← Nederland

LANDSVERORDENING van de 13e december 2012 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafrecht (Sint Maarten)

In het kort

Deze wet, het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten, regelt welke feiten strafbaar zijn en welke straffen daarop staan. Het bepaalt ook wanneer de wet van Sint Maarten van toepassing is, zowel binnen als buiten het grondgebied.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

LANDSVERORDENING van de 13e december 2012 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van StrafrechtEerste Boek Algemene bepalingen Titel I Omvang van de werking van de strafwet Artikel1:1 1.Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling. 2.Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast. Artikel1:2 De strafwet van Sint Maarten is van toepassing op ieder die zich binnen Sint Maarten aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Artikel1:3 De strafwet van Sint Maarten is van toepassing op ieder die zich buiten Sint Maarten aan boord van een Nederlands of Sint Maartens vaartuig of luchtvaartuig aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Artikel1:4 De strafwet van Sint Maarten is van toepassing op ieder die zich buiten Sint Maarten schuldig maakt: aan een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2:1 tot en met 2:5, 2:7, 2:8 tot en met 2:11, 2:20 en 2:24 tot en met 2:26; aan een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2:49 tot en met 2:53 en 2:143, indien het strafbare feit of het misdrijf waarvan in die artikelen wordt gesproken, een misdrijf is als bedoeld in onderdeel a; aan enig misdrijf ten opzichte van muntspeciën, munt- of bankbiljetten en van op wettelijke grondslag uitgegeven zegels of merken; aan valsheid in schuldbrieven of certificaten van schuld van Sint Maarten, de talons, dividend- en rentebewijzen tot deze stukken behorende, en de bewijzen, uitgegeven in plaats van deze stukken, inbegrepen, of aan het opzettelijk gebruik maken van zodanig vals of vervalst stuk als ware het echt en onvervalst; aan een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2:365 tot en met 2:369, 2:388 en 2:389 of aan de overtreding omschreven in artikel 3:41; aan het misdrijf, omschreven in artikel 2:166; 1º. aan het misdrijf, omschreven in artikel 2:114, begaan tegen een luchtvaartuig in bedrijf, indien dit een Sint Maartens luchtvaartuig is of wanneer de verdachte zich binnen Sint Maarten bevindt; 2º. aan het misdrijf, omschreven in artikel 2:370, begaan aan boord van een luchtvaartuig in vlucht, wanneer de verdachte zich binnen Sint Maarten bevindt; 3º. aan het misdrijf, omschreven in artikel 2:371, indien het daar bedoelde luchtvaartuig een Sint Maartens luchtvaartuig is of wanneer de verdachte zich binnen Sint Maarten bevindt; 4º. aan het misdrijf, omschreven in artikel 2:372, wanneer het is begaan, hetzij tegen een Sint Maartens luchtvaartuig, hetzij aan boord van een luchtvaartuig dat vervolgens op Sint Maarten landt met de verdachte aan boord; 5º. aan een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2:109, 2:110, 2:112 en 2:373, wanneer de verdachte zich binnen Sint Maarten bevindt; 6º. aan een van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 2:83, eerste lid, 2:98, 2:201, 2:226, 2:255, 2:259, 2:262, 2:273 tot en met 2:276, 2:334, 2:371, 3:79 tot en met 3:84, wanneer het feit is begaan aan boord van een luchtvaartuig in vlucht dat vervolgens op Sint Maarten landt met de verdachte aan boord; 1º. aan een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2:112, 2:114, 2:340, 2:370, 2:371 en 2:372, indien het feit is begaan tegen een Sint Maartens zeegaand vaartuig, hetzij tegen of aan boord van enig ander zeegaand vaartuig en de verdachte zich binnen Sint Maarten bevindt; 2º. aan een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2:340, 2:370 en 2:371, begaan tegen een installatie ter zee, wanneer de verdachte zich binnen Sint Maarten bevindt; aan een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2:128 en 2:129, voor zover het feit is gepleegd tegen een Nederlander en daarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld; aan een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2:128, 2:129, 2:184, 2:188 en 2:302, voor zover het feit is gepleegd door een Sint Maartense ambtenaar of door een persoon in de openbare dienst van een in Sint Maarten gevestigde volkenrechtelijke organisatie en daarop door de wet van het land waar het is begaan, straf is gesteld; aan het misdrijf, omschreven in artikel 2:250, wanneer hetzij het feit is begaan met het oogmerk enige overheid in het Koninkrijk te dwingen een handeling te verrichten of zich te onthouden van het verrichten daarvan, hetzij de verdachte zich binnen Sint Maarten bevindt; 1°. aan een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2:33 tot en met 2:35 en 2:255, voor zover het feit is gepleegd tegen een in Nederlandse of Sint Maartense dienst zijnde, of tot zijn gezin behorende, internationaal beschermd persoon als bedoeld in artikel 1:214, eerste lid, of tegen diens beschermde goederen; 2°. aan een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2:33 tot en met 2:35, 2:250 en 2:255, voor zover het feit is gepleegd tegen een internationaal beschermd persoon als bedoeld in artikel 1:214, tweede lid, die Nederlander is, of tegen diens beschermde goederen; 3°. aan een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2:33 tot en met 2:35 en 2:255, voor zover het feit is gepleegd tegen een internationaal beschermd persoon als bedoeld in artikel 1:214, eerste of tweede lid, of tegen diens beschermde goederen, wanneer de verdachte zich binnen Sint Maarten bevindt; aan een terroristisch misdrijf dan wel een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2:33, 2:35, 2:41 tot en met 2:42, 2:98, 2:102, 2:103, 2:105, 2:107, 2:109, 2:110, 2:112, 2:114, 2:117, 2:119, 2:121, 2:255, 2:259, 2:260, 2:262, 2:334, 2:336, 2:338, 2:340, 2:371 en 2:373, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2 van het op 15 december 1997 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen (Trb. 1998, 84) en hetzij het feit is gepleegd tegen een Nederlander, hetzij de verdachte zich binnen Sint Maarten bevindt; aan een terroristisch misdrijf dan wel een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2:33, 2:35, 2:41 tot en met 2:42, 2:55, 2:79, 2:98, 2:102, 2:103, 2:105, 2:107, 2:109, 2:110, 2:112, 2:114, 2:116, 2:117, 2:119, 2:121, 2:255, 2:259, 2:260, 2:262, 2:334, 2:336, 2:338, 2:340, 2:370, 2:371 en 2:373, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2 van het op 9 december 1999 te New York tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (Trb. 2000, 12) en hetzij het feit is gericht tegen een Nederlander, hetzij de verdachte zich binnen Sint Maarten bevindt; aan een terroristisch misdrijf, indien het misdrijf is gepleegd met het oogmerk de bevolking of een deel van de bevolking van het Koninkrijk vrees aan te jagen of enige overheid in het Koninkrijk wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, of de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren in het Koninkrijk ernstig te ontwrichten of te vernietigen; aan een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, indien het misdrijf is gepleegd met het oogmerk een terroristisch misdrijf als omschreven in onderdeel o voor te bereiden of gemakkelijker te maken; aan een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2:98, 2:105, 2:254, 2:255, 2:288 tot en met 2:291, 2:294, 2:295, 2:298, 2:299 en 2:305, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 7 van het op 3 maart 1980 te Wenen/New York tot stand gekomen Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (Trb. 1980, 166), wanneer de verdachte zich binnen Sint Maarten bevindt; aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 2:105, 2:121, 2:254, 2:255, 2:288 tot en met 2:291, 2:294 en 2:295 voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2 van het op 13 april 2005 te New York tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme (Trb. 2005, 290) en hetzij het feit is gepleegd tegen een Nederlander, hetzij de verdachte zich binnen Sint Maarten bevindt. Artikel1:5 1.De strafwet van Sint Maarten is van toepassing op een ieder tegen wie de strafvervolging door Sint Maarten van een vreemde staat is overgenomen op grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging door Sint Maarten volgt. 2.De strafwet van Sint Maarten is voorts van toepassing op ieder wiens uitlevering ter zake van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, ontoelaatbaar is verklaard, is afgewezen of geweigerd. Artikel1:6 1.De strafwet van Sint Maarten is van toepassing op de Nederlander en op de vreemdeling die in Sint Maarten een vaste woon- of verblijfplaats heeft en die zich buiten Sint Maarten schuldig maakt: aan een van de misdrijven omschreven in de Titels I en II van het Tweede Boek, en in de artikelen 2:154, 2:155, 2:164, 2:191, 2:232 en 2:233, alsmede, voor zover het betreft een misdrijf, gericht tegen de rechtspleging van het Internationaal Strafhof, als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Trb. 2000, 120), in de artikelen 2:128 tot en met 2:130, 2:132, 2:133, 2:143, 2:158, 2:166, 2:256 en 2:349; aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 2:196 tot en met 2:209, 2:239 en 2:246, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 2:273 tot en met 2:276, voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijk geslacht die de leeftijd achttien jaren nog niet heeft bereikt; aan een feit hetwelk door de strafwet van Sint Maarten als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld; aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 2:69, 2:70, 2:73, 2:74, 2:107, 2:184, 2:185, 2:186, 2:195, 2:196, 2:305, 2:308, 2:334, 2:336, 2:338, voor zover het feit valt onder de omschrijving van de artikelen 2 tot en met 10 van het op 23 november 2001 te Boedapest tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken (Trb. 2002, 18 en 2004, 290) en een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2:60 tot en met 2:62, 2:223, 2:224, 2:226, 2:254 en 2:255, voor zover het feit valt onder de omschrijving van de artikelen 3 tot en met 6 van het op 28 januari 2003 te Straatsburg tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, betreffende de strafbaarstelling van handelingen van racistische of xenofobische aard verricht via computersystemen; aan een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf; aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 2:185, 2:239, 2:298, 2:334 en 2:397 tot en met 2:399, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau tot stand gekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel (Trb. 2006, 99), indien het feit is gepleegd buiten de rechtsmacht van enige staat. 2.In de gevallen, omschreven in het eerste lid, onderdelen b, c, e en f kan de vervolging ook plaatshebben, als de verdachte eerst na het begaan van het feit Nederlander is geworden dan wel een vaste woon- of verblijfplaats in Sint Maarten heeft verworven. Artikel1:7 De strafwet van Sint Maarten is van toepassing op ieder die zich schuldig maakt aan: een van de misdrijven omschreven in de artikelen 2:185, 2:239, 2:298, 2:334 en 2:397 tot en met 2:399, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau tot stand gekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel (Trb. 2006, 99), indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander; aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 2:196 tot en met 2:210 en 2:239, indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander of een vreemdeling die in Sint Maarten een vaste woon- of verblijfplaats heeft en die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt. Artikel1:8 De strafwet van Sint Maarten is van toepassing op: de ambtenaar van het Land, die zich buiten Sint Maarten schuldig maakt aan een van de misdrijven omschreven in Titel XXVIII van het Tweede Boek; de persoon in de openbare dienst van een in Sint Maarten gevestigde volkenrechtelijke organisatie die zich buiten Sint Maarten schuldig maakt aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 2:350 tot en met 2:

