied Hollandse Kust (west) is aangewezen in het Nationaal Waterplan 2009–
- Deze aanwijzing is in het vigerende Nationaal Waterplan 2016–2021 herbevestigd. Binnen het windenergiegebied Hollandse Kust (west) is, gelet op de oppervlakte van 349 km2, ruimte voor ten minste twee kavels. 4.1.1 Ligging kavel VI Kavel VI betreft het meest noordelijk deel van het aangewezen windenergiegebied Hollandse Kust (west). Het is volledig gelegen in de Nederlandse exclusieve economische zone (EEZ). De kavel ligt op ongeveer 51 kilometer van de kust en beslaat in totaal circa 90 km2 (bruto). In figuur 2 is de ligging van windenergiegebied Hollandse Kust (west) ten opzichte van andere windparken en infrastructuur te zien. Ten oosten van het windenergiegebied Hollandse Kust (west) liggen de bestaande windparken Prinses Amaliawindpark en Offshore Windpark Egmond aan Zee (OWEZ) op respectievelijk ongeveer 30 en 40 kilometer. Voor 2024 verrijst hier nog een windpark ter plaatse van kavel V van het windgebied Hollandse Kust (noord). Ongeveer 35 kilometer ten zuidoosten van het windenergiegebied ligt het bestaande windpark Luchterduinen. Voor 2024 worden even ten zuiden van Luchterduinen nog vier windparken ontwikkeld ter plaatse van de kavels I t/m IV van het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid). Volgens de routekaart 2030 worden later nog kavelbesluiten voor het windenergiegebied IJmuiden Ver in procedure gebracht. Deze liggen op ten minste 10 kilometer ten (noord-)westen van Hollandse Kust (west). De windenergiegebieden Borssele en Ten noorden van de Waddeneilanden liggen op grotere afstand dan genoemde parken. Figuur 2: Ligging van windenergiegebied Hollandse Kust (west) 4.1.2 De kosten om een windpark in het gebied te realiseren Er is onderzoek24Kamerstukken II, 2015/16, 33 561, nr. 28 en Kamerstukken II, 2016/17, 33 561, nr.
- Zie ook: ECN, in opdr. van Ministerie van Economische Zaken, Optimal wind farm power density analysis for future offshore wind farms, ref. ECN-E--18-025,
- gedaan naar de geschiktheid van het windenergiegebied Hollandse Kust (west) voor de aanleg van windparken vanuit windopbrengst en kostenefficiëntie. Om een beeld te verkrijgen van de kosten per eenheid opgewekte energie (euro/megawattuur) binnen het windenergiegebied, is dit aan de hand van de meest bepalende factoren nagegaan zoals waterdiepte, windsnelheid en de afstand tot de kust. Uit dit onderzoek komt het beeld naar voren dat het opwekken van windenergie op een kostenefficiënte wijze gerealiseerd kan worden. 4.1.3 Doelmatige aansluiting van een windpark op een aansluitpunt Een gecoördineerde en gestandaardiseerde netaansluiting van windparken leidt tot lagere maatschappelijke kosten en een kleinere impact op de leefomgeving.25Kamerstukken II, 2014/15, 33 561, nr.
- Het uitgangspunt van de routekaart 2030 is dat windenergie op zee in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) het meest kosteneffectief gerealiseerd kan worden door het realiseren van een net op zee, dat aansluit op het bestaande hoogspanningsnet op land. Een samenstel van turbines met een gecombineerd geïnstalleerd vermogen tot 760 MW wordt in ieder geval aangesloten op het TenneT-platform Hollandse Kust (west Alpha).26TenneT garandeert een transportvermogen van 700 MW. Het maximaal in te voeden vermogen van de windparken ter hoogte van het overdrachtspunt op het wisselstroomplatform bedraagt 760 MW. Uit het oogpunt van kostenefficiëntie kan het voordelig zijn om meer vermogen te installeren dan het door de netbeheerder gegarandeerde transportvermogen. Immers de windparken zullen lang niet altijd op vol vermogen draaien, waardoor de transportcapaciteit van het net op zee meestal maar ten dele wordt benut. Door meer windvermogen te installeren (‘overplanting’) kan meer elektriciteit worden geproduceerd en kunnen de kosten per hoeveelheid elektriciteit (kWh) afnemen. Dit komt de beoogde kostenreductie van windenergie op zee en het behalen van de Nederlandse CO2-reductiedoelen ten goede. Er is echter sprake van een optimum: op een gegeven moment zal het geïnstalleerde windvermogen de gegarandeerde transportcapaciteit van het net op zee zodanig overstijgen dat op momenten dat het hard waait een steeds groter deel van de elektriciteit niet meer door TenneT getransporteerd kan worden. Hierdoor zal de noodzaak kunnen ontstaan windturbines af te schakelen. Dit optimum zal bij het windpark afhangen van de keuze van het type windturbine, de beschikbare ruimte voor windturbines en de toename van zogeffecten. Zie paragraaf 3.6 in het Ontwikkelkader windenergie op zee
(2020): https://www.rvo.nl/sites/default/files/2020/05/Ontwikkelkader%20windenergie%20op%20zee%20versie%20voorjaar%202020.pdf. Het net op zee Hollandse Kust (west Alpha) verbindt het windpark met het hoogspanningsnet op land.27De netaansluiting voor kavel VII van Hollandse Kust (west) wordt aangeduid als Hollandse Kust (west Beta). De mogelijkheid om het tracé van de netaansluiting Hollandse Kust (west Alpha) gedeeltelijk te combineren met het kabeltracé van het windpark in Hollandse Kust (noord) is in de routekaart 2030 als argument genoemd om met het gebied Hollandse Kust (west) te beginnen. Het deels combineren van de tracés biedt mogelijkheden voor duurzaam en beperkt ruimtegebruik van de infrastructuur voor beide windparken op zowel zee als land. Ook kan daarmee tijdwinst geboekt worden in de vergunningprocedures voor Hollandse Kust (west Alpha) en wordt de omgeving zo min mogelijk belast met de aanlegwerkzaamheden. Het net op zee Hollandse Kust (west Alpha) bestaat uit: • een platform op zee; • elektriciteitskabels van het platform door de zeebodem en ondergronds vanaf de kust naar een nieuw te bouwen transformatorstation op land; • een ondergrondse kabelsysteem vanaf het transformatorstation op land naar een bestaand hoogspanningsstation te Beverwijk; • een verbindingskabel vanaf het platform Hollandse Kust (west Alpha) met het platform Hollandse Kust (west Beta). Op grond van de Elektriciteitswet 199828 Stb, 2016,
- is TenneT aangewezen als de beheerder van het net op zee voor het transport van met windenergie opgewekte elektriciteit naar het landelijke hoogspanningsnet. In dit kavelbesluit wordt de aansluiting van het windpark op het net op zee gereguleerd. Indien binnen de voorwaarden van dit besluit, het totaal geïnstalleerd vermogen groter is dan 760 MW, worden alle aanwezige turbines geacht onderdeel uit te maken van het windpark. Eventuele aansluiting van turbines op andere aansluitpunten dan het net op zee zijn in dit kavelbesluit niet gereguleerd. De plaatsing van aanvullende aansluitpunten, elektrolyse-installaties bijvoorbeeld, alsmede de aansluiting van turbines op die aanvullende aansluitpunten, wordt derhalve vergunningplichtig op grond van de Waterwet geacht. 4.1.4 Gebruik Thans heeft het windenergiegebied Hollandse Kust (west) meerdere gebruiksfuncties. Het gebied ligt ingeklemd tussen intensief bevaren scheepvaartroutes die onderdeel zijn van het verkeersscheidingsstelsel Noordzee. Het gebied is voorts van belang voor de bereikbaarheid van Nederlandse havens en voor veerbootdiensten tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Bij de verkaveling is hiermee rekening gehouden. De meest noordelijke punt van het gebied Hollandse Kust (west) is vrijgehouden om de hinder voor het scheepvaartverkeer te beperken. In en nabij het windenergiegebied Hollandse kust (west) vindt visserij plaats en bevinden zich mijnbouwplatforms voor de olie- en gaswinning. Ook doorkruisen diverse kabels en leidingen het gebied. Zie figuur 2 in paragraaf 4.1.1 voor een overzicht. 4.1.5 Bodemsamenstelling De waterdiepte in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) varieert van ongeveer 18,6 tot 35,5 meter (lowest astronomical tide - LAT). Er liggen zandbanken en -golven in het gebied. De zeebodem bestaat hoofdzakelijk uit fijn tot gemiddeld zand met tussenliggende klei-, slib- en slibhoudende zandlagen.29Voor een overzicht van beschikbare bodemdata, zie https://offshorewind.rvo.nl/soilw. 4.1.6 Explosieven Aangezien zowel tijdens de Eerste als de Tweede Wereldoorlog is gevochten in en boven het gebied is het waarschijnlijk dat op en in de bodem niet-gesprongen explosieven liggen. Uit onderzoek30REASeuro, in opdr. van RVO, Offshore wind energy Netherlands Site Data Hollandse Kust (west) Wind Farm Zone; Unexploded Ordnance (UXO) – Desk Study, ref. 73 065,
