act/waterschap/2024/CVDR702443 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0155/2023/Regeling82aed363db104664b2c0246bd57cf504 /join/id/stop/work_019 2026-01-14 2026-01-14 /akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR7024
Artikel 2
.7 Reikwijdte Deze afdeling is van toepassing op activiteiten met betrekking tot grondwater. Artikel 2.8 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gericht op de oogmerken, bedoeld in artikel 1.7, in het bijzonder het zoveel mogelijk waarborgen van: a. de beschikbaarheid van voldoende grondwater van een goede kwaliteit voor een duurzaam gebruik van het water; en b. een grondwaterstand die geen afbreuk doet aan de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen. Artikel 2.9 Specifieke zorgplicht
- Degene die een activiteit verricht met betrekking tot grondwater, waarvoor in deze verordening regels zijn gesteld, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.8, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
- Die verplichting houdt in ieder geval in dat alle passende maatregelen worden getroffen om: a. uitputting van de grondwatervoorraad te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken; b. ongewenste toename van kwel te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken; c. een grondwaterstand te handhaven die geen inbreuk maakt op de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen; d. een wijziging van de grondwaterstromen en verspreiding van aanwezige verontreiniging of van koudebellen en warmtebellen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken; e. doorboring van slecht doorlatende bodemlagen te voorkomen of ongedaan te maken; f. de grondwaterkwaliteit te beschermen; g. het opbarsten van de waterbodem te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken; h. verzilting van zoet grondwater te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken; en i. nadelige invloed te voorkomen op de grondwaterstand die voor het grondgebruik gewenst is. Paragraaf 2.2.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Artikel 2.10 Grondwater onttrekken en water infiltreren
- Dit artikel is van toepassing op grondwateronttrekkingen buiten de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, buiten de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering en buiten een waterkerende constructie.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken buiten de hogere gronden en op hogere gronden binnen Natura-2000 gebieden en een zone van 100 meter daaromheen als de activiteit wordt uitgevoerd voor: a. een (bron)bemaling, een kortdurende bodemsanering of een pompproef:
- met een duur langer dan 6 maanden; of
- de te onttrekken hoeveelheid grondwater meer bedraagt dan 50 m³ per uur en /of 15.000 m³ per vier weken; b. een langdurige bodemsanering:
- met een duur langer dan 3 jaar; of
- de te onttrekken hoeveelheid grondwater meer bedraagt dan 15 m³ per uur en/of 4.000 m³ per vier weken; en c. beregening en bevloeiing:
- met een duur langer dan 6 maanden; of
- de te onttrekken hoeveelheid grondwater meer bedraagt dan 30 m³ per uur en/of 8.000 m³ per vier weken.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken op hogere gronden buiten Natura-2000 gebieden en een zone van 100 meter daaromheen, als de activiteit wordt uitgevoerd voor: a. een (bron)bemaling, een (korte) bodemsanering of een pompproef:
- met een duur langer dan 6 maanden; of
- de te onttrekken hoeveelheid grondwater meer bedraagt dan 150 m³ per uur en 65.000 m³ per vier weken; b. een langdurige bodemsanering:
- met een duur langer dan 3 jaar; of
- de te onttrekken hoeveelheid grondwater meer bedraagt dan 25 m³ per uur en 6.500 m³ per vier weken; en c. beregening en bevloeiing:
- met een duur langer dan 6 maanden; of
- de te onttrekken hoeveelheid grondwater meer bedraagt dan 30 m³ per uur en 8.000 m³ per vier weken.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken als de activiteit wordt uitgevoerd: a. door middel van een constructie volgens het polderprincipe voor het drooghouden van kelders en kruipruimten van woningen en gebouwen, die na 22 december 2009 voor het eerst in werking is; b. voor permanente grondwateronttrekkingen; of c. overige doeleinden dan genoemd in dit artikel, als de te onttrekken hoeveelheid grondwater meer bedraagt dan 10 m3 per uur en/of 4.000 m3 per vier weken.
- Het is verboden zonder omgevingsverordening grondwater te onttrekken als de activiteit wordt uitgevoerd voor menselijke consumptie op het grondgebied van de provincie Utrecht. Afdeling 2.3 Regels over waterkeringen en beschermende gronden Paragraaf 2.3.
Artikel 2
.11 Reikwijdte Deze afdeling is van toepassing op activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering en beschermende gronden. Artikel 2.12 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gericht op de oogmerken, bedoeld in artikel 1.7, in het bijzonder het zoveel mogelijk: a. waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering; b. waarborgen van de mogelijkheid van doelmatige inspectie van de staat en werking van de waterkering; en c. in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen maatschappelijk aanvaardbare lasten. Artikel 2.13 Specifieke zorgplicht
- Degene die een activiteit verricht in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.12 is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
- Die verplichting houdt in ieder geval in dat alle passende maatregelen worden getroffen om: a. beschadiging van de ter bescherming van de waterkering aanwezige grasmat, beplanting of andersoortige dijkbekleding en oeverbescherming te voorkomen of te beperken; b. erosie van de waterkering te voorkomen of te beperken; c. belemmering van de afwatering van de waterkering te voorkomen of te beperken; d. verstoring van de standvastheid van het grondlichaam van de waterkering te voorkomen of te beperken; e. de toegankelijkheid van de waterkering en een onbelemmerd zicht op de dijkbekleding mogelijk te maken; f. de mogelijkheid van uitvoering van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten te waarborgen; en g. te waarborgen dat de waterkerende hoogte van de waterkering in stand blijft.
- Die verplichting houdt in ieder geval ook in dat alle passende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat geen verlaging van de grondwaterstand optreedt in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkerend dijklichaam en in het beperkingengebied met betrekking tot een half-verholen waterkering. Paragraaf 2.3.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen waterkerende dijklichamen Artikel 2.14 Grondwater onttrekken Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, als: a. langer dan vier weken per jaar grondwater wordt onttrokken; of b. de hoeveelheid te onttrekken water meer bedraagt dan 3 m³ per uur. Artikel 2.15 Kabels en leidingen
- Dit artikel is van toepassing op het aanleggen, hebben, vernieuwen en verwijderen van kabels en leidingen anders dan huisaansluitingen.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een drukleiding aan te leggen, te hebben of te vernieuwen in de kernzone van een waterkerend dijklichaam.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen of te vernieuwen dwars door de kernzone van een waterkerend dijklichaam, anders dan met een gestuurde boring.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te verwijderen uit de kernzone van een waterkerend dijklichaam.
- Het tweede en derde lid gelden niet voor het uitvoeren van een spoedeisende reparatie of voor het maken van een lasgat of proefsleuf. Artikel 2.16 Bodemonderzoek Het is verboden zonder omgevingsvergunning een geologisch onderzoek te verrichten door explosieven, binnen een afstand van: a. 500 meter vanuit de teen van een direct waterkerend dijklichaam; of b. 300 meter vanuit de teen van een indirect waterkerend dijklichaam. Artikel 2.17 Ophogen en ontgraven
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning ontgravingen te verrichten in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, tenzij het betreft een tijdelijke ontgraving als onderdeel van een activiteit als bedoeld in paragrafen 3.2.3, 3.2.4., 3.2.7, 3.2.8, 3.2.10, 3.2.11, 3.2.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning ontgravingen te verrichten van meer dan 2,00 meter onder het maaiveld in de buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning bodem op te hogen met meer dan 0,20 meter grond in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam.
