← Nederland

Algemene Plaatselijke Verordening 1994 (Amsterdam)

In het kort

Deze wet, de Algemene Plaatselijke Verordening 1994 van Amsterdam, regelt de openbare orde en veiligheid binnen de gemeente Amsterdam door het definiëren van begrippen en het stellen van regels voor gedrag in de openbare ruimte.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Algemene Plaatselijke Verordening 1994Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begrip weg Onder weg wordt verstaan: a. alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, waaronder ook worden verstaan de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten en de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; b. de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke stegen, pleinen, open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten, veerponten, parkeergebouwen en aanlegplaatsen voor vaartuigen; c. voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven en niet afsluitbaar zijn; d. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht is bevoegd, zijn afgesloten. Artikel 1.2 Andere begripsomschrijvingen Voorts wordt verstaan onder: a. rechthebbende: degene die over enige zaak of dier de beschikking heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht of daarover enige feitelijke macht uitoefent; b. voertuigen: gelede en ongelede motorvoertuigen en alle rij- en voertuigen, met uitzondering van treinen en trams en kinderwagens, kruiwagens en dergelijke kleine voertuigen; c. openbaar water: alle wateren die al of niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn; d. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; e. gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen of dieren toegankelijke, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten of overdekte ruimte vormt; f. geluidsapparaat: een apparaat, bestemd of mede bestemd voor het voortbrengen van geluid; g. reclame: handelsreclame, te weten: het in het openbaar aanprijzen van of de aandacht vestigen op diensten, goederen, activiteiten of namen, met het doel een commercieel belang te dienen; h. samenscholing: het groepsgewijze bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben; i. harddrugs: de middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet en de daarbijbehorende lijst; j. stadsdeel: één van de delen van de gemeente Amsterdam zoals bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de stadsdelen. Artikel 1.3 Meldingen en het aanvragen van een beschikking

  1. Wanneer bij of krachtens deze verordening de burger wordt verplicht van een handeling melding te doen aan een bestuursorgaan of een ambtelijke functionaris, geschiedt dit schriftelijk, voorzover in deze verordening niet anders is bepaald.
  2. Wanneer een beschikkingsbevoegdheid door de Burgemeester is gemandateerd aan de voorzitter van een stadsdeel, wordt een aanvraag om een beschikking schriftelijk ingediend bij de voorzitter van het stadsdeel.
  3. Voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens wordt gebruik gemaakt van het door of namens het bevoegde bestuursorgaan vastgestelde formulier. Artikel 1.4 Niet in behandeling nemen van een aanvraag De aanvraag wordt niet in behandeling genomen indien de aanvrager niet heeft voldaan aan het bepaalde in de vigerende Legesverordening. Artikel 1.5 Beslissingstermijn
  4. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag om een beschikking binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.
  5. Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. Van dit besluit wordt de aanvrager in kennis gesteld. Artikel 1.6 Voorschriften en beperkingen
  6. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden die strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee het vereiste van de vergunning of ontheffing is gesteld.
  7. Voorzover in deze verordening niet anderszins is bepaald, kan een vergunning of ontheffing al dan niet voor een bepaalde tijd worden verleend.
  8. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1.7 Wijziging, intrekking of wijziging
  9. De vergunning of ontheffing kan onder meer worden geweigerd, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet in overeenstemming zal zijn met hetgeen in de aanvraag is vermeld.
  10. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning en ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt; indien dat nodig wordt geoordeeld ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld. Artikel 1.8 Inzage vergunning of ontheffing De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht deze op eerste vordering van een ambtenaar, belast met de zorg voor de naleving van een of meer bepalingen van deze verordening ter inzage af te geven aan deze ambtenaar. Artikel 1.9 Mandaat
  11. Het bestuursorgaan kan besluiten de in deze verordening aan hem toegekende bevoegdheden in mandaat te doen uitoefenen door gemeentelijke ambtenaren of in de gemeente werkzame politiefunctionarissen en bovendien, wat de aan de Burgemeester toegekende bevoegdheden betreft, ook door de voorzitters van de stadsdelen.
  12. Besluiten als bedoeld in dit artikel bevatten ten minste de aanduiding van de mandataris, de omschrijving van de bevoegdheid, de ingangsdatum en de voorwaarden waaronder het mandaat mag worden uitgeoefend. Hoofdstuk 2 Orde en veiligheid Artikel 2.1 Samenscholing, ongeregeldheden, ordeverstoring en samenkomsten
  13. Het is verboden, op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw of vaartuig deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, in groepsverband dan wel afzonderlijk anderen lastig te vallen, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.
  14. Het is verboden, op of aan de openbare weg of in een voor publiek toegankelijke inrichting een stof of voorwerp bij zich te hebben waarvan op grond van de omstandigheden aannemelijk is dat die stof of dat voorwerp is meegebracht dan wel aanwezig is om de orde te verstoren, schade aan zaken dan wel letsel aan personen toe te brengen.
  15. Het is verboden, zich in een situatie als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet tezamen met anderen in de richting van een samenscholing of van een andere tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis te begeven.
  16. Degene die op of aan de weg aanwezig is bij een tot toeloop van het publiek aanleiding gevende gebeurtenis, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing of bij enig voorval waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van Politie direct zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
  17. Het is verboden, zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.
  18. Het is verboden, bij openbare samenkomsten en vermakelijkheden op door de Burgemeester in verband daarmee aangewezen tijden en plaatsen voorwerpen of voertuigen op of aan de weg te plaatsen of te hebben.
  19. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel 2.2 Openlijk gebruik en handel
  20. Het is verboden, op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig harddrugs te gebruiken of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voorhanden te hebben.
  21. Het is verboden, zich op of aan de weg op te houden, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar dan wel slaap- of kalmeringsmiddelen of daarop gelijkende waar, te kopen of te koop aan te bieden.
  22. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op voorwerpen of activiteiten die in het belang van de volksgezondheid, in het bijzonder de preventie, de bestrijding van drugsverslaving of de hulpverlening aan verslaafden, van overheidswege worden bevorderd of zijn goedgekeurd. Artikel 2.3 Sluiting van verkoopinrichtingen
  23. De Burgemeester kan in het belang van de openbare orde tijdelijk, voor ten hoogste vier weken, de sluiting bevelen van een verkoopinrichting van waaruit voorwerpen worden verkocht die als hulpmiddel voor het gebruik van of de handel in harddrugs worden aangewend.
  24. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing, indien het gaat om voorzieningen waarbij met instemming van overheidswege in het kader van de drugshulpverlening en de aidsbestrijding attributen voor gebruik worden verkocht dan wel verstrekt. Artikel 2.4 Messen en andere voorwerpen als steekwapen
  25. Het is verboden, op door Burgemeester en Wethouders aangewezen wegen, met inbegrip van daaraan gelegen, voor het publiek toegankelijke gebouwen, messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.
  26. Dit verbod geldt niet voor wapens, behorende tot de categorieën I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie, en niet voor voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat deze niet voor dadelijk gebruik kunnen worden aangewend.
