← Nederland

Provinciale milieuverordening Zuid-Holland 2021 (Zuid-Holland)

Kort samengevat

Deze verordening stelt regels vast voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in Zuid-Holland, met name gericht op waterwinning. Het doel is om de regels voor grondwaterbescherming te verbeteren en te actualiseren.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst
Obsah (9)Artikel13Artikel19Artikel25Artikel57Artikel63Artikel69Artikel80Artikel86Artikel90

Provinciale milieuverordening Zuid-Holland 2021Provinciale staten van Zuid-Holland, Gelezen het voorstel van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 20 september, PZH-2021-784159562; Gelet op artikel

Artikel13

Deze afdeling is van toepassing op een niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting. Paragraaf2.2.3.2Regels ter voorkoming of beperking van verontreiniging van grondwater Artikel14 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de voorkoming of beperking van verontreiniging. Artikel15 Een inrichting waarin een activiteit plaatsvindt als bedoeld in bijlage 1, kolom 2, voldoet aan de voorschriften, bedoeld in kolom 1, onder A en B, jo. kolom 3, indien die activiteit plaatsvindt in een gebiedscategorie aangegeven in kolom

  1. Paragraaf2.2.3.3Regels ter bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen Artikel16 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen. Artikel17 Een inrichting waarin een activiteit plaatsvindt als bedoeld in bijlage 1, kolom 2, voldoet aan de voorschriften, vermeld in kolom 1, onder C, jo. kolom 3, indien die activiteit plaatsvindt in een gebiedscategorie aangegeven in kolom
  2. Paragraaf2.2.3.4Ontheffing Artikel18 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van: artikel 15 jo. bijlage 1, kolom 3, onder A en B, indien dit is aangegeven in kolom 6; en artikel 17 jo. bijlage 1, kolom 3, onder C, indien dit is aangegeven in kolom
  3. Afdeling 2.2.4 Instructieregels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen Paragraaf2.2.4.

Artikel19Deze afdeling is van toepassing op een omgevingsvergunningplichtige inrichting.

Paragraaf2.2.4.2Regels ter voorkoming of beperking van verontreiniging van grondwater Artikel20 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de voorkoming of beperking van verontreiniging. Artikel21 Aan de omgevingsvergunning waarin een activiteit plaatsvindt als bedoeld in bijlage 1, kolom 2, worden in ieder geval de in kolom 1, onder A en B, jo. kolom 4, vermelde instructieregels als voorschriften verbonden, indien die activiteit plaatsvindt in een gebiedscategorie aangegeven in kolom

  1. Paragraaf2.2.4.3Regels ter bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen Artikel22 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen. Artikel23 Aan de omgevingsvergunning waarin een activiteit plaatsvindt als bedoeld in bijlage 1, kolom 2, worden in ieder geval de in kolom 1, onder C, jo. kolom 4, vermelde instructieregels als voorschriften verbonden, indien die activiteit plaatsvindt in een gebiedscategorie aangegeven in kolom
  2. Paragraaf2.2.4.4Afwijking en nadere eisen Artikel24 Gedeputeerde staten kunnen van een voorschrift voor een activiteit als bedoeld in artikel 21 en 23, indien dat in bijlage 1, kolom 6, is bepaald, afwijken, dan wel met betrekking tot het in dat voorschrift gereguleerde onderwerp nadere eisen stellen. Afdeling 2.2.5 Activiteiten buiten inrichtingen Paragraaf2.2.5.

Artikel25Deze afdeling is van toepassing op een activiteit buiten een inrichting.

Paragraaf2.2.5.2Regels ter voorkoming of beperking van verontreiniging van grondwater Artikel26 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de voorkoming of beperking van verontreiniging. Artikel27 1.Het is verboden een weg die voor gemotoriseerd verkeer openstaat, een terrein voor dat verkeer, een spoorweg, een luchthaven, een begraafplaats en een terrein voor de uitstrooiing van as, een camping of een ander recreatieterrein aan te leggen, in gebruik te nemen, te gebruiken of uit te breiden. 2.Het eerste lid is met betrekking tot de aanleg, de ingebruikname en het gebruik, niet van toepassing, indien de weg die voor gemotoriseerd verkeer openstaat, het terrein voor dat verkeer, de spoorweg, de luchthaven, de begraafplaats, het terrein voor de uitstrooiing van as, de camping of het andere recreatieterrein op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening reeds was aangelegd in overeenstemming met de regels voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, bedoeld in de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op een uitbreiding van niet-relevante omvang mits door de initiatiefnemer ten minste veertien dagen voor aanvang van de uitbreiding melding is gedaan aan gedeputeerde staten en ten genoegen van gedeputeerde staten kan worden aangetoond dat het risico van verontreiniging van grondwater door die uitbreiding niet toeneemt. Gedeputeerde staten kunnen bepalen bij welke omvang de uitbreiding niet-relevant is en het risico niet toeneemt. Artikel28 1.Het is verboden een gebouw te bouwen, in gebruik te nemen of te gebruiken. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een gebouw dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening reeds was gebouwd in overeenstemming met de voor dat werk of dat gebouw geldende regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning neergelegd in de provinciale milieuverordening Zuid-Holland. Artikel29 1.Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing. 2.Het is niet toegestaan een bodemenergiesysteem te installeren, in gebruik te nemen en te gebruiken. 3.Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing op een bodemenergiesysteem dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening in overeenstemming met de op dat moment geldende regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning is geïnstalleerd of wordt gebruikt. 4.Een bodemenergiesysteem, als bedoeld in het derde lid, voldoet aan de voorschriften, bedoeld in bijlage 2, kolom 1, onder A, jo. kolom 3, indien het bodemenergiesysteem is gelegen in een gebiedscategorie aangegeven in kolom

  1. 5.Het is niet toegestaan vanaf 1 januari 2034 een bodemenergiesysteem, als bedoeld in het derde lid, te gebruiken, dan wel aanwezig te hebben. Artikel30 1.Het is verboden een vaste installatie of leiding met schadelijke vaste en vloeibare stoffen aan te leggen, in gebruik te nemen, te gebruiken of te veranderen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een vaste installatie of leiding die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening reeds was aangelegd in overeenstemming met de voor die installatie of leiding geldende regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning neergelegd in de provinciale milieuverordening Zuid-Holland. 3.Een installatie of leiding als bedoeld in het tweede lid, verkeert in deugdelijke technische staat en biedt voldoende bescherming tegen de invloed van weersomstandigheden en tegen het gevaar van vrijkomen en verspreiding van schadelijke stoffen. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op een openbaar riool, voor zover dit riool niet dieper is gelegen dan 2,5 meter onder het maaiveld, en het niet gaat om een persriool. Artikel31 1.Het is verboden meststoffen op of in de bodem te brengen. 2.Het is verboden meststoffen op te slaan in een hoeveelheid kleiner dan 10 m3 in een waterwingebied gelegen in het duingebied. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op normaal landbouwkundig gebruik van anorganische meststoffen. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op beweiding. Artikel32 Het is verboden grond of baggerspecie toe te passen, tenzij is voldaan aan de voorschriften, bedoeld in bijlage 2, kolom 1, onder A2.1, jo. kolom 3, voorschrift
  2. Artikel33 1.Het is verboden te lozen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een lozing die kan worden geacht een voortzetting te betreffen van een lozing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening plaatsvond in overeenstemming met de voor die lozing geldende regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning neergelegd in de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op: een lozing van water van ter plaatse opgepompt grondwater dat in dezelfde laag wordt gebracht als waaruit het afkomstig is, tenzij: aan dat water schadelijke stoffen zijn toegevoegd; de concentratie van schadelijke stoffen door een bewerking is toegenomen; aan dat water warmte is toegevoegd; een lozing van grondwater voor het beregenen, bevloeien of besproeien met het oog op: de vochtvoorziening van gewassen; het schoonmaken van gewassen op het veld; een lozing van regenwater afkomstig van daken samengesteld uit materiaal waaruit schadelijke stoffen niet kunnen uitlogen; een lozing ten behoeve van het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebrachte materiaal; een lozing van afvalwater afkomstig van het reinigen van een landbouwvoertuig of landbouwmachine tenzij dat voertuig of die machine is gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden; een lozing van water in of op een vloeiveld, bezinkveld of een veld met gewassen; of een lozing in verband met het opspuiten van terreinen met het oog op het bouwrijp maken onder de voorwaarde dat een bodemlaag met slecht-doorlatende eigenschappen ter plaatse aanwezig is. Artikel34 1.Het is verboden schadelijke vaste en vloeibare stoffen voorhanden te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen. 2.Onder een activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval verstaan: een ingreep aan of in de bodem waarbij schadelijke vaste en vloeibare stoffen worden gebruikt, op of in de bodem worden gebracht dan wel daarop of daarin terecht kunnen komen; het voorhanden hebben van stoffen in een vervoermiddel of een verplaatsbaar werktuig of apparaat; en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. 3.Het tweede lid is niet van toepassing op: geringe hoeveelheden schadelijke stoffen ten behoeve van normaal, bovengronds, gebruik in en bij woningen en andere gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; schadelijke stoffen in een vervoermiddel of een verplaatsbaar werktuig of apparaat ten behoeve van het doen functioneren van zo’n vervoermiddel, werktuig of apparaat, mits deugdelijk geladen en verpakt, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; het op of in de bodem brengen van wegenzout ter bestrijding van de gladheid van wegen; handelingen met gevaarlijke stoffen overeenkomstig de bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen gestelde voorschriften. 4.Van een verontreiniging van de bodem met schadelijke stoffen worden gedeputeerde staten terstond in kennis gesteld. Paragraaf2.2.5.3Regels ter bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen Artikel35 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen. Artikel36 1.Het is verboden een ingreep aan of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren die de slecht-doorlatende eigenschappen van de bodemlagen aantast of kan aantasten. 2.Het eerste lid is in ieder geval niet van toepassing op: graven in verband met de aanleg of wijziging van een constructie; de aanleg van een gladde heipaal, tenzij het gaat om een palenmatras ten behoeve van de aanleg van een weg, een spoorweg of een parkeerterrein; de plaatsing van een aardpen; grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning krachtens artikel 6.4 van de Waterwet is verleend; een sanering van de bodem welke sanering op grond van hoofdstuk IV van de Wet bodembescherming is voorgeschreven of toegestaan door gedeputeerde staten; en een ingreep waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet is verleend. Paragraaf2.2.5.4Ontheffing Artikel37 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen: artikel 27, eerste lid, met betrekking tot een weg die voor gemotoriseerd verkeer openstaat, een terrein voor dat verkeer, of een spoorweg; artikel 27, eerste lid met betrekking tot de uitbreiding van een camping, een ander recreatieterrein, een begraafplaats of een terrein voor de uitstrooiing van as; artikel 28; artikel 30 met betrekking tot een vaste installatie of leiding, anders dan een ondergrondse opslag in zo’n installatie of leiding; artikel 31 met betrekking tot meststoffen met een plantaardige herkomst, zoals compost; artikel 32; artikel 34 , eerste lid, anders dan voor ondergrondse activiteiten met schadelijke stoffen; en artikel 36, eerste lid. Titel 2.3 Grondwaterbeschermingszones Afdeling 2.3.1 Toepassingsbereik Artikel38 Deze titel is van toepassing op een grondwaterbeschermingszone. Afdeling 2.3.2 Niet toegelaten inrichtingen of mijnbouwactiviteiten Artikel39 In afwijking van de artikelen 40 tot en met 55 kunnen gedeputeerde staten inrichtingen of categorieën van inrichtingen aanwijzen waarop die verboden niet van toepassing zijn. Artikel40 1.Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 3.1, van het Besluit omgevingsrecht, op te richten. 2.Het verbod is niet van toepassing op detailhandel, alsmede ambachts- en verhuuractiviteiten. Artikel41 1.Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 4, van het Besluit omgevingsrecht, op te richten, waarin vloeibare en vaste stoffen en preparaten met gezondheids- en milieugevaren, als bedoeld in artikel 3 van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels verordening; andere schadelijke vaste en vloeibare stoffen en preparaten als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 4, onder f, van het Besluit omgevingsrecht; cosmetische en farmaceutische producten, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 4, onder c, van het Besluit omgevingsrecht; worden vervaardigd, bewerkt, verwerkt, op- of overgeslagen. 2.Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 4, van het Besluit omgevingsrecht op te richten voor het vervaardigen van producten waarin vloeibare stoffen en preparaten, als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, worden verwerkt. 3.Artikel 40, tweede lid, is van toepassing. Artikel42 1.Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 5.1, van het Besluit omgevingsrecht, op te richten. 2.Artikel 40, tweede lid, is van toepassing. Artikel43 1.Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel, C, categorie 7.1, onder a, van het Besluit omgevingsrecht, op te richten. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op de opslag van dierlijke meststoffen: afkomstig van de agrarische bedrijfsvoering van degene die de inrichting drijft, en bestemd voor het op of in de bodem brengen in verband met die bedrijfsvoering. 3.Artikel 40, tweede lid, is van toepassing. Artikel44 1.Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 10.1, van het Besluit omgevingsrecht, op te richten. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op de opslag in verband met de agrarische bedrijfsvoering in de inrichting, bedoeld in het eerste lid. 3.Artikel 40, tweede lid, is van toepassing. Artikel45 1.Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 11.1, onder c en f, van het Besluit omgevingsrecht, op te richten. 2.Artikel 40, tweede lid, is van toepassing. Artikel46 1.Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 12.1, van het Besluit omgevingsrecht, op te richten. 2.Artikel 40, tweede lid, is van toepassing. Artikel47 1.Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 13.1, van het Besluit omgevingsrecht, op te richten. 2.Artikel 40, tweede lid, is van toepassing. Artikel48 Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 14.1, van het Besluit omgevingsrecht, op te richten. Artikel49 1.Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 15.2, van het Besluit omgevingsrecht, op te richten. 2.Artikel 40, tweede lid, is van toepassing. Artikel50 1.Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 16.4, onder b tot en met e, van het Besluit omgevingsrecht, op te richten. 2.Artikel 40, tweede lid, is van toepassing. Artikel51 Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 17.1, van het Besluit omgevingsrecht, op te richten. Artikel52 Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 25.1, van het Besluit omgevingsrecht, op te richten. Artikel53 Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 27.1, van het Besluit omgevingsrecht, op te richten. Artikel54 1.Het is verboden een inrichting, als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, categorie 28.1, van het Besluit omgevingsrecht, op te richten. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor inrichtingen voor hergebruik van afvalstoffen anders dan gevaarlijke, voor de grond-, weg- en waterbouw, mits dit hergebruik geen schade kan berokkenen aan de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. 3.Gedeputeerde staten kunnen onder daaraan te stellen voorwaarden andere activiteiten aanwijzen die in inrichtingen, als bedoeld in het eerste lid, mogen worden verricht, indien die activiteiten zijn gericht op de totstandkoming van een circulaire economie en die activiteiten geen schade kunnen berokkenen aan de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Artikel55 Het is verboden een inrichting, als bedoeld in de artikelen 41 tot en met 54 te veranderen of de werking van de inrichting te veranderen, indien die verandering of de verandering van de werking van de inrichting nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Artikel56 Artikel 12 is van toepassing. Afdeling 2.3.3 Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen Paragraaf2.3.3.

