← Nederland

Provinciale Milieuverordening Overijssel 1998 (Overijssel)

In het kort

Deze provinciale milieuverordening regelt milieuzaken in Overijssel en is gebaseerd op een landelijk model om uniformiteit te waarborgen. Het is een groeiende wetgeving die in delen (tranches) tot stand is gekomen en regelmatig wordt herzien.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Provinciale Milieuverordening Overijssel 1998Algemene toelichting 1. ALGEMEEN 1.1 De IPO-model-verordening De provinciale milieuverordening is gebaseerd op een model dat in IPO-verband is opgesteld. Het model mag, in het bijzonder voor wat betreft de juridische systematiek en vormgeving, niet als vrijblijvend worden beschouwd. Dat betekent niet dat het model of onderdelen daarvan voor de provincies bindend zijn. Staatsrechtelijk zou dat ook niet mogelijk zijn, omdat de individuele provincies bevoegdheden worden toegekend. 'Niet vrijblijvend' betekent wèl dat niet lichtvaardig van het model mag worden afgeweken. Als dat zou gebeuren, zou een juridische diversiteit aan verordeningen kunnen ontstaan, die tot verwarring en zelfs rechtsongelijkheid kan leiden. Bovendien zou de uitvoering van het beleid daardoor gefrustreerd kunnen raken. Een treffend voorbeeld daarvan is de regeling van de melding van de afgifte van gevaarlijke afvalstoffen. Het is de bedoeling dat die meldingen worden gedaan aan een landelijk meldingenpunt. Daarvoor zullen formulieren worden vastgesteld die geautomatiseerd worden verwerkt. Het spreekt vanzelf dat als een provincie op dit punt een van het model afwijkende regeling zou vaststellen, het landelijk meldingenpunt niet goed zou kunnen functioneren. 1.2 Tranches De provinciale milieuverordening is als aanbouwwetgeving opgezet. Dat is de reden dat er gereserveerde delen in zijn opgenomen en vormt tevens de achtergrond voor de gelede nummering van de artikelen (artikel 1.2.1, artikel 1.2.2 etc.) Deze aanbouwwetgeving is in zogenaamde tranches (schijven) tot stand gekomen. Het is dan ook beslist noodzakelijk steeds te beschikken over de meest actuele verordening. Overigens wordt tellkens na een nieuwe tranche een geheel herziene integrale tekst opgesteld. Op de volgende pagina is voor de belangrijkste wijzigingen aangegeven op welk moment de belangrijkste onderdelen zijn opgenomen in de verordening of herzien. TranchesVind-plaats Tranche 1 PS 1993-37 Tranche 2 PS 1995-2 Grond-water PS 1995-45 Bedrijfs-afval-stoffen PS 1996-11 Grond-water PS 1997-42 Tranche 3 PS 1998-7 H1 Algemeen H2 Commissie water en milieu H3 Inspraak Ingetrokken ivm. provincie-brede regeling H4 Huishoudelijk afval § 4.3.1 Bedrijfsafval § 4.3.3 Bijstelling be-drijfsafval Gevaarlijk afval § 4.3.4 Bijstelling gevaarlijk afval H5 Milieubescher-mingsgebieden H6 Meldingen bodem-sanering Vereen-voudiging en aanvulling regels water-bodems (titel 5.2) H7 Ontheffingen H8 Vergoeding kosten en schade H9 Handhaving H10 Beklag Ingetrokken ivm. provincie-brede regeling H11 Overgang & slot-bepalingen Bijl.3 Samen-werking inzameling huishoudelijk afval Bijl.4 Aanwijzing categorieën bedrijfsafval Bijlage 4A en 4C toe-gevoegd Bijl.5 Aanwijzing categorieën gevaarlijk afval Aan-passing aan MJP-GA II Bijl.6 Aanwijzing grondwater-be-schermings-gebieden Aanwijzing 30a en 34 wijziging 7/8 - Aanwijzing stiltegebied Springendal - Intrekken Rijssen (1996-27) Aanwijzing 33 wijziging 31 en 32 Bijl.9 Instructie-regels (inrichtingen) grondwater-bescherming Toe-voeging A23 Wijziging instructie-regels m.n. voor secundaire grondstoffen Bijl.10 Onderdeel 10A Stilteregels Onderdeel 10B directe regels grondwater-be-schermings-gebieden Onderdeel 10B vervanging door niet-inrichting-regels grond-waterbe-scherming Toe-voeging aan artikel 4.1 onder b - wijziging regels voor niet inrich-tingen m.n. voor toepassen secun-daire grondstoffen Bijl. 10B.2 toe-gevoegd: - Besluit horeca-bedrijven - Besluit houtver-werkings-bedrijven Vervallen: - chemische wasserijen HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN Artikel 1.1 1[Toelichting: Voor de inhoud van verschillende van de in de verordening gehanteerde begrippen (zoals inspecteur en provinciaal milieubeleidsplan) behoeft geen omschrijving te worden gegeven, omdat artikel 1.1 van de wet bepaalt dat de daar gegeven omschrijvingen doorwerken in de verordening. Op dezelfde wijze werken de begripsbepalingen van artikel 1 van de Wet bodembescherming door in de bepalingen van de verordening waarmee uitvoering aan die wet wordt gegeven.] Begripsbepaling In deze verordening wordt verstaan onder: a. de wet: de Wet milieubeheer ; b. de commissie: de commissie als bedoeld in artikel 2.41 van de Wet Milieubeheer waarvoor optredend de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving, overeenkomstig de Verordening voor de Provinciale Commissie Fysieke Leefomgeving; c. gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Overijssel; d. provinciaal milieuprogramma: het provinciale milieuprogramma als bedoeld in artikel 4.14 van de wet; e. groene lijst van afvalstoffen: bijlage II van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen; f. afvalstofcodelijst: de afvalstofcodelijst, die is opgenomen in de Handleiding afvalstofcode 1995, dan wel door het algemeen bestuur van het Samenwerkingsverband Interprovinciaal Overleg aangewezen lijst die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; g. de landelijke lijst: een landelijke lijst van plichtgebieden voor de inzameling van gevaarlijke afvalstoffen, die is opgenomen in het geldende Meerjarenplan Gevaarlijke Afvalstoffen; h. het meldingenpunt: het landelijke Meldingenpunt Afvalstoffen, aangewezen door het Samenwerkingsverband Interprovinciaal overleg. i. een saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming. j. milieubeschermingsgebied: een gebied als bedoeld in artikel 5.1.1; k. de grondwateronttrekker: de houder van een inrichting als bedoeld in art. 15.34, tweede lid, van de wet. Artikel 1.2 Van deze verordening maken de volgende bijlagen deel uit: 1. Milieukwaliteitseisen (gereserveerd) 2. Instructies voor vergunningen voor inrichtingen en voor lozingen op oppervlaktewateren (gereserveerd) 3. Huishoudelijke afvalstoffen 4. Aanwijzing categorieën afvalstoffen 5. Categorieën van gevaarlijke afvalstoffen die uitsluitend mogen worden ingezameld met een vergunning van gedeputeerde staten 6. Aanwijzing milieubeschermingsgebieden 7. Doorwerking gebiedsgerichte milieukwaliteitseisen (gereserveerd) 8. Milieu-effectrapportage (gereserveerd) 9. Instructies voor vergunningen voor inrichtingen en voor lozingen op oppervlaktewateren in milieubeschermingsgebieden 10. Rechtstreeks werkende regels voor gedragingen in milieubeschermingsgebieden. Regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder Regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning Overige regels ter bescherming van de bodem (gereserveerd) Regels ter bescherming van landschap en natuur (gereserveerd) HOOFDSTUK 2. COMMISSIE WATER EN MILIEU 2[Toelichting: Volgens artikel 2.25 van de Wet milieubeheer stellen Provinciale Staten een milieucommissie in, die vooraf door het provincie- bestuur moet worden gehoord over maatregelen en plannen die van betekenis zijn voor het provinciaal milieubeheer.In deze verordening blijft de provinciale adviescommissie op grond van de Wet milieubeheer samengevoegd met de provinciale waterhuishoudingscommissie op grond van de Wet op de waterhuishouding, conform de reeds bestaande situatie in Overijssel (zie PS-besluit van december 1988). Dit is - zo blijkt ook uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp Plannen (blz. 61) - gewenst terwille van een goede coördinatie van de verschillende beleidsaspecten en ter beperking van het aantal adviesorganen en de advisering vanuit verschillende invalshoeken in één advies. De evaluatie van de reeds bestaande commissie in 1993 heeft dit bevestigd.In de memorie van toelichting op het ontwerp voor de Wet milieubeheer wordt ook gesproken over een eventueel samengaan van de provinciale milieu-commissie en de provinciale waterhuishoudingscommissie met de provinciale planologische commissie (PPC).Hoewel bovengenoemde voordelen ook gelden voor een verdere integratie van enerzijds de commissie water en milieu en anderzijds de PPC, wordt in de verordening op dit punt toch terughoudendheid betracht. De reden daarvoor is, dat de PPC (inclusief de subcommissies) naast haar adviserende rol aan het provinciebestuur ook een rol heeft als overlegorgaan, waarin de provincie anders dan in de onafhankelijke commissie water en milieu actief participeert. Het karakter van de PPC verschilt daarmee wezenlijk van dat van de Commissie water en milieu. Tijdens de al eerder genoemde evaluatie van de commissie water en milieu en de PPC, bleek een meerderheid van beide commissie's voorstander van het handhaven van de bestaande situatie.Wat betreft de adviserende rol van de PPC worden genoemde voordelen in de praktijk reeds benut door in voorkomende gevallen gezamenlijk te vergaderen en te adviseren (een brede integrale advisering).Voor wat betreft de taak en samenstelling van de commissie voor wat betreft de milieuaspecten, wordt uitgegaan van een brede invulling van het begrip milieubeheer t.w.- de zorg voor de milieuhygiëne;- de zorg voor natuur en landschap;- de zorg voor de waterkwaliteit. Tot de maatregelen en plannen waarover de commissie moet worden gehoord, behoren in ieder geval het ontwerp van een milieubeleidsplan (memorie van toelichting, blz. 60) en het ontwerp van een milieuverordening (artikel 1.3, tweede lid, Wet milieubeheer). Elders in de memorie van toelichting (blz. 85) wordt aangegeven dat ook advies zou moeten worden gevraagd over ontwerpen van streekplannen voor zover deze van betekenis zijn voor het provinciale milieubeleid. Dat is in ieder geval zo als de beslissingen in het kader van het streekplan aanleiding zullen geven tot herziening van het milieubeleidsplan (het zgn. 'haasje over springen'). Hetzelfde geldt voor waterhuishoudingsplannen, maar bij de in de verordening voorgestelde 'gecombineerde' commissie - ingesteld op basis van zowel artikel 2.25 van de Wet milieubeheer als artikel 8, tweede lid, van de Wet op de waterhuishouding - is dit slechts van theoretisch belang.Volgens artikel 8, tweede lid, van de Wet op de waterhuishouding wordt de commissie namelijk gehoord over maatregelen en plannen, die van betekenis zijn voor het provinciale beleid inzake de waterhuishouding.Weliswaar worden bedoelde maatregelen en plannen niet concreet genoemd, maar er mag van worden uitgegaan dat daartoe in ieder geval behoren het waterhuishoudingsplan ingevolge de Wet op de waterhuishouding en verordeningen op grond van de Wet verontreiniging oppervlaketwateren en de Grondwaterwet.In de verordening wordt er verder van uitgegaan dat de commissie ook over het provinciale milieuprogramma, daarvoor in aanmerking komende streekplannen en het natuurbeleidsplan advies zal uitbrengen.Bij andere plannen waarover de Commissie op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de verordening gehoord zal moeten worden, valt te denken aan plannen voor infrastructurele werken, economische beleidsprogramma's en landinrichtingsplannen.Volgens artikel 1.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer bevat de provinciale milieuverordening ten minste regels over de samenstelling en de werkwijze van de provinciale milieucommissie.De invulling van die regels is aan de verantwoordelijkheid van de provincies overgelaten, zij het dat de inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid belast met de hygiëne van het milieu, ambtshalve lid is, mede om afstemming van het provinciale milieubeleid met het milieubeleid op rijksniveau te bevorderen. De Wet op de waterhuishouding laat de provincies vrij wat betreft de samenstelling van de commissie. Op de samenstelling van de commissie wordt in de artikelsgewijze toelichting nader ingegaan. ] Artikel 2.1 3 [Toelichting: Volgens artikel 2.25 van de wet wordt de commissie gehoord door en brengt zij advies uit aan "het provinciebestuur". Volgens artikel 5 van de Provinciewet bestaat het provinciebestuur uit Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris der Koningin. In het algemeen zullen gedeputeerde staten een advies aanvragen zodat Provinciale Staten daarmee bij de besluitvorming rekening kunnen houden.] Voor taak, samenstelling en werkwijze van de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving, waarin de commissie als bedoeld in artikel 2.41 van de Wet Milieubeheer is begrepen, wordt verwezen naar de Verordening voor de Provinciale Commissie Fysieke Leefomgeving. Artikel 2.8 4[Toelichting: Aan het uitbrengen van een advies behoeft niet een vergadering te zijn voorafgegaan. In de verordening is geen koppeling gelegd tussen artikel 2.8, eerste lid, dat bepaalt dat de adviezen worden uitgebracht overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van de vergadering, en artikel 2.6, dat de vergaderfrequentie regelt. Een schriftelijke beraadslaging is derhalve mogelijk.Het is mogelijk dat een of enkele leden van de commissie een minderheidsstandpunt willen innemen. Van belang is wel dat zij dit standpunt bij het opstellen van het advies in de (sub)commissie hebben ingebracht en dat dit ter discussie heeft gestaan. Daarom is bepaald dat alleen leden die ter vergadering (mondeling of schriftelijk) een standpunt hebben ingebracht, een minderheidsstandpunt bij het advies kunnen laten voegen. Om zoveel mogelijk te voorkomen dat een lid op dit punt door verhindering in moeilijkheden komt, verdient het aanbeveling dat er plaatsvervangende leden worden benoemd (zie de toelichting bij artikel 2.9).De regeling brengt met zich mee dat een schriftelijk tot stand gekomen advies unaniem moet zijn. Er kunnen geen minderheidsstandpunten worden ingenomen, omdat er geen leden zijn "die ter vergadering een standpunt hebben ingebracht".Mocht er bij een schriftelijk voorbereid advies behoefte aan een minderheidsstandpunt bestaan, dan zullen de verschillen van mening in een vergadering moeten worden besproken.] HOOFDSTUK 3. VERVALLEN HOOFDSTUK 3. VERVALLEN 5[Toelichting: Voor de inspraakprocedure geldt de Algemene Inspraakverordening (PS 2005-38). Betrof: Inspraak bij besluiten van algemene strekking.Tot juni 1996 was een eigen regeling voor inspraak in de milieuverordening opgenomen in Hoofdstuk 3. Deze regeling is ingetrokken om de volgende reden. Op grond van artikel 4.10, lid 3 Wm, zoals gewijzigd bij de nieuwe Provinciewet (Stb 1993-667) dienen Gedeputeerde Staten belanghebbende natuurlijke personen en rechtspersonen bij de voorbereiding van het provinciaal milieubeleidsplan of het milieuprogramma, onderdeel bodemsanering (voor andere onderdelen van dat programma geldt deze verplichting niet) te betrekken op de wijze als voorzien in een krachtens artikel 