← Nederland

Subsidieregeling duurzame Amsterdamse gebouwen (Amsterdam)

Kort gezegd

Deze subsidieregeling van de gemeente Amsterdam is bedoeld om het gebruik van aardgas in bestaande gebouwen te verminderen en de overgang naar een aardgasvrij en klimaatneutraal Amsterdam te stimuleren.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Subsidieregeling duurzame Amsterdamse gebouwenHet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 4:23, eerste lid van de Algemene Wet Bestuursrecht en artikel 3, tweede lid van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013, gezien de op 3 maart 2020 door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050, gezien de op 14 december 2016 vastgestelde ‘Strategie naar een Stad zonder Aardgas’ gelet op de inwerkingtreding van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2023 op 1 augustus 2023 en artikel 3, eerste lid van die verordening, besluit de volgende regeling vast te stellen: Subsidieregeling duurzame Amsterdamse gebouwen Hoofdstuk1Algemene bepalingen met betrekking tot gebiedsgericht aardgasvrij Artikel1.1Begripsomschrijvingen In hoofdstukken 1 tot 4 van deze subsidieregeling wordt verstaan onder: aardgasvrij: een verblijfsobject waar de aardgasaansluiting op het door de netbeheerder beheerde aardgasnet verwijderd is, waar de aanwezige gebouwgebonden collectieve, voor ruimte- of waterverwarming bedoelde gasverbrandingsinstallaties uitsluitend gebruik maken van groen gas en waar gekookt wordt zonder fossiele brandstof op een manier die niet meer fijnstofuitstoot veroorzaakt dan aardgas; afsluiting: het door de netbeheerder (laten) verwijderen van de aardgasaansluiting waardoor een verblijfsobject of gebouw geen gebruik meer kan maken van aardgas; ASA 2023: Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2023; bestaand: een gebouw dat niet als nieuwbouw wordt aangemerkt; bedrijfsmiddel: een instrument of apparaat dat gebruikt wordt voor de bedrijfsvoering of uitoefening van de publieke functie binnen of nabij een verblijfsobject, niet zijnde een ruimte- of tapwaterverwarmingsinstallaties; bedrijfsruimte: een verblijfsobject dat bedrijfsmatig gebruikt wordt en waarvan het gebruiksdoel niet wonen is; collectieve gasaansluiting: de door de netbeheerder beheerde aansluiting op het aardgasnet die de collectieve installatie van aardgas voorziet. collectieve installatie: een installatie de meerdere verblijfsobjecten binnen één pand met meerdere woningen of meerdere aan elkaar verbonden panden met meerdere woningen voorziet van ruimtewarming of warm tapwater; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam; DAEB-vrijstellingsbesluit: het Besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011, betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor openbare dienst, verleend aan bepaalde, met beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PbEU C9380)), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; de-minimisverordening: Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB EU L 352 van 24.

  1. 2013), met inbegrip van eventueel in de toekomst vast te stellen wijzigingen; dochtermaatschappij; een maatschappij is een dochtermaatschappij van een andere rechtspersoon, als die andere rechtspersoon (de moeder) meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering kan uitoefenen, of als de moeder meer dan de helft van de bestuurders of commissarissen kan benoemen of ontslaan; fysieke gebouwgebonden activiteiten: activiteiten die op of aan een gebouw of op de bijbehorende gronden worden uitgevoerd; gebied: Een door denkbeeldige lijnen begrensd deel van grondgebied van de gemeente Amsterdam; goedkeuringsverplichting: De huurrechtelijke verplichtingen van de verhuurder op grond van artikel 7:220, derde lid, BW; groen gas: voor inpandige verbranding bedoeld gas dat niet gewonnen of opgewekt is uit fossiele brandstoffen, tenzij de bij die winning of opwek vrijkomende koolstofdioxide en koolstofmonooxide duurzaam opgeslagen zijn; individuele installatie: een installatie die een enkel verblijfsobject binnen één pand met meerdere woningen of meerdere aan elkaar verbonden panden met meerdere woningen voorziet van ruimtewarming of warm tapwater; kleinschalige transformatie: het realiseren van maximaal 25 woningen in een gebouw dat eerst geen woning was; maatschappelijk vastgoed: een verblijfsobject met een publieke functie op het gebied van onderwijs, sport, cultuur, welzijn, religie, maatschappelijke opvang of zorg. kookvoorziening: een toestel waarop een pan geplaatst kan worden om via verwarming van de pan de inhoud van de pan op te warmen, te koken of te bakken zoals een kookplaat, comfort of fornuis; netbeheerder: een vennootschap die op grond van artikel 2 van de Gaswet door de minister is aangewezen is om een wettelijke taak omtrent de gasdistributie uit te voeren; nieuwbouw; een bouwwerk waarvoor nog geen melding of kennisgeving van de gereedkoming van bouw, zoals genoemd in artikel 7, lid g van het Besluit basisregistratie adressen en gebouwen en vereist volgens artikel 1.25, lid 2 van het Bouwbesluit 2012 is gedaan; Organisatie met publieke functie: een rechtspersoon zonder winstoogmerk, statutair gericht op een maatschappelijk belang met een publieke functie op het gebied van sport, cultuur, welzijn, religie, maatschappelijke opvang, zorg of onderwijs; onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de de-minimisverordening, uitgezonderd woningcorporaties; pand met meerdere woningen: meerdere verblijfsobjecten bestemd voor bewoning binnen hetzelfde gebouw; ruimteverwarmingsinstallatie: technisch bouwsysteem waarin warmte wordt opgewekt, gedistribueerd of afgegeven of een combinatie daarvan, zoals bedoeld in de omschrijving van een verwarmingssysteem in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012; schoolgebouw: gebouw van een school voor basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs, zoals bedoeld in artikel 1.1, onderdeel cc van de Verordening huisvestingsvoorzieningen onderwijs Amsterdam 2020 of een nevenvestiging of een dislocatie daarvan gelegen op het grondgebied van de gemeente Amsterdam; stadswarmtenet: het primair en secundair warmtenet Vattenfall Amsterdam Zuid Oost en Almere en het primair en secundair warmtenet Vattenfall West Noord, zoals deze opgenomen zijn in de gecontroleerd verklaringen van de het College van Gelijkwaardigheid Energieprestaties van het Bureau Controle en Registratie Gelijkwaardigheidsverklaringen met respectievelijke verklaringscodes 2019-1436GG-TP-UW en 20201669GK, inclusief de uitbreidingen van deze warmtenetten sinds die beoordelingen; tapwaterinstallatie: technisch bouwsysteem waarin warmtapwater wordt opgewekt, gedistribueerd of afgegeven of een combinatie daarvan, zoals bedoeld in de omschrijving van een warmtapwatersysteem in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012; verblijfsobject: kleinste binnen één of meer panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige, of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is, zoals bedoeld in artikel 1, lid m van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen; woning: een adresseerbaar object dat in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen geregistreerd is met het gebruiksdoel woonfunctie woningcorporatie: Toegelaten instellingen zoals bedoeld in artikel 19 van de Woningwet en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting
  2. woonboot: een woonboot met een ligplaatsvergunning, zoals bedoeld in Hoofdstuk 2, paragraaf 3, van de Verordening op het binnenwater 2010 of een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Artikel1.2Toepasselijkheid ASA 2023 De ASA 2023 is van toepassing op hoofdstukken 1 tot 4 van deze subsidieregeling, tenzij daarvan in deze subsidieregeling uitdrukkelijk van wordt afgeweken. Artikel1.3Doel van de regeling in hoofdstukken 1 tot 4 De hoofdstukken 1 tot 4 van deze subsidieregeling hebben tot doel het gebiedsgericht terugdringen van het gebruik van aardgas van bestaande gebouwen door stimulering van de transitie naar een aardgasvrij en klimaatneutraal Amsterdam. Artikel1.4Europees kader bij subsidie aan woningcorporaties Voor zover een woningcorporatie activiteiten uitvoert die op grond van hoofdstukken 1 tot 4 van deze subsidieregeling voor subsidie in aanmerking komen, betreffen het Diensten van Algemeen Economisch belang als bedoeld in artikel 47 van de Woningwet. Het betreft een additionele, specifieke vergoeding in aanvulling op de compensatie die is genoemd in het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting
  3. Artikel 1.4a De aanvrager De subsidie in hoofdstukken 1 tot 4 kan door eenieder worden aangevraagd, behoudens in gevallen waarin het college in één van die hoofdstukken anders heeft bepaald. Artikel 1.4b Volgorde van behandeling aanvragen Subsidieaanvragen voor subsidie op grond van hoofdstukken 1 tot 4 worden in behandeling genomen in de volgorde van ontvangst daarvan. Als tijdstip van indiening geldt daarbij het moment waarop de aanvraag compleet is. Artikel 1.5 Subsidiabele kosten
  4. In hoofstukken 1 tot 4 worden de gemaakte kosten voor de uitvoering subsidiabele activiteiten, met uitzondering van de in het tweede lid genoemde kosten, aangemerkt als subsidiabele kosten.
  5. In hoofdstukken 1 tot 4 worden de volgende kosten niet aangemerkt als subsidiabele kosten: de kosten voor zelf verrichte arbeid, indien de activiteiten door de aanvrager zelf worden uitgevoerd; de kosten voor isolatievoorzieningen; de kosten voor zonnepanelen; de kosten voor biomassaverbrandingsketels, hout- of pelletkachels; de kosten voor installaties of fornuizen op fossiele brandstoffen als kolen, olie, butaangas of andere brandstoffen die bij verbranding meer fijnstof produceren dan aardgas; de kosten voor pannen en ander keukengerei; de kosten voor activiteiten die gericht zijn op het voldoen aan wettelijke verplichtingen; de kosten voor elektrische CV-ketels, elektrische doorstroomverwarmers en andere vormen van elektrische weerstandsverwarming met uitzondering van warmtepompen, infraroodpanelen en boilers met een buffervat van tenminste 10 liter; de kosten waarvoor de factuurdatum langer dan 12 maanden vóór de subsidieaanvraagdatum ligt. Artikel 1.6 Maximering en stapeling
  6. Subsidie op grond van hoofdstukken 1 tot 4 is niet hoger dan de daadwerkelijk gemaakte subsidiabele kosten voor het realiseren van de subsidiabele activiteiten verminderd met andere voor de subsidiabele activiteiten verleende of vastgestelde subsidies.
  7. Indien aannemelijk is dat een andere verleende subsidie, zoals bedoeld in het eerste lid, lager vastgesteld zal worden brengt het college het verwachte lagere bedrag in mindering in de plaats van het verleende bedrag. Artikel1.7Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens 1.In aanvulling op artikel 6 van de ASA 2023 worden bij de subsidieaanvraag, in het kader van hoofdstukken 1 tot 4 van deze regeling de volgende gegevens en stukken overgelegd: offertes voor uitvoering van de subsidiabele activiteiten, waarop het deel van de kosten die subsidiabel zijn voldoende duidelijk uitgesplitst en aangemerkt zijn; een overzicht van eventuele andere aangevraagde of verleende subsidies voor dezelfde subsidiabele activiteiten; indien het een subsidieaanvraag voor activiteiten met betrekking tot collectieve installaties betreft: een overzicht van de aan de collectieve installatie verbonden verblijfsobjecten; een overzicht van de aanwezigheid van gasaansluitingen in de verblijfsobjecten; een overzicht waaruit blijkt welk van de verschillende eigenaren en huurders de intentie heeft om de individuele woning gebonden gasaansluiting, zoals bedoeld onder ii, binnen 1 jaar af te sluiten; en bewijs dat de aanvrager bevoegd is de aanvraag te doen; voor de ondernemers en ondernemingen, niet zijnde de woningcorporatie, een volledig ingevulde verklaring de-minimissteun; en voor verhuurders, bewijs dat er voldaan is aan geldende goedkeuringsverplichtingen.
  8. Indien de aanvrager niet de eigenaar is van het vastgoed waarop de aanvraag betrekking heeft worden bij een subsidieaanvraag in het kader van hoofdstukken 1 tot 4 van deze regeling tevens de volgende gegevens en stukken overlegd: een schriftelijk bewijs van instemming van eigenaar dat de bedoelde aanvrager de binnen deze regeling als subsidiabel aangemerkte activiteiten in het betreffende gebouw mag gaan uitvoeren of een vonnis van de kantonrechter dat de verhuurder op grond van artikel 7:243BW of artikel 7:215BW medewerking met de voorgestelde activiteiten oplegt; en een huur-, gebruiks- of uitvoeringsovereenkomst die betrekking heeft op het vastgoed waar de subsidiabele activiteit plaatsvindt, waaruit blijkt dat de aanvrager belang heeft bij de uit te voeren activiteiten.
