← Nederland

Welstandsnota gemeente Haaren 2013 (Haaren)

In het kort

Deze wet regelt de welstandsbeoordeling van bouwplannen in de gemeente Haaren, met als doel de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren en de beoordeling van bouwplannen transparanter en objectiever te maken.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Welstandsnota gemeente Haaren 2013Welstandsnota Gemeente Haaren 2013 Welstandsnota Gemeente Haaren Februari 2013 Projectleider gemeente Haaren: dhr. L.van Beurden Projectmedewerkers gemeente Haaren: Dhr. R. van den Broek, dhr. A. Verhoeven, mevr. L. Verduijn, mevr. I. van der Linden, dhr. A. Engelse, dhr. M. van de Ven, dhr. R. Mackaij Uitvoering: SRE Milieudienst Projectleider SRE Milieudienst: dhr. J. Ahsmann Kaartmateriaal: dhr. F. Lathouwers VOORWOORD “Iedereen die in onze gemeente rondkijkt, zal zo zijn oordeel hebben over mooi en lelijk. Dat blijft een persoonlijke zaak. Toch valt er op twee aspecten winst te behalen als het om de gebouwde omgeving gaat, en wel op het gebied van de kwaliteit van het woonmilieu en de verbetering van het inzicht in de beoordeling van bouwplannen. De kwaliteit van het woon- en leefmilieu is altijd voor verbetering vatbaar, op de ene plaats wat meer dan op de andere. In de nota is hierop ingespeeld door die delen van de gemeente aandacht te geven, die dat wat meer nodig hebben. Zo zal een historisch waardevolle omgeving meer zorg en aandacht behoeven dan een industrieterrein. Ook binnen woonwijken kan onderscheid aangebracht worden tussen de toe te passen welstandscriteria afhankelijk van de na te streven verbetering. Om dit te bereiken is in de woningwet de zogenaamde gebiedsgerichte aanpak geïntroduceerd. Zonder expliciete criteria is de welstandsbeoordeling voor de burger nauwelijks voorspelbaar. In de nota wordt daarom aangegeven aan welke criteria de plannen getoetst worden en op welke accenten er in bepaalde gebieden of bij bijzondere objecten specifiek wordt gelet. Op deze manier wordt de helderheid en de openheid bij de welstandstoetsing vergroot. Nieuw in deze geheel herziene nota is de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van de burger, bouwer, initiatiefnemer voor de kwaliteit van de eigen leefomgeving. De gemeente Haaren streeft naar een verhouding met zijn inwoners op basis van vertrouwen, en ziet zichzelf als partner van zijn burgers in het streven naar een aangenaam woonklimaat. Ik ben ervan overtuigd, dat deze geheel herziene welstandsnota een positieve bijdrage levert aan de bevordering van het begrip tussen planindiener en welstandscommissie en daarmee aan de versoepeling van de beoordeling van bouwplannen in onze gemeente. Ik dank allen die aan het tot stand komen van deze nota hebben gewerkt.” Johan van den Brand Wethouder gemeente Haaren Inhoud Welstandsnota Gemeente Haaren 1 Februari 2013 1 VOORWOORD 5 INLEIDING 7 1 Aanleiding 7 2 Het doel en de reikwijdte van deze welstandsnota 8 3 Leeswijzer 9 DEEL A - BELEID 13 WELSTANDSBELEID 15 1 Inleiding 15 2 verschillende typen welstandscriteria 16 3 Gebiedsgericht welstandsbeleid 19 2.3.1 Inleiding 19 2.3.2 Gebiedsanalyse 22 2.3.3 Beleidsgebieden 26 2.4 objectgericht welstandsbeleid 30 2.4.1 Voor- en achterkant benadering 30 2.4.2 objectcriteria 30 INKADERING VAN HET WELSTANDSBELEID 33 1 Inleiding 33 2 Welstand en ruimtelijke kwaliteit in groter verband 34 3 Welstand en het bestemmingsplan 35 4 Welstand en het Beeldkwaliteitsplan 36 5 Welstand en openbare ruimte en groenbeleid 37 6 Welstand en Erfgoedbeleid 39 3.6.1 Inleiding 39 3.6.2 Monumenten op de Welstandsbeleidskaart 41 3.6.3 archeologie 42 3.6.4 Relatie met andere sturingsinstrumenten 42 3.7 Welstand en reclamebeleid 43 DEEL B - PROCEDURE 45 ORGANISATIE VAN WELSTAND 47 1 toetsingsprocedure 47 4.1.1 planverantwoording 47 4.1.2 procedure 48 2 De welstandscommissie 50 3 De gemeentelijke organisatie 50 4.3.1 Burgemeester en wethouders voeren het welstandstoezicht uit 50 4.3.2 Afwijking van het advies, afwijken van de criteria 51 4.3.3 Bezwaar/beroepprocedure 52 4.3.4 Vooroverleg/conceptaanvraag 53 4.3.5 Supervisie/relatie welstandscommissie 53 welstand en de oMGEVINGSwetgeving 55 1 Status 55 2 Woningwet, Wabo en Bor. 55 3 Benodigde bescheiden bij welstandstoets 58 dEEL C - CRITERIA 61 GEBRUIKSHANDLEIDING 63 6.algemene CRITERIA 65 Toepassing algemene criteria 65 1 Redelijkheid 66 2 Afstemming op het gebiedskarakter 66 3 Afstemming op de belendingen 67 4 Afstemming op het eigen karakter 67 5 Relatie tussen vorm, gebruik en constructie 67 6 Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context (Stijl, type, tijdsbeeld) 68 7 Evenwicht tussen helderheid en complexiteit 68 8 Schaal en maatverhoudingen 69 9 Materiaal, textuur, kleur 69 10 Detaillering 70 beeldkwaliteitplannen 73 GEBIEDSGERICHTE CRITERIA 75 Ruimtelijke hoofdstructuur 78 Historisch gegroeide woon- en gemengde gebieden (H-gebieden) 86 H1 Beekdalnederzettingen 88 H 1.2 Uitlopers beekdalnederzettingen 96 H2 Straatdorplinten 104 H3 Bebouwingslinten 108 H3.1 Historische bebouwingslinten 109 H3.2 Jonge bebouwingslinten 113 H4 Buurtschappen en gehuchten 118 Planmatig ontworpen woongebieden (W-gebieden) 125 W1.2 Woongebieden in stroken- en blokverkaveling (1945-1980) 128 W1.3 Woonerven (1970-1985) 134 W1.4 Woongebieden eind 20e eeuw 140 W2 Individuele bouw 144 W3 Woonwagenterreinen 156 B3 Bedrijventerreinen 160 Groengebieden (G-gebieden) 164 G1 Groene gebieden met een duidelijke relatie met de cultuurhistorie 166 G2 Begraafplaatsen 174 G3 Sportterreinen en recreatiegebieden 176 G4 Grootschalige bebouwingscomplexen 178 G5 Recreatieparken en vakantiewoningen 184 G6 Buitengebied 188 G6.1 Dekzandrug 188 G6.2 Beekdal 189 G6.3 Dekzandvlakte 190 G6.4 Land- en stuifduin 192 OBJECTCRITERIA 199 1 Inleiding 199 2 Toepassing 199 Aanbouwen 201 Vrijstaande bijgebouwen 204 Overkappingen 207 Dakkapellen 209 Erfafscheidingen 211 Dakopbouwen 213 Agrarische Bebouwing 217 Tuinbouwkassen 221 Reclametekens 224 Excessenregeling en vrijwillige toetsing 236 1 Inleiding 236 2 Repressieve toetsing van vergunningsvrije bouwplannen en bestaande 236 bouwwerken 236 10.2.1 Toelichting 237 10.2.2 De regeling 237 10.3 Vrijwillige toetsing van vergunningsvrije bouwplannen 247

  1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Veranderingen in de bebouwde omgeving gaan vaak heel geleidelijk. Ze zijn het resultaat van een optelling van bouwinitiatieven, variërend van kleinere bouwwerken, zoals een schutting, aanbouw of dakkapel, tot een compleet nieuwe woning. Deze optelling valt niet altijd positief uit. Het is immers lastig de invloed van iedere vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen op de omgeving goed te beoordelen en voor de burger inzichtelijk te maken waarom deze beoordeling zo uitvalt. Het welstandsbeleid moet de handvatten bieden om deze beoordeling te kunnen maken. Bovendien geeft het de burgers vooraf inzicht in de criteria waaraan hun vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen getoetst zal worden. Zij kunnen deze gebruiken als handvat bij het opstellen van hun bouwplan waardoor dit eerder aan de eisen van welstand kan voldoen zodat de vergunningsprocedure soepeler kan worden doorlopen. Een belangrijke aanleiding voor het opstellen van welstandsbeleid vormen de wijzigingen van de Woningwet d.d. 1 januari 2003 . Als gevolg van de inwerkingtreding van de herziene Woningwet 1 januari 2003 dient elke gemeente in Nederland voor 1 juli 2004 een welstandsnota vast te stellen. Deze wijzigingen hebben tot doel de welstandsbeoordeling met kortere procedures transparanter en objectiever te maken. Het beleid moet lokaal ontwikkeld worden en bestuurlijk door de gemeenteraad worden vastgesteld. De wet eist voortaan dat gemeenten welstandsbeleid ontwikkelen om een welstandstoets te kunnen blijven uitvoeren. Met deze welstandsnota voldoet gemeente Haaren aan deze eis. Sinds de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010 bevat de Woningwet geen bepalingen meer over het verlenen van bouwvergunningen. Deze bepalingen stonden in afdeling 1 van hoofdstuk IV van de Woningwet. Deze afdeling is vervallen. De vergunning voor bouwen is nu geregeld in artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bovendien is de categorie lichtvergunningsplichtige bouwwerken komen te vervallen en zijn de regels voor vergunningsvrije bouwwerken aangepast. Dit noodzaakt tot een herziening van de tekst van de welstandsnota, omdat daarin tal van verwijzingen stonden naar inmiddels verouderde wetgeving. De invoering van de Wabo is een goede aanleiding ook het kaartmateriaal van de welstandsnota te actualiseren. Inmiddels zijn er een aantal gebieden van verschijningsvorm veranderd, en staan andere gebieden op het punt om te worden (her-)ontwikkeld. De grootste aanleiding van de huidige herziening vormt evenwel de veranderde kijk van de gemeente Haaren op de verantwoordelijkheid van burger en overheid voor de kwaliteit van de leefomgeving. De gemeente streeft naar een verhouding met haar burgers op basis van vertrouwen, en daarbij hoort dat de burger meer verantwoordelijkheid krijgt en neemt voor zijn eigen leefomgeving. Het beleid heeft daarmee andere accenten gekregen. Het welstandsbeleid is naar aanleiding van deze punten ingrijpend aangepast. De indeling in niveaus is verdwenen, criteria zijn compacter, leesbaarder en begrijpelijker geworden. De toetsingsprocedure is aangepast: een groot deel van de ingediende aanvragen zal op basis van het nieuwe beleid ambtelijk kunnen worden getoetst, zonder inschakeling van een externe commissie. De burger heeft meer vrijheid, maar ook meer verantwoordelijkheid gekregen. Toch is ook veel hetzelfde gebleven. De gebiedsgerichte criteria, die de kern van het welstandsbeleid vormen, zijn grotendeels gehandhaafd. De nadruk op het belang van cultuurhistorie, als identiteitsdrager van de gemeente, is gebleven. 1.2 Het doel en de reikwijdte van deze welstandsnota Voordat iemand mag gaan bouwen, zal hij in beginsel een vergunning moeten aanvragen bij de gemeente. De omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen wordt, naast welstand, o.a. getoetst aan het Bouwbesluit en aan het bestemmingsplan. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan vergunningaanvragen voor de activiteit bouwen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. Het legt voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld een dorpskern, een beoordelingskader vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er worden criteria benoemd die ertoe moeten bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. Afhankelijk van de waarde van het gebied kan het kader meer of minder streng zijn. In bijvoorbeeld een historisch dorpscentrum zal de prioriteit van welstand anders liggen dan op een regulier bedrijventerrein. Welstandsbeleid is dus niet simpelweg een vraag van mooi of niet mooi, maar een beoordeling van de kwaliteit van het bouwwerk aan de hand van duidelijk benoemde criteria. Welstand is niet zozeer een waardeoordeel over een bouwwerk op zich, maar vooral een beoordeling van de bijdrage van dat bouwwerk aan de ruimtelijke kwaliteit op die specifieke locatie. De gemeentelijke welstandsnota richt zich op de lokale karakteristieken in de bebouwde kom (de bestaande dorpsgebieden) en het buitengebied. De gemeentelijke welstandsnota, als onderdeel van het welstandsbeleid van de gemeente Haaren richt zich op de relatief kleine bouwopgaven van één of enkele gebouwen, uitbreidingen van bestaande bebouwing en veel voorkomende bouwwerken in bestaand dorps- en buitengebied (beheergebieden). Voor grootschalige ontwikkelingen of voor herontwikkelingen in bijvoorbeeld dorpscentra, vormen andere documenten, zoals beeldkwaliteitplannen, het welstandsbeleid. 1.3 Leeswijzer De 'Welstandsnota gemeente Haaren’ bestaat uit drie delen: een toelichting op het welstandsbeleid in de gemeente Haaren (deel A, hoofdstuk 1 t/m 3), welstandsprocedures (deel B, hoofdstuk 4 en 5)) en criteria (deel C, hoofdstuk 6 t/m 10)). Het benoemen, inventariseren en analyseren van de lokale ruimtelijke karakteristieken en vervolgens het vertalen van deze karakteristieken naar criteria, vormen de basis voor een gebiedsgericht welstandsbeleid. In deel A - het welstandsbeleid - wordt toegelicht hoe de gemeente Haaren vorm geeft aan haar gebiedsgerichte welstandsbeleid. Daarnaast wordt de relatie met andere beleidsterreinen beschreven. In hoofdstuk 2, Welstandsbeleid, worden de beleidsuitgangspunten verduidelijkt, en wordt de structuur van de nota uitgelegd. In hoofdstuk 3, inkadering van het welstandsbeleid, wordt de relatie met andere beleidsgebieden, zoals monumentenzorg, uiteengezet. Bij de uitoefening van een gebiedsgericht welstandsbeleid zijn procedureregels nodig. Deze zijn te vinden in deel B - procedures - van deze nota. Dit gedeelte gaat in op de organisatie van welstandstoezicht. Daarnaast is een stroomschema voor het toetsen van vergunningaanvragen voor de activiteit bouwen opgenomen. Hoofdstuk 4, organisatie van welstand, geeft informatie over de procedure van welstandstoetsing en de behandelt de rol en werkwijze van de welstandscommissie. Hoofdstuk 5, welstand en omgevingswetgeving, zet het juridisch en wettelijk kader voor welstandsbeleid uiteen. Deel C - criteria - gaat in op de bij een vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen te hanteren criteria. In dit deel zijn niet alleen de geldende 'algemene', 'gebiedsgerichte' en 'objectcriteria’ opgenomen, maar ook de excessenregeling. Bovendien worden hierin naar de van kracht zijnde beeldkwaliteitplannen (als een bijzondere vorm van gebiedsgericht beleid) verwezen. Hoofdstuk 6: De algemene criteria van welstand bestaan uit een 'algemene richtlijn voor goede architectuur'. Hoofdstuk 7: Beeldkwaliteitplannen, verwijst naar de van kracht zijnde beeldkwaliteitplannen en –paragrafen in ontwikkelingsgebieden. Hoofdstuk 8: De gebiedsgerichte criteria zijn op basis van een gebiedsinventarisatie en een gebiedsanalyse opgesteld en gelden voor een specifiek deelgebied van de gemeente. Hoofdstuk 9: De objectcriteria bestaan uit een set van criteria voor veel voorkomende bouwwerken. Ook het reclamebeleid is hierin opgenomen. Hoofdstuk 10: De excessenregeling bevat de criteria die moeten worden gehanteerd bij een toets op