Artikel57

Deze afdeling is van toepassing op een niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting. Paragraaf2.3.3.2Regels ter voorkoming of beperking van verontreiniging van grondwater Artikel58 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de voorkoming of beperking van verontreiniging. Artikel59 Artikel 15 is van toepassing. Paragraaf2.3.3.3Regels ter bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen Artikel60 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen. Artikel61 Artikel 17 is van toepassing. Paragraaf2.3.3.4Ontheffing Artikel62 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 59 en 61. Afdeling 2.3.4 Instructieregels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen Paragraaf2.3.4.

Artikel63Deze afdeling is van toepassing op een omgevingsvergunningplichtige inrichting.

Paragraaf2.3.4.2Regels ter voorkoming of beperking van verontreiniging van grondwater Artikel64 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de voorkoming of beperking van verontreiniging. Artikel65 Artikel 21 is van toepassing. Paragraaf2.3.4.3Regels ter bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen Artikel66 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen. Artikel67 Artikel 23 is van toepassing. Paragraaf2.3.4.4Afwijking en nadere eisen Artikel68 Artikel 24 is van toepassing. Afdeling 2.3.5 Activiteiten buiten inrichtingen Paragraaf2.3.5.

Artikel69Deze afdeling is van toepassing op een activiteit buiten een inrichting.

Paragraaf2.3.5.2Regels ter voorkoming of beperking van verontreiniging van grondwater Artikel70 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de voorkoming of beperking van verontreiniging. Artikel71 1.De artikelen 27, met uitzondering van een weg die voor het openbaar verkeer openstaat, 28, 29, 33 en 34 zijn van toepassing. 2.Artikel 27 is van toepassing op een weg die voor het openbaar verkeer openstaat, met dien verstande dat het verbod niet van toepassing is op een weg met een intensiteit van 2.500 motorvoertuigen per etmaal of minder. 3.Artikel 30 (installaties) is van toepassing met dien verstande dat het verbod niet van toepassing is op een openbaar riool niet dieper gelegen dan 4 meter en het niet gaat om een persriool. 4.Artikel 31 is van toepassing met dien verstande dat het verbod niet van toepassing is op dierlijke meststoffen, compost en andere meststoffen met een plantaardige herkomst, anders dan zuiveringsslib, en het normaal landbouwkundig gebruik van anorganische meststoffen. 5.Gedeputeerde staten kunnen verdere activiteiten, die vallen onder de verboden van dit artikel, aanwijzen waarop het verbod al dan niet onder voorwaarden niet van toepassing is. Artikel72 Het is verboden grond of baggerspecie toe te passen, tenzij is voldaan aan de voorschriften, bedoeld in bijlage 2, kolom 1, A2.2 jo. kolom

  1. Artikel73 Het is verboden een ingreep aan of in de bodem uit te voeren waarbij schadelijke vaste en vloeibare stoffen worden gebruikt, dan wel op of in de bodem worden gebracht, tenzij: ten minste veertien dagen voor aanvang van de werkzaamheid melding is gedaan aan gedeputeerde staten; en voldaan is aan de voorschriften, bedoeld in bijlage 2, kolom 1, onder A3, jo. kolom
  2. Paragraaf2.3.5.3Regels ter bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen Artikel74 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen. Artikel75 Artikel 36 is van toepassing met dien verstande dat het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing is op een ingreep waarvoor: ten minste veertien dagen voor aanvang van de werkzaamheid melding is gedaan aan gedeputeerde staten; en voldaan is aan de voorschriften, bedoeld in bijlage 2, kolom 1, onder B, jo. kolom
  3. Afdeling 2.3.6 Ontheffing Artikel76 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van: artikel 71, eerste lid, jo. artikel 27 , met uitzondering van een weg, artikel 28, 32, 33 en artikel 34, anders dan voor ondergrondse opslag met schadelijke stoffen, artikel 71 , tweede lid, jo. artikel 27, artikel 71, derde lid, jo. artikel 30, artikel 71, vierde lid, jo. artikel 31, artikel 73, en artikel 75 jo. artikel
  4. Titel 2.4 Boringsvrije zones en gebieden voor aanvullende strategische voorraden Afdeling 2.4.1Toepassingsbereik Artikel77 Deze titel is van toepassing op een boringsvrije zone en een gebied voor aanvullende strategische voorraden. Afdeling 2.4.2 Niet toegelaten inrichtingen of mijnbouwactiviteiten Artikel78 Deze afdeling is van toepassing op een inrichting of een mijnbouwactiviteit. Artikel79 Artikel 12 is van toepassing. Afdeling 2.4.3 Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen Paragraaf2.4.3.

Artikel80

Deze afdeling is van toepassing op een niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting. Paragraaf2.4.3.2Regels ter voorkoming of beperking van verontreiniging van grondwater Artikel81 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de voorkoming of beperking van verontreiniging. Artikel82 Artikel 15 is van toepassing. Paragraaf2.4.3.3Regels ter bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen Artikel83 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen. Artikel84 Artikel 23 is van toepassing. Paragraaf2.4.3.4Ontheffing Artikel85 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de artikel 82 jo. artikel 15 en artikel 84 jo. artikel 23. Afdeling 2.4.4 Instructieregels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen Paragraaf2.4.4.

Artikel86Deze afdeling is van toepassing op een omgevingsvergunningplichtige inrichting.

Paragraaf2.4.4.2Regels ter voorkoming of beperking van verontreiniging van grondwater Artikel87 Artikel 21 is van toepassing. Paragraaf2.4.4.3Regels ter bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen Artikel88 Artikel 23 is van toepassing. Paragraaf2.4.4.4Afwijking en nadere eisen Artikel89 Artikel 24 is van toepassing. Afdeling 2.4.5 Activiteiten buiten inrichtingen Paragraaf2.4.5.

Artikel90Deze afdeling is van toepassing op een activiteit buiten een inrichting.

Paragraaf2.4.5.2Regels ter voorkoming of beperking van verontreiniging van grondwater Artikel91 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de voorkoming of beperking van verontreiniging. Artikel92 Artikel 29 is van toepassing. Artikel93 Artikel 32 is van toepassing, met dien verstande dat het verbod niet van toepassing is op de toepassing van grond of baggerspecie, indien: ten minste veertien dagen voor aanvang van de werkzaamheid melding is gedaan aan gedeputeerde staten, en voldaan is aan de voorschriften, bedoeld in bijlage 2, kolom 1, onder A2.2 jo. kolom

