← Nederland

Sturing in Samenwerking 3.0 Het strategisch investeringsbeleid en uitvoeringskader (Limburg)

Kort samengevat

Deze nota beschrijft het strategisch investeringsbeleid en het uitvoeringskader van de Provincie Limburg, genaamd "Sturing in Samenwerking 3.0", om publieke belangen te borgen en provinciale doelstellingen te realiseren door middel van diverse financiële instrumenten en samenwerkingen. Het doel is een maximaal financieel en maatschappelijk rendement te behalen voor de inwoners van Limburg, met behoud van het provinciaal vermogen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Sturing in Samenwerking 3.0 Het strategisch investeringsbeleid en uitvoeringskader1.MANAGEMENT SAMENVATTING Voor u ligt de nota “Sturing in Samenwerking 3.0: beschrijving strategisch investeringskader en de inzet van financiële instrumenten”. Deze nota is opgesteld met een brede beschouwing over de borging van publieke belangen, de wijze van uitvoering van provinciale doelstellingen en de afweging bij de inzet van de diverse instrumenten die daarvoor tot onze beschikking staan, in het bijzonder als het gaat om samenwerking met anderen. De instrumenten worden zowel individueel als in samenhang behandeld. Dit alles binnen de daartoe geldende wettelijke kaders. In het voorliggend stuk zijn de kaders en richtlijnen voor de inzet van het provinciaal instrumentarium uiteengezet. Daar waar voorheen (voor 2017) sprake was van een separaat uitvoeringskader (Sturing in Samenwerking) en separate investeringsrichtlijnen (Limburgs rendement en Amendement A1), zijn beiden in 2017 geactualiseerd en geïntegreerd in Sturing in Samenwerking 2.

  1. In 2020 heeft een interne ambtelijke evaluatie en inventarisatie plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot de conclusie dat het provinciaalkader Sturing in Samenwerking 2.0 een prima basis biedt bij de inzet van verschillende financiële instrumenten en de daarbij in acht te nemen governance aspecten. Uit de inventarisatie zijn wel een aantal verbeterpunten naar voren gekomen die thans verwerkt zijn in het voorliggend kader. Daarmee heeft het kader een upgrade gekregen naar Sturing in Samenwerking 3.
  2. Door het kader wordt de samenhang tussen enerzijds onze portfolio brede investeringsstrategie en anderzijds de kaders op individueel instrument niveau duidelijk. De historie van de diverse bouwstenen van de uitvoeringskader zijn hieronder weergegeven. Figuur 1Nieuwe initiatieven kunnen aan de hand van de 6 onderstaande stappen (menukaart)1In bijlage 1 is aanvullend op de menukaart een beslisboom opgenomen, dat een verdere uitwerking is die aan de hand van een aantal vragen en het in te zetten instrument aanwijst. De beslisboom kan als een hulpmiddel worden gezien. door de trechter geleid worden richting besluitvorming en beheer. Figuur 2 – Menukaart1.1.Strategisch investeringskader Doelstelling van het investeringsbeleid van de Provincie Limburg is het behalen van een maximaal reëel lange-termijn financieel én maatschappelijk rendement ten behoeve van de inwoners in Limburg met als uitgangspunt dat het (toekomstig) provinciaal vermogen in stand wordt gehouden. Dit ziet uitsluitend op de inzet van de instrumenten financieringen, verbonden partijen en eigendom. Definitie Provinciaal Vermogen: het totaal aan financieel vaste activa plus de activawaarde van de gronden uitgegeven in erfpacht (onderdeel materieel vaste activa) op de provinciale balans. De financieel vaste activa zijn nader te specificeren naar de kapitaalverstrekkingen en leningen aan deelnemingen, leningen in het kader van de publieke taak en de provinciale obligatieportefeuille inclusief de kortlopende liquide middelen (treasury portefeuille). Ter verduidelijking: deze definitie van Provinciaal Vermogen ziet op een deel van de activa (bezittingen) van de Provincie. De immunisatiereserve hoort hier niet bij. Deze staat op de andere kant van de balans (passiva) en laat zien hoe de activa gefinancierd zijn. In het geval van de Provincie dus nagenoeg volledig met eigen middelen. Deel 1 van dit document gaat over het strategisch investeringskader en behandelt stap 2 van het bovenstaande stappenplan. Aan de hand van 3 investeringsdoelen en 10 investeringsprincipes wordt de impact van ieder initiatief op de provinciale portefeuille beoordeeld. De in het strategisch investeringskader opgenomen 10 investeringsprincipes en daaruit voortvloeiende investeringsrichtlijnen zien op de belangrijkste onderdelen van de investeringsstrategie, te weten de drie pijlers: de investeringshorizon, de rendementseisen en de vermogenssamenstelling. Daarmee vormen deze dan ook de drie pijlers van de strategie. De investeringshorizon ziet op de duur van de investering en daarmee ook de tijd noodzakelijk om de investering in financiële of maatschappelijke zin terug te verdienen; De rendementseis, als compensatie voor de gelopen risico’s, is van belang om een duurzaam beleid te voeren; Tot slot de vermogenssamenstelling is gericht op het beperken van concentratierisico’s en afhankelijkheden ten aanzien van specifieke sectoren, markten en individuele debiteuren. Nieuwe investeringen dienen aan te sluiten bij de 10 investeringsprincipes, die bepalend zijn voor de uitvoerbaarheid en het slagen van de investeringsstrategie. Deze vormen daarmee het fundament van de strategie. De principes zijn breed en zien zowel op het proces als de risico-rendement verhouding. De pijlers (gevormd door de investeringsrichtlijnen) en het fundament (gevormd door de 10 investeringsprincipes) dragen gezamenlijk het doel van de strategie namelijk: het behalen van een maximaal reëel lange-termijn financieel én maatschappelijk rendement ten behoeve van de inwoners in Limburg met als uitgangspunt dat het (toekomstig) provinciaal vermogen in stand wordt gehouden. De onderstaande figuur visualiseert de strategie: Figuur 3De 10 investeringsprincipes, die generiek gelden voor ieder investeringsbesluit, zijn hieronder opgenomen: Figuur 41.2.Het uitvoeringskader Nadat het publiek belang is vastgesteld (stap 1), de impact op de gehele portefeuille is beoordeeld en de relatie met bestaande instrumenten is geduid (stap 2), wordt in deel 2 van dit document aan de hand van de stappen 3 tot en met 6 van de beschreven “menukaart” (figuur 2) bepaald welk instrument het best geëigend is voor de nieuwe investering. De geschiktheid van het instrument vloeit voort uit de gewenste rol, de gewenste mate van sturing, en de financiële toets. Het provinciaal instrumentarium is weergegeven in de onderstaande figuur
  3. Figuur 5Het Uitvoeringskader beschrijft in detail de overwegingen die van belang zijn per instrument op het vlak van wetgeving, governance, financiële impact en het beheer van de instrumenten. Aan de hand van deze analyse, harde voorwaarden en de voor- en nadelen per instrument kan als eindresultaat van het proces een goed onderbouwde instrument keuze gemaakt worden. Het Uitvoeringskader biedt vervolgens ook diverse handvaten voor de nadere operationalisering, uitvoering en beheer van het gekozen instrument. Deel 1 : Strategisch investeringskader 2.SAMENVATTING Het slagen van de in 2013 ingezette offensieve investeringsstrategie XE öffensieve investringsstrategie” is afhankelijk van de analyse en beoordeling in de initiatieffase en het beheersingsproces in de beheerfase. In dit investeringskader worden de 10 investeringsprincipes en de investeringsrichtlijnen beschreven, waarop de drie pijlers zijn gefundeerd. 2.1.De investeringsprincipes De onderstaande investeringsprincipes zijn leidend en gelden altijd voor provinciale investeringen. De toelichtingen van de investeringsprincipes zijn opgenomen in hoofdstuk 7 (deel 1). Wij hanteren een integrale benadering gebaseerd op beleid en het publiek belang Zonder risico geen rendement Risicodiversificatie is essentieel Wij zijn kostenbewust en zoeken naar toegevoegde waarde Wij hebben een lange termijn horizon Goede processen zijn voorwaarde voor het bereiken van resultaat Vereiste deskundigheid is beschikbaar Goed bestuur en maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn belangrijk Belangen zijn gescheiden Wij zijn transparant en leggen daarom verantwoording af 2.2.De investeringsrichtlijnen In dit kader zijn op basis van de drie pijlers de onderstaande investeringsrichtlijnen door Provinciale Staten vastgesteld. De drie investeringspijlers: De vermogenssamenstelling De rendementsdoelstelling De investeringshorizon A. De vermogenssamenstelling – De gewenste verdeling naar risico- en investeringscategorieInvesteringsrichtlijnen van pijler vermogenssamenstelling De investeringsstrategie zorgt ervoor dat de solvabiliteitsratio van de Provincie XE “solvabiliteitsratio” – meerjarig bezien – nimmer lager is dan 40%. De investeringsstrategie zorgt ervoor dat de netto schuldquote van de Provincie – meerjarig bezien – nimmer hoger is dan 90%. De investeringsstrategie zorgt ervoor dat de (gekwantificeerde) financiële risico’s die samenhangen met de investeringen nimmer meer bedragen dan 50% van de totale beschikbare structurele weerstandscapaciteit XE “weerstandscapaciteit” van de Provincie. De investeringsstrategie zorgt ervoor dat de financiële risico’s nimmer geconcentreerd (niet groter dan 30%) zijn in één bepaalde sector (bijvoorbeeld Zorg, Onderwijs) of bepaalde markt. B. De rendementsdoelstelling – Het gewenst rendement per risico- en investeringscategorieInvesteringsrichtlijnen van pijler rendementsdoelstelling De investeringsstrategie zorgt ervoor dat met het totale portfolio aan investeringen van de Provincie - meerjarig bezien – een optimaal rendement behaald wordt met als absoluut minimum de gemiddelde CPI-index (inflatie) van de afgelopen 2 jaren2Voor zover dit gemiddelde ligt boven de minimale opslag zoals deze gehanteerd wordt in de staatssteuntabel opgenomen in de Mededeling van de Commissie, zijnde 0,6% welke opslag geldt bij hoge zekerheden en zeer goede debiteurenkwaliteit.. Let wel, dit betekent dat ook na eventuele defaults of afwaarderingen de koopkracht van de portfolio behouden moet blijven. Individuele instrumenten zullen derhalve op basis van hun risicoprofiel aan een hogere rendementseis moeten voldoen (zie bijlage 7). De investeringsstrategie draagt bij aan een sluitende meerjarige exploitatiebegroting van de Provincie. C. De investeringshorizon – De gewenste beleggingsduur en mate van liquiditeitInvesteringsrichtlijnen van pijler investeringshorizon De investeringsstrategie kent een lange termijn horizon maar behoudt 10% van haar investeringsportefeuille liquide en zorgt ervoor dat de looptijd XE “duration” aansluit bij de investeringsopgave. Provinciale Staten mogen besluiten de feitelijke investeringsportefeuille (tijdelijk) te laten afwijken van de vastgestelde strategisch gewenste portefeuille voor zover de Provincie - ondanks de afwijkingen - blijft voldoen aan de investeringsrichtlijnen zoals hierboven in de kaders bij A, B en C benoemd (zie ook paragraaf 7.2 (deel 1). De portefeuille is beschreven in de paragraaf Portfoliomanagement van de jaarrekening. 3.INLEIDING Als overheid acteren we vaak op het snijvlak van een onrendabele markt, verwacht of onverwachts (tijdelijk) marktfalen waarbij we beogen partners (o.a. ‘marktpartijen’) te verleiden om in maatschappelijke opgaven te investeren. De nationale ontwikkelingen (Wetten Fido en Hof) en de steeds pregnantere afwezigheid van de rijksoverheid in de regio (ook financieel) enerzijds, en de keuze van het Provinciaal Bestuur om actief en offensief in de regio te investeren anderzijds, betekent dat er een provinciale rol is. Zeker in tijden van economische recessie, maar ook kijkend naar de structurele opgaven voor Limburg, is de rol van de provinciale overheid cruciaal. In het door PS op 8 oktober 2014 vastgestelde Statenvoorstel “Limburgs rendement. Hoofdcontouren van een offensieve investeringsstrategie” zijn de hoofdcontouren van de investeringsstrategie vastgelegd. De notitie van 8 oktober 2014 is gebaseerd op de reeds vastgestelde spelregels en kaders van onder andere Amendement A1, Uitvoeringskader Sturing in Samenwerking en de keuze om onze Essent-gelden in te zetten voor de Limburgse samenleving (o.a. via structuurversterkende projecten). De notitie bevatte in die zin geen nieuwe kaders of aanpassingen van reeds genomen besluiten door Provinciale Staten. In 2016 is op basis van ervaringen uit de praktijk behoefte ontstaan om de contouren van de offensieve investeringsstrategie XE “offensieve investeringsstrategie” zoals vastgelegd in de notitie “Limburgs rendement” nader uit te werken in een beleidskader voor de investeringsstrategie. Dit resulteerde in een provinciaal financieel beleidskader “Sturing in Samenwerking 2.0”. In 2020 is naar aanleiding van een evaluatie en inventarisatie een actualisatie aangebracht naar “Sturing in Samenwerking 3.0”. Deel 1 van het kader kan gezien worden als “Limburgs Rendement 2.0” en beschrijft de uitgangspunten van een verantwoord investeringsbeleid voor de Provincie Limburg. Samen met de spelregels en kaders voor de uitvoering van het investeringsbeleid in deel 2 het “Uitvoeringskader Sturing in Samenwerking 3.0” ontstaat een samenhangend raamwerk van spelregels en uitgangspunten voor het gehele investeringsproces. Met de beschikbaarheid van een stevige vermogenspositie kan de Provincie het verschil maken. Maar niet alleen de overheid, ook de Limburgse partners, bedrijven, burgers, instellingen, organisaties, verenigingen nemen steeds meer verantwoordelijkheden op zich. Deels noodgedwongen zoals door bezuinigingen, deels omdat de oude verdienmodellen niet meer werken en deels omdat er meer eigen initiatief wordt genomen. Zowel voor Provinciale Staten als voor het college van Gedeputeerde Staten is verantwoord investeren zeer belangrijk. Wij zijn ervan overtuigd dat verantwoord investeren loont en dat financieel en maatschappelijk rendement samengaan. Het nu voorliggende kader beschrijft de uitgangspunten van een verantwoord investeringsbeleid voor de Provincie Limburg. 4.CONTEXT, AANLEIDING EN DOELSTELLINGEN 4.1.Nationale context Op 11 december 2013 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet Houdbare Overheidsfinanciën (Wet Hof) en de wijziging van de Wet Fido waarin het verplicht Schatkistbankieren voor decentrale overheden is opgenomen. De Wet Hof bepaalt dat rijk, gemeenten, Provincies en waterschappen een gelijkwaardige inspanning leveren bij het op orde brengen van de overheidsfinanciën. Het schatkistbankieren houdt in dat decentrale overheden hun overtollige liquide middelen aanhouden bij het Ministerie van Financiën in plaats van zelf te beleggen. De Nederlandse staat hoeft zo voor haar financieringsbehoefte minder te lenen op de kapitaalmarkt, wat zich vertaalt in een verlaging van de landelijke EMU-schuld. Alhoewel Provincies de ruimte vooralsnog houden om zelf te bepalen hoe hun liquide middelen ingezet kunnen worden, is het debat over de financiële verhoudingen tussen rijk en decentrale overheden op scherp gezet. Tevens constateren wij op een aantal vlakken een steeds pregnantere afwezigheid van de nationale overheid op regionaal niveau. Van een afromingsoperatie van de (vermogende) Provincies is geen sprake. Wel merken we in de contacten met het rijk dat op projectbasis er momenteel al heel snel gezegd wordt dat we ons als Provincie best zelf kunnen redden onder verwijzing naar onze vermogenspositie. In deze context heeft een aantal Provincies, waaronder ook de Provincie Limburg, in 2013 besluiten genomen om haar reserves, die met name belegd waren in obligatietitels deels in te zetten voor de provinciale maatschappelijke belangen. Dit impliceert feitelijk dat tijdelijk overtollige liquide middelen niet meer worden belegd (beleggingsfunctie), maar in het kader van de publieke taak en de investeringen in de Limburgse samenleving worden ingezet. Voor de goede orde: alleen bij het beleggen van liquide middelen bestaat de verplichting van het schatkistbankieren. 4.2.De aanleiding: Limburgse urgentie In de Limburgse Voorjaarsnota van 2013 is het besluit genomen om de bestaande obligatieportefeuille te flexibiliseren binnen nauwe spelregels van Provinciale Staten (Voorjaarsnota 2013/Amendement A1). In plaats van beleggen kan op een meer directe manier geïnvesteerd worden in de provinciale regio met daarbij nadrukkelijk oog voor de noodzaak van het op peil houden van het financieel rendement. In de samenleving heerst ook de verwachting dat de Provincie deze actieve rol in de economie op zich neemt, in plaats van het “oppotten” van haar middelen. In het Collegeprogramma3Voor de periode 2019-2023 geldt een Collegeprogramma en in andere periodes kan sprake zijn van een Coaltieakkoord of bestuursakkoord. is deze lijn nogmaals bevestigd. Inmiddels zijn diverse projecten door de Staten goedgekeurd die een substantiële impuls geven aan een aantal maatschappelijke opgaven. Een deel van de inzet van middelen heeft een revolverend karakter. In het collegeprogramma 2019-2023 is opgenomen dat in deze statenperiode de immunisatiereserve niet onder de € 900 miljoen mag zakken om een basis te hebben voor nieuwe toekomstige projecten en initiatieven. Het rendement van de obligatieportefeuille neemt af, in lijn met de ingezette offensieve investeringsstrategie sinds
