act/waterschap/2023/CVDR702826 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0650/2022/waterschapsverordening /join/id/stop/work_019 2025-10-01 2025-10-01 /akn/nl/act/waterschap/2023/CVDR702826/nld@2025-10-01
het eerste lid, wordt in ieder geval verstaan het voorkomen van: a. water- of grondwaterschaarste, water- of grondwateroverlast, overstromingen en inundaties; b. aantasting van de bestaande staat van een waterkering; c. belemmering van de doorstroming in een oppervlaktewater; d. belemmering van de inspectie- of onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem; e. verslechtering van de chemische of ecologische waterkwaliteit; f. negatieve effecten van wegzijging of kwel op de ecologische waterkwaliteit en waterkwantiteit; g. verzakkingen van de bodem of uitwisseling van grondwater tussen van elkaar gescheiden watervoerende pakketten als gevolg van grondwateronttrekkingen of grondboringen; en h. belemmering van de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem. 3. Degene die handelingen, als
het eerste lid, verricht, laat verrichten of nalaat en daarbij kennisneemt van nadelige gevolgen die daardoor worden veroorzaakt, informeert het dagelijks bestuur onverwijld over die nadelige gevolgen en de maatregelen die hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen.
- Onder nadelige gevolgen voor een zuiveringtechnisch werk, wordt in ieder geval verstaan: a. negatieve impact op de instandhouding van het zuiveringtechnisch werk; b. negatieve impact op de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk. Artikel 1.9 Maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften
- In aanvulling op of afwijking van Artikel 1.8, Artikel 1.10 en algemene regels in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld.
- In aanvulling op of afwijking van Artikel 1.8, Artikel 1.10 en algemene regels in Hoofdstuk 4 kan een vergunningvoorschrift aan een omgevingsvergunning als
deze verordening worden verbonden. 3. Bij de maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften,
het eerste en tweede lid, kan de verplichting worden opgelegd metingen uit te voeren en gegevens te registreren en deze ter beschikking te stellen aan het dagelijks bestuur.
- Wanneer sprake is van meerdere activiteiten die gecombineerd worden uitgevoerd, waarvoor deels een vergunningplicht geldt en deels een algemene regel van toepassing is, dan wordt een voorschrift aan de vergunning verbonden. Een maatwerkvoorschrift kan dan niet worden gesteld. Artikel 1.10 Ongewoon voorval
- De veroorzaker van een ongewoon voorval,
artikel 19.1, tweede lid, van de Omgevingswet, neemt de maatregelen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden verlangd om de nadelige gevolgen van dat voorval te voorkomen, als
artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
- De veroorzaker van een ongewoon voorval informeert het dagelijks bestuur onverwijld over dat voorval.
- Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het dagelijks bestuur: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeftvoorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als
het eerste lid. Afdeling 1.4 Vrijstellingen en absolute verboden Artikel 1.11 Bevoegdheid tot verbod bij calamiteiten
- In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk ,dan wel als zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het dagelijks bestuur, zo nodig in afwijking van verleende vergunningen of geldende peilbesluiten, verbieden: a. water af te voeren naar of aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen ; b. water te lozen op of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen ; of c. grondwater te onttrekken of water te infiltreren.
- Zodra het dagelijks bestuur handhaving van het verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking van het verbod bekend. Artikel 1.12 Bevoegdheid tot absoluut verbod voor kwetsbare oppervlaktewaterlichamen In afwijking van het in deze verordening bepaalde, kan het dagelijks bestuur zo nodig in afwijking van verleende vergunningen een absoluut verbod instellen om water af te voeren naar of aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen, water te lozen op of te onttrekken aan kwetsbare oppervlaktewaterlichamen. Artikel 1.13 Bevoegdheid tot absoluut verbod verrichten handelingen waterstaatswerken, beschermingszones of beschermd buitendijks gebied In afwijking van het in deze verordening bepaalde, kan het dagelijks bestuur zo nodig in afwijking van verleende vergunningen een absoluut verbod opleggen voor het verrichten van handelingen en activiteiten, zoals
Hoofdstuk 3
. Artikel 1.14 Vrijstellingen 1.
De vergunningplichten, meldplichten en informatieplichten in deze verordening zijn niet van toepassing op activiteiten die het waterschap verricht in de uitoefening van beheer en onderhoud.
- Geen omgevingsvergunning krachtens deze verordening is vereist: a. voor alle onderhoudsplichtigen tot het uitvoeren van het gewoon onderhoud; en b. voor recreatief medegebruik van een oppervlaktewaterlichaam voor locaties vanaf 25 meter van de in- of uitstroomopening van een hevel, inlaat, bemalingsinstallatie of een uitstroompunt van een afvalwaterzuiveringsinstallatie.
- Het eerste lid is niet van toepassing op activiteiten die het waterschap verricht voor de aanleg of wijziging van waterstaatswerken. Afdeling 1.5 Beoordelingsregel omgevingsvergunning voor wateractiviteiten Artikel 1.15 Beoordelingsregel omgevingsvergunning voor wateractiviteiten
- Een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
- Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma's, regionale waterprogramma's, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam: a. niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden,
de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn,
artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit; b. de doelstelling van een goed ecologisch potentieel,
artikel 2.12, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn,
artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en c. een minder strenge doelstelling als
artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt. 3. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen,
artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
- In afwijking van het derde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als: a. de aanvraag betrekking heeft op:
- nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;
- wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of
- het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling; b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren. Afdeling 1.6 Wijzigen of intrekken van omgevingsvergunningen en maatwerkvoorschriften Artikel 1.16 Omgevingsvergunning wijzigen of intrekken
- Een omgevingsvergunning op grond van deze verordening kan door het dagelijks bestuur in ieder geval ambtshalve worden gewijzigd dan wel geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken indien: a. de doelen van deze verordening dat vorderen; b. een voor Nederland verbindend verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel een wettelijk voorschrift ter uitvoering daarvan, daartoe verplicht; c. gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar, dan wel een in de omgevingsvergunning opgenomen periode, geen gebruik is gemaakt van de vergunning of van de werken die daarin worden toegestaan.
- Een omgevingsvergunning wordt niet ingetrokken als kan worden volstaan met wijziging van die vergunning. Artikel 1.17 Wijzigen en intrekken maatwerkvoorschrift
- Een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening kan met het oog op de bescherming van de doelen van deze verordening door het dagelijks bestuur ambtshalve worden gewijzigd.
- Een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening kan door het dagelijks bestuur ambtshalve worden ingetrokken als dit verenigbaar is met het oog op de bescherming van de doelen van deze verordening. Hoofdstuk 2 Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk Afdeling 2.1 Algemeen Paragraaf 2.1.1 Algemene bepalingen Artikel 2.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, dat in beheer is bij het waterschap, met uitzondering van het lozen van grondwater bij saneringen, bronbemaling en proefbemaling en heeft betrekking op beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland. Artikel 2.2 Normadressaat Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 2.3 Uitwerking zorgplicht De zorgplicht,
Artikel 1
.8, bij een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. de best beschikbare technieken worden toegepast; c. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; d. geen visuele verontreiniging optreedt als gevolg van het lozen; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan,
artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd. Artikel 2.4 Meet- en rekenbepalingen
- Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
- Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
- Op het analyseren van een monster is van toepassing: a. voor ammoniumstikstof: NEN 6646 , NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1 ; b. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682 ; c. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872 ; d. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1 of NEN-EN-ISO 5815-2 ; e. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN 6633 of NEN-ISO 15705 ; f. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2 ; g. voor arseen, chroom, ijzer, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885 , waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2 ; h. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993 ; i. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1 ; j. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646 ; en k. voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1 , NEN-EN-ISO 15681-2 , NEN-EN-ISO 6878 , NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2 .
- Op het meten van stof is NEN-EN 13284-1 van toepassing.
- In afwijking van het eerste tot en met het vierde lid kunnen andere methoden voor emissiemetingen, monstername en conservering worden gebruikt, indien deze minimaal gelijkwaardig zijn aan de in die leden genoemde methoden. Paragraaf 2.1.2 Algemene bepalingen informatieplicht en meldingsplicht Artikel 2.5 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
- Een melding of de verstrekking van gegevens bij een informatieplicht wordt ondertekenden bevat in ieder geval: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het e-mailadres en het telefoonnummer van de indiener; d. het adres dan wel de locatie waar de activiteit wordt verricht; e. de dagtekening; en f. een situatietekening met, indien van toepassing:
- de ligging van de riolering;
- de stroomrichting van de riolering;
- de ligging van gebouwen;
- de ligging van het oppervlaktewaterlichaam ;
- de locatie van de zuiveringsvoorziening;
- de locatie van de controlevoorziening;
- de locatie van lozingspunt;
- de schaal; en
- een noordpijl.
- De melding of de verstrekking van gegevens bij een informatieplicht wordt digitaal gedaan met een door het dagelijks bestuur vastgesteld formulier. Artikel 2.6 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
- Voordat de naam of het adres,
Artikel 2
.5, wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur.
- Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. Artikel 2.7 Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur
- Op verzoek van het dagelijks bestuur worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem en de ontwikkelingen met betrekking tot die kwaliteit.
- Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Paragraaf 2.1.3 Algemene bepalingen omgevingsvergunning lozingsactiviteit Artikel 2.8 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning lozingsactiviteit Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk wordt ondertekend en bevat in ieder geval: a. de aanduiding van de activiteit waarvoor de omgevings vergunning wordt aangevraagd; b. de naam, het adres, het telefoonnummer en het e-mailadres van de aanvrager; c. als een ander dan de aanvrager de activiteit verricht: de gegevens, bedoeld onder b, van degene die de activiteit verricht; d. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en e-mailadres van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging; e. de dagtekening; f. de aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht en de begrenzing van die locatie; g. als een gelijkwaardige maatregel als
artikel 4.7, eerste lid, van de Omgevingswet wordt getroffen: gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd; h. het debiet in kubieke meters per uur, per etmaal en per jaar van het te lozen afvalwater; i. de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden; j. een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt; k. een situatietekening met in ieder geval:
- de ligging van de riolering;
- de stroomrichting van de riolering;
- de ligging van gebouwen;
- de ligging van het oppervlaktewaterlichaam ;
- de locatie van de zuiveringsvoorziening;
- de locatie van de controlevoorziening;
- de locatie van lozingspunt;
- schaal; en
- noordpijl; l. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan; m. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken; n. een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; o. de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd; p. de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene Beoordelings Methodiek,
bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; q. de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets,
bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en r. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd. Artikel 2.9 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit In aanvulling op Artikel 1.15 van deze verordening, is op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.10 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Afdeling 2.2 Activiteiten Paragraaf 2.2.1 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening Artikel 2.11 Lozen van afvloeiend hemelwater 1. Afvloeiend hemelwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is, als dat hemelwater: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, met uitzondering van het bepaalde in Artikel 2.51 en Artikel 2.52; b. geen drainagewater als
paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en c. geen overig afvalwater van een kas als
paragraaf 4.78 van dat besluit is.
- In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater, afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.
- In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater, afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel 2.12 Lozen van afvloeiend hemelwater van parkeerplaatsen en wegen
- Afvloeiend hemelwater van een parkeerterrein met meer dan 50 parkeerplaatsen of een weg met meer dan 1.000 vervoersbewegingen per etmaal, kan worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam .
- Voor het te lozen hemelwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden,
tabel 2.1, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.1 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde Koper 100 µg/l Lood 100 µg/l Zink 300 µg/l Minerale olie 5 mg/l Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) 1 µg/l Chemisch zuurstofverbruik 100 mg/l Ammonium en organisch gebonden stikstof 10 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l
- In afwijking van het tweede lid zijn die emissiegrenswaarden niet van toepassing als het hemelwater geloosd wordt in een bodempassage naast de weg, als die bodempassage voldoet aan de Leidraad rioleringen. Artikel 2.13 Gegevens en bescheiden
- Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
- Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur.
- Ten minste vier weken voor de aanleg van een parkeerterrein met meer dan 50 parkeerplaatsen of een weg met meer dan 1.000 vervoersbewegingen, niet zijnde een rijksweg of provinciale weg, worden aan het dagelijks bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
- Ten minste vier weken voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van dat parkeerterrein of weg met meer dan 1.000 vervoersbewegingen, niet zijnde een rijksweg of provinciale weg, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. Paragraaf 2.2.2 Lozen van huishoudelijk afvalwater Artikel 2.14 Lozen van huishoudelijk afvalwater
- Huishoudelijk afvalwater wordt alleen op een oppervlaktewaterlichaam geloosd als: a. het lozen plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam niet zijnde een wateraanvoersloot ; b. het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten; en c. de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:
- 40 meter bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;
- 100 meter bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;
- 600 meter bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;
- 1.500 meter bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en
- 3.000 meter bij 100 of meer inwonerequivalenten.
- De afstand,
het eerste lid, onder c, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tijdens de aanvang van de lozing; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
- In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
- In afwijking van het eerste lid kan, indien sprake is van voortschrijdende riolering buiten de bebouwde kom en het belang van de bescherming van een oppervlaktewaterlichaam zich daar niet tegen verzet, op een daartoe strekkende aanvraag bij maatwerkvoorschrift het lozen in een oppervlaktewaterlichaam worden toegestaan, mits het afvalwater minder dan 10 inwonerequivalenten bevat, waarbij kan worden aangetoond dat het afvalwater door een zuiveringsvoorziening wordt geleid die voldoet aan het bepaalde in Artikel 2.15, zesde lid.
- In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. vanuit een spoorvoertuig als
artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Artikel 2.15 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
- Huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam , wordt geleid via een zuiveringsvoorziening.
- Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden,
tabel 2.2, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.2 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden Emissiegrenswaarden Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 30 mg/l 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 150 mg/l 300 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l 3. Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden,
tabel 2.
- Tabel 2.3 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden Emissiegrenswaarden Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 20 mg/l 40 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 100 mg/l 200 mg/l Totaal stikstof 30 mg/l 60 mg/l Ammoniumstikstof 2 mg/l 4 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l Totaal fosfor 3 mg/l 6 mg/l
- Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan 1 inwonerequivalenten bevat, wordt geloosd in niet-kwetsbaar water en voor vermenging met ander afvalwater door een septic tank wordt geleid die is geplaatst voor 1 maart 1997 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
- De lozingseisen voor totaal stikstof en totaal fosfor zoals genoemd in het derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan 10 inwonerequivalenten bevat, wordt geloosd in niet-kwetsbaar water en voor vermenging met ander afvalwater door een zuiveringsvoorziening wordt geleid.
- a. Indien afzonderlijke septic tanks parallel zijn geschakeld, dan bedraagt de gezamenlijke nominale inhoud tenminste 6 kubieke meter, waarbij de totale nominale inhoud gelijkwaardig is onderverdeeld over de twee septic tanks en de verhouding één tot één staat. b. Indien afzonderlijke septic tanks in serie zijn geschakeld zijn, dan bedraagt de gezamenlijke nominale inhoud tenminste 6 kubieke meter. De nominale inhoud van één compartiment mag niet over verschillende tanks zijn verdeeld. c. De afzonderlijke septic tanks gelden tezamen als één septic tank. d. Opdeling van de septic tanks als
afzonderlijke in serie geschakelde tanks is toegestaan, mits de nominale inhoud van één compartiment niet over verschillende tanks is verdeeld. e. De afzonderlijke septic tanks gelden tezamen als één septic tank.
- Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan 6 inwonerequivalenten bevat, wordt geloosd in niet-kwetsbaar water en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid: a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1 , en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 gram, volgens annex B van NEN-EN 12566-1 ; b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of c. die is geplaatst voor 1 maart 1997 met een kleinere nominale inhoud van 6 m3 en waarvoor het waterschap ontheffing heeft verleend.
- In afwijking van het tweede lid kunnen bij lozingen van meer dan 10 inwonerequivalenten en minder dan 200 inwonerequivalenten op een daartoe strekkende aanvraag bij maatwerkvoorschrift hogere emissiegrenswaarden worden vastgesteld of achterwege worden gelaten, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, en de lozing plaatsvindt in niet-kwetsbaar water .
- Het eerste tot en met zevende lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als
artikel 1 van de Spoor- wegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Artikel 2.15a Bemonstering
- Indien het aantal inwonerequivalenten van het afvalwater afkomstig van een afvalwaterstroom per kalenderjaar hoger is dan 10 inwonerequivalenten dient deze minimaal tweemaal per jaar bemonsterd te worden.
- Tussen twee opeenvolgende bemonsteringen dienen ten minste vier maanden te liggen. Artikel 2.16 Gegevens en bescheiden
- Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,
Artikel 2.14, worden aan het dagelijks bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over: a.
het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
- Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur.
- Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als
artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Paragraaf 2.2.3 Lozen van koelwater Artikel 2.17 Koelwater
- Koelwater, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
- Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.
- De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 1000 kJ/s bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
- De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
- De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van: a. het lozingsdebiet van koelwater in kubieke meter per seconde; b. het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam in graden Celsius; c. de warmtecapaciteit van het koelwater hetgeen gelijk is aan 4190 Kilojoule per kubieke meter per graad temperatuursverhoging.
- Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift, het tweede lid niet van toepassing verklaren of afwijken van de leden drie en vier, het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht dan
het derde en vierde lid of waaraan in beperkte mate chemicaliën zijn toegevoegd toestaan. 7. Indien het lozen,
het tweede lid, een temperatuurstijging zou veroorzaken die tot beperking van de warmtevracht noodzaakt, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift voor de warmtevracht lagere waarden vaststellen als
het derde en vierde lid. Artikel 2.18 Gegevens en bescheiden 1. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,
Artikel 2.17, worden aan het dagelijks bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over: a.
de maximale warmtevracht; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
- Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. Paragraaf 2.2.4 Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken Artikel 2.19 Bij reinigen of conserveren geen afvalwater lozen Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, tenzij het gaat om: a. afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of b. afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar. Artikel 2.20 Werkinstructie bij reinigen of conserveren
- Bij het reinigen of conserveren van bouwwerken: a. is een werkinstructie opgesteld; en b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel of het talud ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
- In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen: a. welke technieken worden toegepast; b. welke stoffen kunnen vrijkomen; en c. welke stoffen worden gebruikt.
- Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen: a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd; b. wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is; c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft; d. op welke wijze afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en e. welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s. Artikel 2.21 Werkinstructie bij bouwen, renoveren of slopen Bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terecht komen. Artikel 2.22 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam Bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting. Artikel 2.23 Gegevens en bescheiden
- Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,
Artikel 2
.19 tot en met Artikel 2.22, worden aan het dagelijks bestuur de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie,
Artikel 2.20; of b.
voor het lozen afkomstig van het bouwen, renoveren of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie,
Artikel 2.21.
- Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur.
- Het eerste en tweede lid gelden niet voor reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd. Paragraaf 2.2.5 Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen Artikel 2.24 Inerte goederen Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als
paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als
paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas. Artikel 2.25 Lozen bij opslaan van inerte goederen Te lozen afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.26 Lozen bij overslaan van inerte goederen
- Bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
- Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam komen.
- Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 meter; of b. het schip, waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.
- Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen. Artikel 2.26a Gegevens en bescheiden
- Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, als
de Artikelen 2.25 en 2.26, worden aan het dagelijks bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
- Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. Paragraaf 2.2.6 Lozen bij opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen Artikel 2.27 Lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen
- In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen worden geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 meter bedraagt, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
- Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden,
tabel 2.4, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.4 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink 1 mg/l Minerale olie 20 mg/l Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) 50 µg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Som van stikstofverbindingen 10 mg/l Som van fosforverbindingen 2 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l Artikel 2.28 Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen
- Afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam bij: a. het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen; b. het overslaan van zout voor het strooien op wegen; c. het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en d. het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.
- Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam komen.
- Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 meter; of b. het schip, waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep. Artikel 2.29 Gegevens en bescheiden
- Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,
de Artikel 2.27 en Artikel 2.28 , worden aan het dagelijks bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
- Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur.
- Dit artikel is niet van toepassing op het overslaan van: a. zout voor het strooien op wegen; b. niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en c. niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk. Paragraaf 2.2.7 Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater Artikel 2.30 Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels Afvalwater, afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam , als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als
artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. Artikel 2.31 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen Huishoudelijk afvalwater, afkomstig uit een systeem als
artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. Paragraaf 2.2.8 Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam Artikel 2.32 Lozen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden Stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam kunnen worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.33 Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem Bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’,
artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, is een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. de toe te passen baggertechniek; en b. de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze. Artikel 2.34 Lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder Stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan
Artikel 2
.32 in een oppervlaktewaterlichaam en die worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer, kunnen worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.35 Lozen van algen en bacteriën Algen en bacteriën kunnen uit een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.36 Gegevens en bescheiden 1. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,
Artikel 2
.32, worden aan het dagelijks bestuur de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. gegevens over de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem; b. als de waterbodem de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’,
artikel 29, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie,
Artikel 2.33; en c.
de verwachte datum van het begin van de activiteit.
- Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur.
- Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de waterbeheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als
artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet. Paragraaf 2.2.9 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen Artikel 2.37 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen 1. Afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als
artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als
artikel 1 van het Drinkwaterbesluit, kan op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. 2. Aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd. Paragraaf 2.2.10 Lozen bij calamiteitenoefeningen Artikel 2.38 Lozen bij calamiteitenoefeningen Afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als
artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Artikel 2.39 Gegevens en bescheiden Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,
Artikel 2
.38, worden aan het dagelijks bestuur de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; en b. welke stoffen dat blusschuim bevat. Paragraaf 2.2.11 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen Artikel 2.40 Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas
- In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 meter bedraagt.
- Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden,
tabel 2.5, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.5 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l 3. De afstand,
het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
- In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 2.41 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
- In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 meter bedraagt.
- Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster.
- De afstand,
het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
- In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 2.42 Lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen
- In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
- Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden,
tabel 2.6, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.6 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l Artikel 2.43 Lozen van condenswater afkomstig van de opslag van gewassen Condenswater afkomstig van de opslag van gewassen kan op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, tenzij dit afkomstig is van gewassen waar voorafgaand aan de opslag gewasbeschermingsmiddelen op zijn toegepast of dit afkomstig is uit een ruimte waarin gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Artikel 2.44 Gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen bij het telen van gewassen in de open lucht
- In afwijking van artikel 4.723d, eerste lid en artikel 4.723i, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving kan een smallere teeltvrije zone aangehouden worden, als het talud van een oppervlaktewaterlichaam ten minste 300 centimeter breed is en dat oppervlaktewaterlichaam niet-kwetsbaar water is.
- Een versmalling van de teeltvrije zone naar ten minste 50 centimeter is mogelijk voor de volgende gewassen: aardappelen, uien, bloembollen en bloemknollen, aardbeien, asperges, prei, schorseneren, sla, wortelen, vaste planten en neerwaarts te bespuiten boomkwekerijgewassen. Artikel 2.45 Gegevens en bescheiden Vervallen Paragraaf 2.2.12 Lozen bij het zuiveren van grondwater voor agrarische activiteiten Artikel 2.46 Lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars
- Afvalwater, afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten, kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
- Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden,
tabel 2.7, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.7 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde Chloride 200 mg/l IJzer 2 mg/l
- De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing. Artikel 2.47 Lozen bij ontijzeren grondwater
- Afvalwater, afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten, kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 meter bedraagt.
- Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
- De afstand,
het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
- In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 2.48 Gegevens en bescheiden
- Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,
de Artikel 2.46 en Artikel 2.47 worden aan het dagelijks bestuur de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
- Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. Paragraaf 2.2.13 Lozen van afvalwater afkomstig van het wassen van paarden Artikel 2.49 Lozen van paardenwaswater
- Afvalwater afkomstig van het wassen van paarden kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 meter bedraagt.
- Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden in tabel 2.8, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.8 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden Onopgeloste stoffen 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l
- De afstand,
het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. Artikel 2.50 Gegevens en bescheiden 1. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,
Artikel 2
.49, worden aan het dagelijks bestuur de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
- Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. Paragraaf 2.2.14 Lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van voertuigen en werktuigen voor agrarische activiteiten Artikel 2.51 Lozen van afvalwater van voertuigen en werktuigen zonder gewasbeschermingsmiddelen
- In afwijking van artikel 4.891 en in aanvulling op artikel 4.894, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving kan het afvalwater, afkomstig van het reinigen van voertuigen en werktuigen die niet voor gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt, en hemelwater, afkomstig van de wasplaats voor die voertuigen en werktuigen, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam , tenzij kan worden geloosd op onverharde bodem of in een vuilwaterriool.
- Voor het te lozen afvalwater en hemelwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden in tabel 2.9, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.9 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden Onopgeloste stoffen 30 mg/l Minerale olie 5 mg/l Artikel 2.52 Lozen van hemelwater van een voorziening voor het reinigen en ontsmetten van veewagens
- In aanvulling op artikel 4.813, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving kan het hemelwater, afkomstig van een wasplaats voor het reinigen en ontsmetten van veewagens, indien deze niet in gebruik is voor deze activiteit, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam , tenzij het gelijkmatig kan worden verspreid over landbouwgronden.
- Na het reinigen en ontsmetten van veewagens wordt de bodembeschermende voorziening nagespoeld met schoon water en het afvalwater wordt opgevangen.
- Voor het te lozen hemelwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden in tabel 2.10, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.10 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden Onopgeloste stoffen 30 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 100 mg/l Artikel 2.53 Gegevens en bescheiden Vervallen. Paragraaf 2.2.15 Lozen bij maken van betonmortel en uitwassen van beton Artikel 2.54 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute Als in het omgevingsplan voor afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteit en leefomgeving, het te lozen afvalwater,
die artikelen, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route. Paragraaf 2.2.16 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding Artikel 2.55 Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving Deze paragraaf is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie,
artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waar de activiteit wordt verricht. Artikel 2.56 Lozen bereiden van voedingsmiddelen
- Afvalwater, afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen, kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het bereiden plaatsvindt met: a. grootkeukenapparatuur; b. één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of c. één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt.
- Het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten. Artikel 2.57 Gegevens en bescheiden
- Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,
Artikel 2
.56, worden aan het dagelijks bestuur de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
- Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. Artikel 2.57a Lozen van afvalwater afkomstig van het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken
- Het in een oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater afkomstig van het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken is uitsluitend toegestaan, indien daarbij ten minste wordt voldaan aan de eisen, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het vijfde lid.
- Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het meest recente BBT-informatiedocument worden aangemerkt als stoffen waarvoor een: a. saneringsinspanning Z of A geldt, of b. saneringsinspanning B geldt, tenzij het afvalwater wordt gezuiverd door middel van biologische zuivering.
