Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2025De directeur Maatschappelijke Zorg en Jeugdhulp van de directie Maatschappelijke Zorg en Jeugdhulp binnen het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling, gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2025 en de Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2025; overwegende, dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen over de wijze waarop het college van burgemeester en wethouders omgaat met diens bevoegdheden in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet; besluit: Artikel 1 Vaststelling Beleidsregels De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2025, zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit, vast te stellen. Artikel 2 Overgangsbepalingen De bepalingen in de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2024 waarvan wordt vermoed dat die gunstiger zijn dan deze Beleidsregels, blijven tot ten hoogste twee maanden na de datum van inwerkingtreding van deze Beleidsregels van toepassing. Artikel 3 Intrekking oude Beleidsregels De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2024 worden ingetrokken. Artikel 4 Inwerkingtreding Deze Beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het gemeenteblad waarin zij worden geplaatst en werken terug tot en met 1 januari
- Artikel 5 Citeertitel Deze Beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam
- Inhoudsopgave Inleiding Hoofdstuk 1 Kernbegrippen Begrippen die voorkomen in de wetten en de gemeentelijke regelgeving worden hier toegelicht. Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen ondersteuning In dit hoofdstuk komen algemene onderwerpen aan de orde die bij de ondersteuning relevant zijn. Besproken worden de procedure van melding, onderzoek tot eventuele aanvraag, de medewerkings- en inlichtingenplicht, de algemene voorzieningen, de overige voorzieningen Jeugdwet, de maatwerkvoorzieningen en het persoonsgebonden budget, de pgb-vaardigheid, de pgb-kwaliteitsvereisten, de ingang van de indicatie en indicatieduur, intrekking, terugvordering en de Wmo-bijdrage. Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorzieningen dienstverlening Wmo 2015 In dit hoofdstuk worden de resultaatgebieden toegelicht waarbinnen een cliënt maatschappelijke ondersteuning kan ontvangen in de vorm van dienstverlening. Deze paragrafen met resultaatgebieden worden voorafgegaan door een algemene paragraaf over de verschillende clientgroepen in relatie tot tot deze maatwerkvoorzieningen. Hoofdstuk 4 Overige maatwerkvoorzieningen Wmo 2015 In dit hoofdstuk komen de overige maatwerkvoorzieningen aan de orde, zoals rolstoelen, woonvoorzieningen, de vervoersvoorzieningen en de financiële maatwerkvoorzieningen. Het gaat om de meest voorkomende maatwerkvoorzieningen binnen de Wmo
- Hoofdstuk 5 Maatschappelijke opvang In dit hoofdstuk staan de Beleidsregels die gelden voor de opvang in de maatschappelijke opvang voor volwassenen, jongeren en gezinnen en voor de crisisopvang van slachtoffers van huiselijk geweld. Ook de regels rondom de landelijke toegankelijkheid staan in dit hoofdstuk. Hoofdstuk 6 Jeugdhulparrangementen en Onderwijszorgarrangementen In dit hoofdstuk komen de resultaatgebieden en ondersteuningselementen in het kader van de Jeugdhulparrangementen aan de orde alsmede de onderwijszorgarrangementen. Inleiding Doel en grondslag van de Beleidsregels De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2025, hierna: Beleidsregels, bevatten de Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, hierna: het college, voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, hierna: Wmo 2015 en de Jeugdwet en de op deze wetten gebaseerde Verordening en Nadere Regels. De Beleidsregels vormen tezamen met de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2025, hierna: de Verordening en de Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2025, hierna: de Nadere Regels, dan ook het sluitstuk van de lokale regelgeving op het gebied van beide wetten. De Beleidsregels zijn wenselijk om transparant te maken hoe het college omgaat met de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van haar bevoegdheden in het kader van de Wmo2015 en de Jeugdwet, de Verordening en de Nadere Regels. Ook zijn de Beleidsregels relevant voor nadere duiding van begrippen in de door de gemeenteraad vastgestelde beleidsplannen. De Beleidsregels bevorderen de uniformiteit van het gemeentelijk handelen. Steeds moet echter in het achterhoofd worden gehouden dat de Wmo 2015, maar ook de Jeugdwet, maatwerk veronderstellen en dat de toepassing van de Beleidsregels, zeker waar het de verstrekking van een maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb betreft, wordt afgestemd op de individuele situatie van de cliënt. Toepasselijkheid voor de Wmo2015 of de Jeugdwet De Beleidsregels hebben betrekking op zowel de Wmo2015 als de Jeugdwet , als de Verordening en Nadere Regels. Sommige hoofdstukken of paragrafen zijn alleen van toepassing op de maatschappelijke ondersteuning dan wel de jeugdhulp. Dit blijkt uit de betreffende tekstdelen. VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap In juli 2016 is het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van kracht geworden. Doel van dit verdrag is het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid te bevorderen, beschermen en waarborgen, en ook de eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen. De doelgroep van het VN-verdrag omschrijft personen met een handicap als personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving. De gemeente Rotterdam werkt doorlopend aan maatregelen om de geleidelijke verwezenlijking van algemene toegankelijkheid te realiseren. Deze maatregelen zijn erop gericht om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen toegang te verlenen tot alle voorzieningen en diensten. Uitgangspunt bij de uitvoering van de Beleidsregels is het alert zijn op en waar mogelijk wegnemen van letterlijke en figuurlijke drempels in de samenleving. Hoofdstuk1Kernbegrippen 1.1Inleiding In uiteenlopende hoofdstukken van de Wmo 2015, indien dat is aangegeven de Jeugdwet, de Verordening , de Nadere Regels en de Beleidsregels wordt een aantal begrippen gebruikt dat centraal staat in de ondersteuning. Deze begrippen worden in dit hoofdstuk verder toegelicht behalve als het definities zijn die reeds in de regelgeving zijn gegeven en daar zijn toegelicht. 1.2Aanvaardbaar niveau Het aanbieden van maatschappelijke ondersteuning gebeurt met het streven om de persoon op een aanvaardbaar niveau van participatie en zelfredzaamheid te laten komen en houden. Het gaat dan om een niveau dat bij zijn situatie past. Een aantal factoren speelt een rol bij de vraag of sprake is van een aanvaardbaar niveau. Zo gaat het om de situatie van de betrokkene voordat hij geconfronteerd werd met zijn beperkingen. Maar ook om de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben. En de eigen mogelijkheden van de cliënt, al dan niet met hulp van zijn informele netwerk, spelen hier een rol. Aanvaardbaar wil van de andere kant zeggen, dat de persoon zich er soms bij neer moet leggen dat er belemmeringen blijven, of dat hij zich enige beperkingen zal moeten getroosten. De door het college te bieden ondersteuning beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van de versterking of het behoud van zelfredzaamheid en participatie. De ondersteuning gaat niet zover dat het college altijd rekening kan en moet houden met wensen van de cliënt, wat betreft bijvoorbeeld persoonlijke voorkeuren, smaak, comfort en gewoontes. 1.3Algemeen gebruikelijk Als een voorziening als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden, heeft dit tot gevolg dat het college geen maatwerkvoorziening hoeft te verstrekken voor zover de voorziening volledig voorziet in de hulpvraag. In die zin is het een criterium om te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van de persoon met een beperking, chronisch psychische of psychosociale problemen aannemelijk is dat betrokkene hierover ook kan beschikken als er geen sprake was van een beperking, chronisch psychische of psychosociale problemen. Een algemeen gebruikelijke voorziening in de zin van artikel 1.1 van de Verordening is een voorziening waarin de gemeente volgens de Wmo 2015 niet in hoeft te voorzien en die, indien voorhanden, in redelijkheid een oplossing kan bieden voor de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Het gaat hierbij om een voorziening die: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Het criterium dat een voorziening om als algemeen gebruikelijk te kunnen worden aangemerkt moet kunnen worden gedragen met een inkomen op minimumniveau wordt door de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraak met kenmerk ECLI:NL:CRVB:2024:1364) afgemeten aan de vraag of dit naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen gangbaar is onder de gehele bevolking. Te denken valt hierbij aan voorzieningen zoals een verhoogd toilet, een 1-greeps mengkraan, een elektrische of inductiekookplaat of een auto. Maar ook om diensten, zoals een boodschappendienst, een maaltijdvoorziening, een klussendienst die via een thuiszorgorganisatie wordt aangeboden, een honden uitlaatdienst, niet-wettelijke kinderopvang, voorzieningen die via een aanvullende ziektekostenverzekering worden aangeboden, alarmering etc. Daarnaast zijn er kosten waarmee iedereen te maken kan krijgen en dus niet specifiek te maken hebben met iemands beperking. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de kosten die samenhangen met het gebruik van een algemeen gebruikelijke voorziening of algemene voorziening. 1.4Arrangement Een arrangement of ondersteuningsarrangement is een pakket van ondersteuning met maatwerkvoorzieningen voor dienstverlening of individuele voorzieningen, bestaande uit één of meerdere resultaatgebieden. Bij Jeugd kunnen de resultaatgebieden aangevuld worden met één of meerdere ondersteuningselementen. Aanbieders hebben een integrale leveringsplicht voor het totale arrangement. Het arrangement wordt aan de cliënt verstrekt voor zover andere mogelijkheden, zoals gebruikelijke hulp, mantelzorg, overige voorzieningen en algemene voorzieningen, niet mogelijk zijn of onvoldoende tegemoetkomen aan de belemmeringen van de cliënt of jeugdige. 1.5Eigen kracht dan wel eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Het college verstrekt alleen een maatwerkvoorziening of individuele voorziening als het van oordeel is dat iemand niet op eigen kracht zoals bedoeld in artikel 2.3 dan wel met eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen zoals bedoeld in artikel 2.10 van de Verordening kan voorzien in de hulpvraag. De eigen kracht omvat niet alleen wat de cliënt of de ouder zelf nog kan, maar ook het benutten van mogelijkheden die er zijn om de eigen kracht te versterken: bijvoorbeeld algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, mantelzorg, algemene of overige voorzieningen. De eigen kracht van de cliënt heeft dus betrekking op de mogelijkheden van de cliënt om zelf bij te dragen aan het verbeteren van zijn situatie. Het wordt als normaal gezien om je in te spannen om je eigen situatie te verbeteren. Of dat je iets doet voor een partner of een familielid. Daarbij heeft het college de verantwoordelijkheid om te bevorderen dat burgers en hun omgeving hun eigen probleemoplossend vermogen benutten en versterken. En dus niet, of zo min mogelijk, aangewezen zijn op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. De eigen kracht is afhankelijk van de individuele situatie van de cliënt, waarbij zijn beperkingen en leerbaarheid van invloed zijn. Dat betekent dat als iemand al beperkingen heeft waardoor bijvoorbeeld het traplopen moeilijk is, van deze persoon wordt verwacht dat bij een eventuele verhuizing hiermee rekening wordt gehouden en niet opnieuw wordt gekozen voor een huis met trappen. Het gebruik maken van de eigen kracht betekent ook dat de cliënt zelf voorziet in de kosten of voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, zie ook onder 1.
