Algemene Plaatselijke Verordening 2018De raad van de gemeente Winterswijk; overwegende dat: het naar aanleiding van gewijzigde en nieuwe wetgeving, jurisprudentie en maatschappelijke ontwikkelingen wenselijk is de Algemene Plaatselijke Verordening periodiek te actualiseren; ook de VNG in verschillende nieuwsbrieven aanbevelingen heeft gedaan om de Algemene Plaatselijke Verordening te wijzigen; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders van 19 december 2017, nr. 146335; besluit: de Algemene Plaatselijke Verordening 2010, vastgesteld bij raadsbesluit van 28 januari 2010, nr. I-7 en het laatst gewijzigd bij raadsbesluit van 26 januari 2012, in te trekken en de Algemene Plaatselijke Verordening 2018 vast te stellen conform de bij dit besluit behorende bijlage. Aldus besloten door de gemeenteraad van de gemeente Winterswijk in zijn openbare vergadering gehouden op 25 januari 2018, de voorzitter, w.g.de griffier, w.g.ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING 2018 1. InleidingOp grond van artikel 149 van de Gemeentewet maakt de raad de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt. In samenhang met artikel 108 van de Gemeentewet is dit artikel de juridische basis van de gemeentelijke autonomie om zelf regels vast te stellen in het belang van de gemeentelijke huishouding. Bij het vaststellen van deze regels moet rekening worden gehouden met de juridische bovengrens (strijd met hogere regelgeving) en de juridische ondergrens (aantasting van privacy van de burger). De Algemene Plaatselijke Verordening is bij uitstek de gemeentelijke verordening waarin de raad zijn eigen regelgeving op basis van de gemeentelijke autonomie heeft opgenomen. De bevoegdheid om eigen regelgeving vast te stellen neemt niet weg dat veel gemeenten hun Algemene Plaatselijke Verordening hebben gebaseerd op de model-APV van de VNG. Voor de gemeente Winterswijk is dit niet anders. Dit betekent niet dat alle bepalingen uit de VNG-modelverordening zijn overgenomen. Bepalingen waaraan in de Winterswijkse situatie geen behoefte bestaat zijn logischerwijze niet opgenomen; omgekeerd zijn in deze APV enkele bepalingen opgenomen die niet in de model-APV voorkomen maar waaraan plaatselijk wel duidelijk behoefte bestaat. Ook de door de VNG opgestelde toelichting is grotendeels, doch niet integraal overgenomen. Ten behoeve van de overzichtelijkheid is deze toelichting bij een aantal artikelen aanmerkelijk ingekort. Mocht daaraan behoefte bestaan, dan kan uiteraard ook de VNG-toelichting geraadpleegd worden. Tenslotte wordt erop gewezen, dat enkele hoofdstukken in het VNG-model niet in deze APV zijn opgenomen, omdat het daarbij gaat om zeer specifieke onderwerpen, die thans in aparte (medebewinds-)verordeningen worden geregeld. Regeling in een aparte verordening heeft soms terwille van de duidelijkheid en de bekendheid bij de burger de voorkeur, mede gelet op het feit dat het hier gaat om een groot aantal samenhangende artikelen. Genoemd kunnen worden de Afvalstoffenverordening, de Bomenverordening, de Speelautomatenverordening en de Verordening op de Begraafplaatsen. Om aan te sluiten op de door de VNG gehanteerde systematiek en met het doel de door de VNG aanbevolen wijzigingen eenvoudig te kunnen verwerken, is de indeling in hoofdstukken en paragrafen uit de model-APV overgenomen. De artikelnummering kan wel van de model-APV afwijken. Aanleiding tot de vaststelling van deze nieuwe APV is in de eerste plaats een periodieke actualisatie van de APV-regelgeving naar aanleiding van maatschappelijke ontwikkelingen en jurisprudentie. Voorts is in deze APV een voorstel van de regionale werkgroep APV verwerkt om een aantal specifieke bepalingen ter handhaving van de openbare orde binnen de regio Achterhoek te uniformeren zodat met name de politie niet telkens tegen lokale verschillen in de regelgeving aanloopt. 2. Toelichting op de APV De toelichting op deze APV geeft per onderwerp en artikel - daar waar wenselijk - aan, waarom voor een bepaalde redactie is gekozen en voor welke situaties de desbetreffende bepaling bedoeld is. In enkele gevallen houdt de APV-bepaling een (al dan niet eigenlijke) aanvulling in van een hogere regeling. In dat geval is in de toelichting aangegeven in hoeverre de reikwijdte van de APV-bepaling dan nog strekt. 3. Vormen van regelgevingIn deze APV komt een vijftal vormen van regelgeving voor, te weten: de vergunning, de ontheffing, algemene voorschriften, de kennisgevingsplicht, en de normstelling met een aanwijzings- of aanschrijvingsbevoegdheid. Voor de vergunningsfiguur is gekozen in gevallen waarin het bestuur bepaalde handelingen of toestanden aan een nader toezicht wil onderwerpen. Deze "zonder vergunning verboden" handelingen of toestanden worden niet zozeer bedenkelijk of ongewenst geacht, maar worden op deze wijze gereguleerd om een zekere ordening en enige mate van toezicht vanuit de gemeentelijke verantwoordelijkheid (denk aan veiligheid) mogelijk te maken en daarnaast negatieve gevolgen zoals overlast tegen te gaan. Als het gaat om regels die in beginsel in acht genomen moeten worden en waarvan alleen in bijzondere omstandigheden afgeweken kan worden, dan wordt de term ontheffing gebruikt. Daarnaast kent de APV de rechtstreekse normstelling. De aard van deze bepalingen is, dat in gevallen van excessen de APV een handvat biedt om op te kunnen treden. De redactie van deze bepalingen is dan ook vrij algemeen gehouden. Voor handelingen van min of meer onschuldige aard, waarvoor de invoering van een vergunningen- c.q. ontheffingenstelsel eigenlijk te zwaar is, is gekozen voor een kennisgevingstelsel, veelal in combinatie met algemene voorschriften. Als laatste bevat de APV enkele normstellingen met een aanwijzings- of aanschrijvingsbevoegdheid. In die gevallen zijn de in die regels vervatte verboden alleen van toepassing indien het uitvoerende bestuursorgaan een aanwijzing of aanschrijving heeft gegeven/gedaan. Het gaat hier om regels die niet altijd voor iedereen en overal hoeven te gelden. De gemeentelijke wetgever kan echter zelf niet voorzien op welke plaatsen en tijden de omstandigheden zich zullen voordoen die toepassing van de regel noodzakelijk maken. In de door de gemeenteraad gestelde regel wordt daarom aan burgemeester en wethouders of de burgemeester overgelaten om plaatsen waar en/of de uren waarop het verbod of gebod zal gelden, aan te wijzen. Het uitvoerend orgaan bepaalt dus of, waar en wanneer de omstandigheden waarvoor het verbod of gebod is uitgevaardigd, zich voordoen. Vergelijkbaar met de figuur van de aanwijzing is die van de aanschrijving of aanzegging. Door die aanschrijving/aanzegging wordt het door de gemeenteraad gestelde verbod of gebod van toepassing op degene tot wie de aanschrijving/aanzegging is gericht. Het verschil met de aanwijzing is dat de aanschrijving/aanzegging gericht is tot een bepaalde persoon, terwijl de aanwijzing in het algemeen gericht is tot een ieder (op de aangewezen plaatsen en/of tijden). 4. DereguleringOnder het begrip "deregulering" wordt niet alleen verstaan het zonder meer afschaffen van regels, maar ook wijziging, stroomlijning, en vereenvoudiging van regelgeving. In het streven naar deregulering zijn bepalingen waaraan nagenoeg geen behoefte bestaat en bepalingen die in de praktijk niet afdwingbaar zijn, na een kritische toetsing niet meer in de voorliggende A.P.V. opgenomen. Naast het afschaffen van regels is in een aantal gevallen een vrijstellingsbevoegheid opgenomen zodat het bevoegde bestuursorgaan voor bepaalde activiteiten vrijstelling kan verlenen of een meldingsplicht kan invoeren, al dan niet in combinatie met het vaststellen van algemene voorschriften. Desondanks is voor verschillende activiteiten het vereiste van een vergunning of ontheffing opgenomen, omdat: de gemeentelijke overheid ten aanzien van deze activiteiten behoefte heeft ordenend c.q. sturend te kunnen optreden en ten aanzien van deze activiteiten ook zelf een grote(
- re)verantwoordelijkheid voor een goed en veilig verloop heeft; het stellen van algemene voorschriften bij bepaalde activiteiten niet goed mogelijk is en in die gevallen maatwerk noodzakelijk is; de rechtsbescherming van derden bij het vaststellen van algemene voorschriften in samenhang met een vrijstelling of meldingsplicht wegvalt. 5. Regionale uniformiteitHet Politiedistrict Noord-Oost Gelderland heeft de Achterhoekse gemeenten verzocht om een aantal artikelen in de Algemene Plaatselijke Verordening te uniformeren. De politie werkt gemeentegrens overstijgend en onderlinge verschillen in de gemeentelijke regelgeving maken dit lastig. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om artikelen die een relatie met openbare orde en veiligheid hebben en waarbij de problematiek in alle Achterhoekse gemeenten vrijwel hetzelfde is. De regionale werkgroep APV (waarin ook de politie vertegenwoordigd
