← Nederland

Waterschapsverordening Delfland (Hoogheemraadschap van Delfland)

In het kort

Deze verordening van het Hoogheemraadschap van Delfland regelt activiteiten die van invloed zijn op het watersysteem en zuiveringstechnische werken, met als doel overstromingen, wateroverlast en waterschaarste te voorkomen en de waterkwaliteit te beschermen. Het legt algemene zorgplichten en specifieke regels op voor het beheer van waterstaatswerken en polderkaden.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

act/waterschap/2024/CVDR705504 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0372/2023-12-01/c8c739c3-233b-4211-aa07-da5a89aecf6c /join/id/stop/work_019 2025-02-20 2025-02-20 /akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR70

Artikel 4

.1 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende beperkingengebiedactiviteiten te verrichten: a. waterstaatswerken aanleggen, wijzigen of verwijderen; b. gebruik maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie ervan, en daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te houden, vaste substanties of voorwerpen te laten staan, of te laten liggen, of de waterstand op een ander peil te brengen of houden dan het peil dat in het peilbesluit is vastgesteld; c. werken aanleggen, wijzigen of houden in het profiel van vrije ruimte. Artikel 4.2 Vrijstelling omgevingsvergunningplicht

  1. Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.1 is verplicht als: a. de beperkingengebiedactiviteit plaats vindt in het kader van: 1º. de uitvoering van onderhoud aan een waterstaatswerk door of in opdracht van degene die daartoe verplicht is op grond van de Legger Delfland en het waterstaatswerk naar ligging, aard en constructie niet wordt gewijzigd; 2º. inspectie of toezicht door of vanwege Delfland; of 3º. de uitvoering van een door dijkgraaf en hoogheemraden vastgesteld projectbesluit door of in opdracht van Delfland; of b. aan de beperkingengebiedactiviteit regels zijn gesteld in de artikelen 4.8 tot en met 4.35 en de beperkingengebiedactiviteit aan die regels voldoet.
  2. Het bepaalde in het vorige lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing, indien de betreffende beperkingengebiedactiviteit fysiek of functioneel een samenstel vormt met een of meer activiteiten waarvoor op grond van deze verordening, of waarvoor op grond van het bepaalde in of krachtens de wet, een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit is vereist. Artikel 4.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning (aanvullend)
  3. De aanvrager om een omgevingsvergunning legt ten minste over bij zijn aanvraag: a. een omschrijving van de activiteit; b. een verklaring of het een nieuwe aanvraag of het wijzigen van een bestaande vergunning betreft; c. een omschrijving van de reden van de werkzaamheden; d. een situatietekening van de werkzaamheden; en e. de startdatum en de einddatum van de werkzaamheden.
  4. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het aanleggen, wijzigen, houden of verwijderen van een steiger of vlonder tevens de volgende gegevens verstrekt: a. de lengte en breedte van de steiger of vlonder; b. de hoogte van de steiger of vlonder ten opzichte van het waterpeil; en c. een constructietekening.
  5. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid wordt voor het plaatsen, wijzigen, houden of verwijderen van een afmeerpaal tevens een constructietekening verstrekt.
  6. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het aanleggen, wijzigen, houden of verwijderen van een brug tevens de volgende gegevens verstrekt: a. de lengte en breedte van de brug; b. de hoogte van de brug ten opzichte van het waterpeil en maaiveld; c. een omschrijving van de afwerking en de inrichting van de taluds, oevers en brughoofden. d. een constructietekening; en e. bij aanleg, wijzigen of houden van een brug in, op, boven, over of onder een waterkering: zo nodig een stabiliteitsberekening van de waterkering.
  7. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het aanleggen, wijzigen, houden of verwijderen van een oeverbescherming tevens de volgende gegevens verstrekt: a. een constructietekening van bijbehorende oeverbescherming; b. een berekening waaruit blijkt dat de oppervlakte van het oppervlaktewaterlichaam waar oeverbescherming wordt gerealiseerd minimaal gelijk is aan de huidige oppervlakte van het oppervlaktewaterlichaam; en c. bij aanleg, wijzigen of houden van een damwand in, op, boven, over of onder een waterkering: zo nodig een stabiliteitsberekening van de waterkering.
  8. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid wordt voor het plaatsen, wijzigen, houden of verwijderen van straatmeubilair tevens een werkplan verstrekt.
  9. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het aanleggen, wijzigen, houden of verwijderen van een kabel tevens de volgende gegevens verstrekt: a. de aanlegwijze of verwijderwijze van de kabel tijdens de werkzaamheden; b. een omschrijving van het type kabel; c. bij een waterkering, de bijhorende beschermingszone en profiel van vrije ruimte: een tekening met het dwarsprofiel van het werk ten opzichte van het leggerprofiel en het feitelijke profiel van de waterkering; d. bij het kruisen van een waterkering bij aanleg met een gestuurde boring: een boorplan met een beschrijving van de boring en de bepaling van het in- en uittredepunt conform de NEN 3650-serie; en e. bij het onderlangs kruisen van een primair water met een kabel: gegevens waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de criteria in de NEN 3650-serie en NEN
  10. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het aanleggen, wijzigen, houden of verwijderen van een leiding of mantelbuis tevens de volgende gegevens verstrekt: a. de aanlegwijze of verwijderwijze van de leiding en/of mantelbuis tijdens de werkzaamheden; b. een omschrijving van het type leiding en/of type mantelbuis; c. een tekening met het dwarsprofiel van het werk ten opzichte van het leggerprofiel en het feitelijke profiel van de waterkering; d. bij het onderlangs kruisen van een primair water met een leiding of mantelbuis: gegevens waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de criteria in de NEN 3650-serie en NEN 3651; en e. bij het kruisen van een waterkering bij aanleg met een gestuurde boring: een boorplan met een beschrijving van de boring en de bepaling van het in- en uittredepunt conform de NEN 3650-serie.
  11. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het plaatsen, wijzigen, houden of verwijderen van een hek, schutting of veekerende voorziening tevens een werkplan verstrekt.
  12. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het aanleggen, wijzigen, houden of verwijderen van een (bouw)werk tevens de volgende gegevens verstrekt: a. een constructietekening van bijbehorende werken; b. een tekening met het dwarsprofiel van het werk ten opzichte van het leggerprofiel en het feitelijke profiel van de waterkering; en c. bij aanleg, wijzigen of houden van een werk in, op, boven, over of onder een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: zo nodig een stabiliteitsberekening van de waterkering.
  13. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het aanbrengen, houden of verwijderen van de beplanting tevens de volgende gegevens verstrekt: a. een omschrijving van de soort beplanting; en b. een werkplan hoe de beplanting wordt aangebracht of verwijderd.
  14. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het beweiden tevens de volgende gegevens verstrekt: a. de diersoorten die worden gehouden op de waterkering; en b. het aantal dieren per hectare dat wordt gehouden op de waterkering.
  15. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het voorbereiden of houden van evenementen tevens de volgende gegevens verstrekt: a. een werkplan; b. een omschrijving van het gebruikte materieel en materiaal; en c. bij een waterkering: het gewicht van het materieel en materiaal.
  16. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het uitvoeren van grondmechanisch onderzoek tevens de volgende gegevens verstrekt: a. een werkplan; en b. een omschrijving en het gewicht van het gebruikte materieel.
  17. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het graven in de bodem, waterbodem of van een proefsleuf tevens de volgende gegevens verstrekt: a. een tekening met het dwarsprofiel van het werk ten opzichte van het leggerprofiel en het feitelijke profiel van de waterkering; en b. een werkplan.
  18. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het dempen en graven tevens de volgende gegevens verstrekt: a. een constructietekening met daarop profielen van de nieuwe en bestaande situatie; b. een tekening met daarop in vierkante meters aangegeven: 1º. het oppervlaktewaterlichaam dat wordt gegraven; en 2º. het oppervlaktewaterlichaam dat wordt gedempt. c. een berekening waaruit blijkt dat de oppervlakte van het oppervlaktewaterlichaam dat wordt gegraven minimaal gelijk is aan de oppervlakte van het oppervlaktewaterlichaam dat wordt gedempt; en d. de gebruikte materialen voor het dempen.
  19. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het plaatsen, wijzigen, houden en verwijderen van een dam met of zonder duiker tevens de volgende gegevens verstrekt: a. de lengte van de dam; b. de breedte van de dam; c. de vorm van de duiker; d. een omschrijving van het materiaal van de duiker; e. een omschrijving van de lengte, breedte en hoogte van de duiker; f. een berekening waaruit blijkt hoe de diameter van de duiker is bepaald; g. een constructietekening van de dam en duiker ten opzichte van het waterpeil; h. een berekening waaruit blijkt dat de oppervlakte van het oppervlaktewaterlichaam dat wordt gegraven minimaal gelijk is aan de oppervlakte van het oppervlaktewaterlichaam dat wordt gedempt.
  20. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het uitvoeren van overige activiteiten tevens de volgende gegevens verstrekt: a. een tekening met het dwarsprofiel van het werk ten opzichte van het leggerprofiel en het feitelijke profiel van de waterkering; b. bij een waterkering: zo nodig een stabiliteitsberekening van de waterkering; en c. een werkplan met de relevante maatvoering.
  21. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het plaatsen, wijzigen, houden en verwijderen van een natte ecologische zone tevens de volgende gegevens verstrekt: a. een omschrijving van de te realiseren flora; b. een omschrijving van het type natte ecologische zone; c. een vegetatiekaart ten behoeve van de natte ecologische zone; en d. een profielschets van de natte ecologische zone.
  22. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het wijzigen van het waterpeil tevens de volgende gegevens verstrekt: a. een omschrijving van de peilverhoging of peilverlaging ten opzichte van het door de waterbeheerder gehanteerde peil; b. een constructietekening van bijbehorende werken, zoals pomp, inlaat, stuw, bemalen of drainage; c. de maximale pompcapaciteit in m3/uur; d. een rapport met de noodzaak en gevolgen van de peilwijziging voor de waterhuishouding en voor eventuele derden; en e. een tekening van de begrenzing van het gebied waarop de waterpeil wijziging van invloed is.
  23. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het plaatsen, wijzigen, houden of verwijderen van strandbebouwing tevens de volgende gegevens verstrekt: a. een werkplan; en b. een constructietekening.