ernstige strijd met redelijke eisen van welstand. DEEL A - BELEID WELSTANDSBELEID 2.1 Inleiding In Nederland staat de vormgeving van het collectieve beeld boven dat van het individuele object. Stedenbouw en architectuur zijn in Nederland van oudsher meer aan de orde van de dag dan bijvoorbeeld in België. Al sinds de 15de eeuw bestaan er in Nederland lokale verplichtingen ten aanzien van vormgevingsaspecten. In 1962 werd de verplichting voor gemeenten om een welstandscommissie te benoemen opgenomen in de Woningwet. De ondoorgrondelijke werkwijze en geringe mate van democratische controle op de welstandscommissie, in de tweede helft van de twintigste eeuw veelgehoorde bezwaren tegen welstandscommissies, hebben uiteindelijk geleid tot een aanpassing van de Woningwet. In de nieuwe Woningwet, die sinds 1 januari 2003 van kracht is, zijn veranderingen doorgevoerd om het welstandsbeleid toegankelijker en toetsbaarder te maken. Dit heeft geleid tot het opstellen van gemeentelijke welstandsnota’s en een grotere openbaarheid. Met het inwerking treden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (afgekort Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) op 1 oktober 2010, zijn procedures korter geworden, en is invulling gegeven aan de roep om minder regels en meer vrijheid: het grootste deel van het bouwen op achterterreinen is vergunningvrij of welstandsvrij geworden. In deze welstandsnota heeft de gemeente Haaren de lijn van deregulering en grotere verantwoordelijkheid voor de burger doorgezet, zonder daarbij het streven naar ruimtelijke kwaliteit uit het oog te verliezen. De criteria zijn overzichtelijker en leesbaarder geworden. De welstandsniveaus zijn vervangen door het aanwijzen van aandachtsgebieden en ontwikkelingsgebieden. Alleen in deze gebieden voert de gemeente een actief welstandsbeleid. In het overige gebied, het zgn. beheergebied, geldt een passief welstandsbeleid. Het verschil tussen actief en passief beleid ligt in de toetsing: passief beleid houdt in dat de welstandsbeoordeling in principe beperkt blijft tot een ambtelijke toets, actief beleid maakt gebruik van welstandsadvisering door een onafhankelijke commissie. Nieuw is de introductie van de planverantwoording. Daarmee geeft de aanvrager zelf uitleg over de wijze waarop het plan op de criteria inspeelt, en waarom het voldoet aan redelijke eisen van welstand. Deze planverantwoording is essentieel voor een gemeente die haar burgers verantwoordelijkheid over de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwde omgeving geeft. En voor de burger die deze verantwoordelijkheid wil nemen. 2.2 verschillende typen welstandscriteria In dit hoofdstuk is het welstandsbeleid van de gemeente Haaren uitgewerkt. Dit welstandsbeleid is in hoofdlijnen gestoeld op een gebiedsgerichte benadering. Er worden verschillende typen criteria onderscheiden. Aan welke criteria een bouwplan getoetst wordt, hangt af van het soort gebied en het type bouwwerk. In het welstandsbeleid van de gemeente Haaren worden de volgende typen criteria onderscheiden (deel C): Algemene welstandscriteria: deze liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan iedere bouwplanbeoordeling. Ze fungeren daarnaast als 'vangnet' wanneer een bouwplan gemotiveerd afwijkt van de gebiedsgerichte criteria of de objectcriteria (hoofdstuk 6). Beeldkwaliteitplannen. Dit zijn gebiedsgerichte criteria voor ontwikkelingsgebieden. (hoofdstuk 7). De eisen in een beeldkwaliteitplan zijn aanvullend op de algemene criteria en de objectcriteria. Bij strijdigheid met de objectcriteria gelden de eisen in het beeldkwaliteitplan. Gebiedsgerichte criteria: specifieke, aan bebouwing in verschillende deelgebieden gerelateerde criteria. (hoofdstuk 8). Objectcriteria (algemeen): algemeen geldende, criteria voor veel voorkomende bouwwerken en verbouwingen waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient te worden aangevraagd. Ze bestaan uit een “altijd-goed-kader” en een afwegingskader. Daarmee kan een groot deel van de plannen ambtelijk worden afgehandeld. Gelden voor zowel solitaire aanvragen als voor onderdelen van een totaal bouwplan (hoofdstuk 9). In dit hoofdstuk is ook het reclamebeleid opgenomen. Een excessenregeling voor bouwvergunningvrije bouwwerken of veranderingen aan bestaande bouwwerken. Om te voorkomen dat men achteraf geconfronteerd wordt met een ernstige strijdigheid van het bouwplan met redelijke eisen van welstand kan een initiatiefnemer van een te bouwen vergunningsvrij bouwwerk dit vooraf vrijwillig laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De objectcriteria en de criteria van de excessenregeling dienen daarbij als adviserend kader (hoofdstuk 10). In de criteria worden soms (kwantitatieve) maatvoeringen genoemd. Deze zijn gebaseerd op kwalitatieve kenmerken van het gebied. Daarbij kunnen verschillen optreden met de maatvoering in andere regelgeving of besluiten. Wanneer daardoor een strijdigheid optreedt, prevaleert de hogere regel- of wetgeving. Bouwwerken zijn in sommige gevallen vergunningsvrij, en soms vergunningplichtig. In de objectcriteria is een algemene maat opgenomen. Dit betekent, dat in sommige gevallen criteria zijn opgenomen voor bouwwerken, die vergunningsvrij zijn. Dit zal geen probleem zijn. Hierboven is al aangegeven, dat de toetsende ambtenaar altijd eerst moet onderzoeken of een bouwplan vergunningsvrij is. Is dat het geval dan zal hij in principe niet meer toekomen aan de criteria uit de welstandsnota. Voor de initiatiefnemer bestaat echter de mogelijkheid om een te bouwen vergunningvrij bouwwerk vooraf vrijwillig te laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. Bovendien heeft B&W de mogelijkheid om een repressieve welstandstoets uit te voeren als de vraag rijst of sprake is van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand. Strijdigheid met de criteria De gebiedsgerichte criteria zijn algemeen geldend voor de vergunningplichtige bouwwerken in een bepaald gebied. Er zijn echter uitzonderingssituaties denkbaar waar deze algemeen geldende gebiedsgerichte criteria ontoereikend, onbruikbaar of niet van toepassing zijn. In onderstaand kader zijn deze gevallen aangegeven en worden bepaalde toepassingsregels gehanteerd. Deze toepassingsregels zijn algemeen geldend in alle gebiedstypen. De toepassingsregels zijn dan ook onder elke set van gebiedsgerichte criteria weergegeven. In bijzondere situaties wanneer een bouwplan afwijkt van de welstandscriteria, maar door schoonheid, bijzonderheid, architectuur of structuur wél aan redelijke eisen van welstand voldoet, zal worden getoetst aan de 'Algemene Criteria'. De initiatiefnemer, ontwerper of architect zal in dit geval gemotiveerd moeten aantonen waarom het plan op die plek wél architectonisch-stedenbouwkundig verantwoord is. De commissie behoudt haar eigen verantwoordelijkheid. De commissie geeft advies aan Burgemeester en wethouders en zij zal de argumenten van de initiatiefnemer betrekken bij haar advisering aan Burgemeester en wethouders. Afwijken van het welstandsadvies Als een plan zowel in strijd is met de gebiedsgerichte als de algemene criteria, maar als B&W het plan toch aanvaardbaar achten, dan geldt de inherente afwijkingsbevoegdheid. Criteria zijn immers beleidsregels, hiervan kan in bijzondere gevallen, mits gemotiveerd, afgeweken worden (zie art. 4:84 Algemene wet bestuursrecht). Het bevoegd gezag krijgt volgens artikel 2.10, lid 1 aanhef en onder de Wabo de mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de omgevingsvergunning te verlenen indien het van oordeel is dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd. Tenslotte kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het welstandsadvies, indien zij dienen te voldoen aan andere wet- en regelgeving (in het kader van bijvoorbeeld brandveiligheid of het milieu). Uitgangspunt is dat noodzakelijke maatregelen in het kader van bijvoorbeeld de brandveiligheid zodanig verwerkt worden in het bouwplan, dat voldaan wordt aan de welstandscriteria. Alleen als aangetoond wordt dat dit niet mogelijk is, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het welstandsadvies. Wel zal in goed overleg gezocht moeten worden naar een zodanige inpassing van het bouwwerk in het bouwplan, dat zoveel mogelijk recht gedaan wordt aan redelijke eisen van welstand. 2.3 Gebiedsgericht welstandsbeleid 2.2.3.1 Inleiding 2.Gebiedsgericht welstandsbeleid is vervat in gebiedsgerichte criteria voor vergunningplichtige bouwwerken en in het onderscheid tussen gebieden met een passief en een actief welstandsbeleid. 2.Met een gebiedsgericht welstandsbeleid wil de gemeente Haaren ervoor zorgen dat nieuwe gebouwen en bouwwerken passen bij de karakteristiek en kwaliteit van een gebied, maar wel vanuit de gedachte dat de aanvrager, waar dat kan, daarin zijn eigen verantwoordelijkheid heeft en neemt. 2.Binnen het grondgebied van de gemeente Haaren komen verschillende soorten gebieden voor, elk met hun eigen kwaliteit en karakteristiek. 2.Het centrum van Helvoirt is anders dan een lintbebouwing in het buitengebied, een bedrijventerrein, een reguliere woonwijk of een recreatiegebied. Hoe mensen de verschillende karakteristieken en kenmerken waarderen, verschilt van persoon tot persoon. 2.Gebiedsgericht beleid houdt ook in dat onderscheid wordt gemaakt tussen gebieden met een groot en met een minder groot gemeenschappelijk belang., Dit belang ligt bijna altijd in de cultuurhistorische eigenschappen en waarden. Gebieden met een groot gemeenschappelijk belang zijn in deze nota aangewezen als “aandachtsgebied cultuurhistorie”. Het overige gebied wordt in het welstandsbeleid “beheergebied” genoemd. 2.Gebieden die (her)ontwikkeld worden vergen tijdelijk eveneens een hogere aandacht. Dit zijn de “ontwikkelingsgebieden”. Voor ontwikkelingsgebieden wordt bijna altijd gewerkt met een beeldkwaliteitplan, dat de welstandscriteria voor bebouwing in dat gebied bevat. 2.Ruimtelijke identiteit 2.De identiteit van een gebied, waarmee dat gebied zich onderscheidt van andere, is een door de jaren heen gegroeid gegeven. Aandacht voor dit gegeven, gestoeld op cultuurhistorisch besef en een beleving van en waardering voor de eigen historische, stedenbouwkundige en architectonische kwaliteiten, eigen karakteristieken en eigen eigenaardigheden, is belangrijk. Ingrepen in de gebouwde omgeving (bouwplannen) hebben invloed op die omgeving. Het is bij bouwopgaven van belang deze ruimtelijke identiteit van een gebied te behouden en waar mogelijk zelfs te versterken. Het is de bedoeling om geïnspireerd te worden door de bestaande omgeving en elementen en daar gebruik van te maken in het creatieve ontwerpproces. 2.Ensembles 2.De ruimtelijke kwaliteit van de bebouwde omgeving wordt door verschillende factoren beïnvloed. Ze kan een puur esthetische waarde bezitten, een verwijzing geven naar de geschiedkundige of oudheidkundige betekenis van een gebied, kenmerkend zijn voor een bepaalde architectonische stijl of juist een sterk geheel, een goed ensemble vormen. Bij een ensemble vormen de verschillende onderdelen zoals huizen, woongebieden, straten, pleinen, plantsoenen en parkeerterreinen een harmonisch geheel. De ruimtelijke kwaliteit is waardevol indien de mens deze factoren ook als zodanig herkent en daar waarde aan hecht. Dit waardeoordeel is sterk cultuur- en tijdgebonden. 2.Zo werden bijvoorbeeld gotische kerken in de ‘moderne’ renaissance geassocieerd met het barbaarse, platvloerse middeleeuwse leven. In de ‘romantische’ 19e eeuw is men de gotiek opnieuw gaan waarderen en zijn de oude vervallen gotische kerken opgeknapt en vaak verder afgebouwd.
  2. Samenhang 2.Als er sprake is van veel samenhang tussen de cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur zal een, van de karakteristiek afwijkend, nieuwbouwplan eerder als minder passend ervaren worden dan in gebieden met weinig samenhang tussen deze kenmerken. Wordt de samenhang tussen de kenmerken ook hoog gewaardeerd, zoals in een oude dorpskern, dan zal men een afwijkend gebouw eerder als een verstoring van deze kwaliteit beleven. Andere gebieden waar de samenhang in kenmerken ontbreekt zijn minder gevoelig. Daar hoeven minder eisen te worden gesteld aan nieuwe bouwplannen. 2.Belang voor de gemeenschap 2.Sommige gebieden hebben een groter belang voor de gemeenschap dan andere. De dorpskern zal door de inwoners van een dorp meer als een gemeenschappelijk gebied worden ervaren dan de na-oorlogse uitbreidingswijken. De (cultuurhistorische) waarden in deze gebieden zijn niet alleen groter, maar dragen ook bij aan de gemeenschappelijke identiteit en daarmee aan het woongenot van alle inwoners. Voor deze gebieden is het logisch dat de gemeente een actief beleid voert m.b.t. borging en sturing van de ruimtelijke kwaliteit. 2.De gevoeligheid van een gebied voor nieuwe bouwplannen is dus afhankelijk van de samenhang tussen de cultuurhistorie, de stedenbouw en de architectuur. Deze samenhang wordt bepaald door een aantal bebouwingskenmerken zoals 2.Hoe de verschillende gebouwen in een gebied zijn gesitueerd ten opzichte van de straat, de verkaveling en elkaar; 2.Welke bouwvormen voorkomen in dat gebied (grote of kleine massa's, één of meerdere verdiepingen, met of zonder kap); 2.Of de gevels een karakteristieke opbouw hebben (staande of liggende ramen, een afzonderlijke onderpui e.d.); 2.Of er sprake is van kenmerkend kleur- en materiaalgebruik en van specifieke details. 2.2.3.2 Gebiedsanalyse 2.Kenmerkende gebieden 2.Gebiedsgericht betekent maatwerk voor een specifieke situatie. De gemeente Haaren maakt deel uit van de Brabantse Meierij. Dit gebied heeft vanuit zijn ontstaansgeschiedenis een eenduidige ruimtelijke opbouw met een duidelijke begrenzing. Binnen de Brabantse Meierij bestaat een duidelijke samenhangende karakteristiek en kwaliteit.Op basis van de samenhang tussen karakteristieken van (cultuur)historie, stedenbouw en architectuur zoals die in de bebouwing herkenbaar is, is voor de gemeente Haaren een gebiedstypologiekaart met te onderscheiden deelgebieden gemaakt. Deze deelgebieden worden behandeld in Deel B, hoofdstuk
  3. 2.Om tot kenmerkende gebieden te komen, is een bepaalde methodiek gehanteerd om tot een logische indeling van gebiedstypen te komen. In het volgende schema is de wijze van kijken nader toegelicht.