- Gebruik maken van de eigen kracht veronderstelt daarnaast dat de cliënt zich voldoende verzekert, bijvoorbeeld door een passende aanvullende ziektekostenverzekering af te sluiten die aansluit bij de gezondheidssituatie en financiële mogelijkheden van de cliënt. Soms is de angst voor een salarisadministratie en problemen met de belastingdienst de reden dat een cliënt denkt de ondersteuning niet zelf te kunnen regelen. Dan is het van belang cliënt te wijzen op de regeling dienstverlening aan huis. Als cliënt particuliere hulp inhuurt voor werkzaamheden in en om het huis voor maximaal 3 dagen per week, dan is deze regeling van toepassing. Het aantal uren dat een hulp op een dag werkt is hierbij niet van belang. Deze regeling houdt in dat cliënt voor de belastingdienst geen administratieve lasten heeft. Cliënt hoeft de belastingdienst niet te laten weten wie er voor hem werkt. En hij hoeft ook geen loonheffingen in te houden en te betalen. De hulp zelf is wel verplicht de inkomsten op te geven. De regeling is niet van toepassing op de inhuur van personen via bijvoorbeeld een thuiszorgorganisatie of bedrijf. Uitdrukkelijk behoort tot de eigen kracht ook het beroep doen op voorzieningen op grond van een andere wet, zoals de Zorgverzekeringswet. In het spraakgebruik worden dit ook wel voorliggende voorzieningen genoemd. Ook in die situatie is een maatwerkvoorziening of individuele voorziening niet aan de orde voor zover met deze andere wet volledig in de hulpvraag wordt voorzien. De eigen kracht bestaat dan uit het tot gelding brengen van de aanspraak op grond van de andere wet. Daarnaast behoort tot de eigen kracht ook het gebruik maken van de hulp van het sociaal netwerk, waar deze hulp beschikbaar is. Bij het onderzoek naar het vaststellen van de eigen kracht zijn de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt of de ouder en jeugdige van belang. Daarnaast is het van belang te onderkennen dat de eigen kracht grenzen kent, maar ook dat de eigen kracht aan verandering onderhevig kan zijn en versterkt kan worden. 1.6Ondersteuning die gebruikelijk of verplicht is 1.6.1Gebruikelijke hulp in de Wmo 2015 De Wmo 2015 kent, anders dan de Jeugdwet, een definitie van gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp heeft, anders dan mantelzorg, een verplichtend karakter. De aanwezigheid van gebruikelijke hulp betekent dan ook dat er geen reden is om voor dat deel van de ondersteuning, een maatwerkvoorziening toe te kennen. Wel moet altijd onderzocht worden of de personen die gebruikelijke hulp zouden moeten leveren, hiertoe ook daadwerkelijk in staat zijn. Degenen van wie verondersteld wordt dat zij gebruikelijke hulp kunnen leveren, hierna: huisgenoten, zijn verplicht om, binnen hun mogelijkheden, mee te werken aan het onderzoek. Weigeren zij dit dan kan de omvang van de benodigde ondersteuning niet worden vastgesteld en kan worden besloten geen voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende voorziening in te trekken. Het onderzoek richt zich op twee aspecten: wat mag redelijkerwijs van de huisgenoot verwacht worden; en is die huisgenoot hiertoe ook daadwerkelijk in staat? Hierbij geldt dat iemands persoonlijke voorkeur of levensovertuiging geen rol speelt bij de beoordeling of iemand – objectief gesproken - gebruikelijke hulp kan leveren. Uitgangspunt is dat gebruikelijke hulp geleverd kan worden, tenzij uit het onderzoek blijkt dat dit niet het geval is. Een huisgenoot kan bijvoorbeeld geen gebruikelijke hulp leveren: bij aanwezigheid van geobjectiveerde beperkingen op het gebied van de noodzakelijke ondersteuning; bij gebrek aan kennis of vaardigheden om de ondersteuning te bieden. Hier geldt wel dat tijdelijk een maatwerkvoorziening of individuele voorziening ingezet kan worden om de huisgenoot de gelegenheid te bieden de noodzakelijke vaardigheden aan te leren. Het leervermogen speelt hierbij een rol; bij overbelasting of dreigende overbelasting. Er wordt dan geen gebruikelijke hulp verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de huisgenoot heeft om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat de huisgenoot bereid is maatschappelijke activiteiten te beperken om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen; bij fysieke afwezigheid. Deze afwezigheid moet wel een verplichtend karakter hebben, bijvoorbeeld vanwege werk in het buitenland, offshore of als internationaal chauffeur. Daarnaast moet gekeken worden naar de aard van de ondersteuning en de duur van de afwezigheid. Als ondersteuning uitstelbaar is dan wordt pas uitgegaan van afwezigheid van gebruikelijke hulp als het om een aaneengesloten periode van tenminste zeven etmalen gaat. Bij personen die niet in dezelfde woning wonen, kan geen sprake zijn van gebruikelijke hulp. Wel kan mantelzorg aan de orde zijn. Bij een huisgenoot, anders dan ouder of kind, moet duidelijk zijn dat deze in dezelfde woning woont. Dit is bijvoorbeeld niet het geval als er sprake is van twee appartementen, elk met een eigen toegangsdeur, die slechts te bereiken zijn via een gezamenlijke ingang aan de openbare weg. Bij onduidelijkheid over de vraag of er sprake is van “dezelfde woning” zoekt het college in het onderzoek aansluiting bij de uitleg over zelfstandige woonruimte in het kader van de regelgeving over de huurtoeslag. Wat concreet valt onder “gebruikelijke hulp” van het inwonend kind of de andere huisgenoot, wordt bepaald door wat naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van het inwonend kind of de andere huisgenoot. Dit wordt bepaald door meerdere factoren, zoals bijvoorbeeld: de aard en intensiteit van de ondersteuning. Zo wordt bij het schoonhouden van de woning meer van een huisgenoot verwacht dan bij ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid; de verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een kortdurende en langdurige ondersteuningsbehoefte. Er is sprake van een kortdurende ondersteuningsbehoefte als er binnen afzienbare tijd, in de regel maximaal drie maanden, uitzicht is op een dusdanige verbetering van de problematiek en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat ondersteuning daarna niet langer in dezelfde omvang is aangewezen. Bij een langdurige ondersteuningsbehoefte wordt in principe uitgegaan van een periode van langer dan drie maanden. Hoe korter de verwachte duur van de ondersteuning, hoe meer men mag verwachten van een huisgenoot; wat de relatie is tot degene die ondersteuning nodig heeft. Van een minderjarig kind kan minder verwacht worden dan van een meerderjarig kind; bij ondersteuning door kinderen en jongvolwassen: de leeftijd, vaardigheden, belastbaarheid en leerbaarheid van het kind dan wel jongvolwassene. Daarbij is van belang dat het kind of de jongvolwassene niet zodanig wordt belast dat hij beperkt wordt dat deze wordt beperkt in diens welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties. Deze aspecten worden in deze Beleidsregels per resultaatgebied of aard van de voorziening verder uitgewerkt. 1.6.2Verplichting tot verzorgen en opvoeden in het BW Voor jeugdhulp geldt dat in het Burgerlijk Wetboek, boek 1, artikel 247, de verplichting om een minderjarig kind te verzorgen en op te voeden primair bij de ouders is gelegd. Daarom spreekt het college in artikel 2.10, derde lid van de Verordening ouders aan op hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen bij de opvoeding en verzorging van hun minderjarig kind. In dit verband heeft het college in ieder geval de volgende activiteiten per leeftijdscategorie als door ouders te verlenen ondersteuning aangemerkt. Hierbij heeft het college mede rekening gehouden met wat naar algemeen aanvaarde opvattingen en volgens de “Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen” door de ouder zelf als zorg dient te worden verleend (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Factsheet 14 april 2021 Gebruikelijke zorg, https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2024-26173/1/bijlage/exb-2024-26173.pdf). Kinderen van 0 tot 3 jaar: het bieden van verzorging bij alle activiteiten; het houden van zeer nabij toezicht op onder andere het bewegen en verplaatsen; het begeleiden bij en stimuleren van de psychomotorische ontwikkeling; het begeleiden bij en stimuleren van de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; het bieden van een beschermende woonomgeving waarbij de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 3 tot 5 jaar: het houden van toezicht, dat korte tijd binnen gehoorsafstand mag plaatsvinden; het begeleiden en stimuleren bij de psychomotorische ontwikkeling, o.a. op het gebied van zelf zitten, staan en lopen; het begeleiden bij en stimuleren van de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; het bieden van hulp, toezicht en stimulans bij en het houden van controle op het aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen en het aanhouden van een dag- en nachtritme en het bepalen van een dagindeling; het begeleiden bij spel en vrijetijdsbesteding; het intensief begeleiden in verkeerssituaties; het bieden van een beschermende woonomgeving waarbij de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en in een passend pedagogisch klimaat wordt voorzien. Kinderen van 5 tot 12 jaar: het houden van toezicht, o.a. als het kind op enige afstand van de woning buitenspeelt; het stimuleren van en het controleren op de geleidelijke toename van het zichzelf persoonlijk kunnen verzorgen, zoals zichzelf wassen en zelf tandenpoetsen; het bieden van hulp bij het gebruik van medicatie; het zo nodig bieden van zindelijkheidstraining, zowel overdag als ’s nachts; het begeleiden bij en stimuleren van de psychomotorische ontwikkeling; het begeleiden bij en stimuleren van de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; het begeleiden in verkeerssituaties naar en van school, schoolvervangende activiteiten of vrijetijdsbesteding; het bieden van een beschermende woonomgeving waarbij de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en in een passend pedagogisch klimaat wordt voorzien. Kinderen van 12 tot 18 jaar: het in incidentele gevallen houden van toezicht op o.a. de schoolgang, het maken van huiswerk en het volgen van een opleiding; het vanaf 12 jaar enkele uren alleen laten; het vanaf 16 jaar een dag of een nacht alleen laten; het voorbereiden op het vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; het incidenteel houden van toezicht op de persoonlijke verzorging; het houden van toezicht op, bieden van stimulans bij en controle op het gebruik van medicatie; het begeleiden bij en stimuleren van de ontplooiing en de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; het tot 17 jaar bieden van een beschermende woonomgeving waarbij de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en in een passend pedagogisch klimaat wordt voorzien. 1.7Goedkoopst adequaat In de Verordening is opgenomen dat het college bij de verstrekking van maatwerkvoorzieningen altijd kiest voor de goedkoopst adequate oplossing. Hiermee wordt bedoeld dat het college altijd in eerste instantie kiest voor een adequate doelmatige voorziening om te voorzien in de ondersteuningsbehoefte die past binnen het betreffende beleid. Als er echter meerdere varianten passend zijn, kiest het college voor de voordeligste variant. 1.8Leefeenheid Onder een leefeenheid wordt verstaan: alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam huishouden te voeren. Langdurige bankslapers vallen daar ook onder. Als er sprake is van kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot de leefeenheid gerekend. De kamerhuurder heeft dan ook geen taken ten aanzien van de persoon met een beperking die in dezelfde woning woont. Hierbij gaat het om de feitelijke situatie. De kwalificatie die bewoners zelf aan hun situatie geven is niet doorslaggevend. 1.9Mantelzorg Mantelzorg is onderdeel van de eigen kracht van cliënt. In tegenstelling tot gebruikelijke hulp is mantelzorg niet afdwingbaar. Concreet betekent dit dat de door de mantelzorger verleende al dan niet bovengebruikelijke ondersteuning wordt opgenomen in het ondersteuningsplan. Wanneer de mantelzorger al dan niet tijdelijk wegvalt, dient de cliënt dit te melden. Dit kan leiden tot inzet van aanvullende ondersteuning vanuit de Wmo
- De mate waarin mantelzorgers bereid en in staat zijn een deel van de indiceerbare ondersteuning te bieden, is bepalend voor de omvang van de ondersteuning die iemand feitelijk krijgt. Hierbij speelt de belastbaarheid van mantelzorgers een grote rol. Deze is niet voor iedereen gelijk. Voor de ene persoon zal het bieden van lichte begeleiding per dag het maximum zijn dat hij of zij kan dragen, terwijl voor een ander de grens hoger kan liggen. Deze verschillen worden in belangrijke mate bepaald door de persoonlijke omstandigheden van de mantelzorger, zoals leeftijd, gezinssituatie, eigen gezondheid et cetera. Bij het indicatieproces kan de mantelzorger aangeven dat hij verlangt dat inzichtelijk wordt gemaakt hoe rekening wordt gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en de basale verantwoordelijkheid van de ouders voor gebruikelijke hulp, alvorens mantelzorg te kunnen bieden. Het college hecht waarde aan de inzet van mantelzorgers. Dit komt op verschillende manieren tot uitdrukking, bijvoorbeeld in de vorm van een mantelzorgwaardering. Er doen zich situaties voor waarbij een mantelzorger bovengebruikelijke ondersteuning verleent, maar aangeeft hiervoor in het vervolg betaald te willen worden en de cliënt hiervoor een pgb aanvraagt. Hierbij is het van belang vast te stellen of de mantelzorger de hulp sowieso zal continueren, ook als een pgb wordt geweigerd. Is dat het geval, dan wordt geen pgb verstrekt: de mantelzorg maakt dan onderdeel uit van de eigen kracht. Geeft de mantelzorger aan in dat geval te stoppen met zijn werkzaamheden, dan is een pgb mogelijk, mits aan de voorwaarden voor een pgb wordt voldaan. Op het gebied van jeugdhulp is mantelzorg echter een ondersteuningselement, waarvoor aanvullende criteria gelden zoals opgenomen in artikel 3.1.9 van de Verordening . Welke hulp of zorg de mantelzorger in het kader van ondersteuning aan jeugdigen op zich neemt en in welke omvang, wordt meegenomen in het afwegingskader van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen in het kader van jeugdhulp. Hulp die valt onder inzet van ouders en of verzorgers zal worden gezien als gebruikelijke hulp indien dit overeenkomt met de mate van zelfredzaamheid en mogelijkheden tot zelfverzorging die bij de leeftijd van de jeugdige past en inzet van ouders vraagt. In dat geval is er geen sprake van mantelzorg en kan de hulp ook worden afgedwongen. Toekenning van mantelzorgondersteuning in het kader van jeugdhulp is in dat geval uitgesloten. Mantelzorgondersteuning O3 kan toegekend worden aan jeugdigen met een beperking, indien deze ook jeugdhulp genieten. In het onderzoek dat de wijkteammedewerker uitvoert voor een verzoek tot mantelzorgondersteuning, dient de gehele gezinssituatie voor vaststelling van gebruikelijke hulp en ontlasting van de ouders of verzorgers meegenomen worden. Toekenning van jeugdhulp in de vorm van mantelzorgondersteuning bij gezondheidsproblematiek van ouders of verzorgers zal in eerste instantie van korte duur zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen; Toekenning van jeugdhulp in de vorm van mantelzorgondersteuning aan een ouder die ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder overbelast dreigt te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen, is tijdelijk mogelijk. Toekenning van tijdelijke jeugdhulp in de vorm van mantelzorgondersteuning aan een ouder kan ook in geval de ouder een zeer korte, bekende levensverwachting heeft. Ter ontlasting van de leefeenheid of het gezin van de ouder kan afgeweken worden van de normering van gebruikelijke hulp. Opvang is geen jeugdhulp. Ter voorkoming van crisis, ontwrichting of dreigende huisuitplaatsing van de jeugdige en als alle mogelijkheden reeds maximaal gebruikt of afwezig zijn, of als er slechts kortdurend overbrugging nodig is in noodgevallen, dan kan opvang in de vorm van mantelzorgondersteuning (O3) worden toegekend. Dit moet dan wel in combinatie zijn met resultaatgebied R1 of R
- Zie verder hierover artikel 5.7.