- In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daar niet tegen verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen van afvalwater als
dat lid, onder a of b, toestaan. Artikel 2.14, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
- Onverminderd het tweede en derde lid voldoet het te lozen afvalwater in enig steekmonster aan de volgende eisen: a. het biochemisch zuurstofverbruik bedraagt ten hoogste 30 mg/l; b. het chemisch zuurstofverbruik bedraagt ten hoogste 250 mg/l; c. de totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen bedraagt ten hoogste 100 mg/l; d. het gehalte aan zink bedraagt ten hoogste 1 mg/l; e. het gehalte aan koper bedraagt ten hoogste 1 mg/l; f. het gehalte aan totaalfosfor bedraagt ten hoogste 2 mg/l, g. en het gehalte aan totaalstikstof bedraagt ten hoogste 15 mg/l.
- In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift: a. lagere gehaltes of grenswaarden vaststellen indien het belang van het milieu daartoe noodzaakt, of b. hogere gehaltes of grenswaarden vaststellen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Paragraaf 2.2.17 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers Artikel 2.58 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers Spuiwater uit recreatieve visvijvers kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.59 Gegevens en bescheiden
- Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,
Artikel 2
.58 , worden aan het dagelijks bestuur de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. Paragraaf 2.2.18 Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind Artikel 2.60 Lozen van spoelwater De volgende afvalwaterstromen, afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, kunnen op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; en b. afvalwater dat vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind. Paragraaf 2.2.19 Asverstrooiing Artikel 2.61 Asverstrooiing Het op een oppervlaktewaterlichaam individueel verstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft,
artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan. Paragraaf 2.2.20 Andere lozingen Artikel 2.62 Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen of warmte worden geloosd.
- Het verbod geldt niet voor: a. het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het lozen,
Paragraaf 2.2.1 tot en met Paragraaf 2.2.19 en Afdeling 4.3 ; c. het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en d. het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen. Artikel 2.63 Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten.
- Het verbod geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Hoofdstuk 3 Activiteiten met betrekking tot waterstaatswerken Afdeling 3.1 Algemeen Paragraaf 3.1.1 Algemene bepalingen Artikel 3.1 Toepassingsgebied Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten op beperkingengebiedactiviteiten en overige activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor waterstaatswerken. Paragraaf 3.1.2 Algemene bepalingen informatieplicht en meldingsplicht Artikel 3.2 Algemene gegevens bij een informatieplicht
- De verstrekking van gegevens wordt ondertekend en bevat in ieder geval: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het e-mailadres en het telefoonnummer van de indiener; d. het adres dan wel de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en e. de dagtekening.
- De verstrekking van gegevens wordt digitaal gedaan met een door het dagelijks bestuur vastgesteld formulier. Artikel 3.3 Algemene gegevens bij een meldingsplicht
- Een melding wordt ondertekend en bevat in ieder geval: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het e-mailadres en het telefoonnummer van de indiener; d. het adres dan wel de locatie waarop de activiteit wordt verricht; e. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; f. de dagtekening; en g. een situatietekening met in ieder geval:
- een noordgericht bovenaanzicht;
- een noordpijl;
- de schaal; en
- een legenda.
- De melding wordt digitaal gedaan met een door het dagelijks bestuur vastgesteld formulier. Artikel 3.4 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
- Voordat de naam of het adres,
Artikel 3
.2 en Artikel 3.3, wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur.
- Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. Artikel 3.5 Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur
- Op verzoek van het dagelijks bestuur worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn.
- Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 3.6 Algemene bepaling bij een melding
- De activiteiten worden uitgevoerd binnen één jaar na melding.
- Ten minste vier weken voor het veranderen van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur, tenzij anders is bepaald. Paragraaf 3.1.3 Algemene bepalingen omgevingsvergunning waterstaatswerken Artikel 3.7 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning waterstaatswerken Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van dit hoofdstuk wordt ondertekend en bevat in ieder geval: a. de aanduiding van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd; b. de naam, het adres, het telefoonnummer en het e-mailadres van de aanvrager; c. als een ander dan de aanvrager de activiteit verricht: de gegevens, bedoeld onder b, van degene die de activiteit verricht; d. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en e-mailadres van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging; e. de aanduiding van het adres dan wel de locatie waar de activiteit wordt verricht en de begrenzing van die locatie; f. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; g. de dagtekening; h. een situatietekening met in ieder geval:
- een noordgericht bovenaanzicht;
- een noordpijl;
- de schaal; en
- een legenda; i. als een gelijkwaardige maatregel als
artikel 4.7 eerste lid, van de Omgevingswet wordt getroffen: gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd; j. als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt:
- berekeningen waaruit blijkt dat de constructieve veiligheid en bruikbaarheid van de kade of waterkering blijft gewaarborgd;
- een analyse die aantoont dat er door de aangevraagde activiteit geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud en de versterking van de kade of waterkering;
- indien van toepassing, een tekening van het uitvoeringsontwerp; en
- indien van toepassing, dwarsprofielen van het uitvoeringsontwerp. k. als een waterstaatswerk wordt gekruist door een boring:
- een boorplan met de volgende informatie:een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleiding wegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat;
- een situatietekening met een aanduiding van de boorlijn;
- een dwarsdoorsnede waarop de ligging en de afstand van de leiding ten opzichte van het waterstaatswerk is aangeduid; en
- gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van de buis op basis van een grondmechanisch onderzoek. l. als de activiteit op, in of bij een kunstwerk met waterkerende functie plaatsvindt:
- berekeningen waaruit blijkt dat de constructieve veiligheid en bruikbaarheid van de waterkerende functie blijft gewaarborgd;
- een analyse die aantoont dat er door de aangevraagde activiteit geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud en de versterking van de waterkerende functie van het kunstwerk;
- indien van toepassing, een tekening van het uitvoeringsontwerp; en
- indien van toepassing, dwarsprofielen van het uitvoeringsontwerp. Artikel 3.8 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit waterbodem Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, in aanvulling op Artikel 3.7 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de hoeveelheid te verwijderen materiaal; en b. een aanduiding van het totaal te baggeren oppervlak in m
- Artikel 3.9 Beoordelingsregel omgevingsvergunning waterstaatswerken Een omgevingsvergunning voor een activiteit in de kernzone van een primaire waterkering, regionale waterkering of regionale waterkering buitendijks, waarbij werkzaamheden worden uitgevoerd in de periode van 15 oktober tot 15 maart, wordt niet verleend, tenzij: a. de werkzaamheden die worden verricht aantoonbaar redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn buiten de genoemde periode; en b. wordt gewerkt volgens een namens het dagelijks bestuur vooraf goedgekeurd risicobeheersplan, waarin omschreven is welke maatregelen genomen worden om de waterveiligheid te waarborgen. Afdeling 3.2 Activiteiten Paragraaf 3.2.1 Ontgrondingen, afgravingen of seismisch onderzoek verrichten Artikel 3.10 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van ontgrondingen, afgravingen en seismisch onderzoek in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. Artikel 3.11 Melding ontgrondingen, afgravingen of seismisch onderzoek verrichten Het is verboden ontgrondingen, afgravingen of seismisch onderzoek te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden bij het dagelijks bestuur , als de activiteit plaatsvindt in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - buitenbeschermingszone . Artikel 3.12 Uitvoeringsregels ontgrondingen, afgravingen of seismisch onderzoek verrichten
- Degene die de activiteit verricht,
artikel 3.11 : a. houdt een onderhoudsstrook van minimaal 5 meter vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam vrij; b. verandert de vorm en afmeting van het oppervlaktewaterlichaam niet; c. stort geen vrijkomende grond in het oppervlaktewater; d. gebruikt geen materialen die het oppervlaktewater kunnen vervuilen; e. sluit gaten en sleuven, indien nodig met gebruik van kleikorrels, na gereedkomen van het werk ; f. belemmert de doorstroming en afvoer van het water niet; g. zaait de bodem in met grasmengsel B3; en h. houdt aanwezige drainage in stand.
- Indien schade aan talud of oever is veroorzaakt, herstelt degene die de activiteit verricht dit op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur en op eigen kosten. Artikel 3.13 Omgevingsvergunning ontgrondingen, afgravingen of seismisch onderzoek verrichten Het is verboden zonder omgevingsvergunning ontgrondingen, afgravingen of seismisch onderzoek te verrichten: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - kernzone, primaire waterkering - binnenbeschermingszone, primaire waterkering - tussenbeschermingszone of primaire waterkering - buitenbeschermingszone; b. bij een regionale waterkering: in het gebied aangeduid als regionale waterkering - kernzone of regionale waterkering - beschermingszone; c. bij een overige waterkering: in het gebied aangeduid als overige waterkering - kernzone of overige waterkering - beschermingszone; of d. bij een oppervlaktewaterlichaam: in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - kernzone of oppervlaktewaterlichaam - binnenbeschermingszone. Artikel 3.14 Absoluut verbod ontgrondingen, afgravingen of seismisch onderzoek verrichten Het is verboden ontgrondingen, afgravingen of seismisch onderzoek te verrichten binnen 25 meter van de in- of uitstroomopening van een hevel, inlaat, bemalingsinstallatie of een uitstroompunt van een afvalwaterzuiveringsinstallatie. Paragraaf 3.2.2 Explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichting hebben Artikel 3.15 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het hebben van explosiegevaarlijk materiaal en een explosiegevaarlijke inrichting in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. Artikel 3.16 Melding explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen hebben Het is verboden explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden bij het dagelijks bestuur, in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - buitenbeschermingszone. Artikel 3.17 Uitvoeringsregels explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen hebben
- Degene die de activiteit verricht,
Artikel 3.16 : a.