  4. Inzet van deze portefeuille betekent dat de focus van een beleggingsstrategie wordt getransformeerd naar een investeringsstrategie waarmee het speelveld om middelen in te zetten dus breder is dan alleen obligaties, mits passend binnen de publieke taak (menukaart). In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op de bestaande kaders en de definities. Bij de investeringsstrategie van de Provincie wordt bij de financiering van projecten of fondsen gestreefd naar cofinanciering door derde partijen, zoals Rijk, Europese Investeringsbank (EIB), Europese investeringsfonds, Nationaal Groeifonds, nationale bankinstellingen en / of private ondernemingen. 4.3.Doelstelling en investeringsstrategie Doelstelling van het investeringsbeleid van de Provincie Limburg is het behalen van een maximaal reëel lange-termijn financieel én maatschappelijk rendement ten behoeve van de inwoners in Limburg met als uitgangspunt dat het (toekomstig) provinciaal vermogen in stand wordt gehouden. Vanuit die context zet de Provincie in op een offensieve investeringsstrategie voor de komende jaren: Meer organiserend en investerend vermogen uit de Limburgse samenleving halen om weerbaarheid en wendbaarheid voor de toekomst te ontwikkelen; Partijen uitdagen om zelf meer maatschappelijk én financieel rendement voor Limburg te ontwikkelen; Betrouwbaarheid en consistentie uitstralen in (meerjarige) partnerships; Borgen van rentmeesterschap en het belang dat toekomstige investeringen ook voortgang vinden als de provinciale bijdrage ophoudt (structureel effect); Om in de toekomst ook nog voldoende geëquipeerd te zijn om op te kunnen komen voor de Limburgse belangen en daardoor verkennen van de mogelijkheden om de provinciale euro meer dan één keer uit te kunnen geven; Een bijdrage te leveren aan het realiseren van een sluitende begroting van de Provincie. Provinciale Staten bepalen welke risico’s de Provincie bereid is daarbij te aanvaarden, met inachtneming van de maatschappelijke opgaven, de vereiste solvabiliteit en weerstandsvermogen en de wenselijkheid van een (structureel) sluitende begroting. Zo kan verantwoord invulling gegeven worden aan de economische structuurversterking en de sociale agenda. Het ‘investeringsproces’ staat centraal in het investeringsbeleid, teneinde een consistent en beredeneerd investeringsgedrag te bewerkstelligen in alle geledingen van de organisatie. Op basis van grondige financieel economische analyses en een integraal financieel- en risicobeleid wordt ten behoeve van dit proces een strategisch (meerjarig) investeringsbeleidskader opgesteld en uitgevoerd. Het strategisch investeringsbeleidskader bevat de belangrijkste investeringskeuzes die de Provincie moet maken, te weten: De drie pijlers zijn: De gewenste vermogenssamenstelling (‘strategische allocatie’) van de Provincie naar investeringscategorieën. Het risicoprofiel van deze vermogenssamenstelling wordt geanalyseerd in het licht van alle ontwikkelingen op individueel instrumentniveau, zowel op korte als op lange termijn. De rendementsdoelstelling per investeringscategorie, tot uitdrukking gebracht in één of meer vergelijkingsmaatstaven (‘benchmarks’). De mate waarin het vermogen voor langere termijn wordt vastgezet, de courantheid van de investeringen en de verwachtte liquiditeitsbehoefte. Kortom, de investeringshorizon. Ten aanzien van bovenstaande richtlijnen moet tevens worden vastgesteld in hoeverre de Provincie (PS) bereid is de feitelijke investeringsportefeuille (tijdelijk) te laten afwijken van de strategisch gewenste portefeuille. Kortom, de bandbreedte. Definitie Provinciaal Vermogen: Het totaal aan financieel vaste activa plus de activawaarde van de gronden uitgegeven in erfpacht (onderdeel materieel vaste activa) op de provinciale balans. De financieel vaste activa zijn nader te specificeren naar de kapitaalverstrekkingen en leningen aan deelnemingen, leningen in het kader van de publieke taak en de provinciale obligatieportefeuille inclusief de kortlopende liquide middelen (treasury portefeuille). Ter verduidelijking: deze definitie van Provinciaal Vermogen ziet op een deel van de activa (bezittingen) van de Provincie. De immunisatiereserve hoort hier niet bij. Deze staat op de andere kant van de balans (passiva) en laat zien hoe de activa gefinancierd zijn. In het geval van de Provincie dus nagenoeg volledig met eigen middelen. 5.DEFINITIES EN KADERS Het is goed om nu de eerder vastgestelde definities en kaders nog eens op een rijtje te zetten. De spelregels zoals die met Provinciale Staten zijn afgesproken zijn in verschillende documenten in de Statencommissies en Statenvergaderingen aan de orde geweest4Motie 284 inzake structuurversterkende projecten ingediend tijdens begrotingsbehandeling van 2013 (november 2012), Voorjaarsnota 2013 aangevuld met Amendement 1 (juni 2013), Voorjaarsnota 2014 (juni 2014), Uitvoeringskader Sturing in Samenwerking (juni 2013), en Treasury-statuut (maart 2014 en febr. 2017), Tranches structuurversterking (februari en juni 2014) en Financiële verordening Provincie Limburg (2012, 2016, 2020).. Door het veelvuldig en soms in het debat wisselend en door elkaar gebruik van financiële termen en instrumenten als revolverend investeren, subsidiëren, financieren, participeren, liquide middelen, maatschappelijk of financieel rendement, rentedervingen, multipliers, leningen, borgstelling, instrumentarium is het goed om de belangrijkste definities nog eens terug te pakken. 5.1.Vastgestelde definities Als het gaat om het begrip wel of niet ´revolverend investeren´ zijn er in overeenstemming met de aan uw Staten eerder gedeelde definities in feite slechts drie varianten te onderscheiden: Variant 1: Rendabel revolverend investeren = de ingelegde hoofdsom5Onder ´hoofdsom´ kan naast een lening, ook bijvoorbeeld aandelenkapitaal of eigendom worden verstaan. wordt terugontvangen en het financieel rendement is minimaal gelijk (≥) aan het rendement van de obligatie- portefeuille in relatie tot de marktrente op moment van besluitvorming6Als benchmarkcijfer zou hier op moment van besluitvorming het percentage van een 10-jaars staatsobligatie kunnen gelden,exclusief de genoemde risico-opslag (bijvoorbeeld een hypothecaire lening) plus risico-opslag rekening houdend met het risicoprofiel Variant 2: Revolverend investeren7In het Statenvoorstel bij de 1e en 2e tranche structuurversterking kreeg deze zelfde definitie nog de omschrijving ´onrendabel revolverend´. Dat is echter verwarrend omdat strikt genomen een rendement van zeg 2% ook een ´rendement´ is en daarmee de investering dus niet ´onrendabel´ te noemen is. ´Revolverend investeren´ is dan een betere term waarmee overigens hetzelfde wordt bedoeld. = de ingelegde hoofdsom wordt terugontvangen en het financieel rendement is kleiner (<) dan het rendement van de obligatieportefeuille, maar minimaal gelijk of groter (≥) dan 0% in relatie tot de marktrente op moment van besluitvorming (bijvoorbeeld een renteloze lening). Variant 3: Niet-revolverend investeren = de ingelegde hoofdsom wordt niet terugontvangen (bijvoorbeeld een subsidie). Voor maatschappelijk rendement en de daarvoor te gebruiken instrumenten zijn de vigerende beleidskaders en subsidieregels van kracht, daarmee specifiek doelend op het instrument subsidies. Deze inzet komt ten laste van de beleidsmiddelen. Belangrijk is daarbij wel dat duidelijk is op welk moment er sprake zal zijn van financieel rendement. Dit moment dient zoveel als dat kan vooraf vastgelegd te worden en moet blijken uit de financiële onderbouwing (business case). In de varianten 1 en 2 wordt gesproken van ´financieel rendement´ waarbij men in variant 3 spreekt over alleen ´maatschappelijk rendement´. Wij hanteren de volgende definities: Financieel rendement = het financieel netto resultaat van een gedane investering uitgedrukt in een percentage. Maatschappelijk rendement = het rendement dat ten gunste van de Limburgse samenleving komt en niet rechtstreeks ten gunste van het huishoudboekje van de Provincie Limburg. 5.2.Vastgestelde kaders en spelregels In de afgelopen jaren zijn er diverse documenten in Provinciale Staten aan de orde geweest waarmee de kaders en spelregels zijn vastgesteld: Het inhoudelijk kader: Collegeprogramma, diverse Voorjaarsnota´s, Selectie- en evaluatiekader en de twee tranches structuurversterking en diverse statenmoties; Het financieel en vermogenskader: diverse begrotingen, Voorjaarsnota 2013 aangevuld met Amendement A1 en de vigerende kaders Financiële Verordening Provincie Limburg, Treasurystatuut en Sturing in Samenwerking (zie voetnoot nr. 5). Samenwerkings- en instrumentenkader (Uitvoeringskader Sturing in Samenwerking). Organisatorische kader. Ad
  5. Inhoudelijk kaderScherpte op inhoud, slim en effectief inzetten van onze financiële slagkracht, met een ondersteunend instrumentarium en toegewijde mensen voor de Limburgse zaak vat de beweging samen. Met het Collegeprogramma 2019-2023 (Vernieuwend Verbinden) en de voorjaarsnota’s wordt de inhoudelijke koers uiteengezet. Kort samengevat komt deze koers erop neer dat de Provincie zich de laatste jaren heeft ontwikkeld van een defensieve (vermogens)beheerstrategie, naar een offensieve en initiatiefrijke (vermogens)speler in het maatschappelijk veld met meerjarige partnerships, focus op toegevoegde waarde en selectiviteit op inhoud. Voor de Kennis-As projecten is specifiek beleid uitgewerkt, zie ook paragraaf 2.4 deel 2b. Ad
  6. Financieel en vermogenskaderAls we kijken naar de financiële kaders is een aantal punten van belang om nogmaals te expliciteren. In de eerste plaats als het gaat om de invulling van de financieel revolverende middelen van de immunisatiereserve. Dit is verwerkt in het collegeprogramma. Wanneer er rendementsverwachtingen via projecten en initiatieven gemaakt moeten worden kennen die meestal (maar niet altijd, afhankelijk van de verkregen zekerheden) een hoger risicoprofiel. Daarnaast zullen dan ook projecten in samenhang (portfolio benadering) bekeken moeten worden om het totaalrendement van de portefeuille op peil te kunnen houden evenals het op orde houden van de noodzakelijke risicoreserves. Deze reserves worden continu gemonitord en desnoods herijkt tijdens de jaarrekening en begroting in de actualisatie van de paragraaf weerstandsvermogen. Ad
  7. Samenwerkings- en instrumentenkader (Uitvoeringskader Sturing in Samenwerking)Afhankelijk van de inhoudelijke strategie en daarmee het vaststellen van het publiek belang, en de keuze voor de financiële strategie inclusief gewenste rol en sturingsvorm (doorlopen van menukaart), zullen er in specifieke situaties instrumenten en structuren voor partnerships ontwikkeld moeten worden. Het Uitvoeringskader Sturing in Samenwerking (Deel 2) geeft hier de kaders voor aan. Kortgezegd kennen we zes typen (financiële) instrumenten (regelgeving, subsidie, opdracht, financiering, deelneming, eigendom) om in te zetten. Daarmee zijn de hoofdinstrumenten bekend, maar is het vooral zaak om daarbinnen vernieuwende combinaties, deelinstrumenten en variaties te ontwikkelen als de businesscase hierom vraagt. Creativiteit en vernieuwing in de (gecombineerde) inzet van instrumenten levert vaak een beter maatschappelijk en financieel rendement op. Ad