  24. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid worden voor het plaatsen, wijzigen, houden en verwijderen van een waterstaatswerk tevens de volgende gegevens verstrekt: a. dwarsdoorsnedetekeningen met de bestaande en nieuwe situatie van de werkzaamheden; b. zo nodig een stabiliteitsberekening van de waterkering; en c. een werkplan. Artikel 4.4 Beoordelingsregels waterkeringen en ondersteunende kunstwerken
  25. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit in, op, over of onder een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte, of bijbehorende ondersteunende kunstwerken wordt in acht genomen dat: a. het waterkerend vermogen van de waterkering niet mag verslechteren; b. het blijven voldoen aan de normen of omgevingswaarden die gelden voor de betreffende waterkering niet mag worden belemmerd; c. het in de toekomst laten voldoen aan de normen of omgevingswaarden die gelden voor de betreffende waterkering niet mag worden belemmerd als de waterkering nog niet voldoet aan de daarvoor geldende norm of omgevingswaarde; d. onderhoud, inspectie en monitoring van de waterkeringen mogelijk blijven; e. de kosten voor onderhoud, inspectie en monitoring van de waterkering niet onevenredig toenemen; en f. het functioneren van andere waterstaatswerken niet mag worden belemmerd.
  26. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de maatschappelijke functie van het watersysteem.
  27. Van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a, kan gemotiveerd worden afgeweken: a. als met de beperkingengebiedactiviteit, naar het oordeel van dijkgraaf en hoogheemraden, een zwaarwegend belang wordt gediend; en b. als de aanvrager, naar het oordeel van dijkgraaf en hoogheemraden, onderbouwd heeft aangetoond dat voor de beperkingengebiedactiviteit geen redelijk alternatief kan worden gevonden.
  28. Bij primaire waterkeringen wordt van een afwijking als bedoeld in het vorige lid zo snel mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de Verenigde Vergadering.
  29. Toepassing van het bepaalde in het derde lid wordt niet gemandateerd. Artikel 4.5 Beoordelingsregels Delflandsedijk 1 Bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een activiteit in, op, over of onder de Delflandsedijk wordt in acht genomen dat sprake is van een zwaarwegend belang. 2 Het bepaalde in artikel 4.4 eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.6 Beoordelingsregels oppervlaktewaterlichamen en ondersteunende kunstwerken
  30. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit in, over of onder een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones of bijbehorende ondersteunende kunstwerken wordt in acht genomen: a. dat het blijven voldoen aan de daarvoor geldende omgevingswaarden die gelden voor het betreffende oppervlaktewaterlichaam niet mag worden belemmerd; b. dat het in de toekomst laten voldoen aan de omgevingswaarde die gelden voor het betreffende oppervlaktewaterlichaam niet mag worden belemmerd als het oppervlaktewaterlichaam nog niet voldoet aan de daarvoor geldende omgevingswaarden; c. het ter plaatse geldende peilbesluit, tenzij de aanvraag betrekking heeft op het brengen of houden van de waterstand op een ander peil dan het peil dat in het peilbesluit is vastgesteld; en d. dat het functioneren van andere waterstaatswerken niet mag worden belemmerd.
  31. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid wordt rekening gehouden met: a. dat de kans op overstroming vanuit een oppervlaktewaterlichaam niet toeneemt; b. het in stand houden van het bergend en het aan- en afvoerend vermogen; c. indien de aanvraag betrekking heeft op het brengen of houden van de waterstand op een ander peil dan het peil dat in het peilbesluit is vastgesteld: alle bij het peilbesluit betrokken en afgewogen belangen; d. de normen met betrekking tot de chemische en ecologische waterkwaliteit voor oppervlaktewaterlichamen die geen KRW-oppervlaktewaterlichamen zijn; e. de migratie van vissen; f. dat de kosten voor onderhoud, inspectie en monitoring niet onevenredig toenemen; g. de maatschappelijke functie van het watersysteem; en h. een geldend omgevingsplan of projectbesluit waarvan de uitvoering in de nabije toekomst, naar het oordeel van dijkgraaf en hoogheemraden, aannemelijk is.
  32. In aanvulling op het bepaalde in het eerste en het tweede lid wordt betrokken: a. dat de inrichting van het watersysteem robuust en toekomstbestendig is; en b. de weerbaarheid van het gebied tegen schaarste aan zoet water. Artikel 4.7 Beoordelingsregels bergingsgebieden en bijbehorende ondersteunende kunstwerken
  33. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit in, over of onder een bergingsgebied of bijbehorende ondersteunende kunstwerken wordt in acht genomen dat: a. de doelmatige werking, inclusief het bergend vermogen, van het bergingsgebied en de kunstwerken niet mag worden aangetast; en b. het functioneren van andere waterstaatswerken niet mag worden belemmerd.
  34. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid wordt rekening gehouden met dat de kosten voor gebruik, onderhoud, inspectie en monitoring niet onevenredig toenemen.
  35. Van het bepaalde in het eerste lid kan naar het oordeel van dijkgraaf en hoogheemraden gemotiveerd worden afgeweken als: a. met de beperkingengebiedactiviteit een zwaarwegend maatschappelijk belang wordt gediend; en b. de aanvrager heeft aangetoond dat voor de beperkingengebiedactiviteit geen redelijk alternatief kan worden gevonden. Afdeling 4.2 Omgevingsvergunningvrije beperkingengebiedactiviteiten Paragraaf 4.2.1 Steigers en vlonders Artikel 4.8 Aanleggen, wijzigen en houden steiger of vlonder
  36. Het aanleggen, wijzigen en houden van een steiger of vlonder is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede en het derde lid.
  37. In, boven of over een bergingsgebied, oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones: a. ligt de steiger of vlonder niet in, boven of over een natte ecologische zone en aangrenzende beschermingszone; b. is de kortste afstand tussen de steiger of vlonder en een gemaal minimaal 50 meter; c. is de kortste afstand tussen de steiger of vlonder en een lozingspunt minimaal 10 meter; d. is de kortste afstand tussen de steiger of vlonder en een stuw, duiker, keerschot of inlaat minimaal 10 meter; e. is de kortste afstand tussen de steiger of vlonder en een naastgelegen steiger of vlonder of bestaande afmeerpaal minimaal 2,0 meter; f. is in een oppervlaktewaterlichaam de afstand tussen het laagste punt van de steiger of vlonder, palen niet meegerekend, en het hoogste schouwpeil minimaal 0,35 meter; g. is de afmeting van de steiger of vlonder haaks gemeten vanaf de oeverlijn maximaal 1,50 meter; h. is de afmeting van de steiger of vlonder haaks gemeten vanaf de oeverlijn maximaal 1/8 van de waterbreedte; en i. is de afmeting van de steiger of vlonder parallel aan de oeverlijn maximaal 6,0 meter.
  38. In, op, boven of over een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. ligt de steiger of vlonder niet in, boven of over de kruin of het buitentalud boven het waterpeil; b. wordt de steiger of vlonder trillingsvrij aangelegd; c. wordt de steiger of vlonder zonder gronduitspoeling aangelegd; en d. is over de gehele lengte van de steiger of vlonder in de doorgaande oeverlijn een oeverbescherming aangelegd en in stand gehouden.
  39. Een omgevingsvergunningvrije activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste drie weken voor het begin ervan gemeld in overeenstemming met artikel 4.
  40. Artikel 4.9 Verwijderen steiger of vlonder
  41. Het verwijderen van een steiger of vlonder is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede en het derde lid.
  42. In, boven of over een bergingsgebied, oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones: a. ligt de steiger of vlonder niet in, boven of over een natte ecologische zone en aangrenzende beschermingszone; b. is de afmeting van de steiger of vlonder vanaf en haaks op de oeverlijn maximaal 1,5 meter; c. is de afmeting van de steiger of vlonder parallel aan de oeverlijn maximaal 6 meter; en d. wordt de steiger of vlonder zonder gronduitspoeling verwijderd.
  43. In, op, boven of over een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. ligt de steiger of vlonder niet in, boven of over het buitentalud of de kruin; b. wordt de steiger of vlonder trillingsvrij verwijderd; c. wordt de steiger of vlonder zonder gronduitspoeling verwijderd; en d. worden gaten die ontstaan direct gevuld met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  44. Een omgevingsvergunningvrije activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste drie weken voor het begin ervan gemeld in overeenstemming met artikel 4.
  45. Paragraaf 4.2.2 Afmeerpalen Artikel 4.10 Plaatsen, wijzigen en houden afmeerpaal
  46. Het plaatsen, wijzigen en houden van een afmeerpaal is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede en het derde lid.
  47. In een bergingsgebied, oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones: a. staat de afmeerpaal niet in een natte ecologische zone en aangrenzende beschermingszone; b. is de afstand tussen de afmeerpaal en een gemaal minimaal 50 meter; c. is de afstand tussen de afmeerpaal en een lozingspunt minimaal 10 meter; d. is de afstand tussen de afmeerpaal en een stuw, duiker, keerschot of inlaat minimaal 10 meter; e. is de kortste afstand tussen de afmeerpaal en een bestaande steiger, vlonder of afmeerpaal minimaal 2,0 meter; f. is de afstand tussen de afmeerpaal en de oeverlijn maximaal 1,5 meter; en g. is de afstand tussen de afmeerpaal en de oeverlijn maximaal 1/8 van de waterbreedte.
  48. In of op een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. staat de afmeerpaal niet in, boven of over het buitentalud of de kruin; b. wordt de afmeerpaal trillingsvrij geplaatst; c. wordt de afmeerpaal zonder gronduitspoeling geplaatst; en d. is tussen de afmeerpalen in de doorgaande oeverlijn achter de afmeerpaal een oeverbescherming aangelegd en in stand gehouden.
  49. Een omgevingsvergunningvrije activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste drie weken voor het begin ervan gemeld in overeenstemming met artikel 4.
  50. Artikel 4.11 Verwijderen afmeerpaal
  51. Het verwijderen van een afmeerpaal is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede en het derde lid.
  52. In, boven of over een bergingsgebied, oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones: a. ligt de afmeerpaal niet in, boven of over een natte ecologische zone; en b. worden gaten die ontstaan direct gevuld.
  53. In of op een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. ligt de afmeerpaal niet in, boven of over het buitentalud of de kruin; b. wordt de afmeerpaal trillingsvrij verwijderd; c. wordt de afmeerpaal zonder gronduitspoeling verwijderd; en d. worden gaten die ontstaan direct gevuld met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  54. Een omgevingsvergunningvrije activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste drie weken voor het begin ervan gemeld in overeenstemming met artikel 4.
  55. Paragraaf 4.2.3 Bruggen Artikel 4.12 Aanleggen, wijzigen en houden brug
  56. Het aanleggen, wijzigen en houden van een brug is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede en het derde lid.
