← Nederland

Waterschapsverordening Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard)

In het kort

Deze verordening regelt activiteiten die van invloed zijn op watersystemen en wegen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, met als doel het voorkomen van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, en het beschermen van de waterkwaliteit en de werking van zuiveringstechnische werken en wegen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR706661 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0656/2023-12-11/06ad83b1-d049-4ffe-8348-c35110ee1ad5 /join/id/stop/work_019 2024-06-28 2024-06-28 /akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR706661/nld@2024-06-28 /join/id/proces/ws0656/2023-12-11/c623b4f4-7ff1-4f57-a6f8-e70b5a3721dc /join/id/proces/ws0656/2024-06-27/1aa9ca85-3d96-427c-be6e-f78597d483a9 2024-06-28 2024-11-30 2024-06-28 2024-11-30 2024-06-28 2024-11-30 /akn/nl/act/ws0656/2023-12-11/06ad83b1-d049-4ffe-8348-c35110ee1ad5/nld@2024-06-27;2 /akn/nl/act/ws0656/2023-12-11/06ad83b1-d049-4ffe-8348-c35110ee1ad5 /akn/nl/act/ws0656/2023-12-11/06ad83b1-d049-4ffe-8348-c35110ee1ad5/nld@2024-06-27;2 /join/id/stop/work_019 2 Waterschapsverordening Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Hoofdstuk 1 ALGEMEEN Artikel 1.1 (begrippen) Bijlage 1 van deze verordening bevat de begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening. Artikel 1.2 (doelen) 1 De hoofdstukken 1 tot en met 10 van deze verordening zijn, met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 1.3 van de wet, gericht op: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste in samenhang met het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van de watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en b. het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk. 2 Hoofdstuk 11 van deze verordening is, met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 1.3 van de wet, gericht op: a. het behoeden van de staat en werking van openbare wegen voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wegen, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg behoort; en b. het behoeden van de ecologische kwaliteit van eco-bermen voor nadelige gevolgen van activiteiten in die bermen. Artikel 1.3 (toepassingsbereik) 1 Deze verordening is van toepassing: a. in het beheergebied van het hoogheemraadschap; b. op de watersystemen of onderdelen daarvan, die in beheer zijn bij het hoogheemraadschap; c. buiten het beheergebied van het hoogheemraadschap, voor zover het gaat over beperkingengebieden van waterstaatswerken die in beheer zijn bij het hoogheemraadschap; en d. op de beperkingengebieden van wegen die in beheer zijn bij het hoogheemraadschap. 2 De regels van de hoofdstukken 2 en 5 tot en met 9 zijn niet van toepassing op: a. projecten waarvoor door het dagelijks bestuur een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de wet, wordt vastgesteld; b. activiteiten die nodig zijn voor het beheer, de bediening en het onderhoud van het watersysteem of een onderdeel daarvan door of in opdracht van het hoogheemraadschap; en c. activiteiten die nodig zijn voor het uitvoeren van onderhoudsverplichtingen met betrekking tot waterstaatswerken door of in opdracht van onderhoudsplichtigen als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet. 3 De regels van hoofdstuk 11 zijn niet van toepassing op: a. projecten waarvoor door het dagelijks bestuur een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de wet, wordt vastgesteld; b. activiteiten die nodig zijn voor het beheer, de bediening en het onderhoud van een weg of een onderdeel daarvan door of in opdracht van het hoogheemraadschap; en c. activiteiten die nodig zijn voor het uitvoeren van onderhoudsverplichtingen met betrekking tot wegen door of in opdracht van onderhoudsplichtigen als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel VII van de Wegenwet. Artikel 1.4 (werkingsgebieden) 1 De werkingsgebieden zijn voor de toepassing van deze verordening genoemd, aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2 bij deze verordening. 2 Voor de toepassing van deze verordening wordt een werkingsgebied als bedoeld in het eerste lid aangehaald met de naam waaronder dat werkingsgebied in bijlage 2 is aangewezen of geometrisch begrensd. 3 Bij de aanwijzing en geometrische begrenzing van het beperkingengebied van een waterstaatswerk wordt het beperkingengebied van een windwatermolen buiten beschouwing gelaten. 4 Zolang een beperkingengebied van een waterstaatswerk of een weg nog niet overeenkomstig het eerste lid geometrisch is begrensd, valt dat beperkingengebied samen met het waterstaatswerk, onderscheidenlijk de weg. Artikel 1.5 (normadressaat) De regels van deze verordening zijn van toepassing op degene die de activiteit verricht, voor zover niet anders is bepaald. Artikel 1.6 (specifieke zorgplicht: algemeen) Degene die een activiteit verricht met betrekking tot het watersysteem of een onderdeel daarvan, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, moet: a. alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 1.7 (specifieke zorgplicht: concretisering) Artikel 1.6 houdt in ieder geval in: a. het voorkomen, beperken, onmiddellijk ongedaan maken of achterwege laten van het beschadigen van een waterstaatswerk; b. het voorkomen, ongedaan maken of achterwege laten van het verondiepen of versmallen van een oppervlaktewaterlichaam, het belemmeren van de doorstroom van een oppervlaktewaterlichaam of het belemmeren van de afvoer van kwelwater of regenwater; c. het niet nadelig beïnvloeden van de stabiliteit van een waterkering, oeverconstructie of oever; d. het voorkomen van aantasting van het waterkerend vermogen van waterkeringen; e. het bereikbaar en toegankelijk houden van waterstaatswerken voor inspectie, onderhoud en beheer door of in opdracht van het waterschap of voor onderhoud door of in opdracht van een onderhoudsplichtige als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet; en f. het voorkomen van versnelde uitspoeling van de waterkering of het uitspoelen van grond of andere stoffen in een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 1.8 (specifieke zorgplicht: minimale verplichtingen kwaliteit) Artikel 1.6 houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; c. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet; e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd; f. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd. Artikel 1.9 (algemene regel maatwerkvoorschriften) Geen maatwerkvoorschrift kan worden opgelegd als een voorschrift van gelijke strekking aan een vergunning kan of had kunnen worden verbonden, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Artikel 1.10 (maatwerkvoorschriften) 1 Over het verrichten van een activiteit met betrekking tot het watersysteem of een onderdeel daarvan als bedoeld in artikel 1.6 kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. 2 Het maatwerkvoorschrift kan afwijken van de regels die zijn gesteld in artikel 1.7 en artikel 1.

  1. Artikel 1.11 (termijnen meldingen) 1 Als het verrichten van een activiteit op basis van deze verordening is verboden zonder melding, dan wordt de melding gedaan tenminste vier weken voor het begin ervan. 2 Een melding vervalt als met de uitvoering van een activiteit binnen zes maanden, na het doen van de melding, geen start is gemaakt. Artikel 1.12 (algemene beoordelingsregel) Als het verrichten van een activiteit op basis van deze verordening is verboden zonder omgevingsvergunning, dan wordt de omgevingsvergunning alleen geweigerd wegens strijd met de oogmerken waarop het verbod is gericht, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Artikel 1.12a (beoordelingsregel krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam) 1 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit die gevolgen kan hebben voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam: a. wordt bij de beoordeling van de aanvraag rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam; en b. worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater voorkomen of beperken. 2 Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat: a. niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit; b. de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; c. een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt bereikt; d. de doelstellingen van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; e. een significante en aanhoudende stijgende trend als bedoeld in artikel 4.17, eerste lid, van het Besluit Kwaliteit leefomgeving wordt omgebogen; f. de doelstellingen van het voorkomen van de achteruitgang en het streven naar verbetering van de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water als bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet worden bereikt. Artikel 1.12b (Uitzonderingen beoordelingsregel krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam) 1 Artikel 1.12a, tweede lid, onderdelen a tot en met c, zijn niet van toepassing: a. voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, van dat besluit; of b. als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of minder strenge doelstelling het gevolg is van: 1º. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; en 2º. toepassing is gegeven aan artikel 2.17, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2 In afwijking van artikel 1.12a, tweede lid, onder d, kan een omgevingsvergunning worden verleend als: a. de aanvraag betrekking heeft op: 1º. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw- oppervlaktewaterlichaam; 2º. wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; of 3º. nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling, voor zover het gaat om de achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand; b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren. Artikel 1.13 (afsluitplicht) 1 Dit artikel is gericht op het voorkomen van overstroming van achter de waterkering gelegen gronden en op het watersysteembeheer. 2 Wanneer dat naar het oordeel van het dagelijks bestuur noodzakelijk is wordt een sluis, gemaal of beweegbaar deel van een waterkering onmiddellijk gesloten door degene die onderhoudsplichtig is op basis van de onderhoudslegger van het hoogheemraadschap. 3 Wanneer dat naar het oordeel van het dagelijks bestuur noodzakelijk is wordt een doorsnijding, tunnel, pijpleidingkruising, duiker of een andere opening of waterdoorlatende voorziening in een waterkering onmiddellijk gesloten door de rechthebbende van de af te sluiten voorzieningen of gronden met de daarvoor bestemde middelen. 4 Het dagelijks bestuur informeert degene die krachtens het tweede of derde lid tot afsluiten verplicht is, ten minste 24 uur van tevoren schriftelijk over de noodzaak tot afsluiting, tenzij dit door het spoedeisende karakter van de afsluiting niet mogelijk is. Artikel 1.14 (aanwijzing bijzondere omstandigheden) Bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet, zijn: a. waterschaarste en dreigende waterschaarste; b. overvloed aan water en dreigende overvloed aan water; c. de aantasting van een waterstaatswerk of de dreiging dat een waterstaatswerk wordt aangetast of dat het waterstaatswerk ernstig beschadigd of onbruikbaar wordt; en d. aanmerkelijke verslechtering van de waterkwaliteit of dreigende aanmerkelijke verslechtering van de waterkwaliteit. Artikel 1.15 (verbod bij bijzondere omstandigheden) 1 Het dagelijks bestuur kan bij besluit, als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet, bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet en zo nodig, in afwijking van verleende omgevingsvergunningen of geldende peilbesluiten, verbieden: a. water af te voeren naar of aan te voeren uit een oppervlaktewaterlichaam; b. water te onttrekken aan of te lozen op een oppervlaktewaterlichaam; en c. grondwater te onttrekken of water terug te brengen in de bodem. 2 Het besluit wordt ingetrokken als het dagelijks bestuur instandhouding daarvan niet langer noodzakelijk vindt. Hoofdstuk 2 VERANDERINGEN VAN HET WATERSYSTEEM Artikel 2.1 (toepassingsbereik) Dit hoofdstuk is gericht op: a. de goede werking van het watersysteem; b. het bewaren en beheersen van de samenhang tussen onderdelen van het watersysteem; c. het beschermen van de chemische kwaliteit van grondwaterlichamen; en d. de andere doelen, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid. Artikel 2.2 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: systeemactiviteiten) 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een waterstaatswerk aan te leggen, tenzij het gaat over een duiker in een dam in de gevallen, bedoeld in de artikelen 6.37, 6.38 en 6.39; of b. een waterstaatswerk te wijzigen, tenzij het gaat over: 1º. het verrichten van een werkzaamheid als bedoeld in artikel 5.23, eerste lid; 2º. het aanbrengen, houden of verwijderen van een werk als bedoeld in artikel 6.51, eerste lid; of 3º. een activiteit waarover regels zijn gesteld in paragraaf 5.1, 5.2, 5.3, 6.1, 6.2, 6.3, 6.4, 6.5, 6.6, 6.7 of 6.8 of in hoofdstuk 7 of