- blijkt dat het kan gaan om onder meer zeemijnen, raketten, vliegtuigbommen, dieptebommen, en granaten van boordgeschut. Bij de aanleg van het windpark zal door de vergunninghouder vastgesteld moeten worden of inderdaad explosieven aanwezig zijn op de plaats waar de funderingen worden geplaatst. Indien uit nader onderzoek blijkt dat op de plek van de te plaatsen fundering een niet-gesprongen explosief ligt, dan wordt dit gemeld aan de kustwacht. Zij schakelt de Koninklijke Marine in die zorg draagt voor het veilig opruimen van het betreffende object. Voor de vergunninghouder zijn hieraan geen kosten verbonden. De mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven in het gebied vormt geen belemmering voor de realisatie van het windpark. Met goed risicomanagement kan het risico tot een aanvaardbaar niveau worden teruggebracht. 4.1.7 Natuurwaarden Het windenergiegebied Hollandse Kust (west) onderscheidt zich voor wat betreft bodemleven, vissen en vislarven niet zozeer van andere delen van de Noordzee. Het gebied ligt dermate ver weg van de kust dat de meeste kustbroedende soorten of verblijvende soorten van de kustzone, niet of in kleine aantallen voorkomen. Kleine mantelmeeuwen, zilvermeeuwen, alken en zeekoeten zijn met regelmaat in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) aanwezig. Over de Nederlandse Noordzee migreren jaarlijks miljoenen vogels, waarvan een deel over het windenergiegebied Hollandse Kust (west) vliegt. Ook passeren trekkende vleermuizen het windenergiegebied Hollandse Kust (west). Het windenergiegebied Hollandse Kust (west) is voorts leefgebied van zeehonden, bruinvissen en andere mariene zoogdiersoorten. In het gebied zelf zijn geen rust-, verhaar- en reproductieplaten voor zeehonden aanwezig. Deze liggen in Natura 2000-gebieden, waarvan de Voordelta en de Noordzeekustzone de dichtstbijzijnde zijn. Het Natura 2000-gebied de Noordzeekustzone is gelegen op circa 45 kilometer afstand. De afstand tot andere mogelijk relevante Natura 2000-gebieden als Voordelta, Oosterschelde, Vlakte van de Raan, Westerschelde en Saeftinghe, Duinen en Lage Land Texel, Waddenzee, en Friese Front is ten minste 65 kilometer. De Klaverbank en Doggersbank liggen op respectievelijk circa 115 en 185 kilometer afstand. Het mogelijk aan te wijzen Natura 2000-gebied De Bruine Bank ligt ten westen van het windenergiegebied Hollandse Kust (west) op circa 15 kilometer afstand van kavel VI. 4.2 Verkaveling 4.2.1 Aantal megawatt en oppervlakte kavel In de routekaart 2030 is ervan uitgegaan dat windenergiegebied Hollandse Kust (west) ruimte biedt voor 1,4 GW. Onder meer vanwege de dalende kosten van windenergie op zee en de behoefte aan schaalvergroting worden grote kavels van ten minste circa 0,7 GW uitgegeven. Ter vergelijking: in de windenergiegebieden Borssele en Hollandse Kust (zuid) zijn kavels van circa 0,35 GW uitgegeven. De ervaring leert dat er voldoende geïnteresseerde partijen zijn die een windpark van 0,7 GW kunnen financieren en realiseren op basis van een concurrerend plan. Door grote kavels uit te geven, ontstaan schaalvoordelen voor de ontwikkelaar. Hoewel het verwachte te realiseren vermogen ca. 760 MW bedraagt, wordt het daadwerkelijk te installeren vermogen bepaald door de vergunninghouder, met dien verstande dat een ondergrens geldt van 693 MW. In afwijking van de NRD wordt het maximaal te installeren vermogen niet expliciet voorgeschreven. Voor de milieueffecten van het windpark is de maatvoering van de turbines immers bepalend en niet het vermogen. Aan het aantal turbines, het onderwatergeluidsniveau als gevolg van heiactiviteit, de ashoogte, de tiphoogte, de tiplaagte, en het (totale) rotoroppervlak worden op grond van de resultaten van het milieueffectonderzoek voorschriften verbonden. Daarnaast stelt de netbeheerder TenneT grenzen aan het in te voeden vermogen. Gegeven deze bindende randvoorwaarden, maar bijvoorbeeld ook de windafvangeffecten, zal de vergunninghouder het windpark zo ontwerpen dat een optimum wordt bereikt. Het uitgangspunt van het nationaal waterplan is het zoveel mogelijk combineren van gebruiksfuncties binnen de schaarse ruimte op de Noordzee. Er is daarom gekozen voor het aanwijzen van twee compacte kavels in windenergiegebied Hollandse Kust (west): kavel VI en kavel VII. Deze verkaveling wijkt enigszins af van de voorkeursverkaveling zoals gepresenteerd in de notitie reikwijdte en detailniveau (NRD). Dit hangt samen met nieuwe informatie over de aanstaande beëindiging van de gaswinning binnen het gebied (blok P6) en daarmee de status van een deel van de mijnbouwinfrastructuur in en nabij het windenergiegebied, alsmede met nieuwe informatie over de status van een in het gebied gelegen telecomkabel. In de aangepaste verkaveling is daarom geen rekening meer gehouden met het obstakelvrij houden van een 2,5 NM-zone rond het mijnbouwplatform P6-A, dat net ten westen van het windenergiegebied is gelegen. Als gevolg van deze aanpassingen is de beschikbare ruimte voor de plaatsing van turbines toegenomen, zonder dat het uitgangspunt van een compacte verkaveling is verlaten. Gelet op het bovenstaande is de effectbeoordeling op de relevante aspecten (olie- en gaswinning, luchtvaart, kabels en leidingen) uitgevoerd op basis van geactualiseerde uitgangspunten over de mijnbouwinfrastructuur. Zie de paragrafen 6.5, 6.7 en 6.10 van deze toelichting. Voorts is in de nieuwe verkaveling gerichter rekening gehouden met het toekomstige scheepvaartverkeer: in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) is tussen de kavels VI en VII een ruimte open gehouden die in de toekomst kan worden aangewezen als passage voor de scheepvaart. Deze besluitvorming over een aanwijzing als scheepvaartpassage vindt niet plaats in het kader van de Wet windenergie op zee maar op grond van de Waterwet. Door het aanwijzen van twee compacte kavels in het noorden en in het centrum van het windenergiegebied blijft met name aan de zuidkant ruimte over voor bestaand gebruik.31Het is niet uitgesloten dat het niet te benutten deel van Hollandse Kust (west) in de toekomst alsnog wordt gebruikt voor windenergie. Ook om die reden wordt nu gekozen voor een compacte en aaneengesloten verkaveling van de kavels VI en VII. Het gebied is in het Aanvullend Ontwerp Programma Noordzee (opnieuw) opgenomen als windenergiegebied. Binnen de kavels staan de windturbines met een tussenliggende afstand van ten minste vier maal de rotordiameter nog steeds ruim uit elkaar. ECN (Energieonderzoek Centrum Nederland) heeft onderzoek gedaan naar de mogelijke vermogensdichtheid van windparken op de Noordzee.32ECN, in opdr. van Ministerie van Economische Zaken, Optimal wind farm power density analysis for future offshore wind farms, ref. ECN-E--18-025,
- Ook is de verwachte levelized cost of energy (LCoE) voor verschillende verkavelingsvarianten van windenergiegebied Hollandse Kust (west) onderzocht. Uit het onderzoek en aanvullende berekeningen volgt ook dat het gebruik van de gehele oppervlakte van windenergiegebied Hollandse Kust (west) niet per sé nodig is voor het plaatsen van windturbines met een gecombineerde capaciteit van circa 1,4 GW. De keuze om het gebied in het zuiden vooralsnog vrij te houden leidt voor de beide kavels tot een stijging van slechts 2,5 tot 3 procent ten opzichte van de situatie waarin was gekozen voor een ruime opzet van de twee kavels en waarin vrijwel het gehele windenergiegebied zou worden benut.33Blix Consultancy & partners, in opdr. van RVO, Study into levelised Cost of Energy of variants for wind farm site boundaries of Hollandse Kust (west), Ten noorden van de Waddeneilanden and IJmuiden Ver, ref. WOZ 2180096 – Lot 1,
- Zie ook aanvullende memo: Blix Consultancy, in opdr. van RVO, Levelized Cost of Energy of variant 8.2 for Hollandse Kust (west), 2018; BLIX Consultancy BV & partners, in opdr. van RVO, Study into Levelized Cost of Energy of variants for wind farm site boundaries of Hollandse Kust (west), ref. WOZ2180100,
- Deze stijging is beperkt en staat in verhouding tot de voordelen van het vooralsnog niet benutten voor windenergie van een deel van het gebied. De verkaveling ontstaat mede aan de hand van het in kaart brengen van belemmeringen en gebruiksfuncties die plaatsing van windturbines onmogelijk maken, zoals de aanwezige kabels en leidingen en de daarbij horende onderhoudszones en de platforms en de daarbij horende veiligheidszones. Vervolgens wordt gekeken naar een zo gunstig mogelijke kavelindeling, gelet op onder meer het beperken van kabellengtes en windafvangeffecten. De gekozen kavelindeling van kavel VI resulteert in een kavel die gelegen is in het noorden van windenergiegebied Hollandse Kust (west) en een oppervlakte heeft van circa 90 km
- Dit betreft de bruto-oppervlakte, inclusief de onderhoudszones van kabels en leidingen die de kavel doorkruisen. In het MER is voor de effecten gerekend met een netto beschikbare oppervlakte voor het plaatsen van windturbines van circa 81 km
- Deze kavel heeft dan bij het toegestane vermogen van ten minste 693 MW een dichtheid van ongeveer 9 MW/km
- De gekozen verkaveling van windenergiegebied Hollandse Kust (west) heeft de volgende voordelen voor de overige gebruiksfuncties in het gebied: • Door het vrijhouden van een deel van het windenergiegebied wordt de hinder voor het scheepvaartverkeer beperkt, in het bijzonder voor de ferrydiensten tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk die gebruik gaan maken van de meest noordelijke punt. • Het verlies aan visgrond is minder. Een gedeelte van het windenergiegebied met een betrekkelijk hoge visvangstopbrengst in het zuiden blijft vooralsnog beschikbaar. • Minder habitatverlies voor soorten in de Noordzee. Een nadere toelichting bij de keuze voor het vaststellen van een compacte kavel in het noorden van windenergiegebied Hollandse Kust (west) is opgenomen in paragraaf 5.
