← Nederland

Beleidsregel nautisch beheer en vaarwegbeheer Fryslân 2024 (Fryslân)

In het kort

Deze beleidsregel van Gedeputeerde Staten van Fryslân regelt het nautisch beheer en vaarwegbeheer op provinciale vaarwegen en meren in Fryslân. Het document geeft invulling aan de belangen voor de bescherming van vaarwegen, de veiligheid van het scheepvaartverkeer en de bescherming van landschappelijke, archeologische, ecologische, natuurwetenschappelijke, recreatieve en toeristische waarden.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregel nautisch beheer en vaarwegbeheer Fryslân 2024Besluit van gedeputeerde staten van Fryslân van 15-10-2024, tot vaststelling van de Beleidsregel nautisch beheer en vaarwegbeheer Fryslân 2024. Gedeputeerde staten van Fryslân, Gelet op: de Omgevingswet en de Omgevingsverordening Fryslân 2022; de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement en de Nautische Verordening Fryslân 2023; artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Overwegende dat: binnen het beperkingengebied ‘provinciale vaarwegen en meren’ activiteiten van derden plaatsvinden, zoals het aanleggen of wijzigen van voorzieningen, plaatsen van aanduidingen, het houden van evenementen, werkzaamheden en dergelijke; de toelaatbaarheid van die activiteiten afhankelijk is van de functie, inrichting en gebruik van een vaarweg en meer; het wenselijk is in aanvulling op de bepalingen ter bescherming van de in de artikel 7.23 van de Omgevingsverordening Fryslân genoemde oogmerken, alsmede de belangen die de Scheepvaartverkeerswet en de Nautische Verordening Fryslân 2023 beogen te beschermen, een beleidsregel vast te stellen voor de beoordeling van aanvragen; de huidige Nota “Beheerbeleid voor provinciale vaarwegen” uit 2003 sterk verouderd is en met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer bruikbaar is; de “Beleidsnotitie borden”, gepubliceerd in het Provinciaalblad 2803 van 17 april 2018 kan vervallen, omdat de inhoud is geactualiseerd en geïntegreerd wordt in deze beleidsregel. Besluiten vast te stellen de navolgende Beleidsregel nautisch beheer en vaarwegbeheer Fryslân 2024: Inhoudsopgave: Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel: 1.1 Toepassingsbereik; 1.2 Begripsomschrijvingen; 1.3 Oogmerk; 1.4 Aanvraagvereisten. Hoofdstuk 2 Vaarweg beheer Artikel: 2.1 Klasse-indelingen vaarwegen; 2.2 Wijzigen van het profiel van de vaarweg; 2.3 Aanleg- en afmeervoorzieningen langs beroepsvaartvaarwegen; 2.4 Aanleg- en afmeervoorzieningen langs recreatieve vaarwegen en meren; 2.5 Insteekhavens; 2.6 Gemalen; 2.7 Overige voorzieningen ten behoeve van de beroepsvaart; 2.8 Overige voorzieningen ten behoeve van de recreatievaart; 2.9 Voorzieningen voor (veer)pont of overzet; 2.10 Trailerhelling; 2.11 Golfbrekers en strekdammen; 2.12 Reddingtrappen; 2.13 Fauna-uitstapplaats; 2.14 Zonneparken; 2.15 Kranen en andere constructies; 2.16 Bruggen; 2.17 Sluizen; 2.18 Aquaducten; 2.19 Vaarwegaansluitingen; 2.20 Constructies en voorzieningen in en op de oever; 2.21 Het aanleggen van voorzieningen voor de beroepsvisser; 2.22 Plaatsen van verkeersborden en overige aanduidingen; 2.23 Plaatsen of aanbrengen van vlaggen en spandoeken; 2.24 Plaatsen van gedenktekens; 2.25 Plaatsen van stoffen of voorwerpen; 2.26 Normen voor beplanting langs provinciale vaarwegen; 2.27 Vaarwegoverdracht. Hoofdstuk 3 Nautisch beheer Artikel: 3.1 Klasse-indelingen vaarwegen; 3.2 Onttrekken vaarweg aan het openbaar verkeer; 3.3 Bedieningstijden van beweegbare bruggen en sluizen; 3.4 Het beperken van het gebruik van een vaarweg; 3.5 Afwijken van toelaatbare scheepsafmetingen (Overmaatse schepen); 3.6 Bijzonder transport (BPR artikel 1.21); 3.7 Vaarverbod en vaarbeperking; 3.8 Vaarsnelheden, snelvaargebieden, flyboarden; 3.9 Verlagen leeftijd voor het besturen van snelle motorboot in wedstrijdverband; 3.10 Stremmen vaarweg bij evenementen en andere gebeurtenissen; 3.11 Veerponten en andere overzetdiensten met een vaartuig; 3.12 Ligplaatsnemen (meren of ankeren) en gebruik spudpalen; 3.13 Informatieplicht; 3.14 Experimenten vergaand geautomatiseerd varen; 3.15 Optische tekens van schepen; 3.16 Gebruik marifoon en radar; 3.17 Recht op voorschutting; 3.18 Mistseinen van stilliggende schepen bij slecht zicht; 3.19 Uitzondering op radar varende niet-vrijvarende veerponten; 3.20 Bevoegdheden bevoegde autoriteit BPR omtrent ligplaatsnemen; 3.21 Bewaking en toezicht stilliggende schepen; 3.22 Watersport zonder schip; 3.23 Brandstof innemen bij brug op sluis; 3.24 Varen met duwstellen waarbij aan de kop een zeeschipbak is geplaatst. Hoofdstuk 4Wrakken en verweesde boten Artikel: 4.1 Reikwijdte Wrakkenwet; 4.2 Bevoegdheden beheerders/ derden; 4.3 Inzetbaarheid van de Wrakkenwet; 4.4 Bekostiging; 4.5 Verweesde boot. Hoofdstuk 5 Slotbepalingen Artikel: 5.1 Intrekking; 5.2 Inwerkingtreding en citeertitel. Bijlagen: Bijlage 1 Afbeelding trailerhelling Bijlage 2 Radio en visuele hinder door zonneparken naast vaarwegen Bijlage 3 Normen Recreatieve Klassen Bijlage 4 Beslisboom toedeling oeverbeheer Bijlage 5 Tabel ontheffingsmogelijkheden overmaatse schepen Bijlage 6 Leidraad slecht zicht en mist voor binnenschepen en baggermaterieel Bijlage 7 Leidraad Kleine Veerponten Bijlage 8 Richtlijn scheepvaartberichtgeving Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Toepassingsbereik Dit beleidsdocument is van toepassing op provinciale vaarwegen en de hierbij horende beheerzones (beheerzone en vaarweg vormen het beperkingengebied vaarwegen) en de meren, zoals aangewezen in de Omgevingsverordening Fryslân 2022 Afdeling 7.4 Vaarwegen (inclusief bijlagen 7.2, 7.3 en 7.4). De toedeling van de bevoegdheid tot vaarwegbeheer op vaarwegen, zoals opgenomen in Bijlage 7.2, Omgevingsverordening Fryslân, is als volgt: Lijst A: vaarwegen waarbij het vaarwegbeheer is toebedeeld aan de provincie Fryslân; Lijst B: vaarwegen waarbij het vaarwegbeheer is toebedeeld aan overige openbare lichamen; Lijst C: vaarwegen waarbij het vaarwegbeheer is toebedeeld aan Wetterskip Fryslân; Lijst D: de meren waarbij het beheer van die meren is toebedeeld aan de provincie Fryslân. Het nautisch beheer volgt uit artikel 2 van de Scheepvaartverkeerswet. De Scheepvaartverkeerswet geeft namelijk aan, dat het nautisch beheer aansluit bij het vaarwegbeheer. Voor vaarwegen in beheer bij een waterschap beslist Gedeputeerde staten waar het nautisch beheer komt te liggen. In de Nautische Verordening Fryslân 2023 is het nautisch beheer van vaarwegen in beheer bij het Wetterskip (Lijst C) toegewezen aan de provincie, zodat voor de vaarwegklassen Azm tot en met F* het nautisch beheer in de provincie bij één beheerder is belegd. Artikel1.2Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: Aan- en afmeervoorziening: een voorziening die kan bestaan uit laad- en loskades, steigers, palen, bolders en ringen in de oever c.a. ten behoeve van het innemen van een ligplaats; Beheerzone: zones parallel gelegen aan de weerszijden van het vaarwegprofiel, welke zones ook onder de vergunningplicht van de Omgevingsverordening vallen. De vaarweg, inclusief deze zones, vormt het beperkingengebied vaarwegen; Beperkingengebied: het bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object; BRTN: Beleidsvisie Recreatie Toervaart in Nederland, waarin de recreatieve vaarwegen zijn ingedeeld in klassen met daarbij horende normen voor de bevaarbaarheid voor vaartuigen ten aanzien van diepgang en hoogte; CEMT: Conférence Européenne des Ministres de Transport: bevat indeling van binnenvaartschepen in een aantal standaardtypen. De klasse waartoe een vaarweg behoort, is afhankelijk van het grootste standaardschip dat die vaarweg kan bevaren; Duwstel: een duwstel als bedoeld in artikel 1.01, onderdeel B, sub 1b, Binnenvaartpolitiereglement: hecht samenstel van een of meer duwboten en een of meer andersoortige schepen, waarvan er tenminste één is geplaatst voor een der duwboten; Evenement: een evenement als bedoeld in artikel 1.23 van het Binnenvaartpolitiereglement; Inkassing: een met vergunning of toestemming van de provincie aangelegde haven waarin parallel aan de vaarweg kan worden aangemeerd buiten de oorspronkelijke oeverlijn. Een inkassing maakt geen onderdeel uit van de vaarweg; Zie bijlage 7.3 van de Omgevingsverordening Fryslân 2022 omtrent beschrijving vaarwegklassen Azm tot en met F. Insteekhaven: een met vergunning of toestemming van de provincie aangelegde haven waarin dwars op de vaarweg kan worden aangemeerd buiten de oorspronkelijke oeverlijn. Een insteekhaven maakt geen onderdeel uit van de vaarweg; KRW: Kaderrichtlijn Water. Het doel van de KRW is een goede ecologische en chemische toestand van alle grond- en oppervlaktewateren in de EU; Ligplaats: voorziening om een vaartuig aan vast te leggen, zoals steigers, meerpalen en bolders; Ligplaats innemen: het afmeren of ankeren en laten liggen van een vaartuig met uitzondering van het in verband met het doorvaren van bruggen en sluizen noodzakelijke afmeren; Meer: binnen de provincie Fryslân gelegen water dat openstaat voor het openbare scheepvaartverkeer, exclusief de vaargeulen die opgenomen zijn op Lijst A en C; Nautisch beheer: overheidszorg gericht op het geheel aan verkeersmaatregelen en -voorzieningen die een vlotte en veilige afwikkeling van het scheepvaartverkeer moeten waarborgen; Particuliere oever: grond die niet openbaar toegankelijk is en in eigendom toebehoort aan een eigenaar anders dan een overheidsinstantie; Profiel: kenmerken waaraan een vaarweg moet voldoen bestaande uit het samenstel aan normen; Richtlijnen Vaarwegen: de door Rijkswaterstaat landelijk vastgestelde richtlijnen die regels bevat over gebruik en inrichting van vaarwegen; RMP: Regionaal Mobiliteitsprogramma Fryslân, waarin het beleid voor verkeer en vervoer is uitgewerkt, met als basis de provinciale Omgevingsvisie; Schip: een schip als bedoeld in artikel 1.01, onderdeel A, sub 1, Binnenvaartpolitiereglement: elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water; Steiger: een bouwsel in of langs een vaarweg dat dient als aanlegplaats voor schepen; Trailerhelling: (ook wel slipway genoemd) een helling aan het water waarmee schepen en boten in en uit het water kunnen worden gelaten; Vaargeul: dat deel van de vaarweg dat door een meer loopt en is opgenomen op de lijst A of C. In de meeste gevallen zal de vaargeul gemarkeerd zijn met boeien; Vaartuig: naast het begrip in de gebruikelijke zin van het woord (boot, schip, schuit), een vaartuig zonder waterverplaatsing, een drijvend casco en vaartuig in aanbouw en een vaartuig dat de geschiktheid tot varen of drijven heeft verloren; Vaarweg: elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder d van de Scheepvaartverkeerswet; Vaarwegbeheer: overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van het profiel van een vaarweg, behoudens het beheer van de sluizen en de bruggen; Vaarwegbeheerder: bevoegd bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast; Vaarweggebonden activiteit: een activiteit die ter uitoefening van een beroep of bedrijf op of aan het water plaatsvindt, alsook activiteiten met een maatschappelijk belang die door een vereniging of stichting worden uitgeoefend ten behoeve van recreatievaartuigen; Waterstaatswerk: een in een scheepvaartweg gelegen brug, sluis, stuw, aquaduct of ander civiel kunstwerk, inclusief bedieningsruimten, geleide werken en brug- en sluishoofden; Woonboot: (Nautisch beheer) een drijvende inrichting bedoeld in artikel 1.01 lid D sub 2 van het BPR; Wrak: een wrak is een vaartuig of voorwerp dat gestrand, gezonken, de grond raakt of vastgeraakt is in een waterkering of waterstaatswerk zoals bedoeld is in artikel 1 lid 1 van de Wrakkenwet. Artikel1.3Oogmerk Deze beleidsregel beoogt een nadere invulling te geven aan de in de Afdeling 7.4 van de Omgevingsverordening Fryslân 2022 en aan de in de Nautische verordening Fryslân 2023 genoemde belangen voor het beschermen van vaarwegen, ten behoeve van: de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen en de bijbehorende werken; de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarwegen; de bescherming van de landschappelijke, archeologische, ecologische of andere natuurwetenschappelijke waarden van het gebied waarin een vaarweg is gelegen; het beschermen van recreatieve en toeristische belangen. Artikel1.4Aanvraagvereisten In de Omgevingsregeling wordt in de artikelen 7.2 tot en met 7.3 bepaald wat de aanvraagvereisten zijn. Opsomming: Artikel 7.2. (toepassingsbereik) Deze afdeling is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 van de wet en, voor zover het gaat om de artikelen 7.3 en 7.4, ook op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4 van de wet. Artikel 7.3. (algemene aanvraagvereisten) Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een beschrijving van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd; het telefoonnummer van de aanvrager; het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde; als wordt gevraagd een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden over regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 van de wet: een beschrijving van het onderwerp van dat voorschrift; als wordt gevraagd om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen: gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Artikel 7.4. (participatie) Bij de aanvraag wordt aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken. Als burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag gegevens over hoe zij zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarnaast is het mogelijk om aanvullende vereisten in de omgevingsverordening op te nemen en dat is ook gedaan. Zie artikel 7.2 van Omgevingsverordening Fryslân. Opsomming: Artikel 7.2 Specifieke aanvraagvereisten In aanvulling op de algemene aanvraagvereisten van artikel 7.2 van de Omgevingsregeling, worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: de hectometrering en het wegnummer van de locatie waar de activiteit plaats gaat vinden; de kilometrering of plaatsbepaling van de locatie en naam van de vaarweg op de locatie waar de activiteit plaats gaat vinden; de beoogde datum en het tijdstip waarop met de activiteit wordt begonnen; de duur van de activiteit; situatieschets van de plaats van de activiteit; indien van toepassing, constructietekeningen van het werk met vooraanzicht, zijaanzichten en bovenaanzicht; een kaart van het tracé voor zover het betreft de aanleg van kabels en leidingen, waarbij voor de wegen, vaarwegen, beheerzones van vaarwegen en de meren ook een boorprofiel met x, y, z-coördinaten nodig is; alle overige informatie die voor de beoordeling van de aanvraag van belang is. Onder overige informatie die moet worden aangeleverd wordt ook verstaan toestemming van de eigenaar van het perceel of water om een activiteit te verrichten. Provincie Fryslân voert altijd een check uit op eigendom via de kadastrale gegevens. Als de toestemming van een eigenaar niet