  1. Artikel94 Het is verboden een ingreep aan of in de bodem uit te voeren waarbij schadelijke vaste en vloeibare stoffen worden gebruikt, dan wel op of in de bodem worden gebracht, tenzij: ten minste veertien dagen voor aanvang van de werkzaamheid melding is gedaan aan gedeputeerde staten, en voldaan is aan de voorschriften, bedoeld in bijlage 2, kolom 1, onder A3, jo. kolom
  2. Paragraaf2.4.5.3Regels ter bescherming van de werking van slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen Artikel95 De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen. Artikel96 1.Artikel 36 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing is, indien: ten minste veertien dagen voor aanvang melding is gedaan aan gedeputeerde staten, en voldaan is aan de voorschriften, bedoeld in bijlage 2, onder B, voor die activiteit gestelde voorschriften. 2.Artikel 36 is evenmin van toepassing op: een ingreep aan of in de bodem tot een diepte van 4 meter; de aanleg en het veranderen van een gat onder de voorwaarde dat dit gat na gebruik weer wordt dichtgemaakt en de slecht-doorlatende eigenschappen zoveel als mogelijk in de oorspronkelijke staat worden hersteld met een hiervoor geschikt product, zoals bentoniet, tenzij het gaat om een gat afkomstig van een gestuurde boring, in welk geval drillgrout of dämmer wordt toegepast; de plaatsing van een peilbuis of een sondering tot aan het zoetbrakgrensvlak; een ingreep waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet is verleend. Hoofdstuk3Handhaving Artikel97 1.Overtreding van de artikelen 7, 11, 12, 15, 17, 27 tot en met 34, 36, 40 tot en met 56, 59, 61, 71, 72, 73, 75, 79, 82, 84, 92, 93, 94 en 96 is een strafbaar feit. 2.Overtreding van een voorschrift verbonden aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 18, 37, 62, 76 en 85, dan wel een nadere eis, als bedoeld in artikel 24, 68 en 89, is een strafbaar feit. Hoofdstuk4Overgangs- en slotbepalingen Artikel98 Op een activiteit in een niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting waarvan kan worden aangetoond dat deze activiteit uiterlijk tot een jaar voor de inwerkingtreding van deze verordening werd verricht en waarvoor met de Provinciale milieuverordening 2021 voor het eerst regels gaan gelden, dan wel andere regels gaan gelden, is deze verordening tot twee jaar na inwerkingtreding niet van toepassing. Artikel99 Voor een activiteit in een omgevingsvergunningplichtige inrichting waarvan kan worden aangetoond dat deze activiteit uiterlijk tot een jaar voor de inwerkingtreding van deze verordening werd verricht en waarvoor met de Provinciale milieuverordening 2021 voor het eerst instructieregels gaan gelden, dan wel andere instructieregels gaan gelden, zijn de via die instructieregels te verbinden voorschriften twee jaar na inwerkingtreding van deze verordening in de omgevingsvergunning opgenomen en van toepassing. Artikel100 Op een activiteit buiten een inrichting waarvan kan worden aangetoond dat deze activiteit uiterlijk tot een jaar voor de inwerkingtreding van deze verordening werd verricht en waarvoor met de Provinciale milieuverordening 2021 voor het eerst regels gaan gelden, dan wel andere regels gaan gelden, is deze verordening tot twee jaar na inwerkingtreding niet van toepassing. Artikel101 Gedeputeerde staten kunnen, in afwijking van de artikelen 98, 99 en 100, in uitzonderlijke gevallen, regelen dat de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland gedurende een langere termijn dan de termijn genoemd in de artikelen 98, 99 en 100 van toepassing blijft op de in de artikelen 98, 99 en 100 genoemde activiteiten, voor zover toepassing van die termijn zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel102 Deze verordening treedt wat betreft de regels voor de toepassing van grond of baggerspecie in een grondwaterbeschermingsgebied voor de waterschappen, in de uitoefening van de waterstaatkundige verzorging van een grondwaterbeschermingsgebied, in werking op een bij gedeputeerde staten vast te stellen tijdstip. Artikel103 Een ontheffing verleend op grond van de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland in verband met een bepaling voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning wordt gelijk gesteld aan een ontheffing op grond van de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland 2021 in verband met een bepaling voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Artikel104 1.Indien van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een inrichting kennisgeving is gedaan overeenkomstig artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor het tijdstip waarop deze verordening in werking treedt, blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige aanvraag geldend recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden. 2.Indien van het voornemen tot het ambtshalve wijzigen van een omgevingsvergunning voor een inrichting overeenkomstig 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kennisgeving is gedaan vóór het tijdstip waarop deze verordening in werking treedt, blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige wijziging geldend recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden. Artikel105 1.Indien de aanvraag tot het geven van een ontheffing van de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland is ingediend voor het tijdstip waarop deze verordening in werking treedt, blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige ontheffingen geldend recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden. 2.Indien van een ontwerp van een besluit tot wijziging van een ontheffing van de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland met toepassing van artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kennisgeving is gedaan voor het tijdstip waarop deze verordening in werking treedt, blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige ontheffingen geldend recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden. Artikel106 De Provinciale milieuverordening Zuid-Holland wordt ingetrokken. Artikel108 Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal blad waarin deze verordening wordt geplaatst. Artikel109 Deze verordening wordt aangehaald als Provinciale milieuverordening Zuid-Holland
  3. Provinciale staten van Zuid-Holland BIJLAGE1:INRICHTINGEN behorende bij de artikelen 15, 17, 21, 23, 59, 61, 67, 79, 82 en 88 van de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland 2021 1 KOLOM 2 KOLOM 3 KOLOM 4 5 KOLOM 6 A Gereguleerde activiteit Abm Rechtstreeks werkende regels voor niet-vergunningplichtige inrichtingen ter voorkoming of beperking van verontreiniging Instructieregels voor vergunningplichtige inrichtingen ter voorkoming of beperking van verontreiniging Typege- bied Ontheffing/ Afwijking A1 Bodemenergiesysteem Voorschrift 1 Het is niet toegestaan een bodemenergiesysteem te installeren, in gebruik te nemen en te gebruiken. Voorschrift 2 Voorschrift 1 is niet van toepassing op een bodemenergiesysteem dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening in overeenstemming met de op dat moment geldend recht voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning was geïnstalleerd of werd gebruikt. Voorschrift 3 Het is niet toegestaan een bodemenergiesysteem, als bedoeld in voorschrift 2 te vervangen. Voorschrift 4 Het is niet toegestaan een bodemenergiesysteem te veranderen, indien die verandering nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Voorschrift 5 Gedeputeerde staten kunnen aangeven wanneer de verandering, bedoeld in het voorschrift 4, in ieder geval nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning; de verandering in ieder geval geen nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Voorschrift 6 Met betrekking tot een gesloten bodemenergiesysteem gelden de voorschriften, bedoeld in voorschrift 7 tot en met
  4. Voorschrift 7 In geval van lekkage of andere bodembedreigende situaties worden alle maatregelen genomen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om aantasting van de kwaliteit van het grondwater te voorkomen; indien die aantasting niet kan worden voorkomen, wordt deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. Voorschrift 8 Van een lekkage of andere bodembedreigende situatie wordt onmiddellijk melding gemaakt aan gedeputeerde staten. Voorschrift 9 Het bodemenergiesysteem is voorzien van een lekdetectiesysteem met automatisch alarm. Voorschrift 10 In het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem wordt uitsluitend leidingwater, dan wel monopropyleen glycol of een stof met een in vergelijking met monopropyleen glycol aantoonbaar vergelijkbare of betere biologische afbreekbaarheid en een aantoonbaar vergelijkbare of lagere toxiciteit, als medium toegepast. Voorschrift 11 Het is niet toegestaan vanaf 1 januari 2034 een bodemenergiesysteem te gebruiken, dan wel aanwezig te hebben. Voorschrift 1 Het is niet toegestaan een bodemenergiesysteem te installeren, in gebruik te nemen en te gebruiken. Voorschrift 2 Voorschrift 1 is niet van toepassing op een bodemenergiesysteem dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening in overeenstemming met de op dat moment geldend recht voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning was geïnstalleerd of werd gebruikt. Voorschrift 3 Het is niet toegestaan een bodemenergiesysteem, als bedoeld in voorschrift 2 te vervangen. Voorschrift 4 Het is niet toegestaan een bodemenergiesysteem te veranderen, indien die verandering nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Voorschrift 5 Gedeputeerde staten kunnen aangeven wanneer de verandering, bedoeld in het voorschrift 4, in ieder geval nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning; de verandering in ieder geval geen nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Voorschrift 6 Met betrekking tot een gesloten bodemenergiesysteem gelden de voorschriften, bedoeld in voorschrift 7 tot en met
  5. Voorschrift 7 In geval van lekkage of andere bodembedreigende situaties worden alle maatregelen genomen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om aantasting van de kwaliteit van het grondwater te voorkomen; indien die aantasting niet kan worden voorkomen, wordt deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. Voorschrift 8 Van een lekkage of andere bodembedreigende situatie wordt onmiddellijk melding gemaakt aan gedeputeerde staten. Voorschrift 9 Het bodemenergiesysteem is voorzien van een lekdetectiesysteem met automatisch alarm. Voorschrift 10 In het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem wordt uitsluitend leidingwater, dan wel monopropyleen glycol of een stof met een in vergelijking met monopropyleen glycol aantoonbaar vergelijkbare of betere biologische afbreekbaarheid en een aantoonbaar vergelijkbare of lagere toxiciteit, als medium toegepast. Voorschrift 11 Het is niet toegestaan vanaf 1 januari 2034 een bodemenergiesysteem te gebruiken, dan wel aanwezig te hebben. Ww Gbz Bvz ASV Nee A2 Bodembedreigende activiteit Voorschrift 1 In afwijking van artikel 2.1 Arm is een geomembraanbaksysteem niet toegestaan. Voorschrift 2 Artikel 2.9a Abm is niet van toepassing. Voorschrift 1 In afwijking van artikel 2.1 Arm is een geomembraanbaksysteem niet toegestaan. Voorschrift 2 Artikel 2.9a Abm is niet van toepassing. Voorschrift 3 Voorschrift 1 is van toepassing op een inrichting waarop hoofdstuk 3 niet van toepassing is. Ww Gbz Nee A3 Opslag van gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of bodembedreigende stoffen in verpakking, als bedoeld in artikel 4a Abm Voorschrift 1 De opslag van een werkvoorraad aan brandbare vloeistoffen van 50 liter of minder vindt, in afwijking van artikel 4.10, vierde lid, tweede volzin, Arm, plaats boven een lekbak. Voorschrift 2 De capaciteit van de lekbak is van een zodanige omvang dat deze ten minste de vanwege de opslag maximaal vrij te komen hoeveelheid vloeistof kan opvangen. Een lekbak in de buitenlucht is tegen inregenen beschermd. Voorschrift In de omgevingsvergunning worden voorschriften opgenomen voor een beschermingsniveau vergelijkbaar met dat voor niet-vergunningplichtige inrichtingen. Ww Gbz Ja A4 Opslag van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie als bedoeld in artikel 3.54c Abm Voorschrift 1 Het bepaalde in 2.5.2 en 2.5.3 van de PGS 30 zijn van overeenkomstige toepassing. Voorschrift 2 Het gebruik van een enkelwandige tank voor de opslag is niet toegestaan. Voorschrift 3 De opslag vindt plaats boven een lekbak. De capaciteit van de lekbak is van een zodanige omvang dat deze ten minste de vanwege de