  9. Indien de subsidiabele activiteiten reeds zijn uitgevoerd op het moment van de subsidieaanvraag worden in het kader van hoofdstukken 1 tot 4 van deze regeling tevens de in artikel 1.10 genoemde bij subsidievaststelling vereiste gegevens en stukken overgelegd en blijft het overleggen van de volgende stukken achterwege: een begroting inclusief een dekkingsplan van de kosten, zoals bedoeld in artikel 6, onderdeel b van de ASA 2023; offertes voor uitvoering van de subsidiabele activiteiten, zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; en de gegevens en stukken die op grond van het eerste lid, onderdeel c voor collectieve installaties moeten worden overlegd. Artikel1.8Weigeringsgronden 1.In aanvulling op artikel 8, eerste lid van de ASA 2023 weigert het college een subsidie te verlenen voor de subsidiabele activiteiten in hoofdstukken 1 tot 4 van deze regeling, indien de aanvrager niet eigenaar is van het verblijfsobject en er gegronde reden is om aan te nemen de eigenaar geen toestemming heeft gegeven voor uitvoering van de subsidiabele activiteiten en er geen vonnis van de kantonrechter is dat de verhuurder op grond van artikel 7:243BW of artikel 7:215BW medewerking met de subsidiabele activiteiten oplegt. 2.In aanvulling op artikel 8, tweede lid van de ASA 2023 kan het college geheel of gedeeltelijk weigeren een subsidie te verlenen voor de subsidiabele activiteiten in hoofdstukken 1 tot 4 van deze regeling als: De kosten voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor een subsidieaanvraag wordt gedaan naar het oordeel van het college niet in redelijke verhouding staan tot het beoogde resultaat; Gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de eigenaar van het vastgoed waarop de aanvraag betrekking heeft zich aan verplichtingen en voorwaarden van deze regeling onttrekt door dochtermaatschappijen, Verenigingen van Eigenaren, huurders of gebruikers te stimuleren om in zijn plaats de subsidie aan te vragen; De activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd niet bijdragen aan de realisatie van het doel van de regeling; Met betrekking tot het onderhavige vastgoed al eerder subsidie is verleend door middel van een incidentele subsidie of op basis één van de volgende subsidieregelingen: Subsidieregeling Nul op de meter Subsidieregeling Amsterdam aardgasloos Subsidieregeling Amsterdam aardgasvrij Subsidieregeling gebiedsgericht aardgasvrij Amsterdam Subsidieregeling duurzame Amsterdamse gebouwen de ondernemer, niet zijnde de woningcorporatie, niet aan de vrijstellingsvoorwaarden van de de-minimisverordening voldoet; een aanvrager voor dezelfde activiteit gelijktijdig subsidie aanvraagt op grond van subsidiabele activiteiten uit twee of meer hoofdstukken van deze regeling waarvan het hoofdstuknummer met 2 of 3 begint; De om te zetten, verwijderen of vervangen ruimteverwarmings- of warmtapwaterinstallatie in de energievraag voorziet doormiddel van onttrekking van warmte aan het stadswarmtenet; er een functionerende collectieve ruimte- en/of tapwaterverwarmingsinstallatie bestaat in een pand met meerdere adressen; de subsidiabele activiteit meer dan 12 maanden voor indiening van de subsidieaanvraag is uitgevoerd. Artikel1.9Aanvullende verplichtingen Naast de verplichtingen op grond van artikelen 9 en 10 van de ASA 2023, zijn aan de subsidie in het kader van hoofdstukken 1 tot 4 van deze regeling de volgende verplichtingen verbonden: De activiteiten dienen binnen één jaar na verleningsbeschikking volledig te zijn uitgevoerd, tenzij in de verleningsbeschikking een andere termijn gesteld wordt. Deze termijn kan door het college op verzoek worden verlengd indien het college dit uitstelverzoek, voorzien van een passende verklaring, binnen de gestelde termijn ontvangt. De subsidieontvanger zal de afsluiting van de gasaansluiting niet ongedaan maken, tenzij dat een voorwaarde was voor het verkrijgen van toestemming voor verwijdering op grond van artikel 7:215BW. Een door de gemeente aangestelde inspecteur wordt op verzoek van die inspecteur in de gelegenheid gesteld de uitgevoerde werkzaamheden ter plaatse te inspecteren. voor zover vereist, het verkrijgen van de vergunningen voor de subsidiabele activiteiten. De woningcorporatie administreert de netto kosten, bedoeld in artikel 5 van het DAEB-vrijstellingsbesluit, die zijn verbonden met de activiteiten bedoeld in artikel 5, op een zodanige wijze dat inzicht kan worden verkregen in de hoogte van deze kosten, zulks afgescheiden van de reguliere bedrijfsvoering, in relatie tot de voor deze activiteiten verstrekte subsidie. In geval van gehuurd vastgoed, dient de verhuurder te borgen dat het voor huurders niet mogelijk is om de woning in de toekomst van aardgas te voorzien. Artikel1.10Verantwoording en vaststelling van de subsidie
  10. In aanvulling op artikel 16 van de ASA 2023 bevat de aanvraag tot subsidievaststelling in het kader van hoofdstukken 1 tot 4 van deze regeling: De betaalde facturen voor de activiteiten, waarop het deel van de kosten die subsidiabel zijn voldoende duidelijk uitgesplitst en aangemerkt zijn; inclusief betaalbewijzen; een overzicht van eventuele andere verleende of vastgestelde subsidies en subsidiebedragen voor dezelfde subsidiabele activiteiten, inclusief kopieën van de genoemde verlenings- en vaststellingsbeschikkingen en indien een lagere vaststelling van een andere verleende subsidie wordt verwacht een onderbouwing van die verwachting; indien er vaststelling wordt gevraagd voor activiteiten met betrekking tot collectieve installaties: een overzicht inclusief bewijzen, waaruit blijkt welk van de verschillende eigenaren en huurders de aanwezige individuele woning gebonden gasaansluiting heeft afgesloten.
  11. Het financieel verslag, dan wel de jaarrekening, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b van de ASA2023, dat onderdeel uitmaakt van een aanvraag tot subsidievaststelling op grond van hoofdstukken 1 tot 4 bevat voor aanvragen door woningcorporaties in ieder geval een overzicht waaruit blijkt welke kosten aan de subsidiabele activiteiten zijn verbonden, dat inzicht verschaft in de hoogte van deze kosten, zulks afgescheiden van de reguliere bedrijfsvoering; Artikel 1.11 Directe vaststelling 1.Subsidies op basis van hoofdstukken 1 tot 4 worden niet direct vastgesteld, tenzij de subsidiabele activiteiten al uitgevoerd zijn.
  12. Artikel 16, eerste lid van de ASA 2023 is van overeenkomstige toepassing op subsidies kleiner of gelijk aan € 20.000 die op grond van hoofdstuk 1 tot 4 van deze regeling zijn verleend.
  13. Artikel 17, tweede en derde lid van de ASA 2023 zijn van overeenkomstige toepassing op subsidies kleiner of gelijk aan € 20.000 die op grond van hoofdstuk 1 tot 4 van deze regeling zijn verleend. Hoofdstuk2Stadsbrede subsidie Artikel2.1Gebiedsbepaling Het gebied waarbinnen subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk, zoals bedoeld in artikel 2.3, plaats dienen te vinden is gelijk aan de gemeentegrenzen van Amsterdam met uitzondering van gebieden die zijn aangewezen in hoofdstukken waarvan het nummer met een 3 begint. Artikel2.2Subsidieplafond
  14. Het subsidieplafond voor de in artikel 2.3, onder a, b en c genoemde activiteiten voor het tijdvak lopende van 31 december 2019 tot en met 31 december 2022 is vastgesteld op €3.000.000,-.
  15. Het subsidieplafond voor de in artikel 2.3, onder d, e en f genoemde activiteiten voor het tijdvak lopende van 31 december 2019 tot en met 31 december 2022 is vastgesteld op €500.000,-. Artikel2.3Subsidiabele activiteiten Het college kan een eenmalige subsidie verlenen voor het, binnen het in artikel 2.1 bepaalde gebied, uitvoeren van de volgende fysieke gebouwgebonden activiteiten: In een bestaande woning of bestaand pand met meerdere woningen, welke daardoor aardgasvrij wordt: De gasgestookte ruimteverwarmingsinstallatie omzetten naar een aardgasvrije ruimteverwarmingsinstallatie; De gasgestookte tapwaterinstallatie omzetten naar een aardgasvrije tapwaterinstallatie; De gasgestookte kookvoorziening omzetten naar aardgasvrije kookvoorziening; Het laten afsluiten van het aardgasnet. Bij een kleinschalige transformatie, waardoor de bij de transformatie gerealiseerde woningen aardgasvrij worden: Realiseren van een aardgasvrije ruimteverwarmingsinstallatie; Realiseren van een aardgasvrije tapwaterinstallatie; Realiseren van een aardgasvrije kookvoorziening. In een pand met meerdere woningen, welke daardoor ten dele aardgasvrij wordt: Een collectieve gasgestookte ruimteverwarmingsinstallatie omzetten naar een aardgasvrije; Een collectieve gasgestookte tapwaterinstallatie omzetten naar een aardgasvrije; Het laten afsluiten van een collectieve aansluiting aan het aardgasnet. In bestaand maatschappelijk vastgoed, welke daardoor aardgasvrij wordt, de gasgestookte ruimte- en/of tapwaterverwarmingsinstallatie omzetten naar een aardgasvrije ruimte- en/of tapwaterverwarmingsinstallatie en/of het door de netbeheerder laten verwijderen van de aardgasaansluiting. In een bestaande bedrijfsruimte, welke daardoor aardgasvrij wordt, de gasgestookte ruimte- en/of tapwaterverwarmingsinstallatie omzetten naar een aardgasvrije ruimte- en/of tapwaterverwarmingsinstallatie en/of het door de netbeheerder laten verwijderen van de aardgasaansluiting. In een bestaande bedrijfsruimte of bestaand maatschappelijk vastgoed, welke daardoor aardgasvrij wordt, omzetten van aardgasverbruikende bedrijfsmiddelen naar bedrijfsmiddelen die dezelfde functie vervullen zonder aardgas te verbruiken. Artikel2.4Hoofdstuk specifieke subsidiabele kosten In afwijking op het bepaalde in artikel 1.5, eerste lid wordt voor activiteiten aan bedrijfsmiddelen, zoals genoemd in artikel 2.3, onderdeel f, het verschil tussen de investeringskosten voor een vervangend aardgas verbruikend bedrijfsmiddel dat de functie van het bestaande bedrijfsmiddel kan vervullen en het duurdere bedrijfsmiddel dat die functie vervult zonder aardgas te verbruiken aangemerkt als subsidiabele kosten. De in de onderdelen van artikel 1.5, tweede lid opgesomde kosten worden niet aangemerkt als subsidiabele kosten. Artikel2.5Hoogte van de subsidie 1.Voor activiteiten zoals bedoeld in artikel 2.3, onderdeel a, geldt dat de subsidie bedraagt de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 1.5, maar niet hoger is dan de volgende maxima: €. 2000,- voor omzetting van de ruimteverwarmingsinstallatie, zoals bedoeld in subonderdeel i; €. 500,- voor omzetting van de tapwaterinstallatie, zoals bedoeld in subonderdeel ii; €. 500,- voor omzetting van de kookvoorziening, zoals bedoeld in subonderdeel iii; de door de netbeheerder in rekening gebrachte kosten tot € 1000,- voor afsluiting van het aardgas, zoals bedoeld subonderdeel iv; 2.Voor activiteiten zoals bedoeld in artikel 2.3, onderdeel b, geldt dat de subsidie bedraagt de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 1.5, maar niet hoger is dan de volgende maxima: €. 2000,- voor realisatie van de ruimteverwarmingsinstallatie, zoals bedoeld in subonderdeel i; €. 500,- voor realisatie van de tapwaterinstallatie, zoals bedoeld in subonderdeel ii; €. 500,- voor realisatie van de kookvoorziening, zoals bedoeld in subonderdeel iii; de door de netbeheerder in rekening gebrachte kosten tot € 1000,- voor afsluiting van het aardgas, zoals bedoeld subonderdeel iv; 3.Voor activiteiten zoals bedoeld in artikel 2.3, onderdeel c, geldt dat: Voor activiteiten in subonderdeel i de subsidie bedraagt de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 1.5, vermenigvuldigd met het aantal aardgasvrije woningen in het pand met meerdere woningen na het uitvoeren van de activiteiten, gedeeld door het aantal woningen in het pand met meerdere woningen dat vóór het uitvoeren van de activiteiten gebruik maakt van de gasgestookte verwarmingsinstallatie, met een maximum van €2000,- per aardgasvrije woning; Voor activiteiten in x de subsidie bedraagt de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 1.5, vermenigvuldigd met het aantal aardgasvrije woningen in het pand met meerdere woningen na het uitvoeren van de activiteiten, gedeeld door het aantal woningen in het pand met meerdere woningen dat vóór het uitvoeren van de activiteiten gebruik maakt van de gasgestookte tapwaterinstallatie met een maximum van €500,- per aardgasvrije woning; Voor activiteiten in subonderdeel iii de subsidie alle door de netbeheerder in rekening gebrachte kosten voor de afsluiting bedraagt. 4.Voor activiteiten, zoals bedoeld in artikel 2.3, onderdeel d, bedraagt de subsidie 50% van de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 1.5, eerste en derde lid, waarbij het laagste van de volgende subsidiebedragen geldt: € 3,- per jaarlijks bespaarde kubieke meter aardgas; en € 60.000,- per verblijfsobject.
  16. Voor activiteiten, zoals bedoeld in artikel 2.3, onderdeel e, bedraagt de subsidie 25% van de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 1.5, eerste en derde lid, waarbij het laagste van de volgende subsidiebedragen geldt: € 3,- per jaarlijks bespaarde kubieke meter aardgas; en € 30.000,- per verblijfsobject.
  17. Voor activiteiten, zoals bedoeld in artikel 2.3, onderdeel f, bedraagt de subsidie 50% van de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 2.4, waarbij een maximum van €1000,- per verblijfsobject geldt. Artikel2.6De aanvrager
  18. Subsidie voor activiteiten genoemd in artikel 2.3, onderdelen a en b kan door een ieder die in Amsterdam minder dan 20 verblijfsobjecten bezit worden aangevraagd.
  19. Subsidie voor activiteiten genoemd in artikel 2.3, onderdeel c, kan uitsluitend worden aangevraagd door de volgende personen: eigenaar van het verblijfsobject, voor zover deze in Amsterdam minder dan 20 verblijfsobjecten bezit; en verenigingen van Eigenaren, een coöperatieve flatvereniging en een ander rechtspersoon met leden waarbij de leden binnen een gebouw van die rechtspersoon gebruik maken van een verblijfsobject.
  20. Subsidie voor activiteiten genoemd in artikel 2.3, onderdelen d, e en f, kan uitsluitend worden aangevraagd door de volgende personen: eigenaar van het verblijfsobject, voor zover deze in Amsterdam minder dan 20 verblijfsobjecten bezit; en verenigingen van Eigenaren en een ander rechtspersoon met leden waarbij de leden binnen een gebouw van die rechtspersoon gebruik maken van een verblijfsobject. Artikel2.7Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens
  21. In aanvulling op artikel 1.7 wordt bij een subsidieaanvraag ten behoeve van het aardgasvrij maken van maatschappelijk vastgoed of een bedrijfsruimte, zoals bedoeld in artikel 2.3, onderdelen d en e, de energierekening van het afgelopen jaar of het jaar daarvoor, voor een periode van maximaal één jaar.
  22. In aanvulling op artikel 1.7 wordt bij een subsidieaanvraag ten behoeve van aardgasvrije bedrijfsmiddelen, zoals bedoeld in artikel 2.3, onderdeel f, een met een recente offerte of unieke productomschrijving onderbouwde raming van de investeringskosten voor een aardgasverbruikend bedrijfsmiddel, dat de functie van het bestaande te vervangen bedrijfsmiddel kan vervullen. Artikel2.8Weigeringsgronden 1.In aanvulling op de in artikel 1.8 genoemde weigeringsgronden weigert het college subsidie voor activiteiten, zoals bedoeld in artikel 2.3, onderdeel e te verlenen indien er voor dezelfde activiteiten ook subsidie aangevraagd is op grond van artikel 2.3, onderdeel d en het college voornemens is de subsidie op grond van artikel 2.3, onderdeel d te verlenen.
  23. In aanvulling op de in artikel 1.8 genoemde weigeringsgronden kan het college subsidie voor activiteiten, zoals bedoeld in artikel 2.3, onderdeel f geheel of gedeeltelijk weigeren te verlenen als de raming van de investeringskosten voor een aardgasverbruikend bedrijfsmiddel niet in redelijke verhouding staat tot de investeringskosten voor het vervangende aardgasvrij bedrijfsmiddel als gevolg van: het niet meerekenen van alle relevante kosten; het selecteren van een aardgasverbruikend bedrijfsmiddel dat aanmerkelijk minder functioneel is dan het vervangende aardgasvrije bedrijfsmiddel; of een nadelig verschil in de technische levensduur tussen het aardgasverbruikend en aardgasvrije bedrijfsmiddel. Artikel2.9Verantwoording en vaststelling van de subsidie [vervallen] Hoofdstuk 3 Warm Amsterdam Artikel 3.1 Gebiedsbepaling
  24. De subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 3.3 vinden plaats in de volgende deelgebieden, zoals omschreven in bijlage I: Tranche A, bestaande uit: Buurt 5 Zuid (Confuciusbuurt); Hakfoort-Huigenbos; K-buurt midden; en Wildemanbuurt;
  25. [vervallen] Artikel 3.2Subsidieplafond Het subsidieplafond voor de in artikel 3.3 genoemde activiteiten is gedurende de periode tussen 25 mei 2022 en 31 december 2026 vastgesteld op € 12.000.