147 van de Provinciewet vastgestelde verordening. Voor Overijssel is dat de Inspraakverordening Overijssel (december 1994). Daarin wordt voor de inspraak op het milieubeleidsplan verwezen naar afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor wijziging van de Provinciale milieuverordening hebben Gedeputeerde Staten (bij besluit MBG 96/757) de Inspraakverordening eveneens van toepassing verklaard. Voor een aparte regeling in de milieuverordening is daarom geen reden meer. Wel is nog een inspraakregeling voor individuele onderzoeks en bodemsanerings-gevallen in hoofdstuk 6 van de verordening opgenomen.Voorts is van de gelegenheid tevens gebruik gemaakt om de summiere klachtenregeling uit de provinciale milieuverordening in te trekken en aan te sluiten bij de Algemene klachtenregeling (besluit 1994-29 van Provinciale Staten). In tegenstelling tot de aanvankelijk meer summiere regeling kent de algemene klachtenregeling een onafhankelijke bestuurscommissie die over de klacht beslist, een vooronderzoek, een ambtelijk advies en verslaglegging. ] HOOFDSTUK 4. ALGEMEEN PROVINCIAAL MILIEUBELEID Titel 4.1 MILIEUKWALITEITSEISEN gereserveerd Titel 4.2 INSTRUCTIES VOOR VERGUNNINGEN VOOR INRICHTINGEN EN VOOR LOZINGEN OP OPPERVLAKTEWATEREN gereserveerd Titel 4.3 AFVALSTOFFEN § 4.3.1 Huishoudelijke afvalstoffen 6[Toelichting: Voor de verwijdering van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen is de regeling van bedrijfsafvalstoffen van toepassing (artikel 4.3.1.5). Deze regeling geldt dus nadat acceptatie door de inzamelaar heeft plaatsgevonden. Dat brengt het volgende met zich mee:gescheiden ingezamelde bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen (glas, papier/karton, textiel) dienen gescheiden te worden gehouden; gemeenten zijn niet verplicht ongescheiden ingezameld afval achteraf te scheiden;een registratieverplichting voor degene die zich van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen ontdoet en voor degene die deze ontvangt; indien bij de ontvangst sprake is van route-inzameling, geldt de regeling voor inzamelen;de verplichting voor de ontvanger (de be- of verwerker van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen) per kwartaal aan gedeputeerde staten of een aangewezen instantie een melding te doen van hetgeen hij heeft ontvangen;de verplichting bij het transport van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen een begeleidingsbrief te hebben;een verbod (behoudens ontheffing) ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen over de provinciegrens uit te voeren (met een uitzondering voor bestanddelen van afvalstoffen die elders een nuttige toepassing kunnen krijgen, de z.g. Groene lijst stoffen van de EEG verordening). Deze regeling voor het vervoer van afvalstoffen naar andere provincies vloeit voort uit het beginsel van regionale zelfvoorziening voor de eindverwerking van afvalstoffen (zie ook het provinciaal milieubeleidsplan). Voor transport over de landsgrenzen is de EEG-verordening overbrenging afvalstoffen van toepassing. (Zie overigens de N.B. bij voorgaande paragraaf).De regeling voorziet verder in een rapportageverplichting voor de gemeenten. Jaarlijks moet een opgave worden gedaan van de verwijdering van huishoudelijk afvalstoffen in de gemeenten. Dat is nodig om op provinciaal niveau over voldoende informatie te kunnen beschikken om beslissingen te kunnen nemen over de vereiste infrastructuur en het inzetten hiervan op de juiste wijze. Gedeputeerde staten kunnen een instantie aanwijzen aan wie de gegevens worden verschaft. Getracht wordt de gegevensverstrekking aan het CBS af te stemmen op het geautomatiseerde systeem voor bedrijfsafvalstoffen.Samengevat houden de regels voor de gemeente als inzamelaar van huishoudelijke afvalstoffen de volgende taken in:- het gescheiden houden van apart aangeboden stromen (is veelal huidige praktijk);- het registreren van de aard en hoeveelheden afgegeven stromen huishoudelijk afval volgens landelijk model (gebeurt tot nu toe volgens eigen methode);- het voeren van een begeleidingsbrief volgens landelijk model;- een jaarlijkse rapportage volgens landelijk model. ] Artikel 4.3.1.1 en 4.3.1.2 1. Bij de gemeentelijke verordening bedoeld in artikel 10.10 van de Wet milieubeheer worden regels gesteld omtrent de verwijdering van de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen direct na het ontstaan ervan en de afzonderlijke inzameling van die bestanddelen: a. wit- en bruingoed waarop het Besluit verwijdering wit- en bruingoed van toepassing is. wit- en bruingoed waarop het Besluit verwijdering wit- en bruingoed van toepassing is. 2. Bij de verordening kan voor bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid in het belang van de doelmatige verwijdering van die afvalstoffen worden bepaald , dat die bestanddelen dienen te worden gebracht naar een door de gemeente aangewezen plaats; regels als bedoeld in het eerste lid niet gelden voor daarbij aangewezen categorieën van personen. Artikel 4.3.1.2 gereserveerd Artikel 4.3.1.3 Gemeentelijke samenwerking 1. De gemeenten dienen op de in bijlage 3 aangegeven wijze samen te werken bij de verdere verwijdering van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen. 2. De verplichting ten aanzien van de voorziening voor wit- en bruingoed is in bijlage 3 opgenomen en treedt voor de categorieën producten 1, 4, 5, 7, 8, 9 en 10 genoemd in bijlage 1 bij het Besluit verwijdering wit- en bruingoed met ingang van de in artikel III genoemde termijn in werking en voor de categorieën producten 2 ,3 ,6, 11, 12, 13 en 14 genoemd in bijlage 1 bij het Besluit verwijdering wit- en bruingoed met ingang van 1 januari 2000 in werking Artikel 4.3.1.4 7[Toelichting: Dit artikel legt gemeenten een informatieplicht op.In beginsel kan worden volstaan met de gegevens die in verband met de CBS-enquête door de gemeenten dienen te worden verstrekt. Daarnaast is het mogelijk dat gebruik wordt gemaakt van gegevens zoals die worden verzameld door de samenwerkingsgebieden, mits deze per gemeente te onderscheiden zijn. Van de gemeenten zelf wordt overigens wel verwacht dat wordt aangegeven of er omstandigheden zijn of worden verwacht die er toe kunnen leiden dat de afvalhoeveelheden substantieel wijzigen. ] Rapportage B&W 1. Burgemeester en wethouders doen jaarlijks aan gedeputeerde staten of een door gedeputeerde staten aangewezen instantie een opgave van de huishoudelijke- en bedrijfsafvalstoffen die in het daaraan voorafgaande jaar door of namens de gemeente zijn ingezameld of aan de gemeente of een persoon die in opdracht van de gemeente werkt, zijn afgegeven. Zij geven daarbij aan of er plaatselijke omstandigheden zijn als gevolg waarvan een afwijkende opgave is te verwachten voor de daarop volgende vier jaar. 2. Gedeputeerde staten kunnen nadere eisen stellen aan de in het eerste lid bedoelde opgave. Tot deze eisen kan behoren dat in de opgave onderscheid moet worden gemaakt naar daarbij aangewezen bestanddelen van afvalstoffen. Artikel 4.3.1.5 Ingezameld HA Paragraaf 4.3.3 met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen is van toepassing op ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen. § 4.3.2 Afvalwater gereserveerd § 4.3.3 Bedrijfsafvalstoffen 8[Toelichting: De paragraaf bedrijfsafvalstoffen is van toepassing op bedrijfsafvalstoffen die in bijlage 4, onderdeel B, zijn genoemd, alsmede op ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen. Onderdeel B van bijlage 4 is gebaseerd op de afvalstoffencodelijst: het gaat om alle afvalstoffen die als bedrijfsafvalstoffen kunnen voorkomen.Bedrijfsafvalstoffen zijn volgens artikel 1.1, eerste lid Wm., afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen, autowrakken of gevaarlijke afvalstoffen.De regeling van de paragraaf bedrijfsafvalstoffen is in het algemeen niet van toepassing als voor de verwijdering van afvalstoffen in andere wetgeving een afdoende regeling is opgenomen. Hoofdstuk 10 van de wet, en dus ook deze paragraaf van de verordening, is volgens artikel 22.1, zesde lid, Wm niet van toepassing op gedragingen voor zover daaromtrent voorschriften gelden, die zijn gesteld bij of krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, de Diergeneesmiddelenwet, de Meststoffenwet, de Scheepvaartverkeerswet, de Destructiewet, de Kernenergiewet, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet verontreiniging zeewater, behoudens in die gevallen wanneer uit de bepalingen van de betreffende wet of van de Wet milieubeheer anders blijkt.Voor wat betreft het onderscheid tussen afvalstof en secundaire grondstof zal - rekening houdend met het Interprovinciaal beleid - bij de uitvoering van de verordening zoveel mogelijk worden aangesloten bij de huidige praktijk. Of bij de toepassing van secundaire grondstof sprake is van een afvalstof wordt bepaald door de Wet milieubeheer (art. 1.1) mede in het licht van de jurisprudentie.Dit betekent dat reststoffen die - buiten het verwijderingscircuit om (dat wil zeggen: die niet worden aangeboden aan een inrichting behorend tot de categorie 28 als genoemd in het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit) - als secundaire grondstof zonder enige voorbewerking (waarbij de aard, eigenschappen of samenstelling van de stoffen wordt gewijzigd) in een inrichting volledig en op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden toegepast en niet op of in de bodem worden gebracht, niet onder de reikwijdte vallen van paragraaf 4.3.3.Hierbij gaat het dus om de toepassing in een bedrijfs- of zuiveringsproces.Voor de toepassing van secundaire grondstoffen in werken geldt het volgende. In het IVB (categorie 28.3 onder

  1. c)is bepaald dat als bij de toepassing van afvalstoffen in een werk aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan, geen vergunning op grond van artikel 8.1 Wm nodig is. De voorwaarden zijn, vooruitlopend op het Bouwstoffenbesluit, door de provincies nader uitgewerkt in een provinciaal interimbeleid "Werken met secundaire grondstoffen". Het gaat om toepassingen in werken zonder dat specifieke milieuhygiënische voorzieningen nodig zijn (cat. I), maar ook om werken waar wel milieuvoorzieningen noodzakelijk zijn(cat. II). Om de naleving van de voorwaarden van het IVB en het provinciale interimbeleid te kunnen controleren, is het gewenst dat de provincie tijdig op de hoogte wordt gesteld van het voornemen die afvalstoffen in dat werk toe te passen. Daarom is in de verordening voor de toepassing van afvalstoffen in werken een meldingsplicht opgenomen. Bij de toepassing van verontreinigde grond geldt dat voor de toepassing van categorie I en II. Voor de overige secundaire grondstoffen geldt de meldingsplicht alleen voor categorie II toepassingen.Het gebruik van dierlijke en overige organische meststoffen valt in het algemeen niet onder de regeling. Volgens de toelichting op het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen worden toepassingen van dierlijke en overige organische meststoffen, mits wordt voldaan aan het Besluit gebruik dierlijke meststoffen, resp. Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen, niet aangemerkt als het verwijderen van afvalstoffen.In de toelichting bij het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen staat tevens:'Verder bestaat de mogelijkheid dat bepaalde stoffen t.b.v. agrarische doeleinden (bemesting om het productievermogen van de bodem te behouden en/of te verbeteren. Het kan hierbij gaan zowel om voedingsstoffen, structuurverbeterende stoffen, zuurgraad beïnvloedende stoffen toegepast als anti-stuifdekken) op of in de bodem worden toegepast, terwijl daarvoor geen normen zijn vastgesteld in een uitvoeringsbesluit op grond van de Wet bodembescherming. In die situaties zal het van de concrete toepassing afhangen of er al dan niet sprake is van het zich ontdoen van afvalstoffen door deze op of in de bodem te brengen.'De regeling voor bedrijfsafvalstoffen is niet in zijn geheel op alle categorieën van bedrijfsafvalstoffen en in alle gevallen van toepassing. Daar waar de regeling een onevenredige belasting van het bedrijfsleven betekent en toepassing van een onderdeel van de regeling niet doelmatig is, is deze beperkt.Zo zijn om hergebruik van afvalstoffen, terugwinning van grondstoffen dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen niet te frustreren, in de verordening diverse uitzonderingsbepalingen opgenomen voor bijvoorbeeld geringe hoeveelheden en voor duidelijk herkenbare monostromen die voor hergebruik zijn bestemd, zoals afvalstoffen die zijn opgenomen in bijlage 4c (de zogenaamde Groene-lijststoffen). De Groene lijst van afvalstoffen is opgenomen als bijlage II bij de EG-Verordening nr. 259/93, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap' en kan bij het Ministerie van VROM worden aangevraagd. Deze bijlage behelst een lijst van gedefinieerde afvalstoffen, die in specifieke processen als grondstof kunnen worden ingezet.Bij de 3e tranche is de ondergrens, waarbij het voeren van een begeleidingsbrief verplicht is, opgetrokken tot 2.000 liter. Zie voor een nadere uitleg de artikelsgewijze toelichting op artikel 4.3.3.22.Ook is de vooraanmeldingsregeling niet van toepassing op hoeveelheden van minder dan 50 kilogram per afgifte. Bij volumineus afval is dat het geval als het volume kleiner is dan 100 liter per afgifte.De regeling in de provinciale milieuverordening is aangepast aan de recente Europese regelgeving. Voor import uit en export naar het buitenland is de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen van toepassing (de zogeheten EVOA). Deze EVOA is in beginsel van toepassing op de overbrenging van alle soorten afvalstoffen. De verordening gaat ervan uit dat de landsgrenzen in beginsel niet worden overschreden (beginsel van zelfvoorziening). Voor binnenlands transport geldt de EEG-verordening niet. Echter, de lid-staten zijn wel verplicht een passend stelsel in te voeren voor toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen hun rechtsgebied. Dit stelsel moet samenhang vertonen met het communautaire stelsel van de EVOA. Het systeem van de provinciale milieuverordening - met begeleidingsbrieven en meldingen - is zo'n passend stelsel. De minister is overigens bevoegd de regels van de EVOA toe te passen op transporten binnen Nederland. Hij zal hier slechts toe overgaan wanneer dit nodig is in verband met een gebrek aan uniformiteit in de provinciale regelingen.In het algemeen kan worden gesteld, dat de voorgestelde regeling van meer dan gemeentelijk belang is, omdat de verwijdering van bedrijfsafvalstoffen gemeentegrens overschrijdend is. Bovendien moet de regelgeving in de gehele provincie op identieke wijze worden uitgevoerd. De melding- en registratiesystematiek is met deze regeling landelijk uniform.De paragraaf bedrijfsafvalstoffen is onderverdeeld in zes afdelingen, die hierna in