Sturing in Samenwerking 3.0 Het strategisch investeringsbeleid en uitvoeringskader1.MANAGEMENT SAMENVATTING Voor u ligt de nota “Sturing in Samenwerking 3.0: beschrijving strategisch investeringskader en de inzet van financiële instrumenten”. Deze nota is opgesteld met een brede beschouwing over de borging van publieke belangen, de wijze van uitvoering van provinciale doelstellingen en de afweging bij de inzet van de diverse instrumenten die daarvoor tot onze beschikking staan, in het bijzonder als het gaat om samenwerking met anderen. De instrumenten worden zowel individueel als in samenhang behandeld. Dit alles binnen de daartoe geldende wettelijke kaders. In het voorliggend stuk zijn de kaders en richtlijnen voor de inzet van het provinciaal instrumentarium uiteengezet. Daar waar voorheen (voor 2017) sprake was van een separaat uitvoeringskader (Sturing in Samenwerking) en separate investeringsrichtlijnen (Limburgs rendement en Amendement A1), zijn beiden in 2017 geactualiseerd en geïntegreerd in Sturing in Samenwerking 2.
(2001)Benefit Sharing. Een nieuw instrument voor een doelmatige overheid.. Door aan de voorkant dit inzichtelijk te maken (voor zover dit mogelijk en reëel is), kan er ook een betere inschatting gemaakt worden van de subsidiehoogte. Tevens kan hiermee voorkomen worden (bijvoorbeeld in PPS-constructies) dat de private partijen na afloop van het project met de revenuen ervandoor gaan. Dat is ook een politiek-bestuurlijk risico. 9.3.Nieuwe zakelijkheid voor de politiek-bestuurlijke omgeving Voor de politiek-bestuurlijke omgeving zijn er eigenlijk twee grote afwegingen die bij een offensieve investeringsstrategie moeten worden gemaakt. De eerste komt er in essentie op neer dat een hoger financieel rendement vaak het accepteren van een hoger risicoprofiel betekent. En een hoger risicoprofiel betekent enerzijds meer buffers inbouwen (risicoreserves, compenseren met andere projecten) wanneer er zaken fout gaan, maar ook accepteren dat zaken in de uitvoering kunnen tegenvallen c.q. dat risico’s zich effectueren waardoor in bepaalde gevallen verliezen optreden ondanks dat aan de voorkant goede inschattingen zijn gemaakt en monitoring adequaat is. Anderzijds vergt dit een actieve betrokkenheid in de uitvoering (risicomanagement, sturing op (inhoudelijke) resultaten). De huidige financieel-economische omstandigheden vertroebelen overigens het beeld van risico-inschatting. Met de huidige lage kapitaalmarktrentes lijkt het erop alsof alles boven deze rentetarieven meteen risicovol is. Dat hoeft niet perse zo te zijn, het is mede afhankelijk van de periode waarover men kapitaal wil investeren en vastleggen en welke zekerheden geboden kunnen worden. Wel vergt dit permanente monitoring (beleid financiën) van de ontwikkelingen zowel binnen de financiële markten als binnen de projectportfolio. Daarbij zullen ook naar nieuwe vormen van verantwoording gekeken moeten worden. Het actief managen van risico’s en de communicatie daarover (balans tussen openheid en vertrouwelijkheid) vergt ook een goed samenspel tussen het College en de Staten. Daarmee wordt in feite de tweede grote afweging voor de politiek duidelijk: de keuze tussen sturen op afstand of sturen vanuit actieve betrokkenheid. De uiteindelijke keuze hangt van veel verschillende zaken zoals een solide business case, betrouwbaarheid van de partners en de aard van het onderwerp. Wanneer men stuurt op afstand is het lastiger om tijdens de rit bij te kunnen sturen – los van formele evaluatiemomenten – en moet men bij het niet bereiken van de gestelde doelen stevig in de schoenen staan om de ingelegde hoofdsom (deels) terug te eisen. Wanneer men stuurt vanuit actieve betrokkenheid door bijvoorbeeld een deelneming is de Provincie ook zelf partij in de voortgang als aandeelhouder. Bovendien kan er een spanning ontstaan tussen de financieringsbehoefte van het project en de vooraf gewenste rendementseis. Als provinciale deelneming is het dan lastig om vanuit een ‘optimale’ beleggingsinsteek te handelen iets wat bijvoorbeeld in het beheer van onze obligatieportefeuille wel mogelijk is. Toch is nodig om de zakelijkheid aan de voorkant, ook te voorzien van een zakelijkheid in de beheerfase. Ook dat zegt iets over de Provincie als betrouwbare partner en extern verwachtingenmanagement. En dan kan ´nee´ zeggen of ´niet instemmen´ ook nodig zijn, alsmede de bereidheid vanuit de politiek dat sommige risico’s uiteindelijk zich kunnen voordoen en dan ook een verlies ontstaat. Natuurlijk is de inzet om bij de keuze voor een hoger risicoprofiel ook een groter positief maatschappelijk én financieel rendement te bereiken. 9.4.Ten slotte De spelregels zijn helder, alleen de praktijk van ´het maatschappelijk spel´ - daar zitten we middenin. Het is belangrijk om met elkaar de gedeelde uitgangspunten ook in de praktijk toe te passen en te kijken waar we tegen grenzen aanlopen, van anderen kunnen leren en vooral anderen uit te dagen om meer organiserend en investerend vermogen uit de Limburgse samenleving te halen. Dan, en vooral dan vindt u de Provincie Limburg aan uw zijde. Deel2a: Uitvoeringskader Sturing in Samenwerking 1.INLEIDING 1.1.Aanleiding De context waarin het uitvoeringskader 1.0 tot stand is gekomen, is niet gewijzigd. Wel heeft de toepassing van het kader geresulteerd in diverse praktische inzichten én zijn er diverse wijzigingen doorgevoerd in het wettelijk kader. Dit is verwerkt in het voorliggend stuk. De Provincie staat voor het realiseren van doelstellingen en effecten in en voor de Limburgse samenleving12De provincie legt haar doelen vast in een Collegeprogramma met als doel het op lange termijn versterken van het leef- en vestigingsklimaat in Limburg.. Zij kan dit in veel gevallen niet alleen of zelfstandig, maar heeft daar anderen bij nodig. Dit is geen nieuw fenomeen. Van oudsher worden veel maatschappelijke doelstellingen in samenwerking gerealiseerd. De steeds verder toenemende complexiteit vraagt naar een andere rol en inzet van middelen door de Provincie, in de vorm van maatwerkoplossingen. Hierbij wordt de Provincie steeds meer gevraagd voor een bredere en grotere inzet van haar financieel instrumentarium (van subsidiëren naar investeren). Verder is er een grote diversiteit aan samenwerkingsrelaties ontstaan en de verwachting is dat dit verder zal toenemen. Deze nota gaat achtereenvolgens in op: de overwegingen die ten grondslag liggen aan de keuze voor specifieke instrumenten, met behulp van een afwegingskader in de vorm van een menukaart. Het afwegingskader geeft aan onder welke omstandigheden een bepaald financieringsinstrument of samenwerkingsvorm kan worden ingezet, vertrekkende vanuit het publieke belang; de inzet van financieringsinstrumenten als borgstellingen, geldleningen en aandelenkapitaal; de meest gebruikte organisatorische (rechts)vormen bij samenwerkingsrelaties en de wijze waarop moet worden omgegaan met vertegenwoordiging, beloning en verantwoording (de sturing); criteria, beleidsuitgangspunten en afspraken voor corporate governance die bij de invulling van een samenwerkingsrelatie in de afweging betrokken moeten worden (leidraad). In deze nota wordt vastgelegd wat van belang is om in samenwerkingsrelaties (minimaal) te regelen om te borgen dat provinciale doelstellingen in die relaties ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Dit mag niet verworden tot een strak en eendimensionaal keurslijf waarin alle samenwerkingsrelaties geperst moeten worden. De diversiteit in relaties is te groot om op die wijze een werkbare situatie te creëren. Al naar gelang de aard van de samenwerking én positie en rol van de Provincie daarin, biedt de nota de ruimte om een voor die situatie passende oplossing te creëren waarbij aan in de nota gestelde randvoorwaarden invulling wordt gegeven en waarbij geopereerd wordt binnen de op die samenwerkingsrelatie van toepassing zijnde wettelijke kaders. Dit uitvoeringskader heeft voornamelijk betrekking op de uitvoeringsvormen “financiering” en "verbonden partijen”. In het navolgende worden deze categorieën uitgebreid toegelicht. 