  4. Functioneel 2.Veel ruimtelijke vraagstukken hebben een directe relatie met de functie van bepaalde gebieden. Voor welstand is met name het type bouwwerk en de typen verbouwingen van belang wanneer gebiedsgerichte criteria opgesteld worden. Zo staan op bedrijventerreinen andere gebouwen dan in een woonwijk en speelt er in de centrumgebieden en linten een andere dynamiek dan in het buitengebied. In centrumgebieden zal veelvuldig een aanvraag tot het aanbrengen van winkelpuien ingediend worden, terwijl in het buitengebied de opgave eerder ligt in het aan- en bijbouwen van of aan agrarische bedrijfsgebouwen. Een eerste hoofdindeling naar gebiedstypen is gemaakt naar de functionele verschijningsvorm van een gebied (laag 1 van voorgaand schema). De volgende hoofdgebiedstypen worden onderscheiden: 2.Centrumgebieden (H-gebieden); 2.Gemengde gebieden (H-gebieden); 2.Woongebieden (W gebieden); 2.Werkgebieden (B-gebieden); 2.Groengebieden en buitengebied (G-gebieden). 2.Ontstaanswijze 2.In de beleving van de gebouwde wereld wordt in de Nederlandse samenleving tegenwoordig veel waarde gehecht aan de cultuurhistorische betekenis, de relatie tussen de historie van de plek en zijn huidige verschijningsvorm (de ontstaanswijze). Daarom zijn bebouwde gebieden, waar de relatie met de cultuurhistorie nog in de bebouwing zichtbaar is, binnen de gemeente ingedeeld naar hun cultuurhistorische relatie: beekdalnederzettingen, uitlopers, straatdorplinten, historische en jonge bebouwingslinten en buurtschappen en gehuchten (H-gebieden). Ook werk- en groengebieden kennen soms nog een duidelijke relatie met de cultuurhistorie, zoals het geval is bij bijvoorbeeld landgoederen. 2.Gebieden die planmatig zijn aangelegd, zoals de naoorlogse woonwijken, planmatig aangelegde (centrum)gebieden (W-gebieden), de reguliere bedrijventerreinen (B3) en sport- en recreatiecomplexen (G2 t/m G5) kennen een minder duidelijke en minder directe relatie met de cultuurhistorie. 2.Ook de verschillende landschappen in het buitengebied kennen ieder hun eigen karakteristiek, ontstaan door een wisselwerking tussen mens en natuur. Het buitengebied van de gemeente Haaren is ingedeeld naar landschapstype (G6-gebieden): dekzandrug, beekdal, dekzandvlakte en land- en stuifduin. 2.Ruimtelijke verschijningsvorm 2.Binnen de hoofdindeling naar functionele verschijningsvorm en ontstaanswijze is een nader onderscheid gemaakt op basis van kenmerkende ruimtelijke verschijningsvormen. Bij de kernen is dit onderscheid gebaseerd op de specifieke structuur zoals bij de linten op de mate van verdichting (dorpscentrum (H1.1-gebieden) en uitlopers (H1.2-gebieden). De specifieke structuur is in de gemeente Haaren voor alle kernen verschillend. Daarom zijn de dorpskernen, met een oude (nog herkenbare) dorpsstructuur, in de gebiedsbeschrijving apart beschreven en beoordeeld. Er gelden per dorpscentrum dan ook afzonderlijke gebiedsgerichte criteria. De losbijgevoegde kaart geeft de typologieën voor de gemeente Haaren weer. 2.Ook de planmatig ontwikkelde gemengde gebieden, woon- en groengebieden, kennen een gedifferentieerde ruimtelijke verschijningsvorm. De woongebieden en gemengde gebieden zijn allereerst ingedeeld naar hoofdverschijningsvorm: seriematig (W1-gebieden) of individueel (W2-gebieden), en vervolgens naar stedenbouwkundige hoofdstromingen: 2.Woongebieden en gemengde gebieden in stroken- en blokverkaveling (W1.2-gebieden); 2.Woonerven (W1.3-gebieden); 2.Woongebieden en gemengde gebieden eind 20e eeuw (W1.4-gebieden); 2.Woongebieden met voornamelijk individuele bouw (W2-gebieden). 2.Werkgebieden zijn als volgt naar ruimtelijke verschijningsvorm ingedeeld: 2.Bedrijventerreinen (B3-gebieden); 2.Voor groengebieden is de volgende indeling aangehouden: 2.Begraafplaatsen (G2-gebieden); 2.Sportterreinen en recreatiegebieden (G3-gebieden); 2.Grootschalige bebouwingscomplexen (G4-gebieden); 2.Recreatieparken en vakantiewoningen (G5-gebieden);
  5. 2.3.3 Beleidsgebieden 2.De welstandsnota kent drie verschillende beleidsgebieden: 2.Beheergebied 2.Aandachtsgebieden cultuurhistorie 2.Ontwikkelingsgebieden 2.Het beheergebied beslaat het grootste deel van het grondgebied. In het beheergebied wordt een zgn. passief welstandsbeleid gehanteerd: de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke kwaliteit ligt bij de aanvrager. Voor plannen van enige omvang in het beheergebied wordt de aanvrager dan ook gevraagd een planverantwoording op te stellen. 2.In het beheergebied zal het grootste deel van de plannen ambtelijk worden afgehandeld, m.b.v. de objectcriteria, de gebiedscriteria en de planverantwoording. 2.De aandachtsgebieden cultuurhistorie zijn waardevolle gebieden met een publiek belang (zoals de kernen van Haaren, Helvoirt en Esch) die vragen om een actief welstandsbeleid van de gemeente. Toetsing op redelijke eisen van welstand wordt standaard door een welstandscommissie gedaan. 2.De ontwikkelingsgebieden zijn gebieden die (her)ontwikkeld worden, en waarvoor een nieuw of aangepast bestemmingsplan of Wabo-projectbesluit noodzakelijk is. In ontwikkelingsgebieden wordt gewerkt met een beeldkwaliteitplan (bkp). In deze gebieden is dus sprake van (tijdelijk) hogere aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit dan in beheergebieden. De beeldkwaliteiteisen zijn vaak wat concreter en uitgebreider dan gebiedsgerichte criteria. De toetsing aan het bkp vindt in principe ambtelijk plaats. Bij twijfel of conflict wordt het plan aan de welstandscommissie of een gemandateerde van die commissie voorgelegd.
  6. Motivering keuze welstandsbeleidsgebieden gemeente Haaren 2.In deel B zijn bij de gebiedscriteria per type gebied de specifieke kenmerken beschreven die voor dat gebied bij de beoordeling relevant zijn. 2.In het algemeen geldt dat de waardering voor een bepaald gebied, samengaand met een bepaalde samenhang tussen cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur, bepaalt of een gebied als aandachtsgebied cultuurhistorie is aangewezen. 2.Voor een aantal (gevoelige) gebieden voert de gemeente Haaren een actief welstandsbeleid om een zekere ‘beeldconservering’ van deze gebieden te waarborgen: het huidige beeld mag niet verloren gaan, ook niet door kleinere bouwopgaven. Daarom zijn de dorpscentra van Haaren, Helvoirt en Esch aangewezen als aandachtsgebied. Met name in de dorpscentra van Helvoirt en Esch zijn de historische ruimtelijk-stedenbouwkundige opzet en historische bouwkunst en architectuur goed bewaard gebleven. Ook het dorpscentrum van Haaren is een aandachtsgebied. Gezien de centrale ligging van dit dorpscentrum streeft de gemeente Haaren in dit gebied naar een hogere representativiteit en beeldkwaliteit. 2.Naast de dorpscentra is ervoor gekozen om ook het lint aan de Torenstraat in Helvoirt aan de aandachtsgebieden toe te voegen. Aan dit lint zijn meerdere rijks- en gemeentemonumenten of panden van cultuurhistorisch belang gelegen. Bovendien wordt het lint begeleid door een monumentale bomenrij. 2.In het buitengebied van de gemeente Haaren komen diverse bijzondere historische plaatsen voor. Met bijzondere historische plaatsen wordt bedoeld (deels) bebouwde plaatsen die identiteit ontlenen aan een van tevoren bedachte functie, bijvoorbeeld een klooster, een landgoed of een instituut. Deze plaatsen spelen een rol bij de oriëntatie van het landschap. Het gaat hier om landgoed Nemerlaer, landgoed Zwijnsbergen, landgoed Mariënhof, landgoed Den Eikenhorst aan de Hal, het klooster Sancta Monica van de Witte Zusters, Haarendael met huize Gerra, en Prisma, met Assisië. Vanwege de hoge historische waarde en de ligging in het buitengebied zijn deze bijzondere historische plaatsen ook als aandachtsgebied aangewezen. 2.Nieuw is de aanduiding van het tracé de N65 als aandachtsgebied cultuurhistorie. Haaren en de buurgemeenten streven ernaar de cultuurhistorische waarde van deze Napoleontische route te bewaren en ervaarbaar te maken. Om die reden is een hogere aandacht voor dit tracé in de beleidskaart opgenomen. 2.Tot slot zijn nog enkele buurtschappen en veldlinten als aandachtsgebied aangewezen, vanwege de historische waarde die de bebouwing in deze gebieden heeft, conform de cultuurhistorische waardekaart. In deze gebieden is de concentratie monumenten en waardevolle panden meestal erg hoog. Het gaat hier om: de Belvertsestraat en de Roonsestraat (Belvert), Holleneind, Hoge Raam, vlakbij de rijksweg N65 de Molenstraat, de Dijk de Hooghoutseweg en de Gijzel de Biezenmortelstraat/Gijzelstraat/Udenhoutseweg ’t Winkel/Winkelsestraat de bebouwingsconcentratie aan Nieuwkuijkseweg-Duinoordseweg/Distelberg de bebouwingsconcentratie aan Esschebaan en Haarenseweg (de Ruiting) ’t Hoog Hoef ten Halve De uitloper Helvoirtsestraat, ten noorden van Helvoirt
  7. Geen welstandsvrije gebieden 2.De wet biedt ook de mogelijkheid welstandsvrije gebieden te onderscheiden. In de gemeente Haaren zijn geen welstandsvrije gebieden opgenomen, omdat deze welstandsnota is gericht op de kwaliteit van de bestaande ruimtelijke structuren, waarbij altijd sprake is van een bepaalde basiskwaliteit. De gemeente Haaren vindt het uit oogpunt van rechtsbescherming van burgers niet verantwoord voor bestaande gebieden geen enkele welstandstoets toe te passen. Bij nieuwe ontwikkelingen zal de gemeente steeds afwegen of daarin de mogelijkheid van welstandsvrij bouwen kan worden opgenomen. 2.4 objectgericht welstandsbeleid Naast het gebiedgerichte beleid zoals hierboven beschreven, is voor een aantal categorieën bouwwerken ook objectgericht beleid geformuleerd. Dit beleid is vervat in de objectcriteria, (hoofdstuk 9) 2.4.1 Voor- en achterkant benadering Eén van de uitgangspunten van welstandsbeleid is de zogenaamde voor- en achterkant benadering. Deze benadering houdt in dat er met het oog op stedenbouw en welstand in een aantal gevallen verschil moet worden gemaakt tussen het bouwen aan de voorkant of aan de achterkant van een bouwwerk. Vanuit welstandsoptiek is de kwaliteit van het bouwen aan de voorkant in het algemeen belangrijker dan het bouwen aan de achterkant. Deze benadering ligt ten grondslag aan de bepalingen in het BOR t.a.v. vergunningvrij bouwen (art. 2) en “welstandsvrij” bouwen (art. 3). Aan de voor- en zijkant mag er minder snel vergunningvrij gebouwd worden dan aan de achterkant van de woning. Het erf om de woning is in het kader van het vergunningvrij bouwen ingedeeld in voorerfgebied en achtererfgebied. Afhankelijk van de specifieke situatie behoort grond naast de zijgevel van een woning tot het voorerfgebied of tot het achtererfgebied. Het achtererfgebied begint 1 meter achter de voorgevel van de woning. Erf dat naast de woning ligt en direct aan het openbaar toegankelijk gebied grenst is geen achtererfgebied. Openbaar toegankelijk gebied is onder andere: wegen, pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en dergelijke. Fiets- en voetpaden die niet worden gebruikt voor doorgaand verkeer, vallen niet onder het openbaar toegankelijk gebied. 2.4.2 objectcriteria Voor specifieke categorieën bouwwerken, veel voorkomende verbouwingen en gebouwen, heeft de gemeente zodanig concrete criteria opgesteld dat een groot deel van deze aanvragen ambtelijk kan worden afgedaan. De criteria zijn onderverdeeld in een “altijd-goed-kader” en een “afwegingskader”. De criteria in het altijd-goed-kader zijn meetbaar en verifieerbaar, en vaak kwantitatief van aard, de criteria in het afwegingskader vragen, zoals de naam al zegt, een afweging van de toetser, en zijn vooral kwalitatief van aard. Wanneer een plan niet in het altijd-goed-kader past wordt het aan de criteria in het afwegingskader getoetst. In geval van twijfel bestaat de mogelijkheid een plan voor te leggen aan de welstandscommissie of een gemandateerde van die commissie. INKADERING VAN HET WELSTANDSBELEID 3.1 Inleiding De essentie van het welstandsbeleid is de gebiedsgerichte benadering. Op elk beleidsniveau zijn gebiedsspecifieke kenmerken te benoemen. Deze benadering stelt de gemeente in staat om de samenhang tussen verschillende beleidsvelden inzichtelijk te maken en daarmee de samenhang tussen het welstandsbeleid en ander beleid en andersom. De kwalitatieve kenmerken van een gebied zijn in het kader van het welstandsbeleid bepalend voor de samenstelling van gebiedsgerichte criteria. De gebiedsgerichte benadering levert een heldere beschrijving en beeld op van de specifieke karakteristieken van een deelgebied. Voor het welstandsbeleid richt deze benadering zich met name op de specifieke kenmerken van een gebied voor de bebouwing, maar in breder verband zijn uit deze benadering eveneens die kenmerken te distilleren die belangrijk zijn voor ander gemeentelijk ruimtelijk beleid. Deze benadering biedt kansen voor een brede basis voor gebiedsgericht beleid op alle ruimtelijke beleidsvelden. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de relatie van welstand met een aantal andere ruimtelijke beleidsvelden. 3.2 Welstand en ruimtelijke kwaliteit in groter verband Het handhaven en liefst versterken van de ruimtelijke kwaliteit is een belangrijk uitgangspunt in het ruimtelijk beleid. Ruimtelijk kwaliteitsbeleid betekent: aandacht schenken aan cultuurhistorie en ruimtelijke identiteit, het creëren van een aantrekkelijke omgeving met ruimtelijke diversiteit in landschap, stedenbouw en architectuur en het verantwoord omgaan met natuur en ecologische waarden. Welstand is slechts één van de beleidstakken die zich bezighoudt met het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Het welstandsbeleid staat niet op zich. Het is deels verankerd in en deels gebaseerd op beleidslijnen uit andere beleidsvelden. Waar voorheen de rijksoverheid de grote lijnen uitzette, met Nota’s ruimtelijke Ordening en Architectuurnota’s, is de borging en sturing van de ruimtelijke kwaliteit de laatste jaren steeds meer naar de lagere overheden verschoven. De provincie heeft In haar structuurvisie en Verordening Ruimte kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling en richtlijnen voor ruimtelijke kwaliteit gesteld. Gemeenten zijn verplicht hun eigen structuurvisie op te stellen, die de kaders voor de bestemmingsplannen vormt. Ook voor het welstandsbeleid zijn deze structuurvisies kaderstellend. 