houdt een onderhoudsstrook van minimaal 5 meter vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam vrij; b. verandert de vorm en afmeting van het oppervlaktewaterlichaam niet; c. zorgt ervoor dat materiaal niet in aanraking met het oppervlaktewater kan komen; d. belemmert de doorstroming en afvoer van het water niet; en e. zaait de bodem in met grasmengsel B
- Indien schade aan talud of oever is veroorzaakt, herstelt degene die de activiteit verricht dit op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur en op eigen kosten. Artikel 3.18 Omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen hebben Het is verboden zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben in: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - kernzone, primaire waterkering - binnenbeschermingszone, primaire waterkering - tussenbeschermingszone of primaire waterkering - buitenbeschermingszone; b. bij een regionale waterkering: in het gebied aangeduid als regionale waterkering - kernzone of regionale waterkering - beschermingszone; c. bij een overige waterkering: in het gebied aangeduid als overige waterkering - kernzone of overige waterkering - beschermingszone; of d. bij een oppervlaktewaterlichaam: in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - kernzone of oppervlaktewaterlichaam - binnenbeschermingszone. Artikel 3.19 Absoluut verbod explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen hebben Het is verboden explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben binnen 25 meter van de in- of uitstroomopening van een hevel, inlaat, bemalingsinstallatie of een uitstroompunt van een afvalwaterzuiveringsinstallatie. Paragraaf 3.2.3 Heiwerkzaamheden verrichten of werken plaatsen, wijzigen of verwijderen Artikel 3.20 Toepassingsbereik
- Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van heiwerkzaamheden en het plaatsen, wijzigen of verwijderen van werken in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.
- Deze paragraaf is niet van toepassing op werken waar regels voor zijn gesteld in de overige paragrafen van Afdeling 3.
- Artikel 3.21 Heiwerkzaamheden verrichten of werken plaatsen, wijzigen of verwijderen Heiwerkzaamheden kunnen worden verricht of werken kunnen worden geplaatst, gewijzigd of verwijderd in: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - buitenbeschermingszone; of b. bij een oppervlaktewaterlichaam: in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - buitenbeschermingszone. Artikel 3.22 Omgevingsvergunning heiwerkzaamheden verrichten of werken plaatsen, wijzigen of verwijderen Het is verboden zonder omgevingsvergunning heiwerkzaamheden te verrichten of werken te plaatsen, wijzigen of verwijderen in: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - kernzone, primaire waterkering - binnenbeschermingszone of primaire waterkering - tussenbeschermingszone; b. bij een regionale waterkering: in het gebied aangeduid als regionale waterkering - kernzone of regionale waterkering - beschermingszone; c. bij een overige waterkering: in het gebied aangeduid als overige waterkering - kernzone of overige waterkering - beschermingszone; of d. bij een oppervlaktewaterlichaam: in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - kernzone of oppervlaktewaterlichaam - binnenbeschermingszone. Artikel 3.23 Absoluut verbod heiwerkzaamheden verrichten of werken plaatsen, wijzigen of verwijderen Het is verboden heiwerkzaamheden te verrichten of werken te plaatsen, wijzigen of verwijderen binnen 25 meter van de in- of uitstroomopening van een hevel, inlaat, bemalingsinstallatie of een uitstroompunt van een afvalwaterzuiveringsinstallatie. Paragraaf 3.2.4 Kabels, drukleidingen of drukvaten plaatsen, houden of verwijderen Artikel 3.24 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, houden en verwijderen van kabels, drukleidingen en drukvaten in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering . Artikel 3.25 Kabels, drukleidingen of drukvaten plaatsen, houden of verwijderen Kabels, drukleidingen of drukvaten kunnen worden geplaatst, gehouden of verwijderd: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - tussenbeschermingszone of primaire waterkering - buitenbeschermingszone; of b. bij een oppervlaktewaterlichaam: in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - buitenbeschermingszone. Artikel 3.26 Melding kabels, drukleidingen of drukvaten plaatsen, houden of verwijderen Het is verboden kabels, drukleidingen of drukvaten te plaatsen, houden of verwijderen zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden bij het dagelijks bestuur, in in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - binnenbeschermingszone. Artikel 3.27 Uitvoeringsregels kabels, drukleidingen of drukvaten plaatsen, houden of verwijderen
- Degene die de activiteit verricht,
Artikel 3.26: a.
plaatst de kabels, drukleidingen of drukvaten minimaal 3 meter vanaf het oppervlaktewaterlichaam vrij; b. plaatst de kabels en leidingen minimaal 80 centimeter onder het maaiveld; c. verdicht de sleuf in lagen van maximaal 40 centimeter; en d. zaait de bodem in met grasmengsel B3. 2. In aanvulling op het eerste lid, zorgt degene die de activiteit,
Artikel 3
.26, binnen 5 meter vanuit de insteek van een oppervlaktewaterlichaam in stedelijk gebied verricht ervoor, dat: a. geen beschadiging optreedt van de oeverconstructie of de natte bak; b. het onderhoud van de natte bak of oeverconstructie vanaf het water door een derde mogelijk blijft; en c. de activiteit de levensduur van de oeverconstructie niet verkort.
- Indien schade aan taludof oever is veroorzaakt, herstelt degene die de activiteit verricht dit op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur en op eigen kosten. Artikel 3.28 Omgevingsvergunning kabels, drukleidingen of drukvaten plaatsen, houden of verwijderen Het is verboden zonder omgevingsvergunning kabels, drukleidingen of drukvaten te plaatsen, houden of verwijderen: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - kernzone of primaire waterkering - binnenbeschermingszone; b. bij een regionale waterkering: in het gebied aangeduid als regionale waterkering - kernzone of regionale waterkering - beschermingszone; c. bij een overige waterkering: in het gebied aangeduid als overige waterkering - kernzone of overige waterkering - beschermingszone; of d. bij een oppervlaktewaterlichaam: in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - kernzone. Artikel 3.29 Absoluut verbod kabels, drukleidingen of drukvaten plaatsen, houden of verwijderen Het is verboden kabels, drukleidingen of drukvaten te plaatsen, houden of verwijderen binnen 25 meter van de in- of uitstroomopening van een hevel, inlaat, bemalingsinstallatie of een uitstroompunt van een afvalwaterzuiveringsinstallatie. Paragraaf 3.2.5 Werkzaamheden verrichten die tot gevolg kunnen hebben dat verandering wordt gebracht in de staat van waterstaatswerken Artikel 3.30 Toepassingsbereik
- Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van werkzaamheden die tot gevolg kunnen hebben dat verandering wordt gebracht in de staat van waterstaatswerken in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.
- Voor de toepassing van deze paragraaf worden onder werkzaamheden in ieder geval verstaan: a. aanleggen; b. baggeren; c. boren; d. bouwen; e. graven; f. dempen; g. herstellen; h. onderhouden; i. planten; j. repareren; k. reviseren; l. slopen; m. uitbreiden; n. verbouwen en herbouwen; en o. gelijksoortige werkzaamheden.
- Deze paragraaf is niet van toepassing op de activiteiten, geregeld in Paragraaf 3.2.1 tot en met Paragraaf 3.2.4 en Paragraaf 3.2.6 tot en met Paragraaf 3.2.
- Artikel 3.31 Werkzaamheden verrichten die tot gevolg kunnen hebben dat verandering wordt gebracht in de staat van waterstaatswerken
- Werkzaamheden, die tot gevolg kunnen hebben dat verandering wordt gebracht in de staat van waterstaatswerken, kunnen worden verricht: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - buitenbeschermingszone; b. bij een regionale waterkering: in het gebied aangeduid als regionale waterkering - beschermingszone; of c. bij een overige waterkering: in het gebied aangeduid als overige waterkering - beschermingszone.
- In aanvulling op het eerste lid, onder b, zijn in het gebied aangeduid als regionale waterkering buitendijks - kernzone de volgende werkzaamheden toegestaan: a. handelingen ten behoeve van gewoon onderhoud; en b. gebruikelijke handelingen in en aan tuinen, op de kruin van de waterkering met een minimale overhoogte van 50 cm ten opzichte van de minimaal benodigde kruinhoogte, toegestaan, als:
- bij het aanleggen of behouden van bomen de ontgraving minimaal 5 meter uit de buitenkruinlijn binnendijks ligt; of
- bij het plaatsen of hebben van bouwwerken en objecten, deze: I. in zijn geheel verwijderbaar of eenvoudig demontabel zijn; en II. de toegankelijkheid van de waterkering als geheel niet achteruit gaat.