  57. In, boven of over een bergingsgebied, secundair water of bijbehorende beschermingszones: a. ligt de brug niet in, boven of over een natte ecologische zone; b. ligt de onderkant van de brug over secundair water minimaal 0,5 meter boven het schouwpeil; c. is de breedte van de brug tussen de doorgaande oeverlijnen maximaal 4 meter; d. is de afstand van de brug tot een naastgelegen brug minimaal 5 meter; e. is de afstand van de brug tot een naastgelegen ondersteunend kunstwerk minimaal 5 meter; f. heeft de brug geen steunpunten tussen de doorgaande oeverlijnen; en g. worden maatregelen genomen om te voorkomen dat de oever erodeert of instort.
  58. De brug wordt niet aangelegd en niet gehouden in, op, boven of over een: a. primair water en bijbehorende beschermingszones; b. waterkering, bijbehorende beschermingszones en bijbehorend profiel van vrije ruimte; c. ondersteunend kunstwerk.
  59. Een omgevingsvergunningvrije activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste drie weken voor het begin ervan gemeld in overeenstemming met artikel 4.
  60. Artikel 4.13 Verwijderen brug
  61. Het verwijderen van een brug is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede en het derde lid.
  62. In, boven of over een bergingsgebied, secundair water of bijbehorende beschermingszones: a. ligt de brug niet in, boven of over een natte ecologische zone; en b. worden gaten die ontstaan direct gevuld.
  63. De brug wordt niet verwijderd uit, van of over een: a. primair water en bijbehorende beschermingszones; b. waterkering, bijbehorende beschermingszones en bijbehorend profiel van vrije ruimte; c. ondersteunend kunstwerk.
  64. Een omgevingsvergunningvrije activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste drie weken voor het begin ervan gemeld in overeenstemming met artikel 4.
  65. Paragraaf 4.2.4 Oeverbescherming Artikel 4.14 Aanleggen, wijzigen en houden oeverbescherming
  66. Het aanleggen, wijzigen en houden van een oeverbescherming is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede en het derde lid.
  67. In een bergingsgebied, oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones of bijbehorende ondersteunende kunstwerken: a. ligt de oeverbescherming niet in een natte ecologische zone en aangrenzende beschermingszone; b. ligt de oeverbescherming in de doorgaande oeverlijnen; c. is de oeverbescherming gronddicht; d. steken lozingspijpen uit tot buiten de oeverbescherming; e. wordt de ruimte achter de oeverbescherming geheel aangevuld; en f. wordt er geen water gedempt.
  68. In of op een waterkering, bijbehorende beschermingszones, bijbehorend profiel van vrije ruimte of bijbehorende ondersteunende kunstwerken is de oeverbescherming een beschoeiing (en dus geen damwand). Artikel 4.15 Verwijderen oeverbescherming
  69. Het verwijderen van een oeverbescherming is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede en het derde lid.
  70. In een bergingsgebied, oppervlaktewaterlichaam, bijbehorende beschermingszones of bijbehorende ondersteunende kunstwerken: a. wordt de oeverbescherming niet verwijderd uit een natte ecologische zone en aangrenzende beschermingszone; en b. heeft het waterstaatswerk na het verwijderen van de oeverbescherming de afmetingen die in de legger staan.
  71. In of op een waterkering, bijbehorende beschermingszones, bijbehorend profiel van vrije ruimte of bijbehorende ondersteunende kunstwerken staat de oeverbescherming niet als waterkerend of profielverdedigend kunstwerk in de legger. Paragraaf 4.2.5 Straatmeubilair Artikel 4.16 Plaatsen, wijzigen en houden straatmeubilair
  72. Het plaatsen, wijzigen en houden van straatmeubilair is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het zesde lid.
  73. In, boven of over de beschermingszone van een primair water is de afstand tussen het straatmeubilair en de dichtstbijzijnde insteek minimaal 1,5 meter.
  74. In, boven of over de beschermingszone van een secundair water is de afstand tussen het straatmeubilair en de dichtstbijzijnde insteek minimaal 0,5 meter.
  75. In, op, boven of over een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. bestaat het straatmeubilair enkel uit reflectorpalen of bermplanken of bebording op fles- of buispalen; b. wordt het straatmeubilair zonder een verzwaarde voet gefundeerd; en c. worden in- en ontgravingen aan het einde van elke werkdag gedicht met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  76. In, op, boven of over de zeewering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. wordt bij de dijk-in-boulevard het straatmeubilair op, boven of over de dijk-in-boulevard geplaatst; en b. wordt de vrijkomende grond in de directe omgeving van het straatmeubilair verwerkt.
  77. Het straatmeubilair wordt niet geplaatst in, op, boven, over of onder een: a. oppervlaktewaterlichaam; b. ondersteunend kunstwerk. Artikel 4.17 Verwijderen straatmeubilair
  78. Het verwijderen van straatmeubilair is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met vierde het lid.
  79. In, boven of over een bergingsgebied of een beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam worden gaten die ontstaan direct gevuld.
  80. In, op, boven of over een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte worden gaten die ontstaan direct gevuld met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  81. Het straatmeubilair wordt niet verwijderd uit, van of onder een: a. oppervlaktewaterlichaam; b. ondersteunend kunstwerk. Paragraaf 4.2.6 Kabels Artikel 4.18 Aanleggen, wijzigen en houden kabel
  82. Het aanleggen, wijzigen en houden van een kabel is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het twaalfde lid.
  83. Bij het doorvoeren en houden van kabels door bestaande mantelbuizen moeten deze mantelbuizen voldoen aan NEN 3650-serie en NEN
  84. In, boven, over of onder een oppervlaktewaterlichaam: a. ligt de kabel niet in lengterichting van het oppervlaktewaterlichaam; b. ligt de kabel minimaal 1,30 meter onder de leggerdiepte; en c. wordt de kabel met een sleufloze techniek aangelegd.
  85. In afwijking van het bepaalde in het derde lid, onder b, ligt de kabel in of onder een oppervlaktewaterlichaam waar met motorvaartuigen mag worden gevaren, zoals vastgelegd in de Vaarverordening Delfland, minimaal 2 meter onder de leggerdiepte.
  86. In afwijking van het bepaalde in het derde lid, onder b en c, ligt de kabel bij ophanging aan een brug niet lager dan de onderkant van de brug.
  87. In of onder een waterkering, bijbehorende beschermingszones, bijbehorend profiel van vrije ruimte of bijbehorende ondersteunende kunstwerken: a. worden in- en ontgravingen aan het einde van elke werkdag met de vrijgekomen grond gedicht; b. wordt de ontgraven grond in de oorspronkelijke laag teruggebracht; c. worden in het waterstaatswerk na afronding van de werkzaamheden de grondsoorten laagsgewijs verdicht; d. wordt na afronding van de werkzaamheden de bekleding van de waterkering volledig en erosiebestendig hersteld; en e. worden alle zakkingen en zettingen van de waterkering hersteld die door het werk ontstaan.
  88. In of onder de zeewering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte ligt de kabel: a. in de landwaartse beschermingszone; of b. binnen stedelijk gebied in het waterstaatswerk.
  89. In of onder een regionale waterkering of een polderkade, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. is de kabel geen hoogspanningskabel; b. ligt de kabel in de waterkering of bijbehorend profiel van vrije ruimte haaks op de waterkering; c. is in de waterkering de afstand tussen de onderkant van de kabel en het maaiveld maximaal 0,80 meter; en d. wordt de kabel in de waterkering in een sleuf aangelegd.
  90. In afwijking van het bepaalde in het achtste lid, onder b, kan een kabel bedoeld voor het openbare verlichtingsnetwerk in de lengterichting van de waterkering liggen: a. in of nabij de binnenkruinlijn; of b. als de binnenkruinlijn niet mogelijk is, buiten het leggerprofiel in of nabij de buitenkruinlijn.
  91. In afwijking van het bepaalde in het achtste lid kan de kabel ook worden aangelegd met een gestuurde boring waarbij: a. de punten van intrede en uittrede buiten de waterkering en de bijbehorende beschermingszones liggen; b. de kabel minimaal 10,0 meter onder de kruin van de waterkering ligt; c. de diameter van de kabel niet groter is dan 63 mm; en d. een in onbruik geraakt boorgat waterdicht wordt opgevuld.
  92. In, over, onder of naast een duiker of een inlaat is de afstand tussen de kabel en de duiker of inlaat minimaal 0,20 meter.
  93. De kabel wordt niet aangelegd en niet gehouden in, op, door, over of onder: a. de Delflandsedijk en bijbehorend profiel van vrije ruimte; b. een gemaal; c. een stuw.
  94. Een omgevingsvergunningvrije activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste drie weken voor het begin ervan gemeld in overeenstemming met artikel 4.36 indien de activiteit uitgevoerd wordt in een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte. Artikel 4.19 Verwijderen kabel
  95. Het verwijderen van een kabel is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het zevende lid.
  96. In of onder een oppervlaktewaterlichaam: a. ligt de kabel niet in lengterichting van het oppervlaktewaterlichaam; en b. ligt de kabel minimaal 1,30 meter onder de leggerdiepte.
  97. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onder b, ligt de kabel in of onder een oppervlaktewaterlichaam waar met motorvaartuigen mag worden gevaren, zoals vastgelegd in de Vaarverordening Delfland, minimaal 2 meter onder de leggerdiepte.
  98. In of onder een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. worden ontgravingen aan het einde van elke werkdag met de vrijgekomen grond gedicht; b. wordt de ontgraven grond in de oorspronkelijke laag teruggebracht; c. worden in de waterkering na afronding van de werkzaamheden de grondsoorten laagsgewijs verdicht; d. wordt na afronding van de werkzaamheden de bekleding van de waterkering volledig en erosiebestendig hersteld; en e. worden alle zakkingen en zettingen van de waterkering hersteld die door het werk ontstaan.
  99. In of onder een regionale waterkering of een polderkade of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. ligt de kabel haaks op de waterkering; en b. heeft in de waterkering een ontgraving een diepte van maximaal 0,8 meter onder het maaiveld.
  100. In, over, onder of naast een duiker of een inlaat is de afstand tussen de kabel en de duiker of inlaat minimaal 0,20 meter.
  101. De kabel wordt niet verwijderd uit, van of onder: a. de Delflandsedijk; b. de zeewering en bijbehorend profiel van vrije ruimte voor zover de zeewering ligt buiten stedelijk gebied; c. de buitenwaartse beschermingszone van de zeewering; d. een gemaal; e. een stuw.
  102. Een omgevingsvergunningvrije activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste drie weken voor het begin ervan gemeld in overeenstemming met artikel 4.36 indien de activiteit uitgevoerd wordt in een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte. Paragraaf 4.2.7 Leidingen en mantelbuizen Artikel 4.20 Aanleggen, wijzigen en houden leiding of mantelbuis
  103. Het aanleggen, wijzigen en houden van een leiding of mantelbuis is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het negende lid.
