← Nederland

Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs gemeente Hellevoetsluis 2009. (Hellevoetsluis)

In het kort

Deze verordening regelt de toekenning van voorzieningen voor huisvesting van scholen in de gemeente Hellevoetsluis. Het doel is om de huisvesting voor basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs te organiseren.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs gemeente Hellevoetsluis 2009.Nummer: 11-12-08/10 De raad der gemeente Hellevoetsluis; gehoord de commissie zorg, welzijn en onderwijs; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 oktober 2008, nummer 11-12-08/10; gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen; gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs; overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de huisvesting voor het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs bij verordening te regelen; besluit: vast te stellen de Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs gemeente Hellevoetsluis 2009. HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder minister : de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; bevoegd gezag : bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente; school : school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet) speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs; school voor basisonderwijs : een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; school voor (voortgezet) speciaal onderwijs : een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra; school voor voortgezet onderwijs : school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs; nevenvestiging : deel van een school dat door de minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht; voorziening : een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2 van deze verordening; programma : het programma als bedoeld in artikel 12 van deze verordening; overzicht : het overzicht van de niet in het kader van de vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 13 van deze verordening; aanvrager : het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft ingediend; aanvraag : verzoek om vergoeding van een voorziening of om bekostiging van bouwvoorbereiding; voor blijvend gebruik bestemde voorziening : voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer noodzakelijk is; voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening : voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren noodzakelijk is; permanent gebouw : schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; noodlokaal : verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; gymnastiekruimte : ruimte die geschikt is voor het onderwijs in lichamelijke oefening; advies Onderwijsraad : een advies van de Onderwijsraad over de vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs; verhuur : het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden; gezamenlijke akte : de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs; beslissing gedeputeerde staten : de beslissing van gedeputeerde staten in een geschil als bedoeld in artikel 110 , tweede lid van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 , tweede lid van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u , tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs; eigendomsoverdracht : de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u en van de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel2Omschrijving voorzieningen in de huisvesting Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden: de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen bestaande uit: nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op dezelfde locatie; uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest; gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school; verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve van de huisvesting van een school; terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a sub 1° tot en met 4°omschreven voorziening; inrichting met onderwijsleerpakket [invullen voor vwo, avo en vbo: of met leer- en hulpmiddelen] voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht; inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht; medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en medegebruik van een gymnastiekruimte [invullen voor bepaalde soorten (v)so: en een bad voor watergewenning of bewegingstherapie]; aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I; onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I; herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie; herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw, onderwijsleerpakket [of leer- en hulpmiddelen en meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden; huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening. Artikel3Bouwvoorbereiding voorzieningen Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a.1 en a.2 kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding. De aanvraag voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen dient betrekking te hebben op investeringen die een bekostigingsplafond van € 226.890,-- te boven gaan. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing. Artikel4Vaststelling vergoeding voorzieningen 1.Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per geval. 2.De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A. De vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel B. 3. Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a.1, a.2, a.6, a.7, a.8, b (alleen met betrekking tot onderwijskundige vernieuwingen) en f. Dit geldt onverminderd ook wanneer dit van toepassing is op de bekostiging van kosten van bouwvoorbereiding zoals vermeld in artikel 3. Deel B van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a.3, a.4, a.5, b (m.u.v. onderwijskundige vernieuwingen), c, d, en e. Dit geldt onverminderd ook wanneer dit van toepassing is op de bekostiging van kosten van bouwvoorbereiding zoals vermeld in artikel 3. Artikel5Informatieverstrekking 1.Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze verordening. 2.Het college kan nadere regels stellen aan de gegevensverstrekking. 3.Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier. HOOFDSTUK2PROGRAMMA EN OVERZICHT Paragraaf2.1Aanvragen programma Artikel6Indiening aanvraag Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid, neemt het college niet in behandeling. Artikel7Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag 1.De aanvraag vermeldt in ieder geval: de naam en het adres van de aanvrager; de dagtekening; de naam van de school en, voor zover van toepassing, het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd; welke voorziening wordt aangevraagd; de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening; de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening. 2.In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de aanvraag vergezeld van: een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6° tot en met 8° en artikel 2, onder d, e en f; de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1° tot en met 4; een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt, indien het een voorziening betreft bestaande uit: 1° nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw; 2° onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs of van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, of; 3° herstel van een constructiefout. Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde formulier ‘Bouwkundige opname’. een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is; een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting, indien de aanvraag volgt op een toekenning van een vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27. 3.Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling. 4. Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat ingeschreven op de betrokken school. Indien het college het afschrift niet binnen een week na de wettelijke teldatum heeft ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld het afschrift binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien het afschrift niet binnen de termijn als bedoeld in de vorige volzin is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling. Artikel8Opgave ingediende aanvragen Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden genomen. Paragraaf2.2Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en overzicht Artikel9Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting 1.Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe te lichten. 2.Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het college geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.3. Artikel10Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad 1.Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar voren te brengen. 2.Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15 september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel. 3.De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan in kennis. 4.Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen. 5.Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. 6.De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het overleg als bedoeld in het vierde lid. 7.Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag van het overleg. 8.Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij de toezending van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van de Onderwijsraad. 9.Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen twee weken plaats na toezending van het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als bedoeld in het vierde lid. Paragraaf2.3Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht Artikel11Tijdstip vaststelling 1.Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort of per voorziening. 2.Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt. Artikel12Inhoud programma 1.De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels toe met betrekking tot: de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I; de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II; de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in bijlage III. Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende voorzieningen neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend zijn. 2.Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V. 3.Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen wordt, voor zover van toepassing, door het college aangegeven: het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV , deel A voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld; het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin; de voorwaarden betreffende ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen. Artikel13Inhoud overzicht 1.Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma zijn opgenomen. 2.Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma zijn opgenomen. Artikel14Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht 1.De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending door het college van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk mededeling over de besluiten aan de overige bevoegde gezagsorganen. 2.De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd met de bekendmaking ter inzage gelegd. Paragraaf2.4Uitvoering programma Artikel15Overleg wijze van uitvoering 1.Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over: het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de Expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs.; het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting door de aanvrager; een andere wijze van uitvoering van het besluit met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag; de wijze waarop door het college toepassing wordt gegeven aan de toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in verband met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 16; de controle op en het afleggen van verantwoording over de besteding van de beschikbaar te stellen middelen. 2.Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van toepassing, gezien de aard van de voorziening, de gestelde richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht genomen. 3.De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt. Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt. 4.Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16, vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van overeenkomstige toepassing. 5.Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen. Artikel16Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overlegging offertes 1.Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid, is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter instemming in bij het college. 2.Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt.Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet binnen deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, binnen twee weken na de datum van de beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager. 3.Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in aanmerking. 4.De instemming met de bouwplannen, de instemming met de begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in artikel 15. 5.De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige toepassing. 6.Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de offerte met de laagste prijsstelling bepalend. Artikel17Aanvang bekostiging Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het programma geplaatste voorziening. Artikel18Vervallen aanspraak op bekostiging 1.De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien de aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar volgend op de vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst vermeldt de datum van aankoop. 2.De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de termijn, als bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft ingediend. Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd. HOOFDSTUK3AANVRAGEN MET SPOEDEISEND KARAKTER Paragraaf3.1Aanvraag Artikel19Indiening aanvraag Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Artikel20Inhoud aanvraag 1.De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager de volgende gegevens te verstrekken: een nadere aanduiding van de omstandigheden die de voorziening in de huisvesting spoedeisend maken; de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen programma; een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6° tot en met 8° en artikel 2 onder d, e en f; een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. 2Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te behandelen. Paragraaf3.2Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit Artikel21Tijdstip beslissing 1.Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag of binnen acht weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het college. 2.Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Artikel22Inhoud beslissing 1.De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de regels toe met betrekking tot: de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I; de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II; de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage III. 2.De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening omvatten. 3.Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV , deel A voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. Bij de beschikking stelt het college vast voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een afschrift daarvan aan het college moet zijn toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de beschikking door het college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop- huur- of erfpachtovereenkomst zijn gesloten. Artikel23Uitvoering beslissing Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering. Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een termijn van drie weken geldt. Artikel24Vervallen aanspraak bekostiging 1.Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde in artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing. 2.De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van de termijn. 3.Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging op totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college het verzoek inwilligt, noemt het college een nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke vervaldatum kan vallen. HOOFDSTUK4BEKOSTIGING BOUWVOORBEREIDING Artikel25Aanvraag 1.Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het college.Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van aanbesteding van die voorziening. 2.De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 3.De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens: de naam en het adres van de aanvrager; de dagtekening; de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding wordt gewenst; de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste locatie van de voorziening; het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening; een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten; een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand gebouw. Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde formulier 'Bouwkundige opname'; een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid, indien de bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. 4.Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing. Artikel26Toelichting en overleg aanvraag 1.Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige lid, is het bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing. 2.Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. Artikel27Beschikking op aanvraag 1.1 Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, een beslissing op de aanvraag. 2.De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover: er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding beschikbaar zijn; de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat; er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking kan worden gebracht. 3. Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld, echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het bedrag. 4.Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing van de voorziening op enig toekomstig programma. Artikel28Vervallen aanspraak bekostiging De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk is gestart met de bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft verstrekt aan het college waaruit dit blijkt. HOOFDSTUK5MEDEGEBRUIK EN VERHUUR Paragraaf5.1Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie Artikel29Aanduiding omstandigheden Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien: er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een school berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend; het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien; er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze; er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school; er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een school. Artikel30Omschrijving leegstand 1.Er is sprake van leegstand in een lesgebouw: wanneer het betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs, indien uit de vergelijking van het aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw in vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste een aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de daar gevestigde school of scholen; wanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat er binnen het overschot aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte geen sprake is van onderbenutting van de onderwijsruimten. 2.Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte: wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een of meer scholen voor basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van het aantal klokuren gebruik dat door het college wordt vergoed minder is dan 40 klokuren; wanneer het een gebouw betreft van een school voor voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis van bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is; wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een of meer scholen voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs, indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert. Artikel31Nalaten vordering; volgorde van vorderen 1.Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van het onderwijs aan die school of scholen. 2.Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter beschikking staande huisvestingscapaciteit. 3.Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt: als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag, tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van leegstand in een ander gebouw een betere oplossing biedt; vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een school van dezelfde richting is gehuisvest en vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de vordering plaatsvindt. 