- Dit artikel geldt niet voor tijdelijke ontgravingen in de gevallen waarop de artikelen 2.15, 2.16, 2.18, 2.19, 2.21 en 2.22 van toepassing zijn. Artikel 2.18 Wegen
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg aan te leggen of te verwijderen in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een verkeersdrempel, verkeersplateau of verzinkbaar verkeersobstakel te plaatsen, te vervangen of te verwijderen in de kernzone van een waterkerend dijklichaam. Artikel 2.19 Bodemenergiesysteem Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem aan te brengen, te hebben of te verwijderen in de kernzone, beschermingszone of buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam. Artikel 2.20 Explosiegevaarlijke stoffen of installaties
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een tank of drukvat te plaatsen of te vervangen in de kernzone, beschermingszone of buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam, als de tank of het drukvat een druk heeft van meer dan 1000 kPa.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een explosiegevaarlijke stof of installatie te plaatsen of te vervangen in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam. Artikel 2.21 Inlaat
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een inlaat aan te brengen, te hebben, te vervangen of te verwijderen in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam.
- Het eerste lid geldt niet voor het hebben of vervangen van een inlaat in een peilafwijkingengebied. Artikel 2.22 Bouwwerken of andere werken
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk of ander werk aan te brengen, te hebben, wijzigen of te verwijderen in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, tenzij het betreft: a. het vervangen of verbreden van wegen als bedoeld in artikel 3.29; b. het plaatsen, vervangen of verwijderen van verkeersvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.29; c. het aanvullen van wegbermen, als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet als bedoeld in artikel 3.29; d. het aanleggen, hebben, vervangen of verwijderen van een beschoeiing in een primair of secundair water als bedoeld in artikel 3.32; e. het vervangen van een inlaat in een peilafwijkingengebied als bedoeld in artikel 3.46; f. het aanleggen, hebben, wijzigen of vervangen van een steiger of afmeerpaal als bedoeld in artikel 3.23; g. het plaatsen van een paal, afrastering, schutting of hekwerk als bedoeld in artikel 3.47; h. het plaatsen van een straatvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.48; en i. het aanbrengen of hebben van een taludtrap als bedoeld in artikel 3.
- Dit artikel geldt niet als de artikelen 2.14 tot en met 2.21 van toepassing zijn. Artikel 2.23 Woonschepen en drijvende voorwerpen Het is verboden zonder omgevingsvergunning met een woonschip of drijvend voorwerp ligplaats in te nemen langs een onbeschoeide oever van een waterkerend dijklichaam. Paragraaf 2.3.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen half-verholen waterkeringen Artikel 2.24 Grondwater onttrekken Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering, als: a. langer dan vier weken per jaar grondwater wordt onttrokken; of b. de hoeveelheid te onttrekken water meer bedraagt dan 3 m³ per uur. Artikel 2.25 Ophogen en ontgraven
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning ontgravingen te verrichten in de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering, tenzij het betreft een tijdelijke ontgraving als onderdeel van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 3.2.3, 3.2.4, 3.2.7, 3.2.8, 3.2.10, 3.2.11, 3.2.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning de bodem op te hogen met meer dan 0,20 meter grond in de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering.
- Dit artikel geldt niet voor tijdelijke ontgravingen in de gevallen waarop de artikelen 2.26, 2.27 en 2.28 van toepassing zijn. Artikel 2.26 Wegen
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg aan te leggen of te verwijderen in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een verkeersdrempel, verkeersplateau of verzinkbaar verkeersobstakel te plaatsen, te vervangen of te verwijderen in de kernzone van een half-verholen waterkering. Artikel 2.27 Bodemenergiesysteem Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem aan te brengen, te hebben of te verwijderen in de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering. Artikel 2.28 Bouwwerken of andere werken
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk of ander werk aan te brengen, te hebben, wijzigen of te verwijderen in de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering, tenzij het betreft: a. het vervangen of verbreden van wegen als bedoeld in artikel 3.29; b. het plaatsen, vervangen of verwijderen van verkeersvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.29; c. het aanvullen van wegbermen als bedoeld in artikel 3.29 d. het aanleggen, hebben, vervangen of verwijderen van een beschoeiing als bedoeld in artikel 3.32; e. het aanbrengen, hebben, wijzingen of vervangen van een steiger of afmeerpaal als bedoeld in artikel 3.23; f. het plaatsen van een paal, afrastering, schutting of hekwerk als bedoeld in artikel 3.47; g. het plaatsen van een straatvoorziening als bedoeld in artikel 3.48; en h. het aanbrengen of hebben van een taludtrap als bedoeld in artikel 3.
- Dit artikel is niet van toepassing als de artikelen 2.24 tot en met 2.27 van toepassing zijn. Paragraaf 2.3.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen verholen waterkeringen Artikel 2.29 Ontgraven
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning ontgravingen te verrichten in de kernzone of beschermingszone van een verholen waterkering, tenzij het betreft een tijdelijke ontgraving als onderdeel van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 3.2.3, 3.2.7, 3.2.9, 3.2.
- Dit artikel geldt niet voor tijdelijke ontgravingen in de gevallen waarop artikel 2.30 van toepassing is. Artikel 2.30 Bodemenergiesysteem Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem aan te brengen, te hebben of te verwijderen in de kernzone of beschermingszone van een verholen waterkering. Paragraaf 2.3.5 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen beschermende gronden Artikel 2.31 Ontgraven
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning te graven of grond te verwijderen in beschermende gronden, tenzij het een tijdelijke ontgraving betreft als onderdeel van een activiteit als bedoeld in artikel 3.20 en paragraaf 2.3.
- Dit artikel geldt niet voor tijdelijke ontgravingen in de gevallen waarop de artikelen 2.32 en 2.33 van toepassing zijn. Artikel 2.32 Wegen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg aan te leggen of te verwijderen in beschermende gronden. Artikel 2.33 Bouwwerken of andere werken
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk of ander werk aan te brengen, te hebben, wijzigen of te verwijderen in beschermende gronden, tenzij het betreft: a. het aanleggen, hebben, vernieuwen of verwijderen van kabels of leidingen; b. het aanleggen, hebben, vervangen of verwijderen van beschoeiing als bedoeld in artikel 3.32; of c. het vervangen of verbreden van wegen, het plaatsen, vervangen of verwijderen van verkeersvoorzieningen en het aanvullen van wegbermen, als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 als bedoeld in artikel 3.
- Dit artikel geldt niet als artikelen 2.31 tot en met 2.32 van toepassing zijn. Afdeling 2.4 Regels over oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden Paragraaf 2.4.
Artikel 2
.34 Reikwijdte Deze afdeling is van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden. Artikel 2.35 Oogmerken
- De regels in deze afdeling over activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot oppervlaktewaterlichamen zijn gericht op de oogmerken, bedoeld in artikel 1.7, in het bijzonder het zoveel mogelijk: a. waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater; b. waarborgen van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam; c. waarborgen van de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam; d. vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van feitelijke belemmeringen voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie; e. uitvoeren van het onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten; en f. waarborgen van de vervulling van maatschappelijke functies door oppervlaktewaterlichamen.
