← Nederland

Nota welstandsbeleid 3e herziening (Noord-Beveland)

Kort samengevat

Deze nota regelt het welstandsbeleid in de gemeente Noord-Beveland om te zorgen dat bouwwerken de openbare ruimte niet ontsieren en bijdragen aan een aantrekkelijke leefomgeving. Het stelt criteria vast waaraan bouwplannen moeten voldoen en beschrijft de procedures voor welstandsbeoordeling.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Nota welstandsbeleid 3e herziening De raad van de gemeente Noord-Beveland; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 juli 2013; gelet op de artikelen 12, 12a, 12b en 12c van de Woningwet b e s l u i t: Vast te stellen de 3e herziening van de nota welstandsbeleid van de gemeente Noord-Beveland In te trekken de 2e herziening van de nota welstandsbeleid van de gemeente Noord-Beveland Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Noord-Beveland in zijn openbare vergadering van 29 augustus 2013. De griffier C.H. Poortvliet De voorzitter H. van Kooten Plangebied Gemeente Noord-Beveland Samenvatting Welstandstoezicht werd ooit ingesteld om te voorkomen dat bouwwerken de openbare ruimte zouden ontsieren. Elke aanvraag om omgevingsvergunning moet worden getoetst aan redelijke eisen van welstand. De welstandsbeoordeling is volgens artikel 12 van de Woningwet, gericht op het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk. Het bouwwerk moet zowel op zichzelf als ook in zijn omgeving worden beoordeeld, waarbij ook verwachte veranderingen worden meegenomen. De welstandsbeoordeling kan alleen worden gebaseerd op de in deze welstandsnota vastgestelde welstandscriteria. De welstandscommissie adviseert of een bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het advies van de commissie is gebaseerd op de vastgestelde criteria uit de welstandsnota. De welstandsnota bestaat uit diverse onderdelen. Het eerste deel beschrijft het doel van de nota en de organisatie van de welstandszorg (uitvoeringswijze, adviserende instantie). Vervolgens beschrijft de welstandsnota 'algemene welstandscriteria' die op te vatten zijn als algemene richtlijnen voor goede architectuur. Het grondgebied van de gemeente wordt vervolgens opgedeeld in verschillende welstandsniveaus: van gebieden waar een extra zorgvuldige welstandsbeoordeling nodig wordt geacht tot gebieden met een 'licht' welstandsregime. Daarna volgen in de welstandsnota de beschrijvingen van de verschillende deelgebieden van de gemeente; voor ieder deelgebied zijn specifieke welstandscriteria opgenomen. Tenslotte geeft de welstandsnota een aantal sneltoets-criteria aan (ook loketcriteria genoemd). Voor meer informatie over het welstandstoezicht, de welstandscommissie en het welstandsbeleid kunt u contact opnemen met de medewerkers van onze afdeling Beleid en projecten. Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend. 1Welstandsbeleid 1.1Introductie Aanleiding Welstandstoezicht werd ooit ingesteld om te voorkomen dat bouwwerken de openbare ruimte zouden ontsieren. Nog steeds wordt bij iedere aanvraag voor een omgevingsvergunning beoordeeld of het betreffende bouwwerk niet in strijd is met 'redelijke eisen van welstand'. De welstandsbeoordeling is volgens artikel 12 van de Woningwet, gericht op het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk. Het bouwwerk moet zowel op zichzelf als ook in zijn omgeving worden beoordeeld, waarbij ook verwachte veranderingen van die omgeving een rol kunnen spelen. De welstandsbeoordeling is een complex gebeuren, waarbij deskundigheid en kennis van de omgeving vereist is. Bovendien vraagt de samenleving om meer zekerheid en meer openheid rondom de welstandsbeoordeling. De meeste inwoners van Noord-Beveland willen best meewerken aan het instandhouden en bevorderen van de schoonheid van hun leefomgeving, mits vroegtijdig duidelijk wordt gemaakt wat dat betekent als zij met bouwplannen rondlopen. Het welstandstoezicht zal aan begrip winnen als vooraf wordt aangegeven welke zaken een rol spelen bij de welstandsbeoordeling. Om elkaar (bouwaanvrager/opdrachtgever, gemeente en welstandscommissie) bij het interpreteren en beoordelen van aanvragen te kunnen begrijpen is een duidelijke en zo concreet mogelijke welstandsnota van belang. Naast gedetailleerdheid en volledigheid zijn daarbij vooral voorlichting en communicatie over het onderwerp van belang. Doel van welstandstoezicht en welstandsbeleid Het welstandsbeleid voor Noord-Beveland is opgesteld vanuit de overtuiging dat de gemeente, ondernemers, recreanten en inwoners het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving dienen te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen de dagelijkse leefomgeving. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar van het bouwwerk alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Het welstandstoezicht is bedoeld om, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan de schoonheid en de aantrekkelijkheid van Noord-Beveland. Het doel van het welstandsbeleid is: 'Een effectief, controleerbaar en klantvriendelijk welstandstoezicht in terichten en opdrachtgevers en ontwerpers in een vroeg stadium te informeren over de criteria die bij de welstandsbeoordeling een rol spelen'. Door het ontwikkelen van een zowel intern als extern samenhangend stelsel van beleidsregels voor de welstandsbeoordeling zet de gemeente haar visie op het ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de rol van de welstandszorg daarin uiteen. Het hebben van een stelsel met welstandscriteria biedt vooraf informatie en inzicht over de wijze waarop de welstandscommissie een bouwplan zal adviseren. De bouwplanprocedure die uitmondt in een door het college te verstrekken vergunning wordt daardoor beter voorspelbaar. Het functioneren van het welstandsbeleid zal jaarlijkse door de gemeenteraad worden geëvalueerd, waar nodig zal het worden aangevuld en bijgesteld. Natuurlijk is hiermee niet alle weerstand tegen de overheidsinterventie bij bouwinitiatieven weggenomen, maar wel kan zo tegemoet worden gekomen aan de gerechtvaardigde eis van de burger om dit ingrijpen te onderbouwen en te legitimeren vanuit het algemeen belang en dit beleid vooraf kenbaar te maken. 1.2Relatie met andere beleidsterreinen Voor een effectief en praktisch hanteerbaar kwaliteitsbeleid is het zaak zorg te dragen voor een goede aansluiting tussen de verschillende instrumenten. Van elk instrument moet duidelijk zijn wat de reikwijdte is en hoe het is verweven met andere beleidsinstrumenten. In het kader van deze welstandsnota is vooral de relatie tussen bestemmingsplan en welstandscriteria van belang. Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. De ruimte die door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt kan door welstandscriteria worden ingevuld. Welstandscriteria kunnen daarbij dus geen mogelijkheden bieden die door het bestemmingsplan niet mogelijk zijn De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. Welstandscriteria kunnen waar nodig de ruimte die het bestemmingsplan biedt invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit, het welstandsadvies kan zich dan richten op de gekozen invulling binnen het bestemmingsplan. In een situatie waarin een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan eveneens ruimte biedt voor alternatieven, kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen stedenbouwkundige of architectonische oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard moet in zo’n geval de welstandsnota en de welstandscommissie daartoe de argumentatie leveren. In de welstandsnota kan worden verwezen naar welstandscriteria die zijn opgenomen in andere beleidsdocumenten. Dergelijke documenten worden daardoor geacht deel uit te maken van de welstandsnota. Uiteraard gelden voor deze documenten dezelfde eisen als voor de welstandsnota: vaststelling in de vorm van beleidsregels conform artikel 12 van de Woningwet door de gemeenteraad, inspraak conform de gemeentelijke inspraakverordening en welstandscriteria die 'zo veel mogelijk' zijn toegespitst op het individuele bouwwerk en de relatie met de omgeving. Beeldkwaliteitplannen vormen een onderdeel van het welstandsbeleid in de gemeente en zijn uitgangspunt bij welstandsbeoordeling. 1.3Vaststelling en evaluatie van het welstandsbeleid Vaststelling De gemeenteraad van Noord-Beveland stelt het welstandsbeleid vast. Na vaststelling van de welstandsnota door de gemeenteraad dient de welstandsbeoordeling gebaseerd te worden op de criteria die in de welstandsnota zijn genoemd. De criteria in de welstandsnota dienen zo concreet mogelijk te zijn toegespitst op het individuele bouwwerk, de relatie met de omgeving en specifieke aspecten van het bouwwerk. De welstandscriteria zijn in tegenstelling tot de criteria die voorheen in de bouwverordening waren opgenomen niet langer algemeen bindend, maar met name toegespitst op het specifieke gebied waarvoor zij zijn bepaald. Ze vormen een stelsel van beleidsregels waarbinnen burgemeester en wethouders het welstandstoezicht moeten uitvoeren. Dit geeft onder meer de mogelijkheid om de welstandscriteria per gebied op maat te snijden. Het blijft bij het welstandstoezicht gaan om redelijke eisen van welstand, maar de vraag wat precies 'redelijk' is wordt per gebied ingevuld. Evaluatie en aanpassingen Na vaststelling van de welstandsnota zal de werking ervan jaarlijks in de gemeenteraad worden geëvalueerd, aan de hand van het jaarverslag van de welstandscommissie en een rapportage van burgemeester en wethouders over de wijze waarop zij uitvoering hebben gegeven aan het welstandstoezicht. Deze evaluatie is wettelijk verplicht (artikel 12b lid 3 en 12c Woningwet). Het jaarlijkse verslag van burgemeester en wethouders, ter uitvoering van artikel 12c Woningwet, heeft betrekking op de invulling van hun verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van het welstandstoezicht. De rapportage over het voorgaande jaar is uiterlijk gereed in juli van het volgende jaar. In de rapportage komen in ieder geval de volgende punten aan de orde: De wijze waarop burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de welstandsadviezen. In welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor vergunning niet aan de welstandscommissie hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de welstandscriteria. In welke categorieën van gevallen zij tot aanschrijving op grond van ‘ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand’ zijn overgegaan en of zij na die aanschrijving zijn overgegaan tot bestuursdwang. Ook wordt in dit verslag melding gemaakt van het aantal malen dat burgemeester en wethouders gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om de beslistermijn te verdagen. Het verslag van deze evaluatie wordt ter kennisname aan de welstandscommissie gebracht. Naar aanleiding van dit verslag vindt er bij voorkeur eenmaal per jaar overleg plaats tussen de verantwoordelijke portefeuillehouder en de welstandscommissie. Naar aanleiding van de evaluatie kan de gemeenteraad besluiten dat aanpassing van de welstandsnota noodzakelijk is. Voor dergelijke aanpassingen is de gemeentelijke inspraakverordening van kracht. Bij een evaluatiegesprek kunnen burgers of vertegenwoordigers van maatschappelijke groeperingen worden betrokken. Tussentijdse aanpassingen aan de welstandsnota Na vaststelling van de welstandsnota kan de gemeenteraad ook tussentijds aanvullingen op de welstandsnota vaststellen. Dit is vooral het geval bij de grotere nieuwe bouwprojecten waarvoor de welstandscriteria in het kader van de stedenbouwkundige planvoorbereiding worden opgesteld (zie paragraaf 2.7 Welstandsbeoordeling bij (her)ontwikkelingsprojecten). Voor dergelijke aanvullingen geldt dat de inspraak wordt gekoppeld aan de reguliere inspraakregeling bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding. Daarnaast dienen de voor de nieuwbouw gehanteerde criteria uit het beeldkwaliteit- of stedenbouwkundig plan worden verwerkt en vastgesteld als welstandscriteria in de welstandsnota ten behoeve van het beheer. 1.4Handhaving welstandstoezicht De gemeente geeft met deze welstandsnota regels voor het welstandstoezicht en zal zich ook inspannen voor de naleving daarvan. De gemeente heeft een Handhavingsnota met voorschriften hoe de gemeente omgaat met illegale bouwwerken of gebruik dat strijdig is met het bestemmingsplan. Als voor een vergunningplichtig bouwwerk geen vergunning is aangevraagd, dan wel het bouwwerk na realisering afwijkt van de tekeningen waarop de vergunning is afgegeven, krijgt de eigenaar de gelegenheid om (alsnog of opnieuw) een vergunning aan te vragen voor het gerealiseerde bouwwerk. Als deze vergunning moet worden geweigerd, vanwege een negatief welstandsadvies, planologische strijdigheid of om bouwtechnische redenen, dan zal de eigenaar de situatie moeten veranderen. Burgemeester en wethouders kunnen dan degene die tot het opheffen van de situatie bevoegd is, aanschrijven om binnen een door hen te bepalen termijn de strijdigheid op te heffen. Ook voor vergunningvrije bouwwerken kan tot aanschrijving worden besloten indien er sprake is van ernstige mate van strijdigheid met redelijk eisen van welstand (zie paragraaf 2.8 Excessenregeling). 