4.Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in het derde lid opgenomen volgorde afwijken. Artikel32Overleg en mededeling 1.Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in artikel 10. 2.Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben. 3.Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. 4.Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben. 5.De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het tweede en vierde lid, bevat in ieder geval: de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan wordt gevorderd; een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren dat gevorderd wordt; een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking heeft; een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat gevorderd wordt; de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van het medegebruik. Artikel33Vergoeding De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV, deel C. Paragraaf5.2Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden Artikel34Aanduiding omstandigheden Het college kan overgaan tot vordering indien: sprake is van leegstand van een lesgebouw of een gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30; sprake is van onderbenutting van een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken. Artikel35Overleg en mededeling 1.Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg met het bevoegd gezag. 2.In dat overleg komt in ieder geval aan de orde: voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt; of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school; welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt; wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is; de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan nemen. 3.Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het overlegheeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing van het college over deze punten. Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld worden afgezien. Paragraaf5.3Verhuur Artikel36Toestemming college 1.Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het toestemming voor de verhuur aan het college. 2.Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat een aanduiding van de huurder en de bestemming van de te verhuren ruimte. 3.Het college verleent geen toestemming indien: de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs; de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school. HOOFDSTUK6EINDE GEBRUIK GEBOUWEN EN TERREINEN Artikel37Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud 1.Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een gezamenlijke akte. 2.Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een staat van onderhoud opgemaakt. 3.De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college na overleg met het bevoegd gezag. 4.Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt. 5.Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit naar het oordeel van het college niet nodig is. HOOFDSTUK7GEBRUIK GYMNASTIEKRUIMTE VOOR BASISONDERWIJS EN (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJS Artikel38Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroostering gebruik 1.Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens: de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een aantal klokuren; de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het gebruik wordt gewenst; de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een schoolweek wordt gewenst. 2.De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel van toepassing is. 3.Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte. 4.Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot inroostering het volgende in acht: de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen in bijlage I, deel B; het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd voor die gymnastiekruimte; het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk ingeroosterd in één gymnastiekruimte. 5.Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende gegevens: het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in een gymnastiekruimte; de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt; een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één gymnastiekruimte plaatsvindt; voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van de school. Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d slechts op in het voorstel tot inroostering voor zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt. 6.Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending van het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het voorstel tot inroostering. 7.Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit gemotiveerd. 8. Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van het college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van artikel 22 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid. HOOFDSTUK8OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel39Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel40Indexering Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek van prijsbijstelling. Artikel41Citeertitel; inwerkingtreding 1.De verordening kan worden aangehaald als: Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs 2009. 2.Deze verordening treedt in werking op de dag na het verstrijken van een termijn van zes weken na bekendmaking. 3.Op de dag van de inwerkingtreding van de verordening wordt de Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs gemeente Hellevoetsluis, zoals vastgesteld op 31 mei 2007, ingetrokken. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 december 2008.De raad voornoemd, de plv. griffier, de voorzitter, Y.Brouwer-Stam. C.A. Kleijwegt.Toelichtingop de wjzigingenvan de Modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs 1. Introductie In deze algemene toelichting gaan wij in op de wijziging van de modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Het gaat daarbij specifiek om de volgende aanpassingen: de vereenvoudiging van het ruimtebehoeftemodel (speciaal) basisonderwijs; de vereenvoudiging ruimtebehoeftemodel speciaal onderwijs; verdere dualisering gymnastiekonderwijs. Per aanpassing geven wij een toelichting. Daarbij wordt ingegaan op de reden voor de wijziging, de gehanteerde uitgangspunten en welke elementen de wijziging kent. 2. Vereenvoudiging ruimtebehoeftemodel (speciaal) basisonderwijs en speciaal onderwijs Het resultaat van de decentralisering van de onderwijshuisvesting van Rijk naar gemeenten in 1997 is succesvol. De overgang van verantwoordelijkheden is zonder grote problemen verlopen. Diverse onderzoeken wijzen uit dat de huisvesting van scholen bij gemeenten in goede handen is. Desondanks is verbetering noodzakelijk en mogelijk op een aantal terreinen. Het aanpakken van de Verordening die de huisvesting op lokaal niveau regelt, is daarbij de sleutel. Vandaar dat een project is opgestart met als doel de onderwijshuisvestingsverordening te vereenvoudigen. Eind 2006 is het onderzoeksbureau DHV in opdracht van de VNG gestart met een onderzoek dat zich richtte op een eenvoudiger en eenvormiger methode in de modelverordening waardoor een grotere flexibiliteit ontstaat voor het realiseren van uitbreiding en nieuwbouw van scholen. De onderzoeksresultaten hebben wij bij onze Ledenbrief 07/101 van 4 september 2007 bekendgemaakt. Wij hebben de resultaten verwerkt in de bijgevoegde wijzigingsverordeningen. Hieronder wordt ingegaan op de wijzigingen. 2.1 Achtergrond aanpassing ruimtebehoeftemodel Voor de vereenvoudiging van het ruimtebehoeftemodel is gekozen om drie redenen. Betere aansluiting bij de (toenemende) diversiteit in het onderwijs. Steeds meer scholen verlaten de klassikale vorm van onderwijs geven. Dit heeft gevolgen voor de benodigde ruimte. Het klassieke grote klaslokaal verdwijnt. Het klaslokaal is echter nog steeds uitgangspunt in de verordening. Door aanpassing van het ruimtebehoeftemodel wordt het mogelijk creatiever om te springen met de aan scholen beschikbaar te stellen ruimte. Zo kan het bijvoorbeeld een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van Brede Scholen. Vereenvoudiging en vermindering regels en administratieve last Veel gemeenten en schoolbesturen ervaren dat de huidige regelgeving op het gebied van onderwijshuisvesting een belemmering is voor een daadwerkelijk lokaal beleid en dat dit soms tot te veel administratieve procedures leidt. De in deze brief voorgestelde vereenvoudigingsslag helpt gemeenten en schoolbesturen de administratieve druk te verminderen. Daarnaast is de modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs in het kader van een VNG breed project onderzocht op mogelijke vereenvoudigingen en deregulering. Er is geconcludeerd dat verdere deregulering op dit punt niet nodig en wenselijk is. Wel werd geadviseerd om de verordening te screenen op onnodige details. Dat is voor wat betreft de artikelen in de verordening gebeurd. De resultaten daarvan zijn verwerkt in de voorliggende wijzigingsverordening. Wijziging Bouwbesluit. In 2005 heeft het Rijk het Bouwbesluit aangepast (Besluit van 17 december 2004, Stb. 2005, 1). De wijzigingen traden inwerking per 1 september 2005. Met de wijziging van het Bouwbesluit beoogt de wetgever de regelgeving en regeldruk verder te verminderen. De wijziging omvat het schrappen en vereenvoudigen van voorschriften en het in overeenstemming brengen van de Bouwbesluitvoorschriften met technische voorschriften uit andere wet- en regelgeving. Het Bouwbesluit wordt daardoor beter toepasbaar en makkelijker te handhaven. De wijzigingen hebben ook betrekking op schoolgebouwen. Voor alle onderwijsinstellingen en daaraan gerelateerde gymnastiek- en sportlokalen gelden dezelfde basiseisen. De nadere eisen voor speciaal en basisonderwijs worden teruggebracht tot een set basiseisen voor alle onderwijsinstellingen en daaraan gerelateerde gymnastiek- en sportlokalen. Het uitsluitend opnemen van basiseisen voor onderwijs heeft als doel meer helderheid te bieden omdat deze nu voor elke onderwijssoort gelijk zijn. Daarnaast schept het ook meer flexibiliteit. Belangrijkste wijzigingen nieuwbouweisen Bouwbesluit betreffen: er komt één onderwijsfunctie. De aparte functies voor basisonderwijs en speciaal onderwijs vervallen. De ruimtenormering voor het speellokaal vervalt (was 84m²). De minimumnorm van 42 m² voor een leslokaal vervalt/wordt 8 m². De minimale hoogte van een verblijfsruimte wordt verlaagd van 2.8 naar minimaal 2.6 meter. Het realiseren van een speellokaal is niet meer wettelijk verplicht bij nieuwbouw van een school. Het tweede speellokaal (bij meer dan dertien groepen) is niet meer wettelijk verplicht bij nieuwbouw. Een verblijfsruimte voor onderwijzend personeel is niet meer wettelijk verplicht. Een verblijfsruimte voor het hoofd van een school wordt niet meer wettelijk voorgeschreven. Er zijn geen normen meer voor een speellokaal en een watergewenningsbad/bewegingstherapie. Evenals bij andere onderwijsvormen al eerder het geval was, is het al dan niet realiseren van een bassin en van de juiste afmetingen daarvan voor het speciaal onderwijs niet meer wettelijk voorgeschreven. Er komt één sportfunctie. Aparte normen voor het speciaal onderwijs zijn komen te vervallen; Het loslaten van de bovenstaande wettelijke voorschriften maakt het noodzakelijk om de modelverordening voorzieningen onderwijshuisvesting aan te passen. Met name het loslaten van de minimumnorm van 42 m² voor een leslokaal is een belangrijke reden om het huidige ruimtebehoeftemodel aan te passen. Dit maakt het mogelijk om het denken in ‘lokalen’ los te laten en het model om te vormen naar een model waarin het aantal leerlingen bepaalt op hoeveel vierkante meter ruimte een school aanspraak kan maken. 