1.2.Menukaart Om provinciale doelen (binnen een maatschappelijke context) om te zetten naar concrete resultaten zijn een snelle doelmatige afweging van het publiek belang, een scherpere rolkeuze en maatwerkoplossingen (meer) centraal gesteld in onderstaand afwegingskader, dat 6 stappen doorloopt. Het afwegingskader is faciliterend aan het besluitvormingsproces. Het fungeert als menukaart om het publieke belang inhoudelijk te bepalen en geeft inzicht in de wijze waarop gemotiveerd kan worden gekozen voor de inzet van een instrument. Iedere beslissing/voornemen tot een investeringsbesluit wordt hiermee in zes stappen of afwegingen/keuzen, ieder afzonderlijk dan wel gecombineerd, voorbereid. De 6 stappen of afwegingen/keuzen kennen een onderlinge samenhang en worden hierna verder toegelicht. In het treasury advies worden deze 6 stappen uitgewerkt. Het treasury advies wordt onafhankelijk van de beleidsafdeling opgemaakt en wordt afgebakend en duidelijk opgenomen in GS nota’s. De 6 stappen of afwegingen zijn: De inhoudelijke belangenafweging, aan de hand waarvan wordt bepaald welk publiek doel/belang wordt gediend; De beoordeling van de impact op en relatie met de gehele portfolio van de Provincie van ingezette instrumenten; De rolbepaling en rolkeuze; De gewenste of meest geëigende wijze van sturing; De financiële toets (inclusief fiscaliteit) mede in relatie tot maatschappelijk rendement; De in te zetten instrumenten. In de volgende paragrafen worden de 6 stappen van de menukaart verder beschreven. Deze beschrijving bevat de te stellen vragen voor het vaststellen van de uitkomst van iedere stap. De 6 stappen of afwegingen/keuzen kennen een zeer grote onderlinge samenhang. De toepassing van deze menukaart is een iteratief proces. De uitkomst van stap 1 tot en met 6 is de basis voor de uiteindelijke afweging en keuze voor het passende (en voor te stellen) instrument. 1.3.Stap 1: afweging publiek belang, marktfalen en KYC procedure Deze stap bestaat uit drie onderdelen. 1) Afweging publiek belangDit is een belangrijk punt en dient als eerste te worden uitgevoerd (door het beleidscluster) voordat een verdere (financiële en risico) analyse plaats vindt. Indien de vraag of de propositie niet voldoet aan het publiek belang dan is er namelijk ook geen noodzaak tot ingrijpen of ondersteuning van overheidswege en zal er ambtelijk op basis van dit punt een negatief treasury advies worden verstrekt aan de portefeuillehouder en aan GS. Bij de door Gedeputeerde Staten te maken afweging (binnen de PS-kaders) wordt beoordeeld op welke wijze een vraag/propositie zich verhoudt tot onder andere: De provinciale bijdrage aan maatschappelijke doelen (publiek belang); Het Collegeprogramma; De programmabegroting met respectievelijk programma’s en majeure opgaven; Door PS vastgestelde beleidskaders/-keuzes. Vragen die hierbij gesteld kunnen worden zijn: Welk publiek doel wordt gediend met dit project/de voorgestelde propositie en in welke mate? Vanuit welk belang wordt er gehandeld? Wat wil de Provincie Limburg met het project bereiken in relatie tot doelen en indicatoren van de Programmabegroting? Uitkomst van deze beoordeling is de toetsing door Gedeputeerde Staten van de voorgestelde propositie aan de door Provinciale Staten (PS) vastgestelde kaders en daarmee de feitelijke bepaling door PS van het publieke belang. In zijn algemeenheid is sprake van een publiek belang als een taak gunstig is voor het welzijn van een groep inwoners, maar deze groep niet in staat is de taak zelf uit te (laten) voeren. Zonder overheidsingrijpen zou het belang dus niet goed tot zijn recht komen. Indien geen sprake is van een publiek belang, is er ook geen noodzaak tot ingrijpen van overheidswege. 2) MarktfalenAls het functioneren van de markt niet of te weinig bijdraagt aan de maatschappelijke welvaart kunnen er publieke belangen in het geding zijn. Dan is sprake van marktfalen13Bron: Definitie marktfalen Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken, ministerie Justitie en Veiligheid. en dit kan verschillende vormen hebben: Externe effecten die de markt niet (voldoende) kan corrigeren. Dit zijn effecten waaraan kosten zijn verbonden waarvoor geen markt bestaat (bijvoorbeeld milieuverontreiniging). Hierdoor is de prijs van goederen of diensten zonder interventie te laag. Publieke (collectieve) goederen. Bij collectieve goederen is voortbrenging via de markt uitgesloten, omdat de opbrengsten aan iedereen te goede komen en het gebruik door de een het gebruik door de ander niet uitsluit (bijv. dijken, defensie). Informatiescheefheid tussen vrager en aanbieder. Informatiescheefheid aan de kant van vrager of aanbieder leidt tot opportunistisch gedrag of suboptimaal keuzegedrag, waardoor de markt niet goed kan functioneren. Oneerlijke concurrentieverhoudingen (monopolie vorming). Dit is een situatie waarin één aanbieder zoveel macht verwerft dat het prijsmechanisme van de markt niet meer goed functioneert. Te hoge transactiekosten. Als de transactiekosten te hoog zijn, komt er geen markt tot stand. Zonder (financiële) ondersteuning van de Provincie gaat het project niet door. De provinciale bijdrage is gemaximeerd op de projectomvang minus de bijdrage van externe partijen én minus de beschikbare eigen middelen van de aanvrager, ook indien de aanvrager meer dan 10% eigen vermogen kan inbrengen. Het is namelijk niet de bedoeling dat publiek geld wordt ingezet daar waar vanuit de aanvrager middelen beschikbaar zijn. Om de aanvraag voor een financiering (geldleningen en borgstellingen) verder te kunnen behandelen moet er sprake zijn van marktfalen. Onder marktfalen wordt in dit kader verstaan: “externe partijen zijn niet of slechts deels bereid te financieren”. Dit dient te worden aangetoond door minimaal één (schriftelijke) afwijzing van een externe (naar het oordeel van de Provincie gekwalificeerde) financier en deze afwijzing wordt waarde-inhoudelijk getoetst door cluster Financiën. 3) Know Your Customer procedureDit onderdeel heeft in stap 1 betrekking op de instrumenten financieringen en verbonden partijen. Na de beoordeling van de centrale vraag of er een publiek belang is zal bij een positief besluit op deze vraag een Know Your Customer (KYC) procedure worden doorlopen (zie bijlage 14). Vanuit moreel oogpunt maar ook op basis van geldende wet- en regelgeving wil de Provincie weten met wie er zaken worden gedaan. Samenwerking met partijen die het niet zo nauw nemen met normen en waarden, kan leiden tot imagoschade, financiële schade en/of wettelijke of regulatieve sancties. Het is dus belangrijk voor de Provincie om vooraf de partijen / ondernemingen goed te leren kennen. Middels het doorlopen van de KYC procedure wordt een compliance check uitgevoerd op de bestuurder(