  26. Artikel 3.3Subsidiabele activiteiten Het college kan een eenmalige subsidie verlenen voor het in het in artikel 3.1 bepaalde gebied uitvoeren van de volgende fysieke gebouwgebonden activiteiten: in een bestaande woning, welke daardoor aardgasvrij wordt: omzetten van de aardgasgestookte ruimteverwarmingsinstallatie naar een installatie die in de warmtevraag voorziet door middel van onttrekking van warmte aan het stadswarmtenet; en/of omzetten van de aardgasgestookte tapwaterinstallatie naar een installatie die in haar warmtevraag voorziet door middel van onttrekking van warmte aan het stadswarmtenet; en/of omzetten van de aardgasgestookte kookvoorziening naar een aardgasvrije kookvoorziening; in een pand met meerdere woningen, welke daardoor ten dele aardgasvrij wordt: omzetten van een collectieve gasgestookte ruimteverwarmingsinstallatie naar een installatie die in de warmtevraag voorziet door middel van onttrekking van warmte aan het stadswarmtenet; en/of omzetten van een collectieve gasgestookte tapwaterinstallatie naar een installatie die in de warmtevraag voorziet door middel van onttrekking van warmte aan het stadswarmtenet; Artikel 3.3a Opt-out Tot 31 december 2025 kan het college bij subsidieaanvragen op grond van dit hoofdstuk, zolang het verblijfsobject daardoor wel aardgasvrij wordt, ook subsidie verlenen als de vervangende ruimteverwarmingsinstallatie of tapwaterinstallatie, zoals bedoeld in artikel 3.3, onderdelen a en b, subonderdelen i en ii, in de warmtevraag voorziet op een andere manier dan onttrekking van warmte aan het stadswarmtenet. Het plaatsen van elektrische CV-ketels, elektrische doorstroomverwarmers en andere vormen van elektrische weerstandsverwarming, niet zijnde warmtepompen, infraroodpanelen of boilers met een buffervat van tenminste 10 liter, is uitgesloten van subsidie op grond van dit hoofdstuk. Artikel3.4 Hoogte van de subsidie
  27. Voor de in artikel 3.1, eerste lid omschreven deelgebieden gelden de volgende deelgebied specifieke maximale subsidiebedragen per aardgasvrije woning: €4.300,- binnen het deelgebied Tranche A, zoals bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdeel a;
  28. Voor de volgende activiteiten uit artikel 3.3, onderdeel a gelden de volgende voor die activiteit specifieke subsidiebedragen: voor activiteiten omschreven in subonderdeel i geldt dat deze gelijk is aan het voor het deelgebied waarin de activiteit plaatsvindt geldende specifieke maximale subsidiebedrag per aardgasvrij woning, zoals bepaald in het eerste lid; voor activiteiten omschreven in subonderdeel ii bedraagt de hoogte van de subsidiabele kosten, daarbij geldt een maximum van € 1.000,- per aardgasvrije woning; voor activiteiten omschreven in subonderdeel iii bedraagt de hoogte van de subsidiabele kosten, daarbij geldt een maximum van € 500,- per aardgasvrije woning.
  29. Voor de activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3.3, onderdeel b geldt dat: de subsidie voor activiteiten onder i gelijk is aan het voor het deelgebied waarin de activiteit plaatsvindt geldende specifieke maximale subsidiebedrag per aardgasvrij woning, zoals bepaald in het eerste lid; voor activiteiten onder ii bedraagt de subsidie de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 1.5, vermenigvuldigd met het aantal aardgasvrije woningen in het pand met meerdere woningen na het uitvoeren van de activiteiten, gedeeld door het aantal woningen in het pand met meerdere woningen dat vóór het uitvoeren van de activiteiten gebruik maakt van de gasgestookte tapwaterinstallatie, daarbij geldt een maximum van € 1.000,- per aardgasvrije woning.
  30. Activiteit specifieke maximale subsidiebedragen, zoals bedoeld in het tweede en derde lid, leiden in geen geval tot een subsidie per woning die hoger is dan het deelgebied specifieke subsidiebedrag per woning, zoals bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.5 De aanvrager De subsidie op grond van dit hoofdstuk is uitsluitend aan te vragen door: eigenaren; en verenigingen van eigenaren en andere rechtspersonen met leden waarbij het gebouw in eigendom van die rechtspersoon is en de leden een exclusief en verhandelbaar recht hebben tot bewoning van woningen in dat gebouw, zoals coöperatieve flatverenigingen. Artikel 3.7 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens [vervallen] Artikel 3.8 Weigeringsgronden [vervallen] Artikel 3.9 Verantwoording en vaststelling van de subsidie [vervallen] Hoofdstuk 3a Techniekneutraal gebied Artikel 3a.1 Gebiedsbepaling
  31. Het gebied waarbinnen de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk, zoals bedoeld in artikel 3a.3, plaats dienen te vinden bestaat uit de volgende in bijlage III omschreven deelgebieden: Bernard Loderbuurt; Reimerswaalbuurt; Banne Noord; Molenwijk; Gentiaanbuurt; Wildemanbuurt.
  32. [vervallen] Artikel 3a.2 Subsidieplafonds Voor de deelgebieden zoals opgesomd in de onderdelen van artikel 3a.1, gelden de volgende subsidieplafonds voor subsidiabele activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3a.3, die plaatsvinden aan vastgoed dat is gelegen in die deelgebieden: Bernard Loderbuurt € 1.450.000 tussen 2 juni 2020 tot en met 31 december 2025; Reimerswaalbuurt € 2.077.000 tussen 2 juni 2020 tot en met 31 december 2025; Banne Noord € 790.000 tussen 18 december 2021 en 31 december 2025; Molenwijk € 3.600.000 tussen 25 februari 2022 en 31 december 2026; Gentiaanbuurt € 1.731.000 tussen 1 maart 2022 en 31 december 2026; Wildemanbuurt €2.823.000 tussen 31 december 2019 en 31 december
  33. Artikel 3a.3 Subsidiabele activiteiten Het college kan een eenmalige subsidie verlenen voor het binnen één van de in de onderdelen van artikel 3a.1, eerste lid bepaalde deelgebieden, uitvoeren van de volgende fysieke gebouwgebonden activiteiten: in een bestaande woning, welke daardoor aardgasvrij wordt: omzetten van de aardgasgestookte ruimteverwarmingsinstallatie naar een aardgasvrije; en/of omzetten van de aardgasgestookte tapwaterinstallatie naar een aardgasvrije; en/of omzetten van de aardgasgestookte kookvoorziening naar een aardgasvrije kookvoorziening; en/of verwijderen van de gasaansluiting door de netbeheerder. in een bestaand pand met meerdere woningen, welke daardoor ten dele aardgasvrij wordt: omzetten van een collectieve aardgasgestookte ruimteverwarmingsinstallatie naar een aardgasvrije collectieve installatie; en/of omzetten van de aardgasgestookte tapwaterinstallatie naar een aardgasvrije; en/of verwijderen van de collectieve gasaansluiting door de netbeheerder. Artikel 3a.5 Hoogte van de subsidie
  34. Voor activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3a.3, onderdeel a, subonderdelen i en ii aan een woning komt 50% van de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 1.5, in aanmerking voor subsidie, daarbij gelden voor de combinatie van deze activiteiten of voor één activiteit afzonderlijk, afhankelijk van het deelgebied waarin die woning is gelegen, de volgende maximum subsidiebedragen per aardgasvrije woning: Bernard Loderbuurt € 4500,-; Reimerswaalbuurt € 4500,-; Banne Noord € 3750,-; Molenwijk € 4500,-; Gentiaanbuurt € 4500,-; Wildemanbuurt € 3000,-.
  35. Voor activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3a.3, onderdeel a, subonderdeel iii aan een woning komt 50% van de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 1.5, in aanmerking voor subsidie, daarbij geldt een maximum subsidiebedrag van €500,- per woning.
  36. Voor activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3a.3, onderdeel a, subonderdeel iv en onderdeel b, subonderdeel iii geldt dat de hoogte van de subsidie gelijk is aan de kosten die door de netbeheerder in rekening worden gebracht voor het verwijderen van de gasaansluiting, maar in ieder geval niet hoger is dan € 1000,- per aansluiting.
  37. Voor activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3a.3, onderdeel b, geldt dat: voor activiteiten in subonderdeel i de subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 1.5, vermenigvuldigd met het aantal aardgasvrije woningen in het pand met meerdere woningen na het uitvoeren van de activiteiten, gedeeld door het aantal woningen in het pand met meerdere woningen dat vóór het uitvoeren van de activiteiten gebruik maakt van de gasgestookte verwarmingsinstallatie, met een maximum per aardgasvrije woning dat € 500,- lager is dan voor woningen in hetzelfde gebied geldt op grond van artikel 3a.5, eerste lid. voor activiteiten in subonderdeel ii de subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 1.5, vermenigvuldigd met het aantal aardgasvrije woningen in het pand met meerdere woningen na het uitvoeren van de activiteiten, gedeeld door het aantal woningen in het pand met meerdere woningen dat vóór uitvoeren van de activiteiten gebruik maakt van de gasgestookte verwarmingsinstallatie, met een maximum van € 500,- per aardgasvrije woning. Artikel 3a.4 Deelgebied specifieke bepalingen over subsidiabele kosten
  38. In aanvulling op de in artikel 1.5, eerste lid omschreven kosten, worden kosten aan woningen in het deelgebied Gentiaanbuurt, zoals omschreven bijlage II, onderdeel e, die aan alle van de volgende criteria voldoen aangemerkt als subsidiabele kosten: gemaakt na 31 juni 2021 en gemaakt voor de aanvraagdatum van de subsidie; gemaakt door de aanvrager van de subsidie; de uitvoeringsdatum buiten beschouwing latende, aan te merken zijn als een onderdeel van subsidiabele kosten die gemaakt zijn om in een woning gelegen in het in artikel 3e.1, eerste lid bepaalde gebied de gasgestookte ruimteverwarmings- en tapwaterinstallatie om te zetten naar een aardgasvrije door middel van een aansluiting op het stadswarmtenet; eerder dan de aanvraagdatum zijn gemaakt, omdat ze voor activiteiten zijn die om bouwtechnische of daarmee samenhangende financiële redenen in combinatie met een renovatie uitgevoerd moesten worden. zijn niet in de onderdelen van artikel 1.5, tweede lid opgesomd.
  39. In aanvulling op de in artikel 1.5, eerste lid genoemde subsidiabele kosten worden kosten voor de uitvoering van subsidiabele activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3a.3, aan woningen in het deelgebied Wildemanbuurt, zoals omschreven in bijlage II, onderdeel f, in andere woningen of panden met meerdere woningen van dezelfde eigenaar aan vastgoed in datzelfde deelgebied in aanmerking voor subsidie, voor zover: die andere woningen of panden met meerdere woningen ook aardgasvrij worden; die kosten hoger zijn dan het maximum subsidiebedrag dat op grond van dit hoofdstuk voor die activiteit geldt. Artikel 3a.6 Deelgebied specifieke bepalingen over in te dienen gegevens In aanvulling op de in artikel 1.7 genoemde gegevens en stukken wordt bij een subsidieaanvraag waar op grond van artikel 3a.5, eerste lid subsidiabele kosten worden opgevoerd de volgende gegevens en stukken ingediend: facturen voor de activiteiten waarvoor deze kosten zijn gemaakt, waarop de subsidiabele kosten voldoende duidelijk zijn uitgesplitst en aangemerkt, inclusief betaalbewijzen; een schriftelijke toelichting die de volgende zaken omschrijft: de activiteiten die tegen deze kosten zijn uitgevoerd; de aard en omvang van de renovatie aan de woning; bouwtechnische en daarmee samenhangende financiële redenen dat de uitvoering van de activiteiten die tot deze kosten hebben geleid in combinatie met een renovatie uitgevoerd moest worden. Hoofdstuk 3b Lokale bronnetten Artikel 3b.1 Gebieds- en bronbepaling
  40. Het gebied waarbinnen de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk, zoals bedoeld in artikel 3b.3, plaats dienen te vinden bestaat uit de volgende in bijlage IV omschreven deelgebieden: Buikslotermeer Noord
  41. Voor de deelgebieden, zoals opgesomd in de onderdelen van het vorige lid, worden respectievelijk volgende lokale bronnetten aangewezen: het lokale bronnet dat geëxploiteerd wordt door Warmtenetwerk Buikslotermeer BV en verbonden is aan de warmtewisselaar die gelegen is nabij de H.Cleyndertweg en warmte onttrekt aan de rioolpersleiding die evenwijdig aan de Nieuwe Leeuwarderweg (S116) ligt. Artikel 3b.1a Hoofdstuk specifieke definities In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.1 wordt in dit hoofdstuk verstaan onder: aardgasarm: een verblijfsobject waar: individuele verblijfsobjectgebonden voor ruimte- of waterverwarming bedoelde installaties geen gebruik maken van aardgas, uitgezonderd groen gas; gekookt wordt zonder fossiele brandstof op een manier die niet meer fijnstofuitstoot veroorzaakt dan aardgas; geen individuele verblijfsobjectgebonden gasaansluiting aan het door de netbeheerder beheerde aardgasnet aanwezig is; en collectieve gebouwgebonden voor ruimte- of waterverwarming bedoelde installaties behalve tijdens piek- of storingsmomenten, geen gebruik maken van aardgas, uitgezonderd groen gas. aardgasarm-quotiënt: een getal tussen de 0 en 1, dat uitdrukking geeft aan het aandeel van de jaarlijkse warmtevraag van de aan een collectieve ruimte- en/of tapverwarmingsinstallatie aangesloten woningen en/of wooncomplex die als gevolg van de subsidiabele activiteiten aardgasarm worden in de gehele warmtevraag van de aan die installatie aangesloten woningen en/of wooncomplexen; piek- of storingsmomenten: momenten waarop de capaciteit van het lokale bronnet en de bijbehorende installaties om warmte voor gebruik in het vastgoed af te leveren onvoldoende is om in de warmtevraag van het vastgoed te voorzien; warmtevraag: de hoeveelheid energie, uitgedrukt in Joules per jaar, die nodig is om de door de gebruiker van een verblijfsobject gevraagde warmtebehoefte te voorzien; wooncomplex: een verblijfsobject met meerdere onzelfstandige woonruimten. Artikel 3b.2 Subsidieplafonds Voor de deelgebieden, zoals opgesomd in de onderdelen van artikel 3b.1, eerste lid, gelden de volgende subsidieplafonds voor subsidiabele activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3b.3, die plaatsvinden aan vastgoed dat is gelegen in die deelgebieden: Buikslotermeer Noord € 1.364.365,- tussen de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit SDAG Lokale bronnetten I tot en met 31 december
  42. Artikel 3b.3 Subsidiabele activiteiten
  43. Het college kan een eenmalige subsidie verlenen voor het binnen één van de in de onderdelen van artikel 3b.1, eerste lid bepaalde deelgebieden, in een bestaande woning of wooncomplex uitvoeren van de volgende fysieke gebouwgebonden activiteiten, die ertoe leiden dat deze aardgasarm worden: het uitbreiden of vervangen van een ruimteverwarmingsinstallatie met een installatie die door middel van onttrekking van warmte aan het lokale bronnet, zoals bedoeld in artikel 3b.1, tweede lid, afgezien van piek- of storingsmomenten in de gehele warmtevraag voor ruimteverwarming voorziet; en/of het uitbreiden of vervangen van een tapwaterverwarmingsinstallatie met een installatie die door middel van onttrekking van warmte aan het lokale bronnet, zoals bedoeld in artikel 3b.1, tweede lid, afgezien van piek- of storingsmomenten in de gehele warmtevraag voor tapwater voorziet; en/of omzetten van de aardgasgestookte kookvoorziening naar een aardgasvrije kookvoorziening; en/of verwijderen van de gasaansluiting door de netbeheerder.
