← Nederland

Wijzigingsverordening 2024 Om (Limburg)

In het kort

Deze wet regelt diverse zaken in de provincie Limburg, waaronder infrastructuur, waterbeheer en activiteiten zoals zwemmen en baden. Het stelt regels en omgevingswaarden vast om de leefomgeving te beschermen en te verbeteren.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/provincie/2024/CVDR705183 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv31/2023/omgevingsverordening /join/id/stop/work_019 2023-12-01 2023-12-01 /akn/nl/act/provincie/2024/CVDR705183/nld@2024-01-01 /join/id/proces/pv31/2023/doel_333_f136dd147ad447919e383100298920e2 2024-01-01 2025-02-03 2024-01-01 2025-02-03 2024-01-01 2025-02-03 /akn/nl/act/pv31/2023/omgevingsverordening/nld@2023-11-29;1 /akn/nl/act/pv31/2023/omgevingsverordening /akn/nl/act/pv31/2023/omgevingsverordening/nld@2023-11-29;1 /join/id/stop/work_019 1 Omgevingsverordening Limburg Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Afdeling 1.1 Inleidende bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1. Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn van overeenkomstige toepassing op deze verordening, tenzij in het tweede lid daarvan is afgeweken. 2. Bijlage I bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening. Artikel 1.2 Aanwijzing gebieden Bijlage II bij deze verordening bevat de geometrische begrenzingen van gebieden voor de toepassing van deze verordening. Artikel 1.3 Schakelbepaling In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder een omgevingsplan mede verstaan een projectbesluit van gedeputeerde staten. Artikel 1.4 Normadressaat Aan de regels over activiteiten in deze verordening wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Afdeling 1.2 Indieningsvereisten Artikel 1.5 Algemene gegevens bij een melding of informatieverplichting Een melding of verstrekking van gegevens en bescheiden wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; d. de dagtekening. Afdeling 1.3 Ontheffing instructieregels Artikel 1.6 Ontheffing instructieregels Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente of het waterschap ontheffing verlenen van de tot de gemeentebesturen of het waterschapsbestuur gerichte instructieregels in deze verordening. Hoofdstuk 2 Infrastructuur Afdeling 2.1 Instructieregels Paragraaf 2.1.1 Provinciale wegen Artikel 2.1 Instructieregel reserveringszone provinciale weg 1. Een omgevingsplan geeft de functie reserveringszone provinciale weg aan de zone van 15 meter aan weerszijden grenzend aan de buitenste kantstreep van een op de kaart aangeduide provinciale weg. 2. Een omgevingsplan laat in de reserveringszone provinciale weg geen bouwwerken toe. 3. Het eerste lid geldt niet voor: a. tijdelijke bouwwerken; b. bouwwerken als bedoeld in artikel 2.15f van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 2.1.2 Spoorwegen Artikel 2.2 Instructieregel reserveringszone spoorweg 1. Een omgevingsplan geeft de functie reserveringszone spoorweg aan de zone van 15 meter aan weerszijden, gemeten vanuit het hart van een op de kaart aangeduide spoorweg. 2. Een omgevingsplan laat in de reserveringszone spoorweg geen bouwwerken toe. 3. Het eerste lid geldt niet voor: a. tijdelijke bouwwerken; b. bouwwerken als bedoeld in artikel 2.15f van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Afdeling 2.2 Regels over activiteiten Paragraaf 2.2.1 Provinciale wegen Artikel 2.3 Toepassingsbereik Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten die worden verricht in opdracht van gedeputeerde staten. Artikel 2.4 Verbod belemmering uitzicht, veiligheid en doorstroming Het is verboden het voor het verkeer noodzakelijke uitzicht op of nabij een provinciale weg te belemmeren of de veiligheid of de doorstroming van het verkeer op een provinciale weg in gevaar te brengen. Artikel 2.5 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten in het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg, als deze bestaat uit: a. het gebruiken van de provinciale weg in strijd met het doel ervan; b. het aanbrengen van veranderingen aan de provinciale weg; of c. het aanbrengen, houden, veranderen of verwijderen van een werk. Artikel 2.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 2.5 kan in elk geval worden gewijzigd of ingetrokken als gedeputeerde staten dit nodig achten in het belang van het gebruik of de bescherming van de provinciale weg. Paragraaf 2.2.2 Lokaal spoor Artikel 2.7 Beperkingengebied lokaal spoor Gereserveerd. Hoofdstuk 3 Watersysteem Afdeling 3.1 Omgevingswaarden wateroverlast Artikel 3.1 Omgevingswaarden voor de gemiddelde overstromingskans van aangewezen gebieden 1. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor overstromingskansgebied A geen gemiddelde overstromingskans per jaar als omgevingswaarde. 2. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor overstromingskansgebied B een gemiddelde overstromingskans van 1:10 per jaar als omgevingswaarde. 3. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor overstromingskansgebied C een gemiddelde overstromingskans van 1:25 per jaar als omgevingswaarde. 4. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor overstromingskansgebied D een gemiddelde overstromingskans van 1:50 per jaar als omgevingswaarde. 5. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor overstromingskansgebied E een gemiddelde overstromingskans van 1:100 per jaar als omgevingswaarde. 6. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor de woonkernen gemarkeerd met punt F een gemiddelde overstromingskans van 1:25 per jaar als omgevingswaarde. 7. De omgevingswaarden bedoeld in het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap. 8. Het waterschap voldoet uiterlijk in 2035 aan de inspanningsverplichtingen bedoeld in het zevende lid. Afdeling 3.2 Instructieregels Paragraaf 3.2.1 Waterbeheerprogramma Artikel 3.2 Inhoud waterbeheerprogramma 1. Het waterbeheerprogramma houdt, rekening met de inhoud van het regionale waterprogramma, ook voor zover het onderdelen van dat programma betreft die geen betrekking hebben op de uitvoering van de richtlijnen, genoemd in artikel 3.8, tweede lid van de Omgevingswet. 2. Het waterbeheerprogramma bevat, naast het bepaalde in artikel 4.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ten minste: a. de beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem; b. het beleid voor het beheer gericht op functies en doelstellingen van de watersystemen; c. de beschrijving van de maatregelen met een zodanige prioriteitstelling en fasering dat de doelstellingen van het regionaal waterprogramma worden verwerkelijkt; d. een raming van de kosten van maatregelen, inzicht in de dekking van die kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen of heffingen; e. het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem voor de aan oppervlaktewaterlichamen en het freatisch grondwater toegekende functies; f. één of meer kaarten, waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken staan aangegeven. 3. Het waterbeheerprogramma is voorzien van een motivering, waarin ten minste is opgenomen: a. de aan het programma ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken; b. een overzicht van de manier waarop en de mate waarin de maatregelen de strategische doelstellingen in het regionaal waterprogramma verwerkelijken. Artikel 3.3 Voortgangsrapportage uitvoering waterbeheerprogramma Het waterschap rapporteert ten minste eenmaal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerprogramma, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen. Paragraaf 3.2.2 Legger waterstaatswerken Artikel 3.4 Instructieregels legger waterstaatswerken 1. De legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, bevat naast het bepaalde in het derde lid van dat artikel in ieder geval: a. het lengteprofiel en dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen; b. een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de waterstaatswerken. 2. Voor wateren met een maatgevende afvoer van minder dan 25 liter per seconde, vrij meanderende wateren en onderdelen van watersystemen die incidenteel watervoerend zijn wordt vrijstelling verleend van de in artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingswet bedoelde verplichting tot het omschrijving van vorm, afmeting en constructie. De ligging van deze wateren wordt als lijnelement of in de vorm van een zone aangegeven en ondersteunende kunstwerken worden omschreven. 3. Voor wateren met een maatgevende afvoer van minder dan 15 liter per seconde wordt vrijstelling verleend van de in artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingswet omschreven verplichting. 4. Gedeputeerde staten kunnen, mede op verzoek, bepalen dat gedurende een bepaalde termijn vrijstelling wordt verleend van artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingswet voor aan te wijzen waterkeringen of onderdelen daarvan. Paragraaf 3.2.3 Klimaatadaptatie Artikel 3.5 Klimaatadaptatie 1. De motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van: a. de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering; en b. de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende risico’s betrokken: a. wateroverlast; b. overstroming; c. droogte. 3. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten. Afdeling 3.3 Regels over activiteiten: zwemmen en baden Artikel 3.6 Melding ​​Degene die gelegenheid wil bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin , een zwemvijver, een badwaterbassin voor eenmalig gebruik of een overig badwaterbassin doet, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 15.13, 15.31, 15.47 en 15.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving, ten minste 3 maanden voor het begin van deze activiteit melding aan gedeputeerde staten. Artikel 3.7 Risicoanalyse badwaterbassins Onverminderd het bepaalde in artikel 15.63, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bevat de risicoanalyse over het risico van verdrinking van de gebruikers van badwaterbassins met een diepte van meer dan 1,40 meter, mede een schematisch overzicht van de (strategische) locaties van waar de toezichthouders toezicht kunnen uitoefenen, zodanig dat het toezicht op de afzonderlijke badwaterbassins met een diepte van meer dan 1,40 meter en de overige binnen zichtafstand gelegen badwaterbassins als geheel is gewaarborgd. Artikel 3.8 Beheersplan badwaterbassins 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 15.64, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, omschrijft het beheersplan in elk geval de volgende maatregelen om het risico van verdrinking van de gebruikers van badwaterbassins met een diepte van meer dan 1,40 meter, te voorkomen of te beperken: a. gedurende de openingstelling van één of meer badwaterbassins met een diepte van meer dan 1,40 meter voor gebruikers, wordt vanaf iedere op het schematisch overzicht als bedoeld in Artikel 3.7 opgenomen (strategische) locatie door tenminste één toezichthouder toezicht uitgeoefend; b. indien een meer dan gemiddeld gebruikersaantal, de gesteldheid van de gebruikers dan wel het gebruik van een speeltoestel daar aanleiding toe geeft, wordt vanaf de relevante (strategische) locatie(

  1. s)als hiervoor aangeduid door meerdere toezichthouders toezicht uitgeoefend; c. de toezichthouders beschikken aantoonbaar over de vaardigheid van reddend zwemmen; d. de toezichthouders verrichten geen andere taken wanneer toezicht wordt uitgeoefend; e. gedurende de openingstelling van één of meer badwaterbassins met een diepte van meer dan 1,40 meter voor gebruikers, blijft het uitoefenen van toezicht vanaf de diverse (strategische) locatie(