2.2 De vereenvoudiging Het ruimtebehoeftemodel is een belangrijk onderdeel van de verordening. Hiermee wordt, op basis van het aantal leerlingen berekend wat de benodigde capaciteit is voor een school. Er is een apart model voor het primair onderwijs, speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs. Bovendien is het huidige model, zeker voor het primair onderwijs, ingewikkeld. In haar onderzoeksrapport concludeert DHV dat het wenselijk is om de drie modellen beter op elkaar aan te laten sluiten en ze zo minder ingewikkeld te maken. Daarbij is het huidige VO-model uitgangspunt. Dat betekent dat de ruimtebehoefte niet meer in lokalen, maar in een aantal m² per leerling wordt berekend. De algemene systematiek in de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs blijft ongewijzigd: Stel de beschikbare gebouwcapaciteit vast; Stel de ruimtebehoefte vast, Het verschil tussen ruimtebehoefte en beschikbare capaciteit leidt tot toekenning. Bereken het bijbehorend normbedrag. Wat wel verandert, is de manier waarop de ruimtebehoefte wordt vastgesteld. In de oude situatie voor het basisonderwijs volgde de ruimtebehoefte indirect uit het aantal leerlingen. Het leerlingenaantal werd daarbij eerst omgerekend in het aantal bijbehorende groepen. Deze methodiek lag voor de hand in een onderwijscontext waarin de klas/groep als onveranderlijk uitgangspunt aanwezig was. In die benadering ontwikkelde de ruimtebehoefte zich stapsgewijs: per hele klassengroep. Ontwikkelingen in het basisonderwijs laten een grotere diversiteit zien, bijvoorbeeld in aanpak en in werkvormen. Leerlingen werken ook individueel en in groepjes buiten de context van de klassengroep. Verder nemen de ondersteunende activiteiten zoals remedial teaching een belangrijke plaats in. Op basis hiervan is er ervoor gekozen om (ook voor het (speciaal) basisonderwijs en het speciaal onderwijs) de ruimtebehoefte fijnmazig en rechtstreeks uit het leerlingaantal af te leiden, zoals dat nu ook gebeurt voor het voortgezet onderwijs. schoolsoort Was Wordt PO/(V)SO # leerlingen > # groepen > # lokalen # leerlingen > # m² brutovloeroppervlak Tabel 1. Nieuwe methodiek voor PO / (V)SO In de nieuwe methodiek is de ruimtebehoefte niet meer aan het ruimtetype gekoppeld, dus ook niet voor bijvoorbeeld het speellokaal. Er is meer keuzevrijheid voor de schoolbesturen om de ruimte-invulling vorm te geven. De nieuwe methodiek is mede mogelijk omdat, zoals eerder uitgelegd, de minimumnorm voor groepsruimten in het Bouwbesluit is teruggebracht tot 8 m². 2.2.1 Bepaling aanwezige capaciteit (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs Deze nieuwe benadering betekent dat naast de ruimtebehoefte (zie paragraaf 2.2.2), ook de capaciteit van een schoolgebouw in m² brutovloeroppervlakte moet worden vastgesteld en vastgelegd. In de huidige verordening wordt de capaciteit van een gebouw uitgedrukt in het aantal lokalen. Daarom is Bijlage III, Deel A aangepast. De bedoeling is dat de aanwezige capaciteit van de scholen in de gemeente wordt vastgelegd in m² bvo, ongeacht het aantal groepsruimten. De bepaling van de capaciteit wordt toegepast op elke school met een eigen BRIN-nummer of vestigingsnummer. De capaciteit van een schoolgebouw wordt vastgelegd in het aantal m² bruto vloeroppervlak. Voor de meeste schoolgebouwen bestaat tot dusver een goede relatie tussen het aantal leslokalen (waarin tot 2008 de capaciteit werd uitgedrukt) en het aantal m² bruto vloeroppervlak. Voor sommige zeer oude schoolgebouwen, met name voor het basisonderwijs, is echter een sterk afwijkende verhouding van toepassing. Het gaat dan om schoolgebouwen uit de eerste helft van de vorige eeuw, waar soms sprake is van ongebruikelijk brede gangen, monumentale trappenhuizen en dergelijke. Als die brede gangen voor de onderwijsfunctie goed benut kunnen worden door bijvoorbeeld leerwerkplekken voor leerlingen te maken, is er weinig aan de hand: de bruto-nettoverhouding is in orde. Als dat niet mogelijk is, pakt de capaciteitsbepaling van de oudere schoolgebouwen ongunstig uit als alleen naar de m² bruto vloeroppervlak wordt gekeken; de onbruikbare overruimte telt immers gewoon mee. Daarom kunnen schoolbesturen een verzoek indienen aan het college om voor dit effect (eenmalig) te corrigeren. De bepaling van een fictief m² bruto vloeroppervlak kan dan als volgt geschieden: • bepaal het aantal leslokalen > 42 m² , neem ook het speellokaal mee; • bepaal hoe groot de omvang zou zijn geweest van een schoolgebouw met een dergelijk aantal leslokalen en speellokalen, als dat onder het oude regime zou zijn gerealiseerd; • deze omvang wordt dan vastgesteld als “fictief m² bruto vloeroppervlak” dat bepalend is voor de capaciteit van een oud schoolgebouw. Een getallenvoorbeeld: Een basisschoolgebouw uit 1930 telt 8 leslokalen en 1 speellokaal en meet 1350 m² door de monumentale opzet van het gebouw. Ook aanpassingen vanwege de onderwijskundige vernieuwingen hebben de overmaat niet kunnen oplossen. Het normatieve oppervlak volgens de oude systematiek is 1130 m² bruto vloeroppervlak. De capaciteit van dit gebouw wordt dan vastgesteld op 1130 m² bruto vloeroppervlak. Vaststelling aanwezige inventaris (onderwijsleerpakket en meubilair) De toekenning van uitbreiding eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair (inventaris) is gekoppeld aan de uitbreiding van een school. Er wordt uitgegaan van de situatie dat de school bij de invoering van deze wijziging (op 1 januari 2009) volgens het oude systeem voldoende is ingericht. Groei van het aantal leerlingen na die tijd, die leidt tot uitbreiding van het gebouw, leidt ook tot uitbreiding van de eerste inrichting. Het is dus noodzakelijk om voor de inwerkingtreding van de gewijzigde verordening vast te stellen dat de school onder de oude systematiek voor voldoende groepen is ingericht, zodat de nieuwe situatie daar op aansluit. Eventueel kan, wanneer dat niet het geval is, het tekort nog eenmaal volgens de oude methode worden vastgesteld en toegekend. 2.2.2 Vaststelling ruimtebehoefte (speciaal) basisonderwijs Zoals gezegd, verandert de manier waarop de ruimtebehoefte wordt vastgesteld. In de oude situatie voor het basisonderwijs volgt de ruimtebehoefte indirect uit het aantal leerlingen. Het leerlingenaantal wordt eerst omgerekend in het aantal bijbehorende klassengroepen. (zie tabel 1). De vereenvoudiging van het ruimtebehoeftemodel mocht macro bezien, niet leiden tot een toe- of afname van de capaciteit. Dit betekent dat de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte (volgens de nieuwe methodiek) steeds dicht in de buurt moet komen van de ruimtebehoefte op groepslokaalbasis (volgens de oude methodiek). Uit het onderzoek van DHV blijkt dat het best passende resultaat voor de nieuwe situatie in het basisonderwijs verkregen wordt bij een vaste voet van 200 m² bvo en een bvo/lln waarde van 5,03 m² bvo/lln. De aparte normen in de verordening voor het realiseren van een (eerste of tweede) speellokaal in het reguliere basisonderwijs zijn komen te vervallen. Hiermee sluit de verordening (weer) aan op het gewijzigde Bouwbesluit 2003. De vierkante meters brutovloeroppervlakte zijn echter niet verdwenen. In de bovengenoemde waarde van 5,03 m² bvo/lln zijn de vierkante meters voor het eerste en tweede speellokaal verwerkt. Op deze manier wordt het schoolbesturen mogelijk gemaakt om de hen ter beschikking staande vierkante meters bvo al dan niet in te zetten als speellokaal. Zie hiervoor ook paragraaf 2.2.5.6. De vaste voet staat in de nieuwe methodiek voor voorzieningen die minder of niet afhankelijk zijn van het leerlingenaantal. Voorbeelden hiervan zijn de staf- en dienstruimten, directieruimte, administratie, teamkamer en spreekkamer. Verder de facilitaire ruimten als reprografie, entree en bergingen. Voor het speciaal basisonderwijs wordt een vergelijkbare methodiek gehanteerd. Door de invoering van de expliciete vaste voet van 200 m² bvo is het vastleggen van een afzonderlijke kleine scholentoeslag niet meer nodig. Deze vaste voet is immers hoger dan de impliciete vaste voet uit het oude ruimtebehoeftemodel (120 m² bvo). Voor de scholen voor het speciaal basisonderwijs (SBO) gelden in de nieuwe situatie de volgende waarden: een vaste voet van 250 m² bvo en een bvo/lln waarde van 7,35 m² bvo/lln. In de 7,35 m² bvo/lln is de (voormalige) extra ruimte bij de 12e groep verwerkt door te lineariseren. De ruimte voor een eventueel speellokaal is (in tegenstelling tot het reguliere basisonderwijs) niet meegenomen omdat er voor gekozen is om de ruimtebehoeftesystematiek voor het sbo (en het