- is)heeft hierover advies aan de betrokken gemeenten uitgebracht en dit advies is in de voorliggende APV verwerkt. Los van het vorenstaande wordt ambtelijk en bestuurlijk al jarenlang gestreefd naar zoveel mogelijk uniformiteit en dus eenheid in de gemeentelijke APV-regelgeving binnen de regio Achterhoek. Veel gemeenten hebben de afgelopen jaren hun regelgeving echter gedereguleerd waarbij de regionale uniformiteit soms enigszins uit het oog is verloren. Dit heeft tot gevolg gehad dat er weer grotere verschillen in de APV-regelgeving zijn ontstaan. Met bovenstaand voorstel worden deze verschillen weer gedeeltelijk weggenomen. 6. Europese DienstenrichtlijnOp 28 december 2009 is de Europese Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet van kracht geworden. Doelstelling van deze richtlijn en wet is om belemmeringen voor (grensoverschrijdende) dienstverleners weg te nemen. Dit betekent dat ook gemeentelijke regelgeving geen onnodige of onrechtmatige belemmeringen voor dienstverleners mag bevatten. Aldus moeten regels in de eerste plaats voldoen aan drie beginselen: het non-discriminatiebeginsel, het proportionaliteitsbeginsel (noodzakelijkheid) en het subsidiariteitsbeginsel (evenredigdheid). De Dienstenrichtlijn stelt de volgende aanvullende eisen aan vergunningstelsels: een vergunning wordt in beginsel voor onbepaalde tijd verleend; een beperkte geldigheidsduur moet worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang; de in rekening gebrachte legeskosten moeten redelijk en evenredig zijn; de overheid mag hierop geen winst maken en er mag geen kruissubsidiëring plaatsvinden; op een vergunningsaanvraag moet in beginsel binnen 8 weken een besluit worden genomen; deze termijn kan ten hoogste eenmaal verlengd worden met vermelding van de (redelijke) termijn waarbinnen alsdan het besluit zal worden; bij elke aanvraag moet een ontvangstbevestiging worden toegezonden met vermelding van de termijn waarbinnen een besluit op de aaanvraag wordt genomen, de rechtsmiddelen die tegen een eventuele weigering openstaan en de vermelding os sprake is van een lex silencio positivo; in beginsel geldt de lex silencio positivo hetgeen betekent dat de vergunning van rechtswege wordt verleend als niet binnen de voorgeschreven termijn van 8 weken (of eventueel na verdaging) een besluit op de aanvraag is genomen; hiervan kan alleen afgeweken worden wanneer ook hier sprake is van zwaarwegende belangen; de lex silencio positivo is in principe op alle vergunningen van toepassing tenzij in de verordening expliciet is opgenomen dat een bepaalde vergunning hiervan uitgezonderd is. Bij de opstelling van deze verordening heeft een toetsing aan de Europese Dienstenrichtlijn en Dienstenwet plaatsgevonden en zijn bepalingen waar nodig aan de richtlijn en wet aangepast. 7. Schaarse vergunningen Schaarse vergunningen zijn besluiten waarbij publieke rechten worden toegekend voor het verrichten van economische activiteiten (waaronder diensten) die in beperkte mate worden toegestaan. Bestuursorganen moeten bij het verdelen van zogenoemde schaarse vergunningen potentiële gegadigden de mogelijkheid bieden om naar deze vergunningen mee te dingen. Dit vloeit voort uit het formele gelijkheidsbeginsel, het beginsel van gelijke kansen. Bestuursorganen moeten daarbij een “passende mate van openbaarheid” garanderen. Het vorenstaande betekent o.m. dat: de beperking in de afgifte van vergunningen voor bepaalde activiteiten op basis van redenen van algemeen belang goed onderbouwd moet worden, de vergunningverlening transparant (“passende mate van openbaarheid”) moet zijn, de selectiecriteria duidelijk, precies en ondubbelzinnig moeten vast staan, elke ondernemer (tijdig) de kans moet krijgen een vergunning aan te vragen, geen vergunningen voor onbepaalde tijd mogen worden verleend, het vrijwel automatisch verlengen van tijdelijke vergunningen evenmin mogelijk is. 8. Bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteitUit Handboek bestuurlijke aanpak georganiseerde criminaliteit CCV: Alle gemeenten in Nederland hebben te maken met criminele praktijken. Georganiseerde misdaad vindt daar plaats waar de gelegenheid of omstandigheden voor daders het meest gunstig zijn. Voor haar activiteiten is de georganiseerde misdaad aangewezen op lokale infrastructuren en faciliteiten. Het uitvoeren van illegale activiteiten is vrijwel onmogelijk zonder gebruik te maken van diensten van de legale markt (voor bijvoorbeeld distributie, financiële handelingen, vergunningen en huisvesting). Daarnaast zijn misdaadgroeperingen altijd op zoek naar manieren om crimineel vermogen wit te wassen, bijvoorbeeld door te investeren in vastgoed of de exploitatie van horecabedrijven. Binnen de bestuurlijke aanpak neemt het openbaar bestuur, veelal op lokaal niveau, vanuit de eigen bevoegd- en verantwoordelijkheden die maatregelen, waardoor de georganiseerde criminaliteit in de activiteiten belemmerd of gefrustreerd wordt. De bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit richt zich niet zozeer op de kernactiviteiten van de georganiseerde criminaliteit, maar juist op de cruciale ondersteunende activiteiten. De maatregelen richten zich niet op personen (de potentiële daders), maar op de situaties en gelegenheidsstructuren die de georganiseerde criminaliteit faciliteren en soms zelfs aanmoedigen. De bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit maakt deel uit van een integrale bestrijding van criminaliteit waarbij alle partijen hun verantwoordelijkheid nemen. Ook de lokale regelgeving kan in samenhang met de toepassing van de Wet BIBOB effectief worden ingezet om – aanvullend op de uitvoering van de Drank- en Horecawet – juist ondersteunende bedrijfsactiviteiten met een criminele achtergrond te bestrijden. Daarom zijn met dit motief – bestuurlijke bestrijding van georganiseerde criminaliteit - in deze verordening twee vergunningstelsels opgenomen die erop gericht zijn om criminele bedrijfsactiviteiten en een malafide ondernemingsklimaat tegen te gaan en het woon- en leefklimaat in bepaalde delen van de gemeente - indien nodig - beter te beschermen. De opname van deze vergunningstelsels wil niet zeggen dat in deze gemeente veel criminele bedrijfsactiviteiten plaatsvinden maar heeft in de eerste plaats een preventieve werking en biedt de burgemeester de mogelijkheid in voorkomende gevallen snel hierop te kunnen acteren. 9. Wet aanpak woonoverlastOp 1 juli 2017 is de Wet aanpak Woonoverlast in werking getreden. Deze wet geeft de gemeenteraad de mogelijkheid om de burgemeester bij de verordening de bevoegdheid toe te kennen om een last onder bestuursdwang op te leggen aan degene, die een woning - of een bij die woning behorend erf - gebruikt, indien door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf omwonenden ernstig worden gehinderd. Met de toekenning van deze bevoegdheid aan de burgemeester kunnen gemeenten effectiever tegen allerlei vormen van woonoverlast optreden. Wel moet bedacht worden dat dit instrument alleen ingezet kan worden als er geen andere geschikte manier is om de overlast aan te pakken (“ultimum remedium”). Met de opname van artikel 2.52 in deze verordening heeft de burgemeester een goede juridische basis om – indien nodig – middels een last onder dwangsom of het toepassen van bestuursdwang tegen ernstige vormen van woonoverlast op te kunnen treden. Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGENArtikel 1.1 BegripsomschrijvingenIn deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: bevoegd gezag het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht; weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; openbare plaats: de plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek; openbaar water: alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn; bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; voertuigen: alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder 1a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; bouwwerk: een bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening; gebouw: elk gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c van de Woningwet; vee: tamme dieren die worden gehouden ten behoeve van de productie van vlees, melk, wol of andere dierlijke producten; pluimvee: klein- en pluimvee, eenden en ganzen; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; geluidsapparaat: een apparaat, bestemd of mede bestemd voor het voortbrengen van geluid. samenscholing: het groepsgewijze bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben; Artikel 1.2 BeslistermijnHet bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Het bestuursorgaan kan de termijn als bedoeld in het eerste lid voor ten hoogste acht weken verlengen. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing, indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.4, lid 1 of artikel 4.9, lid 1 van deze verordening. Artikel 1.3 Voorschriften en beperkingenAan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1.4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffingDe vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1.5 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffingDe vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder van de vergunning of ontheffing dit verzoekt. Artikel 1.6 TermijnenDe vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen beperkt is en het mogelijke aantal aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1.7 WeigeringsgrondenTenzij anders is vermeld kan een vergunning of ontheffing krachtens deze verordening worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu; Een vergunning of ontheffing kan voorts worden geweigerd indien de aanvraag op een dusdanig tijdstip is ingediend dat daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet meer mogelijk is. Artikel 1.8 Fictieve beschikkingParagraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de volgende artikelen van deze verordening: artikel 2.4, lid 1: vergunning aanleg of veranderen van een weg artikel 2.26, lid 4: ontheffing verbod betreden gesloten woning of lokaal artikel 2.31, lid 3: ontheffing verboden drankgebruik artikel 2.35, lid 2: ontheffing verbod slapen op of aan de weg artikel 2.37, lid 3: ontheffing verbod loslopende honden artikel 2.43, lid 2: vrijstelling verplichtingen verkoopregister artikel 2.47, lid 4: ontheffing verbod carbid schieten artikel 4.3, lid 4: toestemming afwijken van voorschriften incidentele festiviteiten artikel 4.4, lid 2: ontheffing veroorzaken geluidhinder artikel 4.11, lid 3: ontheffing verbod recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen artikel 5.2, lid 4: ontheffing verbod parkeren voertuigen van autobedrijven e.d. artikel 5.3, lid 2: ontheffing verbod parkeren voertuigen op aangewezen wegen of weggedeelten om te verkopen of te verhandelen artikel 5.6, lid 2: ontheffing verbod caravans e.d. op de weg artikel 5.7, lid 2: ontheffing verbod parkeren reclamevoertuigen op de weg artikel 5.8, lid 4: ontheffing verbod parkeren grote voertuigen op de weg artikel 5.10, lid 3: ontheffing verbod betreden groenvoorzieningen met voertuigen artikel 5.12, lid 1: vergunning inzameling van geld of goederen artikel 5.16, lid 5: ontheffing verbod toegang natuurgebieden artikel 5.18, lid 2: ontheffing verbod verbranden van afval en stoken van vuur in de openlucht Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de volgende artikelen van deze verordening: artikel 2.1, lid 4: ontheffing verbod op samenscholing etc. artikel 2.3, lid 1: vergunning gebruik openbare weg artikel 2.14, lid 1: vergunning organiseren evenement artikel 2.17, lid 1: vergunning exploitatie openbare inrichting artikel 2.19, lid 2: ontheffing sluitingstijden openbare inrichtingen artikel 2.25, lid 1: vergunning exploitatie speelgelegenheid artikel 3.3, lid 1: vergunning exploitatie seksbedrijf Hoofdstuk 2 OPENBARE ORDE Afdeling 1: Bestrijding ongeregeldheden Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldhedenHet is verboden op een openbare plaats: deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden, iemand uit te jouwen of met aanstootgevende taal of op andere wijze lastig te vallen. Degene die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan of zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in het derde lid. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel 2.1a Vechten op straat Het is verboden op een openbare plaats te vechten. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor plaatsen of gebouwen waar vechtsporten worden beoefend. Afdeling 2: Betogingen Artikel 2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsenDegene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en tenminste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van de beëindiging; de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een ordelijk verloop te bevorderen. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Indien de betoging wordt gehouden op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid gedaan op de voorafgaande werkdag uiterlijk om 12 uur. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Afdeling 3: Bruikbaarheid en aanzien van de wegArtikel 2.3 Voorwerpen of stoffen op, in of boven de wegHet is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen; zonneschermen, voorzover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voorzover: elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt, en elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op meer dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt, en elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan; voertuigen; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; evenementen als bedoeld in artikel 2.12; standplaatsen als bedoeld in artikel 5.14; overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. Burgemeester en wethouders kunnen voor bepaalde vormen van gebruik van de weg of een weggedeelte vrijstelling van het verbod in het eerste lid verlenen of hiervoor een meldingsplicht invoeren onder het stellen van algemene voorschriften. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het bevoegde gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoeld gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, danwel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of het Gelders wegenreglement. Artikel 2.4 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen of veranderen van een wegHet is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, de aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering aan te brengen in de wijze van aanleg van een weg. Op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt beslist: door het bevoegde gezag indien de activiteiten zijn verboden op grond van een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, en door burgemeester en wethouders in overige gevallen. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Gelderse Wegenverordening, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Artikel 2.5 Maken en veranderen van een uitwegHet is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien: daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; dat ten koste gaat van een doelmatig gebruik van openbare parkeerruimte; dat ten koste gaat van gemeentelijke groenvoorzieningen; de aanleg van de uitweg een nadelig effect op het uiterlijk aanzien van de gemeente heeft. Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot de verbodscriteria in lid 1 nadere regels vaststellen. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Gelders wegenreglement. Afdeling 4 : Veiligheid op de wegArtikel 2.6 Veroorzaken van gladheidHet is verboden bij vorst of dreigende vorst water of andere vloeistoffen die gladheid kunnen veroorzaken op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.7 Hinderlijke beplanting of voorwerpHet is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of op andere wijze hinder of gevaar voor het wegverkeer wordt veroorzaakt. Artikel 2.8 Openen straatkolken e.d.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2.9 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerpHet is verboden langs het voor voetgangers en/of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben op een afstand van minder dan 0.25 meter uit de uiterste boord van de weg. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.10 Voorzieningen voor verkeer en verlichtingDe rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2.11 Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichtingHet is degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 5 : DroppingsArtikel 2.12 DroppingsDegene die voornemens is een dropping te houden moet hiervan tenminste 72 uur voordat de dropping gehouden zal worden schriftelijk kennis geven aan de burgemeester onder vermelding van: naam en adres van degene die de dropping organiseert; de datum en het tijdstip waarop de dropping zal plaatsvinden, en de plaats waar de deelnemers aan de dropping zullen worden gedropt. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid en ter bescherming van de flora en fauna voorschriften geven die bij het houden van de dropping in acht genomen moeten worden. Indien een dropping naar verwachting zal leiden tot een verstoring van de openbare orde of een aantasting van natuurgebieden of indien bij een dropping de veiligheid van de deelnemers aan de dropping of anderen onvoldoende gewaarborgd is, kan de burgemeester de te houden dropping verbieden. Afdeling 6: Toezicht op evenementenArtikel 2.13 BegripsomschrijvingIn deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de Kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen en het hier doen plaatsvinden van muziekoptredens; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2.12 van deze verordening; speelgelegenheden als bedoeld in artikel 2.22 van deze verordening. Onder evenement wordt mede verstaan: een braderie, rommelmarkt, snuffelmarkt, beurs of een andere voor het publiek toegankelijke markt waar verkoop van goederen plaatsvindt met uitzondering van een markt als bedoeld in het eerste lid onder b.; een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.2, een feest, barbecue, muziekoptreden of wedstrijd op of aan de weg. Artikel 2.14 EvenementenHet is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. De burgemeester kan vrijstelling van het verbod als bedoeld in het eerste lid verlenen of een meldingsplicht invoeren voor door hem aan te wijzen categorieën evenementen. De burgemeester kan met betrekking tot een categorie evenementen waarvoor op grond van het tweede lid vrijstelling is verleend of een meldingsplicht is ingevoerd algemene voorschriften vaststellen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet, voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.15 Ordeverstoring bij evenementenHet is verboden bij evenementen de orde te verstoren. Afdeling 7: Toezicht op openbare inrichtingenArtikel 2.16 BegripsomschrijvingenIn deze afdeling wordt verstaan onder: openbare inrichting: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis; elke andere voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid; campings en vakantieparken; terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. exploitant: degene die een horecabedrijf exploiteert of, indien de exploitant een rechtspersoon is, de natuurlijke persoon die bestuurder van die rechtspersoon is; bezoekers: degenen die in het horecabedrijf verblijven met uitzondering van: de gezinsleden van de exploitant alsmede zijn elders wonende bloed en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. Artikel 2.17 Exploitatie openbare inrichtingHet is verboden zonder vergunning van de burgemeester een openbare inrichting te exploiteren. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. In afwijking van het bepaalde in artikel 1.7 kan de burgemeester de vergunning weigeren indien: naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde door de exploitatie van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed, de exploitatie van de openbare inrichting een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde met zich mee zal brengen, in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; de exploitant en/of leidingevende(
- n)in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting waarvoor tevens op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet een vergunning is vereist. Het eerste lid geldt voorts niet voor een openbare inrichting die zich bevindt in: een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; een zorginstelling, of een museum. De burgemeester kan besluiten dat een of meer in het besluit aangeduide soorten openbare inrichtingen in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente zijn vrijgesteld van de in lid 1 omschreven vergunningplicht. Artikel 2.18 TerrassenIn afwijking van het bepaalde in artikel 2.3, eerste lid beslist de burgemeester op een vergunningsaanvraag tot de ingebruikname van de weg indien dit gebruik betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Gelders wegenreglement. Artikel 2.19 SluitingstijdenHet is de exploitant van een openbare inrichting verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02.00 en 06.00 uur. De burgemeester kan aan een exploitant ontheffing van het bepaalde in het eerste lid verlenen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in dit onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 2.20 Afwijkende sluitingstijdDe burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen. Artikel 2.21 Sluiting van openbare inrichtingenDe burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde en veiligheid de sluiting bevelen van een openbare inrichting indien daar: door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de inrichting ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van de inrichting of in de directe nabijheid daarvan. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. Het is verboden een openbare inrichting te betreden waarvan de sluiting is bevolen. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf de inrichting te betreden. Het derde, vierde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot sluiting van een woning, een lokaal of een bijbehorend erf. Artikel 2.22 Ordeverstoring Het is verboden in een openbare inrichting: de orde te verstoren; zich na sluitingstijd als bedoeld in artikel 2.19 in een openbare inrichting te bevinden; op het terras van een openbare inrichting spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik van het terras maken. Artikel 2.23 Handel in openbare inrichtingenIn dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. Afdeling 8 : Toezicht op speelgelegenhedenArtikel 2.24 BegripsomschrijvingenIn deze afdeling wordt verstaan onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid, waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij premies, geld of in geld inwisselbare goederen kunnen worden gewonnen en verloren. Artikel 2.25 Exploitatievergunning speelgelegenheidHet is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren. Het eerste lid is niet van toepassing op: speelcasino’s, waarvoor op grond van artikel 27h van de Wet op de kansspelen een vergunning is vereist; speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c van de Wet op de kansspelen een vergunning is vereist; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de Kansspelen te beoefenen of waar gelegenheid wordt gegeven te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de Kansspelen of waar gelegenheid wordt gegeven tot de in artikel 1 onder a van de Wet op de Kansspelen omschreven handeling. de door de burgemeester aangewezen soorten speelgelegenheden. In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning: indien de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde of veiligheid door de exploitatie van de speelgelegenheid naar zijn oordeel op ontoelaatbare wijze nadelig zullen worden beïnvloed; indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Afdeling 9 : Maatregelen tegen overlast en baldadigheidArtikel 2.26 Betreden gesloten woning of lokaalHet is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. De verboden in het eerste en tweede lid gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen. Artikel 2.27 Plakken en kladdenHet is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien: gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift of gebruik wordt gemaakt van de daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen plakgelegenheden. Het is verboden om door burgemeester en wethouders aangewezen plakgelegenheden als bedoeld in lid 3 onder b. te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. Artikel 2.28 Vervoer inbrekerswerktuigenHet is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Artikel 2.29 Geprepareerde tassenHet is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels, gedurende de openingstijden daarvan, een tas of ander voorwerp bij zich te dragen die of dat ertoe uitgerust is om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dit lid bedoelde voorwerp niet is bestemd voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel 2.30 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsenHet is verboden op een openbare plaats: te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de artikelen 424, 426 bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.31 Verboden drankgebruikOnverminderd het bepaalde in de Drank- en Horecawet is het verboden op een openbare plaats binnen de bebouwde kom of andere door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes of andere voorwerpen gevuld met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras dat behoort tot een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet is verleend. De burgemeester kan ontheffing van het verbod in het eerste lid verlenen. Artikel 2.32 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimtenHet is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze ruimte te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Onder een voor het publiek toegankelijke ruimte worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2.33 Plaatsen van fietsen, bromfietsen en scootersHet is verboden op een openbare plaats een fiets, bromfiets of scooter te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; daardoor de toegang tot dat gebouw of de ingang van dat portiek versperd wordt. Artikel 2.34 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel 2.35 Slapen op openbare plaatsen Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen of plaatsen aanwijzen waar het verbod niet geldt. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor vrachtwagenchauffeurs die bij de uitoefening van hun beroep in de cabine van hun vrachtwagen overnachten. Het in het eerste lid bepaalde geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woonwagenwet of indien een ontheffing als bedoeld in artikel 4.11 lid 3 is verleend. Artikel 2.36 BedelarijHet is verboden op of aan een door burgemeester en wethouders aangewezen openbare plaats of voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken. Artikel 2.37 Loslopende hondenHet is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen plaats; buiten de bebouwde kom zonder deze hond onder geleide of direct toezicht te houden. Burgemeester en wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing van het verbod in het eerste lid onder a verlenen indien van de eigenaar of houder in redelijkheid niet verwacht kan worden dat de hond aangelijnd is. Artikel 2.38 Verontreiniging door hondenDe eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op openbare plaatsen binnen de bebouwde kom; op een voor het publiek toegankelijke en als zodanig ingerichte kinderspeelplaats; op andere door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de in dit lid bedoelde persoon ervoor zorgt dat de uitwerpselen van de hond onmiddellijk worden verwijderd. De eigenaar of houder van een hond is verplicht, indien hij zich met die hond op een plaats als bedoeld in het eerste lid bevindt: een geschikt en doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben om de uitwerpselen van die hond te verwijderen, en dit hulpmiddel op eerste vordering te tonen aan een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 6.2 van deze verordening of aan een toezichthouder als bedoeld in artikel 6.2a van deze verordening. Het in het eerste en tweede lid bepaalde is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Artikel 2.39 Gevaarlijke hondenHet is de eigenaar of houder van een hond verboden zijn hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd, nadat de burgemeester de eigenaar of houder schriftelijk heeft meegedeeld dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en hij een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk acht; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat de burgemeester de eigenaar of de houder schriftelijk heeft medegedeeld, dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een korf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals van de hond zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig gevormd is dat de hond door het dragen hiervan geen mens of dier kan bijten, kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. Artikel 2.40 Houden van hinderlijke of schadelijke dierenHet is verboden om een of meer dieren te houden op een voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze. Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar of houder van een of meer dieren verplichten maatregelen te treffen ter voorkoming van hinder of schade voor de omgeving. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 2.41 Loslopend vee en pluimveeDe rechthebbende op vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die weg niet kan bereiken. Afdeling 10: Bepalingen ter bestrijding van heling van goederenArtikel 2.42 BegripsomschrijvingIn deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.43 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregisterDe handelaar is verplicht digitaal aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register (het Digitaal Opkopersregister oftewel DOR) en daarin onverwijld op te nemen: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. Artikel 2.44 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van StrafrechtDe handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn digitaal register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Afdeling 11: Vuurwerk/carbidArtikel 2.45 BegripsomschrijvingIn deze afdeling wordt verstaan onder: consumentenvuurwerk: vuurwerk als bedoeld in het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (het Vuurwerkbesluit); toezichthouder: een persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, geen alcoholhoudende drank heeft genuttigd en erop toeziet dat het carbid schieten veilig verloopt en zo nodig tijdig kan ingrijpen. Artikel 2.46 Gebruik consumentenvuurwerkHet is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door de burgemeester ter voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats te bezigen, indien hierdoor gevaar, schade of ernstige overlast wordt veroorzaakt. Het in het eerste en het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.47 Carbid schietenOnder carbidschieten wordt in dit artikel verstaan: het in een bus/container/opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. Het is verboden in de openlucht met carbid te schieten. Het verbod in het tweede lid geldt niet indien wordt voldaan aan de volgende voorschriften: het carbidschieten vindt plaats op 31 december tussen 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur; bij het carbidschieten wordt gebruik gemaakt van bussen met een maximale inhoud van 40 liter die niet met een metalen deksel of een andere hard voorwerp afgesloten mogen worden; het carbidschieten vindt plaats buiten de bebouwde kom op een afstand van tenminste: 100 meter van woningen; 300 meter van gebouwen of andere voorzieningen waarin dieren verblijven; het schootsveld bedraagt tenminste 100 meter en binnen dit schootsveld bevindt zich geen publiek of andere personen en zijn geen openbare wegen of paden gelegen; degene die met carbid schiet neemt alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen om elk gevaar voor mens en dier te voorkomen; indien degene die met carbid schiet de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt is een toezichthouder aanwezig. De burgemeester kan ontheffing van het verbod in het tweede lid verlenen. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 12 : DrugsoverlastArtikel 2.48 Verbod drugshandel op straatOnverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Afdeling 13 : Veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen, gebiedsontzegging en aanpak woonoverlast Artikel 2.49 VeiligheidsrisicogebiedenDe burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2.50 Cameratoezicht op openbare plaatsenDe burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een weg of andere openbare plaats. Artikel 2.51 GebiedsontzeggingDe burgemeester kan degene van wie wordt verwacht dat hij, hetzij alleen, hetzij in groepsverband, de openbare orde verstoort danwel dreigt te verstoren door het plegen van strafbare feiten, door baldadigheid of hinderlijk gedrag of anderszins personen lastigvalt of schade toebrengt, uit het oogpunt van handhaving van de openbare orde het bevel geven zich verwijderd te houden van of uit een door de burgemeester bij bevel gegeven plaats of gebied, gedurende de tijd, bij het bevel genoemd. Het is verboden zich op een plaats of in een gebied te bevinden in strijd met een krachtens het eerste lid gegeven bevel. Het in het eerste lid bedoelde bevel geldt niet voorzover de persoon tot wie het bevel is gericht: op de plaats of in het gebied blijkens opgave in het persoonsregister van de gemeente woonachtig is; aannemelijk maakt dat hij op de plaats of in het gebied werkzaam is; zich in een middel van openbaar vervoer bevindt; anderszins aannemelijk maakt dat hij een zwaarwegend belang heeft zich op die plaats of in het gebied op te houden. Artikel 2.52 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d van de GemeentewetDegene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of vanaf een erf. Afdeling 14: Toezicht op bedrijfsmatige activiteiten en gebouwenArtikel 2.53 Tegengaan van onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat.In dit artikel wordt verstaan onder: exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(