  2. s)als hiervoor aangeduid onder alle omstandigheden – dus ook bij calamiteiten - gewaarborgd. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 15.64, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving omschrijft het beheersplan in elk geval de volgende maatregelen om het risico van letsel en de nadelige gevolgen van incidenten te voorkomen of te beperken: a. gedurende de openingstelling van één of meer badwaterbassins met een diepte van meer dan 1,40 meter voor gebruikers, beschikt ten minste één van de aanwezige toezichthouders over een geldig EHBO-diploma; b. gedurende de openingstelling van één of meer badwaterbassins met een diepte van meer dan 1,40 meter voor gebruikers, beschikt ten minste één van de bij badwaterbassins aanwezige toezichthouders aantoonbaar over de vaardigheid van reanimeren. Artikel 3.9 Veiligheidsmarkeringen zwemlocaties Degene die gelegenheid biedt tot het zwemmen op een zwemlocatie is gedurende het vastgestelde badseizoen verplicht om: a. de grenzen van het voor het zwemmen bestemde gedeelte van het water dat tot de zwemlocatie behoort en de gevaarlijke plaatsen binnen dit gedeelte, op een voor de gebruikers van de zwemlocatie duidelijke wijze aan te geven; b. er zorg voor te dragen dat het talud van het voor zwemmen bestemde gedeelte van het water dat tot de zwemlocatie behoort een helling heeft van maximaal 6 % tot het punt waar het water een diepte heeft van 1,40 meter. Artikel 3.10 Logboek zwemlocaties 1. Degene die gelegenheid biedt tot het zwemmen op een zwemlocatie is verplicht een logboek bij te houden, waarin hij gedurende het vastgestelde badseizoen alle gegevens registreert die van belang zijn voor het voorkomen van verdrinking en het beschermen van de gezondheid van de gebruikers van de zwemlocatie. 2. Het logboek bevat in ieder geval een registratie van incidenten met vermelding van: a. de aanleiding; b. eventuele bijzondere omstandigheden; c. de geconstateerde risico's voor de veiligheid en de gezondheid van de gebruikers; d. de maatregelen die ten tijde van het incident zijn getroffen om de veiligheid en de gezondheid van de gebruikers zo veel mogelijk te waarborgen; e. de maatregelen die zijn getroffen om een herhaling van het incident en de daarbij geconstateerde risico's voor de veiligheid en de gezondheid van de gebruikers in de toekomst zo veel mogelijk te voorkomen. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens worden ten minste twee jaar bewaard. Hoofdstuk 4 Grondwater Afdeling 4.1 Algemeen Artikel 4.1 Oogmerken De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de kwaliteit van het grondwater vanwege de waterwinning, bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of b. het beschermen van de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater. Artikel 4.2 Aanwijzing beschermingsgebieden Als gebieden als bedoeld in artikel 7.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangewezen: waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en de boringsvrije zone Roerdalslenk en Venloschol. Grondwaterbeschermingsgebieden zijn onderverdeeld in freatische grondwaterbeschermingsgebieden en niet-freatische grondwaterbeschermingsgebieden. De boringsvrije zone Roerdalslenk is onderverdeeld in deelzones Roerdalslenk I, Roerdalslenk II, Roerdalslenk III en Roerdalslenk IV. Artikel 4.3 Bebording waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden 1. Voor een waterwingebied zorgt het drinkwaterbedrijf ervoor dat de grens van het gebied goed zichtbaar is aangeduid door borden van het model RVV L304b en RVV 304e. 2. Voor een grondwaterbeschermingsgebied zorgt het drinkwaterbedrijf ervoor dat de grens van het gebied goed zichtbaar is aangeduid door borden van het model RVV L305b en RVV 305e. 3. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen, spoorwegen en vaarwegen die toegang geven tot het gebied of die daaraan grenzen. Afdeling 4.2 Instructieregels Paragraaf 4.2.1 Grondwateronttrekkingen algemeen Artikel 4.4 Verboden en vergunningplichtige grondwateronttrekkingen 1. De waterschapsverordening bepaalt dat het in de bufferzone grondwaterafhankelijke natuur verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken. 2. De waterschapsverordening bepaalt dat buiten de bufferzone grondwaterafhankelijke natuur, het verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken met een capaciteit van meer dan 10 m3per uur voor andere doeleinden dan beregening en bevloeiing in de landbouw. 3. De waterschapsverordening bepaalt dat in het gebied ten noorden van de Feldbiss en de Eerste Noord-Oost Hoofdbreuk buiten een bufferzone grondwaterafhankelijke natuur verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken met een capaciteit van meer dan 10 m3per uur voor beregening en bevloeiing in de landbouw. 4. De waterschapsverordening bepaalt dat het in de boringsvrije zone Roerdalslenk beneden de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. 5. De waterschapsverordening bepaalt dat het in de boringsvrije zone Venloschol dieper dan vijf meter boven NAP verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. 6. Ten aanzien van de grondwateronttrekkingen bedoeld in het tweede en derde lid, mag de waterschapsverordening in plaats van een omgevingsvergunning bepalen dat algemene regels in acht moet worden genomen. 7. Als in de waterschapsverordening het zesde lid wordt toegepast bevat de waterschapsverordening een bepaling dat ten aanzien van de betreffende grondwateronttrekkingen het dagelijks bestuur van het waterschap maatwerkvoorschriften kan stellen. Artikel 4.5 Beoordelingsregels grondwateronttrekkingen 1. De waterschapsverordening bepaalt dat de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.4, eerste en derde lid, voor beregening en bevloeiing in de landbouw slechts kan worden verleend, als: a. het totale aantal putten, dat volgens de daarvoor geldende wettelijke bepalingen op 22 december 2009 legaal aanwezig was, niet toeneemt; en b. een te plaatsen put binnen een bufferzone grondwaterafhankelijke natuur niet dichterbij een natuurgebied wordt geplaatst dan de put die deze vervangt. 2. De waterschapsverordening bepaalt dat de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.4, vierde en vijfde lid, slechts kan worden verleend voor een onttrekking die uitsluitend bestemd is voor menselijke consumptie. 3. De waterschapsverordening bepaalt dat bij beëindiging van een onttrekking de put zo wordt afgedicht dat grondwaterverontreiniging wordt voorkomen. Artikel 4.6 Informatieplicht grondwateronttrekkingen en infiltraties De waterschapsverordening bepaalt dat ten minste vier weken voor het begin van het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, waarvoor op grond van de waterschapsverordening geen omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit is vereist, door degene die de onttrekkingsactiviteit verricht aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden omtrent te onttrekken en infiltreren hoeveelheden grondwater en locatie en diepte van de onttrekking en infiltratie worden verstrekt. Artikel 4.7 Meetverplichting grondwateronttrekkingen en infiltraties 1. De waterschapsverordening bepaalt dat degene die grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening of water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water meet met een nauwkeurigheid van ten minste 95%. 2. De waterschapsverordening bepaalt dat het dagelijks bestuur van het waterschap voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift kan bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten. 3. De waterschapsverordening bepaalt dat degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, de kwaliteit van dat water meet door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in de waterschapsverordening aan te geven parameters met een in de waterschapsverordening bepaalde frequentie. 4. De waterschapsverordening bepaalt dat uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens worden verstrekt: a. de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; b. de kwaliteit van het geïnfiltreerde water. 5. Het eerste tot en met vierde lid gelden niet voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 4.8 Grondwater: niet onttrekken 1. Waterschaarste en dreigende waterschaarste, grondwaterverontreiniging en dreigende grondwaterverontreiniging zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet. 2. Het waterschap kan voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.6 bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. 3. Het besluit kan in ieder geval inhouden dat activiteiten als bedoeld in het tweede lid worden beperkt of worden stopgezet. Artikel 4.9 Instructieregel grondwaterverontreiniging Gereserveerd Paragraaf 4.2.2 Waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Artikel 4.10 Gevaarlijke stoffen Een omgevingsplan bepaalt voor milieubelastende activiteiten in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied dat: a. de stoffen die zijn opgenomen in onderdeel A van bijlage III niet aanwezig zijn bij het verrichten van milieubelastende activiteiten; b. de stoffen die zijn opgenomen in onderdeel B van bijlage III niet in grotere mate aanwezig zijn dan de in bijlage III aangegeven drempelwaarden; c. andere potentieel gevaarlijke stoffen niet in grotere mate aanwezig zijn dan 5000 kilogram vaste stof of 5 m3vloeistof per opslageenheid, tenzij dat volgens onderdeel C van bijlage III naar hoedanigheid, mobiliteit en persistentie toelaatbaar is, als ze onder een van de volgende categorieën vallen: 1. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2 of 8; 2. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9 die het aquatisch milieu verontreinigen; of 3. gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening; d. het bodemrisico van gevaarlijke stoffen tot verwaarloosbaar wordt verkleind door de hoogst mogelijke bescherming, waaronder in ieder geval wordt verstaan: 1. volledig gesloten apparatuur of geïntegreerde lekdetectie; 2. opslag en gebruik boven een vloeistofdichte vloer of lekbak; 3. tweemaal vaker tussentijds bodemonderzoek dan geadviseerd in de Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) maar in ieder geval iedere vijf jaar. Afdeling 4.3 Regels over activiteiten Paragraaf 4.3.1 Bodemenergiesystemen Subparagraaf 4.3.1.1 Open bodemenergiesystemen algemeen Artikel 4.11 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen of hebben van bodemenergiestystemen. Artikel 4.12 Aanwijzing vergunningvrije gevallen Onverminderd het bepaalde in artikel 4.15, is buiten een bufferzone grondwaterafhankelijke natuur voor het aanleggen of hebben van bodemenergiestystemen waarbij de onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer is dan 10 m3 per uur, geen omgevingsvergunning vereist. Artikel 4.13 Meldingsplicht 1. Het is verboden een open bodemenergiesysteem waarvoor op grond van artikel 4.12 geen omgevingsvergunning vereist is, aan te leggen of te hebben zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten. 2. De melding bevat de coördinaten, de diepte en het debiet van het bodemenergiesysteem Subparagraaf 4.3.1.2 Bodemenergiesystemen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones Artikel 4.14 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen en hebben van bodemenergiesystemen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones. Artikel 4.15 Aanwijzing verboden gevallen 1. Het is verboden een bodemenergiesysteem aan te leggen of te hebben in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied, met uitzondering van het grondwaterbeschermingsgebied Hanik. 2. Het is verboden een bodemenergiesysteem aan te leggen of te hebben in het grondwaterbeschermingsgebied Hanik, als deze dieper ligt dan vijf meter boven NAP. 3. Het is verboden een bodemenergiesysteem aan te leggen of te hebben in de boringsvrije zone Roerdalslenk, als deze dieper ligt dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. 4. Het is verboden een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te hebben in de boringsvrije zone Venloschol, als deze dieper ligt dan vijf meter boven NAP. Artikel 4.16 Meldingsplichten 1. Het aanleggen of hebben van een bodemenergiesysteem in het grondwaterbeschermingsgebied Hanik, dat niet onder het verbod van artikel 4.15, tweede lid valt, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten. 2. Het aanleggen of hebben van een bodemenergiesysteem in deelzone I van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van artikel 4.15, derde lid lid valt en dat dieper ligt dan 20 meter beneden het maaiveld tot aan de Bovenste Brunssumklei, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten. 3. Het aanleggen of hebben van een bodemenergiesysteem in deelzone II van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van artikel 4.15, derde lid valt en dat dieper ligt dan 30 meter beneden het maaiveld tot aan de Bovenste Brunssumklei, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten. 4. Het aanleggen of hebben van een bodemenergiesysteem in deelzone III van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van artikel 4.15, derde lid valt en dat dieper ligt dan 80 meter beneden het maaiveld tot aan de Bovenste Brunssumklei, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten. 5. Het aanleggen of hebben van een bodemenergiesysteem in deelzone IV van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van artikel 4.15, derde lid valt, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten. 6. Het aanleggen of hebben van een open bodemenergiesysteem in de boringsvrije zone Venloschol wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten. 7. De meldingsplichten, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, gelden niet voor het aanleggen of hebben van een bodemenergiesysteem waarvoor: a. een omgevingsvergunning vereist is; of b. een melding is gedaan op grond van artikel 4.13. 8. De meldingen bevatten de coördinaten en de diepte van het bodemenergiesysteem. Artikel 4.17 Algemene regel infiltreren van water In de boringsvrije zones wordt het water dat wordt gebruikt voor een bodemenergiesysteem teruggebracht in hetzelfde watervoerende pakket als waaruit het werd onttrokken. Paragraaf 4.3.2 Aardwarmte Artikel 4.18 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het opsporen van aardwarmte en het winnen van aardwarmte als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet, als de aardwarmte op een diepte van meer dan 500 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem aanwezig is. Artikel 4.19 Aanwijzing verboden gevallen Het is verboden aardwarmte op te sporen of aardwarmte te winnen in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of in de boringsvrije zone Roerdalslenk. Artikel 4.20 Melding Venloschol 1. Het opsporen van aardwarmte of het winnen van aardwarmte in de boringsvrije zone Venloschol wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten. 2. Als de aanvangsdatum van de activiteit bedoeld in het eerste lid wijzigt, wordt ten minste zeven dagen voor de gewijzigde datum van aanvang van de aanleg van een boorput de nieuwe aanvangsdatum gemeld aan gedeputeerde staten. 