  104. In, boven, over of onder een oppervlaktewaterlichaam: a. ligt de leiding of mantelbuis niet in lengterichting van het oppervlaktewaterlichaam; b. ligt de leiding of mantelbuis minimaal 1,30 meter onder de leggerdiepte; c. voldoet de leiding of mantelbuis aan de NEN 3650-serie; en d. wordt de leiding of mantelbuis met een sleufloze techniek aangelegd.
  105. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onder b, ligt de leiding of mantelbuis in of onder een oppervlaktewaterlichaam waar met motorvaartuigen mag worden gevaren, zoals vastgelegd in de Vaarverordening Delfland, minimaal 2 meter onder de leggerdiepte.
  106. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onder b en d, ligt de leiding of mantelbuis bij ophanging aan een brug niet lager dan de onderkant van de brug.
  107. In of onder een waterkering, bijbehorende beschermingszones, bijbehorend profiel van vrije ruimte of bijbehorende ondersteunende kunstwerken: a. is de bedrijfsdruk in de leiding of mantelbuis maximaal 3 bar; b. heeft de leiding of mantelbuis een uitwendige diameter van maximaal 110 millimeter; c. voldoet de leiding of mantelbuis aan de NEN 3650 serie; d. heeft een leiding voor gas of vloeistof bij het toepassen van een sleufloze techniek een mantelbuis als tweede gas- of vloeistofkering; e. is een mantelbuis aan beide zijden blijvend waterdicht afgewerkt; f. worden in- en ontgravingen aan het einde van elke werkdag met de vrijgekomen grond gedicht; g. wordt de ontgraven grond in de oorspronkelijke laag teruggebracht; h. worden in het waterstaatswerk na afronding van de werkzaamheden de grondsoorten laagsgewijs verdicht; i. wordt na afronding van de werkzaamheden de bekleding van de waterkering volledig en erosiebestendig hersteld; en j. worden alle zakkingen en zettingen van de waterkering hersteld die door het werk ontstaan.
  108. In of onder zeewering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. ligt de leiding of mantelbuis in het waterstaatswerk binnen stedelijk gebied; en b. wordt de leiding of mantelbuis met een andere techniek dan boogboring aangelegd.
  109. In of onder een regionale waterkering of een polderkade of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. ligt de leiding of mantelbuis haaks op de waterkering; b. is in de waterkering de afstand tussen de onderkant van de leiding of mantelbuis en het maaiveld maximaal 1,0 meter; en c. wordt de leiding of mantelbuis in de waterkering in een sleuf aangelegd.
  110. In, over, onder of naast een duiker of een inlaat: a. is de afstand tussen de leiding of mantelbuis en de duiker of inlaat minimaal 0,20 meter; en b. voldoet de leiding of mantelbuis aan de NEN 3650 serie.
  111. De leiding of mantelbuis wordt niet aangelegd en niet gehouden in, op, door, over of onder: a. de Delflandsedijk en bijbehorend profiel van vrije ruimte; b. een gemaal; c. een stuw.
  112. Een omgevingsvergunningvrije activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste drie weken voor het begin ervan gemeld in overeenstemming met artikel 4.36 indien de activiteit uitgevoerd wordt in een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte. Artikel 4.21 Verwijderen leiding of mantelbuis
  113. Het verwijderen van een leiding of mantelbuis is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het zevende lid.
  114. In of onder een oppervlaktewaterlichaam: a. ligt de leiding of mantelbuis niet in lengterichting van het oppervlaktewaterlichaam; en b. ligt de leiding of mantelbuis minimaal 1,30 meter onder de leggerdiepte.
  115. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onder b, ligt de leiding of mantelbuis in of onder een oppervlaktewaterlichaam waar met motorvaartuigen mag worden gevaren, zoals vastgelegd in de Vaarverordening Delfland, minimaal 2 meter onder de leggerdiepte.
  116. In of onder een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. heeft de leiding of mantelbuis een uitwendige diameter van maximaal 110 millimeter; b. worden ontgravingen aan het einde van elke werkdag met de vrijgekomen grond gedicht; c. wordt de ontgraven grond in de oorspronkelijke laag teruggebracht; d. worden in het waterstaatswerk na afronding van de werkzaamheden de grondsoorten laagsgewijs verdicht; e. wordt na afronding van de werkzaamheden de bekleding van de waterkering volledig en erosiebestendig hersteld; en f. worden alle zakkingen en zettingen van de waterkering hersteld die door het werk ontstaan.
  117. In of onder een regionale waterkering of polderkade of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. ligt de leiding of mantelbuis haaks op de waterkering; en b. heeft in het waterstaatswerk een ontgraving een diepte van maximaal 1,0 meter onder het maaiveld.
  118. In, over, onder of naast een duiker of een inlaat is de afstand tussen de leiding of mantelbuis en de duiker of inlaat minimaal 0,20 meter.
  119. De leiding of mantelbuis wordt niet verwijderd uit, van of onder: a. de Delflandsedijk en bijbehorend profiel van vrije ruimte; b. de buitenwaartse beschermingszone en buiten het stedelijk gebied van de zeewering en bijbehorend profiel van vrije ruimte; c. een gemaal; d. een stuw.
  120. Een omgevingsvergunningvrije activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste drie weken voor het begin ervan gemeld in overeenstemming met artikel 4.36 indien de activiteit uitgevoerd wordt in een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte. Paragraaf 4.2.8 Hekken Artikel 4.22 Plaatsen, wijzigen en houden hek
  121. Het plaatsen, wijzigen en houden van een hek is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het zesde lid.
  122. In, boven of over de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam: a. staat het hek niet in, boven of over een beschermingszone grenzend aan een natte ecologische zone; b. staat een hek, dat parallel aan het oppervlaktewaterlichaam staat, in de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en is het hek maximaal 1 meter hoog.
  123. In, op, boven of over de Delflandsedijk, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. is het hek maximaal 1 meter hoog; b. heeft het hek een vrije doorgang van minimaal 4 meter; en c. worden in- en ontgravingen aan het einde van elke werkdag gedicht met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  124. In, op, boven of over een niet verheelde of niet aangeheelde regionale waterkering of polderkade, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. staat het hek niet in, boven of over het buitentalud of de kruin; b. is het hek op het binnentalud en landwaarts tot op 1 meter afstand van de teenlijn maximaal 1 meter hoog; c. wordt het hek zonder een verzwaarde voet gefundeerd; en d. worden in- en ontgravingen aan het einde van elke werkdag gedicht met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  125. In, op, boven of over een verheelde, aangeheelde of aangevulde regionale waterkering of polderkade, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. heeft het hek op de kruin van het waterstaatswerk een vrije doorgang van minimaal 2 meter; b. is een hek dat evenwijdig aan het waterstaatswerk op minder dan 3 meter afstand landwaarts van de buitenkruinlijn ligt maximaal 1 meter hoog; c. wordt het hek zonder een verzwaarde voet gefundeerd; en d. worden in- en ontgravingen aan het einde van elke werkdag gedicht met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  126. Het hek wordt niet geplaatst en niet gehouden in, op, boven of over: a. een oppervlaktewaterlichaam; b. een ondersteunend kunstwerk. Artikel 4.23 Verwijderen hek
  127. Het verwijderen van een hek is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid.
  128. In een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte worden gaten die ontstaan direct gevuld met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  129. In een bergingsgebied of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam worden gaten die ontstaan direct gevuld.
  130. Het hek wordt niet verwijderd uit of van: a. een oppervlaktewaterlichaam; b. een ondersteunend kunstwerk. Paragraaf 4.2.9 Schuttingen Artikel 4.24 Plaatsen, wijzigen en houden schutting
  131. Het plaatsen, wijzigen en houden van een schutting is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het zesde lid.
  132. In, boven of over de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam: a. staat de schutting niet in, boven of over een beschermingszone grenzend aan een natte ecologische zone; en b. staat de schutting haaks op het oppervlaktewaterlichaam.
  133. In, op, boven of over de Delflandsedijk, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. is de afstand landwaarts tussen de schutting en de teenlijn minimaal 1 meter; en b. worden in- en ontgravingen aan het einde van elke werkdag gedicht met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  134. In, op, boven of over een niet verheelde of niet aangeheelde regionale waterkering of polderkade, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. is de afstand landwaarts tussen de schutting en de teenlijn minimaal 1 meter; b. wordt de schutting zonder een verzwaarde voet gefundeerd; en c. worden in- en ontgravingen aan het einde van elke werkdag gedicht met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  135. In, op, boven of over een verheelde, aangeheelde of aangevulde regionale waterkering of polderkade, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. is de afstand landwaarts tussen de schutting en de buitenkruinlijn minimaal 2 meter; b. is een schutting die evenwijdig aan het waterstaatswerk op minder dan 3 meter afstand landwaarts van de buitenkruinlijn ligt maximaal 1 meter hoog; c. wordt de schutting zonder een verzwaarde voet gefundeerd; en d. worden in- en ontgravingen aan het einde van elke werkdag gedicht met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  136. De schutting wordt niet geplaatst en niet gehouden in, op, boven of over: a. een oppervlaktewaterlichaam; b. een ondersteunend kunstwerk. Artikel 4.25 Verwijderen schutting
  137. Het verwijderen van een schutting is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid.
  138. In een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte worden gaten die ontstaan direct gevuld met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  139. In een bergingsgebied of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam worden gaten die ontstaan direct gevuld.
  140. De schutting wordt niet verwijderd uit of van: a. een oppervlaktewaterlichaam; b. een ondersteunend kunstwerk. Paragraaf 4.2.10 Veekerende voorzieningen Artikel 4.26 Plaatsen, wijzigen en houden veekerende voorziening
  141. Het plaatsen, wijzigen en houden van een veekerende voorziening is omgevings-vergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid.
  142. In, boven of over de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam a. staat de veekerende voorziening niet in, boven of over een beschermingszone grenzend aan een natte ecologische zone; b. is de veekerende voorziening in de beschermingszone maximaal 1 meter hoog.
  143. In, op, boven of over de Delflandsedijk, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. is de veekerende voorziening maximaal 1 meter hoog; b. heeft de veekerende voorziening in, op, boven of over het waterstaatswerk een vrije doorgang van minimaal 4 meter; en c. worden in- en ontgravingen aan het einde van elke werkdag gedicht met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  144. In, op, boven of over een regionale waterkering of polderkade, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. staat de veekerende voorziening niet in, boven of over het buitentalud; b. is bij een niet verheelde of niet aangeheelde waterkering de veekerende voorziening op de kruin maximaal 0,60 meter hoog; c. is bij een verheelde, aangeheelde of aangevulde waterkering de veekerende voorziening tot op 2 meter afstand landwaarts van de buitenkruinlijn maximaal 0,60 meter hoog; en d. worden in- en ontgravingen aan het einde van elke werkdag gedicht met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  145. De veekerende voorziening wordt niet geplaatst en niet gehouden in, op, boven of over: a. een oppervlaktewaterlichaam; b. een ondersteunend kunstwerk. Artikel 4.27 Verwijderen veekerende voorziening
  146. Het verwijderen van een veekerende voorziening is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid.
  147. In een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte worden gaten die ontstaan direct gevuld met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  148. In een bergingsgebied of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam worden gaten die ontstaan direct gevuld.