- s)van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. De burgemeester kan gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening; indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.5 van deze verordening kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of; door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of; de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of; de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of; de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of; er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of; er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of; de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. Hoofdstuk 3 REGULERING PROSTITUTIEAfdeling 1 : Algemene bepalingenArtikel 3.1 AfbakeningDe artikelen 1.2, 1.5, 1.6 en 1.7 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Artikel 3.2 BegripsomschrijvingenIn dit hoofdstuk wordt verstaan onder: advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats; seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf; werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht. Afdeling 2: Vergunning seksbedrijfArtikel 3.3 VergunningHet is verboden zonder vergunning van de burgemeester een seksbedrijf uit te oefenen. Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd. Artikel 3.4 Maximum aantal vergunningen voor seksinrichtingenDe burgemeester kan een maximum stellen aan het totaal aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend. Bij de vaststelling van een maximum als bedoeld in het eerste lid stelt de burgemeester een maximale geldigheidsduur van de te verlenen vergunningen vast. Artikel 3.5 Vergunningsaanvraag Een aanvraag om vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier. Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd en worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: de persoonsgegevens van de exploitant; een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant; het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; informatie of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken; het adres van de inrichting waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf; indien van toepassing de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd door middel van een tekening met een schaalaanduiding. Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid onder a en b van overeenkomstige toepassing op de beheerder. Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen. Artikel 3.6 WeigeringsgrondenEen vergunning wordt geweigerd als: de exploitant of de beheerder onder curatele staat; de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij; de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 ; de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht , wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet , de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 , de Wet arbeid vreemdelingen of hoofdstuk 3 van deze Algemene Plaatselijke Verordening; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen of de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd of een beheersverordening. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijkgesteld: een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; als de openbare orde, de woon- en leefomgeving en/of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig worden beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; als het bedrijfsplan niet voldoet aan de in artikel 3.14, eerste en tweede lid gestelde eisen; als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:.6 gestelde verplichtingen zal naleven. Artikel 3.7 Eisen met betrekking tot de vergunningDe vergunning vermeldt in ieder geval: de naam van de exploitant; indien van toepassing die van de beheerder; voor welke activiteit(
- en)de vergunning is verleend; het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden, en indien van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning; De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning is verleend. n voorts dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt. Artikel 3.8 IntrekkingsgrondenDe vergunning wordt ingetrokken als: de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; is gehandeld in strijd met de artikelen 3.11, 3.12, aanhef en onder a, 3.13, 3.14 en 3:16, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a tot en met i; de vergunninghouder dat verzoekt; de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning. Artikel 3.9 Melding gewijzigde omstandighedenDe vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3.7, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet. Afdeling 3: Uitoefenen seksbedrijfParagraaf 3.1 Regels voor seksbedrijven en prostitueesArtikel 3.10 Sluitingstijden seksinrichtingen en toegangHet is de exploitant en de beheerderverboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02.00 en 08.00 uur tenzij bij vergunning anders is bepaald. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers. Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting. Artikel 3.11 Leeftijd en verblijfstitel prostitueesProstitutie vindt uitsluitend plaats door een prostituee die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; in Nederland verblijft in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000. Het is een prostituee verboden werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een seksbedrijf is verleend. Artikel 3.12 BedrijfsplanEen seksbedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: op het gebied van hygiëne; ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees; ter bescherming van de gezondheid van de klanten; ter voorkoming van strafbare feiten. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is; inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees; in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn; in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is; de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek; de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken; de prostituee vrij is in de keuze van de arts(
- en)die zij wil bezoeken; de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft; de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft; aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin; de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen; de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt; de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt; de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie; de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt. Het bedrijfsplan wordt ingediend bij de aanvraag om een vergunning. De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld. De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant. In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken. Artikel 3.13 Overige verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijfDe exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het seksbedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend. De exploitant van een seksbedrijf draagt er zorg voor dat: de voor of bij het seksbedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen; er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval; de voor of bij het seksbedrijf werkzame prostituees; de verhuuradministratie; met betrekking tot alle voor of bij het seksbedrijf werkzame prostituees, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k; de werkroosters van de beheerders; de werkroosters van de voor of bij het bedrijf werkzame prostituees. de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders; medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden; onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting; onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur; gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf. Paragraaf 3.2 Raam- en straatprostitutie Artikel 3.14 RaamprostitutieHet is een prostituee verboden: zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen en passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden. Artikel 3.15 StraatprostitutieHet is verboden zich op een openbare plaats of op een vanaf die plaats zichtbare plek, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, op te houden met het kennelijke doel zich beschikbaar te stellen voor prostitutie of op een openbare plaats ontuchtige handelingen te verrichten als dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie. Afdeling 4. Overige bepalingenArtikel 3.16 Verbodsbepalingen klantenHet is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend. Het is verboden op een openbare plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee. Het in het tweede lid genoemde verbod geldt niet voor diensten van een prostituee in een seksinrichting waarvoor op grond van artikel 3.3 vergunning is verleend. Artikel 3.17 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijkeHet is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Hoofdstuk 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN DE ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Afdeling 1 : GeluidhinderArtikel 4.1 BegripsomschrijvingenIn deze afdeling wordt verstaan onder: Besluit : Activiteitenbesluit milieubeheer; inrichting : een inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; houder van een inrichting : degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit : festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit : festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteitenDe geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door burgemeester en wethouders aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de aanwijzing slechts geldt voor een of meer gebiedsdelen. Voor festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geldt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) tengevolge van muziekactiviteiten niet meer bedraagt dan 65 dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. De geluidswaarde als bedoeld in het derde lid is inclusief onversterkte muziek. Bij de vaststelling van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als bedoeld in lid 3 wordt geen toeslag muziekcorrectie berekend. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van muziek met een geluidsniveau hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd, tenzij burgemeester en wethouders anders hebben bepaald. Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteitenHet is de houder van een inrichting toegestaan in zijn inrichting maximaal 6 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te doen plaatsvinden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting tenminste 3 weken voor de aanvang van de festiviteit burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld. De houder van de inrichting dient bij festiviteiten als bedoeld in lid 1 de volgende voorschriften in acht te nemen: het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) tengevolge van muziekactiviteiten in de inrichting mag niet meer bedragen dan: 65 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; 45 dB(A), gemeten in de binnenruimte van aanpandige gevoelige gebouwen; de hiervoor genoemde normen gelden ook voor onversterkte muziek; het bepaalde in het eerste lid geldt uitsluitend voor muziekactiviteiten die in de binnenruimte van de inrichting plaatsvinden; de muziekactiviteiten moeten op vrijdag- en zaterdagavond uiterlijk om 01.00 uur en op andere dagen uiterlijk om 24.00 uur zijn beëindigd; de tijdsduur van een muziekactiviteit bedraagt maximaal 4 uur; tijdens het ten gehore brengen van muziek moeten ramen en deuren van de inrichting gesloten blijven, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Bij de vaststelling van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als bedoeld in het tweede lid wordt geen toeslag muziekcorrectie berekend. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere omstandigheden op verzoek van de houder van de inrichting toestaan dat van de voorschriften in het tweede lid wordt afgeweken. Indien de voorschriften als bedoeld in het tweede lid bij voorgaande festiviteiten niet zijn nageleefd, kunnen burgemeester en wethouders de festiviteiten verbieden. Artikel 4.4 Overige vormen van geluidhinderHet is verboden buiten een inrichting, in de zin van de Wet milieubeheer, met toestellen of geluidsapparaten dan wel op andere wijze handelingen te verrichten, waardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen. Burgemeester en wethouders kunnen voor bepaalde door hen aan te wijzen activiteiten vrijstelling van het verbod in het eerste lid verlenen of hiervoor een meldingsplicht invoeren. Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot activiteiten waarvoor op grond van het derde lid vrijstelling is verleend of een meldingsplicht is ingevoerd algemene voorschriften vaststellen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet, het Reglement Verkeerstekens en verkeersregels, de Luchtvaartwet, het Wetboek van Strafrecht, het Vuurwerkbesluit of de Wet milieugevaarlijke stoffen. Afdeling 2: Maatregelen tegen verontreiniging, stankoverlast en ontsieringArtikel 4.5 Verontreiniging bij werkzaamheden op de wegIndien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden de weg wordt verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht, alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever verplicht: indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de weg terstond na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen of te doen reinigen; indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de weg terstond na de beëindiging van de werkzaamheden of, indien deze langer dan een dag duren, elke dag terstond na beëindiging van de werkzaamheden op die dag te reinigen of te doen reinigen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Gelders wegenreglement. Artikel 4.6 Natuurlijke behoefte doenHet is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 4.7 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwenSloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Artikel 4.8 Opslag voertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, afvalstoffen e.d.Het is verboden op door burgemeester en wethouders in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel, of mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. Burgemeester en wethouders kunnen bij de aanwijzing nadere regels stellen. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening of de Ruimtelijke Verordening Gelderland. Artikel 4.9 HandelsreclameHet is verboden om zonder vergunning van het bevoegde gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te hebben met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is. Het verbod geldt niet voor onverlichte: opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak; opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken welke daartoe zijn aangewezen door de overheid; opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. plaatsen die door burgemeester en wethouders zijn aangewezen voor de plaatsing van borden ten behoeve van de aankondiging van evenementen, mits door het opschrift of de aankondiging de veiligheid van het verkeer niet in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt. In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning bedoeld als in het eerste lid worden geweigerd: indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersveiligheid; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet milieubeheer of de Provinciale landschapsverordening. Afdeling 3: Kamperen buiten kampeerterreinenArtikel 4.10 BegripsomschrijvingenIn deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4.11 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinenHet is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te doen plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat zodanig in het bestemmingplan is bestemd of mede bestemd. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen. Artikel 4.12 Aanwijzing kampeerplaatsenHet verbod van artikel 4.11, eerste lid is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen. Burgemeester en wethouders kunnen daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen in artikel 4.11, vierde lid. Afdeling 4: Beschermde plantenArtikel 4.13 Beschermde plantenBurgemeester en wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waar het ter bescherming van het natuur-, landschaps- of dorpsschoon verboden is daarbij aangeduide planten te plukken, van hun plaats te verwijderen en/of bij zich te hebben. Het is verboden op een door burgemeester en wethouders krachtens het eerste lid aangewezen plaats de daarbij aangeduide planten te plukken, van hun plaats te verwijderen en/of bij zich te hebben. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet natuurbescherming van toepassing is. Hoofdstuk 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTEAfdeling 1: ParkeerexcessenArtikel 5.1 BegripsomschrijvingenIn deze afdeling wordt verstaan onder: voertuigen : alle voertuigen als bedoeld in artikel 1 onder al van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kruiwagens, rolstoelen, kinderwagens en andere kleine voertuigen; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 onder ac van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijven e.d.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen dan wel de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.3 Te koop aanbieden van voertuigenHet is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen wegen of weggedeelten voertuigen te parkeren met het kennelijke doel deze te koop aan te bieden of te verhandelen. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.4 Defecte voertuigenHet is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5.5 VoertuigwrakkenHet is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben. Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5.6 Caravans e.d.Het is verboden een voertuig dat voor de recreatie dan wel voor andere doeleinden dan vervoer wordt gebruikt of is bestemd: langer dan op drie achtereenvolgende dagen op een weg of openbare grond te plaatsen of geplaatst te hebben; op een door burgemeester en wethouders bij persoonlijke aanschrijving aangewezen plaats te plaatsen of geplaatst te hebben waar dit naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente of hinderlijk voor anderen is danwel de verkeersveiligheid in gevaar brengt. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Gelders wegenreglement. Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigenHet is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigenHet is verboden een voertuig, dat met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte heeft van meer dan 2,4 meter te parkeren op door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen, waar dit parkeren naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het is verboden een voertuig, dat met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, te parkeren op door burgemeester en wethouders aangewezen wegen, waar dit parkeren naar hun oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Burgemeester en wethouders kunnen de in het eerste en tweede lid gestelde verboden beperken naar tijd. Burgemeester en wethouders kunnen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel 5.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigenHet is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 5.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigenHet is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of op een niet van de weg deel uitmakende, van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing: op wegen; op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.11 Overlast van fietsen en bromfietsenHet is verboden op door burgemeester en wethouders in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente of ter voorkoming of opheffing van overlast aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. Het is verboden op door burgemeester en wethouders in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente of ter voorkoming van overlast aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en/of in een verwaarloosde toestand verkeren op openbare plaatsen te laten staan. Afdeling 2 : Collecteren en verkopenArtikel 5.12 Inzameling van geld of goedHet is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. Burgemeester en wethouders kunnen onder door hen te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen. Artikel 5.13 Venten e.d.Het is verboden op of aan de weg te venten of anderszins goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven danwel diensten aan te bieden, indien daardoor de verkeersveiligheid in gevaar wordt gebracht of het verkeer ernstig gehinderd wordt. Artikel 5.14 Standplaatsen Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op een openbare en in de openlucht gelegen plaats met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben met het doel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken dan wel diensten aan te bieden; Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een verkoopplaats op een evenement als bedoeld in artikel 2.13. Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Burgemeester en wethouders weigeren de vergunning indien de standplaats in strijd met een geldend bestemmingsplan wordt ingenomen. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kunnen burgemeester en wethouders de vergunning weigeren: indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de eisen van redelijke welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Indien de aanvraag om een standplaatsvergunning een activiteit betreft waarvoor tevens een milieuvergunning is vereist, houden burgemeester en wethouders de beslissing op deze aanvraag aan tot op de dag waarop een beslissing omtrent de aanvraag om deze milieuvergunning is genomen, tenzij de standplaatsvergunning op één van de gronden in het vorige lid of in artikel 1.8 zal worden geweigerd. Afdeling 3 : Crossterreinen en natuurgebiedenArtikel 5.15 BegripsbepalingenIn deze afdeling wordt verstaan onder: motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 5:15a CrossterreinenHet is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel 5.16 Beperking verkeer in natuurgebiedenHet is verboden binnen door burgemeester en wethouders aangewezen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het gebruik van de gebieden en terreinen als genoemd in het eerste lid regels stellen: in het belang van het voorkomen van overlast; in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden; in het belang van de openbare orde en veiligheid, en in het belang van de volksgezondheid. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en voor berijders van paarden ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid RVV 1990 aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de doorburgemeester en wethouders aangewezen plaatsen; die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijke gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d. bedoelde personen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b van de Wegenverkeerswet 1994; binnen de bij of krachtens de provinciale verordening "Stiltegebieden" aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen, die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als "toestel"; Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel 5.17 Voorschriften natuurgebieden en andere terreinenOnverminderd het bepaalde in artikel 5.16 kunnen burgemeester en wethouders ten aanzien van door hen bij openbaar besluit aangewezen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik bedoelde terreinen voorschriften stellen: in het belang van de openbare orde; in het belang van de zedelijkheid; ter voorkoming van gevaar, schade en overlast; ter bescherming van het milieu; in het belang van de volksgezondheid. Afdeling 4 : Verbod om vuur te stoken / rookverbodArtikel 5.18 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stokenHet is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben, indien dit schadelijk is voor het milieu en/of indien dit gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. Burgemeester en wethouders kunnen van dit verbod ontheffing verlenen. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kunnen burgemeester en wethouders een ontheffing weigeren in het belang van de bescherming van flora en fauna. Het verbod in het eerste geldt niet voor het verbranden van snoeihout op het terrein waar het is vrijgekomen mits: het terrein is gelegen buiten de bebouwde kom; degene die snoeihout verbrandt hierop voldoende toezicht uitoefent ter voorkoming van brandgevaar; het verbranden geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving veroorzaakt. In afwijking van het bepaalde in het vierde lid kunnen burgemeester en wethouders het verbranden van snoeihout tijdelijk verbieden dan wel nadere regels stellen ter voorkoming van brandgevaar als gevolg van droogte. Artikel 5.19 RookverbodHet is het verboden te roken in bossen en andere natuurgebieden dan wel binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door burgemeester en wethouders aangewezen periode. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen of aangrenzende erven die als tuin zijn ingericht. Afdeling 5: Verstrooiing van asArtikel 5.20 BegripsomschrijvingIn deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiïng: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de overledene of nabestaanden(
- n)gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel 5.21 Verbod incidentele asverstrooiingIncidentele asverstrooiïng is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen; Burgemeester en wethouders kunnen een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. Artikel 5.22 Verbod incidentele asverstrooiing ingeval van hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden, indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. Hoofdstuk 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGENArtikel 6.1 StrafbepalingOvertreding van het bepaalde in de artikelen van deze verordening en de krachtens deze artikelen gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: de artikelen 4.2 en 4.3 van deze verordening. Artikel 6.2 ToezichthoudersMet het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de buitengewone opsporingsambtenaren als genoemd in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, de ambtenaren van de politie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c , en tweede lid van de Politiewet 1993, en de bij besluit van burgemeester en wethouders dan wel door de burgemeester aangewezen personen. Artikel 6.3 Binnentreden van woningenZij die zijn belast met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6.4 InwerkingtredingDeze verordening treedt in werking op de achtste dag na de dag van bekendmaking hiervan. Op het in het eerste lid genoemde tijdstip wordt de Algemene Plaatselijke Verordening 2010, vastgesteld bij raadsbesluit van 28 januari 2010, nr. I-725 en het laatst gewijzigd bij raadsbesluit van 20 september 2012, nr. IX-6, ingetrokken. Artikel 6.5 OvergangsbepalingVergunningen en ontheffingen verleend krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht tot de termijn waarvoor zij worden verleend is verstreken of totdat zij worden ingetrokken. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid blijven - indien en voor zover de bepalingen in gevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn opgelegd ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht tot de termijn waarvoor zij worden verleend is verstreken of totdat zij worden ingetrokken. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast. Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist