← Nederland

Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân (Wetterskip Fryslân)

Kort gezegd

Deze waterschapsverordening regelt activiteiten die invloed hebben op watersystemen en waterstaatswerken binnen het beheergebied van Wetterskip Fryslân, met als doel het voorkomen van wateroverlast, het beschermen van de waterkwaliteit en het waarborgen van de functionaliteit van waterwerken.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR705929 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0653/2023-12-05/fdff9a72-7954-4b22-b34f-2494735c70f5 /join/id/stop/work_019 2023-12-08 2023-12-08 /akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR705929/nld@2024-01-01 /join/id/proces/ws0653/2023-12-05/93173670-ce98-41b7-9443-9d01b3473142 2024-01-01 2024-02-13 2024-01-01 2024-02-13 2024-01-01 2024-02-13 /akn/nl/act/ws0653/2023-12-05/fdff9a72-7954-4b22-b34f-2494735c70f5/nld@2023-12-05;1 /akn/nl/act/ws0653/2023-12-05/fdff9a72-7954-4b22-b34f-2494735c70f5 /akn/nl/act/ws0653/2023-12-05/fdff9a72-7954-4b22-b34f-2494735c70f5/nld@2023-12-05;1 /join/id/stop/work_019 1 Waterschapsverordening Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Paragraaf 1.1 Begripsbepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Bijlage I bij deze waterschapsverordening bevat begrippen en definities voor de toepassing van deze waterschapsverordening. Paragraaf 1.2 Algemene bepalingen omgevingsvergunning voor wateractiviteiten Artikel 1.2 Toepassingsbereik 1 Deze waterschapsverordening is van toepassing: a. in het beheergebied van het waterschap; b. op de watersystemen of onderdelen daarvan, die in beheer zijn bij het waterschap; en c. buiten het beheergebied van het waterschap, voor zover het gaat over werkingsgebieden met betrekking tot waterstaatswerken die in beheer zijn bij het waterschap. 2 De regels van artikel 1.9 en hoofdstuk 3 en 4 van deze waterschapsverordening zijn niet van toepassing op: a. projecten waarvoor door het bestuur een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingswet, wordt vastgesteld; b. activiteiten die nodig zijn voor het beheer, de bediening en het onderhoud van het watersysteem of een onderdeel daarvan door of in opdracht van het waterschap; en c. activiteiten die nodig zijn voor het uitvoeren van onderhoudsverplichtingen met betrekking tot waterstaatswerken door of in opdracht van onderhoudsplichtigen als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet. Artikel 1.3 Doelen De regels in deze waterschapsverordening zijn, met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; d. het beschermen en verbeteren van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk; en e. het behoeden van de staat en werking van een vaarweg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die vaarweg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die vaarweg kan behoren. Artikel 1.4 Werkingsgebieden 1 De volgende werkingsgebieden maken deel uit van deze waterschapsverordening: a. aangewezen oppervlaktewaterlichaam; b. aangewezen zandwinplas; c. beheergebied van Wetterskip Fryslân; d. beschermingszone van een hoofdwater; e. beschermingszone van een lokale waterkering; f. beschermingszone van een natuurgebied; g. beschermingszone van een primaire waterkering; h. beschermingszone van een regionale waterkering in hoge gronden; i. beschermingszone van een regionale waterkering; j. beschermingszone van een secundaire waterkering; k. beschermingszone van een waterkering; l. beschermingszone van een waterstaatswerk; m. binnen de bebouwde kom; n. boezem; o. boezemland; p. buiten de bebouwde kom; q. buiten het stedelijk gebied in een overig water; r. buiten het stedelijk gebied in een schouwwater; s. buitenbeschermingszone van een primaire waterkering; t. buitenbeschermingszone van een secundaire waterkering; u. gebied peil hoger dan boezempeil; v. gebied waar bij calamiteiten regels gelden voor grondwater onttrekken; w. gebied waar bij calamiteiten regels gelden voor lozen oppervlaktewater; x. gebied waar bij calamiteiten regels gelden voor onttrekken oppervlaktewater; y. gebied waar bij calamiteiten regels gelden voor water in de bodem brengen; z. gronden grenzend aan een regionale waterkering in hoge gronden; aa. gronden grenzend aan een waterkering; ab. gronden grenzend aan hoofdwater; ac. hoofdwater; ad. hoogwatercircuit; ae. KRW-waterlichaam; af. kwetsbaar gebied; ag. lokale waterkering; ah. natuurfunctie; ai. natuurgebied; aj. natuurvriendelijke oever; ak. niet zijnde boezemwater; al. niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam am. niet-kwetsbaar gebied; an. niet-vrij afstromend gebied; ao. ondiepwaterzone; ap. oppervlaktewaterlichaam; aq. overig water buiten de bebouwde kom; ar. overig water; as. peilregulerend kunstwerk; at. primaire waterkering; au. profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering; av. provincie Fryslân; aw. regionale waterkering in hoge gronden; ax. regionale waterkering; ay. reserveringszone van een primaire waterkering; az. schouwwater buiten de bebouwde kom; ba. schouwwater; bb. secundaire waterkering; bc. vaarweg; bd. vrij afstromend gebied; be. Waddeneilanden; bf. waterbergingsgebied; bg. waterkering grenzend aan boezemwater; bh. waterkering in hoge gronden; bi. waterkering; bj. waterstaatswerk; en bk. zuiveringtechnisch werk. 2 Voor waterstaatswerken die op grond van een projectbesluit of een omgevingsvergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de geometrische begrenzing, wordt voor het werkingsbied met betrekking tot het waterstaatswerk uitgegaan van de begrenzing aangegeven in het projectbesluit of de omgevingsvergunning. Hetzelfde geldt voor waterstaatswerken die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gewijzigd door een projectplan of watervergunning. 3 Als een waterstaatswerk nog niet geometrisch is begrensd of niet juist is begrensd en de ligging niet volgt uit een projectbesluit, omgevingsvergunning, projectplan of watervergunning dan bestaat het werkingsgebied uit het betreffende waterstaatswerk. Bij een peilregulerend kunstwerk geldt als peilregulerend kunstwerk 5 meter (

  1. m)rondom het peilregulerende kunstwerk Bij de volgende waterstaatswerken geldt ook het daaromheen gelegen gebied als betreffend werkingsgebied: a. bij een primaire waterkering geldt een beschermingszone, een buitenbeschermingszone, een profiel van vrije ruimte en een ruimtelijke reserveringszone als omschreven in de beleidsregels integrale legger; b. bij een regionale waterkering, type polderdijk geldt als beschermingszone van een regionale waterkering een strook van 5 meter (
  2. m)vanuit de teen van die regionale waterkering; c. bij een regionale waterkering, waarin als hulpconstructie als een damwand of andere oeverbescherming is opgenomen, geldt als beschermingszone van een regionale waterkering een strook van 5 meter (
  3. m)vanaf die damwand of hulpconstructie; d. bij een secundaire waterkering geldt als beschermingszone van een secundaire waterkering een strook van 15 meter (
  4. m)vanuit de teen van die secundaire waterkering; en e. bij een hoofdwater geldt als beschermingszone van een hoofdwater een strook van 5 meter (
  5. m)vanaf de insteek van dat hoofdwater. 4 Als een werkingsgebied, niet zijnde een waterstaatswerk, nog niet geometrisch is begrensd of niet juist is begrensd en de ligging niet volgt uit een projectbesluit, omgevingsvergunning, projectplan of watervergunning dan bestaat het werkingsgebied uit de beschrijving van het betreffende werkingsgebied. Artikel 1.5 Normadressaat De regels van deze waterschapsverordening zijn van toepassing op degene die de activiteit verricht of laat verrichten, voor zover niet anders is bepaald. Artikel 1.6 Specifieke zorgplicht: algemeen 1 Degene die een activiteit verricht met betrekking tot het watersysteem of een onderdeel daarvan, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 1.3, moet: a. alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Degene die handelingen verricht als bedoeld in het eerste lid en daarbij kennis neemt van een inbreuk die door die handelingen wordt veroorzaakt, meldt die inbreuk en de maatregelen die hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen, zo spoedig mogelijk aan het dagelijks bestuur. 3 Een rechthebbende die op basis van artikel 10.3 Omgevingswet een ontvangstplicht heeft voor maaisel, baggerspecie of hekkelspecie, is verplicht dit binnen een half jaar na ontvangst op te ruimen. 4 Het dagelijks bestuur kan aanwijzingen geven over de handelingen genoemd in het eerste lid tot en met het derde lid. Artikel 1.7 Specifieke zorgplicht: concretisering kwantiteit Artikel 1.6 houdt in ieder geval in: a. het voorkomen, beperken, onmiddellijk ongedaan maken of achterwege laten van het beschadigen van een waterstaatswerk; b. het voorkomen, ongedaan maken of achterwege laten van het verondiepen, versmallen of belemmeren van de waterdoorstroming van een oppervlaktewaterlichaam of van de afvoer van kwelwater of hemelwater; c. het niet nadelig beïnvloeden van de stabiliteit van een waterkering, oeverconstructie of oever: 1º. het voorkomen van aantasting van het waterkerend vermogen van waterkeringen; 2º. het bereikbaar en toegankelijk houden van waterstaatswerken voor inspectie, onderhoud en beheer door of in opdracht van het waterschap of voor onderhoud door of in opdracht van een onderhoudsplichtige als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet; en 3º. het voorkomen van versnelde uitspoeling van de waterkering of het uitspoelen van grond of andere stoffen in een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 1.8 Maatwerkvoorschriften 1 In aanvulling op of in afwijking van de zorgplicht in artikel 1.6, artikel 1.7 en de algemene regels in hoofdstuk 2, hoofdstuk 3, en hoofdstuk 4 kunnen in een specifieke situatie waarin geen omgevingsvergunningwater is vereist met het oog op de doelen uit artikel 1.3, maatwerkvoorschriften worden gesteld. Het dagelijks bestuur kan zo nodig in specifieke gevallen waarin de algemene regels onvoldoende bescherming bieden, bij maatwerkvoorschrift aanvullende of vervangende voorschriften opnemen. 2 Wanneer sprake is van meerdere activiteiten die gecombineerd worden uitgevoerd, waarvoor deels een vergunningplicht geldt en deels een algemene regel van toepassing is, dan wordt het in het eerste lid bedoelde maatwerkvoorschrift als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Artikel 1.9 Vangnetvergunningplicht en afwegingskader/voorschriften vergunning 1 Voor zover activiteiten niet in deze waterschapsverordening beschreven zijn, is het verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te maken of te behouden, vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. 