- Mantelzorgondersteuning kan ook tijdelijke huishoudelijke verzorging vanuit de Wmo 2015 omvatten, indien daarmee de inzet van jeugdhulp vermindert. Dit is van toepassing indien hiermee de ouder de jeugdige met een beperking meer kan blijven betrekken bij het normale gezinsleven en vrijetijdsbesteding. 1.10Onafhankelijke cliëntondersteuning op grond van de Wmo 2015 De cliënt wordt voor het onderzoek gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Rotterdammers kunnen bij de loketten voor Wmo-voorzieningen, te weten VraagWijzer in hun gebied, Centraal Onthaal en het Jongerenloket terecht voor cliëntondersteuning. Voor cliëntondersteuning in het geval van een aanvraag (O)GGZ intramuraal kunnen ook inwoners van het centrumgemeentegebied Rotterdam terecht bij deze stedelijke loketten. Mocht iemand belemmeringen ervaren bij het verkrijgen van toegang tot ondersteuning of vastlopen binnen het gemeentelijk systeem van zorg- en dienstverlening, dan is daarvoor een vangnet van onafhankelijke cliëntondersteuners. Deze zijn onafhankelijk gepositioneerd en maken geen onderdeel uit van de gemeentelijke organisatie. Dit vangnet wordt bemenst door hooggekwalificeerde professionals. Dit vangnet is geen vervanging voor de ‘reguliere’ toegang tot zorg en ondersteuning via VraagWijzers en stedelijke loketten, maar vormt een aanvulling hierop waarvan gebruik gemaakt kan worden indien gewenst. De cliëntondersteuning werkt onafhankelijk en objectief. De cliëntondersteuning helpt bij het verduidelijken van de hulpvraag, het vinden van de weg in de toegang en het maken van keuzes en het organiseren van de juiste hulp. Ook draagt de cliëntondersteuning bij aan een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Een cliëntondersteuner kan meedenken met cliënt maar neemt zelf geen beslissing over een aanvraag voor ondersteuning of voor een voorziening. De Jeugdwet kent daarentegen het begrip “vertrouwenspersoon” die de jeugdige, diens ouders of pleegouders, ondersteunt in aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordlijkheden van diverse bij de jeugdhulp betrokken partijen. In Rotterdam is deze functie opgehangen aan Jeugdstem, het voormalige Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg. 1.11Participatie Participatie wil zeggen dat iemand, ondanks diens lichamelijke of verstandelijke beperking of psychiatrische of psychosociale problematiek, zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat deze persoon zich kan verplaatsen. Maatschappelijke participatie is ook een onderdeel van de jeugdhulp. Participatie kan op verschillende manieren worden bevorderd. Onder andere door het treffen van algemene en maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo2015 of individuele en overige voorzieningen op grond van de Jeugdwet. Ook kan participatie worden verbeterd door de cliënt te wijzen op het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten. Een cliënt kan echter niet gedwongen worden om, in ruil voor ondersteuning, activiteiten te verrichten in die zin dat hij de aanspraak op ondersteuning verliest als hij dit niet wil. 1.12Resultaatgebied De ondersteuning die het college door middel van een maatwerkvoorziening of pgb in het kader van de Wmo 2015 verleent in de vorm van dienstverlening, vindt plaats binnen één of meerdere resultaatgebieden, die allemaal te maken hebben met het uiteindelijke doel van maatschappelijke ondersteuning: behoud en zo mogelijk versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving; bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld; beschermd wonen. De resultaatgebieden voor de Wmo 2015 worden in hoofdstuk 3 verder uitgewerkt. Hierbij wordt ook aangegeven voor welke cliëntgroepen de resultaatgebieden van toepassing kunnen zijn. Ook andere ondersteuning dan dienstverlening kan worden geboden om de doelstellingen te realiseren. Zo zal niet alleen het resultaatgebied “sociaal en persoonlijk functioneren” maar ook een vervoersvoorziening voor sociaal-recreatief vervoer aan de orde kunnen zijn om het de cliënt mogelijk te maken te participeren. Maar ook het ondersteunen van de cliënt richting vrijwilligerswerk kan een belangrijke bijdrage leveren aan de participatie van de cliënt. Binnen een resultaatgebied wordt gewerkt aan subdoelstellingen die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen. Aan welke subdoelstellingen wordt gewerkt en met welke intensiteit hangt af van de individuele situatie van de cliënt. Aan de verschillende subdoelstellingen kan gelijktijdig worden gewerkt. Subdoelstellingen en voorbeelden binnen de Wmo 2015 zijn per resultaatgebied uitgewerkt in hoofdstuk
- De ondersteuning die het college door middel van een individuele voorziening in natura of pgb verleent in het kader van de Jeugdwet vindt eveneens plaats binnen één of meerdere resultaatgebieden. Wanneer de ondersteuning niet thuis geboden kan worden kunnen één of meerdere ondersteuningselementen aan het arrangement worden toegevoegd. De resultaatgebieden en ondersteuningselementen voor Jeugdhulp worden in hoofdstuk 5 verder uitgewerkt. Binnen een resultaatgebied wordt gewerkt aan subdoelstellingen die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen. Aan welke subdoelstellingen wordt gewerkt en met welke intensiteit hangt af van de individuele situatie van de jeugdige. Aan de verschillende subdoelstellingen kan gelijktijdig worden gewerkt. 1.13Sociaal en recreatief vervoer Het gaat bij sociaal en recreatief vervoer om vervoer dat bestemd is voor participatie en zelfredzaamheid van een cliënt. Het gaat om vervoer naar bijvoorbeeld een buurtactiviteit, vrienden en familie, een theater, winkels of gewoon een ritje in de buitenlucht met de scootmobiel. Een voorziening voor sociaal en recreatief vervoer stelt de cliënt in staat zijn zelfredzaamheid te verbeteren of te handhaven, dan wel te participeren in de samenleving. Sociaal en recreatief vervoer wordt verder uitgewerkt in paragraaf 4.
- 1.14Vertegenwoordiger Een vertegenwoordiger is op grond van de definitie in de Wmo 2015 de persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. In de Jeugdwet is het begrip vertegenwoordiger niet gedefinieerd. In het kader van de Jeugdwet zal veelal sprake zijn van een wettelijk vertegenwoordiger in de zin van een ouder of een bij gerechtelijke beschikking aangestelde vertegenwoordiger c.q. een door cliënt zelf aangewezen gevolmachtigde. Deze moet minimaal één keer in gesprek kunnen treden met de functionaris die namens het college het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte uitvoert. Als een cliënt niet zelfstandig in staat is tot het behartigen van zijn belangen, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke of psycho-geriatrische beperking, of omdat het om een kind gaat, kan deze vertegenwoordiger zijn plaats innemen bij bijvoorbeeld het indienen van de aanvraag. Het begrip vertegenwoordiger wordt in de Verordening gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot het persoonsgebonden budget. Er zijn in de praktijk en in het spraakgebruik diverse soorten vertegenwoordigers. Deze zijn niet automatisch gelijk aan de vertegenwoordiger die handelt namens de cliënt in het kader van de Wmo 2015 of de Jeugdwet. In het maatschappelijk verkeer zijn er diverse vormen van wettelijke vertegenwoordigers, zoals de curator, de bewindvoerder, de mentor, de ouders en de voogd. Voorts zijn er persoonlijk vertegenwoordigers, zoals familieleden, beroepsgroepen, bureaus en overige natuurlijke en rechtspersonen. Een persoonlijk vertegenwoordiger kan alleen als vertegenwoordiger optreden als en zolang deze expliciet door de cliënt is gevolmachtigd. Wanneer er sprake is van een pgb of een aanvraag voor een pgb, zowel binnen de Wmo 2015 als de Jeugdwet, zijn er in de Rotterdamse regelgeving nadere eisen en voorwaarden gesteld aan degene die de rol van pgb-vertegenwoordiger op zich neemt, zoals gesteld in artikel 3.3.1, derde lid, artikel 3.3.3., tweede lid en artikel 3.3.
- tweede lid, van de Verordening. Het college ziet erop toe dat de vertegenwoordiger ook werkelijk de belangen van de cliënt vertegenwoordigt. De cliënt blijft altijd verplicht medewerking te verlenen bij het vaststellen van de ondersteuningsbehoefte in het ondersteuningsverslag, gelet op de medewerkingsplicht. Diens vertegenwoordiger kan dus nooit als enige deelnemen aan het onderzoek dat het college instelt bij het bepalen van de ondersteuningsbehoefte. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan het college een gemachtigde, waarmee de vertegenwoordiger vaak gelijkgesteld wordt, weigeren als tegen die gemachtigde ernstige bezwaren bestaan. 1.15Voorliggende voorziening Het begrip voorliggende voorziening komt niet als zodanig voor in de Wmo
- Als voorliggende voorziening wordt op basis van jurisprudentie beschouwd de bij wettelijk voorschrift geregelde voorziening waar de cliënt daadwerkelijk een beroep op kan doen en waardoor hij in geen of in mindere mate een beroep hoeft te doen op ondersteuning. Voorbeeld hiervan is de Wet langdurige zorg. Ook een algemene voorziening kan een voorliggende voorziening zijn. Het college heeft als voorliggende voorziening ook andere instrumenten tot zijn beschikking zoals kinderopvang op sociaal-medische indicatie, op grond van de Verordening tegemoetkoming kosten SMI-kinderopvang Rotterdam 2018, alsmede opvang voor jeugdigen met een beperking. Deze vormen van opvang zijn geen jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet. Uit de Jeugdwet (artikel 1.2) en de Verordening (artikel 2.3, zevende lid en artikel 2.10, vierde lid) volgt dat een voorliggende voorziening ook als onderdeel van het beroep op eigen kracht dient te worden beschouwd, zie ook onder 1.
- 1.16Waakvlamfunctie De waakvlamfunctie is een preventieve vorm van ondersteuning die kan worden ingezet voor monitoring en incidentele ondersteuning nadat eerdere ondersteuning is afgerond. Het gaat bij een waakvlamfunctie om laagfrequente ondersteuning waarbij sprake is van een beperkt aantal vaste periodieke contactmomenten van de zorgaanbieder met de cliënt. Op die manier wordt de voorheen geboden ondersteuning niet abrupt afgesloten, maar wordt gemonitord of cliënt het zonder ondersteuning redt. Om te voorkomen dat de situatie van de cliënt eventueel weer zou kunnen verslechteren, wordt van de aanbieder verwacht de benodigde ondersteuning, indien nodig, via signalering aan het college, weer tijdig op te schalen. Zie voor de Wmo 2015 ook de paragrafen over de resultaatgebieden sociaal en persoonlijk functioneren en nachtelijk toezicht. De waakvlamfunctie kan, behalve door de aanbieder die voorheen het arrangement leverde, ook als algemene of overige voorziening worden uitgevoerd door het wijkteam of de welzijnsaanbieder. De keuze wordt onder andere bepaald door wat nog nodig is aan ondersteuning, in hoeverre het wijkteam of de welzijnsaanbieder dit kan bieden, de cliëntsituatie en hoe lang de waakvlamondersteuning naar verwachting noodzakelijk is. De waakvlamfunctie is niet aan de orde bij intramurale arrangementen. Afschaling naar een extramuraal arrangement is dan eerst aan de orde. 1.17Zelfredzaamheid Uit de definitie van zelfredzaamheid in de Wmo 2015 volgt dat zelfredzaamheid bestaat uit twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen; het voeren van een gestructureerd huishouden. Algemene dagelijkse levensverrichtingen, hierna: ADL zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van persoonlijke verzorging. Het gaat dan in ieder geval om: in en uit bed komen; aan- en uitkleden; bewegen; lopen; gaan zitten en weer opstaan; lichamelijke hygiëne; wassen; toiletbezoek; eten/drinken; medicijnen innemen. In sommige gevallen valt de ondersteuning voor ADL onder de reikwijdte van de Zorgverzekeringswet. Dit komt in hoofdstuk 2 verder aan de orde. Hoofdstuk2Algemene bepalingen ondersteuning Paragraaf2.1Inleiding Het college kan de ondersteuning voor haar burgers als volgt organiseren: door het beschikbaar stellen van algemene en overige voorzieningen; door een maatwerkvoorziening of individuele voorziening te verstrekken, al dan niet in de vorm van een persoonsgebonden budget, hierna: pgb. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de toegang tot ondersteuning plaatsvindt. Vervolgens worden algemene bepalingen over deze verstrekkingsvormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp verder uitgewerkt. Paragraaf2.2Procedure melding, onderzoek en aanvraag 2.2.1Melding Een burger kan zich bij de gemeente melden om zijn behoefte aan ondersteuning in het kader van de Wmo 2015 kenbaar te maken. Behalve door de burger zelf, kan de melding ook worden gedaan door iemand uit zijn omgeving, een vertegenwoordiger, zoals de mantelzorger of hulpverlener. De melding kan op verschillende manieren gebeuren, zoals aangegeven in artikel 2.2 van de Verordening . Een digitale melding maatschappelijke ondersteuning dient te worden verricht via het contactformulier maatschappelijke ondersteuning, zoals te vinden is op www.rotterdam.nl/loket/vraag-over-zorg-of-hulp/. Naar aanleiding van de melding wordt een onderzoek gestart. Voor maatschappelijke opvang, crisisopvang en beschermd wonen kan tevens de landelijke toegankelijkheid aan de orde zijn. Zie hiervoor paragraaf 3.1.6 voor crisisopvang slachtoffers huiselijk geweld, paragraaf 3.1.7 voor maatschappelijke opvang en paragaaf 3.7.7 voor beschermd wonen. NB check 2.2.2Identificatieplicht In artikel 7.2.3 van de Jeugdwet is, anders dan in de Wmo 2015, geen identificatieplicht opgenomen, maar een verificatieplicht van het burgerservicenummer. Wanneer het college voor de eerste maal contact heeft met de jeugdige in het kader van de uitvoering van de Jeugdwet moet het college, voor zover dit nog niet door een andere gebruiker van de BRP is gedaan, het burgerservicenummer van de jeugdige vaststellen en de identiteit van de ouders. Het college stelt het burgerservicenummer vast door die in de Basisregistratie Personen (BRP) te controleren. Als aan de jeugdige geen burgerservicenummer is toegekend, worden de volgende gegevens van de jeugdige opgenomen in het dossier: achternaam, voornamen, geboortedatum, postcode en huisnummer van het woonadres. Als van een cliënt vanwege belemmerende fysieke of psychische omstandigheden in redelijkheid niet kan worden gevraagd om een geldig identiteitsbewijs aan te vragen, bijvoorbeeld in verband met ernstige ziekte, en de identiteit van de cliënt op andere wijze afdoende kan worden vastgesteld, dan kan op de identificatieplicht in de zin van de Wmo 2015 een uitzondering worden gemaakt. Als een cliënt zich, al dan niet telefonisch, alleen meldt en meteen, zonder dat een onderzoek plaatsvindt, wordt doorverwezen naar een algemene voorziening, is identificatie niet noodzakelijk. Dit is bijvoorbeeld aan de orde bij een melding voor het CAV omdat de persoon 75 jaar of ouder is. In dat geval vindt geen verder onderzoek plaats en kan op basis van de door de cliënt verstrekte informatie, in combinatie met de gegevens uit de BRP, aan de cliënt een pasje worden verstrekt voor het CAV. 2.2.3Onderzoek Naar aanleiding van een melding wordt een onderzoek uitgevoerd ter verheldering van de hulpvraag. Het onderzoek richt zich op degene die onderwerp is van de melding. Indien degene die het onderzoek namens het college uitvoert of de cliënt dit wenselijk of noodzakelijk acht, worden eventuele mantelzorgers, familieleden of reeds aanwezige hulpverleners bij het onderzoek betrokken. Dit neemt niet weg dat degene die het onderzoek uitvoert te allen tijde het recht heeft cliënt zonder aanwezigheid van derden te spreken. Het college kan, in het belang van het onderzoek, een reden hebben om de cliënt alleen te spreken, bijvoorbeeld als het college de indruk heeft dat er door de aanwezige derden ongeoorloofde druk of invloed wordt uitgeoefend op de cliënt, bijvoorbeeld om bepaalde dienstverlening in de vorm van een pgb te betrekken waarmee deze derde kan worden betaald. Of als de indruk ontstaat dat cliënt zich niet openlijk durft te uiten in aanwezigheid van de derde. Een zorgaanbieder wordt in het stadium van het onderzoek naar aanleiding van de melding in de regel niet betrokken bij het onderzoek, tenzij het onderzoek c.q. de vraagverheldering in opdracht van het college door deze aanbieder wordt verricht. Een aanbieder is derhalve niet aanwezig in het kader van het onderzoek en komt pas concreet in beeld nadat het ondersteuningsplan is opgesteld, en het de wens is van de cliënt de verstrekking van de ondersteuning te laten plaatsvinden in de vorm van een pgb. Het college onderzoekt de onderwerpen die in de wet en de Verordening staan opgenomen, zoals de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt, de mogelijkheden van cliënt of zijn netwerk om zelf oplossingen te vinden voor zijn belemmeringen. Oplossingen voor de belemmeringen hoeven namelijk niet altijd gevonden te worden in de vorm van ondersteuning via de Wmo 2015 of Jeugdwet. Soms is het doen van vrijwilligerswerk een mogelijkheid om iets te verbeteren aan de participatie van burgers. Sport is ook voor mensen met een beperking een optie. De gemeente Rotterdam heeft meerdere plekken waar door mensen met een beperking gesport kan worden. Sport kan bijdragen aan het zelfvertrouwen, het ontmoeten van andere mensen en een verbetering van de gezondheid. Wat betreft het onderzoek dat volgt op een melding van een ondersteuningsbehoefte op het gebied van jeugdhulp, hanteert het college het in artikel 2.3, tweede lid, onderdeel b, van de Verordening beschreven stappenplan dat de stappen omvat zoals benoemd in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 mei 2017 met als kenmerk ECLI: NL: CCRVB:2017:1477, alsmede de uitspraak van 19 januari 2022 met als kenmerk ECLI:NL:RBZWB:2022:230, inzake de ‘eigen kracht’ van ouders. Ook in het kader van de Wmo 2015 wordt een stappenplan gebruikt conform de stappen die de Centrale Raad van Beroep heeft gehanteerd in haar uitspraak van 21 maart 2018 met kenmerk ECLI:NL:CRVB:2018:819: Wat is de hulpvraag? Welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie of het zich niet kunnen handhaven in de samenleving? Welke ondersteuning is naar aard en omvang nodig om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving? In hoeverre kunnen de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke en algemene voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning bieden? Wat moet de compensatie in de vorm van een maatwerkvoorziening zijn? Het onderzoek vindt in het kader van de Wmo 2015 volgens deze stappen plaats per resultaatgebied. Dit wordt voor dienstverlening verder uitgewerkt in hoofdstuk
- Daarnaast kan er sprake zijn van een ondersteuningsbehoefte op het gebied van mobiliteit, hulpmiddelen of een woning waarin iemand belemmeringen ondervindt. Dit wordt verder uitgewerkt in hoofdstuk
- Cliënt kan ook, in het kader van maatschappelijke ondersteuning een persoonlijk plan of, in het kader van jeugdhulp een familiegroepsplan, overhandigen, waarin hij deze punten heeft beschreven en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp naar zijn mening het meest aangewezen is. Dit plan dient dan als basis voor het onderzoek. Hierbij onderzoekt het college tevens of de door de cliënt geambieerde professionele ondersteuning of ondersteuning binnen het informele netwerk, voldoet aan de eisen die in de Verordening worden gesteld. Vastgesteld moet worden wat de omvang van de hulpvraag is en wat de mogelijkheden zijn voor de cliënt om zelf een oplossing te vinden voor zijn hulpvraag. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van een algemeen gebruikelijke voorziening, algemene voorzieningen, gebruikelijke hulp, het sociaal netwerk of beschikbare vrijwilligers. Ook verstrekt het college de benodigde informatie over bijvoorbeeld beschikbare voorliggende voorzieningen, algemene voorzieningen, vrijwilligerswerk en de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en de keuze voor leveringsvorm: zorg in natura of pgb. De informatie over de aard van de geadviseerde oplossing kan niet altijd worden gedetailleerd, bijvoorbeeld bij een aanpassing van de badkamer of bij een hulpmiddel, Offertes en bouwkundige adviezen worden pas opgevraagd als cliënt een aanvraag heeft ingediend, tenzij deze stukken nodig zijn om vast te kunnen stellen of een aanpassing technisch mogelijk is of om een afweging te maken. Cliënt wordt geïnformeerd over de mogelijkheid om, in plaats van een maatwerkvoorziening of individuele voorziening in natura, de ondersteuning of voorziening zelf in te kopen met een pgb. Hij wordt geïnformeerd over de rechten en plichten en hoe hij daarvoor in aanmerking kan komen. Als cliënt de ondersteuning of voorziening wenst in te kopen met een pgb dient hij dit te motiveren en wordt onderzocht in hoeverre cliënt pgb-vaardig is. Als cliënt ondersteuning aanvraagt en aangeeft bijvoorbeeld een particuliere huishoudelijke hulp niet zelf te kunnen organiseren of aan te sturen, dan is dat een indicatie dat een pgb niet voor de hand ligt en de cliënt waarschijnlijk niet pgb-vaardig is, aangezien de kern van een pgb juist is dat cliënt zelf de regie voert. Als ondersteuning wordt ingekocht met een pgb, overlegt cliënt bij de aanvraag een pgb-plan. Het pgb-plan maakt dus geen onderdeel uit van de meldingsfase. In het ondersteuningsplan wordt aangegeven dat cliënt een pgb wenst en al dan niet pgb-vaardig is. Vervolgens dient cliënt het pgb-plan conform het format van het college te overleggen en vindt de besluitvorming plaats. In de aanvraagfase wordt het pgb-plan pas getoetst. Bij hulpmiddelen, woningaanpassingen of vervoersvoorzieningen dient de cliënt in geval van een pgb in de meldingsfase een offerte of begroting in. Op basis van deze offerte, of door het college vastgestelde maximumbedrag van de voorziening, wordt een voorlopige beschikking afgegeven. De daadwerkelijk gemaakte kosten kunnen daarna worden vergoed tot het in de voorlopige beschikking vermelde bedrag. Zie verder paragraaf 2.3.
- 2.2.4Afronding onderzoek: ondersteuningsverslag Het onderzoek wordt afgerond met het doorlopen van het stappenplan zoals weergegeven in punt 2.2.3 en ondertekening door de client in het geval van Wmo2015/Jeugdwet, of, indien namens het college aangewezen geacht, mondelinge bevestiging door de client, in het geval van Wmo2015, van het ondersteuningsverslag. Als de conclusie van het onderzoek is dat de cliënt in aanmerking komt voor ondersteuning, dan wordt in het ondersteuningsverslag een ondersteuningsplan opgenomen. Ook als cliënt tijdens het onderzoek aangeeft dat hij in aanmerking wil komen voor een maatwerkvoorziening of individuele voorziening, wordt een ondersteuningsplan toegevoegd. Cliënt wordt in de gelegenheid gesteld om aanvullingen of correcties te plaatsen. Het ondersteuningsverslag wordt ondertekend voor gezien of akkoord. Bij de Wmo 2015 geldt dat de bevestiging ook mondeling kan plaatsvinden in die gevallen waarin de Wmo adviseur dit aangewezen acht en deze mogelijkheid meedeelt aan cliënt. Het college acht deze mondelinge bevestiging in ieder geval mogelijk in het geval sprake is van een hulpvraag die ziet op enkelvoudige extramurale ondersteuning, en de identiteit van de client voldoende is vastgesteld, middels een BRP-check en controlevragen. Deze mondelinge bevestiging wordt vastgelegd in het ondersteuningsverslag en de identiteit van de cliënt wordt door middel van controlevragen vastgesteld. Bij Jeugdhulp stelt het college het niet ondertekenen door de cliënt gelijk met een ondertekening voor gezien zoals bedoeld in artikel 2.4, vierde lid van de Verordening. In die gevallen waarbij het ondersteuningsverslag betrekking heeft op een behoefte aan een Wmo-ondersteuning, komt door ondertekening of mondelinge bevestiging een geldige aanvraag voor een Wmo-maatwerkvoorziening tot stand. Bij een behoefte aan jeugdhulp geldt dit niet. Voor jeugdhulp dient, ongeacht of voor akkoord of voor gezien is ondertekend, de gebruikelijke aanvraagprocedure volgens de regels van de Algemene wet bestuursrecht te worden doorlopen. De ondertekening dient primair om de mate van overeenstemming tussen de cliënt en het wijkteam over de conclusies van het onderzoek vast te leggen. Na ondertekening van het verslag kan dit niet meer worden gewijzigd, tenzij dit naar aanleiding van een bezwaar- of beroepsprocedure noodzakelijk is. Wel kan informatie over eventuele bouwkundige adviezen of offertes als aanvulling worden opgenomen. De cliënt krijgt geen beschikking zolang de meldingsfase en het opstellen van het ondersteuningsverslag nog niet zijn afgerond. Voor de Wmo 2015 geldt dat het onderzoek binnen zes weken na de melding moet zijn afgerond. Cliënt heeft na afronding van het onderzoek het recht een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in te dienen middels het daartoe voor de Wmo 2015 ter beschikking staande aanvraagformulier. Cliënt kan de gemeente niet in gebreke stellen in verband met overschrijding van de afhandelingstermijn van de meldingsfase, omdat er formeel nog geen sprake is van een aanvraag. In het kader van de Jeugdwet wordt het ondersteuningsplan vastgesteld zo spoedig mogelijk na het moment dat is komen vast te staan welke jeugdhulpaanbieder betrokken wordt. Als de afronding van dit laatste naar verwachting langer gaat duren dan de beslistermijn van acht weken (zie ook 2.2.5) uit de Algemene wet bestuursrecht, wordt cliënt hierover geïnformeerd. Indien sprake is van pleegzorg, vindt tevens overleg met de betrokken pleegouder over het ondersteuningsplan plaats. Dit plan behoeft altijd de instemming van de pleegouder, voor zover het betreft de omschrijving daarin van zijn rol in het hulpverleningsproces en van de wijze waarop de begeleiding door de pleegzorgaanbieder plaatsvindt. 2.2.5Aanvraag Als cliënt in aanmerking wil komen voor een individuele – of maatwerkvoorziening, moet hij daarvoor een aanvraag indienen, tenzij er sprake is van rechtstreekse toegang in het kader van de jeugdhulp, zoals vermeld bij 2.2.