2Procedures en werkwijze bij welstandsbeoordeling 2.1.Wettelijke basis voor welstandstoezicht Artikel 12 van de Woningwet luidt: “Het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, mogen niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in art. 12a, eerste lid, onderdeel a.” “uiterlijk en plaatsing” Er dient niet alleen te worden gekeken naar de vormgeving van het object, maar ook naar de situering: Staat het op logische wijze op het kavel gesitueerd? Past de plaatsing van het object in deze omgeving of in de ontwikkeling van die omgeving? “bouwwerk of standplaats” Bij een woonwagen is geen sprake van een bouwwerk in de zin van de Woningwet. Toch is het plaatsen van een woonwagen van invloed op de welstand. De situering en de inrichting van de standplaats vallen door deze formulering toch binnen de reikwijdte van het welstandsadvies. “op zichzelf, in verband met de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan” De kern van welstandszorg ligt in het feit dat bouwen een handeling is die de leef- en werkomgeving beïnvloedt. Het particuliere belang kruist daarbij vrijwel altijd het algemene of maatschappelijke belang. Elke burger mag van de overheid verwachten dat zij een zorgvuldige afweging van belangen maakt bij het verlenen van vergunningen. Het is in het algemeen belang dat onze leef- en werkomgeving een verzorgd en samenhangend karakter vertoont. Vandaar dat de welstandsadvisering zich niet kan beperken tot de verschijningsvorm van het bouwwerk op zich, maar ook de relatie van dat bouwwerk met zijn omgeving dient te onderzoeken. De invloed van bouwen op de omgeving is bovendien vrijwel altijd van lange duur. Het is daarom ook belangrijk een inschatting te maken van de te verwachten ontwikkelingen van de omgeving. Ook de samenhang van verschillende bouwplannen onderling moet kunnen worden beoordeeld. Deze plannen vormen immers elkaars toekomstige omgeving. “redelijke eisen van welstand” Met “redelijk” bedoelt de wetgever aan te geven dat plannen getoetst worden op eisen die men redelijkerwijs mag verwachten. Redelijk is dus geen absoluut begrip en heeft niet de betekenis van “middelmatig”. Of de eisen hoog, gemiddeld of laag zullen zijn, is afhankelijk van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Zoals in paragraaf 2.5 wordt uitgelegd kan van een plan dat zich onderscheidt van zijn omgeving in redelijkheid verwacht worden dat het aan hoge architectonische en stedenbouwkundige eisen voldoet. Het ambitieniveau wordt door de initiatiefnemer van het bouwplan dan zelf al hoog gelegd. “beoordeeld naar de criteria, bedoeld in art. 12a, eerste lid, onderdeel a” Deze zinsnede is toegevoegd aan de oorspronkelijke wetstekst, en vormt de basis voor deze welstandsnota. Gemeenten worden hiermee verplicht de criteria voor de welstandsadvisering vast te leggen in een gemeentelijke beleidsnota. Artikel 12 a, lid 1, onderdeel a luidt immers: “De gemeenteraad stelt een welstandsnota vast inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag om vergunning betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand.” 2.2.De welstandscommissie De welstandscommissie is volgens artikel 1 lid 1n Woningwet een door de gemeenteraad benoemde commissie van onafhankelijke deskundigen. De gemeenteraad maakt al jaren gebruik van de overkoepelende welstandsorganisatie Dorp, Stad en Land. De gemeenteraad benoemt DSL als zijnde haar onafhankelijk en deskundige adviescommissie. De leden van de welstandscommissie worden op voordracht van burgemeester en wethouders door de raad benoemd voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging van nog eens drie jaar. In de bijlage is het Reglement van Orde van de welstandscommissie opgenomen. Voor verdere toelichting van de samenstelling en benoeming van de welstandscommissie wordt hiernaar verwezen. 2.3.De welstandscriteria Een gemeentelijk welstandsbeleid bevat de welstandsaspecten en de criteria waaraan bouwplannen in die gemeente worden getoetst. Als het gaat om de karakteristieken die Noord-Beveland haar eigen identiteit verlenen is dat een goede zaak. Het specifieke karakter van de gemeente is echter vaak gerelateerd aan bijzondere en karakteristieke gebieden, structuren, gebouwen en/of ensembles. Een groot deel van het grondgebied omvat bebouwing zonder bijzondere en karakteristieke kenmerken. Voorts bestaat het bouwen in Noord-Beveland voor een groot deel uit kleine bouwplannen: verbouwingen en uitbreidingen, waarvoor een maatschappelijk geaccepteerd scala aan oplossingen en vormen is ontwikkeld, en waarvoor objectieve, meetbare criteria kunnen worden opgesteld. Het is dus logisch dat de welstandsnota een samenhangend stelsel van criteria zal bevatten onderverdeeld in vier hoofdgroepen: algemene welstandscriteria gebiedsgerichte welstandscriteria welstandscriteria voor specifieke objecten welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen De algemene welstandscriteria en de criteria voor specifieke objecten of kleine bouwplannen behandelen aspecten die niet gebiedsgebonden zijn, terwijl de gebiedscriteria zijn gekoppeld aan specifieke gebiedseigen kenmerken en eigenschappen. Met de vaststelling van de welstandscriteria zal de welstandstoetsing objectiever worden. Echter niet alle aspecten van het bouwen zijn op basis van volledig geobjectiveerde criteria toetsbaar. Architectuur laat zich niet vangen in louter meetbare eigenschappen. Vandaar dat de toetsing van bouwplannen ook in de toekomst door een onafhankelijke commissie moet plaatsvinden. De beoordeling wordt wel inzichtelijker gemaakt door de in deze nota opgenomen welstandscriteria. Algemene welstandscriteria Deze algemene architectonische aspecten worden toegepast in het geval een plan niet of niet volledig voldoet of kan voldoen aan de gebiedscriteria. Gebiedsgerichte welstandscriteria en de criteria voor specifieke objecten Met welke gebiedsgebonden aspecten moet bij de ontwikkeling van bouwplannen rekening worden gehouden en hoeveel vrijheid is er om daarvan af te wijken? Een criterium is de beschrijving van een beeldaspect die de karakteristiek en gewenste ontwikkelingen van een gebied of specifiek object aangeeft. Bij de beoordeling wordt getoetst of het beeldaspect voldoet aan die criterium. Welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen (zogenaamde sneltoetscriteria) Het gaat hier om meetbare welstandscriteria die de planindiener vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid dienen te geven. Wanneer een bouwplan aan de sneltoetscriteria voldoet kan de vergunning binnen zeer korte termijn worden verleend. Er zijn sneltoetscriteria opgesteld voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen, erfafscheidingen en rolhekken, luiken en rolluiken. 2.4.Het welstandsadvies De welstandscommissie brengt over de vergunningplichtige bouwplannen advies uit. De monumentencommissie brengt adviezen uit met betrekking tot een monumentenvergunning (artikel 15 van de Monumentenwet 1988). Vorm en inhoud van een welstandsadvies Het advies van de commissie geeft aan of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Als de planbeoordeling openbaar heeft plaatsgevonden is ook het schriftelijke advies van de welstandscommissie openbaar, ingevolge artikel 12b lid 1 van de Woningwet. Het bestemmingsplan prevaleert boven het welstandsadvies: datgene dat door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt kan niet door het welstandsadvies worden tegengehouden. Het welstandsadvies kan wel gericht zijn op de gekozen invulling binnen het bestemmingsplan. In een situatie waarin een vergunning wordt aangevraagd en het plan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan eveneens ruimte biedt voor alternatieven, kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard moet de welstandsnota daartoe de argumentatie leveren, de welstandscriteria moeten waar nodig dus de ruimte die het bestemmingsplan biedt, invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Het advies van de welstandscommissie wordt altijd schriftelijk vastgelegd in de vorm van vergaderingnotulen. Het welstandsadvies (met uitzondering van het akkoordstempel) bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten, uitmondend in een integraal advies. Steeds moet de motivatie op grond waarvan het advies wordt gegeven, duidelijk zijn. De welstandsadvisering is niet gericht op zaken die geen betrekking hebben op het welstandstoezicht zoals bedoeld in de Woningwet. Het welstandsadvies kan wel suggesties bevatten voor beleid of procedurele zaken die naar mening van de commissie in acht genomen zouden moeten worden, maar kan een welstandsadvies daarop niet baseren. In een enkel geval zal de welstandscommissie willen proberen de planindiener te enthousiasmeren voor zaken die het plan op een nog hoger niveau kunnen tillen. Deze 'puntjes op de i' worden als vrijblijvende suggestie genoemd en zijn duidelijk losgekoppeld van de welstandsadvies zelf. De welstandsadviezen mogen nooit zodanig zijn geformuleerd dat één der betrokkenen zich daardoor beledigd of in goede naam of eer aangetast kan voelen. Als een plan naar mening van de welstandscommissie volgens de welstandscriteria voldoet aan redelijke eisen van welstand wordt een positief advies gegeven aan burgemeester en wethouders. Op initiatief van de welstandscommissie of op verzoek van burgemeester en wethouders kan een positief advies schriftelijk worden gemotiveerd. Dit gebeurt in ieder geval bij bijzondere situaties waarbij wordt geadviseerd om een plan in afwijking van de gebiedsgerichte c.q. objectgerichte welstandscriteria goed te keuren. Soms is een plan naar mening van de welstandscommissie in strijd met de redelijke eisen van welstand, tenzij het op ondergeschikte punten wordt aangepast. Deze punten worden ondubbelzinnig genotuleerd of op de tekening aangegeven. Indien het plan wordt aangepast aan deze opmerkingen wordt daarna het positieve welstandsadvies gegeven. Als een plan naar mening van de welstandscommissie volgens de welstandscriteria niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, volgt een negatief advies. Dit betekent dat ingrijpende wijzigingen in het planconcept of de uitwerking van het ontwerp noodzakelijk zijn. Een negatief advies wordt altijd schriftelijk gemotiveerd door de commissie. Binnen de wettelijke beslistermijnen kan de commissie het welstandsadvies aanhouden, indien meer informatie of een toelichting van de ontwerper wenselijk is of om de ontwerper de gelegenheid te geven zijn plan aan te passen. Gezien de korte afhandelingtermijn van licht vergunningplichtige plannen zal het in praktijk niet mogelijk zijn deze plannen aan te houden. Mondelinge toelichting op het welstandsadvies In principe moeten de welstandsadviezen zo begrijpelijk en duidelijk zijn dat nadere uitleg overbodig is. Indien de ontwerper of de planindiener een mondelinge toelichting op het welstandsadvies wenst wordt dit in eerste instantie gegeven door het gemandateerde commissielid. Indien betrokkenen vervolgens een nadere toelichting wensen kan een afspraak worden gemaakt met de commissie. Na hoor en wederhoor kan de commissie als zij daartoe aanleiding ziet, het advies herzien. Deze herziening wordt in het advies gemotiveerd. Het indienen van bezwaar Belanghebbenden kunnen binnen zes weken bezwaar indienen tegen de beslissing van burgemeester en wethouders op de aanvraag voor een omgevingsvergunning, hierbij zijn de voorschriften van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Belanghebbenden zijn in de regel de planindiener en de direct omwonenden. In de bezwaarschriftprocedure heroverwegen burgemeester en wethouders het besluit, na advies van de 'Commissie voor de Bezwaar- en Beroepschriften'. Belanghebbenden worden in dat geval uitgenodigd om tijdens een hoorzitting hun standpunten nader toe te lichten. De belanghebbenden die het met de heroverweging niet eens zijn kunnen hiertegen in beroep gaan. Als een bezwaar te maken heeft met het welstandsoordeel, richt de belanghebbende zich dus nadrukkelijk op het oordeel van burgemeester en wethouders en niet op het advies van de welstandscommissie. Dat is immers alleen een advies aan burgemeester en wethouders. Volgens artikel 3:49 Awb kan er verwezen worden naar het advies. Mocht er van het advies afgeweken worden dan is er een zwaardere motiveringsplicht ingevolge artikel 3:50 Awb. De welstandscommissie zelf kent daarom geen bezwaarprocedure voor belanghebbenden. Natuurlijk kunnen de ontwerper en eventueel de planindiener wel een toelichting op een uitgebracht advies vragen. Na hoor en wederhoor kan de commissie als zij daartoe aanleiding ziet, het advies herzien. Deze herziening wordt in het advies gemotiveerd. 