  1. so)voor wat betreft het speellokaal ongewijzigd te laten (zie paragraaf 2.2.5.6). Dat betekent dat indien sprake is van een speellokaal voor een school voor speciaal basisonderwijs, daarvoor als ruimtebehoefte steeds 90 m² bvo wordt aangehouden. 2.2.2.1 Gewichtenregeling Scholen krijgen van het Rijk via de zogenaamde gewichtenregeling extra geld voor personeel voor bepaalde achterstandsleerlingen. Vroeger werd de achterstand bepaald op basis van etniciteit van de ouders. Sinds vorig jaar geldt het opleidingsniveau van de ouders als maatstaf. De schoolbesturen krijgen via de verordening ook van gemeenten geld voor het realiseren van de extra ruimte die daardoor voor deze kinderen nodig is. Bij de decentralisatie van de onderwijshuisvesting in 1997 is ervoor gekozen om in die ruimtebehoefte te voorzien in de vorm van tijdelijke huisvesting. Het achterliggend idee was dat achterstanden en de daarmee gepaard gaande extra ruimtebehoefte op termijn zouden verdwijnen. Inmiddels is duidelijk geworden dat dergelijke achterstanden hardnekkiger zijn dan verwacht. Bovendien heeft de minister van onderwijs het begrip ‘achterstanden’ geherdefinieerd, waardoor een nieuwe groep kinderen binnen het bereik van de gewichtenregeling is gekomen. In de praktijk betekent dit dat scholen met veel achterstandsleerlingen op een permanente manier in tijdelijke huisvesting zijn ondergebracht: de bekende noodlokalen. Naast de constatering dat dit om meerdere redenen niet wenselijk is, is een dergelijke wijze van huisvesten ook nog eens vele malen duurder dan het realiseren van permanente bouw. Dit is de reden dat in de gewijzigde verordening wordt uitgaan van permanente huisvesting voor deze wegingsleerlingen. In de nieuwe systematiek wordt de koppeling tussen ‘gewichtenleerlingen’ met tijdelijke huisvesting losgelaten. De huisvestingscomponent van gewichtenkinderen wordt toegekend in de vorm van een toeslag bovenop de m² bvo/lln die hoort bij reguliere leerlingen. Voor de bepaling van de toeslag worden in de nieuwe situatie de volgende stappen doorlopen: de gewichtensom van de school wordt bepaald. Deze gewichtensom wordt verminderd met 6,0 % van het totaal aantal ongewogen leerlingen. De gewichtensom wordt gemaximeerd op 80 % van het aantal ongewogen leerlingen. De toeslag op de ruimtebehoefte bedraagt 1,40 m² bvo/(gecorrigeerde) gewichtensom. Er wordt geen additionele vaste voet toegekend. Bij de totstandkoming van de nieuwe gewichtenregeling is afgesproken dat de drempel in de regeling de komende jaren zal dalen. Hiertoe is in het Besluit van 19 mei 2006, houdende wijziging van het Besluit bekostiging WPO in verband met een wijziging van de gewichtenregeling en wijziging van het Besluit bekostiging WEC in verband met een wijziging in de groepsgrootte (Stb. 2006. 283) neergelegd dat voor de eerste vier schooljaren het percentage bij ministeriële regeling zal worden vastgesteld. Op 11 december 2007 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dit percentage vastgesteld op 6% in de ‘Regeling vaststelling van de drempel en de compensatieregeling bij de gewichtenregeling voor het schooljaar 2008–2009’ (Staatscourant 27 december 2007, nr. 250). Daarmee en met deze wijzigingsverordening is de nieuwe gewichtenregeling ook voor de onderwijshuisvesting geheel doorgevoerd. Voor de volledigheid: er wordt niet getornd aan de tijdelijke huisvesting die voorziet in een tijdelijke ruimtebehoefte (bijvoorbeeld in een nieuwbouwwijk). Dat blijft ongewijzigd. Daarop wordt in paragraaf 2.2.2.3 ingegaan. 2.2.2.2 Formule ruimtebehoefteberekening (speciaal) basisonderwijs Basisschool De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule: B = 200 + 5,03 * L, waarbij B = basisruimtebehoefte in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante meters, en L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven. De toeslag wordt berekend met de formule: T = 1,40 * G, waarbij T = toeslag in m² bruto-vloeroppervlakte, en G = gecorrigeerde gewichtensom. De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald: bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle gewichten van alle ingeschreven leerlingen); verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van 6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden; als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van het aantal ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80 % van het aantal ingeschreven leerlingen. School voor speciaal basisonderwijs (sbo) Voor een school voor speciaal basisonderwijs is het aantal leerlingen bepalend voor de ruimtebehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte van een school voor speciaal basisonderwijs wordt berekend met de formule: R= 250+7,35*L, waarbij R = ruimtebehoefte in m² bruto-vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meters, en L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 m². Er is recht op deze toeslag als aan de voorwaarden van bijlage I, deel A wordt voldaan. Die voorwaarden zijn overigens niet gewijzigd. Ook in de nieuwe systematiek vinden toekenningen plaats in de vorm van permanente huisvesting als de ruimtebehoefte tenminste 15 jaar blijft bestaan en in de vorm van tijdelijke huisvesting als de betreffende ruimtebehoefte tenminste 4 en niet meer dan 15 jaar bestaat. Er is geen dwingende reden om dit te veranderen. Omdat bij het PO de koppeling tussen de gewichtensom en tijdelijke huisvesting vervalt, wordt de geprognosticeerde huisvestingbehoefte de enige beïnvloedende factor. Voor het (V)SO was dat al zo. 2.2.3 Vaststelling ruimtebehoefte (Voortgezet) Speciaal Onderwijs Het ruimtebehoeftemodel voor het (V)SO kende 18 verschillende onderwijssoorten met elk een eigen, groepsaantal afhankelijke normering. Voor bepaling van de groepsgrootte was de n-factor bepalend (bijvoorbeeld n=7 betekent dat een groep uit 7 leerlingen bestaat). Voor de bepaling van de capaciteit was voor elke onderwijssoort een eigen normoppervlakte gedefinieerd, welke voorts nog afhankelijk was van de aard van de instelling: louter SO, louter VSO of scholengemeenschap SO en VSO. DHV constateerde dat moeilijk was in te zien waarom er met zoveel verschillende ruimtebehoefte-maten werd gemeten in het (V)SO. Tegelijkertijd viel hier veel winst te halen met vereenvoudiging. Daarom wordt in de nieuwe systematiek alleen nog onderscheid gemaakt tussen: • De zwaarte van de handicap(
  2. s)van de kinderen, tot uitdrukking gekomen in een grotere of kleinere ruimtebehoefte; • Onderscheid oudere en jongere kinderen, tot uitdrukking komend in het verschil tussen SO en VSO. Tabel 2. De suggestie vanuit het werkveld: vier waarden voor de ruimtebehoefte in het (V)SO. Daarmee ontstaan vier nieuwe normen in plaats van achttien oude. Er is geen één op één verband tussen deze vier normen en de bestaande clusterindeling in clusters 1-4 ten behoeve van de indicatiestelling van de kinderen. Vanwege de randvoorwaarde van de budgettaire neutraliteit is op macro niveau opnieuw gezocht naar aansluiting bij de huidige uitkomsten per 2.2.2.3 Permanente versus tijdelijke huisvesting schoolsoort. Verder is er gekozen om als referentie de sg-tabel uit de modelverordening te nemen, omdat het overgrote merendeel van de (V)SO-scholen inmiddels scholengemeenschappen vormen. De beleidsontwikkeling zal deze tendens versterken. Er is de voorkeur gegeven aan de resultaten die het beste passen bij een voor alle situaties toepasbare vaste voet. Dit ter wille van helderheid en eenvoud. De vaste voet staat in de nieuwe methodiek voor voorzieningen die minder of niet afhankelijk zijn van het leerlingenaantal en van de specifieke onderwijssoort. Voorbeelden hiervan zijn de staf- en dienstruimten, directieruimte, administratie, teamkamer, spreekkamer, behandelkamers, rustruimten. Verder de facilitaire ruimten als reprografie, entree en bergingen. Omwille van de budgettaire neutraliteit is de vaste voet voor een school met zowel SO als VSO binnen dezelfde onderwijssoort slechts eenmaal van toepassing. Om dezelfde reden is voor een scholengemeenschap met meer onderwijssoorten de vaste voet voor elk afzonderlijke onderwijssoort van toepassing. Evenals in de oude situatie geldt dat de vaste voet alleen voor een hoofdvestiging van toepassing is en niet voor een nevenvestiging. De norm voor de leerlingafhankelijke component van de ruimtebehoefte (in bvo/lln) is vervolgens eerst voor elke onderwijssoort afzonderlijk bepaald vanuit de randvoorwaarde van de budgettaire neutraliteit, rekening houdend met lokaalomvang en toeslag extra ruimte uit de bestaande modelverordening. Daarna zijn de resultaten gegroepeerd volgens bovenstaande matrix. 2.2.3.1 VSO-Zeer Moeilijk Lerende Kinderen (ZMLK) Eind 2005 is door het Kabinet een motie aangenomen om de groepsgrootte in het voortgezet speciaal onderwijs voor zeer moeilijk lerende kinderen (vso-zmlk) te verkleinen van twaalf naar zeven leerlingen. Vso-zmlk scholen krijgen vanaf 1 januari 2006 extra formatie van het Rijk om de groepsgrootteverkleining mogelijk te maken. Hiermee kunnen scholen meer personeel in dienst nemen. Daartoe is het Besluit bekostiging WEC aangepast (KB van 9 mei 2006, Stb.2006, 283). Schoolbesturen hebben hierdoor meer geld voor personeel gekregen. Gemeenten hebben, na agendering van dit onderwerp door de VNG een (kleine) toevoeging in het gemeentefonds gekregen om die kleinere groepen te huisvesten. Volledige doorvoering in de huisvesting van de groepsgrootteverkleining vergt extra geld. Gelet op het uitgangspunt van budgettaire neutraliteit wordt daarom voorgesteld om bij de aanpassing van het ruimtebehoeftemodel voor dit type speciaal onderwijs, vooralsnog uit te gaan van de beschikbare middelen en de groepsgrootteverkleining niet geheel door te voeren. Aangesloten wordt bij de tussenoplossing zoals is ontwikkeld in de DHV-rapportage “Aanpassing voor actuele ontwikkelingen”: n=7 maar met kleinere groepslokalen. Macro is daar sprake van een beperkte doch acceptabele toename van de ruimtebehoefte. De bvo/leerling-norm blijft daarmee afwijkend van de andere normen, zodat hier sprake blijft van een status aparte voor VSO-zmlk. De matrix met vier velden in Tabel 2 moet dan als volgt moeten worden aangepast. Tabel 3. VSO-zmlk als aparte groep te behandelen. De vaste voet is voor alle schoolsoorten binnen SO en VSO bepaald op 370 m² bvo (met uitzondering van VSO-zmlk, waarvoor een vaste voet van 250 m² geldt). Let wel: in tegenstelling tot de oude situatie is hier sprake van een vaste voet zonder onderwijsruimten zoals groepslokalen. Bij de berekeningen voor (V)SO zijn speellokalen niet meegenomen. Zie hiervoor paragraaf 2.2.5.6. In de bvo/lln-getallen zijn de extra ruimten (ER) bij de 12e of 13e groep verwerkt door te lineariseren. Er is vastgesteld dat – behoudens het VSO-zmlk – een groepering in vier normen (zie Tabel 2) goed uitpakt. Dit levert dan de volgende getallen op. Tabel 4. Leerlingafhankelijke ruimtenormering (V)SO met vaste voet 370 m² bvo (uitzondering: VSO-zmlk 250 m² bvo). Indien sprake is van een speellokaal, wordt daarvoor als ruimtebehoefte steeds 90 m² bvo aangehouden 2.2.3.2 (V)SO mg met n-factor < 7 Voor SO-mg en VSO-mg kunnen bij ministeriële beschikking kleinere n-factoren dan 7 worden vastgesteld. Voor instellingen waarvoor dit van toepassing is, wordt een vaste voet en een omvang bvo/lln berekend op dezelfde wijze als is toegepast voor de andere n-factoren. (Toevoegen bedrag m²). Voor het (V)SO-mg met n-factor kleiner dan 7 geldt onderstaande. Tabel 5. Leerlingafhankelijke ruimtenormering (V)SO-mg. Voor een nadere onderbouwing van deze cijfers verwijzen wij naar het onderzoeksrapport van DHV. 2.2.4. Vergelijking beschikbare capaciteit en aanwezige ruimtebehoefte in het (speciaal) basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs Toekenning van uitbreiding vindt plaats wanneer de aanwezige capaciteit en ruimtebehoefte voldoende van elkaar verschillen (in de zin dat er een capaciteitstekort is). Daarbij wordt de aanwezige permanente capaciteit vergeleken met permanente ruimtebehoefte en de tijdelijke capaciteit met de tijdelijke behoefte. Drempel bij toekenning uitbreiding In het geval van een uitbreidingsvraag gaat het om het verschil tussen de aanwezige capaciteit en de ruimtebehoefte. In het voortgezet onderwijs is een drempel van 10 % ingesteld om kleine en dus relatief dure bouwkundige ingrepen te voorkomen. Die drempel is bovendien nodig om de uitvoeringslast te beperken: veel kleine aanvragen leiden tot een onwenselijk hoge procesdruk. De percentagebenadering uit het VO laat zich niet goed toepassen voor PO en (V)SO. De reden hiervoor is dat scholen voor PO en (V)SO in omvang erg van elkaar verschillen. Er zijn zeer kleine scholen (met bijvoorbeeld 40 lln) en zeer grote (met bijvoorbeeld 600 lln). Met een drempel in de vorm van een percentage werken zou voor beide gevallen een heel andere uitwerking hebben: met het voorbeeld van de 10 % drempel zou de kleine school uit het voorbeeld al bij 4 (!) extra leerlingen uitbreidingsrecht hebben en grote school pas bij 60 extra leerlingen. Daarom is gekozen voor een drempel in de vorm van een aantal vierkante meter brutovloeroppervlakte. De omvang van de drempel heeft vergelijkbare uitwerking hebben als de oude situatie. In de oude situatie gold feitelijk een drempel van een half lokaal omdat een rekenkundig afgerond groepenaantal werd gehanteerd. Dit komt voor een school voor basisonderwijs neer op een drempel van 55 m² bvo (permanente bouwaard) en 40 m² bvo (tijdelijke bouwaard). Toepassing van deze drempel vermijdt te kleine uitbreidingen. De omvang van de drempel voor de school voor speciaal basisonderwijs (SBO) is op dezelfde wijze bepaald op 50 m² bvo (permanente bouwaard) en 40 m² bvo (tijdelijke bouwaard). Voor het (V)SO is een vergelijkbare benadering toepasbaar, de drempel is bepaald op basis van het gemiddelde getal voor de feitelijke m² bvo per groep per schoolsoort, gedeeld door twee. Dit levert het gemiddelde van 50 m² bvo (permanente en tijdelijke bouwaard) op. Bij het PO (permanente bouwaard) ontstaat recht op uitbreiding voor een verschil in capaciteit en ruimtebehoefte van tenminste 55 m² bvo. Dit komt overeen met een verschil van 11 kinderen waarvoor ruimtebehoefte bestaat maar waarvoor geen capaciteit aanwezig is. Bij het PO (tijdelijke bouwaard) ontstaat recht op uitbreiding voor een verschil in capaciteit en ruimtebehoefte van 40 m² bvo. Bij het SBO (permanente bouwaard) ontstaat een recht op uitbreiding voor een verschil in capaciteit en ruimtebehoefte van tenminste 50 m² bvo. Dit komt overeen met een verschil van 7 kinderen waarvoor ruimtebehoefte bestaat maar waarvoor geen capaciteit aanwezig is. Bij het SBO (tijdelijke bouwaard) ontstaat recht op uitbreiding voor een verschil in capaciteit en ruimtebehoefte van 40 m² bvo. Bij het (V)SO (permanente en tijdelijke bouwaard) ontstaat een recht op uitbreiding voor een verschil in capaciteit en ruimtebehoefte van tenminste 50 m² bvo. Dit komt overeen met een verschil van 3 tot 5 kinderen waarvoor ruimtebehoefte bestaat maar waarvoor geen capaciteit aanwezig is. De berekening van de ruimtebehoefte leidt afhankelijk van de geprognosticeerde leerlingenaantallen tot permanente of tijdelijke ruimtebehoefte. Toekenning van uitbreiding vindt plaats als aanwezige capaciteit en ruimtebehoefte voldoende van elkaar verschillen. De capaciteit wordt voor de tijdelijke en permanente bouwaard afzonderlijk bekeken. Zie de laatste paragraaf voor een aantal getallenvoorbeelden. 2.2.5 Overige aspecten vereenvoudiging 2.2.5.1. Medegebruik PO/(V)SO Een gemeente kan in de situatie van een school met capaciteitsoverschot en een school met capaciteitstekort het teveel aan ruimte opeisen ten behoeve van de andere school. Zodoende wordt efficiënt met de beschikbare capaciteit omgegaan. Dit is een waardevol resultaat van de oude werkwijze, die dan ook is gehandhaafd. De vraag is wel hoe de problematiek te benaderen als de notie van groepslokalen verdwijnt. Waar in de oude praktijk sprake was van medegebruik per groepslokaal, is dat minder duidelijk wanneer er een grotere diversiteit aan ruimten is. Gekozen is om een parallel aan te brengen tussen de drempel bij toekenning en het opeisbaar medegebruik: er ontstaat een evenwichtige situatie indien ze aan elkaar gelijk gesteld worden. Een andere vraag is of problemen ontstaan zonder notie van lokalen. De eis is dan wel dat mede te gebruiken ruimte aaneengesloten is. In de huidige schoolgebouwen met groepslokalenopzet is dat de facto per lokaal, echter realiseerbaarheid van het medegebruik is sterk afhankelijk van feitelijke situatie (met name het aspect logistiek). Zo kan medegebruik in de nieuwe situatie ook het best per geval bekeken worden. Medegebruik wordt mogelijk bij leegstand van tenminste de oppervlakte zoals vermeld in de drempel bij toekenning (zie paragraaf 2.2.4). Hierbij geldt de eis van een aaneengesloten functioneel-nuttig vloeroppervlak. Concreet betekent dit dat een school die een capaciteitstekort heeft dat de drempelwaarde overstijgt, voor dat aantal vierkante meters gebruik kan maken van een school die een capaciteitsoverschot heeft van minimaal datzelfde aantal vierkante meters functioneel-nuttig vloeroppervlak. 2.2.5.2 Hoofd- en nevenvestigingen PO De hoofdvestiging en (formele) nevenvestiging met spreidingsnoodzaak zijn als afzonderlijke onderwijsgebouwen te bekijken. De ruimtebehoefteberekening heeft een leerlingafhankelijke component en een vaste voet. De leerlingafhankelijke component volgt daadwerkelijk aan het aantal leerlingen per hoofdvestiging of nevenvestiging. De vaste voet is zowel van toepassing op de hoofdvestiging als op de nevenvestiging en is om inhoudelijke reden gelijk: een nevenvestiging heeft veelal zelfde voorzieningenniveau als de hoofdvestiging. Feitelijk verandert daarmee dus niets ten opzichte van de huidige situatie. Dislocaties zijn vaak een tijdelijke situatie waarbij de verwachting leeft dat die situatie eindig is. Dislocaties dragen in de ruimtebehoefteberekeningen alleen bij in de leerlingafhankelijke component. Een dislocatie geeft nooit aanleiding voor ruimtebehoefte in de vorm van een eigen vaste voet. De berekening van de ruimtebehoefte wordt toegepast op elke school met een eigen BRIN-nummer of vestigingsnummer. 2.2.5.3 Onderwijsleerpakket/meubilair PO/(V)SO De oude voorzieningen eerste inrichting onderwijsleerpakket en eerste inrichting meubilair zijn ter vereenvoudiging samengevoegd tot één voorziening. Bij uitbreiding en niet-vervangende nieuwbouw moet worden voorzien in het onderwijsleerpakket en meubilair. In de oude situatie vond toekenning plaats per groepslokaal. In de nieuwe systematiek vindt toekenning plaats per vierkante meter brutovloeroppervlakte, wanneer de school wordt uitgebreid. Hiervoor is de tekst in Bijlage I en Bijlage III aangepast. Daarnaast is een technisch-administratieve omrekening naar een bedrag per m² bvo uitgevoerd, uiteraard gebaseerd op de oude (afzonderlijke) normbedragen. De normbedragen zijn opgenomen in Bijlage IV bij de verordening. 2.2.5.4 Financiële normeringen / Bijlage IV Vanuit de optiek van de macro budgetneutraliteit is financiële normering een technische omwerking van bestaande getallen (vaak van €/lokaal naar €/m² bvo). Waar in de ruimtebehoefteberekeningen is gelineariseerd voor speellokalen (PO) of extra ruimte (SBO, SO, VSO), is deze linearisatie ook in de financiële paragraaf doorgevoerd. In de oude systematiek was bij uitbreiding sprake van een vaste voet in €, gebaseerd op een uitbreiding van tenminste een lokaal. Omdat in de nieuwe situatie sprake kan zijn van kleinere uitbreidingen, is het niet redelijk om voor deze kleine uitbreidingen dezelfde vaste voet in € aan te houden. In deze gevallen wordt een bedrag van 2/3 van de oude vaste voet aangehouden. Ter wille van de gewenste vereenvoudiging zijn voorts nog enkele aanvullende uitgangspunten gehanteerd: het onderscheid tussen <geen palen>, <paallengte tussen 1 en 15 m>, <paallengte tussen 15 en 20 meter> en <paallengte meer dan 20 m> vervalt; de nieuwe financiële normeringen zijn afgeleid van de oude normeringen met de veronderstelling dat steeds een paallengte tussen 15 en 20 m van toepassing is. Deze toeslag wordt niet meer afzonderlijk vermeld; voor tijdelijke voorzieningen geldt net als voor permanente voorzieningen dat het verschil tussen capaciteit en ruimtebehoefte bepalend is voor de te realiseren omvang; de afzonderlijke “toeslag 1e groep” vervalt; om dezelfde reden vervalt de toeslag voor “tijdelijke voorzieningen als hoofdlocatie”; de sloopkosten voor PO en SBO zijn gemiddeld; hierboven is aangegeven dat in het SO en VSO sprake is van een sterke vereenvoudiging bij de ruimtebehoeftebepaling, met noodzakelijkerwijs enige herverdeeleffecten als gevolg. De berekeningen voor de afzonderlijke schoolsoorten binnen het (V)SO leiden tot uitkomsten die sterk op elkaar lijken. Middelen van afzonderlijke resultaten brengt geen grote herverdeeleffecten met zich mee en ligt ook voor de hand gezien de ontwikkeling naar scholengemeenschappen. Daarom kunnen voor SO en VSO, en voor alle schoolsoorten daarbinnen, dezelfde financiële kengetallen gelden, met uitzondering van de bedragen voor onderwijsleerpakket en meubilair; bij onderwijsleerpakket en meubilair zijn de gedifferentieerde bedragen in het PO voor de 2e , 3e enz groep gelineariseerd; de paragrafen over de aparte voorziening en additionele middelen voor onderwijskundige vernieuwingen zijn geschrapt. Wij gaan ervan uit dat deze middelen de afgelopen vijf jaar zijn ingezet om bestaande gebouwen aan te passen. De onderwijskundige vernieuwing is, zoals voorheen, verwerkt in de vierkante meter norm en de daarop gebaseerde normbedragen. Voor de nieuwe financiële normeringen wordt verwezen naar de wijzigingtekst voor de modelverordening voorzieningen huisvesting. 2.2.5.5 Gymnastiek. Wij hebben u in onze Ledenbrief 06/02 van 16 januari 2006 geïnformeerd over de gevolgen van de vaststelling van de Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden voor de model verordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Gebleken is dat nog een wijziging nodig is om de verordening geheel ‘dualismeproof’ te maken. Door de Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden zijn artikel 117 van de Wet op het primair onderwijs (WPO) en artikel 115 van de Wet op de expertisecentra (WEC) aangepast. Deze artikelen regelen de grondslag voor de vergoeding voor materiele instandhouding lichamelijke oefening. Door deze wijziging is niet meer de raad, maar het college bevoegd tot het vaststellen van de het aantal klokuur gymnastiek en de vergoeding daarvoor. Dat betekent dat de raad hierover in de verordening geen regels meer kan stellen. Het aantal klokuur gymnastiek is echter direct van belang voor de bepaling van de noodzaak voor nieuwbouw / uitbreiding en medegebruik van gymnastiekzalen, zaken waarover de raad bij verordening nog wel regels moet stellen. Wij hebben er daarom voor gekozen om de tekstgedeelten uit de verordening, die van toepassing zijn op het vaststellen van het aantal en de hoogte van de klokuurvergoeding uit de modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs te halen en deze in een aparte, door het college vast te stellen (model-)beleidsregel te plaatsen. Deze modelbeleidsregel is bijgevoegd bij deze brief als bijlage 4. Er is in het kader van dit onderzoek overwogen om de ruimtebehoefte voor het gymnastiekonderwijs ook met bvo/lln te werken. Dit staat echter op gespannen voet met de wetgeving. In artikel 134 van de Wet op het primair onderwijs is namelijk bepaald dat de huidige groepenbenadering moet worden gehanteerd. Gemeenten hebben daarbij geen keuzevrijheid. Ook inhoudelijk is moeilijk meerwaarde te zien, omdat het gymnastiek onderwijs volledig in vaste groepen blijft plaatsvinden. Het gaat hier in de eerste plaats om de ter beschikkingstelling van gymaccommodatie bij de school of in de wijk (veelal in algemene sportvoorzieningen) in plaats van het ter beschikking stellen van een gebouw voor eigen gebruik voor de school. Daarom is hier niets gewijzigd. 2.2.5.6 Speellokalen In het nieuwe ruimtebehoeftemodel is voor het reguliere basisonderwijs niets vastgelegd over speellokalen: het is aan school zelf om daarin keuzes te maken. Dit laat onverlet dat aan kleutergroepen (4-5 jarigen) wel speelmogelijkheden geboden moeten worden, op welke wijze dan ook. Het kan – omwille van budgetneutraliteit –niet zo zijn dat scholen aanspraak maken op extra gymnastiekfaciliteiten die in feite ten behoeve van speelmogelijkheden voor de kleuters worden ingezet, tenzij dat in overleg met de gemeente zo wordt afgesproken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als er structurele leegstand is in gymzalen. De modelverordening biedt (en bood) daartoe ook geen mogelijkheid aangezien de ruimtebehoefte voor het gymnastiekonderwijs wordt berekend op basis van groepen leerlingen van 6 jaar en ouder. Voor scholen voor speciaal basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs blijft het recht op een speellokaal gehandhaafd. Reden hiervoor is dat in deze onderwijssoorten in tegenstelling tot het reguliere basisonderwijs, niet elke school recht heeft op een speellokaal. Dit is afhankelijk van de aanwezigheid van leerlingen jonger dan 6 jaar. In de praktijk zal hiervan sprake zijn als aan de sbo een afdeling voor jonge risicokinderen is gekoppeld. Daardoor was een technisch lineariseringsoperatie voor het sbo en so niet mogelijk. Daarnaast is (en was) er, in tegenstelling tot het reguliere basisonderwijs, wel een direct verband tussen het ontbreken van een speellokaal en het gebruik van een gymzaal. Gelet op bovenstaande is er voor gekozen om de ruimtebehoeftesystematiek voor het sbo en het so voor wat betreft het speellokaal ongewijzigd te laten. Zie hiervoor ook paragraaf 2.2.2 en 2.2.3 (so). 3. Vaststelling Wij adviseren u om: I. vooruitlopend op de vaststelling van de wijzigingsverordening met de schoolbesturen in uw gemeente afspraken te maken over: - het vaststellen van de beschikbare capaciteit in vierkante meters brutovloeroppervlakte (in plaats van het aantal groepen) zoals bepaald in Bijlage III. Deel A. Zie hiervoor de algemene toelichting, en - het vastleggen van het niveau van inrichting onderwijsleerpakket en meubilair. In verband met de gewijzigde berekeningsmethode is het zaak vast te stellen dat de school voldoende is ingericht. Eventueel kan, wanneer dat niet het geval is, het tekort nog eenmaal volgens de oude methode worden vastgesteld en toegekend. II. de wijzigingsverordening, na op overeenstemming gericht overleg met de schoolbesturen in uw gemeente vast te stellen voor 1 januari 2009, zodat de aanvragen voor het programma 2010 kunnen worden beoordeeld op basis van het nieuwe ruimtebehoeftemodel. Voorbeelden ruimtebehoefteberekening In dit hoofdstuk wordt een aantal voorbeelden gegeven over de manier waarop met de nieuwe ruimtebehoefteberekening moet worden omgegaan. Daarbij wordt steeds uitgegaan van de onderwijshuisvestingsvoorziening ‘uitbreiding’. Zoals gezegd blijft de algemene systematiek van het ruimtebehoeftemodel blijft ongewijzigd: I. stel de beschikbare gebouwcapaciteit vast, op basis van Bijlage I en Bijlage III, Deel A. II. Stel de ruimtebehoefte vast, op basis van Bijlage III, Deel B. III. Het verschil tussen ruimtebehoefte en beschikbare capaciteit leidt tot toekenning Bijlage III, Deel C. IV. Bereken het bijbehorend normbedrag op basis van Bijlage IV, Deel A. Concreet worden daarbij de volgende stappen genomen. Deze stappen vloeien voort uit de bepalingen in Bijlage I, Deel A, in dit geval voor de onderwijshuisvestingsvoorziening uitbreiding: 1. tel de beschikbare gebouwcapaciteit vast (bijlage III Deel A). 2. Stel de huidige ruimtebehoefte op, op basis van het aantal leerlingen op basis van de meest recente teldatum (Bijlage III, Deel B). 3. Stel vast of in het eerste beoordelingsjaar sprake is van een capaciteitstekort in de permanente ruimtebehoefte: a. Is er in het eerste beoordelingsjaar (jaar 1) een capaciteitstekort (het verschil tussen de capaciteit en de ruimtebehoefte) en overschrijdt dit tekort de drempelwaarde voor permanente huisvesting voor de betreffende onderwijssoort? Is dit het geval, ga naar stap 4. b. Is er in het eerste beoordelingsjaar (jaar 1) geen capaciteitstekort, of overschrijdt het capaciteitstekort de drempelwaarde voor permanente huisvesting voor de betreffende onderwijssoort niet?, ga naar stap 5. 4. Bepaal de omvang van de permanente ruimtebehoefte voor de komende 15+ jaar (Bijlage III, Deel C) a. Stel de omvang vast van de benodigde permanente vierkante meters brutovloeroppervlakte. Dit zijn de vierkante meters die op dit moment nodig zijn en die gedurende tenminste vijftien aaneengesloten jaren nodig blijven. b. Controleer voor ieder jaar of het capaciteitstekort de drempelwaarde voor permanente huisvesting van de betreffende onderwijssoort wordt overschreden. Is dat het geval dan bestaat aanspraak op uitbreiding voor het bij 4a. vastgestelde aantal vierkante meter brutovloeroppervlakte. Wordt de drempelwaarde niet overschreden, dan bestaat die aanspraak niet. 5. Stel vast of er op dit moment sprake is van een tijdelijke ruimtebehoefte: Is er op dit moment (jaar 1) een capaciteitstekort (het verschil tussen de capaciteit en de ruimtebehoefte) en overschrijdt dit tekort de drempelwaarde voor tijdelijke huisvesting voor de betreffende onderwijssoort? Is dit het geval, ga naar stap 6. Is er op dit moment (jaar 1) geen capaciteitstekort, of overschrijdt het capaciteitstekort de drempelwaarde voor tijdelijke huisvesting voor de betreffende onderwijssoort niet?, dan is er geen recht op uitbreiding met tijdelijke huisvesting. 6. Bepaal de omvang van de tijdelijke ruimtebehoefte (Bijlage III, Deel C) a. Stel de omvang vast van de benodigde tijdelijke vierkante meters brutovloeroppervlakte. Dit zijn de vierkante meters die op dit moment nodig zijn en die gedurende tenminste vier aaneengesloten jaren en korter dan vijftien jaar nodig blijven. b. Controleer voor ieder jaar of het capaciteitstekort de drempelwaarde voor tijdelijke huisvesting van de betreffende onderwijssoort wordt overschreden. Is dat het geval dan bestaat aanspraak op uitbreiding voor het bij 6a. vastgestelde aantal vierkante meter brutovloeroppervlakte. Wordt de drempelwaarde niet overschreden, dan bestaat die aanspraak niet. 7. Bepaal de omvang van het budget op basis van de normbedragen (Bijlage IV, Deel A) Wij illustreren de bovenstaande stappen aan de hand van een aantal voorbeelden. VOORBEELD 1: Basisschool A. Huidige capaciteit: 1750 m² 316 leerlingen met een gecorrigeerde weging van 40. Zie voor de berekening van de gecorrigeerde gewichtensom de formule in Bijlage III, Deel B. In dit voorbeeld gaan we ervan uit dat deze gecorrigeerde gewichtensom over alle prognosejaren gelijk blijft. Dat betekent in jaar 1 een basisruimtebehoefte van 200 + 5,03 * 316 = 1789 m² De ‘gewichtentoeslag’ bedraagt in jaar 1: 1,40 * 40 = 56 m² De totale ruimtebehoefte in jaar 1 is 1845 m². De prognosegegevens en de daarop gebaseerde ruimtebehoefte staat hieronder weergegeven in tabel en grafiekvorm. Basischool A T T+1 T+2 T+3 T+4 T+5 T+6 T+7 T+8 T+9 T+10 T+11 T+12 T+13 T+14 T+15 T+16 jaar 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 aantal leerlingen 316 320 321 320 321 319 320 321 320 319 319 319 316 316 316 315 315 gecorrigeerde weging 40 40 40 40 40 40 40 40 40 40 40 40 40 40 40 40 40 Basisruimtebehoefte 1789 1810 1815 1810 1815 1805 1810 1815 1810 1805 1805 1805 1789 1789 1789 1784 1784 wegingstoeslag 56 56 56 56 56 56 56 56 56 56 56 56 56 56 56 56 56 totaal behoefte 1845 1866 1871 1866 1871 1861 1866 1871 1866 1861 1861 1861 1845 1845 1845 1840 1840 totaal aanwezig 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 verschil 95 116 121 116 121 111 116 121 116 111 111 111 95 95 95 90 90 Stappen: 1. De beschikbare gebouwcapaciteit is 1750 m². 2. De ruimtebehoefte in het eerste jaar is 1845 m². 3. a. Het capaciteitstekort in jaar 1 (verschil tussen ruimtebehoefte en beschikbare capaciteit is 1845 m² – 1750 m² = 95 m². Dit bedrag is hoger dan de drempelwaarde van 55 m² bruto-vloeroppervlakte die geldt voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening basisonderwijs. 