- De regels in deze afdeling over activiteiten in bergingsgebieden zijn gericht op de oogmerken, bedoeld in artikel 1.7, in het bijzonder het zoveel mogelijk: a. waarborgen van het waterbergend vermogen van het bergingsgebied; en b. uitvoeren van het onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten. Artikel 2.36 Specifieke zorgplicht
- Degene die een activiteit verricht in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam of in een bergingsgebied en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.35, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
- Die verplichting houdt in ieder geval in dat alle passende maatregelen worden getroffen om: a. aantasting van de oever van meren en plassen naar vorm en constructie te voorkomen; b. belemmering van de doorstroming in het stromingsprofiel van de watergang te voorkomen of weg te nemen; c. afname van het bergend of infiltrerend vermogen van waterbergingsvoorzieningen te voorkomen of weg te nemen; d. aantasting van maatregelen en voorzieningen die zijn getroffen ter verbetering van de ecologische waterkwaliteit te voorkomen; e. de uitvoering van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten te waarborgen; f. nadelige gevolgen voor de vaarfunctie, voor zover aanwezig, van het water te voorkomen; en g. nadelige invloed op de gewenste grondwaterstand te voorkomen.
- Die verplichting houdt in ieder geval ook in dat in een oppervlaktewaterlichaam alle passende maatregelen worden getroffen om: a. aantasting van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam naar afmeting, vorm en constructie te voorkomen; b. waterstandverhoging en afname van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken; c. nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk te voorkomen; en d. belemmeringen in het oppervlaktewaterlichaam voor het uitvoeren van onderhoud te voorkomen.
- Die verplichting houdt in ieder geval ook in dat in bergingsgebieden alle passende maatregelen worden getroffen om afname van het bergend vermogen van bergingsgebieden te voorkomen of weg te nemen.
- Die verplichting houdt in ieder geval ook in dat in beschermingszones alle passende maatregelen worden getroffen om belemmeringen voor het uitvoeren van onderhoud te voorkomen.
- Deze plicht houdt voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; c. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd; f. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en direct op verzoek van het bestuur kunnen worden gepresenteerd. Artikel 2.37 Informeren over een ongewoon voorval
- Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval bij een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk.
- Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen. Artikel 2.38 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
- Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
- Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen. Paragraaf 2.4.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen onttrekken/lozen van water aan/op oppervlaktewater Artikel 2.39 Onttrekken en lozen van water aan of op oppervlaktewateren
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning meer dan 500 m³ water per uur aan te voeren, te lozen, af te voeren of te onttrekken aan of op een boezemwater.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning meer dan 120 m³ water per uur aan te voeren, te lozen, af te voeren of te onttrekken aan of op een een primair water, anders dan een boezemwater, of aan of op een secundair water. Artikel 2.40 Lozen van afvalwater of stoffen op oppervlaktewater
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater, warmte of stoffen te lozen op een oppervlaktewaterlichaam, behalve als het gaat om: a. het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; c. het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen; d. het lozen van grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering:
- waarbij de te lozen hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 50 m3 per uur, 15.000 m3 per 4 weken en de duur van de lozing niet langer is dan 6 maanden voor een korte bodemsanering of;
- waarbij de te lozen hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 15 m3 per uur, 4.000 m3 per 4 weken en de duur van de lozing niet langer is dan 3 jaar voor een langdurige bodemsanering of; e. het lozen van grondwater bij ontwatering, als dat grondwater:
- geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is;
- waarbij de te lozen hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 50 m3 per uur, 15.000 m3 per 4 weken en de duur van de lozing niet langer is dan 6 maanden of; f. het lozen van afvloeiend hemelwater, als dat hemelwater:
- niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
- geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is; g. het lozen van huishoudelijk afvalwater, als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:
- 40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;
- 100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;
- 600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;
- 1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; of
- 3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten; h. het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; i. het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken, mits het afvalwater afkomstig is van:
- het afwassen met water; of
- het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar; j. het lozen van afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen; k. het lozen bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht; l. het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt; m. het lozen bij het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen, het overslaan van zout voor het strooien op wegen, het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk en het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk; n. het lozen van afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als:
- het lozen is gestart voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
- dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd; o. het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd; p. het lozen van stoffen die die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam; q. het lozen van stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan onder p, op een oppervlaktewaterlichaam en die worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer; r. het lozen van algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam; s. het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit; t. het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving; u. het lozen van afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is; v. het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen, als het bereiden plaatsvindt met:
- grootkeukenapparatuur; één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of
- één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt; w. het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers; x. het lozen van afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, als:
- het afvalwater vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; of
- het afvalwater vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind; en y. het individueel verstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.
- In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder f, wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen alleen geloosd op: a. een aangewezen oppervlaktewaterlichaam als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is; b. en een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
- In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder g, kan huishoudelijk afvalwater zonder omgevingsvergunning op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.
- De afstand, bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
- In afwijking van het vierde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
- Voor de toepassing van het eerste lid, onder j en k, worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas.
- De afstand, bedoeld in het eerste lid, onder u wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
- In afwijking van het zevende lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
- Het eerste lid, aanhef en onder v, geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Paragraaf 2.4.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen primaire wateren en boezemsystemen Artikel 2.41 Wijzigen primaire wateren Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een primair water direct of indirect te verbinden met een secundair water; b. een ander primair water geheel of gedeeltelijk te dempen; of c. een primair water te verbreden te verdiepen of het talud te verflauwen. Artikel 2.42 Steigers en afmeerpalen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger of afmeerpaal aan te brengen, te hebben of te wijzigen in de gebieden op de 'Knelpuntenkaart boezemsysteem'. Artikel 2.43 Woonschepen, drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning ligplaats te nemen, te meren of te ankeren met een woonschip, drijvende inrichting of drijvend voorwerp in een primair water in de gebieden 'Knelpuntenkaart boezemsysteem', tenzij het betreft het vervangen van een woonschip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning ligplaats te nemen, te meren, te ankeren met een recreatieschip of een recreatieschip te vervangen in een primair water als het recreatieschip: a. ligt in het hoogwaterbemalingsgebied aangegeven op de 'Knelpuntenkaart boezemsysteem'; en b. een lengte heeft van meer dan 6 meter. Artikel 2.44 Bruggen en dammen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een brug of dam aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen in een primair water of de beschermingszone van een primair water. Artikel 2.45 Peilafwijkingen Het is verboden zonder omgevingsvergunning buiten een peilafwijkingengebied af te wijken van het peil. Artikel 2.46 Overhangende bomen, struiken en andersoortige beplantingen Het is verboden zonder omgevingsvergunning overhangende bomen, struiken of andersoortige beplanting aan te brengen of te hebben in een primair water of de beschermingszone van een primair water. Artikel 2.47 Bouwwerken en andere werken
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk of ander werk aan te brengen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen in, een primair water of de beschermingszone van een primair water, tenzij het betreft: a. het aanleggen, hebben, vernieuwen of verwijderen van een kabel of leiding; b. het aanbrengen, hebben, vervangen of verwijderen van een steiger of afmeerpaal; of c. het aanleggen, hebben, vervangen of verwijderen van een beschoeiing.
- Dit artikel geldt niet als de artikelen 2.41 tot en met 2.46 van toepassing zijn. Paragraaf 2.4.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen secundaire wateren Artikel 2.48 Wijzigen secundaire wateren
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een secundair water: a. direct of indirect in verbinding te brengen met een primair water of ander secundair water; en b. geheel of gedeeltelijk te dempen.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam of in de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering: a. een secundair water te verbreden; b. een secundair water te verdiepen; of c. het talud van een secundair water te verflauwen. Artikel 2.49 Steigers en afmeerpalen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger of afmeerpaal aan te brengen, te hebben of te wijzigen in een secundair water in de gebieden 'Knelpuntenkaart boezemsysteem'. Artikel 2.50 Bruggen en dammen
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een brug of dam aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen in of boven een secundair water met een vaarfunctie.