2.5.Afwijking van het advies en de criteria Afwijking van het welstandsadvies Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van de welstandscommissie. Daarop zijn de volgende uitzonderingsmogelijkheden: Afwijken van het advies op inhoudelijke grond / second-opinion: Burgemeester en wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie indien zij tot het oordeel komen dat de welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast. Indien burgemeester en wethouders bij een vergunningaanvraag op inhoudelijke grond tot een ander oordeel komen dan de welstandscommissie staan 2 mogelijkheden ter beschikking. Enerzijds kan burgemeester en wethouders de commissie vragen om een heroverweging. Dit gebeurt in incidentele gevallen waarbij aanvullende planinformatie beschikbaar komt. Anderzijds kunnen zij voordat het besluit op de vergunningaanvraag wordt genomen, binnen de daarvoor geldige afhandelingtermijn, een second-opinion aanvragen bij een andere onafhankelijke welstandscommissie. Het advies van deze tweede commissie speelt een zware rol bij de verdere oordeelsvorming van burgemeester en wethouders. Indien het advies van de welstandscommissie en de second-opinion tegengesteld zijn en burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Afwijken van het advies om andere redenen Burgemeester en wethouders krijgen de mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de vergunning te verlenen indien zij van oordeel zijn dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de vergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Burgemeester en wethouders van de gemeente zullen uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of maatschappelijke belangen. Afwijken van de criteria De welstandscriteria in deze nota vormen in de eerste plaats een stimulans om bouwplannen een positieve bijdrage te doen leveren aan de bestaande beeldkwaliteit van Noord-Beveland. De primaire bedoeling van het welstandstoezicht is het streven naar bouwplannen, waarbij de welstandscriteria worden gebruikt als opstapje, als middel om na te denken over de schoonheid van het bouwwerk in zijn omgeving. Het kan voorkomen dat de welstandscriteria ontoereikend zijn. In deze bijzondere situaties kan worden teruggevallen op de algemene welstandscriteria, waarbij de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria wordt beargumenteerd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan is aangepast aan de gebiedsgerichte welstandscriteria, maar het bouwwerk zelf zo onder de maat blijft dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden. Ook wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet, kan worden teruggevallen op de algemene welstandscriteria (hoofdstuk 4). Het is begrijpelijk dat er bij het gebruik van de hardheidsclausule hogere eisen worden gesteld aan het bouwplan. Ook de welstandscommissie zelf kan bij haar advisering afwijken van de welstandscriteria. Dit kan gebeuren op basis van een gemotiveerd positief welstandsadvies bij plannen die weliswaar strijdig zijn met enige welstandscriteria, maar niet strijdig zijn met redelijke eisen van welstand, dit te beoordelen aan de hand van de algemene welstandscriteria. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de vergunning eveneens gemotiveerd. Afwijkingen van het beleid vragen om een bestuurlijk draagvlak. Wanneer de welstandscommissie voor een bepaald plan aanleiding ziet tot afwijken van het beleid, zal zij het college van burgemeester en wethouders in haar advies daarover informeren. Burgemeester en wethouders beslissen bij het wel of niet verlenen van een vergunning om de hardheidsclausule wel of niet toe te passen. Het ligt voor de hand om afwijkingen van structurele aard jaarlijks bij de evaluatie in de nota te verwerken. 2.6.Welstandsbeoordeling in geval van monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten Voor bouwplannen op, aan of nabij monumenten vormt de redengevende beschrijving van het monument het welstandscriterium. Monumenten vormen niet zelden een uitzondering in hun omgeving. Ze hebben vaak specifieke vorm- en stijlkenmerken, die afwijken van de gebiedskarakteristiek. Beschermde stads- en dorpsgezichten, zoals de Voorstraat in Colijnsplaat, wordt als een apart gebied beschreven en valt onder het hoogste welstandsniveau. Voor monumenten en van Rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten geldt bovendien dat alle vergunningvrije bouwwerken zoals genoemd in de AMvB vergunningplichtig zijn. Dat houdt in dat kleine bouwplannen die normaal gesproken vergunningvrij zijn toch getoetst worden aan redelijke eisen van welstand. 2.7.Excessenregeling Ook bouwwerken waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd moeten aan minimale welstandseisen voldoen. Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’ aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Deze ‘excessenregeling’ is niet bedoeld om de plaatsing van het bouwwerk tegen te gaan. De gemeente Noord-Beveland hanteert bij het toepassen van deze excessenregeling het criterium dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Vaak heeft dit betrekking op: het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving; het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk; armoedig materiaalgebruik; toepassing van felle of contrasterende kleuren; te opdringerige reclames, of een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsgerichte welstandscriteria). Vergunningsvrije bouwwerken die voldoen aan de welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand. 3Ruimtelijke analyse, gebiedsindeling en welstandsniveaus 3.1Toelichting Om een gebiedsgericht welstandsbeleid op te stellen, is het van belang om te beschikken over een gedegen analyse en inventarisatie van de verschillende beeldkwaliteiten die te vinden zijn in de gemeente Noord-Beveland. Dit hoofdstuk is bedoeld om een integrale visie te geven op de beeldkwaliteit van het gemeentelijk grondgebied van Noord-Beveland en de vertaling hiervan naar een gebiedsgerichte en selectief welstandsbeleid voor Noord-Beveland, conform de Woningwet en de Wabo. Bij de beleidsvertaling is selectiviteit het belangrijkste begrip: in welk gebied moet de lat hoger liggen of kan de lat juist lager liggen als het gaat om het beoordelen van bouw- of inrichtingsinitiatieven. Het is van groot belang onderscheid te maken in gebieden die bescherming verdienen en gebieden waar meer ruimte bestaat of de opnamecapaciteit groter is voor het toevoegen van nieuwe elementen. Daarom maakt de welstandsnota een onderverdeling in welstandsniveaus: zeer waardevolle, bijzondere en reguliere welstandsgebieden. Deze gradaties vormen het ambitieniveau van de gemeente ten aanzien van het ruimtelijke kwaliteits- en welstandsbeleid, waaraan in het welstandsbeleid, in de vorm van gebieds- en objectgerichte welstandscriteria, invulling wordt gegeven. 3.2Ruimtelijke analyse Om een indruk te krijgen hoe de bebouwde kernen van Noord-Beveland aansluiten op de omgeving, zal in dit hoofdstuk nader gekeken worden naar de oude en bestaande structuren van het landschap. Het landschap vormt als het ware de ‘ruggengraat’ van de bebouwingsconcentratie en het verkavelingpatroon ervan. De analyse is de basis voor de gebiedsdifferentiatie en de waardebepaling van de verschillende gebieden. De analyses met betrekking tot het landschap bestaan uit: Landschapsvorming en -ontwikkeling: Aan de orde komen onder andere de vorming van het eiland Noord-Beveland en de bodemgesteldheid. Landschapsstructuur en -morfologie: Behandeling van de structurerende elementen aan de hand van historie, functie en verschijningsvorm. Daarnaast wordt de invloed van het landschap op de ruimtelijke inrichting en het grondgebruik beschreven in deze paragraaf. Functies en verstedelijking: Beschrijving van bebouwing, situering van verschillende gebieden en functies binnen het landschap. Vervolgens worden in de daarop volgende paragraaf de bebouwde kernen van Noord-Beveland geanalyseerd: Nederzettingstypologie: Onderverdeling van de kernen naar opbouw en stedenbouwkundige karakteristiek. Bebouwing en beeld: Een nadere beschrijving van de opbouw, stedenbouwkundige structuur en ruimtelijke verschijningsvorm per kern. 3.2.1 Landschapsvorming Het landschappelijk beeld van de gemeente Noord-Beveland wordt bepaald door een weids zeekleilandschap dat gevormd is door de grillige structuur van kleine polders. Noord-Beveland bestaat uitsluitend uit Nieuwland, dit betekent dat het om polders gaat die na 1200 zijn ingepolderd. De geschiedenis van Noord-Beveland kenmerkt zich, als een gevecht tegen het water. Kort na de stormvloed van 1014 werden de eerste kaden(dijkjes) aangelegd om het land te beschermen tegen het water. Als in 1134 het noodlot opnieuw toeslaat wordt het gehele eiland Noord-Beveland voorzien van dijken. In 1200 is het land beschermd door dijken en duinen, uitwateringssluizen zorgen voor de afvoer van overtollig water. Door deze ontwikkelingen verzoet het grondwater waardoor de schorrenvegetatie plaats maakt voor grasland, bovendien wordt het mogelijk om akkerbouw en fruitteelt toe te passen. De economische groei heeft als gevolg dat er steeds meer land wordt ingepolderd. Hierdoor werd de komberging van de overblijvende wateren hoe langer hoe kleiner, zodat er bij stormvloeden geen plaats was om al het opgestuwde water te bergen. Met de stormvloedrampen van 1530 “Sint Felix quaede Saturdach” en 1532 “De Sint-Elisabethvloed” verdwijnt al het bedijkte land in de golven. In 1598 wordt begonnen met de inpoldering van het huidige Noord-Beveland. Op de kaart is goed te zien hoe de slikken en schorren aan de Westkant van het eiland langzaam zijn ingepolderd. Het huidige Noord-Beveland heeft buitendijks nog een groot aantal slikken en schorren. De slikken bestaan op geringe diepte uit zand, terwijl de schorren uit klei of zwavel bestaan. Bebouwing van de gemeente Noord-Beveland bestaat uit een zestal kernen, recreatieparken, een klein lintdorp en verspreid over het landschap gesitueerde boerderijen. Een aantal kernen hebben nog steeds een sterke relatie met het water door de aanwezige (jacht)havens. Opmerkelijk is de strenge stedenbouwkundige opzet van Wissenkerke en Colijnsplaat. In de twintigste eeuw is men begonnen met het aanleggen van de Deltawerken. De Zandkreekdam

(1960), de Veerse dam
(1961)en de Oosterscheldekering
(1986)Landschapsontwikkeling Noord-Beveland 3.2.2 Landschapsstructuur en morfologie Structuur Noord-Beveland is van oost naar west ingepolderd. De landschaps-structuur kenmerkt zich door de lappendeken van veelvormige polders, begrensd door polderdijken met een hieraan georiënteerde verkaveling. De meest westelijke polders hebben een duidelijke noord-zuid richting ten opzichte van de meer amorfe polders in het oostelijke gebied van het eiland Noord-Beveland. De rationele verkavelingstructuur binnen de polders zorgt echter voor een gestructureerd landschapsbeeld. Een goed voorbeeld hiervan is de Oud-Noord-Beveland polder, dit open poldergebied is door z’n omvang en strenge renaissanceblok verkaveling een opmerkelijk onderdeel van het landschap. De kernen op Noord-Beveland liggen verspreid over het eiland. Wissenkerke en Geersdijk hebben een centrale positie op Noord-Beveland, de overige kernen zijn georiënteerd op het water. De belangrijkste dragers van de ontsluitingsstructuur zijn de deltawerken (Veerse dam, de Zandkreekdam en de Oosterschelde-kering) en de Zeelandbrug. Deze indrukwekkende bouwwerken verbinden de westkant van het eiland met Schouwen-Duiveland en Walcheren middels de N
  1. Aan de oostkant van Noord-Beveland loopt de N256 die de verbinding vormt tussen Zierikzee en Goes. De centrale ontsluitingsweg op het eiland is de provinciale weg N
  2. De kernen worden ontsloten door middel van secundaire verbindingen met deze weg. De groenstructuur van het eiland wordt vooral gevormd door de begroeiing van de buitendijkse gebieden aan de west kant van het eiland. Centraal liggen er nog enkele kleinschalige bosrijke gebieden. Landschapsstructuur Noord-Beveland Morfologie Het gemeentelijk grondgebied van Noord-Beveland bestaat grofweg uit een patroon van water, polders, infrastructuur en verspreid liggende bebouwde kernen en bospercelen. Openheid en beslotenheid wisselen elkaar hierin af. Als typering van het landschap kan men de volgende kenmerkende gebieden onderscheiden; Verstedelijkte gebieden; hiermee worden de zes kernen van Noord-Beveland bedoeld, het gehucht Stroodorp en de recreatieparken. De meeste kernen zijn opgezet vanuit een planmatig stratenpatroon, gecombineerd met lintbebouwing. Stroodorp bestaat uit een eenzijdige bebouwde dijk, met dwars daarop lintbebouwing aan een polderweg. De bebouwing van de recreatieparken kenmerkt zich door de kleinschaligheid en de eenvormigheid. De zachte wanden van deze gebieden zorgen voor een geleidelijke overgang naar het open polderlandschap. Begroeiing met hoge dichtheid; dit zijn bosrijke gebieden die in kleine hoeveelheden over het polderlandschap zijn verdeeld. In het buitendijkse gebied liggen echter een aantal grote gebieden die gekenmerkt worden door dichte loofbossen. Kleinschalige boomgaarden die binnen de verkaveling van de polders liggen, hebben een andere structuur door de orthogonale indeling, maar bezitten dezelfde dichtheid. Polders met een minder open karakter; deze gebieden worden gekenmerkt door de opgaande boombeplanting langs dijken en wegen, waardoor zichtlijnen beperkt zijn. Dit komt vooral voor in het centrale gebied van Noord-Beveland. Open landschap; Hierbij wordt een aantal gebieden gerekend: de open polders, de weidegebieden op de schorren, slikken en buitendijkse gebieden en als laatste het strand aan de Noordzeekust. Morfologie Noord-Beveland Ecologie De ecologische structuur bestaat aan de noordkant van het eiland uit een groot aantal inlagen. Deze inlagen zijn kleine secundair gevormde polders, die achter de zeedijk liggen op plaatsen waar men een doorbraak vreesde. Landinwaarts werd op die plaatsen dan een reserve dijk aangelegd, de inlaagdijk. Doordat voor de aanleg van deze dijk, de grond van de inlaagpolder werd gebruikt varieert het huidige landschapsbeeld van deze polders van moerassig grasland of rietveld tot open water. Deze gebieden zijn het gehele jaar zeer rijk aan vogels, vooral eenden, meeuwen en steltlopers zijn hier te vinden. Aan de zuidkant van Noord-Beveland liggen de Katse Plaat en de middelplaten. De Katse Plaat is een zandplaat die bij hoogtij gedeeltelijk onder water verdwijnt. Bij laag water is de Katse Plaat een rustplaats en foerageergebied voor visdiefje, aalscholver, kluut en plevier. In de winter verblijven hier smienten en rotganzen. De Middelplaten bestaan vooral uit weilanden die begraasd worden door paarden en runderen. Hierdoor krijgen bijzondere plantensoorten als addertong, rode ogentroost, kleverige ogentroost en grote ratelaar de ruimte. Op de