  8. Organisatorische aspectenProjecten ontwikkelen in co-creatie, nieuwe financieringsvormen en juridische structuren vergen een andere opstelling van de ambtenaar en politicus. Sinds 2014 wordt in de P&C-producten het belang van actief ´portfoliomanagement´ benadrukt. De gestage groei van het portfolio vergt ook dat de provinciale organisatie voldoende geëquipeerd is om deze opgave zowel aan de ontwikkelende kant als aan de beheerkant goed te kunnen oppakken. Dit vergt enerzijds kwaliteit in de zin van (interne of externe) expertise en professionaliteit. Anderzijds vergt dit kwantiteit in de zin van voldoende beschikbare manuren om de binnen redelijke termijn en met in acht name van de gewenste kwaliteitsstandaarden nieuwe initiatieven te beoordelen en bestaande initiatieven de beheren. In de organisatievisie 2020 is aangekondigd dat de beheersing en control worden versterkt. De controlfunctie wordt hiervoor anders ingericht (vanaf 2021), namelijk middels het model van Three Lines of Defense (3LoD). De inrichting van de eerste lijn is een verantwoordelijkheid van het project- en lijnmanagement. Het project- en lijnmanagement is verantwoordelijk voor realisatie van doelstellingen en de wijze waarop de middelen worden ingezet, alsmede voor de borging dat dit plaatsvindt binnen daartoe geldende regelgeving en kaders (doeltreffendheid, doelmatig en rechtmatig). De tweede lijn toetst op kaders en adviseert het project- en lijnmanagement hoe aan de kaders kan worden voldaan, vanuit een onafhankelijke adviserende en signalerende positie. De derde lijn is verantwoordelijk voor de objectieve beoordeling van de opzet en werking van het systeem van control en voor de audit functie. Zie voor meer informatie bijlage 6, en paragraaf 8.2 voor “Nieuwe zakelijkheid voor de ambtelijke organisatie”. GS beoordelen jaarlijks, bij de voorjaarsnota, in hoeverre het bestaande apparaat in staat is de Provinciale investeringsstrategie adequaat uit te voeren. 6.HOOFDCONTOUREN VAN EEN OFFENSIEVE INVESTERINGSTRATEGIE 6.1.Kernelementen en contouren Eenvoudig gezegd komt het erop neer dat we binnen de bestaande spelregels, partijen uitdagen om met voorstellen te komen die een publiek belang combineren met een (renderende) revolverende investeringsstrategie. Een offensieve strategie betekent ook inherent dat het accent verlegd wordt naar een hoger risicoprofiel (maar dus ook met een hoger financieel rendement) en dat daarmee ook een groter deel van het beschikbaar vermogen in risicoreserves als buffer moeten dienen (om mogelijke tegenvallers op te vangen). Dit betekent wel dat we moeten voortborduren op de nieuwe zakelijkheid om dit type investeringen los te maken bij partners. Een aantal elementen is van belang bij deze nieuwe zakelijkheid: Partners primair zelf creatiever laten nadenken en uitdagen over verdienmodellen die ook een structureel effect hebben; Selectiever en zakelijker benaderen c.q. organiseren van projecten en business cases; Creatiever nadenken over en partners uitnodigen om zelf met passende instrumenten te komen (qua middelen, organisatie en structuur) bij het beoogde maatschappelijke doel van de investering; Meer aandacht voor beheerfase en bijsturing (portfoliomanagement). Deze strategie geldt voor alle beleidsthema’s (dus niet alleen op economisch vlak, maar ook ten aanzien van cultuur, natuur, onderwijs etc.). Het gaat vooral om op een andere manier naar initiatieven te kijken, als het ware ´de business naar binnen organiseren´ en vooral ook om slimme dwarsverbanden tussen inhoud, partners en instrumenten te leggen. De nieuwe zakelijkheid is gebaseerd op een aantal investeringsprincipes. In het volgende hoofdstuk gaan we hier nader op in. 7.INVESTERINGSPRINCIPES De onderstaande investeringsprincipes zijn leidend en gelden altijd voor provinciale investeringen (financieringen, verbonden partijen en eigendom). 7.1.Wij hanteren een integrale benadering gebaseerd op het beleid en publiek belang Bij het beoordelen en uitvoeren van investeringsvoorstellen wordt daarbij altijd de verbinding gezocht tussen de verschillende programma’s, producten en activiteiten om te komen tot een optimale investering. Integraal betekent ook dat verschillende disciplines (juristen, financieel expert etc.) hun expertise inzetten om het beste investeringsresultaat te behalen. Tevens betekent dit dat er integraal naar een project wordt gekeken, ook als het een combinatie van instrumenten betreft. Voor alle investeringsvoorstellen geldt als uitgangspunt dat er een publiek belang dient te zijn (Zie ook paragraaf 1.3 “stap 1: Afweging publiek belang” van deel 2a van dit kader). Zonder duidelijk publiek belang zal de aanvraag niet verder in behandeling worden genomen. 7.2.Zonder risico geen rendement Investeren betekent ook financiële risico’s nemen. Deze financiële risico’s kunnen worden onderverdeeld in markt- krediet- en liquiditeitsrisico’s. De Provincie hanteert een integraal risicomanagementbeleid waarin beleidsmatige uitgangspunten en kaders alsmede de totstandkoming van de risicohouding en de inrichting van de organisatie worden beschreven met als doel risico’s adequaat te kunnen monitoren en te kunnen beheersen. 7.3.Risicodiversificatie is essentieel Concentratie van risico’s is ongewenst. Daarbij kan worden gedacht aan concentratie van risico’s op instrumentniveau, maar kan ook worden gedacht aan concentratie van risico’s in bepaalde sectoren (bijvoorbeeld Healthcare of Logistiek) of bij bepaalde samenwerkingspartners (bijv. bepaalde kennis-as instellingen). In het integraal risicobeleid zijn spelregels opgenomen hoe wij omgaan met concentratie van risico’s. 7.4.Wij zijn kostenbewust en zoeken naar toegevoegde waarde Bij de uitvoering van de investeringsstrategie maakt de Provincie Limburg geen andere kosten dan die welke redelijk zijn in relatie tot de omvang en de samenstelling van het geïnvesteerd vermogen en de doelstellingen van de Provincie en maakt daarbij gebruik van de aanwezige schaalvoordelen. 7.5.Wij hebben een lange termijn horizon Bij het beoordelen van investeringsvoorstellen maken we gebruik van onze positie om lange termijn beslissingen te nemen. Wij gaan niet voor korte termijn winst, maar voor lange termijn rendement zowel financieel als maatschappelijk. Bij onze investeringsbeslissingen beogen we een duurzame verankering van het project in de Limburgse economie en samenleving hetgeen betekent dat het project na verloop van tijd op ‘eigen benen’ kan staan en de Provincie zich met een gerust hart kan terugtrekken voor wat betreft haar financieel commitment. Deze lange termijn horizon is noodzakelijk om het marktfalen op te kunnen vangen, dat is ontstaan mede als gevolg van solvabiliteitseisen uit hoofde van wet- en regelgeving als Basel-III of Solvency-II. 7.6.Goede processen zijn voorwaarde voor het bereiken van resultaat De Provincie stelt het ‘investeringsproces’ centraal in haar investeringsstrategie. Onder het investeringsproces wordt verstaan het geheel van regels dat ziet op de voorbereiding (due diligence) en uitvoering van de investeringsstrategie en het beheer van het ingezette vermogen. Door de 50%-eis van cofinanciering en de eis van inbreng van eigen vermogen bij leningen (zie paragraaf 4.4, deel 2b) wordt het investeringsproces versterkt. Deze partijen hebben immers hun eigen ‘due diligence’ onderzoeken uitgevoerd om vast te stellen of het een verantwoorde investering is. Aan het Gedeputeerde Staten wordt gevraagd er op toe te zien dat gehandeld wordt in overeenstemming met de regels van het investeringsproces. Het college kan deze verantwoordelijkheid middels een mandaat delegeren aan de directie. 7.7.Vereiste deskundigheid is beschikbaar De Provincie Limburg draagt er zorg voor dat zij in alle fasen van het investeringsproces beschikt over of toegang heeft tot de deskundigheid die vereist is voor: Een optimaal investeringsresultaat; Een professioneel beheer van de investeringen; De beheersing van de aan de investeringen verbonden risico’s. 7.8.Goed bestuur en maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn belangrijk Maatschappelijk verantwoord investeren vormt een belangrijk onderdeel van het investeringsbeleid van de Provincie vanuit de overtuiging dat het mee laten wegen van factoren op het gebied van milieu, maatschappij en goed bestuur (‘Good Governance’) de financiële prestaties op de lange termijn positief beïnvloeden. Provincie Limburg legt – als lange termijn investeerder – de aandacht op de lange termijn doelstelling waarin zij investeert in termen van duurzame economische groei en betrekt relevante informatie hierover bij haar analyses. De Provincie Limburg hecht bovendien groot belang aan de naleving van vigerende wet- en regelgeving. Provincie Limburg investeert daarom niet in projecten of ondernemingen die direct of indirect betrokken zijn bij de vervaardiging van producten die verboden zijn als gevolg van Nederlandse of internationale wetgeving of waarvan te verwachten is dat ze in de nabije toekomst verboden zullen worden. Tevens investeert Provincie Limburg niet in projecten of ondernemingen die in aanzienlijke mate betrokken zijn bij de levering van producten of diensten die in brede kringen in Nederland als verwerpelijk worden beschouwd. 7.9.Belangen zijn gescheiden Bij de uitvoering van de investeringsstrategie wordt continu gewaakt voor (de schijn van) belangenverstrengeling tussen projecten, programma’s, portfolio’s, medewerkers en bestuurders. Daar waar noodzakelijk worden belangen gescheiden. Met het oog daarop zijn het bestuur en medewerkers van de Provincie gebonden aan een gedragscode en beroepseed. Bij het beoordelen van investeringen wordt rekening gehouden met de belangen van andere investeringen die reeds in uitvoering zijn. Provinciale medewerkers die betrokken zijn bij de beoordeling van voorstellen van een wederpartij hebben bijvoorbeeld op geen enkele wijze een opdrachtgever/opdrachtnemer-relatie met deze wederpartij. 7.10.Wij zijn transparant en leggen daarom verantwoording af Wij zijn ons bewust van de maatschappelijk rol die wij als investeerder vervullen. Die rol dwingt ons tot zorgvuldig handelen. De Provincie is te allen tijde bereid verantwoording af te leggen over haar investeringsgedrag en de gevolgen die dit heeft voor de samenleving. Periodiek wordt verantwoording afgelegd aan PS over de wijze waarop de investeringsstrategie wordt uitgevoerd en van de behaalde investeringsresultaten (financieel en maatschappelijk rendement). Het college van Gedeputeerde Staten legt ieder jaar in de programmabegroting en in de jaarrekening verantwoording af over het door hun gevoerde beheer van het provinciaal vermogen en geeft inzicht in de actuele stand van het geïnvesteerde provinciaal vermogen. 8.INTEGRAAL FINANCIEEL- EN RISICOBELEID 8.1.Inleiding Een offensieve investeringsstrategie XE “offensieve investeringsstrategie” vertaalt zich langzaam ook steeds meer in het verstrekken van financieringen (leningen en borgstellingen) en het aangaan van verbonden partijen uit hoofde van de publieke taak naast of in plaats van het verstrekken van subsidies. Daarmee wordt het risicobeleid en risicobeheer ten aanzien van dergelijke financieringen een steeds belangrijker onderdeel van het takenpakket van het cluster Financiën. In dit hoofdstuk worden de investeringsprincipes vertaald naar concrete investeringsrichtlijnen en kaders. Alvorens hier op in te gaan worden de bestaande vastgestelde kaders en spelregels die een duidelijke relatie hebben met het nu voorliggende kader “Sturing in Samenwerking” nog eens opgesomd: Het inhoudelijk kader: Collegeprogramma, Programmabegrotingen, Voorjaarsnota´s, Selectie- en evaluatiekader Structuurversterkende projecten8Verwijzing naar voetnoot pag.16 en diverse Statenmoties; Het financieel- en risicobeleidskader: programma- en productenbegrotingen, risicoparagrafen, Voorjaarsnota 2013 aangevuld met Amendement A1, Financiële Verordening Provincie Limburg en Treasury statuut (zie ook voetnoot 5 in dit document); Het samenwerkings- en instrumentenkader: Uitvoeringskader Sturing in Samenwerking; Het organisatorische kader: Een Toekomstvast Limburg; Het wettelijk kader: Provinciewet, Wet Hof, Wet Fido - Ruddo, fiscale wet- en regelgeving. 8.2.Financieel- en risicobeleid Met ons beschikbare vermogen dat nu nog deels tijdelijk in obligaties is belegd proberen we een zo goed mogelijk rendement te halen tegen een aanvaardbaar risico. Om dit te bereiken combineren we verschillende soorten investeringen die elk hun eigen risico- en rendementsprofiel hebben. Investeringen met een laag risico hebben vaak een laag, maar relatief zeker rendement (bijvoorbeeld een verstrekte financiering met hypothecaire zekerheid). Investeringen met een hoog risico hebben vaak een hoog, maar relatief onzeker rendement (zoals verbonden partijen in onzekere markten). We nemen bewust risico’s om rendement te kunnen halen, zowel financieel als maatschappelijk rendement. Maar daarbij spannen we ons wel in om risico’s zo goed mogelijk te beheersen. In de due diligence fase doorlopen we een Know Your Customer procedure om het bedrijf en de bestuurders te screenen op eventuele overtredingen (o.a. witwaspraktijken, fraude zaken, Politically Exposed Person) en identificeren we de Ultimate Beneficial Owner (UBO). Bij het verstrekken van financieringen vragen we voldoende zekerheden van de kredietaanvragers die ons beschermen tegen kredietrisico’s. Daarnaast leggen we voor bepaalde financiële risico’s buffers aan (bijvoorbeeld risicoreserve) om onverwachte verliezen te kunnen opvangen. Door middel van actief en integraal risicomanagement worden risico’s beheerst. “Actief”: doordat in het due diligence onderzoek al op risico’s wordt gescreend en waar mogelijk worden gemitigeerd (zekerheden) en in de beheerfase zijn de financiële en niet-financiële risico’s onderdeel van analyse. Als definitie voor het begrip integraal risicomanagement wordt gehanteerd: “Het gestructureerd managen van risico’s, dat een organisatie om financiële dan wel niet financiële redenen de beleidsdoelen niet of niet volledig realiseert“. Het gaat hier dus verder dan alleen financiële risico’s, maar ook om bijvoorbeeld politieke, sociale en milieurisco’s. De volgende investeringsrichtlijnen worden gehanteerd voor het integraal financieel- en risicobeleid van de Provincie. Deze zijn onder andere gebaseerd op een uitgevoerde benchmark met pensioenfondsen en zijn onderverdeeld middels de drie pijlers: RendementsdoelstellingDe investeringsstrategie zorgt ervoor dat met het totale portfolio aan investeringen - meerjarig bezien – een optimaal rendement behaald wordt met als absoluut minimum de gemiddelde CPI-index (inflatie) van de afgelopen 2 jaren9Voor zover dit gemiddelde ligt boven de minimale opslag zoals deze gehanteerd wordt in de staatssteuntabel opgenomen in de Mededeling van de Commissie, zijnde 0,6% welke opslag geldt bij hoge zekerheden en zeer goede debiteurenkwaliteit.. Let wel, dit betekent dat ook na eventuele defaults of afwaarderingen de koopkracht van de portfolio behouden moet blijven. Individuele instrumenten zullen derhalve op basis van hun risicoprofiel aan een hogere rendementseis moeten voldoen (zie bijlage 7). Door dit uitgangspunt te hanteren beogen we ons provinciaal vermogen en de koopkracht daarvan in stand te houden. De investeringsstrategie draagt bij aan een structureel sluitende meerjarige exploitatiebegroting van de Provincie. Voor alle majeure investeringen wordt nagegaan wat de impact is op de meerjarige begrotingssaldi van de Provincie Limburg. Het totale portfolio aan investeringen dient ervoor te zorgen dat de provinciale begroting meerjarig structureel in evenwicht blijft. VermogenssamenstellingDe investeringsstrategie zorgt ervoor dat de solvabiliteitsratio van de Provincie – meerjarig bezien - nimmer lager is dan 40%. De solvabiliteitsratio geeft aan in hoeverre de Provincie in staat is aan haar verplichtingen op lange termijn te kunnen voldoen. De investeringsstrategie zorgt ervoor dat de netto schuld quote van de Provincie – meerjarig bezien - nimmer hoger is dan 90%. De netto schuld quote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de Provincie ten opzichte van de eigen middelen en geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie. Dit is daarmee een indicatie van de mate waarin de Provincie op kortere termijn in staat is aan haar verplichtingen te voldoen. Zonder hier een norm aan te koppelen, zal de netto schuld tevens per inwoner gepresenteerd worden. De investeringsstrategie zorgt ervoor dat de (gekwantificeerde) financiële risico’s die samenhangen met de investeringen nimmer meer bedragen dan 50% van de totale beschikbare structurele weerstandscapaciteit