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een brug of dam aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen in of boven een secundair water in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam of in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam of in de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering. Artikel 2.51 Peilafwijkingen Het is verboden zonder omgevingsvergunning buiten een peilafwijkingengebied in een secundair water af te wijken van het peil. Artikel 2.52 Bouwwerken en andere werken
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk of ander werk aan te brengen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen in, boven of onder een secundair water.
- Dit artikel geldt niet als de artikelen 2.49 tot en met 2.50 van toepassing zijn. Paragraaf 2.4.5 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen in molenbiotopen Artikel 2.53 Windbemalingsinstallatie Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen een afstand van 200 meter van een windbemalingsinstallatie een gebouw, voorwerp of beplanting met een hoogte van meer dan 4 meter te plaatsen of te hebben. Paragraaf 2.4.6 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen boezemland en bergingsvoorzieningen Artikel 2.54 Onttrekken overstroombaar boezemland Het is verboden zonder omgevingsvergunning door omkading of bedijking overstroombaar boezemland te onttrekken aan het waterbergend oppervlak. Artikel 2.55 Bouwen en maaiveld verhogen op overstroombaar boezemland Het is verboden zonder omgevingsvergunning op overstroombaar boezemland te bouwen of het maaiveld te verhogen. Artikel 2.56 Overige activiteiten Het is verboden zonder omgevingsvergunning activiteiten te verrichten in een waterbergingsvoorziening of een bergingsgebied als die nadelige gevolgen hebben voor de goede staat en werking van de waterbergingsvoorziening of voor het bergingsgebied. Paragraaf 2.4.7 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen lozen op zuiveringtechnisch werk Artikel 2.57 Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater, warmte of stoffen te lozen op een zuiveringtechnisch werk, tenzij het betreft: a. het lozen van stoffen, water of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen; c. het lozen van grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; d. het lozen van grondwater bij ontwatering, als dat grondwater:
- niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en
- geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; e. het lozen van afvloeiend hemelwater, als dat hemelwater:
- niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
- geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is; f. het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; g. het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken, mits het afvalwater afkomstig is van:
- het afwassen met water; of
- het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar; h. het lozen van afvalwater bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht; i. het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit; j. het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving; k. het lozen van afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen; of l. het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen, als het bereiden plaatsvindt met:
- grootkeukenapparatuur;
- één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; en
- één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt.
- Voor de toepassing van het eerste lid, onder h, worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas. Afdeling 2.5 Bestuursbevoegdheden Paragraaf 2.5.1 Beoordelingsregels Artikel 2.58 Beoordelingsregels
- Een omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit verenigbaar is met de belangen bedoeld in de artikelen 2.2, 2.8, 2.12, 2.35 en de specifieke zorgplicht in de artikelen 2.3, 2.9, 2.13 en 2.
- Een omgevingsvergunning, rekening houdend met de waterbeheerprogramma's, de regionale waterprogramma's, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam, wordt in ieder geval niet verleend als: a. niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, niet wordt bereikt.
- Het tweede lid is niet van toepassing: a. voor zover dit betrekking heeft op de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het niet voldoen aan de omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, in verbinding met het eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:
- nieuwe verandering van de fysieke kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam of wijziging in de stad van een grondwaterlichaam; en
- een toepassing die is gegeven aan artikel 2.17, vierde lid, in verbinding met het eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
- Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
- In afwijking van het vierde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als: a. de aanvraag betrekking heeft op:
- nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;
- wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of
- het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling; b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.
- Het verlenen van een omgevingsvergunning mag er niet toe leiden dat de maatschappelijke lasten van beheer onaanvaardbaar toenemen, tenzij voor de activiteit geen redelijke alternatieven bestaan en er zwaarwegende redenen van openbaar belang aanwezig zijn. Artikel 2.59 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.60 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.61 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit
- Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
- Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.62 Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 2.5.2 Maatwerkvoorschriften Artikel 2.63 Maatwerkvoorschriften
- In aanvulling op of in afwijking van de specifieke zorgplichten, bedoeld in afdeling 3.2, kunnen met het oog op de belangen, bedoeld in de artikelen 2.2, 2.8, 2.12 en 2.35 maatwerkvoorschriften worden gesteld.
- Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in de afdelingen 2.1 tot en met 2.4 kan worden verbonden. Artikel 2.64 Maatwerkvoorschrift aanbrengen afrastering
- Met het oog op de bescherming van het waterstaatswerk tegen aantasting door dieren kan een maatwerkvoorschrift worden opgelegd aan de gerechtigde van een perceel op of nabij een waterstaatswerk voor het aanbrengen van een afrastering. Het maatwerkvoorschrift bevat de plaats en de soort van de afrastering.
- Zonder schriftelijke toestemming wordt de afrastering die door of vanwege het waterschap is geplaatst, niet verwijderd. Paragraaf 2.5.3 Buitengewone omstandigheden Artikel 2.65 Aanwijzing bijzondere omstandigheden Bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet zijn: a. dreiging van waterschaarste of overvloed aan water; b. dreiging van een aanmerkelijke verslechtering van de waterkwaliteit; en c. bedreiging van de goede staat en werking van een waterstaatswerk. Artikel 2.66 Algeheel verbod bij calamiteiten Het bestuur kan bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet en, zo nodig in afwijking van verleende omgevingsvergunningen, verbieden grondwater te onttrekken, water te infiltreren, water te lozen in een oppervlaktewaterlichaam of water te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam. Paragraaf 2.5.4 Bestuursbevoegdheden binnen de waterschapsverordening Artikel 2.67 Vrijstelling
- Het bestuur kan voor bepaalde tijd vrijstelling verlenen van de verboden, bedoeld in artikel 2.4, paragraaf 2.2.2, de paragrafen 2.3.2 tot en met 2.3.5, paragraaf 2.4.2 en de paragrafen 2.4.3 tot en met 2.4.
- Aan de vrijstelling kunnen regels worden verbonden met het oog op de belangen, bedoeld in de artikelen 2.2, 2.8, 2.12 en 2.35 en de artikelen 2.3, 2.9, 2.13 en 2.
- De regels kunnen de verplichting bevatten een activiteit te melden. Artikel 2.68 Nadere regels specifieke zorgplichten Het bestuur kan nadere regels stellen over de specifieke zorgplichten, bedoeld in de artikelen 2.3, 2.9, 2.13 en 2.36 voor daarbij aan te wijzen activiteiten, waarvoor in de afdelingen 2.1, 2.2, 2.3 en 2.4 niet reeds een verbod geldt. Artikel 2.69 Grenswaarden en regels
- Het bestuur kan grenswaarden en regels vaststellen voor het verrichten van activiteiten binnen daarbij aangewezen gebieden, voor een daarbij aangegeven duur, met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 2.35 en artikel 2.36 en de doelstellingen en maatregelen in het waterbeheerprogramma.