- Degene die werkzaamheden aan tuinen verricht, als bedoeld het tweede lid, maakt deze op eigen kosten ongedaan op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer of onderhoud door het waterschap of anderszins in het belang van waterstaatswerken. Artikel 3.32 Omgevingsvergunning voor het verrichten van werkzaamheden die tot gevolg kunnen hebben dat verandering wordt gebracht in de staat van waterstaatswerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning werkzaamheden, die tot gevolg kunnen hebben dat verandering wordt gebracht in de staat van waterstaatswerken, te verrichten: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - kernzone of primaire waterkering - binnenbeschermingszone; b. bij een regionale waterkering: in het gebied aangeduid als regionale waterkering - kernzone, tenzij het werkzaamheden Artikel 3.31, tweede lid, betreft; c. bij een overige waterkering: in het gebied aangeduid als overige waterkering - kernzone; of d. bij een oppervlaktewaterlichaam: in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - kernzone, oppervlaktewaterlichaam - binnenbeschermingszone of oppervlaktewaterlichaam - buitenbeschermingszone. Artikel 3.33 Absoluut verbod voor het verrichten van werkzaamheden die tot gevolg kunnen hebben dat verandering wordt gebracht in de staat van waterstaatswerken Het is verboden werkzaamheden, die tot gevolg kunnen hebben dat verandering wordt gebracht in de staat van waterstaatswerken, te verrichten binnen 25 meter van de in- of uitstroomopening van een hevel, inlaat, bemalingsinstallatie of een uitstroompunt van een afvalwaterzuiveringsinstallatie. Paragraaf 3.2.6 Dammen en duikers plaatsen, hebben of verwijderen Artikel 3.34 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, hebben en verwijderen van dammen en duikers in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.35 Melding dammen en duikers plaatsen, hebben of verwijderen Het is verboden dammen en duikers te plaatsen, hebben of verwijderen zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden aan het dagelijks bestuur, in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam in landelijk gebied, tenzij het gaat om een aan- of afvoersloot, tocht, d-tocht of vaart. Artikel 3.36 Uitvoeringsregels dammen en duikers plaatsen, hebben of verwijderen Degene die de activiteit verricht,
artikel 3.35 : a. voert het werk uit overeenkomstig de ingediende tekening of tekeningen; b. belemmert de doorstroming en afvoer van het water niet; c. houdt drainuitmondingen vrij, of, indien vrijhouden niet mogelijk is, verlegt de drainuitmondingen zodanig dat vrije uitstroom en doorspuiten mogelijk blijven, waarbij de drainage wordt voorzien van een polypropyleenomhulling en een dichte eindbuis met een lengte van minimaal 0,50 meter; d. verwerkt geen vrijkomende grond in het talud van overige oppervlaktewaterlichamen , anders dan het oppervlaktewaterlichaam waarin de dam en duiker aangelegd wordt; e. legt de dam, indien die wordt voorzien van een verhard oppervlak , zo aan dat het verhard oppervlak op minimaal 1 meter uit de boveninsteek van het talud van de dam wordt aangebracht; f. zorgt ervoor dat de duiker aan beide zijden minimaal 0,10 meter en maximaal 0,30 meter uit het talud steekt; g. legt de duiker aan op een zandpakket met een dikte van minimaal 0,15 meter, tenzij zwaar verkeer over de duiker passeert, in welk geval de duiker op een zandpakket met een dikte van minimaal 0,50 meter wordt aangelegd; h. zorgt ervoor dat de duiker een inwendige diameter van minimaal 0,40 meter heeft; i. zorgt ervoor dat de binnenkant van de onderkant van de buis van de duiker op 0,10 meter onder de bodem van de watergang komt te liggen; j. zorgt ervoor dat de duiker op de bodem van de kavel- erf of wegsloot maximaal 18 meter lang is; en k. zorgt ervoor dat:
- indien een duiker van beton wordt gebruikt, de elementen minimaal 2 meter lang zijn en waterdicht op elkaar aangesloten worden door middel van een rubberring;
- indien een duiker van pvc wordt gebruikt die bestaat uit elementen, de elementen waterdicht op elkaar worden aangesloten door middel van een pvc-mof; of
- indien een stalen duiker wordt gebruikt die bestaat uit elementen, de elementen waterdicht op elkaar worden aangesloten door middel van een stalen koppelstuk. Artikel 3.37 Omgevingsvergunning dammen en duikers plaatsen, hebben of verwijderen Het is verboden zonder omgevingsvergunning dammen en duikers te plaatsen, hebben of verwijderen, in de kernzone van: a. een oppervlaktewaterlichaam in stedelijk gebied; en b. een aan- of afvoersloot - tocht - d-tocht of vaart. Artikel 3.38 Absoluut verbod dammen en duikers plaatsen of verwijderen Het is verboden een dam en duiker te plaatsen of verwijderen binnen 25 meter van de in- of uitstroomopening van een hevel, inlaat, bemalingsinstallatie of een uitstroompunt van een afvalwaterzuiveringsinstallatie. Paragraaf 3.2.7 Oeverconstructies plaatsen, hebben of verwijderen Artikel 3.39 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, hebben en verwijderen van oeverconstructies in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.40 Melding oeverconstructies plaatsen, hebben of verwijderen Het is verboden een oeverconstructie te plaatsen, hebben of verwijderen zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden aan het dagelijks bestuur in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - kernzone of oppervlaktewaterlichaam - binnenbeschermingszone. Artikel 3.41 Uitvoeringsregels oeverconstructies plaatsen, hebben of verwijderen
- Degene die de activiteit verricht,
Artikel 3.40: a.
werkt de oeverconstructie gronddicht af, zodat geen grond of aangevuld materiaal vanachter de oeverconstructie in de natte bak kan komen; b. sluit de oeverconstructie geheel aan op een eventueel reeds aanwezige oeverconstructie, voor zover het vorm en afmetingen betreft; c. verwijdert bij vervanging van de oeverconstructie de oude geheel en legt de nieuwe oeverconstructie op dezelfde plaats aan; d. zorgt bij vervanging dat er een eenvoudig te vervangen duurzame constructie wordt aangelegd; e. voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de oeverconstructie en het talud; f. houdt er bij de aanleg rekening mee dat met het uitvoeren van de werkzaamheden zettingen kunnen ontstaan en neemt hiervoor de nodige voorzorgsmaatregelen; en g. verankert de oeverconstructie zo in het achterliggende perceel, dat geen vervorming of voorover wijken kan plaatsvinden. 2. Degene die de activiteit verricht,
Artikel 3
.40, wijzigt of verwijdert de oeverconstructie op eigen kosten en op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur, indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat. Paragraaf 3.2.8 Steigers, vlonders, overhangende bouwwerken, overstortbakken of vergelijkbare constructies plaatsen, hebben of verwijderen Artikel 3.42 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten het plaatsen, hebben en verwijderen van steigers, vlonders, overhangende bouwwerken, overstortbakken en vergelijkbare constructies in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.43 Melding steigers, vlonders, overhangende bouwwerken, overstortbakken of vergelijkbare constructies plaatsen, hebben of verwijderen Het is verboden steigers, vlonders, overhangende bouwwerken, overstortbakken of vergelijkbare constructies te plaatsen, hebben of verwijderen in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - kernzone of oppervlaktewaterlichaam - binnenbeschermingszone zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden aan het dagelijks bestuur. Artikel 3.44 Uitvoeringsregels steigers, vlonders, overhangende bouwwerken, overstortbakken of vergelijkbare constructies plaatsen, hebben of verwijderen 1. Degene die de activiteit verricht,
Artikel 3.43: a.
handhaaft een minimale strook van 5 meter op de breedte van het oppervlaktewaterlichaam voor varend onderhoud; b. wijzigt de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam zoals vastgelegd in de legger niet; c. beschadigt het onderwatertalud en de aanwezige oeverconstructie niet; d. belemmert de doorstroming en afvoer van het water niet; e. maakt een zelfstandige steiger, vlonder overhangend bouwwerk, overstortbak of vergelijkbare constructie, die niet rust op een bestaande oeverconstructie; f. voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de doorstroming en afvoer van het water; g. gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk; en h. voorziet in deugdelijke oeverbescherming op de plaats van de steiger, vlonder, overhangend bouwwerk, overstortbak of vergelijkbare constructie. 2. In aanvulling op het eerste lid, zorgt degene die de activiteit,
Artikel 3
.43, binnen 5 meter vanuit de insteek van een oppervlaktewaterlichaam in stedelijk gebied verricht ervoor, dat: a. geen beschadiging optreedt van de oeverconstructie of de natte bak; b. het onderhoud van de natte bak of oeverconstructie vanaf het water door een derde mogelijk blijft; en c. de activiteit de levensduur van de oeverconstructie niet verkort. 3. Degene die de activiteit verricht,
Artikel 3
.43, wijzigt of verwijdert de steiger, vlonder, overhangend bouwwerk, overstortbak of vergelijkbare constructie op eigen kosten en op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur, indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat. Artikel 3.45 Absoluut verbod steigers, vlonders, overhangende bouwwerken, overstortbakken of vergelijkbare constructies plaatsen, hebben of verwijderen Het is verboden steigers, vlonders, overhangende bouwwerken, overstortbakken of vergelijkbare constructies te plaatsen, behouden of verwijderen binnen 25 meter van de in- of uitstroomopening van een hevel, inlaat, bemalingsinstallatie of een uitstroompunt van een afvalwaterzuiveringsinstallatie. Paragraaf 3.2.9 Beplanting of bomen plaatsen, behouden of verwijderen Artikel 3.46 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en verwijderen van beplanting en bomen in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. Artikel 3.47 Beplanting of bomen plaatsen, behouden of verwijderen Beplanting of bomen kunnen worden geplaatst, behouden of verwijderd: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - buitenbeschermingszone; b. bij een regionale waterkering: in het gebied aangeduid als regionale waterkering - beschermingszone; c. bij een overige waterkering: in het gebied aangeduid als overige waterkering - beschermingszone; of d. bij een oppervlaktewaterlichaam: in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - buitenbeschermingszone. Artikel 3.48 Melding beplanting of bomen plaatsen, behouden of verwijderen Het is verboden beplanting of bomen te plaatsen, behouden of verwijderen zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden bij het dagelijks bestuur, in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - binnenbeschermingszone. Artikel 3.49 Uitvoeringsregels beplanting of bomen plaatsen, behouden of verwijderen 1. Degene die de activiteit verricht,
Artikel 3.48: a.