van de Provincie. De weerstandscapaciteit betreft het vermogen om financiële tegenvallers op te vangen, zonder dat dit invloed heeft op de voortzetting van de bestaande taken. Dit ‘vermogen’ is het geheel van middelen en mogelijkheden binnen de financiële positie van de Provincie Limburg, die als ‘vrij aanwendbaar’ wordt aangemerkt. Het gaat dus om vrij aanwendbare middelen waar geen enkele verplichting tegenover mag staan en mogelijk nog te genereren (onbenutte) inkomsten. In overeenstemming met het Besluit begroting en verantwoording wordt bij de opbouw en samenstelling van de weerstandscapaciteit onderscheid gemaakt tussen incidentele en structurele componenten. Onder incidentele risico’s wordt van verstaan risico’s welke een éénmalige last tot gevolg kunnen hebben. Onder structurele risico’s wordt verstaan risico’s welke leiden tot structurele lasten (meerdere boekjaren). Onder incidentele weerstandscapaciteit wordt verstaan de middelen en mogelijkheden die éénmalig kunnen worden ingezet. Onder structurele weerstandscapaciteit wordt verstaan de middelen en mogelijkheden welke structureel (meerdere boekjaren) kunnen worden ingezet. De investeringsstrategie zorgt ervoor dat de financiële risico’s nimmer geconcentreerd (> 30%) zijn in één bepaalde sector (bijvoorbeeld Zorg, Onderwijs) of bepaalde markt (bijvoorbeeld commercieel vastgoed). Als onderdeel van verplichte paragraaf Portfoliomanagement in de jaarrekening van de Provincie wordt jaarlijks een analyse gemaakt van het portfolio aan gedane investeringen. Daarbij wordt het portfolio naar verschillende inzichten in beeld gebracht. Te denken valt aan een verdeling van de investeringen naar type instrument, kredietrating, naar sectoren en markten, naar de verschillende kennis-as instituten, naar gemobiliseerde private investeringen (multiplier effect van de provinciale investering), Europese (co)financieringen, naar risicoprofiel en gerealiseerde/begrote rendementen etc. Bij deze analyse wordt bij investeringen in verbonden partijen ook door de vennootschappen heen gekeken, oftewel waar investeert de verbonden partij haar verkregen middelen in. Een goede classificering van de investering en vastlegging hiervan is belangrijk. Een voorbeeld hiervan is Chemelot Campus Vastgoed CV, waarbij de vennootschap heeft geïnvesteerd in het Centrecourt (vastgoed object). Bij het bepalen van het concentratierisico wordt dit berekend ten opzichte van het balanstotaal (laatste jaar ultimo) van de Provincie. Bij oververtegenwoordiging in een sector zoals bij “overige financiële intermediairs” wordt tevens een niveau lager gekeken in de sector verdeling hoe de verdeling in die sector is gealloceerd. De concentratierisico’s worden op basis van bruto exposure berekend, dat wil zeggen zonder rekening te houden met harde zekerheden (b.v. hypotheek). Onderzocht wordt of een netto berekening uitvoerbaar is. InvesteringshorizonDe investeringsstrategie kent een lange termijn horizon maar behoudt 10% van haar investeringsportefeuille liquide en zorgt ervoor dat de looptijd XE “duration” aansluit bij de investeringsopgaves De looptijd van de portefeuille alsook het deel dat gehouden wordt in liquide posities geeft aan in hoeverre de Provincie in staat is aan haar verplichtingen op korte termijn te voldoen. Op basis van grondige financieel economische analyses (inclusief ontwikkelingen in de externe markt) en het integraal financieel- en risicobeleid wordt een strategisch (meerjarig) investeringskader opgesteld en uitgevoerd. In het hierna volgende strategisch meerjarig investeringskader worden een aantal specifieke richtlijnen benoemd ter nadere invulling van een prudent financieel- en risicobeleid. 8.3.Strategisch meerjarig investeringskader Alle investeringen hebben een bepaald risicoprofiel en bepaalde impact. Op basis van dit risicoprofiel en impact kunnen de (potentiële) investeringen worden ingedeeld in het volgende schema: Figuur 6Het risicoprofiel wordt bepaald ná inachtneming van de kredietwaardigheid van de aanvrager en ná inachtneming van zekerheden die worden verkregen. Bij grote projecten en belangrijke projecten wordt de impact bepaald aan de hand van de afweging van de impact van de investering op basis van DESTEP-analyse: Demografische-, Economische-, Sociale-, Technologische-, Ecologische- en Politieke impact. Bij het bepalen van de impact van een investering wordt ook het maatschappelijk rendement meegewogen welke bijvoorbeeld door middel van een Maatschappelijk Kosten-Baten analyse (MKBA-analyse) in beeld kan worden gebracht, als dit past bij de aard en omvang van het project. Dit kan betekenen dat een investering qua financieel rendement niet aantrekkelijk is, maar dat er een groot maatschappelijk rendement daartegenover staat. Op basis van deze kwadrantenindeling (figuur 6) wordt de beheersingsintensiteit bepaald. Voor investeringen die vallen in de categorie ‘actief sturen’ zal bijvoorbeeld elk kwartaal een gesprek met de initiatiefnemer plaatsvinden over de voortgang van de investering, terwijl we bij investeringen die onder de categorie ‘monitoren’ vallen kunnen volstaan met een jaarlijks gesprek met de initiatiefnemer. Voor de beoogde strategische investeringsmix willen we aanhaken bij bovenstaande kwadrant indeling. In de beheerfase worden de investeringen minimaal één keer per jaar opnieuw beoordeeld op financiële voortgang, risico classificatie en afgesproken doelstellingen en ingedeeld in een van de kwadranten. Op basis van de beoogde investeringsmix is in onderstaande figuur een maximale weging en beoogd financieel rendement op portefeuille niveau schematisch weergegeven in het risicokwadrant. Risicokwadrant Risico profiel Impact Streefgewicht Rendementsdoel Opslag boven 10-jaars NL-staat In % per jaar Actief sturen Hoog Groot Max. 20% >7,5% Sturen Hoog Klein Max. 10% >5,0% Actief monitoren Laag Groot Max. 60% >2,5% Monitoren Laag Klein Max. 10% >1,0% Totaal Max. 100% >2,5%* * Dit is gebaseerd op het rendement van de 10-jaars Nederlandse staatsobligatie. In de P&C-cyclus wordt het rendement op de investeringsportefeuille per instrument inzichtelijk gemaakt. Figuur 7 Toelichting: Bovenstaande streefrendementen gelden voor de totale investeringsportefeuille of gedeelte daarvan. Op individuele investeringen geldt dat het financieel rendement opgebouwd wordt uit verschillende risico-opslagen met als basis de actuele 10-jaars staatsrente met een vergelijkbare looptijd als de investering. Deze rente wordt vervolgens vergeleken met de berekening van de staatssteuntoets. Voor het rentetarief bij geldleningen van een individuele investering die de Provincie verstrekt, geldt dat het totale rentetarief (inclusief opslagen) niet negatief mag zijn, zie verdere uitwerking bij hoofdstuk 4, deel 2b. Provinciale Staten kunnen besluiten de feitelijke investeringsportefeuille (tijdelijk) te laten afwijken van bovenstaande strategische gewenste portefeuille voor zover de Provincie –ondanks de afwijkingen- blijft voldoen aan de investeringsrichtlijnen zoals benoemd in het financieel en risicobeleid in paragraaf 7.2 (deel 1). De portefeuille is in de paragraaf Portfoliomanagement van de jaarrekening opgenomen. 8.4.Beleidskader inzake Dividend- en IP-opbrengsten Provinciale Staten hebben op 29 juni 2020 ingestemd met het Dividend- en IP beleidskader. Hierin is beschreven hoe er wordt omgegaan met opbrengsten uit dividend en intellectueel eigendom (IP). Dividend en IP verschillen zeer van elkaar en worden als twee afzonderlijke onderwerpen behandeld. De Provincie wil dat de verbonden partijen hun financiële waarde duurzaam behouden. Een goede financiële positie is noodzakelijk voor de bedrijfscontinuïteit van de verbonden partijen. Dat betekent dat verbonden partijen een gezonde vermogensverhouding en voldoende rendement moeten hebben. Inherent daaraan is dat vermogensverstrekkers een vergoeding ontvangen van het geïnvesteerd vermogen in de verbonden partij. Het dividendbeleid structureert daarbij de mogelijke opbrengstenkasstroom gedurende de periode dat de Provincie participaties in verbonden partijen aanhoudt, waardoor het rendement van de Provincie minder afhankelijk wordt bij een uiteindelijke verkoop van deze participaties op termijn. Als resultaat hiervan vloeit het geïnvesteerde kapitaal door de dividenduitkeringen eerder terug naar de Provincie (Algemene middelen) en kan opnieuw worden ingezet voor structuur versterkende investeringen, uitvoering van publieke taak en maatschappelijke uitgaven waarin de marktwerking zelf faalt. Met het IP-beleid wordt beoogd de positie van de Provincie, voor zover mogelijk, veilig te stellen ingeval er opbrengsten gerealiseerd kunnen worden uit intellectueel eigendom, door onderzoeks- en kennisprojecten, of overige initiatieven die door de Provincie met een subsidie ondersteund zijn. DividendbeleidIn deel 2c “Verbonden Partijen nader uitgewerkt” in paragraaf 7.8 en in bijlage 12 wordt het dividendbeleid nader toegelicht. IP-beleidIn deel 2b “Instrumenten nader uitgewerkt” in paragraaf 2.5 en in bijlage 12 wordt een toelichting gegeven op het vastgestelde IP-beleid. 9.NIEUWE ZAKELIJKHEID VOOR SAMENLEVING EN POLITIEK Zoals gezegd komt onze investeringsstrategie erop neer dat we binnen de bestaande spelregels, partijen uitdagen om met voorstellen te komen die een publiek belang combineren met een (renderende) revolverende investeringsstrategie. Dat vereist een andere houding, opstelling en werkwijze die samen te vatten is als de noodzaak voor nieuwe zakelijkheid in de samenleving en het politiek domein. De afgelopen jaren heeft de Provincie zich steeds meer ontwikkeld als strategische partner binnen de Limburgse samenleving. Simpel gezegd is de tijd van de grote visies, beleidsverhalen en subsidieregelingen steeds meer vervangen door meerjarige partnerships, co-creatie van initiatieven en een zakelijke onderbouwing van business cases en projectvoorstellen. Structurele overheidsfinancieringen en – relaties worden afgebouwd en wordt de nadruk van het ´op eigen benen staan´ nadat de overheidsbijdrage afloopt, steeds belangrijker. Een andere opstelling van de provinciale overheid, vergt ook een andere opstelling van onze partners in de samenleving. 9.1.Nieuwe zakelijkheid voor de samenleving Mede gezien de landelijke ontwikkelingen van een terugtrekkende overheid en noodzaak van een efficiënte en effectieve inzet van publieke middelen, gecombineerd met het eigen initiatief in de samenleving zelf is er sprake van een natuurlijk kantelmoment. Een kantelmoment in de relatie tussen politiek en samenleving. De wisselwerking tussen provinciaal bestuur en de Limburgse samenleving waar zij haar legitimiteit en opdracht aan dankt is zoals hierboven aangegeven veranderd de afgelopen jaren. Dat vergt ook als het gaat om de inzet van ons vermogen om duidelijkheid over wat partners mogen verwachten van de overheid, maar ook wat wij verwachten van onze partners! Als het gaat om de inzet van ons dagen wij partners uit om: Primair met voorstellen en business cases te komen waarin een publiek belang gecombineerd wordt met het in stand houden van het provinciaal vermogen en die: structuurversterkend zijn voor Limburg; na de projectperiode (of eerder) op eigen benen kunnen staan; nieuwe investeringen en participatie van anderen uitlokken (multiplier). Met als doel om meer organiserend en investerend vermogen uit de Limburgse samenleving te halen en om weerbaarheid en wendbaarheid voor de toekomst te ontwikkelen. Bij te dragen aan de economische structuur versterking en de sociale agenda voort te stuwen. 9.2.Nieuwe zakelijkheid voor de ambtelijke organisatie Onder de noemer van ‘portfoliomanagement’ zetten wij in op een forse verdiepings- en kwaliteitsslag binnen de ambtelijke organisatie. Zowel als het gaat om ‘financial engineering’ op projectniveau, als op macro niveau (totaalportfolio) maken we – samen met onze externe partners – de slag naar een offensieve investerings- en portfoliostrategie. Dus niet alleen als het gaat om het verloop van de inzet van de immunisatiereserve, waar wij uw Staten over informeren, maar tevens de samenhang tussen inhoudelijke, organisatorische en financiële sturing van onze projecten en acties. Daarmee sturen we op een samenhangend en gebalanceerd geheel van onze reguliere middelen en vermogen, brengen inzet van middelen actief in relatie tot het bereiken van maatschappelijke doelen en verplichtingen, en zetten we menskracht in vanuit een overall perspectief. Dat betekent echter wel dat aan de voorkant (denk aan bijvoorbeeld provinciale betrokkenheid in governance-structuren bij projecten) afspraken met partners hierover gemaakt worden. Ook als het gaat om nu nog niet hard in te boeken mogelijke inkomsten als IP-licenties of OZB-inkomsten. Jaarlijks zal hier dan ook in de doorkijk van het rendement naar gekeken worden. Als het gaat om de inzet van onze immunisatiereserve sturen we actief op het maken van afspraken aan de voorkant om het verdienend vermogen van onze samenleving verder te versterken. Dat vergt dus veel inzet – vooral in teamverband – van de ambtelijke organisatie en het provinciaal bestuur. De organisatie kent veel talent en potentieel dat wij de komende jaren maximaal zullen benutten in deze nieuwe werkwijze. De gestage groei van het portfolio vergt ook dat de provinciale organisatie mee ontwikkeld (om deze opgave zowel aan de ontwikkelende kant als aan de beheerkant goed te kunnen oppakken). Wanneer we de stappen (de ´menukaart´) in het deel 2, Uitvoeringskader Sturen in samenwerking vanuit de specifieke blik van revolverend investeren zouden nalopen is er een aantal aanvullende deelvragen van belang. Revolverende investeringen en subsidiesIn het verlengde van stap 5 uit de menukaart is het goed om ook stil te staan bij het (niet revolverende) instrument ´subsidie´. Ook hier geldt dat een nieuwe zakelijkheid meer duidelijkheid kan verschaffen naar onze partners. De lijn daarbij is dat zoveel mogelijk voorkomen dient te worden dat subsidies ´gestapeld´ worden. De Provincie kent zeker in het sociale, maar ook het economische en ruimtelijke domein een groot aantal intermediaire organisaties die provinciale ondersteuning en financiering krijgen. Dit kan zijn op structurele basis of op projectbasis. Daarnaast kunnen ook in subsidieregelingen plafonds ingebouwd worden alsmede eisen van cofinanciering door bijvoorbeeld gemeenten. Wat betreft de uitvoering en afhankelijk van de gewenste vorm van sturing kunnen ook gefaseerde uitbetalingstermijnen gehanteerd worden op basis van de te behalen resultaatverplichtingen. Dit in plaats van het dikwijls gebruikte 90% bevoorschotting-bedrag aan de voorkant. Overigens blijkt uit onderzoek uitgevoerd in opdracht van de Provincie Gelderland dat van de totale (Gelderse) provinciale subsidiebedragen die jaarlijks verstrekt worden, 15- tot 25% omgebouwd kunnen worden naar een instrument met een revolverend karakter10Provincie Gelderland