  44. Het college kan een eenmalige subsidie verlenen voor het binnen één van de in de onderdelen van artikel 3b.1, eerste lid bepaalde deelgebieden, in een pand met meerdere woningen en/of meerdere wooncomplexen uitvoeren van de volgende fysieke gebouwgebonden activiteiten, die ertoe leiden dat een deel van de woningen en/of wooncomplexen in het pand aardgasarm wordt: het uitbreiden of vervangen van een collectieve ruimteverwarmingsinstallatie met een installatie die door middel van onttrekking van warmte aan het lokale bronnet, zoals bedoeld in artikel 3b.1, tweede lid, afgezien van piek- of storingsmomenten in de gehele warmtevraag voor ruimteverwarming voor de aangesloten verblijfsobjecten voorziet; en/of het uitbreiden of vervangen van een collectieve tapwaterverwarmingsinstallatie met een installatie die door middel van onttrekking van warmte aan het lokale bronnet, zoals bedoeld in artikel 3b.1, tweede lid, afgezien van piek- of storingsmomenten in de gehele warmtevraag voor tapwaterverwarming voor de aangesloten verblijfsobjecten voorziet; en/of verwijderen van de collectieve gasaansluiting door de netbeheerder. Artikel 3b.4 Hoogte van de subsidie
  45. Voor activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3b.3, eerste lid, onderdelen a en b, aan een woning komt 50% van de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 1.5, in aanmerking voor subsidie. Daarbij gelden voor de combinatie van deze activiteiten, afhankelijk van het deelgebied waarin die woning is gelegen, de volgende maximum subsidiebedragen per aardgasvrije woning: Buikslotermeer Noord € 4.500,-;
  46. Voor activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3b.3, eerste lid, onderdelen a en b aan een wooncomplex komt 50%, van de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 1.5, in aanmerking voor subsidie. Daarbij gelden voor de combinatie van deze activiteiten, afhankelijk van het deelgebied waarin het wooncomplex is gelegen de volgende maximum subsidiebedragen per jaarlijks gebruikte kubieke meter aardgas voordat de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd: Buikslotermeer Noord € 4,50;
  47. Voor activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3b.3, eerste lid onderdeel c, aan een woning of wooncomplex komt 50% van de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 1.5, in aanmerking voor subsidie, daarbij geldt een maximum subsidiebedrag van €500,- per woning of wooncomplex.
  48. Voor activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3b.3, eerste lid, onderdeel d en tweede lid, onderdeel c geldt dat de hoogte van de subsidie gelijk is aan de kosten die door de netbeheerder in rekening worden gebracht voor het verwijderen van de gasaansluiting, maar in ieder geval niet hoger is dan € 1000,- per aansluiting.
  49. Voor activiteiten aan een collectieve installatie van een pand met meerdere woningen en/of wooncomplexen, zoals bedoeld in artikel 3b.3, tweede lid, onderdelen a en b geldt dat voor een combinatie van deze activiteiten de subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 1.5 vermenigvuldigd met het aardgasarm-quotiënt. Deze subsidie is niet hoger dan de som van: het voor woningen in hetzelfde gebied op grond van het eerste lid bepaalde maximum per woning vermenigvuldigt met het aantal woningen dat door de activiteiten aardgasarm wordt; en het voor de wooncomplexen in hetzelfde gebied op grond van tweede lid bepaalde maximum per jaarlijks gebruikte kubieke meter aardgas vermenigvuldigd met het aantal kubieke meters aardgas dat voordat de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd door de complexen die aardgasarm worden wordt gebruikt. Zowel het aardgasgebruik in die complexen als het aardgasverbruik ten behoeve van die complexen door de collectieve installatie worden meegenomen in dat aantal kubieke meters.
  50. Indien de activiteiten aan een ruimteverwarmingsinstallatie of tapwaterinstallatie, zoals bedoeld in artikel 3b.3, eerste lid, onderdelen a of b aan een woning of wooncomplex of een collectieve ruimteverwarmingsinstallatie of tapwaterinstallatie, zoals bedoeld in artikel 3b.3, tweede lid, onderdelen a en b niet gecombineerd worden uitgevoerd bedraagt de subsidie niet meer dan het volgende deel van het voor dat deelgebied genoemde maximum voor de combinatie van die activiteiten, zoals genoemd in het eerste en tweede lid voor respectievelijk woningen en wooncomplexen: ruimteverwarmingsinstallatie twee derde deel; of ruimteverwarmingsinstallatie twee derde deel; of Artikel 3b.5 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens In aanvulling op artikel 1.7 worden bij de subsidieaanvraag voor activiteiten met betrekking tot een wooncomplex de volgende documenten en gegevens ingediend: een omschrijving of tekeningen van het complex dat de volgende zaken inzichtelijk maakt: hoeveel onzelfstandig woonruimtes onderdeel zijn van het wooncomplex; hoe de onzelfstandige woonruimtes worden verwarmd; hoe de onzelfstandige woonruimtes van warm water worden voorzien; hoe de onzelfstandige woonruimtes van een kookvoorzieningen worden voorzien; en door middel van welke gasaansluitingen de onzelfstandige woonruimtes van gas worden voorzien. de, indien noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag een van toelichting voorziene, energierekening of energierekeningen van het afgelopen jaar of het jaar ervoor voor het wooncomplex waar het jaarlijks gasverbruik van het wooncomplex uit blijkt . Artikel 3b.6 Hoofdstuk specifieke aanvullende voorwaarden In aanvulling op artikel 1.9, zijn aan de subsidie in het kader van dit hoofdstuk de volgende verplichting verbonden: de aanvrager voorziet in geen van de vijf jaren na de vaststelling van de subsidie in meer dan 25% van de totale warmtevraag voor ruimteverwarming en warm tapwater van een op grond van dit hoofdstuk gesubsidieerd verblijfsobject door middel van de verbranding van aardgas in de aanwezige inpandige gasverbrandingsinstallaties, tenzij deze overschrijding in de daaropvolgende jaren wordt gecompenseerd door een lager aandeel van gasverbranding in de totale warmtevraag. De aanvrager maakt schriftelijk met een brief aan het college van B&W of een email naar aardgasvrij@amsterdam.nl melding van een overschrijding van het in onderdeel a genoemde aandeel van warmte uit gasverbranding in de totale warmtevraag en beschrijft bij die melding hoe beoogd wordt deze overschrijding terug te dringen. Hoofdstuk 5 Duurzame nieuwbouw Artikel 5.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: ASA 2023: Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2023; Buiksloterham: Het plangebied van de investeringsnota Buiksloterham 2020, zoals dat gedefinieerd is in afbeelding 1.2.1 op pagina 7 van de Investeringsnota Buiksloterham 2020, zoals deze op 12 november 2020 als bijlage A in het Gemeenteblad, afdeling 3A, onder nummer 189 / 1195 is gepubliceerd. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam; DAEB-vrijstellingsbesluit: het Besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011, betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor openbare dienst, verleend aan bepaalde, met beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PbEU C9380)), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; energielabel: een in de officiële landelijke database, EP-online.nl, opgenomen registratie van de energieprestaties van een gebouw, zoals bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van het besluit energieprestatie gebouwen; energieneutrale woning: een woning met een, volgens NTA 8800 bepaalde, energiebehoefte van maximaal 60 kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar, een primair fossiel energieverbruik van maximaal 0 kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar, een aandeel hernieuwbare energie van minimaal 100%; gebied: Een door denkbeeldige lijnen begrensd deel van grondgebied van de gemeente Amsterdam; gebruiksoppervlak: Het op basis van NEN 2580 bepaalde nuttig bruikbare oppervlak van een verblijfsobject; milieuprestatiegebouwwaarde: een getal dat uitdrukking geeft aan de milieukosten van een gebouw en dat berekend is volgens de Bepalingsmethode Milieuprestaties Bouwwerken, zoals deze, op basis van de EN15804/A2 en EN15978 normen, is opgesteld door de Stichting Bouwkwaliteit. Daarbij geldt dat bij het berekenen van deze waarde alleen die zonnepanelen meetellen, die op het moment van de aanvraag van de omgevingsvergunning nodig zijn om de voor vergunningverlening vereiste energieprestaties te behalen. nieuwbouw: een bouwwerk of plan om een bouwwerk te realiseren waarvoor nog geen melding of kennisgeving van de gereedkomen van bouw, zoals genoemd in artikel 7, lid g van het Besluit basisregistratie adressen en gebouwen en vereist volgens artikel 1.25, lid 2 van het Bouwbesluit 2012 is gedaan; nul-op-de-meter woning: een woning met een, volgens NTA 8800 bepaalde, energiebehoefte van maximaal 60 kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar, een primair fossiel energieverbruik van maximaal -15 kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar, een aandeel hernieuwbare energie van minimaal 135%; sociale huurwoning: een woning die wordt verhuurd door een in Amsterdam toegelaten woningcorporatie, waarvoor geldt dat de netto huurprijs onder de liberaliseringsgrens ligt; Strandeiland: Het gehele plangebied van de grondexploitatie Inrichting 1 fase Strandeiland, zoals weergeven in de investeringsnota Inrichting 1e fase Strandeiland, vastgesteld op vaststelling raad 7 november 2019, gepubliceerd in het Gemeenteblad, afdeling 3a, onder nummer 280 / 1835; verblijfsobject: kleinste binnen één of meer panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige, of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is, zoals bedoeld in artikel 1, lid m van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen; voedselvermalersysteem: versnijdende en vermalende apparatuur in de woning en de bijbehorende transport-, bewerkings- en opslaginstallatie, die de inzameling of het hergebruik van groente- fruit- en andere etensresten faciliteert. Het systeem voorkomt lozing, zoals bedoeld in artikel 6 en artikel 1, onderdeel c van het Besluit lozing afvalwater huishoudens; woning: een adresseerbaar verblijfsobject dat in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen geregistreerd zal kunnen worden met het gebruiksdoel woonfunctie; woningcorporatie: Toegelaten instellingen zoals bedoeld in artikel 19 van de Woningwet en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting
  51. Artikel 5.2 Toepasselijkheid ASA 2023 De ASA 2023 is van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij daarvan in dit hoofdstuk uitdrukkelijk van wordt afgeweken. Artikel5.3 Doel van in het hoofdstuk omschreven subsidie Het doel van dit hoofdstuk is het in specifieke gebieden stimuleren van de realisatie van duurzame sociale nieuwbouw die bijzonder gunstige eigenschappen heeft qua energiehuishouding en een bijzonder lage milieubelasting tot gevolg heeft. Artikel5.4 Europees kader bij subsidie aan woningcorporaties Voor zover een woningcorporatie activiteiten uitvoert die op grond van dit hoofdstuk voor subsidie in aanmerking komen, betreffen het Diensten van Algemeen Economisch belang als bedoeld in artikel 47 van de Woningwet. Het betreft een additionele, specifieke vergoeding in aanvulling op de compensatie die is genoemd in het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting
  52. Artikel 5.5 Subsidiabele activiteiten
  53. Het college kan een eenmalige subsidie verlenen voor het binnen het gebied Buiksloterham treffen van de volgende maatregelen aan een nieuwbouw sociale huurwoning: de woning op een zodanige manier realiseren dat deze een milieuprestatiegebouwwaarde kleiner of gelijk aan 0,5 heeft en energieneutraal is; of de woning op een zodanige manier realiseren dat deze een milieuprestatiegebouwwaarde kleiner of gelijk aan 0,5 heeft en nul-op-de meter is; en in aanvulling op de in onderdeel a of b genoemde maatregelen in de woning een voedselvermalersysteem toepassen zolang deze woning gerealiseerd wordt binnen de kavels met nummers 18, 19 en 39, zoals bepaald op pagina 10 van de investeringsnota Buiksloterham
  54. Het college kan een eenmalige subsidie verlenen voor het binnen het gebied Strandeiland realiseren van een nieuwbouw sociale huurwoning op een zodanige manier dat deze een milieuprestatiegebouwwaarde van kleiner of gelijk aan 0,5 heeft en nul-op-de-meter is. Artikel5.6 Hoogte van de subsidie
  55. De hoogte van de te verlenen maximale subsidie op grond van dit hoofdstuk is als volgt: Voor het op een zodanige manier realiseren van een woning dat deze een milieuprestatiegebouwwaarde kleiner of gelijk aan 0,5 heeft en energieneutraal is, zoals bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, onderdeel a, geldt dat de subsidie € 76,- per vierkante meter gebruiksoppervlak van de woning bedraagt met een maximum van € 7600,- per woning; Voor op een zodanige manier realiseren van woning dat deze een milieuprestatiegebouwwaarde kleiner of gelijk aan 0,5 heeft en nul-op-de-meter is, zoals bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, onderdeel b en artikel 5.5, tweede lid, geldt dat de subsidie € 103,- per vierkante meter gebruiksoppervlak van de woning bedraagt met een maximum van € 10300,- per woning; Voor het toepassen van een voedselvermalersysteem, zoals bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, onderdeel c geldt dat de subsidie maximaal € 750,- per woning bedraagt;
  56. De hoogte van de vast te stellen subsidie op grond van dit hoofdstuk is als volgt: de in het eerste lid, onder a, b en c genoemde bedragen zijn van toepassing, maar 70% van het subsidiebedrag van andere verleende of vastgestelde subsidies voor de subsidiabele activiteiten wordt in mindering gebracht op de hoogte van de subsidie. Indien aannemelijk is dat een andere verleende subsidie lager vastgesteld zal worden brengt het college het verwachte lagere bedrag voor 70% in mindering in de plaats van het verleende bedrag; de subsidie is niet hoger dan de, met andere voor de subsidiabele activiteiten verleende of vastgestelde subsidies verminderde, daadwerkelijk gemaakte kosten voor het realiseren van de subsidiabele activiteiten. Indien aannemelijk is dat een andere verleende subsidie lager vastgesteld zal worden brengt het college het verwachte lagere bedrag in mindering in de plaats van het verleende bedrag. Artikel 5.8 Subsidieplafond
  57. Het subsidieplafond voor activiteiten binnen het gebied Buiksloterham, zoals bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, is vastgesteld op €7.500.000,-; en
  58. Het subsidieplafond voor activiteiten binnen het gebied Strandeiland, zoals bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, is vastgesteld op €6.400.000,-. Artikel 5.8a Volgorde behandeling aanvragen Subsidieaanvragen op grond van dit hoofdstuk worden in behandeling genomen in de volgorde van ontvangst daarvan. Als tijdstip van indiening geldt daarbij het moment waarop de aanvraag compleet is. Artikel 5.9 De aanvrager De subsidie in dit hoofdstuk kan uitsluitend worden aangevraagd door woningcorporaties. Artikel5.10 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens
  59. In aanvulling op artikel 6, tweede lid van de ASA 2023 worden bij de subsidieaanvraag op basis van dit hoofdstuk de volgende gegevens en stukken overlegd: een schriftelijke verklaring of andere documenten waaruit blijkt welke, conform NTA8800 te bepalen, energieprestaties voor de woning beoogd is, waarbij de volgende waarden expliciet benoemd worden: de maximale energiebehoefte in kWh per m² per jaar; het primair fossiel energiegebruik in kWh per m² per jaar; en het aandeel (%) hernieuwbare energie; een schriftelijke verklaring of andere documenten waaruit blijkt welke milieuprestatiegebouwwaarde beoogd is voor de woning; indien subsidie wordt aangevraagd voor het toepassen van een voedselvermalersysteem: een schriftelijke verklaring of andere documenten waaruit blijkt dat beoogd is een voedselvermalersysteem toe passen in de woning.
  60. De beschrijving van activiteiten, zoals genoemd in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, aanhef en subonderdeel i bevat bij een subsidieaanvraag op basis van dit hoofdstuk in ieder geval: een overzicht met een weergave van de namen en KvK-nummers van en opdrachtgeversrelaties tussen de beoogde partijen, die in opdracht van de aanvrager, de subsidiabele nieuwbouw zullen bouwen; en de naam van het projectgebied en de kavelnummers waarbinnen de subsidiabele nieuwbouw gerealiseerd zal worden; het aantal woningen waar de subsidiabele activiteiten in uitgevoerd zullen worden; het gebruiksoppervlak van de woningen waar de subsidiabele activiteiten uitgevoerd zullen worden; voor elk van woningen waar de subsidiabele activiteiten uitgevoerd zullen worden de datum waarop de start van de bouw plaatsvind of heeft plaatsgevonden. Artikel 5.11 Weigeringsgronden 1.In aanvulling op artikel 8, eerste lid van de ASA 2023 weigert het college een subsidie te verlenen voor de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk, indien: de aanvraag voor subsidieverlening later dan 6 maanden na de start van de bouw van de nieuwbouw waarop de aanvraag betrekking heeft is ingediend; de aanvraag voor subsidie ontvangen is na 31 december 2027; er voor 10 november 2020 afspraken met de gemeente Amsterdam met betrekking tot de realisatie van gebouwen op het kavel waar de beoogde gebouwen gerealiseerd zullen worden bestonden; 2.In aanvulling op artikel 8, tweede lid van de ASA 2023 kan het college geheel of gedeeltelijk weigeren een subsidie te verlenen voor de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk, indien: er vóór de subsidieaanvraag schriftelijk vastgelegde afspraken bestaan tussen de gemeente en derden, waaronder begrepen projectontwikkelaars, bouwers, eigenaren en erfpachtgerechtigden, allen niet zijnde de subsidieaanvrager, over het realiseren van de in artikel 5.5 gestelde vereisten aan de nieuwbouw waarop de aanvraag betrekking heeft; de subsidieaanvraag de maximale subsidiehoogte overschrijdt; de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd niet bijdragen aan de realisatie van het doel van dit hoofdstuk. Artikel5.12Aanvullende verplichtingen subsidieverlening Naast de verplichtingen op grond van artikelen 9 en 10 van de ASA 2023, zijn aan de subsidie op grond van dit hoofdstuk de volgende verplichtingen verbonden: de start van de bouw van de gesubsidieerde nieuwbouw dient uiterlijk binnen 12 maanden na de datum van de verleningsbeschikking te zijn begonnen, tenzij in de verleningsbeschikking een andere termijn gesteld wordt. Deze termijn kan door het college op verzoek worden verlengd indien het college dit uitstelverzoek, voorzien van een onderbouwing, vóór het verstrijken van de voor start van de bouw gestelde termijn ontvangt. de oplevering van de gesubsidieerde nieuwbouw, zoals bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit energieprestaties gebouwen, dient uiterlijk binnen 36 maanden na datum van de verleningsbeschikking te hebben plaatsgevonden, tenzij in de verleningsbeschikking een andere termijn gesteld wordt. Deze termijn kan door het college op verzoek worden verlengd indien het college dit uitstelverzoek, voorzien van een onderbouwing, vóór het verstrijken van de voor oplevering gestelde termijn ontvangt. een door de gemeente aangestelde inspecteur wordt op verzoek van die inspecteur in de gelegenheid gesteld de uitgevoerde werkzaamheden ter plaatse te inspecteren. de woningcorporatie administreert de netto kosten, bedoeld in artikel 5 van het DAEB-vrijstellingsbesluit, die zijn verbonden met de activiteiten bedoeld in artikel 5, op een zodanige wijze dat inzicht kan worden verkregen in de hoogte van deze kosten, zulks afgescheiden van de reguliere bedrijfsvoering, in relatie tot de voor deze activiteiten verstrekte subsidie. het energielabel voor de gesubsidieerde nieuwbouw bevat tenminste een de berekende energiebehoefte in, kWh per m2 per jaar, het berekende primair fossiel energiegebruik in kWh per m2 per jaar en het berekende aandeel hernieuwbare energie in procenten. de aanvrager administreert alle informatie met betrekking tot de daadwerkelijk toegepaste materialen die nodig is om de milieuprestatiegebouwwaarde van het gerealiseerde gebouw te kunnen bepalen. Artikel 5.13Verantwoording van de subsidie 1.Het activiteitenverslag, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a van de ASA 2023 bevat voor subsidies op grond van dit hoofdstuk in ieder geval een overzicht waaruit voor ieder van de gesubsidieerde nieuwbouwverblijfsobjecten blijkt: de postcode, het huisnummer en de huisnummertoevoeging; de milieuprestatiegebouwwaarde; het aantal vierkante meter gebruiksoppervlak. 2.Het financieel verslag, dan wel de jaarrekening, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, dat onderdeel uitmaakt van een aanvraag tot subsidievaststelling op grond van dit hoofdstuk bevat in ieder geval: een overzicht waaruit blijkt welke kosten aan de subsidiabele activiteiten zijn verbonden, dat inzicht verschaft in de hoogte van deze kosten, zulks afgescheiden van de reguliere bedrijfsvoering; en een overzicht van eventuele andere verleende of vastgestelde subsidies en subsidiebedragen voor dezelfde subsidiabele activiteiten en indien een lagere vaststelling van een andere verleende subsidie wordt verwacht een onderbouwing van die verwachting. 3.In aanvulling op artikel 16, eerste lid van de ASA 2023 bevat de aanvraag tot subsidievaststelling op grond van dit hoofdstuk, indien er subsidie is verleend voor het toepassen van een voedselvermalersysteem, kopieën van de betaalde facturen voor de realisatie van het voedselvermalersysteem waaruit voldoende blijkt in welke woningen het systeem gerealiseerd is. 4.In aanvulling op artikel 16, eerste lid van de ASA 2023 kan het college gedurende de beoordeling van een aanvraag tot vaststelling van subsidie op grond van dit hoofdstuk verzoeken dat de volgende gegevens binnen twee weken worden overlegd: de verlenings- of vaststellingsbeschikkingen van andere subsidies voor dezelfde subsidiabele activiteiten; de gegevens die aan de grondslag liggen van de bepaling van het energielabel van het gebouw, zoals bedoeld in artikel 5.12, onderdeel e; de gegevens die aan de grondslag van de berekening van de milieuprestatiegebouwwaarde, zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, liggen, die tenminste bestaan uit: een overzicht van de soorten en hoeveelheden toegepaste materialen; een overzicht van de soorten en hoeveelheden toegepaste materialen die gedurende de levensloop van het gebouw naar verwachting ter vervanging gebruikt zullen worden; en de naam van het toegepaste gevalideerde rekeninstrument. Betaalbewijzen met betrekking tot aangeleverde facturen. 5.bij de toepassing van artikel 17, tweede lid van de ASA 2023 op subsidies op grond van dit hoofdstuk merkt het college de oplevering, zoals bedoeld in artikel 2.1, van het besluit energieprestaties gebouwen aan als het moment waarop de subsidiabele activiteiten afgelopen zijn. Hoofdstuk 6 Verduurzamende Woningverbetering Artikel 6.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: achterstallig onderhoud: een zodanige tekortkoming van een bouwwerk dat er op grond van artikel 3.7 of de afdelingen 3.2 tot en met 3.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, of op grond van artikel 13 van de Woningwet, aan dat bouwwerk voorzieningen noodzakelijk zijn, dan wel een tekortkoming van een bouwwerk die krachtens artikel 7:241 van het Burgerlijk Wetboek als een gebrek heeft te gelden; afgemeld energielabel: een in de officiële landelijke database, EP-online, opgenomen registratie van de energieprestaties van een gebouw, opgenomen door een gecertificeerd EP-adviseur; ASA 2023: Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2023; bestaand gebouw: een bouwwerk waarvoor een melding of kennisgeving van het gereedkomen van bouwwerkzaamheden is gedaan; bouwbedrijf: bedrijf dat in het handelsregister is ingeschreven in de sectie bouwnijverheid of een vergelijkbare sectie; certificaathouder: certificaathouder als bedoeld in BRL 9500-W voor woningen en woongebouwen; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam; energielabel: voorlopige inschatting van de energiezuinigheid van een woning of gebouw, gebaseerd op algemene kenmerken, zoals het bouwjaar, woningtype, en beschikbare informatie uit openbare registers of een in de officiële landelijke database, EP-online, opgenomen registratie van de energieprestaties van een gebouw; EP-maatwerkadviseur: een persoon die voldoet aan de eisen aan de vakbekwaamheid van EP-maatwerkadviseur conform bijlage 2 van BRL9500-MWA-W; inpandige installaties: alle bouwwerkinstallaties zoals bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving; labelstap: de verbetering van het energielabel van een gebouw of woning door de verbetering van de met één letter of lettercombinatie uitgedrukte weergave van de energieprestaties met één stap; bijvoorbeeld de stap van energielabel F naar energielabel E of van energielabel A+ naar energielabel A++; maatwerkadvies: energieadvies op maat dat is opgesteld door een vakbekwaam EP-maatwerkadviseur volgens BRL9500-MWA-W; slecht geïsoleerde woning: een woning met een energielabelklasse D, E, F, G of een met die labelklassen vergelijkbare energetische staat, waaronder wordt verstaan een woning waarin ten minste twee van de volgende bestaande bouwdelen niet of slecht geïsoleerd zijn: de vloer en de bodem (geen of slechte isolatie aanwezig: minder dan 5 cm isolatiemateriaal aanwezig, Rc ≤ 1,3); de gevel, waaronder de spouwmuur (geen spouwmuurisolatie, voorzetwand of buitengevelisolatie aanwezig, Rc ≤ 1,1); het dak (geen, slechte en matige isolatie, minder dan 9 cm aanwezig / een Rc ≤ 2,0); de zolder/vlieringvloer (geen zolder-/vlieringvloerisolatie aanwezig, Rc ≤ 0,5); de ramen en deuren (enkel glas, oud dubbelglas en HR glas, kozijnen, Ug waarde ≥ 1). verduurzamende woningverbetering: een combinatie van fysieke maatregelen aan een bestaand gebouw die ertoe leiden dat er geen sprake meer is van achterstallig onderhoud, gebrekkig functionerende inpandige installaties en leiden tot een vermindering van de hoeveelheid energie die nodig is om het gebouw geschikt te houden voor verblijf en gebruik door personen; vve: een vereniging van eigenaren en andere rechtspersonen met leden waarbij het gebouw in eigendom van die rechtspersoon is en de leden een exclusief en verhandelbaar recht hebben tot bewoning van woningen in dat gebouw, zoals coöperatieve flatverenigingen; woning: een adresseerbaar verblijfsobject dat in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen geregistreerd zal kunnen worden met het gebruiksdoel woonfunctie; woning in particulier bezit: een woning die eigendom is van een natuurlijke persoon of een woning waarvoor geldt dat het eigendom van de exclusieve en verhandelbare bewonings- of appartementsrechten bij een natuurlijke persoon liggen, zoals een vereniging van eigenaren; woning in corporatiebezit: een woning die eigendom is van een woningcorporatie of een woning waarvoor geldt dat het eigendom van de exclusieve en verhandelbare bewonings- of appartementsrechten bij een woningcorporatie liggen; woningcorporatie: toegelaten instellingen zoals bedoeld in artikel 19 van de Woningwet en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting
  61. Artikel 6.2 Toepasselijkheid ASA 2023 De ASA 2023 is van toepassing op dit hoofdstuk. Artikel6.3 Doel van de in het hoofdstuk omschreven subsidie Het doel van dit hoofdstuk is het in specifieke buurten in Zuidoost stimuleren van de realisatie van verduurzamende woningverbetering door vve’s met in ieder geval particuliere woningbezitters. Artikel6.4 Gebiedsbepaling Het gebied waarbinnen de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk plaats dienen te vinden om in aanmerking te komen voor subsidie bestaat uit de in Bijlage II genoemde buurten in stadsdeel Zuidoost. Artikel 6.5 Subsidiabele activiteiten Het college kan een eenmalige subsidie verlenen voor het door een bouwbedrijf laten uitvoeren van maatregelen die onder de verantwoordelijkheid van de aanvrager vallen aan slecht geïsoleerde woningen binnen een bestaand gebouw gelegen in de in Bijlage II genoemde buurten in stadsdeel Zuidoost die tot gevolg hebben dat: geen sprake meer is van achterstallig onderhoud; en ten minste drie labelstappen worden gemaakt of het afgemelde energielabel B is bereikt; en inpandige installaties naar behoren functioneren. Artikel 6.6 Subsidiabele kosten In aanmerking voor subsidie op grond van dit hoofdstuk komen 50% van de kosten voor de uitvoering van de in artikel 6.5 bedoelde maatregelen. Artikel 6.7 Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie voor de in artikel 6.5 genoemde subsidiabele activiteiten bedraagt ten hoogste de voor subsidie in aanmerking komende kosten, zoals bedoeld in artikel 6.6 en is niet hoger dan: € 9.400,- per woning in particulier bezit in het gebouw; en € 6.000,- per woning in corporatie bezit in het gebouw, voor zover de subsidie als gevolg van corporatiebezit niet meer is dan één vierde van het bedrag dat uit onderdeel a volgt. Artikel 6.8 Subsidieplafond Het subsidieplafond gedurende de periode tussen de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit subsidie verduurzamende woningverbetering Zuidoost en 31 december 2028 voor de subsidiabele activiteiten in artikel 6.5 bedraagt € 29.099.737,-. Artikel 6.8a Verdeelsleutel subsidieplafond Subsidieaanvragen op grond van dit hoofdstuk worden in behandeling genomen in de volgorde van ontvangst daarvan. Als tijdstip van indiening geldt daarbij het moment waarop de aanvraag compleet is. Artikel6.9 de aanvrager
  62. De subsidie in dit hoofdstuk kan uitsluitend worden aangevraagd door verenigingen van eigenaren.
  63. Een vereniging van eigenaren bedoeld in het eerste lid kan uitsluitend subsidie aanvragen als de appartementsrechten van een gebouw in eigendom zijn van meerdere eigenaren. Artikel 6.10 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens
  64. De beschrijving van activiteiten, zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a, aanhef en subonderdeel i, bevat bij aanvragen op grond van dit hoofdstuk in ieder geval een overzichtstabel die de volgende zaken met betrekking tot de woningen waaraan de subsidiabele activiteiten plaats zullen vinden bevat: straatnaam; huisnummer; huisnummertoevoeging; postcode; de juridisch eigenaar van de woning of het appartementsrecht; en het energielabel voor uitvoering van de subsidiabele activiteiten;
  65. Indien de subsidiabele activiteiten niet tot gevolg hebben dat het afgemelde energielabel B is bereikt zoals bedoeld in artikel 6.5, dient het energielabel voorafgaand aan de uitvoering van de subsidiabele activiteiten opgenomen te worden in de officiële landelijke database EP-online.