3.3 Welstand en het bestemmingsplan Het welstandsbeleid biedt een kader voor de toetsing van een vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen aan redelijke eisen van welstand. In deze nota worden criteria benoemd die er aan bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De criteria worden onder andere geformuleerd vanuit een visie op het gebied en vanuit een beeld van de aanwezige waarden. Aspecten die aan de orde komen betreffen zowel niet-ruimtelijk relevante aspecten zoals kleur en materiaalgebruik, als ruimtelijk relevante aspecten zoals hoogte, omvang en situering van de gebouwen. Er is dus een nauwe relatie met het bestemmingsplan. De ruimtelijk relevante aspecten kunnen –wanneer wenselijk en noodzakelijk- vertaald worden in het bestemmingsplan. Voor niet-ruimtelijk relevante aspecten is een vertaling in het bestemmingsplan niet mogelijk. Welstand kan kwalitatieve eisen, bijvoorbeeld het materiaalgebruik ten opzichte van de naastgelegen woning, aan een gebouw stellen terwijl het bestemmingsplan alleen kwantitatieve (ruimtelijk relevante) eisen stelt, bijvoorbeeld maximale nok- en goothoogte. Het welstandsbeleid en bestemmingsplan liggen dus in elkaars verlengde en vullen elkaar aan. Een vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen wordt zowel getoetst aan redelijke eisen van welstand als aan de bouwvoorschriften zoals opgenomen in het bestemmingsplan. Wanneer er sprake is van een verschil tussen de inhoud van een bestemmingsplan en een welstandsnota dat leidt tot tegenstrijdige eisen, blijven bij toetsing van een vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen de welstandscriteria buiten toepassing. Het bestemmingsplan heeft hier formeel juridisch ‘het laatste woord’. 3.4 Welstand en het Beeldkwaliteitsplan De welstandsnota richt zich primair op de min of meer reguliere en/of incidentele bouwopgave in bestaande stedelijke gebieden en het buitengebied. Voor gebieden met een planmatige functieverandering, zoals nieuwe woon- en werkgebieden en herontwikkelingsgebieden (stads- en dorpscentra, wijkontwikkelingsgebieden) kan voor de sturing van welstand ook een beeldkwaliteitplan worden opgesteld. Deze beeldkwaliteitplannen kennen in de meeste gevallen niet alleen criteria van welstand waaraan bouwwerken dienen te voldoen, maar gaan bijvoorbeeld ook in op de vormgeving van het openbare gebied. Dat deel van het beeldkwaliteitplan, dat betrekking heeft op het bouwen, kan als basis dienen voor welstandstoetsing bij vergunningaanvragen. Indien er reeds een beeldkwaliteitplan voor een in ontwikkeling zijnd gebied bestaat voordat de welstandsnota wordt vastgesteld door de gemeenteraad dient dit plan tot onderdeel te worden gemaakt van de welstandsnota door in de welstandsnota hier expliciet naar te verwijzen. Wel dient het beeldkwaliteitplan tot stand te zijn gekomen volgens de voorschriften, die de Woningwet ten aanzien van de vaststelling en wijziging van de welstandsnota stelt (vaststelling door de gemeenteraad en inspraak conform de gemeentelijke inspraakverordening). Door in de welstandsnota naar het beeldkwaliteitplan te verwijzen vormt dit plan juridisch een onderdeel van de welstandsnota. Beeldkwaliteitplannen zijn in principe bedoeld om specifieke ontwikkelingen te kunnen begeleiden. Als de ontwikkeling is afgerond ligt het dan ook in de rede om de criteria die gelden voor het betreffende gebied bij een wijziging van de welstandsnota op te nemen in de welstandsnota zelf. De verwijzing naar het beeldkwaliteitplan kan dan vervallen. De mogelijkheid bestaat om een beeldkwaliteitplan vast te stellen in aanvulling op een vastgestelde welstandsnota; bijvoorbeeld als het betreffende beeldkwaliteitplan een verdere concretisering van het beleid inhoudt dat reeds in de welstandsnota is verankerd. In dat geval is er sprake van een wijziging van de welstandsnota, bijvoorbeeld om ontwikkelingen in een straatwand te sturen en te stimuleren of aanvullende eisen voor een karakteristiek stukje centrumgebied op te stellen. Deze wijziging van de welstandsnota dient weer door de gemeenteraad te worden vastgesteld en de inspraakprocedure conform de gemeentelijke inspraakverordening dient te zijn gevolgd. Behalve de toetsingscriteria omvat een beeldkwaliteitplan bij voorkeur ook een toelichting waarin het onderliggende beleid kan worden verklaard. In deze toelichting wordt het gemeentebeleid voor het betreffende (ontwikkelings)gebied met betrekking tot beeldkwaliteit op hoofdlijnen samengevat. De toelichting vervult verder een belangrijke rol bij uitvoering van projecten, omdat initiatiefnemers bij het realiseringstraject kunnen refereren aan de voorbeelden en beleidslijnen. Maar net als bij een bestemmingsplan heeft de toelichting ook bij een beeldkwaliteitplan slechts een beperkte status. 3.5 Welstand en openbare ruimte en groenbeleid De openbare ruimten en groengebieden worden binnen een gemeente over het algemeen begrensd door bebouwing. Bebouwing waarover welstand in het geval van aanpassingen en veranderingen een woordje meepraat om de kwaliteit van die bebouwing en vooral ook de samenhang tussen bebouwing binnen een gebied zoveel mogelijk te waarborgen. De kwaliteit van die bebouwing heeft effect op de omgeving waarin dat gebouw staat. Een straat met kwalitatief hoogwaardige bebouwing draagt positief bij aan de beleving van die ruimte. Andersom draagt een straat met een kwalitatief hoogwaardige inrichting positief bij aan de beleving van de bebouwing langs die straat. Omdat in het welstandsbeleid slechts in geringe mate kan worden ingegaan op de kwaliteiten van de openbare ruimte en groen, namelijk slechts op die aspecten waarvoor een vergunning voor de activiteit bouwen vereist is, is het dan ook de kunst dat bij de wens tot een integraal kwaliteitsbeleid er voldoende afstemming plaatsvindt tussen de welstandsnota met daarin vastgelegd de kwaliteiten voor de bebouwing en daarnaast beleidsnota's waarin de kwaliteiten vastgelegd zijn van de openbare ruimte en groen. Deze afstemming kan op twee manieren plaatsvinden: Enerzijds door vanuit de gebiedsgerichte benadering, die gevolgd wordt in het kader van het opstellen van de welstandsnota, beleidskeuzen voor andere beleidsvelden vast te leggen. Dit vereist reeds van het begin af aan een integrale aanpak op gebiedsniveau. Anderzijds kan men bij het opstellen van inrichtingsplannen, waar voorheen de uitvoering en het beheer geschiedde door de gemeentelijke diensten, de welstandscommissie bij de opzet van deze plannen betrekken. Immers, straatmeubilair, verlichting, verharding en verkeersmiddelen maken integraal onderdeel uit van de beleving van ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. De gemeente Haaren heeft voor het buitengebied een beeldkwaliteitplan opgesteld. Het beeldkwaliteitplan geeft voorwaarden aan voor de beeldkwaliteit van het landschap en voor de in dat landschap aanwezige bebouwing en erven. De concrete eisen vanuit het beeldkwaliteitplan buitengebied over kleuren, materiaalgebruik en vormgeving inzake bebouwing zijn in deze welstandsnota opgenomen. Daarnaast hanteert de welstandscommissie het beeldkwaliteitplan als uitgangspunt bij de toetsing van bouwplannen als het gaat om aspecten die een nauwe relatie hebben met landschapsaspecten en erfinrichtingen. 3.6 Welstand en Erfgoedbeleid 3.6.1 Inleiding Noodzaak tot bescherming van monumenten Historische gebouwen, objecten en landschappen laten ons zien hoe voorgaande generaties woonden, werkten en leefden. Ze bepalen in belangrijke mate het 'eigen gezicht' van een straat, buurt, dorp, stad of landschap. Dit eigen gezicht wordt steeds meer gewaardeerd en gezien als ruimtelijke kwaliteit van een eigen gebied. Een monument kan behoudenswaardig zijn vanwege: esthetische, educatieve, economische en inspiratieve waarde(n). Modernisering Monumentenzorg Met ingang van 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Dit is gebaseerd op 3 pijlers: monumentenzorg integreren in de ruimtelijke ordening, vereenvoudiging van regelgeving m.b.t. vergunningen en subsidies, en herbestemming van cultuurhistorische complexen. De eerste pijler is vooral van belang voor de integratie met welstandszorg. De eerste pijler geeft aan dat het objectgerichte karakter wordt verbreed tot een gebiedsgerichte benadering, geïntegreerd in beleid dat is gericht op ruimtelijke ordening. Het doel is dat het nieuwe monumentenbeleid beter gaat inspelen op de kwaliteit van de omgeving. Hiermee zal meer samenhang komen tussen ruimtelijke ordening en monumentenzorg, zodat de cultuurhistorische kwaliteit beter tot zijn recht komt. Om een stabiele en meer structurele basis te geven aan de borging van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, is aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening toegevoegd dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond, maar ook met waarden boven de grond. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een bestemmingsplangebied, en daar conclusies aan moeten verbinden die in het bestemmingsplan verankerd worden. De intrinsieke en gebiedskwaliteiten worden vastgelegd in beeldkwaliteitplan cq. welstandsnota met criteria. Rijksmonumenten De bescherming van het monument zelf is geregeld in de Monumentenwet

(1988)en in de gemeentelijke Erfgoedverordening. Bouwen en verbouwen aan rijksmonumenten is vastgelegd in de Monumentenwet. Deze wet geeft het Rijk de mogelijkheid om objecten als rijksmonument aan te wijzen. Rijksmonumenten worden wettelijk beschermd via het vergunningenstelsel en bij restauratie zijn financiële middelen beschikbaar. Rijksmonumenten zijn in het Monumentenregister ingeschreven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Het hele object, of het nu een gebouw of een object in de openbare ruimte betreft, is beschermd. Veranderingen aan rijksmonumenten doorvoeren is niet verboden, maar er moet altijd een vergunning aangevraagd worden. Het is verboden rijksmonumenten te beschadigen, te verwaarlozen of te vernielen. Het is bovendien niet toegestaan een monument zo te herstellen, te gebruiken of laten gebruiken dat het monument in gevaar wordt gebracht of ontsierd wordt. Een vergunning wordt pas verleend na afweging van alle belangen van zowel de belanghebbende(
  1. n)als van het object zelf. Deze afweging wordt gemaakt door de gemeente. Vooral het overhevelen van het vergunningstelsel geeft gemeenten een grote verantwoordelijkheid ten aanzien van rijksmonumenten. Als de wijzigingen ingrijpend zijn dan zal zowel de monumentencommissie, de RCE en als het object in het buitengebied is gelegen, ook de provincie hierover een advies geven aan het college. Het college maakt de belangenafweging en onderbouwt het besluit. De vergunning voor ingrijpende wijzigingen wordt via een zogenaamde UOV-procedure afgerond. Deze procedure duurt max. 26 weken. De vergunning voor alle andere wijzigingen dienen binnen 8 weken (Wabo) te worden verstrekt. De Monumentenwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. De verantwoordelijke staatssecretaris en/of minister hebben daartoe bevoegdheid. De gemeenteraad, provincie en raad van Cultuur adviseren de minister hierover. De bescherming van dorpsgezichten vindt plaats via het opstellen van een beschermend bestemmingsplan en heeft primair betrekking op het respecteren van de lokale waarden en beeldkarakteristiek. Het opstellen van een aangepast bestemmingsplan voor een beschermd stads- en dorpsgezicht gebeurt in nauwe samenspraak met alle betrokken partijen. Op dit moment bezit de gemeente Haaren geen beschermde dorpsgezichten. Gemeentelijke monumenten Het aanwijzen van gemeentelijke monumenten is een gemeentelijke beleidsvrijheid. Net als bij rijksmonumenten dient bij bouwen en verbouwen aan een gemeentelijk monument uitgegaan worden van een afweging tussen de belangen van de belanghebbende(
  2. n)en het object zelf. Op grond van de Erfgoedverordening moet er door de eigenaar een monumentenvergunning worden aangevraagd. Een belangrijk verschil tussen rijksmonumenten enerzijds en gemeentelijke monumenten anderzijds is dat alleen rijksmonumenten vallen onder het regime van de Monumentenwet. Ten slotte kan de gemeenteraad ook een historische kern als een beschermd dorpsgezicht van gemeentewege aanwijzen. In Haaren zijn geen beschermde dorpsgezichten aangewezen, maar er zijn wel historisch waardevolle kernen en buurtschappen aanwezig. Monumenten en groen De gemeente Haaren heeft voor haar grondgebied een groenbeleidsplan opgesteld. In dit plan wordt de betekenis van landschapselementen voor historische stedenbouwkundige structuren uitgewerkt. 3.6.2 Monumenten op de Welstandsbeleidskaart Het aan- en verbouwen van het monument op zich is dus geregeld in de Erfgoedverordening en Monumentenwet. Echter, de gebouwen in de directe omgeving van een monument vallen hier niet onder, terwijl zij wel liggen binnen de beeldinvloedssfeer van dat monument. In het kader van welstand is het wenselijk bij (aan- of ver)bouwen van de belendende panden extra aandacht aan de vormgeving te besteden, zodat het pand de beeldruimte rondom het monument respecteert. Naast de reden waarom bepaalde gebieden, gebouwen en objecten, niet-zijnde gebouwen, als monument zijn aangewezen, bestaat er een verschil in voorkomen en omvang van monumenten. Er zijn solitair gelegen monumenten, die als los element in een landelijke of stedelijke omgeving zijn gelegen. De omgeving van en de ruimte rondom het monument kan belangrijk zijn voor de zeggingskracht van zo'n solitair monument. Er bestaan ook monumenten die in een meer of minder gesloten straatwand gelegen zijn, waarbij het monument past binnen het overwegende straatbeeld en de waarde bepaald wordt door de gaafheid of uniciteit van dat ene pand of dat ene ensemble. Daarnaast bestaan er historisch waardevolle dorpsgezichten, waarbij het geheel, de compositie, van gebouwen en objecten een bijzondere eigenschap bezit. Voor bouwplannen op, aan of nabij monumenten is de redengevende beschrijving van het monument de basis voor toetsing aan de welstandscriteria. Daarnaast zijn de algemene criteria van toepassing. Bouwplannen op, aan of nabij monumenten worden altijd aan de commissie voorgelegd. Voor de ligging van de monumenten zie de welstandsbeleidskaart. Voor de adressen van de monumenten zie de separate lijst van rijks- en gemeentelijke monumenten van de gemeente Haaren in bijlage 3. 