  1. Artikel1:9 De strafwet van Sint Maarten is van toepassing op de schipper en de opvarenden van een vaartuig die zich buiten Sint Maarten, ook buiten boord, schuldig maken aan een van de strafbare feiten omschreven in Titel XXIX van het Tweede Boek en Titel IX van het Derde Boek. Artikel1:10 De toepasselijkheid van de artikelen 1:2 tot en met 1:9 wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. Titel II Straffen §1Algemeen Artikel1:11 De straffen zijn: de hoofdstraffen: 1°. gevangenisstraf; 2°. hechtenis; 3°. taakstraf; 4°. geldboete. de bijkomende straffen: 1°. ontzetting van bepaalde rechten; 2°. verbeurdverklaring. Ten aanzien van misdrijven en ten aanzien van overtredingen die worden bedreigd met een vrijheidsstraf kan de rechter een taakstraf opleggen. Een taakstraf bestaat uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, of een leerstraf, zijnde het volgen van een leerproject, of een combinatie van beide. In geval van veroordeling tot gevangenisstraf, tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, of tot taakstraf kan de rechter tevens een geldboete opleggen. In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen. Naast veroordeling tot levenslange gevangenisstraf kan geen andere straf worden opgelegd dan ontzetting van bepaalde rechten en verbeurdverklaring. Een bijkomende straf kan, in de gevallen waarin de wet haar oplegging toelaat, zowel afzonderlijk als tezamen met hoofdstraffen en met andere bijkomende straffen worden opgelegd. Artikel1:12 Indien de rechter dit raadzaam acht in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, kan hij in het vonnis bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Artikel1:13 1.De gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk. 2.De duur van de tijdelijke gevangenisstraf is ten minste een dag en ten hoogste vier en twintig achtereenvolgende jaren. 3.Zij kan voor ten hoogste dertig achtereenvolgende jaren worden opgelegd in de gevallen waarin op het misdrijf levenslange en tijdelijke gevangenisstraf ter keuze van de rechter zijn gesteld. 4.De rechter kan ten hoogste dertig achtereenvolgende jaren gevangenisstraf opleggen in die gevallen waarin wegens strafverhoging ter zake van samenloop van misdrijven, herhaling van misdrijf of schending van een bijzondere ambtsplicht de tijd van vier en twintig jaren wordt overschreden. Artikel1:14 Bij het opleggen van een straf houdt de rechter rekening met de persoon van de verdachte, met de mate waarin de gedraging aan de verdachte is te verwijten, met de ernst van het feit en met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Artikel1:15 1.De tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen geschiedt overeenkomstig bij of krachtens landsverordening te stellen regels. 2.Deze regels betreffen in elk geval: de aanwijzing en de bestemming van inrichtingen bestemd voor deze tenuitvoerlegging; de selectie van de personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van de voornoemde straffen en maatregelen plaatsvindt voor de inrichtingen; het beheer van de inrichtingen en het toezicht daarop; het regime in de inrichtingen; gevallen waarin en de wijze waarop beperkingen op de grondrechten van de in onderdeel b omschreven personen plaats kan vinden; de rechtsgang voor de in onderdeel b omschreven personen aangaande beslissingen die hen raken en het regime van de inrichting betreffen alsmede beslissingen tot hun plaatsing en overplaatsing. Artikel1:16 1.In bijzondere gevallen kan de Minister van Justitie, overeenkomstig bij of krachtens landsverordening te stellen nadere regels, bepalen dat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf gedurende een tijdvak van ten hoogste drie maanden wordt onderbroken. 2.Een gedetineerde kan, overeenkomstig bij of krachtens landsverordening te stellen nadere regels, worden vergund de inrichting tijdelijk te verlaten. 3.De in het eerste en tweede lid bedoelde nadere regels betreffen in elk geval de criteria waaraan een gedetineerde moet voldoen om voor een strafonderbreking dan wel verlof in aanmerking te komen, de bevoegdheid tot en de wijze van verlening, weigering, beperking en intrekking alsmede de duur en frequentie en de voorwaarden die aan de strafonderbreking of het verlof kunnen worden verbonden. 4.Het verlaten van de inrichting bedoeld in het tweede lid, schort de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel niet op. Artikel1:17 1.Een veroordeelde tot gevangenisstraf die wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens daarvoor in aanmerking komt, kan worden geplaatst in een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden. 2.Indien een veroordeelde tot gevangenisstraf tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd, wordt op regelmatige tijdstippen beoordeeld of de veroordeelde dient te worden geplaatst in een justitiële inrichting voor de verpleging van ter beschikking gestelden. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden nadere regels gesteld over deze beoordeling. Deze regels betreffen in elk geval de frequentie van de beoordelingen, de te volgen procedure, waaronder de advisering door een of meer gedragsdeskundigen, de wijze waarop de beoordeling dient plaats te vinden en de rechtsgang voor de veroordeelden aangaande de in dit artikel bedoelde beslissingen. Artikel1:18 Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt een reclasseringsinstelling aangewezen en worden nadere voorschriften gegeven ten aanzien van het verlenen van hulp en steun aan veroordeelden, en het uitoefenen van toezicht op de naleving van bijzondere voorwaarden. §2Voorwaardelijke straffen Artikel1:19 1.In geval van veroordeling tot gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, tot werkstraf of tot geldboete, kan de rechter bepalen dat de straf of een gedeelte daarvan niet zal worden ten uitvoer gelegd. 2.In geval van een veroordeling tot gevangenisstraf van meer dan twee jaren en ten hoogste vier jaren kan de rechter bepalen dat een gedeelte van de straf, tot ten hoogste twee jaren, niet zal worden ten uitvoer gelegd. 3.De rechter kan voorts bepalen dat opgelegde bijkomende straffen geheel of gedeeltelijk niet zullen worden ten uitvoer gelegd. Artikel1:20 1.De rechter die bepaalt dat een door hem opgelegde straf geheel of gedeeltelijk niet zal worden ten uitvoer gelegd, stelt daarbij een proeftijd vast. 2.De proeftijd bedraagt ten hoogste drie jaren. De proeftijd kan ten hoogste tien jaren bedragen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. 3.De proeftijd gaat in zodra de uitspraak waarbij een bevel als bedoeld in artikel 1:19 is gegeven, onherroepelijk is geworden. De bijzondere voorwaarden gelden echter pas indien de mededeling hiervan door of vanwege het openbaar ministerie aan de veroordeelde in persoon is betekend, tenzij de rechter een bevel als bedoeld in artikel 1:23, eerste lid, heeft gegeven. 4.De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Artikel1:21 Toepassing van artikel 1:19 geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Bij toepassing van artikel 1:19 kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen: gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade; geheel of gedeeltelijk herstel van de door het strafbare feit veroorzaakte schade; een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen; een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn; een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie; een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek; opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging; een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling; het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang; het voldoen aan de verplichting het Land te verlaten en niet in het Land terug te keren; andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende. De bijzondere voorwaarden kunnen tevens beperkingen betreffende het gedrag en de bewegingsvrijheid van de veroordeelde omvatten. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht worden verbonden. De bijzondere voorwaarden mogen de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken. Artikel1:22 1.Het openbaar ministerie is belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden, bedoeld in artikel 1:
  2. 2.Zowel de rechter als het openbaar ministerie kunnen aan een in het landsbesluit, bedoeld in artikel 1:18, aangewezen reclasseringsinstelling dan wel aan een bijzondere reclasseringsambtenaar opdracht geven de veroordeelde begeleiding te bieden bij en toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden. Indien een voorwaarde niet wordt nageleefd, maakt de reclasseringsinstelling of reclasseringsambtenaar daarvan terstond melding aan het openbaar ministerie. Artikel1:23 1.De rechter kan bij zijn uitspraak bevelen dat de op grond van artikel 1:21 gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 1:22 uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. 2.Het bevel, bedoeld in het eerste lid, kan door het Hof, ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgeheven. Artikel1:24 1.De rechter die de voorwaarde heeft gesteld kan hetzij na de ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de veroordeelde de proeftijd verkorten of deze eenmaal verlengen. De verlenging geschiedt met ten hoogste twee jaren. 2.Evenzo kan de in het eerste lid bedoelde rechter gedurende de proeftijd of gedurende de tijd dat deze is geschorst in de gestelde bijzondere voorwaarden of in de termijn waartoe deze voorwaarden in haar werking binnen de proeftijd zijn beperkt, wijziging brengen, deze voorwaarden opheffen, alsnog bijzondere voorwaarden stellen en een opdracht als bedoeld in artikel 1:22 geven, wijzigen of opheffen. Artikel1:25 1.In geval van veroordeling tot een vrijheidsstraf waarvan de rechter heeft bepaald dat de straf of een gedeelte daarvan niet ten uitvoer zal worden gelegd, kan het openbaar ministerie de aanhouding van de veroordeelde bevelen, indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd. Aan de veroordeelde wordt terstond een raadsman toegevoegd. 2.Het openbaar ministerie dient, indien het de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, onverwijld een vordering als bedoeld in artikel 1:26, eerste lid, in bij de rechter. 3.Binnen drie dagen na de aanhouding wordt de veroordeelde geleid voor de rechter-commissaris. Artikel 89 Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing. Artikel1:26 1.Indien enige krachtens artikel 1:21 opgelegde voorwaarde niet wordt nageleefd kan de rechter, indien hij daartoe termen vindt, na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie en onverminderd artikel 1:24: gelasten dat de niet ten uitvoer gelegde straf alsnog zal worden ten uitvoer gelegd; al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden gelasten dat een gedeelte van de niet ten uitvoer gelegde straf alsnog zal worden ten uitvoer gelegd. indien de veroordeelde zijn vrijheid is benomen uit hoofde van artikel 1:25, de veroordeelde in vrijheid stellen. 2.In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf te geven kan de rechter een taakstraf als bedoeld in artikel 1:11, eerste lid, onderdeel a, ten 3°, gelasten. De artikelen 1:45 tot en met 1:53 zijn van overeenkomstige toepassing. 3.Tot behandeling van de vordering is bevoegd de rechter die de straf heeft opgelegd. Indien de veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit, begaan voor het einde van de proeftijd, is de rechter in eerste aanleg tot behandeling van de vordering bevoegd. De vordering wordt in dat geval ingediend door het openbaar ministerie en kan slechts bij gelegenheid van een veroordeling ter zake worden toegewezen. 4.Het openbaar ministerie is in zijn vordering niet ontvankelijk wanneer zij later wordt ingediend dan zes maanden na het verstrijken van de proeftijd. 5.Bij toepassing van het eerste of tweede lid, beveelt de rechter dat de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 1:25 geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf. Indien hij dit bevel geeft ter zake van een taakstraf, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden. Artikel1:27 1.In de gevallen in de artikelen 1:23, tweede lid, 1:24, en 1:26 bedoeld dagvaardt het openbaar ministerie de veroordeelde met een met redenen omklede vordering. Is door de veroordeelde een verzoek tot toepassing van artikel 1:23, tweede lid, of van artikel 1:24 tot de rechter gericht, dan dagvaardt het openbaar ministerie de veroordeelde ten spoedigste nadat het verzoekschrift door de griffier in zijn handen is gesteld met een met redenen omklede conclusie. 2.In het geval, bedoeld in artikel 1:26, derde lid, tweede volzin, geschiedt de dagvaarding bij voorkeur gelijktijdig met de behandeling van het feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd. 3.Het openbaar ministerie doet degene die met het verlenen van hulp en steun was belast tot bijwoning van het onderzoek oproepen. 4.Zowel het openbaar ministerie als de veroordeelde is bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen oproepen om bij het onderzoek aanwezig te zijn. De artikelen 287 en 289 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. 5.De veroordeelde en degene die met het verlenen van hulp en steun is belast kunnen vóór de aanvang van het onderzoek van de stukken kennis nemen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de raadsman van de veroordeelde. Artikel 20, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing. Artikel1:28 1.Het onderzoek vindt plaats ter openbare zitting. 2.Het openbaar ministerie is bij het onderzoek tegenwoordig en wordt ter zake gehoord. 3.De veroordeelde en degene die met het verlenen van hulp en steun is belast kunnen bij het onderzoek tegenwoordig zijn en worden alsdan gehoord. De veroordeelde kan zich door een raadsman doen bijstaan. 4.In gevallen waarin de behandeling van de zaak niet gelijktijdig geschiedt met de behandeling van een feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd, vindt de behandeling zo veel mogelijk plaats overeenkomstig het Vijfde Boek, Titel IV van het Wetboek van Strafvordering met uitzondering van die artikelen, die betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of slechts ten dele blijkt. 5.Gedurende het onderzoek kan het openbaar ministerie zijn ingediende vordering of conclusie en de veroordeelde zijn verzoek wijzigen. Artikel1:29 1.Rechterlijke beslissingen over de vorderingen van het openbaar ministerie of de verzoeken van de veroordeelde zijn met redenen omkleed en worden in het openbaar uitgesproken. Zij zijn, voor zover zij geen deel uitmaken van uitspraken ter zake van andere strafbare feiten, niet aan enig rechtsmiddel onderworpen. 