algemene zin worden toegelicht. In de artikelsgewijze toelichting wordt op de specifieke inhoud van verschillende bepalingen nader ingegaan. ] Afdeling 1. Algemeen 9[Toelichting: In de eerste afdeling wordt allereerst de reikwijdte van de paragraaf gedefinieerd. De regeling is ook van toepassing op ingezamelde en afgegeven huishoudelijke afvalstoffen. Op de verschillende begrippen is hiervoor al ingegaan.Verder wordt in afdeling 1 een omschrijving van het begrip inzamelen gegeven. Het begrip inzamelen is van essentieel belang voor de toepassing van de verordening. Bij inzameling is afdeling 3 van toepassing; de verordening legt de ontdoener dan geen bijzondere meld-, rapportage- of registratie-verplichtingen op. Als niet wordt ingezameld, is in het algemeen afdeling 4, met o.a. een registratieplicht voor de ontdoener, van toepassing. De inhoud van deze afdelingen wordt hierna toegelicht.Onder inzamelen wordt verstaan "het ophalen van bedrijfsafvalstoffen bij een persoon die zich van die afvalstoffen ontdoet door afgifte aan degene die die afvalstoffen ophaalt".Of sprake is van inzameling wordt dus bepaald door het moment waarop degene die zich van de afvalstoffen wil ontdoen, deze afgeeft: als dat aan de poort van het eigen bedrijf is, is sprake van inzameling; als wordt afgegeven aan de poort van het be- of verwerkingsbedrijf niet. De omschrijving van inzameling sluit aan bij de jurisprudentie (met name Hof Den Haag 26 maart 1986, AB 1986, 415 en Afdeling rechtspraak Raad van State 24 juli 1986, AB 1987, 217).] Artikel 4.3.3.1 10[Toelichting: Huishoudelijk afval blijft altijd huishoudelijk afval. Zodra dit afval is ingezameld wordt dit, voor wat betreft de regelgeving in de PMV, gelijkgesteld met bedrijfsafval. Op het huishoudelijke afval in de huisvuilwagen is dus reeds de regelgeving voor bedrijfsafval van toepassing. Op iedere huisvuilwagen dient tijdens het inzamelen een begeleidingsbrief aanwezig te zijn. Een overslagstation of gemeentewerf waar handelingen met het ingezamelde huishoudelijk afval plaatsvinden, wordt voor de toepassing van de PMV beschouwd als een be/verwerker. Dit betekent dat ook de regels voor bedrijfsafval (zoals melden en registreren) van toepassing zijn.De zogenaamde grijze bedrijfsafvalstoffen worden vaak op dezelfde wijze verwijderd als huishoudelijke afvalstoffen. Grijze bedrijfsafvalstoffen zijn bedrijfsafvalstoffen die, wat hoeveelheid, aard en samenstelling betreft vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen. Zij worden in dezelfde inzamelgang met huishoudelijke afvalstoffen ingezameld en zijn derhalve na inzameling niet meer van huishoudelijke afvalstoffen te onderscheiden.De inzamelaar van huishoudelijke afvalstoffen zal dus op de lijst van inzamelbedrijven van art. 4.3.3.11 moeten staan om bedrijfsafval te mogen inzamelen.Over de ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen informeert de gemeente jaarlijks GS (art. 4.3.1.4). Over de tegelijkertijd ingezamelde (grijze) bedrijfsafvalstoffen moet elk kwartaal worden gerapporteerd (artikel 4.3.3.18, tweede lid). Het is in de praktijk niet goed mogelijk een nauwkeurig onderscheid te maken naar de hoeveelheden ingezameld bedrijfsafval en huishoudelijk afval. Daarom kan worden volstaan met een schatting die gebaseerd is op het aantal bedrijven waarbij wordt ingezameld en de betaalde reinigingsrechten.] Ingezamelde HA ook BA In deze paragraaf wordt onder bedrijfsafvalstoffen mede verstaan ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 4.3.3.2 11 [Toelichting: Het begrip "inzamelen" is van essentieel belang voor de toepassing van de verordening. Onder inzamelen wordt verstaan "het ophalen van afvalstoffen bij een persoon die zich van die afvalstoffen ontdoet door afgifte aan degene die de afvalstoffen ophaalt". Of sprake is van inzamelen wordt dus bepaald door het moment waarop degene die zich van de afvalstoffen wil ontdoen, deze afgeeft. Wordt afgegeven aan de poort van het eigen bedrijf dan geeft hij af aan een inzamelaar; als wordt afgegeven aan de poort van het be- of verwerkingsbedrijf is er geen sprake van inzamelen. De omschrijving sluit aan bij de jurisprudentie.] Definitie inzamelen In deze paragraaf wordt onder inzamelen van bedrijfsafvalstoffen verstaan het ophalen van bedrijfsafvalstoffen bij een persoon die zich van die afvalstoffen ontdoet door afgifte aan degene die die afvalstoffen ophaalt. Artikel 4.3.3.3 12[Toelichting: Volgens artikel 1.2, zesde lid, van de wet kunnen regels ter uitvoering van een aantal bepalingen van het hoofdstuk afvalstoffen van de wet rechtstreeks betrekking hebben op categorieën van inrichtingen die bij die regels zijn aangewezen. In dit artikel is die aanwijzing opgenomen. In art.4.3.3.3. zijn alle categorieën van het IVB aangewezen, omdat in beginsel in alle inrichtingen de administratieve voorschriften van de verordening dienen te worden nageleefd. Uitzonderingen worden gemaakt voor specifieke categorieën van afvalstoffen of van gevallen (bijvoorbeeld kleine hoeveelheden) niet naar categorieën van inrichtingen. De aanwijzing van inrichtingen betreft zowel vergunningsplichtige als niet-vergunningplichtige inrichtingen waarvoor een AMvB geldt. Ook deze laatste inrichtingen zijn inrichtingen die in het IVB zijn aangewezen.Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling dat de regels van de inrichtingen alleen op inrichtingen betrekking zouden hebben. Wij zijn van mening dat dat ook niet in de verordening kan worden gelezen.De verplichtingen van de artikelen 4.3.3.4. e.v. richten zich immers tot personen die handelingen verrichten, vervoeren, inzamelen, etc. Het is overigens niet geheel duidelijk in welke gevallen afvalregels rechtstreeks op inrichtingen betrekking hebben. De regels richten zich volgens het hoofdstuk afvalstoffen van de wet immers tot personen ("degene die ...") en in veel gevallen gaat het om handelingen (bijvoorbeeld de afgifte van afvalstoffen) die niet binnen inrichtingen hoeven plaats te vinden.Wij gaan er wel van uit dat voor zover de afvalstoffenregels handelingen betreffen die binnen inrichtingen plaats vinden - daargelaten of deze handelingen "rechtstreeks" betrekking hebben op inrichtingen -, het bevoegd gezag voor de inrichting die regels zal handhaven. In het algemeen deel van de toelichting is daarop al ingegaan.] Aangewezen inrichtingen waarop regels rechtstreeks van toepassing zijn Als categorieën van inrichtingen waarop de regels van deze paragraaf rechtstreeks van toepassing zijn, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in bijlage III bijlage I en II van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Afdeling 2. Het gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen 13[Toelichting: Als onderdeel van het Actieprogramma Afvalscheiding Droge Componenten (ADC) heeft het AOO in 1996 het Programma Gescheiden Inzamelen van Bedrijfsafval (GIBA) ontwikkeld. Dit programma is gericht op afvalscheiding bij bedrijven, de primaire ontdoeners. Het zou, wat de provincies betreft, de structuur moeten aangeven voor de wijze van uitvoering van de scheidingsverplichtingen van de verordening. In het kader van het ontwikkelen van dit programma heeft het AOO nagegaan of de verordening wel het meest geëigende instrument is om afvalscheiding bij primaire ontdoeners te realiseren.Daarbij is onder meer getoetst aan het milieurendement van de regels. Geconstateerd werd dat tussen categorieën bedrijven grote verschillen in hoeveelheid, aard en samenstelling van het afval bestaan. Ook de grens waarboven afvalscheiding redelijkerwijs te verplichten is, verschilt per bedrijf.Als alternatief voor de verordening is een regeling voor afvalscheiding door middel van Algemene maatregelen van bestuur (AMvB) op grond van artikel 8.40 Wm in de beschouwingen betrokken. Het zou in dat geval gaan om AMvB's voor 18 verschillende categorieën bedrijven die niet-vergunningplichtig zijn, alsmede om één voor vergunningplichtige bedrijven.Als voordelen van een regeling in AMvB's worden o.m. gezien de landelijke uniformiteit en de beperkte bestuurslasten, het regelen in de verordening kan aantrekkelijk zijn vanwege onder meer het verplichtende karakter, een snellere implementatie en een grotere mate van flexibiliteit. Op basis van de GIBA-rapportage heeft het AOO besloten het instrument AMvB verder te ontwikkelen.Aansluitend op de verplichting tot het scheiden van afvalstoffen aan de bron stelt de verordening regels om gescheiden afgeleverde stoffen tijdens het vervoer ook gescheiden te houden. Wat betreft het scheiden en gescheiden houden van categorieën gevaarlijke afvalstoffen zijn geen verplichtingen in de verordening opgenomen.De scheidingsplicht aan de bron voor bedrijven zal worden geregeld in de nader vast te stellen AMvB’s, ex artikel 8.40 Wet milieubeheer. Voor vergunningplichtige bedrijven is de vergunning het aangewezen kader om de scheidingsplicht specifiek te regelen. Door het ministerie van VROM wordt nog onderzocht of uit een oogpunt van standarisatie ook een AMvB kan worden ontwikkeld, waarin de scheidingplicht voor vergunningplichtige bedrijven kan worden vastgelegd.In verband hiermee blijven de artikelen 4.3.3.4 en 4.3.3.5 onbenut. In de artikelen 4.3.3.6 tot en met 4.3.3.10 is de regeling voor het gescheiden houden van gescheiden aangeleverde afvalstoffen tijdens het transport nader uitgewerkt.] In afdeling 2 worden ingevoegd de volgende artikelen. Artikelen 4.3.3.1 tot en met 4.3.3.5: gereserveerd. Artikel 4.3.3.6 14 [Toelichting: Afvalstoffen, die ten behoeve van hergebruik, nuttige toepassing of de verdere verwijdering ervan gescheiden zijn gehouden, dienen ook na afgifte en na het verdere transport gescheiden gehouden te worden van andere stoffen of andere afvalstoffen. Het in de tekst van de verordening gebezigde begrip 'categorieën van afvalstoffen' duidt op specifieke soorten stoffen en afvalstoffen, zoals zijn opgenomen in de lijst van bijlage 4, onderdeel A.] Een persoon als bedoeld in artikel 10.19, tweede lid, van de wet, aan wie bedrijfsafvalstoffen worden afgegeven en behoren tot een categorie die is genoemd in bijlage 4, onderdeel A, is - indien die afvalstoffen hem gescheiden van andere stoffen en afvalstoffen die niet behoren tot dezelfde categorie, zijn aangeboden - verplicht die afvalstoffen gescheiden te houden van andere stoffen en afvalstoffen die behoren tot een andere categorie, en gescheiden af te geven wanneer hij zich daarvan ontdoet. Artikel 4.3.3.7 15[Toelichting: Degene die afvalstoffen transporteert, dient afvalstoffen, die voor hergebruik worden aangeboden zoals in het vorige artikel is aangegeven, gescheiden te houden van andere stoffen en afvalstoffen, die het hergebruik of de nuttige toepassing ervan zouden kunnen frustreren.Ook mogen geen afvalstoffen van verschillende categorieën, die op verschillende wijze verder worden verwijderd en die gescheiden zijn aangeboden, worden gemengd. Zo mogen bijvoorbeeld geen brandbare afvalstoffen vermengd worden met afvalstoffen, die gestort moeten worden.Artikel 4.3.3.7 richt zich tot de transporteur die rijdt in opdracht van hetzij degene die zich van de afvalstoffen ontdoet, hetzij degene die die afvalstoffen in ontvangst heeft genomen. Voor zover de ontvanger zelf afvalstoffen ophaalt, is hij reeds op grond van art. 4.3.3.6 verplicht die afvalstoffen van andere stoffen en afvalstoffen die niet behoren tot dezelfde categorie, gescheiden te houden.] Degene die bedrijfsafvalstoffen vervoert die behoren tot een categorie die is genoemd in bijlage 4, onderdeel A, is verplicht die afvalstoffen van andere stoffen en afvalstoffen die niet behoren tot dezelfde categorie, gescheiden te houden indien zij hem gescheiden zijn aangeboden. Artikel 4.3.3.8 16[Toelichting: Voor de totstandkoming van een besluit tot vrijstelling geldt geen openbare voorbereidingsprocedure. Omdat de vrijstelling een bepaalde categorie van afvalstoffen betreft en niet gericht is tot een bepaald bedrijf, is geen sprake van een beschikking; titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht is dus evenmin van toepassing. Dat is niet anders als een besluit tot vrijstelling op verzoek zal worden genomen. Echter, de in titel 4.1 neergelegde rechtsregels zullen dan toch op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur in acht worden genomen. ] Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen en voor daarbij te bepalen termijn vrijstelling verlenen van de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.3.3.6 en 4.3.3.7. Artikel 4.3.3.9 17[Toelichting: In bijzondere gevallen kunnen Gedeputeerde staten op grond van artikel 10.47 van de wet ontheffing verlenen van de in afdeling 2 opgenomen verplichtingen. Volgens het vierde lid van art. 10.47 is op een verzoek om ontheffing de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing tenzij (krachtens het vijfde lid van dat artikel) bij de verordening anders is bepaald. Dat is bij dit artikel gebeurd.Omdat in het algemeen bij een verzoek om ontheffing geen belangen van derden zijn betrokken en geen bezwaren zijn te verwachten, is bepaald dat de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.5 niet van toepassing is; wel gelden vanzelfsprekend bij de totstandkoming van een besluit op een verzoek om een ontheffing de bepalingen van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht.] Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing van de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.3.3.6 en 4.3.3.7, een beschikking op de aanvraag om ontheffing op grond van artikel 10.47 van de wet, dan wel de voorbereiding van een beschikking tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing. Artikel 4.3.3.10 18[Toelichting: Gedeputeerde staten kunnen categorieën van bedrijfsafvalstoffen gelijkstellen met de in bijlage 4, onderdeel A genoemde bedrijfsafvalstoffen, indien deze stoffen gescheiden vrijkomen en voor deze stoffen voldoende hergebruikscapaciteit bestaat.Het verdient de voorkeur dat bijlage 4, onderdeel A, wordt aangepast en niet een tweede lijst door GS wordt vastgesteld. Toch is het denkbaar dat zich voor een specifieke categorie van afvalstoffen een hoogwaardige verwijderingswijze voordoet en dat het gewenst is dat deze op korte termijn wordt voorgeschreven en een wijziging van de verordening niet kan worden afgewacht. Voor die bijzondere gevallen is de bevoegdheid van art. 4.3.3.10 van belang. Ook dan zal overigens van die bevoegdheid niet gebruik worden gemaakt zonder dat de betrokkenen branches daarover vooraf zijn gehoord.] Gedeputeerde staten kunnen categorieën van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die voor de toepassing van de artikelen 4.3.3.6 en 4.3.3.7 gelijk worden gesteld aan een categorie die in bijlage 4, onderdeel A, is genoemd, indien die afvalstoffen naar het oordeel van gedeputeerde staten gescheiden dienen te worden gehouden in het belang van een doelmatige verwijdering van die afvalstoffen. Afdeling 3. Het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen 19[Toelichting: Artikel 10.19 van de wet bepaalt dat bedrijfsafvalstoffen niet mogen worden afgegeven aan iemand die niet bevoegd is die afvalstoffen in ontvangst te nemen. Die bevoegdheid kan onder meer voortvloeien uit een vergunning krachtens hoofdstuk 8 van de wet of een lozingsvergunning, maar ook uit provinciale regels met betrekking tot de inzameling van afvalstoffen. Zonder dergelijke provinciale regels is de afgifte aan een inzamelaar die geen vergunning voor een be- of verwerkingsinrichting heeft, dus niet toegestaan.Op grond van artikel 10.21, eerste lid, van de wet kunnen in de verordening regels worden gesteld omtrent de inzameling van bedrijfsafvalstoffen. Ingevolge artikel 10.21, tweede lid, van de wet kan daartoe behoren een verbod tot inzamelen zonder vergunning van gedeputeerde staten. Andere regels zijn evenwel ook mogelijk.Om de administratieve lasten van een vergunningstelsel te voorkomen, wordt de inzameling toegestaan aan inzamelaars die op een door gedeputeerde staten vast te stellen lijst voorkomen. Op de lijst kunnen alle particuliere en overheidsinzameldiensten worden geplaatst. Voor het plaatsen op de lijst worden vooralsnog geen toetsingscriteria gehanteerd.In interprovinciaal verband wordt nog bezien of het wenselijk is te komen tot een toetsing van inzamelbedrijven aan bijvoorbeeld nadere normen en criteria. Daarbij wordt ook bezien of het gewenst is voor te schrijven dat vrachtauto's waarmee bedrijfsafvalstoffen worden ingezameld, voorzien dienen te zijn van een weegsysteem zodat de hoeveelheid afvalstoffen per afgifte kan worden bepaald.Met het oog op deze ontwikkelingen is in de verordening bepaald dat een plaatsing op de lijst geldt voor een termijn van maximaal vier jaar.Het inzamelverbod geldt niet voor inzameling van de zogenaamde Groene-lijststoffen, opgenomen in bijlage 4c, die voor hergebruik zijn bestemd. De vrijstelling is opgenomen om inzamelaars van deze stoffen, niet te belasten met extra administratieve handelingen. Door het opnemen van deze vrijstelling valt tevens een vrij groot aantal kleine en milieuhygiënisch weinig bezwaarlijke bedrijven onder de vrijstelling. Een verzoek tot plaatsing op de lijst van inzamelbedrijven kan worden gericht aan gedeputeerde staten. De bepalingen van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing op de totstandkoming van het besluit op een verzoek om plaatsing op de lijst.Gedeputeerde staten kunnen een inzamelaar verwijderen van de lijst, indien de wettelijke regels en de regels van de provinciale milieuverordening niet worden nageleefd. De belangrijkste regels van de verordening zijn: het voeren van begeleidingsbrieven bij de transporten (inclusief de bijlagen, waaruit de route, namen en adressen van ontdoeners en de aard van de ingezamelde afvalstoffen blijken), het bijhouden van een inzichtelijke administratie, waaruit de afgiften van de bedrijfsafvalstoffen naar aard en samenstelling van de primaire ontdoeners blijkt, en het gescheiden houden van gescheiden aangeboden afvalstoffen als genoemd in bijlage 4 onderdeel A. Bij de toelichting op afdeling 1 is reeds op de definitie van inzamelen ingegaan. Daaraan kan het volgende worden toegevoegd.De inzamelaar haalt afvalstoffen bijeen ofwel door het ophalen met een zekere regelmaat op meerdere vaste adressen, dan wel door het maken van afzonderlijke ritten voor elk adres; ook een combinatie van beide werkwijzen is mogelijk. De inzamelaar onderscheidt zich van de transporteur, omdat de transporteur niet degene is aan wie de houder van het afval zich door afgifte ontdoet, doch uitsluitend een vervoersprestatie levert. De inzamelaar neemt de afvalstoffen over met de bedoeling deze afvalstoffen in ontvangst te nemen en er dan verder zelfstandig over te beschikken. Afgifte aan een inzamelaarPersonen, die hun afvalstoffen afgeven aan een inzamelaar, zijn niet verplicht aan de inzamelaar van deze afvalstoffen een omschrijving te verstrekken. Wel zal de inzamelaar van hem verlangen, dat hij hem de aard en omvang van de afgiften opgeeft om te kunnen bepalen of de afvalstoffen kunnen worden gevoegd bij de afvalstoffen van anderen, om zelf een omschrijving en begeleidingsbrief te kunnen maken, en om hem een rekening te kunnen presenteren. Omdat de inzamelaar de afvalstoffen ter plaatse van de ontdoener overneemt, behoeft de ontdoener geen begeleidingsbrief af te geven. Dit in tegenstelling tot de ontdoener die afvalstoffen rechtstreeks afgeeft aan een be- of verwerker en zelf opdracht geeft voor het transport. Dit betekent dat de inzamelaar de verantwoordelijkheid voor de afvalstoffen van de primaire ontdoener overneemt. In het algemeen zal dat samengaan met overdracht van de eigendom van de afvalstoffen. Of sprake is van eigendomsoverdracht wordt beheerst door regels van burgerlijk recht.In verband met de naleving van voor hem geldende verplichtingen (zoals de aanwezigheid van een begeleidingsbrief en het gescheiden houden van andere categorieën van afvalstoffen) is de inzamelaar veelal afhankelijk van de informatie die de ontdoener hem verstrekt. Desondanks is de inzamelaar in beginsel zelf strafrechtelijk verantwoordelijk voor de naleving van die verplichtingen en, in geval van bijvoorbeeld een incident, civielrechtelijk aansprakelijk voor de door hem veroorzaakte schade. Om eventuele juridische gevolgen te beperken staan de inzamelaar twee mogelijkheden ten dienste, te weten:a. de inzamelaar sluit een schriftelijk contract met de ontdoener, waarin aard en samenstelling van de afvalstoffen op de zelfde wijze als in het omschrijvingsformulier nauwkeurig zijn beschreven: civielrechtelijk biedt dat de inzamelaar een verhaalsrecht in het geval dat hij door derden aansprakelijk wordt gesteld, terwijl hij bij niet naleving van wettelijke verplichtingen in het algemeen strafrechtelijk gedisculpeerd zal zijn;b. de inzamelaar eist van de ontdoener dat deze zelf een omschrijvingsformulier stuurt naar de be- of verwerker en hem voor het vervoer een begeleidingsbrief verschaft: in dat geval treedt hij niet als inzamelaar op, maar als transporteur in dienst van de ontdoener; de ontdoener is dan verantwoordelijk voor de juistheid van de inhoud van de begeleidingsbrief. De inzamelaar vermeldt op de factuur die hij verstrekt aan degene die zich van de afvalstoffen ontdoet, het afvalstroomnummer dat op die afgifte - bij route-inzameling: op die route - betrekking heeft. Dat maakt het mogelijk bij een bedrijf na te gaan aan wie het zijn bedrijfsafvalstoffen heeft afgegeven. Dat is van belang voor het toezicht op de naleving van artikel 10.19 van de wet. Dat artikel bepaalt dat bedrijfsafvalstoffen niet mogen worden afgegeven aan een persoon die niet gerechtigd is die afvalstoffen in ontvangst te nemen. Op grond van de belastingwetgeving zal de ontdoener de factuur moeten bewaren. Uit artikel 18.5 Wm blijkt dat toezicht houdende ambtenaren bevoegd zijn de factuur in te zien.De verordening zelf bevat geen regels die de primaire ontdoeners die zich door afgifte aan een inzamelaar van bedrijfsafvalstoffen ontdoen, in acht moeten nemen. Als de inzamelaar tevens be- en verwerker is, is bij de aflevering - voor zover daarbij afvalstoffen worden afgegeven - sprake van afgifte binnen een inrichting. In dat geval geldt daarom geen meldingsverplichting (art. 4.3.3.18, eerste lid, onder f). Samengevat houdt de regeling voor het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen het volgende in:- het is verboden bedrijfsafvalstoffen in te zamelen tenzij de inzamelaar staat op een door GS vastgestelde lijst- het verbod geldt niet voor Groene-lijststoffen, opgenomen in bijlage 4c- de lijst heeft een beperkte geldingsduur- bij overtredingen kan een persoon van de lijst worden geschrapt- de inzamelaar kent de ontdoener (bij route-inzameling: de route) een afvalstroomnummer toe dat hij op de factuur vermeldt. ] Artikel 4.3.3.11 20[Toelichting: Het is verboden bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in bijlage 4, onderdeel B in te zamelen. De aldaar opgenomen lijst betreft hoofdgroepen van bedrijfsafvalstoffen, geselecteerd op basis van de bron waar het afval vrijkomt. In een bijlage bij deze toelichting is aangegeven welke afvalstofcodes - gebaseerd op de voorkeursverwerkingsmethode - met de verschillende hoofdgroepen corresponderen.Het verbod tot inzamelen geldt niet voor inzamelaars die staan vermeld op de provinciale lijst van inzamelbedrijven alsmede voor de inzameling van duidelijk herkenbare monostromen die voor hergebruik zijn bestemd. Deze groep van (Groene-lijst-)stoffen zijn opgenomen in bijlage 4c.Ten aanzien hiervan merken wij het volgende op. De verordening verwijst naar bijlage 4c als lijst van afvalstoffen waarvoor een lichter regiem geldt ten aanzien van de administratieve verplichtingen. Voor “gewone” afvalstoffen moet een omschrijvingsformulier, een afvalstroomnummer en bij transport een begeleidingsbrief opgemaakt worden en na afloop van ieder kwartaal dienen per afvalstroomnummer de ontvangsten gemeld te worden. Voor de in bijlage 4c genoemde afvalstoffen behoeft slechts een PMV-begeleidingsbrief aanwezig te zijn bij transport.Deze relatief homogene hergebruiksstromen veroorzaken weinig of geen milieuhygiënische risico’s. Verder zijn er talrijke organisaties (b.v. scholen, sportverenigingen) die zich slechts als nevenactiviteit nezig houden met de inzameling van dergelijke Groene-lijst-afvalstoffen. Om deze redenen is het verantwoord de administratieve verplichtingen voor de afgifte en transport van Groene-lijst-afvalstoffen te beperken. De inzamelaar van deze afvalstoffen is vrijgesteld van de verplichting op de provinciale lijst van inzamelaars te staan. Ook is de afgifte vrijgesteld van de rapportageverplichting.De stromen mogen dan echter niet vermengd zijn met andere stoffen of afvalstoffen van een nadere Groene-lijstcategorie (aangeduid met twee hoofdletters, de OESO-code, waarvan de eerste G
  2. is)voorzover deze hergebruik of nuttige toepassing in de weg staan.Op de Groene-lijst ontbreken thans bepaalde afvalstromen die in het algemeen evenzeer een hergebruiksbestemming plegen te hebben. Daarom is in bijlage 4, onderdeel C, een aanvullende lijst van categorieën van afvalstoffen opgesomd.Een en ander heeft ook consequenties voor de artikelen 4.3.3.15, 4.3.3.18 en 4.3.3.22.Aanmelding voor de lijst geschiedt bij Gedeputeerde staten. Titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de totstandkoming van het besluit op een verzoek tot plaatsing op de lijst (o.a. van belang voor de inhoud van de aanmelding, wanneer de verzoeker moet worden gehoord, etc.).Volgens artikel 21.7 Wm blijft de bevoegdheid van gemeenten tot het maken van verordeningen over de verwijdering van afvalstoffen gehandhaafd voor zover deze verordeningen niet met het bij of krachtens de wet bepaalde in strijd zijn. De gemeentelijke verordening mag derhalve niet in strijd zijn met de provinciale milieuverordening. Voor de inzameling van bedrijfsafvalstoffen is in de provinciale verordening een regeling opgenomen met het oog op de doelmatige verwijdering van die afvalstoffen. Voor een gemeentelijke vergunningstelsel voor de inzameling van bedrijfsafvalstoffen waarbij vergunningaanvragen getoetst worden aan het belang van een doelmatige verwijdering, lijkt geen ruimte meer te zijn.] Inzamelverbod 1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen in te zamelen die behoren tot een categorie die is genoemd in bijlage 4, onderdeel B. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: Tenzij op lijst of oud papier etc. a. een persoon die staat vermeld op een door gedeputeerde staten vastgestelde lijst van inzamelbedrijven; b. de inzameling van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie, en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen. Artikel 4.3.3.12 Tijdelijke lijst 1. Bij de plaatsing op de in artikel 4.3.3.11, tweede lid, onder a, bedoelde lijst kan worden bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij te bepalen termijn van maximaal vier jaar. Schrappen van lijst 2. Gedeputeerde staten kunnen een persoon die op de lijst is geplaatst, van die lijst verwijderen indien de op grond van de wet of deze verordening geldende algemene regels en voorschriften niet worden nageleefd. Artikel 4.3.3.13 21 [Toelichting: Bij route-inzameling kan worden volstaan met het vermelden van één afvalstroomnummer op de begeleidingsbrief. Onder route-inzameling wordt verstaan het ophalen van afvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie, op verschillende adressen, waarbij de afvalstoffen tijdens het vervoer op een zodanige wijze worden vermengd, dat na inzameling niet meer is te traceren van welke primaire ontdoener de afvalstoffen afkomstig zijn. Conform de opgenomen uitzonderingen voor de zogenoemde Groene-lijststoffen, genoemd in bijlage 4c, is een vooraanmelding voor het verkrijgen van een afvalstroomnummer, ingeval van route-inzameling niet voor deze stoffen vrijgesteld.] Afvalstroomnummer 1. Voor zover afvalstoffen worden ingezameld die tijdens het transport worden gemengd met van anderen afkomstige ingezamelde afvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie, kent de persoon die die afvalstoffen inzamelt een afvalstroomnummer toe aan dat transport. In andere gevallen kent de persoon die de afvalstoffen inzamelt een afvalstroomnummer toe aan degene die zich van de afvalstoffen ontdoet. Op factuur 2. De persoon die bedrijfsafvalstoffen inzamelt, vermeldt het afvalstroomnummer op de factuur die hij verstrekt aan degene die zich van die afvalstoffen ontdoet. 3. Het afvalstroomnummer geldt voor onbepaalde tijd, tenzij gedurende achttien maanden geen afgifte met gebruikmaking van dat nummer heeft plaats gevonden. 