- Hoofdstuk 6 bevat een beschrijving van de effecten per gebruiksfunctie. De kavelindeling is schematisch weergegeven in figuur
- Figuur 3: Verkaveling van windenergiegebied Hollandse Kust (west) 4.2.2 Kavelbegrenzing Zoals gesteld in de vorige paragraaf zijn de grenzen van kavel VI binnen de gegeven begrenzing van het windenergiegebied mede bepaald aan de hand van de in het gebied aanwezige gebruiksfuncties. Het gaat om kabels en leidingen inclusief onderhoudszones en de benodigde ruimte voor het deel van het net op zee dat binnen het windenergiegebied is gelegen. De coördinaten van de begrenzing van kavel VI zijn weergegeven in voorschrift 2, eerste lid, bij dit besluit. Een samenstel van turbines met een gecombineerd geïnstalleerd vermogen tot 760 MW wordt in ieder geval aangesloten op het TenneT-platform Hollandse Kust (west Alpha). Dat platform wordt via een nieuw te bouwen transformatorstation verbonden met het hoogspanningsnet op land te Beverwijk. Ook wordt een 66 kV-kabelverbinding aangelegd met het TenneT-platform Hollandse Kust (west Beta), dat is gelegen binnen kavel VII. De verbindingskabel heeft een onderhoudszone van 100 meter aan weerszijden. Voor de onderhoudszones van overige kabels en leidingen is op grond van het beleidsmatige uitgangspunt van efficiënt ruimtegebruik maatwerk gehanteerd. Voor de buisleidingen is in samenspraak met de eigenaar/beheerder een onderhoudszone van 150 meter aan weerszijden aangehouden. Dit geldt niet voor de buisleiding voor olietransport P9-Horizon-A-Q1-Helder-AW, waarvoor een onderhoudszone van 500 meter aan weerszijden is gehanteerd. Voor verlaten telecomkabels is geen onderhoudszone opgenomen. Deze zijn definitief buiten gebruik gesteld en zullen mogelijk (deels) verwijderd zijn voorafgaand aan de bouw van het windpark. Eventuele verwijdering van nog aanwezige delen van de kabel kan door de vergunninghouder worden afgestemd met de eigenaar/beheerder van de telecomkabel middels een out of service agreement (OOS). De nadere motivering hiervan is opgenomen in paragraaf 6.10.3 (kabels en leidingen). Op basis van een optimale kavelindeling en het uitgangspunt van een zo kort mogelijke route naar het aansluitpunt op land is een oostelijke uitgang van kavel VI bepaald. De oostelijke uitgang geeft de kortste lengte, en dus de minste kosten, van het kabeltracé op zee naar de aansluitlocatie te Beverwijk. De gekozen kavel biedt genoeg ruimte voor het windpark, waardoor het windpark tegen aanvaardbare kosten kan worden gerealiseerd. In de Beleidsnota Noordzee 2016–2021 is een aantal voorkeurstracés voor kabels benoemd. Het betreft doorgangen waar kabels en leidingen reeds min of meer gebundeld liggen en waar toekomstige kabels en leidingen zo veel mogelijk mee gecombineerd moeten worden. Op deze manier wordt de winbare hoeveelheid zand in de reserveringszone voor zandwinning zo min mogelijk aangetast. Indien het gebruik van een voorkeurtracé economisch of milieutechnisch niet mogelijk is, is maatwerk nodig. De afweging voor de routering van het net op zee dat het windpark in kavel VI met het vasteland moet verbinden is gemaakt in het kader van de aanvraag om vergunning op grond van de Waterwet voor het net op zee Hollandse Kust (noord) en Hollandse Kust (west Alpha). 4.3 Het windpark 4.3.1 Beschrijving windpark Een windpark wordt in artikel 1 van de Wet windenergie op zee gedefinieerd als een samenstel van voorzieningen waarmee elektriciteit met behulp van wind wordt geproduceerd. Met een samenstel van voorzieningen wordt bedoeld: alle aanwezige middelen die onderling met elkaar zijn verbonden voor de productie van elektriciteit met behulp van wind. Het betreft: • windturbines opgebouwd uit een fundering, een eventueel transitiestuk, een mast, een gondel en rotorbladen; • bekabeling die de individuele turbines verbindt en aansluit op een platform (inter-array-kabels). Door de wind draaien de bladen van de windturbine rond. Een as drijft een generator aan waarmee de elektriciteit wordt opgewekt. De elektriciteit wordt via de interne bekabeling naar het platform geleid, waar het op de juiste spanning voor transport naar land wordt gebracht. Turbines Er zijn momenteel veel verschillende typen turbines op de markt. De tendens is om turbines te ontwikkelen met grotere rotoren en grotere vermogens. Hierbij zijn de volgende ontwerpvariabelen te onderscheiden: • tiphoogte: bovenste stand van een individueel blad; • tiplaagte: laagste stand van een individueel blad; • rotordiameter; • aantal bladen per turbine. Funderingen Turbines worden aangelegd met behulp van de volgende gangbare funderingstypen: • monopile: een stalen buis met een verschillende doorsnede afhankelijk van het gewicht van de turbine en de grondsoort, waarop de turbine geplaatst wordt; • jacket: een open constructie die met vier piles in de bodem is verankerd; • tripod: een open constructie die met drie piles in de bodem is verankerd; • gravity based fundering: een betonnen voet bestaande uit een holle kegel die ter plaatse wordt afgezonken en op de bodem wordt geplaatst en gevuld wordt met zand; • suction bucket34Een suction bucket wordt geïnstalleerd door het op de zeebodem te plaatsen en vervolgens een pomp te activeren die water uit de bucket verwijdert, waardoor de bucket zich vastzuigt en in de bodem dringt. Bovenop de suction bucket wordt de turbinepaal gemonteerd.: een cilindrische constructie geplaatst onder een jacket waarvan de bovenkant is afgesloten. Met uitzondering van de gravity based fundering wordt ter bescherming van de funderingen een erosiebescherming, doorgaans in de vorm van steenbestorting, aangebracht. 4.4 Bouw en exploitatie 4.4.1 Vergunning Op grond van artikel 12 van de Wet windenergie op zee kan door de Minister van Economische Zaken en Klimaat een vergunning worden verleend voor de bouw en exploitatie van een windpark op zee. Op grond van artikel 15, tweede lid, van de Wet windenergie op zee kan de vergunning voor ten hoogste veertig jaar worden verleend. De verwachting is dat de windturbines die ten tijde van de bouw van het windpark verkrijgbaar zijn een technische levensduur zullen hebben van ongeveer dertig jaar. Gelet op de duur van voorbereidende werkzaamheden, bouw en verwijdering van ongeveer vijf jaar, sluit een vergunningsduur van 35 jaar aan bij deze verwachte technische levensduur. De vergunning wordt derhalve voor 35 jaar verleend. Dit is in voorschrift 6 vastgelegd. In de Wet windenergie op zee is daarnaast geregeld dat er verlenging kan worden aangevraagd tot maximaal 40 jaar. In de vergunning wordt nader bepaald voor welk tijdvak de vergunning geldt. Het tijdvak dient passend te zijn bij de te verwachten economische levensduur van het windpark. In de vergunning wordt voorts aangegeven binnen welke termijn na het onherroepelijk worden van de vergunning, (deel)activiteiten moeten worden verricht. Ter illustratie: in de vergunning kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat de exploitatietermijn kan aanvangen vanaf jaar 3 en kan duren tot en met jaar 34 en dat de verwijderingstermijn kan aanvangen vanaf jaar 30 en kan duren tot en met jaar
- 4.4.2 Algemene regels In paragraaf 6a van het Waterbesluit zijn algemene regels opgenomen voor windparken op zee. Deze regels zijn onder meer gericht op het voorkomen van schade aan het mariene milieu en het voorkomen en beperken van hinder voor scheepvaart en luchtvaart. De regels hebben betrekking op het verrichten van werkzaamheden in het kader van de bouw, de exploitatie en het onderhoud of het verwijderen van een windpark. Op grond van artikel 6.16d van het Waterbesluit dient de vergunninghouder35In het Waterbesluit wordt gesproken over exploitant, de vergunninghouder is tevens de exploitant van het windpark. ten minste acht weken voor aanvang van de bouwactiviteiten een melding in bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, waarin plannen en gegevens zijn opgenomen die inzicht geven in de daadwerkelijke uitvoering van het windpark en de voorzieningen die worden getroffen om schadelijke effecten voor het mariene milieu en gevaar voor de omgeving te voorkomen. Hierbij gaat het onder andere over het maken van afspraken tussen de vergunninghouder, de kustwacht en de waterbeheerder over de te treffen veiligheidsvoorzieningen, zoals de vermelding van het werkgebied op zeekaarten, berichtgeving aan zeevarenden en de bebakening van het werkgebied met boeien. Daarnaast moeten de turbines in het windpark voorzien worden van herkenningstekens en bakens ter waarborging van de veiligheid van het lucht- en scheepvaartverkeer. 4.4.3 Bouw Het bouwproces van een windpark is in grote mate afhankelijk van het gekozen type fundering en verloopt in grote lijnen als volgt. Als gebruik wordt gemaakt van monopiles, start de bouw veelal met het aanbrengen van erosiebescherming in de vorm van steenbestorting. Vervolgens wordt de fundering geplaatst. Hierna wordt de bekabeling gelegd die de individuele turbines verbindt met het transformatorplatform. Daarbij wordt eerst een aantal turbines met elkaar verbonden door een kabel, waarna de kabels worden verbonden met het platform. De volgende fase in het bouwproces bestaat uit het plaatsen van de mast, de gondel en de bladen. Als sluitstuk wordt de bekabeling verbonden met de generator en wordt de besturingsapparatuur geïnstalleerd. De turbines kunnen dan elektriciteit gaan leveren. 4.4.4 Veiligheidszone In artikel 60, vierde lid, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee36 Trb. 1983,
- (Zeerechtverdrag) is bepaald dat een kuststaat, waar nodig, veiligheidszones kan instellen waarbinnen passende maatregelen kunnen worden genomen ter verzekering van de veiligheid van zowel de scheepvaart als van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen. De veiligheidszones reiken tot een afstand van maximaal 500 meter vanaf de buitenste rand van een kunstmatig eiland, een installatie of een inrichting. Een windpark is een samenstel van voorzieningen waarmee elektriciteit met behulp van wind wordt geproduceerd, waarbij onder een samenstel van voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige middelen die onderling met elkaar zijn verbonden voor de productie van elektriciteit met behulp van wind.37Conform artikel 1 Wet windenergie op zee. Omdat een windpark bestaat uit meerdere installaties die tezamen een eenheid vormen wordt de veiligheidszone ingesteld vanaf de buitengrenzen van de windparken. De mogelijkheid die het internationale recht biedt om een veiligheidszones op zee rondom een werk in te stellen, is vastgelegd in artikel 6.10 tweede lid, van de Waterwet. Met een besluit van algemene strekking tot het instellen van een veiligheidszone stelt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat de geografische afbakening van het gebied vast en bepaalt welke beperkingen in het gebied gelden. Voor onderhoudsschepen van de exploitanten van het windpark, gerelateerde installaties (waaronder de platforms) en van de rijksoverheid wordt een generieke uitzondering gemaakt om binnen een veiligheidszone van windparken te varen. Daarnaast kan in het besluit geregeld worden dat andere schepen, zoals schepen die onderhoud aan buisleidingen en (telecom)kabels willen uitvoeren in het gebied, onder voorwaarden toegang tot het windpark krijgen. In de Beleidsnota Noordzee 2016–2021 is in het kader van het bevorderen van meervoudig ruimtegebruik, besloten tot openstelling van de windparken voor doorvaart en medegebruik. In de Beleidsregel voor instelling van een veiligheidszone voor windparken op zee38 Staatscourant 2018, 22588 is uitgewerkt onder welke voorwaarden doorvaart en niet-vergunningplichtig medegebruik mag plaatsvinden in de veiligheidszones van de windparken. Deze voorwaarden worden tevens opgenomen in het besluit tot instellen van de veiligheidszone. Zoals beschreven in paragraaf 2.4 worden de mogelijkheden voor doorvaart en medegebruik naar aanleiding van het Akkoord voor de Noordzee herzien in het Programma Noordzee 2022–
- De veiligheidszone wordt ingesteld op het moment dat wordt aangevangen met de bouw van het windpark. Tijdens de bouw- en verwijderingsfase van het windpark geldt een algemeen toegangsverbod. Het besluit tot instellen van de veiligheidszone wordt indien nodig na afronding van de bouw aangepast op de situatie in de operationele fase. 4.4.5 Monitoring Omdat generieke kennisleemtes bestaan met betrekking tot de ecologische effecten tijdens de bouw, exploitatie en verwijdering van windparken op zee zal op grond van dit kavelbesluit monitoring en evaluatie plaatsvinden. In paragraaf 7.4 wordt verder ingegaan op de geconstateerde kennisleemtes. De kennisleemtes worden ingevuld via het door de rijksoverheid ingestelde monitorings- en evaluatieprogramma dat verder is beschreven in paragraaf 7.8.