opslag maximaal vrij te komen hoeveelheid vloeistof kan opvangen. Een lekbak in de buitenlucht is tegen inregenen beschermd. Voorschrift 4 De Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa-procescertificaat voor de Regeling Erkenning Installateurs Tankinstallaties (REIT-2011, BRL-K903/081) is wat betreft de opslagtank van overeenkomstige toepassing. Voorschrift 5 Artikel 3.71f, tweede lid, Arm, is niet van toepassing. Voorschrift 1 Het bepaalde in 2.5.2 en 2.5.3 van de PGS 30 zijn van overeenkomstige toepassing. Voorschrift 2 Het gebruik van een enkelwandige tank voor de opslag is niet toegestaan. Voorschrift 3 De opslag vindt plaats boven een lekbak. De capaciteit van de lekbak is van een zodanige omvang dat deze ten minste de vanwege de opslag maximaal vrij te komen hoeveelheid vloeistof kan opvangen. Een lekbak in de buitenlucht is tegen inregenen beschermd. Voorschrift 4 De Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa-procescertificaat voor de Regeling Erkenning Installateurs Tankinstallaties (REIT-2011, BRL-K903/081) is wat betreft de opslagtank van overeenkomstige toepassing. Voorschrift 5 Artikel 3.71f, tweede lid, Arm, is niet van toepassing. Ww Gbz Ja A5 Opslag van stoffen als bedoeld in artikel 4.4a Abm Voorschrift 1 Het bepaalde in 2.5.2 en 2.5.3 van de PGS 30 zijn van overeenkomstige toepassing. Voorschrift 2 Het gebruik van een enkelwandige tank is niet toegestaan. Voorschrift 3 De capaciteit van de lekbak is van een zodanige omvang dat deze ten minste de vanwege de opslag maximaal vrij te komen hoeveelheid vloeistof kan opvangen. Een lekbak in de buitenlucht is tegen inregenen beschermd. Voorschrift 4 Artikel 4.15, elfde lid, onder b, tweede volzin, Arm, is niet van toepassing. ­­ Voorschrift In de omgevingsvergunning worden voorschriften opgenomen voor een beschermingsniveau vergelijkbaar met dat voor niet-vergunningplichtige inrichtingen. Ww Gbz Ja A6 Het gebruik en de opslag in verpakking van stoffen als bedoeld in artikel 4.8 Abm. Voorschrift 1 In aanvulling op artikel 4.23 Arm wordt voldaan aan het bepaalde in 5.4.11 van PGS 8:
  6. Voorschrift 2 In aanvulling op artikel 4.25, eerste lid, onderdeel b, Arm jo. het bepaalde in vs 3.6.1 van PGS 15 vindt de opslag plaats boven een lekbak. Voorschrift 3 De capaciteit van de lekbak is van een zodanige omvang dat deze ten minste de vanwege de opslag maximaal vrij te komen hoeveelheid vloeistof kan opvangen. Een lekbak in de buitenlucht is tegen inregenen beschermd. Voorschrift In de omgevingsvergunning worden voorschriften opgenomen voor een beschermingsniveau vergelijkbaar met dat voor niet-vergunningplichtige inrichtingen. Ww Gbz Ja A7 Opslag van vaste anorganische meststoffen als bedoeld in artikel 4.16 Abm Voorschrift 1 De opslag vindt plaats boven een bodembeschermende voorziening. Voorschrift 2 Vloeistoffen, zoals hemelwater, die terecht komen op de bodembeschermende voorziening, dienen zodanig te worden verwijderd dat geen verontreiniging van de bodem kan plaatsvinden. Voorschrift In de omgevingsvergunning worden voorschriften opgenomen voor een beschermingsniveau vergelijkbaar met dat voor niet-vergunningplichtige inrichtingen. Ww Gbz Ja A8 Op- en overslag van goederen als bedoeld in artikel 3.31 Abm. Voorschrift 1 De opslag vindt plaats boven een lekbak. De capaciteit van de lekbak is van een zodanige omvang dat deze ten minste de vanwege de opslag maximaal vrij te komen hoeveelheid vloeistof kan opvangen. Een lekbak in de buitenlucht is tegen inregenen beschermd. Voorschrift 2 Van een significante hoeveelheid als bedoeld in artikel 3.43, tweede lid, Arm, is in ieder geval sprake wanneer in redelijkheid wordt aangenomen dat na het uitlogen de maximale waarden van de microbiologische en chemische parameters, bedoeld in bijlage A, tabel I respectievelijk tabel II, van het Drinkwaterbesluit door de lozing zullen worden overschreden. Voorschrift 3 Artikel 3.43, vierde lid, Arm is niet van toepassing. Voorschrift 1 De opslag vindt plaats boven een lekbak. De capaciteit van de lekbak is van een zodanige omvang dat deze ten minste de vanwege de opslag maximaal vrij te komen hoeveelheid vloeistof kan opvangen. Een lekbak in de buitenlucht is tegen inregenen beschermd. Voorschrift 2 Van een significante hoeveelheid als bedoeld in artikel 3.43, tweede lid, Arm, is in ieder geval sprake wanneer in redelijkheid wordt aangenomen dat na het uitlogen de maximale waarden van de microbiologische en chemische parameters, bedoeld in bijlage A, tabel I respectievelijk tabel II, van het Drinkwaterbesluit door de lozing zullen worden overschreden. Voorschrift 3 Artikel 3.43, vierde lid, Arm is niet van toepassing. Ww Gbz Ja A9 Het in werking hebben van een installatie als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, Abm. Voorschrift Een vloeistofkerende voorziening als bodembeschermende voorziening is bij de toepassing van artikel 2.9, eerste lid, Abm, niet toegestaan. Voorschrift Een vloeistofkerende voorziening als bodembeschermende voorziening is bij de toepassing van artikel 2.9, eerste lid, Abm, niet toegestaan. Ww Gbz Ja A10 Het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas als bedoeld in artikel 3.17 Abm met een omzet groter dan 25 m3 per jaar. Voorschrift Het bepaalde in 3.4.1 van PGS 28 is van toepassing. Voorschrift Het bepaalde in 3.4.1 van PGS 28 is van toepassing. Ww Gbz Ja A11 Het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas als bedoeld in artikel 3.17 Abm met een omzet kleiner of gelijk dan 25 m3 per jaar. Voorschrift 1 Het bepaalde in 3.4.2 van PGS 30 is van toepassing. Voorschrift 2 In afwijking van artikel 3.25, zevende lid, Arm zijn het eerste tot en met zesde lid ook van toepassing op het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen of spoorvoertuigen waarbij minder dan 25 kubieke meter per jaar wordt afgeleverd. Voorschrift 1 Het bepaalde 3.4.2 van PGS 30 is van toepassing. Voorschrift 2 In afwijking van artikel 3.25, zevende lid, Arm zijn het eerste tot en met zesde lid ook van toepassing op het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen of spoorvoertuigen waarbij minder dan 25 kubieke meter per jaar wordt afgeleverd. Ww Gbz Ja A 12 Het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas als bedoeld in artikel 4.80 Abm. Voorschrift 1 In aanvulling op artikel 4.88, tweede lid, Arm wordt aan artikel 4.94 Arm voldaan. Voorschrift 2 De toepassing van een geomembraanbaksysteem als bedoeld in artikel 4.94a Arm is niet toegestaan. Voorschrift In de omgevingsvergunning worden voorschriften opgenomen voor een beschermingsniveau vergelijkbaar met dat voor niet-vergunningplichtige inrichtingen. Ww Gbz Ja A13 Mechanische bewerking van steen als bedoeld in artikel 4.74a Abm. Voorschrift In aanvulling op artikel 4.84f Arm kan de vloeistofdichte vloer of de verharding de maximale inhoud van de dompelbak volledig opvangen. De capaciteit van de lekbak is van een zodanige omvang dat deze ten minste de vanwege de opslag maximaal vrij te komen hoeveelheid vloeistof kan opvangen. Een lekbak in de buitenlucht is tegen inregenen beschermd. Voorschrift In de omgevingsvergunning worden voorschriften opgenomen voor een beschermingsniveau vergelijkbaar met dat voor niet-vergunningplichtige inrichtingen Ww Gbz Ja A14 Lijmen, coaten of veredelen van textiel, leer of bont als bedoeld in artikel 4.103ca Abm. Voorschrift De bodembeschermende voorziening, bedoeld in artikel 4.104g Arm is een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening. Voorschrift In de omgevingsvergunning worden voorschriften opgenomen voor een beschermingsniveau vergelijkbaar met dat voor niet-vergunningplichtige inrichtingen. Ww Gbz Ja A15 In werking hebben van een acculader als bedoeld in paragraaf 4.8.6 Abm. Voorschrift De bodembeschermende voorziening, bedoeld in artikel 4.109 Arm, is een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening. Voorschrift In de omgevingsvergunning worden voorschriften opgenomen voor een beschermingsniveau vergelijkbaar met dat voor niet-vergunningplichtige inrichtingen. Ww Gbz Ja A 16 Activiteiten met voertuigen of werktuigen, als bedoeld in artikel 3.23a Abm Voorschrift 1 Artikel 3.23b, tweede lid, Abm vindt geen toepassing. Voorschrift 2 Nevels afkomstig van het wassen mogen zich niet buiten de wasplaats verspreiden. Voorschrift 1 Artikel 3.23b, tweede lid, Abm vindt geen toepassing. Voorschrift 2 Nevels afkomstig van het wassen mogen zich niet buiten de wasplaats verspreiden. . Ww Gbz Ja A17.1 Lozen van afvalwater en andere afvalstoffen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a, tweede lid, Abm. Voorschrift Artikel 2.2, derde lid, Abm vindt geen toepassing. Voorschrift 1 Artikel 2.2, derde lid, Abm vindt geen toepassing. Voorschrift 2 In een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit waarop hoofdstuk 3 Abm niet van toepassing is, worden de voorschriften van artikel 2.2, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, Abm opgenomen. Ww Gbz Ja A17.2 Lozen van grondwater vanuit een proefbronnering in het kader van een saneringsonderzoek of vanuit een bodemsanering als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, eerste volzin, Abm. Voorschrift In afwijking van artikel 3.1, vierde lid, Abm, is een lozing niet toegestaan, tenzij in redelijkheid kan worden aangenomen dat de maximale waarden van de microbiologische en chemische parameters, bedoeld in bijlage A, tabel I respectievelijk tabel II, van het Drinkwaterbesluit door de lozing niet zullen worden overschreden. Voorschrift In afwijking van artikel 3.1, vierde lid, Abm, is een lozing niet toegestaan, tenzij in redelijkheid kan worden aangenomen dat de maximale waarden van de microbiologische en chemische parameters, bedoeld in bijlage A, tabel I respectievelijk tabel II, van het Drinkwaterbesluit door de lozing niet zullen worden overschreden. Ww Gbz Ja A17.3 Lozen van afvloeiend hemelwater als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van Abm. Voorschrift In afwijking van artikel 3.3, tweede lid, Abm is het lozen niet toegestaan tenzij kan worden aangenomen dat de maximale waarden van de microbiologische en chemische parameters, bedoeld in bijlage A, tabel I respectievelijk tabel II, van het Drinkwaterbesluit door de lozing niet zullen worden overschreden. Voorschrift In afwijking van artikel 3.3, tweede lid, Abm is het lozen niet toegestaan tenzij kan worden aangenomen dat de maximale waarden van de microbiologische en chemische parameters, bedoeld in bijlage A, tabel I respectievelijk tabel II, van het Drinkwaterbesluit door de lozing niet zullen worden overschreden. Ww Gbz Ja A17.4 Lozing van reinigingswater als bedoeld in artikel 3.6a, vierde lid, Abm. Voorschrift In afwijking van artikel 3.6a, vierde lid, Abm is het lozen van reinigingswater met bodembedreigende stoffen niet toegestaan. Voorschrift In afwijking van artikel 3.6a, vierde lid, Abm, is het lozen van reinigingswater met bodembedreigende stoffen niet toegestaan. Ww Gbz Ja A17.5 Lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, als bedoeld in artikel 3.6g, eerste lid, Abm. Voorschrift In afwijking van artikel 3.6g, tweede lid, Abm is het lozen niet toegestaan tenzij deze lozing plaatsvindt op of boven een bodembeschermende voorziening. Voorschrift In afwijking van artikel 3.6g, tweede lid, Abm is het lozen niet toegestaan tenzij deze lozing plaatsvindt op of boven een bodembeschermende voorziening. Ww Gbz Ja A 17.6 Lozen van spuiwater van een stoomketel als bedoeld in artikel 3.10k, tweede lid, Abm. Voorschrift In afwijking van artikel 3.10k, tweede lid, Abm is het lozen niet toegestaan. Voorschrift In afwijking van artikel 3.10k, tweede lid, Abm is het lozen niet toegestaan. Ww Gbz Ja A 17.7 Lozen van afvalwater afkomstig van het uitwendig wassen van bepaalde voertuigen en werktuigen als bedoeld in artikel 3.23d en 3.24 Abm. Voorschrift In afwijking van artikel 3.23d en 3.24 Abm is het lozen van afvalwater niet toegestaan. Voorschrift In afwijking van artikel 3.23d en 3.24 Abm is het lozen van afvalwater niet toegestaan. Ww Gbz Ja A 17.8 Lozen van afvalwater afkomstig van de opslag van agrarische bedrijfsstoffen, bedoeld in artikel 3.47, derde lid, Abm. Voorschrift In afwijking van artikel 3.47, derde lid, Abm is het in dit artikel vermelde lozen niet toegestaan. Voorschrift In afwijking van artikel 3.47, derde lid, Abm is het in dit artikel vermelde lozen niet toegestaan. Ww Gbz Ja A 17.9 Lozen: a. uit het hemelwater-afvoersysteem van een kas als bedoeld in artikel 3.60, eerste lid, Abm; van afvalwater afkomstig van het reinigen van de buitenkant van een kas als bedoeld in artikel 3.62, eerste lid, Abm; b. van afvalwater als gevolg van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan in een kas, als bedoeld in artikel 3.76, eerste lid, Abm; c. van afvalwater als gevolg van de teelt van gewassen in substraat als bedoeld in artikel 3.87, eerste lid, Abm. Voorschrift Een lozing als bedoeld in artikel 3.60, derde lid, artikel 3.62, derde lid, artikel 3.77, vijfde lid, en artikel 3.87, tweede lid, Abm is slechts toegestaan indien: het afvalwater afkomstig is van een teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn gebruikt, dan wel het afvalwater afkomstig is van uitsluitend biologische teelt. Voorschrift Een lozing als bedoeld in artikel 3.60, derde lid, artikel 3.62, derde lid, artikel 3.77, vijfde lid, en artikel 3.87, tweede lid, Abm is slechts toegestaan indien: het afvalwater afkomstig is van een teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn gebruikt, dan wel het afvalwater afkomstig is van uitsluitend biologische teelt. Ww Gbz Ja A