2 Een omgevingsvergunningwater wordt geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen genoemd in artikel 1.3 van deze waterschapsverordening. 3 Het dagelijks bestuur kan aan een omgevingsvergunning voorschriften en beperkingen verbinden. Deze kunnen mede betrekking hebben op het voorkomen van belemmering van onderhoud dat wordt uitgevoerd door het waterschap en of het voorkomen van de verhoging onderhoudskosten van het waterschap. Dit kan inhouden dat de vergunninghouder een betaling of een andere compensatie verricht vanwege de voor het waterschap toegenomen kosten van onderhoud. Artikel 1.10 Algeheel verbod bij calamiteiten 1 In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het dagelijks bestuur, zo nodig in afwijking van verleende omgevingsvergunningen of geldende peilbesluiten, besluiten te verbieden: a. water af te voeren naar of aan te voeren uit een oppervlaktewaterlichaam; b. water te brengen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam; c. grondwater te onttrekken of water te infiltreren; en d. activiteiten in een werkingsgebied uit te voeren. 2 Het besluit kan in ieder geval inhouden dat de activiteiten worden beperkt of worden stopgezet. 3 Het besluit wordt onverwijld ingetrokken als het dagelijks bestuur van het waterschap instandhouding daarvan niet langer noodzakelijk vindt. Hoofdstuk 2 Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk Paragraaf 2.1 Algemeen Artikel 2.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, dat in beheer is bij het waterschap. Artikel 2.2 Specifieke zorgplicht 1 Degene die een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt of ongedaan gemaakt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Deze zorgplicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; c. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd; f. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd. Artikel 2.3 Verbod 1 In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of van het in het ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het dagelijks bestuur van het waterschap verbieden stoffen, water, koude of warmte te lozen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk. 2 Zodra het dagelijks bestuur van het waterschap, gezien de situatie, handhaving van een verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking bekend. Artikel 2.4 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 2.5 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat 1 Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 2.4, wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. 2 Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Artikel 2.6 Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap 1 Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit. 2 Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 2.7 Informeren over een ongewoon voorval 1 Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval. 2 Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen. Artikel 2.8 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval 1 Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet. 2 Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen. Paragraaf 2.2 Lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam Artikel 2.9 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.10 Meet- en rekenbepalingen 1 Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 2 Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 3 Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor chloride NEN-EN-ISO 15682 van toepassing. Artikel 2.11 Toestemmingsvrij 1 Het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien: a. dit plaatsvindt in boezemwater; b. de te lozen hoeveelheid water groter dan 250 kubieke meter per uur (m3/
  6. u)is; c. het te lozenwateronttrokken wordt uit het oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd; en d. het chloridegehalte van het te lozenwater is kleiner dan of gelijk aan het chloridegehalte van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam, gemeten in een steekmonster. 2 Het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien: a. plaatsvindt in boezemwater; b. de te lozen hoeveelheid water kleiner dan of gelijk aan 250 kubieke meter per uur (m3/
  7. u)is; en c. het chloridegehalte van het te lozenwater is kleiner dan of gelijk aan het chloridegehalte van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam, gemeten in een steekmonster. 3 Het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien: a. het lozen van water plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam niet zijnde boezemwater; b. de te lozen hoeveelheid is kleiner dan of gelijk aan 80 kubieke meter per uur (m3/u); c. de te lozen hoeveelheid is kleiner dan of gelijk aan 800 kubieke meter per etmaal (m3/etmaal); en d. het chloridegehalte van het te lozenwater is kleiner dan of gelijk aan het chloridegehalte van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam, gemeten in een steekmonster. Artikel 2.12 Meldingsplicht Voor het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht indien: a. het lozen van water plaats vindt in boezemwater; b. de te lozen hoeveelheid groter dan 250 kubieke meter per uur (m3/
  8. u)is; c. het water dat geloosd wordt niet onttrokken is aan het oppervlaktewaterlichaam waarop geloosd wordt; en d. het chloridegehalte van het te lozenwater is kleiner dan of gelijk aan het chloridegehalte van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam, gemeten in een steekmonster. Artikel 2.13 Indieningsvereisten melding Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.12, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel van de activiteit; b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit; c. de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder lozingspunt; d. het debiet in kubieke meter per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3) van het te lozenwater; e. de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden; f. een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt; g. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken; h. een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; en i. het chloridegehalte van het te lozenwater en het chloridegehalte van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam, gemeten in een steekmonster. Artikel 2.14 Vergunningplicht Voor het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht indien: a. dit plaatsvindt op de Waddeneilanden: Ameland, Terschelling, Vlieland en Schiermonnikoog; of b. niet voldaan wordt aan artikel 2.10 tot en met artikel 2.13. Paragraaf 2.3 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering Artikel 2.15 Toepassingsbereik Deze paragraaf 2.3 is van toepassing op het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.16 Meet- en rekenbepalingen 1 Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 2 Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 3 a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1 trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872. Artikel 2.17 Toestemmingsvrij Het lozen van grondwater bij ontwatering is toestemmingsvrij indien: a. de periode van lozen kleiner dan of gelijk aan 48 uur is; of b. het lozen plaatsvindt bij wonen. Artikel 2.18 Meldingsplicht voor lozen van grondwater bij ontwatering 1 Voor het lozen van grondwater bij ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht als dat grondwater: a. niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is. 2 Voor het te lozengrondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster. 3 Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen. Artikel 2.19 Meldingsplicht voor lozen van grondwater bij saneringen 1 Voor het lozen van grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering op een oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht. 2 Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.1, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.1 Emissiegrenswaarden bij lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK’s 1 μg/l BTEX 50 μg/l Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor 20 μg/l Aromatische organohalogeen-verbindingen 20 μg/l Minerale olie 500 μg/l Cadmium 4 μg/l Kwik 1 μg/l Koper 11 μg/l Nikkel 41 μg/l Lood 53 μg/l Zink 120 μg/l Chroom 24 μg/l Onopgeloste stoffen 50 mg/l 3 Voor het lozen van dat grondwater in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.2, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.2 Emissiegrenswaarden in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK’s 1 μg/l Minerale olie 50 μg/l Cadmium 0,4 μg/l Kwik 0,1 μg/l Koper 1,1 μg/l Nikkel 4,1 μg/l Lood 5,3 μg/l Chroom 2,4 μg/l Zink 12 μg/l Onopgeloste stoffen 20 mg/l Benzeen 2 μg/l Tolueen 7 μg/l Ethylbenzeen 4 μg/l Xyleen 4 μg/l Tetrachlooretheen 3 μg/l Trichlooretheen 20 μg/l 1,2-dichlooretheen 20 μg/l 1,1,1-trichloorethaan 20 μg/l Vinylchloride 8 μg/l Som van de vijf hier bovenstaande stoffen 20 μg/l Monochloorbenzeen 7 μg/l Dichloorbenzenen 3 μg/l Trichloorbenzenen 1 μg/l Artikel 2.20 Indieningsvereisten melding 1 Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.18 en artikel 2.19, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozingsactiviteit; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit. 2 Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. 3 In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als de periode van het lozen groter dan 48 uur is, maar kleiner dan of gelijk aan 8 weken. Paragraaf 2.4 Lozen van afvloeiend hemelwater Artikel 2.21 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.22 Toestemmingsvrij Het lozen van afvloeiend hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij, indien dat hemelwater: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; en b. afkomstig is van daken, terreinen, verhardingen en wegen, zijnde geen rijkswegen of provinciale wegen. Artikel 2.23 Meldingsplicht 1 Afvloeiend hemelwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat hemelwater: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en c. geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is. 2 In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater, afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaamgeloosd als lozen op de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarbij wordt het afvloeiend hemelwater via deugdelijke zuiveringsvoorziening geloosd. 