- Er worden in dit kavelbesluit geen voorschriften opgenomen die de vergunninghouder verplichten tot het uitvoeren van aanvullend locatiespecifiek monitoringsonderzoek.39Een uitzondering geldt voor de situatie bedoeld in voorschrift 4, zevende lid, indien door de vergunninghouder wordt gekozen voor het treffen van een alternatieve maatregel. 4.5 Verwijdering en financiële zekerheid Nadat de exploitatietermijn van het windpark is verlopen, moet het op grond van artikel 6.16l van het Waterbesluit verwijderd worden. Aan het verwijderen van een windpark zijn kosten verbonden. In artikel 28 van de Wet windenergie op zee is de mogelijkheid van het opleggen van een financiële zekerheid opgenomen voor het geval een vergunninghouder na afloop van de exploitatietermijn of lopende deze termijn - vanwege faillissement - niet aan zijn verplichting tot verwijdering van het windpark kan voldoen. De hoogte van het bedrag moet voldoende zijn om het windpark inclusief kabels en eventuele erosiebescherming volledig te kunnen verwijderen. De verwijderingskosten bestaan onder andere uit de inzet van personeel, materieel en diverse risico-opslagen. Gelet op deze berekeningssystematiek, de huidige praktijk van financiële zekerheidsstelling bij andere windparken op zee en de te verwachten prijsstijging moet de vergunninghouder 120.000 euro per te realiseren MW als financiële zekerheid stellen. Uitgaande van een park met een geïnstalleerd vermogen van 760 MW betreft dit een bedrag van 91,2 miljoen euro. De financiële zekerheid moet gesteld zijn voordat RVO bewijs heeft ontvangen dat Garanties van Oorsprong (GvO) zijn afgegeven over de geleverde stroom. Gedurende een periode van 12 jaar vanaf het moment dat het park elektriciteit levert wordt het bedrag geïndexeerd met 2 procent ten laste van de vergunninghouder. Op een aantal momenten tijdens de exploitatieperiode van het windpark wordt zowel de 120.000 euro per te realiseren MW als de indexatie opnieuw vastgesteld. Te weten: • na 12 jaar exploitatie; • na 24 jaar exploitatie; • 1 jaar voor start van de verwijdering van het windpark. De bankgarantie wordt afgesloten met een Nederlandse systeembank of een bank die opgenomen is in de lijst van ‘Global Systematically Important Banks’ die gepubliceerd wordt door de Financial Stability Board (FSB). De bankgarantie wordt contractueel geregeld tussen de Staat en de vergunninghouder. Dit contract zal onder meer een voorwaarde bevatten die regelt dat periodiek een nieuwe bankgarantie wordt afgegeven. Mocht de vergunninghouder deze bankgarantie niet tijdig vervangen dan vervalt het bedrag aan de Staat. Indien een vergunning wordt aangevraagd volgens paragraaf 3.3 van de Wet windenergie op zee waarbij de vergunning niet onder de opschortende voorwaarde wordt verleend dat de houder van een vergunning als zekerheid voor de bouw van een windpark op zee een waarborgsom of een bankgarantie heeft verstrekt, zal de hierboven genoemde bankgarantie voor de verwijdering van het windpark moeten worden afgegeven op het moment dat de bouw van het windpark is gestart. Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet windenergie op zee is in dit kavelbesluit voorschrift 8 opgenomen dat regelt dat gedurende de exploitatie van het windpark de vergunninghouder zich garant stelt voor de kosten van verwijdering van het windpark met een financiële zekerheidstelling. In artikel 6.16l van het Waterbesluit is geregeld dat het gedeeltelijk in stand houden van het windpark afgewogen kan worden in een vergunningprocedure op grond van artikel 6.3 Waterwet. Dit geldt bijvoorbeeld voor het deels laten staan van de funderingen. 5 Milieueffectrapport (MER) 5.1 Inleiding In het MER voor kavel VI windenergiegebied Hollandse Kust (west)40Pondera Consult, in opdr. van Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, MER kavel VI Windenergiegebied Hollandse Kust (west), ref. 719022,
- zijn de effecten op het milieu in brede zin en de gevolgen voor de gebruiksfuncties in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) onderzocht. In het MER wordt geconcludeerd dat windenergiegebied Hollandse Kust (west) aangemerkt kan worden als een geschikt gebied, ook in vergelijking met de andere aangewezen windenergiegebieden. 5.2 Voorkeursverkaveling en verkavelingsalternatief kavel VI Vanwege de in paragraaf 4.2 genoemde keuze voor compacte kavels wordt (vooralsnog) niet het gehele windenergiegebied Hollandse Kust (west) benut voor windenergie. Om die reden bestaan verschillende verkavelingsmogelijkheden en zijn in het MER voor kavel VI twee verkavelingsvarianten onderzocht: de voorkeursverkaveling en het verkavelingsalternatief. Kavel VI heeft in de voorkeursverkaveling een bruto-oppervlakte van circa 90 km2 en is gesitueerd in het noorden van het windenergiegebied Hollandse Kust (west). In het verkavelingsalternatief heeft kavel VI een bruto-oppervlakte van circa 80 km2, gesitueerd in het uiterste zuiden van het windenergiegebied. Figuur 3 in paragraaf 4.2.1 bevat een overzicht van de varianten. Deze varianten wijken enigszins af van de (conceptuele) verkavelingsmogelijkheden als gepresenteerd in de notitie reikwijdte en detailniveau. Dit hangt samen met nieuwe informatie over de aanstaande beëindiging van de gaswinning in het gebied (blok P6) en de daarmee samenhangende status van een deel van de mijnbouwinfrastructuur in het windenergiegebied en, alsmede nieuwe informatie over de status van een in het gebied gelegen telecomkabel. Uit het MER volgt dat de effecten tussen de voorkeursverkaveling en het verkavelingsalternatief marginaal verschillen. Indien kavel VI zou worden gerealiseerd in het uiterste zuiden van windenergiegebied Hollandse Kust (west) conform het verkavelingsalternatief zijn effecten ten aanzien van kabels en leidingen en archeologie enigszins geringer. Ook is een marginaal beperkter effect te verwachten op de ecologie (vogels en zeehonden). Daar staat tegenover dat een noordelijke invulling van kavel VI conform de voorkeursverkaveling leidt tot geringere effecten op de scheepvaartveiligheid. Het gaat dan om lagere aanvarings- en aandrijvingskansen en daarmee ook een lager risico op persoonlijk letsel en milieuschade door olie-uitstroom. Gelet op de geringe effectverschillen en de mogelijkheden tot mitigatie van effecten, is er voor gekozen om kavel VI vast te stellen conform de voorkeursverkaveling. Dit biedt de optimale mogelijkheid om het tracé van de netaansluiting Hollandse Kust (west Alpha) gedeeltelijk te combineren met het kabeltracé van het windpark in Hollandse Kust (noord), wat leidt tot een duurzaam en beperkt ruimtegebruik van de infrastructuur voor beide windparken op zowel zee als land. Tevens kan tijdwinst geboekt worden in de vergunningprocedures voor Hollandse Kust (west Alpha) en wordt de omgeving zo min mogelijk belast met de aanlegwerkzaamheden. Voor de voorkeursverkaveling van kavel VI is een bandbreedte als beschreven in de notitie reikwijdte en detailniveau (NRD) onderzocht waarbinnen verschillende windturbineopstellingen en -types gerealiseerd kunnen worden. Hierdoor houden ontwikkelaars zoveel mogelijk vrijheid om een optimaal ontwerp te maken voor het windpark in termen van kosteneffectiviteit en energieopbrengst. De effecten zijn in het MER per milieuaspect voor twee inrichtingsalternatieven inzichtelijk gemaakt: een variant uitgaande van de ondergrens van de bandbreedte en een variant uitgaande van de bovengrens van de bandbreedte. Hieronder wordt ingegaan op een aantal belangrijke bevindingen uit het MER. In navolging van het Kader ecologie en cumulatie (KEC, 2019)41Rijkswaterstaat, in opdr. van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Kader ecologie en cumulatie, versie 3.0,
- Zie voor een overzicht van alle (deel)rapporten: www.noordzeeloket.nl/functies-gebruik/windenergie-zee/ecologie/cumulatie/kader-ecologie/ is in het MER aandacht uitgegaan naar mogelijke cumulatieve effecten op de populaties van te beschermen soorten gedurende de bouw en exploitatie van windparken op zee tot
- Uit de analyse in het KEC blijkt dat voor alle vogel- en vleermuissoorten in het kader van de soortenbescherming het PBR-criterium (Potential Biological Removal)42De aanvaardbaarheid van de effecten wordt in het KEC (2015, 2016, 2019) voor vogels en vleermuizen bepaald aan de hand van de Potential Biological Removal (PBR). De PBR is een maat voor het aantal exemplaren van een soort die jaarlijks ‘extra’ (= bovenop de natuurlijke sterfte en emigratie) aan de populatie onttrokken kunnen worden via de in virtuele extra jaarlijkse sterfte uitgedrukte cumulatieve effecten, zonder dat die populatie daardoor structureel achteruit zal gaan. Populatiekenmerken als groei- en herstelcapaciteit en omvang en trend van betreffende populatie zijn in deze maat verdisconteerd. Zolang PBR niet overschreden wordt, zal in theorie geen sprake zijn van significante en dus onacceptabele effecten. niet wordt overschreden wanneer de routekaart 2030 gerealiseerd wordt met turbines van ten minste 10 MW. In het MER is in relatie tot onder meer aanvaringsslachtoffers onder vogels een bandbreedte onderzocht met een ondergrens van 76 turbines met een rotordiameter van 164 meter. Hoewel deze variant met een betrekkelijk geringe rotordiameter een vrij beperkt (en daarmee voor vogels gunstig) rotoroppervlak heeft, leidt deze onder een aantal laagvliegende vogelsoorten (waaronder meeuwensoorten) tot meer slachtoffers dan berekend in het KEC. Dit is niet het gevolg van de rotordiameter als zodanig maar is te verklaren door de betrekkelijk geringe ashoogte van de turbine in deze variant van 107 meter. Rond de as van een turbine is de kans op aanvaring het hoogst. In dit kavelbesluit is dan ook, naast een maximaal rotoroppervlak, minimale tiplaagte en maximale tiphoogte, een minimale ashoogte (135 meter) voorgeschreven, waarmee wordt aangesloten bij de uitgangspunten van het KEC.43Als gevolg van de voorgenomen aanwijzing van de Bruine Bank als Natura 2000-gebied met instandhoudingsdoelstellingen voor verschillende vogelsoorten, is de voorgeschreven bandbreedte nader beperkt. Zie o.a. paragraaf 7.