3.6.3 archeologie Binnen de dynamiek van ontwikkelen en bouwen is het van belang archeologische elementente conserveren en waar mogelijk te accentueren en geloofwaardig in te passen. Ontwikkelingen behoren immers een plaats te krijgen in, en niet in plaats te komen van het cultuurlandschap. Wanneer behoud "in situ" niet mogelijk is, kunnen de archeologische sporen in de ondergrond eventueel door opgraving veilig worden gesteld, zodat zij "ex situ" nog bijdragen aan het verborgen verhaal. Voor de bouwopgave betekent dit dat met name gestuurd moet worden op: De situering van het bouwwerk in relatie tot de aanwezige archeologische waarde. De oriëntatie van het bouwwerk, met name in relatie tot de effecten op de situering van op- en inritten, parkeerruimten e.d. 3.6.4 Relatie met andere sturingsinstrumenten Monumentenwet en gemeentelijke Erfgoedverordening: aanwijzingsbevoegdheid, toetsingsprocedure (ver)bouwen monumenten, Provinciale structuurvisie; Stedenbouwkundige (Master-)plannen: stedenbouwkundig beeld; Bestemmingsplan: uitwerking van de Masterplannen, vastleggen bouwmassa, oriëntatie van de gebouwen en doorzichten; Structuurvisie: uitwerking van de visie en structuren op gebied van het erfgoed. Beleidsplan openbare ruimte: richting geven aan de inrichting van de openbare ruimte nabij monumenten. Landschapsbeleidsplan; de uitwerking van fysisch en historisch landschap, groenelementen in relatie tot gebouwd erfgoed. Toerisme en economie: uitwerking van de combinatie van erfgoed, de verhalen (stones&stories) en toeristisch economische sector. Hierin kan worden berekend wat de economische opbrengsten zijn vanuit toeristische sector voor erfgoed. Malta-wetgeving, waarbij het principe geldt: de verstoorder(opdrachtgever) betaalt. Cultuurhistorische Effectrapportage (CHER), voor grootschaliger projecten, waarbij integrale randvoorwaarden worden opgesteld voor behoud en inpassing van o.a. cultuurhistorische waarden in de plannen. Ontgrondingsvergunning (archeologie) , voor uitgraven van bodems. Peilbesluiten (archeologie), voor veranderingen van het grondwaterpeil. 7 Welstand en reclamebeleid Reclame-uitingen aan of op gevels en andere reclameobjecten in de leefomgeving zijn bedoeld om op te vallen. Daarom kunnen ze al snel als visueel storend worden ervaren. Voor plaatsing van reclameobjecten is dan ook in beginsel altijd een vergunning van de gemeente nodig. De reclamecriteria hebben betrekking op reclameobjecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen nodig is. Er moet dus sprake zijn van bouwen in de zin van de wet. Is daarvan geen sprake dan is slechts de excessenregeling (hoofdstuk 10) van toepassing. Desondanks zijn de reclamecriteria ook te gebruiken als richtlijn voor evenwichtige vergunningvrije reclametoepassing. Bij de beoordeling van reclame-uitingen door gemeenten in het kader van welstand wordt onder meer gelet op de visuele afstemming van de reclame op het gebouw en de omgeving. In de objectcriteria (Deel C hoofdstuk 9) zijn ook de criteria voor reclame-uitingen opgenomen. Concreet wordt gekeken naar de volgende aspecten: de vormgeving van de reclame. De functionele relatie met het gebouw waarop of waarbij deze wordt aangebracht. DEEL B - PROCEDURE 4.ORGANISATIE VAN WELSTAND 4.1 toetsingsprocedure 4.4.1.1 planverantwoording 4.De gemeente Haaren heeft de betrokkenheid van haar burgers bij de kwaliteit van de eigen woonomgeving hoog in het vaandel staan. De verantwoordelijkheid voor naleving van de wettelijke bepalingen ligt bij de burger. De burger zal zich dan ook moeten kunnen verantwoorden voor zijn bouwactiviteiten. Daarom worden aanvragers van bouwplannen gevraagd een planverantwoording te maken. Is een plan voorzien van een deugdelijke planverantwoording, dan zal het plan niet meer worden getoetst door de welstandscommissie. Hierop gelden de volgende uitzonderingen: 4.In ontwikkelingsgebieden worden alle plannen alleen aan de commissie voorgelegd wanneer er geen deugdelijke planverantwoording is bijgevoegd, op verzoek van de aanvrager of wanneer de gemeente twijfels heeft over de toepassing van de beeldkwaliteitseisen. 4.In de aandachtsgebieden cultuurhistorie worden plannen in principe wel ter advisering aan de commissie voorgelegd, tenzij het plan op basis van de objectcriteria kan worden afgehandeld. 4.Plannen voor monumenten (perceelsniveau) worden altijd aan de commissie voorgelegd. 4.Een deugdelijke planverantwoording geeft antwoord op de volgende vragen: 4.voldoet het plan aan het bestemmingsplan wat betreft plaatsing en afmetingen? Indien gebruik wordt gemaakt van binnenplanse ontheffingen of de kruimelgevallen: op welke wijze draagt dit bij aan de inpassing in de omgeving? 4.Hoe is het plan in de omgeving ingepast t.a.v. plaatsing, afmetingen, stijl, karakter, compositie, materiaal en kleur? Wijkt het plan af van de criteria in de welstandsnota, en zo ja: waarom? Op welke manier draagt het plan in dat geval bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving? 4.Het plan wordt voorgelegd aan de welstandscommissie als: Het plan in een aandachtsgebied cultuurhistorie ligt; en/of Het plan van de criteria in de welstandsnota afwijkt en de gemeente twijfelt aan de planverantwoording, of De ontwerper/aanvrager niet tot overeenstemming komt met de toetsende ambtenaar of de aanvrager uitdrukkelijk om een advies van de commissie verzoekt, of Er geen planverantwoording is bijgevoegd. 4.Als een project(afwijkings)besluit nodig is voor het bouwen en de gemeente overweegt medewerking te verlenen, zal zij meestal ook het advies van de commissie inwinnen. 4.4.1.2 procedure 4.In onderstaand schema is aangegeven op welke wijze er getoetst wordt en welke criteria van toepassing zijn bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Vergunningvrije bouwwerken of vergunningvrije wijzigingen aan bouwwerken worden niet getoetst aan redelijke eisen van welstand, tenzij de aanvrager daar om vraagt (preventieve toets) of indien sprake is van een mogelijk exces (repressieve toets). In deze gevallen toetst de commissie aan ernstige strijd met redelijke eisen van welstand, op basis van de excessenregeling, hoofdstuk 10 van deze nota. 4.plaatje 4.2 De welstandscommissie 4.De Woningwet 2003 (artikel 8 lid 2) verplicht gemeenten er toe de regels met betrekking tot de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie in de bouwverordening op te nemen. Voor informatie hierover wordt u verwezen naar de bouwverordening en de toelichting hierop en naar het Reglement van orde van de welstandscommissie van de gemeente Haaren 4.Bouwverordening Haaren 2013 4. Hoofdstuk. 9 Welstand de advisering door de commissie de samenstelling van de commissie de jaarlijkse verantwoording de termijn van advisering de openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting afdoening onder verantwoordelijkheid vorm waarin het advies wordt uitgebracht 4.. 4.3 De gemeentelijke organisatie 4.4.3.1 Burgemeester en wethouders voeren het welstandstoezicht uit 4.De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ligt bij burgemeester en wethouders. Zij hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan de hand van de in de welstandsnota opgenomen criteria. Het advies van de onafhankelijke en deskundige welstandscommissie speelt daarbij een belangrijke rol. 4. 4.3.2 Afwijking van het advies, afwijken van de criteria 4.Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van de welstandscommissie. Daarop zijn de volgende uitzonderingsmogelijkheden: 4.Afwijken van het advies op welstandsmotieven / second-opinion 4.Burgemeester en wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie indien zij tot het oordeel komen dat de welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast. Indien burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunningsaanvraag voor de activiteit bouwen op inhoudelijke grond tot een ander oordeel komen dan de welstandscommissie staan 2 mogelijkheden ter beschikking: 4.Enerzijds kunnen burgemeester en wethouders de commissie vragen om een heroverweging. Dit gebeurt in incidentele gevallen waarbij aanvullende planinformatie beschikbaar komt. 4.Anderzijds kunnen zij voordat het besluit op de vergunningsaanvraag wordt genomen, binnen de daarvoor geldige afhandelingstermijn, een second-opinion aanvragen bij een andere onafhankelijke adviescommissie. 4.Het advies van deze tweede commissie speelt een zware rol bij de verdere oordeelsvorming van burgemeester en wethouders. Indien het advies van de reguliere commissie en de second-opinion tegengesteld zijn en burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de reguliere welstandscommissie, wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning gemotiveerd. De reguliere welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. 4.Afwijken van het advies om andere redenen. 4.Het bevoegd gezag krijgt volgens artikel 2.10 lid 1 aanhef en onder d Wabo de mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de omgevingsvergunning te verlenen indien het van oordeel is dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. 4.Het bevoegd gezag zal uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke niet snel ondergeschikt wordt geacht aan de economische of maatschappelijke belangen. 4.4.3.3 Bezwaar/beroepprocedure 4.Het indienen van bezwaar/beroep 4.Belanghebbenden kunnen binnen zes weken bezwaar/beroep indienen tegen de beslissing van burgemeester en wethouders op de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Bezwaar of beroep is afhankelijk van de gevolgde procedure van de omgevingsvergunning. Belanghebbenden zijn in de regel de planindiener en de direct omwonenden. In de bezwaarschriftprocedure heroverwegen burgemeester en wethouders het besluit, na advies van de ‘Commissie Bezwaar- en Beroepschriften’. Belanghebbenden worden in dat geval uitgenodigd om tijdens een hoorzitting hun standpunten nader toe te lichten. Binnen tien weken nemen burgemeester en wethouders daarna een beslissing op het bezwaar. De belanghebbenden die het met de heroverweging niet eens zijn, kunnen hiertegen in beroep gaan. 4.De afdeling gemeentewinkel kan informatie over de procedure geven. Als een bezwaar te maken heeft met het welstandsoordeel, richt de belanghebbende zich dus nadrukkelijk op het oordeel van burgemeester en wethouders en niet op het advies van de welstandscommissie. Dat is immers alleen een advies aan burgemeester en wethouders. De welstandscommissie zelf kent daarom geen bezwaarprocedure voor belanghebbenden. Natuurlijk kunnen de ontwerper en eventueel de planindiener de welstandscommissie wel een toelichting op een uitgebracht advies vragen. Na hoor en wederhoor kan de welstandscommissie, als zij daartoe aanleiding ziet, het advies herzien. Deze herziening wordt in het advies gemotiveerd. 4.Ook kan de planindiener en ontwerper aan burgemeester en wethouders een verzoek richten voor een second-opinion. Burgemeester en wethouders beslissen op een dergelijk verzoek na een zorgvuldige afweging. 4.De Federatie Welstand beschikt over een beroepscommissie voor procedurele en juridische zaken. 4.4.3.4 Vooroverleg/conceptaanvraag 4.De gemeente biedt ontwerpers en planindieners de mogelijkheid om, voorafgaand aan de formele vergunningsaanvraag, vooroverleg te plegen met de welstandscommissie (of de ambtelijke toetsers) via een concept aanvraag of beeldkwaliteitplan van hun plannen. Hiertoe kan een concept aanvraag met schetsontwerp worden ingediend bij de afdeling Gemeentewinkel. De concept aanvraag wordt tevens getoetst aan de planologische haalbaarheid van het plan. 4.Bij de concept aanvraag moet de kwaliteit van het aangeleverde materiaal een goed beeld geven van het plan en de relatie met de omgeving. Er kan dan een goed oordeel gevormd worden als de volgende zaken worden aangeleverd: situatieschets inclusief aansluitende terreinen (minimaal schaal 1:1000), foto’s van de bestaande situatie en de omgeving, bij verbouwingsplannen tevens schetsen van bestaande plattegronden, doorsneden en gevelaanzichten (minimaal schaal 1:100). Bij grote projecten kan er een werkmaquette van het bouwwerk en zijn omgeving gevraagd worden om de schaal en massa te kunnen beoordelen. 4.De concept aanvraag wordt geregistreerd, gedateerd en krijgt een dossiernummer. In afwachting van de verdere ontwikkelingen van het plan wordt een preadvies uitgebracht en worden eventuele gemaakte afspraken vastgelegd. Op deze wijze wordt zorg gedragen voor een goede verslaglegging en een consistente advisering in alle planfasen. Op verzoek van de opdrachtgever kan dit overleg achter gesloten deuren plaatsvinden. De opdrachtgever dient deze wens bij het college van burgemeester en wethouders kenbaar te maken. 4.4.3.5 Supervisie/relatie welstandscommissie 4.De gemeente kan voor bepaalde (nieuw te ontwikkelen) gebieden een projectleider aanstellen met als taak de ruimtelijke kwaliteit te stimuleren en initiatiefnemers in de vroege planvormingsfasen reeds te informeren en te begeleiden. Om misverstanden te voorkomen, is het van belang de relatie tussen de planbegeleiding door de projectleider en de uiteindelijke welstandsbeoordeling door de welstandscommissie vooraf schriftelijk vast te leggen. 4.Bij het aanstellen van een projectleider zullen de betrokken afdelingen van de gemeente zorg dragen voor een heldere taakomschrijving en een goede afstemming tussen stedenbouwkundige supervisie en welstandsbeoordeling. 5.welstand en de oMGEVINGSwetgeving 5.1 Status 5.Deze beleidsnota geeft voor het gehele grondgebied van de gemeente Haaren richting aan de welstandstoetsing. De nota geeft op lokaal niveau inhoud aan de nieuwe wijze van weIstandstoezicht zoals deze is vastgelegd in de vernieuwde Woningwet. 5.De Welstandsnota gemeente Haaren is, na vaststelling in de gemeenteraad, het instrument waarmee de welstandstoets van bouwwerken uitgevoerd wordt. De wet heeft daarbij vastgelegd dat deze toets gebaseerd moet zijn op zowel algemene als gebiedseigen kwaliteiten en kenmerken en voor de burger transparant en navolgbaar moet zijn. In essentie komt het erop neer dat: 5.de gemeenteraad bepaalt welke criteria in welk gebied van belang zijn bij de toetsing; 5.de burger in staat moet zijn daarvan kennis te nemen en zodoende vooraf weet waarop zijn bouwplan zal worden getoetst; 5.gemeente en welstandscommissie daar vervolgens naar te handelen heeft en hun beoordeling van het bouwwerk op die criteria goed naar de burger dient te communiceren. 5.Deze beleidsnota is zodanig opgesteld dat deze aan de eisen van de Woningwet voldoet. 5.2 Woningwet, Wabo en Bor. 5.De woningwet stelt dat de welstandsadvisering gebaseerd dient te zijn op vooraf geformuleerde criteria, die zijn vastgesteld door de gemeenteraad en zijn opgenomen in de welstandsnota.. 