3. De melding, bedoeld in het eerste lid, bevat het werkprogramma voor de aanleg van de boorput, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van het Mijnbouwbesluit. Artikel 4.21 Gegevens en bescheiden Venloschol 1. Ten minste 2 weken voor het begin van de reparatie van een boorput in de boringsvrije zone Venloschol wordt aan gedeputeerde staten het werkprogramma voor de reparatie van een boorput, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van het Mijnbouwbesluit, verstrekt. 2. Ten minste 4 weken voor het begin van de buitengebruikstelling van een boorput in de boringsvrije zone Venloschol wordt aan gedeputeerde staten het werkprogramma voor de buitengebruikstelling van de boorput, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van het Mijnbouwbesluit, verstrekt. 3. Uiterlijk 4 weken na voltooiing van de aanleg, reparatie of buitengebruikstelling van een boorput in de boringsvrije zone Venloschol wordt aan gedeputeerde staten het eindrapport, bedoeld in artikel 76, tweede lid, van het Mijnbouwbesluit, verstrekt. Artikel 4.22 Aanwijzing algemene regels Venloschol Bij het opsporen van aardwarmte of het winnen van aardwarmte in de boringsvrije zone Venloschol wordt voldaan aan artikel 4.23, artikel 4.24 en artikel 4.25. Artikel 4.23 Algemene regels Venloschol 1. Boorputten zijn niet dieper dan 3.500 meter onder maaiveld. 2. Bij het opsporen van aardwarmte en het winnen van aardwarmte wordt voldaan aan de Mijnbouwwet. 3. Bij het aanleggen, hebben of gebruiken van boorputten wordt de Beoordelingsrichtlijn Mechanisch Boren BRLSIKB 2100 in acht genomen. Artikel 4.24 Gebruik bentonietklei en schoon water Venloschol 1. Bij het boren mag tot de eerste kleilaag onder de Formatie van Breda met een dikte van ten minste 20 meter alleen gebruik worden gemaakt van: a. bentonietklei; b. water waaraan geen stoffen zijn toegevoegd en dat voldoet aan de normen voor drinkwater van het Drinkwaterbesluit. 2. In afwijking van het eerste lid mogen bij het boren andere stoffen dan bentonietklei en schoon water worden toegepast nadat een conductor of surface casing is aangebracht tot een diepte van ten minste 10 meter in de eerste kleilaag onder de Formatie van Breda met een dikte van ten minste 20 meter. Artikel 4.25 Wand boorgat Venloschol 1. In een boorgat worden twee fysieke barrières geplaatst, in de vorm van een casing en een conductor of tweede surface casing. 2. De conductor of tweede surface casing wordt geplaatst tot een diepte van ten minste 200 meter onder maaiveld. 3. In afwijking van het tweede lid mag de conductor of tweede surface casing worden geplaatst tot een slecht doorlatende laag op een diepte van minder dan 200 meter, als die slecht doorlatende laag dieper dan 150 meter onder het maaiveld ligt. 4. Tussen casing en conductor of tweede surface casing, en tussen boorgatwand en conductor of tweede surface casing wordt cementatie aangebracht ten minste tot aan de eerste slecht doorlatende laag onder de geologische Formatie van Breda. 5. Na beëindiging wordt de bovenste (cement)plug minimaal tot aan de onderkant van de conductor of tweede surface casing aangebracht. Paragraaf 4.3.3 Grond en baggerspecie Artikel 4.26 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het toepassen van grond en baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. Artikel 4.27 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning grond of baggerspecie toe te passen in een grondwaterbeschermingsgebied, als: a. de kwaliteit van de grond of de baggerspecie de maximale waarde van de volgende kwaliteitsklassen overschrijdt: 1. ‘wonen’ bij toepassing op de bodem; of 2. ‘licht verontreinigd’ bij toepassing in oppervlaktewater; of b. de kwaliteit van de grond of baggerspecie lager is dan de kwaliteit van de ontvangende bodem of waterbodem. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de verspreiding over het aangrenzende perceel van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud. Artikel 4.28 Beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als de toepassing van de grond of de baggerspecie niet plaatsvindt in het kader van een vergunningplichtige milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 4.29 Kwaliteit grond en baggerspecie in waterwingebieden 1. De grond of baggerspecie die wordt toegepast in een waterwingebied heeft geen lagere kwaliteit heeft dan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de verspreiding over het aangrenzende perceel van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud. Paragraaf 4.3.4 Gevaarlijke stoffen Artikel 4.30 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf is van toepassing op het voorhanden hebben, vervoeren, gebruiken en in de bodem brengen van gevaarlijke stoffen in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. 2. Deze paragraaf geldt voor de activiteiten bedoeld in het eerste lid zo lang het betreffende omgevingsplan niet in overeenstemming is gebracht met de instructieregels van artikel 4.10. Artikel 4.31 Niet toegestane stoffen Het is verboden de stoffen die zijn opgenomen in onderdeel A van bijlage III voorhanden te hebben bij het verrichten van milieubelastende activiteiten Artikel 4.32 Beperkt toegestane stoffen 1. Het is verboden de stoffen die zijn opgenomen in onderdeel B van bijlage III voorhanden te hebben in grotere mate aanwezig dan de in die bijlage aangegeven drempelwaarden. 2. Andere potentieel gevaarlijke stoffen zijn niet in grotere mate aanwezig dan 5000 kilogram vaste stof of 5 m3vloeistof per opslageenheid, tenzij dat volgens onderdeel C van bijlage III naar hoedanigheid, mobiliteit en persistentie toelaatbaar is, als ze onder een van de volgende categorieën vallen: 1. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2 of 8; 2. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9 die het aquatisch milieu verontreinigen; of 3. gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening. Artikel 4.33 Verkleining van het bodemrisico Het bodemrisico van gevaarlijke stoffen, voor zover toegestaan op grond van de artikel 4.31 en artikel 4.32, wordt tot verwaarloosbaar verkleind door degene die de gevaarlijke stoffen voorhanden heeft, door het bieden van de hoogst mogelijke bescherming, waaronder in ieder geval wordt verstaan: 1. volledig gesloten apparatuur of geïntegreerde lekdetectie; 2. opslag en gebruik boven een vloeistofdichte vloer of lekbak; 3. tweemaal vaker tussentijds bodemonderzoek dan geadviseerd in de Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) maar in ieder geval iedere vijf jaar. Paragraaf 4.3.5 Ondergrondse opslagtanks Artikel 4.34 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, vervangen, hebben en in gebruik hebben van ondergrondse opslagtanks in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. Artikel 4.35 Aanwijzing verboden gevallen 1. Het is verboden een ondergrondse opslagtank te plaatsen of te vervangen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied, als deze dient voor de opslag van ontvlambare vloeistoffen of brandbare vloeistoffen. 2. Het is verboden een ondergrondse opslagtank in gebruik te hebben in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied, als deze: a. 20 jaar of ouder is; en b. dient voor de opslag van ontvlambare vloeistoffen of brandbare vloeistoffen. 3. Het is verboden een ondergrondse opslagtank te hebben in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied, als: a. deze niet meer in gebruik is; en b. het bodemrisico van de tank niet is weggenomen. 4. De verboden gelden niet voor het in gebruik hebben of vervangen van een ondergrondse opslagtank bij het bieden van gelegenheid voor het tanken aan gemotoriseerde voertuigen of werktuigen, bedoeld in artikel 3.296 van het Besluit activiteiten leefomgeving, in een grondwaterbeschermingsgebied, als: a. het de openbare verkoop van benzine en dieselolie betreft; b. daarbij dieselolie primair aan particulieren wordt verkocht; en c. dit al voor 1 januari 2022 legaal plaatsvond. Paragraaf 4.3.6 Boorputten en grondroeringen Artikel 4.36 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, hebben en gebruiken van boorputten, het roeren van de grond en het verrichten van andere activiteiten in de bodem in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het aanleggen, hebben en gebruiken van boorputten, het roeren van de grond en het verrichten van andere activiteiten in de bodem in de boringsvrije zone Venloschol, als dat gedaan wordt voor het opsporen van aardwarmte of het winnen van aardwarmte, bedoeld in Paragraaf 4.3.2. Artikel 4.37 Aanwijzing verboden gevallen waterwingebied en Roerdalslenk 1. Het is verboden een boorput aan te leggen, te hebben of te gebruiken of de grond te roeren in een waterwingebied, als dat dieper dan drie meter beneden het maaiveld gedaan wordt. 2. Het is verboden een boorput aan te leggen, te hebben of te gebruiken of de grond te roeren in de boringsvrije zone Roerdalslenk, als dat dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei gedaan wordt. 3. Het is verboden een activiteit in de bodem te verrichten in een waterwingebied als daardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast. 4. Het is verboden een activiteit in de bodem te verrichten in de boringsvrije zone Roerdalslenk als daardoor de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kan worden aangetast. 5. De verboden, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, gelden niet voor: a. werkzaamheden ten behoeve van waterwinning met het oog op openbare drinkwaterproductie; b. een boorput ten behoeve van het grondwaterbeheer overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet; c. het saneren van de bodem overeenkomstig paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het saneren van de bodem of het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een bodemverontreiniging wordt verminderd of verplaatst overeenkomstig de Wet bodembescherming; d. bodemonderzoeken die in de hoofdstukken 3 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij of krachtens de Wet bodembescherming of voor een bouwactiviteit bij of krachtens de Omgevingswet zijn voorgeschreven. 6. De verboden bedoeld in het tweede en het vierde lid, gelden ook niet voor werkzaamheden ten behoeve van andere onttrekkingen dan onttrekkingen met het oog op de drinkwaterproductie, als deze uitsluitend bestemd zijn voor menselijke consumptie. Artikel 4.38 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen grondwaterbeschermingsgebied en Venloschol 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boorput aan te leggen, te hebben of te gebruiken of de grond te roeren in een grondwaterbeschermingsgebied, als dat dieper dan drie meter beneden het maaiveld gedaan wordt. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boorput aan te leggen, te hebben of te gebruiken of de grond te roeren in de boringsvrije zone Venloschol, als dat dieper dan vijf meter boven NAP gedaan wordt. 3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit in de bodem te verrichten in een grondwaterbeschermingsgebied als daardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast. 4. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit in de bodem te verrichten in de boringsvrije zone Venloschol als daardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast. 5. De verboden bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, gelden niet voor: a. werkzaamheden ten behoeve van waterwinning met het oog op openbare drinkwaterproductie; b. een boorput voor het grondwaterbeheer overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet; c. het saneren van de bodem overeenkomstig paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het saneren van de bodem of het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een bodemverontreiniging wordt verminderd of verplaatst, overeenkomstig de Wet bodembescherming; d. bodemonderzoeken die in de hoofdstukken 3 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving of bij of krachtens de Wet bodembescherming of voor een bouwactiviteit bij of krachtens de Omgevingswet zijn voorgeschreven. 6. De verboden bedoeld in het tweede en het vierde lid gelden niet voor werkzaamheden ten behoeve van andere onttrekkingen dan onttrekkingen met het oog op de drinkwaterproductie, als deze uitsluitend bestemd zijn voor menselijke consumptie. 7. De verboden bedoeld in het tweede en het vierde lid gelden niet voor het aanleggen of hebben van een open bodemenergiesysteem dat overeenkomstig Artikel 4.16, zesde lid, is gemeld of waarvoor op grond van Artikel 4.16, zevende lid, de meldingsplicht niet geldt. Artikel 4.39 Meldingsplichten 1. Het verbod bedoeld in artikel 4.38, eerste lid, geldt niet indien het aanleggen van de boorput ten minste vier weken voor het begin ervan wordt gemeld aan gedeputeerde staten. 