- Het besluit bevat een motivering waarin in ieder geval wordt ingegaan op: a. de doelstelling van waterbeheer waarvoor de grenswaarden en regels worden vastgesteld; b. de toestand van het onderdeel van het watersysteem waarvoor de grenswaarden en regels worden vastgesteld; en c. de activiteiten die naar verwachting het bereiken van de doelstelling belemmeren.
- Een omgevingsvergunning voor een activiteit waarvoor een grenswaarde en regels zijn vastgesteld wordt geweigerd, als de activiteit leidt tot overschrijding van de grenswaarde.
- Bij het vaststellen van grenswaarden en regels laat het bestuur de vrijstellingen, bedoeld in artikel 2.67, en de nadere regels, bedoeld in artikel 2.68, voor die activiteiten vervallen voor zover noodzakelijk om tegenstrijdigheid te voorkomen.
- Als voor een activiteit grenswaarden en regels zijn vastgesteld, blijven de maatwerkvoorschriften voor die activiteit buiten toepassing. Artikel 2.70 Absoluut verbod Het bestuur kan het verrichten van een activiteit verbieden. Het besluit bevat in ieder geval: a. de activiteiten waarvoor het verbod geldt; b. het gebied waarbinnen het verbod geldt; en c. de duur van het verbod. Artikel 2.71 Nadere regels gegevens en bescheiden
- Het bestuur stelt nadere regels over te verstrekken gegevens en bescheiden.
- De nadere regels bevatten in ieder geval de te verstrekken gegevens en bescheiden bij: a. een aanvraag voor een omgevingsvergunning; en b. een melding.
- Het bestuur wijst activiteiten aan waarvoor na uitvoering een revisietekening wordt verstrekt. Artikel 2.72 Werkingsgebieden keringen en oppervlaktewaterlichamen
- Het bestuur kan de geometrische begrenzingen wijzigen van de waterstaatswerken en beperkingengebieden, bedoeld in artikel 1.
- Het bestuur kan de geometrische begrenzing vaststellen van: a. natuurvriendelijke oevers en overige voorzieningen die zijn aangelegd ter verbetering van de ecologische waterkwaliteit; b. molenbiotopen; c. bebouwde kommen; en d. overstroombaar boezemland. Artikel 2.73 Vergunningplicht stedelijke uitbreiding
- Het bestuur kan in afwijking van artikel 2.4, de omvang van het oppervlak vaststellen waarboven het verboden is zonder omgevingsvergunning verhard oppervlak uit te breiden. Het bestuur kan daarbij een norm vaststellen voor compensatie van de toename van hemelwaterafvoer in het oppervlaktewatersysteem Paragraaf 2.5.5 Leidraad ontwerp en inrichting stedelijke waterinfrastructuur Artikel 2.74 Leidraad ontwerp en inrichting stedelijke waterinfrastructuur Het bestuur stelt een leidraad vast voor het ontwerp en de inrichting van het watersysteem, met het oog op het beschermen van de belangen bedoeld in de artikelen 2.2 en 2.
- Paragraaf 2.5.6 proef paragraaf Artikel 2.75 proef artikel Deze paragraaf en dit artikel zijn bij wijze van een mutatietest ingevoegd en dienen later te worden verwijderd. We gebruiken als werkingsgebied de molenbiotoop: "binnen een afstand van 200 meter van een windbemalingsinstallatie". Hoofdstuk 3 Inhoudelijke regels Afdeling 3.1 Algemene bepalingen Paragraaf 3.1.1 Compensatienorm per afwateringsgebied Artikel 3.1 Compensatienorm per afwateringsgebied Gereserveerd Paragraaf 3.1.2 Algemene aanvraagvereisten Artikel 3.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning grondwateronttrekkingsactiviteiten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken h. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; i. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en j. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:
- de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;
- de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;
- een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;
- de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en
- een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken. Artikel 3.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken oppervlaktewater wordt gebruikt; b. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder onttrekkingspunt; c. de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur per onttrekkingspunt; d. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste wordt onttrokken; e. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en f. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken. Artikel 3.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied; b. een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding; c. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; d. als een waterstaatswerk wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgende informatie:
- een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleiding wegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat;
- een tekening met een aanduiding van de boorlijn;
- een tekening van de dwarsdoorsnede in de langsrichting van de gekozen boorlijn; en
- gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van de buis op basis van een grondmechanisch onderzoek; en e. als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering. Artikel 3.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit waterbodem Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, in aanvulling op artikel 3.4 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de hoeveelheid te verwijderen materiaal; en b. een aanduiding van het totaal te baggeren oppervlak in kubieke meters. Paragraaf 3.1.3 Algemene indieningsvereisten meldingen / informatieplicht Artikel 3.6 Algemene gegevens bij een melding of informatieverplichting
- Een melding of de verstrekking van gegevens en bescheiden wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam, het adres, de woonplaats en het telefoonnummer van degene die de activiteit verricht of doet verrichten; b. de geografische aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht, door:
- een situatietekening;
- een kaart met een functionele schaal die is voorzien van een noordpijl en waarop de ligging van de locatie ten opzichte van de omgeving is aangegeven;
- foto's; of
- een ander geschikt middel; c. een omschrijving van de aard, de omvang, de reden en het doel van de voorgenomen activiteit; d. indien de activiteit voor bepaalde tijd is: het tijdstip waarop de activiteit wordt beëindigd; e. de verwachte datum en het verwachte tijdstip waarop met de activiteit wordt begonnen en de verwachte duur ervan; en f. als de melding wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam, adres, woonplaats en telefoonnummer.
- Ten hoogste 48 uur na een wijziging van de naam of het adres, worden de gewijzigde gegevens aan het bestuur verstrekt.
- Van een wijziging van de verwachte datum en het verwachte tijdstip waarop met de activiteit wordt begonnen, wordt melding gedaan aan het bestuur zo spoedig mogelijk na de wijziging en in ieder geval voordat met de activiteit wordt gestart.
- Het is verboden bij het verrichten van de activiteit af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij de melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.
- Als niet binnen een jaar na indiening is begonnen met de activiteit wordt een nieuwe melding gedaan. Artikel 3.7 Gegevens en bescheiden op verzoek
- Op verzoek van het bestuur worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels en de maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn.
- Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 3.8 Meetplicht
- Degene die een wateronttrekkingsactiviteit verricht, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.
- Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
- Degene die een wateronttrekkingsactiviteit verricht, inhoudende het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en analyseren van de in de tabel opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie. De tabel 'Tabel artikel 6.37a Parameters en meetfrequentie' bij artikel 6.37a van het Besluit activiteiten leefomgeving is van toepassing.
- Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens verstrekt: a. de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en b. de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.
- Het eerste tot en met het vierde lid gelden niet: a. voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen metingen hoeven te worden verricht. Afdeling 3.2 Inhoudelijke regels activiteiten Paragraaf 3.2.1 Grondwater onttrekken en water infiltreren Artikel 3.9 Specifieke zorgplicht
- Voor grondwateronttrekkingen, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.9, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering en in een waterkerende constructie, in ieder geval in dat na het beëindigen van de grondwateronttrekking de gaten in de bodem waterdicht worden afgedicht met bentoniet of kleikorrels, zoveel mogelijk overeenkomstig de oorspronkelijke bodemopbouw.