  27. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt en die zodanig zijn ingepakt dat deze niet voor dadelijk gebruik kunnen worden aangewend. Artikel 2.5 Veiligheidsrisicogebieden De Burgemeester kan, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, openbare wegen, met inbegrip van de daaraan gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2.6 Spelen om geld op de weg
  28. Het is verboden op de weg met kaarten, geld, dobbelstenen of andere voorwerpen om geld te spelen.
  29. Het is aan degene, die ten hoogste één jaar tevoren bij onherroepelijk vonnis is veroordeeld wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde verbod, en van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij op enigerlei wijze wederom betrokken is bij een spel als in het eerste lid bedoeld, en aan wie dit bij besluit van de Burgemeester in het belang van de openbare orde is bekendgemaakt, verboden zich anders dan in een middel van openbaar vervoer te bevinden op de door Burgemeester en Wethouders aangewezen wegen en plaatsen en gedurende de uren in dat besluit vermeld.
  30. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt gedurende het in het besluit van de Burgemeester vermelde tijdvak van ten hoogste twee weken. Artikel 2.6A Aanwijzing overlastgebied
  31. De burgemeester is bevoegd om een gebied aan te wijzen waar naar zijn oordeel sprake is van een ernstige verstoring of bedreiging van de openbare orde.
  32. Het is verboden zich in een aangewezen gebied op te houden in een groep van meer dan vier personen, indien dit leidt tot een verstoring van de openbare orde.
  33. De burgemeester trekt de aanwijzing in, zodra naar zijn oordeel sprake is van een voldoende herstel van de openbare orde in het aangewezen gebied. Artikel 2.6B Verblijfsverbod
  34. Degene die in een op grond van artikel 2.6A, eerste lid, aangewezen gebied: artikel 2.1, eerste lid; artikel 2.2, eerste of tweede lid; artikel 2.4, eerste lid; artikel 2.6A, eerste lid; artikel 2.19; artikel 6.16, eerste lid overtreedt, of openlijk wapens als bedoeld in de Wet wapens en munitie voorhanden heeft, is verplicht zich terstond uit dat gebied te verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak van 24 uur niet meer te bevinden vanaf het moment van uitreiking van een daartoe strekkend bevel van de burgemeester.
  35. De verplichting om zich terstond uit een op grond van artikel 2.6A, eerste lid, aangewezen gebied te verwijderen en zich daar niet meer te bevinden geldt vanaf het moment van uitreiking van een daartoe strekkend bevel van de burgemeester; voor een tijdvak van 14 dagen, indien de betrokkene in een periode van zes maanden driemaal een bevel als bedoeld in het eerste lid heeft gekregen; voor een tijdvak van één maand, indien de betrokkene binnen een periode van een jaar nadat hem een bevel als bedoeld onder a is gegeven, wederom één van de in het eerste lid vermelde bepalingen heeft overtreden; voor een tijdvak van drie maanden, indien de betrokkene binnen een periode van een jaar nadat hem een bevel als bedoeld onder b is gegeven, wederom één van de in het eerste lid vermelde bepalingen heeft overtreden; voor een tijdvak van drie maanden, indien de betrokkene binnen een periode van een jaar nadat hem een bevel als bedoeld onder c is gegeven, wederom één van de in het eerste lid vermelde bepalingen heeft overtreden. Artikel 2.7 Sluiting gebouwen vanwege de openbare orde
  36. De Burgemeester kan de sluiting bevelen van een gebouw, een gedeelte van een gebouw dan wel een vaartuig of een inrichting of een andere ruimte, welke voor het publiek openstaat, indien:' daar is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 1 van de Wet op de kansspelen; daar door misdrijf verkregen voorwerpen zijn verworven, voorhanden zijn of worden overgedragen dan wel zijn bewaard of verborgen; daar discriminatie heeft plaatsgevonden naar ras, geslacht of seksuele gerichtheid; daar wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning dan wel verlof is verleend; zich daar andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van die ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.
  37. De Burgemeester trekt het bevel tot sluiting in, zodra naar zijn oordeel de openbare orde voortzetting van de sluiting niet langer vereist.
  38. De Burgemeester draagt zorg voor het laten aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van een ruimte als in het eerste lid bedoeld, of in de directe nabijheid ervan.
  39. Het is verboden, een ruimte waarvan de sluiting is bevolen, te betreden.
  40. De rechthebbende op een ruimte waarvan de sluiting is bevolen, is verplicht toe te laten dat het afschrift van het bevel tot sluiting wordt aangebracht als bedoeld in het derde lid; hij mag geen bezoekers in die ruimte toelaten en de ruimte niet zelf betreden zonder toestemming van de Burgemeester.
  41. De leden 3, 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing in geval van een door de Burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet genomen besluit tot sluiting van een woning, een niet voor het publiek toegankelijke plaats of een bij de woning of dat lokaal behorend erf.
  42. De leden 2, 3, 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing in geval van een door de Burgemeester krachtens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet genomen besluit tot toepassing van bestuursdwang, bestaande uit het sluiten van een voor het publiek toegankelijk lokaal of daarbij behorend erf. Artikel 2.8 Hinderlijk gebruik van drank of softdrugs
  43. Het is verboden, op of aan de weg of op het openbaar water, dan wel in een voor het publiek toegankelijk gebouw, alcoholhoudende drank te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten, of anderszins overlast veroorzaken.
  44. Het is verboden, op door Burgemeester en Wethouders aangewezen wegen of weggedeelten, alcohol-houdende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
  45. Het in het voorgaande lid genoemde verbod geldt niet op een terras.
  46. Het is verboden op door Burgemeester en Wethouders aangewezen wegen of weggedeelten softdrugs te gebruiken of openlijk voorhanden te hebben.
  47. Onder softdrugs worden verstaan: de middelen, genoemd in lijst II, onderdeel b, behorende bij de Opiumwet. Artikel 2.8A Openbare fietsverkoop
  48. Het is verboden, op of aan de weg fietsen of onderdelen van fietsen ten verkoop aan te bieden, te verkopen of te kopen.
  49. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op de bedrijfsmatige handel in fietsen.
  50. Burgemeester en Wethouders kunnen plaatsen en tijden aanwijzen waarop het eerste lid niet van toepassing is. Artikel 2.9 Openbare manifestaties
  51. In dit artikel wordt verstaan onder openbare plaats een plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties, die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet.
  52. Behalve wanneer sprake is van een openbare manifestatie als PROMPT in artikel 3, tweede lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft de organisator van een betoging, vergadering of samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op een openbare plaats, ten minste 24 uur vóór de aanvang ervan, van zijn voornemen tot het houden daarvan aan de Burgemeester schriftelijk kennis, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.
  53. Indien de organisator wegens bijzondere omstandigheden, verband houdende met de manifestatie, niet in staat is te voldoen aan de termijn, vermeld in het tweede lid, is deze laatste verplicht onverwijld mondeling van zijn voornemen aan de Burgemeester kennis te geven.
  54. Indien zich naar het oordeel van de Burgemeester geen bijzondere omstandigheden voordoen, is de melding als bedoeld in het derde lid in strijd met het bepaalde in het tweede lid. Artikel 2.10 Procedure van kennisgeving van openbare manifestaties
  55. Degene die een kennisgeving doet als bedoeld in artikel 2.9, ontvangt daarvan een bewijs waarop het tijdstip van inlevering is vermeld.