(2012).. Ten slotte zou voor de toekomst ook interessant zijn om te verkennen wat de mogelijkheden zijn bij subsidieverlening op het moment dat er forse opbrengsten of waardestijgingen worden gehaald in een project. Het herverdelen van deze opbrengsten wordt ook wel ´benefit sharing´ genoemd11Zie voor meer informatie Kenniscentrum PPS
(2001)Benefit Sharing. Een nieuw instrument voor een doelmatige overheid.. Door aan de voorkant dit inzichtelijk te maken (voor zover dit mogelijk en reëel is), kan er ook een betere inschatting gemaakt worden van de subsidiehoogte. Tevens kan hiermee voorkomen worden (bijvoorbeeld in PPS-constructies) dat de private partijen na afloop van het project met de revenuen ervandoor gaan. Dat is ook een politiek-bestuurlijk risico. 9.3.Nieuwe zakelijkheid voor de politiek-bestuurlijke omgeving Voor de politiek-bestuurlijke omgeving zijn er eigenlijk twee grote afwegingen die bij een offensieve investeringsstrategie moeten worden gemaakt. De eerste komt er in essentie op neer dat een hoger financieel rendement vaak het accepteren van een hoger risicoprofiel betekent. En een hoger risicoprofiel betekent enerzijds meer buffers inbouwen (risicoreserves, compenseren met andere projecten) wanneer er zaken fout gaan, maar ook accepteren dat zaken in de uitvoering kunnen tegenvallen c.q. dat risico’s zich effectueren waardoor in bepaalde gevallen verliezen optreden ondanks dat aan de voorkant goede inschattingen zijn gemaakt en monitoring adequaat is. Anderzijds vergt dit een actieve betrokkenheid in de uitvoering (risicomanagement, sturing op (inhoudelijke) resultaten). De huidige financieel-economische omstandigheden vertroebelen overigens het beeld van risico-inschatting. Met de huidige lage kapitaalmarktrentes lijkt het erop alsof alles boven deze rentetarieven meteen risicovol is. Dat hoeft niet perse zo te zijn, het is mede afhankelijk van de periode waarover men kapitaal wil investeren en vastleggen en welke zekerheden geboden kunnen worden. Wel vergt dit permanente monitoring (beleid financiën) van de ontwikkelingen zowel binnen de financiële markten als binnen de projectportfolio. Daarbij zullen ook naar nieuwe vormen van verantwoording gekeken moeten worden. Het actief managen van risico’s en de communicatie daarover (balans tussen openheid en vertrouwelijkheid) vergt ook een goed samenspel tussen het College en de Staten. Daarmee wordt in feite de tweede grote afweging voor de politiek duidelijk: de keuze tussen sturen op afstand of sturen vanuit actieve betrokkenheid. De uiteindelijke keuze hangt van veel verschillende zaken zoals een solide business case, betrouwbaarheid van de partners en de aard van het onderwerp. Wanneer men stuurt op afstand is het lastiger om tijdens de rit bij te kunnen sturen – los van formele evaluatiemomenten – en moet men bij het niet bereiken van de gestelde doelen stevig in de schoenen staan om de ingelegde hoofdsom (deels) terug te eisen. Wanneer men stuurt vanuit actieve betrokkenheid door bijvoorbeeld een deelneming is de Provincie ook zelf partij in de voortgang als aandeelhouder. Bovendien kan er een spanning ontstaan tussen de financieringsbehoefte van het project en de vooraf gewenste rendementseis. Als provinciale deelneming is het dan lastig om vanuit een ‘optimale’ beleggingsinsteek te handelen iets wat bijvoorbeeld in het beheer van onze obligatieportefeuille wel mogelijk is. Toch is nodig om de zakelijkheid aan de voorkant, ook te voorzien van een zakelijkheid in de beheerfase. Ook dat zegt iets over de Provincie als betrouwbare partner en extern verwachtingenmanagement. En dan kan ´nee´ zeggen of ´niet instemmen´ ook nodig zijn, alsmede de bereidheid vanuit de politiek dat sommige risico’s uiteindelijk zich kunnen voordoen en dan ook een verlies ontstaat. Natuurlijk is de inzet om bij de keuze voor een hoger risicoprofiel ook een groter positief maatschappelijk én financieel rendement te bereiken. 9.4.Ten slotte De spelregels zijn helder, alleen de praktijk van ´het maatschappelijk spel´ - daar zitten we middenin. Het is belangrijk om met elkaar de gedeelde uitgangspunten ook in de praktijk toe te passen en te kijken waar we tegen grenzen aanlopen, van anderen kunnen leren en vooral anderen uit te dagen om meer organiserend en investerend vermogen uit de Limburgse samenleving te halen. Dan, en vooral dan vindt u de Provincie Limburg aan uw zijde. Deel2a: Uitvoeringskader Sturing in Samenwerking 1.INLEIDING 1.1.Aanleiding De context waarin het uitvoeringskader 1.0 tot stand is gekomen, is niet gewijzigd. Wel heeft de toepassing van het kader geresulteerd in diverse praktische inzichten én zijn er diverse wijzigingen doorgevoerd in het wettelijk kader. Dit is verwerkt in het voorliggend stuk. De Provincie staat voor het realiseren van doelstellingen en effecten in en voor de Limburgse samenleving12De provincie legt haar doelen vast in een Collegeprogramma met als doel het op lange termijn versterken van het leef- en vestigingsklimaat in Limburg.. Zij kan dit in veel gevallen niet alleen of zelfstandig, maar heeft daar anderen bij nodig. Dit is geen nieuw fenomeen. Van oudsher worden veel maatschappelijke doelstellingen in samenwerking gerealiseerd. De steeds verder toenemende complexiteit vraagt naar een andere rol en inzet van middelen door de Provincie, in de vorm van maatwerkoplossingen. Hierbij wordt de Provincie steeds meer gevraagd voor een bredere en grotere inzet van haar financieel instrumentarium (van subsidiëren naar investeren). Verder is er een grote diversiteit aan samenwerkingsrelaties ontstaan en de verwachting is dat dit verder zal toenemen. Deze nota gaat achtereenvolgens in op: de overwegingen die ten grondslag liggen aan de keuze voor specifieke instrumenten, met behulp van een afwegingskader in de vorm van een menukaart. Het afwegingskader geeft aan onder welke omstandigheden een bepaald financieringsinstrument of samenwerkingsvorm kan worden ingezet, vertrekkende vanuit het publieke belang; de inzet van financieringsinstrumenten als borgstellingen, geldleningen en aandelenkapitaal; de meest gebruikte organisatorische (rechts)vormen bij samenwerkingsrelaties en de wijze waarop moet worden omgegaan met vertegenwoordiging, beloning en verantwoording (de sturing); criteria, beleidsuitgangspunten en afspraken voor corporate governance die bij de invulling van een samenwerkingsrelatie in de afweging betrokken moeten worden (leidraad). In deze nota wordt vastgelegd wat van belang is om in samenwerkingsrelaties (minimaal) te regelen om te borgen dat provinciale doelstellingen in die relaties ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Dit mag niet verworden tot een strak en eendimensionaal keurslijf waarin alle samenwerkingsrelaties geperst moeten worden. De diversiteit in relaties is te groot om op die wijze een werkbare situatie te creëren. Al naar gelang de aard van de samenwerking én positie en rol van de Provincie daarin, biedt de nota de ruimte om een voor die situatie passende oplossing te creëren waarbij aan in de nota gestelde randvoorwaarden invulling wordt gegeven en waarbij geopereerd wordt binnen de op die samenwerkingsrelatie van toepassing zijnde wettelijke kaders. Dit uitvoeringskader heeft voornamelijk betrekking op de uitvoeringsvormen “financiering” en "verbonden partijen”. In het navolgende worden deze categorieën uitgebreid toegelicht. 1.2.Menukaart Om provinciale doelen (binnen een maatschappelijke context) om te zetten naar concrete resultaten zijn een snelle doelmatige afweging van het publiek belang, een scherpere rolkeuze en maatwerkoplossingen (meer) centraal gesteld in onderstaand afwegingskader, dat 6 stappen doorloopt. Het afwegingskader is faciliterend aan het besluitvormingsproces. Het fungeert als menukaart om het publieke belang inhoudelijk te bepalen en geeft inzicht in de wijze waarop gemotiveerd kan worden gekozen voor de inzet van een instrument. Iedere beslissing/voornemen tot een investeringsbesluit wordt hiermee in zes stappen of afwegingen/keuzen, ieder afzonderlijk dan wel gecombineerd, voorbereid. De 6 stappen of afwegingen/keuzen kennen een onderlinge samenhang en worden hierna verder toegelicht. In het treasury advies worden deze 6 stappen uitgewerkt. Het treasury advies wordt onafhankelijk van de beleidsafdeling opgemaakt en wordt afgebakend en duidelijk opgenomen in GS nota’s. De 6 stappen of afwegingen zijn: De inhoudelijke belangenafweging, aan de hand waarvan wordt bepaald welk publiek doel/belang wordt gediend; De beoordeling van de impact op en relatie met de gehele portfolio van de Provincie van ingezette instrumenten; De rolbepaling en rolkeuze; De gewenste of meest geëigende wijze van sturing; De financiële toets (inclusief fiscaliteit) mede in relatie tot maatschappelijk rendement; De in te zetten instrumenten. In de volgende paragrafen worden de 6 stappen van de menukaart verder beschreven. Deze beschrijving bevat de te stellen vragen voor het vaststellen van de uitkomst van iedere stap. De 6 stappen of afwegingen/keuzen kennen een zeer grote onderlinge samenhang. De toepassing van deze menukaart is een iteratief proces. De uitkomst van stap 1 tot en met 6 is de basis voor de uiteindelijke afweging en keuze voor het passende (en voor te stellen) instrument. 1.3.Stap 1: afweging publiek belang, marktfalen en KYC procedure Deze stap bestaat uit drie onderdelen. 1) Afweging publiek belangDit is een belangrijk punt en dient als eerste te worden uitgevoerd (door het beleidscluster) voordat een verdere (financiële en risico) analyse plaats vindt. Indien de vraag of de propositie niet voldoet aan het publiek belang dan is er namelijk ook geen noodzaak tot ingrijpen of ondersteuning van overheidswege en zal er ambtelijk op basis van dit punt een negatief treasury advies worden verstrekt aan de portefeuillehouder en aan GS. Bij de door Gedeputeerde Staten te maken afweging (binnen de PS-kaders) wordt beoordeeld op welke wijze een vraag/propositie zich verhoudt tot onder andere: De provinciale bijdrage aan maatschappelijke doelen (publiek belang); Het Collegeprogramma; De programmabegroting met respectievelijk programma’s en majeure opgaven; Door PS vastgestelde beleidskaders/-keuzes. Vragen die hierbij gesteld kunnen worden zijn: Welk publiek doel wordt gediend met dit project/de voorgestelde propositie en in welke mate? Vanuit welk belang wordt er gehandeld? Wat wil de Provincie Limburg met het project bereiken in relatie tot doelen en indicatoren van de Programmabegroting? Uitkomst van deze beoordeling is de toetsing door Gedeputeerde Staten van de voorgestelde propositie aan de door Provinciale Staten (PS) vastgestelde kaders en daarmee de feitelijke bepaling door PS van het publieke belang. In zijn algemeenheid is sprake van een publiek belang als een taak gunstig is voor het welzijn van een groep inwoners, maar deze groep niet in staat is de taak zelf uit te (laten) voeren. Zonder overheidsingrijpen zou het belang dus niet goed tot zijn recht komen. Indien geen sprake is van een publiek belang, is er ook geen noodzaak tot ingrijpen van overheidswege. 2) MarktfalenAls het functioneren van de markt niet of te weinig bijdraagt aan de maatschappelijke welvaart kunnen er publieke belangen in het geding zijn. Dan is sprake van marktfalen13Bron: Definitie marktfalen Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken, ministerie Justitie en Veiligheid. en dit kan verschillende vormen hebben: Externe effecten die de markt niet (voldoende) kan corrigeren. Dit zijn effecten waaraan kosten zijn verbonden waarvoor geen markt bestaat (bijvoorbeeld milieuverontreiniging). Hierdoor is de prijs van goederen of diensten zonder interventie te laag. Publieke (collectieve) goederen. Bij collectieve goederen is voortbrenging via de markt uitgesloten, omdat de opbrengsten aan iedereen te goede komen en het gebruik door de een het gebruik door de ander niet uitsluit (bijv. dijken, defensie). Informatiescheefheid tussen vrager en aanbieder. Informatiescheefheid aan de kant van vrager of aanbieder leidt tot opportunistisch gedrag of suboptimaal keuzegedrag, waardoor de markt niet goed kan functioneren. Oneerlijke concurrentieverhoudingen (monopolie vorming). Dit is een situatie waarin één aanbieder zoveel macht verwerft dat het prijsmechanisme van de markt niet meer goed functioneert. Te hoge transactiekosten. Als de transactiekosten te hoog zijn, komt er geen markt tot stand. Zonder (financiële) ondersteuning van de Provincie gaat het project niet door. De provinciale bijdrage is gemaximeerd op de projectomvang minus de bijdrage van externe partijen én minus de beschikbare eigen middelen van de aanvrager, ook indien de aanvrager meer dan 10% eigen vermogen kan inbrengen. Het is namelijk niet de bedoeling dat publiek geld wordt ingezet daar waar vanuit de aanvrager middelen beschikbaar zijn. Om de aanvraag voor een financiering (geldleningen en borgstellingen) verder te kunnen behandelen moet er sprake zijn van marktfalen. Onder marktfalen wordt in dit kader verstaan: “externe partijen zijn niet of slechts deels bereid te financieren”. Dit dient te worden aangetoond door minimaal één (schriftelijke) afwijzing van een externe (naar het oordeel van de Provincie gekwalificeerde) financier en deze afwijzing wordt waarde-inhoudelijk getoetst door cluster Financiën. 3) Know Your Customer procedureDit onderdeel heeft in stap 1 betrekking op de instrumenten financieringen en verbonden partijen. Na de beoordeling van de centrale vraag of er een publiek belang is zal bij een positief besluit op deze vraag een Know Your Customer (KYC) procedure worden doorlopen (zie bijlage 14). Vanuit moreel oogpunt maar ook op basis van geldende wet- en regelgeving wil de Provincie weten met wie er zaken worden gedaan. Samenwerking met partijen die het niet zo nauw nemen met normen en waarden, kan leiden tot imagoschade, financiële schade en/of wettelijke of regulatieve sancties. Het is dus belangrijk voor de Provincie om vooraf de partijen / ondernemingen goed te leren kennen. Middels het doorlopen van de KYC procedure wordt een compliance check uitgevoerd op de bestuurder(
  1. s)en op de onderneming. In de compliance check vindt onderzoek plaats op het gebied van onder meer fraude, witwassen, overtredingen van de sanctiewet en worden Ultimate Beneficial Owners (UBO) en Politically Exposed Persons (PEP) in kaart gebracht. Na het doorlopen van de KYC procedure wordt de tegenpartij door de Provincie geclassificeerd in één van de volgende risicogroepen: niet risicovol (geen bezwaar), beperkt risicovol (verder onderzoek is nodig) en risicovol (geen samenwerking). Het verder onderzoek (o.a. Bibob-, RIEC onderzoek, VOG Rechtspersonen verklaring) bij beperkt risicovol moet leiden tot een uitsluitsel of samenwerking wel of niet mogelijk is. In het treasury advies wordt in stap 1 van de menukaart aangegeven dat de KYC procedure is doorlopen, welke risicoclassificatie van toepassing is (met korte toelichting) en worden eventuele bijzonderheden vermeld. Het publiek belang, marktfalen en de KYC procedure worden onder stap 1 (voor de toepassing zijnde instrumenten) van de menukaart behandeld. Als uit één van de onderwerpen een negatief advies voortvloeit dan wordt dit ambtelijk inhoudelijk teruggekoppeld aan de desbetreffende portefeuillehouder / Gedeputeerde Staten middels een verkort treasury advies. 1.4.Stap 2: beoordeling impact op en relatie met de gehele portfolio Nadat is vastgesteld dat er sprake is van een publiek belang en de KYC procedure niet heeft geleid tot opmerkingen dient Gedeputeerde Staten te beoordelen wat de impact van de individuele propositie is op de bestaande portfolio aan reeds ingezette instrumenten. Dit kan aan de hand van het in deel 1 uitgewerkte strategisch investeringskader. De belangrijke vragen hierbij zijn: Wordt voldaan aan de 10 investeringsprincipes? Hoe worden de 3 pijlers van de investeringsstrategie beïnvloed? vermogenssamenstelling rendementsdoelstelling investeringshorizon Hoe verhoudt het verwachte maatschappelijk en financieel rendement zich tot de risico’s? Wordt de vermogenssamenstelling dusdanig beïnvloedt dat niet meer voldaan kan worden aan de gewenste verhouding tussen investeringscategorieën. Ontstaat er bijvoorbeeld een (