- s)en op de onderneming. In de compliance check vindt onderzoek plaats op het gebied van onder meer fraude, witwassen, overtredingen van de sanctiewet en worden Ultimate Beneficial Owners (UBO) en Politically Exposed Persons (PEP) in kaart gebracht. Na het doorlopen van de KYC procedure wordt de tegenpartij door de Provincie geclassificeerd in één van de volgende risicogroepen: niet risicovol (geen bezwaar), beperkt risicovol (verder onderzoek is nodig) en risicovol (geen samenwerking). Het verder onderzoek (o.a. Bibob-, RIEC onderzoek, VOG Rechtspersonen verklaring) bij beperkt risicovol moet leiden tot een uitsluitsel of samenwerking wel of niet mogelijk is. In het treasury advies wordt in stap 1 van de menukaart aangegeven dat de KYC procedure is doorlopen, welke risicoclassificatie van toepassing is (met korte toelichting) en worden eventuele bijzonderheden vermeld. Het publiek belang, marktfalen en de KYC procedure worden onder stap 1 (voor de toepassing zijnde instrumenten) van de menukaart behandeld. Als uit één van de onderwerpen een negatief advies voortvloeit dan wordt dit ambtelijk inhoudelijk teruggekoppeld aan de desbetreffende portefeuillehouder / Gedeputeerde Staten middels een verkort treasury advies. 1.4.Stap 2: beoordeling impact op en relatie met de gehele portfolio Nadat is vastgesteld dat er sprake is van een publiek belang en de KYC procedure niet heeft geleid tot opmerkingen dient Gedeputeerde Staten te beoordelen wat de impact van de individuele propositie is op de bestaande portfolio aan reeds ingezette instrumenten. Dit kan aan de hand van het in deel 1 uitgewerkte strategisch investeringskader. De belangrijke vragen hierbij zijn: Wordt voldaan aan de 10 investeringsprincipes? Hoe worden de 3 pijlers van de investeringsstrategie beïnvloed? vermogenssamenstelling rendementsdoelstelling investeringshorizon Hoe verhoudt het verwachte maatschappelijk en financieel rendement zich tot de risico’s? Wordt de vermogenssamenstelling dusdanig beïnvloedt dat niet meer voldaan kan worden aan de gewenste verhouding tussen investeringscategorieën. Ontstaat er bijvoorbeeld een (
- te)grote concentratie binnen een specifieke sector, of te grote afhankelijkheid van één individuele debiteur? Hoe beïnvloedt de propositie de flexibiliteit in de portfolio? Hoe lang staan de middelen vast? Hoe verhoudt de voorliggende propositie zich tot de andere actuele voorstellen, en moet er een keuze gemaakt worden? Het is hierbij van belang dat deze vragen worden beantwoord vanuit het perspectief van de gehele portfolio. Een individueel instrument kan wellicht een lager rendement hebben, maar dit moet dan uiteindelijk gecompenseerd worden door een ander hoger renderend instrument in andere projecten. Het streefrendement van de investeringsportefeuille is in hoofdstuk 7 (van deel 1) weergegeven. 1.5.Stap 3: rolbepaling en rolkeuze Na de bepaling van het (publieke) belang en de aansluiting bij het strategisch investeringskader van de Provincie is de rolkeuze de volgende stap richting het verder vormgeven van de provinciale betrokkenheid. Maatschappelijk doel- én resultaatbereik staat voorop: samenwerking / bestuurlijke alliantie is geen doel op zich. De vragen richten zich op het verkrijgen van inzicht in de wijze waarop de Provincie wil handelen/interveniëren en of zij een actieve of meer passieve betrokkenheid wenst. De vragen die hierbij, in willekeurige volgorde, gesteld kunnen worden zijn onder andere: Wat kan de Provincie? Tot welke rol en inspanning is de Provincie in staat? Staat de voorgestane inspanning in redelijke verhouding tot het te verwachten resultaat / effect? In welke mate is de Provincie bereid risico’s te dragen? Is de Provincie de meest geëigende overheid om dit vraagstuk op te pakken? Kan de Provincie zelfstandig optreden of dient samen met (een) publieke partner(
- s)en/of met marktpartijen te worden gehandeld? Is er een private partij bereid mee te werken aan wat de Provincie wil (indien de Provincie daarbij een samenwerking met een private partij voor ogen heeft)?14De overheid en een marktpartij hebben in beginsel niet parallel lopende belangen. Specifiek voor publiek-private samenwerking zie: “Attentiepunten PPS”, Provincie Limburg, mei 2008. Welke verdeling van taken en van kosten, opbrengsten en risico’s in een samenwerking met private partijen vindt de Provincie wenselijk, gelet op het beoogd doel/belang? Is de Provincie bereid om het project als één geheel vorm te geven en te realiseren (integrale aanpak) en daarmee te accepteren dat de complexiteit en risico’s zullen toenemen? Welke eis kan gesteld worden aan de revolverendheid van de ingezette middelen? De rolkeuze hangt samen met de mate van revolverendheid. Juridische en fiscale aspectenAndere, meer juridische, onderdelen die bij de rolbeschrijving aan de orde kunnen komen, zijn onderwerpen als staatssteun, aanbestedingsaspecten evenals toetsing of en in hoeverre (meer) overheidshandelen op de markt prijsvorming beïnvloedt. Daarnaast kunnen fiscale aspecten een rol spelen. Passief naar actiefHet beantwoorden van voornoemde vragen leidt tot een voorlopige richting van welke rol door de Provincie wordt geprefereerd ter realisatie van het initiatief. Hierbij kan sprake zijn van een passieve dan wel een meer actieve rol. “Actief” ziet hier op een permanente (inhoudelijke) betrokkenheid bij de realisering van een publiek doel. Figuur 8Ter illustratie isde bovenstaande afbeelding waarbij uiterst links een “passieve” rol van de Provincie volstaat om het publiek belang te borgen. Uiterst rechts (actief) is een actieve en meer permanente betrokkenheid van de Provincie noodzakelijk, tot het niveau dat zij zelf eigenaar/aandeelhouder en/of ondernemer is en de daarbij behorende risico’s aanvaardt. Dit laatste zal veelal in samenwerking met anderen gebeuren. In bijlage 9 wordt ter illustratie de wijze van sturing bij de verschillende instrumenten nader uitgediept. Rol ProvincieVolledigheidshalve zij opgemerkt dat de Provincie in projecten vaak meerdere rollen vervult (bijvoorbeeld aandeelhouder, financieerder, subsidiënt, vergunningverlener etc). Bij het vervullen van meerdere rollen neemt het risico van rolvermenging toe. Daarnaast kunnen rollen tijdens het traject wijzigen. Bij de standpuntpuntbepaling als aandeelhouder maakt het college van GS een zorgvuldige en transparante afweging tussen de (financiële) belangen als aandeelhouder enerzijds (portefeuillehouder financiën) en de (beleidsinhoudelijke) belangen van de Provincie als opdrachtgever anderzijds (inhoudelijk portefeuillehouder). Daarnaast is vaak ook nog sprake van diverse andere rollen en belangen van de provincie Limburg (statutair bestuurder, financier etc.) en/of Gedeputeerde Staten als publiek orgaan (vergunningverlener, bevoegd gezag etc.). Door de collegiale GS-besluitvorming is in principe een integrale en transparante afweging van al deze belangen/doelen geborgd. Essentieel is wel dat de verschillende rollen en daaraan gekoppelde belangen, inzichtelijk gemaakt worden. Dit dient in principe in afzonderlijk GS-voorstellen te worden verwerkt15De complexiteit van rollen en belangen heeft er in 2018 en 2019 toe geleid dat GS hebben besloten dat een rollendocument wordt vastgesteld in dossiers waarin dat is aangewezen en dat voorstellen betreffende verschillende rollen afzonderlijk van elkaar voor GS geagendeerd worden (GS 22 mei 2018 resp. 21 mei 2019)., of – daar waar besluiten in elkaars verlengde liggen en dus het beste in éen nota verwerkt kunnen worden – met een duidelijk uiteenzetting van beide belangen binnen de nota zelf. In een voorstel voor Gedeputeerde Staten (nieuwe financiering, beoogde subsidie, standpunt aandeelhoudersvergadering etc.) wordt aangegeven welke rol of rollen de Provincie heeft. Zodra de provincie meerdere rollen vervult kunnen deze mogelijk onderling conflicteren. Om die reden wordt in GS voorstellen waar meerdere rollen aan de orde zijn standaard gewerkt met een rollendocument of een toelichting in de GS nota waarin de rollen inzichtelijk worden gemaakt en de daaraan gekoppelde belangen. Het verdient de voorkeur om besluitvorming vanuit verschillende rollen (b.v. financieringsvoorstel en vergunning) via separate voorstellen aan GS voor te leggen met onderlinge verwijzing. Daar waar besluiten in elkaars verlengde liggen kunnen deze het beste in één nota verwerkt worden met een duidelijk uiteenzetting van de betrokken belangen binnen de nota zelf zoals hierboven is aangegeven (Zie in dit verband ook 7.6.2, passage over standpunt bepaling aandeelhouder). Naarmate de rol van de Provincie meer actief wordt neemt het risicoprofiel toe. In figuur 8 zijn de rollen van de Provincie opgenomen in de blokken in de volgorde van laag naar hoog risico en respectievelijk van passieve naar actieve betrokkenheid. 