schriftelijk kan worden aangetoond, dan wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. De aanvrager kan de activiteit immers nimmer uitvoeren als deze vergund wordt. Daarmee is de aanvrager geen belanghebbende meer bij de aanvraag. De volgende situaties kunnen zich voordoen: De aanvrager is eigenaar of heeft een zakelijk recht; De aanvrager is geen eigenaar, maar gemachtigde waarbij de aanvrager deze machtiging dient mee te sturen met de aanvraag; De aanvrager is geen eigenaar van het water en/of de oever. Aanvrager moet schriftelijke de toestemming van de eigenaar of eigenaren aan te tonen; Het eigendom van de grond en/of water is van provincie Fryslân. In het laatste geval wordt een aanvraag door de provincie eerst bekeken als een verzoek om toestemming om provinciaal eigendom te mogen gebruiken. Indien de provincie daar ter plaatse in principe geen bezwaar heeft tegen het gebruik van de provinciale grond of water, dan wordt over gegaan tot het behandelen van de aanvraag voor een vergunning. Indien de vergunning kan worden verleend, dan dient de aanvrager een huurovereenkomst met de provincie af te sluiten. Gebruik van provinciale water en/of grond kan op basis van de Wet markt en overheid niet gratis. Indien provincie Fryslân een belang heeft als eigenaar om het gebruik van provinciale grond en/of water ter plaatste niet toe te staan, dan wordt er geen toestemming verleend voor het beoogde gebruik. De aanvraag wordt dan buiten behandeling gelaten. Als er namelijk geen toestemming is van de eigenaar/ zakelijk gerechtigde, dan is volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de aanvrager geen belanghebbende en dan is er juridische gezien dus ook geen sprake van een aanvraag. Hoofdstuk2Vaarweg beheer Artikel2.1Klasse-indelingen vaarwegen De in artikel 7.20 lid 1 van de vigerende Omgevingsverordening Fryslân 2022 genoemde algemene klasse-indeling van de vaarwegen met algemene normen per klasse voor het vaarwegbeheer conform de vigerende Richtlijnen vaarwegen, vindt toepassing bij de toetsing van een aanvraag om vergunning die valt onder dit hoofdstuk. Artikel2.2Wijzigen van het profiel van de vaarweg 1.Een aanvraag voor een werk in, boven, langs of onder de vaarweg, wordt getoetst aan het per vaarweg vastgestelde vaarwegprofiel, dat is opgenomen in bijlagen 7.2 en 7.3 van de Omgevingsverordening Fryslân. 2.Bij de in lid 1 genoemde toetsing zal in acht worden genomen dat: een werk niet leidt tot aantasting van het vaarwegprofiel; een werk geen belemmering zal vormen voor het realiseren van het vastgestelde vaarwegprofiel, op locaties waar de vaarweg nog niet voldoet aan dit profiel. 3.Gedeputeerde Staten kunnen besluiten van lid 2 af te wijken bij specifieke omstandigheden, waarbij wordt getoetst aan: de uitgangspunten omtrent vaarwegprofielen in de vigerende Richtlijnen Vaarwegen en de recreatieve profielen genoemd in bijlage 7.3 van de Omgevingsverordening Fryslân; de aanwezigheid van een instemmingbesluit van het waterschap dat ter plaatse verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het doorstroomprofiel; de ingediende motivering van de aanvrager over de noodzaak tot afwijken van het vastgestelde vaarwegprofiel. Artikel2.3Aanleg- en afmeervoorzieningen langs CEMT-vaarwegen 1.Het algemene toetsingskader voor het beoordelen van een aanvraag voor aanleg- en afmeervoorzieningen, waaronder laad- en loskades, is hoofdstuk 3.10 “langshavens en loswallen” van de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. 2.Met inachtneming van het bepaalde in lid 1, wordt een aanvraag voor het aanleggen van een aanleg- of afmeervoorziening getoetst aan: de verkeersintensiteit en de samenstelling van het scheepvaartverkeer en de hiermee samenhangende invloed van de aanleg- en afmeervoorziening of haven op de doorstromingskwaliteit en verkeersveiligheid voor de vaarweggebruiker; het kanaaltracé, vaarwegprofiel en de aanwezigheid van zichtbeperkingen of kunstwerken en weginfrastructuur; de beschikbare ruimte in relatie tot het maatgevend schip voor de betreffende vaarwegklasse, die bepalend is voor de maximale maatvoering van het af te meren vaartuig; Artikel2.4Aanleg- en afmeervoorzieningen langs recreatieve vaarwegen en meren 1.Een aanvraag voor het aanleggen van langsliggende steigers bij de recreatieve vaarwegen wordt getoetst aan: het vaarwegprofiel en de ter plaatse beschikbare ruimte, waarbij ook wordt bepaald tot welke breedte er maximaal mag worden afgemeerd; de verkeersintensiteit op de vaarweg, waarbij wordt bepaald of er voldoende ruimte overblijft voor een goede doorstroming op de vaarweg; het vaarwegprofiel dat gehandhaafd dient te blijven; zichtbaarheid, waarbij voorwaarden kunnen worden gegeven voor het wit of geel schilderen van eventueel aanwezige paalkoppen. 2.Bij de aanleg van steigers worden de volgende minimale afstanden in acht genomen ten opzichte van in de vaarweg aanwezige waterstaatswerken: sluis in Azm/ Bzm/ Czm en Cm-vaarweg: 100 meter; sluis in Dm/ E en F: 25 meter; beweegbare bruggen in Azm/ Bzm/ Czm en Cm-vaarweg: 50 meter; beweegbare bruggen in Dm/ E en F-vaarweg: 25 meter; vaste bruggen Cm/ Dm-vaarweg: 25 meter; vaste bruggen E en F-vaarweg: 15 meter; aquaduct of ander waterstaatswerk: 50 meter. 3.Een aanvraag voor het aanleggen van haaks op de oever geplaatste steigers wordt getoetst aan: de breedte van de vaarweg waarbij de beschikbare ruimte zodanig is dat de steiger buiten het vaarwegprofiel blijft; de uitvoering, waarbij de steiger niet uitnodigt tot het aan de kopse kant afmeren; de zichtbaarheid, waarbij voorwaarden kunnen worden gegeven voor het wit of geel schilderen van eventueel aanwezige paalkoppen of het aanbrengen van contourverlichting. 4.Een aanvraag voor het aanleggen van een steiger in meren wordt getoetst aan: het in achtnemen van voldoende afstand van tenminste 50 meter tot de vaargeul; de mate van invloed op andere recreatieve gebruiksfuncties van het meer; de zichtbaarheid, waarbij voorwaarden kunnen worden gegeven voor het wit of geel schilderen van eventueel aanwezige paalkoppen of het aanbrengen van contourverlichting. 5.Een aanvraag voor het aanleggen van een drijvende steiger wordt getoetst aan de mogelijkheden om de steiger te verankeren, zodanig dat er geen kans is op hinder voor het vaarweggebruik en ter voorkoming van schade aan de vaarweg of een eigendom van derden. 6.Een aanvraag voor het aanbrengen van palen in de vaarweg ten behoeve van het afmeren, wordt getoetst aan: de beschikbare ruimte, waarbij het beschikbare vaarwegprofiel vrijgehouden dient te worden; reeds aanwezige palen, waarbij de aan te leggen paal of palen, zoveel mogelijk in één lijn hiermee worden geplaatst; de zichtbaarheid, waarbij voorwaarden kunnen worden gegeven voor het wit of geel schilderen van eventueel aanwezige paalkoppen of het aanbrengen van contourverlichting. Artikel2.5Insteekhavens 1.Het algemene toetsingskader voor het beoordelen van aanvragen betreffende havens is hoofdstuk 6 “Binnenhavens” van de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. 2.Met inachtneming van het bepaalde in lid 1, wordt een aanvraag voor het aanleggen van een haven in of aan een meer, getoetst aan: de bereikbaarheid en toegankelijkheid van een vaargeul in het meer; de vaarwegklasse van de vaargeul; de verkeersveiligheid of andere nautische- of verkeerstechnische belangen; overige gebruiksfuncties van het meer voor recreatie en natuur. 3.Met inachtneming van het bepaalde in lid 1, wordt een aanvraag voor een insteekhaven, kleine bedrijfshaven of jachthaven langs een CEMT-vaarweg getoetst aan: de verkeersintensiteit en de samenstelling van het scheepvaartverkeer en de hiermee samenhangende invloed van een haven op de doorstromingskwaliteit en verkeersveiligheid voor de vaarweggebruiker; het kanaaltracé, vaarwegprofiel en de aanwezigheid van zichtbeperkingen of kunstwerken; de kans op overlast en schade door waterbeweging door het gebruik van een vaarweg voor een haven. Bij de volgende vaarwegen: A 002 Van Harinxmakanaal, A 003 Vaarweg naar Drachten, A 004 Johan Frisokanaal en A 008 Vaarweg naar Heerenveen, wordt dringend geadviseerd om een afsluitconstructie aan te brengen; de beheerzone en de bestaande bebouwing. Als de haven wordt gecombineerd met de bouw van een boothuis of scheepsdok, is het uitgangspunt dat het boothuis of scheepsdok buiten de beheerzone wordt gerealiseerd. 4.Met inachtneming van het bepaalde in lid 1, wordt een insteekhaven, kleine bedrijfshaven of jachthaven langs een recreatieve vaarweg getoetst aan: de verkeersintensiteit, de samenstelling van het scheepvaartverkeer en de hiermee samenhangende invloed van een haven op de doorstromingskwaliteit en verkeersveiligheid voor de vaarweggebruiker; het kanaaltracé, vaarwegprofiel en de aanwezigheid van zichtbeperkingen of kunstwerken; aanvullende fysieke maatregelen als het vaarwegprofiel niet voldoet; de beheerzone, lengteprofiel binnenbocht en de bestaande bebouwing. Als de haven wordt gecombineerd met de bouw van een boothuis, moet het boothuis bij een binnenbocht buiten de beheerzone worden gerealiseerd. Artikel2.6Gemalen Het algemene toetsingskader voor het beoordelen van aanvragen voor de aanleg van gemalen is paragraaf 3.3.5 “Dwarsstroming” van de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. Artikel2.7Overige voorzieningen ten behoeve van de beroepsvaart Het algemene toetsingskader voor het beoordelen van aanvragen voor de aanleg van overige voorzieningen ten behoeve van de beroepsvaart zijn de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. Meerpalen of meerstoelen, zie paragraaf 4.9.4; Spudpaal-locaties, zie paragraaf 6.5.6; Autosteigers, zie hoofdstuk 6.6.6; Laad- en losplaatsen gevaarlijke stoffen, zie paragraaf 3.10.2 en hoofdstuk 6; Zwaaigelegenheden, zie paragraaf 3.9. Artikel2.8Overige voorzieningen ten behoeve van de recreatievaart 1.Het algemene toetsingskader voor het beoordelen van aanvragen voor de aanleg van overige voorzieningen ten behoeve van de recreatievaart zijn de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. 2.Tuigsteiger: Een aanvraag voor het realiseren van een tuigsteiger wordt getoetst aan: de beschikbare ruimte, waarbij het vaarwegprofiel vrijgehouden dient te worden; de verkeersveiligheid of andere nautische- of verkeerstechnische belangen; de zichtbaarheid, waarbij voorwaarden kunnen worden gegeven voor het wit of geel schilderen van eventueel aanwezige paalkoppen; in de meren – de overige gebruiksfuncties voor recreatie en natuur. 3.Afmeerboei: Een aanvraag voor het aanbrengen van een afmeerboei wordt getoetst aan: de beschikbare ruimte, waarbij het vaarwegprofiel vrijgehouden dient te worden; de verkeersveiligheid of andere nautische- of verkeerstechnische belangen; de kleurvoering conform de vigerende Richtlijnen Scheepvaarttekens wordt uitgevoerd; de wijze waarop de afmeerboei verankerd is; in de meren – de overige gebruiksfuncties voor recreatie en natuur. Artikel2.9Voorzieningen voor (veer)pont of overzet 1.Het algemene toetsingskader voor het beoordelen van een aanvraag voor voorzieningen voor een (veer)pont of overzet zijn de artikelen 2.3 en 2.4 van deze beleidsregel. 2.Met inachtneming van het bepaalde in lid 1, wordt een aanvraag voor voorzieningen voor een (veer)pont of overzet langs een CEMT-vaarweg ook getoetst aan de voorwaarden dat: afmeervoorzieningen ten behoeve van de (veer)pont of overzet zijn ingekast; de gemeerde (veer)pont of overzet volledig binnen de inkassingen ligt; de overige voorzieningen ten behoeve van het afmeren zoals afmeerpalen en steigers niet in het vaarwegprofiel staan. 3.Met inachtneming van het bepaalde in lid 1, wordt een aanvraag voor voorzieningen voor een (veer)pont of overzet langs een recreatieve vaarweg ook getoetst aan de voorwaarde dat: de afmeervoorzieningen van de (veer)pont of overzet niet binnen het vaarwegprofiel liggen; de gemeerde (veer)pont of overzet niet in het vaarwegprofiel ligt; de kabel of ketting van een kabelpont in rusttoestand altijd op de bodem van de vaarweg ligt. Deze kabel of ketting mag geen obstakel vormen voor het scheepvaartverkeer. Artikel2.10Trailerhelling 1.Het toetsingskader voor het beoordelen van aanvragen voor een trailerhelling langs recreatieve vaarwegen is artikel 2.4. lid 1 tot en met 4 van deze beleidsregel, waarbij het uitgangspunt is dat een trailerhelling niet binnen het vaarwegprofiel wordt gerealiseerd. 2.Bij het beoordelen van een aanvraag voor een trailerhelling langs CEMT- vaarwegen, wordt een trailerhelling: alleen toegestaan als de trailerhelling is gesitueerd in een insteekhaven binnen het beperkingengebied waarbij de trailerhelling niet gelegen is tegenover de in- en uitvaart van de insteekhaven; niet toegestaan binnen het beperkingengebied met uitzondering van een trailerhelling gebruikt door hulpdiensten. Artikel2.11Golfbrekers en strekdammen 1.Het algemene toetsingskader voor het beoordelen van een aanvraag voor de aanleg van een golfbreker en een strekdam zijn de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. 2.Met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid, wordt een aanvraag voor een golfbreker of en strekdam getoetst aan: de beschikbare ruimte, waarbij het vaarwegprofiel vrijgehouden dient te worden; de verkeersveiligheid of andere nautische- of verkeerstechnische belangen; overige gebruiksfuncties van het meer voor recreatie en natuur; de ligging van de golfbreker of strekdam, waarbij deze tenminste 50 cm boven het streefpeil zal moeten liggen; de ligging van de golfbreker of strekdam, waarbij deze op een meer tenminste 50 meter vanaf een vaargeul wordt gerealiseerd; het plaatsen van een walbaken ter markering van het (

  1. de)uiteinde(