  2. 2 Het met elkaar in verbinding te brengen van oppervlaktewaterlichamen is verboden zonder omgevingsvergunning. 3 Een oppervlaktewaterlichaam op een peil brengen of houden dat afwijkt van het in het peilbesluit vastgestelde peil of van het waterpeil dat normaal wordt aangehouden, is verboden zonder omgevingsvergunning. 4 Het aanbrengen van meer dan 500 m² verhard oppervlak waarvan de neerslag geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, op een oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht is verboden zonder omgevingsvergunning. 5 Onder verhard oppervlak, bedoeld in het vierde lid, wordt ook verstaan dakoppervlak en glastuinbouw. Artikel 2.3 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: kwel of wegzijging) 1 Het verrichten van een activiteit die tot gevolg heeft of kan hebben dat de kwel toeneemt of het grondwater wegzijgt in hoog-kwelgevoelig gebied is verboden zonder omgevingsvergunning, voor zover het gaat over werkzaamheden op een diepte van 1 m of meer onder het maaiveld of 1 m of meer onder het waterpeil van een oppervlaktewaterlichaam voor berging. 2 Het verrichten van een activiteit die tot gevolg heeft of kan hebben dat de kwel toeneemt of het grondwater wegzijgt in gemiddeld-kwelgevoelig gebied is verboden zonder omgevingsvergunning, voor zover het gaat over werkzaamheden op een diepte van 2 m of meer onder het maaiveld of 1 m of meer onder het waterpeil van een oppervlaktewaterlichaam voor berging; of 3 Het verrichten van een activiteit die tot gevolg heeft of kan hebben dat de kwel toeneemt of het grondwater wegzijgt in laag-kwelgevoelig gebied is verboden zonder omgevingsvergunning, voor zover het gaat over werkzaamheden op een diepte van 3 m of meer onder het maaiveld of 1 m of meer onder het waterpeil van een oppervlaktewaterlichaam voor berging. 4 Dit artikel gaat niet over: a. het aanbrengen van een diepe wandconstructie als bedoeld in artikel 2.4; b. het onttrekken van grondwater aan een grondwaterlichaam; c. het infiltreren van water als bedoeld in de artikelen 4.15 en 4.17; d. het uitvoeren van grondonderzoek door middel van een sondering of boring of het aanbrengen of verwijderen van een waterspanningsmeter of peilbuis; e. het aanbrengen, hebben, wijzigen of verwijderen van een uitstroom- of onttrekkingsvoorziening; of f. het aanbrengen en verwijderen van heipalen buiten het beperkingengebied van een waterkering en buiten het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of buiten het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b. Artikel 2.4 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: diepwanden) Het aanbrengen van een diepe wandconstructie die de stroming van grondwater in of onder het eerste watervoerend zandpakket beïnvloedt of kan beïnvloeden is verboden zonder omgevingsvergunning. Hoofdstuk 3 LOZINGSACTIVITEITEN OPPERVLAKTEWATERLICHAAM OF ZUIVERINGTECHNISCH WERK Paragraaf 3.1 Algemeen Artikel 3.1 (activiteiten) Als lozingsactiviteiten met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk worden aangewezen: a. het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam; b. het lozen van grondwater bij sanering, ontijzering of ontwatering; c. het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; d. het lozen van huishoudelijk afvalwater; e. het lozen van koelwater; f. het lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken; g. het lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen; h. het lozen bij opslaan en overslaan van andere dan inerte goederen; i. het lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater; j. het lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder; k. het lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen; l. het lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen; m. het lozen bij asverstrooiing; en n. het uitvoeren van overige lozingen. Artikel 3.2 (toepassingsbereik) 1 Dit hoofdstuk is gericht op: a. het beschermen van waterstaatswerken en de doelmatige werking daarvan voor het bergen van water en het aan- en afvoeren van water; b. het beschermen of beheersen van het peil van water; c. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van het belang van doorspoelen van water; d. het vervullen van maatschappelijke functies van oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder het schaatsen, het zwemmen en het varen; en e. het beschermen van zuiveringtechnische werken en de doelmatige werking daarvan voor het transporteren en zuiveren van afvalwater. 2 De paragrafen 3.2 en 3.16 van dit hoofdstuk zijn van toepassing in het beheergebied voor het beheer van de kwantiteit van oppervlaktewater. 3 De paragrafen 3.3 tot en met 3.16 van dit hoofdstuk zijn van toepassing in het beheergebied voor het beheer van de kwaliteit van oppervlaktewater. Paragraaf 3.2 Kwantitatieve voorschriften voor lozingen Artikel 3.3 (omgevingsvergunningplichtige gevallen) Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen op een oppervlaktewaterlichaam voor zover het gaat over: a. meer dan 500 m³/u op een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer; b. meer dan 100 m³/u op een oppervlaktewaterlichaam voor berging in een peilgebied zonder een plas; c. meer dan 1 m³/u op een oppervlaktewaterlichaam voor berging in een peilgebied met een plas. Paragraaf 3.3 Lozen van grondwater bij sanering, ontijzering of ontwatering Artikel 3.4 (lozen van grondwater bij saneringen) 1 Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater, afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. 2 Voor het lozen van dat grondwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.4, gemeten in een steekmonster. Tabel 3.4 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l bij lozen in een oppervlaktewaterlichaam Naftaleen 0,2 μg/l PAK’s 1 μg/l Minerale olie 50 μg/l Cadmium 0,4 μg/l Kwik 0,1 μg/l Koper 1,1 μg/l Nikkel 4,1 μg/l Lood 5,3 μg/l Zink 12 μg/l Chroom 2,4 μg/l Onopgeloste stoffen 20 mg/l Benzeen 2 μg/l Tolueen 7 μg/l Ethylbenzeen 4 μg/l Xyleen 4 μg/l Tetrachlooretheen 3 μg/l Trichlooretheen 20 μg/l 1,2-dichlooretheen 20 μg/l 1,1,1-trichloorethaan 20 μg/l Vinylchloride 8 μg/l Som van de vijf hier bovenstaande stoffen 20 μg/l Monochloorbenzeen 7 μg/l Dichloorbenzenen 3 μg/l Trichloorbenzenen 1 μg/l Artikel 3.5 (lozen bij ontijzeren grondwater) 1 Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater, afkomstig van het ontijzeren van grondwater, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is. 2 Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster. 3 De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 4 In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 3.6 (lozen van grondwater bij ontwatering) 1 Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat grondwater: a. niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is. 2 Voor het te lozen grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster. 3 Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen. Artikel 3.7 (meet- en rekenbepalingen) 1 Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 2 Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 3 Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink, ijzer en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-ENISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN
  3. Artikel 3.8 (gegevens en bescheiden) 1 Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 3.4 tot en met 3.6, worden aan het dagelijks bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2 Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. 3 Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater bij ontwatering, als: a. het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of b. het lozen plaatsvindt binnen een huishouden. Paragraaf 3.4 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening Artikel 3.9 (lozen van afvloeiend hemelwater) 1 Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat hemelwater: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en c. geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is. 2 In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater, afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen geloosd op of in een oppervlaktewaterlichaam, voor zover het lozen op of in de bodem of in een schoonwaterriool niet mogelijk is. Artikel 3.10 (gegevens en bescheiden) 1 Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit. 2 Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. Paragraaf 3.5 Lozen van huishoudelijk afvalwater Artikel 3.11 (lozen van huishoudelijk afvalwater) 1 Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater alleen op een oppervlaktewaterlichaam geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: a. 40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; b. 100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; c. 600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten; d. 1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en e. 3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten. 2 De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 3 In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt. 4 In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Artikel 3.12 (zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater) 1 Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening. 2 Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.
  4. Tabel 3.12 Emissiegrenwaarden Stof Emissiewaarden mg/l bij lozen op een oppervlaktewaterlichaam Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 20 mg/l 40 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 100 mg/l 200 mg/l Totaal stikstof 30 mg/l 60 mg/l Ammoniumstikstof 2 mg/l 4 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l Fosfor totaal 3 mg/l 6 mg/l 3 Het tweede lid is niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid: a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd. 4 Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Artikel 3.13 (meet- en rekenbepalingen) 1 Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 2 Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 3 Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1 of NEN-EN-ISO 5815-2; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; d. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; e. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en f. voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-
  5. Artikel 3.14 (gegevens en bescheiden) 1 Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 3.11, worden aan het dagelijks bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2 Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. 3 Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Paragraaf 3.6 Lozen van koelwater Artikel 3.15 (koelwater) 1 Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. 2 Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd. 3 De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s. Artikel 3.16 (gegevens en bescheiden) 1 Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 3.15, worden aan het dagelijks bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de maximale warmtevracht; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2 Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. Paragraaf 3.7 Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken Artikel 3.17 (bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen) Paragraaf 3.7Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, tenzij het gaat om: a. afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of b. afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar. Artikel 3.18 (werkinstructie bij reinigen en conserveren) 1 Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken: a. is er een werkinstructie opgesteld; en b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen. 2 In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen: a. welke technieken worden toegepast; b. welke stoffen kunnen vrijkomen; en c. welke stoffen worden gebruikt. 3 Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen: a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd; b. wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is; c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft; d. op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en e. welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s. Artikel 3.19 (werkinstructie bij bouwen en slopen) Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen. Artikel 3.20 (beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam) Met het oog op het voorkomen of beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting. Artikel 3.21 (meet- en rekenbepalingen) Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing. Artikel 3.22 (gegevens en bescheiden) 1 Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 3.17 tot en met 3.19, worden aan het dagelijks bestuur de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 3.18; of b. voor het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoel in artikel 3.