  7. 10 Lozen van afvalwater afkomstig van fusten en verpakking-materiaal voor de opslag van gewassen als bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, Abm, en de lozing van afvalwater afkomstig van het spoelen van gewassen, bedoeld in artikel 3.102, eerste lid, Abm. Voorschrift Het lozen op of in de bodem van afvalwater als bedoeld in artikel 3.100 dan wel 3.102, achtste lid, Abm is slechts toegestaan, indien: het afvalwater afkomstig is van gewassen van een teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn gebruikt, dan wel het afvalwater uitsluitend afkomstig is van biologische teelt. Voorschrift Het lozen op of in de bodem van afvalwater als bedoeld in artikel 3.100 dan wel 3.102, achtste lid, Abm is slechts toegestaan, indien: het afvalwater afkomstig is van gewassen van een teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn gebruikt, dan wel het afvalwater uitsluitend afkomstig is van biologische teelt. Ww Gbz Ja A17.11 Lozen van afvalwater afkomstig van het sorteren van gewassen als bedoeld in artikel 3.105, eerste lid, Abm. Voorschrift Het lozen van afvalwater als bedoeld in artikel 3.105, derde lid, Abm, is slechts toegestaan indien het afvalwater afkomstig is van het sorteren van uitsluitend biologisch geteelde gewassen. Voorschrift Het lozen van afvalwater als bedoeld in artikel 3.105, derde lid, Abm, is slechts toegestaan indien het afvalwater afkomstig is van het sorteren van uitsluitend biologisch geteelde gewassen. Ww Gbz Ja A17.12 Lozen op of in de bodem van afvalwater afkomstig van het mechanisch bewerken van natuursteen of beton, een luchtreinigingsinstallatie voor het mechanisch bewerken van natuursteen of beton, of het reinigen van apparatuur of werkruimten voor het mechanisch bewerken van natuursteen of beton, als bedoeld in artikel 4.74c, derde lid , Abm. Voorschrift In afwijking van artikel 4.74c, derde lid, Abm, is het lozen niet toegestaan. Voorschrift In de omgevingsvergunning worden voorschriften opgenomen voor een beschermingsniveau vergelijkbaar met dat voor niet-vergunningplichtige inrichtingen. Ww Gbz Ja A17.13 Lozen van afvalwater, afkomstig van het inwendig reinigen of ontsmetten van vrachtwagens of andere transportmiddelen waarin dieren zijn vervoerd als bedoeld in artikel 4.104b, eerste lid, Abm. Voorschrift In afwijking van artikel 4.104b, derde lid, Abm is het lozen niet toegestaan. Voorschrift In de omgevingsvergunning worden voorschriften opgenomen voor een beschermingsniveau vergelijkbaar met dat voor niet-vergunningplichtige inrichtingen. Ww Gbz Ja A17.14 Lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen van werktuigen, waarmee gewasbeschermings- middelen of meststoffen zijn toegepast als bedoeld in artikel 4.104c, eerste lid, Abm. Voorschrift In afwijking van artikel 4.104c, derde lid, Abm is het lozen op of in de bodem van het in dat lid bedoelde afvalwater niet toegestaan. Dit verbod is van overeenkomstige toepassing op afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen van werktuigen, waarop of waarin biociden of gewasbeschermingsmiddelen aanwezig zijn of aanwezig zijn geweest. Voorschrift In de omgevingsvergunning worden voorschriften opgenomen voor een beschermingsniveau vergelijkbaar met dat voor niet-vergunningplichtige inrichtingen Dit verbod is van overeenkomstige toepassing op afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen van werktuigen, waarop of waarin biociden of gewasbeschermingsmiddelen aanwezig zijn of zijn geweest. Ww Gbz Ja B Activiteit niet gereguleerd in Abm (andere activiteit) Rechtstreeks werkende regels voor activiteiten in niet-vergunningplichtige inrichtingen ter voorkoming of beperking van verontreiniging Instructieregels voor activiteiten in vergunningplichtige inrichtingen ter voorkoming of beperking van verontreiniging B1 Ingreep aan of in de bodem waarbij vaste en vloeibare stoffen worden gebruikt of op of in de bodem worden gebracht dan wel daarin of daarop terecht kunnen komen. Voorschrift 1 Een ingreep is niet toegestaan tenzij ten minste veertien dagen voor de ingreep melding is gedaan aan gedeputeerde staten en wordt voldaan aan de voorschriften 3 tot en met
  8. Voorschrift 2 Degene die is belast met de werkzaamheden, wordt voorafgaand daaraan, door degene die voor die werkzaamheden opdracht heeft gegeven op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van het milieubeschermingsgebied voor grondwater en van de toepasselijkheid van de voor dat gebied ten aanzien van die werkzaamheden geldende regels. Voorschrift 3 Het tijdens de werkzaamheden toe te passen water is van drinkwaterkwaliteit. Voorschrift 4 Zodanige voorzieningen worden getroffen dat tijdens het gebruik of het aanleggen van een gat geen schadelijke stoffen via dit gat in de bodem terecht kunnen komen. Voorschrift 5 Voor het maken van boorspoeling mag slechts klei worden toegepast. Het toepassen van andersoortige organische of anorganische hulpstoffen is niet toegestaan, uitgezonderd natriumhydroxide voor het reguleren van de zuurgraad. Voorschrift 6 Zodanige voorzieningen worden getroffen dat gedurende de werkzaamheden geen schadelijke stoffen in de bodem terecht kunnen komen. Voorschrift 7 De plaats van opslag van bouwmateriaal en –materieel is afgedekt met folie. Voorschrift 8 In een bouwput mogen geen schadelijke stoffen worden opgeslagen. Voorschrift 9 De staat, uitrusting en het gebruik van bouwmaterieel is zodanig dat de kans op olieverontreiniging of andere vormen van verontreiniging van de bodem verwaarloosbaar is. Voorschrift 10 Grond die bij de werkzaamheden vrijkomt moet verzameld en afgevoerd worden naar een erkend verwerker. Voorschrift 11 Het tijdens en na de werkzaamheden gebruikte spoelwater moet worden opgevangen in een daartoe geschikte vloeistofdichte opvangvoorziening en afgevoerd worden naar een erkende verwerker. Voorschrift 12 Gemorste of anderszins vrijgekomen schadelijke stoffen worden terstond verzameld in een vloeistofdichte verpakking en op een zodanige wijze verwerkt of verwijderd dat verontreiniging van de bodem in het betreffende gebied is uitgesloten. Voorschrift 13 Indien als gevolg van lekkage, morsen of anderszins grond en grondwater wordt verontreinigd of gevaar voor verontreiniging dreigt, stelt de ter plaatse verantwoordelijke persoon onmiddellijk het bevoegd gezag en de directeur van het drinkwaterbedrijf hiervan in kennis. Voorschrift 14 Indien tijdens de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van een bouwkeet, gelden de voorschriften 17 tot en met
  9. Voorschrift 15 De afvoer van huishoudelijk afvalwater van een bouwkeet geschiedt via een vloeistofdicht stelsel van leidingen naar het openbaar riool. Voorschrift 16 Indien aan deze eis om technische of operationele redenen niet kan worden voldaan is, geschiedt de afvoer van toiletafvalwater via een stelsel van vloeistofdichte en goed onderhouden leidingen aangesloten op een opvangtank die of een mobiel toilet dat steeds bijtijds geleegd wordt. Voorschrift 17 Keukenafvalwater wordt via een stelsel van vloeistofdichte en goed onderhouden leidingen aangesloten op een bezinkput die steeds bijtijds geleegd wordt. Voorschrift 18 Toiletafvalwater, keukenafvalwater en ander afvalwater worden te allen tijde gescheiden gehouden en afgevoerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie of geloosd op het openbaar riool. Voorschrift 19 Een bouwkeet wordt niet op aardolie verwarmd. Voorschrift 1 Een ingreep is niet toegestaan tenzij ten minste veertien dagen voor de ingreep melding is gedaan aan het bevoegd gezag en wordt voldaan aan de voorschriften 3 tot en met
  10. Voorschrift 2 Degene die is belast met de werkzaamheden, wordt voorafgaand daaraan, door degene die voor die werkzaamheden opdracht heeft gegeven op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van het milieubeschermingsgebied voor grondwater en van de toepasselijkheid van de voor dat gebied ten aanzien van die werkzaamheden geldende regels. Voorschrift 3 Het tijdens de werkzaamheden toe te passen water is van drinkwaterkwaliteit. Voorschrift 4 Zodanige voorzieningen worden getroffen dat tijdens het gebruik of het aanleggen van een gat geen schadelijke stoffen via dit gat in de bodem terecht kunnen komen. Voorschrift 5 Voor het maken van boorspoeling mag slechts klei worden toegepast. Het toepassen van andersoortige organische of anorganische hulpstoffen is niet toegestaan, uitgezonderd natriumhydroxide voor het reguleren van de zuurgraad. Voorschrift 6 Zodanige voorzieningen worden getroffen dat gedurende de werkzaamheden geen schadelijke stoffen in de bodem terecht kunnen komen. Voorschrift 7 De plaats van opslag van bouwmateriaal en –materieel is afgedekt met folie. Voorschrift 8 In een bouwput mogen geen schadelijke stoffen worden opgeslagen. Voorschrift 9 De staat, uitrusting en het gebruik van bouwmaterieel is zodanig dat de kans op olieverontreiniging of andere vormen van verontreiniging van de bodem verwaarloosbaar is. Voorschrift 10 Grond die bij de werkzaamheden vrijkomt moet verzameld en afgevoerd worden naar een erkend verwerker. Voorschrift 11 Het tijdens en na de werkzaamheden gebruikte spoelwater moet worden opgevangen in een daartoe geschikte vloeistofdichte opvangvoorziening en afgevoerd worden naar een erkende verwerker. Voorschrift 12 Gemorste of anderszins vrijgekomen schadelijke stoffen worden terstond verzameld in een vloeistofdichte verpakking en op een zodanige wijze verwerkt of verwijderd dat verontreiniging van de bodem in het betreffende gebied is uitgesloten. Voorschrift 13 Indien als gevolg van lekkage, morsen of anderszins grond en grondwater wordt verontreinigd of gevaar voor verontreiniging dreigt, stelt de ter plaatse verantwoordelijke persoon onmiddellijk het bevoegd gezag en de directeur van het drinkwaterbedrijf hiervan in kennis. Voorschrift 14 Indien tijdens de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van een bouwkeet, gelden de voorschriften 17 tot en met