3 In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater, afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaamgeloosd als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarbij wordt het afvloeiend hemelwater via deugdelijke zuiveringsvoorziening geloosd. 4 Voor het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening geldt een meldingsplicht indien voldaan wordt aan het eerste lid tot en met het derde lid. Artikel 2.24 Indieningsvereisten melding 1 Ten minste zes maanden voorafgaand aan de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de omvang van de lozingsactiviteit; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit. 2 Ten minste zes maanden voorafgaand aan het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Paragraaf 2.5 Lozen van huishoudelijk afvalwater Artikel 2.25 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.26 Meet- en rekenbepalingen 1 Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 2 Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 3 Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705. Artikel 2.27 Toestemmingsvrij Lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien dit: a. plaatsvindt vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. plaatsvindt op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Artikel 2.28 Meldingsplicht voor lozen van huishoudelijk afvalwater 1 Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater alleen op een oppervlaktewaterlichaamgeloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van kleiner dan 2.000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten is: a. groter dan 40 meter (
  9. m)met een vervuilingswaarde kleiner dan of gelijk aan 10 inwonerequivalenten; b. groter dan 100 meter (
  10. m)met een vervuilingswaarde groter dan 10 inwonerequivalenten en kleiner dan 25 inwonerequivalenten; c. groter dan 600 meter (
  11. m)met een vervuilingswaarde groter dan of gelijk aan 25 inwonerequivalenten en kleiner dan 50 inwonerequivalenten; d. groter dan 1.500 meter (
  12. m)met een vervuilingswaarde groter dan of gelijk aan 50 inwonerequivalenten en kleiner dan 100 inwonerequivalenten; en e. groter dan 3.000 meter (
  13. m)met een vervuilingswaarde groter dan of gelijk aan 100 inwonerequivalenten. 2 De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 3 In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur van het waterschap, indien het belang van de bescherming van een oppervlaktewaterlichaam zich daartegen niet verzet, op een daartoe strekkende aanvraag bij maatwerkvoorschrift het lozen in een oppervlaktewaterlichaam toestaan voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een afschrijvingstermijn van de voor de aanleg van het vuilwaterriool of het zuiveringtechnisch werk reeds bestaande zuiveringsvoorziening. 4 Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht indien voldaan wordt aan het eerste lid tot en met het derde lid. Artikel 2.29 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater 1 Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening. 2 Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.3, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.3 Emissiegrenswaarden bij het lozen op een oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l Onopgeloste stoffen 60 mg/l 3 Het tweede lid is niet van toepassing als de lozing plaatsvindt buiten een kwetsbaar gebied en het huishoudelijk afvalwater kleiner dan 6 inwonerequivalenten bevat en voorafgaand aan vermenging met ander water door een septictank wordt geleid indien: a. de septictank: 1º. voldoet aan NEN-EN 12566-1; 2º. heeft een nominale inhoud van groter dan of gelijk aan 6 kubieke meter (m3); en 3º. een hydraulisch rendement van kleiner dan 10 gram (
  14. g)heeft, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of b. de septictank is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd. 4 Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. 5 In afwijking van de regels bedoeld in het tweede en derde lid, wordt voor bestaande lozingen van huishoudens van voor 1 maart 1997 aan het eerste lid voldaan als de lozing plaatsvindt in niet-kwetsbaar en niet-vrij afstromend gebied in de provincie Fryslân en het huishoudelijk afvalwater wordt geleid door goed onderhouden en goed functionerende voorzieningen die in ieder geval bestaan uit: a. een septictank met een inhoud van minimaal 1,5 kubieke meter (m3) voor het toiletwater; en b. een doelmatige bezinkvoorziening voor het overige huishoudelijke afvalwater; of c. een aan de onder a en b genoemde voorzieningen ten minste gelijkwaardig alternatief. 6 In afwijking van het tweede lid kan het dagelijks bestuur van het waterschap, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, op een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn bij maatwerkvoorschrift bepalen dat bij het lozen niet aan de in dat lid genoemde waarden behoeft te worden voldaan. Het dagelijks bestuur van het waterschap kan daarbij: a. andere waarden vaststellen; en b. bepalen dat het huishoudelijk afvalwater door een daarbij voorgeschreven zuiveringsvoorziening wordt geleid. Artikel 2.30 Indieningsvereisten melding 1 Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.28, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; c. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit; d. de afstand van de kadastrale grens van het perceel tot de gemeentelijk riolering; en e. een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl met daarop: 1º. de locatie van het gebouw waar het afvalwater ontstaat; 2º. alle rioleringen van het gebouw waar het afvalwater ontstaat tot het lozingspunt, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen hemelwaterafvoer en vuilwaterafvoer; en de te treffen zuiveringsvoorziening (septictank, IBA klasse II of III). 2 Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Paragraaf 2.6 Lozen van koelwater Artikel 2.31 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.32 Algemene regels Indien koelwater wordt geloosd: a. worden aan het te lozenkoelwater geen chemicaliën toegevoegd; b. is de warmtevracht van het te lozenkoelwater kleiner dan of gelijk aan 1.000 kilojoule per seconde (kJ/
  15. s)bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam; en c. is de warmtevracht van het te lozenkoelwater kleiner dan of gelijk aan 10 kilojoule per seconde (kJ/
  16. s)bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.33 Meldingsplicht Voor het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht. Artikel 2.34 Indieningsvereisten melding 1 Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.33, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de berekening van de maximale warmtevracht in kilojoule per seconde (kJ/s); en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit. 2 Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Paragraaf 2.7 Lozen van koude of warmte bij aquathermie Artikel 2.35 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koude en warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam. 2 Deze paragraaf is niet van toepassing op een warmtewisselaar die wordt toegepast voor het lozen van koude en warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in paragraaf 4.24. Artikel 2.36 Algemene regels Indien koude en warmte bij aquathermie wordt geloosd: a. kan koude of warmte in een oppervlaktewaterlichaam worden gebracht: 1º. direct door het lozen van opgewarmd oppervlaktewater; of 2º. direct door het lozen van afgekoeld oppervlaktewater; of 3º. indirect door het plaatsen van een warmtewisselaar in een oppervlaktewaterlichaam. b. is het thermisch vermogen van de installatie waarmee warmte of koude uit het oppervlaktewaterlichaam wordt onttrokken of toegevoegd kleiner dan of gelijk aan 30 kilowatt (kW); en c. mag het temperatuurverschil tussen het ingenomen oppervlaktewater en het te lozenoppervlaktewater niet meer bedragen dan 5 graden Celsius (°C). Artikel 2.37 Meldingsplicht Voor het lozen van koude en warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht indien: a. wordt voldaan aan artikel 2.36; en b. de lozing geen deel uitmaakt van een project dat bestaat uit met meerdere afzonderlijke lozingen van koude en warmte bij aquathermie waardoor cumulatie van warmte of koude in het oppervlaktewater optreedt Artikel 2.38 Indieningsvereisten melding Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.37, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de maximale warmtevracht in kilojoule per seconde (kJ/s); b. de berekening van de maximale koudevracht in kilojoule per seconde (kJ/s); c. de berekening van het temperatuurverschil in de mengzone ten opzichte van het omliggende oppervlaktewaterlichaam; d. de capaciteit van de warmtepomp in kilowatt (kW); e. de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder lozings /onttrekkingspunt; f. een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl.; g. voor zover aanwezig een tekening van de in- en uitstroomvoorzieningen inclusief de locatie van de warmtewisselaar; h. voor zover aanwezig de locatie van de warmtewisselaar in het oppervlaktewaterlichaam; en i. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit. Paragraaf 2.8 Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken Artikel 2.39 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.40 Algemene regels Met het oog op het voorkomen of beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 milligram per kubieke meter (mg/Nm3), gemeten in een eenmalige meting. Artikel 2.41 Meet- en rekenbepalingen Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing. Artikel 2.42 Toestemmingsvrij 1 Lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien het gaat om: a. afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of b. afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar. 2 Lozen van afvalwater afkomstig van bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij. Artikel 2.43 Werkinstructie bij reinigen en conserveren 1 Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken: a. is een werkinstructie opgesteld; en b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen. 2 In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen: a. welke technieken worden toegepast; b. welke stoffen kunnen vrijkomen; en c. welke stoffen worden gebruikt. 3 Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen: a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd; b. wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is; c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft; d. op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en e. welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van groter dan 8 meter per seconde (m/s). 4 De werkinstructie is ter plekke van het reinigen en conserveren van het bouwwerk aanwezig en in te zien door medewerkers van het waterschap. Artikel 2.44 Werkinstructie bij bouwen, renoveren en slopen 1 Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen. 2 De werkinstructie is ter plekke van het bouwen, renoveren en slopen van het bouwwerk aanwezig en in te zien door medewerkers van het waterschap. Paragraaf 2.9 Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen Artikel 2.45 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het opslaan en overslaan van inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.46 Inerte goederen Voor de toepassing van deze paragraaf worden de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas. Artikel 2.47 Toestemmingsvrij bij lozen van afvalwater bij opslaan van inerte goederen Afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.48 Toestemmingsvrij bij lozen van afvalwater bij overslaan van inerte goederen 1 Bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht kan afvalwater worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. 2 Bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. 3 Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 meter (m); of b. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep. 4 Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen. Paragraaf 2.10 Lozen bij opslaan of overslaan van niet-inerte goederen Artikel 2.49 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het opslaan en overslaan van niet-inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.50 Meet- en rekenbepalingen 1 Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 2 Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 3 Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2; d. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; e. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; f. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; g. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; h. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; i. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2, en j. voor extraheerbaar organisch chloor: NEN 6402. Artikel 2.51 Toestemmingsvrij 1 Het lozen op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien het lozen plaatsvindt bij: a. het overslaan van zout voor het strooien op wegen; b. het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en c. het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk. 2 Bij het overslaan van goederen uit het eerste lid in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. 3 Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 meter (m); of b. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep. Artikel 2.52 Meldingsplicht voor lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen die kunnen uitlogen 1 In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozenafvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen worden geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd groter dan 40 meter (
  17. m)is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt. 2 Voor het te lozenafvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.4, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.4 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink 1 mg/l Minerale olie 20 mg/l Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 μg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Som van stikstofverbindingen 10 mg/l Som van fosforverbindingen 2 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l Extraheerbaar organisch chloor 5 μg/l 3 Indien voldaan wordt aan het eerste lid en het tweede lid geldt een meldingsplicht. Artikel 2.53 Meldingsplicht voor lozen afvalwater afkomstig van het overslaan van niet-inerte goederen 1 Voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam bij het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen geldt een meldingsplicht. 2 Bij het overslaan van goederen uit het eerste lid in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. 3 Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 meter (m); of b. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep. Artikel 2.54 Indieningsvereisten melding 1 Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.52 en 2.53, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit. 2 Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Paragraaf 2.11 Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater Artikel 2.55 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.56 Toestemmingsvrij bij lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels Afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen, en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1º tot en met 3º, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. Artikel 2.57 Toestemmingsvrij bij lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen Huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. Paragraaf 2.12 Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder Artikel 2.58 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij ontgraving, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door of namens de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.59 Meldingsplicht voor lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden Voor het lozen van stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam, op datzelfde oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht. Artikel 2.60 Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd», bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. de toe te passen baggertechniek, en b. de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze. Artikel 2.61 Meldingsplicht voor lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder Voor het lozen van stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 2.59 op een oppervlaktewaterlichaam en worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer, op datzelfde oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht. Artikel 2.62 Meldingsplicht voor lozen van algen en bacteriën Voor het lozen van algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam op een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht. Artikel 2.63 Indieningsvereisten melding 1 Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.59, artikel 2.61 en artikel 2.62, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kwaliteit van de te ontgraven of te baggerenwaterbodem; b. als de waterbodem de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd», bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.60; en c. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit. 2 Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. 3 Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet. Paragraaf 2.13 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen Artikel 2.64 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij schoonmaken drinkwaterleidingen op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.65 Algemene regels Er worden geen chemicaliën toegevoegd aan het water dat gebruikt wordt voor het schoonmaken en in gebruik nemen van leidingen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater, warm tapwater en huishoudwater. Artikel 2.66 Toestemmingsvrij Afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit, kan op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Paragraaf 2.14 Lozen bij calamiteitenoefening Artikel 2.67 Toepassingsbereik Deze paragraaf 2.14 is van toepassing op het lozen van afvalwater bij een calamiteitenoefening op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.68 Meldingsplicht Voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt een meldingsplicht. Artikel 2.69 Indieningsvereisten melding Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.68, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; b. welke stoffen dat blusschuim bevat; en c. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit. Paragraaf 2.15 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen Artikel 2.70 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.71 Meet- en rekenbepalingen 1 Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 2 Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 3 Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; b. onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; c. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; d. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en e. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2. Artikel 2.72 Meldingsplicht voor lozen vanuit andere gebouwen dan een kas 1 In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozenafvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, groter dan 40 meter (
  18. m)is. 2 Voor het te lozenafvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.5, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.5 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l 3 De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 4 In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van een bestaande lozing van voor 1 januari 2013, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. 5 Indien voldaan wordt aan het eerste lid tot en met het vierde lid geldt een meldingsplicht. Artikel 2.73 Meldingsplicht voor lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen 1 In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozenafvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, groter dan 40 meter (
  19. m)is. 2 Voor het te lozenafvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 milligram per liter (mg/l), gemeten in een steekmonster. 3 De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 4 In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van een bestaande lozing van voor 1 januari 2013, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. 5 Indien voldaan wordt aan het eerste lid tot en met het vierde lid geldt een meldingsplicht. Artikel 2.74 Meldingsplicht voor lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen 1 In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozenafvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. 2 Voor het te lozenafvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.6, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.6 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l 3 Indien voldaan wordt aan het eerste lid en tweede lid geldt een meldingsplicht. Artikel 2.75 Meldingsplicht voor lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars 1 Afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. 2 Voor het te lozenafvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.7, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.7 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Chloride 200 mg/l IJzer 2 mg/l 3 De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing. 4 Indien voldaan wordt aan het eerste lid en het tweede lid geldt een meldingsplicht. Artikel 2.76 Meldingsplicht voor lozen bij ontijzeren grondwater 1 Afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, groter dan 40 meter (
  20. m)is. 2 Voor het te lozenafvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 milligram per liter (mg/l), gemeten in een steekmonster. 3 De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 4 In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van een bestaande lozing van voor 1 januari 2013, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. 5 Indien voldaan wordt aan het eerste lid tot en met het vierde lid geldt een meldingsplicht. Artikel 2.77 Indieningsvereisten melding 1 Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.72 tot en met 2.76, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit. 2 Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Paragraaf 2.16 Lozen bij maken van betonmortel en uitwassen van beton Artikel 2.78 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het maken van betonmortel en uitwassen van beton op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.79 Meet- en rekenbepalingen 1 Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 2 Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 3 Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; en b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705. Artikel 2.80 Toestemmingsvrij 1 Als in het omgevingsplan voor afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozenafvalwater, bedoeld in die artikelen, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route. 2 Voor het te lozenafvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.8 gemeten in een steekmonster en bepaald conform artikel 2.79. Tabel 2.8 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l Paragraaf 2.17 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding Artikel 2.81 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij niet-industriële voedselbereiding op een oppervlaktewaterlichaam. 2 Deze paragraaf is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Artikel 2.82 Meldingsplicht 1 Afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het bereiden plaatsvindt met: a. grootkeukenapparatuur; b. één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of c. één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen van ten hoogste 130 kilowatt (kW). 2 Het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwatergeloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten. 3 Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voorafgaande aan vermenging met ander water geleid door: a. een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of b. een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd. 4 In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. 5 Indien voldaan wordt aan het eerste lid tot en met het vierde lid geldt een meldingsplicht. Artikel 2.83 Indieningsvereisten melding 1 Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.82, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit. 2 Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Paragraaf 2.18 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers Artikel 2.84 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.85 Meldingsplicht Voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van spuiwater uit recreatieve visvijvers geldt een meldingsplicht. Artikel 2.86 Indieningsvereisten melding 1 Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.85, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit. 2 Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Paragraaf 2.19 Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind Artikel 2.87 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.88 Toestemmingsvrij De volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig kunnen op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; en b. afvalwater dat vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind. Paragraaf 2.20 Asverstrooiing Artikel 2.89 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verstrooien van as op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.90 Toestemmingsvrij Het op een oppervlaktewaterlichaam individueel verstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan. Paragraaf 2.21 Overige lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk Artikel 2.91 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op overige lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk. Artikel 2.92 Toestemmingsvrij 1 Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk zijn toestemmingsvrij indien: a. het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; c. het lozen van stoffen of warmte bij wonen; of d. het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor de lozingsactiviteiten en de voorwaarden, bedoeld in de paragrafen 2.2 tot en met 2.20. Artikel 2.93 Vangnetvergunningplicht lozen op een oppervlaktewaterlichaam 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen, koude of warmte worden geloosd, tenzij voldaan wordt aan artikel 2.92, eerste lid, onderdelen a tot en met c. 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor de lozingsactiviteiten en de voorwaarden, bedoeld in de paragrafen 2.2 tot en met 2.20. Artikel 2.94 Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten, tenzij voldaan wordt aan artikel 2.92, eerste lid, onderdeel d. Paragraaf 2.22 Indieningsvereisten, beoordelingsregels en voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit Artikel 2.95 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit 1 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het debiet in kubieke meter per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3) van het te lozenwater; b. een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam; c. een riooltekening in het geval van een lozing op een zuiveringtechnisch werk; d. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt; e. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit; f. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken; g. een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; h. de samenstelling van het water dat wordt geloosd; i. het chloridegehalte van het te lozenwater en het chloridegehalte van het ontvangen oppervlaktewater, gemeten in een steekmonster; j. de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; k. de resultaten van de immissietoets voor de te lozenstoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en l. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd. 2 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koude of warmte bij aquathermie of koelwater worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel van de activiteit; b. een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; d. de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder lozings /onttrekkingspunt; e. locatie van de, voor zover aanwezig, warmtewisselaar in het oppervlaktewaterlichaam; f. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken; en g. een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl; tekening van de, voor zover aanwezig, in- en uitstroomvoorzieningen; h. de berekening van het temperatuurverschil in de mengzone ten opzichte van het omliggende oppervlaktewaterlichaam; i. de capaciteit van de warmtepomp in kilowatt (kW); j. de berekening van de maximale warmtevracht in kilojoule per seconde (kJ/s); en k. de berekening van de maximale koudevracht in kilojoule per seconde (kJ/s). 3 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor asverstrooiing worden de volgende gegevens verstrekt: a. het doel van de activiteit; b. een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; d. de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; e. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken; en f. hoeveelheid as die verstrooid wordt in kubieke meter (m3). Artikel 2.96 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.97 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk 3 Wateronttrekkingsactiviteiten en in de bodem brengen van water Paragraaf 3.1 Onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam Artikel 3.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.2 Toestemmingsvrij 1 Het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien de wateronttrekking kleiner dan 250 kubieke meter per uur (m3/
  21. u)is. 2 Het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien de wateronttrekking groter dan of gelijk aan 250 kubieke meter per uur (m3/
  22. u)is en dit water in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam terug wordt gebracht. Artikel 3.3 Meldingsplicht Indien de onttrekking van water aan een oppervlaktewaterlichaam groter dan of gelijk aan 250 kubieke meter per uur (m3/
  23. u)is en dit water wordt niet in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam teruggebracht dan geldt een meldingsplicht. Artikel 3.4 Indieningsvereisten melding Ten minste vier weken voor het begin van het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekkenwater wordt gebruikt; b. een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit; c. de verwachte datum van het begin van de onttrekkingsactiviteit, de verwachte duur van de onttrekkingsactiviteit en bij een tijdelijke onttrekking de datum van het einde van de onttrekkingsactiviteit; d. de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder onttrekkingspunt; e. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur (m3/
  24. u)per onttrekkingspunt; en g. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3), die ten hoogste wordt onttrokken. Artikel 3.5 Vergunningplicht Voor het onttrekken van water uit een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht indien de wateronttrekking: a. plaatsvindt op de Waddeneilanden; b. plaatsvindt in een hoogwatercircuit of in een gebied met een peil hoger dan het boezempeil, tenzij het particuliere tuinberegening betreft; c. plaatsvindt in een gebied met een peil onder het boezempeil dat alleen voorzien wordt van water uit een gebied met een peil boven het boezempeil; d. leidt tot een zichtbare waterpeilverlaging; of e. niet voldoet aan artikel 3.2 tot en met artikel 3.4. Artikel 3.6 Indieningsvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekkenwater wordt gebruikt; b. een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit; c. de verwachte datum van het begin van de onttrekkingsactiviteit, de verwachte duur van de onttrekkingsactiviteit en bij een tijdelijke onttrekking de datum van het einde van de onttrekkingsactiviteit; d. de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder onttrekkingspunt; e. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur (m3/
  25. u)per onttrekkingspunt; en g. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3), die ten hoogste wordt onttrokken. Artikel 3.7 Verbod 1 In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of van het in het ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het dagelijks bestuur van het waterschap verbieden water te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam. 2 Zodra het dagelijks bestuur van het waterschap, gezien de situatie, handhaving van een verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking bekend. Paragraaf 3.2 Onttrekken van grondwater Artikel 3.8 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater en het onttrekken van grondwater inclusief retourbemaling. 2 Deze paragraaf is niet van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.9 Meetverplichting 1 Degene die grondwateronttrekt, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater met een nauwkeurigheid van ten minste 95 procent (%). 2 Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten. 3 Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens verstrekt over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokkengrondwater. 4 Indien grondwater wordt onttrokken ten behoeve van een brandblusvoorziening dan geldt een vrijstelling van de meet- en rapportageplicht. 5 Indien de onttrekking van grondwater plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit kleiner dan of gelijk aan 1 kubieke meter per uur (m3/
  26. u)is dan geldt een vrijstelling van de meet- en rapportageplicht. 6 Indien de onttrekking van grondwater plaatsvindt ten behoeve van veedrenking en plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit kleiner dan of gelijk aan 10 kubieke meter per uur (m3/
  27. u)is dan geldt een vrijstelling van de meet- en rapportageplicht. Artikel 3.10 Algemene regels 1 Indien grondwater wordt onttrokken: a. worden nadelige gevolgen van de onttrekking voorkomen. Indien de onttrekking nadelige gevolgen veroorzaakt, moet degene die grondwateronttrekt zo spoedig mogelijk maatregelen nemen om deze gevolgen te beperken. Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk de eerstvolgende werkdag geïnformeerd over de geconstateerde nadelige gevolgen en de te treffen of getroffen maatregelen. b. wordt voorkomen dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt bij het aanleggen en beheren van de voorziening(
  28. en)voor grondwateronttrekking; en c. wordt voorkomen dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt door na definitieve beëindiging van de onttrekking de voorziening(
  29. en)voor grondwateronttrekking te verwijderen, af te werken en af te dichten. 2 Indien grondwateronttrokken wordt ten behoeve van een bouwputbemaling, proefbronnering, sleufbemaling, grondsanering of sanering van een grondwaterverontreiniging: a. is de verlaging van de freatische grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket kleiner dan of gelijk aan 500 millimeter (
  30. mm)beneden het actuele ontgravingsniveau; b. dient een peilbuis of meetput toegepast te worden om de stijghoogte te bepalen indien spanningsbemaling wordt toegepast; en c. indien retourbemaling toegepast wordt: 1º. dient het grondwater terug gebracht te worden in het watervoerende pakket waar het grondwater uit afkomstig is; of 2º. mag het grondwater worden terug gebracht op de bodem indien de retourbemaling op de Waddeneilanden plaatsvindt. Artikel 3.11 Toestemmingsvrij Grondwater kan toestemmingsvrijonttrokken worden indien: a. de onttrekking plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit kleiner dan 1 kubieke meter per uur (m3/u); of b. de onttrekking plaatsvindt ten behoeve van een brandblusvoorziening. Artikel 3.12 Meldingsplicht 1 Indien grondwater wordt onttrokken ten behoeve van een bouwputbemaling, proefbronnering, sleufbemaling, grondsanering of grondwatersanering geldt een meldingsplicht indien: a. de onttrekking kleiner dan 50.000 kubieke meter per maand (m3/maand) is; en b. de onttrekkingsduur kleiner dan of gelijk aan 120 aaneengesloten dagen is. 2 Indien grondwater wordt onttrokken voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden en plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit kleiner dan of gelijk aan 60 kubieke meter per uur (m3/
  31. u)is, geldt een meldingsplicht. 3 Indien grondwater wordt onttrokken voor overige doeleinden dan geldt een meldingsplicht indien het onttrekken van grondwater: a. niet plaatsvindt op de Waddeneilanden en plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit kleiner dan of gelijk aan 10 kubieke meter per uur is (m3/u); of b. plaatsvindt op de Waddeneilanden en plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit kleiner dan of gelijk aan 5 kubieke meter per uur (m3/
  32. u)is. Artikel 3.13 Indieningsvereisten melding Ten minste vier weken voor het begin van het onttrekken van grondwater, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekkenwater wordt gebruikt; b. een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit c. de verwachte datum van het begin van de onttrekkingsactiviteit, de verwachte duur van de onttrekkingsactiviteit en bij een tijdelijke onttrekking de datum van het einde van de onttrekkingsactiviteit; d. het aantal in te richten putten; e. de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van iedere put; f. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken; g. de diepte in meter (
  33. m)van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; h. de lengte in meter (
  34. m)van het effectieve filter in iedere put; i. de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur (m3/
  35. u)per put; j. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3), die ten hoogste wordt onttrokken; en k. een beschrijving van de locatie waar het onttrokkenwater wordt geloosd. Artikel 3.14 Vergunningplicht 1 Indien grondwater wordt onttrokken ten behoeve van een bouwputbemaling, proefbronnering, sleufbemaling, grondsanering of grondwatersanering geldt een vergunningplicht indien: a. de onttrekking groter dan of gelijk aan 50.000 kubieke meter per maand (m3/maand) is; of b. de onttrekkingsduur is groter dan 120 aaneengesloten dagen. 2 Indien grondwater wordt onttrokken voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden en plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit groter dan 60 kubieke meter per uur (m3/
  36. u)is dan geldt een vergunningplicht. 3 Indien grondwater wordt onttrokken voor overige doeleinden dan geldt een vergunningplicht, indien het onttrekken van grondwater: a. niet plaatsvindt op de Waddeneilanden en plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit groter dan 10 kubieke meter per uur (m3/
  37. u)is; of b. plaatsvindt op de Waddeneilanden en plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit groter dan 5 kubieke meter per uur (m3/
  38. u)is. 4 Indien voorafgaand aan het onttrekken van grondwater niet voldaan kan worden aan artikel 3.10 tot en met artikel 3.13, geldt een vergunningplicht. Artikel 3.15 Indieningsvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekkengrondwater wordt gebruikt; b. een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit; c. de verwachte datum van het begin van de onttrekkingsactiviteit, de verwachte duur van de onttrekkingsactiviteit en bij een tijdelijke onttrekking de datum van het einde van de onttrekkingsactiviteit d. het aantal in te richten putten; e. de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van iedere put; f. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; g. de diepte in meter (
  39. m)van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; h. de lengte in meter (
  40. m)van het effectieve filter in iedere put; i. de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur (m3/
  41. u)per put; j. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3), die ten hoogste wordt onttrokken; en k. een beschrijving van de locatie waar het onttrokkenwater wordt geloosd. Artikel 3.16 Beoordelingsregel omgevingsvergunning Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.17 Verbod 1 In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of van het in het ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het dagelijks bestuur van het waterschap verbieden grondwater te onttrekken. 2 Zodra het dagelijks bestuur van het waterschap, gezien de situatie, handhaving van een verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking bekend. 3 Indien niet wordt voldaan aan artikel 3.9 tot en met artikel 3.13 geldt een verbod voor het onttrekken van grondwater, tenzij er een omgevingsvergunning verleend is. Paragraaf 3.3 In de bodem brengen van water Artikel 3.18 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf is van toepassing op het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater, met uitzondering van retourbemaling bij een grondwateronttrekking. 2 Deze paragraaf is niet van toepassing op het in de bodem brengen van water als bedoeld in artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.19 Meetverplichting 1 Degene die water in de bodem brengt, meet de in elk kwartaal in de bodem gebrachte hoeveelheid water met een nauwkeurigheid van ten minste 95 procent (%). 2 Voor het kortdurend of seizoensgebonden in de bodem brengen van water kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten. 3 Degene die water in de bodem brengt, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in tabel 3.1 opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie. Tabel 3.1 Parameters en meetfrequentie Parameter Afkorting Frequentie bacteriën van de coligroep vierwekelijks Kleur vierwekelijks zwevende stof SS vierwekelijks geleidingsvermogen voor elektriciteit vierwekelijks temperatuur T vierwekelijks zuurgraad pH vierwekelijks opgelost zuurstof O2 vierwekelijks totaal organisch koolstof TOC vierwekelijks bicarbonaat HCO3 vierwekelijks Nitriet NO2 vierwekelijks Nitraat NO3 vierwekelijks Ammonium NH4 vierwekelijks totaal fosfaat Totaal P vierwekelijks Fluoride F driemaandelijks Chloride Cl vierwekelijks Sulfaat SO4 driemaandelijks Natrium Na driemaandelijks IJzer Fe driemaandelijks Mangaan Mn driemaandelijks Chroom Cr driemaandelijks Lood Pb driemaandelijks Koper Cu driemaandelijks Zink Zn driemaandelijks Cadmium Ca driemaandelijks Arseen As driemaandelijks Cyanide CN driemaandelijks Minerale olie vierwekelijks Adsorbeerbaar organisch halogeen AOX vierwekelijks Vluchtig organisch gebonden chloor VOC vierwekelijks Vluchtige aromaten vierwekelijks Polycyclische aromaten PAK driemaandelijks Fenolen driemaandelijks 4 Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als het in de bodem brengen van water is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens verstrekt: a. de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden in de bodem gebrachte water; en b. de kwaliteit van het in de bodem gebrachte water. 5 De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling. Artikel 3.20 Vergunningplicht Voor het in de bodem brengen van water geldt een vergunningplicht. Artikel 3.21 Indieningsvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het water in de bodem wordt gebracht; b. een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit, de verwachte duur van de activiteit en bij het tijdelijk in de bodem brengen van water de datum van het einde van de activiteit; d. het aantal in te richten putten; e. de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van iedere plek waar water in de bodem wordt gebracht; f. de diepte in meter (
  42. m)van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; g. de lengte in meter (
  43. m)van het effectieve filter in iedere put; h. een beschrijving van de eventuele samenhang van het brengen van water in de bodem met een onttrekking; i. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand) en jaar (m3/jaar), die ten hoogste in de bodem wordt gebracht; j. de diepte in meter (
  44. m)waarop het water in de bodem wordt gebracht; en k. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht. Artikel 3.22 Beoordelingsregel omgevingsvergunning Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.23 Voorschriften omgevingsvergunning Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.24 Verbod 1 In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of van het in het ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het dagelijks bestuur van het waterschap verbieden water in de bodem te brengen. 2 Zodra het dagelijks bestuur van het waterschap, gezien de situatie, handhaving van een verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking bekend. Hoofdstuk 4 Beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk Paragraaf 4.1 Afval, materialen, stoffen en goederen Artikel 4.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het deponeren of opslaan van afval, materialen, stoffen en goederen in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk. Artikel 4.2 Toestemmingsvrij Het deponeren of opslaan van afval, materialen, stoffen en goederen is toestemmingsvrij indien dit gebeurt op een daarvoor ingerichte plaats: a. op een waterstaatswerk; of b. in een beschermingszone van een waterstaatswerk. Artikel 4.3 Vergunningplicht 1 Voor het deponeren of opslaan van afval, materialen, stoffen en goederen geldt een vergunningplicht indien niet voldaan wordt aan artikel 4.2. 2 Voor het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal geldt een vergunningplicht. Artikel 4.4 Indieningsvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het deponeren of opslaan van afval, materialen, stoffen en goederen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel van de activiteit; b. een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit; d. de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; e. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken. f. een omschrijving van het soort of type materialen, stoffen of goederen; en g. een constructietekening met daarin de volgende onderdelen: 1º. de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten; 2º. een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen; 3º. een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam; of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht; 4º. maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en 5º. onderbouwende berekeningen. Paragraaf 4.2 Beplanting en opgaande houtbeplanting Artikel 4.5 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen of verwijderen van beplanting en opgaande houtbeplanting in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk. Artikel 4.6 Algemene regels Indien riet of waterplanten worden verwijderd in een hoofdwater: a. worden rietstroken niet gemaaid of gehekkeld tenzij: 1º. het trajecten kleiner dan 5 meter (
  45. m)betreft; 2º. de onderlinge afstand tussen deze trajecten is groter dan of gelijk aan 500 meter buiten de bebouwde kom; of 3º. de onderlinge afstand tussen deze trajecten is groter dan of gelijk aan 100 meter binnen de bebouwde kom; b. wordt van 15 juni tot en met 14 augustus niet gehekkeld; c. worden waterplanten van 15 juni tot en met 14 augustus: 1º. kleiner dan of gelijk aan 2 keer onder water gemaaid; 2º. bij het maaien boven de waterbodem afgesneden of geknipt; en 3º. bij het maaien niet tegelijkertijd met bodemmateriaal verwijderd; d. kunnen waterplanten in de periode van 15 augustus tot en met 30 november 1 keer onder water gemaaid of gehekkeld worden; e. worden waterplanten alleen gemaaid in de middenstrook van het oppervlaktewaterlichaam waarbij: 1º. de breedte van de te maaien strook kleiner dan of gelijk aan 6 meter (
  46. m)is; 2º. de afstand van de te maaien strook tot het riet overal groter dan of gelijk aan 1 meter (
  47. m)is; en 3º. de afstand van de te maaien strook tot de oever zonder riet overal groter dan of gelijk aan 1 meter (
  48. m)is; f. wordt het maaisel of gehekkeld materiaal niet afgezet: 1º. op het schuine talud van de oever; of 2º. binnen de beschermingszone van een waterkering; g. mag maaisel tijdelijk op de kruin van de waterkering worden afgezet indien: 1º. dit een regionale waterkering is; of 2º. dit een lokale waterkering is; en 3º. het maaisel binnen 48 uur (
  49. u)wordt verwijderd; h. mag maaisel tijdelijk buiten het talud worden afgezet. Het maaisel moet dan minimaal 48 uur (
  50. u)blijven liggen en binnen 180 dagen worden verwijderd; en i. wordt bij het maaien en hekkelen de Gedragscode Wet natuurbescherming voor waterschappen gevolgd. Artikel 4.7 Toestemmingsvrij aanbrengen of verwijderen van beplanting en opgaande houtbeplanting Het aanbrengen of verwijderen van beplanting en opgaande houtbeplanting is toestemmingsvrij indien dit plaatsvindt in een particuliere tuin: a. in de beschermingszone van een primaire waterkering; b. in de buitenbeschermingszone van een primaire waterkering; c. in het profiel van vrije ruimte van een primaire waterkering; d. in de reserveringszone van een primaire waterkering; e. in de beschermingszone van een secundaire waterkering; of f. in de buitenbeschermingszone van een secundaire waterkering. Artikel 4.8 Toestemmingsvrij verwijderen van riet of waterplanten Het verwijderen van riet of waterplanten is toestemmingsvrij indien dit: a. plaatsvindt in een schouwwater; of b. plaatsvindt in een overig water. Artikel 4.9 Meldingsplicht Voor het verwijderen van riet of waterplanten geldt een meldingsplicht indien: a. dit plaatsvindt in een hoofdwater; en b. dit plaatsvindt van 15 juni tot en met 30 november. Artikel 4.10 Indieningsvereisten melding Ten minste vier weken voor het begin van het verwijderen van riet of waterplanten in een hoofdwater, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel van de activiteit; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit; c. de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en d. een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl. Artikel 4.11 Vergunningplicht voor het verwijderen van riet of waterplanten Voor het verwijderen van riet of waterplanten geldt een vergunningplicht indien: a. dit plaatsvindt in een hoofdwater; b. dit plaatsvindt van 1 december tot en met 14 juni; of c. er niet voldaan wordt aan artikel 4.6, artikel 4.8, artikel 4.9 en artikel 4.10. Artikel 4.12 Vergunningplicht aanbrengen of verwijderen beplanting of opgaande houtbeplanting Indien beplanting of opgaande houtbeplanting wordt aangebracht of verwijderd geldt een vergunningplicht, indien niet wordt voldaan aan artikel 4.7. Artikel 4.13 Indieningsvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanbrengen of verwijderen van beplanting en opgaande houtbeplanting en het verwijderen van riet of waterplanten, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel van de activiteit; b. een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit; d. de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; e. een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl; f. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en g. een omschrijving van de soort bomen of beplanting. Paragraaf 4.3 Boringen voor het exploreren of winnen van gas, vloei- of delfstoffen Artikel 4.14 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van boringen voor een bodemenergiesysteem of het exploreren of winnen van gas, vloei- of delfstoffen in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk. Artikel 4.15 Vergunningplicht Voor het verrichten van boringen voor een bodemenergiesysteem of het exploreren of winnen van gas of vloei- of delfstoffen geldt een vergunningplicht indien dit: a. plaatsvindt op of in een waterstaatswerk; of b. plaatsvindt in een beschermingszone van een waterstaatswerk. Artikel 4.16 Indieningsvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van boringen voor een bodemenergiesysteem of het exploreren of winnen van gas, vloei- of delfstoffen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel van de activiteit; b. een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit; c. dde verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit; d. het aantal in te richten putten; e. de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van iedere put; f. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; g. een werkplan met daarin het plan van aanpak voor de activiteiten; h. een boorplan met beschrijving van de boring indien de boring plaatsvindt in een waterkering of bijbehorende beschermingszone; i. een tekening met een dwarsdoorsnede van het werk ten opzichte van de waterkering met maatvoeringen; j. een tekening met een dwarsdoorsnede van de huidige situatie ten opzichte van de waterkering; en k. Berekeningen op basis van gegevens verkregen uit grondonderzoek conform normering TAW/ENW door een op dit vakgebied ter zake kundige. De berekeningen tonen ten minste aan dat: 1º. door de activiteiten de stabiliteit van de waterkering of kade niet afneemt; 2º. door de activiteiten de waterkering of kade niet zodanig waterdoorlatend wordt dat risico’s ontstaan in de vorm van piping en kwel; en 3º. door eventuele bemaling tijdens de activiteiten geen schade wordt veroorzaakt aan de (grondlagen in