  56. Op het door de Burgemeester ten behoeve van deze kennisgeving vastgestelde formulier, dient ten minste opgave te worden verstrekt van: de naam, het adres en het telefoonnummer van de organisator; de datum, de route en de plaats van de manifestatie; een omschrijving van de aard van de manifestatie; de plaatsen en de tijdstippen van de openstelling en ontbinding van de manifestatie; het te verwachten aantal deelnemers; de voorgenomen maatregelen van de organisator om een ordelijk verloop van de manifestatie te waarborgen.
  57. Voor de termijn van 24 uren als bedoeld in artikel 2.9, wordt de zaterdag, de zondag of een algemeen erkende feestdag in de zin van artikel 3 van de Algemene termijnenwet niet meegerekend. Artikel 2.11 Evenementen
  58. In dit artikel worden verstaan onder: evenement: het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een voor het publiek toegankelijke gebeurtenis op of aan de weg of het openbaar water, met uitzondering van: een manifestatie in de zin van de Wet openbare manifestaties; een optocht als bedoeld in artikel 2.13; een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.14; markten als bedoeld in de Gemeentewet; evenemententerrein: de ruimte die in de evenementenvergunning is aangegeven om de activiteiten te laten plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daarnaar te kijken of eraan deel te nemen.
  59. Het is verboden, zonder vergunning van de Burgemeester een evenement te houden of te doen houden.
  60. De Burgemeester kan bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning de volgende belangen in aanmerking nemen: de mate waarin door het evenement beslag wordt gelegd op de ruimte, de tijd en de hulpdiensten; het aantal bezoekers dat wordt verwacht; of de aard van het evenement zich verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie; of er gevaar bestaat voor de openbare orde, gezondheid of veiligheid, waaronder de brandveiligheid en het belang van het voorkomen van wanordelijkheden; of er gevaar bestaat voor belemmeringen van het verkeer; of er gevaar bestaat voor een onevenredige belasting van het woon- of leefklimaat in de omgeving van het evenement; of er gevaar bestaat voor verontreiniging, aantasting van het uiterlijk aanzien van de stad, beschadiging van de groenvoorzieningen of van voorzieningen voor het openbaar nut; of de organisator voldoende waarborgen biedt of kan bieden voor een goed verloop van het evenement, gelet op de eerder vermelde belangen; of de organisator voldoende waarborgen biedt om de schade aan het milieu te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken.
  61. De Burgemeester kan aan de vergunning voorschriften en beperkingen verbinden met het oog op de in het derde lid bedoelde belangen en ter verzekering van de nakoming van deze voorschriften in de vergunning bepalen dat een borgsom moet worden verstrekt voordat het evenement wordt gehouden.
  62. Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het tweede lid moet worden ingediend uiterlijk acht weken voor de datum van het evenement. De Burgemeester kan van de hiervoor vermelde termijn afwijken of voor bijzondere, periodiek terugkerende evenementen gelet op de benodigde voorbereidingstijd de uiterlijke datum van de aanvraag afzonderlijk bepalen.
  63. Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, heeft de houder van de vergunning voor het evenement, tijdens de duur van het evenement, geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten zijn vermeld in de vergunning als bedoeld in het tweede lid.
  64. Het is aan anderen dan de vergunninghouder verboden, op het evenemententerrein activiteiten te verrichten, waarvoor krachtens enige gemeentelijke verordening vergunning is vereist en welke activiteiten zijn vermeld in de vergunning als bedoeld in het tweede lid, tenzij die anderen met de houder van de vergunning een overeenkomst hebben gesloten en zij zich jegens de vergunninghouder hebben verbonden de voorschriften en beperkingen, welke aan de vergunning zijn verbonden, in acht te nemen.
  65. Indien derden met de vergunninghouder een overeenkomst hebben gesloten als in het zevende lid bedoeld, is het bepaalde in het zesde lid op hen van overeenkomstige toepassing.
  66. Het verbod als bedoeld in het zevende lid geldt niet voor activiteiten die reeds krachtens een voor onbepaalde tijd dan wel voor een periode langer dan drie maanden verleende vergunning voor aan een specifieke plaats gebonden handelingen op het evenemententerrein plaatsvinden.
  67. Het bepaalde in dit artikel staat er niet aan in de weg dat, wat het evenemententerrein betreft, voor het in gebruik nemen van gemeentegrond of gemeentewater met de gemeente Amsterdam een overeenkomst wordt gesloten die bedingen bevat die mede de belangen betreffen als bedoeld in het derde lid.
  68. De vergunninghouder die een evenement organiseert of degene die er de feitelijke leiding bij heeft, is, indien de Burgemeester een bevel geeft met het oog op het waarborgen van de in het derde lid bedoelde belangen, verplicht daaraan gevolg te geven en, indien nodig, het evenement onmiddellijk te beëindigen, waarbij hij dan ook verplicht is ervoor te zorgen dat er geen publiek meer wordt toegelaten.
  69. Het is verboden, de orde te verstoren bij een evenement. Artikel 2.12 Kennisgeving optocht
  70. De organisator van een optocht, niet zijnde een manifestatie in de zin van de Wet openbare manifestaties, is verplicht, ten minste drie weken vóór de optocht van het voornemen tot het houden daarvan de Burgemeester in kennis te stellen.
  71. De Burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid vermelde termijn verkorten.
  72. De in het eerste lid bedoelde kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan als het door de Burgemeester voor de kennisgeving vastgestelde formulier volledig en naar waarheid is ingevuld, tijdig is ingeleverd ter Gemeentesecretarie bij de hoofdafdeling Algemeen Bestuurlijke en Juridische Zaken tussen 9.00 en 16.30 uur en buiten die uren op het hoofdbureau van Politie bij de chef van de centrale meldkamer, en wat betreft de te houden optocht door de Burgemeester een bewijs van ontvangst, waarin het tijdstip van inlevering is vermeld, is uitgereikt.
  73. De Burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid voorschriften geven ter verzekering van een redelijke afwikkeling van het verkeer, ter beveiliging van personen en goederen of van ernstige hinder voor anderen dan de deelnemers aan een optocht en ter voorkoming van strafbare feiten.
  74. Indien de Burgemeester van oordeel is dat noch door toegezegde medewerking, noch door politiemaatregelen, noch door het geven van voorschriften, onevenredige schade aan de belangen, bedoeld in het vierde lid kan worden voorkomen, kan hij de optocht verbieden. Artikel 2.13 Verboden optocht Het is verboden, een optocht te houden, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen, indien: a. de kennisgeving ervan niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.12 is gedaan; b. wordt afgeweken van de bij de kennisgeving verstrekte gegevens betreffende de tijd, de route en de ordemaatregelen; c. in strijd wordt gehandeld met de ingevolge artikel 2.12, vierde lid, gegeven voorschriften; d. de Burgemeester de optocht heeft verboden. Artikel 2.14 Kennisgeving voetbalwedstrijden
  75. De organisator van een voetbalwedstrijd in het kader van het betaald voetbal is verplicht, ten minste vier weken vóór de speeldatum bij aangetekend schrijven van zijn voornemen tot het houden van de wedstrijd aan de Burgemeester kennis te geven.