2.De inhoud van de in het eerste lid bedoelde beslissingen wordt onverwijld vanwege het openbaar ministerie schriftelijk medegedeeld aan de veroordeelde en aan degene die met het verlenen van hulp en steun is belast, zomede aan degene die bij de beslissing daarvan wordt ontheven. Indien de beslissing een wijziging van de bijzondere voorwaarden bevat of daarbij alsnog bijzondere voorwaarden zijn gesteld, wordt de mededeling aan de veroordeelde in persoon betekend. §3Voorwaardelijke invrijheidstelling Artikel1:30 1.De veroordeelde tot levenslange gevangenisstraf wordt nadat de vrijheidsbeneming ten minste vijfentwintig jaren heeft geduurd voorwaardelijk in vrijheid gesteld indien naar het oordeel van het Hof verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer dient. 2.Het Hof neemt daarbij ten minste in zijn beschouwing de positie van het eventuele slachtoffer of directe nabestaanden en het gevaar dat de veroordeelde alsnog zal recidiveren. In het geval dat het Hof niet tot invrijheidstelling overgaat, beoordeelt het de situatie opnieuw na vijf jaren en zo nodig telkens na vijf jaren. 3.Het openbaar ministerie dagvaardt de veroordeelde uiterlijk zes maanden voor verloop van de betrokken periode. 4.De artikelen 1:26, eerste lid, 1:27, derde tot en met vijfde lid, 1:28 en 1:29 zijn van overeenkomstige toepassing. 5.Met betrekking tot de voorwaarden en de proeftijd zijn voorts de artikelen 1:32, eerste tot en met vierde lid, 1:33 en 1:34 van overeenkomstige toepassing. 6.Tegen de beslissing van het Hof staat geen rechtsmiddel open. Artikel1:31 1.De veroordeelde tot vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte ten hoogste een jaar bedraagt, kan voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld wanneer de vrijheidsbeneming ten minste zes maanden heeft geduurd en van het alsdan nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf een derde gedeelte is ondergaan. 2.De veroordeelde tot tijdelijke vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte meer dan een jaar bedraagt, kan voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld wanneer hij twee derde gedeelte daarvan heeft ondergaan. 3.Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie in het buitenland ingevolge een Sint Maartens verzoek om uitlevering is doorgebracht onder de termijn begrepen, tenzij die tijd, met toepassing van artikel 102, eerste lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, reeds in mindering is gebracht op een andere straf die de veroordeelde heeft ondergaan. 4.Indien de veroordeelde meer dan één vrijheidsstraf geheel of gedeeltelijk heeft te ondergaan, worden deze indien mogelijk aaneensluitend ten uitvoer gelegd. In dat geval worden de ten uitvoer te leggen gedeelten gezamenlijk, met uitzondering van vervangende hechtenis, als één vrijheidsstraf aangemerkt, waarop dit artikel en de artikelen 1:32 tot en met 1:39 van toepassing zijn. 5.De artikelen 625 en 626 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel1:32 De voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De Minister van Justitie kan aan de voorwaardelijke invrijheidstelling bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde verbinden met inachtneming van een daartoe strekkend advies van het Centraal College voor de Reclassering. De bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen, kunnen inhouden: een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen; een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden; een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn; een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie; een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek; opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging; een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling; het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang; het deelnemen aan een of meer cursussen betreffende gedragsinterventie; andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht en/of een zekerheidstelling worden verbonden. De Minister van Justitie kan de gestelde bijzondere voorwaarden niet dan na daartoe strekkend advies van het Centraal College voor de Reclassering aanvullen, wijzigen of opheffen. De bijzondere voorwaarden mogen de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken. De Minister van Justitie kan zijn bevoegdheid uitsluitend mandateren aan het openbaar ministerie of het Centraal College voor de Reclassering. Bij landbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de procedure die leidt tot de in dit artikel bedoelde beslissingen. Artikel1:33 1.Het openbaar ministerie is belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden. 2.De Minister van Justitie kan aan een in het landsbesluit, bedoeld in artikel 1:18, aangewezen reclasseringsinstelling dan wel aan een bijzondere reclasseringsambtenaar opdracht geven de veroordeelde begeleiding te bieden bij en toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden. Indien een voorwaarde niet wordt nageleefd, maakt de reclasseringsinstelling of reclasseringsambtenaar daarvan melding aan het openbaar ministerie en aan het Centraal College voor de Reclassering. Artikel1:34 1.De proeftijd gaat in op de dag van de invrijheidstelling. 2.De proeftijd van de algemene voorwaarde is gelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, maar bedraagt ten minste een jaar. 3.De proeftijd van een bijzondere voorwaarde wordt door de Minister van Justitie vastgesteld, maar is ten hoogste gelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. 4.De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. 5.De proeftijd van een veroordeelde die voorwaardelijk in vrijheid is gesteld loopt wel indien ten aanzien van de veroordeelde tevens een proeftijd ingevolge artikel 1:20 is opgelegd en van kracht is. Artikel1:35 1.In afwijking van artikel 1:31, eerste en tweede lid, kan de Minister van Justitie niet dan na daartoe strekkend advies van het Centraal College voor de Reclassering bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld of achterwege gelaten indien: de veroordeelde op grond van de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens is opgenomen in een inrichting voor ter beschikking gestelden en zijn opname voortzetting behoeft; de veroordeelde onherroepelijk is veroordeeld terzake van een misdrijf waarvoor ingevolge artikel 100, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering voorlopige hechtenis is toegelaten en dat is begaan na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf; is gebleken dat de veroordeelde zich anderszins na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen; de veroordeelde na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zich hieraan onttrekt of heeft onttrokken of hiertoe een poging als bedoeld in artikel 1:119 heeft gedaan; door het stellen van voorwaarden de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen niet kan worden gewaarborgd dan wel indien de veroordeelde zich niet bereid verklaart de voorwaarden na te leven; de vrijheidsstraf die ten uitvoer wordt gelegd, voortvloeit uit een onherroepelijke veroordeling door een buitenlandse rechter en de tenuitvoerlegging overeenkomstig het toepasselijke verdrag is overgenomen, voor zover de mogelijkheid van uitstel of achterwege blijven van voorwaardelijke invrijheidstelling de instemming van de buitenlandse autoriteit met de overbrenging heeft bevorderd. 2.De voorwaardelijke invrijheidstelling kan telkens opnieuw met een bepaalde termijn worden uitgesteld dan wel, nadat zij is uitgesteld, achterwege blijven. Het eerste lid is van toepassing. 3.Voorwaardelijke invrijheidstelling kan tevens worden uitgesteld of achterwege blijven, indien feiten of omstandigheden als genoemd in het eerste lid, onderdelen b, c of d, zich hebben voorgedaan gedurende de periode die ingevolge artikel 1:62, eerste lid, op de gevangenisstraf in mindering wordt gebracht. 4.Artikel 1:32, zesde en zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel1:36 1.Voorwaardelijke invrijheidstelling kan door de Minister van Justitie niet dan na daartoe strekkend advies van het Centraal College voor de Reclassering worden herroepen, indien: er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; de veroordeelde de gestelde bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. 2.De voorwaardelijke invrijheidstelling kan geheel of gedeeltelijk worden herroepen. 3.Indien de Minister van Justitie gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, kan de officier van justitie de veroordeelde doen aanhouden. Aan hem wordt terstond een raadsman toegevoegd. Binnen drie dagen na die aanhouding wordt de veroordeelde geleid voor de rechter-commissaris. Artikel 89 Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing. 4.Artikel 1:32, zesde en zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel1:37 1.In afwijking van artikel 1:31, eerste en tweede lid, kan de Minister van Justitie bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling op een eerder tijdstip plaatsvindt in verband met een tekort aan plaatsen voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen in penitentiaire inrichtingen voor diegene, die gelet op zijn totale straftijd, verhoudingsgewijs de datum van zijn wettelijke invrijheidstelling het dichtst is genaderd. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan een maximum worden vastgesteld voor een dergelijke korting. 2.Artikel 1:32, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel1:38 1.De beslissing tot invrijheidstelling, met daarin vermeld de duur van de proeftijd alsmede de algemene en bijzondere voorwaarden, wordt voor de invrijheidstelling aan de veroordeelde in persoon betekend. Indien geen beslissing is betekend op de dag dat de veroordeelde op grond van artikel 1:31 in samenhang met artikel 1:37 in vrijheid had moeten worden gesteld, wordt de voorwaardelijke invrijheidstelling geacht te zijn geweigerd. 2.De overige beslissingen, bedoeld in de artikelen 1:32, 1:35 en 1:36, worden zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde in persoon betekend. Artikel1:39 1.De veroordeelde kan tegen de beslissingen, bedoeld in de artikelen 1:32, 1:35, 1:36 en 1:37 - dit laatste voor zover de invrijheidstelling achterwege zal blijven of is gebleven - binnen veertien dagen nadat hij daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. 2.Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de van zijn vrijheid beroofde veroordeelde niet in vrijheid gesteld. 3.Aan de in het tweede lid bedoelde veroordeelde wordt ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman toegevoegd. Artikel1:40 1.Na ontvangst van het bezwaarschrift, bedoeld in artikel 1:39, dagvaardt het openbaar ministerie de veroordeelde zo spoedig mogelijk nadat het bezwaarschrift door de griffier in zijn handen is gesteld. 2.De artikelen 1:27, derde tot en met vijfde lid, 1:28 en 1:29 zijn van overeenkomstige toepassing. De minister van Justitie of zijn vertegenwoordiger dient te worden opgeroepen en gehoord. §4Hechtenis Artikel1:41 1.De duur van de hechtenis is ten minste een dag en ten hoogste een jaar. 2.Zij kan voor ten hoogste een jaar en vier maanden worden opgelegd in de gevallen waarin wegens strafverhoging ter zake van samenloop, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 1:116, de tijd van een jaar wordt overschreden. 3.Zij kan in geen geval de tijd van een jaar en vier maanden te boven gaan. Artikel1:42 Artikel 1:17 is op de tot hechtenis of vervangende hechtenis veroordeelde van overeenkomstige toepassing. §5Duur Artikel1:43 De duur van de tijdelijke gevangenisstraf en de hechtenis wordt in de rechterlijke uitspraak aangewezen in dagen, weken, maanden en jaren, niet in gedeelten daarvan. §6Buitenlandse executie Artikel1:44 1.Het openbaar ministerie kan in uitzonderlijke omstandigheden bepalen dat een vrijheidsstraf buiten Sint Maarten ten uitvoer wordt gelegd. 2.Artikel 1:39 is van toepassing, met dien verstande dat hangende de beslissing de veroordeelde niet naar het buitenland wordt overgebracht. Artikel 1:40 is eveneens van toepassing, met dien verstande dat het onderzoek in raadkamer kan plaatsvinden en de beslissing in raadkamer kan worden gegeven. §7Taakstraf Artikel1:45 1.Het vonnis vermeldt of de taakstraf bestaat uit een werkstraf, een leerstraf of een combinatie van beide, alsmede het aantal uren dat de straf zal duren. Het vonnis kan, voor zover een werkstraf wordt opgelegd, tevens de aard van de te verrichten werkzaamheden vermelden. Indien een leerstraf wordt opgelegd vermeldt het vonnis de aard van het te volgen leerproject. 2.Het aantal uren dat de taakstraf duurt bedraagt ten hoogste vierhonderdentachtig, waarvan niet meer dan tweehonderdenveertig uren werkstraf. 3.De termijn binnen welke de taakstraf moet worden voltooid bedraagt een jaar na het onherroepelijk worden van het vonnis. Het openbaar ministerie kan ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde deze termijn eenmaal met een jaar verlengen. Het zendt hiervan zo spoedig mogelijk een kennisgeving aan de veroordeelde. 4.De termijn binnen welke de taakstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is. Artikel1:46 1.In het vonnis waarbij taakstraf wordt opgelegd, beveelt de rechter, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast. 2.De duur van de vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld. 3.De vervangende hechtenis beloopt ten minste een dag en ten hoogste acht maanden. Voor elke twee uren van de taakstraf wordt niet meer dan een dag opgelegd. 4.Wanneer een gedeelte van de te verrichten taakstraf is voldaan, wordt de duur van de vervangende hechtenis naar evenredigheid verminderd. Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dag vervangende hechtenis zou moeten worden ondergaan, dan vindt afronding naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen. Artikel1:47 1.Het openbaar ministerie is belast met het toezicht op de uitvoering van de taakstraf. 