  2. n)van de golfbreker of strekdam. Artikel2.12Reddingtrappen Het algemene toetsingskader voor het beoordelen van een aanvraag voor het aanbrengen van een reddingtrap zijn de paragrafen 6.5.4 “Kaden” en 4.9.5 “Remmingwerk recreatievaart” van de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. Artikel2.13Fauna-uitstapplaats Het algemene toetsingskader voor het beoordelen van een aanvraag voor een Fauna-uitstapplaats is de paragraaf 3.5.12 “Fauna-uitstapplaats” van de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. Artikel2.14Zonneparken Het algemene toetsingskader voor het beoordelen van een aanvraag voor de aanleg van zonneparken langs CEMT-vaarwegen is het TNO-rapport met kenmerk “TNO 2022 R10113 Radio en visuele hinder door zonneparken naast vaarwegen”. Daar waar structurele hinder ontstaat door zonnepanelen op individuele percelen, geldt de algemene of specifiek zorgplicht uit hoofdstuk 7.4 Omgevingsverordening. Artikel2.15Kranen en andere constructies Het algemene toetsingskader voor het beoordelen van een aanvraag voor een kraan en andere constructies in of naast de vaarweg, is de paragraaf 3.12.3 “Vrije ruimte” van de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. Artikel2.16Bruggen 1.Het algemene toetsingskader voor het beoordelen van een aanvraag voor de aanleg van een brug is hoofdstuk 5 “Bruggen” van de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. 2.Afwegingskader voor bruggen in relatie tot wegen en spoorlijnen is: Recreatieklasse Weg- of spoorklasse Azm Bzm Czm Cm Dm E en F Stroomwegen Nationaal Aquaduct Aquaduct Vaste brug ≥ 12,5 m mits op korte afstand een alternatief Aquaduct Vaste brug ≥ 12,5 m mits op korte afstand een alternatief Zie normering bijlage 7.3 Ov. (bijlage 3) Regionaal Beweegbare brug Beweegbare brug Beweegbare brug Gebiedsontsluitingswegen Regionaal Beweegbare brug Beweegbare brug Beweegbare brug Interlokaal Beweegbare brug Beweegbare brug Beweegbare brug Erf toegangswegen Buiten de kom Beweegbare brug/ Veerpont* Beweegbare brug/ Veerpont* Beweegbare brug/ Veerpont* Binnen de kom Veerpont* Veerpont* Beweegbare brug/ Veerpont* Spoorlijnen Beweegbare brug Beweegbare brug Beweegbare brug * Veerpont: Voor de uitleg begrip en inpassing zie Artikel 3.12. 3.Met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid, wordt een aanvraag voor de aanleg van een brug getoetst aan: de berekening van de brughoogte conform de normen gesteld in bijlage 7.3 van de Omgevingsverordening Fryslân 2022 (bijlage 3 Normen Recreatieve Klassen van deze beleidsregel), waarbij rekening is gehouden met bodemdaling; de aanwezigheid van doelmatige geleidewerken bij de brug; de aanwezigheid van wachtvoorzieningen als het een beweegbare brug betreft; de uitvoering van de seinvoering conform de vigerende Richtlijnen Scheepvaarttekens. 4.In aanvulling op het derde lid en met inachtneming van het eerste en het tweede lid, wordt een aanvraag voor een vaste- of beweegbare brug over het recreatieve vaarwegennetwerk getoetst aan: de gestelde afmetingen voor de waterstaatkundige werken in bijlage 7.3 van de Omgevingsverordening Fryslân 2022 (bijlage 3 Normen Recreatieve Klassen van deze beleidsregel); een vooraf uitgevoerde hoogte berekening van de brug ten opzichte van het streefpeil. Artikel2.17Sluizen 1.Het algemene toetsingskader voor het beoordelen van een aanvraag voor de aanleg van een sluis is hoofdstuk 4 “Sluizen” van de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. 2.Met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid, wordt een aanvraag voor de aanleg van een sluisbrug getoetst aan: het voorzien zijn van de sluis van doelmatige geleidewerken en wachtvoorzieningen; de seinvoering conform de vigerende Richtlijnen Scheepvaarttekens. 3.Met inachtneming van het eerste en het tweede lid, wordt aanvullend voor sluizen in het recreatieve vaarwegennetwerk getoetst aan: de gestelde afmetingen voor de waterstaatkundige werken in bijlage 7.3 van de Omgevingsverordening Fryslân 2022 of bijlage 3 Normen Recreatieve Klassen van deze beleidsregel; de berekening van de drempeldiepte ten opzichte van het streefpeil in de Friese Boezem. Artikel2.18Aquaducten Het algemene toetsingskader voor het beoordelen van een aanvraag voor de aanleg van een aquaduct zijn de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. Artikel2.19Vaarwegaansluitingen 1.Het algemene toetsingskader voor het beoordelen van een aanvraag voor het realiseren van een vaarwegaansluiting, is hoofdstuk 3.8 “Splitsingspunten” van de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. 2.Een aanvraag voor het realiseren van een vaarwegaansluiting op en meer, wordt getoetst aan: de bereikbaarheid en toegankelijkheid vanaf de aan te leggen aansluiting naar een vaargeul in het meer en/of de mogelijkheid dat de vaarwegklasse kan aansluiten bij de diepte van het meer; de verkeersveiligheid of andere nautische- of verkeerstechnische belangen; overige gebruiksfuncties van het meer voor recreatie en natuur. 3.Op een CEMT-vaarweg wordt in principe geen nieuwe recreatieve vaarweg aansluiting toegestaan. Een aanvraag wordt getoetst aan: de verkeersintensiteit en de samenstelling van het scheepvaartverkeer en de hiermee samenhangende invloed van een nieuwe vaarwegaansluiting op de doorstromingskwaliteit en verkeersveiligheid voor de vaarweggebruiker op de CEMT-vaarweg; het kanaaltracé van beide vaarwegen, de vaarwegprofielen en de aanwezigheid van zichtbeperkingen of kunstwerken; de mogelijkheid om een invoegstrook te realiseren; de door de aanvrager aan te leveren onderzoeken naar de effecten op de waterbeweging bij de nieuwe aansluiting. 4.Het extra toetsingskader voor een aanvraag voor het aansluiten van een woonwijk op het openbaar vaarwater is, naast de bepalingen opgenomen in artikel 2.5 over insteekhavens, dat dat er maar één aansluiting op de vaarweg wordt toegestaan voor de gehele woonwijk. dat de aansluiting zodanig wordt vormgegeven dat hinderlijke waterbeweging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Artikel2.20Constructies en voorzieningen in en op de oever 1.Een aanvraag voor het aanbrengen van een werk op de oever wordt getoetst aan: de eventuele gevolgen voor beheer en onderhoud, waaronder mede is inbegrepen de effecten op de bestaande oeverconstructie; de bruikbaarheid en veiligheid van de vaarweg voor het scheepvaartverkeer; de belangen van natuur en landschap. 2.Een aanvraag voor het aanbrengen van een werk in de oever wordt getoetst aan: de gevolgen voor het vaarwegprofiel; de bruikbaarheid en veiligheid van de vaarweg door het scheepvaartverkeer; de belangen van natuur en landschap. 3.Indien nodig wordt voor de werken als bedoeld in dit artikel, door de aanvrager aangetoond dat er instemming is van derden. Artikel2.21Het aanleggen van voorzieningen voor beroepsvissers. Een aanvraag voor het aanbrengen of aanleggen van beroepsvistuigen wordt getoetst aan: de zorg voor het voorkomen van belemmeringen voor de vrije vismigratie en het toebrengen van schade aan bepaalde vissoorten; de instemming van het betrokken waterschap in verband met het niet hinderen van de vrije afstroom van het water; het in acht nemen van een afstand van 50 meter bij sluiskolken, sluizen, gemalen, stuwen, en duikers of bruggen en vispassagevoorzieningen; het voorkomen van hinder voor de scheepvaart. Artikel2.22Plaatsen van verkeersborden en overige aanduidingen. 1.Een aanvraag voor het plaatsen van verkeersborden, dynamische verkeersinformatieborden, seinlichten en vaste en drijvende vaarwegmarkeringen borden en aanduidingen, wordt getoetst aan: de vigerende Richtlijnen Scheepvaarttekens; de bruikbaarheid van de vaarweg; de vaarwegklasse, de intensiteit en de samenstelling van het scheepvaartverkeer; de verkeersveiligheid als bedoeld in artikel 30 van de Scheepvaartverkeerswet; de zichtlijnen ten behoeve van het scheepvaartverkeer; de noodzaak van een bord of aanduiding, in verband met de vindbaarheid van steden, dorpen, havens, vaarweggebonden bedrijven, recreatieve voorzieningen en route aanduiding ten behoeve van vaarweggebruikers; de noodzaak in verband met de veilige geleiding van het vaarverkeer. 2.Het aanbrengen van de tekens genoemd in de lid 1 wordt getoetst aan: de wijze van bevestiging, zelfstandig met grondankers of aan een ander object zoals bijvoorbeeld een waterstaatswerk; de mogelijkheden voor een schadevrije bevestigingswijze als uit de aanvraag blijkt dat het de bedoeling is om de aanduiding te plaatsen op of aan een waterstaatswerk of vaarwegmeubilair; of er door de aanvrager een oriëntatiemelding bij het Kadaster voor het controleren op de aanwezigheid van kabels en leidingen in de ondergrond is gedaan. 3.Met inachtneming van het bepaalde in lid 1 en 2, kunnen particuliere waarschuwingsborden tegen het veroorzaken van hinderlijke waterbeweging, commerciële borden, overige borden en aanduidingen bij hoge uitzondering worden toegestaan als: er geen gebruik wordt gemaakt van spiegelende of fluorescerende materialen, hinderlijke verlichting of bewegende delen; door de aanvrager uit te voeren oriëntatiemelding bij het Kadaster voor het controleren op de aanwezigheid van kabels en leidingen in de ondergrond is uitgevoerd; het een informatiebord betreft over werk in uitvoering waarvoor van overheidswege opdracht is gegeven, voor zover zij in de directe nabijheid van het werk is geplaatst gedurende de periode waarin de informatie relevant is voor het scheepvaartverkeer; het een aanvraag betreft van een algemeen informatiebord (lessenaarsmodel) waarbij de mogelijkheid is om in de directe nabijheid veilig te kunnen afmeren met een schip/ vaartuig; het aanvraag een ideële aanduiding betreft. Dan wordt extra getoetst aan: de locatie, waarbij een zo ruim mogelijke afstand van de vaarweg de voorkeur heeft vanuit vaarwegbeheer; de duur van de plaatsing, waarvoor een maximum geldt van een jaar. Artikel2.23Plaatsen of aanbrengen van vlaggen en spandoeken 1.Een aanvraag voor het plaatsen of aanbrengen van vlaggen en spandoeken binnen het beperkingen gebied nabij een vaarweg of aan een waterstaatswerk, wordt getoetst aan de bruikbaarheid van de vaarweg; de vaarwegklasse en de intensiteit en samenstelling van het scheepvaartverkeer; de verkeersveiligheid als bedoeld in artikel 30 van de Scheepvaartverkeerswet; de zichtlijnen ten behoeve van het scheepvaartverkeer; de noodzaak van vlaggen en spandoeken, in verband met de vindbaarheid van havens, vaarweggebonden bedrijven en recreatieve voorzieningen; de wijze van bevestiging, zelfstandig met grondankers of aan een ander object zoals bijvoorbeeld een waterstaatswerk; de mogelijkheden voor een schadevrije bevestigingswijze als uit de aanvraag blijkt dat het de bedoeling is om de aanduiding te plaatsen op of aan een waterstaatswerk of vaarwegmeubilair; of er door de aanvrager een oriëntatiemelding bij het Kadaster voor het controleren op de aanwezigheid van kabels en leidingen in de ondergrond is gedaan. Artikel2.24Plaatsen van gedenktekens 1.Een aanvraag voor het plaatsen van een gedenkteken wordt getoetst aan: de verkeersveiligheid, in het bijzonder bij bochten, kruispunten en andere gevarenpunten; de kans op hinder voor vaarweggebruikers, waarbij verlichting, bewegende delen of afleidende kleuren niet toelaatbaar zijn; de locatie, waarbij tenminste 1,80 meter uit de kant van de oeverbeschoeiing wordt aangehouden; de constructie van het gedenkteken; de afmetingen ten opzichte van het maaiveld, waarbij een gedenkteken minimaal op 0,5 meter en maximaal op 2 meter boven het maaiveld dient te worden geplaatst, afhankelijk van de breedte van de vaarweg. 2.De plaatsing geschiedt in overleg met medewerkers van de provincie, in verband met mogelijke verkeersveiligheidsaspecten tijdens de uitvoering en voor een juiste plaatsbepaling. 3.De kosten van plaatsing, instandhouding en verwijdering van gedenktekens komen voor rekening van de aanvrager. 4.Het gedenkteken wordt verwijderd, zo mogelijk in overleg met nabestaanden, als blijkt dat gedurende langere tijd er geen onderhoud door of namens de vergunninghouder meer plaatsvindt. 5.Indien in verband met het uitvoeren van werken door of namens de provincie een gedenkteken moet worden verplaatst of tijdelijk verwijderd, zal verzoeker daar medewerking aan moeten verlenen. 6.De provincie is niet aansprakelijk voor eventuele verdwijning, vernieling of beschadiging van het gedenkteken. Eventuele schade die door de provincie of derden wordt geleden als gevolg van de aanwezigheid van het gedenkteken, komt eveneens voor rekening van de vergunninghouder. Artikel2.25Plaatsen van stoffen of voorwerpen 1.Een aanvraag voor het plaatsen of aanbrengen van voorwerpen, vaste of vloeibare stoffen op de oever, in, over of langs de vaarweg, wordt getoetst aan: de kans dat stoffen of voorwerpen vanaf de oever in het water kunnen geraken; de vaarwegklasse en de samenstelling van het scheepvaartverkeer; het veilig gebruik van de vaarweg; het goed kunnen uitvoeren van beheer en onderhoud door de vaarwegbeheerder, mede gerelateerd aan de duur van de opslag of stalling; de kans dat schade ontstaat door de activiteit aan de oever of aan eigendommen van derden; mogelijke kans op schade aan het milieu. 2.Degene die een stof of voorwerp plaatst of aanbrengt op de oever, in, over of langs de vaarweg, dient deze stof of voorwerp te onderhouden, tenzij in de vergunningsvoorwaarden hiervan wordt afgeweken. Artikel2.26Normen voor beplanting langs provinciale vaarwegen Beplanting langs provinciale vaarwegen wordt getoetst aan: Beroeps- en recreatieve vaarwegen: Veroorzaakt de beplanting hinder voor de zichtlijnen van de bemanning aan boord van een schip; Veroorzaakt de beplanting hinder bij op het schip aanwezige navigatieapparatuur (bijvoorbeeld radar); Veroorzaakt de beplanting hinder bij het contact tussen het scheepvaartverkeer met bedienings- en begeleidingsobjecten; Heeft de beplanting invloed op de zichtbaarheid van scheepvaartverkeerstekens; Geeft de beplanting hinder bij het uitvoeren van beheer- en onderhoudswerkzaamheden aan de provinciale vaarwegen. Bruggen en sluizen provinciale vaarwegen: Wachtvoorzieningen van beweegbare bruggen en sluizen moeten vrij zijn van beplanting; Doorvaartopeningen van vaste bruggen moeten volledig beschikbaar zijn en vrij van beplanting. Tabel voor minimale snoeihoogte en - breedte: Klasse Snoeihoogte Snoeibreedte CEMT 30 meter 3 meter achter de waterlijn op streefpeil van een vaarweg mag tot 30 meter hoog geen overhangende beplanting aanwezig zijn. Azm Bzm Czm 30 meter Normbreedte vaarwegprofiel; Indien de vaarweg smaller is dan de normbreedte bij het streefpijl, dan mag geen overhangende beplanting aanwezig zijn. Cm 3,50 meter 4,50 meter gerekend vanuit de vaarwegas, zodat er 9 meter ruimte tussen overhangende beplanting aanwezig moet zijn. Dm 3,00 meter 4,00 meter gerekend vanuit de vaarwegas, zodat er 8 meter ruimte tussen overhangende beplanting aanwezig moet zijn. De Luts (E) 2,50 meter Hinderlijke takken verwijderen. Artikel2.27Vaarwegoverdracht 1.Wanneer is toedeling of wijziging van toedeling van het vaarwegbeheer aan de orde: Een niet onder de Omgevingsverordening aangewezen bestaande vaarweg die wel aangewezen moet worden; Een geclassificeerde vaarweg die wordt op- of afgewaardeerd waardoor de vaarwegbeheerder dient te wijzigen volgens de toedelingssystematiek; Een nieuw aangelegde vaarweg waarbij om classificatie wordt verzocht. 2.Voorwaarden voor vaarweg overdracht: De over te dragen vaarweg moet conform de gestelde normen worden overgedragen. (Zie tabel bijlage 3 Normen Recreatieve Klassen); Het vaarwegprofiel dient vrij te zijn van waterplanten; De gehele vaarweg dient vrij te zijn van invasieve exoten; Het afkoopbedrag voor de overdracht geschiedt volgens de Brokx-nat methodiek; Er mag geen verontreiniging in de vaarweg aanwezig zijn. Dit dient onderbouwd te worden met keuringsrapporten; Zinkers/ kabels of leidingen dienen qua diepteligging in overstemming te zijn met de normen gesteld in de beleidsregel Kabels en Leidingen. (Hetzelfde geldt voor kabels/ leidingen die een vaarweg boven water kruisen); Het oeverbeheer dient volledig uitgewerkt te zijn, conform de Beslisboom toedeling oeverbeheer, zie schema bijlage 4 Beslisboom toedeling oeverbeheer; Indien er oevers overgaan naar de nieuwe vaarwegbeheerder dan worden deze oevers overgedragen conform de eisen van de nieuwe oeverbeheerder; De vaarweg dient getoetst te worden aan de KRW-opgave en/of normen; Bruggen, sluizen en andere kunstwerken gaan niet over in beheer en eigendom naar de toekomstige vaarwegbeheerder; Eventueel aanwezige scheepvaartverkeerstekens en/of vaarwegmarkeringen gaan over conform de norm van de nautisch beheerder; De beplanting langs een vaarweg dient te voldoen aan de norm die geldt voor bomen en struiken langs de vaarweg; Op de vaarweg wordt getoetst of legaal aanwezig vistuig van beroepsvissers conform de norm staat opgesteld; De overdragende partij verstrekt voor de overdracht van alle verleende vergunningen van werken op, aan, in, langs en boven de vaarweg een afschrift aan de verkrijgende partij; De grens van het vaarwegbeheer ligt tot aan een haven of openbare aanlegplek. Indien er in een plaats meerdere havens of openbare aanlegplekken zijn, stopt de over te dragen vaarweg bij de eerste voorziening, aanlegplek of haven. 3.In het afkoopbedrag voor het onderhoud worden in de berekening van de Brokx-nat-methodiek de volgende kosten meegenomen: Kosten voor toezicht en handhaving en inspectie en monitoring (inclusief het inpeilen van de vaarweg) ten behoeve van het onderhoud; Baggerkosten bestaande uit: slibaanwas; PFAS/afzetlocatie; afvoerkosten naar van toepassing zijnde bagger- of slibdepot; Kosten voor het vrijhouden van het vaarwegprofiel van waterplanten; Kosten voor onderhoud en beheer van scheepvaartverkeerstekens en/ of vaarwegmarkeringen; Kosten voor onderhoud in relatie tot oeverbeheer (alleen voor oevers in beheer van de vaarwegbeheerder). 4.Overige aandachtspunten voor overdracht: Voor overdracht dient de naam van de vaarweg, het eventueel geldende bedieningsregime en de nautische gegevens van bruggen, sluizen en/ of andere kunstwerken kenbaar te zijn; Dieptepeilingen dienen conform de normen van de nieuwe vaarwegbeheerder te worden aangeleverd; Kosten van peilingen van het vaarwegprofiel en andere (