- De aanvraag kan worden ingediend op de in artikel 2.5 van de Verordening beschreven wijze. Zie ook artikel 2.2.1 van deze Beleidsregels. In het kader van de Wmo 2015 kan een aanvraag in principe niet worden ingediend voordat het onderzoek is afgerond, behalve wanneer de onderzoekstermijn is verstreken. Als ondersteuning wordt ingekocht met een pgb overlegt cliënt bij de aanvraag een pgb-plan. Het pgb-plan maakt dus geen onderdeel uit van de meldingsfase. In het ondersteuningsplan wordt aangegeven dat cliënt een pgb wenst en al dan niet pgb-vaardig is. Vervolgens dient cliënt het pgb-plan conform het format van het college te overleggen en vindt de besluitvorming plaats. In de aanvraagfase wordt het pgb-plan pas getoetst. In zeer bijzondere gevallen kan een maatwerkvoorziening ook zonder aanvraag worden verstrekt in het dringende belang van de cliënt, om verergering van de situatie te voorkomen. Dit zal met name aan de orde kunnen zijn bij cliënten met psychiatrische of psychosociale problematiek of multiproblematiek, waarbij door middel van zogenaamde bemoeizorg stap voor stap naar een reguliere ondersteuningssituatie toe wordt gewerkt. Voor een aanvraag jeugdhulp is het formulier op www.rotterdam.nl/ik-zoek-jeugdhulp beschikbaar. Bovendien kan in het kader van de Jeugdwet ook zonder een aanvraag bij de gemeente jeugdhulp worden verleend als gebruik wordt gemaakt van de in artikel 2.6 van de Verordening genoemde overige toegangsmogelijkheden. 2.2.6Inlichtingenplicht Iemand die een voorziening aanvraagt moet gegevens en bescheiden aanleveren die nodig zijn om een besluit te kunnen nemen. Ook als een voorziening eenmaal is toegekend geldt een inlichtingenplicht. Die houdt in dat de cliënt of zijn vertegenwoordiger op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van de verstrekking van een voorziening. Dit betekent dat een cliënt het college en de eventueel betrokken zorgaanbieder actief moet informeren over: een wijziging in zijn beperking of beperkingen die van invloed is of zijn op het gebruik van de maatwerkvoorziening of individuele voorziening; het toe- of afnemen van verleende mantelzorg; een gewijzigde situatie in de leefeenheid in de gevallen waar er sprake is of kan zijn van gebruikelijke hulp; een wijziging in de hulpvraag; een verblijf anders dan op het adres waaraan de voorziening is verbonden, of op een adres in het buitenland langer dan vier weken; het feit dat hij tijdelijk geen gebruik kan maken van de voorziening door detentie, behandeling in een instelling of opname in een ziekenhuis, verpleegtehuis of revalidatiecentrum, indien die situatie mogelijk langer dan acht weken zal gaan duren. Het niet of niet volledig nakomen van de inlichtingenplicht kan leiden tot intrekking of herziening van de maatwerk- of individuele voorziening. Het is dan ook belangrijk dat de cliënt op de hoogte is van de inlichtingenplicht en dat hij, als hij twijfelt of bepaalde informatie relevant is, hierover actief contact legt met het college. 2.2.7Medewerkingsplicht In het verlengde van de inlichtingenplicht ligt de medewerkingsplicht zoals opgenomen in artikel 3.4.1 tweede lid van de Verordening . Deze houdt in dat de cliënt of zijn vertegenwoordiger alle medewerking moet verlenen aan de uitvoering van de Wmo 2015 of de Jeugdwet die het college noodzakelijk vindt. Zo is iemand verplicht om gehoor te geven aan een oproep van het college of om zich te onderwerpen aan onderzoek dat door of namens het college is ingesteld. Cliënt werkt binnen zijn vermogen in voldoende mate mee aan het opstellen van het ondersteuningsverslag, het nakomen van het in het ondersteuningsplan opgenomen doelen en resultaten. Dit omvat ook de afspraken die worden gemaakt met de zorgaanbieder in het kader van de leveringsopdracht. Onder medewerking wordt dus ook verstaan het naleven van huis- en gedragsregels of omgangsvormen. Bij een onderzoek naar de vraag of er sprake is van gebruikelijke hulp geldt de medewerkingsplicht óók voor de huisgenoten van de cliënt. Als iemand niet voldoet aan de medewerkingsplicht dan kan dit gevolgen hebben voor het vaststellen van het recht op een maatwerkvoorziening of individuele voorziening. Zo kan het zijn dat het college niet kan vaststellen of iemand recht heeft of houdt op een voorziening. Of dat de omvang van de voorziening niet kan worden vastgesteld. Voldoet een cliënt niet aan de medewerkingsplicht in de onderzoeksfase, dan wordt hij in de gelegenheid gesteld om nogmaals binnen een vastgestelde termijn medewerking te verlenen. Hierbij wordt cliënt tevens medegedeeld dat als hij hieraan niet voldoet, het onderzoek c.q. de analyse niet kan worden afgerond en hij derhalve geen aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan indienen, tenzij de wettelijke termijn voor het onderzoek is verlopen. Als een cliënt in dat geval, binnen de wettelijke onderzoekstermijn, toch een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indient, wordt hem schriftelijk medegedeeld dat hij pas een aanvraag kan indienen als het onderzoek is afgerond. Daarbij wordt nogmaals aangegeven welke gegevens ontbreken. Als er een behoefte aan ondersteuning in het kader van de Jeugdwet kenbaar wordt gemaakt, dan wordt eveneens aangegeven dat indien er essentiële gegevens voor het maken van een ondersteuningsverslag ontbreken, er een aanvullingsperiode van toepassing is tot uiterlijk het beoogde moment van ondertekening van het ondersteuningsverslag. Als een cliënt, terwijl hij al een maatwerkvoorziening of individuele voorziening ontvangt, niet voldoet aan zijn medewerkingsplicht, dan kan de beslissing waarmee de maatwerkvoorziening is verstrekt, worden herzien of ingetrokken. Ook in dat geval moet cliënt echter wel eerst in de gelegenheid worden gesteld om de ontbrekende informatie alsnog aan te leveren. Het al dan niet opzettelijk niet meewerken aan het behalen van de doelen en resultaten of het niet nakomen van gemaakte afspraken, kan leiden tot een tijdelijke opschorting van de ondersteuning of, in het uiterste geval, tot beëindiging daarvan. Uiteraard wordt in dit kader rekening gehouden met de aard van iemands beperkingen in relatie tot het niet of in beperkte mate verlenen van medewerking. Paragraaf2.3Soorten voorzieningen 2.3.1Algemene voorzieningen Wmo 2015 2.3.1.1Inleiding Iedere ingezetene die tot de doelgroep van de algemene voorziening behoort, kan hiervan gebruik maken. Dus ook ingezetenen die zorg ontvangen in het kader van de Wlz of de Zorgverzekeringswet. Algemene voorzieningen zijn hierdoor laagdrempelig. De beschikbaarheid van een passende algemene voorziening voor de belemmeringen van de cliënt betekent dat geen maatwerkvoorziening behoeft te worden verstrekt. Een algemene voorziening is in die zin voorliggend op een maatwerkvoorziening. 2.3.1.2Aanbod algemene voorzieningen In de gemeente Rotterdam worden algemene voorzieningen aangeboden door diverse, door de gemeente gecontracteerde of gesubsidieerde partijen. Het aanbod bestaat uit: Welzijnsaanbod In ieder gebied van de gemeente is een welzijnsaanbieder gecontracteerd voor het aanbieden van maatschappelijke ondersteuning. Deze maatschappelijke ondersteuning is enerzijds gericht op de individuele burger, namelijk op behoud en verbetering van eigen kracht, zelfredzaamheid en participatie. Anderzijds is het ook gericht op de wijk of het gebied als geheel in het kader van de verbetering van de leefbaarheid van de wijk. De algemene voorzieningen kunnen ten behoeve van de individuele burger individueel of in groepsverband worden aangeboden. Welke ondersteuning een welzijnsaanbieder aanbiedt en de wijze waarop, is mede afhankelijk van de behoeften in de wijk, bijvoorbeeld op grond van de bevolkingssamenstelling en specifieke problematiek in een wijk. In ieder geval vallen in alle wijken voorzieningen binnen de volgende vier functies onder het welzijnsaanbod: Vroegsignalering en toeleiding naar passende hulp en ondersteuning Vroegsignalering betekent dat vragen om hulp en ondersteuning bekend zijn én dat vragers op de juiste plek terechtkomen. Concreet kan het gaan om het tijdig signaleren en herkennen van schulden en zo nodig verwijzen voor bijvoorbeeld schulddienstverlening, budgetbeheer of Expertiseteam Financiën. Welzijnsaanbieders bieden ook activiteiten aan, gericht op gezondheidspreventie. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om het bevorderen van een gezonde leefstijl, valpreventie, meer bewegen en gezonder eten. Het tijdig signaleren van vereenzaming, psychosociale problematiek of verminderende zelfredzaamheid dan wel dreiging daartoe, is belangrijk om te voorkomen dat cliënten later hun participatiemogelijkheden en zelfredzaamheid geheel verliezen en afhankelijk worden van zorg en ondersteuning. Aanjagen eigen kracht en talenten van volwassenen en jeugdigen stimuleren Door het aanjagen van de eigen kracht en talenten van Rotterdammers wordt de samenleving versterkt. In ieder gebied zijn Huizen of huiskamers van de Wijk die bedoeld zijn als centraal ontmoetingspunt van de wijk. Hier worden activiteiten georganiseerd, wijkbewoners kunnen hier binnenlopen voor advies of een praatje. De activiteiten en faciliteiten in de Huizen van de Wijk zijn gericht op de zelfredzaamheid en participatie van de individuele bewoner, maar ook op de samenredzaamheid en cohesie van de wijk. Activering en participatie Een grotere vrijwillige inzet van Rotterdammers draagt bij aan onderlinge hulp en participatie. De vrijwillige inzet is onmisbaar om eenzaamheid en overbelasting van Rotterdammers te voorkomen en langer thuis wonen mogelijk te maken. Vrijwilligerswerk is een belangrijke functie voor de stad en bevordert tevens de eigen kracht, zelfredzaamheid en participatie van de burger. Het is van belang om vraag en aanbod van vrijwilligerswerk goed op elkaar af te stemmen. Welzijnsaanbieders hebben hierbij een belangrijke rol. De mantelzorgondersteuning is erop gericht om ervoor te zorgen dat mantelzorgers hun vaak zware taak kunnen blijven uitoefenen, zonder overbelast te raken. Mantelzorgers kunnen terecht voor een gesprek, het uitwisselen van ervaringen en voor advies. Bijvoorbeeld over de mantelzorgtaken zelf, maar ook over de mogelijkheden van aanvullende ondersteuning. Welzijnsaanbieders hebben daarnaast een belangrijke taak in het aanbieden van activiteiten die gericht zijn op het verbeteren van de arbeidsmarktpositie van de Rotterdammers. Het kan hierbij gaan om bijvoorbeeld het verbeteren van het gedrag of een beter inzicht in de eigen kwaliteiten en mogelijkheden. Ook kan ondersteuning worden geboden bij het aanleren van praktische vaardigheden. Ondersteuning, facilitering en samenwerking met bewoners en partners Het gaat hierbij om eenvoudige ondersteuning bij het regelen van schulden of het doorverwijzen naar het Expertise Team Financiën voor verdere ondersteuning. In het kader van zelfredzaamheid en participatie van personen die bijvoorbeeld dreigen te vereenzamen, hun dagstructuur verliezen of zichzelf verwaarlozen, kan dagbesteding een goede voorziening zijn. Ook kan dagbesteding een mogelijkheid zijn om een mantelzorger te ontlasten. Indien gespecialiseerde ondersteuning nodig is, wordt dagbesteding via een maatwerkvoorziening aangeboden. Ondersteuning door wijkteams De algemene voorziening die door het wijkteam wordt aangeboden bestaat uit: het bieden van informatie en advies Het gaat om het bieden van informatie en advies waarmee cliënten of hun netwerk zelf aan de slag kunnen met de versterking of het behoud van hun zelfredzaamheid en participatie; kortdurende ondersteuning Het wijkteam biedt kortdurende specialistische ondersteuning van in principe maximaal zes tot twaalf maanden. Als duidelijk is dat kortdurende ondersteuning niet voldoende is, doch dat langere of meer gespecialiseerde ondersteuning, al dan niet aanvullend, nodig is, geleidt het wijkteam de cliënt door naar een maatwerkvoorziening. Ook crisishulp kan hierbij aan de orde zijn. het bieden van casusregie Het wijkteam biedt vaak casusregie in de situatie dat zich meerdere hulpverleners behorende tot verschillende aanbieders zich met de cliënt of het gezin van de cliënt bezighouden. Dit kan bijvoorbeeld een aanbieder van een maatwerkvoorziening zijn, maar ook een welzijnsaanbieder, school, huisarts of andere gemeentelijke ondersteuning. het organiseren of vervullen van de waakvlamfunctie of monitoring De waakvlamfunctie en monitoring heeft als doel dat de cliënt, bijvoorbeeld na inzet van maatwerkvoorzieningen, geen terugval krijgt in zijn participatie, zelfredzaamheid of andere problematiek die aanleiding waren voor de inzet van de maatwerkvoorziening. Cliënt kan nog bijgestuurd worden, kan met vragen terecht en er wordt een vinger aan de pols gehouden. Ook kan de waakvlamfunctie preventief worden ingezet, om te voorkomen dat de situatie van de cliënt onnodig verslechtert. Zie ook paragraaf 1.
- Vervoer voor personen van 75 jaar of ouder Als een ingezetene van 75 jaar of ouder gebruik wil maken van het CAV, dan is er sprake van een algemene voorziening voor sociaal-recreatief vervoer. Het enkele feit dat betrokkene 75 jaar of ouder is, voldoet om een pasje te krijgen voor het CAV voor maximaal 50 ritten per jaar. Er hoeft dus geen sprake te zijn van fysieke of psychosociale belemmeringen om van dit vervoer gebruik te kunnen maken. Het gaat in het kader van de algemene voorziening alleen om de basisfaciliteiten van het CAV. Deze algemene voorziening omvat dus niet de extra service of zaken zoals het recht op vervoer van meereizenden of begeleiders. Dit is alleen mogelijk als het CAV als maatwerkvoorziening is geïndiceerd. Daarnaast geldt dat deze algemene voorziening recht geeft op een maximaal aantal ritten van 50 stuks per jaar. Voor vervoersbehoefte die boven deze 50 ritten uitstijgt, kan – indien hier recht op is – CAV als maatwerkvoorziening worden geïndiceerd. Wijkbus In alle gebieden rijdt een wijkbus, waar mensen tegen betaling gebruik van kunnen maken. De wijkbus wordt alleen als algemene voorziening aangemerkt voor zover de cliënt er, gezien zijn beperkingen en belemmeringen, gebruik van kan maken én voor zover deze voorziet in zijn vervoersbehoefte. Per gebied is ten minste één wijkbus rolstoeltoegankelijk. Welzijnsactiviteiten in Thuisplusflats In een aantal wijken in de stad zijn zogenaamde “Thuisplusflats” gerealiseerd. In een thuisplusflat wonen ouderen zelfstandig met activiteiten, zorg en ondersteuning dichtbij. Het gebouw beschikt over een gezamenlijke ruimte of ruimten, waaronder een keuken en eventueel een tuin, waar bewoners elkaar kunnen ontmoeten en activiteiten met elkaar kunnen ondernemen. In een Thuisplusflat is sprake van dagelijkse activiteiten gericht op vitaliteit en ontmoeting. Daarnaast is in de Thuisplusflat een preferente zorgaanbieder actief die met een vast team maatwerkondersteuning levert vanuit de Wmo 2015, de Zvw in het kader van wijkverpleging of de Wlz. Binnen de Thuisplusflat is een nauwe samenwerking tussen welzijn, wonen, zorg en ondersteuning, gericht op vroegsignalering en preventie. De “plus” zit onder meer in het aanbod van deze welzijnsactiviteiten die in deze Thuisplusflats wordt geboden. Het aanbod kan per Thuisplusflat verschillen, mede afhankelijk van de behoefte van de bewoners, maar kan bijvoorbeeld bestaan uit gezamenlijk eten, beweegactiviteiten en dagbesteding. In een Thuisplusflats wonen zowel bewoners met als zonder een indicatie voor maatwerkondersteuning. 2.3.1.3Wijkvoorzieningen In bepaalde wijken kunnen voorzieningen aanwezig zijn, die door het college al dan niet aanvullend worden gefinancierd en die vaak door vrijwilligers zijn opgericht vanuit een lokale behoefte. Zo zijn er in sommige gebieden wijktafels waar bewoners terecht kunnen voor een maaltijd. Dergelijke voorzieningen zijn voorliggend op een maatwerkvoorziening. Ook zijn er in sommige wijken buurtprojecten waar men scootmobielen kan huren. Dit is geen algemene voorziening, maar kan wel een passende oplossing zijn voor de cliënt. 2.3.2Overige voorzieningen Jeugdwet Overige voorzieningen zijn de vrij toegankelijke voorzieningen die in het kader van de Jeugdwet worden aangeboden. Zij staan genoemd in artikel 2.1 van de Verordening . Het gaat hierbij om: basishulp van het wijkteam; informatie, trainingen en opvoedadvies; jeugdgezondheidzorg; jongerencoaching en participatiebevordering; schoolmaatschappelijk werk; onderwijszorgarrangementen. 2.3.3Maatwerkvoorzieningen Wmo 2015 Een maatwerkvoorziening vormt het sluitstuk van de Wmo
- Een maatwerkvoorziening is dus pas aan de orde als na onderzoek blijkt dat de situatie van de betrokkene niet passend kan worden verbeterd op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met niet-afdwingbare mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk of met algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen. De belangrijkste verschillen tussen een algemene en een maatwerkvoorziening zijn: de algemene voorziening is niet toegespitst op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een individueel persoon, terwijl een maatwerkvoorziening dat wel is; de algemene voorziening is vrij toegankelijk voor de doelgroep waarvoor deze bestemd is, maar een maatwerkvoorziening wordt op aanvraag verstrekt. Deze aanvraag kan worden ingediend na afronding van het onderzoek. Bij verstrekking van een maatwerkvoorziening kan de cliënt, mits hij aan de voorwaarden voldoet, ook een pgb vragen om de ondersteuning zelf in te kopen. Cliënt kan geen pgb vragen in plaats van een algemene voorziening. Zie verder ook paragraaf 2.3.5 over het pgb; voor de eigen bijdrage gelden andere regels. Zie hiervoor ook paragraaf 2.