  76. Indien een kennisgeving, gelet op het tijdstip waarop de speeldatum wordt vastgesteld, niet vier weken tevoren kan worden gedaan, dient de organisator na de vaststelling van de speeldatum hiervan onmiddellijk de Burgemeester schriftelijk in kennis te stellen, maar in ieder geval één week vóór de speeldatum.
  77. De kennisgeving vermeldt de plaats waar en het tijdstip waarop de wedstrijd wordt gespeeld en bevat voorts in ieder geval een opgave van het te verwachten aantal toeschouwers, van de mogelijkerwijze te verwachten wanordelijkheden, alsmede van de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om dit laatste zoveel mogelijk te voorkomen.
  78. De Burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid voorschriften geven ter beveiliging van personen en goederen, ter voorkoming van wanordelijkheden en ter voorkoming van ernstige hinder voor toeschouwers en andere personen.
  79. Indien de Burgemeester van oordeel is dat door de toegezegde medewerking onevenredige schade aan belangen als in het vorige lid bedoeld, noch door het geven van voorschriften, noch door politiemaatregelen kan worden voorkomen, kan hij de wedstrijd verbieden. Artikel 2.15 Verboden voetbalwedstrijd Het is de organisator van een voetbalwedstrijd verboden, deze te doen plaatsvinden, indien: a. de kennisgeving aan de Burgemeester minder dan vier weken tevoren is gedaan, dan wel minder dan één week als bedoeld in het eerste respectievelijk het tweede lid van artikel 2.14; b. in strijd wordt gehandeld met de ingevolge artikel 2.14, vierde lid, gegeven voorschriften; c. wordt afgeweken van de bij de kennisgeving verstrekte gegevens wat betreft het tijdstip, de plaats en de voorgestelde maatregelen ter voorkoming van wanordelijkheden; d. de Burgemeester de wedstrijd heeft verboden. Artikel 2.16 Straatartiest en muziek
  80. Het is verboden, op door de Burgemeester aangewezen wegen en tijden op of aan de weg als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen.
  81. Op andere dan de in het eerste lid vermelde plaatsen, is het verboden, zonder vergunning van de Burgemeester als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen.
  82. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing, indien: met ten hoogste zes personen wordt opgetreden; er geen draaiorgels, geluidversterkende apparatuur of slaginstrumenten, zoals trommels, bongo's en dergelijke, worden gebruikt; het optreden niet langer duurt dan een half uur; het optreden niet plaatsvindt tussen 23.00 uur en 9.00 uur.
  83. Indien op grond van dit artikel een vergunning is vereist, kan de Burgemeester te dien aanzien de belangen in aanmerking nemen die zijn bedoeld in artikel 2.11, derde lid. Artikel 2.17 Aanbieden van diensten op of aan de weg
  84. Het is verboden, op of aan de weg op te treden als dienstverlener of zijn diensten als zodanig tegen betaling aan te bieden, voor een werkzaamheid, als: van schoenpoetser, kruier, gids, portrettist, fotograaf, bewaker van voertuigen of goederen, of reiniger van auto's; het werven van klanten voor bedrijven, zoals rondvaartrederijen, hotels, verblijfs-inrichtingen, horecabedrijven en prostitutiebedrijven.
  85. Het is verboden, op of aan de weg plaatsbewijzen voor een evenement te koop aan te bieden of daartoe in voorraad te hebben, behalve in de daarvoor bestemde en bij het evenement behorende ruimte.
  86. Burgemeester en Wethouders kunnen van het bepaalde in het eerste en tweede lid ontheffing verlenen. Artikel 2.18 Evenementen in gebouwen
  87. Het is verboden, zonder vergunning van de Burgemeester in een gebouw, een vaartuig of in een gedeelte daarvan een voor het publiek toegankelijke gebeurtenis te houden of te doen houden, of voor dat doel een gebouw of gedeelte daarvan te gebruiken.
  88. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op: manifestaties in de zin van de Wet openbare manifestaties; bioscoopvoorstellingen waarop artikel 1 van de Wet op de Filmvoorstellingen van toepassing is; theatervoorstellingen en dergelijke; sportwedstrijden; markten; activiteiten in horecabedrijven die in de uitoefening van het bedrijf gebruikelijk zijn.
  89. De Burgemeester kan categorieën van voor het publiek toegankelijke gebeurtenissen aanwijzen waarop het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is.
  90. De Burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde vergunning weigeren op grond van een belang als bedoeld in artikel 2.11, derde lid. Artikel 2.19 Hinderlijk gedrag in of bij gebouwen
  91. Het is verboden, tegen de wil van de bewoner of de gebruiker van een gebouw of vaartuig: te leunen tegen een deur, raam of vensterbank dan wel zich op andere wijze hinderlijk in de onmiddellijke omgeving van het gebouw op te houden; zich zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze te bevinden in de voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimten in dat gebouw.
  92. Het is verboden, zich zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of bij een portiek, een portaal, een telefooncel, een parkeergarage of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimten zijn bestemd. Artikel 2.20 Slapen op of aan de weg
  93. Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken en verder op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden.
  94. Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en beperking van hinder en overlast, ontsiering van het stadsbeeld, verontreiniging, besmettelijke ziekten en brandgevaar.
  95. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de Woonwagenwet of de Kampeerwet van toepassing is, noch op de door Burgemeester en Wethouders aangewezen plaatsen. Artikel 2.21 Bestrijding van gladheid
  96. Het is verboden, bij vorst water op de weg te storten of te laten vloeien.
  97. De hoofdbewoner of de hoofdgebruiker van een woning, een vaartuig, een gebouw of gedeelte daarvan is verplicht, bij sneeuwval of gladheid ervoor te zorgen dat de toegang daartoe en ook het voetpad of trottoir ervoor, over een breedte van 2 meter van sneeuw of ijs wordt ontdaan of, als dat niet mogelijk is, ervoor te zorgen dat de gladheid van toegang of voetweg afdoende wordt bestreden.
  98. De verplichting rust op de hoofdbewoner of de hoofdgebruiker van de meest gelijkstraatse verdieping en, bij diens afwezigheid of onbekwaamheid tot het voldoen aan die verplichting, op de hoofdbewoner of de hoofdgebruiker van de volgende verdieping. Artikel 2.22 Beplantingen
  99. Het is verboden, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders op of in de weg, geen weg zijnde in de zin van de Wegenverkeerswet, een beplanting aan te brengen.
  100. De rechthebbende op een boom, een heg, een heester of enig andere beplanting die het vrije uitzicht voor het verkeer belemmert of op andere wijze het verkeer in gevaar brengt, of de bediening, de bereikbaarheid of de zichtbaarheid belemmert van brandkranen of afsluiters, is verplicht deze beplanting tot de door Burgemeester en Wethouders aan te geven afmetingen terug te brengen. Artikel 2.23 Bescherming van de privacy
  101. Het is verboden, bewakingsapparatuur te gebruiken wanneer daarmee personen kunnen worden waargenomen in een ander gebouw, vaartuig of besloten erf dan waar de bewakingsapparatuur staat opgesteld.