lagere delen van de Middelplaten groeien zoutminnende planten als zeekraal, blauw kweldergras. De kustlijn in de noord-west hoek van Noord-Beveland, tussen de Oosterscheldekering en de Veerse Dam, kenmerkt zich door het duinlandschap. Van oorsprong hebben er een aantal kreken door het landschap van Noord-Beveland gelopen. De meeste daarvan zijn verdwenen, er zijn echter een viertal kreekrestanten die nog steeds in het landschap herkenbaar zijn. De Valkreek bij Colijnsplaat laat zich het beste herkennen, terwijl de kreek tussen Wissenkerke en Kamperland in de loop der tijd is veranderd in een brede watergang. Het Bokkegat en het Katse Gat zijn eveneens kreekrestanten. De restanten zijn van belang vanwege de overgangen van nat naar droog en van zout naar zoet. Deze omstandigheden lenen zich uitstekend voor het ontwikkelen van bijzondere soortenrijke vegetaties. Verder kenmerkt het eiland zich door een aantal graslanden met ecologische waarden, als foerageergebied voor ganzen of weidevogels. Naast deze open ecologisch waardevolle gebieden is er op Noord-Beveland een aantal loofbossen gesitueerd. De buitendijkse bossen zijn met name nieuw aangelegd en hebben nog een beperkte ecologische waarde. Ecologische structuur Noord-Beveland 3.2.3 Functies en verstedelijking De belangrijkste functies in Noord-Beveland zijn te vinden in de kernen en in de recreatiegebieden. De kernen liggen verspreid over het gehele eiland. De kernen variëren in grootte en hebben een verschillend voorzieningsniveau. Opvallend bij een aantal kernen is het feit dat de (historische) centra van de kernen organisch zijn gegroeid en grotendeels behouden zijn gebleven, waarbij vrijwel ieder pand verschilt van de naastgelegen panden. Een belangrijk aspect bij een aantal kernen is de strenge stedenbouwkundige structuur. In de naoorlogse periode zijn aan de randen van deze kernen planmatige uitbreidingen ontstaan. Deze planmatige uitbreidingen sluiten niet altijd goed aan bij het organische karakter van deze kleine kernen. De beperkte bedrijfsterreinen op Noord-Beveland hebben allen een directe relatie met de havens. Bovendien zijn de terreinen, met uitzondering van Kats, op korte afstand van het historisch centrum gebouwd. Het toeristisch zwaartepunt ligt aan de west- en zuidzijde van Noord-Beveland. De recreatiestrandjes, bossen en havens in dit gebied zijn belangrijke toeristische trekkers. Verblijfsrecreatie is vooral aanwezig in de vorm van campings en grootschalige recreatieparken, die deels permanent bewoond worden. Aan de noordkant van het eiland, grenzend aan de Oosterschelde, zijn vooral de natuurlijke- en ecologische waarden belangrijke aspecten. De rest van Noord-Beveland is voornamelijk in gebruik als agrarisch gebied. Verreweg het grootste deel van het landelijk gebied bestaat uit akkerland. Weilanden zijn slechts geconcentreerd in de lager gelegen delen van het landschap, meestal daar waar in vroeger tijden kreken hebben gelegen. Verspreid over het eiland komen enkele boomgaarden voor. Deze zijn voornamelijk gesitueerd in de directe omgeving van de kernen. Functies en verstedelijking Noord-Beveland 3.2.4 Bebouwing De verschillende nederzettingen op het eiland kunnen worden onderverdeeld in vier categorieën: voorstraatdorpen, straatdorpen, een dijkdorp en recreatiegebieden. Daarnaast is er regelmatig sprake van solitaire bebouwing in het buitengebied. Voorstraatdorpen Het voorstraatdorp wordt gekenmerkt door de orthogonale opbouw. Deze is ontstaan doordat de centrale straat -de voorstraat- doorgaans loodrecht op een dijk werd geprojecteerd en de overige straten haaks daarop of parallel daaraan zijn aangelegd. Hierdoor ontstaat een rechthoekig stratenpatroon, dat op Noord-Beveland in de kernen Colijnsplaat, Geersdijk, Kats, Wissenkerke is terug te vinden. Straatdorpen Straatdorpen hebben als belangrijkste kenmerk dat ze organisch zijn gegroeid langs een weg als centraal structuurelement. Hierdoor zijn ze van oorsprong vrij langgerekt van vorm. Latere uitbreidingen zijn meestal echter geclusterd bij één centraal punt, waardoor de langgerekte vorm in bepaalde gevallen enigszins gebroken wordt. Tot de straatdorpen behoren de kernen Kamperland en Kortgene. Dijkdorpen Dijkdorpen hebben wat structuur betreft veel weg van een straatdorp. De ontstaanswijze is identiek, met als enige verschil dat een dijkdorp langs een dijk ontstaan is, waardoor hoogteverschillen een rol spelen. Zowel bovendijks als benedendijks komt er bebouwing voor. Stroodorp is het enige dijkdorp op Noord-Beveland. Recreatieparken Op verschillende plaatsen is sprake van relatief grootschalige recreatieparken. Deze zijn sterk planmatig van opzet. Deze parken zijn bebouwd met (vakantie)woningen die voornamelijk gedurende het zomerseizoen worden bewoond. Op Noord-Beveland komen echter ook een aantal permanent bewoonde recreatieparken voor. Tot de recreatieparken behoren: De Banjaard, Noordzee Résidence De Banjaard, Rancho Grande, Sophiahaven, Deltona, Marinuswerf, de Paardekreek, Ganuenta en de Korenbloem. Schotsman, Ruiterplaat, Veerse Meer en De Boogerd zijn permanent bewoonde recreatieparken. Colijnsplaat Stedenbouwkundige ontwikkeling In 1489 was het gors “colinsplate”, gelegen ten noorden van het eiland Noord-Beveland, ter bedijking uitgegeven. Pas in 1598, zestig jaar nadat geheel Noord-Beveland overstroomd werd door de stormvloeden van 1530 en 1532, werd van dit recht gebruik gemaakt. In dit jaar werd de Oud-Noord-Bevelandpolder met een deel van de “colinsplate” ingedijkt. Binnen de polder werd één nederzetting, Colijnsplaat, nabij de uitwateringssluis van de polder en de haven gerealiseerd. De stedenbouwkundige opzet van het dorp is typerend voor dorpen die ontstaan zijn op nieuwland. Kenmerkend is de rationele indeling van Colijnsplaat en de 12 bouwblokken die zijn ontstaan door het strenge stratenpatroon. De stedenbouwkundige structuur is bijzonder doordat het voorstraatmodel gecombineerd wordt met een traditionele kerkring. Hierdoor vormt Colijnsplaat een overgangsvorm van de vormprincipes uit de renaissance van voor de 15de eeuw, en de geometrische vormprincipes van de voorstraatdorpen. In het begin van de twintigste eeuw is de kerkring gedempt, het voormalige kerkhof is vervolgens volgebouwd, en de voormalige gracht is beplant met bomen. De oude haven is in 1961 vervangen als gevolg van de Deltawerken. Hierdoor is er ook achter de voormalige zeedijk bebouwing ontstaan. Latere uitbreidingen zijn onder andere ontstaan aan de Colijnsplaatseweg, waar een aantal arbeiderswoonblokken zijn gerealiseerd, gecombineerd met vrijstaande bebouwing. Buiten de historische kern, aan de zuid-oostzijde heeft enige nieuwbouw plaatsgevonden. Belangrijk is ook het feit dat er voortdurend vervangende woningbouw heeft plaatsgevonden. Ruimtelijke structuur Colijnsplaat ligt in de noord-oosthoek van Noord-Beveland, tegenover Zierikzee en met uitzicht op de Zeelandbrug. De Colijnsplaatseweg en de Havelaarstraat zijn de belangrijkste ontsluitingswegen van Colijnsplaat. Langs de historische uitvalswegen is met name lintbebouwing aanwezig. De Colijnsplaatseweg wordt hierbij begeleid door een lange rij arbeiderswoningen. Aan weerszijden van deze doorgaande route door het centrum, is een aantal gebieden te onderscheiden met een eigen ruimtelijke structuur. Het centrum is voornamelijk te vinden binnen de historische voorstraatstructuur, waarin de Voorstraat de belangrijkste structuurdrager vormt. De gevelwanden zijn gesloten en ingevuld met cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Aan de uiteinden van de Voorstraat liggen twee belangrijke gebouwen. Ten noorden ligt het raadhuis, dat door de oriëntatie op de kop van de Voorstraat en op de dijk een oriënterende functie heeft. Ten zuiden ligt de grootste blikvanger namelijk de Hervormde kerk. Deze zaalkerk uit 1769 onderscheid zich door de positie binnen de oude kerkring, en de oriëntatie op de Voorstraat. De Voorstraat vormt de verbinding met de ontsluitingsroute langs de West-Zeedijk en Oost-Zeedijk. Tussen de Oost-Zeedijk en de Havelaarstraat liggen een sportterrein en een bedrijventerrein ingeklemd. De functies en invulling van de bebouwing staat in contrast met de overwegend compacte bebouwingsstructuur van de overige delen van Colijnsplaat. Latere uitbreidingen, met in grote mate een planmatig karakter, zijn ten zuiden van de Havelaarstraat gelegen. Buiten de kern, langs de Colijnsplaatseweg en de Havelaarstraat zijn er twee molens die als het ware de toegang tot het dorp markeren. Bebouwing en beeld De beeldkaart is opgebouwd uit een negental beeldelementen. In de grafische weergave ervan wordt onderscheid gemaakt tussen zwakke en sterke beeldelementen. In de beeldkaart wordt de karakteristiek van de straatwanden door middel van het tekenen van de bebouwing meer of minder nadrukkelijk tot uitdrukking gebracht, waarbij de dikte van de lijnen de hoogte of opvallendheid van de bebouwing aangeeft. Het beeld van Colijnsplaat wordt voornamelijk bepaald door de aanwezigheid van landschaps- en historische elementen rond de kern. De oude Voorstraatstructuur is beeldbepalend voor Colijnsplaat. De Voorstraat zelf bestaat uit bebouwing van 2 lagen met verscheidene kaprichtingen. De Voorstraat kenmerkt zich door een grote variatie aan gevels waaronder tuitgevels, klokgevels en houtenlijstgevels. Voordeuren en andere details zijn onder andere uitgevoerd in de empirestijl. Opvallende bebouwingselementen zijn het oude raadhuis, op de kruising van de Havenstraat en Voorstraat, de zaalkerk op de kruising van Voorstraat en de Havelaarstraat, en daarnaast de monumentale dokterswoning met sierspant. De achterstraten en zijstraten zijn onderdeel van de orthogonale voorstraatstructuur die zo kenmerkend is voor Colijnsplaat. De bebouwing aan deze straten kenmerkt zich met een grote variatie aan kleinschalige bebouwing, functies, vormgeving en kleur. Schuren, garages en panden met 1 bouwlaag met of zonder kap wisselen elkaar af. De lintbebouwing in Colijnsplaat bestaat uit een lange rij arbeiderswoningen met de kaprichting horizontaal aan de straat, eenvoudige vrijstaande bebouwing met kaprichting dwars op de straat, en een monumentaal pand wat terug ligt uit de rooilijn en een sterke symmetrische opbouw heeft. De meer ‘beeldneutrale’ buurten zijn aangegeven d.m.v. een raster voor overwegend woonbebouwing. Hier is echter geen sprake van een beeldongevoelige omgeving, aangezien de structuur goed aansluit op de historische structuur van de dorpskern. Beeldkaart Colijnsplaat Geersdijk Stedenbouwkundige ontwikkeling Het middeleeuwse Geersdijk is door de watersnoden van de 16de eeuw totaal verzwolgen onder de zee. Pas na de bedijking van de Geersdijkpolder in 1668, werd het huidige Geersdijk gebouwd. De nieuwe locatie lag weliswaar in de buurt van het oorspronkelijke dorp Geersdijk, waaraan het zijn naam verleent. Het dorp is samen met Kats één van de kleinste kernen van Noord-Beveland. Na de bedijking van de Willempolder is de oorspronkelijke haven van het dorp verplaatst. De Willempolderseweg vormt de verbinding met de nieuwe haven, die nabij de Geersdijkse kaai gelegen is. Geersdijk is net als veel andere kernen op Noord-Beveland, ontworpen als een voorstraatdorp. De structuur bestaat uit een dijk met haven, loodrecht hierop staat de Voorstraat. De Burg.P.Wissestraat vormt de Voorstraat, met in het verlengde de Geersdijkseweg. De dijk waarvandaan typologisch gezien de plattegrond wordt opgezet is hier de provinciale weg. Na het verleggen van de zeedijk is er over de dijk heen gebouwd. Het dorp heeft zich verder ontwikkeld volgens het opgestelde grondplan. De rationele structuur is nog in grote mate te herkennen. De beperkte uitbreiding heeft zich geconcentreerd aan de oostzijde van het dorp, en langs de Geersdijkseweg. Toekomstige ontwikkelingen zullen voornamelijk gericht zijn op het volbouwen van lintstructuren en het toepassen van vervangende nieuwbouw. Ruimtelijke structuur Geersdijk ligt centraal in het landschap van Noord-Beveland en valt dus onder de kernen die in het agrarisch middengebied liggen. De kern karakteriseert zich uitsluitend als woongebied. Er zijn geen voorzieningen en detailhandel te vinden, deze mono-functionaliteit is een belangrijk gegeven. De provincialeweg vormt de belangrijkste ontsluitingsstructuur met de omliggende kernen. Door middel van deze route vindt het dorp aansluiting met het plaatselijke en regionale verkeer. Historisch gezien werd de Geersdijkseweg gebruikt om de polder te ontsluiten, hier heeft dan ook de eerste uitbreiding plaatsgevonden in de vorm van lintbebouwing. De ruimtelijke structuur is op te delen naar lintbebouwing, planmatige uitbreidingen en de historische kern. De historische kern heeft de traditionele strenge opzet van een voorstraatdorp. Latere uitbreiding ten oosten en westen zijn hieraan gekoppeld waardoor is er weinig tot geen afbreuk gedaan aan het originele stratenpatroon. Het belangrijkste oriëntatiepunt is de boom die centraal gepositioneerd staat op de kruising van de provincialeweg en de Burg. P.Wissestraat. De boom markeert de twee belangrijkste routes en geeft als het ware het centrale punt van het dorp aan. Opmerkelijk is de verdraaiing ter plaatse van de Geersdijkseweg en de Burg.P.Wissestraat. Waarschijnlijk is de verdraaiing het gevolg van de botsing tussen het orthogonale polderpatroon en de voorstraatstructuur. Opmerkelijk is de verweving ervan in het historisch centrum. Bebouwing en beeld De beeldkaart is opgebouwd uit een negental beeldelementen. In de grafische weergave ervan wordt onderscheid gemaakt tussen