  6. 2 Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. 3 Het eerste en tweede lid gelden niet voor reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd. Paragraaf 3.8 Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen Artikel 3.23 (inerte goederen) Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrijstaal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas. Artikel 3.24 (lozen bij opslaan van inerte goederen) Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.25 (lozen bij overslaan van inerte goederen) 1 Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. 2 Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. 3 Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of b. het schip, waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep. 4 Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen. Paragraaf 3.9 Lozen bij overslaan van andere dan inerte goederen Artikel 3.26 (lozen bij overslaan van niet-inerte goederen) 1 Met het oog op doelmatig beheer van afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam bij: a. het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen; b. bij het overslaan van zout voor het strooien op wegen; c. het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en d. het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk. 2 Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. 3 Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of b. het schip, waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep. Artikel 3.27 (gegevens en bescheiden) 1 Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 3.26, worden aan het dagelijks bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de stoffen die worden overgeslagen; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2 Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. 3
  7. Dit artikel is niet van toepassing op het overslaan van: a. zout voor het strooien op wegen; b. niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en c. niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk. Paragraaf 3.10 Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater Artikel 3.28 (lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels) Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1º tot en met 3º, van de wet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. Artikel 3.29 (lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen) Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de wet, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. Paragraaf 3.11 Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam Artikel 3.30 (lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden) Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.31 (werkinstructie bij verontreinigde waterbodem) Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. de toe te passen baggertechniek; en b. de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze. Artikel 3.32 (lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder) Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 3.30 op een oppervlaktewaterlichaam, die worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer, worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.33 (lozen van algen en bacteriën) Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.34 (gegevens en bescheiden) 1 Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 3.30, worden aan het dagelijks bestuur de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. gegevens over de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem; b. als de waterbodem de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 3.31; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2 Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. 3 Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet. Paragraaf 3.12 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen Artikel 3.35 (lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen) 1 Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. 2 Aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd. Paragraaf 3.13 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen Artikel 3.36 (lozen vanuit andere gebouwen dan een kas) 1 In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is. 2 Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.36, gemeten in een steekmonster. Tabel 3.36 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l 3 De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 4 In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 3.37 (lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen) 1 In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is. 2 Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster. 3 De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 4 In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 3.38 (lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen) 1 In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. 2 Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.38, gemeten in een steekmonster. Tabel 3.38 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l Artikel 3.39 (lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars) 1 Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater, afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. 2 Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.39, gemeten in een steekmonster. Tabel 3.39 Emissiegrenswaarden Stof Emissiewaarden in mg/l Chloride 200 mg/l IJzer 2 mg/l 3 De artikelen artikel 4.801 en artikel 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing. Artikel 3.40 (meet- en rekenbepalingen) 1 Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 2 Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 3 Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; b. onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; c. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1 of NEN-EN-ISO 5815-2; d. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en e. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-
  8. Artikel 3.41 (gegevens en bescheiden) 1 Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 3.36 tot en met 3.39, worden aan het dagelijks bestuur de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2 Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. Paragraaf 3.14 Asverstrooiing Artikel 3.42 (asverstrooiing) Het op een oppervlaktewaterlichaam individueel verstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan. Paragraaf 3.15 Andere lozingen Artikel 3.43 (vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater) 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen of warmte worden geloosd. 2 Het verbod geldt niet voor: a. het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het lozen, bedoeld in de paragrafen 3.3 tot en met 3.14; c. het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; of d. het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen. Artikel 3.44 (vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk) 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten. 2 Het verbod geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Paragraaf 3.16 Aanvraagvereisten, beoordelingsregels en voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit Artikel 3.45 (aanvraagvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit) Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het debiet in m³/u van het te lozen afvalwater; b. de regelmaat waarmee lozingen of deellozingen plaatsvinden; c. de aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt; d. een riooltekening; e. de locaties van de lozingspunten; f. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan; g. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken; h. een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; i. de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd; j. de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de geloosde stoffen, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; k. de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en l. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd. Artikel 3.46 (gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag) 1 Op verzoek van het bevoegd gezag worden over lozingsactiviteiten als bedoeld in artikel 3.1 de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen met betrekking tot die kwaliteit. 2 Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 3.47 (beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit) Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.48 (voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit) Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.49 (maatwerkvoorschriften) 1 Over het verrichten van een lozingsactiviteit als bedoeld in artikel 3.1 kan een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld. 2 Het maatwerkvoorschrift kan afwijken van de artikelen 3.4 tot en met 3.
  9. Hoofdstuk 4 WATERONTTREKKINGSACTIVITEITEN Paragraaf 4.1 Algemeen Artikel 4.1 (toepassingsbereik) 1 Dit hoofdstuk is gericht op: a. het beschermen van waterstaatswerken en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water, het aan- en afvoeren van water en het besparen van water; b. het beschermen van grondwaterlichamen en de doelmatige werking daarvan voor het infiltreren en vasthouden van water; c. het beschermen of het beheersen van het peil van water; d. het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van het belang van het doorspoelen van water; en e. het vervullen van maatschappelijke functies door oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder het varen, en door grondwaterlichamen, in het bijzonder de dragende functie van grondwaterlichamen. 2 Dit hoofdstuk is van toepassing in het beheergebied voor het beheer van de kwantiteit van oppervlaktewater. Artikel 4.2 (beoordelingsregel) 1 Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 4.10 of voor het infiltreren van water als bedoeld in artikel 4.15, is artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. 2 Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het infiltreren van water als bedoeld in artikel 4.15, is artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het in de bodem te brengen water niet afkomstig hoeft te zijn uit een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 4.3 (voorschriften omgevingsvergunning voor infiltreren van water) Op een omgevingsvergunning voor het infiltreren van water door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van artikel 4.15 is vereist, is artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.4 (meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water) 1 Degene die grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening of water infiltreert door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%. 2 Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het dagelijks bestuur in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten. 3 Degene die water infiltreert door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in tabel 4.4 opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie. Tabel 4.4 Parameters en meetfrequentie Parameter Afkorting Frequentie Bacteriën van de coligroep vierwekelijks Kleur vierwekelijks Zwevende stof SS vierwekelijks Geleidingsvermogen voor elektriciteit vierwekelijks Temperatuur T vierwekelijks Zuurgraad pH vierwekelijks Opgelost zuurstof O2 vierwekelijks Totaal organisch koolstof TOC vierwekelijks Bicarbonaat HCO3 vierwekelijks Nitriet NO2 vierwekelijks Nitraat NO3 vierwekelijks Ammonium NH4 vierwekelijks Totaal fosfaat Totaal P vierwekelijks Fluoride F driemaandelijks Chloride Cl vierwekelijks Sulfaat SO4 driemaandelijks Natrium Na driemaandelijks Ijzer Fe driemaandelijks Mangaan Mn driemaandelijks Chroom Cr driemaandelijks Lood Pb driemaandelijks Koper Cu driemaandelijks Zink Zn driemaandelijks Cadmium Ca driemaandelijks Arseen As driemaandelijks Cyanide CN driemaandelijks Minerale olie vierwekelijks Adsorbeerbaar organisch halogeen AOX vierwekelijks Vluchtig organisch gebonden chloor VOC vierwekelijks Vluchtige aromaten vierwekelijks Polycyclische aromaten PAK driemaandelijks Fenolen driemaandelijks 4 Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur de volgende gegevens verstrekt: a. de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en b. de kwaliteit van het geïnfiltreerde water. 5 Het eerste tot en met vierde lid gelden niet: a. voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. voor het onttrekken van minder dan 12.000 m³/j buiten een grondwaterbeschermingsgebied; of c. voor zover het gaat over een glastuinbouwbedrijf waarvoor een meldingsplicht geldt als bedoeld in artikel 4.
  10. Paragraaf 4.2 Wateronttrekkingsactiviteit oppervlaktewaterlichaam Artikel 4.5 (omgevingsvergunningplichtige gevallen) 1 Het onttrekken van water uit een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer is verboden zonder omgevingsvergunning, voor zover het gaat over meer dan 100 m³/u. 2 Het onttrekken van water uit een oppervlaktewaterlichaam voor berging in een peilgebied zonder een plas is verboden zonder omgevingsvergunning, voor zover het gaat over meer dan 50 m³/u. 3 Het onttrekken van water uit een oppervlaktewaterlichaam voor berging in een peilgebied met een plas is verboden zonder omgevingsvergunning, voor zover het gaat over meer dan 1 m³/u. Paragraaf 4.3 Wateronttrekkingsactiviteit grondwater Artikel 4.6 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het onttrekken van grondwater uit een grondwaterlichaam voor industriële toepassing of voor de openbare drinkwatervoorziening als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. het onttrekken van grondwater dat in samenhang met dat onttrekken in de bodem is gebracht. Artikel 4.7 (grenswaarden onttrekken grondwater) Voor het onttrekken van grondwater aan een grondwaterlichaam gelden de volgende grenswaarden: a. een extra droogstand van een houten fundering of onderdelen daarvan gedurende 70 achtereenvolgende dagen; b. een hoekverdraaiing van een gebouw, anders dan een aangewezen monument, van 1:600; c. een hoekverdraaiing van een aangewezen monument van 1:1200; d. een verlaging van de grondwaterstand, lager dan de laagst bekende grondwaterstand, in een gebied met een hoge of middelhoge trefkans op archeologische resten in de bodem; e. een zetting van 20 mm van een waterkering, anders dan een peilscheiding B; f. een zetting van 10 mm van infrastructuur of een leiding onder druk, tenzij de beheerder van de infrastructuur of de leiding goedkeurt dat de zetting groter is dan, of gelijk is aan, 10 mm; g. een hoekverdraaiing van een leiding onder druk van 1:600, of 1:300 als de beheerder van de leiding een hoekverdraaiing goedkeurt die groter is dan 1:600; h. een hoekverdraaiing van 1:600 of een zetting van 10 mm over een lengte van 36 m van railinfrastructuur, tenzij de beheerder van de railinfrastructuur toestemming verleent voor een zetting groter dan 10 mm over 36 m of meer; i. een verlaging van de grondwaterstand ter plaatse van een landbouwperceel gedurende 5 achtereenvolgende dagen en geen risico optreedt op schade aan landbouwgewassen, of, wel een risico voor landbouwgewassen optreedt en degene die de activiteit verricht een regeling heeft getroffen met de mogelijke gedupeerden; j. een verlaging van de grondwaterstand in een natuurgebied binnen het groeiseizoen; k. een verlaging van de grondwaterstand, lager dan de laagst bekende grondwaterstand, in een stadspark of bij een monumentale boom gedurende 5 achtereenvolgende dagen tijdens het groeiseizoen; en l. een bodemdaling van 50 mm. Artikel 4.8 (voorafgaande effectstudie) Voorafgaand aan het onttrekken van 5 m³ of meer grondwater per uur wordt een deugdelijk onderzoek verricht naar de te verwachten gevolgen van die onttrekking voor de grenswaarden, bedoeld in artikel 4.
  11. Artikel 4.9 (meldingsplichtige gevallen) 1 Het onttrekken van grondwater aan een grondwaterlichaam is verboden zonder melding, voor zover het gaat over: a. 1 tot 5 m³/u; of b. 5 m³/u of meer en de effecten vallen binnen de grenswaarden, bedoeld in artikel 4.
  12. 2 Het verbod geldt niet voor zover het gaat over: a. het gebruik als koelwater of andere laagwaardige toepassingen; b. het onttrekken van 5 m³/u of meer in een grondwaterbeschermingsgebied of in het natuurnetwerk Nederland; c. het onttrekken voor een duur van drie of meer achtereenvolgende jaren voor het drooghouden van gebouwen; of d. het onttrekken voor een duur van drie of meer achtereenvolgende jaren in een gebied als bedoeld onder b. Artikel 4.10 (omgevingsvergunningplichtige gevallen) 1 Het onttrekken van grondwater aan een grondwaterlichaam is verboden zonder omgevingsvergunning, in alle andere dan de in artikel 4.9 bedoelde gevallen. 2 Het verbod geldt niet voor het onttrekken van grondwater: a. gedurende ten hoogste drie achtereenvolgende jaren met een hoeveelheid van minder dan 1 m³/u; of b. in een grondwaterbeschermingsgebied of in het natuurnetwerk Nederland gedurende drie of meer achtereenvolgende jaren. Artikel 4.11 (verboden gevallen) Het over drie of meer achtereenvolgende jaren onttrekken van grondwater aan een grondwaterlichaam in een grondwaterbeschermingsgebied of in het natuurnetwerk Nederland is verboden. Artikel 4.12 (monitoringsplicht) 1 De gevolgen van het onttrekken van 5 m³/u of meer grondwater voor de grenswaarden, bedoeld in artikel 4.7, worden gemonitord door een nulmeting, tussentijdse metingen en een eindmeting voor zover uit een voorafgaande effectenstudie als bedoeld in artikel 4.8 blijkt dat gevolgen van de onttrekking een van de signaleringswaarden, bedoeld in het tweede lid, zullen overschrijden. 2 Voor de verplichting de gevolgen van het onttrekken van 5 m³/u of meer grondwater te monitoren, bedoeld in het eerste lid, gelden de volgende signaleringswaarden: a. een extra droogstand van een houten fundering of onderdelen daarvan gedurende 5 achtereenvolgende dagen; b. een hoekverdraaiing van een gebouw, een monument, railinfrastructuur of een drukleiding; c. een verlaging van de grondwaterstand, lager dan de laagst bekende grondwaterstand, in een gebied met een hoge of middelhoge trefkans op archeologische resten in de bodem; d. een zetting van 10 mm op infrastructuur, een leiding onder druk of een waterkering; e. een zetting op railinfrastructuur; f. een verlaging van de grondwaterstand ter plaatse van een landbouwperceel gedurende 5 achtereenvolgende dagen; g. een verlaging van de grondwaterstand, lager dan de laagst bekende grondwaterstand, in een stadspark of bij een monumentale boom gedurende 5 achtereenvolgende dagen; h. een bodemdaling van 10 mm; en i. voor zover het gaat over een grondwateronttrekking op een bodemverontreinigingslocatie, anders dan voor het saneren van die locatie: een grondwateronttrekking van 1000 m³ of meer. 3 De uit de monitoring verkregen gegevens worden op verzoek van het dagelijks bestuur of, voor zover het gaat over een onttrekking van drie of meer achtereenvolgende jaren, jaarlijks, verstrekt aan het dagelijks bestuur. Artikel 4.13 (gegevens en bescheiden) 1 Binnen een werkdag na constatering van een overschrijding van een van de grenswaarden, bedoeld in artikel 4.7, worden de volgende gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur: a. de grenswaarde die is overschreden; b. de mate waarin de grenswaarde is overschreden; en c. een schatting van de duur van de overschrijding. 2 Binnen vier weken na het onttrekken van grondwater met een brandblusvoorziening worden de volgende gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur: a. de locatie van de brandblusvoorziening; b. de duur van de onttrekking; en c. de hoeveelheid onttrokken grondwater. Artikel 4.14 (maatwerkvoorschriften) 1 Over het onttrekken van grondwater aan een grondwaterlichaam kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. 2 Het maatwerkvoorschrift kan afwijken van de regels die zijn gesteld in de artikelen 4.7, 4.8, 4.12, en 4.
  13. Paragraaf 4.4 Infiltreren Artikel 4.15 (omgevingsvergunningplichtige gevallen) 1 Het infiltreren van water is verboden zonder omgevingsvergunning. 2 Het verbod geldt niet voor het infiltreren van gietwater door een glastuinbouwbedrijf waarvoor een meldingsplicht geldt als bedoeld in artikel 4.
  14. Artikel 4.16 (grenswaarden) De grenswaarden voor het infiltreren van gietwater door een glastuinbouwbedrijf, zijn: a. maximaal 70.000 m³/j per infiltratiepunt voor het in de bodem brengen; en b. maximaal 50.000 m³/j per infiltratiepunt voor het onttrekken. Artikel 4.17 (meldingsplichtige gevallen) Het infiltreren van gietwater tot de grenswaarden, bedoeld in artikel 4.16, door een glastuinbouwbedrijf is verboden zonder melding, voor zover het gaat over gietwater dat: a. niet is vermengd met water dat afkomstig is van bedrijfsvoeringsprocessen, anders dan biologische teelt; of b. na vermenging met water dat afkomstig is van bedrijfsvoeringsprocessen, anders dan biologische teelt, is gezuiverd met een zuiveringsrendement van minimaal 80%. Artikel 4.18 (gegevens en bescheiden) Uiterlijk twee weken na het beëindigen van het infiltreren van gietwater door een glastuinbouwbedrijf, worden de datum en het tijdstip waarop de activiteit is geëindigd verstrekt aan het dagelijks bestuur. Artikel 4.19 (maatwerkvoorschriften) 1 Over het infiltreren van gietwater door een glastuinbouwbedrijf kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. 2 Het maatwerkvoorschrift kan afwijken van de regels die zijn gesteld in de artikelen 4.16 en 4.
  15. Hoofdstuk 5 BEPERKINGENGEBIEDACTIVITEITEN WATERSTAATSWERKEN: WERKZAAMHEDEN Paragraaf 5.1 Grondonderzoek Artikel 5.1 (toepassingsbereik) 1 Deze paragraaf is gericht op het beschermen van waterkeringen en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water van water. 2 Deze paragraaf is van toepassing in het beperkingengebied van een waterkering. 3 Deze paragraaf gaat niet over boringen voor het aanbrengen of verwijderen van een kabel of leiding of voor het exploiteren of winnen van gas, vloeistoffen of delfstoffen. Artikel 5.2 (algemene regels) 1 Een peilbuis wordt zodanig aangebracht dat deze niet kan overstromen. De peilbuis wordt waterdicht afgewerkt met een straatpot of beschermbuis met afsluitbare deksel. 2 Beschadiging van de bekleding van een waterkering wordt zo snel mogelijk hersteld. 3 Een peilbuis wordt na gebruik zo snel mogelijk verwijderd. 4 Ieder boorgat of sondeergat wordt blijvend waterdicht gedicht door het gat volledig te vullen met zwelklei of een gelijkwaardige grondsoort. Artikel 5.3 (meldingsplichtige gevallen) 1 Het uitvoeren van een sondering of het aanbrengen of verwijderen van een waterspanningsmeter of peilbuis is verboden zonder melding. 2 Het uitvoeren van een grondboring met een diameter van maximaal 15 cm is verboden zonder melding. Artikel 5.4 (omgevingsvergunningplichtige gevallen) Het uitvoeren van een grondboring met een diameter van meer dan 15 cm is verboden zonder omgevingsvergunning. Artikel 5.5 (maatwerkvoorschriften) 1 Over het uitvoeren van een sondering of het aanbrengen of verwijderen van een waterspanningsmeter of peilbuis kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. 2 Het maatwerkvoorschrift kan afwijken van de regels die zijn gesteld in artikel 5.
  16. Paragraaf 5.2 Grondverzet waterstaatswerken Artikel 5.6 (toepassingsbereik) 1 Deze paragraaf is gericht op: a. het beschermen van waterstaatswerken en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water, het beperken van gevolgen van eventuele overstroming, het bergen van water of het aan- en afvoeren van water; b. het beschermen of beheersen van het peil van water; c. het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder het behouden van de gewenste waterkwaliteit; en d. het vervullen van maatschappelijke functies door oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder het schaatsen, het varen en het zwemmen. 2 Deze paragraaf gaat niet over het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een dam met duiker als bedoeld in de gevallen, bedoeld in de artikelen 6.37, 6.38 en 6.