2. Het aanleggen, hebben of gebruiken van een boorput of het roeren van de grond in deelzone I van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van artikel 4.37, tweede lidvalt en dat dieper ligt dan 20 meter beneden het maaiveld tot aan de Bovenste Brunssumklei, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten. 3. Het aanleggen, hebben of gebruiken van een boorput of het roeren van de grond in deelzone II van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van artikel 4.37, tweede lid valt en dat dieper ligt dan 30 meter beneden het maaiveld tot aan de Bovenste Brunssumklei, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten. 4. Het aanleggen, hebben of gebruiken van een boorput of het roeren van de grond in deelzone III van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van Artikel 4.37, tweede lid valt en dat dieper ligt dan 80 meter beneden het maaiveld tot aan de Bovenste Brunssumklei, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten. 5. Het aanleggen, hebben of gebruiken van een boorput of het roeren van de grond in deelzone IV van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van artikel 4.37, tweede lid valt, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten. Artikel 4.40 Beoordelingsregels 1. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als de activiteit niet kan leiden tot een toename van de bestaande risico's voor de kwaliteit van het grondwater. 2. Bij het aanleggen, hebben of gebruiken van een boorput in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone wordt de Beoordelingsrichtlijn Mechanisch boren BRL SIKB 2100 in acht genomen, tenzij in de omgevingsvergunning anders is bepaald. Paragraaf 4.3.7 Afvalwater Artikel 4.41 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem brengen van afvalwater in waterwingebieden. Artikel 4.42 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te brengen in een waterwingebied, met uitzondering van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening. Artikel 4.43 Beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als er geen schadelijke stoffen op of in de bodem worden gebracht. Paragraaf 4.3.8 Bouwwerken Artikel 4.44 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van bouwwerken in waterwingebieden. Artikel 4.45 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen in een waterwingebied als het bouwwerk niet dient voor de waterwinning door het drinkwaterbedrijf. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de bouwwerken waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de bestaande risico's voor de kwaliteit van het grondwater door het bouwen ervan niet toenemen die zijn opgenomen in bijlage IV. Artikel 4.46 Beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de risico's voor de kwaliteit van het grondwater door het bouwen van het bouwwerk niet toenemen en mits het bouwwerk niet leidt tot meer wooneenheden ten opzichte van de bestaande feitelijke en legale situatie. Paragraaf 4.3.9 Infrastructuur Artikel 4.47 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, veranderen, hebben en wijzigen van wegen, spoorwegen, vaarwegen, parkeerplaatsen en andere terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. Artikel 4.48 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg, spoorweg, vaarweg, parkeerplaats of ander terrein dat openstaat voor gemotoriseerd verkeer aan te leggen, te wijzigen of te hebben in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied, als het niet gaat om gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden. Artikel 4.49 Beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als de activiteit niet kan leiden tot een toename van de bestaande risico's voor de kwaliteit van het grondwater. Paragraaf 4.3.10 Recreatieterreinen, kampementen en schietterreinen Artikel 4.50 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, veranderen hebben en exploiteren van recreatieterreinen, kampementen en schietterreinen in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. Artikel 4.51 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een recreatieterrein, kampement of schietterrein aan te leggen, te veranderen, te hebben of te exploiteren in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Artikel 4.52 Beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als de activiteit niet kan leiden tot een toename van de bestaande risico's voor de kwaliteit van het grondwater. Paragraaf 4.3.11 Begraafplaatsen Artikel 4.53 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het oprichten, veranderen, hebben en gebruiken van begraafplaatsen, terreinen voor de uitstrooiing van as en dierenbegraafplaatsen in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. Artikel 4.54 Aanwijzing verboden gevallen waterwingebied Het is verboden een begraafplaats, terrein voor de uitstrooiing van as of dierenbegraafplaats op te richten, te veranderen, te hebben of te gebruiken in een waterwingebied. Artikel 4.55 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen grondwaterbeschermingsgebied Het is verboden zonder omgevingsvergunning een begraafplaats, terrein voor de uitstrooiing van as of dierenbegraafplaats op te richten, te veranderen, te hebben of te gebruiken in een grondwaterbeschermingsgebied. Artikel 4.56 Beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als de activiteit niet kan leiden tot een toename van de bestaande risico's voor de kwaliteit van het grondwater. Paragraaf 4.3.12 Meststoffen Artikel 4.57 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem brengen van meststoffen in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. Artikel 4.58 Perioden voor meststoffen Artikel 4.1187, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is niet van toepassing op het op of in de bodem brengen van vaste mest in een waterwingebied, in freatische grondwaterbeschermingsgebieden en in niet-freatische grondwaterbeschermingsgebieden binnen het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Paragraaf 4.3.13 Zuiveringsslib Artikel 4.59 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. Artikel 4.60 Verbod gebruik zuiveringsslib Het is verboden zuiveringsslib op of in de bodem te brengen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Paragraaf 4.3.14 Overige milieubelastende activiteiten Artikel 4.61 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van bedrijfsmatige locatiegebonden milieubelastende activiteiten in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten voor zover de voorgaande paragrafen van afdeling 4.3 op die activiteiten betrekking hebben. Artikel 4.62 Aanwijzing verboden gevallen 1. Het is verboden een andere milieubelastende activiteit te verrichten dan de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.93 van het Besluit activiteiten leefomgeving, in een waterwingebied, als de activiteit nog niet werd verricht en mocht worden verricht bij inwerkingtreding van deze verordening. 2. Het is verboden een milieubelastende activiteit te wijzigen in een waterwingebied, als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die wijziging nadelige gevolgen kan hebben voor het grondwater met het oog op de waterwinning. 3. Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een milieubelastende activiteit te verrichten die is opgenomen in bijlage V, tenzij deze activiteit al mocht worden verricht ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening. Artikel 4.63 Meldingsplicht 1. Het is verboden een milieubelastende activiteit, anders dan bedoeld in artikel 4.62, derde lid, te verrichten in een grondwaterbeschermingsgebied zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten. 2. Het verbod geldt niet voor milieubelastende activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Hoofdstuk 5 Gesloten stortplaatsen Afdeling 5.1 Regels over activiteiten Artikel 5.1 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten in, op, onder of boven a. de stortplaats in Montfort (gemeente Roerdalen); b. de stortplaats in Landgraaf; c. de stortplaats in Schinnen (gemeente Beekdaelen); d. de stortplaats in Weert; e. de bedrijfsgebonden stortplaats Louisegroeve in Sittard-Geleen; f. de baggerspecielocaties te Meers (gemeente Stein) en Swalmen (gemeente Roermond); als daarvoor een sluitingsverklaring op grond van artikel 8.47 van de Wet milieubeheer is afgegeven. Artikel 5.2 Aanwijzing verboden gevallen Het is verboden in, op, onder of boven een gesloten stortplaats activiteiten na te laten, als daardoor: a. de instandhouding van de nazorgvoorzieningen belemmerd kan worden; of b. de aanwezige nazorgvoorzieningen beschadigd kunnen worden. Artikel 5.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten in, op, onder of boven een gesloten stortplaats, als: a. de activiteit niet wordt verricht ter uitvoering van het voor de stortplaats geldende nazorgplan; b. de activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de nazorgvoorzieningen van de stortplaats. 2. Het verbod is niet van toepassing op het verrichten van een activiteit voor zover hiervoor een omgevingsvergunning is verleend. Artikel 5.4 Beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als het belang dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het de fysieke leefomgeving veroorzaakt, zich daartegen niet verzet. Artikel 5.5 Voorschriften omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning kunnen in ieder geval voorschriften worden verbonden die tot doel hebben: a. de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; b. aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; of c. te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd. Artikel 5.6 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning Een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3 ten minste het volgende: a. een omschrijving van het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart van het gebied van de stortplaats en met aanduiding van het gebied waar voorzieningen ter bescherming van het milieu (nazorgvoorzieningen) aanwezig zijn; b. een omschrijving van de maatregelen die worden getroffen om de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te waarborgen, aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen en anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren; c. een beschrijving van de wijze van monitoring en evaluatie van de uitvoering van de onder b bedoelde maatregelen en de rapportage daarover aan gedeputeerde staten. Hoofdstuk 6 Geluid Afdeling 6.1 Algemeen Artikel 6.1 Aanduiding stiltegebieden 1. Gedeputeerde staten zorgen ervoor dat de grens van het stiltegebied goed zichtbaar is aangeduid door borden van het model RVV L306b en RVV 306e. 2. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die toegang geven tot het gebied. Afdeling 6.2 Instructieregels stiltegebieden Artikel 6.2 Kernkwaliteiten stiltegebieden 1. De kernkwaliteiten van stiltegebieden zijn: a. een natuurlijk stil karakter, een kwalitatief hoogwaardige leefomgeving ter bevordering van het welzijn en de gezondheid van bezoekers en de geluidgevoelige fauna, bijdragend aan de bewustwording van een stil milieu en stille natuur; b. geen verstoring van de stilte, uitgedrukt in een 24-uursgemiddeld geluidsniveau LAeq,24h van ten hoogste 40 dB(A); c. het behoud van de stilte, wat in ieder geval tot uitdrukking komt in het streven naar: 1°. alleen een geluidsbijdrage van gebiedseigen activiteiten in het stiltegebied; 2°. geen toename van de geluidsbijdrage van niet-gebiedseigen activiteiten in het stiltegebied. 2. De kernkwaliteiten van stiltegebieden zijn nader uitgewerkt in bijlage VI. Artikel 6.3 Instructieregels kernkwaliteiten stiltegebieden De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in een stiltegebied, bevat een beschrijving van: a. de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten; b. de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan; c. de wijze waarop de negatieve effecten op het stille- en natuurlijke karakter worden voorkomen. Artikel 6.4 Ontheffing Bij de beoordeling van een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 1.6 wordt rekening gehouden met het bepaalde in bijlage VI. Afdeling 6.3 Regels over activiteiten in stiltegebieden Artikel 6.5 Toepassingsbereik 1. Deze afdeling is van toepassing op het gebruiken van voertuigen en apparaten in een stiltegebied. 2. Deze afdeling is niet van toepassing op: a. de uitoefening door politie en brandweer van hun wettelijke taken, op het toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels en op ambulancevervoer; b. normale werkzaamheden die nodig zijn in verband met de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met bosbouw of met het beheer van het gebied of daarin aanwezige bouwwerken; c. wielertochten die voorkomen op de kalender van de Union Cycliste Internationale of van de Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie en op het gebruik van omroepinstallaties, sirenes, hoorns en dergelijke daarbij door personen die zijn belast met de leiding van deze wedstrijden. Artikel 6.6 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een motorvoertuig of bromfiets met draaiende verbrandingsmotor te gebruiken in een stiltegebied buiten voor deze voertuigen openstaande wegen en terreinen. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een toertocht of wedstrijd voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen in een stiltegebied. 3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een van de volgende apparaten te gebruiken in een stiltegebied: a. motorisch aangedreven werktuigen; b. omroepinstallaties, sirenes, hoorns en soortgelijke apparaten; c. Modelluchtvaartuigen, RPA (drones), modelboten en modelauto's, aangedreven door verbrandingsmotoren; d. muziekinstrumenten en andere geluidsapparaten, al dan niet gekoppeld aan geluidversterkers; e. waterscooters, aangedreven door verbrandingsmotoren; f. knalapparatuur en vuurwerk; of g. vuurwapens. 