4. De in het eerste lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor de afgifte van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie, en zijn bestemd voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen. Artikel 4.3.3.13a 22[Toelichting: In de uitvoeringspraktijk van de melding- en registratiebepalingen hebben verschillende branches aandacht gevraagd voor de consequenties van deze bepalingen voor hun specifieke situatie. Het betreft onder meer vervoer en gebruik van "schone" afvalstoffen, situaties waarin afval binnen het eigen concern na tussenopslag wordt verwerkt en situaties waarbij sprake is van producentenverantwoordelijkheid of retourtransport. Van sommige categorieën afvalstoffen is het gewenst gebleken onder omstandigheden de regels van de verordening niet, nog niet of niet volledig te volgen. Artikel 4.3.3.13a beoogt meer flexibiliteit in te bouwen, en voor bepaalde gerezen problemen een adequate oplossing te bieden, zonder aan de doelstellingen van de regels afbreuk te doen. Immers, de vrijstelling kan alleen gegeven worden voor zover het belang van de doelmatige verwijdering zich er niet tegen verzet.Vanzelfsprekend worden de eventuele vrijstellingen interprovinciaal afgestemd.] Vrijstelling Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen en voor een daarbij te bepalen termijn vrijstelling verlenen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.3.3.11, eerste lid, en 4.3.3.13, eerste en tweede lid, indien het belang van een doelmatige verwijdering van die afvalstoffen zich daartegen niet verzet. Afdeling 4. De melding inzake de afgifte van bedrijfsafvalstoffen 23[Toelichting: Deze afdeling bevat regels met betrekking tot de ontdoener, indien niet wordt afgegeven aan een inzamelaar, voor de transporteur en voor degene die de afvalstoffen in ontvangst neemt (de inzamelaar of de be- of verwerker).Bij afgiften die niet aan een inzamelaar worden gedaan, rust - anders dan bij inzameling - de verantwoordelijkheid voor het afval tijdens het transport bij degene die zich van de afvalstoffen ontdoet. Die verantwoordelijkheid houdt pas op op het moment van afgifte, in het algemeen dus bij de overdracht "aan de poort" van degene die de afvalstoffen in ontvangst neemt.Voor de actieve informatie-verschaffing aan de overheid (melding) is de ontvanger van de afvalstoffen verantwoordelijk.Voor het opleggen van deze verplichtingen zijn op grond van artikel 10.20 van de wet de bepalingen van paragraaf 10.5.2, de meldingsregeling bij de afgifte van gevaarlijke afvalstoffen, van overeenkomstige toepassing verklaard. Die regeling omvat:- het melden van de ontvangst van afvalstoffen door inzamelaars en be- en verwerkers;- de ontdoener verstrekt een omschrijvingsformulier aan de ontvanger en een begeleidingsbrief aan de transporteur. Die verplichting geldt niet bij afgifte aan een inzamelaar. Verder gelden voor bepaalde categorieën van gevallen vrijstellingen;- de transporteur van de afvalstoffen heeft bij het vervoer een begeleidingsbrief aanwezig;- de transporteur, de inzamelaar en de be- en verwerker registreren alle gegevens met betrekking tot de afgifte, het transport alsmede de be- of verwerking van afvalstoffen en bewaren deze registratie gedurende drie jaar;- de ontdoener die niet afgeeft aan een inzamelaar, bewaart alle formulieren, nota's, gegevens, en dergelijke met betrekking tot de afgifte, het transport alsmede de be- of verwerking van afvalstoffen gedurende drie jaar.Het verschil tussen afgifte aan een inzamelaar en afgifte aan een be- of verwerker (rechtstreeks, zonder dat sprake is van inzameling) is derhalve dat bij afgifte aan een inzamelaar:a. niet voorafgaand aan de afgifte een omschrijving behoeft te worden verstrekt;b. de ontdoener geen begeleidingsbrief hoeft af te geven;c. geen registratieplicht geldt.Om een goede controle op de naleving van de artikel 10.19, tweede lid, Wm (alleen afgeven aan iemand die gerechtigd is die afvalstoffen in ontvangst te nemen) mogelijk te maken, is, zoals hiervoor al is aangegeven, wel bepaald dat de inzamelaar op de factuur het afvalstroomnummer vermeldt.De in de verordening opgenomen regeling houdt in dat bij rechtstreekse afvoer door of in opdracht van de primaire ontdoener, dezelfde gegevens beschikbaar komen als in het geval van inzameling. Daarmee is ook, indien niet aan een inzamelaar wordt afgegeven, de verkrijging van gegevens met het oog op de handhaving van de voorschriften met betrekking tot de afvalverwijdering gewaarborgd.De regeling van de verordening brengt met zich mee dat indien één partij meerdere malen wordt afgegeven, op elke afgifte het geëigende regime van toepassing is: indien de ontdoener afgeeft aan een inzamelaar en deze geeft af aan een verwerker, is sprake van twee afgiften die beide gemeld moeten worden (tenzij sprake is van één van de uitzonderingen, bijv. route-inzameling). Dat geldt ook als de inzamelaar rechtstreeks rijdt naar de verwerker. Hij heeft de (primaire) ontdoener dan een factuur afgegeven met het afvalstroomnummer dat door hem aan de afgifte door de ontdoener is toegekend en rijdt met een begeleidingsbrief waarop het afvalstroomnummer staat dat de verwerker aan hem heeft toegekend. Als de inzamelaar naar eigen terrein rijdt (hij moet dan wel een hoofdstuk 8 Wm-vergunning hebben), vermeldt de begeleidingsbrief het stroomnummer dat op de afgifte door de (primaire) ontdoener betrekking heeft. Het stroomnummer op de begeleidingsbrief moet derhalve corresponderen met de functie van het vervoer: naar eigen terrein of naar een ander ter verwerking.Handhavingsaspecten:De (tot de inzamelaars) gerichte bepalingen van de verordening bieden mogelijkheden voor de daadwerkelijke handhaving van artikel 10.19.In de eerste plaats verschaft de inzamelaar de overheid elk kwartaal informatie op grond waarvan inzicht wordt verkregen wie wat heeft afgegeven.In de tweede plaats kan een controle in de boekhouding van de primaire ontdoener aanwijzingen opleveren over de wijze waarop hij zich van afvalstoffen heeft ontdaan. De inzamelaar heeft hem immers een factuur verstrekt (met daarop een afvalstroomnummer). In geval van route-inzameling zal doorgaans sprake zijn van identieke afvalstroomnummers.Artikel 18.5 Wm bepaalt dat toezichthoudende ambtenaren bevoegd zijn inzage te verlangen en afschrift te nemen van boeken en andere zakelijke bescheiden, waarvan de inzage redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Een vergelijkbare bepaling bevat artikel 19 WED voor opsporingsambtenaren.Naast inzicht ten behoeve van handhaving kunnen de beschikbare gegevens bovendien inzicht verschaffen ten behoeve van beleidsmonitoring. Voor de verschillende verplichtingen moet gebruik worden gemaakt van gegevensdragers (formulieren of geautomatiseerde gegevensverzamelingen) die door gedeputeerde staten of een aangewezen instantie worden vastgesteld. Gestreefd wordt naar een landelijke uniforme geautomatiseerde informatieverwerking voor afvalstoffen.De begeleidingsbrief en het omschrijvingsformulier zijn o.m. in overleg met VROM, LMA (Landelijk Meldingenpunt Afval), en betrokken branches vastgesteld.Uitgangspunt voor wat betreft de begeleidingsbrief is dat aansluiting wordt gezocht bij de in het kader van de vervoerswetgeving reeds bestaande vervoersdocumenten.Op grond van artikel 18.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het bestuursorgaan dat het bevoegd gezag is voor de inrichting belast met de handhaving van het met betrekking tot de inrichting bij of krachtens de Wet milieubeheer bepaalde. Bevoegd gezag voor de inrichting waarin afvalstoffen zijn ontstaan, is veelal B&W van de gemeente waarin de inrichting is gelegen.Niet-vergunningplichtige bedrijven waarin afvalstoffen vrijkomen, vallen veelal onder een Amvb op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer. De gemeente is dan in het algemeen bevoegd gezag voor de handhaving. Bevoegd gezag voor de inrichting waarin de afvalstoffen worden verwijderd, is in het algemeen GS van de provincie waarin die inrichting is gelegen.De voorgestelde regels betekenen voor het bevoegd gezag van inrichtingen dat toezicht uitgeoefend moet worden het nakomen van de meldings- en registratieverplichtingen bij afgifte van bedrijfsafvalstoffen. Aangenomen wordt dat handhaving hiervan niet tot een substantiële verzwaring van de handhavingsverplichting van gemeenten zal leiden. Dit geldt te meer bij een gefaseerde inwerkingtreding van de regels met betrekking tot het gescheiden houden van afvalstoffen. Wij gaan er vooralsnog van uit dat de handhaving van de afvalstoffenregels kan worden meegenomen in de reguliere handhavingsactiviteiten bij de inrichtingen waarvoor gemeenten bevoegd gezag zijn. Over dit aspect vindt overigens nog overleg plaats tussen IPO en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).Samengevat houdt de regeling voor de afgifte van bedrijfsafvalstoffen het volgende in:1. Bij afgifte aan een inzamelaar:- geen omschrijvingsformulier (art. 4.3.3.15, eerste lid, onder a)- inzamelaar verschaft ontdoener afvalstroomnummer op factuur (art. 4.3.3.13);- ontdoener bewaart factuur (belastingwetgeving) die handhaver kan inzien (art. 18.5 Wm).Verder heeft hij geen verplichtingen. Er geldt dus geen bijzondere registratie-verplichting bij afgifte aan inzamelaar- inzamelaar meldt ontvangst (dat volgt uit art. 4.3.3.14 en het feit dat inzameling niet is uitgezonderd in art. 4.3.3.18) tenzij (o.a.) het gaat om Groene lijst-stoffen (bijlage 4c) of route-inzameling (zie art. 4.3.3.18, eerste lid).- bij vervoer moet een begeleidingsbrief aanwezig zijn (ook dat volgt uit art. 4.3.3.14); de ontdoener hoeft die echter niet te verschaffen (art. 4.3.3.15, tweede lid).2. Bij rechtstreekse afgifte aan een be- of verwerker (dus niet door tussenkomst van een inzamelaar):- in beginsel is de hele meldingsparagraaf van de wet van toepassing (art. 4.3.3.14). Dus:- ontdoener verschaft eerst omschrijvingsformulier (uitzonderingen staan in art. 4.3.3.15; op de inhoud van het formulier wordt ingegaan in art. 4.3.3.16) en krijgt afvalstroomnummer- de ontdoener behoeft niet te melden (art. 4.3.3.17); hij registreert wel (art. 4.3.3.20, eerste lid);- de afgifte wordt gemeld door de ontvanger (art. 4.3.3.14), maar er zijn uitzonderingen (4.3.3.18, eerste lid). Bij sommige uitzonderingen moet wel een kwartaalrapportage worden gedaan (zonder namen van de ontdoeners) (art. 4.3.3.18, tweede lid). Over de wijze van melding is het volgende bepaald:. steeds dient de afvalstofcodelijst te worden gehanteerd en moeten stukken worden bewaard (art. 4.3.3.23). de data van ontvangst behoeven niet te worden gemeld (art. 4.3.3.14, onder b). GS of een door hen aangewezen instantie kunnen nadere uitvoeringsregels stellen (art. 4.3.3.24).- bij vervoer moet een begeleidingsbrief aanwezig zijn waarvoor de ontdoener zorgt (art. 10.32, onder b, Wm en 10.34 Wm, beide van toepassing verklaard in art. 4.3.3.14). Eisen aan de inhoud van de brief en uitzonderingen op deze verplichting staan in art. 4.3.3.22. ] Artikel 4.3.3.14 24[Toelichting: Op grond van artikel 10.20 van de wet is de gehele paragraaf met betrekking tot de melding inzake de afgifte en ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen van overeenkomstige toepassing verklaard op de in bijlage 4 onderdeel B genoemde afvalstoffen. Dat wil zeggen, dat de meldings- en registratieverplichtingen op grond van paragraaf 10.5.2 voor gevaarlijke afvalstoffen eveneens gelden voor de bedrijfsafvalstoffen als genoemd in bijlage 4 onderdeel B.In paragraaf 10.5.2 wordt gesproken over afgifte aan een persoon als bedoeld in artikel 10.30, zijnde de ontvanger van gevaarlijke afvalstoffen. Voor deze persoon moet bij de afgifte van bedrijfsafvalstoffen gelezen worden de ontvanger van bedrijfsafvalstoffen en van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.19 van de wet. Deze persoon (rechtspersoon of natuurlijk persoon) kan zijn een bevoegde inzamelaar of een be- of verwerker, die krachtens de wet bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen.] Meldingsparagraaf wet van toepassing Paragraaf 10.5.2 van de wet met betrekking tot de melding inzake de afgifte en ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de categorieën van bedrijfsafvalstoffen die in bijlage 4, onderdeel B, zijn aangewezen, met dien verstande dat a. voor "persoon als bedoeld in artikel 10.30, tweede lid," wordt gelezen "persoon als bedoeld in artikel 10.19, tweede lid, onder a tot en met d"; b. de datum van afgifte behoeft niet te worden vermeld. Artikel 4.3.3.15 25[Toelichting: Dit artikel bevat de uitzonderingen op de verplichting een omschrijving van de af te geven afvalstoffen te verstrekken (het eerste lid) en op de verplichting een begeleidingsbrief aan de transporteur te geven (het tweede lid).Geen omschrijving behoeft te worden verstrekt bij de afgifte van de in bijlage 4c genoemde Groene lijst-stoffen die voor hergebruik zijn bestemd. Gedeputeerde staten stellen nadere regels ter verduidelijking van het inkaderen van deze stoffen en de mate waarin deze stoffen met andere vermengd mogen zijn om hergebruik niet te belemmeren.] Vrijstellingen begeleidingsformulier 1. De verplichting van artikel 10.32, aanhef en onder a, van de wet om een omschrijving van de afvalstoffen aan de ontvanger te verstrekken, geldt met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen niet voor de afgifte aan een persoon die die afvalstoffen inzamelt; voor de afgifte door overheidsorganen van onbeheerd achtergelaten of in beslag genomen afvalstoffen; voor de afgifte van scheepsafvalstoffen vanaf zee- en binnenvaartschepen; voor de afgifte van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie, en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen; voor de afgifte van afvalstoffen in een hoeveelheid van minder dan 50 kilogram of 100 liter per afgifte; indien de afgifte geschiedt aan een persoon die binnen de inrichting waarin de afvalstoffen zijn ontstaan, is gevestigd. Vrijstelling geven omschrijvingsformulier 2. De verplichting van artikel 10.32, aanhef en onder b, van de wet om de vervoerder een begeleidingsbrief te verstrekken, geldt niet met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen indien die afvalstoffen worden afgegeven aan een persoon die die afvalstoffen inzamelt; buiten Nederlands grondgebied worden gebracht en deze vergezeld gaan van een afschrift of een exemplaar van het begeleidend document als bedoeld in de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen; worden vervoerd in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B; worden vervoerd in een hoeveelheid van niet meer dan 2000 liter op een andere wijze dan in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B. Artikel 4.3.3.16 26[Toelichting: Voor de afgifte van in bijlage 4 onderdeel B aangegeven bedrijfsafvalstoffen moeten gegevens worden uitgewisseld. Om deze gegevensstroom uniform te laten verlopen moet gebruik worden gemaakt van een goedgekeurde gegevensdrager. Dit kan bijvoorbeeld een goedgekeurde elektronische gegevensdrager (floppy disk) zijn, maar ook het omschrijvingsformulier. Er is gekozen voor het begrip 'gegevensdrager' om het gebruik van geavanceerde elektronische meldings- en registratiesystemen mogelijk te maken.In het geval dat door de ontdoener een omschrijvingsformulier wordt gebruikt voor de vooraanmelding van zijn afvalstoffen bij een be- of verwerker, wordt de volgende procedure doorlopen. Allereerst worden de aangegeven gegevens aan de be- of verwerker verstrekt. Het formulier wordt, voorafgaand aan het eerste transport van de afvalstoffen, door de be of verwerker voorzien van een uniek nummer (het afvalstroomnummer) en aan de ontdoener geretourneerd. Dit afvalstroomnummer wordt door de be- of verwerker op de door gedeputeerde staten voorgeschreven wijze gegenereerd. Conform