- Uit het MER blijkt voorts dat de effecten op de soortengroepen van zangvogels en vleermuizen (met name de ruige dwergvleermuis) beperkt kunnen worden. Gelet op de zorgplicht als bedoeld in de Wet natuurbescherming worden mitigerende maatregelen opgenomen, waaronder de maatregel dat het aantal rotaties per minuut van de windturbines tot minder dan 2 moet worden teruggebracht bij specifieke weersomstandigheden met vogeltrek en vleermuizentrek op rotorhoogte. Daarnaast zijn in het MER de effecten van de aanleg van verschillende funderingstypen op zeezoogdieren onderzocht. Uit onder meer dit onderzoek volgt dat het aanbrengen van funderingen zonder geluidsbeperkende maatregelen kan leiden tot onaanvaardbare effecten ten aanzien van de bruinvis. Ter voorkoming van gehoorschade wordt een geluidsnorm opgenomen. De geluidsnorm vermindert ook effecten op zeehonden en vissen. Het gebruik van multirotorturbines maakt deel uit van de bandbreedte die in de notitie reikwijdte en detailniveau is gepresenteerd. Uit het MER-onderzoek is gebleken dat de kennisleemtes te groot zijn om valide conclusies te kunnen trekken over het gebruik van multirotorturbines. De doorgaans gehanteerde modellen voor het in kaart brengen van aanvaringsslachtoffers onder vogels en van effecten van vermijding/habitatverlies, zoals het BAND-model, zijn bijvoorbeeld niet zonder meer bruikbaar voor de beoordeling van de effecten van multirotorturbines. Vanwege de grote kennislacunes van de effecten van multirotorturbines op vogels en vleermuizen is de bandbreedte aangepast. Het gebruik van dit type turbines is in kavel VI windenergiegebied Hollandse Kust (west) niet toegestaan. De (aangepaste) bandbreedte en de mitigerende maatregelen worden vastgelegd in de voorschriften bij het kavelbesluit. 6 Belangenafweging gebruiksfuncties 6.1 Inleiding In artikel 3, derde lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Wet windenergie op zee is bepaald dat de gevolgen voor de maatschappelijke functievervulling en de gevolgen voor derden betrokken worden in de belangenafweging. Dit komt in het onderhavige hoofdstuk aan de orde. Daarnaast moeten op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onderdelen d en e, van de Wet windenergie op zee het belang van de kosten voor het realiseren van een windpark en het belang van een doelmatige aansluiting van een windpark op een net worden afgewogen. Dit is in hoofdstuk 4 beschreven. Op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet windenergie op zee moet het milieubelang waaronder het ecologisch belang afgewogen worden. Dit komt in hoofdstuk 7 aan de orde. 6.2 Landschappelijke inpassing 6.2.1 Beleid Windparken mogen alleen worden gebouwd in gebieden die daarvoor zijn aangewezen in het nationaal waterplan. In het Nationaal Waterplan 2009–2015 is het windenergiegebied Hollandse Kust aangewezen, waartoe het ‘deelgebied’ Hollandse Kust (west) behoort. Deze aanwijzing is in het vigerend Nationaal Waterplan 2016–2021 gehandhaafd. Bij de aanwijzing van het windenergiegebied in het nationaal waterplan heeft de belangenafweging voor de realisatie van een windpark in relatie tot landschappelijke inpassing al plaatsgevonden. Verlichting op windturbines is noodzakelijk vanuit (aero)nautische veiligheid maar kan door sommigen als hinderlijk worden ervaren. In artikel 6.16h van het Waterbesluit zijn de eisen opgenomen waaraan de verlichting en aanduiding van de windturbines moet voldoen. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft het informatieblad44https://www.noordzeeloket.nl/en/functions-and-use/offshore-wind-energy/@168238/informatieblad/ ‘Aanduiding offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’ gepubliceerd. In dit informatieblad zijn de eisen ten aanzien van de markering van windparken en individuele turbines in relatie tot de luchtvaartveiligheid nader uitgewerkt. Het gaat daarbij om onder meer eisen ten aanzien van kleurstelling, het type verlichting en de positionering daarvan. In dit kavelbesluit worden enkele voorschriften opgenomen om lichthinder te voorkomen. Hiermee gelden voor specifieke aspecten inzake markering en verlichting bijzondere bepalingen. Voor overige niet in het kavelbesluit gereguleerde aspecten blijven de algemene eisen onverminderd van kracht zoals deze voortvloeien uit het bovengenoemde informatieblad en artikel 6.16h van het Waterbesluit. 6.2.2 Gevolgen Zichtbaarheid vanaf de kust Kavel VI ligt meer dan 50 kilometer uit de kust. De zichtbaarheid van een windpark binnen kavel VI is in het MER aan de hand van kwalitatieve en kwantitatieve criteria in kaart gebracht. De afstand waarop een object nog kan worden waargenomen wordt het zichtbereik genoemd. Dit bereik hangt van een vijftal factoren af: − eigenschappen van het object; − kromming van de aarde (kimduiking); − visus van het menselijke oog; − meteorologische omstandigheden, en; − ooghoogte van de waarnemer. Uit het MER volgt dat het windpark minder dan 1 procent van de tijd gedurende de zomermaanden (mei - oktober) in de dagperiode (07.00 uur - 21.00 uur) zichtbaar kan zijn vanaf de dichtstbijzijnde stranden. Dit komt voor de hoogst mogelijke turbines overeen met één dag. Die dag zullen de meteorologische omstandigheden minder dan tien minuten zodanig zijn dat een deel van de turbines in het windpark voor de strandbezoeker daadwerkelijk zichtbaar is. Buiten de zomerperiode is het zichtbaarheidspercentage van de windturbines nog lager en derhalve verwaarloosbaar. Zichtbaarheid in de nacht Met het oog op de scheepvaart- en luchtvaartveiligheid worden windturbines voorzien van markering- en obstakellichten. Uit internationale richtlijnen45International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities (IALA). volgt dat de verlichting op de windturbines voor scheepvaartveiligheid, bestaande uit een knipperend geel licht, op ongeveer 15 meter boven het zeeniveau op het werkbordes van de windturbines wordt geïnstalleerd. Deze verlichting is vanwege de kimduiking niet zichtbaar vanaf de kust. Uit internationale richtlijnen46International Civil Aviation Organization (ICAO). voor de luchtvaartveiligheid volgt dat windturbines met een tiphoogte van meer dan 150 meter dienen te zijn voorzien van een rood knipperend licht voor de nacht. De verlichting die in verband met luchtvaartveiligheid wordt aangebracht, wordt in ieder geval geïnstalleerd op de gondel van de windturbine. Gelet op de beperkte verlichtingssterkte van 2.000 candela in de nacht, de kimduiking en de meteorologische omstandigheden, is in het MER geconcludeerd dat de luchtvaartveiligheidsverlichting naar alle waarschijnlijkheid niet zichtbaar is vanaf het vasteland. Ten aanzien van de nachtverlichting op de windturbines is door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor het toepassen van dynamische verlichting. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het informatieblad ‘Aanduiding offshore windturbines en offshore windparken’. De conclusie is dat indien de zichtomstandigheden voor de luchtvaart goed zijn, de lichtintensiteit van de op de gondel aangebrachte verlichting kan worden verminderd. Ook is het mogelijk de turbines te voorzien van vastbrandende verlichting in plaats van knipperende verlichting. Daarmee is de verlichting afdoende in het kader van de luchtvaartveiligheid. Het voorschrift 4, tiende lid, bevat ten opzichte van het genoemde Informatieblad bijzondere bepalingen over de aeronautische verlichting in het windpark. Deze eisen dienen betrokken te worden in de onderbouwing voor het (verlichtings)plan dat de vergunninghouder op grond van artikel 6.16d en 6.16h van het Waterbesluit dient op te stellen. De mate waarin de aanwezigheid van windparken de beleving van het landschap en met name het vrije uitzicht over zee beïnvloedt, is niet eenduidig vast te stellen op basis van objectieve criteria. Beleving is subjectief, wat betekent dat dit voor eenieder anders kan zijn. In paragraaf 6.3.1 wordt ingegaan op de mogelijke effecten op toerisme en recreatie door de (in dit geval zeer beperkte) zichtbaarheid van een windpark vanaf de kust en de verschillende belevingsonderzoeken die in dit kader zijn uitgevoerd. 6.2.3 afweging Hierboven is beschreven dat een windpark in kavel VI zeer beperkt zichtbaar is. Gelet op het grote belang van windenergie is de zeer beperkte zichtbaarheid van het windpark gedurende het jaar aanvaardbaar. Voor wat betreft de verlichting in de nacht, die naar verwachting niet zichtbaar zal zijn vanaf het land, bestaan bovendien mogelijkheden om de zichtbaarheid te beperken door rode vastbrandende, maar dimbare verlichting op de gondel (hoogste vaste punt) van elke turbine toe te passen. Daarnaast heeft het Rijk twee onderzoeken laten verrichten naar de mogelijkheden om de zichtbaarheid van de windturbines vanaf de kust tijdens de daglichtperiode te verminderen door de kleur van de turbines zorgvuldig te selecteren en vast te leggen. Uit de publieksonderzoeken47Motivaction, in opdr. van RVO, Belevingsonderzoek kleurstelling windturbines; Onderzoek naar het verminderen van de zichtbaarheid van windturbines door kleurstelling, 2017; Motivaction, in opdr. van RVO, Zichtbaarheid en aantrekkelijkheid en van windparken op zee,
- volgt dat bij zonnig weer grijze windturbines het minst zichtbaar zijn en als minst hinderlijk worden ervaren. Bij bewolkt weer zijn witte turbines het minst zichtbaar en hinderlijk. Het productieproces van windturbines is gericht op de standaard toegestane kleuren, in het bijzonder de kleuren RAL 9010 (crème) en RAL 7035 (lichtgrijs).48De bestaande windparken Luchterduinen, Amalia en OWEZ zijn uitgevoerd in RAL 7035 (lichtgrijs) en de Gemini windparken in RAL