  66. In aanvulling op artikel 6, tweede lid van de ASA 2023 worden bij de subsidieaanvraag op basis van dit hoofdstuk de volgende gegevens en stukken overlegd: een meerjaren onderhoudsplan (MJOP) dat voldoet aan de volgende vereisten: is opgesteld conform NEN 2767; omvat alle collectieve gebouwelementen en onderbouwt de collectiviteit van die elementen met behulp van een verwijzing naar het specifieke artikel in de splitsingsakte of andere documenten waarin de verdeling van eigendom en verantwoordelijkheden tussen de leden is vastgelegd; voorziet in een plan voor het onderhoud voor alle collectieve gebouwelementen voor een periode van minimaal 30 jaar en voor het casco voor een periode van minimaal 50 jaar; bevat een detailleerde tabel die voor ieder jaar op basis van de onderhouds- en vervangingscyclus van alle collectieve gebouwelementen voor een periode van 30 jaar inzichtelijk maakt welke werkzaamheden moeten gebeuren en welke kosten daaraan zijn verbonden en waarvoor verder geldt dat: de omschrijving van de werkzaamheden en de geraamde kosten in deze tabel in ieder geval gekwantificeerd onderbouwd worden door vermelding van het aantal eenheden, het aantal strekkende meter of het aantal vierkante meter van de werkzaamheden en de eenheidsprijzen voor de aan die werkzaamheden verbonden eenheden, strekkende meters of vierkante meters; en de vervangingscyclus in deze tabel er niet toe leidt dat de vervanging gebouwelementen op een later moment gepland wordt dan uit de theoretische levensduur van het gebouwelement volgt. bevat voldoende, duidelijke en gedetailleerde foto’s die de conditiemeting onderbouwen; benoemt welke collectieve gebouwelementen die niet visueel geïnspecteerd konden worden, welk aanvullende onderzoek plaatsgevonden heeft met betrekking tot die elementen en hoe de benodigde maatregelen die uit het aanvullend onderzoek volgden opgenomen zijn opgenomen zijn in het MJOP. het beschrijft welke maatregelen nodig zijn om ten minste drie labelstappen te maken of het afgemelde energielabel B te bereiken met de woningen waarvoor subsidie wordt aangevraagd; het is niet eerder is opgesteld dan 1 september 2021; het bevat de naam en het adres van de EP-maatwerkadviseur die de woningen heeft opgenomen ten behoeve dit rapport; en het bevat de naam, het adres, het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel en het nummer van het certificaat van de certificaathouder waarvoor de in onderdeel iii genoemde EP-maatwerkadviseur werkt; een maatwerkadvies, dat tenminste de volgende kenmerken heeft: een bewijs dat de rekening waarop het subsidiebedrag gestort zal worden op naam van de aanvrager staat, zoals een bankrekeningafschrift of een bankpas. een kopie van de vigerende splitsingsakte of indien die niet bestaat andere documenten waarin de verdeling van eigendom en verantwoordelijkheden tussen de leden is vastgelegd; indien woningen binnen de vve zijn verhuurd een bewijs waaruit blijkt dat tijdens de Algemene Ledenvergadering van de vve is besproken welke regels het huurrecht, de landelijke wetgeving en het beleid voorschrijven met betrekking tot huurprijsverhogingen bij onderhoud, verbetering en subsidies. indien nieuw glas wordt geplaatst in een bestaand kozijn, een bewijs dat het kozijn zodanig is samengesteld en geïnstalleerd dat dit bij normaal onderhoud naar verwachting een levensduur van ten minste vijfentwintig jaar zal hebben. Artikel6.11 Weigeringsgronden
  67. In aanvulling op artikel 8, eerste lid van de ASA 2023 weigert het college een subsidie te verlenen voor de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk, indien: reeds begonnen is met het treffen van de maatregelen voordat de subsidieaanvraag is ingediend; de aanvraag voor subsidie ontvangen is na 31 december 2028; nieuw glas wordt geplaatst in een bestaand kozijn maar het kozijn niet zodanig is samengesteld en geïnstalleerd dat dit bij normaal onderhoud naar verwachting een levensduur van ten minste vijfentwintig jaar zal hebben; een van de in artikel 6.10 gevraagde gegevens bij de subsidieaanvraag niet geleverd wordt waardoor de aanvraag onvoldoende beoordeeld kan worden.
  68. In aanvulling op artikel 8, tweede lid van de ASA 2023 kan het college geheel of gedeeltelijk weigeren een subsidie te verlenen voor de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk, indien: de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd niet bijdragen aan de realisatie van het doel van dit hoofdstuk; al eerder subsidie is verleend op basis van deze regeling voor dezelfde activiteit, met uitzondering van de subsidie op grond van hoofdstuk 7; het maatwerkadvies of het meerjarig onderhoudsplan, zoals bedoeld in respectievelijk artikel 6.10, tweede lid, onderdelen a en b niet voldoende informatie bieden om de noodzaak of de subsidiabele kosten van de uit te voeren maatregelen te bepalen; niet blijkt dat het subsidiebedrag zal worden gestort op een rekening die op naam van de aanvrager staat; niet blijkt dat dat tijdens de Algemene Ledenvergadering van de vve is besproken welke regels het huurrecht, de landelijke wetgeving en het beleid voorschrijven met betrekking tot huurprijsverhogingen bij onderhoud, verbetering en subsidies. Artikel6.12 Bevoorschotting
  69. Een verzoek tot verlening van een voorschot op een subsidie op grond van dit hoofdstuk gaat gepaard met: offertes voor de realisatie van de subsidiabele activiteiten waarop de kosten voor de realisatie van de subsidiabele activiteiten voldoende duidelijk zijn uitgesplitst en aangemerkt; een tijdsplanning voor uitvoering van de subsidiabele activiteiten die bij voorkeur gebaseerd is op de door het bouwbedrijf opgestelde uitvoeringsplanning.
  70. Een verzoek tot verlening van een voorschot op een subsidie is 100% van het in de verleningsbeschikking bepaalde subsidiebedrag, maar niet hoger dan 50% van de, in het eerste lid bedoelde, op offertes uitgesplitste en aangemerkte kosten voor de realisatie van de subsidiabele activiteiten. Artikel 6.13 Aanvullende verplichtingen subsidieverlening Naast de verplichtingen op grond van artikelen 9 en 10 van de ASA 2023, zijn aan de subsidie op grond van dit hoofdstuk de volgende verplichtingen verbonden: de start van de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten dient uiterlijk binnen één jaar na de datum van de verleningsbeschikking te zijn begonnen, tenzij in de verleningsbeschikking een andere termijn gesteld wordt. Deze termijn kan door het college op verzoek worden verlengd indien het college dit uitstelverzoek, voorzien van een onderbouwing, vóór het verstrijken van de voor start van uitvoering gestelde termijn ontvangt. de gesubsidieerde activiteiten dienen uiterlijk binnen drie jaar´ na datum van de verleningsbeschikking en maximaal 30 december 2028 te zijn uitgevoerd, tenzij in de verleningsbeschikking een andere termijn gesteld wordt. Deze termijn kan door het college op verzoek worden verlengd indien het college dit uitstelverzoek, voorzien van een onderbouwing, vóór het verstrijken van de voor oplevering gestelde termijn ontvangt. een door de gemeente aangestelde inspecteur wordt op verzoek van die inspecteur in de gelegenheid gesteld de uitgevoerde werkzaamheden ter plaatse te inspecteren. na uitvoering van de subsidiabele activiteiten draagt de aanvrager er zorg voor dat het afgemelde energielabel van de woning correspondeert met de werkelijke energieprestaties van de woning. de aanvrager draagt zorgt voor de vaststelling van een herzien meerjarig onderhoudsplan, dat: is opgesteld conform NEN 2767; alle collectieve gebouwelementen omvat en de collectiviteit van die elementen onderbouwt met behulp van een verwijzing naar het specifieke artikel in de splitsingsakte of andere documenten waarin de verdeling van eigendom en verantwoordelijkheden tussen de leden is vastgelegd; voorziet in een plan voor het onderhoud voor alle collectieve gebouwelementen voor een periode van minimaal 30 jaar en voor het casco voor een periode van minimaal 50 jaar; een detailleerde tabel bevat die voor ieder jaar op basis van de onderhouds- en vervangingscyclus van alle collectieve gebouwelementen voor een periode van 30 jaar inzichtelijk maakt welke werkzaamheden moeten gebeuren en welke kosten daaraan zijn verbonden en waarvoor verder geldt dat: de omschrijving van de werkzaamheden en de geraamde kosten in deze tabel in ieder geval gekwantificeerd onderbouwd worden door vermelding van het aantal eenheden, het aantal strekkende meter of het aantal vierkante meter van de werkzaamheden en de eenheidsprijzen voor de aan die werkzaamheden verbonden eenheden, strekkende meters of vierkante meters; en de vervangingscyclus in deze tabel er niet toe leidt dat de vervanging gebouwelementen op een later moment gepland wordt dan uit de theoretische levensduur van het gebouwelement volgt. voldoende, duidelijke en gedetailleerde foto’s bevat die de conditiemeting onderbouwen; benoemt welke collectieve gebouwelementen die niet visueel geïnspecteerd konden worden, welk aanvullende onderzoek plaatsgevonden heeft met betrekking tot die elementen en hoe de benodigde maatregelen die uit het aanvullend onderzoek volgden opgenomen zijn in het MJOP. gedurende een periode van vijf jaar, na de uitvoering van de subsidiabele activiteiten is er geen sprake van achterstallig onderhoud en wordt het verbeterde kwaliteitsniveau van het bouwwerk en de gebouwgebonden installaties, dat het gevolg is van de subsidiabele activiteiten, in stand gehouden. indien nieuw glas is geplaatst, is het bestaande kozijn zodanig samengesteld en geïnstalleerd dat dit bij normaal onderhoud naar verwachting een levensduur van ten minste vijfentwintig jaar zal hebben. de kwaliteit van het bouwwerk mag wat betreft constructie, inbraakveiligheid, ventilatie, luchtkwaliteit, condensatie en vocht als gevolg van de ingreep niet achteruit zijn gegaan. de activiteit leidt niet tot strijdigheid met redelijke eisen van welstand en, in geval het een monument of voorbeschermd monument betreft, tast de activiteit de monumentale waarden niet aan, tenzij er voor het uit te voeren werk een monumentenvergunning is verleend. Artikel6.14 Verantwoording van de subsidie
  71. In aanvulling op artikel 16 van de ASA 2023 bevat een aanvraag tot vaststelling van subsidie: een activiteitenverslag waaruit voor ieder van de woningen waaraan de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd overzichtelijk blijkt: straatnaam; huisnummer; huisnummertoevoeging; postcode; de juridisch eigenaar van de woning of het appartementsrecht; en het afgemelde energielabel na uitvoering van de activiteiten. een financieel verslag, inclusief een overzicht waaruit blijkt welke kosten aan de subsidiabele activiteiten zijn verbonden en waarin de hoogte van deze kosten inzichtelijk wordt gemaakt; de betaalde facturen voor de uitgevoerde subsidiabele activiteiten, waarop de subsidiabele kosten voldoende duidelijk zijn uitgesplitst en aangemerkt, inclusief betaalbewijzen; het afgemelde energielabel waaruit blijkt dat na de uitvoering van de subsidiabele activiteiten ten minste drie labelstappen zijn gemaakt of het energielabel B is bereikt; en het herzien meerjarig onderhoudsplan, zoals bedoeld wordt in artikel 6.13, onderdeel e.