de regeling voor gevaarlijk afval worden de eerste vijf posities van het afvalstroomnummer bepaald door gedeputeerde staten. Gedeputeerde staten (en niet het meldingenpunt) kennen het eerste deel van het nummer toe omdat de toekenning van het nummer direct samenhangt met het toezicht op de naleving van de wet.Met het afvalstroomnummer identificeert de ontvanger zich en kan degene die zich van de afvalstoffen ontdoet, nagaan of hij wel afgeeft aan iemand die bevoegd is die afvalstoffen in ontvangst te nemen. Een afschrift van deze omschrijving moet zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval uiterlijk twee weken na afloop van het kwartaal waarin dit nummer is verstrekt aan gedeputeerde staten worden gezonden. De toezending van de omschrijving voorafgaand aan de eerste melding is noodzakelijk, omdat in de melding naar deze omschrijving via het afvalstroomnummer verwezen wordt.Indien met behulp van telecommunicatiemiddelen en/of geautomatiseerde systemen elektronische omschrijvingen mogelijk zijn, behoeven deze de goedkeuring van gedeputeerde staten. In de door gedeputeerde staten aan te geven wijze van registreren kunnen aanvullende bepalingen worden opgenomen omtrent het elektronisch aanleveren van gegevens.Niet volledig of onjuist ingevulde formulieren c.q. (elektronische) gegevensdragers worden beschouwd als het niet verstrekken van gegevens als bedoeld in de wet.De omschrijving en het daarbij behorende afvalstroomnummer blijven geldig, zolang de samenstelling van de afvalstoffen niet wijzigt. Er moet echter een nieuwe omschrijving worden gemaakt, indien de samenstelling van de afvalstoffen niet meer in overeenstemming is met de oorspronkelijke omschrijving. Wanneer er gedurende anderhalf jaar geen afvalstoffen onder het betreffende afvalstroomnummer worden afgevoerd, vervalt het afvalstroomnummer. Worden er na verloop van een langere periode opnieuw afvalstoffen (met dezelfde samenstelling) afgevoerd, dan moet een nieuwe omschrijving worden gemaakt en een nieuw afvalstroomnummer worden afgegeven. Dit om een verstopping van het automatiseringssysteem door 'slapende' afvalstroomnummers te voorkomen.Met betrekking tot afvalstoffen die op verschillende locaties vrijkomen bij werkzaamheden in opdracht van derden is de zogeheten "aannemers-regeling" van toepassing.In deze gevallen is het praktisch gezien onmogelijk telkens nieuwe formulieren te verstrekken.De aannemersregeling is van toepassing op afvalstoffen die op verschillende locaties vrijkomen, bij werkzaamheden, in opdracht van derden. Aannemers, hoveniers, dakbedekkers e.d. die gebruik maken van de zogeheten aannemersregeling hebben per bestemming en categorie één afvalstroom. Het betreffende afvalstroomnummer dient op de rekeningen aan de ontdoeners te worden vermeld. Voor het omschrijven van de locatie van herkomst bestaat de keuzemogelijkheid tot de naam van de desbetreffende gemeenten of provincie.Het is verplicht tijdens het transport een begeleidingsbrief/badge te voeren. Op de begeleidingsbrief wordt bij de rubriek "ontdoener" de naam/adres/woonplaats-gegevens van de aannemer, hovenier, dakbedekker e.d. die gebruik maakt van de zogeheten aannemersregeling ingevuld, deze ondertekent ook. Bij de rubriek "locatie van herkomst" dient te worden aangegeven van welk adres afvalstoffen afkomstig zijn.] Eisen omschrijvingsformulier 1. Voor de in artikel 10.32, aanhef en onder a, van de wet bedoelde verstrekking van formulier met betrekking tot de afgifte van bedrijfsafvalstoffen wordt gebruik gemaakt van een gegevensdrager die is goedgekeurd door gedeputeerde staten of een door hen aangewezen instantie. De gegevens worden verstrekt voorafgaand aan de daadwerkelijke afgifte. Dan afvalstroomnummer 2. De persoon aan wie de afvalstoffen worden afgegeven, verstrekt: voorafgaand aan de afgifte een afvalstroomnummer voor de afgifte van die afvalstoffen aan degene die zich van de afvalstoffen ontdoet; de in het eerste lid bedoelde gegevens alsmede het afvalstroomnummer aan een door gedeputeerde staten aan te wijzen instantie. 3. De verstrekking van gegevens geldt met betrekking tot de afgiften van de omschreven afvalstoffen voor onbepaalde tijd, tenzij gedurende achttien maanden geen afgifte met gebruikmaking van dat nummer heeft plaats gevonden. Artikel 4.3.3.17 27 [Toelichting: Dit artikel bevat een algemene vrijstelling van de meldingsplicht voor degene die zich van bedrijfsafvalstoffen ontdoet. Met een melding door degene die de afvalstoffen in ontvangst neemt, kan worden volstaan.] Ontdoeners melden niet De verplichting van artikel 10.31 van de wet tot het melden van de afgifte van bedrijfsafvalstoffen geldt niet in het geval de afgifte geschiedt aan een persoon als bedoeld in artikel 10.19, tweede lid, van de wet. Artikel 4.3.3.18 28[Toelichting: Voor een toelichting op de wijziging van artikel 4.3.3.18, eerste lid, onder c, wordt verwezen naar de hiervoor aangegeven toelichting bij 4.3.3.11.De in bijlage 4, onderdeel C, genoemde afvalstoffen (waaronder Groene-lijst-afvalstoffen) zijn vrijgesteld zowel van de verplichting te melden, als van de verplichting de ontvangst hiervan te rapporteren. Voor beleidsontwikkeling zijn gegevens over deze afvalstoffen niettemin noodzakelijk. Deze gegevens kunnen op grond van vergunningvoorschriften van de be-/verwerkers worden verkregen, bijvoorbeeld één maal per jaar. De verplichting mee te werken aan een periodieke enquete, bijvoorbeeld van het CBS, vormt hiertoe ook een mogelijkheid. Het derde lid van artikel 4.3.3.18 biedt daartoe de mogelijkheid.Met de vrijstelling van de meldingsplicht voor afgifte en ontvangst van bedrijfsafvalstoffen aan een persoon binnen de inrichting waar deze afvalstoffen zijn ontstaan, wordt aangesloten op de systematiek voor gevaarlijke afvalstoffen. Daarbij wordt onder meer gedacht aan de afgifte aan een ander, onderdeel van een bedrijf (zie ook de toelichting bij het overeenkomstige artikel voor gevaarlijk afval, artikel 4.3.4.4 tweede lid).] Van meldingsplicht vrijgestelde ontvangers 1. De verplichting van artikel 10.33 van de wet tot het melden van de afgifte van bedrijfsafvalstoffen geldt niet voor de afgifte door overheidsorganen van onbeheerd achtergelaten of in beslag genomen afvalstoffen; voor de afgifte van scheepsafvalstoffen vanaf zee- en binnenvaartschepen; voor de afgifte van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, voor zover deze stoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie, en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen; voor de afgifte van afvalstoffen die tijdens het transport door degene die die afvalstoffen heeft ingezameld, zijn gevoegd bij van anderen afkomstige ingezamelde afvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie; voor de afgifte van afvalstoffen in een hoeveelheid van minder dan 50 kilogram of 100 liter per afgifte; indien de afgifte geschiedt aan een persoon die binnen een inrichting waarin de afvalstoffen zijn ontstaan, is gevestigd. Wel kwartaalrapportage 2. Een persoon die afvalstoffen in ontvangst neemt die behoren tot een categorie als bedoeld in het eerste lid onder a of op een wijze als bedoeld in dat lid onder b, d of e, doet binnen twee weken na afloop van elk kwartaal aan gedeputeerde staten of een door gedeputeerde staten aangewezen instantie een opgave van de aard en in kilogrammen uitgedrukte hoeveelheid afvalstoffen die hij in dat kwartaal heeft ontvangen. 3. Een persoon die afvalstoffen in ontvangst neemt die behoren tot een categorie als bedoeld in het eerste lid onder c, doet binnen een maand na een daartoe strekkend verzoek van gedeputeerde staten of een door gedeputeerde staten aangewezen instantie een opgave van de aard en de in kilogrammen uitgedrukte hoeveelheid van die afvalstoffen die hij heeft ontvangen in de periode die in het verzoek wordt genoemd. Artikel 4.3.3.19 Wijze van melding 1. Een melding als bedoeld in artikel 10.33 van de wet met betrekking tot de afgifte van bedrijfsafvalstoffen wordt gedaan aan een door gedeputeerde staten aan te wijzen instantie. 2. De melding vindt plaats uiterlijk twee weken na afloop van het kwartaal waarin de afgifte heeft plaatsgevonden. 3. Voor de melding wordt gebruik gemaakt van een gegevensdrager die is goedgekeurd door gedeputeerde staten of een door hen aangewezen instantie. Artikel 4.3.3.20 Registratieplicht 29[Toelichting: De ontdoeners als bedoeld in artikel 4.3.3.17 en 4.3.3.18 die zijn vrijgesteld van de meldingsplicht , moeten de in artikelen 10.31 en 10.33 van de wet bedoelde gegevens met betrekking tot de afgifte van afvalstoffen registreren. Op grond van het tweede lid van artikel 4.3.3.20 geldt er geen registratieplicht voor degene die afgeeft aan een inzamelaar.De te registreren gegevens zijn: de data van afgifte, de naam en het adres aan wie de afvalstoffen worden afgegeven, de benaming en (geschatte) hoeveelheid, de plaats en de wijze waarop de afvalstoffen worden afgegeven, de wijze van verwijdering, de naam en het adres van de transporteur en de be- of verwerker.Met de formulering van de verordeningstekst is aansluiting gezocht bij de belastingwetgeving. Indien in de praktijk blijkt dat voor een goede handhaving de wijze van registreren niet kan worden vrijgelaten, zal de verordening op dit punt worden aangepast.De wijze waarop de gegevens moeten worden geregistreerd is niet voorgeschreven; de geregistreerde gegevens moeten wel goed toegankelijk zijn voor controlerende ambtenaren.Op grond van artikel 18.5 van de wet en artikel 19 van de Wet economische delicten zijn toezichthoudende ambtenaren bevoegd inzage te verlangen en afschrift te nemen van boeken en andere zakelijke bescheiden waarvan de inzage redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.] 1. Personen die ingevolge de artikelen 4.3.3.17 en 4.3.3.18 vrijgesteld zijn van de verplichting de afgifte van bedrijfsafvalstoffen te melden, registreren de in de artikelen 10.31 en 10.33 van de wet bedoelde gegevens op een zodanige wijze dat controle daarvan door de krachtens artikel 18.4 van de wet aangewezen ambtenaren binnen een redelijke termijn mogelijk is. Niet bij afgifte aan inzamelaar 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die zich van afvalstoffen ontdoet door afgifte aan een persoon die die afvalstoffen inzamelt. Artikel 4.3.3.21 30 [Toelichting: Ingeval men afvalstoffen rechtstreeks en milieuhygiënisch verantwoord toepast in een werk als bedoeld in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, bijlage I, onderdeel 28.3, onder c, is hiervoor geen Wm-vergunning vereist. Voor het toepassen van bedrijfsafvalstoffen gaf artikel 4.3.3.21 de plicht het voornemen daartoe bij gedeputeerde staten te melden. Nu de minister het voornemen heeft de regeling in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit ook te laten gelden voor gevaarlijke afvalstoffen - tot nu toe alleen voor de categorie zeefzand - moet de meldingsplicht ook voor deze categorie afvalstoffen gelden. Een en ander wordt nu in één artikel, namelijk artikel 4.3.5.2, geregeld zodat artikel 4.3.3.21 kan vervallen.] Vervallen Artikel 4.3.3.22 31[Toelichting: In beginsel dient bij elk transport van bedrijfsafvalstoffen een begeleidingsbrief of een andere gegevensdrager (badge) die is goedgekeurd door gedeputeerde staten, aanwezig te zijn. Daarmee kan worden aangetoond wat de aard en samenstelling van de vervoerde afvalstoffen is, waar deze afvalstoffen vandaan komen en waar zij naar toe gaan.Er moet ook een gegevensdrager worden gevoerd bij het transport van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen, evenals bij bedrijfsafvalstoffen, die voor hergebruik worden aangeboden.Het is gewenst de administratieve belasting voor het vervoer van kleine hoeveelheden afvalstoffen te verminderen. Volgens de vorige tekst van artikel 4.3.3.22 was vervoer van niet meer dan 500 liter vrijgesteld. Deze grens wordt opgetrokken naar 2.000 liter.Met de voorgestelde tekst wordt tevens beoogd het vervoer van kleine hoeveelheden afvalstoffen, die zich niet gemakkelijk in liters laat uitdrukken, in personenwagens met kleine aanhangwagens vrij te stellen (rijbewijscategorie B volgens artikel 15 van Reglement rijbewijzen). De vrijstelling geldt dus niet voor de grotere aanhangwagens waarvoor het rijbewijs E nodig is.Bij transport van afvalstoffen die uitgezonderd zijn van de meldingsverplichtingen moet wel begeleidende informatie aanwezig zijn. De reden hiervoor is de volgende.Op grond van de vervoerswetgeving is een vrachtbegeleidingsbrief verplicht voor vervoer van goederen, behalve voor losgestorte goederen (artikel 29 Wet goederenvervoer over de weg juncto artikel 104 Besluit goederenvervoer over de weg). Het meeste (niet-gevaarlijk) afval wordt los gestort vervoerd, veelal in containers. Vanuit de vervoerswetgeving is hiervoor dus geen begeleidingsbrief vereist. Daarom wordt het ten beoeve van het toezicht noodzakelijk geacht in d PMV een dergelijke verplichting op te nemen, en aan te sluiten bij de verplichtingen voor internationaal transport van EVOA-Groene-lijst-afvalstoffen. Bij internationaal transport van afvalstoffen van de Groene-lijst moet namelijk bepaalde informatie over herkomst, bestemming, omschrijving en hoeveelheid aanwezig zijn. Hiervoor is niet een bepaald document voorgeschreven.In het tweede lid wordt derhalve bepaald dat bij het vervoer van de in bijlage 4, onderdeel C, genoemde afvalstoffen (waaronder Groene-lijst-afvalstoffen) met een “vormvrije” begeleidingsbrief mag worden gewerkt.] Vrijstelling begeleidingsbrief 1. De verplichting van artikel 10.34 van de wet om een begeleidingsbrief bij de afvalstoffen aanwezig te hebben geldt met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen niet voor degene die afvalstoffen binnen Nederlands grondgebied of buiten Nederlands grondgebied brengt en deze vergezeld laat gaan van een afschrift of een exemplaar van het begeleidend document als bedoeld in de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen; afvalstoffen vervoert in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B; afvalstoffen vervoert in een hoeveelheid van niet meer dan 2000 liter op een andere wijze dan in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B. Eisen aan brief 2. Voor de begeleidingsbrief wordt gebruik gemaakt van een gegevensdrager die is goedgekeurd door gedeputeerde staten of een door hen aangewezen instantie. Goedkeuring is niet vereist voor het vervoer van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie, en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen. Artikel 4.3.3.23 Afvalstofcodelijst gebruiken Degene die uitvoering geeft aan de artikelen 4.3.3.16, 4.3.3.18, tweede lid, 4.3.3.19, 4.3.3.20 of 4.3.3.22, is verplicht a. indien hij gegevens registreert daarbij gebruik te maken van de Afvalstofcodelijst; Bewaarplicht b. de daarop betrekking hebbende