- Voor grondwateronttrekkingen, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.9, buiten de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, buiten de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering en buiten een waterkerende constructie, in ieder geval in dat voor een korte (bron)bemaling, korte bodemsanering of een pompproef: a. de grondwaterstand niet wordt verlaagd tot meer dan 0,5 meter onder het ontgravingsniveau; en b. in gebieden met houten paalfunderingen:
- rondom de bouwput goed aaneensluitende damwanden worden aangebracht om uitspoeling te voorkomen;
- de grondwaterstand buiten de damwand niet wordt verlaagd tot onder de bovenzijde van de houten paalfundering van de bebouwing die in de invloedsfeer van de bemaling staat;
- als de hoogte van de houten paalfundering(en) niet bekend is, het grondwaterniveau rondom de bouwkuip niet wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand, waarbij de gemiddelde laagste grondwaterstand wordt afgeleid van een of meerdere representatieve peilbuizen in de nabije omgeving van de werkzaamheden;
- voorafgaand aan de bemaling peilbuizen worden geplaatst aan de voor- en achterzijde van het werk, waarbij de peilbuizen worden afgesteld in de freatische bodemlaag;
- de peilbuizen altijd goed functioneren en toegankelijk zijn voor het bestuur; en
- als de onttrekking geheel of gedeeltelijk buiten werking wordt gesteld, ervoor wordt zorg gedragen dat: I. geen grondwateroverlast ontstaat; II. alle in de bodem aangebrachte buizen met boorgat met doorlatende filters die tot de bemaling behoren, zo worden afgesloten en afgedicht, dat verontreiniging van grondwater wordt voorkomen; III. afsluitende lagen over de gehele lengte worden hersteld met bentoniet of een vergelijkbaar materiaal; IV. gaten in de bodem die ontstaan tijdens het trekken van de damwanden worden opgevuld met bentoniet; en V. de bodem wordt afgedicht met schoon opvulmateriaal, zoveel mogelijk overeenkomstig de oorspronkelijke bodemopbouw.
- Voor langdurige bodemsanering, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.9, buiten de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, buiten de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering en buiten een waterkerende constructie, in ieder geval in dat: a. het niet is toegestaan dat in gebieden gelegen buiten de hogere gronden de freatische grondwaterstand te verlagen tot onder de waterstand van het meest nabije oppervlaktewater; en b. het niet is toegestaan de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket te verlagen tot meer dan 0,5 meter onder het ontgravingsniveau.
- Voor beregening en bevloeiing, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.9, buiten de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, buiten de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering en buiten een waterkerende constructie, in ieder geval in dat grondwater niet wordt onttrokken als voldoende water beschikbaar is uit een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.10 Meldplicht
- Het is verboden grondwater te onttrekken of water te infiltreren, als daarvoor geen vergunning vereist is zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, tenzij de grondwateronttrekking: a. buiten de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, buiten de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering plaatsvindt; b. maximaal 5 m3 per uur bedraagt; en c. maximaal een week duurt.
- De melding voor het onttrekken van grondwater of infiltreren van water bevat ten minste: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de rijksdriehoeksmeting van iedere put; d. de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld van het NAP; e. de lengte van het effectieve filter of de effectieve filters in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meter per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meter per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; en h. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken.
- De melding voor de opstelling van de peilbuizen in gebieden met houten paalfunderingen bevat ten minste: a. de filterstelling (diepte boven- en onderkant filter) in centimeters ten opzichte van het NAP en het maaiveld; b. de diameter van het filter en van de peilbuis; c. bij nieuwe meetpunten: de eerst gemeten grondwaterstand en/of stijghoogte; d. de hoogte van het maaiveld ter plaatse in centimeters ten opzichte van het NAP; e. de hoogte van het meetpunt in centimeters ten opzichte van het NAP; en f. de coördinaten van de meetpunten volgens het rijksdriehoekstelsel. Artikel 3.11 Meetplicht
- De meetplicht, bedoeld in artikel 3.8, geldt buiten gebieden met houten paalfunderingen voor grondwateronttrekkingen van minimaal 12.000 m³ per jaar.
- De meetplicht geldt voor grondwateronttrekkingen in gebieden met houten paalfunderingen.
- De grondwaterstanden in de peilbuizen worden vanaf ten minste 5 (werk)dagen voor aanvang van de onttrekking tot ten minste 5 (werk)dagen na het einde van de onttrekking gemeten en geregistreerd ten opzichte van het NAP. Het meten en registeren van de grondwaterstanden vindt dagelijks plaats gedurende werkdagen en op verzoek van het bestuur worden de geregistreerde gegevens overlegd. Paragraaf 3.2.2 Wijzigen secundair water Artikel 3.12 Specifieke zorgplicht
- Dit artikel gaat over het wijzigen van een secundair water, waarvoor geen vergunning is vereist.
- De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, voor het wijzigen van een secundair water, houdt in ieder geval in, dat: a. de hellinghoek van het talud van de oever niet steiler wordt; b. een secundair water met loopzand of met een veenbodem niet wordt verdiept of verbreed; c. een secundair water niet verder wordt verdiept dan een meter onder het laagste streefpeil; d. de vaarfunctie niet wordt gehinderd; e. de aanwezige ecologische kwaliteit van de oever en de waterkwaliteit in stand blijft; f. beschadigde oevervegetatie wordt hersteld met ecologisch gelijkwaardige vegetatie; g. de gewijzigde watergang voldoet aan de profielen voor watergangen in Bijlage II, onder 1.2, kolom 4, onder 3; h. de groene oeverzones in stand blijven; en i. wanneer de waterbodem openbreekt:
- de breuk direct wordt gedicht;
- het bestuur direct wordt geïnformeerd, met opgave van de plaats en omvang van de breuk en van de getroffen maatregelen; en
- de nadelige gevolgen van de breuk ongedaan worden gemaakt of beperkt.
- De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, voor het wijzigen van een secundair water houdt in ieder geval in dat in groene oeverzones in Natura-2000 gebieden, het uitgekomen materiaal minimaal 1,00 meter uit de insteek van de oever wordt gelegd. Artikel 3.13 Meldplicht
- Het is verboden een secundair water buiten de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en buiten de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering te wijzigen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
- De melding bevat de afmetingen van het profiel van de watergang voor en na het verrichten van de activiteit. Paragraaf 3.2.3 Kabels en leidingen Artikel 3.14 Specifieke zorgplicht voor huisaansluitingen waterkeringen
- Dit artikel gaat over het aanleggen, hebben of vervangen van kabels en leidingen voor huisaansluitingen in het beperkingengebied van een waterkering.
- De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, houdt in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering en in de kernzone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de sleuf een diepte heeft van maximaal 1,00 meter; b. de huisaansluiting op maximaal 1,00 meter diepte onder het maaiveld ligt; c. de leiding van het type PE80/100 SDR11 is; d. de leiding wordt aangelegd conform de toepasselijke NEN-normen; e. de huisaansluiting zoveel mogelijk loodrecht op de kering wordt gelegd; f. de werkzaamheden niet worden gestart en uitgevoerd wanneer het langdurig regent of vriest of wanneer dit wordt voorspeld; g. koppelingen ten minste dezelfde druk kunnen weerstaan als de leiding; en h. ontgravingen tot het minimum worden beperkt.