  72. De subsidiabele activiteiten kunnen door een inspecteur worden gecontroleerd voordat de subsidie wordt vastgesteld. Artikel 6.15 Overgangsrecht Op subsidies die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit subsidie verduurzamende woningverbetering Nieuw-West en Zuidoost zijn aangevraagd, blijft de regeling van toepassing zoals het luidde vóór dat tijdstip. Artikel 6.16 Looptijd Dit hoofdstuk vervalt van rechtswege op 31 december 2028 met dien verstande dat vaststellingen van subsidies die onder dit hoofdstuk vallen nog onder dit hoofdstuk worden afgehandeld. Hoofdstuk 6A Verduurzamende Woningverbetering Nieuw-West Artikel6A.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: achterstallig onderhoud: een zodanige tekortkoming van een bouwwerk dat er op grond van artikel 3.7 of de afdelingen 3.2 tot en met 3.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, of op grond van artikel 13 van de Woningwet, aan dat bouwwerk voorzieningen noodzakelijk zijn, dan wel een tekortkoming van een bouwwerk die krachtens artikel 7:241 van het Burgerlijk Wetboek als een gebrek heeft te gelden; afgemeld energielabel: een in de officiële landelijke database, EP-online, opgenomen registratie van de energieprestaties van een gebouw, opgenomen door een gecertificeerd EP-adviseur; ASA 2023: Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2023; bestaand gebouw: een bouwwerk waarvoor een melding of kennisgeving van het gereedkomen van bouwwerkzaamheden is gedaan; biobased isolatiemateriaal: isolatiemateriaal waarvan ten minste 70% van de massa bestaat uit biobased materiaal als bedoeld in de EN16575:2014 en opgenomen in de meldcodelijsten ISDE en SVVE van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; bouwbedrijf: bedrijf dat in het handelsregister is ingeschreven in de sectie bouwnijverheid of een vergelijkbare sectie; certificaathouder: certificaathouder als bedoeld in BRL 9500-W voor woningen en woongebouwen; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam; eengezinswoning: elke woning die tevens een geheel pand vormt. Hieronder vallen vrijstaande woningen, aaneen gebouwde woningen, zoals twee onder één kap gebouwde hele huizen en rijenhuizen; eigenaar-bewoner: een natuurlijk persoon die een woning in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning zal hebben; energielabel: voorlopige inschatting van de energiezuinigheid van een woning of gebouw, gebaseerd op algemene kenmerken, zoals het bouwjaar, woningtype, en beschikbare informatie uit openbare registers of een in de officiële landelijke database, EP-online, opgenomen registratie van de energieprestaties van een gebouw; EP-maatwerkadviseur: een persoon die voldoet aan de eisen aan de vakbekwaamheid van ‘EP-maatwerkadviseur’ conform bijlage 2 van BRL9500-MWA-W; inpandige installaties: alle bouwwerkinstallaties zoals bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving; labelstap: de verbetering van het energielabel van een gebouw of woning door de verbetering van de met één letter of lettercombinatie uitgedrukte weergave van de energieprestaties met één stap; bijvoorbeeld de stap van energielabel F naar energielabel E of van energielabel A+ naar energielabel A++; maatwerkadvies: energieadvies op maat dat is opgesteld door een vakbekwaam EP-maatwerkadviseur volgens BRL9500-MWA-W. meldcodelijst: een overzicht van merk- en productnamen die zijn goedgekeurd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; slecht geïsoleerde woning: een woning met een energielabelklasse D, E, F, G of een met die labelklassen vergelijkbare energetische staat, waaronder wordt verstaan een woning waarin ten minste twee van de volgende bestaande bouwdelen niet of slecht geïsoleerd zijn: de vloer en de bodem (geen of slechte isolatie aanwezig: minder dan 5 cm isolatiemateriaal aanwezig, Rc ≤ 1,3); de gevel, waaronder de spouwmuur (geen spouwmuurisolatie, voorzetwand of buitengevelisolatie aanwezig, Rc ≤ 1,1); het dak (geen, slechte en matige isolatie, minder dan 9 cm aanwezig / een Rc ≤ 2,0); de zolder/vlieringvloer (geen zolder-/vlieringvloerisolatie aanwezig, Rc ≤ 0,5); de ramen en deuren (enkel glas, oud dubbelglas en HR glas, kozijnen, Ug waarde ≥ 1). verbeterplan: een grondige bouwkundige analyse van een woning, inclusief een inspectie van de bouwschil, een warmteverliesberekening en advies voor verbetermaatregelen gericht op energiebesparing en onderhoud; verduurzamende woningverbetering: een combinatie van fysieke maatregelen aan een bestaand gebouw die ertoe leiden dat er geen sprake meer is van achterstallig onderhoud, gebrekkig functionerende inpandige installaties en leiden tot een vermindering van de hoeveelheid energie die nodig is om het gebouw geschikt te houden voor verblijf en gebruik door personen; vve: een vereniging van eigenaren en andere rechtspersonen met leden waarbij het gebouw in eigendom van die rechtspersoon is en de leden een exclusief en verhandelbaar recht hebben tot bewoning van woningen in dat gebouw, zoals coöperatieve flatverenigingen; woning: een adresseerbaar verblijfsobject dat in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen geregistreerd zal kunnen worden met het gebruiksdoel woonfunctie; woning in particulier bezit: een woning die of appartementsrecht dat eigendom is van een natuurlijke persoon; woningcorporatie: toegelaten instellingen zoals bedoeld in artikel 19 van de Woningwet en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting
  73. Artikel6A.2Toepasselijkheid ASA 2023 De ASA 2023 is van toepassing op dit hoofdstuk. Artikel6A.3Doel van de in het hoofdstuk omschreven subsidie Het doel van dit hoofdstuk is het stimuleren van de realisatie van verduurzamende woningverbetering in de in bijlage VI genoemde buurten in stadsdeel Nieuw-West. Artikel6A.4Subsidiabele activiteiten Het college kan een eenmalige subsidie verlenen voor het door een bouwbedrijf laten uitvoeren van maatregelen die onder de verantwoordelijkheid van de aanvrager vallen aan slecht geïsoleerde woningen binnen een bestaand gebouw of een bestaande eengezinswoning gelegen in de in bijlage VI genoemde buurten in stadsdeel Nieuw-West die tot gevolg hebben dat: geen sprake meer is van achterstallig onderhoud; en ten minste drie labelstappen worden gemaakt of het afgemelde energielabel B is bereikt; en inpandige installaties naar behoren functioneren. Artikel6A.5Subsidiabele kosten en hoogte subsidie 1.In aanmerking voor subsidie op grond van dit hoofdstuk komt 50% van de kosten voor de uitvoering van de in artikel 6A.4 bedoelde maatregelen. 2.De hoogte van de subsidie bedraagt ten hoogste de voor subsidie in aanmerking komende kosten en is niet hoger dan: € 11.660,- per woning in particulier bezit binnen een vve; € 13.765,- voor een eengezinswoning van een eigenaar-bewoner. 3.Bij gebruik van biobased isolatiemateriaal wordt de hoogte van de subsidie bedoeld in het tweede lid vermeerderd met maximaal € 500,- per woning. Artikel6A.6Subsidieplafond Het subsidieplafond gedurende de periode tussen de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit subsidie verduurzamende woningverbetering Nieuw-West en Zuidoost en 31 december 2033 voor de subsidiabele activiteiten in artikel 6A.5 bedraagt: € 26.500.000 voor woningen in particulier bezit binnen een vve; en € 12.700.000 voor eengezinswoningen. Artikel6A.7Verdeelsleutel subsidieplafond Subsidieaanvragen worden in behandeling genomen in de volgorde van ontvangst daarvan. Als tijdstip van indiening geldt daarbij het moment waarop de aanvraag compleet is. Artikel6A.8De aanvrager 1.De subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door een vereniging van eigenaren of een eigenaar-bewoner van een eengezinswoning. 2.Een vereniging van eigenaren bedoeld in het eerste lid kan uitsluitend subsidie aanvragen als de appartementsrechten van een gebouw in eigendom zijn van meerdere eigenaren. Artikel6A.9Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens 1.De beschrijving van activiteiten, zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a van de ASA 2023, bevat een overzichtstabel met de volgende zaken of gegevens over de woning of woningen waar de subsidiabele activiteiten plaats zullen vinden: straatnaam; huisnummer; huisnummertoevoeging; postcode; de juridisch eigenaar van de woning of het appartementsrecht; het energielabel voor uitvoering van de subsidiabele activiteiten; of er gebruik wordt gemaakt van biobased isolatiemateriaal. 2.Indien de subsidiabele activiteiten niet tot gevolg hebben dat het afgemelde energielabel B is bereikt zoals bedoeld in artikel 6A.4, dient het energielabel voorafgaand aan de uitvoering van de subsidiabele activiteiten opgenomen te worden in de officiële landelijke database EP-online. 3.In aanvulling op artikel 6, tweede lid van de ASA 2023 worden door een vve de volgende gegevens en stukken overlegd: een meerjaren onderhoudsplan dat voldoet aan de volgende vereisten: is opgesteld conform NEN 2767; omvat alle collectieve gebouwelementen en onderbouwt de collectiviteit van die elementen met behulp van een verwijzing naar het specifieke artikel in de splitsingsakte of andere documenten waarin de verdeling van eigendom en verantwoordelijkheden tussen de leden is vastgelegd; voorziet in een plan voor het onderhoud voor alle collectieve gebouwelementen voor een periode van minimaal 30 jaar en voor het casco voor een periode van minimaal 50 jaar; bevat een detailleerde tabel die voor ieder jaar op basis van de onderhouds- en vervangingscyclus van alle collectieve gebouwelementen voor een periode van 30 jaar inzichtelijk maakt welke werkzaamheden moeten gebeuren en welke kosten daaraan zijn verbonden en waarvoor verder geldt dat: de omschrijving van de werkzaamheden en de geraamde kosten in deze tabel in ieder geval gekwantificeerd onderbouwd worden door vermelding van het aantal eenheden, het aantal strekkende meter of het aantal vierkante meter van de werkzaamheden en de eenheidsprijzen voor de aan die werkzaamheden verbonden eenheden, strekkende meters of vierkante meters; en de vervangingscyclus in deze tabel er niet toe leidt dat de vervanging gebouwelementen op een later moment gepland wordt dan uit de theoretische levensduur van het gebouwelement volgt. bevat voldoende, duidelijke en gedetailleerde foto’s die de conditiemeting onderbouwen; benoemt welke collectieve gebouwelementen die niet visueel geïnspecteerd konden worden, welk aanvullende onderzoek plaatsgevonden heeft met betrekking tot die elementen en hoe de benodigde maatregelen die uit het aanvullend onderzoek volgden opgenomen zijn opgenomen zijn in het meerjaren onderhoudsplan. een maatwerkadvies, dat tenminste de volgende kenmerken heeft: het beschrijft welke maatregelen nodig zijn om ten minste drie labelstappen te maken of het afgemelde energielabel B te bereiken met de woningen waarvoor subsidie wordt aangevraagd; het is niet eerder opgesteld dan 1 januari 2021; het bevat de naam en het adres van de EP-maatwerkadviseur die de woningen heeft opgenomen ten behoeve dit rapport; en het bevat de naam, het adres, het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel en het nummer van het certificaat van de certificaathouder waarvoor de in onderdeel iii genoemde EP-maatwerkadviseur werkt; een bewijs dat de rekening waarop het subsidiebedrag gestort zal worden op naam van de aanvrager staat, zoals een bankrekeningafschrift of een bankpas. een kopie van de vigerende splitsingsakte of indien die niet bestaat andere documenten waarin de verdeling van eigendom en verantwoordelijkheden tussen de leden is vastgelegd. een bewijs dat aantoont dat een woningcorporatie, die een woning bezit binnen de vve die subsidie aanvraagt, hetzelfde bedrag per eigen woning bijdraagt als het subsidiebedrag dat de vve per woning ontvangt op basis van dit hoofdstuk. indien woningen binnen de vve zijn verhuurd een bewijs waaruit blijkt dat tijdens de Algemene Ledenvergadering van de vve is besproken welke regels het huurrecht, de landelijke wetgeving en het beleid voorschrijven met betrekking tot huurprijsverhogingen bij onderhoud, verbetering en subsidies. indien nieuw glas wordt geplaatst in een bestaand kozijn, een bewijs dat het kozijn zodanig is samengesteld en geïnstalleerd dat dit bij normaal onderhoud naar verwachting een levensduur van ten minste vijfentwintig jaar zal hebben. 4.In aanvulling op artikel 6, tweede lid van de ASA 2023 worden bij de subsidieaanvraag door een eigenaar-bewoner van een eengezinswoning de volgende gegevens en stukken overlegd: een verbeterplan opgesteld na 1 januari 2021 die tenminste de volgende onderdelen bevat: een bouwkundige analyse van de huidige onderhoudsstaat van de woning, inclusief een inspectie van de bouwschil, zoals gevels, dak, kozijnen en deuren, en inspectie van verwarmings- en elektriciteitsinstallaties, om de staat van isolatie en (achterstallig) onderhoud vast te stellen; een warmteverliesberekening die inzicht biedt in het isolatieniveau en de relatieve warmtevraag kWh/m2/jaar; een advies over het wegwerken van achterstallig of aanstaand onderhoud aan de bouwdelen of installaties. Hierbij dienen koudebruggen in kaart gebracht te worden en meegenomen te worden in de oplossing; een omschrijving van de maatregelen die nodig zijn om ten minste drie labelstappen te maken of het afgemelde energielabel B te bereiken in combinatie met uitgebreide aandacht voor ventilatiemaatregelen; een onderbouwing waarin de voorgestelde ingrepen aansluiten bij de levensduur van dat bouwdeel of dat de theoretische levensduur van de maatregel niet langer is dan de vervangingscyclus van dat bouwdeel; de naam, het adres en het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel van het bedrijf of de adviseur die de woning heeft opgenomen ten behoeve dit rapport; adres van de woning en datum van opname. een bewijs dat de rekening waarop het subsidiebedrag gestort zal worden op naam van de aanvrager staat, zoals een bankrekeningafschrift of een bankpas. indien nieuw glas wordt geplaatst in een bestaand kozijn, een bewijs dat het kozijn zodanig is samengesteld en geïnstalleerd dat dit bij normaal onderhoud naar verwachting een levensduur van ten minste vijfentwintig jaar zal hebben. indien spouwmuur-, borstwering-, buitengevel- of buitendakisolatie wordt toegepast, een bewijs dat deze maatregelen worden uitgevoerd door een bouwbedrijf die gecertificeerd is voor natuurvriendelijk isoleren. Artikel6A.10Weigeringsgronden 1.In aanvulling op artikel 8, eerste lid, van de ASA 2023 weigert het college een subsidie te verlenen voor de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk, indien: reeds begonnen is met het treffen van de maatregelen voordat de subsidieaanvraag is ingediend; niet blijkt dat een woningcorporatie, die een woning bezit binnen de vve die subsidie aanvraagt, per eigen woning hetzelfde bedrag bijdraagt als het subsidiebedrag dat de vve per woning ontvangt op basis van dit hoofdstuk; al eerder subsidie is verleend op basis van deze regeling voor dezelfde activiteit, met uitzondering van de subsidie op grond van hoofdstuk 7; de aanvraag voor subsidie ontvangen is na 30 september 2030; nieuw glas wordt geplaatst in een bestaand kozijn maar het kozijn niet zodanig is samengesteld en geïnstalleerd dat dit bij normaal onderhoud naar verwachting een levensduur van ten minste vijfentwintig jaar zal hebben; een van de in artikel 6A.9 gevraagde gegevens bij de subsidieaanvraag niet geleverd wordt waardoor de aanvraag onvoldoende beoordeeld kan worden. 