  3. in)metingen komen ten laste van de overdragende partij; Tussen de partijen dient een schriftelijke overeenkomst te worden opgesteld over alle bovenstaande onderwerpen voor de over te dragen vaarweg. Hoofdstuk3Nautisch beheer Artikel3.1Klasse-indelingen vaarwegen Voor de toetsing van de aanvraag van een vergunning of ontheffing wordt gebruik gemaakt van de vaarwegklassen opgenomen in de bijlagen 7.2 en 7.3 van Omgevingsverordening Fryslân. Artikel3.2Onttrekken vaarweg aan het openbaar verkeer Het ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende, te nemen besluit op grond van artikel 4 van de vigerende Nautische Verordening Fryslân, om een vaarweg te onttrekken aan het openbaar verkeer, wordt getoetst aan: de invloed op het vaarwegbeheer; de invloed op het functioneren van het vaarwegennetwerk voor de beroeps- of recreatievaart; de verkeersveiligheid; provinciale landschappelijke, archeologische, natuur- of cultuurhistorische belangen; recreatieve - en toeristische belangen. Artikel3.3Bedieningstijden van beweegbare bruggen en sluizen In artikel 5 van de Nautische Verordening staat, dat Gedeputeerde Staten de bedieningstijden vaststellen van beweegbare bruggen in beheer bij provincie Fryslân. Dit betreft ook de bruggen die de provincie Fryslân op afstand bedient voor gemeenten. Hoe meer de bedieningstijden in Fryslân uniform zijn, hoe prettiger dat is voor recreatie - en beroepsvaart. Het algemene toetsingskader voor het vaststellen van bedieningstijden van beweegbare bruggen en sluizen is hoofdstuk 7.8 “Bedieningsregime” van de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. Van de vaste bedieningstijden kan worden afgeweken in verband met: evenementen; uitzonderlijke weersomstandigheden als gevolg van wind, ijsgang of waterstanden. Artikel3.4Het beperken van het gebruik van een vaarweg Bij een besluit om een vaarweg gesloten te verklaren voor bepaalde categorieën vaartuigen, wordt getoetst aan: de invloed op het functioneren van het vaarwegennetwerk voor de beroeps- of recreatievaart; de invloed op de bereikbaarheid van percelen via het water als gevolg van de beperking; de verkeersveiligheid; provinciale landschappelijke, natuur- of cultuurhistorische belangen; recreatieve - en toeristische belangen. Artikel3.5Afwijken van toelaatbare scheepsafmetingen (Overmaatse schepen) Bij een aanvraag voor een ontheffing voor het gebruik van een vaarweg door grotere vaartuigen dan de toegestane afmetingen (Besluit maximaal toegestane afmetingen Nautische Verordening Fryslân 2023) wordt getoetst aan de Beleidsregel ontheffingsmogelijkheden overmaatse schepen. (Bijlage 5: Tabel ontheffingsmogelijkheden overmaatse schepen). Artikel3.6Bijzonder transport (BPR artikel 1.21) Bij een aanvraag voor een vergunning bijzondere transport, wordt getoetst: Of het transport buiten de afmetingen uit het Besluit maximaal toegestane afmetingen Nautische Verordening Fryslân 2023 en de Beleidsregel ontheffingsmogelijkheden overmaatse schepen valt; of de mogelijkheid bestaat om het transport met een ander schip of samenstel uit te voeren, zodat er geen sprake is van overschrijding van toegestane scheepsafmetingen; aan de effecten op de verkeersveiligheid en het voorkomen van schade, met name bij (beweegbare) bruggen, sluizen en aquaducten; op de bereikbaarheid van objecten voor hulpdiensten; aan de mogelijkheid van ‘doordraaien’ van een brug in verband met het vergroten van brugopeningen; aan de verkeersafwikkeling, intensiteit en soort gebruik van de vaarweg in combinatie met de aanwezige waterstaatswerken zoals vaste en beweegbare bruggen, sluizen en aquaducten; of van de verplichte verkeersbegeleiding kan worden afgezien in verband met geringe gevaarzetting; aan de capaciteit van het motorvermogen van het vaartuig en duwstellen in verband met de manoeuvreerbaarheid en voortstuwing; of het bijzonder transport wordt gesleept en/of geduwd en is voorzien van voldoende sleep- en/ of duwboten om het transport onder alle omstandigheden goed en veilig te kunnen manoeuvreren. Deze sleep- en/ of duwboten moeten zijn voorzien van een geldig Certificaat van Onderzoek (CVO). De sleep- en/of duwboten moeten slepen of duwen overeenkomstig het betreffende CVO; of het transport voldoende deugdelijke bevestigingspunten ten behoeve van het slepen heeft, die zodanig zijn dat ze tijdens het slepen overeenkomstig hun doestelling gebruikt kunnen blijven worden. Indien geduwd, of het bijzonder transport hecht gekoppeld is aan de duwboot; aan de mogelijkheid tot aanpassing aan weersomstandigheden die beperkingen met zich mee kunnen brengen; of het transport is te voorzien van voldoende deugdelijk en valklaar ankergerei om desgewenst het transport tijdig te kunnen stilleggen, zonder belemmering van de scheepvaart als bedoeld in artikel 7.01 van het Binnenvaartpolitiereglement, en zonder schade aan kunstwerken e.d.; of er sprake is van voldoende veiligheidsafstand (Veiligheidsafstand is de afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en het daaraan evenwijdige vlak door het laagste punt, waar het schip niet meer als waterdicht wordt beschouwd); of het transport is uitgerust met voldoende onafhankelijke pompen met voldoende capaciteit om het vollopen van het transport te voorkomen. Hiertoe dienen alle voor vervulling risico lopende ruimtes/compartimenten met een pomp bereikbaar te zijn. De pompen moeten gebruiksklaar zijn, zodat in geval van een calamiteit er direct gebruik van kan worden gemaakt. Artikel3.7Vaarverbod en vaarbeperking 1.Een vaarverbod of een verzoek om een vaarverbod bij ijsgang, wordt getoetst aan: het belang van het voorkomen van schade aan de vaarweg en bijhorende kunstwerken door ijsgang; bedrijfseconomische belangen in verband met de mate van afhankelijkheid van een bedrijf van transport van goederen over water; recreatieve belangen in het algemeen of het belang van specifieke toertochten of wintersportactiviteiten met een wedstrijdelement in het bijzonder. 2.De onder lid 1 genoemde toetsingscriteria vinden ook toepassing op een verzoek tot het ambtshalve besluit tot het breken van het ijs. 3.Een vaarverbod of een verzoek daartoe vanwege het prioriteren van de waterafvoer ten faveure van de functie scheepvaart, wordt getoetst aan het belang om schade te voorkomen aan de vaarweg en bijhorende kunstwerken en oevers. 4.Een vaarverbod of een verzoek vanwege het prioriteren van de waterkwaliteit ten faveure van de functie scheepvaart, wordt getoetst aan de gestelde prioritering van de regionale verdringingsreeks opgenomen in de Omgevingsverordening Fryslân; 5.Een vaarverbod of een verzoek vanwege het prioriteren van een calamiteit ten faveure van de functie scheepvaart, wordt getoetst aan de maatschappelijke belangen die een calamiteit met zich mee brengt. Artikel3.8Vaarsnelheden, snelvaargebieden, flyboarden. 1.Bij het nemen van een verkeersbesluit voor het vaststellen van vaarsnelheden als bedoeld in de Scheepvaartverkeerswet en het Binnenvaartpolitiereglement, wordt getoetst aan: ecologische waarden en effecten op de waterkwaliteit; de vaarwegklassen voor de beroeps- en recreatievaart; fysieke kenmerken van de vaarweg; verkeersintensiteit: zijn er dal-periodes in het vaarweggebruik; welke snelheidsbeperkingen zijn nodig ter bescherming van de vaarweg, waterstaatswerken en/of vaarwegmeubilair; invloed op geluidgevoelige bebouwing in de omgeving. 2.Het aanwijzen van snelvaargebieden wordt getoetst aan: ecologische waarden en effecten op de waterkwaliteit verkeersveiligheidsbelangen van vaarweggebruikers; de aanwezigheid van geluidgevoelige bebouwing; de meerwaarde voor recreatieve belangen. 3.Bij het toestaan van flyboarden wordt getoetst aan: ecologische waarden en effecten op de waterkwaliteit; de mogelijkheid om het gebied vrij te waren van andere vaarweggebruikers; locatievereisten: er dient tenminste een gebied van ongeveer 100 x 100 meter beschikbaar te zijn, met voldoende waterdiepte (circa 2 meter); de mogelijkheid om het gebied vrij te waren van andere vaarweggebruikers; de aanwezigheid van geluidgevoelige bebouwing; de meerwaarde voor recreatieve belangen in het gebied; de rol van de aanvrager: de toestemming/ ontheffing wordt verleend aan de bestuurder van de waterscooter die gekoppeld is aan een bepaald flyboard in een bepaald gebied in een bepaalde periode. 4.Bij het toestaan van overschrijden van de vaarsnelheid wordt getoetst aan: ecologische waarden en effecten op de waterkwaliteit; verkeersveiligheidsbelangen van andere vaarweggebruikers; fysieke kenmerken van de vaarweg of het gebied. of er sprake is van een evenement of andere gebeurtenis waarbij ten behoeve van ondersteuning en hulpverlening relatief kort in tijd sneller gevaren mag worden; of er sprake is van beroepsmatige proef- of testvaarten; of er sprake is van een toezicht en handhavende dienst die ter uitvoering van hun wettelijke taak sneller moet varen; het type vaartuig(
  4. en)waarmee wordt snel gevaren in relatie tot de beschikbare waterdiepte; of het vaartuig of de vaartuigen goed te onderscheiden is/zijn van andere vaarweggebruikers; Artikel3.9Verlagen leeftijd voor het besturen van snelle motorboot in wedstrijdverband Bij het toestaan voor het in verenigingsverband oefenen voor deelname aan met snelle motorboten te houden wedstrijden of voor het deelnemen aan dergelijke wedstrijden en een verzoek om hiervoor ontheffing te vragen voor de minimum leeftijd voor het sturen van een snelle motorboot, wordt getoetst: of in relatie tot de leeftijd de bestuurder nog als bekwaam is aan te merken in de zin van het BPR: op welke wijze de schipper de veiligheid van de deel te nemen snelle motorboot kan waarborgen. Artikel3.10Stremmen vaarweg bij evenementen en andere gebeurtenissen 1.Met inachtneming van de bepaling in artikel 1.23 van het Binnenvaartpolitiereglement, wordt het voornemen tot het stremmen van een vaarweg in verband met de bereikbaarheid, veiligheid en instandhouding van de vaarweg, getoetst aan: de vaarwegklasse, waarbij voor CEMT – klasse en recreatieve klasse Azm stremmingen uitsluitend mogelijk zijn voor werkzaamheden of uitzonderlijke omstandigheden; de effecten van de stremming op weg- en spoorwegverkeer, bij aanwezigheid van beweegbare bruggen of sluizen; het daadwerkelijk gebruik van de vaarweg en de eventuele ontheffingen en vergunningen voor het varen met afwijkende afmetingen; relevante omgevingsfuncties die van invloed kunnen zijn op de mate en tijdsduur van een stremming; de invloed van een stremming op het gehele vaarwegennetwerk; beperkingen door al toegestane stremmingen die van invloed zijn op de locatie van de gevraagde stremming; de ligging van de vaargeul in een meer, waarbij uitgangspunt is dat stremmingen zijn beperkt tot activiteiten gericht op evenementen, onderhoud of andere werkzaamheden; de periode in het jaar: hoogseizoen, voor- en naseizoen en winterseizoen. 2.Met inachtneming van het lid 1 onder a, kunnen aan stremmingen voor evenementen de volgende voorwaarden worden verbonden: de stremmingsduur wordt zo kort mogelijk gehouden; afhankelijk van de lengte van de stremmingsduur, worden periodes voor, na of tijdens de stremming aangewezen voor vrije doorvaart voor de scheepvaart; bij de onder b genoemde periodes voor vrije doorvaart, wordt rekening gehouden met een winter- of zomerperiode; stremmingen met een langere duur dan 8 uren of van meerdere dagen, kunnen worden beperkt tot bepaalde dagen of seizoenen. 3.Stremmingen of het belemmeren van een vaarweg, dienen aan de volgende aanvraag- en publicatievereisten te voldoen: indien sprake is van maximaal 2 uur hinder, dient de aanmelding voor stremming 2 weken voor uitvoering te worden gedaan, zodat de publicatie voor het scheepvaartverkeer minimaal 1 week voor uitvoering kan worden gecommuniceerd; indien sprake is van maximaal 2 dagen hinder, dient de aanmelding voor stremming 6 weken voor uitvoering te worden gedaan, zodat de publicatie voor het scheepvaartverkeer minimaal 4 weken voor uitvoering kan worden gecommuniceerd; indien sprake is van maximaal 7 dagen hinder, dient de aanmelding voor stremming 8 weken voor uitvoering te worden gedaan, zodat de publicatie voor het scheepvaartverkeer minimaal 6 weken voor uitvoering kan worden gecommuniceerd; indien sprake is van maximaal 4 weken hinder, dient de aanmelding voor stremming 26 weken voor uitvoering te worden gedaan, zodat de publicatie voor het scheepvaartverkeer minimaal 13 weken voor uitvoering kan worden gecommuniceerd; indien sprake is van meer dan 4 weken hinder, dient de aanmelding voor stremming 52 weken voor uitvoering te worden gedaan, zodat de publicatie voor het scheepvaartverkeer dient minimaal 39 weken voor uitvoering kan worden gecommuniceerd; indien sprake is van hinder die niet is voorzien, dient de melding voor stremming zo snel mogelijk voor uitvoering te worden gedaan, zodat de publicatie voor het scheepvaartverkeer aansluitend kan worden gecommuniceerd. 