1.6.Stap 4: de gewenste of meest geëigende wijze van sturing Nadat de vereiste dan wel gewenste rol is bepaald, is het van belang om stil te staan bij de (gewenste) wijze van sturing bij realisatie van het project. Waar publiekrechtelijk partijen zijn onderworpen aan de regels van het bestuursrecht met waarborgen voor onder andere democratische controle en openbaarheid, vindt de uitvoering door of in samenwerking met privaatrechtelijke partijen juist plaats buiten de regels van het publiekrecht en buiten de directe invloedsfeer van de Provincie (bijvoorbeeld via oprichting van een entiteit of via een Publiek-Private Samenwerking PPS). Tegelijkertijd worden via de (privaatrechtelijke) uitvoering wel provinciale doelstellingen gerealiseerd waarvoor het provinciaal bestuur maatschappelijk en politiek verantwoordelijk blijft. Daarom is het van belang dat de Provincie bij uitvoering of samenwerking in voldoende mate kan sturen, beheersen en daarop toezicht kan houden, zodat zowel de betreffende organisatie als de Provincie zich kan verantwoorden over de uitvoering van taken en de realisatie van doelstellingen. Hierbij horen, in willekeurige volgorde, de volgende vragen: Welke zeggenschap wil de Provincie op het project en het proces, bijvoorbeeld vanuit oogpunt van borging van het publiek belang en van de kwaliteit van de publieke dienstverlening, de beheersbaarheid van het project of de wenselijkheid om tussentijdse wijzigingen te kunnen doorvoeren? Hoe verhoudt de gewenste sturing zich met verantwoording en het controleproces richting bijvoorbeeld PS? In hoeverre is de Provincie in staat te sturen op de beoogde doelrealisatie zoals dat omschreven is in het ondernemings- of businessplan?16Een ondernemings- of business plan bevat gedetailleerde informatie over de activiteiten van de onderneming. Het bestaat uit een kwalitatief c.q. inhoudelijk deel al dan niet aangevuld met een kwantitatief c.q. financieel deel. Heeft dit gevolgen voor de te kiezen rol en voor het in te zetten financieel instrumentarium? Wat zijn de risico’s/kansen van de voorliggende provinciale interventie? Het is van belang om zo goed mogelijk af te wegen of de risico’s van het nemen van een belang in een private organisatie opwegen tegen het publieke belang dat de Provincie wil dienen. De onaanvaardbaarheid van risico’s zal in elk specifiek geval anders liggen. Dit moet tot uiting komen in de argumentatie ten aanzien van de gemaakte keuze. Risicoanalyse maakt ook onderdeel uit van de financiële toets. Op welke wijze kan de Provincie sturen op een goede timing (moment van instap en vooraf te bepalen exit-strategie)? Welke risico’s/kansen spelen een rol bij het aspect communicatie? Op welke wijze komt de Provincie in een positie dat zij daarop kan sturen? Parallel aan de rolkeuze uit stap 3 leidt het beantwoorden van eerder benoemde vragen tot een voorlopige richting welke sturing door de Provincie wordt geprefereerd ter realisatie van het initiatief. Hierbij kan sprake zijn van een actieve sturing (sturing “dichtbij”), dan wel een meer passieve sturing op de doelrealisatie tijdens de uitvoering (sturing op afstand). Soms volstaat een “passieve” sturing om het publiek belang te borgen, bijvoorbeeld via kaderstelling of het vastleggen van verplichtingen/voorwaarden in een subsidiebeschikking (niet revolverend) of in een geldlening (revolverend). In andere gevallen is een ‘actieve’ en meer directe sturing tijdens de uitvoering wenselijk of noodzakelijk, bijvoorbeeld in de rol van aandeelhouder. Figuur 9Een actieve sturing ‘dichtbij’ tijdens de uitvoering (bijvoorbeeld in de rol van aandeelhouder) gaat meestal in combinatie met een juridische entiteit met rechtspersoonlijkheid ‘op afstand van de Provincie’. 1.7.Stap 5: financiële toets mede in relatie tot maatschappelijk rendement Onderdeel van deze afweging is de beschikbaarheid van middelen in absolute zin (is er budget: ja of nee) en in relatieve zin (tijdstip waarop middelen beschikbaar moeten zijn, periode van uitzetten en condities waaronder). Bepalend zijn: Deze nota; De programmabegroting (beschikbare middelen); De vigerende Financiële Verordening Provincie Limburg; Wettelijke regels betreffende staatssteun, de Wet markt en Overheid, de Wet houdbaarheid overheidsfinanciën (HOF), de Wet Fido, de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (overdrachtsbelasting), Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op het BTW-compensatiefonds en alle daarbij behorende regelgeving en jurisprudentie. Met gebruikmaking van bovenstaande spelregels wordt per projectvoorstel een financiële toets verricht. Deze bestaat uit: Het beoordelen van een business case / financiële haalbaarheid17Zie handreiking beoordeling businesscases.; Het beschrijven van een risicoprofiel, risico’s en beheersmaatregelen vanuit een provinciaal perspectief; Het beschrijven van het verwachte financieel (alle kasstromen) en maatschappelijk rendement18Het gaat hierbij om input/output-outcome in termen van maatschappelijke effecten. van het voorstel; Het bepalen van de kredietrating van de onderneming en risicoreservering voor de investering; Het beschrijven van welk moment er sprake is van financieel en of maatschappelijk rendement. De bepaling en beschrijving van het maatschappelijke rendement kan bestaan uit de volgende elementen: Beschrijving van de mate waarin de voorliggende business case invulling geeft aan de doelen en indicatoren van de Programmabegroting; Beschrijving van de mate waarin partners zich financieel committeren aan het projectvoorstel/de business case of met andere woorden: wat is het hefboomeffect/multiplier van een financiële provinciale bijdrage; Beschrijving van de maatschappelijke baten (kwalitatief en kwantitatief) van het voorstel op basis van sectorspecifieke criteria (onderscheid naar mobiliteit, cultuur, etc.); Beschrijving van werkgelegenheidseffecten of andere social return factoren, zowel tijdelijk en structureel. Voor het vaststellen van maatschappelijke baten zijn er zo nodig verschillende ondersteunende methodieken voorhanden zoals: Economische effect analyse19Het geeft concreet aan wat de economische effecten zijn van een specifiek project op de regio.; Multi criteria analyse20Multicriteria-analyse (MCA) is een wetenschappelijke evaluatiemethode om tussen diverse discrete alternatieven een rationele keuze te maken. Bijvoorbeeld: met MCA kunnen scores op economische, ecologische en sociale criteria bij elkaar worden opgeteld, om alternatieve trajecten voor een nieuwe weg te rangschikken.; Maatschappelijke kosten-baten- analyse21De voor- en nadelen van een project voor de omgeving worden daarbij in geld uitgedrukt, zodat een goede afweging gemaakt kan worden of het project wel of niet door kan gaan.. KostenramingssystematiekBij omvangrijke projecten (voornamelijk Infrastructurele projecten) wordt aandacht gevraagd voor de toegepaste kostenramingsmethodiek. Binnen