verwijdert dode, zieke, of beschadigde bomen en de wortelresten; b. herstelt het maaiveld bij verwijdering van beplanting of bomen en de wortelresten; c. laat geen vaste stoffen achter langs het oppervlaktewaterlichaam of de bijbehorende beschermingszone; d. wijzigt de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam zoals vastgelegd in de legger niet; e. zorgt ervoor dat de berging van het oppervlaktewaterlichaam niet beperkt wordt; en f. zorgt ervoor dat het bergingsprofiel zo veel mogelijk vrij wordt gehouden van beplanting, bladeren, takken en wortelresten. 2. In aanvulling op het eerste lid, zorgt degene die de activiteit,
Artikel 3
.48, binnen 5 meter vanuit de insteek van een oppervlaktewaterlichaam in stedelijk gebied verricht ervoor, dat: a. geen beschadiging optreedt van de oeverconstructie of de natte bak; b. het onderhoud van de natte bak of oeverconstructie vanaf het water door een derde mogelijk blijft; en c. de activiteit de levensduur van de oeverconstructie niet verkort. 3. Degene die de activiteit verricht,
Artikel 3
.48, wijzigt of verwijdert de beplanting of bomen op eigen kosten en op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de zorg voor het watersysteem. Artikel 3.50 Omgevingsvergunning beplanting of bomen plaatsen, behouden of verwijderen Het is verboden zonder omgevingsvergunning beplanting of bomen te plaatsen, behouden of verwijderen: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - kernzone of primaire waterkering - binnenbeschermingszone; b. bij een regionale waterkering: in het gebied aangeduid als regionale waterkering - kernzone; of c. bij een overige waterkering: in het gebied aangeduid als overige waterkering - kernzone. Artikel 3.51 Absoluut verbod beplanting of bomen plaatsen, behouden of verwijderen
- Het is verboden beplanting of bomen te plaatsen, behouden of verwijderen in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - kernzone.
- Het is verboden beplanting of bomen te plaatsen, behouden of verwijderen binnen 25 meter van de in- of uitstroomopening van een hevel, inlaat, bemalingsinstallatie of een uitstroompunt van een afvalwaterzuiveringsinstallatie. Paragraaf 3.2.10 Activiteiten houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen Artikel 3.52 Toepassingsbereik
- Deze paragraaf is van toepassing op het houden van activiteiten op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.
- Deze paragraaf is van toepassing op het houden van activiteiten op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen, waaronder: a. het bevestigen of laten liggen van vaartuigen, vlotten of vistuigen; b. het deponeren of opslaan van voorwerpen, materialen of stoffen; c. het zich ontdoen van afval; d. het plaatsen van tenten, caravans, campers, woonwagens en dergelijke; en e. het houden van wedstrijden, tentoonstellingen, veekeuringen, feesten, markten of kermissen en het plaatsen van kramen of tenten en het innemen van standplaatsen met voertuigen, aanhangwagens en dergelijke. Artikel 3.53 Activiteiten houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen Activiteiten kunnen op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen gehouden worden: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - binnenbeschermingszone of primaire waterkering - buitenbeschermingszone; b. bij een regionale waterkering: in het gebied aangeduid als regionale waterkering - kernzone of regionale waterkering - beschermingszone; of c. bij een overige waterkering: in het gebied aangeduid als overige waterkering - beschermingszone. Artikel 3.54 Melding activiteiten houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen Het is verboden activiteiten te houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden aan het dagelijks bestuur, in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - binnenbeschermingszone of oppervlaktewaterlichaam - buitenbeschermingszone. Artikel 3.55 Uitvoeringsregels activiteiten houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen
- Degene die de activiteit verricht,
Artikel 3.54: a.
verandert de vorm en afmeting van het oppervlaktewaterlichaam niet; b. brengt geen stoffen in het oppervlaktewater; c. belemmert de doorstroming en afvoer van het water niet; d. ruimt na afloop van de werkzaamheden alle stoffen en materialen op; en e. zaait de bodem in met grasmengsel B3. 2. In aanvulling op het eerste lid, zorgt degene die de activiteit,
Artikel 3
.54, binnen 5 meter vanuit de insteek van een oppervlaktewaterlichaam in stedelijk gebied verricht ervoor, dat: a. geen beschadiging optreedt van de oeverconstructie of de natte bak; b. het onderhoud van de natte bak of oeverconstructie vanaf het water door een derde mogelijk blijft; en c. de activiteit de levensduur van de oeverconstructie niet verkort.
- Indien schade aan talud of oever is veroorzaakt, herstelt degene die de activiteit verricht dit op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur en op eigen kosten. Artikel 3.56 Omgevingsvergunning activiteiten houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen Het is verboden zonder omgevingsvergunning activiteiten te houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - kernzone; b. bij een overige waterkering: in het gebied aangeduid als overige waterkering - kernzone; of c. bij een oppervlaktewaterlichaam: in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - kernzone. Artikel 3.57 Absoluut verbod activiteiten houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen Het is verboden activiteiten te houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen binnen 25 meter van de in- of uitstroomopening van een hevel, inlaat, bemalingsinstallatie of een uitstroompunt van een afvalwaterzuiveringsinstallatie. Paragraaf 3.2.11 Vaste stoffen of voorwerpen brengen, hebben of houden Artikel 3.58 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het brengen, hebben en houden van vaste stoffen of voorwerpen in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. Artikel 3.59 Vaste stoffen of voorwerpen brengen, hebben of houden Vaste stoffen of voorwerpen kunnen worden gebracht of gehouden: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - binnenbeschermingszone of primaire waterkering - buitenbeschermingszone; b. bij een regionale waterkering: in het gebied aangeduid als regionale waterkering - kernzone of regionale waterkering - beschermingszone; of c. bij een overige waterkering: in het gebied aangeduid als overige waterkering - kernzone of overige waterkering - beschermingszone. Artikel 3.60 Melding vaste stoffen, voorwerpen of dieren brengen, hebben of houden Het is verboden vaste stoffen of voorwerpen te brengen, hebben of houden, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden aan het dagelijks bestuur, in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - binnenbeschermingszone of oppervlaktewaterlichaam - buitenbeschermingszone. Artikel 3.61 Uitvoeringsregels vaste stoffen of voorwerpen brengen, hebben of houden
- Degene die de activiteit verricht,
Artikel 3.60: a.
verandert de vorm en afmeting van het oppervlaktewaterlichaam niet; b. zorgt ervoor dat het materiaal of de materialen niet in aanraking komen met het oppervlaktewater; c. belemmert de doorstroming en afvoer van het water niet; d. zorgt er voor dat de materialen niet uitlogen; en e. zaait de bodem in met grasmengsel B3. 2. In aanvulling op het eerste lid, zorgt degene die de activiteit,
Artikel 3
.60, binnen 5 meter vanuit de insteek van een oppervlaktewaterlichaam in stedelijk gebied verricht ervoor, dat: a. geen beschadiging optreedt van de oeverconstructie of de natte bak; b. het onderhoud van de natte bak of oeverconstructie vanaf het water door een derde mogelijk blijft; en c. de activiteit de levensduur van de oeverconstructie niet verkort. 3. Degene die de activiteit,
Artikel 3
.60, verricht, wijzigt of verwijdert de vaste stoffen of voorwerpen op eigen kosten en op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de zorg voor het watersysteem.
- Indien schade aan talud of oever is veroorzaakt, herstelt degene die de activiteit verricht dit op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur en op eigen kosten. Artikel 3.62 Omgevingsvergunning vaste stoffen of voorwerpen brengen, hebben of houden Het is verboden zonder omgevingsvergunning vaste stoffen of voorwerpen te brengen, hebben of houden in het gebied aangeduid als primaire waterkering - kernzone. Artikel 3.63 Absoluut verbod vaste stoffen of voorwerpen brengen, hebben of houden
- Het is verboden vaste stoffen of voorwerpen te brengen, hebben of houden in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - kernzone.
- Het is verboden vaste stoffen of voorwerpen te brengen, hebben of houden binnen 25 meter van de in- of uitstroomopening van een hevel, inlaat, bemalingsinstallatie of een uitstroompunt van een afvalwaterzuiveringsinstallatie. Paragraaf 3.2.12 Buiten openbare verharde wegen rijden of vee drijven Artikel 3.64 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het buiten openbare verharde wegen rijden met een rijtuig, voertuig en lastdier en vee drijven in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. Artikel 3.65 Buiten openbare verharde wegen rijden of vee drijven Buiten openbare verharde wegen kan met een rijtuig, voertuig of lastdier worden gereden of vee worden gedreven: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - binnenbeschermingszone of primaire waterkering - buitenbeschermingszone; b. bij een regionale waterkering: in het gebied aangeduid als regionale waterkering - kernzone of regionale waterkering - beschermingszone; of c. bij een overige waterkering: in het gebied aangeduid als overige waterkering - kernzone of overige waterkering - beschermingszone. Artikel 3.66 Omgevingsvergunning buiten openbare verharde wegen rijden of vee drijven Het is verboden zonder omgevingsvergunning buiten openbare verharde wegen te rijden met een rijtuig, voertuig of lastdier of vee te drijven in het gebied aangeduid als primaire waterkering - kernzone. Paragraaf 3.2.13 Anders bemesten Artikel 3.67 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het op andere wijze bemesting toepassen dan door het dagelijks bestuur is bepaald in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. Artikel 3.68 Anders bemesten Bemesting kan op andere wijze dan door het dagelijks bestuur is bepaald worden toegepast: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - binnenbeschermingszone of primaire waterkering - buitenbeschermingszone; b. bij een regionale waterkering: in het gebied aangeduid als regionale waterkering - kernzone of regionale waterkering - beschermingszone; of c. bij een overige waterkering: in het gebied aangeduid als overige waterkering - kernzone of overige waterkering - beschermingszone. Artikel 3.69 Omgevingsvergunning anders bemesten Het is verboden zonder omgevingsvergunning op andere wijze bemesting toe te passen dan door het dagelijks bestuur in het gebied aangeduid als in: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - kernzone: en b. bij een regionale waterkering: in het gebied aangeduid als regionale waterkering - kernzone. Paragraaf 3.2.14 Afwijken van het peilbesluit of het peil dat normaal wordt aangehouden Artikel 3.70 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het brengen en het houden van de waterstand op een peil, anders dan het peil dat daarvoor in het betreffende peilbesluit is opgenomen of dat normaal wordt aangehouden in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.71 Omgevingsvergunning waterstand op een peil brengen of houden, anders dan het peil dat daarvoor in het betreffende peilbesluit is opgenomen of dat normaal wordt aangehouden Het is verboden zonder omgevingsvergunning de waterstand van een oppervlaktewaterlichaam op een peil te brengen of houden, anders dan het peil dat daarvoor in het betreffende peilbesluit is opgenomen of dat normaal wordt aangehouden. Paragraaf 3.2.15 Windmolens plaatsen, wijzigen of verwijderen Artikel 3.72 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, wijzigen en verwijderen van windmolens in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. Artikel 3.73 Windmolens plaatsen, wijzigen of verwijderen Windmolens kunnen worden geplaatst, gewijzigd of verwijderd in het gebied aangeduid als oppervlaktewaterlichaam - kernzone, oppervlaktewaterlichaam - binnenbeschermingszone of oppervlaktewaterlichaam - buitenbeschermingszone. Artikel 3.74 Omgevingsvergunning windmolens plaatsen, wijzigen of verwijderen Het is verboden zonder omgevingsvergunning windmolens te plaatsen, wijzigen of verwijderen: a. bij een primaire waterkering: in het gebied aangeduid als primaire waterkering - kernzone, primaire waterkering - binnenbeschermingszone, primaire waterkering - tussenbeschermingszone of primaire waterkering - buitenbeschermingszone; b. bij een regionale waterkering: in het gebied aangeduid als regionale waterkering - kernzone of regionale waterkering - beschermingszone; of c. bij een overige waterkering: in het gebied aangeduid als overige waterkering - kernzone of overige waterkering - beschermingszone. Paragraaf 3.2.16 Toename verharding Artikel 3.75 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het versneld tot afvoer laten komen van neerslag door aanleg van verhard oppervlak . Artikel 3.76 Toename verharding
- Het versneld tot afvoer laten komen van neerslag door aanleg van nieuw verhard oppervlak in landelijk gebied is toegestaan, bij een toename tot 2.500 m2 verharding.
- Het versneld tot afvoer laten komen van neerslag door aanleg van nieuw verhard oppervlak in stedelijk gebied is toegestaan, bij een toename tot 750 m2 verharding. Artikel 3.77 Compenseren toename verharding Degene die neerslag versneld tot afvoer laat komen door aanleg van nieuw verhard oppervlak, waarbij de toename tot 2.500 m2 in landelijk gebied of tot 750 m2 in stedelijk gebied is, is niet verplicht de versnelde afvoer te compenseren, tenzij het watersysteem al om andere redenen moet worden aangepast. Artikel 3.78 Omgevingsvergunning toename verharding
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen door aanleg van nieuw verhard oppervlak in landelijk gebied, bij een toename van 2.500 m² verharding of meer.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen door aanleg van nieuw verhard oppervlak in stedelijk gebied, bij een toename van 750 m² verharding of meer.
- De toename,
het eerste en tweede lid, betreft de totale toename sinds 1 juli 2013 binnen een perceel, of voor zover het een ontwikkeling betreft waarbij binnen meerdere percelen verharding plaatsvindt, de verharding binnen deze meerdere percelen. Paragraaf 3.2.17 Lozen in, onttrekken aan, afvoeren naar of aanvoeren uit oppervlaktewaterlichamen Artikel 3.79 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het water lozen in, onttrekken aan, afvoeren naar of aanvoeren uit oppervlaktewaterlichamen. Artikel 3.80 Melding lozen in, onttrekken aan, afvoeren naar of aanvoeren uit oppervlaktewaterlichamen
- Het is verboden water te lozen in, te onttrekken aan, af te voeren naar of aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden aan het dagelijks bestuur, als: a. meer dan 225 m³ water per uur kan worden geloosd in of afgevoerd naar dat oppervlaktewaterlichaam; b. ofmeer dan 125 m³ water per uur kan worden onttrokken aan of aangevoerd uit dat oppervlaktewaterlichaam.
- Het is verboden water te lozen in, te onttrekken aan, af te voeren naar of aan te voeren uit gestuwde oppervlaktewaterlichamen, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden aan het dagelijks bestuur, als: a. meer dan 225 m³ water per uur kan worden geloosd in of afgevoerd naar dat oppervlaktewaterlichaam; of b. meer dan 30 m³ water per uur kan worden onttrokken aan of aangevoerd uit dat oppervlaktewaterlichaam.
- Het is verboden water te onttrekken aan of aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen in wateraanvoergebied, die water aanvoeren uit oppervlaktewaterlichamen gelegen buiten het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden aan het dagelijks bestuur, indien meer dan 30 m³ water per uur kan worden onttrokken aan of aangevoerd uit dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.81 Indieningsvereisten melding lozen in, onttrekken uit, afvoeren naar of aanvoeren uit oppervlaktewaterlichamen
- Tenminste vier weken voor het begin van de activiteit,
Artikel 3.80, worden aan het dagelijks bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over: a.
de situering van de activiteit; b. de wijze waarop de activiteit zal plaatsvinden; c. de hoeveelheid water in m3 per uur die geloosd, onttrokken, aangevoerd of afgevoerd wordt; en d. de tijdsduur van de activiteit.
- Tenminste vier weken voor de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur. Artikel 3.82 Omgevingsvergunning lozen in, onttrekken aan, afvoeren naar of aanvoeren uit oppervlaktewaterlichamen
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen, dan wel af te voeren naar of aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen, als op de voorgenomen wijze: a. meer dan 540 m3 water per uur kan worden geloosd in of afgevoerd naar dat oppervlaktewaterlichaam; of b. meer dan 250 m3 water per uur kan worden onttrokken aan of aangevoerd uit dat oppervlaktewaterlichaam.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of af te voeren naar oppervlaktewaterlichamen in wateraanvoergebied, die water aanvoeren uit oppervlaktewaterlichamen gelegen buiten het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning water aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen die niet in beheer zijn van Waterschap Zuiderzeeland, met uitzondering van aanvoer van water als gevolg van spuien ter plaatse van schutsluizen. Artikel 3.83 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van Artikel 3.82 is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken oppervlaktewater wordt gebruikt; b. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder onttrekkingspunt; c. de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur per onttrekkingspunt; d. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste wordt onttrokken; e. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en f. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken. Paragraaf 3.2.18 Visserij en visplan Artikel 3.84 Toepassingsbereik
- Deze paragraaf is van toepassing op het uitoefenen van visserij in een oppervlaktewaterlichaam.
- Onder visserij wordt niet verstaan het vissen met een hengel. Artikel 3.85 Omgevingsvergunning visserij
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning visserij uit te oefenen in een oppervlaktewaterlichaam.
- Het eerste lid geldt voor de in het beheergebied van het w