  17. Artikel 5.7 (algemene regels) 1 Het in een peilgebied beschikbare volume voor het bergen van water dat verloren gaat door het dempen of versmallen van een oppervlaktewaterlichaam wordt binnen het peilgebied volledig gecompenseerd. 2 Bij het dempen van een oppervlaktewaterlichaam wordt de doorstromingscapaciteit van het oppervlaktewater niet verminderd. 3 Aan een omgevingsvergunning voor het aanbrengen of verwijderen van grond kunnen voorschriften worden verbonden die afwijken van het eerste of tweede lid. Artikel 5.8 (meldingsplichtige gevallen) 1 Het aanbrengen van grond in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam voor berging in een peilgebied zonder een plas is verboden zonder melding, voor zover het gaat over: a. het versmallen van het oppervlaktewaterlichaam tot een afstand tussen de oevers van niet minder dan 1,6 m; b. het verondiepen van het oppervlaktewaterlichaam tot een diepte van niet minder dan 0,5 m onder het waterpeil; of c. het dempen van een oppervlaktewaterlichaam. 2 Het verwijderen van grond in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam voor berging is verboden zonder melding, voor zover het gaat over: a. het verbreden van het oppervlaktewaterlichaam, met oppervlaktewater met een diepte van niet minder dan 0,5 m onder het waterpeil; of b. het verlengen van het oppervlaktewaterlichaam, met oppervlaktewater met een breedte van niet minder dan 1,6 m tussen de oevers en een diepte van niet minder dan 0,5 m onder het waterpeil. 3 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet in een krw-oppervlaktewaterlichaam of in een bergingsgebied. 4 De verboden gelden niet in het beperkingengebied van een waterkering. Artikel 5.9 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: oppervlaktewaterlichaam voor berging) 1 Het versmallen, verondiepen of dempen van een oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam voor berging is verboden zonder omgevingsvergunning, in andere dan de in artikel 5.8 bedoelde gevallen. 2 Het verbreden of verlengen van een oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam voor berging is verboden zonder omgevingsvergunning, voor zover het gaat over andere dan de in artikel 5.8, tweede lid, bedoelde gevallen. Artikel 5.10 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer) 1 Het aanbrengen van grond in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer, uitgezonderd boezemland, is verboden zonder omgevingsvergunning. 2 Het aanbrengen van een grondlaag van meer dan 20 cm dikte in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer en binnen een afstand van 5 m tot de doorgaande oeverlijn van dat oppervlaktewaterlichaam is verboden zonder omgevingsvergunning. 3 Het verwijderen van grond in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer, uitgezonderd boezemland, is verboden zonder omgevingsvergunning. Artikel 5.11 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: waterkering) 1 Het aanbrengen van grond in het beperkingengebied van een waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning. 2 Het verbod geldt niet in de tuin van een perceel met woonfunctie in het beperkingengebied van een niet-primaire waterkering voor zover het gaat over: a. het aanbrengen van een laag grond van maximaal 50 cm dikte buiten een afstand van 5 m tot de doorgaande oeverlijn van het te keren water; of b. het aanbrengen van een laag klei van maximaal 20 cm dikte binnen een afstand van 5 m tot de doorgaande oeverlijn van het te keren water. Artikel 5.12 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: waterkering) 1 Het verwijderen van grond in het beperkingengebied van een waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning. 2 Het verbod geldt niet voor de grond in het beperkingengebied van een peilscheiding B tot 20 cm boven het profiel van de waterkering dat is vastgesteld in een legger als bedoeld in artikel 2.39 van de wet. Artikel 5.13 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: bergingsgebied) Het aanbrengen van grond in een bergingsgebied is verboden zonder omgevingsvergunning. Artikel 5.14 (maatwerkvoorschriften) 1 Over het aanbrengen of verwijderen van grond in het beperkingengebied van een waterstaatswerk a en in het beperkingengebied van een waterstaatswerk b kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. 2 Het maatwerkvoorschrift kan afwijken van de regels die zijn gesteld in artikel 5.
  18. Paragraaf 5.3 Terreinverharding Artikel 5.15 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is gericht op het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste door het beschermen van waterkeringen en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water. Artikel 5.16 (algemene regels: aanbrengen) 1 Bij het aanleggen of wijzigen van terreinverharding in de beschermingszone van een waterkering wordt geen licht funderingsmateriaal gebruikt of op ander wijze gewicht weggenomen. 2 Terreinverharding die wordt aangebracht of gewijzigd in het beperkingengebied van een peilscheiding B heeft een minimale hoogte van 20 cm boven de peilscheiding en leidt niet tot lekkage van de peilscheiding. 3 Bij het aanleggen of wijzigen van terreinverharding in de kernzone van een boezemwaterkering, bergingswaterkering of peilscheiding A: a. wordt geen asfalt of in specie gezette verharding aangebracht; en b. wordt niet meer dan 10 cm stelzand toegepast voor zover het gaat over een locatie met een woonfunctie binnen een afstand van 5 m tot de doorgaande oeverlijn van het te keren water. Artikel 5.17 (algemene regels: verwijderen) 1 Na het verwijderen van terreinverharding in het beperkingengebied van een primaire of voorliggende waterkering wordt direct het grondoppervlak geheel in overeenstemming met de omgeving aangevuld, afgewerkt en voorzien van graszoden of ingezaaid met een graszaadmengsel voor dijken van het type D1 of D
  19. 2 Het verwijderen van terreinverharding in de kernzone van een waterkering wordt volledig gedaan, met inbegrip van fundering en overige bijbehorende werken. 3 Bij het verwijderen van terreinverharding in de kernzone van een waterkering: a. wordt alleen grond aangebracht van een door of namens het dagelijks bestuur goedgekeurde samenstelling; b. wordt aangebrachte grond aangebracht in lagen die ieder mechanisch worden verdicht; en c. heeft iedere aangebrachte laag grond na de mechanische verdichting een laagdikte van niet meer dan 30 cm. Artikel 5.18 (maatwerkvoorschriften) 1 Over het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van terreinverharding kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. 2 Het maatwerkvoorschrift kan afwijken van de regels die zijn gesteld in de artikelen 5.16 en 5.
  20. Artikel 5.19 (meldingsplichtige gevallen: boezemwaterkeringen, bergingswaterkeringen en peilscheidingen A) 1 Het aanbrengen of wijzigen van terreinverharding op een perceel met woonfunctie in het beperkingengebied van een boezemwaterkering, bergingswaterkering of peilscheiding A is verboden zonder melding binnen een afstand van 5 m tot de doorgaande oeverlijn van het te keren water. 2 Het verwijderen van terreinverharding in de kernzone van een boezemwaterkering, bergingswaterkering of peilscheiding A is verboden zonder melding. Artikel 5.20 (meldingsplichtige gevallen: primaire en voorliggende waterkeringen) Het buiten het stormseizoen verwijderen van terreinverharding in de kernzone van een primaire of voorliggende waterkering is verboden zonder melding. Artikel 5.21 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: boezemwaterkering, bergingswaterkering of peilscheiding A) Het aanbrengen of wijzigen van terreinverharding op een perceel zonder woonfunctie in het beperkingengebied van een boezemwaterkering, bergingswaterkering of peilscheiding A is verboden zonder omgevingsvergunning. Artikel 5.22 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: primaire of voorliggende waterkering) 1 Het aanbrengen of wijzigen van terreinverharding in het beperkingengebied van een primaire of voorliggende waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning. 2 Het tijdens het stormseizoen verwijderen van terreinverharding in de kernzone van een primaire of voorliggende waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning. Paragraaf 5.4 Overige werkzaamheden Artikel 5.23 (vangnet) 1 Het verrichten van een andere werkzaamheid dan waarvoor in dit hoofdstuk regels zijn gesteld in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam, in de kernzone van een waterkering of in een bergingsgebied is verboden zonder omgevingsvergunning. 2 Het verbod is gericht op de doelen, bedoeld in artikel 2.
  21. Hoofdstuk 6 BEPERKINGENGEBIEDACTIVITEITEN WATERSTAATSWERKEN: WERKEN Paragraaf 6.1 Kabels en leidingen Artikel 6.1 (toepassingsbereik) 1 Deze paragraaf is gericht op: a. het beschermen van waterstaatswerken en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water en het aan- en afvoeren van water; b. het beschermen van de chemische kwaliteit van grondwaterlichamen; en c. het vervullen van maatschappelijke functies door oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder het varen. 2 Deze paragraaf gaat niet over het aanbrengen of verwijderen van een kabel of een leiding: a. op of boven het waterstaatswerk, tenzij dat uitdrukkelijk anders is bepaald; b. in verband met grondboringen voor grondonderzoek; of c. voor een uitstroom- of onttrekkingsvoorziening. Artikel 6.2 (algemene regels) 1 Sleuven en andere vergravingen bij het aanbrengen of verwijderen van een kabel, een leiding of een las- of aansluitgat in de kernzone van een waterkering worden mechanisch verdicht in lagen van niet meer dan 30 cm grond, met een door of namens het dagelijks bestuur goedgekeurde samenstelling. 2 Verdichte sleuven en andere vergravingen bij het aanbrengen of verwijderen van een kabel, een leiding of een las- of aansluitgat in de kernzone van een waterkering worden na uitvoering van het werk tenminste twaalf maanden in goede staat gehouden. 3 Puin dat of baggerspecie die is vrijgekomen bij het aanbrengen of verwijderen van een kabel, een leiding of een las- of aansluitgat in het beperkingengebied van een waterkering, in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b, wordt afgevoerd. 4 Een kabel of leiding in het beperkingengebied van een waterkering, in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b is bestand tegen de druk van het materieel dat wordt gebruikt voor het onderhoud van dat waterstaatswerk. Artikel 6.3 (maatwerkvoorschriften) 1 Over het aanbrengen of verwijderen van een kabel, een leiding of een las- of aansluitgat kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. 2 Het maatwerkvoorschrift kan afwijken van de regels die zijn gesteld in artikel 6.