5.Met de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht per 1 oktober 2010 is de bouwvergunning krachtens de Woningwet komen te vervallen. 5.De bouwvergunning gaat nu op in de omgevingsvergunning van de Wabo. 5.De categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken is komen te vervallen, de categorie vergunningsvrije bouwwerken is aangepast. 5.In de uitvoeringsregeling Bor, Besluit omgevingsrecht, is aangegeven voor welke bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist. 5.Vergunningvrije bouwwerken 5.In de Bor is opgenomen voor welke bouwactiviteiten geen omgevingsvergunning vereist is. 5.Bouwwerken in beschermde stads- en dorpsgezichten en bouwwerken en wijzigingen aan of bij monumenten zijn altijd vergunningsplichtig.. 5.Een vergunningsvrij bouwwerk wordt vooraf niet aan welstandseisen getoetst. Toch zijn er grenzen gesteld aan wat gebouwd mag worden. Bij bouwwerken die 'in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand', kan de gemeente ingrijpen. Hiervoor is de zogenaamde 'repressieve welstandstoets' ingesteld; een excessenregeling op grond waarvan gedwongen kan worden 'al te lelijke bouwwerken die ernstig uit de toon vallen' aan te passen. 5.Wat de repressieve welstandstoets inhoudt is te vinden in Deel C - Hoofdstuk 10 “excessenregeling en vrijwillige toetsing”. 5.Criteria 5.Omgevingsvergunningplichtige bouwwerken worden in de hierboven vernoemde welstandstoets op drie soorten criteria getoetst: 5.Algemene criteria; 5.Gebiedsgerichte criteria; 5.Objectcriteria. 5.Algemene criteria 5.Bij de toets op de algemene criteria wordt gekeken naar de architectonische kwaliteit en passendheid van het bouwwerk op zich. De algemene criteria zijn universele kwaliteitsprincipes, gericht op het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en de zeggingskracht van het bouwwerk. Zij zijn gericht op de relatie tussen vorm en sociaal-culturele context, goede schaal en maatverhoudingen en het evenwicht tussen helderheid en complexiteit. 5.Gebiedsgerichte criteria 5.De gebiedsgerichte criteria beoordelen een bouwwerk op de relatie van dat bouwwerk met zijn omgeving. De gebiedsgerichte toets hanteert vier hoofdcategorieën criteria: 5.de situering van het bouwwerk; 5.de hoofdvormen van het bouwwerk; 5.de gevelaanzichten van het bouwwerk; 5.de materialisatie en detaillering van het bouwwerk. 5.Objectcriteria 5.De objectcriteria zijn criteria voor (kleine,) veelvoorkomende bouwwerken. Het gaat hier om: bijbehorende bouwwerken, dakkapellen, erfafscheidingen enz. Deze criteria zijn algemeen en gelden dus in principe in elk gebied. Daarnaast zijn in deze nota ook objectcriteria voor agrarische bouwwerken in het beheergebied opgenomen, en zijn de reclamecriteria in deze categorie ondergebracht. De reclamecriteria zijn wel gebiedsafhankeijk, maar zo concreet dat een ambtelijke toets in veel gevallen goed uit te voeren is. 5.Kleine veelvoorkomende bouwwerken, waarvoor objectcriteria zijn geformuleerd, kunnen deel uitmaken van een totaal bouwplan, dat omgevingsvergunningplichtig is en ter advisering bij de welstandscommissie ligt. De welstandscommissie betrekt bij de toets van dit totale bouwplan ook de relevante objectcriteria. 5.Om te voorkomen, dat men achteraf geconfronteerd wordt met redelijke eisen van welstand kan een initiatiefnemer van een te bouwen vergunningsvrije bouwwerk dit vrijwillig laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De objectcriteria kunnen dan dienen als adviserend toetsingskader. 5. 5.3 Benodigde bescheiden bij welstandstoets 5.De verschuiving van actief naar passief welstandsbeleid voor grote delen van het grondgebied legt meer verantwoordelijkheid bij de burger. Daarom wordt, bij elk plan dat niet valt binnen de categorieën bouwwerken die beschreven zijn in de objectcriteria, gevraagd een planverantwoording op te stellen. Wat er minimaal in zo’n planverantwoording moet staan is beschreven in paragraaf 4.1.1. 5.Om een plan goed te kunnen beoordelen dient de aanvrager voorts voldoende informatie over het plan te verstrekken. Het aangeleverde materiaal (plattegronden, tekeningen, foto's etc.) moet een goed beeld geven van het bouwplan en de relatie met de omgeving. 5.In de Mor (regeling omgevingsrecht) staan de wettelijke indieningsvereisten voor een aanvraag om omgevingsvergunning. 5.Artikel 2.5 Redelijke eisen van welstand 5.In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van de toetsing aan de criteria uit de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet: tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan (uitwendige scheidingsconstructie). In ieder geval worden opgegeven het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten en boeidelen en de dakbedekking. 5.Artikel 2.8 Algemene vereisten aan tekeningen De aanvrager voorziet de tekeningen bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit van een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding. Tenzij artikel 5.8 van toepassing is, geldt voor de volgende tekeningen de daarbij genoemde maximaal toe te passen schaal: situatietekeningen: 1:1000; geveltekeningen, plattegronden en doorsneden: 5.1°. bouwwerken kleiner dan 10.000 m2 bruto vloeroppervlakte: 1:100; 5.2°. bouwwerken 10.000 m2 of groter bruto vloeroppervlakte: 1:200; detailtekeningen: 1:5 of 1:10 of 1:20. Uit de situatietekening blijkt de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen (noordpijl). 5.Artikel 7.6 Handelsreclame In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder h en i, van de wet, verstrekt de aanvrager gegevens over: het aantal en de afmetingen van de reclame; de hoogte van de reclame, gemeten vanaf maaiveld tot de onderkant; de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting; de tekst van de reclame. Indien een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander. 5.De gemeente Haaren voegt hieraan toe: 5.Tekeningen van plattegronden zijn niet als vereiste genoemd, maar zijn voor een goed inzicht in het plan onontbeerlijk. Aangezien deze tekeningen voor andere toetsen in het kader van de omgevingsvergunning wel een vereiste zijn wordt geadviseerd deze ook bij de welstandsstukken te voegen. 5.Bij verbouwingsplannen dienen ook de tekeningen van de bestaande toestand toegevoegd te worden. 5.Tekeningen van de principedetails betreffen meestal dakranden, goten, dakkapellen, kozijnen 5.Wanneer het plan een monument betreft, dient de redengevende beschrijving van het monument bij de behandeling van het plan beschikbaar te zijn. 5.Bij grote projecten kan een (werk)maquette van het bouwwerk en zijn omgeving bijdragen aan een goed inzicht in het plan, m.n. de schaal en massa. dEEL C - CRITERIA GEBRUIKSHANDLEIDING Gebruik In dit hoofdstuk zijn de criteria ten behoeve van de welstandstoets van Haaren uitgewerkt. Deze criteria zijn in belangrijke mate gestoeld op een gebiedsgerichte benadering. Er worden verschillende typen criteria onderscheiden. De welstandstoets vormt een onderdeel van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Deze vergunningsprocedure is uitgewerkt in Deel B, hoofdstuk 5. plaatje 6.algemene CRITERIA Naast de specifieke gebiedsgerichte criteria zijn bij de beoordeling van een bouwwerk ook algemene criteria van kracht. Deze zijn terug te voeren op universele kwaliteitsprincipes. De algemene criteria liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling. De algemene criteria zijn deels gebaseerd op de notitie die de toenmalige rijksbouwmeester, dhr. Tj. Dijkstra, in 1985 heeft uitgebracht onder de titel 'Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid'. Ze vormen het begrippenkader en zijn als het ware het gereedschap van de welstandscommissie bij de argumentatie van het welstandsadvies. Toepassing algemene criteria In bijzondere situaties, wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte criteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene criteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte en objectcriteria. In praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene criteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. De criteria in dit hoofdstuk vormen de kern van het toetsingskader van de welstandscommissie. De algemene criteria komen in beeld wanneer een plan niet ambtelijk, a.d.h.v. de eisen in een beeldkwaliteitplan, de gebiedsgerichte criteria in hoofdstuk 8 of de objectcriteria in hoofdstuk 9, kan worden afgehandeld, en een afweging door de welstandscommissie noodzakelijk is. De commissie betrekt bij haar afweging ook de voornoemde eisen en criteria, maar baseert haar advies in elk geval op de algemene criteria. 6.1 Redelijkheid Welstandseisen wegen zwaarder naarmate de invloed van de bouwactiviteit op de omgeving groter is. De welstandscommissie houdt bij de welstandstoets rekening met die invloed. Uiteraard geldt dit ook de andere kant op: hoe geringer de invloed van een bouwactiviteit op de omgeving, de omwonenden en de voorbijgangers, hoe lager de eisen die aan het plan worden gesteld. Aan een plan dat niet zichtbaar is voor omwonenden en passanten, worden geen welstandseisen gesteld. De commissie dient in eerste instantie te kijken naar de invloed op openbaar toegankelijk gebied. Als het woongenot van omwonenden echter in gevaar komt zal dit zeker worden meegewogen. De invloed van een bouwwerk op zijn omgeving wordt bepaald door de afstand tot de openbare weg, de zichtbaarheid vanaf openbare weg en vanaf omliggende percelen, de mate van openbaarheid (drukke doorgaande weg of stille doodlopende straat) en de omvang van de ingreep in relatie tot het totaalbeeld. Dit criterium staat niet op zich: het bepaalt hoe zwaar de overige 9 criteria wegen bij de welstandstoetsing. In de welstandsbeleidskaart zijn aandachtsgebieden aangewezen. In deze gebieden is een hogere aandacht voor de kwaliteit van ruimtelijke ingrepen gevraagd, omdat deze gebieden cultuurhistorisch waardevol zijn, en daarmee een groter belang voor de gemeenschap hebben. 6.2 Afstemming op het gebiedskarakter Wanneer een gebouw of bouwwerk wordt gerealiseerd in een gebied met een specifiek karakter wordt verwacht dat de nieuwe toevoeging past in dit gebied. Het gebiedskarakter is beschreven in de tekst bij de gebiedscriteria in hoofdstuk 8, of in een beeldkwaliteitplan. Hoe sterker de karaktereigenschappen van het gebied, hoe hoger de eisen m.b.t . afstemming. Overigens betekent dit niet dat het nieuwe een kopie moet zijn van het bestaande. Afstemming kan ook worden gevonden in een vertaling van kenmerken in een nieuwe vorm. Een bewust toegepast contrast kan ook een tot een passende invulling leiden. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Hoe groter de afwijking is, hoe duidelijker de positieve bijdrage aan de omgeving ervaarbaar moet zijn. 6.3 Afstemming op de belendingen Wanneer een gebouw of bouwwerk wordt gerealiseerd in een omgeving met een sterke samenhang in verschijningsvorm wordt verwacht dat de nieuwe toevoeging de samenhang geen geweld aan doet. Hoe groter de samenhang tussen de gebouwen en bouwwerken onderling , hoe zwaarder dit criterium weegt. Overigens betekent dit niet dat het nieuwe een kopie moet zijn van het bestaande. In de meeste gevallen is dit zelfs niet wenselijk. Een omgeving moet zich kunnen ontwikkelen. Een zekere mate van variatie is ook in een samenhangende omgeving goed mogelijk. 6.4 Afstemming op het eigen karakter Bij verbouwingen, uitbreidingen en wijzigingen aan bestaande objecten wordt rekening gehouden met het karakter van het bestaande object. Afstemming kan worden bereikt door “in stijl” te bouwen, maar ook door een afgewogen contrast te introduceren. Verder kan afstemming worden bereikt door de verschijningsvorm van het gehele object in het plan mee te nemen, waardoor een nieuwe, interne samenhang ontstaat. 6.5 Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een begrijpelijke relatie heeft met het gebruik van het bouwwerk en de wijze waarop het gemaakt is. Vormgeving heeft zijn eigen samenhang en logica, maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit. 6.6 Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context (Stijl, type, tijdsbeeld) Stijlelementen en typologische eigenschappen worden op een zinvolle, begrijpelijke en samenhangende wijze gebruikt. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Een bouwwerk wordt verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving is het vaak beter te laten zien wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. 6.7 Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Met helderheid en complexiteit wordt ook bedoeld: regelmaat en variatie, eenvoud en veelvormigheid, ritme en afwijking, structuur en verbijzondering. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie. Een te grote complexiteit leidt tot onrust en verwarring, een te grote helderheid tot saaiheid en schraalheid. Helderheid en complexiteit hebben elkaar nodig: zonder regelmaat geen variatie. Een verbijzondering is alleen ervaarbaar in relatie tot de regelmatige structuur. 6.8 Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave, maar ook de omgeving stelt zijn eisen aan de schaal. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst. 6.9 Materiaal, textuur, kleur Materiaal- en kleurkeuze dienen logisch te zijn binnen het gekozen architectonische concept, de gekozen stijl of het tijdsbeeld van het bouwwerk en zijn omgeving. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, en kleur het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Als materialen en kleuren te veel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. Als materialen en kleuren te veel losstaan van de omgeving van het bouwwerk kan de ruimtelijke samenhang met die omgeving verdwijnen en de omgeving een rommelig of onrustig karakter krijgen. 6.10 Detaillering Detaillering van randen en overgangen dient logisch te zijn binnen het gekozen architectonische concept, de gekozen stijl of het tijdsbeeld van het bouwwerk en zijn omgeving. Een detail kan het architectonische concept van een gebouw maken of breken. Specifieke detaillering is vaak verbonden aan een bouwperiode of een gebouwtype. Dit is voor de “leesbaarheid” van een gebouw van groot belang. Detaillering bepaalt bovendien in belangrijke mate de schaal van een gebouw. Door een goede detaillering kan ook een groot gebouw herbergzaam overkomen (De menselijke maat). 