2.Zowel de rechter als het openbaar ministerie kunnen aan een in het landsbesluit, bedoeld in artikel 1:18, aangewezen reclasseringsinstelling dan wel aan een bijzondere reclasseringsambtenaar opdracht geven de veroordeelde begeleiding te bieden bij en toezicht te houden op de wijze waarop de taakstraf wordt verricht. Indien een taakstraf niet naar behoren is verricht maakt de reclasseringsinstelling daarvan terstond melding aan het openbaar ministerie. Artikel1:48 1.Het openbaar ministerie kan de opgelegde straf wijzigen voor wat betreft de aard van de te verrichten werkzaamheden of het te volgen leerproject, bedoeld in artikel 1:45, eerste lid, tweede volzin, indien het van oordeel is dat de veroordeelde de taakstraf niet geheel overeenkomstig de opgelegde straf kan of heeft kunnen verrichten. Het openbaar ministerie benadert daarbij zo veel mogelijk de opgelegde straf. Het openbaar ministerie geeft hiervan kennis aan de veroordeelde. 2.Het openbaar ministerie doet deze kennisgeving zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde betekenen. De kennisgeving behelst het aantal uren taakstraf dat naar het oordeel van het openbaar ministerie is verricht, alsmede de straf zoals deze voor het overige nader is vastgesteld. 3.Tegen de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, kan de veroordeelde binnen veertien dagen na de betekening daarvan een bezwaarschrift indienen bij de rechter die de straf heeft opgelegd. De rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie wijzigen. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel1:49 1.Indien de tot een taakstraf veroordeelde niet aanvangt met de taakstraf of het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde de opgelegde taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht, kan het openbaar ministerie de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis bevelen. Het openbaar ministerie geeft hiervan kennis aan de veroordeelde. 2.Het openbaar ministerie doet deze kennisgeving zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde betekenen. De kennisgeving behelst het aantal uren taakstraf dat naar het oordeel van het openbaar ministerie is verricht, alsmede het aantal dagen vervangende hechtenis. 3.Tegen de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, kan de veroordeelde binnen veertien dagen na de betekening daarvan een bezwaarschrift indienen bij de rechter die de straf heeft opgelegd. De rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie wijzigen. 4.Op de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is artikel 1:31 niet van toepassing. Artikel1:50 1.Na ontvangst van het bezwaarschrift, bedoeld in artikel 1:48, derde lid, en artikel 1:49, derde lid, dagvaardt het openbaar ministerie de veroordeelde ten spoedigste nadat het bezwaarschrift door de griffier in zijn handen is gesteld. 2.De artikelen 1:27, derde tot en met vijfde lid, 1:28 en 1:29 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel1:51 Het openbaar ministerie kan een beslissing als bedoeld in artikel 1:48, eerste lid, of artikel 1:49, eerste lid, slechts nemen gedurende de termijn, genoemd in artikel 1:45, derde lid, of binnen drie maanden na afloop van deze termijn. Artikel1:52 Indien naar het oordeel van het openbaar ministerie de opgelegde taak naar behoren is verricht, stelt het zo spoedig mogelijk de veroordeelde hiervan in kennis. Artikel1:53 Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden nadere regels gesteld over de inhoud van de taakstraf, de tenuitvoerlegging van de taakstraf en de rechten en plichten van de tot een taakstraf Veroordeelde. §8Geldboete Artikel1:54 1.Hij die tot een geldboete is veroordeeld betaalt het bij de rechterlijke uitspraak vastgestelde bedrag aan het Land binnen de termijn te stellen door het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest is belast. 2.Het bedrag van de geldboete is ten minste NAF. 5,-. 3.De geldboete die voor een strafbaar feit ten hoogste kan worden opgelegd, is gelijk aan het bedrag van de categorie die voor dat feit is bepaald. 4.Er zijn zes categorieën: de eerste categorie, NAF. 500,-; de tweede categorie, NAF. 5.000,-; de derde categorie, NAF. 10.000,-; de vierde categorie, NAF. 25.000,-; de vijfde categorie, NAF. 100.000,-; de zesde categorie, NAF. 1.000.000,-. 5.Voor een overtreding, onderscheidenlijk een misdrijf, waarop geen geldboete is gesteld, kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag van de eerste, onderscheidenlijk de derde categorie. 6.Voor een overtreding, onderscheidenlijk een misdrijf, waarop een geldboete is gesteld, maar waarvoor geen boetecategorie is bepaald, kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag van de categorie, die voorziet in het naast hogere geldbedrag indien dit bedrag hoger is dan het bedrag van de op het betrokken strafbare feit gestelde geldboete. 7.Bij veroordeling van een rechtspersoon kan, indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie. 8.Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing bij veroordeling van een openbare vennootschap, stille vennootschap, rederij of doelvermogen. 9.Bij veroordeling wegens een schuldmisdrijf kan, indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie. Artikel1:55 Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete houdt de rechter, onverminderd het bepaalde in artikel 1:14, rekening met de draagkracht van de verdachte, in de mate waarin hij dat nodig acht met het oog op een passende bestraffing van de verdachte, zonder dat deze in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen. Artikel1:56 1.Indien bij het vonnis een of meer geldboeten zijn opgelegd tot een bedrag van ten minste NAF. 250,- is de rechter bevoegd bij de uitspraak te bepalen, dat de veroordeelde het bedrag in gedeelten mag voldoen. Elk van die gedeelten wordt daarbij op ten minste NAF. 50,- bepaald. 2.In geval van toepassing van het eerste lid stelt de rechter bij de uitspraak tevens termijnen vast voor de betaling van het tweede en, indien de geldboete in meer gedeelten mag worden voldaan, de volgende gedeelten. 3.Deze termijnen worden op ten minste één en ten hoogste drie maanden gesteld. Zij mogen tezamen een tijdvak van twee jaren niet overschrijden. Artikel1:57 1.Indien een ingevolge een onherroepelijke veroordeling tot geldboete te betalen bedrag binnen de daarvoor gestelde termijn niet in zijn geheel is voldaan, wordt de veroordeelde door het openbaar ministerie schriftelijk tot betaling aangemaand. Het bedrag wordt dan van rechtswege verhoogd met NAF. 25,-. Het openbaar ministerie wijst de veroordeelde op het bepaalde in het tweede lid. 2.Is het overeenkomstig het eerste lid verhoogde bedrag na verloop van de bij de aanmaning gestelde termijn geheel of ten dele onbetaald gebleven, dan wordt het bedrag, dan wel het nog verschuldigde gedeelte daarvan, van rechtswege verder verhoogd met een vijfde, doch ten minste met NAF. 50,-. 3.Een geldboete die krachtens een rechterlijke beslissing overeenkomstig artikel 1:56 in gedeelten mag worden voldaan, of ten aanzien waarvan het openbaar ministerie betaling in termijnen heeft toegestaan, is in haar geheel onmiddellijk verschuldigd, zodra een verhoging krachtens het eerste lid is ingetreden. 4.In gevallen waarin het openbaar ministerie, nadat de veroordeelde reeds in verzuim was, alsnog uitstel van betaling heeft verleend, dan wel afbetaling heeft toegestaan, vinden het eerste tot en met derde lid geen toepassing, zolang de veroordeelde zijn verplichtingen volgens de getroffen nadere regeling nakomt. 5.Betalingen door de veroordeelde gedaan, strekken in de eerste plaats tot voldoening van de krachtens het eerste en tweede lid ingetreden verhogingen. Artikel1:58 1.Bij de uitspraak waarbij een geldboete wordt opgelegd, beveelt de rechter voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast. Indien de veroordeelde een rechtspersoon is, blijft dit bevel achterwege. Artikel 1:127, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 2.De duur van de vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld. 3.De vervangende hechtenis beloopt ten minste een dag en ten hoogste een jaar. Voor elke volle NAF. 50,- van de geldboete wordt niet meer dan een dag opgelegd. 4.Wanneer een gedeelte van het verschuldigde bedrag is voldaan, vermindert de duur van de vervangende hechtenis naar evenredigheid. Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dag vervangende hechtenis zou moeten worden ondergaan, dan vindt afronding naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen. 5.Het vierde lid is ook van toepassing in gevallen waarin de betaling geschiedt nadat reeds een deel van de vervangende hechtenis ten uitvoer is gelegd. Artikel1:59 1.Bij de uitspraak waarbij een natuurlijk persoon de verplichting is opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan het Land ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, beveelt de rechter voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast, met dien verstande dat vervangende hechtenis op grond van dit artikel op te leggen op ten hoogste drie jaren kan worden bepaald. 2.De duur van deze vervangende hechtenis wordt niet verminderd door het voldoen van slechts een gedeelte van het verschuldigde bedrag. Artikel1:60 Op de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis is artikel 1:31 niet van toepassing. §9Ingang en executie vrijheidsstraf Artikel1:61 1.De gevangenisstraf, ten aanzien van veroordeelden die zich in voorlopige hechtenis bevinden ter zake van het feit waarvoor zij veroordeeld zijn, gaat in op de dag waarop de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. 2.De gevangenisstraf en de hechtenis, ten aanzien van andere veroordeelden, gaan in op de dag van de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak. 3.Wordt bij een vonnis zowel gevangenisstraf als hechtenis opgelegd, dan worden deze straffen aansluitend na elkaar geëxecuteerd. §10Aftrek voorlopige hechtenis Artikel1:62 1.Bij het opleggen van tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of taakstraf beveelt de rechter, dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie in het buitenland ingevolge een verzoek van Sint Maarten om uitlevering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. Indien hij dit bevel geeft terzake van een taakstraf, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden. Het vorenstaande blijft buiten toepassing voor zover die tijd reeds met toepassing van artikel 102, eerste lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering in mindering is gebracht op een andere vrijheidsstraf die de veroordeelde heeft ondergaan. 2.Bij het berekenen van de in mindering te brengen tijd geldt de eerste dag van de verzekering als een volle dag en blijft de dag waarop zij is geëindigd buiten beschouwing. 3.De rechter kan een bevel als bedoeld in het eerste lid, geven bij het opleggen van geldboete. Indien hij dit bevel geeft, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden. 4.Het eerste tot en met het derde lid zijn ook van toepassing in gevallen waarin, bij gelijktijdige vervolging wegens twee of meer feiten, de veroordeling wordt uitgesproken ter zake van een ander feit dan dat waarvoor de verzekering of de voorlopige hechtenis is bevolen. Artikel1:63 De tijd die door de tot gevangenisstraf of hechtenis veroordeelde in het buitenland in detentie is doorgebracht ingevolge een verzoek van Sint Maarten om uitlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van deze straf, komt daarop in mindering. §11Ontzetting van rechten Artikel1:64 1.De rechten waarvan de schuldige, in de bij wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn: het bekleden van ambten of bepaalde ambten; de uitoefening van bepaalde beroepen; het recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen of tot lid van deze organen te worden verkozen of beide; het recht om enig land of openbaar lichaam van het Koninkrijk, waar de schuldige zijn woonplaats heeft, uit te reizen, dan wel het recht tot het inreizen in enig land of openbaar lichaam van het Koninkrijk; het recht zich vrijelijk in alle delen van Sint Maarten te bevinden. 2.Onverminderd bijzondere bepalingen kan bij veroordeling wegens een terroristisch misdrijf de ontzetting van de in het eerste lid vermelde rechten worden uitgesproken. 3.Ontzetting van leden van de rechterlijke macht die, hetzij voor hun leven, hetzij voor een bepaalde tijd zijn aangesteld, of van andere voor hun leven aangestelde ambtenaren, geschiedt, ten opzichte van het ambt waartoe zij aldus zijn aangesteld, alleen in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald. 4.Ontzetting van het recht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan alleen worden uitgesproken bij veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste een jaar. 5.De rechter kan bij zijn uitspraak bevelen dat de ontzetting als genoemd in het eerste lid, onderdelen d of e dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt. Dit bevel kan door het Hof, ambtshalve, of op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgeheven. De artikelen 1:27 tot en met 1:29 zijn van overeenkomstige toepassing. 