  22. Artikel 6.4 (meldingsplichtige gevallen: kabel of leiding primaire waterkeringen) 1 Het aanbrengen van een kabel of een leiding in het beperkingengebied van een primaire waterkering is verboden zonder melding, voor zover: a. het tracé de waterkering niet kruist; b. tijdens het stormseizoen geen werkzaamheden worden verricht in het buitentalud of in de grasbekleding; c. de aanleg wordt uitgevoerd in een open ontgraving met sleuven die maximaal 1 m diep zijn; en d. als het een leiding is, de gesteldheid geschikt is voor een waterkering. 2 Het eerste lid, onder d, houdt in dat: a. een leiding onder vrij verval bestaat uit hoogwaardig pvc (klasse 34, SN8, PE40 SDR6, PE80 SDR13,6 of gelijkwaardig) en is voorzien van leidingkoppelingen met rubberen afdichtingsringen; en b. een leiding onder druk bestaat uit een stuk, een maximale druk heeft van 3 bar, een maximale uitwendige diameter van 110 mm en is uitgevoerd in HDPE (PE80/100). 3 Het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en c, is van overeenkomstige toepassing op het verwijderen van een kabel of leiding in het beperkingengebied van een primaire waterkering. Artikel 6.5 (meldingsplichtige gevallen: kabel of leiding niet-primaire waterkeringen) 1 Het aanbrengen van een kabel of een leiding in het beperkingengebied van een niet-primaire waterkering is verboden zonder melding, voor zover: a. het tracé de waterkering niet kruist; b. de aanleg wordt uitgevoerd in een open ontgraving met sleuven die maximaal 1 m diep zijn; en c. als het werk een leiding is, de gesteldheid geschikt is voor een waterkering. 2 Het eerste lid, onder c, houdt in dat: a. een leiding onder vrij verval bestaat uit hoogwaardig pvc (klasse 34, SN8, PE40 SDR6, PE80 SDR13, 6 of gelijkwaardig) en is voorzien van leidingkoppelingen met rubberen afdichtingsringen; en b. een leiding onder druk bestaat uit een stuk, een maximale druk heeft van 3 bar, een maximale uitwendige diameter van 110 mm en is uitgevoerd in HDPE (PE80/100). 3 Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op het verwijderen van een kabel of leiding in het beperkingengebied van een niet-primaire waterkering. Artikel 6.6 (meldingsplichtige gevallen: las- of aansluitgat waterkeringen) 1 Het aanbrengen van een las- of aansluitgat van maximaal 2 m² in het beperkingengebied van een primaire waterkering is verboden zonder melding, voor zover tijdens het stormseizoen geen werkzaamheden worden verricht in het buitentalud of de grasbekleding. 2 Het aanbrengen van een las- of aansluitgat van maximaal 2 m² in het beperkingengebied van een niet-primaire waterkering is verboden zonder melding. Artikel 6.7 (meldingsplichtige gevallen: kabel of leiding oppervlaktewaterlichaam) 1 Het aanbrengen van een kabel of leiding in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b is verboden zonder melding, voor zover de aanleg wordt uitgevoerd met sleufloze technieken en met inachtneming van een gronddekking van ten minste 1,30 m ten opzichte van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam dat is vastgesteld in een legger als bedoeld in artikel 2.39 van de wet. 2 Het in open ontgraving aanbrengen van een kabel of leiding in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer is verboden zonder melding, voor zover: a. het tracé op minimaal 1 m afstand ligt van de insteek van het oppervlaktewaterlichaam; en b. de aanleg wordt uitgevoerd met sleuven die maximaal 1 m diep zijn. 3 Het verwijderen van een kabel of leiding in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer is verboden zonder melding. 4 Het aanbrengen van een kabel of leiding boven een oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b is verboden zonder melding, voor zover de kabel of leiding aan een brug is bevestigd en de vrije ruimte tussen het wateroppervlak en de onderzijde van de brug behouden blijft. Artikel 6.8 (meldingsplichtige gevallen: las- of aansluitgat oppervlaktewaterlichaam) Het aanbrengen van een las- of aansluitgat in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b is verboden zonder melding voor zover een afstand van minimaal 1 m tot de insteek van het oppervlaktewaterlichaam in acht wordt genomen. Artikel 6.9 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: waterkeringen) 1 Het aanbrengen van een kabel of een leiding in het beperkingengebied van een waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning in alle andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 6.4 en 6.
  23. 2 Het aanbrengen van een las- of aansluitgat in het beperkingengebied van een waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning in alle andere gevallen dan bedoeld in artikel 6.
  24. 3 Het verwijderen van een kabel of leiding in het beperkingengebied van een waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning in ander gevallen dan bedoeld in de artikelen 6.4 en 6.
  25. 4 Het aanbrengen, wijzigen of hebben van een kabel of leiding op of boven een waterkering in het beperkingengebied van een waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning. Artikel 6.10 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: oppervlaktewaterlichamen) 1 Het aanbrengen van een kabel of een leiding in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b is verboden zonder omgevingsvergunning in alle andere gevallen dan bedoeld in artikel 6.7, eerste en tweede lid. 2 Het aanbrengen, wijzigen of hebben van een kabel of leiding door of boven een oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b is verboden zonder omgevingsvergunning, voor zover het gaat over: a. een kabel of leiding op een hoogte van minder dan 5 m ten opzichte van het maaiveld, of het waterpeil; b. een kabel of leiding die aan een brug is bevestigd en de vrije ruimte tussen de het wateroppervlak en de onderzijde van de brug wordt verkleind; of c. een kabel of leiding boven een gemaal, sluis of stuw. 3 Het aanbrengen van een las- of aansluitgat in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b, anders dan de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging a of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging b, is verboden zonder omgevingsvergunning in alle andere gevallen dan bedoeld in artikel 6.
  26. Paragraaf 6.2 Vaste uitstroom- of onttrekkingsvoorzieningen Artikel 6.11 (toepassingsbereik) 1 Deze paragraaf is gericht op: a. het beschermen van waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water en het aan- en afvoeren van water; b. het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen; en c. het vervullen van maatschappelijke functies door oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder het varen. 2 Deze paragraaf gaat niet over: a. een leiding als bedoeld in paragraaf 6.1; of b. een losse uitstroom- of onttrekkingsvoorziening als bedoeld in artikel 8.
  27. Artikel 6.12 (algemene regels) 1 Een vaste uitstroom- of onttrekkingsvoorziening in het beperkingengebied van een waterkering, in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b wordt verwijderd zodra deze niet langer in gebruik is. 2 Een vaste uitstroom- of onttrekkingsvoorziening in het beperkingengebied van een waterkering, in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b is bestand tegen de druk van het materieel dat wordt gebruikt voor het onderhoud van dat waterstaatswerk, voor zover de voorziening in de onderhoudsstrook ligt. 3 De ligging van een vaste uitstroom- of onttrekkingsvoorziening voor het brengen van water in of het onttrekken van water uit een oppervlaktewaterlichaam wordt duidelijk gemarkeerd. Artikel 6.13 (maatwerkvoorschriften) 1 Over het aanbrengen, hebben of wijzigen van een vaste uitstroom- of onttrekkingsvoorziening in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. 2 Het maatwerkvoorschrift kan afwijken van de regels die zijn gesteld in artikel 6.
  28. Artikel 6.14 (meldingsplichtige gevallen) 1 Het aanbrengen, hebben of wijzigen van een vaste uitstroom- of onttrekkingsvoorziening in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b is verboden zonder melding, voor zover: a. de voorziening buiten de oeverlijn van het oppervlaktewaterlichaam wordt gerealiseerd en in het talud is verzonken en gefundeerd; of b. het gaat over een pijp die minimaal 20 en maximaal 50 cm buiten de doorgaande oeverlijn uitsteekt. 2 Het verbod geldt niet in het beperkingengebied van een waterkering. 3 Het verbod geldt niet voor een voorziening voor het brengen van water in of het onttrekken van water uit een grondwaterlichaam. Artikel 6.15 (omgevingsvergunningplichtige gevallen) 1 Het aanbrengen, hebben of wijzigen van een vaste uitstroom- of onttrekkingsvoorziening in het beperkingengebied van een waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning. 2 Het aanbrengen, hebben of wijzigen van een vaste uitstroom- of onttrekkingsvoorziening in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b is verboden zonder omgevingsvergunning in alle andere gevallen dan bedoeld in artikel 6.
  29. Paragraaf 6.3 Oeverconstructies Artikel 6.16 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is gericht op: a. het beschermen van waterstaatswerken en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water, het bergen van water en het aan- en afvoeren van water; b. het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen; en c. het vervullen van maatschappelijke functies door oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder het varen. Artikel 6.17 (algemene regel) Een oeverconstructie die wordt aangebracht in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a, in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b of in het beperkingengebied van een waterkering wordt in goede staat gehouden. Artikel 6.18 (maatwerkvoorschriften) 1 Over het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een oeverconstructie in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a, in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b of in het beperkingengebied van een waterkering kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. 2 Het maatwerkvoorschrift kan afwijken van de regel die is gesteld in artikel 6.
  30. Artikel 6.19 (meldingsplichtige gevallen: waterkering) 1 Het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een oeverconstructie op een perceel met woonfunctie in het beperkingengebied van een waterkering is verboden zonder melding. 2 Het verbod geldt niet in het beperkingengebied van een primaire of voorliggende waterkering. Artikel 6.20 (meldingsplichtige gevallen: oppervlaktewaterlichaam) 1 Het op één perceel aanbrengen of wijzigen van een oeverconstructie van maximaal 20 m lengte of het van één perceel verwijderen van een oeverconstructie in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam voor berging of in het Beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer met een klein debiet is verboden zonder melding, voor zover het verloop van de oorspronkelijke oeverlijn niet wordt gewijzigd. 2 Het verbod geldt niet als het gaat over een krw-oppervlaktewaterlichaam of als artikel 6.22, tweede lid, van toepassing is. Artikel 6.21 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: oppervlaktewaterlichaam) Het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een oeverconstructie in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b is verboden zonder omgevingsvergunning in alle andere gevallen dan bedoeld in artikel 6.
  31. Artikel 6.22 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: waterkering) 1 Het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een oeverconstructie op een perceel met woonfunctie in het beperkingengebied van een primaire of een voorliggende waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning. 2 Het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een oeverconstructie op een perceel zonder woonfunctie in het beperkingengebied van een waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning. Paragraaf 6.4 Hekwerken Artikel 6.23 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is gericht op: a. het beschermen van waterstaatswerken en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water en het aan- en afvoeren van water; b. het beschermen van de chemische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen; en c. het vervullen van maatschappelijke functies door oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder het schaatsen en het varen. Artikel 6.24 (algemene regels) 1 Puin dat is vrijgekomen bij het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een hekwerk in de kernzone van een waterkering of de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam, wordt afgevoerd. 2 Een hekwerk dat wordt verwijderd in het beperkingengebied van een waterkering of de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam wordt volledig verwijderd. 3 Na het verwijderen van een hekwerk in de kernzone van een waterkering of de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam wordt het profiel van de waterkering of van het oppervlaktewaterlichaam hersteld, en, voor zover het gaat over een primaire waterkering, met inbegrip van de oorspronkelijke verharding of oorspronkelijke grasbekleding met een graszaadmengsel voor dijken van het type D1 of D
  32. Artikel 6.25 (maatwerkvoorschriften) 1 Over het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een hekwerk in het beperkingengebied van een waterkering, in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. 2 Het maatwerkvoorschrift kan afwijken van de regels die zijn gesteld in artikel 6.