  102. Het is verboden, zich op of aan de weg op te houden met de kennelijke bedoeling, personen die zich op of aan de weg of in een gebouw bevinden, te bespieden. Artikel 2.24 Inzamelingen van geld of zaken
  103. Het is verboden, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders een openbare inzameling van geld of zaken te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.
  104. Onder een inzameling van geld of zaken wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of zaken bij het aanbieden van diensten, of van bonnen, speldjes, geschreven of gedrukte stukken, snuisterijen, versnaperingen en van dergelijke andere zaken, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
  105. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor een inzameling die in een besloten kring wordt gehouden.
  106. Burgemeester en Wethouders kunnen onder door hen te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die worden gehouden door daarbij aangewezen instellingen. Artikel 2.25 Nachtregister
  107. In dit artikel wordt verstaan onder: inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin bij wijze van uitoefening van beroep of bedrijf aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt gegeven; houder: degene die een inrichting exploiteert of daarin de feitelijke leiding heeft.
  108. Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden daarvan staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna de Burgemeester daarvan kennis te geven.
  109. De houder van een inrichting is verplicht, een register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden op de door de Burgemeester vastgestelde wijze en dat register op eerste vordering van ambtenaren van Politie aan hen ter inzage te geven of gegevens daaruit te verstrekken.
  110. Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt, alsmede de kampeerder, is verplicht direct aan de houder van de inrichting volledig en naar waarheid zijn naam, adres, woonplaats, nationaliteit, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te geven. Artikel 2.26
  111. Het is verboden, van het openbaar vervoer en daarbij behorende voorzieningen gebruik te maken op zodanige wijze dat redelijkerwijze kan worden aangenomen dat dit geschiedt met het oogmerk wederrechtelijk een aan een ander toebehorend goed weg te nemen.
  112. Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd, degene die het in het eerste lid gestelde verbod overtreedt, het gebruik van door hen aan te wijzen lijnen van het openbaar vervoer voor ten hoogste zes maanden te ontzeggen.
  113. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op treinen in de zin van de Spoorwegwet, noch op stadsspoorwegen en tramwegen in de zin van de Lokaalspoor- en Tramwegwet. Artikel 2.27 Vervoer inbrekerswerktuigen
  114. Het is verboden, tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
  115. Het verbod is niet van toepassing indien de in het voorgaande lid bedoelde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de in dat lid vermelde handelingen. Artikel 2.28 Bedelarij Het is verboden, op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw om geld of andere zaken te bedelen. Hoofdstuk 3 Horecabedrijven Artikel 3.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.horecabedrijf: restaurants, cafés, cafetaria, snackbars, discotheken, koffiehuizen, alsmede aanverwante inrichtingen waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt, met uitzondering van inrichtingen op staanplaatsen voor de ambulante handel; b. onder horecabedrijf als bedoeld onder a, worden mede verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden; c. terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van een horecabedrijf waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid en/of verstrekt; d. alcoholverstrekkend bedrijf: een horecabedrijf waar tegen vergoeding alcoholhoudende drank voor directe consumptie wordt verstrekt; e. alcoholvrij bedrijf: een horecabedrijf waar tegen vergoeding alcoholvrije drank en/of eetwaren voor directe consumptie worden verstrekt; f. weekeinde: de nacht van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag; g. dagzaak: een alcoholverstrekkend bedrijf met een openingstijd van 07.00 tot 01.00 uur, en tot 03.00 uur in het weekeinde; h. avondzaak: een alcoholverstrekkend bedrijf met een openingstijd van 09.00 tot 03.00 uur, en tot 04.00 uur in het weekeinde; i. nachtzaak: een alcoholverstrekkend bedrijf in hoofdzaak in gebruik of bestemd voor het bieden van dansgelegenheid, met een openingstijd van 09.00 tot 04.00 uur, en tot 05.00 uur in het weekeinde; j. houder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon voor wiens rekening en risico een horecabedrijf wordt geëxploiteerd; k. leidinggevende: de natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan een horecabedrijf, dan wel de bestuurder van de rechtspersoon voor wiens rekening en risico een zodanig bedrijf wordt geëxploiteerd; l. bezoekers: degenen die niet zijn: de leden van het gezin of de huishouding van de houder, alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende reden noodzakelijk is; m. stadsdeel Amsterdam-Centrum: het stadsdeel als bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de stadsdelen, waarvan de grenzen zijn aangegeven op de bij die verordening behorende kaartbijlage. Artikel 3.2 Exploitatie van een horecabedrijf
  116. Het is verboden, zonder vergunning van de Burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.
  117. De Burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde of veiligheid nadelig wordt/worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.
  118. Bij de toepassing van de in het vorige lid vermelde weigeringsgrond houdt de Burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk waarin het bedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf, alsmede met de wijze van bedrijfsvoering van de houder of leidinggevende of met diens levensgedrag.
  119. De vergunning wordt niet verleend als de vestiging in strijd is met een geldend bestemmingsplan dan wel stadsvernieuwingsplan en/of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing. Voorts wordt de vergunning niet verleend als de leidinggevende van een alcoholvrij bedrijf de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt.
  120. De Burgemeester merkt een alcoholverstrekkend bedrijf in de vergunning aan als hetzij een dagzaak, hetzij een avondzaak, hetzij een nachtzaak, een en ander onverminderd het bepaalde in artikel 3.
  121. Voor terrassen wordt slechts vergunning verleend tot uiterlijk 01.00 uur en tot uiterlijk 02.00 uur in het weekeinde.
  122. Burgemeester en Wethouders kunnen in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat, de veiligheid, de zedelijkheid en de gezondheid nadere regels stellen betreffende de exploitatie van horecabedrijven, voorzover geen bepalingen van de Drank- en Horecawet of van de Woningwet of de daarop gebaseerde besluiten van toepassing zijn.
  123. De Burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen: als de houder of leidinggevende het in of bij dit hoofdstuk bepaalde overtreedt; als aannemelijk is dat de houder of leidinggevende betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, bij activiteiten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van deze verordening, of bij andere activiteiten in of vanuit het horecabedrijf die een gevaar voor de openbare orde opleveren en/of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, dan wel indien naar zijn oordeel de wijze van bedrijfsvoering of het levensgedrag, als bedoeld in het derde lid, een dergelijk gevaar of een dergelijke bedreiging vormen; als op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist.
  124. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor door de Burgemeester aangewezen soorten horecabedrijven. Artikel 3.3 Openingstijden en sluitingstijden
  125. Het is de houder en de leidinggevende verboden, een alcoholverstrekkend bedrijf voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten op andere tijdstippen dan: van 07.00 tot 01.00 uur, en in het weekeinde van 07.00 uur tot 03.00 uur, indien de Burgemeester het als dagzaak heeft aangemerkt; van 09.00 tot 03.00 uur, en in het weekeinde van 09.00 uur tot 04.00 uur, indien de Burgemeester het als avondzaak heeft aangemerkt; van 09.00 tot 04.00 uur, en in het weekeinde van 09.00 tot 05.00 uur, indien de Burgemeester het als nachtzaak heeft aangemerkt.