  51. de)waterkering of kade en naastgelegen ondervelden. Paragraaf 4.4 Bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen Artikel 4.17 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf is van toepassing op: a. het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen: in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk; en b. het aanleggen en verwijderen van een brandblusvoorziening waarvoor grondwater wordt onttrokken. 2 Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het lozen van afvalwater bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken als bedoeld in paragraaf 2.8; b. het recreatief verblijven als bedoeld in paragraaf 4.16; c. het plaatsen, verplaatsen, verwijderen en behouden van een steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk als bedoeld in paragraaf 4.20; d. bruggen en viaducten als bedoeld in paragraaf 4.5. e. het aanleggen, verbreden of verwijderen van een dam zonder duiker als bedoeld in paragraaf 4.6; f. het aanleggen, verwijderen en wijzigen van een duiker of dam met duiker als bedoeld in paragraaf 4.7; g. het aanleggen en verwijderen van oeverbeschermende voorzieningen als bedoeld in paragraaf 4.15; en h. het aanleggen, vervangen en verwijderen van een uitstroomvoorziening als bedoeld in paragraaf 4.21. Artikel 4.18 Algemene regels 1 Werken en materialen die dienen ter verdediging van waterstaatswerken worden niet beschadigd, vernietigd of verwijderd. 2 Indien een brandblusvoorziening waarvoor grondwater wordt onttrokken wordt aangelegd of verwijderd: a. wordt bij het aanleggen en beheren van de voorziening(
  52. en)voor grondwateronttrekking voorkomen dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt; en b. worden de voorziening(
  53. en)voor grondwateronttrekking na definitieve beëindiging van de onttrekking zodanig verwijderd of afgewerkt, dat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt. Artikel 4.19 Toestemmingsvrij Het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen is toestemmingsvrij indien dit: a. niet plaatsvindt op of in een waterstaatswerk; of b. niet plaatsvindt in een beschermingszone van een waterstaatswerk. Artikel 4.20 Meldingsplicht Voor het aanleggen en verwijderen van een brandblusvoorziening waarvoor grondwater wordt onttrokken geldt een meldingsplicht indien: a. dit niet plaatsvindt in een waterkering; of b. dit niet plaatsvindt de beschermingszone van een waterkering. Artikel 4.21 Indieningsvereisten melding Ten minste vier weken voor het begin van het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel van de activiteit; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit; c. de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; d. een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl; en e. het object, voorzien van maatvoering en hoogtematen in meter (m). Artikel 4.22 Vergunningplicht Voor het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen geldt een vergunningplicht indien niet voldaan wordt aan artikel 4.18 tot en met artikel 4.21. Artikel 4.23 Indieningsvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel van de activiteit; b. een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit; d. de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; e. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; f. een werkplan met daarin het plan van aanpak voor de activiteiten op of in de waterkering of de beschermingszone van de waterkering; g. een constructietekening met daarin de volgende onderdelen: 1º. de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten; 2º. een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen; 3º. een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam; of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht; 4º. maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en 5º. onderbouwende berekeningen; h. een tekening met een dwarsdoorsnede van het werk ten opzichte van de waterkering met maatvoeringen; en i. een tekening met een dwarsdoorsnede van de huidige situatie ten opzichte van de waterkering. Paragraaf 4.5 Brug en viaduct Artikel 4.24 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen of verwijderen van een brug of viaduct in, op of over een waterstaatswerk of een beschermingszone van een waterstaatswerk. 2 Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen als bedoeld in paragraaf 4.4; en b. het plaatsen, verplaatsen, verwijderen en behouden van een steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk als bedoeld in paragraaf 4.20. Artikel 4.25 Algemene regels Indien een brug of viaduct wordt aangelegd of verwijderd: a. is bij het aanleggen van de brug of viaduct de afstand tussen de aan te leggen brug of viaduct en een ander kunstwerk groter of gelijk aan 10 meter; b. worden de taluds onder de brug of viaduct aan weerszijden tot 2 meter voorzien van een deugdelijke grondkering; c. wordt het watervoerend profiel niet versmald; d. wordt de waterdoorstroming van het water niet verminderd; e. wordt geen milieubezwaarlijk materiaal gebruikt; f. worden schade aan en verzakkingen van het talud voorkomen en indien deze zich voordoen direct hersteld; en g. wordt bij verwijdering van de brug of viaduct het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam gelijk aan het aansluitend profiel hersteld. Artikel 4.26 Toestemmingsvrij Het aanleggen of verwijderen van een brug of viaduct is toestemmingsvrij indien: a. bij het aanleggen van de brug of viaduct de pijlers niet in het water komen te staan; b. de brug of viaduct wordt aangelegd of verwijderd: 1º. in een overig water; of 2º. in een schouwwater; en c. de brug of viaduct niet wordt aangelegd of verwijderd: 1º. in een waterkering; 2º. in de beschermingszone van een waterkering; of 3º. in een vaarweg in het beheer van het waterschap. Artikel 4.27 Vergunningplicht Voor het aanleggen of verwijderen van een brug of viaduct geldt een vergunningplicht indien niet voldaan wordt aan artikel 4.25 en artikel 4.26. Artikel 4.28 Indieningsvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen of verwijderen van een brug of viaduct, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel van de activiteit; b. een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit; d. de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; e. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; f. een omschrijving van de afwerking of inrichting van de taluds onder de brughoofden; g. een constructietekening met daarin de volgende onderdelen: 1º. de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten; 2º. een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen; 3º. een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam; of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht; 4º. maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en 5º. onderbouwende berekeningen. h. de lengte van de brug of viaduct in meter (m); i. de breedte van de brug of viaduct in meter (m); j. de hoogte van de brug of viaduct ten opzichte van het waterpeil in meter (m); en k. de hoogte van de brug of viaduct ten opzicht van het maaiveld in meter (m). Paragraaf 4.6 Dam zonder duiker Artikel 4.29 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, verbreden of verwijderen van een dam zonder duiker niet zijnde een waterkering in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk. 2 Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen als bedoeld in paragraaf 4.4; en b. grond aanbrengen, grond toepassen, baggerspecie verspreiden en dempen als bedoeld in paragraaf 4.11. Artikel 4.30 Algemene regels Indien een dam zonder duiker wordt verbreed of verwijderd: a. heeft dit geen peilwijziging tot gevolg; b. is of wordt bij verbreding van de dam de breedte van de dam gemeten op de waterlijn langs de as van het oppervlaktewaterlichaam kleiner dan of gelijk aan 10 meter (m); c. worden bij verbreding van de dam aan weerszijden van de dam: 1º. taluds aangebracht in de verhouding kleiner dan of gelijk aan 1:1,5; of 2º. damleggers aangebracht; en d. wordt bij het verwijderen van de dam het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan het aansluitende profiel hersteld. Artikel 4.31 Toestemmingsvrij Het verbreden of verwijderen van een dam zonder duiker is toestemmingsvrij, indien: a. de dam de functie heeft van perceelsontsluiting; b. de te verwijderen dam geen onderhoudsdam van het waterschap betreft; en c. de dam ligt of komt te liggen: 1º. buiten het stedelijk gebied in een overig water; of 2º. buiten het stedelijk gebied in een schouwwater. Artikel 4.32 Vergunningplicht 1 Voor het aanleggen van een dam zonder duiker geldt een vergunningplicht. 2 Voor het verbreden of verwijderen van een dam zonder duiker geldt een vergunningplicht indien niet voldaan wordt aan artikel 4.30 en artikel 4.31. Artikel 4.33 Indieningsvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen of verwijderen van een dam zonder duiker, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel van de activiteit; b. een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit; d. de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; e. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; f. een omschrijving van de afwerking of inrichting van de taluds; g. een constructietekening met daarin de volgende onderdelen: 1º. de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten; 2º. een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen; 3º. een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam; of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht; 4º. maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.