2.In aanvulling op artikel 8, tweede lid, van de ASA 2023 kan het college geheel of gedeeltelijk weigeren een subsidie te verlenen voor de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk, indien: de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd niet bijdragen aan de realisatie van het doel van dit hoofdstuk; het maatwerkadvies, het meerjarig onderhoudsplan of verbeterplan, zoals bedoeld in respectievelijk artikel 6A.9, derde lid, onderdelen a en b en vierde lid, onderdeel a, niet voldoende informatie bieden om de noodzaak of de subsidiabele kosten van de uit te voeren maatregelen te bepalen; niet blijkt dat het subsidiebedrag zal worden gestort op een rekening die op naam van de aanvrager staat; niet blijkt dat dat tijdens de Algemene Ledenvergadering van de vve is besproken welke regels het huurrecht, de landelijke wetgeving en het beleid voorschrijven met betrekking tot huurprijsverhogingen bij onderhoud, verbetering en subsidies. Artikel6A.11Aanvullende verplichtingen subsidieverlening Naast de verplichtingen op grond van artikelen 9, 10 en 12 van de ASA 2023, wordt aan de subsidie op grond van dit hoofdstuk de volgende verplichtingen verbonden: de start van de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten dient uiterlijk binnen één jaar na de datum van de verleningsbeschikking te zijn begonnen, tenzij in de verleningsbeschikking een andere termijn gesteld wordt. Deze termijn kan door het college op verzoek worden verlengd indien het college dit uitstelverzoek, voorzien van een onderbouwing, vóór het verstrijken van de voor start van uitvoering gestelde termijn ontvangt. de gesubsidieerde activiteiten dienen uiterlijk binnen drie jaar na datum van de verleningsbeschikking en maximaal 30 december 2033 te zijn uitgevoerd, tenzij in de verleningsbeschikking een andere termijn gesteld wordt. Deze termijn kan door het college op verzoek worden verlengd indien het college dit uitstelverzoek, voorzien van een onderbouwing, vóór het verstrijken van de voor oplevering gestelde termijn ontvangt. een door de gemeente aangestelde inspecteur wordt in de gelegenheid gesteld de uitgevoerde werkzaamheden ter plaatse te inspecteren. na uitvoering van de subsidiabele activiteiten draagt de aanvrager er zorg voor dat het afgemelde energielabel van de woning correspondeert met de werkelijke energieprestaties van de woning. de vve draagt zorgt voor de vaststelling van een herzien meerjarig onderhoudsplan, dat: is opgesteld conform NEN 2767; alle collectieve gebouwelementen omvat en de collectiviteit van die elementen onderbouwt met behulp van een verwijzing naar het specifieke artikel in de splitsingsakte of andere documenten waarin de verdeling van eigendom en verantwoordelijkheden tussen de leden is vastgelegd; voorziet in een plan voor het onderhoud voor alle collectieve gebouwelementen voor een periode van minimaal 30 jaar en voor het casco voor een periode van minimaal 50 jaar; een gedetailleerde tabel bevat die voor ieder jaar op basis van de onderhouds- en vervangingscyclus van alle collectieve gebouwelementen voor een periode van 30 jaar inzichtelijk maakt welke werkzaamheden moeten gebeuren en welke kosten daaraan zijn verbonden en waarvoor verder geldt dat: de omschrijving van de werkzaamheden en de geraamde kosten in deze tabel in ieder geval gekwantificeerd onderbouwd worden door vermelding van het aantal eenheden, het aantal strekkende meter of het aantal vierkante meter van de werkzaamheden en de eenheidsprijzen voor de aan die werkzaamheden verbonden eenheden, strekkende meters of vierkante meters; en de vervangingscyclus in deze tabel er niet toe leidt dat de vervanging van gebouwelementen op een later moment gepland wordt dan uit de theoretische levensduur van het gebouwelement volgt. voldoende, duidelijke en gedetailleerde foto’s bevat die de conditiemeting onderbouwen; benoemt welke collectieve gebouwelementen die niet visueel geïnspecteerd konden worden, welk aanvullende onderzoek plaatsgevonden heeft met betrekking tot die elementen en hoe de benodigde maatregelen die uit het aanvullend onderzoek volgden opgenomen zijn in het meerjaren onderhoudsplan. gedurende een periode van vijf jaar, na de uitvoering van de subsidiabele activiteiten is er geen sprake van achterstallig onderhoud en wordt het verbeterde kwaliteitsniveau van het bouwwerk en de gebouwgebonden installaties, dat het gevolg is van de subsidiabele activiteiten, in stand gehouden. indien nieuw glas is geplaatst, is het bestaande kozijn zodanig samengesteld en geïnstalleerd dat dit bij normaal onderhoud naar verwachting een levensduur van ten minste vijfentwintig jaar zal hebben. de kwaliteit van het bouwwerk mag wat betreft constructie, inbraakveiligheid, ventilatie, luchtkwaliteit, condensatie en vocht als gevolg van de ingreep niet achteruit zijn gegaan. de activiteit leidt niet tot strijdigheid met redelijke eisen van welstand en, in geval het een monument of voorbeschermd monument betreft, tast de activiteit de monumentale waarden niet aan, tenzij er voor het uit te voeren werk een monumentenvergunning is verleend. indien een eigenaar-bewoner van een eengezinswoning spouwmuur-, borstwering-, buitengevel- of buitendakisolatie toepast, moeten deze maatregelen worden uitgevoerd door een bouwbedrijf die gecertificeerd is voor natuurvriendelijk isoleren. Artikel6A.12Bevoorschotting 1.Een verzoek tot verlening van een voorschot op een subsidie op grond van dit hoofdstuk gaat gepaard met: offertes voor de realisatie van de subsidiabele activiteiten waarop de kosten voor de realisatie van de subsidiabele activiteiten voldoende duidelijk zijn uitgesplitst en aangemerkt; een tijdsplanning voor uitvoering van de subsidiabele activiteiten die bij voorkeur gebaseerd is op de door het bouwbedrijf opgestelde uitvoeringsplanning. 2.Een verzoek tot verlening van een voorschot op een subsidie door een vve is 100% van het in de verleningsbeschikking bepaalde subsidiebedrag, maar niet hoger dan 50% van de, in het eerste lid bedoelde, op offertes uitgesplitste en aangemerkte kosten voor de realisatie van de subsidiabele activiteiten. 3.Een verzoek tot verlening van een voorschot op een subsidie door een eigenaar-bewoner is 50% van het in de verleningsbeschikking bepaalde subsidiebedrag, maar niet hoger dan 50% van de, in het eerste lid bedoelde, op offertes uitgesplitste en aangemerkte kosten voor de realisatie van de subsidiabele activiteiten. Artikel6A.13Vaststelling en verantwoording van de subsidie 1.Subsidies verleend op grond van dit hoofdstuk worden niet direct vastgesteld, ongeacht het verleende bedrag. 2.De ontvanger van een subsidie dient uiterlijk 12 weken na afloop van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling van de subsidie bij het college in. 3.In aanvulling op artikel 16 van de ASA 2023 bevat een aanvraag tot vaststelling van subsidie: een activiteitenverslag waaruit voor ieder van de woningen waaraan de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd overzichtelijk blijkt: straatnaam; huisnummer; huisnummertoevoeging; postcode; de juridisch eigenaar van de woning of het appartementsrecht; en het afgemelde energielabel na uitvoering van de activiteiten. een financieel verslag, inclusief een overzicht waaruit blijkt welke kosten aan de subsidiabele activiteiten zijn verbonden en waarin de hoogte van deze kosten inzichtelijk wordt gemaakt; de betaalde facturen voor de uitgevoerde subsidiabele activiteiten, waarop de subsidiabele kosten voldoende duidelijk zijn uitgesplitst en aangemerkt, inclusief betaalbewijzen; het afgemelde energielabel waaruit blijkt dat na de uitvoering van de subsidiabele activiteiten ten minste drie labelstappen zijn gemaakt of het energielabel B is bereikt; en indien de aanvrager een vereniging van eigenaren betreft, het herzien meerjarig onderhoudsplan, zoals bedoeld wordt in artikel 6A.11, onderdeel e; indien gebruik is gemaakt van biobased isolatiemateriaal, in de factuur voor de uitgevoerde subsidiabele activiteiten de meldcode van het isolatiemateriaal zoals opgenomen in de meldcodelijsten ISDE en SVVE van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; indien een eigenaar-bewoner van een eengezinswoning spouwmuur-, borstwering-, buitengevel- of buitendakisolatie heeft toegepast, een bewijs dat deze maatregelen zijn uitgevoerd door een bouwbedrijf die gecertificeerd is voor natuurvriendelijk isoleren. 4.De subsidiabele activiteiten kunnen door een inspecteur worden gecontroleerd voordat de subsidie wordt vastgesteld. Artikel6A.14Looptijd Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 17 maart 2025 en vervalt van rechtswege op 31 december 2033 met dien verstande dat vaststellingen van subsidies die onder dit hoofdstuk vallen nog onder dit hoofdstuk worden afgehandeld. Hoofdstuk 7 Extra Isolatie Subsidie Amsterdam (EISA) Artikel7.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: ASA 2023: Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2023; bouwbedrijf: bedrijf dat in het handelsregister is ingeschreven in de sectie bouwnijverheid of een vergelijkbare sectie; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam; eigenaar-bewoner: een natuurlijk persoon die: een woning in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning zal hebben; of gerechtigde is van een bestaand appartementsrecht en in het desbetreffende appartement zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van dat appartement zal hebben; of zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning zal hebben in een woning van een wooncoöperatie en in verband daarmee lid is van die wooncoöperatie; of op basis van zijn lidmaatschap van een woonvereniging het recht heeft om in een woning te wonen en daarin zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning zal hebben. energieadviesrapport: een adviesrapport zoals die door de gemeente verstrekt of vergelijkbaar over mogelijke verduurzamingsmaatregelen, met daarin een inventarisatie van de huidige energetische en bouwkundige staat van de woning of pand en de geschatte kosten en besparingen daarbij; energiebesparende isolatiemaatregelen: activiteiten of aanpassingen in of aan de woning om het energiegebruik te verminderen en de efficiëntie van energiegebruik te verbeteren zoals toegelicht in artikel 7.4; energielabel: een in de officiële landelijke database, EP-online.nl, opgenomen registratie van de energieprestaties van een gebouw, zoals bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; energiezuinige ventilatiemaatregelen: het voor de eerste keer aanleggen van een systeem voor vraaggestuurde ventilatie of het voor de eerste keer aanleggen van een systeem voor balansventilatie met warmteterugwinning met een rendement van ten minste 90%; investeringsbesluit verduurzaming: een besluit van een vereniging van eigenaars waarin investeringen in duurzaamheid zoals het verbeteren van isolatie, het installeren van zonnepanelen of andere energiebesparende maatregelen zijn vastgelegd; slecht geïsoleerde woning: een woning met een energielabelklasse D, E, F, G of een met die labelklassen vergelijkbare energetische staat, waaronder wordt verstaan een woning waarin ten minste twee van de volgende bestaande bouwdelen niet of slecht geïsoleerd zijn: de vloer en de bodem (geen of slechte isolatie aanwezig: minder dan 5 cm isolatiemateriaal aanwezig, Rc ≤ 1,3); de gevel, waaronder de spouwmuur (geen spouwmuurisolatie, voorzetwand of buitengevelisolatie aanwezig, Rc ≤ 1,1); het dak (geen, slechte en matige isolatie, minder dan 9 cm aanwezig / een Rc ≤ 2,0); de zolder/vlieringvloer (geen zolder-/vlieringvloerisolatie aanwezig, Rc ≤ 0,5); de ramen en deuren (enkel glas, oud dubbelglas en HR glas, kozijnen, Ug waarde ≥ 1). onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de de-minimisverordening, uitgezonderd woningcorporaties; vereniging van eigenaars: vereniging van de eigenaars en andere rechtspersonen met leden waarbij het gebouw in eigendom van die rechtspersoon is en de leden een exclusief en verhandelbaar recht hebben tot bewoning van woningen in dat gebouw, zoals coöperatieve flatverenigingen; woning: een adresseerbaar object dat in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen geregistreerd is met het gebruiksdoel woonfunctie. Artikel 7.2 Toepasselijkheid ASA 2023 De ASA 2023 is van toepassing op dit hoofdstuk. Artikel 7.3 Doel van in het hoofdstuk omschreven subsidie Het doel van dit hoofdstuk is het stimuleren van het verduurzamen en verbeteren van slecht geïsoleerde woningen met een WOZ-waarde van maximaal € 370.000 in het peiljaar 2021, door het laten uitvoeren van een of meer energiebesparende isolatiemaatregelen, in samenhang met eventuele energiezuinige ventilatiemaatregelen. Artikel 7.4 Subsidiabele activiteiten Het college kan een eenmalige subsidie verlenen voor het, in een uit een energieadvies blijkend slecht geïsoleerde woning met een WOZ-waarde van maximaal € 370.000 in het peiljaar 2021, door een bouwbedrijf laten uitvoeren van een of meerdere van de volgende activiteiten: vloer-, dan wel bodemisolatie: ten minste 20 vierkante meter van de oppervlakte van de bestaande vloer of de bestaande bodem in de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd voor een woning van een eigenaar-bewoner; minimaal 70% van de oppervlakte van de gehele vloer behorend tot de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd voor een vereniging van eigenaars; het isolatiemateriaal moet tenminste een Rd-waarde hebben van 3,5 m2K/W; het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen. gevelisolatie: ten minste 10 vierkante meter van de oppervlakte van de binnen- of buitengevel van de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd; en het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft of in het geval van een monument een Rd-waarde van ten minste 2,5 m2K/W heeft. spouwmuurisolatie: tenminste 10 vierkante meter van de oppervlakte van bestaande spouwmuren in de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd; het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 1,1 m2K/W heeft; en het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen. dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie, waarbij: tenminste 20 vierkante meter van de oppervlakte van het bestaande dak in de bestaande thermische schil dan wel, indien de zolder of vliering onverwarmd is, van ten minste 20 vierkante meter van de oppervlakte van de bestaande zolder- of vlieringvloer, wordt geïsoleerd voor een woning van een eigenaar-bewoner; minimaal 70% van de oppervlakte van het gehele dak behorend tot de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd voor een vereniging van eigenaars; het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft of in het geval van een monument een Rd-waarde van ten minste 2,5 m2K/W heeft; en het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen. glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie in de bestaande thermische schil door: het vervangen van ten minste 8 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van glas, kozijnpanelen of deuren door HR++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,5 W/m2K; het vervangen van ten minste 8 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend raamkozijn met een Uf-waarde van ten hoogste 1,5 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,0 W/m2K; het in het geval van een monument vervangen of toevoegen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K; of het vervangen of toevoegen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een U-waarde van ten hoogste 1,5W/m2K, of triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend raamkozijn met een Uf-waarde van ten hoogste 1,5 W/m2K. ventilatiemaatregelen, alleen in combinatie met de energiebesparende isolatiemaatregelen. benodigde afwerking van de isolatiemaatregelen die in redelijkheid direct verband houden met deze maatregelen. Artikel 7.5 Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie voor de in artikel 7.4 genoemde subsidiabele activiteiten bedraagt niet meer dan de kosten voor de uitvoering van die activiteiten en is niet hoger dan € 2.500,- per woning. Artikel 7.6 Subsidieplafond Het subsidieplafond voor de activiteiten, zoals omschreven in artikel 7.4, bedraagt tussen de inwerkingtreding van dit hoofdstuk en 30 juni 2026 € 5.945.000,-. Artikel 7.7 Volgorde behandeling aanvragen
  74. Subsidieaanvragen op grond van dit hoofdstuk worden in behandeling genomen in de volgorde van ontvangst daarvan.
  75. De ontvangstdatum voor toepassing van het eerste lid is het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend en als volledig wordt beschouwd. Artikel 7.8 De aanvrager De subsidie op grond van dit hoofdstuk kan uitsluitend worden aangevraagd door een eigenaar-bewoner of vereniging van eigenaars van woningen in Amsterdam. Artikel 7.9 Aanvraagtermijn Een subsidieaanvraag voor de in dit hoofdstuk genoemde subsidiabele activiteiten moet uiterlijk 30 juni 2026 zijn ingediend bij het college of zo veel eerder als het subsidieplafond is bereikt. Artikel7.10 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens
  76. In aanvulling op artikel 6, tweede lid, van de ASA 2023 worden bij de subsidieaanvraag op basis van dit hoofdstuk door een eigenaa

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.