  126. Het is de houder en de leidinggevende verboden, een alcoholvrij bedrijf voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten op andere tijdstippen dan: van 07.00 tot 03.00 uur, en in het weekeinde van 07.00 uur tot 04.00 uur, indien het in het stadsdeel Amsterdam-Centrum is gelegen; van 07.00 tot 01.00 uur, en in het weekeinde van 07.00 uur tot 03.00 uur, indien het buiten het stadsdeel Amsterdam-Centrum is gelegen. Artikel 3.4 Afwijkende openingstijden en sluitingstijden en tijdelijke sluiting
  127. De Burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefsituatie de krachtens artikel 3.3 geldende tijden van geopend zijn van het horecabedrijf beperken.
  128. De Burgemeester kan gebieden aanwijzen waarin de in artikel 3.3, eerste lid, respectievelijk artikel 3.3, tweede lid, onder a, genoemde sluitingstijden met een uur, respectievelijk twee uur worden verlengd.
  129. De Burgemeester kan, als er naar zijn oordeel van bijzondere omstandigheden of van bijzondere horecabedrijven sprake is, de krachtens artikel 3.3 geldende tijden van geopend zijn verruimen, met dien verstande dat wat festiviteiten van afzonderlijke horecabedrijven betreft, een maximum geldt van vijfmaal per horecabedrijf.
  130. De Burgemeester kan in afwijking van artikel 3.1, onder i, een alcoholverstrekkend horecabedrijf dat niet hoofdzaak in gebruik of bestemd is voor het bieden van dansgelegenheid, aanmerken als nachtzaak.
  131. De Burgemeester kan, onverminderd artikel 2.7 van deze verordening, in het belang van de openbare orde, de woon- en leefsituatie, de veiligheid, de zedelijkheid en de gezondheid tijdelijk de algehele sluiting van een of meer horecabedrijven bevelen.; Artikel 3.5 Terrassen
  132. In afwijking van het bepaalde in artikel 8.2 van deze verordening beslist de Burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen, voorzover deze zich op de weg bevinden, tevens over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.
  133. Onverminderd het bepaalde in artikel 3.2, tweede lid, van dit hoofdstuk kan de Burgemeester de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van de weg weigeren: als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; als dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; als dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.
  134. Het is verboden, een terras te exploiteren: op of aan wegen die door de Burgemeester met het oog op de belangen die zijn vermeld in artikel 3.2, tweede lid, zijn aangewezen; op of aan wegen die door Burgemeester en Wethouders met het oog op de belangen vermeld in artikel 3.5, tweede lid, zijn aangewezen.
  135. Het is verboden, een terras te exploiteren buiten de periode van 1 maart tot 1 november.
  136. De Burgemeester kan stadsdelen aanwijzen waar het in het voorgaande lid genoemde verbod niet van toepassing is.
  137. Het in het vierde lid gestelde verbod is niet van toepassing op de overdekte, niet-seizoengebonden terrassen die als zodanig in de vergunning als bedoeld in artikel 3.2, zijn aangewezen.
  138. Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van een terras noodzakelijk is, is de houder of de leidinggevende verplicht dit terstond of binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn te verwijderen.
  139. Het is verboden, op of in de omgeving van een terras dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken: buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het bepaalde in dit hoofdstuk is toegestaan; aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras aanwezige zitplaatsen. Artikel 3.6 Bepalingen over de vergunning
  140. De vergunning als bedoeld in artikel 3.2 vervalt drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de vergunning, tenzij door de Burgemeester in bijzondere gevallen een kortere looptijd is vastgesteld.
  141. De vergunning als bedoeld in het eerste lid, is niet overdraagbaar; in geval van beëindiging of overdracht van het horecabedrijf aan een rechtsopvolger is de houder verplicht, hiervan direct schriftelijk mededeling te doen aan de Burgemeester, of, indien het bedrijf in een stadsdeel is gelegen, aan de voorzitter van dat stadsdeel.
  142. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid vervalt de vergunning, indien de rechtsopvolger van de houder niet binnen vier weken na de feitelijke overdracht van het horecabedrijf een aanvraag heeft ingediend voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid; als de aanvraag binnen deze termijn is ingediend, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag is beschikt. Artikel 3.7 Verplichtingen van de houder en leidinggevende
  143. De houder en de leidinggevende zijn verplicht, de vergunning als bedoeld in artikel 3.2 op eerste vordering van een ambtenaar belast met de zorg voor de naleving van een of meerdere bepalingen van deze verordening, aan deze ambtenaar ter inzage af te geven.
  144. De houder en de leidinggevende zijn verplicht, de sluitingstijdenkaart die door de gemeente wordt verstrekt, in het bedrijf aan te brengen op zodanige wijze dat de kaart te allen tijde van buitenaf duidelijk zichtbaar is.
  145. De houder van een alcoholvrij bedrijf is verplicht, als leidinggevende van het horecabedrijf op te laten treden degene die als zodanig in de vergunning is vermeld.
  146. De houder en leidinggevende zijn verantwoordelijk voor een goede gang van zaken in het horecabedrijf en in de directe omgeving daarvan. Artikel 3.7A Aanwezigheid leidinggevende in horecabedrijf Het is verboden, een horecabedrijf voor het publiek geopend te houden indien in het bedrijf geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op de exploitatievergunning voor dat bedrijf. Artikel 3.8 Aanwezigheid in horecabedrijf
  147. Het is bezoekers verboden, in een horecabedrijf aanwezig te zijn buiten de bij of krachtens deze verordening toegestane openingstijden.
  148. Het is verboden, in een horecabedrijf de orde te verstoren. Artikel 3.9 College als bevoegd bestuursorgaan Indien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de Burgemeester maar het College van Burgemeester en Wethouders op als bevoegd orgaan ter uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk. Artikel 3.10 Overgangsbepaling
  149. De vergunningen die op 1 september 1993 zijn verleend op grond van de artikelen 76 en 76A van de Algemene Plaatselijke Verordening, en aan terrassen op grond van artikel 64 van de Algemene Plaatselijke Verordening, gelden met ingang van die datum als vergunningen op grond van artikel 3.2, voor de duur van hun resterende looptijd, met inachtneming van de sluitingstijden die in de eerstbedoelde vergunningen zijn bepaald.
  150. De houders van alcoholvrije bedrijven die op 1 september 1993 niet over een vergunning krachtens artikel 76A van de Algemene Plaatselijke Verordening beschikken, dienen binnen twee maanden na 1 september 1993 bij de Burgemeester of bij de voorzitter van het stadsdeel indien het bedrijf in een stadsdeel is gelegen, een aanvraag in te dienen voor de vergunning als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid; zij worden geacht over deze vergunning, met een sluitingstijd van 20.00 uur, te beschikken totdat op de aanvraag is beslist.
  151. De Burgemeester kan bij het verlenen van de vergunning als in het tweede lid bedoeld, in afwijking van het bepaalde in artikel 3.3, de sluitingstijd op 20.00 uur vaststellen in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat.