zwakke en sterke beeldelementen. In de beeldkaart wordt de karakteristiek van de straatwanden door middel van het tekenen van de bebouwing meer of minder nadrukkelijk tot uitdrukking gebracht, waarbij de dikte van de lijnen de hoogte of opvallendheid van de bebouwing aangeeft. Het beeld van Geersdijk wordt vooral bepaald door de historische Voorstraatstructuur die overgaat in lintbebouwing. Opvallende is de grote mate aan differentiatie in bebouwing en beeld. De gevels van de belangrijkste straat, de Burg. P. Wissestraat, worden gekenmerkt door een grote variatie aan bouwmassa, materiaalgebruik, geveloriëntatie en kleur. De bebouwing kenmerkt zich als 1 laags woonhuizen met verscheidene kaprichtingen en enkele fraaie kopgevels. Vooral opmerkelijk is de kruising tussen de molenweg, Geersdijkseweg en de Burg. P. Wissestraat. Op deze plaats lopen de lintstructuur en voorstraatstructuur in elkaar over, gemarkeerd door een kopgevel tussen de oorspronkelijke Voorstraat en Molenweg. Binnen de historische kern zijn er weinig beeldbepalende historische panden, de bebouwing blijft beperkt tot eenvoudige woningen met kaprichtingen dwars of parallel aan de straat. De meer ‘beeldneutrale’ buurten zijn aangegeven d.m.v. een raster voor woonbebouwing. In Geersdijk bestaat deze bebouwing uit een aantal arbeiderswoningen met een kaprichting parallel aan de weg, en een latere uitbreiding in de vorm van geclusterde bouwblokken met een interne oriëntatie. De overwegend agrarische lintbebouwing langs de Provincialeweg en de Geersdijkseweg kenmerkt zich als vrijstaande panden met veel variatie in de rooilijnpositionering. Daarnaast zijn er een groot aantal schuren en erfafscheidingen, die aan de achterkant van de historische dorpskern liggen, gesitueerd richting de dijk- en lintbebouwing. Een opmerkelijk groenelement is de centraal gepositioneerde boom op de dijk. Beeldkaart Geersdijk Kats Stedenbouwkundige ontwikkeling In de 16de eeuw is het middeleeuwse Kats verdwenen in de golven. In 1598 wordt er echter weer begonnen met de opbouw van het dorp. Ook in deze kern is de rationele structuur van het voorstraatmodel duidelijk zichtbaar. Kats is ongeveer gelijk met Colijnsplaat ontstaan, de groei heeft echter veel beperkter en langzamer plaatsgevonden. In latere uitbreidingen is in grote mate rekening gehouden met de voorstraatstructuur, waardoor deze langzaamaan zijn vaste vorm heeft gekregen. Oorspronkelijk vormde de dorpsstraat de voorstraat en vormde dus de schakel tussen kerk en haven. Deze haven is met latere inpolderingen komen te vervallen. Na deze inpolderingen is lintbebouwing aan de andere kant van de dijk gelegen. Na het volbouwen van de voorstraatstructuur hebben uitbreidingen in de vorm van vrijstaande woningen aan de westzijde van de kern plaatsgevonden. Aan de oostzijde is er op beperkte schaal doorgebouwd op de structuur van het voorstraatmodel. Kats heeft als één van de twee kleinste dorpen van Noord-Beveland een beperkt voorzieningen niveau. Ruimtelijke structuur Kats ligt in de zuid-oosthoek van Noord-Beveland. De kern is onderdeel van het gebied rond de Oosterschelde, waarbij de kwaliteiten van natuur een belangrijke rol spelen. Het bedrijventerrein in de vorm van de haven, heeft een belangrijk aandeel in de beeldvorming van Kats. De infrastructuur evenals de grote kranen zijn toegespitst op dit bedrijven terrein. De Noordlangeweg vormt de voornaamste ontsluitingsweg. De structuur van het dorp wordt vooral bepaald door de Dorpsstraat en de Dijkstraat. Deze vormen de dragers van de historische voorstraatstructuur, die wordt versterkt door het kerkgebouw op de kop van de Dorpsstraat recht tegenover de dijk. Later is aan de dijk, ter plaatse van deze kruising, een weg de polder in aangelegd, waardoor de Dorpsstraat nu doorloopt in de Leendert Abrahamweg. Buiten de historische structuur liggen twee planmatige uitbreidingen die in mindere mate aansluiten op de historische structuur. Ten westen van de kern is een aantal sportvelden gesitueerd. Bebouwing en beeld De beeldkaart is opgebouwd uit een negental beeldelementen. In de grafische weergave ervan wordt onderscheid gemaakt tussen zwakke en sterke beeldelementen. In de beeldkaart wordt de karakteristiek van de straatwanden door middel van het tekenen van de bebouwing meer of minder nadrukkelijk tot uitdrukking gebracht, waarbij de dikte van de lijnen de hoogte of opvallendheid van de bebouwing aangeeft. Vanuit het polderlandschap is Kats vooral te herkennen door de beeldbepalende kranen ten noordoosten van de dorpskern van Kats. Beeldbepalend voor de dorpskern van Kats is het orthogonale patroon van de stedenbouwkundige voorstraatstructuur. De Dorpsstraat neemt hierin de belangrijkste plaats in. De bebouwing bestaat uit twee gesloten bouwblokken waarbij de oostzijde een regelmatige en ritmische gevelopbouw heeft in de vorm van kop- en langsgevels. Daarnaast is er een grote mate aan variatie in kleur. De westzijde van de Dorpsstraat heeft een grote mate aan differentiatie in de massaopbouw, kaprichting en kleur. Opvallend bebouwingselement is het monumentale pand in het midden van de Dorpsstraat. De massa en ritmiek staan in contrast met de overwegend kleinschalige bebouwing. De historische dorpskern kenmerkt zich door nagenoeg gesloten bouwblokken met een grote variatie aan gevelopbouw, bouwkundige toevoegingen, kaprichtingen en kleur. Op bepaalde plekken is vervangende nieuwbouw toegepast die goed aansluit op de historische voorstraatstructuur en de grote mate aan bebouwingsdifferentiatie in de kern. De meer ‘beeldneutrale’ buurten zijn aangegeven d.m.v. een raster voor overwegend woonbebouwing. De bebouwing kenmerkt zich als vrijstaande of twee-onder-één-kap woningen. De lintbebouwing bestaat uit dijkbebouwing en vrijstaande panden met een strakke rooilijn positionering. Als beeldbepalende groenelementen kunnen de linden in de Dorpsstraat genoemd worden. Deze versterken de monumentale opbouw van de Dorpsstraat. Beeldkaart Kats Wissenkerke Stedenbouwkundige ontwikkeling Wissenkerke is ontstaan in 1652, kort na de bedijking van de Wissekerkepolder. De plattegrond van de kern is oorspronkelijk opgezet als een voorstraatstructuur. Tijdens de groei van het dorp is er echter niet zo streng vast gehouden aan deze structuur als bijvoorbeeld in Colijnsplaat. De historische kern bevindt zich met name tussen de Dorpsdijk, Voorstraat, Ooststraat en Oostvoorstraat. Vanuit deze dichtbebouwde kern is het dorp in verschillende richtingen gegroeid. De haven die oorspronkelijk aan de noordkant van de Dorpsdijk lag, is na de inpoldering van de Thoornpolder in 1697, verdwenen. Deze inpolderingen rond Wissenkerke hebben er bovendien voor gezorgd dat de Cruijkelcreke dichtslibde. Door de verschuiving van havenfunctie naar agrarische functie heeft de kern een ander ontwikkeling doorgemaakt dan de overige voorstraatdorpen op Noord-Beveland. De eerste uitbreidingen vonden plaats aan de andere kant van de dijk, waar vroeger de haven heeft gelegen. Typerend voor deze uitbreiding zijn de arbeiderswoningen met kleine tuinen. Na 1947 vonden los van de historische voorstraatstructuur de eerste uitbreidingen plaats aan de Zuidstraat, Weststraat en Julianastraat. Deze straten vormen een schil aan de westkant van het historische centrum. De bebouwing bestaat met name uit eenvoudig opgezette woonstraten met rijtjeswoningen in Delfse School. Na deze eerste uitbreidingen ontstonden er rijtjeswoningen met grote achtertuinen aan de Beatrixstraat. Na de realisering van het sportterrein, is de ontwikkeling aan de zuidwest kant op gang gekomen. Deze wijk bestaat uit een grote diversiteit aan bebouwing lopend van vrije sectorwoningen aan de buitenkant, tot rijtjeswoningen in de kern. In de jaren tachtig heeft er veel vervangende nieuwbouw plaatsgevonden. Ruimtelijke structuur Wissenkerke is de meest centraal gelegen kern op Noord-Beveland. De ontsluiting vindt vooral plaats via de Dorpsweg en de Nieuweweg. Naast deze hoofdontsluiting vormt de Dorpsdijk een belangrijke secundaire ontsluiting. Intern zijn met name de Voorstraat en de Oostvoorstraat belangrijk. Deze L-vormige structuur vormt de verbinding tussen de twee uitvalswegen van de kern. Twee belangrijke oriëntatiepunten zijn de kerk die centraal langs de Voorstraat ligt, en de molen die net buiten het dorp staat, maar een belangrijke zichtlijn met de Voorstraat heeft. Binnen de Historische kern is de voorstraatstructuur duidelijk te herkennen. Het orthogonale patroon van rechte straten en achterstraten komt vooral aan de oostkant terug. Aan de westzijde ligt de Weststraat, die door een vroegere kreekarm een grillige vorm heeft gekregen. In het verlengde van deze straat is een aantal rechte straten opgezet waarlangs de vroege uitbreidingen hebben plaatsgevonden. Langs de uitvalswegen en de Dorpsdijk is vooral lintbebouwing aanwezig. Markant aanwezig aan noordkant van de dijk is het kleinschalige woonbuurtje, in de vorm van arbeiderswoningen. Het sportterrein ten oosten van de historische kern vormt een groene en natuurlijke overgang met het buitengebied. De grootste woonwijk ligt in het zuid-westen van Wissenkerke en wordt gekenmerkt door een sterke planmatige opzet met een autonome structuur los van de oorspronkelijke voorstraatstructuur. Bebouwing en beeld De beeldkaart is opgebouwd uit een negental beeldelementen. In de grafische weergave ervan wordt onderscheid gemaakt tussen zwakke en sterke beeldelementen. In de beeldkaart wordt de karakteristiek van de straatwanden door middel van het tekenen van de bebouwing meer of minder nadrukkelijk tot uitdrukking gebracht, waarbij de dikte van de lijnen de hoogte of opvallendheid van de bebouwing aangeeft. Het beeld van Wissekerke wordt voornamelijk bepaald door de aanwezigheid van de voorstraatstructuur. Binnen deze structuur is er een streng straten patroon ontstaan van gesloten bouwblokken met zichtlijnen naar het omliggende polderlandschap. De belangrijkste beeldbepalende straat van Wissenkerke is de Voorstraat. Deze straat bestaat uit twee gesloten bouwblokken met een monumentaal pand op de kop van de straat, aan de kant van de dijk. De bebouwing kenmerkt zich door een variatie aan kleinschalige bebouwing met de kaprichting loodrecht op de Voorstraat en grotere panden met een kaprichting parallel aan de deze straat. Achter de rooilijn van de bebouwing staat de kerk met een beeldbepalende spitse toren. Door de hoogte is het een beeldbepalend element voor de kern. De lintbebouwing splitst zich op in eenzijdige gesloten dijkbebouwing met verscheidene kopgevels, en lintbebouwing langs de Dorpsweg. Kenmerkend voor de bebouwing langs de Dorpsweg is de grote variatie aan kleur, bouwmassa, rooilijnpositionering en kaprichting. Overige bebouwing binnen de historische dorpskern heeft vooral beeldkwaliteiten doordat het valt binnen de orthogonale voorstraatstructuur. Bebouwing kenmerkt zich hoofdzakelijk door gesloten erfafscheiding, kleinschalige panden en schuurtjes. De meer ‘beeldneutrale’buurten zijn aangeven d.m.v. een raster voor overwegend woonbebouwing. Kenmerkend voor deze bebouwing is de grote mate aan uniformiteit in bouwblokken, bouwmassa en kleur, afgewisseld met vrijstaande bebouwing. De belangrijkste groenelementen zijn de monumentale linden in de Voorstraat en de eenzijdige begroeiing aan de dijk en Oostvoorstraat. Beeldkaart Wissenkerke Kamperland Stedenbouwkundige ontwikkeling Noord-Beveland is in 16de eeuw geheel overstroomd als gevolg van een tweetal stormvloeden. Hierbij is ook Kamperland niet ongeschonden gebleven. Het middeleeuwse Campen, dat toen al een veerverbinding had met Veere, is echter wel de basis geworden voor het huidige Kamperland. Het dorp is de jongste van de zes kernen die op Noord-Beveland voorkomen. De typologie van Kamperland verschilt eveneens van de andere kernen. Het dorp is gegroeid langs de Veerweg als een straatdorp. In de loop van de 20ste eeuw werden beide zijden van de Veerweg volgebouwd. Latere uitbreidingen hebben een verschillende mate van verdichting, maar dezelfde autonome structuur. De buurten zijn aan weerszijden achter de lintbebouwing van de Veerweg ontwikkeld met een eigen interne structuur en een enkele vertakking naar de Veerweg. Ten noorden van de Noordstraat is er een klein bedrijventerrein ontwikkeld. Ruimtelijke structuur Kamperland is de meest westelijke kern van Noord-Beveland. De Veerweg vormt de belangrijkste straat en verbindingsroute binnen de kern. Bij de haven gaat deze weg over in de Spuidijk en Havenweg, deze route verbindt Kamperland met de verscheidene recreatieparken en overige voorzieningen aan het Veerse Meer. Aan de noord-oostzijde wordt Kamperland ontsloten met de Noordstraat. Deze straat gaat over in de Nieuwstraat, die de ontsluiting verzorgt met het plaatselijke- en regionale verkeersnetwerk. De Ruiterplaatweg vormt de belangrijkste regionale verbindingsweg evenwijdig aan de verbinding door het centrum. Historische bebouwing is vooral te vinden aan de westzijde van de Veerweg en aan langs de uitvalswegen in de vorm van lintbebouwing. Ten oosten en ten westen van de Veerweg zijn een aantal planmatige woonbuurten gelegd met een sterke interne structuur. Langs de Veerweg zijn een tweetal kerken gevestigd die als oriëntatiepunt werken. De sportvelden liggen achter de lintbebouwing van de Veerweg. Op de koppen van de Veerweg, ter plaatse van de haven en de aansluiting op het regionale wegennet, zijn er nog enkele bedrijventerreinen gevestigd. Bebouwing en beeld De beeldkaart is opgebouwd uit een negental beeldelementen. In de grafische weergave ervan wordt onderscheid gemaakt tussen zwakke en sterke beeldelementen. In de beeldkaart wordt de karakteristiek van de straatwanden door middel van het tekenen van de bebouwing meer of minder nadrukkelijk tot uitdrukking gebracht, waarbij de dikte van de lijnen de hoogte of opvallendheid van de bebouwing aangeeft. Vanuit het omringende polderlandschap is het silhouet van Kamperland duidelijk te herkennen en kan gedefinieerd worden als een harde overgang. Het beeld van Kamperland wordt hoofdzakelijk bepaalt door de Veerweg. De bebouwing aan deze lange straat kenmerkt zich als een variatie van vrijstaande panden in combinatie met gesloten bouwblokken, er is sprake van een grote variatie aan rooilijn positionering, kleur, bouwmassa en gevelopbouw. Het straatprofiel versterkt deze verspringende rooilijnen. Opvallende bebouwingselementen zijn de twee kerken die aan de westkant van de Veerweg liggen. De maat, en fraaie detaillering zorgen ervoor dat deze gebouwen beeldbepalend zijn. Aan de Noordstraat en Molenweg heeft hoofdzakelijk lintbebouwing plaatsgevonden met een grote mate aan variatie aan bouwmassa, kleur, kaprichting en gevelopbouw. Deze woningen hebben een duidelijke rooilijnpositie. De woningen aan de A.van Heestraat kenmerken zich door gesloten bouwblokken waarbij de kaprichting evenwijdig aan de straat loopt. Daarnaast zij er een groot aantal bouwkundige toevoegingen geplaatst en is er een grote mate aan kleurdifferentiatie in de gevels waarneembaar. De meer ‘beeldneutrale’ buurten zijn aangegeven d.m.v. een raster voor overwegend woonbebouwing. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen de vrij geplaatste woningen op regelmatige percelen in Heer Janszdorp en de woonbuurten achter de Veerweg. Deze buurten bestaan uit geschakelde bouwblokken met een gelijke kaprichting en geveldetaillering. Beeldkaart Kamperland Kortgene Stedenbouwkundige ontwikkeling Kortgene heeft net als de andere dorpen een geschiedenis die getekend is door verscheidene stormvloeden. De kerktoren van het middeleeuwse Kortgene overleefde deze periode van rampspoed. In 1684 is het huidige Kortgene herbouwd op de resten van het Middeleeuwse dorp. De kerktoren met een nieuw schip is het uitgangspunt geweest voor de ontwikkeling van het stedenbouwkundig plan. De voorstraatstructuur, die zo kenmerkend is voor dorpen op Noord-Beveland, is ook hier duidelijk aanwezig. Een uitzondering vormt echter de situering van de kerk. Deze ligt meestal aan het einde van de voorstraat, die vanaf de haven de polder in loopt. Door het feit dat Kortgene is gebouwd vanuit de bestaande middeleeuwse kerktoren, ontbreekt er een markant gebouw aan het einde van de Hoofdstraat. De groei heeft in eerste instantie plaatsgevonden langs de Hoofdstraat en de evenwijdige daaraan lopende Ooststraat en Weststraat. Doordat deze groei tot de 19de eeuw zeer gestaag is toegenomen, is de voorstraatstructuur niet zo duidelijk herkenbaar als bij Colijnsplaat. Uitbreidingen hebben vooral plaatsgevonden in de richting van de Torendijk. Bij deze eerste uitbreidingen, ten zuiden van de Julianastraat, is er zoveel mogelijk geprobeerd aan te sluiten op de bestaande structuur. Het gevolg is een gevarieerd en onregelmatig verkavelingspatroon. De latere uitbreidingen ten noorden van de Julianastraat hebben een sterk planmatig karakter, opmerkelijk is bovendien de groene enclave in de vorm van begraafplaats en volkstuinen. Langs de Torendijk en Kaaidijk is er vooral dijkbebouwing gesitueerd met wisselende oriëntatie op de dijk en het polderlandschap. De laatste ontwikkelingen van Kortgene richten zich op de relatie tussen het haventerrein en de bungalowparken, respectievelijk ten zuiden en oosten van de kern Kortgene. Ruimtelijke structuur Kortgene ligt in het zuiden van Noord-Beveland. Samen met Kamperland vormt Kortgene de belangrijkste recreatieve kern van Noord-Beveland. De grootte van de kern en het voorzieningenniveau is hier dan ook hoger dan bij de andere kernen op Noord-Beveland. De Molendijk vormt de belangrijkste ontsluitingsroute van Kortgene en de aansluiting op de Provinciale weg. De Hoofdstraat verbindt deze ontsluiting met de Kaaidijk en Oostbermweg in het zuiden. Deze secundaire verbinding vormt een weg langs de kust en verbindt de recreatieparken met de dorpskern van Kortgene. Lintbebouwing is met name geconcentreerd langs het noordelijke gedeelte van de Hoofdstraat, het meest westelijke gedeelte van de Torendijk en de Kaaidijk. Een gedeelte van de Torendijk is in gebruik als bedrijventerrein. Ten oosten van de historische kern is een kleine buurt aangesloten op de oorspronkelijke voorstraatstructuur. De overige wijken concentreren zich tussen de Provinciale weg en de Torendijk. In het zuiden zijn deze wijken in geringe mate aangesloten op de lintbebouwing en historische kern, in het noorden zijn ze sterk planmatig van opzet met een duidelijke herkenbare stedenbouwkundige structuur. De situering van de kerk achter de dijk aan het begin van de Hoofdstraat zorgt voor een sterk oriënterende werking. Bebouwing en beeld De beeldkaart is opgebouwd uit een negental beeldelementen. In de grafische weergave ervan wordt onderscheid gemaakt tussen zwakke en sterke beeldelementen. In de beeldkaart wordt de karakteristiek van de straatwanden door middel van het tekenen van de bebouwing meer of minder nadrukkelijk tot uitdrukking gebracht, waarbij de dikte van de lijnen de hoogte of opvallendheid van de bebouwing aangeeft. Beeldbepalend voor Kortgene is de voorstraatstructuur en de Hoofdstraat. Kenmerkend voor de bebouwing ten noorden van Hoofdstraat is de vrijstaande lintbebouwing van fraai vormgegeven gevels. Deze bebouwing heeft een overwegend loodrechte kaprichting op de Hoofdstraat en kenmerkt zich door een grote variatie aan bouwmassa en geveldetaillering. Waar de Hoofdstraat overgaat in de voorstraatstructuur ontstaat door de terugliggende gevels een pleinvormige ruimte. Deze ruimte wordt versterkt door de groenelementen en parkeerafscheidingen. De bebouwing kenmerkt zich door een grote variatie aan kleur en gevelopbouw met een overwegend evenwijdige kaprichting aan de Hoofdstraat. Opvallend bebouwingselement is de kerk aan de zuidkant van de Hoofdweg, het gebouw vormt een extra gevel aan de pleinvormige ruimte. De bebouwing van de historische voorstraatstructuur kenmerkt zich verder als gesloten bouwblokken met een kaprichting evenwijdig aan de straat en een gedifferentieerd kleurgebruik. Lintbebouwing is te vinden langs de Torendijk. Deze bebouwing heeft een lage dichtheid met veel variatie aan kleur, oriëntatie, bouwmassa en rooilijnpositionering De meer ‘beeldneutrale’buurten zijn aangegeven d.m.v een raster voor overwegend woonbebouwing. Deze buurten bestaan hoofdzakelijk uit gesloten bouwblokken, waarbij historische en nieuwe bebouwing elkaar afwisselt. De bebouwing geeft een duidelijk zicht op de tijd waarin de verscheidene buurten zijn gebouwd. De onderlinge kenmerken zijn duidelijk te herkennen. Woonerven en arbeiderswoningen wisselen elkaar hier af. Beeldkaart Kortgene Stroodorp Dit dijkdorp is ontwikkeld langs de Oosthavendijk. Deze dijk vormt de ringdijk voor de Heer Jansz polder en de Soelekerkepolder. De ontwikkeling van het dorp is begonnen na de bedijking van de Soelekerkepolder, aangezien haast alle gebouwen aan deze kant van de dijk zijn gelegen. Het dorp bestaat uit een klein aantal huizen, eenzijdige aan de Oosthavendijk gesitueerd en langs de Stroodorpseweg. Deze weg loopt vanaf de hoger gelegen dijk de Heer Janszpolder in. Door de openstructuur en de eenzijdige bebouwing van Stroodorp ontstaat er een grote relatie met het omringende landschap. Recreatieparken Op Noord-Beveland is een groot aantal Recreatieparken te vinden. De Sophiahaven aan de oever van de Oosterschelde, de Banjaard en Noordzee Résidence De Banjaard achter de duinen van het Noordzeestrand en de toekomstige recreatieparken Ganuenta en Orisant in de inlagen bij Colijnsplaat. Echter de meeste recreatieparken zijn te vinden langs de oevers van het Veerse Meer: Schotsman, Ruiterplaat, Marinuswerf, Rancho Grando, Aqua Village, De Paardekreek, Veerse Meer I, Delta Marina, Deltona, De Korenbloem en De Boogerd. Enkele van deze gebieden zijn permanent bewoond, waardoor de stedenbouwkundige structuur afwijkt van de overige parken. Met name Schotsman, Ruiterplaat en Veerse Meer I hebben een grote mate aan verscheidenheid in de bebouwing, die afwijkt van de wat meer uniformere en autonomere structuur van de overige parken. De bosrijke omgeving van de buitendijkse gebieden waar deze parken gelegen zijn, zorgt voor de opname van de bebouwing in zijn omgeving. De meeste van de overige parken hebben dus een van oorsprong veel sterkere planmatige opzet waarbij uniformiteit in kleur en vorm heel duidelijk aanwezig is. Buitengebied Verspreid in het buitengebied liggen met enige regelmaat agrarische bedrijven. Deze clusters van boerderijen met bijgebouwen zijn meestal goed zichtbaar in het overwegend open landschap. De compositie van gebouwen is in de meeste gevallen identiek, namelijk het woonhuis voor op het erf en direct daarachter de schuur. Achter op het erf zijn meestal nog enkele kleine bijgebouwen of silo’s geplaatst. De meeste agrarische bedrijven worden omringd door een bomenrij, waardoor het zicht op de bebouwing wordt ontnomen. Van oudsher komen op Noord-Beveland voornamelijk boerderijen voor van het Zeeuwse Schuurtype. Dit type bestaat uit een gescheiden woning en bedrijfsgedeelte. De woning, normaliter voor op de kavel, is opgebouwd uit baksteen, bestaat uit één bouwlaag en is afgedekt met een zadeldak. De kaprichting staat loodrecht op de kavelrichting. Tegen de woning aan of op iets afstand daarachter staat een grote langwerpige schuur breder dan de woning en met een hogere noklijn opgebouwd uit baksteen met een houten skelet en kap. Wanneer de schuur tegen de woning aan staat is deze normaliter bedekt met een zadeldak, vrijstaande schuren hebben veelal zadeldak met wolfseinden. In de tweede helft van de 20e eeuw zijn veel agrarische bedrijven vanwege schaalvergroting van het bedrijf gedeeltelijk of geheel vervangen door grootschalige nieuwbouw. Hierdoor is het traditionele plattelandsbeeld veranderd. Vooral de grootschalige loodsen hebben een grote invloed op de open structuur van het agrarisch gebied. Deze loodsen zijn voorzien van een zadeldak, uitgevoerd in pannen/golfplaten. De muren zijn over het algemeen gemetseld of voorzien van damwandprofiel platen. 3.3Ruimtelijke Visie Voor de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Noord-Beveland vormen de aanwezige waardevolle landschappelijke karakteristieken en cultuurhistorische kwaliteiten van de verscheidene kernen het uitgangspunt. Landschap De landschappelijke kwaliteiten zijn terug te vinden in de opbouw en differentiatie van het landschap. Kenmerkend voor het grootste gedeelte van het grondgebied van Noord-Beveland is het als een lappendeken opgebouwde polderlandschap met weidse, open en rationeel verkavelde polders van elkaar gescheiden door middel van polderdijken met plaatselijk knotwilgen of hoog opgaande populieren . De beeldkwaliteit van Noord-Beveland wordt voor een groot gedeelte bepaald door de landschappelijke kwaliteit van de kust- en oeverzones. Deze kunnen globaal ingedeeld worden naar een drietal gebieden; het gebied langs de Noordzee, het gebied aan de Oosterschelde en het gebied dat grenst aan het Veerse Meer. Bebouwing op het Noordzeestrand zal zich beperken tot seizoensgebonden bebouwing in de vorm van strandpaviljoens. De duinzone is gevrijwaard van bebouwing en verzorgt samen met het strand een grote natuurlijke waarde. Het gebied langs de Oosterschelde heeft samen met de kreekresten in het agrarisch middengebied een belangrijke ecologische waarde. Met name het inlagen landschap vertegenwoordigt grote landschappelijke kwaliteiten. Toekomstige ontwikkelingen zullen rekening moeten houden met de natuurlijke waarden van dit gebied. Het Veerse Meer is een belangrijk recreatiegebied. De bebouwing die hier voorkomt heeft een recreatieondersteunende functie. In dit beeldbepalende gebied dienen de aanwezige landschappelijke waardevolle elementen behouden te blijven. Kernen Het voorstraatringdorp Colijnsplaat vertegenwoordigt grote cultuurhistorische waarde. De historische stedenbouwkundige structuur en bebouwing vertegenwoordigd een grote beeldkwaliteit. Het is heel belangrijk deze ruimtelijke karakteristiek te behouden en waar mogelijk binnen de historische stedenbouwkundige structuur in samenhang met de bestaande cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te versterken of te vernieuwen. De andere kernen met uitzondering van Kamperland hebben een soortgelijke stedenbouwkundige structuur, deze is echter van minder kwaliteit dan in Colijnsplaat. De bebouwing bestaat veelal uit een kerk, enkele klassieke huizen en een aantal oudere boerderijtjes met hun stallen. In Kamperland bestaat de bebouwing vooral uit een langgerekt bebouwingslint met historische bedrijfs- en woonbebouwing, nieuwbouw en uitbouwen. De bebouwing en stedenbouwkundige structuur bepalen samen de historische waarde. Het is daarom van belang in deze beeldbepalende gebieden de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle elementen te behouden en bij nieuwe ontwikkelingen te streven naar kwalitatief hoogwaardige invullingen. 