  11. Voorschrift 15 De afvoer van huishoudelijk afvalwater van een bouwkeet geschiedt via een vloeistofdicht stelsel van leidingen naar het openbaar riool. Voorschrift 16 Indien aan deze eis om technische of operationele redenen niet kan worden voldaan is, geschiedt de afvoer van toiletafvalwater via een stelsel van vloeistofdichte en goed onderhouden leidingen aangesloten op een opvangtank die of een mobiel toilet dat steeds bijtijds geleegd wordt. Voorschrift 17 Keukenafvalwater wordt via een stelsel van vloeistofdichte en goed onderhouden leidingen aangesloten op een bezinkput die steeds bijtijds geleegd wordt. Voorschrift 18 Toiletafvalwater, keukenafvalwater en ander afvalwater worden te allen tijde gescheiden gehouden en afgevoerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie of geloosd op het openbaar riool. Voorschrift 19 Een bouwkeet wordt niet op aardolie verwarmd. Ww Gbz Bvz ASV Ja Ja B2.1 Toepassing van grond of baggerspecie Voorschrift 1 Het is niet toegestaan grond of baggerspecie toe te passen, indien die grond of baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitsklasse wonen als bedoeld in artikel 4.4.1, tweede lid, van de Regeling bodemkwaliteit. Voorschrift 2 In afwijking van voorschrift 1 is het verboden grond of baggerspecie toe te passen in het duingebied, indien die grond of baggerspecie het gehalte aan chemische stoffen in die grond of baggerspecie hoger is dan de achtergrondwaarden als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Voorschrift 1 Het is niet toegestaan grond of baggerspecie toe te passen, indien die grond of baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitsklasse wonen als bedoeld in artikel 4.4.1, tweede lid, van de Regeling bodemkwaliteit. Voorschrift 2 In afwijking van voorschrift 1 is het verboden grond of baggerspecie toe te passen in het duingebied, indien die grond of baggerspecie het gehalte aan chemische stoffen in die grond of baggerspecie hoger is dan de achtergrondwaarden als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Ww Ja B2.2 Toepassing van grond of baggerspecie Voorschrift 1 Het is niet toegestaan grond of baggerspecie toe te passen, indien die grond of baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitsklasse wonen als bedoeld in artikel 4.4.1, tweede lid, van de Regeling bodemkwaliteit. Voorschrift 2 In afwijking van voorschrift 1 is het verboden grond of baggerspecie toe te passen in het duingebied, indien die grond of baggerspecie het gehalte aan chemische stoffen in die grond of baggerspecie hoger is dan de achtergrondwaarden als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Voorschrift 3 Voorschrift 1 is niet van toepassing op grond of baggerspecie van kwaliteitsklasse industrie, bedoeld in artikel 4.4.1, tweede lid, van de Regeling bodemkwaliteit, afkomstig is uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied als waarin die grond of baggerspecie zal worden toegepast, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: de grond van de bodem waarop de grond of de baggerspecie zal worden toegepast is van kwaliteitsklasse industrie, de grond is niet gelegen in het duingebied . Voorschrift 1 Het is niet toegestaan grond of baggerspecie toe te passen, indien die grond of baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitsklasse wonen als bedoeld in artikel 4.4.1, tweede lid, van de Regeling bodemkwaliteit. Voorschrift 2 In afwijking van voorschrift 1 is het verboden grond of baggerspecie toe te passen in het duingebied, indien die grond of baggerspecie het gehalte aan chemische stoffen in die grond of baggerspecie hoger is dan de achtergrondwaarden als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Voorschrift 3 Voorschrift 1 is niet van toepassing op grond of baggerspecie van kwaliteitsklasse industrie, bedoeld in artikel 4.4.1, tweede lid, van de Regeling bodemkwaliteit, afkomstig is uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied als waarin die grond of baggerspecie zal worden toegepast, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: de grond van de bodem waarop de grond of de baggerspecie zal worden toegepast is van kwaliteitsklasse industrie, de grond is niet gelegen in het duingebied. Gbz BvZ ASV Ja B3 Aanleg, in gebruik name, gebruik of verandering van een weg die of terrein dat voor gemotoriseerd verkeer openstaat, een spoorweg of een luchthaven. Voorschrift 1 Het is niet toegestaan een weg die voor gemotoriseerd verkeer openstaat, een terrein voor dat verkeer, een spoorweg, of een luchthaven aan te leggen, in gebruik te nemen, te gebruiken of uit te breiden. Voorschrift 2 Voorschrift 1 is niet van toepassing op een uitbreiding van niet-relevante omvang mits door de houder van de inrichting ten genoegen van gedeputeerde staten kan worden aangetoond dat het risico van verontreiniging van grondwater door die uitbreiding niet toeneemt. Gedeputeerde staten kunnen bepalen bij welke omvang de uitbreiding niet relevant is en het risico niet toeneemt. Voorschrift 3 Voorschrift 1 is niet van toepassing, indien de weg die voor gemotoriseerd verkeer openstaat, het terrein voor dat verkeer, de spoorweg of de luchthaven op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening reeds was aangelegd in overeenstemming met het daarvoor geldend recht voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning neergelegd in de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland, mits voldaan wordt aan de in voorschrift 4 tot en met 6 bedoelde voorschriften. Voorschrift 4 Voorzieningen worden aangebracht welke duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem kunnen komen, en met regelmaat wordt controle uitgeoefend ten aanzien van het functioneren van deze voorzieningen. Voorschrift 5 Vloeistoffen afkomstig van de weg, spoorweg of het luchthaventerrein dienen zodanig te worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen. Voorschrift 6 Voorschrift 4 en 5 vinden ten aanzien van een parkeerterrein en een weg geen toepassing indien: het bevoegde gezag vaststelt dat het gebruik gelijk is aan een openbaar parkeerterrein of een openbare weg, of indien de houder van de inrichting door middel van een risicoanalyse aantoont dat op andere wijze eenzelfde beschermingsniveau wordt verkregen. Voorschrift 1 Het is niet toegestaan een weg die voor gemotoriseerd verkeer openstaat, een terrein voor dat verkeer, een spoorweg, of een luchthaven aan te leggen, in gebruik te nemen, te gebruiken of uit te breiden. Voorschrift 2 Voorschrift 1 is niet van toepassing op een uitbreiding van niet-relevante omvang mits door de houder van de inrichting ten genoegen van het bevoegd gezag kan worden aangetoond dat het risico van verontreiniging van grondwater door die uitbreiding niet toeneemt. Het bevoegd gezag kan bepalen bij welke omvang de uitbreiding niet relevant is en het risico niet toeneemt. Voorschrift 3 Voorschrift 1 is niet van toepassing, indien de weg die voor gemotoriseerd verkeer openstaat, het terrein voor dat verkeer, de spoorweg of de luchthaven op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening reeds was aangelegd in overeenstemming met het daarvoor geldend recht voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning neergelegd in de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland, mits voldaan wordt aan de in voorschrift 4 tot en met 6 bedoelde voorschriften. Voorschrift 4 Voorzieningen worden aangebracht welke duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem kunnen komen, en met regelmaat wordt controle uitgeoefend ten aanzien van het functioneren van deze voorzieningen. Voorschrift 5 Vloeistoffen afkomstig van de weg, spoorweg of het luchthaventerrein dienen zodanig te worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen. Voorschrift 6 Voorschrift 4 en 5 vinden ten aanzien van een parkeerterrein en een weg geen toepassing indien: het bevoegde gezag vaststelt dat het gebruik gelijk is aan een openbaar parkeerterrein of een openbare weg, of indien de houder van de inrichting door middel van een risicoanalyse aantoont dat op andere wijze eenzelfde beschermingsniveau wordt verkregen. Ww Gbz Bvz ASV Ja (alle). C Activiteit niet gereguleerd in Abm (andere activiteit) Rechtstreeks werkende regels voor andere activiteiten in niet-vergunningplichtige inrichtingen ter bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van de bodem Instructieregels voor andere activiteiten in vergunningplichtige inrichtingen ter bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van de bodem C1.1 Ingreep aan of in de bodem Voorschrift 1 Het is niet toegestaan een ingreep aan of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen aantast of kan aantasten. Voorschrift 2 Voorschrift 1 is niet van toepassing op: graven in verband met de aanleg of wijziging van een constructie, voor zover dit graven niet plaatsvindt in een bodemlaag met slecht-doorlatende eigenschappen, de aanleg of verwijdering van kabels of leidingen gelegen niet dieper dan 2,5 meter onder het maaiveld, de aanleg van een gladde heipaal, tenzij het gaat om een palenmatras voor een weg, spoorweg of luchthaven met in begrip van de daarbij horende kunstwerken, de plaatsing van een aardpen, grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning krachtens artikel 6.4 van de Waterwet is verleend, een sanering van de bodem welke sanering op grond van hoofdstuk IV van de Wet bodembescherming is voorgeschreven of toegestaan, of een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet. Voorschrift 1 Het is niet toegestaan een ingreep aan of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen aantast of kan aantasten Voorschrift 2 Voorschrift 1 is niet van toepassing op: graven in verband met de aanleg of wijziging van een constructie, voor zover dit graven niet plaatsvindt in een bodemlaag met slecht-doorlatende eigenschappen, de aanleg of verwijdering van kabels of leidingen gelegen niet dieper dan 2,5 meter onder het maaiveld, de aanleg van een gladde heipaal, tenzij het gaat om een palenmatras voor een weg, spoorweg of luchthaven met in begrip van de daarbij horende kunstwerken, de plaatsing van een aardpen, grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning krachtens artikel 6.4 van de Waterwet is verleend, een sanering van de bodem welke sanering op grond van hoofdstuk IV van de Wet bodembescherming is voorgeschreven of toegestaan, of een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet. Ww Ja C. 1.2 Ingreep aan of in de bodem Voorschrift 1 Het is niet toegestaan een ingreep aan of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen aantast of kan aantasten. Voorschrift 2 Voorschrift 1 is niet van toepassing op: graven in verband met de aanleg of wijziging van een constructie, voor zover dit graven niet plaatsvindt in een bodemlaag met slecht-doorlatende eigenschappen, de aanleg van een gladde heipaal, tenzij het gaat om een palenmatras voor een weg, spoorweg of luchthaven met in begrip van de daarbij horende kunstwerken, de plaatsing van een aardpen, grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning krachtens artikel 6.4 van de Waterwet is verleend, een sanering van de bodem welke sanering op grond van hoofdstuk IV van de Wet bodembescherming is voorgeschreven of toegestaan, of een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet. Voorschrift 3 Voorschrift 1 is eveneens niet van toepassing op een van de volgende ingrepen, onder de voorwaarde dat daarvan ten minste veertien dagen voor aanvang melding is gedaan aan gedeputeerde staten en voldaan is aan voorschrift 4 tot en met 7: graven voor de aanleg of wijziging van een kabel of leiding tot een diepte van 2,5 meter, de aanleg en het verwijderen van een gat, de plaatsing van een peilbuis of een sondering tot aan het zoetbrakgrensvlak. Voorschrift 4 De aanleg van een leiding vindt plaats via een gegraven sleuf. Voorschrift 5 De mate van doorlatendheid van de weerstandbiedende lagen is na de ingreep niet groter dan daarvoor. Voorschrift 6 Na beëindiging van een boring of een sondering wordt het gat meteen volledig afsluitend opgevuld. Voorschrift 7 Na afronding van de werkzaamheden worden slecht-doorlatende bodemlagen zoveel als mogelijk in de oorspronkelijke staat hersteld met een hiervoor geschikt product, zoals bentoniet, tenzij het gaat om: een gat afkomstig van een gestuurde boring, in welk geval voor het herstel van de slecht-doorlatendheid drillgrout of dämmer wordt toegepast; een sleuf, in welk geval voor het herstel van de slecht-doorlatendheid de afgegraven grond wordt teruggebracht dan wel grond wordt toegepast met dezelfde slecht-doorlatende eigenschappen. Voorschrift 1 Het is niet toegestaan een ingreep aan of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen aantast of kan aantasten. Voorschrift 2 Voorschrift 1 is niet van toepassing op: graven in verband met de aanleg of wijziging van een constructie, voor zover dit graven niet plaatsvindt in een bodemlaag met slecht-doorlatende eigenschappen, de aanleg van een gladde heipaal, tenzij het gaat om een palenmatras voor een weg, spoorweg of luchthaven met in begrip van de daarbij horende kunstwerken, de plaatsing van een aardpen, grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning krachtens artikel 6.4 van de Waterwet is verleend, een sanering van de bodem welke sanering op grond van hoofdstuk IV van de Wet bodembescherming is voorgeschreven of toegestaan, of een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet. Voorschrift 3 Voorschrift 1 is eveneens niet van toepassing op een van de volgende ingrepen, onder de voorwaarde dat daarvan ten minste veertien dagen voor aanvang melding is gedaan aan gedeputeerde staten en voldaan is aan voorschrift 4 tot en met 7: graven voor de aanleg of wijziging van een kabel of leiding tot een diepte van 2,5 meter, de aanleg en het verwijderen van een gat, de plaatsing van een peilbuis of een sondering tot het zoetbrakgrensvlak. Voorschrift 4 De aanleg van een leiding vindt plaats via een gegraven sleuf. Voorschrift 5 De mate van doorlatendheid van de weerstandbiedende lagen is na de ingreep niet groter dan daarvoor. Voorschrift 6 Na beëindiging van een boring of een sondering wordt het gat meteen volledig afsluitend opgevuld. Voorschrift 7 Na afronding van de werkzaamheden worden slecht-doorlatende bodemlagen zoveel als mogelijk in de oorspronkelijke staat hersteld met een hiervoor geschikt product, zoals bentoniet, tenzij het gaat om: een gat afkomstig van een gestuurde boring, in welk geval voor het herstel van de slecht-doorlatendheid drillgrout of dämmer wordt toegepast; een sleuf, in welk geval voor het herstel van de slecht-doorlatendheid de afgegraven grond wordt teruggebracht dan wel grond wordt toegepast met dezelfde slecht-doorlatende eigenschappen. Gwbz Bvz ASV Ja Betekenis afkortingen: Abm Activiteitenbesluit milieubeheer Arm Activiteitenregeling milieubeheer Pgs Publicatiereeks gevaarlijke stoffen Ww Waterwingebied Gbz Grondwaterbeschermingszone Bvz Boringsvrije zone ASV Gebied voor aanvullende strategische grondwatervoorraden BIJLAGE2:ACTIVITEITEN BUITEN INRICHTINGEN behorende bij de artikelen 29, 32, 72, 73, 75, 93.94 en 96 van de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland 2021 1 2 3 4 5 Activiteit Voorschriften Gebiedstype Ontheffing A1 Bodemenergiesysteem Voorschrift 1 Het is niet toegestaan een bodemenergiesysteem te vervangen. Voorschrift 2 Het is niet toegestaan een bodemenergiesysteem te veranderen, indien die verandering nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Voorschrift 3 Gedeputeerde staten kunnen aangeven wanneer de verandering, bedoeld in het voorschrift 2, in ieder geval nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning; de verandering in ieder geval geen nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Voorschrift 4 Met betrekking tot een gesloten bodemenergiesysteem gelden de voorschriften, bedoeld in voorschrift 5 tot en met