  2. te)grote concentratie binnen een specifieke sector, of te grote afhankelijkheid van één individuele debiteur? Hoe beïnvloedt de propositie de flexibiliteit in de portfolio? Hoe lang staan de middelen vast? Hoe verhoudt de voorliggende propositie zich tot de andere actuele voorstellen, en moet er een keuze gemaakt worden? Het is hierbij van belang dat deze vragen worden beantwoord vanuit het perspectief van de gehele portfolio. Een individueel instrument kan wellicht een lager rendement hebben, maar dit moet dan uiteindelijk gecompenseerd worden door een ander hoger renderend instrument in andere projecten. Het streefrendement van de investeringsportefeuille is in hoofdstuk 7 (van deel 1) weergegeven. 1.5.Stap 3: rolbepaling en rolkeuze Na de bepaling van het (publieke) belang en de aansluiting bij het strategisch investeringskader van de Provincie is de rolkeuze de volgende stap richting het verder vormgeven van de provinciale betrokkenheid. Maatschappelijk doel- én resultaatbereik staat voorop: samenwerking / bestuurlijke alliantie is geen doel op zich. De vragen richten zich op het verkrijgen van inzicht in de wijze waarop de Provincie wil handelen/interveniëren en of zij een actieve of meer passieve betrokkenheid wenst. De vragen die hierbij, in willekeurige volgorde, gesteld kunnen worden zijn onder andere: Wat kan de Provincie? Tot welke rol en inspanning is de Provincie in staat? Staat de voorgestane inspanning in redelijke verhouding tot het te verwachten resultaat / effect? In welke mate is de Provincie bereid risico’s te dragen? Is de Provincie de meest geëigende overheid om dit vraagstuk op te pakken? Kan de Provincie zelfstandig optreden of dient samen met (een) publieke partner(
  3. s)en/of met marktpartijen te worden gehandeld? Is er een private partij bereid mee te werken aan wat de Provincie wil (indien de Provincie daarbij een samenwerking met een private partij voor ogen heeft)?14De overheid en een marktpartij hebben in beginsel niet parallel lopende belangen. Specifiek voor publiek-private samenwerking zie: “Attentiepunten PPS”, Provincie Limburg, mei 2008. Welke verdeling van taken en van kosten, opbrengsten en risico’s in een samenwerking met private partijen vindt de Provincie wenselijk, gelet op het beoogd doel/belang? Is de Provincie bereid om het project als één geheel vorm te geven en te realiseren (integrale aanpak) en daarmee te accepteren dat de complexiteit en risico’s zullen toenemen? Welke eis kan gesteld worden aan de revolverendheid van de ingezette middelen? De rolkeuze hangt samen met de mate van revolverendheid. Juridische en fiscale aspectenAndere, meer juridische, onderdelen die bij de rolbeschrijving aan de orde kunnen komen, zijn onderwerpen als staatssteun, aanbestedingsaspecten evenals toetsing of en in hoeverre (meer) overheidshandelen op de markt prijsvorming beïnvloedt. Daarnaast kunnen fiscale aspecten een rol spelen. Passief naar actiefHet beantwoorden van voornoemde vragen leidt tot een voorlopige richting van welke rol door de Provincie wordt geprefereerd ter realisatie van het initiatief. Hierbij kan sprake zijn van een passieve dan wel een meer actieve rol. “Actief” ziet hier op een permanente (inhoudelijke) betrokkenheid bij de realisering van een publiek doel. Figuur 8Ter illustratie isde bovenstaande afbeelding waarbij uiterst links een “passieve” rol van de Provincie volstaat om het publiek belang te borgen. Uiterst rechts (actief) is een actieve en meer permanente betrokkenheid van de Provincie noodzakelijk, tot het niveau dat zij zelf eigenaar/aandeelhouder en/of ondernemer is en de daarbij behorende risico’s aanvaardt. Dit laatste zal veelal in samenwerking met anderen gebeuren. In bijlage 9 wordt ter illustratie de wijze van sturing bij de verschillende instrumenten nader uitgediept. Rol ProvincieVolledigheidshalve zij opgemerkt dat de Provincie in projecten vaak meerdere rollen vervult (bijvoorbeeld aandeelhouder, financieerder, subsidiënt, vergunningverlener etc). Bij het vervullen van meerdere rollen neemt het risico van rolvermenging toe. Daarnaast kunnen rollen tijdens het traject wijzigen. Bij de standpuntpuntbepaling als aandeelhouder maakt het college van GS een zorgvuldige en transparante afweging tussen de (financiële) belangen als aandeelhouder enerzijds (portefeuillehouder financiën) en de (beleidsinhoudelijke) belangen van de Provincie als opdrachtgever anderzijds (inhoudelijk portefeuillehouder). Daarnaast is vaak ook nog sprake van diverse andere rollen en belangen van de provincie Limburg (statutair bestuurder, financier etc.) en/of Gedeputeerde Staten als publiek orgaan (vergunningverlener, bevoegd gezag etc.). Door de collegiale GS-besluitvorming is in principe een integrale en transparante afweging van al deze belangen/doelen geborgd. Essentieel is wel dat de verschillende rollen en daaraan gekoppelde belangen, inzichtelijk gemaakt worden. Dit dient in principe in afzonderlijk GS-voorstellen te worden verwerkt15De complexiteit van rollen en belangen heeft er in 2018 en 2019 toe geleid dat GS hebben besloten dat een rollendocument wordt vastgesteld in dossiers waarin dat is aangewezen en dat voorstellen betreffende verschillende rollen afzonderlijk van elkaar voor GS geagendeerd worden (GS 22 mei 2018 resp. 21 mei 2019)., of – daar waar besluiten in elkaars verlengde liggen en dus het beste in éen nota verwerkt kunnen worden – met een duidelijk uiteenzetting van beide belangen binnen de nota zelf. In een voorstel voor Gedeputeerde Staten (nieuwe financiering, beoogde subsidie, standpunt aandeelhoudersvergadering etc.) wordt aangegeven welke rol of rollen de Provincie heeft. Zodra de provincie meerdere rollen vervult kunnen deze mogelijk onderling conflicteren. Om die reden wordt in GS voorstellen waar meerdere rollen aan de orde zijn standaard gewerkt met een rollendocument of een toelichting in de GS nota waarin de rollen inzichtelijk worden gemaakt en de daaraan gekoppelde belangen. Het verdient de voorkeur om besluitvorming vanuit verschillende rollen (b.v. financieringsvoorstel en vergunning) via separate voorstellen aan GS voor te leggen met onderlinge verwijzing. Daar waar besluiten in elkaars verlengde liggen kunnen deze het beste in één nota verwerkt worden met een duidelijk uiteenzetting van de betrokken belangen binnen de nota zelf zoals hierboven is aangegeven (Zie in dit verband ook 7.6.2, passage over standpunt bepaling aandeelhouder). Naarmate de rol van de Provincie meer actief wordt neemt het risicoprofiel toe. In figuur 8 zijn de rollen van de Provincie opgenomen in de blokken in de volgorde van laag naar hoog risico en respectievelijk van passieve naar actieve betrokkenheid. 1.6.Stap 4: de gewenste of meest geëigende wijze van sturing Nadat de vereiste dan wel gewenste rol is bepaald, is het van belang om stil te staan bij de (gewenste) wijze van sturing bij realisatie van het project. Waar publiekrechtelijk partijen zijn onderworpen aan de regels van het bestuursrecht met waarborgen voor onder andere democratische controle en openbaarheid, vindt de uitvoering door of in samenwerking met privaatrechtelijke partijen juist plaats buiten de regels van het publiekrecht en buiten de directe invloedsfeer van de Provincie (bijvoorbeeld via oprichting van een entiteit of via een Publiek-Private Samenwerking PPS). Tegelijkertijd worden via de (privaatrechtelijke) uitvoering wel provinciale doelstellingen gerealiseerd waarvoor het provinciaal bestuur maatschappelijk en politiek verantwoordelijk blijft. Daarom is het van belang dat de Provincie bij uitvoering of samenwerking in voldoende mate kan sturen, beheersen en daarop toezicht kan houden, zodat zowel de betreffende organisatie als de Provincie zich kan verantwoorden over de uitvoering van taken en de realisatie van doelstellingen. Hierbij horen, in willekeurige volgorde, de volgende vragen: Welke zeggenschap wil de Provincie op het project en het proces, bijvoorbeeld vanuit oogpunt van borging van het publiek belang en van de kwaliteit van de publieke dienstverlening, de beheersbaarheid van het project of de wenselijkheid om tussentijdse wijzigingen te kunnen doorvoeren? Hoe verhoudt de gewenste sturing zich met verantwoording en het controleproces richting bijvoorbeeld PS? In hoeverre is de Provincie in staat te sturen op de beoogde doelrealisatie zoals dat omschreven is in het ondernemings- of businessplan?16Een ondernemings- of business plan bevat gedetailleerde informatie over de activiteiten van de onderneming. Het bestaat uit een kwalitatief c.q. inhoudelijk deel al dan niet aangevuld met een kwantitatief c.q. financieel deel. Heeft dit gevolgen voor de te kiezen rol en voor het in te zetten financieel instrumentarium? Wat zijn de risico’s/kansen van de voorliggende provinciale interventie? Het is van belang om zo goed mogelijk af te wegen of de risico’s van het nemen van een belang in een private organisatie opwegen tegen het publieke belang dat de Provincie wil dienen. De onaanvaardbaarheid van risico’s zal in elk specifiek geval anders liggen. Dit moet tot uiting komen in de argumentatie ten aanzien van de gemaakte keuze. Risicoanalyse maakt ook onderdeel uit van de financiële toets. Op welke wijze kan de Provincie sturen op een goede timing (moment van instap en vooraf te bepalen exit-strategie)? Welke risico’s/kansen spelen een rol bij het aspect communicatie? Op welke wijze komt de Provincie in een positie dat zij daarop kan sturen? Parallel aan de rolkeuze uit stap 3 leidt het beantwoorden van eerder benoemde vragen tot een voorlopige richting welke sturing door de Provincie wordt geprefereerd ter realisatie van het initiatief. Hierbij kan sprake zijn van een actieve sturing (sturing “dichtbij”), dan wel een meer passieve sturing op de doelrealisatie tijdens de uitvoering (sturing op afstand). Soms volstaat een “passieve” sturing om het publiek belang te borgen, bijvoorbeeld via kaderstelling of het vastleggen van verplichtingen/voorwaarden in een subsidiebeschikking (niet revolverend) of in een geldlening (revolverend). In andere gevallen is een ‘actieve’ en meer directe sturing tijdens de uitvoering wenselijk of noodzakelijk, bijvoorbeeld in de rol van aandeelhouder. Figuur 9Een actieve sturing ‘dichtbij’ tijdens de uitvoering (bijvoorbeeld in de rol van aandeelhouder) gaat meestal in combinatie met een juridische entiteit met rechtspersoonlijkheid ‘op afstand van de Provincie’. 1.7.Stap 5: financiële toets mede in relatie tot maatschappelijk rendement Onderdeel van deze afweging is de beschikbaarheid van middelen in absolute zin (is er budget: ja of nee) en in relatieve zin (tijdstip waarop middelen beschikbaar moeten zijn, periode van uitzetten en condities waaronder). Bepalend zijn: Deze nota; De programmabegroting (beschikbare middelen); De vigerende Financiële Verordening Provincie Limburg; Wettelijke regels betreffende staatssteun, de Wet markt en Overheid, de Wet houdbaarheid overheidsfinanciën (HOF), de Wet Fido, de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (overdrachtsbelasting), Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op het BTW-compensatiefonds en alle daarbij behorende regelgeving en jurisprudentie. Met gebruikmaking van bovenstaande spelregels wordt per projectvoorstel een financiële toets verricht. Deze bestaat uit: Het beoordelen van een business case / financiële haalbaarheid17Zie handreiking beoordeling businesscases.; Het beschrijven van een risicoprofiel, risico’s en beheersmaatregelen vanuit een provinciaal perspectief; Het beschrijven van het verwachte financieel (alle kasstromen) en maatschappelijk rendement18Het gaat hierbij om input/output-outcome in termen van maatschappelijke effecten. van het voorstel; Het bepalen van de kredietrating van de onderneming en risicoreservering voor de investering; Het beschrijven van welk moment er sprake is van financieel en of maatschappelijk rendement. De bepaling en beschrijving van het maatschappelijke rendement kan bestaan uit de volgende elementen: Beschrijving van de mate waarin de voorliggende business case invulling geeft aan de doelen en indicatoren van de Programmabegroting; Beschrijving van de mate waarin partners zich financieel committeren aan het projectvoorstel/de business case of met andere woorden: wat is het hefboomeffect/multiplier van een financiële provinciale bijdrage; Beschrijving van de maatschappelijke baten (kwalitatief en kwantitatief) van het voorstel op basis van sectorspecifieke criteria (onderscheid naar mobiliteit, cultuur, etc.); Beschrijving van werkgelegenheidseffecten of andere social return factoren, zowel tijdelijk en structureel. Voor het vaststellen van maatschappelijke baten zijn er zo nodig verschillende ondersteunende methodieken voorhanden zoals: Economische effect analyse19Het geeft concreet aan wat de economische effecten zijn van een specifiek project op de regio.; Multi criteria analyse20Multicriteria-analyse (MCA) is een wetenschappelijke evaluatiemethode om tussen diverse discrete alternatieven een rationele keuze te maken. Bijvoorbeeld: met MCA kunnen scores op economische, ecologische en sociale criteria bij elkaar worden opgeteld, om alternatieve trajecten voor een nieuwe weg te rangschikken.; Maatschappelijke kosten-baten- analyse21De voor- en nadelen van een project voor de omgeving worden daarbij in geld uitgedrukt, zodat een goede afweging gemaakt kan worden of het project wel of niet door kan gaan.. KostenramingssystematiekBij omvangrijke projecten (voornamelijk Infrastructurele projecten) wordt aandacht gevraagd voor de toegepaste kostenramingsmethodiek. Binnen de Provincie Limburg wordt de probabilistische kostenraming gebruikt bij grote projecten. Aan de hand van verschillende input variabelen wordt hierbij een groot aantal simulaties uitgevoerd (uitgebreide toelichting in bijlage 11). Het resultaat van deze methode is een statistisch berekend gemiddelde waarde van de kosten, met een spreiding als gevolg van onzekerheden en de nauwkeurigheid van de onderliggende input variabelen. Door misinterpretatie