gegevensdragers ten minste gedurende drie jaar te bewaren. Artikel 4.3.3.24 32[Toelichting: Voor zover een aanvraag wordt ingediend, bijvoorbeeld een aanvraag om op de lijst van inzamelbedrijven te worden geplaatst of een aanvraag om een ontheffing van het exportverbod, bestaat op grond van artikel 4:4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) al de mogelijkheid om een formulier vast te stellen. Op grond van artikel 4:5 Awb kunnen ook aanvullende gegevens worden gevraagd.Bij de bepalingen over de melding inzake de afgifte van bedrijfsafvalstoffen gaat het evenwel niet om een aanvraag en zijn deze artikelen van de Awb dus niet zonder meer van toepassing.Daarom is in de verordening bepaald dat gedeputeerde staten uitvoeringsregels kunnen stellen voor de te melden of te registreren gegevens en voor de te hanteren gegevensdragers.] Uitvoeringsregels 1. In het belang van een goede uitvoering van deze afdeling kunnen door gedeputeerde staten of door een door hen aangewezen instantie nadere regels worden gesteld ten aanzien van de gegevens die ingevolge deze paragraaf moeten worden gemeld of geregistreerd, en de in deze afdeling bedoelde gegevensdragers; Vrijstelling 33[Toelichting: In de uitvoeringspraktijk van de melding- en registratiebepalingen hebben verschillende partijen (b.v. ontdoeners, handhavers) aandacht gevraagd voor de consequenties hiervan voor specifieke situaties. Het betreft onder meer vervoer en gebruik van "schone" afvalstoffen, situaties waarin afval binnen het eigen concern na tussenopslag wordt verwerkt, situaties waarbij sprake is van producentenverantwoordelijkheid of retourtransport, en de z.g. aannemersregeling. Van sommige categorieën afvalstoffen is het gewenst gebleken onder omstandigheden de regels van de verordening niet, nog niet of niet volledig te volgen. Het tweede lid beoogt meer flexibiliteit in te bouwen, en voor bepaalde gerezen problemen een adequate oplossing te kunnen bieden, zonder aan de doelstellingen van de regels afbreuk te doen. Immers, de vrijstelling kan alleen gegeven worden voor zover het belang van de doelmatige verwijdering zich er niet tegen verzet (zie verder de toelichting onder artikel 4.3.3.13a.Vanzelfsprekend moeten de eventuele vrijstellingen interprovinciaal worden afgestemd.] 2. Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen en voor een daarbij te bepalen termijn vrijstelling verlenen van de verplichtingen, bedoeld in paragraaf 10.5.2 van de wet en in de artikelen 4.3.3.16, 4.3.3.18, tweede en derde lid, 4.3.3.19, 4.3.3.20 en 4.3.3.23, indien het belang van een doelmatige verwijdering van die afvalstoffen zich daartegen niet verzet. Afdeling 5. Provinciegrens overschrijdend verkeer van bedrijfsafvalstoffen 34[Toelichting: Voor diverse provincies geldt momenteel dat voor het provinciegrens overschrijdend verkeer van bedrijfsafvalstoffen zowel een import- als een exportvergunning moet worden aangevraagd. Mede tegen de achtergrond van deregulering is in het IPO-model uitgegaan van alleen een exportregeling voor bedrijfsafval. Uitgangspunt bij het opstellen van de regeling is de provinciale zelfvoorziening voor wat betreft het be- of verwerken van afvalstoffen.Zolang echter nog niet overal een adequaat vergunningenniveau is bereikt en er nog verschillende verwerkingstarieven zijn, is het noodzakelijk in ieder geval te voorzien in een exportverbod, met daarbij de mogelijkheid om vrijstelling (voor categorieën afvalstoffen) te geven of ontheffing te verlenen (in individuele gevallen). Hiermee is de regeling voldoende flexibel.De reikwijdte van het exportverbod is in tegenstelling tot het IPO-model beperkt tot eindverwerking (storten of verbanden). Het uiteindelijke effect van het verbod is per saldo gelijk aan het IPO-model waar immers een ruime ontheffingsmogelijkheid van gedeputeerde staten is voorzien. Gelet op afspraken in het Noordelijk Afval Overleg (NAO) zullen voor vervoer van te verbranden afval binnen het NAO-gebied (Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel) in beginsel geen belemmeringen worden opgelegd.Ingeval afvalstoffen ter vervanging van fossiele brandstoffen worden ingezet in een inrichting die in hoofdzaak is ingericht voor energieopwekking wordt deze wijze van verwerking als een vorm van nuttige toepassing aangemerkt. Bij de beoordeling van verzoeken om export zal rekening gehouden worden met de gewijzigde wetgeving, met name waar het situaties betreft waarvan de gevolgen nagenoeg geheel vallen na het tijdstip waarop deze wijzigingen in werking treden. Dit geldt in beginsel niet ingeval van export van afval naar een reguliere afvalverbrandingsinstallatie (AVI) of een stortplaats.Ook de export van afvalstoffen in kleine hoeveelheden (transport in de "kofferbak", transport van afval dat bij bijvoorbeeld schilderswerkzaamheden is ontstaan) is toegelaten.Degene die afvalstoffen wil exporteren bestemd voor eindverwerking, heeft een ontheffing van dat verbod nodig. Deze ontheffing kan betrekking hebben op meerdere (vele) afgiften die behoren tot één stroom. De aanvraag om ontheffing dient vergezeld te gaan van een omschrijvingsformulier. Het verzoek zal worden getoetst aan het provinciaal milieubeleidsplan waarin het beginsel van zelfvoorziening en doelmatigheidscriteria zijn opgenomen.Voordat een ontheffing wordt verleend, wordt het advies gevraagd aan gedeputeerde staten van de provincie waarnaar de afvalstoffen worden geëxporteerd. Het besluit staat open voor bezwaar en beroep.Voor de bij de Wet van 6 november 1997 gestelde beperkingen voor het hanteren van het exportverbod, verwijzen wij naar het dienaangaande gestelde in paragraaf 4.3.Voor de controle op invoer van afvalstoffen is een regeling opgenomen tot het voeren van een begeleidingsbrief. Bij afgifte van afvalstoffen moet dat al op grond van art. 10.35 van de wet (juncto art. 4.3.3.14 van de verordening), maar op grond van art. 4.3.3.26 moet dat ook in het geval dat bij het transport geen sprake is van afgifte (het rijden naar de eigen inrichting).Samengevat houdt de regeling voor het provinciegrens overschrijdend verkeer het volgende in:- met het oog op de regionale zelfvoorziening geldt een exportverbod voor bedrijfsafvalstoffen;- het verbod geldt niet voor export naar het buitenland, voor Groene lijst-stoffen, opgenomen in bijlage 4c, die een nuttige toepassing krijgen en voor kleine hoeveelheden;- de verplichting een begeleidingsbrief aanwezig te hebben;- aan het verbod kan vrijstelling en ontheffing worden verleend.Gebruik mobiele puinbrekersHet gebruik van mobiele brekers is niet gebonden aan een vergunning op grond van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer omdat de aktiviteit vaak van korte duur is zodat er geen sprake van een inrichting is.Om eisen te kunnen stellen aan het functioneren van mobiele brekers is daarom een regeling in de provinciale verordening nodig.De regeling treedt voor een deel in de plaats van de regeling in de gemeentelijke bouwverordeningen, namelijk voor zover het puin wordt gebroken op de plaats waar de sloop plaats vindt. Na het van kracht worden van het hoofdstuk afvalstoffen bieden de artikelen 10.27 en 10.28 van de wet de grondslag voor een regeling in de provinciale milieuverordening. Daarmee vervallen de desbetreffende bepalingen uit de bouwverordening.De regeling impliceert een vergunning per mobiele installatie en een melding voorafgaand aan de daadwerkelijke inzet met een mogelijkheid per concrete inzet een aanvullend besluit te nemen.De vergunning betreft de doelmatigheidstoetsing en het functioneren van de installatie als zodanig (reinigingsresultaat). Gedeputeerde staten zijn voor de vergunning het bevoegde bestuursorgaan. Gelet op de te volgen procedure waarbij adviseurs zijn betrokken dient de vergunning in vijfvoud te worden ingediend. Aan de vergunning zullen voorschriften worden verbonden ondermeer inhoudende dat van de installatie alleen gebruik mag worden gemaakt op een locatie waar de afvalstoffen kunnen worden gebroken en het granulaat (0-40MM) op dezelfde locatie wordt gebruikt. Plaatsing van een mobiele breker in andere situaties is derhalve onmogelijk.Voor de feitelijke inzet op een bepaalde locatie is een melding nodig. Deze melding wordt in de vergunning voorgeschreven. Naar aanleiding van de melding vindt een beoordeling plaats van de locatie-gebonden milieu(hygiënische) aspecten, waarbij niet opnieuw een doelmatigheidstoets plaatsvindt. Indien op bouw- en slooplocaties wordt gebroken vindt deze beoordeling plaats door B&W. Deze locatiegebonden toets kan leiden tot een verbod (omdat van het gebruik van de installatie op die plaats teveel hinder is te verwachten) of tot nadere eisen (bijvoorbeeld over de tijden waarop de installatie in gebruik mag zijn).De regeling is gebaseerd op art. 10.27 van de wet. Dat artikel sluit een parapluvergunning niet uit. Het van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 8.14, tweede lid, onder a, van de wet maakt een aanvullende locatie-gebonden beoordeling mogelijk.De regeling in de verordening betreft het gebruik van mobiele brekers buiten een daartoe geëigende inrichting.Het gebruik van een mobiele breker binnen zulke inrichtingen waarin wel van anderen afkomstige afvalstoffen worden verwijderd, is reeds vergunningplichtig gesteld in categorie 28.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit en Wet milieubeheeris niet in de verordening geregeld. Dat wordt beheerst door de vergunning die voor die inrichting is verleend.Aangezien het niet de bedoeling is de verwerking van snoeihout in de zgn. hakselaars, waarin het snoeihout ter plaatse wordt versnipperd en veelal weer in de natuur wordt teruggebracht, onmogelijk te maken is hiervoor een uitzondering gemaakt. ] Artikel 4.3.3.25 35[Toelichting: Het transporteren van afvalstoffen uit de provincie, bestemd voor storten of verbranden, is niet toegestaan ter bescherming van de in het milieubeleidsplan opgenomen belangen. Het verbod op de export van deze afvalstoffen richt zich tot degene, die de afvalstoffen daadwerkelijk over de provinciegrens transporteert of doet transporteren. In het tweede deel van lid 1 is, om sluiptransporten voor afvalstoffen bestemd voor eindverwerking tegen te gaan, een aanwijzingsbevoegdheid voor gedeputeerde staten opgenomen.Het tweede lid bevat de volgende uitzonderingsbepalingen:- afvalstoffen die naar het buitenland worden vervoert; in dat geval is de EG-verordening (EVOA) van toepassing;- kleine hoeveelheden waarvoor de omschrijvingsplicht niet geldt, of wanneer deze zijn ontstaan bij werkzaamheden die door de inzittende(
  3. n)van het voertuig is (zijn) uitgevoerd;- voor de in bijlage 4c opgenomen Groene-lijst-afvalstoffen die zijn bestemd voor hergebruik.Op grond van het derde lid kunnen gedeputeerde staten vrijstelling verlenen voor specifiek aangewezen afvalstoffen; als voorbeeld kan worden genoemd reinigbare grond afkomstig van andere provincies waarmee afspraken zijn gemaakt omtrent de uitwisseling van gegevens met betrekking tot deze afvalstoffen.Voor de bij de Wet van 6 november 1997 gestelde besprekingen voor het hanteren van het exportverbod wordt verwezen naar het te dienaangaande gestelde in paragraaf 4.3.] Exportverbod 1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen, die behoren tot een categorie die is genoemd in bijlage 4, onderdeel B, en die bestemd zijn tot het zich daarvan ontdoen door ze op of in de bodem te brengen of bestemd zijn tot verbranding; dan wel behoren tot door gedeputeerde staten aan te wijzen categorieën van gevallen, naar een andere provincie te brengen. 36[Toelichting: Zie ook artikel II: Op het tijdstip waarop artikel 1.2a van de wet in werking treedt, zoals dat komt te luiden als onderdeel I, onder C, van de wet van 6 november 1997 (Stb. 1997, 533) in werking treedt, wordt artikel 4.3.3.25 gewijzigd als volgt:1. Het is verboden bedrijfafvalstoffen buiten de provincie te brengen voor zover deze bestemd zijn om op of in de bodem te worden gebracht om ze daar te laten in een geval als bedoeld in de ministeriële regeling die is vastgesteld op grond van artikel 1.2a van de wet.2. In het tweede lid vervalt onderdeel b en worden de onderdelen c, d en e verletterd tot b, c en d.] 2. Het verbod geldt niet voor uitvoer buiten Nederlands grondgebied; voor zover het afvalstoffen betreft die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie, en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen; voor het uitvoeren van afvalstoffen in een hoeveelheid van niet meer dan 50 kilogram of 100 liter per transport; voor het uitvoeren van afvalstoffen die zijn ontstaan bij werkzaamheden die zijn uitgevoerd door degene die die afvalstoffen vervoert, en worden vervoerd in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B; voor het uitvoeren van afvalstoffen die die zijn ontstaan bij werkzaamheden die zijn uitgevoerd door degene die die afvalstoffen vervoert, en worden vervoerd in een hoeveelheid van niet meer dan 2000 liter op een andere wijze dan in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B. 3. Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen en voor een daarbij te bepalen termijn vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod indien het belang van de doelmatige verwijdering van die afvalstoffen zich daartegen niet verzet. Artikel 4.3.3.26 37 [Toelichting: Bij elk transport van afvalstoffen - met uitzondering van transporten met een motorvoertuig met rijbewijscategorie B of anderszins van niet meer dan 2.000 liter - hoort een begeleidingsbrief aanwezig te zijn. Een aanvullende regeling bij import is nodig omdat de verplichting van artikel 10.34 van de wet niet zonder meer van toepassing is: de inzameling respectievelijk de afgifte hebben immers niet plaatsgevonden in het gebied van de provincie waar de afvalstoffen naar toe worden gebracht.] Begeleidingsbrief transporteur 1. Een persoon die bedrijfsafvalstoffen binnen de provincie brengt, is verplicht bij het vervoer van afvalstoffen een begeleidingsbrief aanwezig te hebben, waarin worden vermeld: van wie die afvalstoffen afkomstig zijn; een omschrijving van die afvalstoffen; het afvalstroomnummer dat op de afgifte van die afvalstoffen betrekking heeft; de bestemming van die afvalstoffen. 