6.De rechter, die de ontzetting heeft uitgesproken, kan, gedurende de duur daarvan, de in het eerste lid, onderdelen d of e, opgelegde straf op verzoek van de veroordeelde wijzigen. De artikelen 1:27 tot en met 1:29 zijn van overeenkomstige toepassing. In spoedeisende gevallen kan het openbaar ministerie hangende de rechterlijke beslissing, de executie van de ontzetting opschorten. Artikel1:65 Ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleden kan, behalve in de gevallen in het Tweede Boek omschreven, worden uitgesproken bij veroordeling wegens enig ambtsmisdrijf of wegens enig misdrijf waardoor de schuldige een bijzondere ambtsplicht schond of waarbij hij gebruik maakte van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken. Artikel1:66 1.Wanneer ontzetting van rechten wordt uitgesproken, bepaalt de rechter de duur als volgt: bij veroordeling tot levenslange gevangenisstraf, voor het leven; bij veroordeling tot tijdelijke gevangenisstraf of tot hechtenis, voor een tijd die de duur van de hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaat; bij veroordeling tot geldboete, voor een tijd van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren; bij afzonderlijke oplegging, voor een tijd van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren. 2.De ontzetting van een van de in artikel 1:64, eerste lid, vermelde rechten gaat in op de dag dat de veroordeling daartoe door of vanwege het openbaar ministerie aan de veroordeelde in persoon is betekend en onherroepelijk is geworden. §12Verbeurdverklaring Artikel1:67 1.Verbeurdverklaring kan worden uitgesproken bij veroordeling wegens enig strafbaar feit. 2.Artikel 1:55 is van overeenkomstige toepassing. Artikel1:68 1.Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn aan de veroordeelde toebehorende voorwerpen: die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen; met betrekking tot welke het feit is begaan; met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid; met behulp van welke de opsporing van het misdrijf is belemmerd; die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd, alsmede zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van de in onderdeel a tot en met e bedoelde voorwerpen. 2.Onder aan de veroordeelde toebehorende voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, worden tevens verstaan voorwerpen die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden. 3.Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien: degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmee, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden, of niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren. 4.Rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien degene aan wie zij toebehoren bekend was met de verkrijging van de voorwerpen waarop of ten aanzien waarvan deze rechten bestaan, door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmee, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden. 5.Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten. Artikel1:69 In de verbeurdverklaring van een voorwerp is begrepen die van de verpakking waarin het zich bevindt, tenzij de rechter het tegendeel bepaalt. Artikel1:70 1.Bij de verbeurdverklaring van voorwerpen kan de rechter voor het geval waarin de verbeurd verklaarde voorwerpen meer zouden opbrengen dan een in de uitspraak vastgesteld bedrag, bevelen dat het verschil wordt vergoed. 2.De rechter kent een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid, of een geldelijke tegemoetkoming toe wanneer dit nodig is om te voorkomen dat de verdachte, of een ander aan wie de verbeurd verklaarde voorwerpen toebehoren, onevenredig zou worden getroffen. 3.De rechter bepaalt aan wie het bedrag van de vergoeding of tegemoetkoming wordt uitbetaald; zulks laat ieders recht op dit bedrag onverlet. Artikel1:71 1.Niet in beslag genomen voorwerpen worden, bij verbeurdverklaring, in de uitspraak op een bepaald geldelijk bedrag geschat. 2.De voorwerpen moeten in dit geval worden uitgeleverd of de geschatte waarde moet worden betaald. 3.De artikelen 1:57 en 1:58 zijn van overeenkomstige toepassing. §13Kosten en opbrengsten Artikel1:72 1.De kosten van gevangenisstraf en hechtenis komen ten laste van het Land. 2.Al hetgeen wordt verkregen uit geldboeten en verbeurdverklaringen komt ten bate van het Land. Titel III Maatregelen §1Onttrekking aan het verkeer, ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en schadevergoeding Artikel1:73 Alle kosten van tenuitvoerlegging van de in deze paragraaf bedoelde maatregelen,met uitzondering van de kosten van het verhaal, de invorderingskosten daaronder begrepen, komen ten laste, al hetgeen door die tenuitvoerlegging wordt verkregen, komt ten bate van het Land, met uitzondering van hetgeen door de tenuitvoerlegging van de maatregel, genoemd in artikel 1:78, wordt verkregen. Artikel1:74 1.Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden uitgesproken: bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld; bij de rechterlijke uitspraak waarbij overeenkomstig artikel 1:12 wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd; bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan; bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie. 2.De artikelen 1:69 en 1:70, tweede en derde lid, alsmede de artikelen 442, 443 en 444, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, zijn van overeenkomstige toepassing. 3.De maatregel kan tezamen met straffen en met andere maatregelen worden opgelegd. Artikel1:75 Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen: die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen; met betrekking tot welke het feit is begaan; met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid; met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd; die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd; een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Artikel1:76 Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan. Artikel1:77 1.Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan het Land ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. 2.De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. 3.Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan het Land ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat: uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten, of; voorwerpen die in een periode van zes jaren voorafgaand aan het misdrijf aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren voordeel belichamen als bedoeld in het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt. 4.De rechter kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde afwijken van de in het derde lid genoemde periode van zes jaren en een kortere periode in aanmerking nemen. 5.De rechter stelt het bedrag vast waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Onder voordeel is de besparing van kosten begrepen. De waarde van voorwerpen die door de rechter tot het wederrechtelijk verkregen voordeel worden gerekend, kan worden geschat op de marktwaarde op het tijdstip van de beslissing of door verwijzing naar de bij openbare verkoop te behalen opbrengst, indien verhaal moet worden genomen. De rechter kan het te betalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte voordeel. Op het gemotiveerde verzoek van de verdachte of veroordeelde kan de rechter, indien de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de verdachte of veroordeelde niet toereikend zullen zijn om het te betalen bedrag te voldoen, bij de vaststelling van het te betalen bedrag daarmee rekening houden. Bij het ontbreken van een zodanig verzoek kan de rechter ambtshalve of op vordering van de officier van justitie deze bevoegdheid toepassen. 6.Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten. 7.Bij het vaststellen van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van het eerste en tweede lid ter zake van strafbare feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd, kan de rechter bepalen dat deze hoofdelijk dan wel voor een door hem te bepalen deel aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting. 8.Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht. 9.Bij de oplegging van de maatregel wordt rekening gehouden met uit hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Artikel1:78 1.Bij een rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld of waarbij door de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van het Gerecht wordt gebracht, kan hem de verplichting worden opgelegd tot betaling aan het Land van een som geld ten behoeve van het slachtoffer. Het openbaar ministerie is belast met de tenuitvoerlegging van deze maatregel en keert het ontvangen bedrag onverwijld uit aan het slachtoffer. 2.De rechter kan de maatregel opleggen voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. 3.De maatregel kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd. 4.De artikelen 1:56 en 1:57, eerste tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de verhoging van het ingevolge de maatregel verschuldigde bedrag vervalt aan het Land. 5.Betalingen door de veroordeelde aan het Land verricht, strekken in de eerste plaats tot voldoening van de maatregel en vervolgens tot voldoening van de krachtens het vierde lid ingetreden verhogingen. 6.Indien de veroordeelde voor een misdrijf niet of niet volledig binnen acht maanden na de dag waarop het vonnis of arrest, waarbij de maatregel bedoeld in het eerste lid is opgelegd, onherroepelijk is geworden, aan zijn verplichting heeft voldaan, keert het Land het resterende bedrag uit aan het slachtoffer dat geen rechtspersoon is. Het maximum bedrag dat het Land uitkeert aan het slachtoffer is NAFL 5000,-. Het Land verhaalt het uitgekeerde bedrag, verhoogd met 15% in verband met de kosten van inning, op de veroordeelde. Bij dit verhaal is artikel 1:57 niet van toepassing. 7.De artikelen 1:58 en 1:168, tweede tot en met zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. §2Plaatsing in een psychiatrische inrichting en terbeschikkingstelling Artikel1:79 Indien de verdachte is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, kunnen de maatregelen bedoeld in de artikelen 1:80 en 1:81 niet worden opgelegd. Artikel1:80 1.De rechter kan gelasten dat degene aan wie een strafbaar feit wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend, in een psychiatrische inrichting zal worden geplaatst voor een termijn van een jaar, doch alleen indien hij gevaarlijk is voor zichzelf, voor anderen, of voor de algemene veiligheid van personen of goederen. 2.De rechter geeft een last als bedoeld in het eerste lid slechts na een daartoe strekkend, met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van een of meer gedragsdeskundigen, in ieder geval een psychiater, die de betrokkene hebben onderzocht. 3.Indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies, bedoeld in het tweede lid, moet worden verricht, behoeft een dergelijk advies niet te worden afgewacht. Artikel1:81 1.De verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld, indien: het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot een van de misdrijven omschreven in de artikelen 2:50, 2:103, onderdeel a, 2:107, eerste lid, onderdeel a, 2:255, eerste en tweede lid, 2:257, 2:273, eerste lid, 2:295 en 2:340, en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel vereist. 2.Bij toepassing van het eerste lid kan de rechter afzien van het opleggen van straf, ook indien hij bevindt dat het feit wel aan de verdachte kan worden toegerekend. 3.De rechter geeft een last als bedoeld in het eerste lid slechts na een daartoe strekkend, met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van een of meer gedragsdeskundigen, in ieder geval een psychiater, die de betrokkene hebben onderzocht. 4.Artikel 1:80, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 5.Bij het geven van een last als bedoeld in het eerste lid, neemt de rechter de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de ernst van het begane feit of de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf in aanmerking. Artikel1:82 1.De rechter kan bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd, indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging vereist. 2.Indien de rechter naast de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege een gevangenisstraf heeft opgelegd, kan de rechter in zijn uitspraak een advies opnemen over het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen. Artikel1:83 1.Bij of krachtens landsverordening worden regels gesteld ten aanzien van de verpleging van overheidswege en de rechtspositie van de ter beschikking gestelden. 2.De Minister van Justitie ziet erop toe, dat de ter beschikking gestelde die van overheidswege wordt verpleegd de nodige behandeling krijgt. Hij kan met betrekking tot bepaalde verpleegden aan het hoofd van de inrichting bijzondere aanwijzingen geven in het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Artikel1:84 Ter beschikking gestelden kunnen worden verpleegd in een door de Minister van Justitie aangewezen inrichting hier te lande dan wel in een elders in het Koninkrijk aangewezen inrichting. Artikel1:85 De kosten van de verpleging en behandeling van ter beschikking gestelden komen ten laste van het Land. Artikel1:86 1.Indien de rechter niet een bevel als bedoeld in artikel 1:82 geeft, stelt hij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. De rechter kan tevens aan een in het landsbesluit, bedoeld in artikel 1:18, aangewezen reclasseringsinstelling opdracht geven de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen. 2.Een voorwaarde als bedoeld in het eerste lid kan de rechter slechts stellen, indien de ter beschikking gestelde zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarde. 3.Indien bij de uitspraak tevens een vrijheidsstraf wordt opgelegd, kan deze in het in het eerste lid bedoelde geval ten hoogste op zes jaren worden bepaald. Artikel1:87 1.De voorwaarden, bedoeld in artikel 1:86, eerste lid, kunnen inhouden dat de ter beschikking gestelde zich in een door de rechter aangewezen inrichting als bedoeld in artikel 1:84, laat opnemen, zich onder behandeling stelt van een in de uitspraak aangewezen deskundige, of door de behandelend arts voorgeschreven geneesmiddelen inneemt dan wel gedoogt dat deze door de behandelend arts aan hem worden toegediend. 