of verkeerd gebruik van de probabilistische ramingssystematiek bestaat het risico dat in besluitvormingsprocessen keuzes worden gemaakt op grond van onjuiste aannames over de mate van onzekerheid van de kostenramingen. Het advies is om de classificatiemethodiek te hanteren die in bijlage 11 is opgenomen. Zodra de leidraad kostenbegrotingsmethodiek is vastgesteld door GS, en ter kennisname aan PS is gestuurd, wordt deze als addendum toegevoegd aan SIS 3.0. Geadviseerd wordt om bij omvangrijke projecten een tabel (zie bijlage 11) op te nemen in de GS en PS nota en de classificatiemethodiek te hanteren. Dit om transparante communicatie over de betreffende ramingen te waarborgen. Het laat gebruikers immers eenduidig zien welke waarde gehecht kan worden aan de raming en voor welk doel deze geschikt is. Indien wordt afgeweken van deze methodiek (bijv. raming wordt voor een ander doel gebruikt dan passend volgens de methodiek), dient hier een solide onderbouwing van te worden opgenomen in de GS en / of PS nota. Maatschappelijk rendementIn aanvulling op het voorwaardelijke publiek belang uit stap 1 vragen wij vanuit ons maatschappelijk oogpunt een uiterste inspanning op het vlak van ‘Social Return on Investment’ aan eenieder die gebruik maakt van het Provinciaal instrumentarium. Dit heeft betrekking op de volle breedte van instrumenten uit stap 6. Hierbij streven wij overall naar een SROI van 5% op het geïnvesteerd vermogen. Bij elke individueel instrument wordt een minimaal maatschappelijke impact opgenomen en bij voorkeur gekwantificeerd in aantallen of in percentage. Zodat de maatschappelijke impact van de geïnvesteerde euro kan worden berekend. Hoe hoger het geïnvesteerde bedrag hoe meer maatschappelijke impact van één geïnvesteerde euro mag worden verwacht. Indien het niet mogelijk is om een maatschappelijke impact op te nemen wordt dit in het advies aan College of aan de Staten opgenomen. Afspraken en doelstellingenIn deze menustap worden ook de afspraken en doelstellingen onder welke voorwaarden de financiering wordt verkregen smart geformuleerd. Hierbij hoort ook de vastlegging over de frequentie van evaluatie en wat hierover in de periodieke rapportage van de tegenpartij moet worden opgenomen. Deze afspraken, doelstellingen, frequentie en hoe deze informatie wordt verstrekt wordt officieel vastgelegd, bijvoorbeeld in de leningovereenkomst. 1.8.Stap 6: de in te zetten instrumenten Om publieke belangen te borgen beschikt de overheid over verscheidene instrumenten. Een groot deel hiervan is publiekrechtelijk van aard. In een oplopende schaal van een passieve rol (publiekrechtelijke instrumenten) met lage risico’s naar een actieve rol (privaatrechtelijke instrumenten) onderscheiden we: Regelgeving, beleid en communicatie; subsidie; opdracht; financiering (garantie/borgstelling en geldlening); verbonden partijen; eigendom en exploitatie van onroerende zaken (grond en gebouwen) door actief grond- en vastgoed beleid. Schematisch ziet de verdeling in instrumenten als volgt uit: Figuur 10 – Provinciale instrumenten (blauw staat voor bestuursrechtelijk en rood voor privaatrechtelijk)Bij de keuze voor een specifiek instrument zijn van invloed: de gekozen rol, de gewenste sturing, de financiële toets (incl. revolverendheid, kredietrating) en het verwacht/beoogd financieel- en maatschappelijk rendement op het eindresultaat. Daarnaast zijn instrument specifieke factoren mede bepalend voor de keuze. Een aantal instrumenten is financieel van aard (financiering), een aantal heeft betrekking op vormen van samenwerking (verbonden partijen). Vaak wordt gekozen voor het gecombineerd inzetten van instrumenten: het instrument verbonden partijen (bijv. aandeelhouderschap in een B.V.) kan worden gecombineerd met een instrument van financiering (bijv. geldleningen en/of borgstellingen). Als op deze punten eenmaal een keuze is gemaakt dan kan het meest geëigend instrument al op hoofdlijnen worden bepaald. Bij de te maken instrument keuze moet ook worden getoetst of er geen sprake is van ongewenste staatssteun of strijd met Europese (aanbestedings)regels. Dit kan in principe een rol spelen als er sprake is van niet marktconform handelen of als er sprake is van strijd met mededingingsregels. Is de conclusie dat sturen op afstand voldoende is, dan liggen de volgende provinciale instrumenten voor de hand: subsidie met subsidievoorwaarden; (achtergestelde) lening of verstrekken van een borgstelling; regelgeving in combinatie met handhaving, toezicht of concessies (o.a. openbaar vervoer); opdrachtverlening aan derden op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst; (mede)initiatief tot de oprichting van een privaatrechtelijke deelneming zonder daaraan deel te nemen) Is een actieve betrokkenheid wenselijk of noodzakelijk, dan is de vraag aan de orde of een juridische entiteit met rechtspersoonlijkheid wenselijk of noodzakelijk is. Rechtspersoonlijkheid kan wenselijk of noodzakelijk zijn voor: het zelfstandig kunnen uitoefenen van rechtshandelingen (‘eigen’ gezicht naar buiten toe); het kunnen aantrekken/inhuren van eigen personeel; het hebben van eigen vermogen. Is rechtspersoonlijkheid niet nodig22Ook de privaatrechtelijke instrumenten C.V., VoF en maatschap hebben geen rechtspersoonlijkheid (zie artikel 2, boek 2, Burgerlijk Wetboek)., dan zijn mogelijke (publieke of private) samenwerkingsvormen: instellen van een platform, stuurgroep of adviescommissie; afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst, convenant, intentieverklaring of bestuursakkoord; gemeenschappelijke regeling (gemeenschappelijk orgaan, centrumgemeenten constructie, ‘lichte’ regeling). Is het oprichten en/of deelnemen in een entiteit met rechtspersoonlijkheid wel wenselijk of noodzakelijk dan gaat het vervolgens om de vraag welke rechtsvorm de voorkeur heeft: de privaatrechtelijke of de publiekrechtelijke. Mogelijke overwegingen voor een publiekrechtelijke rechtsvorm (openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr): het onderwerp van samenwerking is een zaak van publiekrechtelijke aard; een publieke samenwerkingsvorm is onderworpen aan de regels van het publiekrecht, waarin bepaalde waarborgen zijn opgenomen voor het gebruik van bevoegdheden, besluitvormingsstructuren, beïnvloedingsmogelijkheden, democratische controle en openbaarheid; de WGR faciliteert de samenwerking tussen Provincies, gemeenten en waterschappen; ook kunnen rijk en andere rechtspersonen deelnemen. Deelname is echter aan bepaalde voorwaarden verbonden (artikel 94 en 97 voor rijk en artikel 93 en 96 voor andere rechtspersonen). Voor ‘andere rechtspersonen’ geldt dat zij alleen kunnen deelnemen, indien hun bestuur bij Koninklijk Besluit dat in de Staatscourant wordt geplaatst, daartoe is gemachtigd. Mogelijke overwegingen voor een privaatrechtelijke rechtsvorm (N.V., B.V., stichting of vereniging): een private organisatie biedt de mogelijkheid om slagvaardig, efficiënt en professioneel als marktpartij op te treden; het terugdringen van bestuurlijke drukte; het privaatrecht kan maatwerk bieden; voor de verwezenlijking van de doelstelling kunnen private gelden worden aangetrokken; de markt zal er bij een privaatrechtelijke rechtsvorm eerder vanuit gaan dat de investering van de Provincie in een project moet renderen; een privaatrechtelijke rechtsvorm biedt de mogelijkheid dat rendement uit de rechtsvorm kan worden onttrokken (bijvoorbeeld via dividenduitkering); flexibiliteit voor wat betreft het toetreden van andere partijen op een later moment. Nadeel is dat een democratische legitimatie ontbreekt. Publiekrechtelijke waarborgen zijn niet van toepassing. Dit moet worden ondervangen door extra aandacht voor de elementen van ‘corporate governance’, o.a. in de statuten. In bijlage 9 wordt de sturing per instrument nader toegelicht. Tevens is in figuur 11 een overzicht opgenomen met sturingsmodaliteiten. Sturing op inhoud tijdens de uitvoering Financieel en politiek risico Subsidie Sturing bij start via bepalingen in subsidiebeschikking. Daarnaast bijsturing op basis van meldplicht door ontvanger en tussentijdse monitoring. De verstrekte subsidie kan onrechtmatig worden besteed. Borgstelling/ garantstelling Sturing bij start via bepalingen in borgstelling/garantstelling overeenkomst. Bij inroepen garantie. Hoogte van het risico is beperkt tot de hoogte van de garantie. Opdracht Sturingmogelijk op basis van voortgang, periodieke evaluatie, termijnnota’s en meerwerk/minderwerk. Eindproduct/resultaat voldoet niet aan eisen of verwachtingen. Geldlening met zekerheid (bijv. een hypothecaire lening) Sturing bij start via bepalingen in geldleningovereenkomst. Indien de gestelde zekerheden niet binnen redelijke termijn en voor een redelijke prijs kunnen worden verkocht. Geldlening zonder zekerheid Sturing bij start via bepalingen in geldleningovereenkomst. Bij gebrek aan baten dan wel faillissement gaat het geld verloren (achtergestelde schuldvordering). Deelneming in Vennootschappen Sturing tijdens de uitvoering via AvA, op basis van statuten, begroting, kwartaalcijfers en aandeelhoudersovereenkomst. Risico over het ingebrachte vermogen. Stichting Bij stichting als verbonden partij sturing bij start via doelomschrijving in statuten en via financieel afsprakenkader (bijvoorbeeld subsidiebeschikking); stichting met enkel subsidierelatie/opdracht zie boven. Risico t.a.v. het ingebrachte vermogen. Wet Gemeenschappelijke Regeling Sturing tijdens de uitvoering middels Algemene Vergaderingen, begroting, jaarrekening. Risico hangt samen met de inbreng. De participerende overheden zijn volledig financieel aansprakelijk. Eigendom en exploitatie onroerende zaken (grond en gebouwen) Als eigenaar absolute sturing mogelijk. Risico’s als eigenaar en exploitant van vastgoed. Figuur 11 2.SAMENSPEL GS en PS 2.1.Algemeen In deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op het samenspel GS en PS voor wat betreft de instrumenten verbonden partijen en financieringen. Dit in lijn met hetgeen daarover is bepaald in de Provinciewet. 2.2.Samenspel bij verbonden partijen PS zijn verantwoordelijk voor de hoofdlijnen van het provinciaalbeleid en voor de keuze van wat de Provincie in de komende jaren wil bereiken (de “wat”-vraag). De kaderstellende keuzes, passend binnen het Collegeprogramma, leggen PS vast in de programmabegroting en in beleid. GS richten zich op de operationalisering van dit kader (de “hoe” vraag). Via de actieve informatieplicht dienen GS verantwoording af te leggen aan PS. De informatievoorziening vanuit GS over verbonden partijen richt zich op informatie, die voor PS nodig is om haar kaderstellende en controlerende taak uit te oefenen. Het gaat om informatie die PS nodig hebben om te ‘sturen’ en daarmee grip te houden op de verbonden partijen23Op 18 april 2019 heeft de Zuidelijke Rekenkamer het rapport “Handreiking Financiële Bindingen provincie Limburg opgeleverd. Deze handreiking – met gedetailleerd achtergronddocument – biedt zicht op de belangrijkste ontwikkelingen in deelnemingen, leningen en garanties die de provincie Limburg is aangegaan of heeft verleend. De handreiking bevat tevens een overzicht van de belangrijkste momenten en de vragen die Statenleden kunnen stellen bij de door Gedeputeerde Staten aangeboden informatie.. Deze sturingsinformatie dient nadrukkelijk onderscheiden te worden van informatie die meer operationeel van aard is. Dit is informatie die GS nodig hebben van verbonden partijen, om, bijvoorbeeld vanuit de rol van actieve aandeelhouder, invloed uit te oefenen en te kunnen sturen of die het management nodig heeft om het project te kunnen beheersen tijdens de uitvoering. Voor de rolverdeling tussen PS en GS zijn de artikelen 158 en/of 167 van de Provinciewet van belang. Hierna zal voor wat betreft het samenspel GS-PS worden ingezoomd op 3 onderdelen te weten: Het aangaan van verbonden partijen; Het beheren van verbonden partijen; Het beëindigen van verbonden partijen. A. Het aangaan van verbonden partijenOp basis van artikel 158 Provinciewet dienen GS vóór het aangaan van een verbonden partij, PS in staat te stellen om hierover wensen en bedenkingen kenbaar te maken. Pas nadat deze stap is doorlopen, kunnen GS een definitief besluit tot deelneming nemen Vanuit hun kaderstellende rol moeten PS zich bij een voornemen van GS tot deelname aan een verbonden partij een oordeel vormen over de expliciete doelstelling(
  4. en)en eventueel belangrijke wijzigingen, de exit-strategie en de vraag of hiermee het publiek belang gediend wordt. Tijdens de uitvoering kunnen PS niet rechtstreeks sturen op de verbonden partij; dit is een taak van GS. PS controleren wel of de verbonden partij de provinciale taak conform de gestelde kaders uitvoert én of GS dit bewaken en zo nodig bijsturen. Informatievoorziening GS aan PSDe informatievoorziening van GS ten behoeve van de kaderstellende taak van PS richt zich primair op de vormgeving (en uitvoering) van de uitgangspunten van corporate governance bij verbonden partijen te weten: sturen, beheersen, toezicht en verantwoording24Overeenkomstig de aanbevelingen van de Zuidelijke Rekenkamer in haar Rapport Governance Verbonden Partijen provincie Limburg d.d. 29 september 2015 en rekening houdend met de bestuurlijke reactie van GS zoals verwoord in de brief d.d. 15 september 2015 (kenmerk: 2015/66387).. Aan de hand van deze governance-aspecten, zoals nader uitgewerkt in bijlage 8, zal door GS worden aangegeven welke stappen zijn –of zullen worden- gezet om te waarborgen dat sprake is van een goede afstemming tussen sturen, beheersen, verantwoorden en toezicht houden binnen en met de organisatie die publieke taken uitvoert. Het gaat er uiteindelijk om dat GS al bij het besluit om een deelneming aan te gaan, heldere afspraken vastleggen over aan welke randvoorwaarden de sturingsinformatie vanuit de deelneming moet voldoen (inhoud en wijze), rekening houdend met de wensen en bedenkingen vanuit PS. Op deze wijze kan optimaal invulling worden geven aan de sturings- en controlemogelijkheden voor PS. Het gaat hoofdzakelijk om informatie over de voortgang van de “hoe” vraag en de hoofdlijnen van ”wat” en de operationalisering daarvan aan de hand van de volgende hoofdelementen: doelstellingen; middelen/financiële aspecten; planning; eventuele risico’s met bijhorende beheersmaatregelen. B. Het beheren van verbonden partijenÉén keer per jaar leggen GS verantwoording af over het gevoerde deelnemingenbeleid, door middel van de paragraaf Verbonden Partijen in de provinciale jaarstukken conform het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Hierin rapporteren GS onder meer over de belangrijkste zaken en ontwikkelingen die in de afgelopen periode hebben plaatsgevonden evenals de belangrijkste beleidslijnen die zijn geformuleerd. Het BBV stelt in artikel 15 dat de paragraaf Verbonden Partijen ten minste de volgende onderdelen dient te bevatten: de visie op en de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen; de lijst van verbonden partijen, die wordt onderverdeeld in: gemeenschappelijke regelingen; vennootschappen en coöperaties; stichtingen