4.Verkeersbegeleiding/ toezicht is vereist indien: Een vaarweg of meer niet voor langere periode gestremd kan worden en het scheepvaartverkeer op locatie gereguleerd dient te worden; De veiligheid alleen kan worden afgedwongen door het geven van verkeersaanwijzingen ter plaatse door bevoegde ambtenaren ten behoeve van het veilige en vlotte verloop van het scheepvaartverkeer; Dit is voorgeschreven vanuit de vergunning of ontheffingsvoorwaarden. 5.Kosten van fysiek noodzakelijke verkeers- en/of informatiemaatregelen komen voor rekening en verantwoording van de aanvrager (veroorzaker betaalt). Artikel3.11Veerponten en andere overzetdiensten met een vaartuig 1.Een aanvraag om vergunning voor het toestaan van een veerpont of andere overzetdienst met een vaartuig, wordt getoetst aan: de voorwaarden die zijn neergelegd in de Leidraad voor fiets- en voetveren met een capaciteit van maximaal 12 passagiers; (bijlage 7: Leidraad Kleine Veerponten) de aanwezigheid van bruggen, sluizen of aquaducten in de nabije omgeving; de overzichtelijkheid ter plaatse; de verkeersintensiteit op het water en de vaarwegklasse; de eis dat iedere veerpont of overzetdienst conform het BPR is aangewezen. 2.Op de navolgend trajecten van de CEMT-vaarwegen worden veerponten of andere overzetdiensten niet toegestaan: Van Harinxmakanaal (A 002): Tsjerk Hiddessluizen (kmr. 0) – Oostpoort (kmr. 2,5); Brug Kiesterzijl (kmr 6) – Oostzijde Franeker (kmr. 10,5); Ferbiningskanaal (kmr. 23,5) - Wide Greons (kmr. 30); Vaarweg naar Drachten (A 003): Langesleat (kmr. 0,7) - Headambrêge (kmr. 5,5); Johan Frisokanaal (A 004): Jeltesleat tussen Hegermer Mar en Prinses Margrietkanaal; Vaarweg naar Heerenveen (A 008): Nije Sânsleat, Meinesleat (Gedeeltelijk) (kmr. 0,3 – 2,7). 3.Een kabelpont wordt alleen toegestaan op vaarwegen Dm, E en F. Artikel3.12Ligplaatsnemen (meren of ankeren) en gebruik spudpalen 1.Algemene toetsingscriteria voor ligplaatsnemen: De regels voor het ligplaatsnemen worden genoemd in Hoofdstuk 7 van het Binnenvaartpolitiereglement; Of er een nautische ligplaatsverbod is ingesteld door de nautisch beheerder; De ligplaats mag niet in strijd zijn met het ligplaatsbeleid of omgevingsplan van de gemeente waarin de beoogde ligplaats zich bevindt; Zijn er kabel(
  5. s)en/of leiding(
  6. en)aanwezig die door het gebruik van spudpalen beschadigd kunnen worden. 2.Een aanvraag om ontheffing van een verbodsbepaling tot het innemen van een ligplaats met een vaartuig in een vaarweg wordt getoetst aan: Of er sprake is van (onderhouds)werkzaamheden die een relatie hebben met de vaarweg of hierin gelegen waterstaatswerken; Of er sprake is van een tijdelijk karakter; De periode of tijdstip wanneer (onderhouds)werkzaamheden uitgevoerd worden. Artikel3.13Informatieplicht 1.Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om ambtenaren aan te wijzen voor het geven van verkeersaanwijzingen en verkeersinformatie aan het scheepvaartverkeer, over afwijkende omstandigheden, bij stremmingen en werkzaamheden. 2.Vanuit verkeersveiligheidsoverwegingen kan een meld- en uitluisterplicht worden ingesteld; 3.De provincie verzorgt als nautisch beheerder de nautische informatie aangaande de vaarwegen en meren genoemd op de A, C en D-lijst. Artikel3.14Experimenten vergaand geautomatiseerd varen 1.Begripsbepalingen en reikwijdte: In deze beleidsregel wordt verstaan onder: experiment: tijdelijke mogelijkheid om met een schip een praktijktest met vergaand geautomatiseerd varen uit te voeren; experimenteerpartij: natuurlijk persoon of rechtspersoon die toestemming heeft gekregen om een experiment uit te voeren; experimenteerplan: plan als bedoeld in lid 2 onder c; Provinciale vaarweg: Friese vaarweg waarvoor de provincie Fryslân als de nautische beheerder de bevoegde autoriteit is; Toestemming: besluit als bedoeld in artikel 1.23 van het Binnenvaartpolitiereglement op grond waarvan een experiment mag worden uitgevoerd; Vergaand geautomatiseerd varen: varen met een schip waarbij bepaalde menselijke taken worden overgenomen door één of meerdere geautomatiseerde toepassingen; Deze beleidsregel is van toepassing op een experiment waarbij met een schip vergaand geautomatiseerd wordt gevaren en door de te testen geautomatiseerde toepassing de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar kan worden gebracht; Er worden geen experimenten met watervliegtuigen toegestaan. 2. Aanvraag Een natuurlijk persoon of rechtspersoon kan een aanvraag voor een toestemming indienen bij de provincie Fryslân; Een toestemming kan uitsluitend worden aangevraagd voor een experiment op één of meerdere provinciale vaarwegen; Ten behoeve van de aanvraag wordt een experimenteerplan opgesteld. In dit plan wordt ten minste een beschrijving opgenomen van: het schip waarmee het experiment wordt uitgevoerd, met inbegrip van het ontwerp, een afbeelding en voor zover beschikbaar het identificatienummer van het schip; de ambitie en achtergrond van het experiment; het doel van en de werkmethode gedurende het experiment, met inbegrip van de wijze en het niveau van automatisering van het schip gedurende het experiment; de directe omgeving van de locatie of het traject waarop het wenselijk is het experiment te laten plaatsvinden, met inbegrip van de verwachte omstandigheden en aandachtspunten; de functies, opleiding en kennis, mede ten aanzien van de te testen geautomatiseerde toepassing, van de bemanningsleden aan boord en eventuele andere personen die, al dan niet op een andere locatie, meewerken aan het experiment; indien van toepassing, de lading dan wel het aantal passagiers dat gedurende het experiment aan boord zal zijn; de verwachte risico’s gedurende het experiment en de getroffen maatregelen om die risico’s te minimaliseren; de zichtbaarheid van het schip gedurende het experiment; eventuele eerder uitgevoerde testen of experimenten en uitkomsten daarvan. 3.Aanvraagprocedure Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens aangeleverd: de naam en bijbehorende contactgegevens van eigenaar van het schip; de naam en bijbehorende contactgegevens van de verantwoordelijke of verantwoordelijken voor het schip gedurende het experiment; de afmetingen en het gewicht onderscheidenlijk tonnage van het schip waarmee het experiment wordt uitgevoerd; de duur en het tijdstip waarbinnen het experiment gewenst is; de locatie of het traject waarop het wenselijk is het experiment te laten plaatsvinden; het land van registratie van het schip; het aantal bemanningsleden dat gedurende het experiment op het schip aanwezig zal zijn; informatie omtrent de verzekering van het schip gedurende het experiment; het experimenteerplan; indien van toepassing, de certificaten behorende bij het schip; verzekeringspolis. 4.Beoordeling van de aanvraag In het kader van de aanvraag wordt beoordeeld of de maatregelen die worden genomen om de veiligheid te waarborgen en het vlotte verloop van de scheepvaart niet in gevaar te brengen, waarbij in ieder geval in aanmerking wordt genomen: de locatie of het traject van het experiment; de duur en het tijdstip van het experiment; en de verwachte omstandigheden gedurende het experiment. Indien nodig kan het schip, in het kader van de beoordeling van de aanvraag, worden geïnspecteerd. 5.Toestemming er wordt toestemming verleend indien uit de aanvraag blijkt dat: in het geval van een defect of storing in de te testen geautomatiseerde toepassing het mogelijk is te allen tijde om de handelingen op andere wijze uit te voeren en indien nodig om het schip op veilige wijze te onttrekken aan het verkeer; de bemanningsleden aan boord en eventuele andere personen die, al dan niet op een andere locatie, meewerken aan het experiment beschikken over voldoende en juiste kennis ten aanzien van de te testen geautomatiseerde toepassing. In de toestemming wordt in ieder geval opgenomen: informatie over het schip waarmee het experiment wordt uitgevoerd; contactgegevens van de verantwoordelijke of verantwoordelijken voor het schip gedurende het experiment; locatie of traject waar het experiment mag plaatsvinden; ingangsdatum en einddatum van het experiment; dat de experimenteerpartij een verzoek tot verlenging van het experiment als bedoeld in artikel 8, kan indienen; hoeveelheid, samenstelling of de locatie van de personen die meewerken aan het experiment, met inbegrip van de bemanningsleden. Aan de toestemming worden in ieder geval de volgende voorschriften verbonden: de toestemming kan op verzoek gedurende het experiment te allen tijde worden getoond; de verantwoordelijke voor het schip gedurende het experiment controleert voor de start van elk onderdeel van het experiment of het schip, de te testen geautomatiseerde toepassing en de voorziene veiligheidsmaatregelen adequaat werken; de verantwoordelijke voor het schip gedurende het experiment is te allen tijde in staat het schip te voeren; indien het gedurende het experiment nodig was om in te grijpen, onder andere ten gevolge van een defect of storing, wordt de te testen geautomatiseerde toepassing gecontroleerd en worden er, indien nodig, aanpassingen gedaan; de verantwoordelijke voor het schip gedurende het experiment meldt ieder ingrijpen gedurende een experiment onverwijld aan Gedeputeerde Staten van de Provincie Fryslân. Daarbij wordt tevens gemeld op welke wijze is ingegrepen en op welke wijze is vastgesteld dat het defect of de storing naar alle waarschijnlijk niet wederom kan plaatsvinden. Aan de toestemming kunnen aanvullende voorschriften worden gesteld die nodig worden geacht voor de uitvoering van het experiment. Deze aanvullende voorschriften worden tevens opgenomen in de toestemming. 6.Beëindiging van het experiment Het experiment eindigt op de einddatum opgenomen in de toestemming, tenzij door Gedeputeerde Staten van de Provincie Fryslân overeenkomstig lid 8 wordt ingestemd met een verlenging tot een nader vastgestelde datum; Indien de experimenteerpartij het experiment eerder beëindigt, wordt dit onverwijld gemeld aan Gedeputeerde Staten van de Provincie Fryslân en vervalt daarmee de toestemming; Gedeputeerde Staten van de Provincie Fryslân kan besluiten het experiment eerder te beëindigen. 7.Evaluatie van het experiment Binnen drie maanden na beëindiging van het experiment verzoekt Gedeputeerde Staten van de Provincie Fryslân om een evaluatierapport van het experiment; In het evaluatierapport, bedoeld in het eerste lid, wordt door de experimenteerpartij ten minste gevraagd om: de resultaten ten aanzien van de ambitie, het doel en de werkmethode zoals opgenomen in het experimenteerplan; eventuele andere relevante constateringen gedaan gedurende het experiment; indien de experimenteerpartij het experiment geen vervolg wil geven, de reden waarom het niet wenselijk is het experiment vervolg te geven; indien de experimenteerpartij het experiment vervolg wil geven, de reden waarom het wenselijk is het experiment vervolg te geven; De experimenteerpartij levert op verzoek van de Gedeputeerde Staten van de Provincie Fryslân voorts aanvullende informatie ten aanzien van het experiment en de te nemen vervolgstappen; Gedeputeerde Staten van de Provincie Fryslân evalueert het experiment op basis van het door de experimenteerpartij aangeleverde rapport, mede met het oog op de veiligheid en het vlotte verloop van de scheepvaart. 8.Verlenging van het experiment Het experiment kan op verzoek van de experimenteerpartij worden verlengd; De verlenging behoeft de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten van de Provincie Fryslân. Aan deze instemming kunnen aanvullende voorschriften worden gesteld. De instemming, bedoeld in lid b. wordt op verzoek te allen tijde getoond. 9.Communicatie rondom het experiment Communicatie gericht tot burgers over het experiment wordt vooraf afgestemd met Gedeputeerde Staten van de Provincie Fryslân; Voorlichting aan betrokkenen over het experiment wordt vooraf afgestemd met Gedeputeerde Staten van de Provincie Fryslân. Artikel3.15Optische tekens van schepen 1.Aanwijzen vaarwegen waarop de verplichting tot het voeren van een gele ruit niet van toepassing is: Van deze uitzonderingsmogelijkheid genoemd in artikel 3.15 BPR wordt geen gebruik gemaakt. 2.Aanwijzen van vaarwegen, meren of gedeeltes hiervan waar stilliggende schepen geen optische teken hoeven te voeren: Aan de uitzondering genoemd in artikel 3.20, lid 5, sub a, BPR wordt geen nadere invulling gegeven; Voor het toepassen van artikel 3.20, lid 5, sub e, BPR wordt getoetst of: Het aan te wijzen gebied in een doorgaande scheepvaartroute ligt; Het gebied voldoende duidelijk wordt gemarkeerd; Het gebied voldoende diepte heeft voor de categorie schepen die er gebruik van maakt (eveneens de vaargeul of water ernaar toe) Het gebruik van (hulp)motoren verstoring aan de omgeving geeft; De tijdsduur dat een schip, drijvend voorwerp, - inrichting of - werktuig in het gebied wil blijven liggen; Voor welke categorie schepen het gebied geschikt is; Er recreatieve belangen geschaad worden. 3.Het achterwege laten van het voeren van tekens van in bedrijf zijnde drijvende werktuigen en van vastgevaren of gezonken schepen, zoals bedoeld in artikel 3.25, lid 3, BPR wordt getoetst: Aan de verkeersintensiteit op de locatie en de veiligheid voor de scheepvaart. 4.Bijkomend teken (“blauw knipperlicht”) van redding vaartuigen betrokken bij een reddingsoperatie, zoals bedoeld in artikel 3.27, BPR: Aan dergelijke vaartuigen wordt in principe geen ontheffing verleend van deze bepaling. 5.Toestemming geven voor het voeren van bijkomend teken (“geel knipperlicht”) door schepen die werkzaamheden in of nabij het vaarwater uitvoeren, zoals bedoeld in 3.28, BPR, wordt getoetst aan: of het voeren van dit bijkomende teken bijdraagt aan de herkenbaarheid van het schip dat de werkzaamheden uitvoert. Artikel3.16Gebruik marifoon en radar De bevoegdheden in de artikelen 4.05 lid 6, lid en 4.06, lid 5, van het BPR om als bevoegde autoriteit ontheffing te verlenen, zodat er niet met marifoon of radar gevaren hoeft te worden, wordt niet toegepast. Artikel3.17Recht op voorschutting Het recht op voorschutting dient getoetst te worden op de structurele impact op het overige schutverkeer. Artikel3.18Mistseinen van stilliggende schepen bij slecht zicht Het toewijzen van locaties in een vaarweg waar schepen ligplaats mogen nemen bij slecht zicht die dan geen mistseinen hoeven te voeren, wordt getoetst aan: Of de stilliggende schepen niet in het vaarwater voor het doorgaande scheepvaartverkeer liggen; Of de locatie voldoende ruimte biedt voor de te verwachten schepen. Artikel3.19Uitzondering op radar varende niet-vrijvarende veerpont. Aan de gestelde normen in artikel 6.32 lid 1 van het BPR dat de bevoegde autoriteit ontheffing kan verlenen aan een op radar varende niet-vrijvarende veerpont wordt geen invulling gegeven. Artikel3.20Bevoegdheden bevoegde autoriteit BPR omtrent ligplaatsnemen 1. Van de bepaling in artikel 7.01, lid 4 van het BPR wordt geen toestemming verleend; 2. Van de bepaling in artikel 7.01, lid 5 van het BPR wordt indien noodzakelijk invulling gegeven: De locatie voor het ligplaatsnemen wanneer een niet-vrijvarende veerpont geen dienst heeft wordt toegewezen op de daartoe meest veilige locatie in de vaarweg; 3. Van de bepaling in artikel 7.07, lid 3 van het BPR wordt alleen toestemming gegeven in geval van een calamiteit. Artikel3.21Bewaking en toezicht stilliggende schepen 1.Voor de mogelijkheid in artikel 7.08, lid 1 van het BPR wordt geen toestemming verleend; 2.Voor de mogelijkheid in artikel 7.08, lid 2 van het BPR wordt alleen toestemming gegeven in geval van een calamiteit. Artikel3.22Watersport zonder schip 1.Het bepaalde in artikel 8.08, lid 2, sub g, van het BPR wordt toegepast indien er gedeeltes in vaarwegen en meren zijn waar sprake is van een gebruiksfunctie en deze functie niet veilig te combineren is met zwemmen, watersport zonder schip en onderwatersport; 2.Van de bepaling in artikel 8.08, lid 3, van het BPR wordt alleen toestemming gegeven als de veiligheid van zwemmer(s), watersporters zonder schip en onderwatersporter kan worden geborgd. Artikel3.23Brandstof innemen bij brug op sluis Het is niet toegestaan om brandstof in te nemen bij een brug of sluis. Artikel3.24Varen met duwstellen waarbij aan de kop een zeeschipbak is geplaatst De bevoegdheden in de artikel 6.21a, lid 4, van het BPR om als bevoegde autoriteit ontheffing te verlenen wordt niet toegepast. Hoofdstuk4Wrakken en verweesde boten Artikel4.1Reikwijdte Wrakkenwet De Wrakkenwet bevat bepalingen over het opruimen van vaartuigen en ander voorwerpen die in openbare wateren zijn gestrand, gezonken of aan de grond geraakt of in waterkeringen of andere waterstaatswerken zijn vastgeraakt. De wet geeft de beheerder van een water of waterstaatswerk de bevoegdheid vast te stellen of opruiming van een vaartuig of andere voorwerp noodzakelijk is en stelt daarbij de te volgen procedure vast. Wrakken kunnen door de beheerder worden opgeruimd zonder dat de belanghebbenden de beheerder aansprakelijk kunnen stellen voor de door de opruiming toegebrachte schade aan het wrak. De wet maakt het ook mogelijk om een wrak te verkopen zonder toestemming van de belanghebbende, dat wordt het parate executierecht genoemd. Artikel4.2Bevoegdheden beheerders/ derden 1.Vaarwegbeheerders en nautisch beheerders zijn publiekrechtelijke bevoegdheden. Deze bevoegdheden kunnen door de Provincie Fryslân worden toegepast in de hoedanigheid van zowel vaarwegbeheerder, als van nautisch beheerder. Deze bevoegdheden kunnen tevens aan één of meerdere beheerders toekomen. 2.Een eigenaar van een vaarwater/ bodem of oever is niet bevoegd om wrakken te bergen op basis van de Wrakkenwet, noch het publiekrecht. Een eigenaar kan op basis van het privaatrecht een eigenaar van een wrak aanspreken. Artikel4.3Inzetbaarheid van de Wrakkenwet Hieronder wordt een aantal situaties beschreven en de handelswijze van de provincie: Wanneer een schip of een drijvend voorwerp zinkt en de eigenaar is verzekerd, dan wordt de berging verzorgd door de eigenaar c.q. diens verzekeraar. De Wrakkenwet hoeft dan niet ingezet te worden. Indien nodig geeft de provincie een ontheffing en/of scheepvaartbericht af voor werkzaamheden op grond van artikel 1.23 Binnenvaartpolitiereglement; Schip zinkt in de vaargeul: Indien een schip zinkt in de vaargeul en een acute belemmering is voor een vlot en veilig verloop van het scheepvaartverkeer, dan zal provincie Fryslân in een spoedberging voorzien op basis van de Wrakkenwet; Schip zinkt buiten de vaargeul of in een meer: Indien een schip niet een acute belemmering is voor een vlot en veilig verloop van het scheepvaartverkeer, dan volgt een oproep op Social Media en in de krant. Als de eigenaar zich meldt en verzekerd is, dan is sprake van a. Als de eigenaar niet verzekerd is, dan is het aan de provincie als beheerder om het wrak onder de Wrakkenwet op te ruimen; Zinken bij aanmeervoorzieningen: Provincie Fryslân kan als nautisch beheerder anker- en afmeerverboden afkondigen, waar de provincie vervolgens zelf verantwoordelijk is voor de handhaving. Artikel4.4Bekostiging De provincie kan een wrak bergen op grond van de Wrakkenwet in haar hoedanigheid van vaarwegbeheerder. De kosten voor de berging kunnen op het wrak verhaald worden. Verzekeraar: wanneer een eigenaar van een wrak is bekend en het wrak is verzekerd, dan worden de kosten voor de berging en eventueel (rest)schade kosten op de verzekeraar worden verhaald. Eigenaar is bekend: wanneer een eigenaar van een wrak is bekend, maar het wrak is niet verzekerd, dan kunnen de kosten door de beheerder op de eigenaar worden verhaald via het privaatrechtelijke wet- en regelgeving. Eigenaar is niet bekend: wanneer een eigenaar van een wrak niet bekend is, dan worden de kosten onder de belanghebbenden verdeeld. Artikel4.5Verweesde boot Met verweesde boten bedoelt provincie Fryslân boten die ergens gemeerd en/of geankerd liggen en/of los drijven zonder dat van een boot de eigenaar bekend is. Het gaat hierbij om boten en voorwerpen die zelfstandig kunnen drijven. Provincie Fryslân legt verweesde boten vast op de dichtstbijzijnde openbare aanlegplaats en meldt een verweesde boot aan als gevonden voorwerp bij de gemeente waar de boot of het voorwerp is aangetroffen. De burgemeester heeft speciale bevoegdheden van de wetgever gekregen voor het omgaan met gevonden voorwerpen. Die bevoegdheden hebben andere overheden niet. Zie daarvoor de regeling in titel 2 van hoofdstuk 5 van het Burgerlijk Wetboek. Hoofdstuk5Slotbepalingen Artikel5.1Intrekkingen De nota ‘Beheerbeleid voor de provinciale vaarwegen’ Besluit van Gedeputeerde Staten van Fryslân van 22 april 2003, no. 472564, team Verkeer en Vervoer, Provinciaal Blad 2003, no. 24, 26 mei 2003 en de aanvulling op de nota ‘Beheer voor de provinciale vaarwegen’ gepubliceerd in Provinciaal Blad nr. 2803, van 17 april 2018 in te trekken; Artikel5.2Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze Beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin deze Beleidsregel wordt geplaatst. 2.Deze Beleidsregel wordt aangehaald als: “Beleidsregel nautisch beheer en vaarwegbeheer Fryslân 2024”. Aldus vastgesteld in de vergadering van gedeputeerde staten van Fryslân van d.d.15-10-2024Drs. A.A.M. Brok, voorzitterdrs. ing. J.J. Algra, secretarisAlgemene toelichting Aanleiding: Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Hierdoor is de basis voor het vaarwegbeheer veranderd. Voorheen was het vaarweg en nautisch beheer in Fryslân integraal geregeld in de Vaarwegen Verordening Fryslân 2014. Het vaarwegbeheer is bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet geregeld in de Omgevingsverordening Fryslân 2022. De basis voor het nautisch beheer zijn nog steeds de Scheepvaartverkeerswet en het Binnenvaartpolitiereglement. Het nautisch beheer is nu nader uitgewerkt in de nieuwe Nautische Verordening Fryslân 2023. Het vaarweg- en nautisch beheer zijn nu in twee verschillende verordeningen geregeld. In de praktijk zijn het nautisch- en vaarwegbeheer nog steeds nauw met elkaar verweven. Daarnaast was de Nota “Beheerbeleid voor provinciale vaarwegen” gepubliceerd in 2003 ontoereikend voor het huidige beheer van provinciale vaarwegen. Ook de “Beleidsnotitie borden” uit 2018 is geactualiseerd opgenomen in deze nieuwe beleidsregel. Doel: Vanwege deze significante wijzigingen op het gebied van vaarweg- en nautisch beheer was een actualisering van het bestaande beleid en beleidsregels nodig en is ervoor gekozen om dit document op te stellen. Er wordt op deze wijze getracht een overzichtelijk en eenduidig beleid te verkrijgen waarin duidelijk wordt hoe de provincie omgaat met de vaarwegen en meren die zij in beheer heeft. Dit document zal niet aan alle vraagstukken die zich in de praktijk voordoen een oplossing bieden. Op grond van ervaringen in de praktijk zal zich steeds nieuw beleid ontwikkelen. Werkwijze: Als basis voor dit document is de notitie “Model Beleid Vaarwegen” gebruikt. Deze notitie is opgesteld in samenwerking met andere provincies die ook een taak hebben op het gebied van vaarweg- en nautisch beheer. Bij het tot stand komen hiervan zijn in de eerste plaats de vergunnings- en ontheffingsmogelijkheden van alle provincies geïnventariseerd. Dat heeft een rijk aanbod aan onderwerpen opgeleverd. Deze onderwerpen zijn aangevuld met actuele activiteiten waarvoor soms nog bepalingen ontbraken. In de tweede plaats is gekeken naar vastgestelde beleid en zijn onderwerpen beschreven op basis van de ervaring met en de kennis over het dagelijks vaarwegbeheer waarvan veel ‘in de hoofden’ van de nautisch deskundigen aanwezig is. Aanvullend zijn met name op het gebied van het nautische beheer de onderwerpen toegevoegd die invulling geven aan de bevoegdheden van de bevoegde autoriteit, gesteld in het Binnenvaartpolitiereglement. Daarnaast zijn een aantal onderwerpen bij het vaarwegbeheer specifieker gemaakt. Dit komt omdat de provincie zowel vaarwegen voor beroeps- als recreatievaart beheert. Specifieke aandachtspunten: Bij vaarwegen gaat het naast de vaarweg zelf, ook om stroken of zones die parallel zijn gelegen naast die vaarweg. Dit wordt de beheerzone genoemd. De vaarweg inclusief deze beheerzone aan weerszijden vormt het totale beperkingengebied onder de Omgevingsverordening. Al deze gebieden zijn onder de vergunningplicht gebracht. Daarnaast heeft de provincie de meren in (passief) beheer. Door meren lopen meestal vaargeulen die onder ‘vaarwegen’ vallen. (Zie ook bijlage 7.3 van de Omgevingsverordening Fryslân 2022). Belangrijke kaders voor vaarwegen op het gebied van vaarwegbeheer zijn: Vigerende Richtlijnen Vaarwegen, waarin bijvoorbeeld de vaarwegprofielen zijn bepaald voor beroepsvaartvaarwegen. Op de beroepsvaartvaarwegen is de CEMT-normering van toepassing; De BRTN-normering is grotendeels van toepassing op het recreatieve vaarwegennetwerk; De toe te passen klasse is bepaald in strategisch provinciaal beleid in de Omgevingsvisie c.q. Regionaal Mobiliteitsprogramma Fryslân. De vaarwegklasse en het soort gebruik van de vaarweg speelt een belangrijke rol in het al dan niet toestaan van activiteiten. Voor het nautische beheer zijn de bepalingen uit onderstaande wet- en regelgeving van belang: Scheepvaartverkeerswet; Binnenvaartpolitiereglement; Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer; Richtlijnen Scheepvaarttekens 2023. Het onderwerp “kabels en leidingen” is buiten deze beleidsregel gehouden. De beoordelingsregels rondom kabels en leidingen zijn afzonderlijk geregeld in de Beleidsregel kabels en leidingen 2023. Een aantal onderwerpen waaronder het beleid omtrent fuiken van beroepsvissers in een vaarweg, wordt in de toekomst verder uitgewerkt. Artikelsgewijze toelichting Waar nodig is een toelichting gegeven op de artikelen. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Toepassingsbereik Bij de Omgevingsverordening Fryslân 2022 en de Nautische Verordening Fryslân 2023 horen overzichtskaarten waarop de vaarwegen staan die onder het provinciaal (nautisch) beheer vallen. In het digitale systeem behorend bij de Omgevingswet, DSO genaamd, zijn voor het vaarwegbeheer de beperkingengebieden van vaarwegen en meren te vinden. Voor 1 januari 2024 was het vaarwegbeheer en nautisch beheer ondergebracht in de Vaarwegenverordening Fryslân 2014. Door het van kracht worden van de Omgevingswet op de genoemde datum zijn deze twee onderdelen ondergebracht in verschillende verordeningen. Artikel 1.2 Begripsomschrijving dd. Een vaartuig dat niet meer op eigen kracht kan (weg)varen. Een voorwerp dat niet uit zichzelf kan drijven. NB: Een vaartuig waar de ramen van kapot zijn, de romp verroest, het dek groen uitgeslagen en dat scheef tegen de oever hangt, is juridisch gezien geen wrak. Artikel 1.4 Aanvraagvereisten Het ontbreken van toestemming van een eigenaar/zakelijk gerechtigde wordt een privaatrechtelijke belemmering genoemd. Die belemmering speelt alleen een rol bij vergunningen. De eigenaar of zakelijk gerechtigde hoeft alleen aannemelijk te maken dat zonder zijn instemming het bouwplan waarop de aanvraag betrekking heeft niet kan worden gerealiseerd. Daar waar toestemming ontbreekt, wordt een aanvraag niet aangemerkt als een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom dient een dergelijk verzoek buiten behandeling gelaten te worden. (In plaats van niet-ontvankelijk te worden verklaard.) Het privaatrecht en de toestemming van de eigenaar/zakelijk gerechtigde speelt zo een rol bij de vergunningverlening. Het is belangrijk voor provincie Fryslân om een aanvraag voor een vergunning (of ontheffing) eerst als een verzoek om toestemming te bekijken. Een overheid kan namelijk niet eerst een vergunning verlenen en dan vervolgens geen toestemming geven voor het gebruik van haar grond of water voor die vergunning. Dat zou misbruik van bevoegdheid opleveren. Voor jurisprudentie zie: AB RvS: 19 september 2018, gemeenteboom, (ECLI:NL:RVS:2018:3048); AB RvS: 26 juli 2017, geen belanghebbende bij ontbreken toestemming (ECLI:NL:RVS:2017:2002). Hoofdstuk 2 Vaarweg beheer Artikel 2.2 Wijzigen van het profiel van de vaarweg De provincie Fryslân heeft voor de bij haar in beheer zijnde beroepsvaartvaarwegen in de bijlagen 7.2 en 7.3 van de Omgevingsverordening Fryslân vaarwegprofielen vastgesteld. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het hoofdstuk ‘Vaarwegvakken’ en de paragraaf ‘vaarwegprofielen’ in de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. Hier gaat het om de CEMT-klasse (beroepsvaartvaarwegen). Voor het recreatieve vaarwegennetwerk worden verwezen naar bijlage 7.3 van de Omgevingsverordening Fryslân. Deze vastgestelde normen wijken alleen bij de klasse Dm af van de normen van de BRTN. (Hier zit een onderscheid in de diepgang). Per klasse vaarweg gelden voor de onderdelen vaarwegdiepte, vaarwegbreedte en vrije doorvaarthoogte verschillende normen. Bijvoorbeeld zal vanuit historisch perspectief niet in alle gevallen de gewenste norm aanwezig zijn. Vooral in (stedelijke) gebieden waar gebouwen langs de vaarweg staan zal de norm die geldt voor de vaarwegbreedte niet altijd aanwezig zijn. Het wijzigen en mogelijk beperken van het vaarwegprofiel kan zich voordoen bij aanvragen gericht op het realiseren van meestal waterstaatkundige werken, zoals de bouw van een brug, een bochtaanpassing, een verbreding of versmalling van de vaarweg of op waterbeheer gerichte waterstaatkundig werken. In het derde lid is geregeld dat Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van het vaarwegprofiel voor het eigen beheer of bij aanvragen van derden, als sprake is van onevenredige ingrepen en daarmee samenhangende kosten. De aanvrager dient dit te onderbouwen door bijvoorbeeld een maatschappelijke kosten-batenanalyse, waarbij naast de vaarwegbelangen ook belangen van onder meer natuur, ruimtelijke kwaliteit, landschap of grondbeslag kunnen worden meegewogen. Artikel 2.4 Aanleg- en afmeervoorzieningen langs recreatieve vaarwegen en meren In het eerste lid zijn de regels voor langsliggende steigers genoemd. Langsliggend betekent dat de steigers parallel zijn gelegen aan de oever. Bij onvoldoende ruimte binnen het vaarwegprofiel kan ook gekozen worden voor inkassing. Botenliften voor recreatieve vaartuigen worden ook gezien als aanlegvoorzieningen. De in het tweede lid genoemde vaarwegklassen zijn onderdeel van de BRTN-classificatie van recreatieve vaarwegen. Zie ook bijlage 7.3 van de Omgevingsverordening Fryslân. De afstanden genoemd bij het tweede lid, a t/m d gelden niet voor de voorzieningen die aangelegd worden ten behoeve van het wachten voor de brug of sluisbediening oftewel een wachtvoorziening mag altijd gebruikt worden om te wachten op de volgende brug- of sluisbediening. In bepaalde gevallen kan hiervan afgeweken worden zie 3.12 van deze beleidsregel. Artikel 2.5 Insteekhavens Dit artikel ziet op insteekhavens. Bij insteekhavens kunnen ook voorzieningen als botenliften aan de orde zijn. In het tweede lid zijn toetsingscriteria opgenomen voor een haven in of aan een meer. Relevant is of in de nabijheid een vaargeul aanwezig is en/of er voldoende diepte is om die vaargeul te bereiken. Bij meren wordt doorgaans alleen de vaargeul op diepte gehouden. Voor de verkeersveiligheid is het van belang dat de nieuwe haven geen gevaar oplevert voor andere gebruikers van een meer. Het derde lid ziet op de CEMT-vaarwegen. Bij deze vaarwegen is relevant dat het gebruik van een haven geen onaanvaardbare verslechtering tot gevolg heeft voor de verkeersdoorstroming en het veilig gebruik van de vaarweg. Bij nieuwe particuliere insteekhavens, kleine bedrijfshavens en jachthavens langs de onder c genoemde vaarwegen, wordt de aanvrager dringend geadviseerd een afsluitbare constructie aan te brengen. Bij voorkeur onder een hoek van 45 graden ten opzichte van de oeverlijn gerelateerd aan de vaarrichting. Een afsluitbare constructie vermindert overlast en mogelijke schade door waterbeweging, zoals golfslag en zuiging veroorzaakt door de passerende scheepvaart. Bij de overige CEMT-vaarwegen zal dit eveneens worden geadviseerd. Onder d is het boothuis of scheepsdok genoemd. Bij de inpassing binnen de bestaande bebouwing zal naast de nautische en vaarwegbeheertoets, ook een beoordeling nodig zijn van de ruimtelijke inpassing. Verder is de beheerzone hier van belang. Door deze vrij te houden, heeft de schipper van een boot die uit een boothuis of scheepsdok vaart, de breedte van de beheerzone beschikbaar voor een goed zicht op de vaarweg alvorens deze te bevaren. In het vierde lid is bij recreatieve vaarwegen specifiek aandacht voor vaarwegen met een te smal of onvoldoende vaarwegprofiel. Bij recreatieve vaarwegen is de kans hierop groter dan bij beroepsvaartvaarwegen. Vaak betreft dit een situatie die van oudsher aanwezig is en is ontstaan door ruimtelijke en historische omgevingskenmerken. Waar dit zich voordoet, kunnen aanvullende fysieke maatregelen nodig zijn, zodat het in- en uitvaren veilig kan geschieden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld een vaarwegverbreding over een bepaalde lengte, het optimaliseren van zichtlijnen, plaatsing scheepvaarttekens, etc. Onder d is het boothuis genoemd. Net als bij de beroepsvaartvaarwegen is uitgangspunt dat de beheerzone wordt vrijgehouden, zodat de schipper bij het verlaten van een boothuis een goed zicht heeft op de vaarweg. Aangezien recreatieve vaarwegen soms meer fysieke beperkingen kennen door vaak historisch gegroeide situaties, zijn binnenbochten hier ook benoemd als toetsingsgrond. In principe is bebouwing hier ongewenst, behalve als deze ingepast kan worden tussen al aanwezige legale opstallen binnen de beheerzone. Overigens zal voor het onderhoud van oever en oeverconstructies (indien aanwezig) meestal een meter van de oever vrij dienen te worden gehouden. Artikel 2.6 Gemalen Gemalen kunnen verstorend zijn voor de vaarweggebruikers als de stroming te sterk is voor het type schip dat er doorgaans vaart. Door een te sterke stroming kan een vaartuig naar de overzijde van de vaarweg geduwd worden en dat moet te allen tijde voorkomen worden. Door extra voorzieningen aan te brengen bij het gemaal kan de kracht van de stuwing verminderd worden tot een aanvaardbaar niveau. Artikel 2.7 Overige voorzieningen ten behoeve van de beroepsvaart De hoofdstukken en paragrafen die genoemd worden, verwijzen naar de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. Artikel 2.8 Overige voorzieningen ten behoeve van de recreatievaart Voor het aanbrengen van een tuigsteiger genoemd onder het tweede lid zal in de meeste gevallen een verkeersbesluit genomen moeten worden met een afmeerverbod om te voorkomen dat er voor langere tijd wordt afgemeerd. De in het derde lid genoemde afweging kan ertoe leiden dat een afmeerboei niet wordt toegestaan in een seizoensgebonden snelvaargebied of in de nabijheid van vaargeulen. De zogenaamde “Marboeien” van het recreatieschap de Marrekrite worden neergelegd op de meren waar weinig scheepvaartverkeer is. Artikel 2.9 Voorzieningen voor (veer)pont of overzet In het derde lid genoemde afmeervoorzieningen ten behoeve van de (veer)pont of overzet dienen bij voorkeur te zijn ingekast. Daarnaast is extra ruimte voor manoeuvreren gewenst; Daar waar sprake is van een zeer ruime vaarweg, met voldoende water is naast het vaarwegprofiel, kan bijvoorbeeld een steiger als pontvoorziening gebruikt worden. Zie hiervoor verderop in deze beleidsregel bij artikel 3.14 over het nautische beheer. Artikel 2.10 Trailerhelling De situering van de trailerhelling moet zodanig zijn, dat het traileren zelf in het beperkingengebied plaats vindt en niet binnen het vaarwegprofiel. Dit om te voorkomen dat andere vaarweggebruikers gehinderd worden in hun doorgaande vaart. Dit speelt met name als de trailerhelling haaks op de vaarweg komt. Dan dient er extra ruimte te worden gereserveerd voor het vaartuig wat te water wordt gelaten. (Zie bijlage 1 “Afbeelding Traillerhelling” van deze beleidsregel voor enkele voorbeelden van opstelling van een trailerhelling). Een trailerhelling specifiek voor hulpdiensten is wel toegestaan in de beheerzone van een CEMT-vaarweg. De inrichting dient zo te zijn dat derden er geen gebruik van kunnen maken. Van het niet toestaan van een trailerhelling binnen de beheerzone van een CEMT- vaarweg kan worden afgeweken als deze in een reeds bestaande haven wordt gerealiseerd. De toetsingscriteria voor de aanleg van een insteekhavens zijn beschreven in artikel 2.5, lid 1 tot en met 3, van deze beleidsregel. Door de trailerhelling niet te realiseren tegenover de in- en uitvaart van een haven, wordt voorkomen dat het te water gelaten vaartuig niet plotseling de CEMT-vaarweg opdrijft als er iets misgaat gedurende het traileren. Artikel 2.12 Reddingtrappen Reddingtrappen kunnen overal toegepast worden als er sprake is van hoge kades of hoge oevers of op locaties waar personen gemakkelijk te water kunnen geraken en niet zonder hulp weer uit het water kunnen komen. Het heeft de voorkeur, dat reddingtrappen niet uitsteken bij de oeververdediging. Als het niet anders kan, dan dienen uitstekende trappen wit of geel gemarkeerd te worden. Artikel 2.14 Zonneparken Bij het aanbrengen van zonnepanelen of zonneparken langs vaarwegen moeten de omschreven belangen in het TNO-rapport niet in het geding komen. Met name hoofdstuk 8 “Conclusie en aanbevelingen” van dit rapport geeft aan dat het lastig is om algemene vuistregels te geven voor zonnepanelen/ zonneparken in de nabijheid van vaarwegen. Deze installaties in de buurt van een vaarweg kunnen hinder veroorzaken voor scheepvaart door elektromagnetische communicatie en/of informatie signalen te verstoren en/of door schippers te verblinden. Artikel 2.16 Bruggen De geleidewerken en/of wachtvoorzieningen zijn onlosmakelijk verbonden met de bouw van een nieuwe brug. Hetzelfde geldt voor de aanmeldvoorzieningen en scheepvaartverkeerstekens die betrekkingen hebben op de scheepvaartafwikkeling bij een brug. Bij vaste bruggen in het recreatieve netwerk geldt als ondergrens de aanduiding van de naam van de brug, hoogte, schaal en duiding van de doorvaartopening, eventueel aangevuld met tekens die de doorvaartbreedte aangeven. Bij de aanbruggen (een aanbrug is het gedeelte van een brug dat een hoofdoverspanning met het landhoofd verbindt) zowel bij beweegbare als vaste bruggen, dient duidelijk te zijn of deze door de scheepvaart gebruikt kunnen worden voor passage. Eventuele beperkingen in doorvaarthoogte, -breedte of -diepte dienen specifiek aangeven te worden middels de daarvoor bestemde scheepvaartverkeerstekens. Verklaring definities van de wegen tabel tweede lid: Stroomwegen: Dit wegtype dient veel verkeer te verwerken met zo min mogelijk oponthoud. De maximumsnelheid is 100 km/u. Gebiedsontsluitingsfunctie: Deze wegen ontsluiten gebieden en regionale kernen. De maximumsnelheid is 80 km/u. Erfaansluitingen zijn ongewenst. Er bevinden zich fietspaden of parallelwegen langs de weg. Erftoegangsfunctie: Dit wegtype is bedoeld om verkeer uit te wisselen, zowel op wegvakken als op kruispunten. Op erftoegangswegen gelden lagere snelheden. Binnen de bebouwde kom 30 km/uur en daarbuiten 60 km/uur. Bij het tweede lid gelden voor beweegbare bruggen de volgende aandachtspunten: De mate waarin het weg- en vaarverkeer hinder ondervindt van beweegbare bruggen is afhankelijk van de functie van de weg en de vaarweg. In een stroomweg zal de prioriteit ten opzichte van een vaarweg met classificatie Dm liggen bij het wegverkeer. In het beroepsvaartvaarwegennet heeft de beroepsvaart in veel gevallen prioriteit boven het wegverkeer; In deze context zijn ook van belang paragraaf 5.3.2. en 7.8.6 van de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. Voor spoorbruggen gelden de volgende aandachtspunten: Het treinverkeer is maatgevend bij een gegeven dienstregeling; bij het opstellen van een dienstregeling speelt de duur brugopening een belangrijke rol. (Het bedieningsregime voor de spoorbruggen wordt ieder jaar door het ministerie vastgesteld middels een beschikking); Specifiek voor spoorbruggen geldt Tabel 53 van de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. Bij lid 4, sub a geldt dat als door de historische situatie ter plaatse onvoldoende ruimte is om de brug te bouwen volgens de normen van de bijlage 7.3 van de Omgevingsverordening Fryslân dan dient bij vervanging van een brug vastgehouden te worden aan de afmetingen van de te vervangen brug. Hierbij geldt het adagium: “Houden wat je hebt”. (De nieuw te bouwen brug dient altijd minimaal dezelfde dimensionering te hebben als de brug die vervangen wordt). Bij lid 3 dient het volgende punt als aanvulling te worden meegenomen: Als een val van een beweegbare brug een doorvaarthoogte heeft van 0,90 meter of meer, dan moet de brug voorzien zijn van doorvaartlichten. Aanvullend geldt bij lid 4, sub b, dat in polders met veel waterfluctuaties de Maatgevende Hoog Waterstand aangehouden dient te worden om de vrije doorvaarthoogte van de schepen ten opzichte van vaste bruggen te garanderen. Artikel 2.17 Sluizen De geleidewerken en/of wachtvoorzieningen zijn onlosmakelijk verbonden met de bouw van een nieuwe sluis. Hetzelfde geldt voor de aanmeldvoorzieningen en scheepvaartverkeerstekens die betrekkingen hebben op de scheepvaartafwikkeling bij een sluis. Het advies van de afdeling Nautische Zaken is bindend. In polders met veel waterfluctuaties of verbinding met IJsselmeer of Waddenzee dient de Maatgevende Laag Waterstand aangehouden te worden om voldoende kielspeling te houden bij de passage van de sluizen. Artikel 2.18 Aquaducten Het vaarwegprofiel moet altijd gehandhaafd blijven. Deze kunstwerken vergen altijd een maatwerk-oplossing. Artikel 2.20 Constructies en voorzieningen in en op de oever Bij werken op de oever kan worden gedacht aan verhardingen voor bijvoorbeeld fietspaden of voorzieningen die gebruikt worden ten behoeve van het vissen zoals vissteigers. Met name bij CEMT-vaarwegen zal er kritisch gekeken worden naar dergelijke opstellingen. Bij het gebruik van hengels zal met name de recreatieve vaarweggebruikers gedwongen worden om een andere positie in de vaarweg te kiezen. Dit kan een ongewenst effect hebben wanneer er ook beroepsvaart aanwezig is op hetzelfde moment. Bij werken in de oever gaat het bijvoorbeeld om inlaten van waterschappen en particulieren of om oeverbeschermingen zoals damwanden, ter voorkoming van oeverafslag. Bij het derde lid wordt bedoeld waterschap, gemeente of andere grondeigenaren. Artikel 2.21 Het aanleggen van voorzieningen voor beroepsvissers Bij deze werken is er vaak een samenhang met belangen van het waterschap ten aanzien van het beheer van het oppervlaktewater, maar ook met visserij en natuur. Bij vistuigen kan worden gedacht aan fuiken en dergelijke. De bepalingen in dit artikel zijn ook relevant voor huurovereenkomsten met sportvisverenigingen. Hiervoor wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 3.11 van deze beleidsregel. Artikel 2.22 Plaatsen van verkeersborden en overige aanduiddingen Lid 1: Scheepvaartverkeerstekens worden geplaatst om een gebod of verbod kenbaar te maken, om aanwijzingen te geven, of om overige nautische informatie te verstrekken. Bewegwijzering en aanduidingen moeten geplaatst worden als het nalaten daarvan leidt tot verwarring en verkeersonveilige situaties. Bij de toelaatbaarheid van soort en hoeveelheid borden of aanduidingen, is een balans gezocht in het voorkomen van verstoring van de beleving van de vaarweg en haar omgeving en het belang van een verwijzing door borden. Juist het niet of het beperkt aanwezig zijn van borden, is een ruimtelijke kwaliteit van vaarwegen. Bij het toestaan van borden of andere aanduidingen zal daarom altijd worden beoordeeld of deze nodig zijn voor de vindbaarheid van voorzieningen en objecten c.q. bijdragen aan de oriëntatie van de vaarweggebruiker. Relevante wet- en regelgeving voor borden en aanduidingen zijn het Binnenvaartpolitiereglement, de vigerende Richtlijnen Vaarwegen, de vigerende Richtlijnen Scheepvaarttekens van het Directoraat-Generaal van Rijkswaterstaat (onder meer voor de letterhoogte op en de afmetingen van borden) en de Scheepvaartverkeerswet (met name artikel 30 waarin het onder meer verboden is om een voorwerp aan te brengen of te houden, dat het scheepvaartverkeer op de vaarweg in verwarring of gevaar zou kunnen brengen). In het eerste lid zijn beoordelingscriteria opgenomen die in het algemeen toepassing vinden bij de toetsing van alle soorten borden. Bepalend is onder meer de functie en de gebruiksintensiteit van een vaarweg: bij hogere klassen voor de beroeps- en recreatievaart is doorgaans minder toelaatbaar dan bij lagere klassen. Daarnaast kunnen de uitvoering en locatie van borden de veiligheid of bruikbaarheid van vaarwegen beïnvloeden. Voor het plaatsen