- In navolging van eerdere kavelbesluiten is besloten om een voorschrift in het kavelbesluit op te nemen waarin de kleurstelling RAL 7035 (lichtgrijs) verplicht wordt gesteld voor de windturbines. Hoewel zichtbaarheid voor kavel VI geen doorslaggevende factor is, wordt mede gelet op het uitgangspunt van uniformiteit in kleurstelling van de windparken op het Nederlandse deel van de Noordzee de kleur RAL 7035 voorgeschreven. Mede gelet op de kleurstelling RAL 7035, kan op grond van de internationale eisen (ICAO) in sommige gevallen ter borging van de luchtvaartveiligheid een noodzaak bestaan om (een deel van de) turbines overdag te verlichten. In dat geval kan ook overdag rode vastbrandende verlichting worden gebruikt. De gevallen waarin dit nodig is en de daarbij gestelde eisen zijn uitgewerkt in het informatieblad ‘Aanduiding offshore windturbines en offshore windparken’. 6.2.4 Voorschriften De minimale afstand van de windturbines tot aan de kust volgt uit voorschrift 2, eerste lid, waarin wordt bepaald binnen welke contour de windturbines geplaatst mogen worden. De maximale tiphoogte van de turbines is vastgelegd in voorschrift 3, vijfde lid. In voorschrift 4, tiende lid, zijn bepalingen opgenomen om de hinder van verlichting van het windpark te verminderen en het uniforme voorkomen van windparken binnen de Nederlandse EEZ te borgen. Obstakellichten op de gondel van windturbines zijn vastbrandende rode lichten. Indien de zichtbaarheid tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode meer bedraagt dan 5 of 10 kilometer wordt de lichtintensiteit tot 30 procent respectievelijk 10 procent verlaagd. Daarnaast bevat voorschrift 4, tiende lid, een bepaling over verlichting bij noodsituaties. Ook bevat voorschrift 4, tiende lid, een bepaling met betrekking tot de kleurstelling van de windturbines. 6.3 Recreatie en toerisme De kust is een geliefde plek voor verschillende soorten recreatie. De Noordzeebadplaatsen zijn onder toeristen uit binnen- en buitenland populaire bestemmingen. Daarnaast vinden aan de kust watersportactiviteiten, recreatievaart en sportvisserij plaats. 6.3.1 Gevolgen Zoals is vermeld in paragraaf 6.2.2 zal een windpark in kavel VI nagenoeg onzichtbaar zijn vanaf de stranden. Uit het MER blijkt dat geen negatieve effecten te verwachten zijn op de waterrecreatie (meer specifiek: de sportvisserij, zeegaande recreatievaart en zeilvaart). Recreatie vindt met name plaats in de zone tot 20 kilometer uit de kust. In het windenergiegebied Hollandse Kust (west) kan in de toekomst voorts een passage voor de scheepvaart worden aangewezen tussen de kavels VI en VII. Recreatievaartuigen kunnen hier dan gebruik van maken. Gelet op de ligging van kavel VI en de grote afstand tot de kust zijn er bovendien uitwijkmogelijkheden voor vaartuigen die de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk willen maken. Omdat steeds meer turbines in zee worden geplaatst, zal de kans op aanvaringen van zeegaande recreatievaart, zeilvaart en sportvissers licht toenemen. Dat effect wordt verder in paragraaf 6.12.2 over scheepvaartveiligheid beschreven en beoordeeld. Weer en klimaat Windturbines produceren elektriciteit door energie uit luchtstromen te onttrekken. Dit kan effect hebben op lokale windpatronen. Door de bewegende atmosfeer en het mengen van luchtlagen worden dit soort effecten op korte afstand (enkele kilometers) weer teniet gedaan. Daarnaast kunnen de windpatronen effecten hebben op verstuivingen en zeestromen. Deze zullen echter ook zeer lokaal voorkomen. Uit het MER blijkt dat een windpark lokaal effect kan hebben op het weer. De turbulentie van de atmosfeer neemt binnen een windpark toe, waardoor dit in enkele gevallen kan leiden tot extra wolkenvorming. Echter komt dit effect slechts zeer incidenteel voor, omdat het zich alleen voordoet bij zeer specifieke meteorologische omstandigheden. Derhalve zal dit geen significante effecten hebben op recreatie en toerisme. 6.3.2 Afweging Hierboven is beschreven dat een windpark in kavel VI geen negatieve effecten zal hebben op de kustrecreatie en toerisme 6.3.3 Voorschriften Er is geen aanleiding om voor dit onderwerp voorschriften op te nemen in dit kavelbesluit, anders dan de voorschriften die al opgenomen zijn voor de landschappelijke inpassing (zie paragraaf 6.2.4). 6.4 Lokale en regionale economie Windparken kunnen in potentie voordelen met zich meebrengen voor de lokale en regionale economie. Door voor bepaalde diensten of producten gebruik te maken van lokale of regionale ondernemingen kan direct of indirect worden bijgedragen aan de bedrijvigheid in de regio. Denk aan het gebruik van regionale havens en leveranciers, het mogelijk maken van financiële deelnames, het leveren van stroom aan lokale bewoners of bedrijven, of het aangaan van samenwerkingen met regionale bedrijven in bijvoorbeeld de recreatiesector. Voorschrift 5, tweede lid, legt de vergunninghouder daarom de verplichting op om inzichtelijk te maken welke opdrachten voor ontwerp, bouw en exploitatie van het windpark zijn gegund aan lokale en regionale ondernemingen. Dit betreft een rapportage op hoofdlijnen waarbij geen opgave van individuele ondernemingen hoeft worden opgenomen. De vergunninghouder rapporteert driemaal binnen een periode van acht jaar hoe invulling is gegeven aan dit doel en wat dit heeft betekend voor de omzet van de betreffende ondernemingen en de werkgelegenheid in die regio. 6.5 Olie- en gaswinning 6.5.1 Beleid In het Nationaal Waterplan 2016–2021 is vastgelegd dat olie- en gaswinning uit de Nederlandse velden op de Noordzee een activiteit van nationaal belang is. Er wordt geïnvesteerd in olie- en gasvelden op de Noordzee. Het uitgangspunt is om het potentieel van aardgas- en aardolievoorraden in de Noordzee zo veel mogelijk te benutten. Naast het belang van daadwerkelijke olie- en gaswinning, speelt ook de helikopterbereikbaarheid van de platforms een rol. In de Beleidsnota Noordzee 2016–2021 is in dat kader opgenomen dat het ‘Ontwerpproces: afstand tussen mijnbouwlocaties en windparken’ moet worden doorlopen. Met alle mijnbouwoperators die binnen een afstand van vijf nautische mijl van het windenergiegebied Hollandse Kust (west) een mijnbouwplatform of -vergunning hebben, is volgens dit ontwerpproces gesproken. De luchtzijdige bereikbaarheid van mijnbouwplatforms komt verder in paragraaf 6.7.2 aan de orde. Een aantal mijnbouwinstallaties op de Noordzee zal echter de komende jaren het einde van hun economische levensduur bereiken. Buiten gebruik gestelde mijnbouwplatforms worden op grond van artikel 44, eerste lid, van de Mijnbouwwet verwijderd. De Minister van Economische Zaken en Klimaat kan op grond van artikel 44, derde lid, van de Mijnbouwwet de verplichting tot verwijdering beperken tot een door hem te bepalen diepte beneden de bodem van het oppervlaktewater. De vereiste maatregelen voor de ontmanteling van putten zijn vastgelegd in afdeling 8.5 van de Mijnbouwregeling. Om putten permanent af te sluiten worden doorgaans pluggen van cement in de put aangebracht. De put wordt net onder het oppervlak afgesloten en de stalen behuizingen worden enkele meters onder de zeebodem doorgesneden. Het verwijderen van een buisleiding kan meer milieuschade veroorzaken dan wanneer deze blijft liggen. In dat laatste geval wordt de leiding gereinigd en vervolgens gespoeld met zeewater, en op zodanige wijze schoon en veilig achtergelaten. De Minister van Economische Zaken en Klimaat kan op grond van artikel 45, eerste lid, van de Mijnbouwwet wel bepalen dat een buisleiding verwijderd moet worden na beëindiging van de winningsactiviteiten.49Naar verwachting treedt 1 januari 2022 een wijziging van de Mijnbouwwet in werking. Daarmee worden bepalingen uit de Mijnbouwwet ten aanzien van het verwijderen en hergebruiken van de infrastructuur die is gebruikt voor mijnbouwactiviteiten en de in dat kader te stellen financiële zekerheden verduidelijkt, geactualiseerd en aangevuld. Het verwijderen van een mijnbouwwerk is geregeld in artikel 44, tweede lid en het verwijderen van een kabel of pijpleiding in artikel 45, tweede lid van de te wijzigen wet. Zie Stb. 2021,
- 6.5.2 Gevolgen In het windenergiegebied Hollandse Kust (west) zijn olie- en gasvoorraden aanwezig. Binnen de begrenzing van kavel VI zijn drie gebieden met gasreservoirs te onderscheiden. Het gaat om de velden P6-Main, P6-D en P6-South. In twee van deze velden (P6-Main, P6-D) wordt nog aardgas (en -condensaat) gewonnen. De winningsvergunning voor beide velden is verleend tot april
- In en nabij kavel VI vindt gaswinning plaats en bevinden zich de gasplatforms P6-A, P6-B en P6-D en enkele buisleidingen voor gastransport. Uit het MER volgt dat de aanleg, het onderhoud en de verwijdering van het windpark licht negatieve gevolgen kan hebben voor de bestaande mogelijkheden van de gaswinning binnen de begrenzing van kavel VI. Echter, voor de gaswinning is maatwerk in de tijd mogelijk door deze activiteiten de komende jaren volgens de eigen planning van de mijnbouwexploitanten af te ronden voordat in kavel VI een windpark wordt gebouwd. De gasplatforms P6-B en P6-D worden op een zodanig tijdstip verwijderd dat deze geen belemmering vormen voor de bouw van het windpark in kavel VI. Het (buiten het windenergiegebied gelegen) platform P6-A zal voorafgaand aan de bouw van het windpark mogelijk verwijderd zijn of eventueel op termijn een nieuwe functie krijgen met beperkte helikopterbereikbaarheid. In beide gevallen zal platform P6-A geen invloed hebben op de grenzen van het windpark in kavel VI van windenergiegebied Hollandse Kust (west), zoals vastgelegd in dit kavelbesluit. Gelet op het gebruik van het gebied voor windenergie heeft de Staat een overeenkomst gesloten met de exploitant van de platforms inzake de beperkte helikopterbereikbaarheid en tijdige verwijdering. 6.5.3 Afweging In de verkaveling is op basis van afspraken met de exploitant/beheerder van de gasinfrastructuur rekening gehouden met een zone van 100 meter rond de afgesloten boorputten op de platformlocaties van P6-B en P6-D. Met de exploitant van de platforms zelf is overeengekomen dat deze op een zodanig tijdstip worden verwijderd dat ze geen belemmering vormen voor de bouw van het windpark in kavel VI. Er wordt voorts een aangepaste onderhoudszone gehanteerd van 150 meter aan weerszijden van de nog aanwezige buisleidingen, met uitzondering van de buisleiding voor olietransport P9-Horizon-A-Q1-Helder-AW. In paragraaf 6.7.2 wordt ingegaan op de mogelijke effecten van het windpark op de helikopterbereikbaarheid van de in de omgeving van het windpark aanwezige platforms. Vanwege de voorziene beëindiging van de gaswinning voorafgaand aan de bouw van het windpark in kavel VI, wordt aan het kavelbesluit enkel een voorschrift verbonden om te waarborgen dat afgesloten putten en nog aanwezige buisleidingen niet beschadigen of onbereikbaar worden. 6.5.4 Voorschriften Er mogen in beginsel geen turbines worden geplaatst en kabels gelegd in een straal van 100 meter rond een afgesloten mijnbouwput. Indien een put niet met een afstand van 100 meter gemeden kan worden dient voorafgaand aan het leggen van de kabels en het plaatsen van de funderingen van de windturbines een nader onderzoek te worden uitgevoerd om aan te tonen dat geen veiligheidsrisico’s kunnen optreden. Dit is opgenomen in voorschrift 4, achtste lid. Het voorschrift ziet specifiek op het leggen van kabels en het plaatsen van de turbine(funderingen) in de bodem. Het gaat om het voorkomen van bodemberoering, waaronder ook wordt begrepen het verankeren van werkschepen en tijdelijke installaties. Overdraai van rotorbladen is wel toegestaan. 