4. Het derde lid, aanhef en onder c en f, geldt niet voor het gebruik van RPA, knalapparatuur en vuurwerk: a. als dat noodzakelijk is voor het oproepen van personen of om dreigend gevaar af te wenden; b. in de periode rondom de jaarwisseling, voor zover toegestaan bij het omgevingsplan of gemeentelijke verordening. 5. Het derde lid, aanhef en onder g, geldt niet voor het gebruik van vuurwapens: a. om een noodsein te geven; b. voor jacht, faunabeheer of schadebestrijding. Artikel 6.7 Beoordelingsregel omgevingsvergunning Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.6 wordt rekening gehouden met het bepaalde in bijlage VI. Afdeling 6.4 Industrieterreinen van provinciaal belang Artikel 6.8 Aanwijzing Industrieterreinen van provinciaal belang De volgende bedrijventerreinen worden aangewezen als industrieterreinen van provinciaal belang als bedoeld in artikel 2.12a van de Omgevingswet: a. Chemelot; b. NedCar, NedCar Yard, Industrial Park Swentibold. Hoofdstuk 7 Landschappen Afdeling 7.1 Instructieregels beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg Artikel 7.1 Beschrijving van de kernkwaliteiten van het beschermingsgebied nationaal landschap Zuid-Limburg 1. De kernkwaliteiten van het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg zijn: a. het reliëf; b. het open-besloten karakter; c. het groene karakter; d. het cultuurhistorisch erfgoed. 2. De kernkwaliteiten van het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg zijn nader uitgewerkt in bijlage VII. Artikel 7.2 Bescherming van het Nationaal landschap Zuid-Limburg 1. De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg, bevat een beschrijving van: a. de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten; b. de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan; c. de wijze waarop de negatieve effecten zijn gecompenseerd. 2. Bij de compensatie van de negatieve effecten op het groene karakter wordt bijlage VII gevolgd. Afdeling 7.2 Regels over activiteiten in het beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg Artikel 7.3 Toepassingsbereik 1. Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van grond- en ontwateringswerkzaamheden in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg. 2. Deze afdeling is niet van toepassing op: a. het graven van regenwaterbuffers door het waterschap of het graven van kleinschalige drinkwater- of amfibieënpoelen ten behoeve van het versterken van de biodiversiteit; b. het saneren van de bodem en het verrichten van activiteiten, als: 1. daardoor een bodemverontreiniging wordt verminderd of verplaatst; en 2. dat gebeurt overeenkomstig paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. het uitvoeren van bodemonderzoeken die in de hoofdstukken 3 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij of krachtens de Wet bodembescherming of voor een bouwactiviteit bij of krachtens de Omgevingswet zijn voorgeschreven; 3. Deze afdeling is niet van toepassing op het aanleggen van een boorput in een beekdal. Artikel 7.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren in een beekdal, in een bron of bronzone in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning ontwateringswerkzaamheden uit te voeren in een beekdal of in een bron of bronzone in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg. 3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in of in de nabijheid van een graft of holle weg in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg grondwerkzaamheden of andere handelingen dan grondwerkzaamheden te verrichten of te doen verrichten, indien men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze grondwerkzaamheden of andere handelingen al dan niet op termijn kunnen leiden tot aantasting van de graft of de holle weg. 4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden in een beekdal in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg, als de werkzaamheden niet leiden tot aantasting van het reliëf. 5. De verboden, bedoeld in het eerste en het derde lid, gelden niet voor herstel en onderhoud van het beekdal, de bron of bronzone, of de graft of holle weg. 6. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet voor het uitvoeren van ontwateringswerkzaamheden in een bron of bronzone, als de werkzaamheden worden uitgevoerd voor herstel en onderhoud van de bron of bronzone. Afdeling 7.3 De groenblauwe mantel Artikel 7.5 Kernkwaliteiten de groenblauwe mantel 1. De kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel zijn: a. het groene karakter; b. het visueel-ruimtelijk karakter; c. het cultuurhistorisch erfgoed; d. het reliëf; e. ruimte voor water en waterberging in de laagten en beekdal. 2. De kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel zijn nader uitgewerkt in bijlage VIII. Artikel 7.6 Instructieregels kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied in de groenblauwe mantel beschrijft: a. de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel; b. de waarde van het plangebied als ecologische verbinding tussen gebieden gelegen binnen het Natuurnetwerk Limburg in het bijzonder met het oog op de impact voor de in het aanwijzingsbesluit aangewezen habitattypen en soorten in de Natura 2000 -gebieden (inclusief Natura 2000-gebieden ondergrondse kalksteengroeven) en overige bedreigde soorten die er hun leefgebied hebben; c. de waarde van het plangebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg; d. de waarde van het plangebied voor het bieden van ruimte voor water en als waterberging in laagten en beekdal en e. de wijze waarop rekening is gehouden met de waarden onder a tot en met d; f. hoe op gebiedsniveau per saldo geen kwaliteitsverlies plaatsvindt van de waarden onder a tot en met d. g. hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden met de kernkwaliteit “het groene karakter” worden de regels opgenomen in Bijlage IX gevolgd. Hoofdstuk 8 Natuurgebieden Afdeling 8.1 Instructieregels Paragraaf 8.1.1 Natura 2000-gebieden Paragraaf 8.1.2 Natuurnetwerk Limburg Artikel 8.1 Aanwijzing wezenlijke kenmerken en waarden Natuurnetwerk Limburg Als wezenlijke kenmerken en waarden gelden, in bestaande en nog te realiseren natuurgebieden de aanwezige en potentiële natuurwaarden vertaald in natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de natuurbeheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. Verder behoren tot de wezenlijke kenmerken en waarden de beschermde soorten, de geomorfologische en aardkundige waarden en processen, het cultuurhistorisch erfgoed, de waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte, openheid of juist geslotenheid van de landschapsstructuur. Artikel 8.2 Instructieregels voor omgevingsplannen Natuurnetwerk Limburg 1. Een omgevingsplan dat van toepassing is op locaties binnen het Natuurnetwerk Limburg laat geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten toe als deze: a. nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg; of b. kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Limburg. 2. De motivering bij een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden uit lid 1 is voldaan. Artikel 8.3 Ontwikkeling van groot openbaar belang Artikel 8.2 is niet van toepassing op nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten, als: a. er sprake is van een groot openbaar belang; en b. er geen reële andere mogelijkheden zijn om in dit belang te voorzien; en c. uit het omgevingsplan blijkt hoe negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt; en d. uit het omgevingsplan blijkt hoe negatieve effecten voor het overige worden gecompenseerd, waarbij: 1°. de compensatie niet mag leiden tot verlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; 2°. de compensatie tijdig plaatsvindt: i. op financiële wijze; of ii. in natura in nog niet gerealiseerde delen van het Natuurnetwerk Limburg. Artikel 8.4 Vervallen Artikel 8.5 Saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen 1. Artikel 8.2 is niet van toepassing bij een combinatie van onderling samenhangende activiteiten, waarvan één of meer afzonderlijk een negatief effect hebben op het Natuurnetwerk Limburg, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een verbetering van de kwantiteit, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Limburg op gebiedsniveau. 2. Toepassing van de saldobenadering, bedoeld in het eerste lid, vindt alleen plaats als: a. de combinatie van plannen, projecten of handelingen binnen één samenhangende gebiedsvisie wordt gepresenteerd; b. per saldo sprake is van verbetering van de natuurwaarden in en rond het gebied, waarbij de samenhang van het Natuurnetwerk Limburg verbetert; c. ten aanzien van de te nemen maatregelen ter verbetering van de natuurwaarden in de gebiedsvisie wordt aangegeven: 1°. de aard, omvang, locaties en tijdvak van realisatie van deze maatregelen; 2°. op welke wijze deze maatregelen feitelijk en planologisch duurzaam worden geborgd; a. de uitvoering van deze visie voldoende is gegarandeerd; b. de kwaliteitswinst niet wordt gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie van het Natuurnetwerk Limburg. Artikel 8.6 Kleinschalige ingrepen 1. Artikel 8.2 is niet van toepassing op een individuele, kleinschalige ontwikkeling die leidt tot een verbetering van het Natuurnetwerk Limburg in dat gebied. 2. Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats als uit het omgevingsplan blijkt dat: a. de voorgestelde ingreep slechts leidt tot een beperkte aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het Natuurnetwerk Limburg in dat gebied; b. de voorgestelde ingreep leidt tot een kwalitatieve versterking van het Natuurnetwerk Limburg; c. de oppervlakte natuur van het Natuurnetwerk Limburg ten minste gelijk blijft; d. de kwaliteitswinst niet wordt gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie van het Natuurnetwerk Limburg. Artikel 8.7 Compensatiebeleid Bij de compensatie van ingrepen van een groot openbaar belang in het Natuurnetwerk Limburg en bij ingrepen met negatieve effecten op natuurwaarden met de kernkwaliteit “groene karakter” worden de regels opgenomen in bijlage IX, gevolgd. Paragraaf 8.1.3 Natuurbeekzones Artikel 8.8 Wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurbeekzone De wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurbeekzone zijn: het beschermen, behouden en verder ontwikkelen van de ecologische doelen, de daarvoor benodigde waterkwaliteit en ruimte voor natuurlijke hydrologische processen zoals meanderen en inundaties, en het realiseren van de benodigde zo natuurlijk mogelijke waterpeilen in de natuurbeek en de aangrenzende natuurbeekzone. Artikel 8.9 Instructieregel ter bescherming van de natuurbeekzone De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied in de natuurbeekzone, beschrijft: a. hoe rekening is gehouden met de toekomstige inrichting van de zone, gericht op de realisatie van de wezenlijke kenmerken en waarden daarvan; b. hoe nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten die afbreuk kunnen doen aan de realisatie van de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurbeekzone worden tegengegaan; c. hoe nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten waardoor de omvang van schade als gevolg van meanderen, inundaties of waterpeilen toeneemt, worden tegengaan. Hoofdstuk 9 Flora en Fauna Afdeling 9.1 Faunabeheer Paragraaf 9.1.1 Faunabeheereenheid Artikel 9.1 Eisen aan de faunabeheereenheid 1. In een faunabeheereenheid werken jachthouders en maatschappelijke organisaties samen ten behoeve van het opstellen en uitvoeren van het faunabeheerplan. 2. De binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht: a. hebben een oppervlakte van ten minste 5000 hectare, gelegen binnen de provincie Limburg; b. vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van het samenwerkingsverband en c. zijn aaneengesloten. 3. Het werkgebied van de faunabeheereenheid strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere faunabeheereenheid uitstrekt, of over de provinciegrens. Artikel 9.2 Samenstelling bestuur 1. In het bestuur van de faunabeheereenheid zijn drie bestuurszetels beschikbaar voor de vertegenwoordiging van verschillende maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort. 2. De faunabeheereenheid draagt zelf zorg voor de werving van haar bestuur en de afstemming met de organisaties die in het bestuur zijn vertegenwoordigd. Paragraaf 9.1.2 Faunabeheerplan Artikel 9.3 Reikwijdte faunabeheerplan Het faunabeheerplan geldt voor ten minste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid. Artikel 9.4 Geldigheidsduur en wijzigen faunabeheerplan 1. In het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een geldigheidsduur van ten hoogste zes jaren heeft. 2. De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het eerste lid genoemde tijdvak waarvoor het is vastgesteld. 3. Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de in het eerste lid genoemde geldigheidsduur van het faunabeheerplan verlengen. Artikel 9.5 Algemene eisen aan een faunabeheerplan Het faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens: a. de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid; b. een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven; c. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarvoor een duurzaam beheer, schadebestrijding of uitoefening van de jacht wordt voorgesteld, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar, gebaseerd op trendtellingen, inventarisaties of onderbouwde schattingen; d. een beschrijving van preventieve maatregelen die worden genomen om schade te voorkomen; e. voor zover van toepassing op de betreffende diersoort, gegevens over het aantal dieren dat is gedood op grond van het voorafgaande faunabeheerplan, gespecificeerd per soort en per jaar. Artikel 9.6 Eisen aan een faunabeheerplan inzake populatiebeheer en schadebestrijding Het faunabeheerplan bevat voor populatiebeheer en schadebestrijding ten minste de volgende gegevens: a. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer en schadebestrijding, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen, bedoeld in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4 ° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1 ° tot en met 3 ° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 1 tot en met 3 en onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving die zouden worden geschaad als niet tot beheer zou worden overgegaan; b. een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel a bedoelde belangen in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen, waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren; c. de gewenste stand van de diersoorten waarvoor populatiebeheer geldt, gerelateerd aan de op grond van Artikel 9.5 verzamelde populatiegegevens; d. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel c, te bereiken of om schade te voorkomen; e. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel b, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel a bedoelde belangen te voorkomen en, voor zover daarover redelijkerwijs gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; f. voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van grote hoefdieren, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren evenals de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende gebieden; g. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel e bedoelde handelingen zullen plaatsvinden; h. voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel e bedoelde handelingen; i. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald en gemonitord. Artikel 9.7 Eisen aan een faunabeheerplan inzake jacht Het faunabeheerplan bevat voor jacht ten minste de volgende gegevens: a. een beschrijving van de maatregelen die de jachthouder kan nemen om de redelijke wildstand te handhaven of te bereiken; b. een beschrijving van de maatschappelijke doelstellingen die met de jacht op de betreffende soort worden gediend. Artikel 9.8 Goedkeuring faunabeheerplan 1. Teneinde voor goedkeuring als bedoeld in artikel 8.1, lid 2, van de Omgevingswet in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan het gestelde in paragraaf 9.1.2. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een gehele of gedeeltelijke wijziging van het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 9.4, tweede lid. Paragraaf 9.1.3 Wildbeheereenheid Artikel 9.9 Eisen en begrenzing werkgebied 1. De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 5000 hectare binnen de provincie Limburg. 2. Wildbeheereenheden die niet kunnen voldoen aan de in het eerste lid genoemde eis gaan met betrekking tot de uitvoering van de wettelijke taken van de wildbeheereenheid een samenwerkingsovereenkomst aan met een naburige wildbeheereenheid zodat ze gezamenlijk voldoen aan deze eis. 3. Het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt, strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt. 4. De wildbeheereenheid publiceert de begrenzing van het werkgebied op het internet, eventueel door tussenkomst van de faunabeheereenheid. 5. Gedeputeerde staten kunnen als overgangsmaatregel ontheffing verlenen van de eisen in dit artikel. Artikel 9.10 Verplichte aansluiting jachthouders met een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit 1. Jachthouders met een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit voor een jachtveld dat met het geweer bejaagbaar is, zijn lid van de wildbeheereenheid die de zorg heeft over het gebied waarbinnen dat jachtveld is gelegen. 2. Wildbeheereenheden bieden ook toegang tot het lidmaatschap aan grondgebruikers, terreinbeheerders, jachtaktehouders die geen jachthouder zijn en jachthouders zonder jachtakte. 3. Tot de grondgebruikers en beheerders, bedoeld in het tweede lid, worden in ieder geval gerekend: Stichting het Limburgs Landschap, Staatsbosbeheer, Vereniging Natuurmonumenten, Ark Natuurontwikkeling, de waterschappen en de gemeenten, voor zover deze belangen hebben binnen het werkgebied van de wildbeheereenheid. 4. De wildbeheereenheid voert ten minste eenmaal per jaar overleg met beheerders en grondgebruikers in het werkgebied, op initiatief van de wildbeheereenheid, waarbij het faunabeheer wordt afgestemd. 5. Van het overleg, bedoeld in het vierde lid, wordt een verslag gezonden aan de faunabeheereenheid. Artikel 9.11 Lidmaatschap wildbeheereenheid Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan door het bestuur van de wildbeheereenheid worden opgezegd of geweigerd wanneer het lid bij de uitoefening van de jacht niet handelt conform het faunabeheerplan, dit ter beoordeling van het bestuur van de wildbeheereenheid, gehoord het bestuur van de faunabeheereenheid. Artikel 9.12 Geschillenregeling De wildbeheereenheden stellen een gezamenlijke geschillenregeling in, die in ieder geval voorziet in de behandeling van: a. geschillen die voortkomen uit bestuursbesluiten over het weigeren, opzegging of beëindiging van een lidmaatschap als bedoeld in artikel 9.11; b. geschillen die voortvloeien uit het proces tot vorming van samenwerkingsverbanden, bedoeld in artikel 9.9, tweede lid, of andere geschillen over de begrenzing van wildbeheereenheden. Paragraaf 9.1.4 Hardheidsclausule Artikel 9.13 Hardheidsclausule Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen vastgesteld bij of krachtens paragraaf 9.1.1, paragraaf 9.1.2 en paragraaf 9.1.3 buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing gelet op de betrokken belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Afdeling 9.2 Regels over activiteiten Paragraaf 9.2.1 Vellen van houtopstanden Artikel 9.14 Aanvullende gegevens bij een melding van een voorgenomen velling Een melding als bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bevat in ieder geval: a. als degene die de activiteit verricht geen eigenaar is van de grond waar de houtopstand staat: contactgegevens van de grondeigenaar; b. de topografische en kadastrale locatie van de te kappen houtopstand; c. de oppervlakte van de velling en, wanneer relevant, het aantal bomen; d. de boomsoort; e. de leeftijd van de houtopstand; f. de reden van de velling. Artikel 9.15 Termijnen melding Gedeputeerde staten kunnen in bijzondere omstandigheden de melder bij maatwerkvoorschrift toestaan om eerder dan 4 weken na de melding te starten met de velling. Bijzondere omstandigheden zijn in elk geval: a. noodvellingen van bomen die acuut gevaar opleveren voor de omgeving; b. andere door gedeputeerde staten in beleidsregels aan te duiden gevallen. Artikel 9.16 Eisen aan herbeplantingen Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving voldoet in elk geval aan de volgende eisen: a. de herbeplante houtopstand kan op termijn ten minste vergelijkbare ecologische en landschappelijk waarden vertegenwoordigen; b. de nieuwe houtopstand kan gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; c. de nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 5 à 10 jaar na herbeplanting een gesloten kronendak vormen; d. er wordt geen gebruik gemaakt van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die naar het oordeel van gedeputeerde staten een gevaar vormen voor de biologische diversiteit ter plaatse; e. herbeplanting binnen Natura 2000-gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 3.8 van de Omgevingswet; f. de oppervlakte van de herbeplanting is ten minste even groot als de gevelde oppervlakte. Artikel 9.17 Eisen aan herbeplanting op andere grond 1. Herbeplanting op andere grond wordt niet toegestaan, als: a. de gevelde houtopstand een landschapselement of een andere kleine houtopstand is met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie; b. hierdoor de oppervlakte van een boskern afneemt; c. de gevelde houtopstand deel uitmaakt van een instandhoudingsdoel als bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 3.8 van de Omgevingswet; d. de gevelde houtopstand naar het oordeel van gedeputeerde staten een oude bosgroeiplaats betreft waarbij sprake is van een goed ontwikkelde bosbodem. 2. In afwijking van het eerste lid wordt herbeplanting op andere grond wel toegestaan als de houtopstand moet wijken om een werk overeenkomstig een projectbesluit, omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken. 3. Herbeplanting op andere grond voldoet aan de volgende eisen: a. de aanplant is bosbouwkundig verantwoord als bedoeld in artikel 9.16; b. de herbeplanting vindt plaats binnen de provincie Limburg; c. de andere grond is onbeplant en vrij van herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving; d. de andere grond is vrij van (natuur)compensatieverplichtingen die ontstaan zijn uit hoofde van andere wet- en regelgeving én die het gevolg zijn van andere vellingen; e. beplanting van de andere grond gaat niet ten koste van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden. 4. Gedeputeerde staten kunnen maatwerkvoorschriften stellen over de te gebruiken soorten, verschijningsvorm, locatie en oppervlakte. 5. Op grond van bijzondere omstandigheden kunnen gedeputeerde staten afwijken van artikel 9.16 en artikel 9.17. Artikel 9.18 Vrijstelling meldplicht velling houtopstanden De meldplicht zoals bepaald in artikel 11.126, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor het kappen van gaten voor bosverjonging en ten behoeve van structuurvariatie geldt niet, als: a. deze niet groter zijn dan 1500 m2; b. de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 10% van de oppervlakte van de houtopstand beslaat; en c. het kappen maximaal eens per vier jaar plaatsvindt. Artikel 9.19 Vrijstelling plicht tot herbeplanting De plicht tot herbeplanting zoals bepaald in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor: a. oevers van natuurlijke, bestaande vennen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf de bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn; b. het tenietgaan van houtopstanden in de volgende gevallen: 1˚. vernatting door natuurlijke processen en/of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen; 2˚. op natuurlijke wijze tenietgaan van bossen op gronden die van nature geen bosvorming kennen; 3˚. tenietgaan door vraat van bevers (Castor fiber). Paragraaf 9.2.2 Bestrijden van schadeveroorzakende dieren Artikel 9.20 Vrijstelling bestrijding schadeveroorzakende veldmuis en molmuis 1. Het verbod, bedoeld in artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het bestrijden van de veldmuis en molmuis, als wordt voldaan aan de volgende criteria: a. het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied te voorkomen; b. de activiteit is nodig ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; c. het doden van veldmuizen en molmuizen vindt alleen plaats met behulp van klemmen of met een rodenator; d. er wordt geen gebruik gemaakt van klemmen die niet direct dodelijk zijn, zoals pootklemmen; e. de klemmen worden zo opgesteld dat de vangst van andere beschermde diersoorten zoveel mogelijk wordt voorkomen. 2. als de grondgebruiker de bestrijding in overeenstemming met artikel 11.58, zesde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving door een ander laat uitoefenen, draagt die persoon gedurende de uitoefening van de bestrijding de door de grondgebruiker afgegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming bij zich. Artikel 9.21 Bijzondere weersomstandigheden 1. Weersomstandigheden zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet. 2. Gedeputeerde staten kunnen voor activiteiten als bedoeld in artikel 9.20 bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. 3. Het besluit kan in ieder geval inhouden dat activiteiten worden beperkt of worden stopgezet. Paragraaf 9.2.3 Bestrijden van overlast door dieren Artikel 9.22 Vrijstelling bestrijding overlast door dieren binnen bebouwde kom door gemeenten De verboden, bedoeld in de artikelen 11.46, eerste lid, onderdeel b en d, en 11.54, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor het verstoren en beschadigen of vernielen van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter, als wordt voldaan aan de volgende criteria: a. de overlastbestrijding vindt plaats binnen de bebouwde kom en in opdracht van de gemeente; b. de overlastbestrijding wordt uitgevoerd door personen die met goed gevolg de cursus steenmarter van het Kennis en adviescentrum dierplagen hebben gevolgd. c. voor het verstoren van verblijfplaatsen wordt gebruik gemaakt van werende middelen zoals geurstoffen of ultrasoon geluid; d. bij het afsluiten van de toegang van steenmarters in gebouwen worden er geen steenmarters opgesloten in het gebouw. Paragraaf 9.2.4 Vangen van dieren bij ruimtelijke ontwikkelingen, beheer of onderhoud Artikel 9.23 Vrijstelling ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer of onderhoud Het verbod, bedoeld in artikel 11.58, vijfde lid, onderdeel a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vangen en vernielen of beschadigen van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de soorten, genoemd in Bijlage X bij deze verordening, als wordt voldaan aan de volgende criteria: a. de activiteit is nodig: 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 3. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; of 4. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; b. het vangen van de dieren vindt alleen plaats met behulp van schepnetten, schermen, vangemmers, vangkooien en kastvallen; c. er wordt alleen overgegaan tot vangen van de dieren, als het niet redelijkerwijs mogelijk is om de dieren te verdrijven van de locatie waar de werkzaamheden plaatsvinden; d. De vrijstellingen gelden alleen voor de periode die in Bijlage X is genoemd bij de betreffende soort; e. Gevangen dieren worden direct na de vangst weer in de directe omgeving vrijgelaten. Paragraaf 9.2.5 Doden van wilde zwijnen door drijven Artikel 9.24 Eén op één-methode wilde zwijnen 1. Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onderdeel a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het doden van wilde zwijnen door middel van een methode, waarbij één persoon wilde zwijnen opzettelijk verontrust met het oogmerk deze dieren binnen het schootsveld van één geweerdrager te drijven. 2. Bij het doden van wilde zwijnen als bedoeld in het eerste lid, is het inzetten van honden niet toegestaan. 3. De toepassing van de methode, bedoeld in het eerste lid, vindt alleen plaats als de methode is voorzien in een door gedeputeerde staten goedgekeurd faunabeheerplan. 4. Bij de toepassing van de methode, bedoeld in het eerste lid, wordt gehandeld conform een door de faunabeheereenheid vast te stellen veiligheidsprotocol. Paragraaf 9.2.6 Veiligstellen van amfibieën Artikel 9.25 Amfibieën veiligstellen tegen het verkeer 1. De verboden om in het wild levende dieren te vangen en opzettelijk te verstoren, bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, onderdeel a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het verbod om dieren onder zich te hebben of te vervoeren, bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, onderdeel b, van dat besluit en het verbod om amfibieën te vangen, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onderdeel a, van dat besluit, gelden niet voor beschermde inheemse kikkers, padden salamanders, als die activiteiten plaatsvinden om deze dieren veilig te stellen tegen het verkeer. 2. Het eerste lid geldt alleen voor het vervoer van de dieren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats. 3. De dieren worden onmiddellijk na het vervoeren weer in vrijheid gesteld. Paragraaf 9.2.7 Beschermen van vogels Artikel 9.26 Bescherming vogels tegen landbouwwerkzaamheden 1. De verboden, bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor activiteiten bestemd en geschikt voor de bescherming van niet vliegvlugge jonge vogels tegen landbouwwerkzaamheden. 2. De in het eerste lid gevangen niet vliegvlugge jonge vogels worden onmiddellijk na afloop van de landbouwwerkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, weer in vrijheid gesteld. Paragraaf 9.2.8 Gebruiken van braakballen en losse veren voor onderzoek of onderwijs Artikel 9.27 Vrijstellingen voor onderzoek en onderwijs 1. Het verbod, bedoeld in artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vervoeren en onder zich hebben van braakballen en losse veren van beschermde vogelsoorten met het oog op gebruik van deze producten bij onderzoek en onderwijs. 2. Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het vangen van de Meerkikker (Rana ridibunda), de Middelste groene kikker (Rana kl. esc ulenta), de Bruine kikker (Rana temporaria) en de Gewone pad (Bufo bufo) of eieren van deze soorten, voor zover dit plaatsvindt met het oog op gebruik van deze dieren of eieren bij onderzoek of onderwijs. 3. Het tweede lid geldt niet voor dieren waarvan de metamorfose is voltooid. Paragraaf 9.2.9 Faunaschade Artikel 9.28 De aanvraag om tegemoetkoming 1. Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 15.53 van de Omgevingswet wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe door gedeputeerde staten vastgesteld formulier met bijlagen. 2. De aanvraag wordt uiterlijk binnen zeven werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd, ingediend. 3. Als een aanvraag om tegemoetkoming niet voldoet aan het eerste en tweede lid, komt de schade niet voor tegemoetkoming in aanmerking. Artikel 9.29 Taxatie van de schade 1. Het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, worden pas geoogst of van het bedrijf afgevoerd, nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur. 2. Opmerkingen over de taxatie worden binnen acht werkdagen schriftelijk kenbaar gemaakt aan BIJ12. Hoofdstuk 10 Landbouw Afdeling 10.1 Instructieregels Paragraaf 10.1.1 Intensieve veehouderij Artikel 10.1 Instructieregel nieuwvestiging intensieve veehouderij 1. Een omgevingsplan laat geen nieuwvestiging van intensieve veehouderij toe. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op incidentele nieuwvestiging van intensieve veehouderij buiten het Natuurnetwerk Limburg en buiten een extensiveringsgebied intensieve veehouderij, als: a. deze per saldo leidt tot een kwalitatieve verbetering van het leefklimaat; b. er sprake is van een toekomstbestendige locatie; en c. er een koppeling is met de beëindiging van vergelijkbare activiteiten elders. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op nieuwvestiging in de vorm van agglomeratielandbouw op bedrijventerreinen of in een ontwikkelingsgebied glastuinbouw. Artikel 10.2 Instructieregel vergroting bouwvlak intensieve veehouderij Een omgevingsplan laat geen vergroting van het bouwvlak voor intensieve veehouderij toe binnen het extensiveringsgebied intensieve veehouderij. Artikel 10.3 Instructieregel vormverandering bouwvlak intensieve veehouderij 1. Een omgevingsplan laat geen vormverandering van het bouwvlak voor intensieve veehouderij toe binnen het extensiveringsgebied intensieve veehouderij. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op vormverandering van het bouwvlak, als a. de bestaande bouwmogelijkheden uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn; en b. de vormverandering per saldo geen negatieve invloed heeft op de aspecten die bij de integrale afweging moeten worden betrokken, in het bijzonder landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, woon-, werk- en leefklimaat en economische structuur. Paragraaf 10.1.2 Geitenhouderij Artikel 10.4 Instructieregel geitenhouderij 1. Een omgevingsplan laat geen nieuwvestiging van geitenhouderijen of uitbreiding van geitenhouderijen toe. 2. Aan het eerste lid wordt uiterlijk op 1 juli 2029 voldaan. Paragraaf 10.1.3 Glastuinbouw Artikel 10.5 Instructieregel nieuwvestiging glastuinbouw Een omgevingsplan laat geen nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf toe buiten een ontwikkelingsgebied glastuinbouw. Artikel 10.6 Instructieregel vergroting bouwvlak glastuinbouw 1. Een omgevingsplan laat een uitbreiding van het bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijf toe in een ontwikkelingsgebied glastuinbouw. 2. Een omgevingsplan laat een uitbreiding van het bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijf toe in het op de kaart aangeduide buitengebied onder de voorwaarde dat: a. er sprake is van een toekomstbestendige locatie; b. bij uitbreidingen vanaf 30.000 m² netto glastuinbouw er voor iedere 1 m² netto uitbreiding glastuinbouw 2 m² netto glastuinbouw gelegen buiten een ontwikkelingsgebied glastuinbouw wordt gesloopt. 3. Een omgevingsplan laat een uitbreiding van het bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijf toe in het uitzonderingsgebied uitbreiding glastuinbouw onder de voorwaarde dat: a. er sprake is van een toekomstbestendige locatie; b. bij uitbreidingen er voor iedere 1 m² netto uitbreiding glastuinbouw 2 m² netto glastuinbouw gelegen buiten een ontwikkelingsgebied glastuinbouw wordt gesloopt. Afdeling 10.2 Regels over activiteiten: geitenhouderij Artikel 10.7 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op nieuwvestiging van geitenhouderijen of uitbreiding van geitenhouderijen. Artikel 10.8 Verbod nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderijen 1. Het is verboden een geitenhouderij te nieuwvestigen of een geitenhouderij uit te breiden ten opzichte van de referentiesituatie als in die geitenhouderij: a. meer dan 25 geiten worden gehouden; of b. na wijziging meer dan 25 geiten worden gehouden. 2. Het verbod geldt niet, als voor die activiteit uiterlijk op 20 december 2018: a. een melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer bij het bevoegd gezag is gedaan, of b. door het bevoegd gezag een omgevingsvergunning is verleend of een ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage is gelegd. Afdeling 10.3 Regels over activiteiten: ammoniakemissie dierenverblijven Artikel 10.9 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 10.10 Ammoniakemissie dierenverblijven 1. Een dierenverblijf heeft geen grotere ammoniakemissie per dierplaats dan de maximaal toegestane emissie die is opgenomen in bijlage XII, als het dierenverblijf a. na 23 juli 2010 nieuw is opgericht, waarbij voor die oprichting een omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1 eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was vereist, dan wel een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet is vereist; of b. na 23 juli 2010 zodanig is gewijzigd dat het aantal dierplaatsen toe is genomen of het huisvestingssysteem als bedoeld in de RAV-lijst is gewijzigd, waarbij voor die wijziging een omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was vereist, dan wel een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet is vereist; of c. na 10 oktober 2013 gewijzigd is, waarbij een of meer van de in de bijlage XI opgenomen systemen zijn aangelegd, aangekoppeld of geïnstalleerd om de ammoniakemissie te reduceren. 2. De activiteit bedoeld in artikel 10.9 heeft per 1 januari 2030 geen grotere ammoniakemissie per dier dan de maximaal toegestane emissie als opgenomen in bijlage XII. Artikel 10.11 Maatwerkvoorschriften Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van Artikel 10.10 als de toepassing van dat artikel gelet op de betrokken belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hoofdstuk 11 Cultureel erfgoed Afdeling 11.1 Instructieregels monumentale en beeldbepalende gebouwen Artikel 11.1 Herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen 1. Een omgevingsplan dat nieuwe activiteiten toestaat betrekt daarbij de mogelijkheid om deze activiteiten in leegstaande monumentale gebouwen onder te brengen. 2. Wanneer het onderbrengen van de nieuwe activiteiten in leegstaande monumentale gebouwen niet mogelijk blijkt te zijn, wordt bij de beoordeling van het toestaan van de nieuwe activiteiten ook de mogelijkheid betrokken om deze activiteiten in leegstaande beeldbepalende gebouwen onder te brengen. 3. De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste en tweede lid. Hoofdstuk 12 Wonen, werken en recreëren Afdeling 12.1 Instructieregels Paragraaf 12.1.1 Wonen Artikel 12.1 Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in afdeling 14.5; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Artikel 12.2 Instructieregels bestaande planvoorraad wonen 1. Een omgevingsplan, voor zover het betreft een bestemmingsplan dat van het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet deel uitmaakt en voor 16 januari 2015 is vastgesteld en dat voorziet in de mogelijkheid tot realisatie van een of meerdere woningen, wordt voor 1 januari 2025 geactualiseerd. 2. De actualisatie bedoeld in het eerste lid vindt plaats op basis van actueel onafhankelijk regionaal kwalitatief en kwantitatief behoefteonderzoek. 3. De mogelijkheid tot realisatie van woningen bedoeld in het eerste lid wordt slechts in stand gehouden als uit het onderzoek bedoeld in het tweede lid blijkt dat sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit. 4. Indien de mogelijkheid tot realisatie van woningen op grond van het derde lid niet in stand kan worden gehouden, wordt de functie wonen voor 1 januari 2025 gewijzigd in een andere passende functie. 5. Burgemeester en wethouders heroverwegen voor 1 januari 2030 de mogelijkheden voor de realisatie van woningen die nog niet zijn gerealiseerd, op basis van actueel onafhankelijk regionaal kwalitatief en kwantitatief behoefteonderzoek. 6. Indien uit het behoefteonderzoek bedoeld in het vijfde lid volgt dat een toegekende functie wonen niet meer nodig blijkt, starten burgemeester en wethouders een procedure gericht op het aanpassen van de functie wonen of het wijzigen van de functie wonen in een andere passende functie. De actualisatie van het omgevingsplan volgend op de actualisatie bedoeld in het eerste lid, dient voor 1 januari 2030 te zijn afgerond. Paragraaf 12.1.2 Detailhandel Artikel 12.3 Instructieregels toevoeging vestigingsmogelijkheden detailhandel 1. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor detailhandel aan de bestaande voorraad of planvoorraad detailhandel alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 5 (Wonen en leefomgeving), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de regionale Detailhandelsvisie Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg. 2. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor detailhandel aan de bestaande voorraad of planvoorraad detailhandel alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 5 (Wonen en leefomgeving), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, het beleidskader werklocaties Midden-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg. 3. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor detailhandel aan de bestaande voorraad of planvoorraad detailhandel alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 5 (Wonen en leefomgeving), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg. 4. De motivering bij een omgevingsplan bevat: a. een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste, tweede of derde lid; b. een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en, wanneer dat aan de orde is, de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband. Paragraaf 12.1.3 Kantoren Artikel 12.4 Instructieregels toevoeging vestigingsmogelijkheden kantoren 1. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor kantoren aan de bestaande voorraad of planvoorraad kantoren alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de regionale visie Kantoren Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg. 2. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor kantoren aan de bestaande voorraad of planvoorraad kantoren alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, het beleidskader werklocaties Midden-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg. 3. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor kantoren aan de bestaande voorraad of planvoorraad kantoren alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg. 4. De motivering bij een omgevingsplan bevat: a. een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste, tweede of derde lid; b. een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en, wanneer dat aan de orde is, de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband. Paragraaf 12.1.4 Bedrijventerreinen Artikel 12.5 Vestigingsmogelijkheden bedrijventerreinen 1. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg. 2. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, het beleidskader werklocaties Midden-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg. 3. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg. 4. Een omgevingsplan: a. laat geen bedrijfskavel toe met een oppervlakte van meer dan 5 hectare; b. laat niet toe dat bedrijfskavels worden samengevoegd indien hierdoor bedrijfskavels groter dan 5 hectare ontstaan; c. laat niet toe dat gebouwen zodanig worden gerealiseerd of met elkaar verbonden dat zij de grens van een bedrijfskavel overschrijden. 5. De motivering bij een omgevingsplan bevat: a. een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste, tweede of derde lid en aan het vierde lid; en b. een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en, wanneer dat aan de orde is, de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband. Paragraaf 12.1.5 Vrijetijdseconomie Artikel 12.6 Instructieregels toevoeging vestigingsmogelijkheden vrijetijdseconomie 1. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad of planvoorraad vrijetijdseconomie alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 15 (Landschap) van de provinciale omgevingsvisie en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg. 2. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad of planvoorraad vrijetijdseconomie alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 15 (Landschap) van de provinciale omgevingsvisie en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg. 3. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad of planvoorraad vrijetijdseconomie alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 15 (Landschap) van de provinciale omgevingsvisie en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg. 4. De motivering bij een omgevingsplan bevat: a. een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste, tweede of derde lid; b. een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en, wanneer dat aan de orde is, de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband. Paragraaf 12.1.6 Bewoning van recreatieverblijven en recreatieterreinen Artikel 12.7 Instructieregel verbod wonen in recreatieverblijven Een omgevingsplan bevat geen bepalingen die het wonen in een recreatieverblijf mogelijk maken. Artikel 12.8 Instructieregel verbod functieverandering recreatieverblijven naar wonen Een omgevingsplan wordt niet zodanig gewijzigd dat de bestaande functie die het gebruik van een bouwwerk als recreatieverblijf toestaat wordt veranderd in een functie die de activiteit wonen toestaat. Artikel 12.9 Instructieregels tijdelijke huisvesting specifieke doelgroepen op recreatieterreinen 1. Het bepaalde in artikel 12.8 is niet van toepassing op tijdelijke huisvesting van short-stay internationale werknemers, woonurgenten en statushouders op recreatieterreinen voor de duur van maximaal 10 jaar, als: a. er geen huisvesting mogelijk is binnen de regio in bestaande woningen in of nabij het bestaand bebouwd gebied van het stedelijk gebied en landelijke kernen; b. er geen huisvesting mogelijk is binnen overige bebouwing in of nabij het bestaand bebouwd gebied van het stedelijk gebied en landelijke kernen; c. er op een te revitaliseren recreatieterrein geen samenloop is met een bedrijfsmatige toeristisch-recreatieve exploitatie; d. er duidelijke en bindende afspraken zijn gemaakt over de sanering of revitalisering van de recreatieterreinen na afloop van de tijdelijke huisvesting en een deel van de inkomsten vanuit het tijdelijk huisvesten van specifieke doelgroepen wordt gebruikt om de sanering of revitalisering van het recreatieterrein te bekostigen. 2. De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid. Artikel 12.10 Maatwerk functieverandering recreatieverblijven Gedeputeerde Staten kunnen in afwijking van het bepaalde in artikel 12.8 gelegenheid bieden voor maatwerk, indien functieverandering naar wonen op de betreffende locatie vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is en de locatie is gelegen in of aansluitend aan een (dorps)kern, lint of bebouwingsconcentratie van reguliere woningen, en voldaan wordt aan de voor de betreffende regio vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen. Paragraaf 12.1.7 Huisvesting internationale werknemers Artikel 12.11 Instructieregel toepassing SNF-normen huisvesting internationale werknemers Bij de vaststelling van een omgevingsplan dat voorziet in een functie die de tijdelijke of permanente huisvesting van internationale werknemers toestaat houdt het gemeentebestuur rekening met de normenset voor huisvesting van internationale werknemers voor het register van de Stichting Normering Flexwonen. Paragraaf 12.1.8 Na-ijlende effecten steenkoolwinning Artikel 12.12 Instructieregel na-ijlende effecten steenkoolwinning De motivering van een omgevingsplan dat het bouwen van een nieuw bouwwerk in de gemeenten Brunssum, Beekdaelen, Heerlen, Landgraaf, Voerendaal, Kerkrade, Simpelveld, Beek, Sittard-Geleen en Stein mogelijk maakt, beschrijft op welke wijze rekening is gehouden met de na-ijlende effecten van de voormalige steenkoolwinning. Hoofdstuk 13 Energie Afdeling 13.1 Windenergie Artikel 13.1 Instructieregel uitsluitingsgebied windturbines Een omgevingsplan dat betrekking heeft op het uitsluitingsgebied windturbines, laat binnen dat gebied geen plaatsing van een windturbine met een masthoogte van 25 meter of hoger toe. Afdeling 13.2 Zonne-energie Artikel 13.2 Instructieregel zonnepanelen op daken van bedrijfsgebouwen De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfsgebouw, beschrijft op welke wijze gebruik is gemaakt van de bevoegdheid bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving tot het stellen van maatwerkregels gericht op het maximaal benutten van het dakoppervlak van bedrijfsgebouwen voor het plaatsen van zonnepanelen. Artikel 13.3 Instructieregels zonneparken 1. Een omgevingsplan laat geen zonnepark toe binnen het Natuurnetwerk Limburg of binnen een waterwingebied. 2. Een omgevingsplan laat geen zonnepark toe in een bestaand bos- of natuurgebied binnen de groenblauwe mantel. 3. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg of de regio Midden-Limburg laat een zonnepark alleen toe als dat in lijn is met de Limburgse principes van de provinciale omgevingsvisie en in afstemming met de regionale energiestrategie Noord- en Midden-Limburg. 4. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg laat een zonnepark alleen toe als dat in lijn is met de Limburgse principes van de provinciale omgevingsvisie en in afstemming met de regionale energiestrategie Zuid-Limburg. 5. Een omgevingsplan laat geen zonnepark op landbouwgrond toe tenzij: a. een zorgvuldige ruimtelijke afweging heeft plaatsgevonden ten aanzien van de locatie; b. voorzien wordt in een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing en beheer passend bij de aanwezige kernkwaliteiten van het landschap; en c. de zonnepanelen in een opstelling worden geplaatst die aansluit op een bij het gebied passende bodemkwaliteit. 6. De motivering van een omgevingsplan voor een zonnepark bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het derde of het vierde lid en het vijfde lid. 7. Bij het vaststellen van een omgevingsplan dat voorziet in een functie die een zonnepark toestaat houdt het gemeentebestuur rekening met het betrekken van de omgeving bij de functietoekenning, het zorgdragen voor maatschappelijk draagvlak voor de functietoekenning en het maximaal gebruik van de mogelijkheden voor (financiële) participatie bij de exploitatie van het zonnepark. 8. Een omgevingsplan dat een zonnepark toelaat bevat een verplichting tot het verwijderen van het zonnepark na beëindiging van de activiteit. 9. Het tweede lid geldt niet voor een zonnepark op de locatie van de stortplaats in Schinnen (gemeente Beekdaelen), als bedoeld in artikel 5.1 onder c. De voorwaarden bedoeld in het vijfde lid, onder a tot en met c, zijn van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk 14 Monitoring en informatie Afdeling 14.1 Algemeen Afdeling 14.2 Monitoring watersystemen Artikel 14.1 Verslag toetsing watersysteem 1. Het waterschap brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor het voldoen aan omgevingswaarden, bedoeld in artikel 3.1, iedere zes jaar verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer. 2. Het verslag bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop zij moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt in het licht van de omgevingswaarde en de voorschriften, bedoeld in Artikel 3.1, en de legger, bedoeld in Artikel 3.4. 3. Als de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht. 4. Gedeputeerde staten stellen na overleg met het waterschap vast wanneer de verslagen voor de eerste maal en met welke frequentie daarna worden uitgebracht. 5. Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot vorm en inhoud van de verslagen. Afdeling 14.3 Grondwaterregister Artikel 14.2 Grondwaterregister 1. Er is een register van wateronttrekkingsactiviteiten waarbij grondwater wordt onttrokken of water wordt geïnfiltreerd. 2. Het register wordt beheerd door gedeputeerde staten. 3. Het register bevat in ieder geval de vergunningen en de gegevens die krachtens artikel 4.6 en artikel 4.7 aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden verstrekt. 4. Het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekt de gegevens aan gedeputeerde staten. 5. Gedeputeerde staten kunnen wateronttrekkingsactiviteiten waarbij grondwater wordt onttrokken of water wordt geïnfiltreerd ambtshalve inschrijven, waarbij de aanvang van een onttrekking of infiltratie als datum van inschrijving geldt. Afdeling 14.4 Faunabeheer Artikel 14.3 Gegevensverzameling faunabeheer De wildbeheereenheid neemt, in het kader van het faunabeheerplan, deel aan trendtellingen van diersoorten, afschotregistratie en de registratie van dood gevonden dieren, voor het gehele gebied waarover zich de zorg van de wildbeheereenheid uitstrekt. Afdeling 14.5 Monitoring woningbouw Artikel 14.4 Monitoring van de plancapaciteiten en woningbouwrealisaties 1. Er is een monitor voor het registreren van woningbouwplannen en het controleren van woningbouw realisaties: de Plancapaciteitsmonitor Limburg. 2. De monitor wordt beheerd door gedeputeerde staten. 3. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het actueel houden van de gegevens over woningbouwplannen in de monitor. 4. Burgemeester en wethouders documenteren in het systeem van monitoring woningbouwplannen zo gedetailleerd mogelijk vanaf de initiatieffase tot en met het onherroepelijk worden van het omgevingsplan of de omgevingsvergunning. 5. Burgemeester en wethouders dragen mi

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.