7.beeldkwaliteitplannen In de gemeente Haaren zijn de volgende beeldkwaliteitplannen, of -paragrafen vastgesteld: Sancta Monica, Esch Kantstraat, Haaren Wijngaert III, Haaren Brede school (vml. Gemeentewerf), Haaren Copalterreinen, Haaren Den Hoek, Helvoirt Joriskwartier, Helvoirt Hopveld II Vincent van Goghplein, Helvoirt Voor de Raamse Oevers en Reigerskant zijn wel stedenbouwkundige studies gemaakt, maar de ontwikkeling van deze gebieden ligt op het moment van vaststelling van deze nota stil. Voor de herbestemming van Haarendaal is een structuurvisie opgesteld waarin een aanzet voor beeldkwaliteitseisen is verwerkt. Voor de relevante welstandscriteria wordt verwezen naar deze bkp’s en de beeldkwaliteitparagrafen in de bestemmingsplannen. De bkp’s gelden als onderdeel van de welstandsnota. Bkp’s die na de vaststelling van deze nota worden vastgesteld moeten eveneens als onderdeel van deze nota worden beschouwd, en worden bij de volgende herziening van de nota meegenomen. De bkp’s en relevante beeldkwaliteitparagrafen zijn als bijlage aan deze nota toegevoegd. 8. GEBIEDSGERICHTE CRITERIA Gebiedsgerichte criteria Naast de algemene welstandscriteria, welke een gebouw op zich beoordelen, bestaan er criteria die eisen stellen aan bouwwerken in relatie tot de omgeving van dat bouwwerk: de gebiedsgerichte welstandscriteria. In dit hoofdstuk zijn per deelgebied gebiedsgerichte welstandscriteria geformuleerd. Vertrekpunt voor het bepalen van gebiedsgerichte criteria is de ruimtelijke hoofdstructuur, verfijnd in een gebiedstypologiekaart en gebiedsbeschrijving. Op de typologiekaart worden de verschillende gebiedstypen in landelijke en stedelijke gebieden onderscheiden. De gebiedsbeschrijving gaat in op het voorkomen, de oorsprong en de karakteristieken van de verschillende gebieden en gebiedsdelen. Op basis van inventarisatie en analyse kunnen de belangrijkste karakteristieken bepaald worden. Deze vormen de aandachtspunten voor de gebiedsgerichte welstandsnota. Een begrippenlijst en een uitleg van bouwkundige termen is als bijlage 2 bij deze welstandsnota gevoegd. In de welstandsbeleidskaart is een aantal gebieden als aandachtsgebied aangewezen, vanwege de cultuurhistorische waarde van het gebied. Dit betekent niet dat alle de bebouwing in een dergelijk gebied cultuurhistorisch waardevol is. Het kan ook gaan om een oud straatverloop, een typerende positionering van bebouwing t.o.v. de straat, een kenmerkende nederzettings- of ontginningsstructuur enz. . In de navolgende paragrafen is achtereenvolgens ingegaan op: De ruimtelijke hoofdstructuur van de gemeente; De historisch gegroeide gebieden (H-gebieden); De planmatig aangelegde woongebieden (W-gebieden); De bedrijventerreinen (B-gebieden); De groengebieden (G-gebieden); Het buitengebied (G6). . Eén welstandstoets Een nieuwbouwplan voor bijvoorbeeld een woning omvat vaak een hoofdgebouw met verschillende onderdelen, bijbehorende bouwwerken of dakkapellen. Een dergelijk bouwplan wordt in één keer getoetst aan zowel de (relevante) gebiedsgerichte criteria als aan de objectcriteria. Hieronder is een voorbeeld opgenomen van een tabel met gebiedsgerichte criteria. Voorbeeld tabel gebiedsgerichte criteria: Gebiedsgerichte criteria voor gebied X Algemene karakteristiek Hoofdaspecten Plaatsing en situering: Massavorm: Gevelopbouw: Materiaalkeuze (hoofdvlakken): Kleurgebruik (hoofdvlakken): Deelaspecten Compositie massa-onderdelen: Gevelindeling: Vormgeving gevelelementen: Detailaspecten Materialen (onderdelen): Kleuren (onderdelen): Detaillering onderdelen: Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen. Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals bijbehorende bouwwerken en dakkapellen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de objectcriteria. Zodra bijbehorende bouwwerken vergunningsplichtig zijn in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, zijn de objectcriteria van toepassing Zodra dakkapellen vergunningsplichtig zijn in het kader van de ongevingsvergunning voor de activiteit bouwen, zijn de objectcriteria van toepassing. Ruimtelijke hoofdstructuur In 1996 zijn de oude gemeenten Haaren, Esch en Helvoirt samengevoegd tot de gemeente Haaren. In 1997 is de kern Biezenmortel van de voormalige gemeente Udenhout erbij gekomen en is de nieuwe gemeente Haaren ontstaan. De gemeente Haaren bestaat uit de dorpen Haaren, Helvoirt, Esch en Biezenmortel. Daarnaast behoren onder andere de volgende buurtschappen tot de gemeente Haaren: Holleineind, Belvert, Noenes, Gever, Distelberg, Hoef ten Halve, Gijzel, Raam, Heikant, Laar, Zandkant, Molenstraat, Helvoirtsestraat, ’t Winkel en Hooghout. Landschap De basis voor de geomorfologische opbouw van de gemeente Haaren ligt in de voorlaatste en de laatste ijstijd. In de voorlaatste ijstijd, het Saalien, zijn dikke pakketten zand en löss afgezet, afkomstig uit de bodem van de toen droog liggende Noordzee. Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien, vond verspoeling van de bodem plaats, waarbij het löss sedimenteerde tot soms dikke leemlagen. Deze leemlagen zijn in recente tijden lokaal ontgonnen, waarbij in de gemeente Haaren onder andere het gebied ‘Leemkuilen’ is ontstaan. Later, in het Midden-Weichselien is opnieuw zand afgezet, waarbij geulen in het gebied werden opgevuld en een min of meer vlakke dekzandvlakte ontstond. Tijdens het Laat-Weichselien is opnieuw dekzand afgezet, maar nu in ruggen, de zogenaamde dekzandruggen. Deze dekzandruggen hebben een zuidwest-noordoost oriëntatie, als gevolg van de overheersende zuidwesten winden in ons land. Deze dekzandruggen bestaan vaak uit zand dat is opgestoven vanuit de naastliggende beekdalen. De beken wateren af in noordelijke richting. Door de vorming van zuidwest-noordoost georiënteerde dekzandruggen, juist langs de beekdalen, is de stroomrichting van de beken deels naar het oosten afgebogen. Menselijk ingrijpen heeft geleid tot de vorming van stuifzanden. Door overexploitatie op de zandgronden, zo’n 1000 jaar geleden, verdween de aanwezige vegetatie en het kale zand verstoof vervolgens. Het resultaat is het ontstaan van landduinen met bijbehorende uitstuivingslaagtes. In de gemeente Haaren trad dit op in het noorden (in de zich naar het westen uitstrekkende Loonse en Drunense duinen) en ten oosten van Helvoirt (kleinere stuifzandcomplexen ten zuiden van Vught, waarvan een klein deel in de gemeente Haaren ligt). Het grondgebied van de gemeente Haaren bestaat uit dekzandvlakten en dekzandruggen en beekdalen die van nature grotendeels begroeid waren met bos, afwisselend met open vlakten door begrazing of te hoge waterstanden voor bosbegroeiing. De mensen vestigden zich vooral op de overgangen van droog naar nat, dus op dekzandruggen. Nabij de nederzettingen werd akkerbouw gepleegd en vee werd gehouden in potstallen of ook wel geweid op heide en in beekdalen. De natste gronden in de beekdalen werden gebruikt als hooiland; op minder vruchtbare gronden op de dekzandvlaktes ontstonden heidevegetaties die werden geplagd. Kernen en nederzettingen De gemeente Haaren bestaat uit vier dorpen met elk hun eigen stedenbouwkundige en landelijke karakteristieken. De vier kernen kenmerken zich door een duidelijke ruimtelijke afscheiding van het omliggende landelijke gebied. Esch De kern Esch is ontstaan op de hogere oostelijke oeverwal van de Essche Stroom tussen twee beekdalen. De kern kan daarom worden getypeerd als een beekdalennederzetting. De naam Esch is vermoedelijk afgeleid van de boomsoort es. Esch is namelijk rondom een es ontstaan. Daarnaast is Esch ontstaan als een wegdorp langs de routes Haarenseweg, Leunisdijk en Dorpstraat. Op de plaats waar de wegen samenkomen, heeft zich een plein gevormd. In de jaren ’60 zijn de eerste planmatige uitbreidingen van start gegaan ter hoogte van de Essche Stroom, Haarenseweg en Leunisdijk. Vervolgens hebben de planmatige uitbreidingswijk Venakkers en het bedrijventerrein Broxven zich ontwikkeld aan de oostzijde van de Leunisdijk. Aan de noordwestzijde grenst de kern aan de beek. Hier vormt de bebouwing een harde begrenzing met het landelijk gebied. Aan de noordkant van Esch is de afstand tussen de bebouwing en de beek betrekkelijk groter. Hier vormt de rand een diffuse overgang van stedelijk en landelijk gebied. Ook aan de oost- en zuidzijde kenmerkt de rand zich door een vrij zacht karakter. De gevelwand van de linten is sterk gedifferentieerd en bestaat hoofdzakelijk uit vrijstaande historische bebouwing opgebouwd uit één laag met een kap. Aan het plein liggen de meest markante bouwwerken van de kern waarbij het voormalige raadhuis en de St. Willibrorduskerk overblijfselen zijn van de historische bebouwingsstructuur. Plaatje Aan de west- en zuidkant van de kern liggen de meer recente woonwijken. Hier bestaat de bebouwing voornamelijk uit halfvrijstaande en vrijstaande woningen opgebouwd uit afwisselend één en twee bouwlagen. Door de bebouwingsstructuur zijn vanuit de kern verscheidene doorzichten naar het omliggende landschap aanwezig. Haaren De kern Haaren is ontstaan op de hoge dekzandrug nabij het beekdal van de Ruijsbossche Waterloop en heeft zich als lintdorp ontwikkeld. Het lint ontwikkelde zich langs de route Helvoirtseweg, Kerkstraat, Langeweg en Kerkeind. Archeologisch onderzoek wijst uit dat tijdens de Vroege en Late IJzertijd op de huidige locatie van Haaren al sprake was van bewoning. Voor het ontstaan van Haaren zijn eerst de nederzettingen Kerkeind en Belveren gevestigd. In 1648 schafte de Vrede van Munster de godsdienstvrijheid af. Op het kerkeind leidde dit tot een sluiting van de katholieke Lambertuskerk. De bewoners vertrokken naar het Belveren (Eind) omdat hier een nieuwe kerk werd gebouwd. In 1825 werd de Lambertuskerk onder gezag van Koning Willem I weer teruggeven aan de katholieken. Aangezien de kerk erg vervallen was, besloot de koning tot de bouw van een nieuwe kerk aan de ‘Drie hoeven’. Hier werd de kern Haaren gevestigd. Aan de oostzijde vormt het open beekdal van de Ruijsbossche Waterloop een sterke begrenzing voor de kern Haaren. De zuidkant van de kern kenmerkt zich door een zachte bebouwingsrand aan het open beekdal. Vanuit de zuidkant vormt de Haa-rendijk de verbinding met het Eind. Aan de zuid- en westzijde van de kern bepaalt het ongelijkmatige verloop van de begrenzing een grote diversiteit in karakter. Aan de noordzijde daarentegen, vormt de rechte Kantstraat een sterk lineair karakter van de begrenzing in het gebied en is de dorpsrand vrij hard. Plaatje De stedenbouwkundige structuur laat duidelijk zien dat de kern meerdere locaties heeft gehad. Van de eerste nederzetting ‘Het Kerkeind’ is de oorspronkelijke verkavelingsstructuur ongewijzigd. Ook de toren van de oorspronkelijke St.Lambertuskerk en de bochtige verkeersstructuur zijn nog aanwezig. Voor de tweede nederzetting ‘Het Eind’ geldt dat de oorspronkelijke structuur van de oude brink herkenbaar is in zowel de verkavelings- als verkeersstructuur. De Brink is tegenwoordig ingevuld met moderne woningbouw. Van de derde en huidige nederzetting Haaren is het centrum nog op dezelfde locatie gelegen. Binnen het centrum zijn de Rooms-katholieke kerk en de kapel van Haarensteijn, het gemeentehuis, de winkels, het landbouwmechanisatiebedrijf en de voormalige Boerenbond (staat op de nominatielijst om gesloopt te worden) opvallende elementen. Door recente herstructurering hebben sommige delen een moderner beeld gekregen en is het historische stratenverloop ietwat gewijzigd. De grootste ingrepen zijn de herinrichting van het Mgr. Bekkersplein en de bouw van het nieuwe gemeentehuis. De nieuwste wijken aan de noordwestkant van de kern bestaan voornamelijk uit vrijstaande en halfvrijstaande woningen omgeven door een ruim opgezet openbaar gebied gelegen in een groene setting. De brinken bij het Groenplein en de Keizerstraat zijn enkele historische restanten in de nieuwere wijken. Biezenmortel De naam Biezenmortel, staat voor een met biezen begroeid moerassig gebied. Mortel is afgeleid van moer of moeras, vaak natte drassige grond. Biezenmortel is ontstaan door twee agrarische gehuchten Winkelsche Hoek en ’t Winkel die organisch naar elkaar toe zijn gegroeid door de komst van de Minderbroeders Capucijnen in 1910. De paters stichtten ten noorden van de gehuchten een klooster, een kerk en een school. De bebouwing ontwikkelde zich verder naar elkaar toe als een lint. Zo ontstond de huidige kern Biezenmortel. De stedenbouwkundige structuur van de kern Biezenmortel wordt bepaald door de Capucijnenstraat met de bebouwing die zich langs het lint heeft ontwikkeld. De Capucijnenstraat is kaarsrecht en heeft een lengte van ongeveer een kilometer bestaande uit hoofdzakelijk vrijstaande lintbebouwing opgebouwd uit afwisselend één tot twee lagen. De Biezenmortelsestraat vormt de noordgrens en de Winkelsestraat de zuidgrens voor zowel het lint als de bebouwing aan de Capucijnenstraat. De oostkant van de kern kenmerkt zich door een harde rand met het buitengebied. Dit komt door de recente planmatige uitbreidingen van bebouwing. In noordelijke richting en ter plaatse van het klooster kenmerkt de kern zich door een veel zachtere rand met het buitengebied. Plaatje Het hart van de kern bestaat uit een groep openbare gebouwen. Het voormalige kloostercomplex en de St.Josephkerk aan de Capucijnenstraat vormen door hun hoogte en massa beeldbepalende elementen binnen de kern. De kloostertuin is eveneens een beeldbepalend stedenbouwkundig element langs het lint. Helvoirt Plaatje De kern Helvoirt is ontstaan op de hoger gelegen dekzandgronden tussen de Broekleij en de Raamse Loop. Helvoirt karakteriseert zich van oudsher als een typische beekdalnederzetting. Dit soort kernen ontstonden toen de kans zich voor deed om beekdalgronden om te zetten in Weidegebieden. De naam Helvoirt is volgens deskundigen afgeleid van de termen ‘’hel’’ en ‘’voort’’: "hel", een woest, moerassig gebied met er doorheen een "voort" ofwel een doorwaadbare doorgang, een weg door de broeklanden. Met de hel werd het Helvoirtsche Broek met zijn modder, biezen en moerasplanten bedoeld. De kern Helvoirt is organisch gegroeid als een lintdorp in zowel noordzuidelijke (de Torenstraat) als in oostelijke richting (De Dijk). De Dijk is de voormalige route tussen Tilburg en ’s-Hertogenbosch. Na de middeleeuwen zorgde de bouw van een kerk aan de Torenstraat voor een nieuwe nederzetting. In de 19e eeuw vestigde