- De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, houdt in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. als de huisaansluiting wordt geclusterd met andere huisaansluiting: er voldoende ruimte is tussen de afzonderlijke leidingen om de grond goed te kunnen verdichten; b. een drinkwaterleiding een uitwendige diameter heeft kleiner dan of gelijk aan 40 mm; c. een gasleiding een uitwendige diameter heeft kleiner dan of gelijk aan 40 mm en een druk kleiner dan of gelijk aan 10 kPa; d. een rioolleiding een uitwendige diameter heeft kleiner dan of gelijk aan:
- 125 mm bij een vrijvervalleiding; of
- 75 mm bij een drukriolering; e. de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering niet worden aangetast; f. direct na het aanbrengen van de huisaansluiting en aan het einde van iedere werkdag de ontgraving wordt aangevuld met de uitkomende grond in omgekeerde volgorde in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht en waarbij niet wordt verdicht met bevroren grond; g. sleufontgravingen gefaseerd worden uitgevoerd, zodat niet de gehele kruin wordt doorgraven; en h. verwijderde of beschadigde verharding, goed aansluitend op de bestaande verharding, wordt hersteld en uitgestoken graszoden worden teruggelegd of, bij het ontbreken van geschikte graszoden, de kale plekken worden ingezaaid met graszaad.
- De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, houdt in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in ieder geval in, dat: a. de huisaansluiting in een open ontgraving wordt gelegd; b. een huisaansluiting, die geheel of gedeeltelijk wordt aangelegd in de kruin van de waterkering, wordt voorzien van een kwelscherm met een kleikist; c. kwelschermen minimaal 0,5 meter buiten de leiding steken, waterdicht met de leiding worden verbonden en in een kleikist met een dikte van minimaal 1,00 meter in de lengterichting van de leiding worden gevat; d. het kwelscherm met kleikist in de kernzone zo dicht mogelijk bij de hoogwaterzijde wordt aangebracht; e. de afwatering van de waterkering niet wordt belemmerd; f. bij doorkruising van een teensloot een (boog)zinker in de richting van de polder wordt aangelegd vanuit het dijklichaam; g. een (boog)zinker wordt ingebracht maximaal 1,00 meter vanuit de insteek van de teensloot, aan de zijde van de waterkering; h. een (boog)zinker zoveel mogelijk loodrecht op de waterkering wordt aangelegd; en i. een mantelbuis niet dwars door de kruin wordt aangelegd.
- De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, houdt in de beschermingszone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de leiding wordt aangelegd conform de toepasselijke NEN-normen; en b. koppelingen ten minste dezelfde druk kunnen weerstaan als de leiding. Artikel 3.15 Specifieke zorgplicht kabels en leidingen, anders dan huisaansluitingen en gestuurde boringen, waterkeringen
- Dit artikel gaat over het aanleggen, hebben of vervangen van kabels en leidingen, anders dan huisaansluitingen, waarvoor geen vergunning is vereist.
- Voor een kabel houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone van een verholen waterkering en in de kernzone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de sleuf een diepte heeft van maximaal 1,00 meter; b. de kabel op maximaal 1,00 meter diepte onder het maaiveld ligt; c. ontgravingen tot het minimum worden beperkt; en d. de verwijderde of beschadigde verharding, goed aansluitend op de bestaande verharding, wordt hersteld.
- Voor een kabel, die wordt aangelegd in een open ontgraving, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. geen hoogspanningskabels worden aangelegd; b. de werkzaamheden niet worden gestart en uitgevoerd wanneer het langdurig regent of vriest of wanneer dit wordt voorspeld; c. de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering niet wordt aangetast; d. de afwatering van de waterkering niet door de werkzaamheden wordt belemmerd; e. ontgravingen tot het minimum worden beperkt; f. direct na het aanbrengen van de kabel, en, wanneer de kabel in de kernzone ligt, aan het eind van iedere werkdag, de ontgraving wordt aangevuld met de uitgekomen grond in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht en waarbij niet wordt verdicht met bevroren grond; g. de sleuf maximaal 20 meter open ligt; en h. de verwijderde of beschadigde verharding, goed aansluitend aan de bestaande verharding, wordt hersteld, waarbij uitgestoken graszoden worden teruggelegd of, bij het ontbreken van geschikte graszoden, de kale plekken worden ingezaaid met graszaad.
- Voor een kabel houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, in de beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in ieder geval, in dat de kabel op een afstand ligt van ten minste 1,00 meter uit de binnenteen van de dijk.
- Voor een kabel houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, in de kernzone van een half-verholen waterkering, in ieder geval, in dat bij geclusterde kabels, er voldoende ruimte blijft tussen de afzonderlijke leidingen om de grond goed te kunnen verdichten.
- Voor een leiding houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, in de beschermingszone en buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de leiding wordt aangelegd in een open ontgraving; b. geen leidingen met een druk van meer dan 500 kPa worden aangelegd; c. een gasleiding een uitwendige diameter heeft van maximaal 250 mm; d. een drinkwaterleiding een uitwendige diameter heeft van maximaal 110 mm; e. een rioolleiding een uitwendige diameter heeft kleiner dan of gelijk aan:
- 125 mm bij een vrijvervalleiding; of
- 75 mm bij een drukriolering; f. de diepte van de sleuf maximaal 1,00 meter bedraagt; g. de leiding buiten de NEN-veiligheidszone ligt; h. een leiding uit het type PE 80/100 SDR 11 bestaat; i. koppelingen zodanig worden uitgevoerd dat zij dezelfde of een grotere druk dan de leiding kunnen weerstaan; j. de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering niet worden aangetast; k. de afwatering van de waterkering niet door de werkzaamheden wordt belemmerd; l. ontgravingen tot het minimum worden beperkt; m. direct na het aanbrengen van de kabel of leiding de ontgraving wordt aangevuld met de uitgekomen grond in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht en waarbij niet wordt verdicht met bevroren grond; en n. verwijderde of beschadigde verharding, goed aansluitend aan de bestaande verharding, wordt hersteld en uitgestoken graszoden worden teruggelegd of, bij het ontbreken van geschikte graszoden, de kale plekken worden ingezaaid met graszaadmengsel.
- Voor een leiding houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, in de kernzone en beschermingszone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de leiding wordt aangelegd conform de geldende NEN-normen; b. koppelingen zodanig worden uitgevoerd dat deze dezelfde of een grotere belasting kunnen weerstaan; c. ontgravingen tot het minimum worden beperkt; en d. direct na het aanbrengen van de kabel of leiding de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht. Artikel 3.16 Specifieke zorgplicht kabels en leidingen door middel van gestuurde boringen, waterkeringen Voor een kabel of leiding, die wordt aangelegd met een gestuurde boring, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, in de kernzone van een waterkerend dijklichaam, in de beschermingszone en kernzone van een half-verholen waterkering en in de beschermingszone en kernzone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. een drinkwaterleiding een uitwendige diameter heeft van maximaal 110 mm; b. een rioolleiding een uitwendige diameter heeft kleiner dan of gelijk aan:
- 125 mm bij een vrijvervalleiding; of
- 75 mm bij een drukriolering; c. een gestuurde boring plaatsvindt volgende de toepasselijke NEN-normen of gelijkwaardige normen; d. een leiding uit het type PE 80/100 SDR 11 bestaat; e. de boring wordt uitgevoerd door de 'horizontal directional drilling' (HDD) techniek of de 'gesloten front techniek' (GFT); f. de leiding of mantelbuis minimaal 3,00 meter onder de kruinhoogte van een verholen waterkering ligt; g. de leiding of mantelbuis minimaal 10,00 meter onder de kruinhoogte ligt of minimaal 2,00 meter beneden de bovenkant van het vaste pleistocene zand, van een waterkerend dijklichaam of half-verholen waterkering; h. de leiding zo wordt aangelegd dat de kans op piping verwaarloosbaar is voor een waterkerende dijklichaam of een half-verholen waterkering; i. de leiding of mantelbuis zo veel mogelijk horizontaal in de kernzone ligt; j. het in- en uittredepunt van de boring buiten de NEN-veiligheidszone ligt; k. de leiding of mantelbuis zo veel mogelijk loodrecht de kernzone kruist; en l. kruisingen van leidingen en mantelbuizen zoveel mogelijk worden geconcentreerd volgens de onderlinge veiligheidsafstand. Artikel 3.17 Specifieke zorgplicht voor het verwijderen van kabels en leidingen waterkeringen
- Dit artikel gaat over het verwijderen van kabels of leidingen, waarvoor geen vergunning is vereist.