  149. De veekerende voorziening wordt niet verwijderd uit of van: a. een oppervlaktewaterlichaam; b. een ondersteunend kunstwerk. Paragraaf 4.2.11 Werken Artikel 4.28 Aanleggen, wijzigen en houden werk
  150. Dit artikel is niet van toepassing op het aanleggen, wijzigen en houden van een steiger, vlonder, afmeerpaal, brug, oeverbescherming, straatmeubilair, kabel, leiding, mantelbuis, hek, schutting of veekerende voorziening.
  151. Het aanleggen, wijzigen en houden van een werk is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het derde tot en met het zevende lid.
  152. In, boven of over de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam: a. ligt het werk niet in, boven of over een beschermingszone grenzend aan een natte ecologische zone; b. is het werk geen opstal; c. is het werk eenvoudig te verwijderen; en d. wordt het werk zonder ontgraving aangelegd.
  153. In, op, boven, over of onder een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. is de oppervlakte van het werk maximaal 6 vierkante meter; b. is het werk eenvoudig te verwijderen; en c. wordt het werk zonder ontgraving en zonder paalfundering aangelegd.
  154. In, op, boven, over of onder een regionale waterkering of polderkade, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte: a. wordt het werk bij een niet verheelde of niet aangeheelde waterkering niet aangelegd in, op, boven, onder of door het buitentalud, de kruin en het binnentalud; b. wordt het werk bij een verheelde of aangeheelde waterkering niet aangelegd in, op, boven, over of onder het buitentalud; c. is de afstand tussen een opstal en de buitenkruinlijn landwaarts minimaal 2 meter; en d. is bij een regionale waterkering in een voorland de afstand tussen een opstal en de buitenkruinlijn minimaal 1,50 meter.
  155. In, op, boven, over of onder de zeewering of bijbehorende beschermingszone wordt het werk aangelegd of gehouden: a. in de landwaartse beschermingszone; of b. binnen stedelijk gebied in het waterstaatswerk.
  156. Het werk wordt niet aangelegd en niet gehouden in, op, boven, over of onder: a. een oppervlaktewaterlichaam; b. de Delflandsedijk; c. een bergingsgebied; d. een ondersteunend kunstwerk. Artikel 4.29 Verwijderen werk
  157. Dit artikel is niet van toepassing op het aanleggen, wijzigen en houden van een steiger, vlonder, afmeerpaal, brug, oeverbescherming, straatmeubilair, kabel, leiding, mantelbuis, hek, schutting of veekerende voorziening.
  158. Het verwijderen van een werk is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het derde en vierde lid.
  159. In, op, boven, over of onder een waterkering, bijbehorende beschermingszones of bijbehorend profiel van vrije ruimte worden gaten die ontstaan direct gevuld met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  160. Het werk wordt niet verwijderd uit, van, over of onder een: a. oppervlaktewaterlichaam; b. bergingsgebied; c. ondersteunend kunstwerk. Paragraaf 4.2.12 Beplanting Artikel 4.30 Aanbrengen en houden beplanting
  161. Het aanbrengen en houden van beplanting is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het tiende lid.
  162. In een bergingsgebied of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam: a. staat de beplanting niet in een beschermingszone grenzend aan een natte ecologische zone; en b. bestaat de beplanting niet uit bomen of struiken.
  163. In een waterkering of bijbehorende beschermingszones: a. is de hart-op-hart afstand tussen bomen minimaal 15 meter; en b. worden in- en ontgravingen aan het einde van elke werkdag gedicht met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal.
  164. In, op, boven, over of onder de zeewering of bijbehorende beschermingszone wordt de beplanting aangelegd of gehouden: a. in de landwaartse beschermingszone; of b. binnen stedelijk gebied in het waterstaatswerk.
  165. In de beschermingszone of het profiel van vrije ruimte van de Delflandsedijk: a. is de afstand tussen het waterstaatswerk en het hart van een boom minimaal 3 meter; en b. is de afstand tussen het waterstaatswerk en het hart van een struik minimaal 1,5 meter.
  166. In of op een niet verheelde of niet aangeheelde regionale waterkering of bijbehorende beschermingszones: a. staat de beplanting niet in, boven of over het buitentalud, de kruin of het binnentalud; b. is de afstand landwaarts tussen de teenlijn en het hart van een boom minimaal 7 meter; c. is de afstand landwaarts tussen de teenlijn en het hart van een struik minimaal 6 meter; d. is in een voorland de afstand tussen de buitenkruinlijn en het hart van een boom minimaal 3 meter; en e. is in een voorland de afstand tussen de buitenkruinlijn en het hart van een struik minimaal 1,5 meter.
  167. In of op een verheelde, aangeheelde of aangevulde regionale waterkering of bijbehorende beschermingszones: a. staat de beplanting niet in, op, boven of over het buitentalud; b. is de afstand landwaarts tussen de buitenkruinlijn en het hart van een boom minimaal 7 meter; c. is de afstand landwaarts tussen de buitenkruinlijn en het hart van een struik minimaal 3,5 meter; d. is in een voorland de afstand tussen de buitenkruinlijn en het hart van een boom minimaal 3 meter; en e. is in een voorland de afstand tussen de buitenkruinlijn en het hart van een struik minimaal 1,5 meter.
  168. In of op een niet verheelde of niet aangeheelde polderkade of landscheiding of bijbehorende beschermingszones: a. staat de beplanting niet in, boven of over het buitentalud, de kruin of het binnentalud; en b. is de afstand landwaarts tussen de teenlijn en het hart van een boom of struik minimaal 6 meter.
  169. In of op een verheelde, aangeheelde of aangevulde polderkade of landscheiding of bijbehorende beschermingszones: a. staat de beplanting in of op de aanheling; b. is de afstand landwaarts tussen de buitenkruinlijn en het hart van een boom minimaal 6 meter; en c. is de afstand landwaarts tussen de buitenkruinlijn en het hart van een struik minimaal 4 meter.
  170. De beplanting wordt niet aangebracht en niet gehouden in, op, boven of over: a. een oppervlaktewaterlichaam; b. de Delflandsedijk; c. een ondersteunend kunstwerk. Artikel 4.31 Verwijderen beplanting
  171. Het verwijderen van beplanting is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede en het derde lid.
  172. In een bergingsgebied, oppervlaktewaterlichaam, bijbehorende beschermingszones of een beschermingszone van een waterkering worden gaten die ontstaan direct gedicht.
  173. In een waterkering worden gaten die ontstaan direct gedicht met voor de waterkering geschikt bodemmateriaal. Paragraaf 4.2.13 Beweiden Artikel 4.32 Beweiden
  174. Beweiden is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede en het derde lid.
  175. Op een waterkering: a. is de diersoort waarmee beweid wordt schaap of geit; b. zijn per hectare maximaal 15 dieren van 1 jaar of ouder aanwezig; c. wordt beweid in de periode van 1 april tot en met 31 oktober; d. worden de dieren niet bijgevoerd; en e. wordt de waterkering niet extra bemest.
  176. Beweiden vindt niet plaats in een natte ecologische zone. Paragraaf 4.2.14 Evenementen Artikel 4.33 Voorbereiden en houden evenement
  177. Het voorbereiden en houden van een evenement is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid.
  178. In, op, boven, over of onder de zeewering vindt het evenement plaats binnen stedelijk gebied.
  179. In, op, boven, over of onder de beschermingszone van de zeewering: a. vindt het evenement plaats op het strand; b. vindt het evenement plaats in de periode van 1 maart tot en met 1 november; c. duurt het evenement maximaal drie maanden; d. is de afstand tussen tijdelijke werken en de duinvoet minimaal 2 meter; e. is het vloeroppervlak van tijdelijke werken maximaal 20 vierkante meter; f. wordt niet ontgraven; en g. is het evenement geen gemotoriseerd evenement.
  180. In, op, boven of over de beschermingszone en profiel van vrije ruimte van de Delflandsedijk: a. vindt het evenement plaats in de periode van 1 maart tot en met 1 november; b. duurt het evenement maximaal drie maanden; c. is het vloeroppervlak van tijdelijke werken maximaal 20 vierkante meter; d. wordt niet ontgraven; en e. is het evenement geen gemotoriseerd evenement.
  181. Het evenement wordt niet voorbereid en niet gehouden in, op, boven, over of onder: a. de Delflandsedijk; b. een regionale waterkering of een polderkade, bijbehorende beschermingszones of een bijbehorend profiel van vrije ruimte; c. een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones; d. een bergingsgebied; e. een ondersteunend kunstwerk. Paragraaf 4.2.15 Grondmechanisch onderzoek en proefsleuven Artikel 4.34 Uitvoeren grondmechanisch onderzoek
  182. Het uitvoeren van grondmechanisch onderzoek is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede en het derde lid.
  183. In of onder een bergingsgebied, oppervlaktewaterlichaam, bijbehorende beschermingszones of ondersteunend kunstwerk: a. worden gebruikte hulpconstructies direct na het uitvoeren van grondmechanisch onderzoek verwijderd; en b. worden boor- en sondeergaten zorgvuldig waterdicht gedicht.
  184. In, op of onder een waterkering of bijbehorende beschermingszones: a. weegt het materieel gebruikt op een waterkering zonder openbare weg maximaal 3,5 ton; b. worden gebruikte peilbuizen direct na de metingen verwijderd; en c. worden gaten die door de werkzaamheden zijn gemaakt direct na afronding van de werkzaamheden waterdicht met bentoniet of zwelkleikorrels gevuld.
  185. Een omgevingsvergunningvrije activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste drie weken voor het begin ervan gemeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4.
  186. Artikel 4.35 Graven proefsleuf
  187. Het graven van een proefsleuf is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede en het derde lid.
  188. In of onder een bergingsgebied, oppervlaktewaterlichaam, waterkering of bijbehorende beschermingszones: a. is in het waterstaatswerk maximaal 1 proefsleuf tegelijk aanwezig, en is deze proefsleuf maximaal 0,50 meter breed bij 1 meter lang; b. is in de waterkering de proefsleuf maximaal 0,80 meter diep; c. worden in- en ontgravingen aan het einde van elke werkdag met de vrijgekomen grond gedicht; d. wordt de ontgraven grond in de oorspronkelijke grondlaag teruggebracht; e. worden in het waterstaatswerk direct na afronding van de werkzaamheden de verschillende grondsoorten per grondlaag laagsgewijs verdicht, en f. wordt direct na afronding van de werkzaamheden de bekleding van de waterkering volledig en erosiebestendig hersteld.
  189. De proefsleuf wordt niet gegraven in of onder een ondersteunend kunstwerk.
  190. Een omgevingsvergunningvrije activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste drie weken voor het begin ervan gemeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4.
  191. Paragraaf 4.2.16 Indieningsvereisten melding Artikel 4.36 Indieningsvereisten melding
  192. Indien op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk een melding is vereist, wordt door diegene die de beperkingengebiedactiviteit verricht melding gedaan aan dijkgraaf en hoogheemraden.
  193. Bij de melding zoals bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens verstrekt: a. een omschrijving van de reden van de werkzaamheden; b. een situatietekening van de werkzaamheden; c. de startdatum van de werkzaamheden; en d. de einddatum van de werkzaamheden.
  194. In aanvulling op het bepaalde in het tweede lid worden voor het aanleggen, wijzigen of houden van een steiger of vlonder tevens de volgende gegevens verstrekt: a. de lengte en breedte van de steiger of vlonder; b. de hoogte van de steiger of vlonder ten opzichte van het waterpeil; en c. een constructietekening.
  195. In aanvulling op het bepaalde in het tweede lid worden voor het aanleggen, wijzigen en houden van een brug tevens de volgende gegevens verstrekt: a. de lengte en breedte van de brug; b. de hoogte van de brug ten opzichte van het waterpeil en maaiveld; en c. een constructietekening.
  196. In aanvulling op het bepaalde in het tweede lid worden voor het aanleggen, wijzigen en houden van een kabel tevens de volgende gegevens verstrekt: a. de aanlegwijze van de kabel tijdens de werkzaamheden; b. een omschrijving van het type kabel; en c. een tekening met het dwarsprofiel van het werk ten opzichte van het leggerprofiel en het feitelijke profiel van de waterkering.
  197. In aanvulling op het bepaalde in het tweede lid worden voor het verwijderen van een kabel tevens de volgende gegevens verstrekt: a. de verwijderwijze van de kabel tijdens de werkzaamheden; b. een omschrijving van het type kabel; en c. een tekening met het dwarsprofiel van het werk ten opzichte van het leggerprofiel en het feitelijke profiel van de waterkering.
  198. In aanvulling op het bepaalde in het tweede lid worden voor het aanleggen, wijzigen en houden van een leiding of mantelbuis tevens de volgende gegevens verstrekt: a. de aanlegwijze van de leiding of mantelbuis tijdens de werkzaamheden; b. een omschrijving van het type leiding of mantelbuis; en c. een tekening met het dwarsprofiel van het werk ten opzichte van het leggerprofiel en het feitelijke profiel van de waterkering.
  199. In aanvulling op het bepaalde in het tweede lid worden voor het verwijderen van een leiding of mantelbuis tevens de volgende gegevens verstrekt: a. de verwijderwijze van de leiding of mantelbuis tijdens de werkzaamheden; b. een omschrijving van het type leiding of mantelbuis; en c. een tekening met het dwarsprofiel van het werk ten opzichte van het leggerprofiel en het feitelijke profiel van de waterkering.
  200. In aanvulling op het bepaalde in het tweede lid wordt voor het uitvoeren grondmechanisch onderzoek tevens een omschrijving van het gewicht van het gebruikte materieel verstrekt.
  201. In aanvulling op het bepaalde in het tweede lid wordt voor het graven van een proefsleuf tevens een tekening met het dwarsprofiel van het werk ten opzichte van het leggerprofiel en het feitelijke profiel van de waterkering verstrekt.
  202. De melding vervalt als de gemelde werkzaamheden niet binnen een jaar na ontvangst van de melding is uitgevoerd. Hoofdstuk 5 Wateronttrekkingsactiviteiten grondwater Afdeling 5.

Artikel 5.1 Omgevingsvergunningplicht 1.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken door middel van een daarvoor bedoelde voorziening, of water in de bodem te brengen ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater, door middel van een daarvoor bedoelde voorziening.

  1. Het verbod, bedoeld in het vorige lid, geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 5.2 Vrijstelling omgevingsvergunningplicht Geen omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk is verplicht als het onttrekken van grondwater door middel van een daarvoor bedoelde voorziening, of het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater, door middel van een daarvoor bedoelde voorziening, voldoet aan de regels die zijn gesteld in artikel 5.8 of artikel 5.9 tot en met artikel 5.
  2. Artikel 5.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning (aanvullend) De aanvrager om een omgevingsvergunning legt ten minste over bij zijn aanvraag: a. een opgave van het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in m3 per uur per put; g. de hoeveelheid grondwater in m3 per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; i. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en j. als het gaat om het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater in samenhang met het onttrekken van grondwater:
  3. de hoeveelheid water in m3 per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;
  4. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;
  5. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;
  6. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en
  7. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken. Artikel 5.4 Beoordelingsregel onttrekken grondwater (met of zonder infiltratie)
  8. Een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door middel van een daarvoor bedoelde voorziening wordt alleen verleend als de wateronttrekkingsactiviteit verenigbaar is met de dragende functie van het watersysteem.
  9. De aangevraagde activiteit mag er in ieder geval niet toe leiden dat: a. de doelstelling van ombuiging van significante en aan en aanhoudend stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en b. de doelstelling van het voorkomen van de achteruitgang en het streven naar verbetering van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt. Artikel 5.5 Beoordelingsregels infiltratie water in samenhang met onttrekken grondwater
  10. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater, door middel van een daarvoor bedoelde voorziening wordt in acht genomen dat: a. er geen gevaar is voor verontreiniging van het grondwater; b. als in het water dat in de bodem wordt gebracht stoffen voorkomen die zijn vermeld in bijlage XIX, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, de concentraties van die stoffen lager zijn dan de concentraties die in die bijlage, onder A, voor die stoffen is aangegeven; c. als het water dat in de bodem wordt gebracht stoffen voorkomen die zijn vermeld in bijlage XIX, onder B, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, die niet tevens zijn vermeld onder A in die bijlage, zowel de hoeveelheden als de concentraties van die stoffen zodanig gering zijn, dat gevaar voor verslechtering van de kwaliteit van het grondwater is uitgesloten; en d. het in de bodem brengen van water plaatsvindt in hetzelfde watervoerende pakket als van waaruit het onttrokken wordt.
  11. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b, kan in de omgevingsvergunning voor een of meer stoffen een hogere concentratie worden toegestaan gedurende een in die omgevingsvergunning vastgestelde periode als: a. de bodemgesteldheid of de bodemsoort zodanig is dat, ondanks die hogere concentratie of concentraties, geen gevaar bestaat voor verontreiniging van het grondwater; of b. aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die het gevaar voor verontreiniging van het grondwater, dat ontstaat door die hogere concentratie of concentraties, opheffen. Artikel 5.6 Beoordelingsregel onttrekken grondwater of infiltratie in samenhang met onttrekken grondwater bij verontreiniging van de bodem
  12. Een omgevingsvergunning wordt niet verleend voor het onttrekken van grondwater door middel van een daartoe bedoelde voorziening, of het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater, door middel van een daartoe bedoelde voorziening, indien die onttrekking of dat in de bodem brengen van water in samenhang met die onttrekking tot gevolg heeft dat een ernstige verontreiniging significant wordt verplaatst of verspreid.
  13. Het eerste lid is niet van toepassing indien de onttrekking strekt tot een sanering van een verontreiniging van de bodem. Artikel 5.7 Vergunningvoorschriften
  14. Tot de voorschriften, bedoeld in artikel 3.3, die aan een omgevingsvergunning kunnen worden verbonden, behoren in ieder geval: a. een voorschrift als bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, onder b; b. de verplichting tot een stapsgewijze vermindering van de vergunde wateronttrekkingsactiviteit op de in het voorschrift aangegeven wijze, alvorens die activiteit te staken; en c. voorschriften als bedoeld in artikel 5.
  15. Aan een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater, door middel van een daarvoor bedoelde voorziening, worden voorschriften verbonden over: a. de kwaliteit van het in de bodem te brengen water; b. de beheersing van de hydrologische situatie; c. de beëindiging van het in de bodem brengen van water; en d. de controle van de kwaliteit van het grondwater.
  16. Een voorschrift als bedoeld in het tweede lid, onder a, houdt in ieder geval in dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van het grondwater, en kan mede inhouden dat voorschriften worden gesteld die inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater voorkomen of beperken.
  17. Een voorschrift als bedoeld in het tweede lid, onder b, houdt in ieder geval in dat verspreiding van het in de bodem te brengen water zo veel mogelijk wordt beheerst, om het in de bodem te brengen water grotendeels weer te onttrekken.
  18. Een voorschrift als bedoeld in het tweede lid, onder c, houd in ieder geval in dat de gevolgen van het in de bodem brengen van water voor de kwaliteit van de bodem geëvalueerd worden, gevolgd door een planmatige aanpak van de beëindiging van de activiteit en het opheffen van eventuele nadelige gevolgen van die activiteit. Afdeling 5.2 Omgevingsvergunningvrije wateronttrekkingsactiviteiten Artikel 5.8 Onttrekken grondwater voor alle toepassingen
  19. Het onttrekken van grondwater is omgevingsvergunningvrij voor alle toepassingen als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede en het derde lid.
  20. Er wordt maximaal 1 m3 per uur onttrokken.
  21. De onttrekking vindt plaats buiten een grondwaterbeschermingsgebied.
  22. Als een activiteit als bedoeld in het eerste lid omgevingsvergunningvrij is, blijft het bepaalde in artikel 5.21 voor die activiteit buiten toepassing. Artikel 5.9 Onttrekken grondwater voor drooghouden van (bouw)put, grondsanering, of kabel- of leidingsleuf
  23. Het onttrekken van grondwater voor het drooghouden van een bouwput, een grondsanering, of een kabel- of leidingsleuf is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid.
  24. Buiten een grondwaterbeschermingsgebied wordt meer dan 1 m3 en maximaal 50 m3 per uur en maximaal 200.000 m3 in totaal onttrokken.
  25. Binnen een grondwaterbeschermingsgebied wordt maximaal 10 m3 per uur en maximaal 20.000 m3 in totaal onttrokken.
  26. Binnen een grondwaterbeschermingsgebied is de onttrekking niet permanent.
  27. Als een activiteit als bedoeld in het eerste lid omgevingsvergunningvrij is, dan mag die activiteit alleen worden verricht als: a. ten minste 48 uur voor het begin van de onttrekking een melding is gedaan in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.19 als: 1º. buiten een grondwaterbeschermingsgebied maximaal 10 m3 per uur en maximaal 20.000 m3 in totaal wordt onttrokken; 2º. binnen een grondwaterbeschermingsgebied maximaal 5 m3 per uur en maximaal 12.000 m3 in totaal wordt onttrokken; b. ten minste drie weken voor het begin van de onttrekking een melding is gedaan in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.20 als: 1º. buiten een grondwaterbeschermingsgebied meer dan 10 m3 per uur en/of meer dan 20.000 m3 in totaal wordt onttrokken; 2º. binnen een grondwaterbeschermingsgebied meer dan 5 m3 per uur en/of meer dan 12.000 m3 in totaal wordt onttrokken; c. wordt gemeten en geregistreerd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.
  28. Het bepaalde in het vorige lid onder c geldt niet als de onttrekking een omvang heeft van 12.000 m3 per jaar of minder. Artikel 5.10 Onttrekken grondwater voor beregening voor agrarische activiteiten
  29. Het onttrekken van grondwater voor beregening voor agrarische activiteiten is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het zesde lid.
  30. Het grondwater wordt onttrokken uit het eerste watervoerende pakket of dieper.
  31. Er wordt meer dan 1 m3 en maximaal 50 m3 per uur en maximaal 200.000 m3 per jaar onttrokken.
  32. De onttrekking vindt plaats buiten de strategische zoet grondwatervoorraad.
  33. Binnen een grondwaterbeschermingsgebied is de onttrekking niet permanent. 6 Als een activiteit als bedoeld in het eerste lid omgevingsvergunningvrij is, dan mag die activiteit alleen worden verricht als: a. ten minste 48 uur voor het begin van de onttrekking een melding is gedaan in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.19 als buiten een grondwater-beschermingsgebied maximaal 10 m3 per uur en maximaal 12.000 m3 per jaar wordt onttrokken; b. ten minste drie weken voor het begin van de onttrekking een melding is gedaan in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.20 als binnen een grondwater-beschermingsgebied en/of meer dan 10 m3 per uur en/of meer dan 12.000 m3 in totaal wordt onttrokken; c. wordt gemeten en geregistreerd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.
  34. Het bepaalde in het vorige lid onder c geldt niet als de onttrekking een omvang heeft van 12.000 m3 per jaar of minder. Artikel 5.11 Onttrekken grondwater voor beregening voor andere dan agrarische activiteiten
  35. Het onttrekken van grondwater voor beregening voor andere dan agrarische activiteiten is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid.
  36. Er wordt meer dan 1 m3 en maximaal 50 m3 per uur en maximaal 50.000 m3 per jaar onttrokken.
  37. De onttrekking vindt plaats buiten de strategische zoet grondwatervoorraad.
  38. Binnen een grondwaterbeschermingsgebied is de onttrekking niet permanent.
  39. Als een activiteit als bedoeld in het eerste lid omgevingsvergunningvrij is, dan mag die activiteit alleen worden verricht als: a. ten minste 48 uur voor het begin van de onttrekking een melding is gedaan in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.19 als buiten een grondwaterbeschermingsgebied maximaal 10 m3 per uur en maximaal 12.000 m3 per jaar wordt onttrokken; b. ten minste drie weken voor het begin van de onttrekking een melding is gedaan in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.20 als binnen een grondwaterbeschermingsgebied en/of meer dan 10 m3 per uur en/of meer dan 12.000 m3 in totaal wordt onttrokken; c. wordt gemeten en geregistreerd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.
  40. Het bepaalde in het vorige lid onder c geldt niet als de onttrekking een omvang heeft van 12.000 m3 per jaar of minder. Artikel 5.12 Onttrekken grondwater voor testen brandblusvoorziening
  41. Het onttrekken van grondwater voor het testen van een brandblusvoorziening is omgevingsvergunningvrij.
  42. Van een activiteit als bedoeld in het eerste lid dient ten minste drie weken voor het begin van de onttrekking een melding te worden gedaan in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.
  43. Voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid blijft artikel 5.21 buiten toepassing als minder dan 12.000 m3 in totaal wordt onttrokken. Artikel 5.13 Onttrekken grondwater voor blussen van brand
  44. Het onttrekken van grondwater voor het blussen van brand is omgevingsvergunningvrij.
  45. Van een activiteit als bedoeld in het eerste lid dient uiterlijk vier weken na het beëindigen van de onttrekking een mededeling aan Delfland worden gedaan.
  46. Voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid blijft artikel 5.21 buiten toepassing als minder dan 12.000 m3 in totaal wordt onttrokken. Artikel 5.14 Onttrekken grondwater voor grondwatersanering
  47. Het onttrekken van grondwater voor grondwatersanering is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid.
  48. Buiten een grondwaterbeschermingsgebied: a. wordt meer dan 1 m3 per uur en maximaal 25 m3 per uur onttrokken; b. wordt niet langer dan 7 jaar onttrokken.
  49. Binnen een grondwaterbeschermingsgebied: a. wordt maximaal 10 m3 per uur onttrokken; b. wordt niet langer dan 1 jaar onttrokken; c. wordt niet permanent onttrokken.
  50. De onttrekking: a. wordt ten minste 48 uur voor het begin gemeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.19 als: 1º. buiten een grondwaterbeschermingsgebied maximaal 10 m3 per uur wordt onttrokken; 2º. binnen een grondwaterbeschermingsgebied maximaal 5 m3 per uur wordt onttrokken; b. wordt ten minste drie weken voor het begin gemeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.20 als: 1º. buiten een grondwaterbeschermingsgebied meer dan 10 m3 per uur wordt onttrokken; 2º. binnen een grondwaterbeschermingsgebied meer dan 5 m3 per uur wordt onttrokken; c. wordt gemeten en geregistreerd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.
  51. Het bepaalde in het vorige lid onder c geldt niet indien de onttrekking een omvang heeft van 12.000 m3 per jaar of minder. Artikel 5.15 Onttrekken grondwater voor proefonttrekkingen
  52. Het onttrekken van grondwater voor een proefonttrekking is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid.
  53. Buiten een grondwaterbeschermingsgebied wordt meer dan 1 m3 per uur en maximaal 100 m3 per uur en maximaal 50.000 m3 in totaal onttrokken.
  54. Binnen een grondwaterbeschermingsgebied wordt maximaal 10 m3 per uur en maximaal 20.000 m3 in totaal onttrokken.
  55. De onttrekking: a. wordt ten minste 48 uur voor het begin gemeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.19 als: 1º. buiten een grondwaterbeschermingsgebied maximaal 20 m3 per uur en maximaal 12.000 m3 in totaal wordt onttrokken; 2º. binnen een grondwaterbeschermingsgebied maximaal 5 m3 per uur en maximaal 12.000 m3 in totaal wordt onttrokken; b. wordt ten minste drie weken voor het begin gemeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.20 als: 1º. buiten een grondwaterbeschermingsgebied meer dan 20 m3 per uur en/of meer dan 12.000 m3 in totaal wordt onttrokken; 2º. binnen een grondwaterbeschermingsgebied meer dan 5 m3 per uur en/of meer dan 12.000 m3 in totaal wordt onttrokken; c. wordt gemeten en geregistreerd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.
  56. Het bepaalde in het vorige lid onder c geldt niet indien de onttrekking een omvang heeft van 12.000 m3 per jaar of minder. Artikel 5.16 Onttrekken grondwater voor industrieel gebruik
  57. Het onttrekken van grondwater voor industrieel gebruik is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid.
  58. Er wordt meer dan 1 m3 per uur en maximaal 50 m3 per uur en maximaal 100.000 m3 in totaal per kalenderjaar onttrokken.
  59. De onttrekking vindt plaats buiten de strategische zoet grondwatervoorraad.
  60. Binnen een grondwaterbeschermingsgebied is de onttrekking niet permanent.
  61. De onttrekking: a. wordt ten minste drie weken voor het begin gemeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.20; b. wordt gemeten en geregistreerd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.
  62. Het bepaalde in het vorige lid onder b geldt niet indien de onttrekking een omvang heeft van 12.000 m3 per jaar of minder. Artikel 5.17 Onttrekken grondwater voor overig gebruik
  63. Het onttrekken van grondwater is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het zevende lid.
  64. Het grondwater wordt niet onttrokken voor het drooghouden van een bouwput, grondsanering of kabel- of leidingsleuf, voor het testen van een brandblusvoorziening, voor het blussen van brand, voor een proefonttrekking, voor grondwatersanering, voor beregening en voor industrieel gebruik.
  65. Er wordt meer dan 1 m3 per uur en maximaal 10 m3 per uur en maximaal 12.000 m3 per jaar onttrokken.
  66. De onttrekking vindt plaats buiten de strategische zoet grondwatervoorraad.
  67. Binnen een grondwaterbeschermingsgebied is de onttrekking niet permanent.
  68. De onttrekking vindt niet plaats volgens het polderprincipe.
  69. De onttrekking: a. wordt ten minste drie weken voor het begin gemeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.20; b. wordt gemeten en geregistreerd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.
  70. Het bepaalde in het vorige lid onder b geldt niet indien de onttrekking een omvang heeft van 12.000 m3 per jaar of minder. Artikel 5.18 Algemene voorschriften grondwateronttrekkingen
  71. Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 5.8 tot en met 5.17: a. retourneert grondwater onttrokken uit de strategische zoet grondwatervoorraad volledig in het watervoerende pakket waaruit is onttrokken en met minimaal dezelfde kwaliteit als bij de onttrekking, met uitzondering van een onttrekking als bedoeld in artikel 5.16; b. zorgt ervoor dat bij elk ontgravingsniveau sprake is van verticale stabiliteit van de ontgraving; c. brengt peilbuizen en bronnen zodanig aan dat via het boorgat geen grondwaterstroming kan optreden tussen watervoerende pakketten; d. dicht bronnen of peilputten direct na stoppen van de grondwateronttrekking; en e. herstelt het oorspronkelijke bodemprofiel bij het dichten van bronnen en peilputten.
  72. Als sprake is van het in bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, neemt diegene daarbij de voorschriften in het vorige lid onder b tot en met e in acht. Artikel 5.19 Indieningsvereisten eenvoudige melding
  73. Als op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk een melding is vereist in overeenstemming met dit artikel, wordt door diegene die de activiteit verricht melding gedaan aan dijkgraaf en hoogheemraden.
  74. De melding wordt schriftelijk of met een elektronisch formulier gedaan.
  75. De melding bestaat uit de volgende gegevens: a. naam, adres, telefoonnummer en e-mailadres van de melder; b. naam, telefoonnummer en e-mailadres van de contactpersoon tijdens de onttrekking; c. het adres van de werkzaamheden; d. een situatietekening op schaal waarop het onttrekkings- en lozingspunt zijn aangegeven; e. een kaart met de ligging van de onttrekking; f. het doel van de onttrekking; g. de startdatum van de onttrekking; h. de duur van de onttrekking; i. het aantal bestaande en nieuw in te richten putten; j. de diameter en de lengte van de filters in iedere put; k. de pompcapaciteit in m3 per uur en het te installeren vermogen in m3 per uur per put; en l. de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar. Artikel 5.20 Indieningsvereisten uitgebreide melding
  76. Als op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk een melding is vereist in overeenstemming met dit artikel, wordt door diegene die de activiteit verricht melding gedaan aan dijkgraaf en hoogheemraden.
  77. De melding wordt schriftelijk of met een elektronisch formulier gedaan.
  78. De melding bestaat uit de volgende gegevens: a. naam, adres, telefoonnummer en e-mailadres van de melder; b. naam, telefoonnummer en e-mailadres van de contactpersoon tijdens de onttrekking; c. het adres van de werkzaamheden; d. een situatietekening op schaal waarop het onttrekkings- en lozingspunt zijn aangegeven; e. een kaart met de ligging van de onttrekking; f. het doel van de onttrekking; g. de startdatum van de onttrekking; h. de duur van de onttrekking; i. het aantal bestaande en nieuw in te richten putten; j. de diameter en de lengte van de filters in iedere put; k. de pompcapaciteit in m3 per uur en het te installeren vermogen in m3 per uur per put; l. de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar; m. een beschrijving van het te verwachten hydrologische invloedsgebied en de daarin gelegen kwetsbare bodemgebruiksfuncties; n. een beschrijving van de risico’s als gevolg van de onttrekking voor de bodemgebruiksfuncties, en o. een beschrijving van de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen te voorkomen of te beperken. Afdeling 5.3 Meet- en registratieverplichting Artikel 5.21 Meetverplichting onttrekken grondwater en infiltratie water
  79. Degene die grondwater onttrekt door middel van een daarvoor bedoelde voorziening, of water in de bodem brengt ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater, door middel van een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water in m3 met een nauwkeurigheid van ten minste 95 procent.
  80. Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kunnen dijkgraaf en hoogheemraden in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
  81. Tenzij in de vergunning of bij maatwerkbesluit anders geregeld meet degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater, door middel van een daarvoor bedoelde voorziening, de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in tabel 5.1 opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie. Tabel 5.1 Parameters en meetfrequentie Parameter Afkorting Frequentie bacteriën van de coligroep - vierwekelijks Kleur - vierwekelijks zwevende stof SS vierwekelijks geleidingsvermogen voor elektriciteit - vierwekelijks temperatuur T vierwekelijks zuurgraad pH vierwekelijks opgelost zuurstof O2 vierwekelijks totaal organisch koolstof TOC vierwekelijks bicarbonaat HCO3 vierwekelijks nitriet NO2 vierwekelijks nitraat NO3 vierwekelijks ammonium NH4 vierwekelijks totaal fosfaat totaal P vierwekelijks fluoride F driemaandelijks chloride Cl vierwekelijks sulfaat SO4 driemaandelijks natrium Na driemaandelijks ijzer Fe driemaandelijks mangaan Mn driemaandelijks chroom Cr driemaandelijks lood Pb driemaandelijks koper Cu driemaandelijks zink Zn driemaandelijks cadmium Ca driemaandelijks arseen As driemaandelijks cyanide CN driemaandelijks minerale olie - vierwekelijks adsorbeerbaar organisch halogeen AOX vierwekelijks vluchtig organisch gebonden chloor VOC vierwekelijks vluchtige aromaten - vierwekelijks polycyclische aromaten PAK driemaandelijks fenolen - driemaandelijks
  82. Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan dijkgraaf en hoogheemraden de volgende gegevens verstrekt: a. de in het voorgaande kalenderjaar, of, bij beëindiging, de in het desbetreffende kalenderjaar, gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en b. de kwaliteit van het geïnfiltreerde water door middel van in ieder geval de analyse, bedoeld in het derde lid.
  83. De analyse van de monsters, bedoeld in het derde lid, vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling.
  84. Het eerste tot en met het vierde lid gelden niet: a. voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. voor zover in deze verordening is bepaald dat geen metingen hoeven te worden verricht. Hoofdstuk 6 Wateronttrekkingsactiviteiten oppervlaktewaterlichaam Artikel 6.1 Omgevingsvergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning water te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 6.2 Vrijstelling omgevingsvergunningplicht Geen omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk is verplicht als aan het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam regels zijn gesteld in artikel 6.5 en de wateronttrekkingsactiviteit aan die regels voldoet. Artikel 6.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning (aanvullend) De aanvrager om een omgevingsvergunning legt ten minste over bij zijn aanvraag: a. het doel waarvoor het te onttrekken water wordt gebruikt; b. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder onttrekkingspunt; c. de capaciteit van de pomp in m3 per uur per onttrekkingspunt; d. de hoeveelheid water in m3 per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste wordt onttrokken; e. de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en f. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken. Artikel 6.4 Beoordelingsregels onttrekking oppervlaktewater
  85. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam wordt in acht genomen dat het functioneren van waterstaatswerken niet mag worden belemmerd.
  86. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid wordt rekening gehouden met: a. de maatschappelijke functie, bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, van het oppervlaktewaterlichaam waarop de aanvraag betrekking heeft en van de overige waterstaatswerken waarop het onttrekken van het water effect heeft; en b. de weerbaarheid van het gebied tegen schaarste aan zoet water. Artikel 6.5 Omgevingsvergunningvrije onttrekking oppervlaktewater
  87. Het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam is omgevingsvergunningvrij als wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid.
  88. Het debiet van de onttrekking is maximaal 100 m3/uur.
  89. Eén kadastraal perceel onttrekt aan een oppervlaktewaterlichaam binnen één peilgebied.
  90. Als het onttrekken wordt gecombineerd met het lozen van water, worden onttrekking en lozing binnen hetzelfde peilgebied gedaan.
  91. Het peil van het oppervlaktewater wordt niet permanent gewijzigd.
  92. Het onttrekken van water aan een oppervlaktelichaam is omgevingsvergunningvrij indien de onttrekking geschiedt in het kader van peilbeheer door of namens Delfland. Hoofdstuk 7 Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam Afdeling 7.

Artikel 7.1 Specifieke zorgplicht 1.

Degene die een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen, bedoeld in artikel 1.2, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  1. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; c. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam doelmatig kunnen worden bemonsterd; f. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd. Artikel 7.2 Omgevingsvergunningplicht
  2. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten.
  3. Het verbod, bedoeld in het vorige lid, geldt niet voor: a. het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen; en c. in het kader van het peilbeheer dan wel het bevorderen van de waterkwaliteit: het lozen van water dat is onttrokken aan een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 7.3 Vrijstelling omgevingsvergunningplicht
  4. Geen omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk is verplicht als aan de lozingsactiviteit regels zijn gesteld in de artikelen 7.8 tot en met 7.57 en de lozingsactiviteit aan die regels voldoet, en, als sprake is van de lozing van water, voldaan is aan het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid.
  5. Het debiet van de lozing is maximaal 100 m3/uur.
  6. Vanaf een kadastraal perceel wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam binnen hetzelfde peilgebied als waarin het perceel is gelegen.
  7. Het bepaalde in het tweede en het derde lid geldt niet indien het water in het oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht naar aanleiding van, en in overeenstemming met, een daartoe strekkend concreet voorafgegaan verzoek door Delfland aan de eigenaar of exploitant van een glastuinbouwbedrijf op grond van een tussen Delfland en de eigenaar of exploitant van dat glastuinbouwbedrijf gesloten overeenkomst strekkende tot deelname door die eigenaar of die exploitant aan Rainlevelr.
  8. Als het lozen wordt gecombineerd met het onttrekken van water, worden lozing en onttrekking binnen hetzelfde peilgebied gedaan. Artikel 7.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning (aanvullend)
  9. De aanvrager om een omgevingsvergunning legt ten minste over bij zijn aanvraag: a. de regelmaat waarmee lozingen of deellozingen plaatsvinden; b. de aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt; c. de aanduiding van de locaties van de lozingspunten; d. de periode waarin de lozingen plaatsvinden; e. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken; f. een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; en g. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
  10. Als de lozingsactiviteit betrekking heeft of tevens betrekking heeft op het lozen van water wordt bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voorts vermeld: a. wat het debiet bedraagt, uitgedrukt in m3 per uur; en b. als het water afvalwater betreft: wat de samenstelling is van het afvalwater.
  11. Als de lozingsactiviteit betrekking heeft of tevens betrekking heeft op het lozen van stoffen worden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voorts verstrekt: a. de aanduiding van en de herkomst en samenstelling van de stof die wordt geloosd; b. de hoeveelheid stof die wordt geloosd; c. de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de geloosde stoffen, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en d. de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets 2016, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
  12. Als de lozingsactiviteit betrekking heeft of tevens betrekking heeft op het lozen van warmte of koude, wordt bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voorts vermeld: a. de temperatuur van het te lozen water ter plaatse van het lozingspunt; en b. een beschrijving van de effecten van de lozing volgens de CIW-beoordelings-systematiek Warmtelozingen

(2004)of de daarvoor in de plaats getreden systematiek. Artikel 7.5 Beoordelingsregels
  1. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam wordt in acht genomen dat: a. milieuverontreiniging door de lozing wordt geïntegreerd voorkomen of, wanneer dit niet mogelijk is, beperkt; b. emissies in het oppervlaktewater en het ontstaan van afval door de lozing worden voorkomen of, wanneer dit niet mogelijk is, beperkt om een hoog niveau van bescherming van het oppervlaktewater te bereiken; c. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; d. de voor de lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast; e. er wordt geen significante milieuverontreiniging veroorzaakt; f. de nodige maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen van ongevallen te beperken; en g. dat het functioneren van andere waterstaatswerken niet mag worden belemmerd.
  2. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid wordt rekening gehouden met: a. de artikelen 10.14 en 10.29a Wet milieubeheer; en b. de ecologische kwaliteit van het watersysteem; en c. dat de kans op overstroming vanuit een oppervlaktewaterlichaam niet toeneemt.
  3. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een lozingsactiviteit waaraan regels zijn gesteld in de artikelen 7.8 tot en met 7.57 en de lozingsactiviteit aan die regels voldoet, is op de beoordeling van de aanvraag alleen het bepaalde in het tweede lid onder b en c van toepassing. Artikel 7

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.