- Op de maatwerkvoorzieningen wordt in de hoofdstukken 3 en 4 verder ingegaan. Hoofdstuk 3 bevat de maatwerkvoorzieningen dienstverlening die in de vorm van resultaatgebieden worden verstrekt. Hoofdstuk 4 bevat veel voorkomende overige maatwerkvoorzieningen. 2.3.4Wijkgerichte generalistische enkelvoudige basis-ggz nader uitgewerkt Wat een maatwerkvoorziening heet in het kader van de Wmo 2015, heet een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet. De afbakening tussen algemene voorziening en maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 is vergelijkbaar met de afbakening tussen overige en individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet; de individuele voorziening vormt het sluitstuk van ondersteuning in het kader van de Jeugdwet. De beschikbare individuele voorzieningen zijn uitgewerkt in paragraaf 3.1 van de Verordening en in hoofdstuk 5 van deze Beleidsregels. Het college constateert dat bij de toepassing van de lijst van individuele voorzieningen in de uitvoering vragen zijn ontstaan over de reikwijdte van bepaalde voorzieningen. Met name de voorziening “wijkgerichte generalistische enkelvoudige basis-ggz” heeft verschijningsvormen het licht doen zien waarbij de vraag dient te worden beantwoord of deze überhaupt tot het domein van jeugdhulp mogen worden gerekend. Het college hanteert bij jeugdhulp als uitgangspunt dat hulpverleningsvormen waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk vaststaat, niet voor vergoeding in aanmerking komen. De beoordeling of een bepaalde hulpverleningsvorm effectief is, wordt echter steeds per geval gemaakt waarbij in geval van twijfel advies wordt gevraagd aan een inhoudelijk deskundige adviseur. Het college hanteert in het kader van wijkgerichte generalistische enkelvoudige basis-ggz voor onderstaande methoden dan wel therapieën de volgende uitgangspunten: e-health modules E-health is het gebruik van technologie ter ondersteuning of verbetering van de gezondheid en de gezondheidszorg. E-health wordt ook wel ‘zorg via internet’ genoemd voor de behandeling van onder andere adhd, angststoornissen, autisme of depressie. Bij deze hulpverleningsvorm neemt het college tot uitgangspunt dat deze past binnen de grenzen van subonderdeel 1 van de definitie van jeugdhulp in artikel 1.1 van de Jeugdwet en een welkome aanvulling vormt op het ‘fysieke’ ggz-voorzieningenpakket. Daarom staat het college deze vorm van hulpverlening dan in beginsel ook toe onder de noemer van de individuele voorziening “wijkgerichte generalistische enkelvoudige basis-ggz”. klankschalentherapie De klankschaaltherapie, ook wel eens klankschaalmassage genoemd, is binnen de kaders van jeugdhulp gericht op de geest van de jeugdige en niet op zijn lichaam. De schalen zitten op een bepaalde trillingsfrequentie en op deze wijze wordt de jeugdige geholpen dieperliggende blokkades ‘open te breken’. Het college neemt als uitgangspunt dat er geen aanknopingspunt te vinden is in de definitie van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet voor klankschaaltherapie. De verwachte effecten voldoen niet aan de resultaten die in voornoemde definitie van jeugdhulp zijn vermeld. therapie via de inzet van dieren Dierentherapie wordt doorgaans ingezet op een zorgboerderij waarbij de leeromgeving de buitenlucht is. De dieren, vaak paarden, worden hierbij ingezet als een spiegel voor de jeugdige en hebben als doel om de eigen kracht, talenten en steunbronnen van de jeugdige te versterken. Het college stelt vast dat er via therapie met inzet van dieren aantoonbaar positieve resultaten kunnen worden geboekt, mits hier met een strikt persoonsgerichte aanpak wordt gewerkt. Dan kunnen binnen alle in de definitie van jeugdhulp genoemde subcategorieën in artikel 1.1 van de Jeugdwet resultaten worden bereikt die voldoen aan de genoemde criteria. Het college neemt daarom als uitgangspunt dat er geen aanleiding is om deze vorm van therapie uit te sluiten van het individuele voorzieningenpakket en erkent deze als een mogelijke verschijningsvorm van “generalistische enkelvoudige basis-ggz”. vaktherapie: beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie en speltherapie Het college ziet weinig inhoudelijke aanknopingspunten met de in de Verordening opgenomen “wijkgerichte generalistische enkelvoudige basis-ggz” en neemt dan ook het standpunt in dat uiterste terughoudendheid moet worden betracht bij het toekennen van vaktherapie. De eventueel in te zetten vaktherapeuten dienen in ieder geval HBO of WO-geschoold te zijn en een registratie in het Register Vaktherapie te hebben. 2.3.4.1Kwaliteit door registratie of verantwoorde werktoedeling Op grond van artikel 2.9, eerste lid van de Verordening worden in principe alleen SKJ of BIG-geregistreerde hulpverleners ingezet. Op dit principe zijn echter enkele uitzonderingen mogelijk die onderstaand worden beschreven. Het college geeft hierbij toepassing aan hetgeen is beschreven in het Kwaliteitskader Jeugd. Verantwoorde werktoedeling aan niet-geregistreerde hulpverlener De situatie kan zich voordoen dat een solistisch werkende aanbieder een andere aanbieder wil inschakelen. Of een aanbieder die meerdere werknemers in dienst heeft, een eigen hulpverlener wil inzetten die een dergelijke registratie ontbeert. Hierbij moet vooral worden gedacht aan professionals met een MBO-achtergrond die doorgaans geen SKJ- of BIG-registratie kunnen verkrijgen. Dan is het de geregistreerde aanbieder op grond van het bepaalde in artikel 2.9, tweede lid van de Verordening , in de gevallen zoals onderstaand beschreven onder punt 1 en 3 (voorspelbare, veilige situatie), op basis van ‘verantwoorde werktoedeling’ toegestaan om dergelijke niet-geregistreerde hulpverleners in te zetten.
- Voorspelbare, veilige hulpsituatie: volledige werktoedeling mogelijk: Als er sprake is van een voorspelbare, veilige situatie waarbij de risico’s zijn in te schatten, praktische ondersteuning en begeleiding bij het sociaal en maatschappelijk functioneren in het dagelijks leven moet worden gegeven, duidelijkheid aanwezig is over aanpak en wijze van uitvoering en de werkzaamheden bekend en eenduidig uit te voeren zijn, dan zijn belangrijke randvoorwaarden aanwezig om een niet-geregistreerde professional in te zetten. Hierbij moet volgens het Kwaliteitskader Jeugd’ dat zogenoemde veldnormen omvat waaraan alle veldpartijen-uitvoerders van jeugdhulp zich hebben verbonden, worden gedacht aan de volgende taken en verantwoordelijkheden die op de aanbieder rusten: Probleem verkennen Doelgericht observeren en signaleren Analyseren Plan opstellen In samenwerking met jeugdige, zijn omgeving en behandelaar opstellen hulpverleningsplan, niet zijnde behandelplan; Adviseren over werkwijze en uitvoering. Uitvoeren hulpverlening Uitvoeren hulpverleningsplan, niet zijnde behandelplan Rapporteren en evalueren Beëindigen van de formele hulpverlening, in het geval uitsluitend niet-geregistreerde professionals in de uitvoering betrokken zijn In een pgb-situatie zal het college een vergoeding conform het formele tarief toekennen mits de pgb-aanbieder aannemelijk heeft gemaakt dat de hulpverlener aan wie de hulp wordt toebedeeld, voldoende bekwaam is.
- Complexe hulpsituatie: geen werktoedeling aan niet-geregistreerde professional: Onder geen beding mag een niet-geregistreerde professional zelfstandig taken uitvoeren die uitsluitend zijn toebedeeld aan geregistreerde professionals. Het college denkt hierbij in navolging van het Kwaliteitskader Jeugd, aan de volgende taken: Probleem verkennen Observeren en signaleren Analyseren van complexe hulpvraag Diagnose stellen of diagnostisch beeld vaststellen / probleemanalyse maken Toegang tot hulp hebben Toegang tot / in gang zetten van niet vrij toegankelijke jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering Al dan niet inzetten jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering Af- en opschalen van ingezette hulp Beëindigen van de formele hulpverlening Plan opstellen In samenwerking met jeugdige en zijn systeem op- en vaststellen hulpverleningsplan, behandelplan Adviseren over behandeling, hulpverlening en ondersteuning Uitvoeren hulpverlening Uitvoeren hulpverleningsplan, behandelplan en behandeling Inzetten dwang en drang Inzet specifieke deskundigheid met inachtneming van wettelijke kaders
- Geen voorspelbare, veilige hulpsituatie: werktoedeling aan niet-geregistreerde professional uitsluitend mogelijk als aanvulling op inzet van geregistreerde professional: Als er géén sprake is van een veilige, voorspelbare situatie kan de niet-geregistreerde professional, nog steeds ingezet worden voor de verantwoordelijkheden en taken die hierboven beschreven zijn, maar is ook de inzet van een geregistreerde professional noodzakelijk. Dan geldt hetzelfde lijstje onder
- Inzet niet-geregistreerde, maar vakbekwame hulpverleners door toepassing “tenzij-bepaling” Het college acht in voorspelbare veilige situaties, op grond van de “tenzij-bepaling”, bepaalde hulpverleners zonder SKJ- of BIG-registratie voldoende vakbekwaam als zij in een van de volgende andere registers zijn opgenomen: Registerplein.nl voor zover het gaat om een voor jeugdhulp relevant beroep, of het Centraal Register Beroepsopleidingen (Crebo) voor zover hierin een diploma van een voor jeugdhulp relevante opleiding is opgenomen, of, het NVPA-register voor gespecialiseerde psychosociaal therapeuten. In twijfelgevallen vraagt het college advies aan de Kwaliteitsgroep pgb. 2.3.5Persoonsgebonden budget Wmo 2015 en Jeugdwet 2.3.5.1Inleiding De maatwerkvoorziening en individuele voorziening kunnen op twee manieren worden verstrekt: zorg in natura, verder ZIN, genoemd, die wordt geleverd door de door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieders; met een persoonsgebonden budget, hierna pgb. Een pgb wordt in de Wmo 2015 gedefinieerd, maar in de Jeugdwet niet. Uit de wetstekst bij de Jeugdwet blijkt echter dat in de Jeugdwet dezelfde definitie wordt gehanteerd. Een pgb stelt de cliënt of de ouder in staat om, onder voorwaarden, zelf de ondersteuning te regelen die het college anders via ZIN op grond van de Wmo 2015 of op grond van de Jeugdwet op basis van ZIN zou hebben verstrekt. Het uitgangspunt is dat de cliënt in eerste instantie ZIN krijgt aangeboden. Wanneer een aanbod jeugdhulp in de vorm van een pgb volledig overeenkomt met het aanbod van een gecontracteerde aanbieder, verstrekt het college de jeugdhulpverlening in de vorm van ZIN. Hierbij geldt dat wanneer een aanbod voor een voorziening in de vorm van een pgb overeenkomt met het aanbod van een gecontracteerde aanbieder, het college dit onder de aandacht van de cliënt zal brengen. Immers, de kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning moet voldoen aan de eisen die het college stelt aan de door haar gecontracteerde zorgaanbieders. Wanneer de cliënt niet voldoet aan de vereisten ten aanzien van de pgb-vaardigheid, wordt een voorziening in de vorm ZIN verstrekt. Een gecontracteerde aanbieder kan overigens in het kader van de Wmo 2015 en de Jeugdwet ook ondersteuning verlenen via een pgb, bijvoorbeeld wanneer cliënt te maken heeft met zorg vanuit meerdere wetten door dezelfde aanbieder. Wanneer dat gemotiveerd en met goede redenen gebeurt, is een combinatie van ZIN en pgb eventueel mogelijk tussen de resultaatgebieden. Binnen één resultaatgebied is een combinatie van ZIN en pgb niet mogelijk. Een combinatie van een informeel en formeel pgb, zijnde professionele hulp, is op het gebied van Jeugdhulp alleen mogelijk bij vervoersarrangementen naar daghulp. Voorts geldt op het gebied van jeugdhulp dat indien de pgb-budgethouder een persoon die tot het sociaal netwerk behoort wenst in te zetten als pgb-hulpverlener, bij het onderzoek altijd het volgende onderscheid in situaties in acht dient te worden genomen. Dit is nodig om te kunnen beoordelen of het informele of formele pgb-tarief van toepassing is. personen behorende tot het sociaal netwerk van de cliënt, niet zijnde eerste- of tweedegraads bloed- of aanverwanten die niet tevens een hulpverlener in dienstverband op zzp’er zijn, kunnen vanwege de uitzondering in de aanhef van artikel 3.3.2 van de Verordening niet als professionele aanbieder van jeugdhulp worden aangemerkt. Zij kunnen hoogstens het informele pgb-tarief ontvangen; personen behorende tot het sociaal netwerk van de cliënt, niet zijnde eerste- of tweedegraads bloed- of aanverwanten die tevens een hulpverlener in dienstverband of zzp’er zijn, kunnen vanwege de uitzondering in artikel 8 onder b. van b de Regeling Jeugdwet die de in artikel 3.3.2., aanhef, genoemde uitzondering buiten werking stelt, wel als professionele aanbieder van jeugdhulp worden aangemerkt. Zij kunnen mits aan alle andere voorwaarden is voldaan, het formele tarief ontvangen. 