2.De voorwaarden, bedoeld in artikel 1:86, eerste lid, mogen de vrijheid van de ter beschikking gestelde de godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken. Artikel1:88 1.Het openbaar ministerie houdt toezicht op de naleving van de gestelde voorwaarden. 2.De rechter en het openbaar ministerie kunnen aan een in het landsbesluit bedoeld in artikel 1:18 aangewezen reclasseringsinstelling dan wel aan een bijzondere reclasseringsambtenaar, opdracht geven de ter beschikking gestelde begeleiding te bieden bij en toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden. Indien een voorwaarde niet wordt nageleefd, maakt de reclasseringsinstelling of reclasseringsambtenaar daarvan melding aan het openbaar ministerie. Artikel1:89 De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de ter beschikking gestelde of diens raadsman, met inachtneming van het bepaalde in de voorgaande artikelen van deze paragraaf: de voorwaarden, bedoeld in artikel 1:86, eerste lid, aanvullen, wijzigen of opheffen; aan een andere instelling of ambtenaar dan die welke daarmee tevoren was belast het verlenen van hulp en steun bij de naleving van die voorwaarden opdragen. Artikel1:90 De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, indien een gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks vereist, bevelen dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd. Artikel1:91 1.De terbeschikkingstelling geldt voor de tijd van twee jaren, te rekenen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij zij is opgelegd onherroepelijk is geworden. 2.De termijn van de terbeschikkingstelling kan, behoudens artikel 1:92 of artikel 1:97, door de rechter, op vordering van het openbaar ministerie, telkens hetzij met een jaar hetzij met twee jaren worden verlengd, indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die verlenging vereist. 3.Artikel 1:80, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel1:92 1.De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gaat een periode van vier jaren niet te boven, tenzij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. 2.Behoudens de gevallen waarin een bevel als bedoeld in artikel 1:82 of artikel 1:90 is gegeven, gaat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling een periode van negen jaar niet te boven. 3.Indien de totale duur van de terbeschikkingstelling niet in tijd is beperkt, kan de termijn van de terbeschikkingstelling telkens worden verlengd, wanneer de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen die verlenging vereist. Artikel1:93 De termijn van de terbeschikkingstelling loopt niet: gedurende de tijd dat de ter beschikking gestelde uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is; gedurende de tijd dat de ter beschikking gestelde langer dan een week achtereen ongeoorloofd afwezig is uit de inrichting, waar hij krachtens zijn ter beschikkingsteling is opgenomen. Artikel1:94 1.De verpleging van overheidswege kan bij de beslissing tot verlenging van de terbeschikkingstelling voor de tijd van een jaar door de rechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de ter beschikking gestelde of zijn raadsman voorwaardelijk worden beëindigd. 2.De rechter kan ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde stellen. De artikelen 1:86, eerste lid, tweede volzin en derde lid en 1:87 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel1:95 1.Buiten de procedure, bedoeld in artikel 1:94, kan de rechter op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de ter beschikking gestelde of diens raadsman de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigen. 2.In zodanig geval beëindigt de rechter de verpleging van overheidswege voorwaardelijk voor de duur van het gegeven bevel tot terbeschikkingstelling. 3.Artikel 1:94, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel1:96 De rechter kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de ter beschikking gestelde of diens raadsman, met inachtneming van de voorgaande artikelen van deze paragraaf: de voorwaarden, bedoeld in artikel 1:94, tweede lid, aanvullen, wijzigen of opheffen; aan een andere instelling of ambtenaar dan die, welke daarmee tevoren was belast, het verlenen van hulp en steun bij de naleving van die voorwaarden opdragen. Artikel1:97 1.In geval van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege kan de terbeschikkingstelling telkens met een jaar worden verlengd. 2.De totale duur van de voorwaardelijke beëindigde verpleging bedraagt ten hoogste zes jaren. 3.Indien de in het tweede lid bedoelde termijn is verstreken, zonder dat een last tot hervatting van de verpleging van overheidswege als bedoeld in artikel 1:98 is gegeven, eindigt de terbeschikkingstelling van rechtswege. Artikel1:98 De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, in geval van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, een last tot hervatting van die verpleging van overheidswege geven, indien: een gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd, of het belang van de veiligheid van anderen dan wel van de algemene veiligheid van personen of goederen zulks vereist, of wanneer de terbeschikkingstelling na een totale duur van vier jaren nog was verlengd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen zulks vereist. Artikel1:99 1.Een terbeschikkingstelling vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij dezelfde persoon wederom ter beschikking wordt gesteld. 2.Een last tot plaatsing in een psychiatrische inrichting vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij ten aanzien van dezelfde persoon wederom een last tot een zodanige plaatsing is gegeven. 3.Een last tot plaatsing in een psychiatrische inrichting eindigt van rechtswege bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij ten aanzien van dezelfde persoon een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege dan wel een last tot hervatting van zodanig bevel is gegeven. Artikel1:100 1.In de gevallen, bedoeld in de artikelen 1:89, 1:90, 1:91, 1:95, 1:96 en 1:98, dagvaardt het openbaar ministerie de ter beschikking gestelde met een met redenen omklede vordering. 2.Is door de ter beschikking gestelde een verzoek tot toepassing van de artikelen 1:89, 1:95 of 1:96 tot de rechter gericht, dan dagvaardt het openbaar ministerie hem ten spoedigste nadat het verzoekschrift door de griffier in zijn handen is gesteld met een met redenen omklede conclusie. 3.Tot behandeling van de vordering of het verzoek is bevoegd de rechter die de maatregel heeft opgelegd. Artikel1:101 In het geval de officier van justitie gebruik maakt van de procedure, genoemd in de artikelen 1:90 of 1:98 kan hij daartoe de aanhouding van de ter beschikking gestelde bevelen. Aan hem wordt terstond een raadsman toegevoegd. Binnen drie dagen na die aanhouding wordt de veroordeelde geleid voor de rechter-commissaris. Artikel 89 Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing. Artikel1:102 1.Op een vordering genoemd in artikel 1:100 beslist de rechter zo spoedig mogelijk. Is de ter beschikking gestelde van zijn vrijheid beroofd op grond van artikel 1:101, dan neemt de rechter uiterlijk een maand na diens aanhouding een beslissing. 2.Op de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling wordt voor de afloop van de termijn beschikt, doch in ieder geval binnen drie maanden na de afloop van die termijn. Wanneer de vordering tot verlenging eerst na afloop van de wettelijke termijn van de terbeschikkingstelling met het bevel, bedoeld in artikel 1:82, wordt ingediend dan wel er op de dag van die afloop nog niet op die vordering is beslist, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 1:
  3. 3.De artikelen 1:27, derde tot en met vijfde lid, 1:28, alsmede artikel 1:29, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel1:103 Tegen een beschikking als bedoeld in deze paragraaf en gegeven door het Gerecht in Eerste Aanleg staat, behalve in de gevallen van de artikelen 1:89 en 1:96, hoger beroep open. §3Onder curatele stelling of strafrechtelijke opvang van verslaafden Artikel1:104 De maatregelen bedoeld in de artikelen 1:105 en 1:106 in onvoorwaardelijke vorm kunnen niet worden opgelegd naast een vrijheidsstraf. Artikel1:105 1.Op vordering van het openbaar ministerie kan de rechter, indien artikel 1:106 geen toepassing vindt, gelasten dat de degene die veroordeeld wordt voor een misdrijf en aan wie geen maatregel als bedoeld in de artikelen 1:80 en 1:81 is opgelegd, onder curatele wordt gesteld en uiterlijk voor een jaar ter verpleging in een conform artikel 387, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek aangewezen inrichting wordt geplaatst: indien het strafbare feit is gepleegd als gevolg van de gewoonte van drankmisbruik dan wel de gewoonte van misbruik van verdovende of stimulerende middelen, en tevens indien hij in het openbaar herhaaldelijk aanstoot geeft blijkens in het verleden gepleegde misdrijven en indien er ernstige rekening mede moet worden gehouden dat hij wederom een misdrijf zal begaan samenhangend met dat misbruik of indien hij de eigen veiligheid of die van anderen in gevaar brengt. 2.De noodzakelijke overige beschikkingen, zoals die van artikel 380 en 383van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek worden zo spoedig mogelijk genomen door de rechter bedoeld in artikel 378, eerste lid, van Boek 1 van dat Wetboek. 3.Titel 16 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing. Artikel1:106 1.Indien de artikelen 1:80, 1:81 en 1:105 niet zijn toegepast, kan de rechter op vordering van het openbaar ministerie de maatregel opleggen tot plaatsing van een verdachte in een inrichting voor strafrechtelijke opvang van verslaafden, indien: het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, en de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld en er voorts ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan, en de verdachte verslaafde is, en het onder b vermelde misdrijf, het door hem begane feit en de omstandigheid dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij wederom een misdrijf zal begaan, samenhangen met zijn verslaving, en de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist. 2.De maatregel strekt er mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van de verslavingsproblematiek van de verdachte ten behoeve van zijn terugkeer in de maatschappij en de beëindiging van zijn recidive. 3.Onder verslaafde als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een persoon ten aanzien van wie uit feiten en omstandigheden blijkt van lichamelijke of psychische afhankelijkheid van een of meer middelen, vermeld in artikel 3 van de Opiumlandsverordening
  4. 4.De rechter legt de maatregel slechts op, nadat hij een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van een gedragsdeskundige over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel heeft doen overleggen. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte. 5.Het vierde lid blijft buiten toepassing indien de verdachte weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk wordt over de reden van de weigering rapport opgemaakt. De rechter doet zich zo veel mogelijk een ander advies of rapport dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de verdachte wel bereid is om medewerking te verlenen, overleggen. 6.Bij het opleggen van de maatregel neemt de rechter de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de verdachte zijn uitgebracht alsmede de veelheid van misdrijven waarvoor deze eerder is veroordeeld, in aanmerking. Artikel1:107 1.De maatregel geldt voor de tijd van ten hoogste twee jaren, te rekenen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij hij is opgelegd, onherroepelijk is geworden. 2.Bij het bepalen van de duur van de maatregel kan de rechter rekening houden met de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis of in een psychiatrische inrichting is doorgebracht. Artikel1:108 1.De plaatsing geschiedt in een door de Minister van Justitie aangewezen inrichting voor de opvang van verslaafden. 2.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de maatregel in en buiten de inrichting en de rechtspositie van degene aan wie de maatregel is opgelegd. 3.De kosten van de tenuitvoerlegging van de maatregel komen ten lastevan het Land. Artikel1:109 1.De rechter kan bepalen dat de maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd. 2.De rechter die bepaalt dat de door hem opgelegde maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd stelt daarbij een proeftijd vast van ten hoogste drie jaren. 3.Bij de toepassing van het eerste lid geldt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. 4.De rechter stelt ter bescherming van de veiligheid van personen of goederen voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde. De rechter kan een krachtens artikel 1:18 aangewezen reclasseringsinstelling dan wel aan een bijzondere reclasseringsambtenaar opdracht geven de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen. 5.Een voorwaarde als bedoeld in het vierde lid kan inhouden dat de veroordeelde zich ambulant of intramuraal laat behandelen. Opname in een inrichting vindt in dit verband plaats voor een door de rechter te bepalen duur van ten hoogste twee jaren. Deze voorwaarde wordt slechts gesteld, indien de veroordeelde zich bereid heeft verklaard de behandeling te ondergaan. 