3.4Gebiedsindeling Uit de analyse en de ruimtelijke visie is gebleken dat de gemeente Noord-Beveland zich voornamelijk laat karakteriseren door een open polderlandschap en verspreid liggende boerderijen en dijkbebouwing. De gebieden aan het Veerse Meer, de Oosterschelde en het Noordzeestrand hebben een beeldkwaliteit die toegespitst is op natuurlijke- en recreatieve waarden. De kernen zijn gelijkmatig verdeeld over het grondgebied, waarbij de kernen aan het Veerse Meer de grootste groei hebben doorgemaakt. Typerend is de diversiteit aan bouwstijlen, massa’s en dichtheden in de dorpskernen. De indeling en samenhang van gebieden worden daarom met name bepaald door de dynamiek, functie en landschappelijke en/of historische betekenis van de verschillende ruimtelijke elementen en gebieden. Met dit als uitgangspunt kan worden samengevat dat Noord-Beveland uit de volgende gebiedscategorieën bestaat; Historische dorpskernen Deze gebiedscategorie bestaat uit drie ruimtelijke en functioneel van elkaar verschillende gebieden of structuren. Ten eerste de historische Voorstraat van Colijnsplaat als onderdeel van het beschermd stads- en dorpsgezicht Colijnsplaat. Kenmerkend voor deze straat is de oriënterende en monumentale bebouwing op de kop van de straat in combinatie met de gesloten karakteristieke gevelwanden en linden. De tweede onderscheidende categorie zijn de hoofdstraten waaraan de overige kernen zijn ontstaan. Deze straten worden veelal gekenmerkt door kleinschalige en relatief gesloten gevelkarakteristieken met oriënterende bebouwing. Als laatste gebiedsonderscheiding binnen de historische dorpskern vallen de historische buurten. Hieronder vallen onder andere de achterstraten en zijstraten van de voorstraatstructuur. Deze straten hebben door hun diversiteit in bouwmassa’s, positionering, vormgeving en functies andere beeldkwaliteitsaspecten dan de voorstraten van de verscheidene kernen. Lintbebouwing Dit deelgebied is te vinden langs de uitvalswegen van de historische dorpskern. Deze linten hebben door hun diversiteit in bouwmassa’s, positionering en functies een eigen karakteristieke beeldkwaliteit. Woongebieden De gebiedscategorie woongebieden is een verzameling van bebouwingstypologieën waarbij de stedenbouwkundige structuur een samenhangend karakter heeft. Hieronder vallen de planmatige en vrije sector wijken. De planmatige woonwijken kennen een gestructureerde opbouw met veelal rijenwoningen in een strokenverkaveling met een eigen tijdsbeeld in stedenbouwkundige structuur en bebouwingstypologie. De vrije sector wijken hebben een gedifferentieerde opbouw bestaande uit vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen, die enkel samenhang vertonen in bouwhoogte, positionering en soms kleur- en materiaalgebruik. Bedrijventerreinen Tot deze gebiedscategorie behoren de gebieden die een grote functionele samenhang kennen. In de gemeente Noord-Beveland zijn enkel een aantal kleinere bedrijventerreinen te herkennen. Deze zijn ingericht met grootschalige vrijstaande bedrijfspanden, waarbij veelal vormgeving en detaillering ondergeschikt is aan de bedrijfsvoering. Sport- en recreatiegebieden Onder sport- en recreatiegebieden vallen sportvelden, campings en parkgebieden, welke voornamelijk aan de rand van de verschillende kernen en langs de oevers en kustzone zijn gesitueerd. Deze gebieden worden veelal omgeven door een afschermende groenstrook. Recreatieparken Een groot gedeelte van de bebouwing in Noord-Beveland kan gecategoriseerd worden als recreatiewoningen. De woningen kennen een structurele stedenbouwkundige structuur en bebouwingstypologie. Deze gebieden zijn geconcentreerd aan de oever- en kustzone van Noord-Beveland. Hieronder vallen de Banjaard, Rancho Grande, Sophiahaven, Deltona, Marinuswerf, Deltapark en de Korenbloem. Deze gebieden worden veelal omgeven door een afschermende groenstrook. Permanent bewoonde recreatieparken Een aantal recreatieparken worden permanent bewoond. De bebouwingstypologie en onderlinge samenhang is van een dusdanig gedifferentieerd niveau, dat deze duidelijk te onderscheiden zijn van de overige recreatieparken. Hieronder vallen de Schotsman, Ruiterplaat, Veerse Meer en De Boogerd. De bebouwing vertoont een grote mate aan verscheidenheid in kleur, bouwmassa en positionering. Het bosrijke gebied van onder andere de buitendijkse gronden zorgt voor de opname van de bebouwing in z’n omgeving. Polderlandschap Het grootste gedeelte van de gemeenten is poldergebied. 3.5Welstandniveaus De essentie van een gebiedsgericht welstandsbeleid is een zorgvuldige gebiedsindeling en een hierop afgestemd selectief beleid. In de ruimtelijke analyse en visie is een beschrijving en een ontwikkelingsrichting geschetst met betrekking tot de belangrijkste ruimtelijke eigenschappen en beeldkwaliteitaspecten van de gemeente Noord-Beveland. Op basis daarvan is het gemeentelijk grondgebied opgedeeld in ruimtelijk/morfologisch of functioneel samenhangende deelgebieden. Afhankelijk van de waarde en de gevoeligheid van het gebied en de betekenis voor het collectieve beeld van de gemeente is voor elk deelgebied een welstandsniveau vastgesteld. Hierbij is onderscheid gemaakt in de volgende driedeling: Zeer waardevolle welstandsgebieden (extra bescherming gericht op consolidatie van de historische context) Bijzondere welstandsgebieden (Indien vereist extra inspanning tot voordeel van de ruimtelijke kwaliteit) Reguliere welstandgebieden (normale inspanning met als uitgangspunt het handhaven van de basiskwaliteit) De bovenstaande welstandsniveaus bepalen de aard en de intensiteit waarmee de bouwplannen aan de diverse welstandscriteria zullen worden getoetst. Afhankelijk van het welstandsniveau worden de beoordelingsaspecten streng, kritisch, licht of niet gehanteerd. Op deze manier worden de gebiedseigen waarden met betrekking tot beeldkwaliteit doeltreffend beschermd en/of versterkt. In het algemeen geldt: hoe waardevoller de gebiedskarakteristiek, hoe hoger het welstandsniveau. Zeer waardevolle welstandsgebieden Zeer waardevolle welstandsgebieden worden slechts aangewezen als er sprake is van zeer hoge cultuurhistorische, architectonische en/of stedenbouwkundige kwaliteiten en het gebied van cruciale betekenis is voor het totaalbeeld van de kernen en/of het landschap. In deze welstandgebieden zal de welstandscommissie de gebiedsgerichte welstandscriteria zeer nauwgezet toepassen gericht op het behoud van de bestaande cultuurhistorisch waardevolle omgeving. De Voorstraat in Colijnsplaat, dat onderdeel is van het beschermd stadsgezicht Colijnsplaat, is aangewezen als zeer waardevol welstandsgebied. Ook individuele monumenten vallen hieronder, ongeacht het welstandsniveau van het gebied waarin ze liggen. Voorstraat Colijnsplaat Bijzondere welstandsgebieden Onder dit welstandsniveau vallen de gebieden die om een zorgvuldige afstemming vragen van nieuwe bouwkundige ingrepen. Deze bijzondere welstandgebieden zijn cultuurhistorisch, landschappelijk en/of stedenbouwkundig gezien beeldbepalend voor de kernen of het landschap binnen de gemeente. Nieuwe ingrepen dienen daarbij extra zorgvuldig binnen de bestaande context te worden beoordeeld. Het gaat hierbij om de historische hoofdstraten waaraan de verscheidene kernen zijn ontstaan. Waaronder de verscheidene voorstraten en de Veerweg in Kamperland. Ook de historische buurten binnen de voorstraatstructuur vallen onder dit welstandsniveau. De lintbebouwing die langs uitvalswegen en dijken is ontstaan is eveneens een bijzonder welstandsgebied. Daarnaast is het kenmerkende polderlandschap, met de randen eromheen een belangrijk beeldbepalend element en dus een bijzonder welstandgebied. Hoofdstraten Historische buurten Lintbebouwing Polderlandschap Reguliere welstandsgebieden Onder dit niveau vallen de gebieden die om een normale en zorgvuldige afstemming vragen van nieuwe bouwkundige ingrepen. Deze gebieden kunnen afwijken van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al teveel problemen verdragen. De gemeente stelt geen specifieke eisen aan de ruimtelijke kwaliteit en de welstandsbeoordeling heeft als uitgangspunt het handhaven van de basiskwaliteit. Voor Noord-Beveland betreft dit alle planmatige en vrije sector woongebieden, bedrijventerreinen, recreatieparken, sport- en recreatieterreinen en permanent bewoonde recreatieparken. Woongebieden Bedrijventerreinen Recreatieparken Sport- en recreatieterreinen Permanent bewoonde recreatieparken Welstandsniveaus landschap 4Algemene welstandscriteria 4.1.Toelichting In dit hoofdstuk worden de algemene welstandscriteria genoemd, die bij iedere welstandsbeoordeling worden gehanteerd. Deze criteria zijn gebaseerd op de notitie 'Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid', van Prof. Ir. Tj. Dijkstra (1985, herzien en opnieuw uitgegeven in 2001), die mede aanleiding is geweest voor de nieuwe Woningwet. De algemene welstandscriteria die in deze paragraaf worden genoemd richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op vrij universele kwaliteitsprincipes. De algemene welstandscriteria liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan elke planbeoordeling omdat ze het uitgangspunt vormen voor de uitwerking van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. In de praktijk zullen die uitwerkingen meestal voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling. In bijzondere situaties wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te vallen op de algemene welstandscriteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan is aangepast aan de gebiedsgerichte welstandscriteria, maar het bouwwerk zelf zo onder de maat blijft dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden. Ook wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet, kan worden teruggevallen op de algemene welstandscriteria. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren van de hardheidsclausule gebruik te maken en af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. Hoewel dit gebruik van de hardheidsclausule betekent dat de welstandscommissie elke valide argumentatie kan aanvoeren om het plan te beoordelen, zal dit in de praktijk betekent dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. 4.2.Beoordelingscriteria Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Hierbij kan men denken aan het realiseren van beeldende kunst in de openbare ruimte. Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen. Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde asso-ciaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te 'begrijpen' als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie. Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst. Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. 5Gebiedsgerichte welstandscriteria 5.1.Toelichting De gebiedsgerichte uitwerkingen dienen gezien te worden als een beoordelingskader gerelateerd aan de bestaande ruimtelijke context. Een beoordelingskader omvat het beeld dat een beoordelaar nodig heeft voor toetsing van bouwplannen en dat een ontwerper gebruikt om een context gerelateerd ontwerp te vervaardigen, wat een meerwaarde vormt in zijn omgeving. De mate van uitwerking is in eerste plaats gerelateerd aan het welstandsniveau wat geldt voor het betreffende gebied. Daarnaast zijn ook de aanwezige kwaliteiten, de kwetsbaarheid, de omvang en de te verwachten ontwikkelingen op diverse schaalniveaus van invloed op de mate van uitwerking. In beginsel vormt de bestaande situatie het uitgangspunt voor welstandsbeoordeling, maar incidentele eigentijdse invulling dient, uiteraard goed beargumenteerd, ook mogelijk te zijn. In dergelijke gevallen zal de welstandscommissie teruggrijpen naar de algemene welstandscriteria (hoofdstuk 4). Een gebiedsgericht beoordelingskader bestaat uit de volgen-e onderdelen: Gebiedsbeschrijving De gebiedsbeschrijving bestaat uit een algemene beschrijving van de ligging en de cultuurhistorische betekenis, de begrenzingen van het welstandsgebied, de stedenbouwkundige structuur en de bouwstijl en de architectonische principes. Een gebiedsbeschrijving vormt hiermee een wezenlijk onderdeel van een gebiedsuitwerking en daarmee van de beoordeling van bouwaanvragen. Bij de welstandstoetsing dient namelijk niet alleen gekeken te worden naar de beeldkwaliteit van het te realiseren bouwwerk maar ook naar de relatie van het bouwwerk met zijn omgeving en de gewenste ontwikkelingen van die omgeving. Waardebepaling, gewenste ontwikkeling en beleid Per gebied is op basis van de ruimtelijke en beleidsanalyse aangegeven wat de waardebepaling, eventuele ontwikkelingen en beleidsintenties zijn voor wat betreft de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij worden aandachtspunten voor welstands-toetsing aangegeven en wordt veelal verwezen naar gerelateerde beleidsplannen (beeldkwaliteitplan, stedenbouwkundige visie, bestemmingsplan). Met name voor gebieden waar het ambitieniveau ten aanzien van de verschijningsvorm hoog ligt zal de gemeente een integraal ruimtelijk kwaliteitsbeleid voeren. Het gaat dan niet alleen om de welstandsbeoordeling van bouwwerken, maar ook om de afstemming met bijvoorbeeld de inrichting van de openbare ruimte. Welstandsniveau Voor elk gebied is het gewenste welstandsniveau vastgesteld (hoofdstuk 3). Alle bouwplannen in een gebied zullen op het vastgestelde welstandsniveau aan de gebiedsgerichte criteria worden getoetst. In de volgende gevallen zal altijd op het hoogste welstandsniveau (gelijk aan het welstandsniveau van (cultuurhistorisch) zeer waardevolle gebieden) worden getoetst: Verbouwingen en uitbreidingen van of grenzend aan monumenten en beeldbepalende panden (omschreven in Monumenteninventarisaties of bestemmingsplannen). Bouwen of verbouwen in de onmiddellijke nabijheid van monumenten en beeldbepalende panden. Plannen die niet passen binnen de