  33. Artikel 6.26 (meldingsplichtige gevallen) Het verwijderen van een hekwerk in de kernzone van een niet-primaire waterkering is verboden zonder melding. Artikel 6.27 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: oppervlaktewaterlichaam) 1 Het aanbrengen, hebben of wijzigen van een hekwerk in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam is verboden zonder omgevingsvergunning. 2 Het aanbrengen, hebben of wijzigen van een hekwerk in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer is verboden zonder omgevingsvergunning, voor zover het gaat over een onderhoudsstrook. Artikel 6.28 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: primaire waterkering) 1
  34. Het aanbrengen, hebben of wijzigen van een hekwerk in de kernzone van een primaire waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning, voor zover: a. het hekwerk meer dan 1 m boven het maaiveld uitsteekt; b. het hekwerk minder dan 70 % open oppervlak heeft; of c. voor het aanbrengen of wijzigen een gat wordt gegraven. 2 Het aanbrengen of wijzigen van een hekwerk in de beschermingszone van een primaire waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning, voor zover de ontgravingen die voor de activiteit worden verricht: a. een gezamenlijke oppervlakte hebben van meer dan 1 m²; of b. een diepte van meer dan 0,7 m. 3 Het verwijderen van een hekwerk in de kernzone van een primaire waterkering tijdens het stormseizoen is verboden zonder omgevingsvergunning. Paragraaf 6.5 Steigers en meerpalen Artikel 6.29 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is gericht op: a. het beschermen van waterstaatswerken en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water en het aan- en afvoeren van water; b. het beschermen of het beheersen van het peil van oppervlaktewater; c. het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen; en d. het vervullen van maatschappelijke functies door oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder het varen. Artikel 6.30 (algemene regels) Een steiger of meerpaal die wordt aangebracht in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam of in het beperkingengebied van een waterkering wordt in goede staat gehouden. Artikel 6.31 (maatwerkvoorschriften) 1 Over het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een steiger of meerpaal kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. 2 Het maatwerkvoorschrift kan afwijken van de regel die is gesteld in artikel 6.
  35. Artikel 6.32 (meldingsplichtige gevallen: oppervlaktewaterlichaam) 1 Het aanbrengen of wijzigen van een voor het betrokken perceel eerste steiger in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging of in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer met klein debiet is verboden zonder melding, voor zover: a. de ligging wordt gerealiseerd op maximaal 2 m van de doorgaande oeverlijn, maximaal 6 m lengte evenwijdig aan de oeverlijn, minimaal 2 m van de middenlijn van het oppervlaktewaterlichaam en minimaal 10 m van een gemaal of 5 m van een ander kunstwerk; en b. de constructie bestaat uit maximaal 6 palen te water en bevindt zich voor het overige boven een vrije ruimte van minimaal 0,35 m tot het wateroppervlak, volgens het hoogste daarvoor vastgestelde waterpeil. 2 Het aanbrengen of wijzigen van een voor het betrokken perceel eerste of tweede meerpaal in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging of de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer met een klein debiet is verboden zonder melding, voor zover de ligging wordt gerealiseerd op maximaal 30 cm van de doorgaande oeverlijn en minimaal 10 m van een gemaal of 5 m van een ander kunstwerk. 3 De verboden gelden niet in het beperkingengebied van een waterkering. Artikel 6.33 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: oppervlaktewaterlichaam) Het aanbrengen of wijzigen van een steiger of meerpaal in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam is verboden zonder omgevingsvergunning in alle andere gevallen dan bedoeld in artikel 6.
  36. Artikel 6.34 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: waterkering) Het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een steiger of meerpaal in het beperkingengebied van een waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning. Paragraaf 6.6 Dammen met duikers Artikel 6.35 (toepassingsbereik) 1 Deze paragraaf is gericht op: a. het beschermen van waterstaatswerken en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water, het bergen van water en het aan- en afvoeren van water; b. het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van het belang van het doorspoelen van water; en c. het vervullen van maatschappelijke functies door oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder het varen en het schaatsen. 2 Deze paragraaf gaat niet over het dempen van een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 6.36 (maatwerkvoorschriften) Over het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een dam met duiker kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. Artikel 6.37 (meldingsplichtige gevallen: oppervlaktewaterlichaam) 1 Het aanbrengen of wijzigen van een dam met duiker in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam voor berging in een peilgebied zonder plas als eerste of tweede ontsluiting van een perceel is verboden zonder melding, voor zover: a. de oppervlakte van het gedempte water maximaal 60 m² is of het meerdere binnen hetzelfde peilgebied wordt gecompenseerd; b. de ligging van de duiker wordt gerealiseerd in de lengterichting van het oppervlaktewaterlichaam, midden tussen de oevers en op minimaal 5 m van een kunstwerk; en c. de duiker een lengte heeft van maximaal 12 m en ten opzichte van de dam minimaal 20 cm maar maximaal 50 cm in het water uitsteekt, d. de duiker een inwendige diameter heeft van minimaal 80 cm en in een veengebied minimaal 60 cm; en e. in de duiker een vrije ruimte aanwezig is tot het wateroppervlak naar het hoogste daarvoor vastgestelde waterpeil van minimaal 20 cm maar maximaal 30 cm en in een veengebied minimaal 20 cm maar maximaal 25 cm. 2 Het verwijderen van een dam met duiker in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b is verboden zonder melding. 3 De verboden gelden niet in het beperkingengebied van een waterkering. Artikel 6.38 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: oppervlaktewaterlichaam) Het aanbrengen of wijzigen van een dam met duiker in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b is verboden zonder omgevingsvergunning, in alle andere gevallen dan bedoeld in artikel 6.
  37. Artikel 6.39 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: waterkering) Het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een dam met duiker in het beperkingengebied van een waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning. Paragraaf 6.7 Bruggen Artikel 6.40 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is gericht op: a. het beschermen van waterstaatswerken en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water, het bergen van water en het aan- en afvoeren van water; b. het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van het doorspoelen van water; en c. het vervullen van maatschappelijke functies door oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder het varen en het schaatsen. Artikel 6.41 (maatwerkvoorschriften) Over het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een brug over een oppervlaktewaterlichaam kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. Artikel 6.42 (meldingsplichtige gevallen: oppervlaktewaterlichaam) 1 Het aanbrengen of wijzigen van een brug over een oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer met een groot debiet als eerste of tweede ontsluiting van een perceel is verboden zonder melding, voor zover: a. de ligging in de lengterichting haaks op de oeverlijn wordt gerealiseerd met een breedte van maximaal 6 m over de lengte van de oever, op minimaal 10 m afstand van een kunstwerk; en b. de constructie geen steunpunt, of ander obstakel, heeft in het water en zich bevindt boven een vrije ruimte van minimaal 1 m hoogte tot het wateroppervlak volgens het hoogste daarvoor vastgestelde waterpeil over minimaal 2 m doorstroombreedte midden tussen de oevers van het oppervlaktewaterlichaam. 2 Het aanbrengen of wijzigen van een brug in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer met een klein debiet als eerste of tweede ontsluiting van een perceel is verboden zonder melding, voor zover: a. de oppervlakte van het gedempte water maximaal 60 m² is of het meerdere binnen hetzelfde peilgebied wordt gecompenseerd; b. de ligging in de lengterichting haaks op de oeverlijn wordt gerealiseerd met een breedte van maximaal 6 m over de lengte van de oever, op minimaal 10 m afstand van een kunstwerk; en c. de constructie zich bevindt boven een vrije ruimte van minimaal 1 m en in een veengebied minimaal 0,65 m boven het wateroppervlak volgens het hoogste daarvoor vastgestelde waterpeil over minimaal 2 m doorstroombreedte midden tussen de oevers van het oppervlaktewaterlichaam. 3 Het aanbrengen of wijzigen van een brug in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam voor berging in een peilgebied zonder een plas als eerste of tweede ontsluiting van een perceel is verboden zonder melding, voor zover: a. de oppervlakte van het gedempte water maximaal 60 m² is of het meerdere binnen hetzelfde peilgebied wordt gecompenseerd; b. de ligging in de lengterichting haaks op de oeverlijn wordt gerealiseerd met een breedte van maximaal 6 m over de lengte van de oever, op minimaal 5 m afstand van een kunstwerk; en c. de constructie zich bevindt boven een vrije ruimte van minimaal 0,20 m boven het wateroppervlak volgens het hoogste daarvoor vastgestelde waterpeil over minimaal 1 m doorstroombreedte midden tussen de oevers van het oppervlaktewaterlichaam. 4 Het verwijderen van een brug in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b is verboden zonder melding. 5 De verboden van het eerste tot en met het vierde lid, gelden niet in het beperkingengebied van een waterkering. De verboden van het eerste en tweede lid, gelden niet in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer met een vaarfunctie. Artikel 6.43 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: oppervlaktewaterlichamen) Het aanbrengen of wijzigen van een brug in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b is verboden zonder omgevingsvergunning, in alle andere gevallen dan bedoeld in artikel 6.
  38. Artikel 6.44 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: waterkeringen) Het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een brug in het beperkingengebied van een waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning. Paragraaf 6.8 Bouwwerken Artikel 6.45 (toepassingsbereik) 1 Deze paragraaf is gericht op het beschermen van waterstaatswerken, met inbegrip van het belang van de toekomstige verruiming daarvan, en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water, het bergen van water en het aan- en afvoeren van water. 2 Deze paragraaf gaat niet over vaste stoffen of voorwerpen als bedoeld in hoofdstuk
  39. Artikel 6.46 (maatwerkvoorschriften) Over het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een bouwwerk het beperkingengebied van een waterstaatswerk a en in het beperkingengebied van een waterstaatswerk b kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. Artikel 6.47 (meldingsplichtige gevallen: beschermingszone oppervlaktewaterlichaam) 1 Een bouwwerk aanbrengen in het voor bebouwing aangewezen deel van de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer is verboden zonder melding, voor zover het wordt verricht op een afstand van minimaal 10 m van een kunstwerk en buiten de onderhoudsstrook. 2 Een bouwwerk wijzigen of verwijderen in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging a en in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging b is verboden zonder melding, voor zover het wordt verricht op een afstand van ten minste 10 m van een kunstwerk. 3 Het verbod geldt niet in het beperkingengebied van een waterkering. Artikel 6.48 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: waterkeringen) 1 Het aanbrengen van een bouwwerk of het wijzigen van de oppervlakte, de kelder, de fundering of het vloerpeil van een bouwwerk in het beperkingengebied van een waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning. 2 Het eerste lid geldt niet in het beperkingengebied van een achterliggende waterkering voor zover het bouwwerk wordt aangebracht op een afstand van minimaal 2,5 m uit de as van de waterkering maar buiten het profiel van de waterkering dat is vastgesteld in een legger als bedoeld in artikel 2.39 van de wet. 3 Het verwijderen van een bouwwerk in de kernzone van een waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning. 4 De verboden gelden niet in het beperkingengebied van een peilscheiding B. Artikel 6.49 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: oppervlaktewaterlichamen ) 1 Het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een bouwwerk in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer of in het niet voor bebouwing aangewezen deel van de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer is verboden zonder omgevingsvergunning. 2 Het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een bouwwerk in het voor bebouwing aangewezen deel van de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer is verboden zonder omgevingsvergunning, voor zover het gaat over een bouwwerk op een afstand van minder dan 10 m van een kunstwerk of in de onderhoudsstrook. 3 Het aanbrengen of wijzigen of verwijderen van een bouwwerk in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging is verboden zonder omgevingsvergunning, voor zover daarbij werkzaamheden worden verricht binnen de oeverlijnen van het oppervlaktewaterlichaam. 4 Het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van een bouwwerk in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging a en in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging b is verboden zonder omgevingsvergunning, voor zover het gaat over een bouwwerk op een afstand van minder dan 10 m van een kunstwerk. Artikel 6.50 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: bergingsgebied) Het aanbrengen van een bouwwerk of het wijzigen van de bestaande contouren van een bouwwerk in een bergingsgebied is verboden zonder omgevingsvergunning. Paragraaf 6.9 Overige werken Artikel 6.51 (vangnet) 1 Het aanbrengen, houden of verwijderen van een ander werk dan waarover in dit hoofdstuk regels zijn gesteld in het beperkingengebied van een waterkering, in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b is verboden zonder omgevingsvergunning. 2 Het verbod is gericht op de doelen, bedoeld in artikel 2.
  40. Hoofdstuk 7 BEPERKINGENGEBIEDACTIVITEITEN WATERSTAATSWERKEN: FLORA EN FAUNA Paragraaf 7.1 Beplanting Artikel 7.1 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is gericht op: a. het beschermen van waterstaatswerken en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water en het aan- en afvoeren van water; b. het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen; en c. het vervullen van maatschappelijke functies door oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder het varen. Artikel 7.2 (algemene regels) 1 Beplanting in het beperkingengebied van een waterkering, in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b wordt in goede staat gehouden. 2 Beplanting in de kernzone van een primaire waterkering wordt op maximaal 2 m boven het maaiveld gehouden. 3 Beplanting binnen een afstand van 5 m tot het te keren water in de kernzone van een beperkt-risico-kade wordt op een hoogte gehouden van maximaal 2 m boven het maaiveld. 4 Beplanting in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer die zich uitstrekt boven het wateroppervlak wordt hoger gehouden dan een vrije ruimte van minimaal 2 m boven het hoogste daarvoor vastgestelde waterpeil. 5 Beplanting die wordt verwijderd in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a, in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b of in het beperkingengebied van een waterkering, wordt volledig verwijderd. Artikel 7.3 (maatwerkvoorschriften) 1 Over het aanbrengen, in stand houden of verwijderen van beplanting in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a, in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam b of in het beperkingengebied van een waterkering kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. 2 Het maatwerkvoorschrift kan afwijken van de regels die zijn gesteld in artikel 7.
  41. Artikel 7.4 (meldingsplichtige gevallen: primaire waterkering) 1 Het aanbrengen van beplanting op een perceel met woonfunctie in de kernzone van een primaire waterkering is verboden zonder melding, voor zover de beplanting wordt gerealiseerd: a. op een vlakke ondergrond; en b. op een afstand van minimaal 0,5 m van het binnentalud of minimaal 5 m van het buitentalud. 2 Het verwijderen van beplanting in de kernzone van een primaire waterkering is verboden zonder melding, voor zover: a. de beplanting niet in het buitentalud of de grasbekleding wordt verwijderd; en b. de werkzaamheden niet tijdens het stormseizoen worden verricht. Artikel 7.5 (meldingsplichtige gevallen: niet-primaire waterkering) 1 Het aanbrengen van beplanting op een perceel met woonfunctie in de kernzone van een niet-primaire waterkering is verboden zonder melding, voor zover deze wordt gerealiseerd: a. op minimaal 5 m afstand van het te keren water; of b. op minimaal 10 m afstand van het te keren water als het over een boom gaat. 2 Het aanbrengen van beplanting op een perceel zonder woonfunctie in de kernzone van een niet-primaire waterkering is verboden zonder melding, voor zover deze: a. op minimaal 10 m afstand van het te keren water wordt gerealiseerd; en b. geen boom is. 3 In afwijking van het eerste en tweede lid, is het aanbrengen van beplanting in de kernzone van een beperkt-risico-kade verboden zonder melding, voor zover deze wordt gerealiseerd: a. op minimaal 5 m afstand van het te keren water; en b. met een maximale hoogte van 2 m boven het maaiveld. 4 In afwijking van het eerste en tweede lid, is het aanbrengen van beplanting in het beperkingengebied van een achterliggende waterkering verboden zonder melding, voor zover deze wordt gerealiseerd: a. op minimaal 2,5 m afstand van de as van de waterkering; en b. zonder te graven in het profiel van de waterkering dat is vastgesteld in een legger als bedoeld in artikel 2.39 van de wet. 5 In afwijking van het eerste en tweede lid, is het aanbrengen van beplanting in het beperkingengebied van een peilscheiding B verboden zonder melding, voor zover de beplanting geen boom is. Artikel 7.6 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: oppervlaktewaterlichamen) 1 Het aanbrengen van beplanting in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam is verboden zonder omgevingsvergunning voor zover de beplanting in het water wordt gerealiseerd. 2 Het aanbrengen van beplanting in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer is verboden zonder omgevingsvergunning voor zover de beplanting wordt gerealiseerd: a. in de onderhoudsstrook; of b. binnen een afstand van 0,5 m tot de insteek van het naastgelegen oppervlaktewaterlichaam. Artikel 7.7 (omgevingsvergunningplichtige gevallen: waterkeringen) 1 Het aanbrengen van beplanting in de kernzone van een primaire waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning in alle andere gevallen dan bedoeld in artikel 7.4, eerste lid. 2 Het verwijderen van beplanting in de kernzone van een primaire waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning in alle andere gevallen dan bedoeld in artikel 7.4, tweede lid. 3 Het aanbrengen van beplanting in de kernzone van een niet-primaire waterkering is verboden zonder omgevingsvergunning in alle andere gevallen dan bedoeld in artikel 7.
  42. Paragraaf 7.
  43. Visactiviteiten Artikel 7.8 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is gericht op: a. het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen; en b. het vervullen van maatschappelijke functies door oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder vissen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Visserijwet
  44. Artikel 7.9 (algemene regels) 1 Het anders dan met een hengel vissen in een oppervlaktewaterlichaam wordt verricht: a. overeenkomstig een visplan van de rechthebbende op het visrecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Visserijwet 1963; b. zodanig dat geen nadelige gevolgen kunnen optreden voor een evenwichtige visstand of de populatieopbouw van vissoorten; en c. zonder het uitzetten van een vissoort die niet van nature in het oppervlaktewaterlichaam voorkomt. 2 Degene die vis uitzet als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder b, van de Visserijwet 1963 kan bewijs overleggen dat de uit te zetten vis vrij is van parasieten en ziekten. Artikel 7.10 (maatwerkvoorschriften) 1 Over het vissen, anders dan met een hengel, kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld. 2 Het maatwerkvoorschrift kan afwijken van de regels die zijn gesteld in artikel 7.
  45. Artikel 7.11 (omgevingsvergunningplichtige gevallen) 1 Het vissen in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam is verboden zonder omgevingsvergunning. 2 De omgevingsvergunning wordt voor drie jaar verleend, tenzij in de omgevingsvergunning een kortere duur is bepaald. 3 Het verbod geldt niet voor: a. gevallen als bedoeld in artikel 7.13; of b. het vissen met een hengel. Artikel 7.12 (beoordelingsregel) Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.11 wordt alleen geweigerd als het uitvoeren van het visplan van de aanvrager leidt tot: a. een onacceptabele achteruitgang van de visstand of de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam ten opzichte van de huidige actuele situatie in het oppervlaktewaterlichaam waarin de activiteit wordt verricht of in het oppervlaktewaterlichaam dat hiermee in directe verbinding staat; b. het ongedaan maken van verwachte of geplande effecten van eerdere maatregelen of herstelprognoses voor herstel van een watersysteem; of c. veronachtzaming van een andere specifieke/toegewezen functie zoals natuur, ecologische verbindingszone of zwemwater. Artikel 7.13 (verboden gevallen) Het vissen in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen als vismigratieroute binnen een afstand van 200 m tot een sluis, gemaal, inlaat, stuw of vistrap is verboden. Paragraaf 7.3 Natuurvriendelijke oevers Artikel 7.14 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is gericht op: a. het beschermen van waterstaatswerken en de doelmatige werking daarvan voor het keren van water, het bergen van water en de aan- of afvoer van water; b. het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen; en c. het vervullen van maatschappelijke functies door oppervlaktewaterlichamen, in het bijzonder het varen. Artikel 7.15 (omgevingsvergunningvrij: geval grondverzet) Op het natuurvriendelijk maken van een oever in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam voor aan- en afvoer met een klein debiet met minimaal 5 meter doorstroombreedte tussen de oevers is het verbod om zonder omgevingsvergunning grond aan te brengen of te verwijderen, bedoeld in artikel 5.10, niet van toepassing, voor zover de grond wordt aangebracht buiten de doorgaande oeverlijn en buiten de onderhoudsstrook. Artikel 7.16 (omgevingsvergunningplichtige geval: compensatieoever) Het ongedaan maken van het natuurvriendelijke karakter van een natuurvriendelijke oever die dient ter compensatie van een verharding of van verloren waterberging in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam a of in het beperkinge

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.