6.6 Bestaande windparken Ten oosten van het windenergiegebied Hollandse Kust (west) liggen op ten minste 25 kilometer afstand het Prinses Amaliawindpark en Offshore Windpark Egmond aan Zee (OWEZ). Voor 2024 verrijst hier nog een windpark ter plaatse van kavel V van het windgebied Hollandse Kust (noord). Ten zuidoosten van het windenergiegebied ligt het bestaande windpark Luchterduinen. Voor 2024 worden even ten zuiden van Luchterduinen nog vier windparken ontwikkeld ter plaatse van de kavels I t/m IV van het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid). Volgens de routekaart 2030 worden later nog kavelbesluiten voor het windenergiegebied IJmuiden Ver (op circa 10 kilometer afstand) in procedure gebracht. Figuur 1 in paragraaf 2.4 bevat een overzicht van bestaande en toekomstige windparken. De windenergiegebieden Borssele en Ten noorden van de Waddeneilanden liggen op grotere afstand dan genoemde parken. 6.6.1 Regelgeving en beleid In het Nationaal Waterplan 2016–2021 en de Beleidsnota Noordzee 2016–2021 is het uitgangspunt van meervoudig ruimtegebruik vastgelegd. 6.6.2 Gevolgen Indien windparken op relatief korte afstand van elkaar zijn gelegen kan een beïnvloeding van de energieopbrengst optreden in de vorm van windafvangeffecten. In de opbrengstberekeningen voor kavel VI in het MER is reeds rekening gehouden met de windturbines in bestaande parken en de parken die voorafgaand aan de ingebruikname van kavel VI operationeel zullen zijn (de kavels in de windenergiegebied Hollandse Kust (zuid en noord), Windpark Prinses Amalia, OWEZ en Luchterduinen). Gelet op de grote afstand tot andere windparken is het windafvangeffect in relatie tot operationele windparken op de Noordzee verwaarloosbaar, in de ordegrootte van maximaal enkele tienden van procenten. 6.6.3 Afweging Een windpark in kavel VI zal de energieopbrengst van reeds operationele windparken nauwelijks beïnvloeden. De zeer marginale effecten op de energieopbrengsten van reeds operationele windparken als gevolg van windafvang zijn aanvaardbaar. 6.6.4 Voorschriften Het uitgevoerde onderzoek geeft geen aanleiding om nadere voorschriften op te nemen in dit kavelbesluit ten aanzien van het beschermen van de belangen van de bestaande windparken in de omgeving van windenergiegebied Hollandse Kust (west). 6.7 Luchtvaart Het luchtruim boven windenergiegebied Hollandse Kust (west) wordt gebruikt door luchtvaartuigen. In en om het windenergiegebied Hollandse Kust (west) bevinden zich thans (nog) olie- en gasplatforms die regelmatig per helikopter worden aangevlogen. Daarnaast gebruikt de kustwacht het luchtruim voor onder meer patrouilles en reddingsacties (search and rescue - SAR). De gevolgen van de realisatie van een windpark in kavel VI voor de luchtvaart worden daarom in dit besluit afgewogen. 6.7.1 Regelgeving en beleid Windenergiegebied Hollandse Kust (west) ligt in de ‘North Sea Area Amsterdam’. Dit luchtverkeersinformatiegebied heeft een verticale begrenzing van zeeniveau tot FL055 (5.500 voet ofwel circa 1.676 meter). Daarnaast ligt het gebied ook binnen de laterale begrenzing van de control area ‘Amsterdam CTA West’. De verticale begrenzing van dit verkeersleidingsgebied is vanaf FL055 (5.500 voet ofwel circa 1.676 meter) tot FL195 (19.500 voet ofwel circa 5.943 meter). Voor de burgerluchtvaart gelden eisen voor de verticale en horizontale separatie ten opzichte van obstakels. Deze normen zijn opgenomen in het Besluit luchtverkeer 2014 en Verordening EU nr. 923/
- Dit betekent dat bij een vlucht onder zichtvliegvoorschriften (VFR-vlucht) het luchtvaartuig een minimale afstand van 500 voet (circa 152 meter) moet aanhouden boven de hoogste hindernis in een straal van 500 voet rond het luchtvaartuig. Voor vluchten onder instrumentvliegvoorschriften (IFR-vlucht) geldt een separatie-eis van minstens 1.000 voet (circa 304 meter) boven de hoogste hindernis binnen 8 kilometer van de geschatte positie van het luchtvaartuig. Door het windenergiegebied Hollandse Kust (west) loopt één ‘helicopter main route’ (HMR) aangeduid als KY653 (zie figuur 4 in paragraaf 6.7.2). Een HMR is een luchtverkeersroute waar helikopters opereren op een geregelde en herhaalde basis, voornamelijk van en naar olie- en gasplatforms. Voor een HMR geldt een vlieghoogte van 1.500 voet (circa 457 meter) tot 3.000 voet (circa 914 meter). Het helikopterverkeer wijkt lateraal niet meer dan 2 nautische mijl van de HMR af. Windenergiegebied Hollandse kust (west) overlapt met de helicopter traffic zone (HTZ) rond het platform P9-Horizon, en de helicopter protection zone (HPZ) rond het platform P6-A en enkele satelliet-platforms zoals is weergegeven in figuur
- Een HTZ is een zone van (in beginsel) 5 nautische mijl50De afstand van vijf nautische mijl betreft een Nederlandse interpretatie van internationale luchtvaartregelgeving (ICAO annex 14 en 6 resp. JAR OPS 3). De afstand wordt aangehouden om de kans op een aanvaring tussen een helikopter, ander luchtverkeer en een obstakel te minimaliseren. Een obstakel kan betrekking hebben op een klein bootje, een groot schip of een windpark. Deze brede interpretatie is nodig omdat een helikopter die in slecht weer volledig vliegt op instrumenten, op basis van die instrumenten geen goed onderscheid kan maken tussen deze verschillende obstakels en de hoogte ervan. Als volledig op instrumenten wordt gevlogen – een situatie die op de Noordzee circa 25 procent van de tijd voorkomt – mag de vlieger pas op een hoogte van 1.500 voet uitgaan van voldoende verticale separatie van een obstakel. Anders dient de helikopter om het obstakel heen te vliegen. rondom een boor- of productieplatform met als doel om op lage hoogte tot maximaal 2.000 voet (circa 609 meter) veilig manoeuvres te kunnen uitvoeren, verbonden aan de nadering of het vertrek van een helikopter. Een HTZ wordt ingesteld ter verhoging van het vliegveiligheidsbewustzijn van de piloot en dient ter bescherming van het luchtverkeer onderling. Een HPZ heeft dezelfde functie maar omvat twee of meer platforms en kan daarmee in omvang verschillen. Helicopter main routes, HMR’s, HTZ’s en HPZ’s staan vermeld in de aeronautical information publication (AIP, ook bekend als Luchtvaartgids), en worden gelet op artikel 5.11 van de Wet luchtvaart en artikel 4 van de Regeling luchtverkeersdienstverlening door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, al dan niet samen met de Minister van Defensie, vastgesteld De kustwacht coördineert de dienstverlening aan, en handhaving van het scheepvaartverkeer op de Noordzee. Daarvoor maakt zij onder andere gebruik van vliegtuigen. De routes en vlieghoogtes van deze zogenaamde vliegende eenheden zijn afgestemd op de op zee aanwezige installaties, zoals mijnbouwplatforms. Voor deze vliegbewegingen kan gebruik gemaakt worden van een vlieghoogte tot 1.000 voet (circa 304 meter). Daarnaast worden ook SAR-operaties uitgevoerd om mensen in nood te helpen. Deze reddingsoperaties worden met name uitgevoerd met varende eenheden en in mindere mate met helikopters. De coördinatie van de SAR-operaties gebeurt vanuit het Kustwachtcentrum in Den Helder. Om de veiligheid voor het vliegverkeer te waarborgen zijn de windturbines voorzien van markerings- en obstakelverlichting. Het verlichtingsaspect is behandeld in paragraaf 6.
- 6.7.2 Gevolgen Windturbines vormen hindernissen, zoals hierboven beschreven. Gezagvoerders zullen er rekening mee moeten houden als ze zich in de nabijheid bevinden. In voorschrift 3, vijfde lid, is opgenomen dat de windturbines in kavel VI maximaal 304 meter boven het zeeniveau mogen uitsteken. Gelet op de maximale tiphoogte van de turbines, de separatie-eisen en de ondergrens van de CTA, zijn voor wat betreft de burgerluchtvaart (waaronder lijn- en chartervluchten met straalvliegtuigen) geen effecten te verwachten. Voor het helikopterverkeer zijn op grond van de huidige situatie wel gevolgen te verwachten. Aangezien de maximaal beoogde tiphoogte 304 meter is, en het onderste niveau van de boven kavel VI gelegen HMR 1.500 voet (circa 457 meter), wordt de hoogtegrens overschreden. Er geldt immers een separatie-eis van 1.000 voet (circa 304 meter). Figuur 4: Ligging van de platforms, de 5 NM-helikopterzones en de HMR’s rondom windenergiegebied Hollandse Kust (west). Behalve kavel VI zijn in de figuur ook de voorgestelde kavel VII en het verkavelingsalternatief voor kavel VI weergegeven. Windenergiegebied Hollandse kust (west) overlapt met de HPZ rond platform P6-A en enkele satelliet-platforms en de HTZ rond het platform P9-Horizon. De aanwezigheid van windturbines binnen een HPZ/HTZ van een mijnbouwplatform, kan tot gevolg hebben dat helikopters de mijnbouwplatforms in en nabij windenergiegebied Hollandse Kust (west) soms anders zullen moeten naderen. In navolging van de verkavelingen van de windenergiegebieden Hollandse Kust (zuid) en (noord) is in de verkaveling van windenergiegebied Hollandse Kust (west) op basis van het ‘Ontwerpproces: afstand tussen mijnbouwlocaties en windparken’ uit de Beleidsnota Noordzee uitgegaan van een minimale afstand van 2,5 nautische mijl tussen de kavelgrenzen en platform P9-Horizon. Uit onderzoek naar de helikopterbereikbaarheid van het betreffende helideck volgt dat het in de huidige situatie 85,3 procent van de tijd bereikbaar is en met windparken op ten minste 2,5 NM afstand nog steeds 83,9 procent van de tijd.51To70, in opdr. van RVO, Helicopter accessibility ‘ Hollandse Kust (west)’, ‘IJmuiden Ver’ and ‘Ten noorden van de Waddeneilanden’, ref. 18.200.02,