2.3.5.2Pgb-plan voor inkoop arrangementen Als het college bij het onderzoek tot de conclusie komt dat ondersteuning nodig is, kan de cliënt gemotiveerd opteren voor het zelf inkopen van ondersteuning via een pgb. In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een melding gelden de algemene regels zoals opgenomen onder 2.2.3 van deze Beleidsregel. Dat betekent dat ook wanneer er sprake zou kunnen zijn van een pgb, degene die het onderzoek uitvoert te allen tijde het recht heeft, om in het belang van het onderzoek, cliënt zonder aanwezigheid van derden te spreken. De mogelijke uitvoerder van de ondersteuning wordt in het stadium van het onderzoek naar aanleiding van de melding niet betrokken bij het onderzoek, tenzij dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is in het kader van de vraagverheldering of het onderzoek c.q. de vraagverheldering in opdracht van het college door deze aanbieder wordt verricht. Een pgb- aanbieder komt derhalve in beginsel concreet bij de gemeente in beeld nadat het ondersteuningsplan is opgesteld, en het de gemotiveerde wens is van de cliënt de verstrekking van de ondersteuning te laten plaatsvinden in de vorm van een pgb. Pgb-plan Wanneer de cliënt het ondersteuningsverslag, zijnde het gespreksverslag met ondersteuningsplan, ontvangen heeft, is geïnformeerd over het maximale budget en deze een aanvraag heeft ingediend voor ondersteuning in de vorm van een pgb, dan moet de cliënt of diens vertegenwoordiger een pgb-plan bijvoegen. In het pgb-plan motiveert de cliënt waarom er voor een pgb gekozen wordt, op welke manier de doelen uit het ondersteuningsplan behaald worden, bij wie de ondersteuning wordt ingekocht, hoe deze wordt georganiseerd en hoe de kwaliteit is gewaarborgd. Ook moet hij een financieel overzicht opnemen. Dit pgb-plan wordt getoetst door de wijkteammedewerker of de Wmo-adviseur. Daarbij wordt aan de hand van de Verordening beoordeeld of de omschreven ondersteuning in het pgb-plan van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate bijdraagt aan het bereiken van de in het ondersteuningsplan opgenomen doelen. Voorts wordt getoetst aan de verlenings- en weigeringsgronden en op de pgb-vaardigheid. De beoogde pgb-aanbieder moet aan de vereiste wettelijke kwaliteitseisen voldoen. In dit kader is het van belang dat het college altijd zicht heeft op de partij die de feitelijke ondersteuning levert. Om die reden moet die partij staan genoemd in het pgb-plan. Dit geldt dus ook op het moment dat de beoogde pgb-aanbieder een onderaannemer inschakelt of een samenwerkingsverband aangaat. Dit kan ertoe leiden dat er een hoofdaannemer en een onderaannemer of een samenwerkingspartner in het pgb-plan worden genoemd. In het pgb-plan legt de cliënt en, indien van toepassing, de vertegenwoordiger, de pgb-verklaring af. De cliënt en zijn eventuele vertegenwoordiger dienen een verklaring te tekenen waaruit blijkt dat de cliënt en de eventuele vertegenwoordiger het pgb op een verantwoorde wijze kunnen beheren. Dit houdt onder andere in dat de cliënt en de eventuele vertegenwoordiger zich bewust zijn van de verantwoordelijkheid die de rol van budgethouder, dan wel vertegenwoordiger voor het pgb, inhoudt. Na het opstellen van het pgb-plan wordt er een gesprek ingepland met de cliënt. Wanneer er sprake is van een vertegenwoordiger, dient deze ook aanwezig te zijn bij het gesprek. Voor een pgb voor hulpmiddelen of woningaanpassingen, geldt een aparte procedure, die in de betreffende hoofdstukken is opgenomen. 2.3.5.3Weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening via een pgb Ten eerste dient de cliënt op eigen kracht voldoende in staat te zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat te zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Dit onderdeel wordt nader uitgewerkt bij punt 2.3.5.4 Ten tweede dient de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt te stellen dat hij de maatwerkvoorziening in de verzilveringsvorm van een pgb geleverd wenst te krijgen. Cliënt moet dus motiveren waarom hij een pgb wenst en waarom een pgb passender is dan ZIN. Dit zal door de Wmo-adviseur worden getoetst. Ook bij inzet van een pgb dient te zijn gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt en dat de individuele voorziening van goede kwaliteit is. De cliënt kan per resultaatgebied/ondersteuningselement de keuze maken voor een professionele pgb-hulpverlener of een persoon of organisatie behorende tot het sociaal netwerk Een dergelijke combinatie van informeel en formeel, zijnde professionele hulp, is op het gebied van Jeugdhulp alleen mogelijk bij vervoersarrangementen naar daghulp. Een pgb wordt niet verstrekt indien het college van oordeel is dat niet wordt voldaan aan artikel 2.3.6, tweede lid, onderdeel c, Wmo 2015, wanneer de daarin opgenomen veiligheids-, doeltreffendheids- en cliëntgerichtheidseisen niet zijn gewaarborgd. Dat is aan de orde in de volgende gevallen: als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.7 van de Verordening , dan wel ondersteuning die ambtshalve wordt verleend in de situatie als bedoeld in artikel 2.5, derde lid, van de Verordening , omdat dan het onderzoek niet wordt afgewacht voor het inzetten van de ondersteuning. Als na afronding van het onderzoek een maatwerkvoorziening aan de orde blijkt, kan de cliënt uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb; voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college als bedoeld in artikel 3.2.2., vierde lid, van de Verordening en 2.3.5.7 van deze Beleidsregels; voor vervoer als de cliënt in deze behoefte kan voorzien door gebruik te maken van het CAV, tenzij de cliënt gebruik maakt van de in artikel 3.2.17, twaalfde lid, van de Verordening genoemde mogelijkheid; voor zover het pgb wordt ingezet voor intake- bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag, beheer of uitvoering van het pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de vertegenwoordiger. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is cliënt hier zelf verantwoordelijk voor, aangezien deze ook zelf de keuze maakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan; voor de bekostiging van het ondersteuningselement verblijf als bedoeld in artikel 3.2.13 van de Verordening; voor zover het pgb is bedoeld voor huurlasten of eten of drinken; als de cliënt of diens vertegenwoordiger ondersteuning wil betrekken van de professionele pgb-aanbieder die niet voldoet aan één of meerdere kwaliteitseisen uit 2.3.5.
- van deze Beleidsregels, totdat deze pgb aanbieder de gebreken aantoonbaar heeft hersteld binnen de geldende termijnen. 2.3.5.4Pgb-vaardigheid Een cliënt dient in staat te zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Het beheren van een pgb is geen simpele en ook geen vrijblijvende taak. Met een pgb neemt een cliënt zelf de regie in handen over zijn ondersteuning. De cliënt moet zelf zorgverleners inhuren, goede afspraken maken, zorgverleners aansturen, zorgdragen voor tijdige declaratie van ondersteuning, de administratie bijhouden, bijdragen aan tijdige en correcte betaling door de SVB of het college via het zogeheten trekkingsrecht, op basis van declaraties en zorgovereenkomsten. De cliënt is er primair zelf verantwoordelijk voor dat de kwaliteit van de ondersteuning die hij inhuurt voldoende is. Ook dient hij zelf zorg te dragen voor vervanging tijdens ziekte en verlof. Derhalve is het belangrijk dat de cliënt, of in voorkomende gevallen diens vertegenwoordiger, voldoende kennis en vaardigheden heeft om het pgb te beheren en zijn belangen te behartigen. Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren, als sprake is van de hieronder genoemde omstandigheden. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar dat dóór de omstandigheden, cliënt niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In het ondersteuningsverslag en eventueel in de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per cliënt goed gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake. Mocht de cliënt alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren. De vertegenwoordiger dient ook te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de onderstaande aspecten. Bij de beoordeling van pgb-vaardigheid wordt onder meer gebruik gemaakt van de pgb-test zoals deze wordt aangeboden door Per Saldo. Voor deze test kan de cliënt niet slagen of zakken en de uitslag op zich kan dan ook geen reden zijn om een pgb af te wijzen of toe te kennen. De test is bedoeld om cliënt en het college meer inzicht te geven in de mate waarin cliënt beschikt over de vaardigheden die noodzakelijk zijn om een pgb te beheren. De test is een van de hulpmiddelen bij het gesprek dat het college voert met de cliënt over de keuze voor pgb of zorg in natura. Relevante omstandigheden met betrekking tot de contra-indicatie ten aanzien van de pgb-vaardigheid van een aanvrager van een maatwerkvoorziening: Problematische schuldenproblematiek Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat cliënt voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat een cliënt, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, zelf een pgb beheert. Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden bij de cliënt of zijn vertegenwoordiger, zijn bijvoorbeeld dat de cliënt zelf aangeeft dat er schulden zijn, cliënt in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’, zonder een vertegenwoordiger te hebben. Het college hanteert voor de definitie van problematische schulden de definitie zoals deze door KBR en NVVK wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen. Ernstige verslavingsproblematiek Ernstige verslavingsproblematiek bij een cliënt maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de cliënt bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat de cliënt minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam, hierna: CDT of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij de cliënt, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont. Aangetoonde fraude begaan in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag Wanneer een cliënt eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien de cliënt, dan wel vertegenwoordiger, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking Een indicatie voor een verstandelijke beperking betreft cliënten met een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid. Signalen die kunnen wijzen op een aanmerkelijke verstandelijke beperking bij de cliënt zijn bijvoorbeeld dat de cliënt behoort tot de cliëntgroep Verstandelijk Beperkten Intramuraal of Verstandelijk Beperkten Extramuraal, of het ruim onvoldoende scoren op de Per Saldo test. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de cliënt om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de cliënt en de pgbaanbieder. Een aanbod van ZIN past in deze situatie vaak beter in het zorgbelang van de cliënt. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis Wanneer een cliënt een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat de cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel, hierna: NAH en de ziekte van Korsakov. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift Het beheren van een pgb is niet mogelijk zolang cliënt de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, tenzij deze een tolk heeft of een vertegenwoordiger die de Nederlandse taal wel voldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands.. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de SVB is en doet in relatie tot het pgb. Twijfels op andere gronden over de pgb-vaardigheid Er kunnen, naast de eerdergenoemde omstandigheden, ook twijfels zijn op andere gronden over de pgb-vaardigheid van de cliënt, dan wel vertegenwoordiger, waardoor sterk de indruk kan ontstaan dat iemand niet in staat is om een pgb te beheren. Een beslissing hieromtrent dient goed gemotiveerd worden. Bijvoorbeeld, als een cliënt ondersteuning aanvraagt en aangeeft deze zelf niet te kunnen organiseren of aan te sturen, zoals een particuliere huishoudelijke hulp, dan is dat een indicatie dat cliënt ook niet pgb-vaardig is. 2.3.5.5Vertegenwoordiger pgb De cliënt kan zich laten vertegenwoordigen in de uitoefening van het budgethouderschap. Een derde wordt dan gemachtigd om voor hem de taken, verbonden aan het pgb, uit te voeren. De genoemde machtiging vloeit niet automatisch voort uit mentorschap of bewindvoering, dus moet expliciet worden verstrekt. . De vertegenwoordiger dient pgb-vaardig te zijn en de verklaring te ondertekenen. Wanneer de cliënt wijzigingen wil aanbrengen in de wijze waarop hij wordt vertegenwoordigd, dient hij dit te melden bij het college. Uitgangspunt is dat degene die de cliënt vertegenwoordigt, de belangen van de cliënt centraal stelt. Deze vertegenwoordiger kan niet de uitvoerder zijn van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of diens vast/flexibel personeel, diens organisatieadviseur of op andere wijze aan de zorgaanbieder verbonden persoon, met uitzondering van situaties waarin familieleden (een deel van) de zorg verlenen. De vertegenwoordiger mag geen financiële relatie hebben met de uitvoerder van de ondersteuning. Hierdoor wordt immers een objectieve beoordeling van wat noodzakelijk is voor de cliënt en de aansturing van de werkzaamheden bemoeilijkt; er is dan sprake van ongewenste belangenverstrengeling. Dit kan ten koste gaan van het bereiken van de gewenste resultaten. Zo mag de vertegenwoordiger bijvoorbeeld niet betaald worden door de aanbieder van de zorg voor de betreffende cliënt. Dit geldt ook voor een pgb conform het informele tarief, wanneer bijvoorbeeld een familielid de hulp verleent. Het uitgangspunt is dat er geen belangenverstrengeling mag ontstaan doordat deze informele hulp twee taken in zich verenigt, namelijk van hulpverlener en beheerder van het pgb. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken, wanneer dit, gezien de situatie van de cliënt, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend en onontkoombaar wordt bevonden. Dit kan aan de orde zijn wanneer de cliënt geen andere keuze kan maken, de kwaliteit van de verleende ondersteuning en het beheer van het pgb voldoende gewaarborgd is. In deze gevallen wordt de looptijd van de verstrekking beperkt of wordt frequent tussentijds onderzocht hoe de ondersteuning en het beheer van het pgb verlopen. De aan de vertegenwoordiger in de Verordening gestelde eisen zijn reëel, omdat er een zware verantwoordelijkheid rust op de vertegenwoordiger om te komen tot kwalitatief goede ondersteuning en een juiste verantwoording van het pgb. Er wordt in beginsel een maximum van drie cliënten per vertegenwoordiger gehanteerd. Het is van belang dat een vertegenwoordiger de cliënt goed kent om deze te kunnen aansturen in zijn eigen regie als de cliënt daar zelf geen inhoud aan kan geven. De vertegenwoordiger moet de bedoelingen en behoeften van de cliënt kunnen omzetten naar gepaste ondersteuning. De vertegenwoordiger maakt bij voorkeur onderdeel uit van het netwerk van de cliënt en is een natuurlijk persoon. Indien een vertegenwoordiger van mening is dat overschrijding van de maximumnorm in zijn of haar geval verantwoord is, dan kan hij/zij dit motiveren en wordt per geval bekeken en beoordeeld of afwijking van de norm verantwoord is. 2.3.5.6Informele of professionele ondersteuning en kwaliteitseisen pgb De budgethouder Een cliënt heeft de keuze om de ondersteuning in te kopen bij een professionele pgb-aanbieder of organisatie of ondersteuning te betrekken van een persoon of organisatie behorende tot het sociaal netwerk of een combinatie daarvan. Verantwoordelijkheid college Het college toetst of een professionele pgb-aanbieder voldoet aan de daarvoor gestelde kwaliteitseisen als opgenomen in artikel 3.3.