  12. Voorschrift 5 In geval van lekkage of andere bodembedreigende situaties worden alle maatregelen genomen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om aantasting van de kwaliteit van het grondwater te voorkomen; indien die aantasting niet kan worden voorkomen, wordt deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. Voorschrift 6 Van een lekkage of andere bodembedreigende situatie wordt onmiddellijk melding gemaakt aan gedeputeerde staten. Voorschrift 7 Het bodemenergiesysteem is voorzien van een lekdetectiesysteem met automatisch alarm. Voorschrift 8 In het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem wordt uitsluitend leidingwater, dan wel monopropyleen glycol of een stof met een in vergelijking met monopropyleen glycol aantoonbaar vergelijkbare of betere biologische afbreekbaarheid en een aantoonbaar vergelijkbare of lagere toxiciteit, als medium toegepast. Ww Gbz Bvz ASV Nee A2.1 Toepassing grond of baggerspecie Voorschrift 1 Het is niet toegestaan grond of baggerspecie toe te passen, indien die grond of baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitsklasse wonen als bedoeld in artikel 4.4.1, tweede lid, van de Regeling bodemkwaliteit. Voorschrift 2 In afwijking van voorschrift 1 is het verboden grond of baggerspecie toe te passen in het duingebied, indien die grond of baggerspecie het gehalte aan chemische stoffen in die grond of baggerspecie hoger is dan de achtergrondwaarden als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Ww Ja A2.2 Toepassing grond of baggerspecie Voorschrift 1 Het is niet toegestaan grond of baggerspecie toe te passen, indien die grond of baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitsklasse wonen als bedoeld in artikel 4.4.1, tweede lid, van de Regeling bodemkwaliteit. Voorschrift 2 In afwijking van voorschrift 1 is het verboden grond of baggerspecie toe te passen in het duingebied, indien die grond of baggerspecie het gehalte aan chemische stoffen in die grond of baggerspecie hoger is dan de achtergrondwaarden als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Voorschrift 3 Voorschrift 1 is niet van toepassing op grond of baggerspecie van kwaliteitsklasse industrie, bedoeld in artikel 4.4.1, tweede lid, van de Regeling bodemkwaliteit, afkomstig is uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied als waarin die grond of baggerspecie zal worden toegepast, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: de grond van de bodem waarop de grond of de baggerspecie zal worden toegepast is van kwaliteitsklasse industrie, de grond is niet gelegen in het duingebied. Gbz Bvz ASV Ja A3 Een ingreep aan of in de bodem waarbij schadelijke vaste en vloeibare stoffen worden gebruikt dan wel op of in de bodem worden gebracht dan wel daarop of daarin terecht kunnen komen. Voorschrift 1 Degene die is belast met de werkzaamheden, wordt voorafgaand daaraan, door degene die voor die werkzaamheden opdracht heeft gegeven op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van het milieubeschermingsgebied voor grondwater en van de toepasselijkheid van de voor dat gebied ten aanzien van die werkzaamheden geldende regels. Voorschrift 2 Het tijdens de werkzaamheden toe te passen water is van drinkwaterkwaliteit. Voorschrift 3 Zodanige voorzieningen worden getroffen dat tijdens het gebruik of het aanleggen van een gat geen schadelijke stoffen via dit gat in de bodem terecht kunnen komen. Voorschrift 4 Voor het maken van boorspoeling mag slechts klei worden toegepast. Het toepassen van andersoortige organische of anorganische hulpstoffen is niet toegestaan, uitgezonderd natriumhydroxide voor het reguleren van de zuurgraad. Voorschrift 5 Zodanige voorzieningen worden getroffen dat gedurende de werkzaamheden geen schadelijke stoffen in de bodem terecht kunnen komen. Voorschrift 6 Bij een ingreep toe te passen opvulmaterialen, zoals bentoniet zijn voorzien van een erkende kwaliteitsverklaring. Deze verklaring is op het werk aanwezig. Voorschrift 7 De plaats van opslag van bouwmateriaal en –materieel is afgedekt met folie. Voorschrift 8 In een bouwput mogen geen schadelijke stoffen worden opgeslagen. Voorschrift 9 De staat, uitrusting en het gebruik van bouwmaterieel is zodanig dat de kans op olieverontreiniging of andere vormen van verontreiniging van de bodem verwaarloosbaar is. Voorschrift 10 Grond die bij de werkzaamheden vrijkomt wordt verzameld en afgevoerd naar een erkend verwerker. Voorschrift 11 Het tijdens en na de werkzaamheden gebruikte spoelwater wordt opgevangen in een daartoe geschikte vloeistofdichte opvangvoorziening en afgevoerd naar een erkende verwerker. Voorschrift 12 Gemorste of anderszins vrijgekomen schadelijke stoffen worden terstond verzameld in een vloeistofdichte verpakking en op een zodanige wijze verwerkt of verwijderd dat verontreiniging van de bodem in het betreffende gebied is uitgesloten. Voorschrift 13 Indien als gevolg van lekkage, morsen of anderszins grond en grondwater wordt verontreinigd of gevaar voor verontreiniging dreigt, stelt de ter plaatse verantwoordelijke persoon onmiddellijk het bevoegd gezag en de directeur van het drinkwaterbedrijf hiervan in kennis. Voorschrift 14 Indien tijdens de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van een bouwkeet, gelden de volgende voorschriften: de afvoer van huishoudelijk afvalwater van een bouwkeet geschiedt via een vloeistofdicht stelsel van leidingen naar het openbaar riool. Indien aan deze eis om technische of operationele redenen niet kan worden voldaan is, geschiedt de afvoer van toiletafvalwater via een stelsel van vloeistofdichte en goed onderhouden leidingen aangesloten op een septic tank die of een mobiel toilet dat steeds bijtijds geleegd wordt; keukenafvalwater via een stelsel van vloeistofdichte en goed onderhouden leidingen aangesloten op een bezinkput die steeds bijtijds geleegd wordt; toiletafvalwater, keukenafvalwater en ander afvalwater worden te allen tijde gescheiden gehouden en afgevoerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie of geloosd op het openbaar riool. een bouwkeet wordt niet op aardolie verwarmd. Ww Gbz Bvz ASV Ja B Activiteit Voorschriften ter bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van de bodem Gebiedstypen Ontheffing B1 Voorschrift 1 De aanleg van een leiding vindt plaats via een gegraven sleuf. Voorschrift 2 De mate van doorlatendheid van de weerstandbiedende laag is na de ingreep niet groter dan daarvoor. Voorschrift 3 Na beëindiging van een boring of een sondering wordt het gat meteen volledig afsluitend opgevuld. Voorschrift 4 Na afronding van de werkzaamheden worden slecht doorlatende bodemlagen zoveel als mogelijk in de oorspronkelijke staat hersteld met een hiervoor geschikt product, zoals bentoniet, tenzij het gaat om: een gat afkomstig van een gestuurde boring, in welk geval drillgrout of dämmer wordt toegepast; een sleuf, in welk geval de afgegraven grond moet worden teruggebracht dan wel grond wordt toegepast met dezelfde slecht-doorlatende eigenschappen. Gwbz Bvz ASV Ja Betekenis afkortingen: Ww Waterwingebied Gbz Grondwaterbeschermingszone Bvz Boringsvrije zone ASV Gebied voor aanvullende strategische grondwatervoorraden BIJLAGE3:GRONDWATERBESCHERMINGSGEBIEDEN Kaarten behorende bij artikel 3 van de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland 2021 TOELICHTING HOOFDSTUKINDELING: HOOFDSTUK 1: ALGEMEEN HOOFDSTUK 2: GRONDWATER EN DE GEVAREN VOOR DE KWALITEIT MET HET OOG OP DE WATERWINNING HOOFDSTUK 3: BESTUURLIJK EN JURIDISCH KADER HOOFDSTUK 4: DE OMGEVINGSWET- EN VERORDENING HOOFDSTUK 5: AANLEIDING, UITGANGSPUNTEN EN MEEST RELEVANTE WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN DE PROVINCIALE MILIEUVERORDENING HOOFDSTUK 6: AANWIJZING GRONDWATERBESCHERMINGSGEBIEDEN HOOFDSTUK 7: BEBORDING EN ANDERE INFORMATIEVERSCHAFFING HOOFDSTUK 8: HOOFDELEMENTEN VAN DE PMV2021 HOOFDSTUK 9: ONDERWERPEN VAN REGULERING: VERONTREINIGING HOOFDSTUK 10: ONDERWERPEN VAN REGULERING: AANTASTING SLECHT-DOORLATENDE EIGENSCHAPPEN VAN BODEMLAGEN HOOFDSTUK 11: UITVOERBAARHEID EN HANDHAAFBAARHEID HOOFDSTUK 12: EUROPEESRECHTELIJKE ASPECTEN HOOFDSTUK 13: GEVOLGEN VOOR BURGERS, BEDRIJVEN EN OVERHEDEN HOOFDSTUK 14: OVERGANGSRECHT HOOFDSTUK 15: ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING HOOFDSTUK 16: TRANSPONERINGSTABEL HOOFDSTUK 1: ALGEMEEN 1.1 Inleiding De Provinciale milieuverordening Zuid-Holland, verder te noemen de Pmv, bevat regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden. Deze regels vormen het achtergebleven deel van de Pmv. De regels voor de overige onderwerpen van de Pmv zijn overgeheveld naar de Omgevingsverordening Zuid-Holland, die op 1 april 2019 in werking is getreden. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn alleen de beleidsarme onderdelen van de Pmv opgegaan. Beleidsarm zijn de te wijzigen regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning niet (geheel). De regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning van de Pmv worden gewijzigd en ondergebracht in de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland 2021, verder te noemen de Pmv
  13. ‘Beleidsneutraliteit’ is uitgangspunt geweest voor besluitvorming voor de Pmv
  14. In principe zijn ten opzichte van de Pmv geen nieuwe verplichtingen gegeven. Aan dit uitgangspunt is niet de hand gehouden om de navolgende dwingende redenen. Ten eerste wordt met de Pmv2021 ten dele uitvoering gegeven aan richtlijn 2000/60/EG oftewel de Kaderrichtlijn water4 Richtlijn 2000/60/EG; PbEG 2000, L 327/1.en richtlijn 2006/118/EG oftewel de Grondwaterrichtlijn5 Richtlijn 2006/118/EG; PbEU 2006, L 372/
  15. . De Kaderrichtlijn water en de Grondwaterrichtlijn stellen eisen aan de kwaliteit van grondwater. De eisen hebben onder meer betrekking op grondwaterlichamen met een waterwinlocatie. Naleving van de eisen moet worden verwezenlijkt via het regionaal waterplan.6 Artikel 12, eerste lid, Bkwm. Het regionaal waterplan is onderdeel van de Omgevingsvisie Zuid-Holland
  16. Het regionaal waterplan bevat een omschrijving van de gewenste bescherming van grondwaterlichamen en van de daarbij horende termijnen.7 Artikel 4.4, tweede lid, onder b, Waterwet. De provincie is medeverantwoordelijk voor de bescherming van de bronnen voor de drinkwaterproductie en dus ook voor de naleving van de kwaliteitseisen voor die bronnen op grond van de Kaderrichtlijn water. Deze bescherming wordt concreet gegeven via onder meer de Pmv2021.8 Omgevingsvisie Zuid-Holland 2019, p.
  17. Met de Pmv2021 wordt ter uitvoering van de Kaderrichtlijn water tevens een nieuw gebiedsbeschermingsregime geïntroduceerd: gebieden voor aanvullende strategische voorraden. Dit zijn delen van grondwaterlichamen bestemd voor toekomstige drinkwaterwinning. De term gebieden voor aanvullende strategische voorraden is afkomstig uit de Structuurvisie Ondergrond.9 Aangeboden bij Kamerstukken II 2017-2018, 33136, nr. C, nr.