  152. De houders van alcoholverstrekkende bedrijven die op 1 september 1993 niet over een vergunning krachtens artikel 76 van de Algemene Plaatselijke Verordening beschikken, dienen binnen twee maanden na 1 september 1993 bij de Burgemeester of bij de voorzitter van het stadsdeel indien het bedrijf in een stadsdeel is gelegen, een aanvraag in te dienen voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid; zij worden geacht over deze vergunning, met een sluitingstijd tot uiterlijk 24.00 uur, te beschikken totdat op de aanvraag is beslist. Artikel 3.11 Nadere regels ter voorkoming van onwenselijke mededinging door het verstrekken van alcoholhoudende drank
  153. Indien uit een oogpunt van ongewenste mededinging aan een vergunning die op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet wordt verleend, voorschriften of beperkingen moeten worden verbonden, wordt bepaald: dat de vergunning niet geldt tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen; dat geen openlijke aanprijzingen mogen worden gedaan over het houden van bijeenkomsten van persoonlijke aard; dat van de vergunning uitsluitend gebruik mag worden gemaakt één uur vóór, tijdens en één uur na de activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard.
  154. Van het voorschrift als bedoeld in het eerste lid, onder a en c, kunnen Burgemeester en Wethouders tot ten hoogste driemaal per kalenderjaar ontheffing verlenen met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard. Artikel 3.12 Beperking verstrekking alcoholhoudende drank
  155. Het is verboden, tenzij om niet, sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een inrichting: waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in hoofdzaak eetwaren worden verkocht, zoals belegde broodjes, patates frites en kroketten, die geen maaltijd zijn als bedoeld in artikel 1 van het Besluit vestigingseisen Drank- en Horecawet, en die ook niet op andere manier maaltijden zijn, zoals versnaperingen en dergelijke kleine eetwaren; die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een jeugdorganisatie of -instelling; die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een sportorganisatie of -instelling; die of waarvan een onderdeel in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaarvervoerbedrijf; waarin onderwijs wordt gegeven.
  156. De Burgemeester kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 3.13 Strafbepaling. Overtreding van het bij of krachtens artikel 3.12 bepaalde is strafbaar gesteld bij artikel 1 juncto artikel 6 van de Wet op de economische delicten. Hoofdstuk 4 Vuurwerk Artikel 4.1 Begripsomschrijving In dit hoofdstuk wordt verstaan onder vuurwerk: consumentenvuurwerk waarop het Vuurwerkbesluit van toepassing is. Artikel 4.2 Vergunning afleveren van vuurwerk
  157. Het is verboden, in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf, vuurwerk aan particuliere gebruikers af te leveren dan wel ter aflevering aanwezig te houden, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders.
  158. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast.
  159. Bij de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kunnen Burgemeester en Wethouders in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast, de in het eerste lid bedoelde plaatsen voor aflevering van vuurwerk over de stad spreiden of het aantal daarvan beperken. Artikel 4.3 Afsteken van vuurwerk op verboden plaatsen
  160. Het is verboden, vuurwerk op of aan de weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats te gebruiken indien dit gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
  161. Het is verboden, vuurwerk te gebruiken in de onmiddellijke omgeving van een inrichting waarin dieren worden verzorgd of opgevangen, zoals een dierentuin, een kinderboerderij, een asiel of een manege.
  162. Burgemeester en Wethouders kunnen plaatsen aanwijzen in de omgeving van een inrichting als bedoeld in het tweede lid, waar het verbod om vuurwerk te gebruiken tevens van kracht is.
  163. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Hoofdstuk 5 Helingbestrijding Artikel 5.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk worden verstaan onder: a. handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht; b. ongeregelde goederen: goederen die wegens hun aard of uitvoering, hun herkomst of de staat waarin zij verkeren, niet tot de algemeen gangbare goederen kunnen worden gerekend; c. verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Artikel 5.2 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister De handelaar is verplicht, aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door de Burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onmiddellijk: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder verstaan – voorzover dat mogelijk is – het soort, het merk en het nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. Artikel 5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht De handelaar is verplicht: a. wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de Burgemeester of de door hem aangewezen politieambtenaren, te weten de chefs van de politiedistricten waar de handelaar zijn bedrijf of beroep uitoefent, er schriftelijk van op de hoogte stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij ook schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke ruimte die door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik wordt genomen en daarbij een pasfoto van zich zelf in te leveren; b. de onder a bedoelde politiefunctionaris onder aanbieding van zijn register(s) zo snel mogelijk maar in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk op de hoogte te brengen van een verandering van zijn woonadres en bovendien van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde ruimte; c. aan de hoofdingang van de ruimte waar de onderneming is gevestigd, een kenteken te hebben waarop de naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen; d. indien hij in de gelegenheid is enig goed te verwerven waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan direct de onder a bedoelde politiefunctionaris of de chef van het dichtstbij gelegen wijkteam op de hoogte te brengen; e. wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken dan wel het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde politiefunctionaris hiervan zo snel mogelijk maar in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk op de hoogte te brengen. Artikel 5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
  164. Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden, enig door opkoop verworven goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder hem is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen, behalve als deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.
  165. De Burgemeester kan ten aanzien van een door hem aangewezen handelaar of daarvoor handelend persoon voor de duur van uiterlijk een jaar de in het eerste lid genoemde termijn tot maximaal veertien dagen verlengen. Artikel 5.5 Handel te water Het bepaalde in de artikelen 5.2 en 5.3 geldt niet voorzover de handelaar de handel te water uitoefent in de zin van het Besluit toezicht handel te water (Koninklijk Besluit van 24 juli 1970, Staatsblad 361). Artikel 5.6 Handel in horecabedrijven
  166. Het is de houder en leidinggevende van een horecabedrijf verboden, toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, voorhanden heeft of overdraagt.
  167. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen.
  168. In dit artikel worden verstaan onder: horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel 3.1; houder en leidinggevende: de houder en leidinggevende als bedoeld in artikel 3.
  169. Hoofdstuk 6 Prostitutie Artikel 6.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het tegen betaling verrichten van seksuele handelingen met anderen; b. prostituee: de vrouw of man die prostitutie bedrijft; c. prostitutiebedrijf: een gebouw of een ander onderkomen waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, gelegenheid wordt gegeven tot prostitutie; d. raamprostitutiebedrijf: een prostitutiebedrijf alwaar de werving van klanten geschiedt door prostituees die zichtbaar zijn vanaf de weg; e. prostitutiehotel: een prostitutiebedrijf waar kamers ter beschikking worden gesteld ten behoeve van prostitutie aan prostituees die hun klanten elders hebben geworven; f. besloten prostitutiebedrijf: een prostitutiebedrijf, niet-zijnde een raamprostitutiebedrijf of een prostitutiehotel; g. exploitant: degene die krachtens een zakelijk of persoonlijk recht een prostitutiebedrijf exploiteert; h. beheerder: de natuurlijke persoon die de dagelijkse en onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van het prostitutiebedrijf. Paragraaf 1 Bepalingen met betrekking tot prostitutiebedrijven Artikel 6.2 Verbodsbepalingen prostitutiebedrijven
  170. Het is verboden, een prostitutiehotel te exploiteren.
  171. Het is verboden, een prostitutiebedrijf, niet-zijnde een prostitutiehotel, zonder vergunning van de Burgemeester te exploiteren. Artikel 6.3 Aanvraag