zich een secundaire kerknederzetting op de kruising van de Kastanjelaan, Lindelaan en Achterstraat. Van oorsprong maakte het gehucht Den Hoek ook onderdeel uit van deze kerknederzetting. De gunstige ligging van de nederzetting op de kruising van belangrijke routes uitte zich in een forse uitbreiding van de bebouwing aan de historische linten. Na de jaren ’50 heeft de kern zich, mede door fysieke barrières van de spoorlijn en de N65, ontwikkeld in westelijke en oostelijke richting tot aan de Raamse Loop en het Beekdal van de Broekleij. Alleen het bedrijventerrein en de uitlopers van de linten liggen buiten de begrenzingen (spoorweg en N65). Aan de westkant van Helvoirt vormt de bebouwing een harde lineaire rand. Aan de kant van de spoorlijn en de N65 creëren de achtertuinen een groen beeld vanaf weg en spoor. Het Helvoirtsche Broek kenmerkt zich door een vrij zachte rand met het buitengebied. Dit in tegenstelling tot de nieuwe woonbuurt waarbij het groen nog niet volgroeid is en daarom de begrenzing erg hard is. Ook voor de kern Helvoirt bepaalt de historische wegenstructuur voor het grootste deel de stedenbouwkundige opbouw. De gevelwand is noodzakelijk opgebouwd uit historische lintbebouwing bestaande uit één laag. Het straatbeeld kenmerkt zich door een sterke differentiatie gevormd door de afwisseling van vrijstaande villa’s en boerderijen. Opvallende historische gebouwen binnen de linten zijn de kerk, het raadhuis en de voormalige herbergen en cafés. De moderne bedrijven aan de Torenstraat vormen een sterk contrast in tijdsbeeld met de historische bebouwing. De secundaire kerknederzetting, gevestigd in de 19e eeuw op de kruising van de historische routes, kenmerkt zich door veel vrijstaande bebouwing met verspringingen in de rooilijn omgeven door veel groen. De belangrijkste cultuurhistorische elementen binnen het gebied zijn de kerk en de begraafplaats, de pastorie en de villa’s. De kruising van de Kastanjelaan, Lindelaan en Achterstraat is met name door de woningbouwontwikkelingen van na de oorlog uitgegroeid als het centrum van Helvoirt. In het gebied tussen de historische linten en de N65 bestaat de bebouwing hoofdzakelijk uit halfvrijstaande woningen met twee bouwlagen. De bouw van de woningen heeft zich in de tweede helft van de 20e eeuw sterk ontwikkeld. Vanuit het centrum in zuidelijke richting worden de kavels geleidelijk aan groter en bestaat de bebouwing veelal uit vrijstaande woningen. De woningen zijn gelegen in een groene setting aan ruim opgezette woonstraten. De open ruimten aan de Vincent van Goghstraat zijn kenmerkend voor de stedenbouwkundige opzet van het gebied. De buurten ten westen van de Achterstraat en ten oosten van de Torenstraat zijn opgebouwd uit vrijstaande en halfvrijstaande woningen gelegen in een ruime groene setting. Historisch gegroeide woon- en gemengde gebieden (H-gebieden) Historisch gegroeide woon- en gemengde gebieden zijn op verschillende manieren ontstaan. De landschappelijke en historische ontwikkeling van de gebieden zijn bepalend geweest voor de historische identiteit. Welstandseenheden Dorpen en steden kunnen op verschillende wijzen ontstaan en gegroeid zijn. De landschappelijk ontwikkeling, situering langs oude hoofdwegen en knooppunten maar ook strategische plekken zijn hierin bepalend geweest. In de gemeente Haaren kan onderscheid worden gemaakt in de verschillende wijze waarop de gebieden zijn ontstaan. Historische nederzettingen: Beekdalnederzettingen (H1): Haaren, Helvoirt en Esch zijn beekdalnederzettingen. Deze nederzettingen ontstonden op de hogere dekzandruggen. Vanaf omstreeks 1000 na Christus begon men de beekdalen en de natte broekgebieden beter te benutten: de daar aanwezige bosvegetatie werd verwijderd ten gunste van weiden en hooilanden. Het werd steeds minder nuttig om boven op de ruggen te blijven wonen. De boerderijen werden verplaatst naar de randen tussen de akkers en de nieuw ontgonnen beekdalen en broeken. Hierdoor hebben de kernen zich als lintdorp langs het beekdal ontwikkeld. Straatdorplinten (H2): Oorspronkelijk waren er rond het huidige Biezenmortel twee agrarische gehuchten gelegen. Winkelse Hoek en ’t Winkel ontstonden temidden van een grootschalig akkercomplex op de hogere dekzandrug. Na de stichting van het Capucijnenklooster, rond 1910, groeiden de twee gehuchten naar elkaar toe. De nagenoeg onbebouwde zandweg ontwikkelde zich als een straatdorplint. Hoewel van de oorspronkelijke nederzetting slechts een klein deel resteert en het huidige bebouwingsbeeld grotendeels dateert van na 1940 is het een goed voorbeeld van een geïsoleerd gelegen kloosternederzetting. De bebouwing aan beide zijden van de weg bestaat veelal uit vrijstaande, tweelaagse woonbebouwing (circa 1925 en later). Aan het lint is daarnaast een kloostercomplex uit 1910 en een aantal boerderijen gelegen. Deze boerderijen dateren veelal uit eind 19e en begin 20e eeuw. Bebouwingslinten (H3): Bebouwingslinten zijn in de loop van de tijd ontstaan langs oude hoofd- en uitvalswegen. Vaak sluiten deze wegen aan op oude kernen of maken daar deel van uit. Ze bestaan in het algemeen uit een reeks van losstaande gebouwen (waaronder boerderijen) en onbebouwde terreinen. In de gemeente Haaren liggen de bebouwingslinten verspreid in het landschap. Buurtschappen en gehuchten (H4): Verspreid over de gemeente Haaren liggen de buurtschappen Achterste Distelberg en Voorste Distelberg (inclusief Duinoord), Hoef ten Halve, Gijzel, Raam, Heikant, Laar, Zandkant, Molenstraat, Helvoirtsestraat en Den Hoek (Helvoirt), Holleneind, Belvert, Noenes en Gever (Haaren), Winkelse Hoek, ’t Winkel en Hooghout (Biezenmortel). In onderstaand schema wordt aangegeven welke typologie aan de kernen kan worden toegeschreven. De nummers verwijzen naar de gebieds-/typologie-beschrijvingen met bijbehorende criteria. Daarnaast corresponderen zij met de legenda-eenheden van de typologiekaart. Gebiedscode Naam gebied typologiebeschrijving Woon- en gemengde gebieden met een duidelijke relatie met de cultuurhistorie H1.1 Haaren: Het centrumgebied van Haaren wordt begrensd door de Driehoeven, de Kerkstraat, het Monseigneur Bekkersplein en de Haarensteijnstraat (tot de A. Vissersstraat); Helvoirt: Het centrumgebied van Helvoirt betreft de Lindelaan, de Kastanjelaan (vanaf de Kloosterstraat) en de Achterstraat (vanaf de Dr. Landmanstraat); Esch: Het centrumgebied van Esch betreft het marktplein met de Rooms Katholieke kerk. Beekdalnederzetting – dorpsgebied H1.2 Haaren: Nemelaerstraat, Haarendijk, Kapelweg, Eind, Pastoor Jansenstraat, Driehoekweg, Kerkstraat, Langeweg, Kerkeind, Kantstraat, Oude Baan, Groenplein en Helvoirtseweg; Helvoirt: Udenhoutseweg, Schoorstraat, Kerkstraat, Achterstraat, St. Nikolaasstraat, Oude Rijksweg, Torenstraat, Helvoirtsestraat en Molenstraat; Esch: Haarenseweg, Postelstraat, Spankertstraat, Runsdijk, Dorpstraat en Leunisdijk. Beekdalnederzetting- Uitloper H2 Biezenmortel: Het lint aan de Capucijnenstraat. Straatdorplint H3.1 Haaren: Belversestraat; Helvoirt: De Dijk; Esch: Haarenseweg. Historisch bebouwingslint H3.2 Haaren: Heesakker, Noenes, Groenstraat, Roonsestraat en Helvoirtseweg; Helvoirt: De Gijzel, Gijzelsestraat en Udenhoutseweg; Esch: Heikant, Koningsweg, De Ruiting, Pickensteeg en de Haarenseweg; Biezenmortel: Biezenmortelsestraat, Oude Bosschebaan en Gijzelsestraat. Jong bebouwingslint H4 Haaren: Holleneind, Belvert, Noenes, Gever en Hoge Raam; Helvoirt: Achterste Distelberg en Voorste Distelberg (inclusief Duinoord), Hoef ten Halve, Gijzel, Hoge Raam, Heikant, Laar, Molenstraat, Helvoirtsestraat en Den Hoek; Biezenmortel: Winkelse Hoek, ’t Winkel, Hooghout en Zandkant. Buurtschappen H1 Beekdalnederzettingen Kenmerkend voor de beekdalnederzettingen zijn de hoger gelegen gronden, dekzandruggen, met daarop verschillende bebouwing. De dekzandruggen, die gesitueerd waren aan beekdalen, vormden in landbouwkundig opzicht een zeer geschikte plek: op de rug was akkerbouw mogelijk en omdat de natuurlijke vruchtbaarheid van de meeste zandgronden te wensen overlaat, was bemesting nodig. Daarom deed men in het beekdal voornamelijk aan veeteelt. Samen met de oeverwallen waren de dekzandruggen de eerste vestigingsplaatsen en ontstonden er beekdalnederzettingen. Beekdalnederzettingen ontwikkelden zich in de loop der tijd als lintdorpen. De visuele openheid van de landbouwgronden in de beekdalen en rondom de nederzettingen is de belangrijkste ruimtelijke kwaliteit van het beekdalenlandschap. Welstandseenheden In Haaren, Helvoirt en Esch bestaan er verschillen tussen de dichtheid van de beekdallinten en de beleving van open- en beslotenheid. In de oude kern van de drie dorpen is het lint zeer verdicht. Op sommige plekken binnen de kernen is het beekdallint landelijk gebleven. Om deze verschillen in beekdallinten aan te geven worden verschillende welstandseenheden onderscheiden. Er is een verschil gemaakt in het ‘dorpscentrum van de beekdalnederzetting’ en de ‘uitlopers van de beekdalnederzetting’. Voor elk van deze welstandeenheden gelden aparte criteria. Dorpscentrum beekdalnederzettingen (H1.1) Drie van de vier kernen in de gemeente Haaren kunnen als beekdalnederzetting worden getypeerd. Al deze nederzettingen hebben een dorpscentrum: Haaren: Het centrumgebied van Haaren, dat begrensd wordt door de Driehoeven, de Kerkstraat, het Monseigneur Bekkersplein en de Haarensteijnstraat (tot de A. Vissersstraat); Helvoirt: Het dorpscentrum van Helvoirt dat omlijnd wordt door de Lindelaan, de Kastanjelaan (vanaf de Kloosterstraat) en de Achterstraat (vanaf de Dr. Landmanstraat); Esch: Het oude historische dorpscentrum van Esch, dat gelegen is aan het Marktplein met de Rooms Katholieke kerk. Uitlopers beekdalnederzettingen (H1.2) Haaren: De uitlopers aan de Nemelaerstraat, Haarendijk, Kapelweg, Eind, Pastoor Jansenstraat, Driehoekweg, Kerkstraat, Langeweg, Kerkeind, Kantstraat, Oude Baan, Groenplein en Helvoirtseweg. Helvoirt: Udenhoutseweg, Schoorstraat, Kerkstraat, Achterstraat, Schilderstraatje, St. Nikolaasstraat, Oude Rijksweg, Torenstraat, Kastanjelaan, Helvoirtsestraat en Molenstraat. Esch: Haarenseweg, Postelstraat, Spankertstraat, Runsdijk, Dorpstraat en Leunisdijk. Op de typologiekaart zijn de verschillende typen beekdallinten met bovenstaande coderingen aangegeven. Hieronder zijn de verschillende typen nader uitgewerkt en is per type een niveau van welstand bepaald en zijn criteria benoemd. H 1.1 Dorpscentrum beekdalnederzettingen Haaren De kern Haaren is ontstaan op een hogere dekzandrug en op de overgang naar het beekdal van de Ruijsbossche waterloop. De kern kan daarom getypeerd worden als beekdalnederzetting. Typerend voor beekdalnederzettingen is de verplaatsing van de nederzetting naar het lager gelegen beekdal. De stedenbouwkundige structuur van de kern Haaren laat duidelijk zien dat deze verplaatsingen in de kern hebben plaatsgevonden. De voormalige nederzettingen ‘Het Kerkeind’ en ‘Belveren’ (’t Eind) worden in dit rapport onder H 1.2 ‘Uitlopers beekdalnederzetting’ behandeld. Het ‘nieuwe’ centrumgebied van Haaren, dat begrensd is door de Driehoeven, de Kerkstraat, het Monseigneur Bekkersplein en de Haarensteijnstraat, is eind 19e eeuw ontstaan. Op dat moment werd aan het huidige Monseigneur Bekkersplein een kerk gebouwd. Het centrumgebied wordt gekarakteriseerd door een menging van detailhandel en wonen. De detailhandel is geconcentreerd aan het Monseigneur Bekkersplein (tegenover het gemeentehuis) en aan de Driehoeven (tegenover het landbouwmechanisatiebedrijf). Op deze twee locaties bestaat de bebouwing uit twee lagen. Op de begane grond zijn winkels en op de eerste verdieping zijn appartementen of kantoren gevestigd. De bebouwing in het centrumgebied is verder divers doordat het in de loop der jaren gegroeid is. In het huidige centrum wisselen agrarische en (traditionele) woningen elkaar af. De woningen zijn veelal opgebouwd uit donkere bakstenen, die soms wit zijn geschilderd. De woningen kennen een bouwhoogte van 1,5 tot 2 lagen met kap. De woningen hebben veelal een sobere gevel. De gevels van een aantal agrarische woningen zijn met muurankers versierd. De kapvormen die voorkomen zijn zadeldaken, al dan niet met wolfseind, en mansardekappen. Binnen het nieuwe centrum zijn de Rooms Katholieke kerk, de kapel van Haarensteijn en het woonhuis aan de Driehoeven 1 de meest markante en historische bouwwerken. Andere opvallende gebouwen zijn het gemeentehuis, verzorgingshuis Haarensteijn, de winkels en de voormalige Boerenbond. Door recente herstructurering hebben sommige delen van het centrum een modernere uitstraling gekregen. Het gaat dan met name om de herinrichting van het Monseigneur Bekkersplein en de bouw van het nieuwe gemeentehuis eind jaren negentig. Helvoirt De kern Helvoirt is van oorsprong een beekdalnederzetting; de kern is ontstaan tussen de Broekleij en de Raamse Loop. Door de gunstige ligging op de kruising van belangrijke wegen volgde de uitbreiding van het dorp. Na de 12e eeuw ontwikkelde de beekdalnederzetting zich verder rondom de kerk aan de Torenstraat. Het gaat hier voornamelijk om aaneengebouwde eenlaagse woonbebouwing met een zadel- of schilddak. De gevels van de woningen bestaan veelal uit donkere bakstenen. Een aantal woningen heeft witgepleisterde gevels. In de tweede helft van de 19e eeuw vestigde zich ten noorden van de oorspronkelijke dorpskern, op de kruising van de Kastanjelaan, Lindelaan en Achterstraat, een secundaire kerknederzetting met een nieuw niet-agrarisch centrum. Dit centrum ontstond na de bouw van neogotische kerk in de nabijheid van het reeds gesloopte station uit 1881, nabij de locatie van de vroegere schuurkerk. De secundaire kerknederzetting, dat door de concentratie van detailhandel en horeca als centrumgebied is aangemerkt, kenmerkt zich door veel vrijstaande bebouwing met verspringingen in de rooilijn. De bebouwing is veelal op ruime kavels gelegen. De belangrijkste cultuurhistorische elementen binnen het gebied zijn de Rooms Katholieke kerk, de begraafplaats, de pastorie en de villa’s. De bebouwing in het centrum is vrij dicht en gemengd. Er zijn winkels, horecabedrijven, kantoren en andere bedrijven gevestigd. Incidenteel komt nieuwbouw in het centrum voor. De bebouwing in het centrum bestaat veelal uit twee bouwlagen met een schilddak. Deze bebouwing is veelal opgebouwd uit rode bakstenen. Een aantal woningen

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.