en verenigingen, en overige verbonden partijen; de wijze waarop de Provincie een belang heeft in de verbonden partij en het openbaar belang dat ermee gediend wordt; het belang dat de Provincie in de verbonden partij heeft aan het begin en de verwachte omvang aan het einde van het begrotingsjaar; de verwachte omvang van het eigen vermogen en het vreemd vermogen van de verbonden partij aan het begin en aan het einde van het begrotingsjaar; de verwachte omvang van het financiële resultaat van de verbonden partij in het begrotingsjaar; de eventuele risico’s van de verbonden partij voor de financiële positie van de Provincie. Deze aspecten komen specifiek aan bod in de paragraaf Verbonden Partijen en daarnaast worden aanvullende gegevens per verbonden partij gemeld. Tevens vindt periodiek voor elke afzonderlijke deelneming een heroverweging plaats, waarbij getoetst wordt of het publieke belang dat wordt behartigd door de deelneming in een vennootschap, nog steeds optimaal wordt behartigd. De conclusie van deze heroverweging kan zijn: de deelneming ongewijzigd aan te houden; de deelneming aan te houden met wijzigingen; de deelneming af te stoten. De conclusie van deze overwegingen wordt binnen de P&C cyclus, middels de paragraaf Verbonden Partijen, verantwoord. Daarnaast wordt gekeken of er eventueel andere afspraken gemaakt moeten worden met betrekking tot de betreffende deelneming in een vennootschap. De beoordeling op basis van deze doorlopende monitoring krijgt een vaste plaats in de planning en control cyclus. Informatievoorziening GS aan PS De informatievoorziening van GS ten behoeve van de controlerende taak van PS richt zich op de verantwoording door GS (gebaseerd op de verantwoording door de verbonden partij aan GS) aan PS over de uitvoering van de governance-aspecten sturen, beheersen en toezicht.25Jaarlijkse ondernemingsplannen en kwartaalrapportages worden niet aan PS voorgelegd. Het is aan GS als bestuurlijk uitvoeringsorgaan om deze bedrijfsdocumenten te beoordelen. Aandachtspunt bij de informatievoorziening en verantwoording is dat dit vraagstuk dynamisch is: afhankelijk van de fase van een project of van maatschappelijke/economische ontwikkelingen kan de informatiebehoefte gedurende het traject wijzigen. Het is zaak om in de planning- en controlcyclus dit voor ogen te houden, zodat eventueel de vraag om informatie bijgesteld/aangevuld kan worden. Waar nodig kan met gebruikmaking van de bepalingen rond ‘geheimhouding’ uit de Provinciewet gevoelige informatie over concrete deelnemingen tussen GS en PS worden uitgewisseld. Hiermee kan enerzijds een adequate informatie-uitwisseling tussen PS en GS worden gewaarborgd en kunnen anderzijds bedrijfsbelangen worden ontzien. Ten aanzien van het proces omtrent geheimhouding en de opheffing daarvan wordt verwezen naar de brief gericht aan Provinciale Staten van 19-4-2016 met kenmerk GS 2016-28719. Geheimhouding wordt opgelegd daar waar het bijvoorbeeld bedrijfsgevoelige informatie betreft op het gebied van financiële (bedrijfs)gegevens, (strategisch) beleid of informatie die terug te leiden is naar individuele personen. Artikel 55 Provinciewet respectievelijk artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur zijn daarbij leidend. Wensen en bedenkingen PS (politiek of anderszins gevoelig aandeelhoudersbesluit Als het college van GS het voorlopig standpunt inneemt dat een voorliggend aandeelhoudersstandpunt kwalificeert als “politiek of anderszins gevoelig” danwel “ingrijpende gevolgen kan hebben voor de provincie” dan worden PS om wensen en bedenkingen gevraagd alvorens het college van GS een definitief standpunt/besluit neemt als aandeelhouder (artikel 167, lid 4. Provinciewet). Uitgangspunt: Bij de vormgeving en beheer van verbonden partijen en bij het verstrekken van informatie daarover aan PS zullen de governance aspecten ‘sturen, beheersen, toezicht’ als uitgangspunt worden gehanteerd inclusief de beoogde doelen en de realisatie daarvan. Deze governance aspecten zijn in bijlage 8 nader uitgewerkt. Indien binnen de verbonden partij besluiten zijn beoogd die leiden tot majeure wijzingen ten opzichte van de door PS vastgestelde kaders dan worden PS in staat gesteld hun wensen en bedenkingen ten aanzien van deze voorgenomen wijzigingen te uiten. Specifiek voor vennootschappen geldt het volgende: indien aandeelhoudersbesluiten zijn beoogd die kwalificeren als “politiek of anderszins gevoelig” danwel “ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de provincie” dan worden PS in staat gesteld hun wensen en bedenkingen ten aanzien van deze voorgenomen –door GS in te nemen- standpunten te uiten. C. Het beëindigen van verbonden partijenHoewel de Provinciewet geen specifiek artikel kent met betrekking tot het beëindigen van verbonden partijen, is de tekst van artikel 158 Provinciewet ook hierop van overeenkomstige toepassing verklaard door PS. Dit betekent dat GS pas een besluit tot volledige uittreding kunnen nemen nadat PS in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van GS te brengen. In de gevallen dat de belangen of (politieke) risico’s zeer gering zijn zullen PS geïnformeerd worden over de beëindiging van een verbonden partij. 2.3.Samenspel bij geldleningen, borgstelling en waarborgen Informatievoorziening GS aan PS Een belangrijk artikel in de het vigerende Financiële verordening Provincie Limburg is artikel 13 lid 4 Financieringsfunctie. Hierin is opgenomen o.a. dat GS in ieder geval vooraf PS informeren en pas een besluit nemen nadat PS in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van GS te brengen voor zover het betreft: het verstrekken van borgstellingen, leningen en waarborgen naar derden voor bedragen groter dan € 2,5 miljoen. bij borgstellingen, leningen en waarborgen onder deze limiet geldt de actieve informatieplicht door het college van GS aan PS. indien naar het oordeel van GS sprake is van politiek of anderszins gevoelige dossiers worden deze ongeacht de omvang voor wensen en bedenken aan PS voorgelegd. Daar waar meerdere instrumenten in één keer worden ingezet en cumulatief een omvang groter dan € 2,5 miljoen hebben, zullen uw Staten tevens actief worden geïnformeerd. Provinciale Staten worden geïnformeerd welke rollen de Provincie vervult. Verantwoording aan PS over de verstrekte financieringen GS leggen verantwoording af over de verstrekte financieringen door middel van de reguliere financiële planning en control cyclus. In de programmabegroting en de programmarekening (jaarverslag), evenals in de tussentijdse rapportages wordt in de paragraaf Financiering gerapporteerd over de uitgezette gelden, verstrekte financieringen (inclusief garantie- en borgstellingen). Ook in de paragraaf Weerstandsvermogen wordt hieraan aandacht besteed, afhankelijk van de ontwikkeling van het risicoprofiel van de betreffende bedrijven c.q. projecten continue te monitoren. Een beoordeling van de vereiste omvang van het weerstandsvermogen in relatie tot de gesignaleerde risico’s maakt hier deel van uit. 3.PORTFOLIO BEHEER, RENDEMENT EN RISICO 3.1.Rendement en risico Het hierna in detail beschreven instrumentarium zal worden ingezet om de provinciale doelen te behartigen. Individueel zullen de inhoudelijke doelstellingen zeer divers zijn. Vanuit een financieel perspectief geldt er echter een overkoepelende doelstelling: Het voeren van een duurzaam financieel beleid. Dit duurzame beleid moet zijn weerslag vinden in de verhouding tussen de risico’s die de Provincie neemt en het rendement dat wordt gerealiseerd. Het rendement valt uiteen in drie categorieën: Rendement op eigen vermogen (deelnemingen) Rendement op vreemd vermogen (financieringen) Maatschappelijk rendement (niet-financiële effecten van de middelen: subsidie, financiering, deelnemingen) Teneinde duurzaam financieel beleid te voeren dienen deze vormen van rendement in lijn te zijn met het gelopen risico. In geval niet aan de rendementseis op eigen of vreemd vermogen kan worden voldaan, dient dit te worden gecompenseerd door het behaalde maatschappelijk rendement. Dit is niet altijd goed te kwantificeren, maar laat onverlet dat het een scherpe overweging dient te zijn in het besluitvormingstraject. De financiële impact dient hierbij duidelijk omschreven te worden samen met de overwegingen die leidend zijn in het besluit alsnog te investeren. Ingeval een project middels een samenstelling van instrumenten wordt gerealiseerd, moet het rendement op het gehele project in ogenschouw worden genomen. In deze paragraaf zullen hier enkele handvaten voor worden aangereikt. Rendement op vreemd vermogenHet rendement op vreemd vermogen (verstrekte geldlening) dient marktconform te zijn. Marktconformiteit ziet op het gehele pakket van voorwaarden (dus niet alleen op het rentetarief) en is in eerste instantie te definiëren als het rendement vereist door een onafhankelijke marktpartij onder gelijke omstandigheden (arm’s length). De opbouw van het rentetarief voor de geldlening is een basisrente en (krediet)opslagen. In het geval deze informatie niet voorhanden is wordt marktconformiteit van het rentetarief bepaald aan de hand van de staatssteun tabel zoals opgenomen in de Mededeling van de Commissie aangevuld met opslagen voor looptijd, senioriteit en andere bijzondere voorwaarden. Dit vergt input van het cluster Financiën. Rendement op eigen vermogenHet rendement op eigen vermogen wordt gebaseerd op het risicoprofiel van de investering. Dit rendement kan bestaan uit dividend, maar ook uit waardestijging van het kapitaalbelang. Omdat ingebracht eigen vermogen altijd is achtergesteld op ingebracht vreemd vermogen, is het risicoprofiel bij kapitaalinbreng per definitie hoger dan bij een financiering en moet het verwacht rendement hoger zijn. In bijlage 7 wordt toegelicht hoe het vereist rendement op eigen vermogen kan worden bepaald. Bij GS en PS besluitvorming ten aanzien van kapitaal/agio stortingen dient inzichtelijk te zijn wat het verschil is tussen het verwachte rendement (businessplan), en het theoretisch vereiste rendement (hoofdstuk 7 van deel 1). Maatschappelijk rendementHet maatschappelijk rendement is de niet-financiële impact van de investering op de maatschappij. De Provincie wil naast het financieel rendement een maatschappelijke impact ook wel SRI (Social return on Investment) realiseren. De impact kan op verschillende aspecten teweeg worden gebracht: werkgelegenheid, verduurzamen, CO2 reductie, verbetering leefgebied etc. Bij elk individueel (financierings)instrument zal naast een financieel rendement ook een minimaal maatschappelijk rendement / impact worden opgenomen. Met andere woorden: wat moet er extra op maatschappelijk vlak met deze investering worden bereikt? Dit kan door het gebruik maken van indicatoren die uitdrukken welke maatschappelijke voordelen bij de besteding worden bereikt. (b.v. werkgelegenheid, samenwerking met kennisinstellingen, gezondheid). Of als het in kapitaal kan worden uitgedrukt, in percentage van het geïnvesteerd vermogen of als impact van één geïnvesteerde euro worden uitgedrukt. De basis hierin is: Hoe hoger het geïnvesteerde bedrag, hoe meer maatschappelijke impact van één geïnvesteerde euro mag worden verwacht. Indien het niet mogelijk is om een maatschappelijke impact op te nemen dan wordt dit in de nota aan GS of PS opgenomen. De resultante van de hierboven beschreven analyse zal in samenhang met de (externe) analyse van de business case worden vertaald in een onafhankelijk advies van de beleidsafdeling, dat ook als zodanig herkenbaar wordt gemaakt in de GS en PS nota’s. De uitgevoerde werkzaamheden die leiden tot voornoemd advies worden tevens vastgelegd in een daartoe bestemde applicatie. Hiermee wordt beoogd een duidelijk en zichtbaar onderscheid te maken tussen de beleidsinhoudelijke doelstellingen van een specifiek project en de overkoepelende doelstelling van duurzaam financieel beleid gericht op instandhouding van het Provinciaal vermogen. 3.2.Portfolio beheersing Bovenstaande omschrijving gaat uit van individuele provinciale investeringen. De provincie heeft een investeringsportefeuille opgebouwd, samengesteld uit de diverse individuele investeringen middels deelnemingen en financieringen. Dit biedt voordelen met name uit hoofde van risicospreiding. Als gevolg van spreiding in de portefeuille wordt het rendement van de portefeuille minder gevoelig voor tegenslagen van een bepaalde sector of instrument. Er zijn dan immers andere investeringen die hierdoor niet geraakt worden. Dit houdt tevens in dat bij het investeringsbesluit van een individueel instrument gekeken moet worden naar de samenstelling van de gehele portefeuille. Concreet resulteert dit in twee leidende principes: Inzet van instrumenten dient te worden afgewogen in het licht van de investeringsstrategie op portfolio niveau met het oog op het realiseren van een optimale spreiding. Deze strategie wordt beschreven in deel 1 van deze nota. Borging verloopt via de investeringsprincipes en de investeringsrichtlijnen. Het behaalde totale rendement op portfolio niveau onder aftrek van eventuele afwaarderingen resulteert in koopkrachtbehoud. Daar waar individuele projecten geen bijdrage leveren aan deze doelstelling dient dit door andere projecten gecompenseerd te worden. Dit is verwerkt in de rendementsdoelstelling onderdeel van de investeringsrichtlijnen. 3.3.Rapportage over revolvererend instrumentarium De wijze van inzet van provinciale middelen in revolverende instrumenten wordt periodiek besproken in de Treasurycommissie voor het instrument ‘financieringen’. Op dit moment is de adviserende rol van deze commissie daarmee beperkt tot de feitelijke treasury portefeuille (obligaties) en de uitzettingen publieke taak via ‘financieringen’. Het doel van de Treasurycommissie, zijnde het op strategisch vlak adviseren over het treasury beleid en toezicht houden op de uitvoering ervan, zal worden uitgebreid naar het adviseren over het gehele revolverende instrumentarium. Dit impliceert dat naast de obligatieportefeuille en financieringen tevens de instrumenten verbonden partijen en erfpacht worden betrokken. In relatie tot de bredere rol van de commissie zal de rapportagecyclus richting college en Provinciale Staten op vergelijkbare wijze worden uitgebreid. Deze werkwijze sluit tevens aan bij de integrale risicoreserve zoals deze is ingesteld voor inzet van financieringen, verbonden partijen en erfpacht. 3.4.Inzet van middelen De inzet van provinciale middelen gaat gepaard met diverse spelregels. Beginnende met de volgorde waarin geput kan worden uit de diverse financieringsbronnen. Inzet van middelen vindt bij voorkeur plaats in de onderstaande volgorde: Reguliere begrotingsruimte Intensiveringsmiddelen Financieel revolverende inzet (met risico reservering uit de reguliere begrotingsruimte) Categorie 1 en 2 zullen verwerkt worden in de exploitatie en hebben daarmee een direct effect op het jaarrekeningresultaat. In geval van financieel revolverende inzet (categorie 3) is er geen sprake van een effect in de resultatenre

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.