- In de (aangepaste) verkaveling is voorts uitgegaan van de beëindiging van de gaswinning op platform P6-A en satellietplatforms voorafgaand aan de bouw van het windpark. Daarmee vervalt de noodzaak van helikopterbereikbaarheid van de platforms P6-A, P6-B en P6-D, zo heeft de exploitant/beheerder bevestigd. Dat geldt ook bij eventueel hergebruik van de platforms voor andere doeleinden. De windparkontwikkelingen in windenergiegebied Hollandse Kust (west) hebben daarmee slechts een marginale invloed op de helikopterbereikbaarheid van mijnbouwplatforms. Uit oefeningen in de windparken North Hoyle (VK) en Luchterduinen volgt dat SAR-operaties met een helikopter zonder problemen mogelijk zijn bij daglicht en wanneer de windturbines gestopt zijn, mits de zichtomstandigheden voldoende goed zijn. Het is echter niet uitgesloten dat een SAR-helikopter normaal kan opereren binnen een park wanneer de turbines niet gestopt zijn. Dit blijft echter wel afhankelijk van de omstandigheden van dat moment en de beoordeling van de piloot. Ingevolge artikel 6.16k, vijfde lid, van het Waterbesluit kan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij een ongewoon voorval in het uiterste geval bevelen dat een windpark wordt stilgelegd ter waarborging van de veiligheid. Wanneer een windpark zich binnen de beschermingscontour van de communicatie-, navigatie- of surveillanceapparatuur (CNS) van Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) bevindt, kan mogelijk verstoring van communicatie optreden. LVNL heeft het voornemen van een windpark in kavel VI echter beoordeeld en aangegeven dat geen verstoring van de CNS-apparatuur op land en op de Noordzee te verwachten valt. 6.7.3 Afweging De eisen om voldoende separatie aan te houden, vloeien voort uit de genoemde wet- en regelgeving. Bij een maximale tiphoogte van 304 meter blijft ten opzichte van het helikopterverkeer voldoende laterale en verticale separatie over als op de normale minimale vlieghoogte van 2.000 voet (circa 609 meter) wordt gevlogen gegeven een separatieafstand van 1.000 voet (circa 304 meter). Indien met helikopters gevlogen moet worden op 1.500 voet (circa 457 meter) wordt deze vereiste separatieafstand niet gehaald. In dat geval zijn maatregelen nodig. In de Beleidsnota Noordzee 2016–2021 is een aantal acties opgenomen ten behoeve van de inpassing van windparken op zee in relatie tot de veilige en operationele luchtzijdige bereikbaarheid van mijnbouwinstallaties per helikopter. Dit betreft onder andere het zo nodig aanpassen van een HMR. Voor de HMR die langs platform P6-A loopt wordt door het bevoegd gezag een aanpassing voorbereid middels een wijziging van de AIP/Luchtvaartgids. Ook een opheffing van de HMR behoort tot de mogelijkheden. Een windpark binnen de begrenzing van kavel VI zal na aanpassing of opheffing van de HMR geen effect hebben op het helikopterverkeer. De binnen het windenergiegebied gelegen platforms P6-B en P6-D worden op een zodanig tijdstip verwijderd dat deze geen belemmering vormen voor de bouw van het windpark in kavel VI. Het (buiten het windenergiegebied gelegen) platform P6-A zal voorafgaand aan de bouw van het windpark mogelijk verwijderd zijn of eventueel op termijn een nieuwe functie krijgen met beperkte helikopterbereikbaarheid. Het windpark in kavel VI van windenergiegebied Hollandse Kust (west) vormt derhalve geen onaanvaardbaar obstakel voor de luchtvaart. 6.8 Cultuurhistorie en archeologie 6.8.1 Beleid De Noordzee heeft een belangrijke sociaal-culturele en historische betekenis voor Nederland en is een bron van kennis. In de Visie Erfgoed en Ruimte52Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Kiezen voor karakter; Visie Erfgoed en Ruimte,
- is als doelstelling voor de Noordzee opgenomen om het cultureel erfgoed goed te positioneren bij offshore ruimtelijke ontwikkelingen. Het rijksbeleid ten aanzien van mariene archeologie, zoals verwoord in de Beleidsnota Noordzee 2016–2021, is gebaseerd op de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta (ook wel verdrag van Malta genoemd), dat strekt tot bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. In het bijzonder gaat het om het streven naar het zoveel mogelijk behouden van archeologische waarden in de bodem (in situ), een meldplicht voor archeologische vondsten, het meewegen van het archeologisch belang in de ruimtelijke ordening en het waarborgen dat milieueffectrapportages en de daaruit voortvloeiende beslissingen rekening houden met archeologische vindplaatsen en hun context. Tenslotte is het uitgangspunt dat de kosten voor het eventueel benodigd archeologisch onderzoek door de initiatiefnemer worden gedragen (het ‘verstoorder betaalt’-principe). Indien bij de oprichting van een windpark of bij gerelateerde werkzaamheden in de Nederlandse EEZ een archeologische vondst dan wel een vermoedelijke archeologische vondst of een waarneming wordt gedaan in de zin van de Erfgoedwet, is op grond van artikel 6.16f van het Waterbesluit, artikel 5.10 van de Erfgoedwet en de artikelen, 56, 58, eerste lid, en 59 van de Monumentenwet 1988, overeenkomstig van toepassing. Deze artikelen voorzien in bescherming van (vermoedelijke) monumenten in de zin van de Monumentenwet
- De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 komen te vervallen. Een deel is overgegaan naar de Erfgoedwet, de rest gaat over naar de Omgevingswet zodra die in werking treedt. In de tussentijd geldt overgangsrecht. Artikel 9.1 van de Erfgoedwet bepaalt onder andere dat de artikelen 56 tot en met 59 van de Monumentenwet 1988 van toepassing blijven tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet. 6.8.2 Gevolgen Uit de in het kader van het MER uitgevoerde bureaustudie53Periplus Archeomare, in opdr. van RVO, Archaeological Desk Study Hollandse Kust (west) Wind Farm Zone, ref. WOZ2180120 / 18A031-01,
- blijkt dat in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) scheepsresten liggen en dat de verwachting bestaat dat resten van vliegtuigwrakken en prehistorische bewoningssporen aanwezig zijn. Prehistorische bewoningssporen Op tal van plaatsen in de huidige Noordzee bevinden zich ‘verdronken’ prehistorische landschappen en bewoningssporen die (deels) intact kunnen zijn en die door archeologen in kaart worden gebracht. Daarbij richt de aandacht zich met name op het paleolithicum (oude steentijd) van voor 8800 voor Chr. en het mesolithicum (midden-steentijd) tussen circa 8800 en 4900 voor Chr. In de in het kader van het MER uitgevoerde bureaustudie is geconcludeerd dat het aannemelijk is dat in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) resten uit het paleolithicum en het mesolithicum aanwezig zijn. In het vervolgonderzoek54Periplus Archeomare, in opdr. van RVO, Hollandse Kust (west): An archaeological assessment Of geophysical survey results, ref. 19015-01, 2019., een archeologisch assessment uitgevoerd op basis van de resultaten van het geofysisch onderzoek (seismiek), is ten aanzien van de prehistorische sporen geconcludeerd dat deze als gevolg van erosie grotendeels niet meer intact zullen zijn. Het is echter niet uitgesloten dat in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) paleolithische en mesolithische (nederzettings)resten plaatselijk nog kunnen voorkomen in met name kleinschalige omgevingen die bedekt zijn met veen of klei. De aanwezigheid van deze sporen kan met het geofysisch en geotechnisch doorgaans onvoldoende worden aangetoond. Er zijn in dit kavelbesluit dan ook geen ruimtelijk beperkende maatregelen gesteld in relatie tot prehistorische bewoningssporen. Anderzijds wordt de ontwikkeling van een windpark in kavel VI wel als een mogelijkheid beschouwd om de synergie te zoeken met archeologie en aan de hand van de geologische informatie over het gebied meer te weten te komen over de kans dat plaatselijk nederzettingen aanwezig zijn geweest. In het kader van het geotechnisch bodemonderzoek ten behoeve van de bouw van het windpark zijn in windenergiegebied Hollandse Kust (west) boormonsters genomen. De rijksoverheid heeft opdracht gegeven om deze boormonsters ook door archeologen te laten bestuderen. De resultaten kunnen bijdragen aan een goede kennisbasis over de verwachtingswaarde van ‘verdronken’ prehistorische landschappen op de Noordzee. Tevens zullen door de vergunninghouder nog uit te voeren (nadere) bodemonderzoeken mogelijk gegevens opleveren die voor begrip en kennisvergroting van ontwikkeling en eventuele bewoning van het Noordzeebekken zeer relevant zijn. Het is van belang dat die gegevens beschikbaar worden gesteld zodat deze gebruikt kunnen worden voor kennisvermeerdering. De vergunninghouder is op grond van artikel 6.16f, tweede lid, van het Waterbesluit verplicht om de onderzoeksgegevens over de bodem die relevant kunnen zijn voor de archeologische monumentenzorg te delen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. De onder de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ressorterende Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en hun partners (kennisinstellingen) zijn bij uitstek in staat zulke gegevens te interpreteren. Historische vindplaatsen Uit de bureaustudie blijkt dat in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) maximaal 23 scheepswrakken bekend zijn en dat het goed mogelijk is dat er ook vliegtuigwrakken te vinden zijn. In het vervolgonderzoek zijn tien scheepswrakken ook daadwerkelijk geïdentificeerd. Zeven hiervan hebben mogelijk archeologische waarde. Dertien vermoedelijk aanwezige scheepswrakken zijn in het vervolgonderzoek niet gevonden. Twaalf van deze wrakken hebben mogelijk archeologische waarde. Een deel zal in werkelijkheid buiten het windenergiegebied liggen. Een ander deel is waarschijnlijk niet aangetroffen omdat deze objecten zijn bedekt onder sedimenten afkomstig van de migratie van zandgolven. In totaal zijn binnen het gehele windenergiegebied 22 locaties geïdentificeerd met mogelijke archeologische waarde. Een lijst met coördinaten van de 22 locaties is opgenomen in de bijlage bij voorschrift 4, negende lid, van dit besluit.55De lijst met coördinaten is overgenomen uit appendix 1, behorend bij: Periplus Archeomare in opdr. van RVO, Hollandse Kust (west) – An archaeological assessment of geophysical survey results, Report 19A015-01,
- Deze 22 locaties dienen bij de aanleg van turbines, kabels en overige infrastructuur gemeden te worden met inachtneming van een bufferzone van 100 meter rond de vermelde coördinaten. Het gaat dan om het voorkomen van bodemberoering, waaronder ook wordt begrepen het verankeren van werkschepen en tijdelijke installaties. Overdraai van rotorbladen is wel toegestaan. Een tiental van deze locaties bevindt zich binnen of direct nabij de kavel VI. Indien het mijden van deze locaties redelijkerwijs niet mogelijk is, dient nader archeologisch onderzoek plaats te vinden naar de archeologische waarde van deze locaties, conform de (onderzoek)stappen in de vigerende kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Afhankelijk van de bevindingen, kan de locatie - eventueel onder voorwaarden - alsnog gebruikt worden danwel definitief uitgesloten worden van ontwikkeling. In het vervolgonderzoek zijn geen vliegtuigwrakken waargenomen. Wel zijn op basis van het magnetometeronderzoek diverse anomalieën geïdentificeerd van onbekende ijzerhoudende objecten. Deze objecten in de zeebodem kunnen wijzen op de aanwezigheid van bijvoorbeeld wraklocaties of niet-gesprongen explosieven. Het betreft in het gehele windenergiegebied Hollandse Kust (west) 107 anomalieën, zoals weergegeven in figuur
- Een lijst met coördinaten van de gemeten anomalieën is opgenomen als bijlage bij voorschrift 4, negende lid, van dit besluit