gebieds- of objectgerichte beoordelingskaders maar wel voldoen aan redelijke eisen van welstand, beoordeeld aan de hand van de algemene welstandscriteria (hardheidsclausule). Plannen die een uniciteit / bijzondere betekenis hebben voor de gemeente of de directe omgeving (winkelcentra, schouwburgen e.d.). Welstandscriteria De gebiedsgerichte welstandscriteria geven aan hoe een bouwwerk ‘zich moet gedragen’ en welke gewaardeerde karakteristieken uit de omgeving in het ontwerp moeten worden meegenomen/gebruikt. De criteria dienen dan ook gebaseerd te zijn op de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden aangetroffen. Dat betekent overigens niet dat om een imitatie van historische of andere bestaande elementen wordt gevraagd, juist een eigentijdse vormgeving kan de karakteristieken benadrukken. De criteria kunnen beschouwd worden als een ‘kader’ voor de welstandscommissie waarbinnen getoetst moet worden. Daarnaast vormen de criteria discussiepunten waarmee de welstandscommissie een dialoog kan aangaan met de ontwerper/aanvrager. Voldoet een aanvraag niet aan ‘redelijke eisen van welstand’ dan kan op basis van argumentatie voortvloeiende uit het beoordelingskader een negatief welstandsoordeel gegeven worden. Naast een toetsende functie hebben de criteria ook een stimulerende werking. Door vooraf aangeven van de belangrijkste beoordelingsaspecten en de gewenste kwaliteit in een gebied kan de aanvrager en/of ontwerper daarmee rekening houden en gestimuleerd worden. Bij het opstellen van de gebiedsgerichte welstandscriteria zijn de onderstaande beoordelingsaspecten behandeld. Hoe hoger de bestaande of gewenste beeldkwaliteit in een gebied is gewaardeerd, des te gedetailleerder zullen alle of specifieke beoordelingsaspecten worden behandeld. In gebieden waar meer vrijheid wordt voorgestaan zullen voor sommige aspecten geen of in beperkte mate welstandscriteria worden opgesteld: Situering: In deze categorie komt de situering van een gebouw aan de orde. De positie van het gebouw/bouwwerk in relatie tot de belendingen, stedenbouwkundige opzet en de publieke ruimte. Onderdelen: positie onderling, afstand onderling, plaatsing op kavel, bouwrichting, herhaling/ritmiek. Massa en vorm: Het gaat hier om de hoofdvorm en –massa van een gebouw in relatie tot of met de omgeving. In de ruimtelijke verschijningsvorm is de massa en de vorm van het gebouw het intermediair tussen stedenbouwkundige en architectonische beeldaspecten. Onderdelen: opbouw hoofdmassa, profiel ruimte, samenstelling massa, kapvorm en –richting, relatieve omvang, vormbehandeling. Gevelkarakteristiek: Het gaat hier om de karakteristieken die invulling geven aan de verschijningsvorm en aanzichten van een gebouw of bouwwerk. Naast de relatie met de omgeving wordt hier met name de karakteristiek van het gebouw als object behandeld en gewaardeerd. Onderdelen: gerichtheid en oriëntatie, geleding, indeling en plasticiteit. Detaillering, kleur en materiaal: Het gaat hier om de helderheid en variaties van de kleurtoepassingen en het materiaalgebruik. Kleur en materiaal zijn zeer beeldbepalend voor de verschijningsvorm van een gebouw, straat en/of gebied. Onderdelen: gaafheid/oorspronkelijkheid, materiaalgebruik, kleurtoon en toepassing, decoraties en ornamenten. De gebiedsgerichte welstandscriteria dienen gericht te zijn op een bepaalde mate aan afstemming van de hiervoor genoemde aspecten van een gebouw of bouwwerk op de bestaande of gewenste gebiedskarakteristiek. Bij het formuleren van criteria is rekening gehouden met de hardheid van de criteria. Strenge criteria bieden weinig ruimte voor nieuwe ontwikkelingen en hebben vaak een behoudende werking. Voor gebieden met een hoge beeldkwaliteit zijn behoudende criteria zeer geschikt. Zo zullen in historische gebieden hardere eisen worden gesteld aan de gevelaanzichten dan bijvoorbeeld in woongebieden van na
  3. Sturende en ruim te interpreteren welstandscriteria bieden meer flexibiliteit en ontwikkelingsvrijheid waarvan adviserende criteria de meeste speelruimte leveren. Om de interpretatiemogelijkheden en prioriteitsstelling van de beoordelingsaspecten te vertalen in de welstandscriteria is gebruik gemaakt van de termen behouden, interpreteren, wenselijk, verplicht veranderen of uitsluiten. De term ‘behouden’ is gericht op dwingend handhaven en ‘wenselijk’ is bedoeld als sturend ontwikkelen. Op deze manier wordt voor elk van belang zijnd kenmerk of eigenschap aangegeven hoe hiermee, in relatie tot de bestaande context, om dient te worden gegaan. Behouden: behouden in de zin van handhaven van bestaande beeldaspecten bij (vervangende) nieuwbouw, renovatie en verbouwingen. Dit hoeft niet altijd te betekenen dat men nauwgezet dezelfde eigenschappen in zijn oorspronkelijke vorm in een ontwerp dient te verwerken, maar wel dat in verre mate gestreefd dient te worden naar een gelijkende vormgeving. De afwijkingsmogelijkheden ten opzichte van de bestaande context zijn beperkt. Interpreteren: interpretatie in de zin van het benaderen van een beeldaspect bij (vervangende) nieuwbouw, renovatie en verbouwingen. Benaderen houdt in dat een vertaling of bewerking van bestaande beeldaspecten naar een meer eigentijdse vormentaal mogelijk is met respect voor de bestaande context. Interpreteren geeft daarmee meer vrijheid dan bedoeld met de term “behouden”, voor wat betreft vormgeving, detaillering, profielen en kleur- en/of materiaalgebruik. (Gericht) veranderen: veranderen in de zin van doelbewust vernieuwen of het uitdrukkelijk afwijken van beeldaspecten bij (vervangende) nieuwbouw, renovatie en verbouwingen. Het gaat hierbij om het inzetten van ontwikkelingen ter verbetering van de bestaande beeldkwaliteit. Dit betekent dat een verandering mogelijk is mits deze past binnen de gewenste ontwikkeling. Deze verandering/afwijking zal in de criteria concreet worden aangegeven. Wensen: veranderen in de zin van vrijblijvend behouden of vernieuwen door het toevoegen van nieuwe beeldaspecten bij (vervangende) nieuwbouw, renovatie en verbouwingen. Het gaat hierbij om aanbevelingen vanuit de gemeente om richting te geven aan een ontwikkelingen ter verbetering van de bestaande beeldkwaliteit. Vrijgeven: vrijgeven in de zin van volledige welstandsvrijheid om het betreffende beeldaspect te veranderen bij (vervangende) nieuwbouw, renovatie en verbouwingen. Uiteraard kan de commissie een initiatiefnemer altijd vrijblijvend adviseren. Welstandsvrije beeldaspecten worden niet als zodanig benoemd, dat betekent dus ook dat het aspect ook niet beoordeeld wordt. Uiteraard kan de commissie aan een initiatiefnemer altijd vrijblijvend advies geven. Naast de genoemde opties kan er sprake zijn van situaties waarin de bestaande beeldkwaliteit door bepaalde ontwikkelingen kan worden aangetast of reeds is aangetast. Het kan dus voorkomen dat bepaalde niet passende, ongewenste of beeldverstorende kenmerken en eigenschappen verplicht dienen te worden veranderd of expliciet worden uitgesloten. In deze termen zit uiteraard een bepaalde reikwijdte en overlapping, die alleen per situatie (bouwplan en context) nader geïnterpreteerd kan worden. Alleen in samenhang met alle onderdelen van een bouwplan kan de relevantie van afzonderlijke criteria bepaald worden. In de gebiedsgerichte welstandscriteria wordt daarnaast regelmatig verwezen naar de sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken en welstandscriteria voor specifieke type bouwwerken. Deze criteria dienen altijd in samenhang met de gebiedsgerichte uitwerkingen te worden gehanteerd. 5.2Beoordelingscriteria 5.2.1 Voorstraat Colijnsplaat Gebiedsbeschrijving Colijnsplaat ligt in de noordoosthoek van Noord-Beveland en heeft een kenmerkende stedenbouwkundige structuur. Deze bestaat uit een rechtlijnig stratenpatroon van loodrecht en evenwijdig aan elkaar gelegen straten. Hierdoor ontstaat een rationeel bebouwingsbeeld, waarbij de Voorstraat de belangrijkste plaats inneemt vanuit stedenbouwkundig en architectonisch opzicht. Bijzonder is met name de vierkante kerkring die is opgenomen binnen de voorstraatstructuur. Deze illustreert dat Colijnsplaat een overgangstype is tussen de kerk-ringdorpen op het oudland en de voorstraatdorpen op het nieuwland. De mate van rationaliteit in het stratenplan is ongewoon voor de periode waarin het dorp is ontstaan (rond 1598). De Voorstraat is onderdeel van het beschermd stads- en dorpsgezicht Colijnsplaat. Hierbij is de belangrijkste kwaliteit de rechtlijnige stedenbouwkundige structuur met historische rooilijnen, monumentale woonhuizen aan de Voorstraat en de karakteristieke functionele ruimtelijke indeling van de verscheidene bebouwingstypologieën. Binnen de stedenbouwkundige structuur van Colijnsplaat ligt de belangrijkste bebouwing gepositioneerd aan de Voorstraat. Het contrast tussen de strakke stedenbouwkundige structuur en de individueel vormgegeven bebouwing is beeldbepalend. Overeenkomstige kenmerken zijn met name de rooilijnpositionering, de overwegend loodrecht op de straat gerichte kaprichting en de drie venstertraveeën brede bebouwing. Daarbij is het grootste gedeelte van de bebouwing voorzien van een (ingezwenkte) lijstgevel. Veel panden in de Voorstraat zijn wit geschilderd waardoor de individualiteit van de panden versterkt wordt. Andere voorkomende geveltypen zijn de klok- en tuitgevel. De bebouwing dateert voornamelijk uit de achttiende eeuw. Tegenwoordig heeft een groot gedeelte van de bebouwing een verzorgings-, horeca- of winkelfunctie als aanvulling op de oorspronkelijke woonfunctie. Het detailleringniveau verschilt van pand tot pand. Op kleinere schaal zijn het voornamelijk de voordeuren in empirestijl, de gootklampen en witte kroonlijsten die het beeld van de Voorstraat bepalen. Het materiaal- en kleurgebruik is beperkt tot roodbruine en zandkleurige baksteen, samen met de witgepleisterde gevels. De gevelopeningen bestaan uit houten kozijnen veelal uitgevoerd in de kleuren wit en donkergroen. Als dakbedekking is er grotendeels gebruik gemaakt van rode dakpannen en in mindere mate van antraciet gekleurde pannen. Op de beide koppen van de Voorstraat staan twee beeldbepalende gebouwen waarschijnlijk ontworpen door Johannes van Es. Ter hoogte van de dijk staat het Raadhuis van vijf raamtraveeën breed waarvan twee dichtgemetseld, een schilddak loodrecht op de Voorstraat en een bescheiden dakkapel die centraal op het dak is gepositioneerd. De Voorstraat, die vanaf de dijk de polder in loopt, komt uit op de kerkring. Binnen de kerkring vormt de Hervormde kerk de kop van de Voorstraat. Deze zaalkerk stamt evenals het raadhuis uit
  4. De wit gepleisterde toren staat centraal in de as van de Voorstraat met de zaal ten westen gelegen. Deze zaalkerk bestaat uit een afgeknot schilddak met grote ramen, die opgedeeld zijn door een rastervormige roedeverdeling. Het straatprofiel van de Voorstraat versterkt de monumentale uitstraling van de grotendeels kleinschalige bebouwing. De in 1827 tweezijdig aangelegde linden, versterken het rechtlijnige stratenpatroon. Tussen deze bomenrijen liggen parkeerplek-ken. Aan beide zijden is er sprake van een stoep tussen de parkeervakken en de woningen. Deze stoep is verdeeld in een particulier en openbaar gedeelte, waarbij stoeppalen grotendeels de scheiding vormen tussen openbaar en privé. Afscheidingen van horeca gelegenheden hebben een overwegend grotere afmeting dan de gangbare stoeppalen waardoor zij het beeld van de openbare ruimte domineren. Reclame-uitingen op gevels hebben over het algemeen een ingetogen uitstraling. In combinatie met reclamemateriaal op de particuliere stoep is er op een aantal plaatsen sprake van een visuele overdaad aan kleuren en vormen die afbreuk doen aan de rechtlijnige uitstraling van de Voorstraat. Waardebepaling, ontwikkeling en beleid Colijnsplaat is een uniek voorbeeld van een voorstraatring-dorp, waarbij de ver doorgevoerde rechtlijnigheid en rationaliteit de belangrijkste ruimtelijke kwaliteiten zijn. De Voorstraat neemt hierin de voornaamste plaats in. De kwaliteit van de Voorstraat wordt grotendeels bepaald door de gesloten gevelwanden, bestaande uit individueel vormgegeven panden. De variatie in nokhoogte en materialisering, rijke detaillering en kleinschalige bouwmassa’s zorgen voor een besloten uitstraling. De opgaande groenstructuur en de opdeling van het straatprofiel, in samenspraak met de voorname gebouwen op de kop van de Voorstraat versterken dit beeld. Het welstandsbeleid is erop gericht om de kenmerken van het voorstraattype te versterken. Rooilijnpositionering en hoek-situaties dienen met zorg behandeld te worden. De karakteristieke bebouwing bestaande uit individueel vormgegeven panden dient gehandhaafd te blijven, waarbij reclame toepassing op bescheiden wijze dienen te worden toegevoegd. Welstandsniveau De Voorstraat van Colijnsplaat is vanwege de grote cultuur-historische, stedenbouwkundige en architectonische waarden aangewezen als zeer waardevol welstandsgebied. Aandachtspunten voor welstandstoezicht: Cultuurhistorische herkenbaarheden As-werking, continuïteit en zichtlijnen Diversiteit in gevelwanden Positionering Bouwstijl en architectuur Massa en maatvoering Gevelkenmerken en -opbouw Materialen en kleuren Detaillering van gevel en dakvlak Toevoegingen aan, op en bij hoofdgebouw Welstandscriteria Onderstaande criteria vloeien voort uit de bestaande aanwezige karakteristieken en het gewenste beeld. De welstandscriteria dienen altijd in samenhang met de hiervoor behandelde beschrijving, waardebepaling en beleidsrichting van het geb

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.