  18. Ontwikkelingen hebben de afgelopen veertig jaar niet stilgestaan. Vele veranderingen hebben zich voorgedaan in de landelijke en deels Europese regelgeving anders dan in verband met de Kaderrichtlijn water en de Grondwaterrichtlijn. In de Pmv is geen rekening gehouden met die veranderingen. Ook om die redenen moeten de vigerende provinciale regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning worden aangepast. Nieuwe bedreigingen doen zich voor. Reeds langer bestaande bedreigingen zijn soms meer of minder ernstig van aard dan veertig jaar geleden werd aangenomen. Daarom zijn de regels ook inhoudelijk tegen het licht gehouden. Dit heeft deels geleid tot aanscherpingen, deels tot versoepelingen. In het kader van de vaststelling van deze regels is, zoals wettelijk voorgeschreven, de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening aangemerkt als een dwingende reden van groot openbaar belang. 10 Artikel 2, tweede lid, Drinkwaterwet. 1.2 Pmv2021 Gekozen is om de regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning tijdelijk in een zelfstandige regeling onder te brengen: de Pmv
  19. Dit hangt samen met de urgentie van de regeling. Uitvoering moet worden gegeven aan de Kaderrichtlijn water en de Grondwaterrichtlijn. Daarnaast behoeven de regels om allerlei redenen te worden geactualiseerd. Een afzonderlijke regeling is op dit moment het meest efficiënt. Inpassing van de regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in de vigerende Omgevingsverordening Zuid-Holland is een lastige aangelegenheid, mede vanwege de juridische complexe structuur en omvang van de regels. De werkzaamheden voor de inbouw van de regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn op dit moment eveneens gaande. Een ontwerp van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening met regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater vanwege de waterwinning overeenkomstig de uit de Omgevingswet voortvloeiende structuur heeft van 11 mei tot 22 juni 2020 voor inspraak ter inzage gelegen. 1.3 Procedureel De Pmv2021 is in nauwe samenspraak met de Omgevingsdienst Haaglanden tot stand gekomen. Deze dienst is belast met de uitvoering van de regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Op een voorontwerp van de Pmv2021 is eind 2019 een niet-verplichte digitale inspraakprocedure toegepast. Daarbij is eenieder in de gelegenheid gesteld opmerkingen over het ontwerp te maken. De inspraakprocedure heeft geleid tot een eerste verbeterslag. Op de totstandkoming van de Pmv2021 is daarna afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (uniforme openbare voorbereidingsprocedure) toegepast. In het kader van deze procedure is eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze over het ontwerp naar voren te brengen. Een ontwerp van de Pmv2021 is in het kader van de openbare voorbereidingsprocedure voor commentaar toegezonden aan een groot aantal betrokkenen. Het gaat om de volgende partijen. Overheidsorganisaties: het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Sport, het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de Inspectie Leefomgeving en Transport, gedeputeerde Staten van Noord-Holland, Utrecht, Noord-Brabant en Zeeland, het Interprovinciaal Overleg (IPO), burgemeester en wethouders van de gemeenten in de provincie Zuid-Holland, het dagelijks bestuur van de waterschappen in de provincie Zuid-Holland, de omgevingsdiensten in Zuid-Holland, het Functioneel Parket (Openbaar Ministerie), de politie van Rotterdam/Rijnmond en van Zuid-Holland Zuid. Bedrijfsleven; drinkwaterbedrijven, VNO-NCW, de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI), Deltalinqs, agrarische sector, bouwsector. Door een aantal partijen zijn zienswijzen ingediend. Het gaat ten eerste om de gemeenten Krimpenerwaard en Rotterdam. Daarnaast zijn zienswijzen ingediend door het Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard, het Waterschap Hollandse Delta, het Waterschap Rivierenland, het Hoogheemraadschap van Rijnland, het Hoogheemraadschap van Delfland, het Hoogheemraadschap van Stichtse Rijnlanden, en het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Ook zijn zienswijzen ingediend door de drinkwaterbedrijven, Oasen, Dunea en Evides en door de Omgevingsdienst Haaglanden. Ten slotte heeft LTO Noord een zienswijze ingediend. Op 4 mei 2021 is over het ontwerp van de Pmv2021 een advies ontvangen van de Provinciale Adviescommissie Leefomgevingskwaliteit. Uit het ingekomen commentaar kan het volgende worden afgeleid. De noodzaak van een actualisatie van de regels voor de bescherming van de kwaliteit van grondwater met het oog op de waterwinning wordt door veel partijen met nadruk onderschreven. Door de gemeente Krimpenerwaard wordt de aanwijzing van een gebied voor aanvullende strategische voorraden of in ieder geval de omvang daarvan op haar grondgebied, ter discussie gesteld. Door drinkwaterbedrijven wordt gewezen op de risico’s van activiteiten verricht buiten grondwaterbeschermingsgebieden voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Ten aanzien van een aantal van voornoemde punten wordt het volgende opgemerkt. Uit de Pmv2021 kunnen beperkingen voortvloeien voor het gebruik van ruimte voor allerlei andere maatschappelijke functies, zoals woningbouw en energie. Met de aanwijzing van een gebied voor aanvullende strategische voorraden in een deel van de Krimpenerwaard wordt de toepassing van bodemenergie in dat gebiedsdeel niet meer mogelijk. Daarnaast worden activiteiten beperkt, voor zover deze noodzaken tot ingrepen aan of in de bodem, die de slecht-doorlatende eigenschappen ter plaatse kunnen aantasten. Met de Pmv2021 zal met andere woorden in de gebieden voor aanvullende strategische voorraden nog steeds het een en ander mogelijk blijven. Dat wordt wat anders wanneer een gebied voor aanvullende strategische voorraden of een deel daarvan, wordt aangewezen als waterwingebied of grondwaterbeschermingszone. In dat geval geldt een uitgebreide procedure, welke is beschreven in paragraaf 3.6 van deze toelichting. Overigens wordt opgemerkt dat de ruimte in Zuid-Holland beperkt is en dat fricties van planologische aard vanwege de noodzaak te voorzien in voldoende drinkwater in deze provincie snel aan de orde zijn. Ook voor gemeentelijke bestuursorganen geldt voornoemde verplichting in hun (planologische) besluitvorming de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening aan te merken als een dwingende reden van groot openbaar belang. De zorgplicht zoals deze op dit moment is neergelegd in de Pmv wordt uitgebreid en zal ten dele ook betrekking hebben op activiteiten verricht buiten grondwaterbeschermingsgebieden. Zie hiervoor verder onder 8.4 en de Nota van beantwoording. Een deel van de zienswijzen heeft geleid tot wijzigingen in de tekst van het ontwerp Pmv2021 dan wel in de daarbij horende toelichting. Verder zijn in de tekst en in de toelichting wijzigingen van redactionele aard aangebracht. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar de tekst van de Pmv2021 en de Nota van beantwoording met de daarbij horende nota van wijzigingen. In de Nota van beantwoording van gedeputeerde staten is in extenso ingegaan op de zienswijzen en aangegeven hoe daarmee is omgegaan. 1.4 Communicatie Vanwege het grote maatschappelijke belang van de regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, de introductie van een nieuw gebiedsbeschermingsregime, de gebieden voor aanvullende strategische voorraden, en de diverse wijzigingen ten opzichte van de huidige regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, zal bij gelegenheid van de inwerkingtreding van de Pmv2021 de nodige informatie worden gegeven. Primair moet daarbij worden gedacht aan informatie op de provinciale website en sociale media. Verder zullen, indien daaraan behoefte blijkt te zijn, informatiebijeenkomsten, worden georganiseerd. 1.5 Uitvoeringsregelgeving van gedeputeerde staten Op grond van de Provinciewet kunnen provinciale staten de bevoegdheid tot het stellen van regels overdragen aan gedeputeerde staten, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen een dergelijke overdracht verzet. De overdracht kan ook betrekking hebben op de vaststelling van verordeningen. Voor zover de bevoegdheid betrekking heeft op verordeningen (of delen daarvan) door strafbepalingen of bestuursdwang te handhaven, kan overdracht van deze bevoegdheid alleen plaatsvinden voor zover het betreft de vaststelling van nadere regels voor door provinciale staten aangewezen onderwerpen. De overdracht heeft in beginsel alleen betrekking op de regulering van beleidsarme onderwerpen. 11 Artikel 152 Provinciewet. Van dit uitgangspunt is op een punt afgeweken. De Pmv2021 bevat een spoedvoorziening. Deze heeft betrekking op de bevoegdheid voor gedeputeerde staten (snel) te voorzien in een regeling voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Van deze bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt, indien de verwachte of gebleken effecten van een activiteit voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in een grondwaterbeschermingsgebied het stellen van regels naar het oordeel van gedeputeerde staten dringend noodzakelijk maken en naar hun oordeel een wijziging van de omgevingsverordening door provinciale staten niet kan worden afgewacht. Een spoedvoorziening wordt noodzakelijk geacht omdat aard, omvang en intensiteit van het gebruik van de bodem en ondergrond is toegenomen en de gevolgen daarvan voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning niet altijd ruim van tevoren goed voorzienbaar zijn. Een spoedvoorziening kan daarom aan de orde zijn. Over een door ons getroffen spoedvoorziening worden provinciale staten onverwijld in kennis gesteld. Een door gedeputeerde staten genomen besluit vervalt uiterlijk binnen twee jaar en wordt al dan niet vervangen door een definitieve regeling van provinciale staten. Wellicht zal, bijvoorbeeld op basis van de onder 1.6 te behandelen evaluatie, blijken dat meer grootschalig gebruik zal moeten worden gemaakt van het instrument van uitvoeringsregelgeving van gedeputeerde staten. Deze kan meer dan op dit moment het geval is betrekking hebben op de onderdelen die in het bijzonder gaan over de voorgeschreven technische maatregelen. Een meer grootschalig gebruik van de bevoegdheid tot het stellen van regels door gedeputeerde staten houdt verband met de volgende redenen. De Pmv2021 gaat over veel onderwerpen met allerlei daaraan verbonden specifieke problemen en aspecten. De ontwikkelingen daarin gaan, mede vanwege de grote te voorziene veranderingen, bijvoorbeeld op het gebied van klimaatadaptie en de energietransitie, vaak razendsnel. Daarnaast zijn die onderwerpen bijna altijd ook op hoger (internationaal, EU, landelijk) niveau gereguleerd, welke regulering ook nog eens veelvuldig wordt gewijzigd. De Pmv2021 op die internationale, Europese en landelijke regulering steeds goed zijn aangepast. Een goed en onafgebroken beheer en onderhoud van de provinciale regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning is daarvoor noodzakelijk en zal naar verwachting veelvuldig dwingen tot aanpassing van die regels. Een meer strikt onderscheid tussen de ‘hoofd- en bijzaken’ van die regulering kan wellicht bijdragen aan een meer effectieve en efficiënte omgang met voornoemde regels en het onderhoud daarvan. 1.6 Evaluatie Een eerste evaluatie van de toepassing van de regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning zal uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van de Pmv2021 plaatsvinden. Dit zal een eerste korte evaluatie betreffen, waarbij op basis van de eerste ervaringen, vooral zal worden gekeken naar een aantal onderwerpen, zoals kenbaarheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regels. 1.7 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de betekenis van drinkwater, grondwater en op de diverse typen bedreigingen van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. In hoofdstuk 3 wordt een uiteenzetting gegeven van de relevante regelgeving in verband met de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning (het bestuurlijk en juridisch kader). In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de Omgevingswet en op de gevolgen van die wet voor de regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater vanwege de waterwinning. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op aanleiding en uitgangspunten en de Pmv2021 en op de meest relevant

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.