- van de Verordening . Om de kwaliteit te kunnen beoordelen bij de inzet van het pgb via een persoon uit het sociaal netwerk, toetst het college of is voldaan aan de daarvoor gestelde kwaliteitseisen als opgenomen in artikel 3.3.4.van de Verordening . Vanwege het zorgbelang, bijvoorbeeld bij de cliëntgroep (O)GGZ, kan ondersteuning uit het sociaal netwerk niet aan de orde zijn en het noodzakelijk zijn de zorg door een professionele aanbieder te laten leveren. In eerste instantie is de budgethouder ervoor verantwoordelijk om toe te zien op de kwaliteit van de geleverde ondersteuning. Echter, het college heeft als verstrekker van de indicatie en het budget ook een rol. Er dient aan de voorkant beoordeeld te worden of de pgb-aanbieder voldoet aan de kwaliteitscriteria van professioneel of pgb-aanbieder uit het sociaal netwerk. Het college kan de geboden ondersteuning op grond van de Wmo 2015, de Jeugdwet, de Verordening en de beschikkingsvoorwaarden periodiek toetsen aan gestelde kwaliteitseisen. Tijdens deze toets wordt gecontroleerd of de geboden ondersteuning uit het pgb-plan uitgevoerd wordt en of de gestelde doelen behaald worden. Hiervoor kan ook gebruik worden gemaakt van de pgb-kwaliteitstoets waarmee de pgb-aanbieders laagdrempelig kunnen worden getoetst op de gestelde kwaliteitseisen. De ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen, dient naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit te zijn en in voldoende mate bij te dragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat. Het college verstrekt geen pgb aan de cliënt of diens vertegenwoordiger voor het betrekken van ondersteuning van de professionele pgb-aanbieder die niet voldoet aan één of meerdere kwaliteitseisen uit deze bepaling, totdat deze pgb-aanbieder de gebreken aantoonbaar heeft hersteld binnen de geldende termijnen. Kwaliteitseisen voor zowel professionele pgb-aanbieders als aanbieders uit het sociaal netwerk Voor verstrekking van een pgb dient naar het oordeel van het college sprake te zijn van veilige, doeltreffende en cliëntgerichte ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo 2015 dan wel van jeugdhulp van goede kwaliteit als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, onderdeel c, van de Jeugdwet. Het college betrekt bij het oordeel of sprake is van voldoende kwaliteit bij professionele aanbieders, in ieder geval de punten genoemd in artikel 3.3.3, eerste lid, van de Verordening en bij aanbieders uit het sociaal netwerk in ieder geval de punten genoemd in artikel 3.3.4, eerste lid, van de Verordening. De punten uit artikel 3.3.3, eerste lid, van de Verordening, worden hieronder uitgewerkt onder het kopje kwaliteitseisen professionele pgb-aanbieders. Naar het oordeel van het college is sprake van veilige, doeltreffende en cliëntgerichte ondersteuning door professionele aanbieders, onderaannemers als pgb-aanbieders uit het sociaal netwerk, dan wel van jeugdhulp van goede kwaliteit, indien in ieder geval wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: de hulpverlener, aanbieder dan wel diens beroepskrachten of de vertegenwoordiger van de cliënt, zijn bij de gemeente niet bekend vanwege ondeskundige ondersteuning, het handelen in strijd met relevante wetgeving of Beleidsregels, misleiding of fraude, ook niet op het gebied van andere zorgwetgeving. Dit wordt bepaald aan de hand van onderzoeken die door Toezichthouders Kwaliteit en Rechtmatigheid of andere externe partijen zijn verricht. Indien in strijd met deze bepaling wordt gehandeld, dan kan de hulpverlener, aanbieder, beroepskracht of vertegenwoordiger gedurende drie jaren worden uitgesloten van hulpverlening. Dit geldt ook indien de hulpverlener of beroepskracht binnen deze termijn voor een andere aanbieder of al dan niet als zelfstandige activiteiten ontplooit op het gebied van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. De termijn van drie jaren begint te lopen vanaf het moment dat het afgeronde toezichtrapport waaruit blijkt dat in strijd met deze bepaling is gehandeld, aan de hulpverlener of aanbieder wordt aangeboden. Indien geen sprake is van een toezichtrapport begint de termijn te lopen vanaf het moment waarop de strijd met deze bepaling door de toezichthouder rechtmatigheid of het college is vastgesteld. Evenmin mogen de zorgverlener of -aanbieder en diens directieleden gedurende deze periode ondersteuning leveren in onderaanneming of als vertegenwoordiger optreden; Met betrekking tot fysieke of psychische overbelasting geldt dat als uit de tussentijdse evaluatie van een verstrekt informeel pgb aan ouders naar voren komt dat de ouders overbelast zijn geraakt waardoor zij naar alle waarschijnlijkheid niet langer in staat zijn om zelf de hulp te verlenen, acht het college het vanuit kwaliteitsoverwegingen niet wenselijk om het informeel pgb te handhaven. Het college zal deze verstrekking dan ook zo spoedig mogelijk trachten om te zetten in een formeel pgb, zorg of natura, of een informeel pgb voor een persoon binnen het sociaal netwerk van de ouders. De zorg moet dan wel betrekking hebben op het resultaatgebied R1, ondersteuning; Het college acht binnen de in de Wmo 2015 en de Jeugdwet genoemde toekenningscriteria voor een persoonsgebonden budget, geen kwaliteitswaarborg aanwezig indien er druk is uitgeoefend op cliënt om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van een persoon of organisatie te betrekken of bij wie de hulpvraag ondergeschikt is aan financieel gewin. Kwaliteitseisen professionele pgb-aanbieders Naast de kwaliteitseisen genoemd onder het kopje Kwaliteitseisen voor zowel professionele pgb-aanbieders als aanbieders uit het sociaal netwerk, voldoet een professionele pgb-aanbieder aan de hieronder genoemde eisen om naar het oordeel van het college te kunnen voorzien in veilige, doeltreffende en cliëntgerichte ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo 2015 dan wel van jeugdhulp van goede kwaliteit als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, onderdeel c, van de Jeugdwet. Bij haar oordeel betrekt het college in ieder geval de eisen, genoemd in artikel 3.3, eerste lid, van de Verordening,zoals hieronder nader uitgelegd. De professionele pgb-aanbieder wordt verzocht inzage te geven in de kwaliteit en een bestuurlijke verklaring te ondertekenen, waarin verklaard wordt dat de aanbieder voldoet aan de kwaliteitseisen. De getoetste aspecten geven een algemeen beeld van de financiële gezondheid van de organisatie, de kwalificaties van het personeel, het cliëntenbestand waar ondersteuning aan wordt verleend en de randvoorwaarden voor het leveren van ondersteuning die aan de minimale kwaliteitseisen voldoet die de gemeente aan pgb-aanbieders stelt. Om tot een onderbouwd oordeel te komen wordt er naar de aangeleverde documenten van de zorgaanbieder gekeken. Een pgb-aanbieder die niet voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen kan geen ondersteuning bieden aan cliënten met een pgb-indicatie. Zodra de aanbieder de kwaliteit aantoonbaar heeft verbeterd naar het oordeel van het college, kan hij opnieuw een verzoek tot toetsing indienen. Een professionele pgb-aanbieder voldoet aan de volgende kwaliteitseisen: Bij de inzet van personeel voor Wmo-ondersteuning geldt, met uitzondering van het resultaatgebied huishoudelijke ondersteuning, het volgende: aanbieder belegt de verantwoordelijkheid voor de geboden ondersteuning bij beroepskrachten met minimaal een kwalificatie op mbo-opleidingsniveau 4 met een aan de zorg gerelateerde of andere relevante opleiding; aanbieder zet minimaal gekwalificeerden van mbo-opleidingsniveau 3 met een aan de zorg gerelateerde of andere relevante opleiding in bij het zelfstandig uitvoeren van Wmo-ondersteuning; beroepskrachten met mbo-opleidingsniveau 1 en 2 met een aan de zorg gerelateerde of andere relevante opleiding, door opleiding of ervaring verkregen, en vrijwilligers mogen worden ingezet onder directe verantwoordelijkheid van beroepskrachten met minimaal niveau 3 met een aan de zorg gerelateerde of andere relevante opleiding. voor iedere beroepskracht beschikt de professionele pgb-aanbieder, zoals bedoeld in artikel 3.3.3 van de Verordening , over een relevante Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) met screeningsprofiel 45 ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ voor de te verlenen ondersteuning; bestuurders beschikken eveneens over een verklaring omtrent het gedrag, welke is afgegeven maximaal drie maanden voorafgaand aan indiensttreding bij de organisatie; het college kan op verzoek op individuele basis een uitzondering maken op de VOG-plicht voor vrijwilligers en stagairs. Als het college vermoedt dat iemand niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG, zorgt de zorgaanbieder ervoor dat deze binnen tien weken een nieuwe VOG overlegt. De professionele pgb-aanbieder zorgt dat de inzet van vrijwilligers of stagiairs altijd plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van een ervaren beroepskracht. De inzet van vrijwilligers of stagiairs staat in redelijke verhouding tot de professionele inzet. De professionele pgb-aanbieder werkt er actief aan om de kwaliteit van de geboden zorg te borgen en verbeteren middels: een systematische kwaliteitsbewaking met een volledig geïntegreerd kwaliteitssysteem dat voldoet aan de landelijke eisen, waaronder : ISO 9001, EN 15224, HKZ, Kiwa (ZZP en kleine ondernemers) of Prezo; de wijze van registreren van de voortgang van cliënten en cliënttevredenheidsonderzoeken. De professionele pgb-aanbieder als bedoeld in artikel 3.3.
- van de Verordening voert een integere bedrijfsvoering en deugdelijke administratie, inhoudende dat de zorgaanbieder: staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel waarbij de activiteiten blijkens deze inschrijving bestaan uit werkzaamheden die geboden worden in het kader van een bepaald resultaatgebied als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Verordening; een doelstelling heeft die aansluit bij de zorg en ondersteuning die wordt geboden; Voor zover van toepassing, zijn binnen de organisatie de functies van eigenaar, directie, bestuurder en raad van toezicht vertegenwoordigd; bij onderaannemerschap, de betreffende onderaannemer is vermeld op de pgb-plannen van budgethouders; de betrokkenheid bij andere organisaties als bedoeld in artikel 3.3.2 van de Verordening , vermeldt en aanduidt wat de aard is van de relaties met die andere verbanden, inclusief de verantwoordelijkheden, taken en beslissingsbevoegdheden; beschikt over een verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen van de Belastingdienst; beschikt over een kredietrapport; beschikt over een afschrift van de meest recente jaarrekening, of in het geval van een zzp’er een recente balans en een winst- en verliesrekening; adequaat verzekerd is tegen beroeps- of bedrijfsaansprakelijkheid; de bestuurlijke verklaring naar waarheid ondertekent. Ten aanzien van ondersteuning binnen de resultaatgebieden dagbesteding – of behandeling, nachtelijk toezicht en huisvesting of als de pgb-aanbieder een huur- of woonzorgovereenkomst heeft met cliënt, is de locatie passend bij de doelgroep en de ondersteuning die geboden wordt en voldoet deze aan alle wettelijke die daaraan worden gesteld. De professionele pgb-aanbieder beschikt over de benodigde procedures en protocollen, bestaande uit: Een klachtenprotocol (met bijbehorende klachtencommissie) die de interne werkwijze regelt voor het indienen van een klacht over de geboden zorg door de cliënten. In een klachtenprotocol wordt in ieder geval het volgende opgenomen: Definities; een duidelijke omschrijving van wat onder een klacht wordt verstaan en wanneer sprake is van een klacht. Toepassingsbereik: er dient te worden aangegeven op wie het protocol van toepassing is. Indiening van klachten: de procedure moet specificeren wie een klacht kan indienen en op welk moment dit mogelijk is. Wijze van indiening: de methode en locatie voor het indienen van klachten moeten worden vastgelegd. Contactgegevens: de contactinformatie van de interne klachtafhandelaars of klachtencommissie moet beschikbaar zijn. Afhandeling van klachten: het proces voor de afhandeling van klachten moet worden beschreven. Termijnen: de termijnen voor klachtafhandeling moeten worden vastgelegd. Externe klachtafhandeling: de mogelijkheden voor het doorsturen van klachten naar externe instanties moeten worden opgenomen. Een incidenten protocol (met bijbehorende commissie meldingen en incidenten) dat de interne werkwijze regelt voor het melden van onzorgvuldigheden, incidenten en calamiteiten in de zorgverlening. In het incidentenprotocol wordt in ieder geval het volgende opgenomen: Doel van het protocol: Een omschrijving van het doel van het incidentenprotocol. Definities; een duidelijke omschrijving van wanneer sprake is van een incident en een indeling van de verschillende soorten incidenten. Toepassingsbereik: Een vaststelling op wie het incidentenprotocol van toepassing is. Meldprocedure: Een beschrijving van hoe en waar incidenten kunnen worden gemeld, inclusief het gebruik van een meldingsformulier voor cliëntincidenten. Termijnen: De termijnen voor het verwerken en afhandelen van incidentmeldingen. Registratie: Een beschrijving van hoe incidenten worden geregistreerd en waarom dit noodzakelijk is. Indien sprake is van ondersteuning vanuit de Wmo 2015 is tevens opgenomen dat calamiteiten of geweldsincidenten gemeld worden bij het Toezicht Wmo GGD Rotterdam-Rijnmond. Afhandeling en vervolgacties: Een overzicht van hoe incidenten worden opgepakt Privacy protocol: uit het protocol moet blijken dat er conform wet- en regelgeving wordt omgegaan met persoonsgegevens. Bij het verwerken van gegevens houdt de zorgaanbieder zich aan de basisprincipes van artikel 5 van de AVG en kan dit aantonen (verantwoordingsplicht). De Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling: de zorgaanbieder heeft een meldcode waarin (stapsgewijs) wordt beschreven hoe binnen de organisatie met signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling wordt omgegaan. De protocollen en de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling zijn toegespitst en afgestemd op de eigen organisatie en de te leveren ondersteuning. De bij de professionele pgb-aanbieder in dienst zijnde beroepskrachten houden zich aan de voor hen geldende beroepscode. De zorgverlener beheerst minstens de Nederlandse taal in woord en geschrift op het Europees Referentiekader niveau A
- Onderaannemerschap of samenwerkingen binnen het pgb Op grond van artikel 3.3.
- lid 4 van de Verordening is het een professionele pgb-aanbieder die als zelfstandige zonder personeel optreedt, niet toegestaan om als hoofdaannemer een onderaannemer in te schakelen. Voor alle and