de Provincie Limburg wordt de probabilistische kostenraming gebruikt bij grote projecten. Aan de hand van verschillende input variabelen wordt hierbij een groot aantal simulaties uitgevoerd (uitgebreide toelichting in bijlage 11). Het resultaat van deze methode is een statistisch berekend gemiddelde waarde van de kosten, met een spreiding als gevolg van onzekerheden en de nauwkeurigheid van de onderliggende input variabelen. Door misinterpretatie of verkeerd gebruik van de probabilistische ramingssystematiek bestaat het risico dat in besluitvormingsprocessen keuzes worden gemaakt op grond van onjuiste aannames over de mate van onzekerheid van de kostenramingen. Het advies is om de classificatiemethodiek te hanteren die in bijlage 11 is opgenomen. Zodra de leidraad kostenbegrotingsmethodiek is vastgesteld door GS, en ter kennisname aan PS is gestuurd, wordt deze als addendum toegevoegd aan SIS 3.0. Geadviseerd wordt om bij omvangrijke projecten een tabel (zie bijlage 11) op te nemen in de GS en PS nota en de classificatiemethodiek te hanteren. Dit om transparante communicatie over de betreffende ramingen te waarborgen. Het laat gebruikers immers eenduidig zien welke waarde gehecht kan worden aan de raming en voor welk doel deze geschikt is. Indien wordt afgeweken van deze methodiek (bijv. raming wordt voor een ander doel gebruikt dan passend volgens de methodiek), dient hier een solide onderbouwing van te worden opgenomen in de GS en / of PS nota. Maatschappelijk rendementIn aanvulling op het voorwaardelijke publiek belang uit stap 1 vragen wij vanuit ons maatschappelijk oogpunt een uiterste inspanning op het vlak van ‘Social Return on Investment’ aan eenieder die gebruik maakt van het Provinciaal instrumentarium. Dit heeft betrekking op de volle breedte van instrumenten uit stap 6. Hierbij streven wij overall naar een SROI van 5% op het geïnvesteerd vermogen. Bij elke individueel instrument wordt een minimaal maatschappelijke impact opgenomen en bij voorkeur gekwantificeerd in aantallen of in percentage. Zodat de maatschappelijke impact van de geïnvesteerde euro kan worden berekend. Hoe hoger het geïnvesteerde bedrag hoe meer maatschappelijke impact van één geïnvesteerde euro mag worden verwacht. Indien het niet mogelijk is om een maatschappelijke impact op te nemen wordt dit in het advies aan College of aan de Staten opgenomen. Afspraken en doelstellingenIn deze menustap worden ook de afspraken en doelstellingen onder welke voorwaarden de financiering wordt verkregen smart geformuleerd. Hierbij hoort ook de vastlegging over de frequentie van evaluatie en wat hierover in de periodieke rapportage van de tegenpartij moet worden opgenomen. Deze afspraken, doelstellingen, frequentie en hoe deze informatie wordt verstrekt wordt officieel vastgelegd, bijvoorbeeld in de leningovereenkomst. 1.8.Stap 6: de in te zetten instrumenten Om publieke belangen te borgen beschikt de overheid over verscheidene instrumenten. Een groot deel hiervan is publiekrechtelijk van aard. In een oplopende schaal van een passieve rol (publiekrechtelijke instrumenten) met lage risico’s naar een actieve rol (privaatrechtelijke instrumenten) onderscheiden we: Regelgeving, beleid en communicatie; subsidie; opdracht; financiering (garantie/borgstelling en geldlening); verbonden partijen; eigendom en exploitatie van onroerende zaken (grond en gebouwen) door actief grond- en vastgoed beleid. Schematisch ziet de verdeling in instrumenten als volgt uit: Figuur 10 – Provinciale instrumenten (blauw staat voor bestuursrechtelijk en rood voor privaatrechtelijk)Bij de keuze voor een specifiek instrument zijn van invloed: de gekozen rol, de gewenste sturing, de financiële toets (incl. revolverendheid, kredietrating) en het verwacht/beoogd financieel- en maatschappelijk rendement op het eindresultaat. Daarnaast zijn instrument specifieke factoren mede bepalend voor de keuze. Een aantal instrumenten is financieel van aard (financiering), een aantal heeft betrekking op vormen van samenwerking (verbonden partijen). Vaak wordt gekozen voor het gecombineerd inzetten van instrumenten: het instrument verbonden partijen (bijv. aandeelhouderschap in een B.V.) kan worden gecombineerd met een instrument van financiering (bijv. geldleningen en/of borgstellingen). Als op deze punten eenmaal een keuze is gemaakt dan kan het meest geëigend instrument al op hoofdlijnen worden bepaald. Bij de te maken instrument keuze moet ook worden getoetst of er geen sprake is van ongewenste staatssteun of strijd met Europese (aanbestedings)regels. Dit kan in principe een rol spelen als er sprake is van niet marktconform handelen of als er sprake is van strijd met mededingingsregels. Is de conclusie dat sturen op afstand voldoende is, dan liggen de volgende provinciale instrumenten voor de hand: subsidie met subsidievoorwaarden; (achtergestelde) lening of verstrekken van een borgstelling; regelgeving in combinatie met handhaving, toezicht of concessies (o.a. openbaar vervoer); opdrachtverlening aan derden op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst; (mede)initiatief tot de oprichting van een privaatrechtelijke deelneming zonder daaraan deel te nemen) Is een actieve betrokkenheid wenselijk of noodzakelijk, dan is de vraag aan de orde of een juridische entiteit met rechtspersoonlijkheid wenselijk of noodzakelijk is. Rechtspersoonlijkheid kan wenselijk of noodzakelijk zijn voor: het zelfstandig kunnen uitoefenen van rechtshandelingen (‘eigen’ gezicht naar buiten toe); het kunnen aantrekken/inhuren van eigen personeel; het hebben van eigen vermogen. Is rechtspersoonlijkheid niet nodig22Ook de privaatrechtelijke instrumenten C.V., VoF en maatschap hebben geen rechtspersoonlijkheid (zie artikel 2, boek 2, Burgerlijk Wetboek)., dan zijn mogelijke (publieke of private) samenwerkingsvormen: instellen van een platform, stuurgroep of adviescommissie; afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst, convenant, intentieverklaring of bestuursakkoord; gemeenschappelijke regeling (gemeenschappelijk orgaan, centrumgemeenten constructie, ‘lichte’ regeling). Is het oprichten en/of deelnemen in een entiteit met rechtspersoonlijkheid wel wenselijk of noodzakelijk dan gaat het vervolgens om de vraag welke rechtsvorm de voorkeur heeft: de privaatrechtelijke of de publiekrechtelijke. Mogelijke overwegingen voor een publiekrechtelijke rechtsvorm (openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr): het onderwerp van samenwerking is een zaak van publiekrechtelijke aard; een publieke samenwerkingsvorm is onderworpen aan de regels van het publiekrecht, waarin bepaalde waarborgen zijn opgenomen voor het gebruik van bevoegdheden, besluitvormingsstructuren, beïnvloedingsmogelijkheden, democratische controle en openbaarheid; de WGR faciliteert de samenwerking tussen Provincies, gemeenten en waterschappen; ook kunnen rijk en andere rechtspersonen deelnemen. Deelname is echter aan bepaalde voorwaarden verbonden (artikel 94 en 97 voor rijk en artikel 93 en 96 voor andere rechtspersonen). Voor ‘andere rechtspersonen’ geldt dat zij alleen kunnen deelnemen, indien hun bestuur bij Koninklijk Besluit dat in de Staatscourant wordt geplaatst, daartoe is gemachtigd. Mogelijke overwegingen voor een privaatrechtelijke rechtsvorm (N.V., B.V., stichting of vereniging): een private organisatie biedt de mogelijkheid om slagvaardig, efficiënt en professioneel als marktpartij op te treden; het terugdringen van bestuurlijke drukte; het privaatrecht kan maatwerk bieden; voor de verwezenlijking van de doelstelling kunnen private gelden worden aangetrokken; de markt zal er bij een privaatrechtelijke