2. De verplichting om een begeleidingsbrief bij de afvalstoffen aanwezig te hebben geldt niet voor degene die afvalstoffen vervoert in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B, dan wel in een hoeveelheid van niet meer dan 2000 liter op een andere wijze dan in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B. Artikel 4.3.3.27 38[Toelichting: Dit artikel houdt de mogelijkheid in ontheffing te verlenen van het exportverbod. De grondslag voor ontheffingverlening is artikel 1.3 van de wet. Hoofdstuk 7 van de verordening verklaart een aantal bepalingen van hoofdstuk 8 van de wet (het hoofdstuk inrichtingen) van toepassing. Dat is van belang voor de toetsingsgronden en de mogelijkheid om beperkingen en voorschriften aan de ontheffing te verbinden.De beslissing op een aanvraag moet binnen korte tijd worden genomen, terwijl het aantal belanghebbenden beperkt is. Om die reden is de in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing verklaard. Dit houdt in, dat op de voorbereiding van de beschikking op aanvraag alleen titel 4.1 van de Awb van toepassing is. Bij de voorbereiding van de beschikking krijgen de betrokkenen (de aanvrager van de ontheffing en bij een export-ontheffing degene die de afvalstoffen in ontvangst zal nemen, alsmede de provincie waaruit de afvalstoffen afkomstig zijn c.q. naar toe gaan) de gelegenheid hun zienswijze naar voren te brengen.De aanvraag, vergezeld van een omschrijvingsformulier, moet in vijfvoud worden ingediend.Uiterlijk acht weken na ontvangst van de aanvraag, nemen gedeputeerde staten een beschikking. Indien er geen besluit is genomen, dan is er sprake van een fictieve weigering waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.De export-ontheffing kan worden aangevraagd door een inzamelaar voor afgifte van een categorale afvalstroom van enkele of vele ontdoeners, dan wel door een enkele ontdoener voor afgifte van zijn afvalstoffen aan een legale be- of verwerker in een provincie.In beide gevallen wordt wel advies gevraagd aan de provincie van import c.q. export.Een verzoek om ontheffing dat wordt ingediend door een transporteur, zal in het algemeen niet worden ingewilligd. Hij is bevoegd de afvalstoffen over de provinciegrens te vervoeren, indien hiervoor ontheffing is verleend aan de ontdoener c.q. de bewerker]. Ontheffing 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 4.3.3.25 gestelde verbod. In de ontheffing wordt bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij te bepalen termijn van ten hoogste drie jaar. 2. Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing. Gedeputeerde staten van de provincies die een belang hebben bij de beschikking, worden in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag respectievelijk het voornemen tot wijziging of intrekking. 3. De aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt in vijfvoud ingediend. Afdeling 6. Mobiele installaties voor het breken van puin of hout Artikel 4.3.3.28 Mobiele puinbreker Het is verboden buiten een inrichting zonder daartoe verleende vergunning van gedeputeerde staten een mobiele installatie voor het breken van steenachtig materiaal of hout, niet zijnde plantsoen- of tuinafval, te gebruiken. Artikel 4.3.3.29 Inhoud vergunning 1. De voorschriften die aan een vergunning als bedoeld in artikel 4.3.3.28 worden verbonden, houden in ieder geval in dat: het gebruik van de installatie voorafgaand aan de daadwerkelijke inzet schriftelijk wordt gemeld aan: º burgemeester en wethouders van de gemeente waar de installatie zal worden ingezet, indien de installatie zal worden gebruikt voor het bewerken van afvalstoffen die vrijkomen bij het slopen van een bouwwerk, op het perceel waarop dat bouwwerk is gelegen; º in andere gevallen: aan gedeputeerde staten; het onder a bedoelde bestuursorgaan naar aanleiding van een melding nadere eisen kan stellen met betrekking tot het gebruik van de installatie indien dat uit een oogpunt van het voorkomen van gevaar, schade en hinder voor de omgeving noodzakelijk is. 2. Een melding als bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt indien tevens een sloopvergunning wordt aangevraagd, tegelijk gedaan met die aanvraag en in andere gevallen tenminste acht weken voor de daadwerkelijke inzet van de installatie. 3. Het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan verbiedt het gebruik van de installatie op de plaats waarop de melding betrekking heeft, indien uit een oogpunt van het voorkomen van gevaar, schade en hinder voor de omgeving tegen dat gebruik overwegende bezwaren bestaan en door het stellen van nadere eisen als bedoeld in het eerste lid aan die bezwaren niet kan worden tegemoet gekomen. Artikel 4.3.3.30 Voorbereiding nadere eisen of verbod 1. Op de voorbereiding van een beschikking met betrekking tot het stellen van nadere eisen als bedoeld in artikel 4.3.3.29, eerste lid, of een verbod als bedoeld in het derde lid van dat artikel, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 2. De melding bedoeld in artikel 4.3.3.29, tweede lid, wordt voor de toepassing van de Algemene wet bestuursrecht aangemerkt als een aanvraag tot het nemen van een besluit. Het bestuursorgaan maakt een melding binnen twee weken na de ontvangst bekend. Het geeft de beschikking indien tevens een sloopvergunning is aangevraagd, binnen dertien weken en in andere gevallen binnen acht weken na ontvangst van de melding. Het bestuursorgaan kan de termijn van dertien weken eenmaal met ten hoogste dertien weken verlengen. Artikel 4.3.3.31 Inhoud aanvraag 1. De aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 4.3.3.28 wordt in vijfvoud ingediend. 2. De aanvraag bevat: een beschrijving van de installatie, waaronder begrepen de wijze van energievoorziening ten behoeve daarvan; de capaciteit van de installatie of van de te onderscheiden onderdelen daarvan; de kenmerkende gegevens met betrekking tot de grondstoffen, tussen-, neven- en eindproducten, die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de nadelige gevolgen voor het milieu, die de installatie kan veroorzaken; de belasting van het milieu, die de installatie tijdens normaal bedrijf kan veroorzaken, alsmede de aard en omvang van de te onderscheiden vormen van belasting van het milieu en de tijdseenheden waarbinnen deze zich kunnen voordoen; de maatregelen die worden getroffen om de belasting van het milieu, die de installatie kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken, waaronder in ieder geval worden begrepen de maatregelen ten behoeve van: ° het opslaan van afvalstoffen bij de installatie; ° het zich ontdoen van de afvalstoffen die het gevolg zijn van de verwijderingsprocessen; de aard, de samenstelling, de hoeveelheid en de herkomst van de te bewerken afvalstoffen; de procedures van acceptatie en controle van de te verwijderen afvalstoffen; de wijze van financiering van de activiteiten, alsmede een schatting van de omvang van de investeringen die worden gedaan; de tarieven die de houder van de installatie voor het bewerken wil vaststellen, alsmede de wijze waarop de tarieven zijn samengesteld; de beschikbaarheid en vakbekwaamheid van de met de installatie werkzame personen; de wijze waarop de inkomende afvalstoffen worden geregistreerd; de wijze waarop de bij de verwijderingsprocessen ontstane stoffen, preparaten of andere producten of afvalstoffen worden afgezet, afgevoerd of verwijderd, alsmede de wijze van registratie daarvan. § 4.3.4 Gevaarlijke afvalstoffen 39[Toelichting: InleidingWijziging - in het kader van de 3e tranche PS 1998-7 - van de paragraaf Gevaarlijke afvalstoffen was in de eerste plaats noodzakelijk in verband met de beleidskeuzes die zijn gemaakt in het kader van het Meerjarenplan Gevaarlijke afvalstoffen II (MJP-GA II). Voorbeelden hiervan zijn:- het vervoer van gevaarlijke afvalstoffen tussen inrichtingen van één rechtspersoon zal niet meer gebonden zijn aan een inzamelvergunning;- KGA-inzamelaars wordt toegestaan afgewerkte olie in verpakking in te zamelen;- de regeling voor het gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen wordt opgenomen/aangepast (kies, afhankelijk van de provinciale situatie);- wijziging van de meldingregels;- de inzamelvergunning voor kwikthermometers wordt geschrapt;- een inzamelvergunning voor laboratorium-chemicaliën wordt ingevoerd.Daarnaast is uit de praktijk gebleken dat de bestaande regelgeving voor gevaarlijke afvalstoffen op kleine punten gewijzigd moest worden, hetgeen gezien kan worden als "klein onderhoud". Voorbeelden hiervan zijn:- de definitie van het begrip "landelijke lijst" wordt gewijzigd;- een definitie van het begrip "inzamelen" wordt opgenomen.De landelijke lijstEr is een landelijke lijst met inzamelregio's gevaarlijke afvalstoffen. De lijst bevat een aanwijzing van plichtgebieden, bestaande uit één of meer inzamelregio's waarin vergunninghouders gehouden zijn gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot een daarbij aangegeven categorie in te zamelen. Wie vergunningen voor een plichtgebied heeft, heeft een landelijk rechtgebied. Blijkens het Tweede MJPG zal per gebied en per categorie afvalstof slechts één inzamelplichtige worden aangewezen.In het MJP-GA is het beleid vastgelegd voor de verwijdering van gevaarlijk afval. Het inzamelen van gevaarlijk afval en het aanwijzen van recht- en plichtgebieden maakt onderdeel uit van dat plan. De provincies stellen dan ook in dat kader de recht- en plichtgebieden vast.De tekst van de verordening is in de 3e tranche aan deze situatie aangepast. ] Afdeling 1. Algemeen 40[Toelichting: Het begrip "inzamelen"Het begrip "inzamelen" is van essentieel belang voor de toepassing van de verordening. Onder inzamelen wordt verstaan "het ophalen van gevaarlijke afvalstoffen bij een persoon die zich van die afvalstoffen ontdoet door afgifte aan degene die de afvalstoffen ophaalt". Of sprake is van inzamelen wordt dus bepaald door het moment waarop degene die zich van de afvalstoffen wil ontdoen, deze afgeeft.Wordt afgegeven aan de poort van het eigen bedrijf dan geeft hij af aan een inzamelaar; als wordt afgegeven aan de poort van het be- of verwerkingsbedrijf is er geen sprake van inzamelen. De omschrijving komt overeen met de omschrijving zoals die is opgenomen in het onderdeel Bedrijfafvalstoffen van de verordening en sluit aan bij de jurisprudentie.Op grond van artikel 10.30 Wet milieubeheer, eerste lid, is het verboden zich door afgifte aan een ander van gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen. In het tweede lid staan de uitzonderingen opgenomen:- afgeven aan diegene die bevoegd is de afvalstoffen in te zamelen;- afgeven aan diegene die krachtens hoofdstuk 8 Wet milieubeheer bevoegd is die afvalstoffen te verwijderen (d.w.z. over een vergunning voor het bewaren, be- of verwerken beschikt).Een ontdoener heeft aldus twee mogelijkheden om afvalstoffen af te geven:a. aan een inzamelaar, d.w.z. een persoon die bij de ontdoener komt en zowel de feitelijke als de juridische verantwoordelijkheid voor het afval overneemt. Een inzamelaar kan zelf beslissen naar welke verwerker hij de afvalstoffen brengt. De ontdoener is niet meer verantwoordelijk voor de verwijdering van het afval dat hij heeft afgegeven aan de inzamelaar;b. afgifte aan een persoon die een vergunning heeft voor het bewaren of be-/verwerken van afvalstoffen. De ontdoener sluit een contract met de ontvanger van het afval. De ontdoener kan de afvalstoffen zelf vervoeren/brengen naar de ontvangende inrichting. Hij kan ook een vervoerder (een derde) inschakelen. De ontdoener blijft verantwoordelijk voor het afval totdat de ontvanger de afvalstoffen heeft geaccepteerd.Het bovenstaande houdt in dat de verlengde armtheorie alleen nog geldt voor het transport in opdracht van de ontdoener naar een verwerker.Een be- of verwerker die afvalstoffen ophaalt, voldoet dus ook aan het begrip inzamelen. De criteria "geregeld ophalen" en "meerdere keren" spelen, in afwijking van de vroegere WCA-jurisprudentie, geen rol meer. Het enige criterium is wie verantwoordelijk is tijdens het vervoer. Is dat de ontvanger, dan is er sprake van inzamelen; is het de ontdoener, dan is er sprake van transport. ] Artikel 4.3.4.0 41[Toelichting: De definitie is gelijk aan de definitie van "inzamelen" in het onderdeel Bedrijfsafvalstoffen.Op grond van artikel 10.30 Wet milieubeheer, eerste lid, is het verboden zich door afgifte aan een ander van gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen. In het tweede lid staan de uitzonderingen opgenomen:- afgeven aan diegene die bevoegd is de afvalstoffen in te zamelen;- afgeven aan diegene die krachtens hoofdstuk 8 Wet milieubeheer bevoegd is die afvalstoffen te verwijderen (d.w.z. over een vergunning voor het bewaren, be- of verwerken beschikt).Een ontdoener heeft aldus twee mogelijkheden om afvalstoffen af te geven:a. aan een inzamelaar, d.w.z. een persoon die bij de ontdoener komt en zowel de feitelijke als de juridische verantwoordelijkheid voor het afval overneemt. Een inzamelaar kan zelf beslissen naar welke verwerker hij de afvalstoffen brengt. De ontdoener is niet meer verantwoordelijk voor de verwijdering van het afval dat hij heeft afgegeven aan de inzamelaar;b. afgifte aan een persoon die een vergunning heeft voor het bewaren of be-/verwerken van afvalstoffen. De ontdoener sluit een contract met de ontvanger van het afval. De ontdoener kan de afvalstoffen zelf vervoeren/brengen naar de ontvangende inrichting. Hij kan ook een vervoerder (een derde) inschakelen. De ontdoener blijft verantwoordelijk voor het afval totdat de ontvanger de afvalstoffen heeft geaccepteerd.Het bovenstaande houdt in dat de verlengde armtheorie alleen nog geldt voor het transport in opdracht van de ontdoener naar een verwerker.Een be- of verwerker die afvalstoffen ophaalt, voldoet dus ook aan het begrip inzamelen. De criteria "geregeld ophalen" en "meerdere keren" spelen, in afwijking van de vroegere WCA-jurisprudentie, geen rol meer. Het enige criterium is wie verantwoordelijk is tijdens het vervoer. Is dat de ontvanger, dan is er sprake van inzamelen; is het de ontdoener, dan is er sprake van transport.] In deze paragraaf wordt onder inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen verstaan het ophalen van gevaarlijke afvalstoffen bij een persoon die zich van die afvalstoffen ontdoet door afgifte aan degene die die afvalstoffen ophaalt. Artikel 4.3.4.0a 42 [Toelichting: Ook deze bepaling is identiek aan die in het onderdeel Bedrijfsafvalstoffen. Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 4.3.3.3.] Als categorieën van inrichtingen waarop de regels van deze paragraaf rechtstreeks van toepassing zijn, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in bijlage I en II van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Afdeling 2. De melding inzake de afgifte van gevaarlijke afvalstoffen 43[Toelichting: Bij transacties inzake gevaarlijke afvalstoffen zijn adequate administratieve gegevens en informatie-uitwisseling tussen handhavende instanties belangrijke randvoorwaarden voor een effectief toezicht. Provincies en Rijk hebben een gemeenschappelijk registratiesysteem opgezet voor de controle van de ontdoeners van (gevaarlijke) afvalstoffen en de houders van een inzamel-, bewaar-, be- of verwerkingsvergunning (het Landelijk Informatiesysteem Afvalstoffen - LIA). Dit systeem heeft het meldingensysteem voor chemische afvalstoffen (CHEMAF) vervangen en is

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.