6.Bij het landsbesluit bedoeld in artikel 1:108, tweede lid, kunnen regels worden gesteld over de eisen waaraan een inrichting en een behandeling als bedoeld in het vijfde lid moeten voldoen. 7.De in het vierde lid gestelde voorwaarden mogen de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken. 8.Het openbaar ministerie houdt toezicht op de naleving van de gestelde voorwaarden. Artikel1:110 De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van de veroordeelde of diens raadsman dan wel ambtshalve met inachtneming van de artikelen 1:106 tot en met 1:109, de voorwaarden aanvullen, wijzigen of opheffen. Artikel1:111 De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, indien een voorwaarde niet wordt nageleefd, bevelen dat de maatregel alsnog zal worden ten uitvoer gelegd. Artikel1:112 1.Indien de rechter op grond van verkregen inlichtingen van oordeel is dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel niet langer is vereist, beëindigt hij deze met ingang van een door hem te bepalen tijdstip. 2.Voordat de rechter beslist dat hij overgaat tot de in het eerste lid genoemde beslissing, dagvaardt het openbaar ministerie de veroordeelde ten spoedigste, nadat de griffier dat heeft verzocht, voor een behandeling van deze inlichtingen. 3.De artikelen 1:27, derde tot en met vijfde lid, 1:28 en 1:29 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel1113 De termijn van de maatregel loopt niet: gedurende de tijd dat aan degene aan wie deze is opgelegd, uit anderen hoofde zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is; zodra degene die in een inrichting geplaatst is, langer dan een dag ongeoorloofd afwezig is. Titel IV Uitsluiting en verhoging van strafbaarheid Artikel1:114 1.Niet strafbaar is een gedraging: waartoe de dader door noodtoestand wordt gedwongen; geboden door de noodzakelijke verdediging tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed van de dader zelf of een ander; gepleegd ter uitvoering van een wettelijk voorschrift; gepleegd ter uitvoering van een rechtmatig gegeven ambtelijk bevel; gepleegd volgens algemeen aanvaarde regels van beroepsuitoefening; gepleegd als algemeen aanvaard uitvloeisel van vrijwillige deelneming aan sport of spel. 2.De verdediging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt voorondersteld noodzakelijk te zijn, behoudens voor zover het tegendeel blijkt, indien de aanrander ten tijde van of direct voorafgaand aan de aanranding het misdrijf van artikel 2:65 begaat of heeft begaan, met dien verstande, dat het in dat artikel bedoelde ‘erf’ hier dient te worden begrepen als de onmiddellijke nabijheid van de woning. Artikel1:115 Niet strafbaar is hij die een gedraging pleegt: die hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend; waartoe hij door psychische overmacht wordt gedrongen; die door het onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging door een wederrechtelijke aanranding veroorzaakt, de grenzen van de noodzakelijke verdediging tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed van hem of een ander overschrijdt; indien hij te goeder trouw kan menen dat hij handelt ter uitvoering van een rechtmatig gegeven ambtelijk bevel, waarvan de nakoming binnen zijn kring van zijn ondergeschiktheid is gelegen; indien hij handelt ten gevolge van verontschuldigbare dwaling met betrekking tot de feiten of het recht; indien bij hem alle schuld daaraan ontbreekt. Artikel1:116 Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd en wordt de op het feit gestelde geldboete verhoogd naar de naast hogere categorie. Artikel1:117 De op een misdrijf gestelde tijdelijke gevangenisstraf wordt met een derde verhoogd en de op het feit gestelde geldboete wordt verhoogd naar de naasthogere categorie, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf of geldboete wegens een soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan. De termijn van vijf jaren wordt verlengd met de tijd waarin de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Artikel1:118 Als misdrijven welke soortgelijk zijn aan elkaar worden in elk geval aangemerkt: de misdrijven omschreven in de artikelen 2:20, 2:123, 2:169 tot en met 2:172, 2:175 tot en met 2:182, 2:184 tot en met 2:188, 2:235, tweede lid, 2:288 tot en met 2:291, 2:294, 2:295, 2:298 tot en met 2:302, 2:305 tot en met 2:319, 2:328, 2:329, 2:348, 2:349, 2:355, 2:382, 2:397, 2:398, 2:404 en 2:405; de misdrijven omschreven in de artikelen 2:1, 2:24 tot en met 2:26, 2:33 tot en met 2:35, 2:82, 2:134, 2:135, 2:259 tot en met 2:265, 2:267, 2:270, 2:273 tot en met 2:276, 2:365, 2:366, 2:377 en 2:378; de misdrijven omschreven in de artikelen 2:27 tot en met 2:29, 2:36, 2:37, 2:223 tot en met 2:230; de misdrijven omschreven in de Opiumlandsverordening 1960; de misdrijven omschreven in de Vuurwapenverordening 1930 en de Wapenverordening
  5. Titel V Poging en voorbereiding Artikel1:119 1.Poging tot misdrijf is strafbaar, indien het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. 2.Het maximum van de gevangenisstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij poging met een derde verminderd. 3.Betreft het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste twintig jaren. 4.De bijkomende straffen zijn voor poging dezelfde als voor het voltooide misdrijf. Artikel1:120 1.Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld alsmede van het misdrijf omschreven in artikel 2:175 is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft. 2.Het maximum van de gevangenisstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij voorbereiding met de helft verminderd. 3.Betreft het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vijftien jaren. 4.De bijkomende straffen zijn voor voorbereiding dezelfde als voor het voltooide misdrijf. 5.Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten. Artikel1:121 Poging om een ander door een van de in artikel 1:123, eerste lid onderdeel b, vermelde middelen te bewegen om een misdrijf te begaan, is strafbaar, met dien verstande dat geen zwaardere straf wordt uitgesproken dan ter zake van poging tot het misdrijf of, indien zodanige poging niet strafbaar is, ter zake van het misdrijf zelf kan worden opgelegd. Artikel1:122 Voorbereiding noch poging bestaan indien het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk. Titel VI Deelneming aan strafbare feiten Artikel1:123 1.Als daders van een strafbaar feit worden gestraft: zij die het feit plegen of medeplegen; zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen of door een andere feitelijkheid het feit opzettelijk uitlokken. 2.Ten aanzien van de laatsten komen alleen die handelingen in aanmerking, die zij opzettelijk hebben uitgelokt, benevens hun gevolgen. Artikel1:124 Als medeplichtigen aan een misdrijf worden gestraft: zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf; zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf. Artikel1:125 1.Het maximum van de gevangenisstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij medeplichtigheid met een derde verminderd. 2.Betreft het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste twintig jaren. 3.De bijkomende straffen zijn voor medeplichtigheid dezelfde als voor het misdrijf zelf. 4.Bij het bepalen van de straf komen alleen die handelingen in aanmerking die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijker gemaakt of bevorderd, benevens hun gevolgen. Artikel1:126 De persoonlijke omstandigheden waardoor de strafbaarheid uitgesloten, verminderd of verhoogd wordt, komen bij de toepassing van de strafwet alleen in aanmerking ten aanzien van die dader of medeplichtige wie zij persoonlijk betreffen. Artikel1:127 1.Strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. 2.Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de desbetreffende wettelijke regelingen voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken: tegen die rechtspersoon, dan wel tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, dan wel tegen de in de onderdelen a en b genoemden tezamen. 3.Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt met de rechtspersoon gelijkgesteld: de openbare vennootschap, de stille vennootschap, de rederij en het doelvermogen. Artikel1:128 Medeplichtigheid aan overtreding is niet strafbaar. Artikel1:129 1.Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de uitgever als zodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam en woonplaats vermeldt en de dader bekend is of op de eerste aanmaning nadat tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek is overgegaan, door de uitgever is bekend gemaakt. 2.Het eerste lid is niet van toepassing indien de dader op het tijdstip van de uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten Sint Maarten gevestigd was. Artikel1:130 1.Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd, wordt de drukker als zodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam en woonplaats vermeldt en de persoon op wiens last het stuk is gedrukt, bekend is of op de eerste aanmaning nadat tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek is overgegaan, door de drukker is bekend gemaakt. 2.Het eerste lid is niet van toepassing, indien de persoon, op wiens last het stuk is gedrukt, op het tijdstip van het drukken strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten Sint Maarten gevestigd was. Artikel1:131 Een tussenpersoon die een telecommunicatiedienst verleent bestaande uit de doorgifte of opslag van gegevens die van een ander afkomstig zijn, wordt als zodanig niet vervolgd indien hij voldoet aan een bevel van de officier van justitie, na schriftelijke machtiging op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris, om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om de gegevens ontoegankelijk te maken. Titel VII Samenloop van strafbare feiten Artikel1:132 Indien voor een gedraging die in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat, komt alleen deze laatste in aanmerking, zowel bij de toepassing van de wet als bij het bepalen van de straf. De eerste volzin vindt toepassing ongeacht de hoogte van de strafbedreiging ten opzichte van die van de algemene strafbepaling. Artikel1:133 Valt een gedraging in meer dan één strafbepaling van gelijke strekking zonder dat sprake is van een bijzondere strafbepaling als bedoeld in artikel 1:132, dan is sprake van eendaadse samenloop. In geval van eendaadse samenloop wordt slechts een van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Artikel1:134 Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zichzelf een misdrijf opleverende, in zodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling, dan wordt slechts één strafbepaling toegepast, bij verschil die waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Artikel1:135 1.De betrekkelijke zwaarte van ongelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door de volgorde van artikel 1:
  6. 2.Waar de rechter de keuze tussen twee hoofdstraffen is gelaten, komt bij de vergelijking alleen de zwaarste dier straffen in aanmerking. 3.De betrekkelijke zwaarte van gelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door het maximum. 4.De betrekkelijke duur zowel van ongelijksoortige als van gelijksoortige hoofdstraffen wordt eveneens bepaald door het maximum. Artikel1:136 Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande gedragingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren dan wel in geval een misdrijf in meer dan één strafbepaling valt van onderscheiden strekking, is sprake van meerdaadse samenloop. Ingeval van meerdaadse samenloop van misdrijven gelden voor de strafoplegging naast de regels voor strafoplegging naar aanleiding van één gepleegd strafbaar feit de volgende regels: de als één straf op te leggen vrijheidsstraf bedraagt maximaal het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch niet meer dan een derde boven het maximum van de zwaarste strafbedreiging; de als één straf op te leggen taakstraf bedraagt niet meer dan het maximum genoemd in artikel 1:45, tweede lid; de als één straf op te leggen geldboete bedraagt maximaal het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld; de bijkomende straffen van ontzetting van dezelfde rechten worden uitgesproken als één straf, waarbij voor de duur artikel 1:66 onverkort geldt; de bijkomende straffen van ontzetting van verschillende rechten worden voor elk misdrijf afzonderlijk opgelegd, waarbij voor de duur eveneens artikel 1:66 geldt; de bijkomende straffen van verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen worden voor elk misdrijf afzonderlijk opgelegd; ingeval van levenslange gevangenisstraf geldt artikel 1:11, vijfde lid, onverkort. met betrekking tot de maatregelen gelden de artikelen 1:77, zevende lid, 1:79 en 1:104 onverkort. de vervangende hechtenisstraffen mogen gezamenlijk het maximum, bepaald in artikel 1:58, derde lid, niet overschrijden. Artikel1:137 Bij samenloop van hetzij een of meer misdrijven met een of meer overtredingen, hetzij van overtredingen onderling, zijn de voorgaande artikelen van deze titel van overeenkomstige toepassing, doch de geldboetes worden voor ieder feit apart opgelegd. Artikel1:138 1.Indien iemand, na veroordeling tot straf, opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijf of overtreding vóór die veroordeling gepleegd, gelden ten aanzien van de op te leggen straffen en maatregelen de bepalingen van deze titel. 2.Het maximum van de op te leggen vrijheidstraf wordt verminderd met de door de eerste rechter opgelegde straf. Bij de tweede opvolgende berechting mag echter het maximum van de vrijheidstraf dat geldt ter zake van het dan bewezen verklaarde feit of de bewezen verklaarde feiten gezamenlijk niet worden overschreden. 3.Betreft de tweede berechting een feit waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan kan deze worden opgelegd, welke straf ook door de eerste rechter mocht zijn opgelegd. 4.Indien in dit laatste geval een tijdelijke vrijheidsstraf dan wel een vrijheidsbenemende maatregel was opgelegd, vervalt die tijdelijke straf of maatregel zodra de levenslange gevangenisstraf ten aanzien van dezelfde persoon onherroepelijk is geworden. In geval van herziening van een vonnis, inhoudende een levenslange gevangenisstraf, herleeft de vervallen vrijheidsstraf. Titel VIII Indiening en intrekking van de klacht bij misdrijven alleen op klacht vervolgbaar Artikel1:139 Inzake een misdrijf dat alleen op klacht wordt vervolgd, is degene tegen wie het feit is begaan, tot de klacht gerechtigd. Artikel1:140 1.Indien de persoon, bedoeld in artikel 1:139, de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt of anders dan wegens verkwisting onder curatele is gesteld, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet in staat is te beoordelen of zijn belang gediend is met de klacht, geschiedt de klacht door zijn wettige vertegenwoordiger. 2.Indien de persoon, bedoeld in artikel 1:139, overleden is, zijn tot de klacht gerechtigd: zijn ouders, zijn kinderen en zijn overlevende echtgenoot of levensgezel, tenzij blijkt dat hij een vervolging niet heeft gewild. 3.Indien de klacht tegen de wettige vertegenwoordiger van de persoon, bedoeld in artikel 1:139, moet geschieden, zijn ook tot de klacht gerechtigd: de echtgenoot of levensgezel, een bloedverwant in de rechte linie of, bij het ontbreken van al die personen, een broer en een zuster. 4.Indien de persoon, bedoeld in het tweede of derde lid, de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt of anders dan wegens verkwisting onder curatele is gesteld, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet in staat is te beoordelen of zijn belang gediend is met de klacht, kan vervolging plaatsvinden op klacht van diens wettige vertegenwoordiger. Artikel1:141 1.De klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. 2.Indien degene tegen wie het feit is begaan, nadat de termijn een aanvang heeft genomen, is overleden, dan wel het recht tot het indienen van de klacht heeft verloren, verkregen of herkregen, loopt deze termijn zonder verlenging door. Artikel1:142 Hij die de klacht indient, blijft gedurende acht dagen na de dag van de indiening bevoegd deze in te trekken. Titel IX Verval van het recht tot strafvordering en van de straf Artikel1:143 1.Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van een rechter in het Koninkrijk onherroepelijk is beslist. 2.Is het gewijsde afkomstig van een andere rechter, dan heeft tegen dezelfde persoon wegens hetzelfde feit geen vervolging plaats in geval van: vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging; veroordeling, indien een straf is opgelegd, gevolgd door gehele uitvoering, gratie of verjaring van de straf. 3.Niemand kan worden vervolgd wegens een feit dat te zijnen aanzien in een vreemde staat onherroepelijk is afgedaan door de voldoening aan een voorwaarde, door de bevoegde autoriteit gesteld ter voorkoming van strafvervolging. Artikel1:144 Het recht tot strafvordering vervalt door de dood van de verdachte. Artikel1:145 1.Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring: in drie jaren voor alle overtredingen; in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld; in twaalf jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van meer dan drie jaren en niet meer dan tien jaren is gesteld; in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van meer dan tien jaren is gesteld. 2.In afwijking van het eerste lid verjaart het recht tot strafvordering niet voor misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld. Artikel1:146 De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, behoudens in de volgende gevallen: bij de misdrijven omschreven in de artikelen 2:119, eerste lid, 1:120, eerste lid, 2:121 en 1:122, vangt de termijn aan op de dag na die waarop het misdrijf ter kennis is gekomen van een ambtenaar belast met de opsporing van strafbare feiten; bij valsheid of muntschennis op de dag na die waarop gebruik is gemaakt van het voorwerp ten opzichte waarvan de valsheid of muntschennis gepleegd is; bij de misdrijven omschreven in de artikelen 2:196 tot en met 2:209, 2:239 dan wel 2:273 tot en met 2:276, voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijk geslacht, en gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, op de dag na die waarop die persoon achttien jaren is geworden; bij de misdrijven omschreven in de artikelen 2:245, 2:246, 2:249 en 2:250 op de dag na die van de bevrijding of de dood van hem tegen wie onmiddellijk het misdrijf gepleegd is; bij de overtredingen omschreven in de artikelen 3:64, 3:65 en 3:66 op de dag na die waarop de overtreding ter kennis is gekomen van een ambtenaar belast met de opsporing van strafbare feiten. Artikel1:147 1.Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de al dan niet bekende vervolgde. 2.Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het feit geldende verjaringstermijn, waarbij de tijd die wordt gebruikt voor de behandeling van een beroep in cassatie niet wordt meegerekend. Artikel1:148 De schorsing van de strafvervolging ter zake van een prejudicieel geschil schorst de verjaring. Artikel1:149 1.De officier van justitie kan voor de aanvang van de terechtzitting een of meer voorwaarden stellen ter voorkoming van de strafvervolging wegens: misdrijven met uitzondering van die waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van meer dan zes jaren; bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aangewezen misdrijven uit de Opiumlandsverordening 1960; overtredingen. Door voldoening aan die voorwaarden vervalt het recht tot strafvordering. 2.De volgende voorwaarden kunnen worden gesteld: betaling aan het Land van een geldsom, te bepalen op ten minste NAF. 5,- en ten hoogste het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd; afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer; uitlevering, of voldoening aan het Land van de geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring; voldoening aan het Land van een geldbedrag of overdracht van in beslag genomen voorwerpen ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het ingevolge artikel 1:77 voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel; gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade; het verrichten van onbetaalde arbeid of het volgen van een leerproject gedurende ten hoogste honderdtwintig uren; instemming met openbaarmaking van een of meer van de gestelde voorwaarden. 3.De officier van justitie doet in geval van misdrijf aan de rechtstreeks belanghebbende die hem bekend is, onverwijld mededeling van de datum waarop hij die voorwaarden heeft gesteld. 4.Op de in het tweede lid, onderdeel f, bedoelde voorwaarde is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1:45, eerste en vierde lid, 1:47 en 1:53 met betrekking tot taakstraffen, van overeenkomstige toepassing. De onbetaalde arbeid of het leerproject wordt binnen een termijn van zes maanden na instemming met de voorwaarde voltooid. Het openbaar ministerie kan deze termijn eenmaal met zes maanden verlengen. Het zendt hiervan zo spoedig mogelijk een kennisgeving aan de betrokkene. 5.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden voorschriften gegeven over de nakoming van de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. Deze voorschriften hebben in ieder geval betrekking op de administratiekosten, de plaats en wijze van betaling van de geldsom, de termijn waarbinnen die betaling moet zijn geschied en de verantwoording van de ontvangen geldbedragen. 6.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen voorschriften worden gegeven over de nakoming van de overige in het tweede lid bedoelde voorwaarden. Artikel1:150 Is op het strafbare feit naar de wettelijke omschrijving geen andere hoofdstraf gesteld dan geldboete en biedt de verdachte aan, binnen een door de officier van justitie te bepalen termijn, het maximum van de geldboete te betalen en aan alle overige, overeenkomstig artikel 1:149, tweede lid, te stellen voorwaarden te voldoen, dan mag de officier van justitie het stellen van voorwaarden, als bedoeld in artikel 1:149, niet weigeren. Artikel1:151 1.Een bevel als bedoeld in artikel 25 van het Wetboek van Strafvordering doet, na voldoening aan de overeenkomstig artikel 1:149 gestelde voorwaarden, het recht tot strafvordering herleven als ware het niet vervallen geweest. 2.Na een bevel, als bedoeld in het eerste lid, worden bedragen, betaald met toepassing van artikel 1:149, tweede lid, onderdelen a, c en d, onverwijld terugbetaald aan degene die ze heeft betaald. 3.Volgt na een bevel als bedoeld in het eerste lid een veroordeling, dan houdt de rechter rekening met de afstand of uitlevering door de veroordeelde van voorwerpen op grond van artikel 1:149, tweede lid, onderdelen b en c, met de vergoeding van schade op grond van artikel 1:149, tweede lid, onderdeel e, en met de onbetaalde arbeid die is verricht of het leerproject dat is gevolgd op grond van artikel 1:149, tweede lid, onderdeel f. 4.Eindigt, na een bevel als bedoeld in het eerste lid, de zaak waarbij een voorwaarde is gesteld als bedoeld in artikel 1:149, tweede lid, onderdeel f, zonder oplegging van straf of maatregel, dan kan de rechter, op verzoek van de gewezen verdachte, deze een vergoeding ten laste van het Land toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van de verrichte onbetaalde arbeid of het gevolgde leerproject heeft geleden. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De artikelen 178 tot en met 182 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel1:152 1.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan aan daartoe aan te wijzen opsporingsambtenaren in bij dat besluit aangewezen zaken betreffende overtredingen, begaan door personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt, tot wederopzeggens de bevoegdheid worden verleend die bij artikel 1:149, eerste lid, aan de officier van justitie is toegekend. 2.De te stellen voorwaarde bestaat uit de betaling van een bepaalde geldsom. Bij het in het eerste lid bedoelde landsbesluit worden voorschriften gegeven over de plaats en wijze van betaling en de termijn waarbinnen de betaling moet zijn geschied. 3.Bij het in het eerste lid bedoelde landsbesluit worden voorschriften gegeven met betrekking tot de aanwijzing van de in het eerste lid bedoelde opsporingsambtenaren, het toezicht op de wijze waarop zij van de hun verleende bevoegdheid gebruik maken en de intrekking van de aanwijzing van een opsporingsambtenaar. 4.Bij het in het eerste lid bedoelde landsbesluit worden voorschriften gegeven inzake de verantwoording van ingevolge het tweede lid betaalde geldbedragen. 5.Bij het stellen van voorwaarden door opsporingsambtenaren zijn de artikelen 1:149, derde lid, en 1:151 van overeenkomstige toepassing. Artikel1:153 Het recht tot uitvoering van de straf of maatregel vervalt door de dood van de veroordeelde, met uitzondering van de maatregelen tot onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen, tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en de verplichting tot betaling aan het Land van een som geld ten behoeve van het slachtoffer. Artikel1:154 1.Het recht tot uitvoering van de straf of maatregel vervalt door verjaring, met uitzondering van de maatregel tot onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen. 2.De termijn van deze verjaring is een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering. In geen geval is de termijn korter dan de duur van de opgelegde straf. Artikel1:155 1.De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd. 2.Bij ongeoorloofde afwezigheid van een veroordeelde die zijn straf in een inrichting ondergaat, vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op de dag na die waarop de ongeoorloofde afwezigheid begon. Bij herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op de dag na die van de herroeping. 3.De termijn loopt niet gedurende de bij de wet bevolen schorsing van de tenuitvoerlegging, noch gedurende de tijd dat de veroordeelde, zij het ook ter zake van een andere veroordeling, in verzekerde bewaring is. 4.Wanneer een geldboete wegens een overtreding is opgelegd en de rechter heeft beslist dat het bedrag daarvan in gedeelten mag worden voldaan, dan wel het openbaar ministerie aan de veroordeelde op diens verzoek uitstel van betaling heeft verleend of betaling in termijnen heeft toegestaan, wordt de verjaringstermijn verlengd met twee jaren. 5.De termijn loopt niet gedurende de tijd dat de tenuitvoerlegging aan een vreemde staat is overgedragen, zolang de Minister van Justitie van de autoriteiten van die staat geen mededeling, houdende een beslissing over de overname van de tenuitvoerlegging, heeft ontvangen. 6.Indien, nadat de tenuitvoerlegging door een vreemde staat is overgenomen, die staat afstand doet van zijn recht tot tenuitvoerlegging ten behoeve van Sint Maar

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.