rechtsvorm eerder vanuit gaan dat de investering van de Provincie in een project moet renderen; een privaatrechtelijke rechtsvorm biedt de mogelijkheid dat rendement uit de rechtsvorm kan worden onttrokken (bijvoorbeeld via dividenduitkering); flexibiliteit voor wat betreft het toetreden van andere partijen op een later moment. Nadeel is dat een democratische legitimatie ontbreekt. Publiekrechtelijke waarborgen zijn niet van toepassing. Dit moet worden ondervangen door extra aandacht voor de elementen van ‘corporate governance’, o.a. in de statuten. In bijlage 9 wordt de sturing per instrument nader toegelicht. Tevens is in figuur 11 een overzicht opgenomen met sturingsmodaliteiten. Sturing op inhoud tijdens de uitvoering Financieel en politiek risico Subsidie Sturing bij start via bepalingen in subsidiebeschikking. Daarnaast bijsturing op basis van meldplicht door ontvanger en tussentijdse monitoring. De verstrekte subsidie kan onrechtmatig worden besteed. Borgstelling/ garantstelling Sturing bij start via bepalingen in borgstelling/garantstelling overeenkomst. Bij inroepen garantie. Hoogte van het risico is beperkt tot de hoogte van de garantie. Opdracht Sturingmogelijk op basis van voortgang, periodieke evaluatie, termijnnota’s en meerwerk/minderwerk. Eindproduct/resultaat voldoet niet aan eisen of verwachtingen. Geldlening met zekerheid (bijv. een hypothecaire lening) Sturing bij start via bepalingen in geldleningovereenkomst. Indien de gestelde zekerheden niet binnen redelijke termijn en voor een redelijke prijs kunnen worden verkocht. Geldlening zonder zekerheid Sturing bij start via bepalingen in geldleningovereenkomst. Bij gebrek aan baten dan wel faillissement gaat het geld verloren (achtergestelde schuldvordering). Deelneming in Vennootschappen Sturing tijdens de uitvoering via AvA, op basis van statuten, begroting, kwartaalcijfers en aandeelhoudersovereenkomst. Risico over het ingebrachte vermogen. Stichting Bij stichting als verbonden partij sturing bij start via doelomschrijving in statuten en via financieel afsprakenkader (bijvoorbeeld subsidiebeschikking); stichting met enkel subsidierelatie/opdracht zie boven. Risico t.a.v. het ingebrachte vermogen. Wet Gemeenschappelijke Regeling Sturing tijdens de uitvoering middels Algemene Vergaderingen, begroting, jaarrekening. Risico hangt samen met de inbreng. De participerende overheden zijn volledig financieel aansprakelijk. Eigendom en exploitatie onroerende zaken (grond en gebouwen) Als eigenaar absolute sturing mogelijk. Risico’s als eigenaar en exploitant van vastgoed. Figuur 11 2.SAMENSPEL GS en PS 2.1.Algemeen In deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op het samenspel GS en PS voor wat betreft de instrumenten verbonden partijen en financieringen. Dit in lijn met hetgeen daarover is bepaald in de Provinciewet. 2.2.Samenspel bij verbonden partijen PS zijn verantwoordelijk voor de hoofdlijnen van het provinciaalbeleid en voor de keuze van wat de Provincie in de komende jaren wil bereiken (de “wat”-vraag). De kaderstellende keuzes, passend binnen het Collegeprogramma, leggen PS vast in de programmabegroting en in beleid. GS richten zich op de operationalisering van dit kader (de “hoe” vraag). Via de actieve informatieplicht dienen GS verantwoording af te leggen aan PS. De informatievoorziening vanuit GS over verbonden partijen richt zich op informatie, die voor PS nodig is om haar kaderstellende en controlerende taak uit te oefenen. Het gaat om informatie die PS nodig hebben om te ‘sturen’ en daarmee grip te houden op de verbonden partijen23Op 18 april 2019 heeft de Zuidelijke Rekenkamer het rapport “Handreiking Financiële Bindingen provincie Limburg opgeleverd. Deze handreiking – met gedetailleerd achtergronddocument – biedt zicht op de belangrijkste ontwikkelingen in deelnemingen, leningen en garanties die de provincie Limburg is aangegaan of heeft verleend. De handreiking bevat tevens een overzicht van de belangrijkste momenten en de vragen die Statenleden kunnen stellen bij de door Gedeputeerde Staten aangeboden informatie.. Deze sturingsinformatie dient nadrukkelijk onderscheiden te worden van informatie die meer operationeel van aard is. Dit is informatie die GS nodig hebben van verbonden partijen, om, bijvoorbeeld vanuit de rol van actieve aandeelhouder, invloed uit te oefenen en te kunnen sturen of die het management nodig heeft om het project te kunnen beheersen tijdens de uitvoering. Voor de rolverdeling tussen PS en GS zijn de artikelen 158 en/of 167 van de Provinciewet van belang. Hierna zal voor wat betreft het samenspel GS-PS worden ingezoomd op 3 onderdelen te weten: Het aangaan van verbonden partijen; Het beheren van verbonden partijen; Het beëindigen van verbonden partijen. A. Het aangaan van verbonden partijenOp basis van artikel 158 Provinciewet dienen GS vóór het aangaan van een verbonden partij, PS in staat te stellen om hierover wensen en bedenkingen kenbaar te maken. Pas nadat deze stap is doorlopen, kunnen GS een definitief besluit tot deelneming nemen Vanuit hun kaderstellende rol moeten PS zich bij een voornemen van GS tot deelname aan een verbonden partij een oordeel vormen over de expliciete doelstelling(
- en)en eventueel belangrijke wijzigingen, de exit-strategie en de vraag of hiermee het publiek belang gediend wordt. Tijdens de uitvoering kunnen PS niet rechtstreeks sturen op de verbonden partij; dit is een taak van GS. PS controleren wel of de verbonden partij de provinciale taak conform de gestelde kaders uitvoert én of GS dit bewaken en zo nodig bijsturen. Informatievoorziening GS aan PSDe informatievoorziening van GS ten behoeve van de kaderstellende taak van PS richt zich primair op de vormgeving (en uitvoering) van de uitgangspunten van corporate governance bij verbonden partijen te weten: sturen, beheersen, toezicht en verantwoording24Overeenkomstig de aanbevelingen van de Zuidelijke Rekenkamer in haar Rapport Governance Verbonden Partijen provincie Limburg d.d. 29 september 2015 en rekening houdend met de bestuurlijke reactie van GS zoals verwoord in de brief d.d. 15 september 2015 (kenmerk: 2015/66387).. Aan de hand van deze governance-aspecten, zoals nader uitgewerkt in bijlage 8, zal door GS worden aangegeven welke stappen zijn –of zullen worden- gezet om te waarborgen dat sprake is van een goede afstemming tussen sturen, beheersen, verantwoorden en toezicht houden binnen en met de organisatie die publieke taken uitvoert. Het gaat er uiteindelijk om dat GS al bij het besluit om een deelneming aan te gaan, heldere afspraken vastleggen over aan welke randvoorwaarden de sturingsinformatie vanuit de deelneming moet voldoen (inhoud en wijze), rekening houdend met de wensen en bedenkingen vanuit PS. Op deze wijze kan optimaal invulling worden geven aan de sturings- en controlemogelijkheden voor PS. Het gaat hoofdzakelijk om informatie over de voortgang van de “hoe” vraag en de hoofdlijnen van ”wat” en de operationalisering daarvan aan de hand van de volgende hoofdelementen: doelstellingen; middelen/financiële aspecten; planning; eventuele risico’s met bijhorende beheersmaatregelen. B. Het beheren van verbonden partijenÉén keer per jaar leggen GS verantwoording af over het gevoerde deelnemingenbeleid, door middel van de paragraaf Verbonden Partijen in de provinciale jaarstukken conform het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Hierin rapporteren GS onder meer over de belangrijkste zaken en ontwikkelingen die in de afgelopen periode hebben plaatsgevonden evenals de belangrijkste beleidslijnen die zijn geformuleerd. Het BBV stelt in artikel 15 dat de paragraaf Verbonden Partijen ten minste de volgende onderdelen dient te bevatten: de visie op en de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen; de lijst van verbonden partijen, die wordt onderverdeeld in: gemeenschappelijke regelingen; vennootschappen en coöperaties; stichtingen en verenigingen, en overige verbonden partijen; de wijze waarop de Provincie een belang heeft in de verbonden partij en het openbaar belang dat ermee gediend wordt; het belang dat de Provincie in de verbonden partij heeft aan het begin en de verwachte omvang aan het einde van het begrotingsjaar; de verwachte omvang van het eigen vermogen en het vreemd vermogen van de verbonden partij aan het begin en aan het einde van het begrotingsjaar; de verwachte omvang van het financiële resultaat van de verbonden partij in het begrotingsjaar; de eventuele risico’s van de verbonden partij voor de financiële positie van de Provincie. Deze aspecten komen specifiek aan bod in de paragraaf Verbonden Partijen en daarnaast worden aanvullende gegevens per verbonden partij gemeld. Tevens vindt periodiek voor elke afzonderlijke deelneming een heroverweging plaats, waarbij getoetst wordt of het publieke belang dat wordt behartigd door de deelneming in een vennootschap, nog steeds optimaal wordt behartigd. De conclusie van deze heroverweging kan zijn: de deelneming ongewijzigd aan te houden; de deelneming aan te houden met wijzigingen; de deelneming af te stoten. De conclusie van deze overwegingen wordt binnen de P&C cyclus, middels de paragraaf Verbonden Partijen, verantwoord. Daarnaast wordt gekeken of er eventueel andere afspraken gemaakt moeten worden met betrekking tot de betreffende deelneming in een vennootschap. De beoordeling op basis van deze doorlopende monitoring krijgt een vaste plaats in de planning en control cyclus. Informatievoorziening GS aan PS De informatievoorziening van GS ten behoeve van de controlerende taak van PS richt zich op de verantwoording door GS (gebaseerd op de verantwoording door de verbonden partij aan GS) aan PS over de uitvoering van de governance-aspecten sturen, beheersen en toezicht.25Jaarlijkse ondernemingsplannen en kwartaalrapportages worden niet aan PS voorgelegd. Het is aan GS als bestuurlijk uitvoeringsorgaan om deze bedrijfsdocumenten te beoordelen. Aandachtspunt bij de informatievoorziening en verantwoording is dat dit vraagstuk dynamisch is: afhankelijk van de fase van een project of van maatschappelijke/economische ontwikkelingen kan de informatiebehoefte gedurende het traject wijzigen. Het is zaak om in de planning- en controlcyclus dit voor ogen te houden, zodat eventueel de vraag om informatie bijgesteld/aangevuld kan worden. Waar nodig kan met gebruikmaking van de bepalingen rond ‘geheimhouding’ uit de Provinciewet gevoelige informatie over concrete deelnemingen tussen GS en PS worden uitgewisseld. Hiermee kan enerzijds een adequate informatie-uitwisseling tussen PS en GS worden gewaarborgd en kunnen anderzijds bedrijfsbelangen worden ontzien. Ten aanzien van het proces omtrent geheimhouding en de opheffing daarvan wordt verwezen naar de brief gericht aan Provinciale Staten van 19-4-2016 met kenmerk GS 2016-28719. Geheimhouding wordt opgelegd daar waar het bijvoorbeeld bedrijfsgevoelige informatie betreft op het gebied van financiële (bedrijfs)gegevens, (strategisch) beleid of informatie die terug te leiden is naar individuele personen. Artikel 55 Provinciewet respectievelijk artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur zijn daarbij leidend. Wensen en bedenkingen PS (politiek of anderszins gevoelig aandeelhoudersbesluit Als het college van GS het voorlopig standpunt inneemt dat een voorliggend aandeelhoudersstandpunt kwalificeert als “politiek of anderszins gevoelig” danwel “ingrijpende gevolgen kan hebben voor de provincie” dan worden PS om wensen en bedenkingen gevraagd alvorens het college van GS een definitief standpunt/besluit neemt als aandeelhouder (artikel 167, lid 4. Provinciewet). Uitgangspunt: Bij de vormgeving en beheer van verbonden partijen en bij het verstrekken van informatie daarover aan PS zullen de governance aspecten ‘sturen, beheersen, toezicht’ als uitgangspunt worden gehanteerd inclusief de beoogde doelen en de realisatie daarvan. Deze governance aspecten zijn in bijlage 8 nader uitgewerkt. Indien binnen de verbonden partij besluiten zijn beoogd die leiden tot majeure wijzingen ten opzichte van de door PS vastgestelde kaders dan worden PS in staat gesteld hun wensen en bedenkingen ten aanzien van deze voorgenomen wijzigingen te uiten. Specifiek voor vennootschappen geldt het volgende: indien aandeelhoudersbesluiten zijn beoogd die kwalificeren als “politiek of anderszins gevoelig” danwel “ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de provincie” dan worden PS in staat gesteld hun wensen en bedenkingen ten aanzien van deze voorgenomen –door GS in te nemen- standpunten te uiten. C. Het beëindigen van verbonden partijenHoewel de Provinciewet geen specifiek artikel kent met betrekking tot het beëindigen van verbonden partijen, is de tekst van artikel 158 Provinciewet ook hierop van overeenkomstige toepassing verklaard door PS. Dit betekent dat GS pas een besluit tot volledige uittreding kunnen nemen nadat PS in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van GS te brengen. In de gevallen dat de belangen of (politieke) risico’s zeer gering zijn zullen PS geïnformeerd worden over de beëindiging van een verbonden partij. 2.3.Samenspel bij geldleningen, borgstelling en waarborgen Informatievoorziening GS aan PS Een belangrijk artikel in de het vigerende Financiële verordening Provincie Limburg is artikel 13 lid 4 Financieringsfunctie. Hierin is opgenomen o.a. dat GS in ieder geval vooraf PS informeren en pas een besluit nemen nadat PS in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van GS te brengen voor zover het betreft: het verstrekken van borgstellingen, leningen en waarborgen naar derden voor bedragen groter dan € 2,5 miljoen. bij borgstellingen, leningen en waarborgen onder deze limiet geldt de actieve informatieplicht door het college van GS aan PS. indien naar het oordeel van GS sprake is van politiek of anderszins gevoelige dossiers worden deze ongeacht de omvang voor wensen en bedenken aan PS voorgelegd. Daar waar meerdere instrumenten in één keer worden ingezet en cumulatief een omvang groter dan € 2,5 miljoen hebben, zullen uw Staten tevens actief worden geïnformeerd. Provinciale Staten worden geïnformeerd welke rollen de Provincie vervult. Verantwoording aan PS over de verstrekte financieringen GS leggen verantwoording af over de verstrekte financieringen door middel van de reguliere financiële planning en control cyclus. In de programmabegroting en de programmarekening (jaarverslag), evenals in de tussentijdse rapportages wordt in de paragraaf Financiering gerapporteerd over de uitgezette gelden, verstrekte financieringen (inclusief garantie- en borgstellingen). Ook in de paragraaf Weerstandsvermogen wordt hieraan aandacht besteed, afhankelijk van de ontwikkeling van het risicoprofiel van de betreffende bedrijven c.q. projecten continue te monitoren. Een beoordeling van de vereiste omvang van het weerstandsvermogen in relatie tot de gesignaleerde risico’s maakt hier deel van uit. 3.PORTFOLIO BEHEER, RENDEMENT EN RISICO 3.1.Rendement en risico Het hierna in detail beschreven instrumentarium zal worden ingezet om de provinciale doelen te behartigen. Individueel zullen de inhoudelijke doelstellingen zeer divers zijn. Vanuit een financieel perspectief geldt er echter een overkoepelende doelstelling: Het voeren van een duurzaam financieel beleid. Dit duurzame beleid moet zijn weerslag vinden in de verhouding tussen de risico’s die de Provincie neemt en het rendement dat wordt gerealiseerd. Het rendement valt uiteen in drie categorieën: Rendement op eigen vermogen (deelnemingen) Rendement op vreemd vermogen (financieringen) Maatschappelijk rendement (niet-financiële effecten van de middelen: subsidie, financiering, deelnemingen) Teneinde duurzaam financieel beleid te voeren dienen deze vormen van rendement in lijn te zijn met het gelopen risico. In geval niet aan de rendementseis op eigen of vreemd vermogen kan worden voldaan, dient dit te worden gecompenseerd door het behaalde maatschappelijk rendement. Dit is niet altijd goed te kwantificeren, maar laat onverlet dat het een scherpe overweging dient te zijn in het besluitvormingstraject. De financiële impact dient hierbij duidelijk omschreven te worden samen met de overwegingen die leidend zijn in het besluit alsnog te investeren. Ingeval een project middels een samenstelling van instrumenten wordt gerealiseerd, moet het rendement op het gehele project in ogenschouw worden genomen. In deze paragraaf zullen hier enkele handvaten voor worden aangereikt. Rendement op vreemd vermogenHet rendement op vreemd vermogen (verstrekte geldlening) dient marktconform te zijn. Marktconformiteit ziet op het gehele pakket van voorwaarden (dus niet alleen op het rentetarief) en is in eerste instantie te definiëren als het rendement vereist door een onafhankelijke marktpartij onder gelijke omstandigheden (arm’s length). De opbouw van het rentetarief voor de geldlening is een basisrente en (krediet)opslagen. In het geval deze informatie niet voorhanden is wordt marktconformiteit van het rentetarief bepaald aan de hand van de staatssteun tabel zoals opgenomen in de Mededeling van de Commissie aangevuld met opslagen voor looptijd, senioriteit en andere bijzondere voorwaarden. Dit vergt input van het cluster Financiën. Rendement op eigen vermogenHet rendement op eigen vermogen wordt gebaseerd op het risicoprofiel van de investering. Dit rendement kan bestaan uit dividend, maar ook uit waardestijging van het kapitaalbelang. Omdat ingebracht eigen vermogen altijd is achtergesteld op ingebracht vreemd vermogen, is het risicoprofiel bij kapitaalinbreng per definitie hoger dan bij een financiering en moet het verwacht rendement hoger zijn. In bijlage 7 wordt toegelicht hoe het vereist rendement op eigen vermogen kan worden bepaald. Bij GS en PS besluitvorming ten aanzien van kapitaal/agio stortingen dient inzichtelijk te zijn wat het verschil is tussen het verwachte rendement (businessplan), en het theoretisch vereiste rendement (hoofdstuk 7 van deel 1). Maatschappelijk rendementHet maatschappelijk rendement is de niet-financiële impact van de investering op de maatschappij. De Provincie wil naast het financieel rendement een maatschappelijke impact ook wel SRI (Social return on Investment) realiseren. De impact kan op verschillende aspecten teweeg worden gebracht: werkgelegenheid, verduurzamen, CO2 reductie, verbetering leefgebied etc. Bij elk individueel (financierings)instrument zal naast een financieel rendement ook een minimaal maatschappelijk rendement / impact worden opgenomen. Met andere woorden: wat moet er extra op maatschappelijk vlak met deze investering worden bereikt? Dit kan door het gebruik maken van indicatoren die uitdrukken welke maatschappelijke voordelen bij de besteding worden bereikt. (b.v. werkgelegenheid, samenwerking met kennisinstellingen, gezondheid). Of als het in kapitaal kan worden uitgedrukt, in percentage van het geïnvesteerd vermogen of als impact van één geïnvesteerde euro worden uitgedrukt. De basis hierin is: Hoe hoger het geïnvesteerde bedrag, hoe meer maatschappelijke impact van één geïnvesteerde euro mag worden verwacht. Indien het niet mogelijk is om een maatschappelijke impact op te nemen dan wordt dit in de nota aan GS of PS opgenomen. De resultante van de hierboven beschreven analyse zal in samenhang met de (externe) analyse van de business case worden vertaald in een onafhankelijk advies van de beleidsafdeling, dat ook als zodanig herkenbaar wordt gemaakt in de GS en PS nota’s. De uitgevoerde werkzaamheden die leiden tot voornoemd advies worden tevens vastgelegd in een daartoe bestemde applicatie. Hiermee wordt beoogd een duidelijk en zichtbaar onderscheid te maken tussen de beleidsinhoudelijke doelstellingen van een specifiek project en de overkoepelende doelstelling van duurzaam financieel beleid gericht op instandhouding van het Provinciaal vermogen. 3.2.Portfolio beheersing Bovenstaande omschrijving gaat uit van individuele provinciale investeringen. De provincie heeft een investeringsportefeuille opgebouwd, samengesteld uit de diverse individuele investeringen middels deelnemingen en financieringen. Dit biedt voordelen met name uit hoofde van risicospreiding. Als gevolg van spreiding in de portefeuille wordt het rendement van de portefeuille minder gevoelig voor tegenslagen van een bepaalde sector of instrument. Er zijn dan immers andere investeringen die hierdoor niet geraakt worden. Dit houdt tevens in dat bij het investeringsbesluit van een individueel instrument gekeken moet worden naar de samenstelling van de gehele portefeuille. Concreet resulteert dit in twee leidende principes: Inzet van instrumenten dient te worden afgewogen in het licht van de investeringsstrategie op portfolio niveau met het oog op het realiseren van een optimale spreiding. Deze strategie wordt beschreven in deel 1 van deze nota. Borging verloopt via de investeringsprincipes en de investeringsrichtlijnen. Het behaalde totale rendement op portfolio niveau onder aftrek van eventuele afwaarderingen resulteert in koopkrachtbehoud. Daar waar individuele projecten geen bijdrage leveren aan deze doelstelling dient dit door andere projecten gecompenseerd te worden. Dit is verwerkt in de rendementsdoelstelling onderdeel van de investeringsrichtlijnen. 3.3.Rapportage over revolvererend instrumentarium De wijze van inzet van provinciale middelen in revolverende instrumenten wordt periodiek besproken in de Treasurycommissie voor het instrument ‘financieringen’. Op dit moment is de adviserende rol van deze commissie daarmee beperkt tot de feitelijke treasury portefeuille (obligaties) en de uitzettingen publieke taak via ‘financieringen’. Het doel van de Treasurycommissie, zijnde het op strategisch vlak adviseren over het treasury beleid en toezicht houden op de uitvoering ervan, zal worden uitgebreid naar het adviseren over het gehele revolverende instrumentarium. Dit impliceert dat naast de obligatieportefeuille en financieringen tevens de instrumenten verbonden partijen en erfpacht worden betrokken. In relatie tot de bredere rol van de commissie zal de rapportagecyclus richting college en Provinciale Staten op vergelijkbare wijze worden uitgebreid. Deze werkwijze sluit tevens aan bij de integrale risicoreserve zoals deze is ingesteld voor inzet van financieringen, verbonden partijen en erfpacht. 3.4.Inzet van middelen De inzet van provinciale middelen gaat gepaard met diverse spelregels. Beginnende met de volgorde waarin geput kan worden uit de diverse financieringsbronnen. Inzet van middelen vindt bij voorkeur plaats in de onderstaande volgorde: Reguliere begrotingsruimte Intensiveringsmiddelen Financieel revolverende inzet (met risico reservering uit de reguliere begrotingsruimte) Categorie 1 en 2 zullen verwerkt worden in de exploitatie en hebben daarmee een direct effect op het jaarrekeningresultaat. In geval van financieel revolverende inzet (categorie 3) is er geen sprake van een effect in de resultatenre