van een scheepvaartverkeersteken door de nautische beheerder op grond in eigendom bij een andere partij is de gedoogplicht uit de Omgevingswet Artikel 10.2 van toepassing. In de basis is alleen de nautisch beheerder bevoegd om scheepvaartverkeerstekens te plaatsen. Het kan voorkomen dat een gemeente ter regulering van het gebruik van bijvoorbeeld een laad- en loskade scheepvaartverkeerstekens plaatst. In dat geval zijn de kosten voor plaatsing etc. voor de gemeente. In lid 3 gaat het om alle andersoortige borden of aanduidingen langs een vaarweg. Het kan hier ook gaan om zogenaamde thematische borden die geplaatst worden door de nautisch beheerder die een relatie hebben met de verkeersveiligheid op een vaarweg. Bij algemene informatieborden is het wenselijk dat dergelijke borden bij voorkeur geplaatst worden in of nabij jachthavens, een toeristisch overstappunt, of een locatie die raakt aan het recreatieve knooppuntennetwerk voor fietsers en wandelaars. In een bepaalde regio of gemeente wordt soms een eigen lokale of regionale huisstijl toegepast. Voor recreanten is het van belang dat borden herkenbaar zijn door een doelbewuste toepassing van een bepaalde uitvoering. Voor referenties ten aanzien van de invulling van een huisstijl, wordt verwezen naar de vigerende Richtlijnen Scheepvaarttekens. Wanneer er sprake is van een informatiebord tafelmodel ten behoeve van een indicatie van de benodigde aanlegplaatsen en een veilige bereikbaarheid, dat valt binnen het beperkingengebied van de vaarweg, is vooraf overleg met de nautisch beheerder gewenst. Een particulier waarschuwingsbord tegen hinderlijke waterbeweging kan door de bewoner aan een vaarweg worden geplaatst indien deze veel hinder ondervindt van het scheepvaartverkeer. Artikel 2.23 Plaatsen of aanbrengen van vlaggen en spandoeken Het aanbrengen van een spandoek aan de onderzijde van een val van een beweegbare brug valt ook onder dit artikel. Als het een beweegbare brug betreft in beheer bij de provincie Fryslân dan worden er geen commerciële aanduidingen toegestaan. (Zie artikel 7.27 lid 2 onder a. van de Omgevingsverordening Fryslân 2022). Het spandoek moet zo worden aangebracht dat er geen vermindering van de onderdoorvaarthoogte ontstaat. Ook moeten maatregelen worden genomen om het doorhangen van het doek tegen te gaan. Daarnaast moet de bevestiging zo zijn dat er geen schade wordt aangebracht aan het verfsysteem wat op het val is aangebracht. De aanvrager moet ook voorzien in een calamiteiten nummer dat 24 x 7 bereikbaar is. Dit om eventuele problemen adequaat te ondervangen. Artikel 2.24 Plaatsen van gedenktekens Soms wordt aan de vaarwegbeheerder verzocht om een gedenkteken toe te staan in de oever van de vaarweg, op de plaats waar een ongeval plaatsvond met dodelijke afloop. Onderkend wordt dat een dergelijk gedenkteken van emotionele betekenis kan zijn voor nabestaanden. Vanuit verkeersveiligheid en een goed beheer en onderhoud van de vaarweg is het uitgangspunt om bij voorkeur geen gedenktekens in de oever toe te staan. Een vaarweg heeft in eerste instantie een functie voor het vaarverkeer. Of een gedenkteken toelaatbaar is, zal per geval moeten worden beoordeeld. In ieder geval zal het gedenkteken zo moeten worden geplaatst dat het goed zichtbaar is tijdens beheer- en onderhoudswerkzaamheden in de oever. Het eerste lid onder c voorziet hierin. Artikel 2.25 Plaatsen van stoffen of voorwerpen Dit artikel kan worden gezien als een vangnet voor activiteiten die niet vallen onder één van de andere artikelen. In algemene zin kan worden gedacht aan het behoud van een vrij zicht en voldoende vrije doorvaartruimte voor de vaarweggebruiker. Artikel 2.26 Normen voor beplanting langs provinciale vaarwegen Nautische belangen: Beplanting en vaarwegen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Langs veel vaarwegen zijn in het verleden bomen geplant of op natuurlijk wijze ontsproten. Beplanting accentueert in veel gevallen een vaarweg in het landschap. Ook biedt beplanting langs vaarwegen voor diverse diersoorten een natuurlijke bescherming of rustplaats. Echter vanuit scheepvaart perspectief mag beplanting geen gevaar of hinder geven voor het doorgaande scheepvaartverkeer. Daarnaast speelt met name dat wortels bestaande oeverconstructies kunnen aantasten. Wanneer er sprake is van een natuurvriendelijke oever (geen constructie aanwezig) dan zorgen wortels van bomen er juist voor dat grond minder snel afslaat. Op beroepsvaartvaarwegen zal er kritischer worden gekeken naar beplanting dan op recreatieve vaarwegen met een lagere classificering. De belangen qua veiligheid op een beroepsvaartvaarweg wegen zwaarder in verband met de risico’s. Definitie begrip beplanting: bomen, struiken, heggen, hagen en lage begroeiing. Gras valt niet onder beplanting. Langs alle provinciale vaarwegen liggen ook beheerzones die onderdeel zijn van het beperkingengebied vaarwegen. Beplanting die in deze beheerzones staat, valt hierdoor onder de reikwijdte van de bepaling van artikel 7.26 van de Omgevingsverordening Fryslân. Op deze wijze kan de vaarwegbeheerder invloed uitoefenen op beplanting die de veiligheid voor het scheepvaartverkeer negatief beïnvloedt. Voor de recreatieve vaarwegen geldt in algemene zin hetzelfde als voor de beroepsvaart-vaarwegen. Op de vaarwegen die vallen in de categorie Azm t/m Czm geldt de normbreedte van het vaarwegprofiel als uitgangspunt. Het gaat hier om vaarwegen die geschikt zijn voor schepen met staande mast. In gevallen waar de normbreedte niet aanwezig is, kan de beschikbare ruimte tussen de oevers als uitgangspunt genomen worden. Voor de categorieën Cm en Dm is het toegestaan dat beplanting vanaf een bepaalde hoogte over de vaarweg groeit. Deze vaarwegen zijn niet speciaal bedoeld voor zeilschepen en daarom mag er een zeker boogvorming boven de waterlijn plaatsvinden. Er is wel een minimale breedte tot 3 meter boven de waterlijn die gegarandeerd moet blijven. Aan beide zijden van het water mag een achtste of een vierde deel van de begroeiing over hangen vanaf een bepaalde hoogte. Op deze wijze blijft nog driekwart of de helft boven het water helemaal vrij van begroeiing. Dit zorgt ervoor dat schepen/ vaartuigen die zijn voorzien van een relatief makkelijke strijkbare mast ook gebruik kunnen maken van deze vaarwegen. De Luts is een special die buiten de systematiek van het toewijzen van vaarwegen van de Klasse E en F aan het waterschap valt. De achterliggende reden is, dat de Luts onderdeel is van de Elfstedenroute en de provincie hierdoor de hele Elfstedenroute onder haar beheer heeft. Bij de Luts is de begroeiing langs de Luts historisch en beeldbepalend. Er zijn delen waar sprake is van een soort arcadeboog. Er is voor gekozen om hier alleen de verplichting op te leggen om voor de vaarweggebruiker hinderlijke takken weg te snoeien. Beheer en onderhoud: In Artikel 7.24 lid g. en h. van de Omgevingsverordening wordt specifiek ingegaan op de onderhoudstoestand van de vaarwegen in relatie tot beplanting langs vaarwegen. Op grond van deze bepalingen kan dus gehandhaafd worden als het gaat om wortels van bomen die nabij een beschoeiing staan. Wortels kunnen schade aanbrengen aan aanwezige beschoeiingen of oeververdediging langs provinciale vaarwegen. Het komt bij onderhoudswerkzaamheden voor dat er graafwerkzaamheden bij de beschoeiing worden uitgevoerd. Het wortelpakket van dichtbij staande bomen wordt dan mogelijk aangetast. In dat geval moeten soms bomen worden gekapt in het belang van veiligheid en het op doelmatige wijze kunnen onderhouden van vaarwegen. Artikel 2.27 Vaarwegoverdracht Algemeen: In de huidige vaarwegbeheersystematiek worden de vaarwegklassen E en F toegewezen aan het Wetterskip Fryslân. Andere vaarwegklassen Azm t/m Dm komen in beheer bij de Provincie Fryslân. In specifieke gevallen kan er in het kader van efficiëntie een andere beheerder worden aangewezen. Bij lid 1 sub a. gaat het om bestaande vaarwegen die in beheer zijn bij gemeente of waterschap en die niet geclassificeerd zijn. Door de vaarweg binnen de geldende normen van een vaarwegklasse te brengen, kan er een andere vaarwegbeheerder worden aangewezen. Dan zal er sprake zijn van overdracht van het vaarwegbeheer. Bijvoorbeeld: Een niet geclassificeerde vaarweg wordt door aanpassing van het vaarwegprofiel en brughoogtes binnen de normen van de klasse Dm gebracht. In dat geval kan het vaarwegbeheer worden toegewezen aan de provincie. Afwaardering van een vaarweg kan voorkomen als er een beter alternatief beschikbaar is om een bepaalde stad, dorp of locatie te bereiken. In sub b. gaat het om reeds geclassificeerde vaarwegen. Door wijzing van het vaarwegprofiel verandert de classificering en ook de vaarwegbeheerder. Bijvoorbeeld: Door opwaardering van een vaarweg van de Klasse E naar de Klasse Dm gaat het vaarwegbeheer in dat geval over van het waterschap naar de provincie. Sub c. geeft aan dat bij de aanleg van een nieuwe vaarweg bij het voldoen aan de normering een vaarwegbeheerder kan worden aangewezen. Bij Lid 2 onder a. dienen o.a. de dieptepeilingen in overeenstemming met bijlage 3 Normen Recreatieve Klassen aangeleverd te worden. Onder b. moet het gewenste en/ of inpasbare vaarwegprofiel vrij zijn van waterplanten. Wanneer er sprake is van een vaarwegprofiel wat ruim in de vaarwegbreedte past hoeft niet de gehele vaarweg vrij te zijn van waterplanten. In dat geval mogen er nog waterplanten aanwezig zijn tussen de oever en de grens van het vaarwegprofiel. Onder c. wordt een ruimere norm gehanteerd als het gaat om invasieve exoten. Deze soorten van exoten mogen niet in de vaarweg aanwezig te zijn. Onder f. dienen ook de revisietekeningen en verstrekte ontheffingen/ vergunningen aan de toekomstige beheerder te worden overlegd. De onder i. genoemde toets kan als gevolg hebben dat er mitigerende maatregelen moeten worden genomen om scheepvaart wel toe te staan. Kosten voor onderzoek en maatregelen komen ten laste van de overdragende partij. De KRW-toets dient te worden goedgekeurd door Wetterskip Fryslân. Bij k. wordt aangegeven dat alleen de officiële aanduidingen uit het BPR (Bijlagen 7 & 8) worden overgenomen. Overige borden zoals reclameborden etc. vallen hier niet onder. Indien deze niet overeenkomstig de speleregels van de ontvangende partij zijn, dienen ze aangepast, verplaatst of opgeruimd te worden op kosten van overdragende partij. Voor de gestelde normen onder l. zie bomen artikel 2.28 Normen voor beplanting langs provinciale vaarwegen en m. zie hiervoor artikel 2.23 Het aanleggen van voorzieningen voor beroepsvissers. Sub o. Ergens moet een grens getrokken worden tussen de ene vaarwegbeheerder en de andere. Zo worden voorzieningen als havens niet opgenomen in het vaarwegbeheer. Hier is met name een rol toebedeeld aan de gemeenten, bedrijven of andere instellingen. Om die reden gaat vaarwegbeheer van een aangewezen vaarwegbeheerder ook slechts tot aan de eerste voorziening in dorp of stad als het een zijtak van een vaarweg betreft. Dit om te voorkomen dat de toekomstig vaarwegbeheerder geconfronteerd wordt met beheer van zogenaamd woonwijk of stedelijk water waar vaak de gemeente of een particuliere partij grote belangen hebben. Een gemeenschappelijke schouw van de toekomstige vaarweg is het beste middel om in de praktijk te bekijken wat er allemaal gedaan moet worden om aan alle normen te voldoen. De overdragende partij zorgt ervoor dat noodzakelijke aanpassingen worden uitgevoerd of gevraagde data op juiste wijze worden aangeleverd. Bij lid 3 wordt uitgelegd welke kosten onderdeel vormen van de berekening Brokx-nat. Berekening methode Brokx-nat: Het totaalbedrag van de jaarlijkse kosten van het beheer (vaarwegbeheer en nautische beheer), worden vermenigvuldigd met 44,44 om de afkoopsom te bepalen. (In de jaarlijkse kosten wel de groot onderhouds- en vervangingscomponent meenemen). De opbrengst van 2,25% op de afkoopsom moet dan toereikend om de werkzaamheden eeuwigdurend uit te voeren. (Let op!! Het vermenigvuldigingsgetal kan wijzigen. In het verkenningstraject bij financiën deze factor controleren). Lid 4 sub d. geeft aan dat er een overeenkomst dient te worden opgesteld tussen de partijen. Bij de overdracht van een vaarweg worden overeenkomsten gesloten tussen de overdragende en ontvangende partijen over het vaarwegbeheer en nautisch beheer. Als basis voor een overeenkomst kan een zogenaamd overdrachtsdocument helpen. Hierin zijn alle onderwerpen hier opgesomd in opgenomen. Hoofdstuk 3 Nautisch beheer Artikel 3.1 Klasse-indelingen vaarwegen Nautisch beheer wordt uitgevoerd op de vaarwegen en meren genoemd op de lijsten A, C en D van de Omgevingsverordening Fryslân. Nautische beheer volgt uit de Scheepvaartverkeerswet (Svw). In artikel 2 Svw staat aangegeven, dat bij scheepvaarwegen in beheer bij Gedeputeerde Staten, ditzelfde college ook het nautisch beheer heeft. Dus nautisch beheer volgt in de basis het vaarwegbeheer. Daarnaast staat ook in artikel 2 Svw, dat ten aanzien van een scheepvaartweg in beheer bij een waterschap provinciale staten bepalen wie het bevoegd gezag is. In de Nautische Verordening Fryslân 2023 staat beschreven, dat de vaarwegen waar het waterschap het vaarwegbeheer doet, het nautisch beheer ook is toebedeeld aan de provincie. Op deze wijze vallen de meeste aangewezen vaarwegen in Fryslân onder één beheerder, namelijk de provincie Fryslân. In bijlage 7.2 van de Omgevingsverordening Fryslân zijn de vaarwegen in beheer bij de provincie opgesomd inclusief de geldende beroepsvaart- en/of recreatievaartklasse. Als toetsingskader voor de vaarwegklassen van de beroepsvaartvaarwegen (CEMT-vaarwegen) wordt aansluiting gezocht bij de vigerende Richtlijnen Vaarwegen. In bijlage 7.3 van de van kracht zijnde Omgevingsverordening is dit nader toegelicht. Voor het recreatieve vaarwegenareaal dient als toetsingskader de classificering zoals die is opgenomen in de tabel in bijlage 7.3. van de geldende Omgevingsverordening. (Zie eveneens bijlage 3 Normen Recreatieve Klassen van deze beleidsregel). Via de link: https://www.fryslan.frl/vaarwegenkaart is een overzicht per vaarweg beschikbaar. Artikel 3.3 Bedieningstijden van beweegbare bruggen en sluizen Bij bruggen en meestal ook bij sluizen, beïnvloedt het bedieningsregime ook de doorstroming op wegen of spoorwegen. Andere beheerders (veelal gemeenten) van beweegbare bruggen en sluizen gelegen over of in het provinciale vaarwegareaal zijn op dat punt autonoom. Vanwege het belang van een goede synergie qua bedieningstijden vindt er op provinciaal niveau op initiatief van recreatieschap de Marrekrite periodiek overleg plaats. (Zie ook toelichting artikel 5 vigerende Nautische Verordening Fryslân). Het bedienseizoen begint altijd op 1 april van ieder jaar, tenzij Pasen vroeg valt. In dat geval begint het bedienseizoen op de zaterdag voor Goede Vrijdag. Daarnaast verzorgt de provincie voor een groot aantal bruggen en

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.