- De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, houdt in de beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de beschermingszone van een half-verholen waterkering en in de kernzone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. ontgravingen tot het minimum worden beperkt; b. direct na het verwijderen van de kabel of leiding, en aan het einde van iedere werkdag, de ontgraving wordt aangevuld met de uitgekomen grond in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en c. de holle ruimte van de verwijderde kabel of leiding wordt opgevuld met klei alvorens de uitgekomen grond in omgekeerde volgorde weer in te brengen en te verdichten en waarbij niet wordt verdicht van de uitgraving met bevroren grond is niet toegestaan.
- De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, houdt in de beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de te verwijderen kabel of leiding op maximaal 1,20 meter diepte ligt; b. de werkzaamheden niet worden gestart en uitgevoerd wanneer het langdurig regent of vriest of wanneer dit wordt voorspeld; c. verwijderde of beschadigde verharding, goed aansluitend aan de bestaande verharding, wordt hersteld; en d. uitgestoken graszoden worden teruggelegd en kale plekken worden ingezaaid met graszaad.
- De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, houdt in de beschermingszone van een waterkerend dijklichaam in ieder geval in, dat: a. de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering niet worden aangetast; b. de afwatering van de waterkering niet wordt belemmerd; en c. de sleuf in delen van telkens maximaal 20 meter wordt gegraven nadat het voorgaande deel is aangevuld en verdicht. Artikel 3.18 Specifieke zorgplicht bij spoedeisende reparaties, lasgaten en proefsleuven waterkeringen
- Dit artikel gaat over spoedeisende reparaties, lasgaten en proefsleuven.
- Voor spoedeisende reparaties, lasgaten en proefsleuven houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering en in de kernzone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de reparatie niet ter vervanging van de kabel of leiding is; b. de uitvoerder van de reparatie de aanwijzingen opvolgt van het bestuur; c. ontgravingen tot het minimum worden beperkt; d. de ontgraving direct na het gereed komen van de reparatie wordt aangevuld met de uitgekomen grond in omgekeerde volgorde en verdicht in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij aan het eind van elke werkdag de ontgraving volledig wordt opgevuld; en e. uitgekomen verharding of grond, goed aansluitend aan het omringende maaiveld, wordt hersteld en uitgestoken graszoden worden teruggebracht, of bij het ontbreken van geschikte graszoden worden de kale plekken worden ingezaaid met graszaad.
- De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, houdt in de kernzone van een waterkerend dijklichaam in ieder geval in, dat: a. een proefsleuf maximaal 20 meter lang en maximaal 0,80 meter breed is; b. een lasgat maximaal 1,50 meter lang en maximaal 1,50 meter breed is; c. bij een ontgraving dwars door de kruin steeds niet meer dan 1/3 van de kruin open ligt; en d. een ontgraving tot maximaal 1,00 meter diep onder het maaiveld reikt. Artikel 3.19 Specifieke zorgplicht kabels en leidingen oppervlaktewaterlichamen Voor het aanleggen, hebben of vervangen van kabels en leidingen houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, onder een oppervlaktewaterlichaam, in ieder geval in dat: a. de aanleg of het vernieuwen van de kabel of leiding die de watergang kruist, plaatsvindt met behulp van een gestuurde boring of een (boog)zinker; b. het in- en uittredingspunt zich minimaal 1,00 meter uit de insteek van de oever bevindt; c. de watergang niet geheel of gedeeltelijk wordt drooggezet of afgesloten; d. een zinker niet wordt aangebracht door een spuitlans of een gebaggerde sleuf; e. met een gestuurde boring de kabel of leiding ten minste 3,00 meter onder de oorspronkelijke vaste waterbodem wordt gelegd; f. een zinker een gronddekking heeft van ten minste 1,50 meter oorspronkelijke grond; g. een kabel of leiding niet evenwijdig aan een primaire watergang wordt aangelegd in de oever; h. ontgravingen tot een minimum worden beperkt; i. ontgravingen direct na het aanbrengen van de kabel of leiding worden aangevuld met de uitgekomen grond in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht; j. de werkzaamheden niet de uitvoering van onderhoud aan de watergang belemmeren; k. beschadigingen aan een oever of het profiel van een watergang worden voorkomen dan wel direct hersteld; l. de watergang na uitvoering van de werkzaamheden zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht; m. wanneer de waterbodem openbreekt:
- de breuk direct wordt gedicht;
- het bestuur direct wordt geïnformeerd, met opgave van de plaats en omvang van de breuk en van de getroffen maatregelen; en
- de nadelige gevolgen van de breuk ongedaan worden gemaakt of beperkt; en n. wanneer er tijdens het boorproces een blow-out plaatsvindt:
- de gevolgen van de blow-out direct worden hersteld; en
- het bestuur direct wordt geïnformeerd, met opgave van de plaats en omvang van de blow-out en van de getroffen maatregelen. Artikel 3.20 Meldplicht
- Het is verboden een kabel of leiding aan te leggen, te hebben, te vernieuwen of te verwijderen in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering, in de kernzone of beschermingszone van een verholen waterkering of in beschermende gronden zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, als daarvoor geen vergunning is vereist op grond van artikel 2.
- Het is verboden een drukleiding te leggen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen in de buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam en de kernzone van een half-verholen waterkering zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
- De melding voor het aanleggen of vervangen van een kabel of leiding bevat ten minste: a. een beschrijving van de soort kabel of leiding; b. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding; c. bij een leiding onder druk: een berekening van de erosiekater; d. als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een boorplan; en e. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering.
- De melding voor het verwijderen van een kabel of leiding bevat ten minste: a. een beschrijving van de wijze van verwijderen; en b. de ligging van de kabel of leiding en van de objecten die daarmee samenhangen. Artikel 3.21 Gegevens en bescheiden: uitvoering spoedeisende reparaties, lasgaten en proefsleuven Ten minste 24 uur voor het begin, of in het geval van een calamiteit, uiterlijk de eerste dag na aanvang van een activiteit als bedoeld in artikel 3.18, worden aan het bestuur gegeven en bescheiden verstrekt over: a. de coördinaten van de kabel, leiding en het werk; b. een overzichtskaart van het werk, met een detailkaart op een schaal van maximaal 1:250; c. een omschrijving van de activiteit; d. de afmetingen van het gat of de sleuf; en e. de diepteligging van de kabel of leiding. Paragraaf 3.2.4 Bodemonderzoek verrichten Artikel 3.22 Specifieke zorgplicht waterkeringen Voor boringen en sonderingen voor bodemonderzoek, waarvoor