4. a. In jaar 1 is 95 m² bvo nodig (is het capaciteitstekort maximaal 95 m²), Gedurende de 15 jaar daarna is daarvan steeds maximaal 90 m² nodig. b. De benodigde 90 m² bvo is hoger dan de drempelwaarde van 55 m² bvo die geldt voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening basisonderwijs. Er bestaat dus een aanspraak voor uitbreiding met permanente huisvesting van 90 m² bvo. 5. De ‘beschikbare’ capaciteit bedraagt nu 1750 m² + 90 m² = 1840 m² bvo. Het verschil in jaar 1 tussen de behoefte en de ‘beschikbare’’ capaciteit na uitbreiding met permanente huisvesting, bedraagt 1845 m² – 1840 m² = 5 m². Dit tekort overschrijdt de drempelwaarde van 40 m² die geldt voor tijdelijke huisvesting voor een basisschool niet. Dit betekent dat geen aanspraak bestaat op (aanvullende) m² bvo tijdelijke huisvesting en als de leerlingenaantallen de prognose inderdaad volgen, is dat voorlopig ook niet te verwachten. 6. Deze stap wordt overgeslagen. 7. Uit de tabel in paragraaf 1.2 (uitbreiding basisschool permanente bouwaard) blijkt dat deze school recht heeft op een normbedrag van € 71.882,33 + 90 * € 1.436,32 = € 201.151,13. VOORBEELD 2: Basisschool B. Huidige capaciteit: 1750 m² 317 leerlingen met een gecorrigeerde weging van 0. Zie voor de berekening daarvan de formule in Bijlage III, Deel B. Dat betekent in jaar 1 een basisruimtebehoefte van 200 + 5,03 * 317 = 1795 m² De ‘gewichtentoeslag’ bedraagt in jaar 1: 0 m² De totale ruimtebehoefte in jaar 1 is 1795 m². De prognosegegevens en de daarop gebaseerde ruimtebehoefte staat hieronder weergegeven in tabel en grafiekvorm. School B. tijdelijk t t+1 t+2 t+3 t+4 t+5 t+6 t+7 t+8 t+9 t+10 t+11 t+12 t+13 t+14 t+15 t+16 jaar 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 aantal leerlingen 317 320 321 320 321 319 320 321 320 319 319 319 316 316 316 315 315 gecorrigeerde weging 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 Basisruimtebehoefte 1795 1810 1815 1810 1815 1805 1810 1815 1810 1805 1805 1805 1789 1789 1789 1784 1784 wegingstoeslag 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 totaal behoefte 1795 1810 1815 1810 1815 1805 1810 1815 1810 1805 1805 1805 1789 1789 1789 1784 1784 totaal aanwezig 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 1750 verschil 45 60 65 60 65 55 60 65 60 55 55 55 39 39 39 34 34 Stappen: De beschikbare gebouwcapaciteit is 1750 m². De ruimtebehoefte in het eerste jaar is 1795 m². a. Het capaciteitstekort in jaar 1 (verschil tussen ruimtebehoefte en beschikbare capaciteit is 1795 m² – 1750 m² = 45 m². Dit getal is lager dan de drempelwaarde van 55 m² bruto-vloeroppervlakte die geldt voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening basisonderwijs. Er bestaat dus geen aanspraak op uitbreiding met permanente huisvesting. Deze stap wordt overgeslagen. De beschikbare capaciteit bedraagt 1750 m² bvo. Het verschil in jaar 1 tussen de behoefte en de beschikbare capaciteit, bedraagt 1795 m² – 1750 m² = 45 m². Dit tekort overschrijdt de drempelwaarde van 40 m² die geldt voor tijdelijke huisvesting voor een basisschool. a. In jaar 1 is 45 m² bvo nodig (is het capaciteitstekort maximaal 45 m²), Gedurende de 15 jaar daarna is dat gedurende minimaal 4 aaneengesloten jaren steeds nodig. b. De in die jaren benodigde 45 m² bvo is hoger dan de drempelwaarde van 40 m² bvo die geldt voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening basisonderwijs. Er bestaat dus een aanspraak voor uitbreiding met tijdelijke huisvesting van 45 m² bvo. De school had nog geen tijdelijke huisvesting. Van toepassing voor de berekening van het beschikbare budget is dus Bijlage IV, Deel A, paragraaf 1.3 tabel onder ‘Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie’. Uit die tabel volgt dat deze school recht heeft op een normbedrag van € 27.953,98 +45*€ 1.030,44 = € 74.323,78. VOORBEELD 3: School C, school voor speciaal onderwijs aan meervoudig gehandicapte leerlingen (so-mg). Huidige capaciteit: 1200 m² 69 leerlingen (weging is in het speciaal onderwijs niet aan de orde) Dat betekent in jaar 1 een ruimtebehoefte van 370 + (13,08 * 69) = 1322 m² De prognosegegevens en de daarop gebaseerde ruimtebehoefte staat hieronder weergegeven in tabel en grafiekvorm. School C: so mg t T+1 T+2 T+3 T+4 T+5 T+6 T+7 T+8 T+9 T+10 T+11 T+12 T+13 T+14 T+15 T+16 jaar 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 aantal leerlingen 69 69 68 68 68 67 65 63 63 62 61 60 59 57 57 57 57 ruimtebehoefte 1322 1322 1308 1308 1308 1294 1267 1239 1239 1226 1212 1198 1184 1156,6 1156,6 1156,6 1156,6 totaal aanwezig 1200 1200 1200 1200 1200 1200 1200 1200 1200 1200 1200 1200 1200 1200 1200 1200 1200 verschil 122 122 108 108 108 96 67 39 39 26 12 -2 -16 -43 -43 -43 -43 Stappen: 1. De beschikbare gebouwcapaciteit is 1200 m². 2. De ruimtebehoefte in het eerste jaar is 1322 m². 3. a. Het capaciteitstekort in jaar 1 (verschil tussen ruimtebehoefte en beschikbare capaciteit is 1322 m² – 1200 m² = 122 m². Dit bedrag is hoger dan de drempelwaarde van 55 m² bruto-vloeroppervlakte die geldt voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor speciaal onderwijs. 4. a. In jaar 1 is 122 m² bvo nodig (is het capaciteitstekort maximaal 122 m²), Dit aantal is echter niet gedurende 15 jaar daarna steeds nodig. Zie tabel. b. In 2016 is van het oorspronkelijke capaciteitstekort nog maar 39 m² bvo nodig en daalt het tekort onder de drempelwaarde van 55 m² BVO die geldt voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor het speciaal onderwijs. Er bestaat dus geen aanspraak voor uitbreiding met permanente huisvesting. 5. Het verschil in jaar 1 tussen de behoefte en de beschikbare capaciteit bedraagt 1322 m² – 1200 m² = 122 m². Dit tekort overschrijdt de drempelwaarde van 50 m² die geldt voor tijdelijke huisvesting voor een school voor speciaal onderwijs. 6. a. In jaar 1 is 122 m² bvo nodig (is het capaciteitstekort maximaal 122 m²), Gedurende de 15 jaar daarna is daarvan gedurende minimaal 4 aaneengesloten jaren steeds 108 m² nodig (Van 2009 t/m 2013). b De in die jaren benodigde 108 m² bvo is hoger dan de drempelwaarde van 50 m² bvo die geldt voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening voor het speciaal onderwijs. Er bestaat dus een aanspraak voor uitbreiding met tijdelijke huisvesting van 108 m² bvo. 7. De school had al tijdelijke huisvesting. Van toepassing voor de berekening van het beschikbare budget is dus Bijlage IV, Deel A, paragraaf 2.3 tabel onder ‘Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen’. Uit die tabel volgt dat deze school recht heeft op een normbedrag van € 23.898,76 + 108 € 1.067,42. = € 139.180,12. BIJLAGE I CRITERIA VOOR BEOORDELING VAN AANGEVRAAGDE VOORZIENINGEN Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen vallen uiteen in twee delen: deel A: lesgebouwen; deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening. DEEL A Lesgebouwen 1. School voor basisonderwijsDe voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2, 1.3.2 en 1.9c worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college. 1.1 Nieuwbouw De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. 1.2 Vervangende bouwDe noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging); het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling van het college; vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een herschikkingsoperatie; vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. 1.3 Uitbreiding 1.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalenDe noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt, en het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te realiseren. 1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een speellokaal De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit: het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten; het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal blijven bestaan en het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is en evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, inpandig een speellokaal te maken. 1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijl de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren; er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. 1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is, waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college. 1.6 Terrein De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D. 1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari 2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden. De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal basisonderwijs uitgebreid wordt met een speellokaal. 1.8 Medegebruik De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt. 1.9 Aanpassing De voorziening aanpassing bestaat uit:: wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in bijlage III, delen A en D; een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om, afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar; creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor speciaal basisonderwijs; voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en regelgeving; vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen; aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen. Ad aDe noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn. Ad bDe noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier- en vijfjarigen of zes- tot twaalfjarigen. De noodzaak voor een integratieverbouwing in een gebouw van een speciale school voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet geschikt is voor het onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar. Ad cDe noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale school voor basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter dan 56 m² aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een speellokaal van een school binnen 300 meter mogelijk is. Daarnaast is de noodzaak afhankelijk van het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten. Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een uitbreiding, zulks ter beoordeling van het college, op grond van bijlage IV, deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is. Ad dDe noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet worden opgeheven. Ad e De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging noodzakelijk is. Ad f De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige onderwijspr

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.