  172. Voor het indienen van een aanvraag maakt de exploitant gebruik van een door de Burgemeester vastgesteld formulier.
  173. Bij een aanvraag voor een besloten prostitutiebedrijf wordt een bedrijfsplan overgelegd. Artikel 6.4 Bedrijfsplan besloten prostitutiebedrijf
  174. Het bedrijfsplan bevat in ieder geval: een uiteenzetting van het bedrijfsbeleid ten aanzien van de hygiëne, gezondheid en arbeidsomstandigheden van de in het bedrijf werkzame prostituees; een overzicht van de maatregelen die waarborgen dat de prostituee niet wordt gedwongen tot verlening van seksuele diensten tegen haar wil, noch tot verlening daarvan zonder condoom dan wel tot het nuttigen van alcoholhoudende dranken; een beschrijving van de geneeskundige zorg en voorlichting op het gebied van het voorkomen van beroepsgerelateerde ziektes ten behoeve van de in het bedrijf werkzame prostituees. Burgemeester en Wethouders kunnen nadere regels geven ten aanzien van hetgeen ter bescherming of bevordering van de in het eerste lid, onder a, genoemde belangen in het bedrijfsplan wordt opgenomen. Artikel 6.5 Vergunning De vergunning is niet overdraagbaar en gebonden aan het prostitutiebedrijf waarvoor zij is verleend. Artikel 6.6 Nadere regels
  175. Burgemeester en Wethouders kunnen voor de verschillende categorieën van prostitutiebedrijven nadere regels stellen in het belang van de vrijheid, de veiligheid, de gezondheid of de arbeidsomstandigheden van prostituees, de volksgezondheid, het voorkomen van strafbare feiten, het voorkomen of beperken van overlast of anderszins te duchten aantasting van het woon- en leefklimaat. 2 . De Burgemeester kan van een of meer in de nadere regelen gestelde vereisten ontheffing verlenen dan wel ten aanzien van de door hem aangewezen categorie van prostitutiebedrijven daarvan vrijstelling verlenen. Artikel 6.7 Zedelijk gedrag exploitant en beheerder
  176. De exploitant en de beheerder van een prostitutiebedrijf: staan niet onder curatele of bewind noch zijn zij ontzet uit de ouderlijke macht of voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
  177. Burgemeester en Wethouders geven in nadere regels aan hetgeen onder de in het eerste lid onder b gestelde eis wordt verstaan; zij kunnen tevens nadere regels stellen met betrekking tot andere dan de in het eerste lid genoemde eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag. Artikel 6.8 Gronden voor weigering vergunning
  178. De Burgemeester weigert een vergunning, indien: de exploitatie van het prostitutiebedrijf in strijd is met een bestemmingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing; de vestiging daarvan geschiedt in een woonruimte waarvoor een vergunning tot woningonttrekking als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet is geweigerd; een geschiktheidsverklaring als bedoeld in hoofdstuk 6A van de Bouwverordening ontbreekt; voorzover het een raamprostitutiebedrijf betreft, deze is gelegen buiten een door de Burgemeester voor deze bedrijven aangewezen gebied; het prostitutiebedrijf niet in een gebouw is gevestigd; de exploitant of beheerder niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 6.7 gestelde eisen.
  179. De Burgemeester kan een vergunning weigeren, indien naar zijn oordeel: het woon- en leefklimaat in de omgeving, de openbare orde of veiligheid, nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het prostitutiebedrijf; het bedrijfsplan voor een besloten prostitutiebedrijf niet voldoet aan de gegeven nadere regels dan wel onvoldoende garanties biedt voor de bescherming van de positie van de in dat bedrijf werkzame prostituees; een eerdere vergunning voor de exploitatie van het prostitutiebedrijf is ingetrokken of het prostitutiebedrijf met toepassing van artikel 2.7 of artikel 6.12 van deze verordening dan wel artikel 13b van de Opiumwet is gesloten; voldoende aannemelijk is dat de exploitant de in artikel 6.9 gestelde verplichtingen niet of onvoldoende zal naleven.
  180. Bij de toepassing van de in het tweede lid, onder a, genoemde weigeringsgrond houdt de Burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk waarin het prostitutiebedrijf zal zijn gelegen, de aard van het prostitutiebedrijf en de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds blootstaat of zal komen bloot te staan, alsmede met bijzondere gebruiksfuncties in de omgeving van het prostitutiebedrijf die zich niet verdragen met de aanwezigheid van het prostitutiebedrijf. Artikel 6.9 Verplichtingen van de exploitant en beheerder
  181. De exploitant van een besloten prostitutiebedrijf is verplicht, voldoende toezicht uit te oefenen op de gang van zaken gedurende de openingsuren van het bedrijf dan wel ervoor zorg te dragen dat voldoende toezicht wordt uitgeoefend.
  182. De exploitant van een raamprostitutiebedrijf is verplicht erop toe te zien dat de in zijn bedrijf werkzame prostituees door hun gedrag geen ernstige overlast voor de omgeving veroorzaken dan wel de openbare orde ten gevolge van hun gedrag wordt verstoord.
  183. De exploitant en de beheerder van een (besloten) prostitutiebedrijf zijn in het bijzonder verplicht erop toe te zien dat in het bedrijf: ten aanzien van prostituees geen strafbare feiten plaatsvinden zoals vermeld in artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht; klanten niet het slachtoffer worden van strafbare feiten, zoals beroving, diefstal, oplichting of vergelijkbare strafbare feiten; uitsluitend prostituees werkzaam zijn die in het bezit zijn van een geldige verblijfstitel dan wel voor wie de exploitant beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen.
  184. De exploitant is verplicht, indien hij niet alleen voor het toezicht zorgt dan wel daarvoor niet of in onvoldoende mate kan zorgen, Burgemeester een schriftelijke opgave te doen van de beheerders onder vermelding van de relevante personalia en van de telefoonnummers waarop deze bereikbaar zijn.
  185. Bij een wijziging in het beheer is de exploitant verplicht, hiervan terstond schriftelijk mededeling te doen aan de Burgemeester onder vermelding van de personalia en telefoonnummers van de nieuwe beheerder. Artikel 6.10 Exploitatietijden
  186. De Burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de veiligheid of ter voorkoming of beperking van de overlast de openingstijden van een prostitutiebedrijf beperken.
  187. Het is de bezoeker van een prostitutiebedrijf verboden, zich daarin te bevinden gedurende de tijden dat dit bedrijf ingevolge het eerste lid gesloten dient te zijn. Artikel 6.11 Intrekking vergunning De Burgemeester kan de vergunning voor het prostitutiebedrijf intrekken, indien: a. de exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in zijn bedrijfsplan ten behoeve van de in zijn bedrijf werkzame prostituees en ten behoeve van de bezoekers heeft opgenomen; b. in het bedrijf strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in zijn bedrijf; c. aldaar een minderjarige prostituee dan wel een prostituee zonder geldige verblijfstitel wordt aangetroffen; d. de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan hetgeen bij of krachtens artikel 6.7 is bepaald; e. in strijd wordt gehandeld met door Burgemeester en Wethouders vastgestelde nadere regels; f. de openbare orde of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van het bedrijf ernstig wordt verstoord of benadeeld; g. de exploitant de in artikel 6.9 gestelde verplichtingen niet of onvoldoende naleeft. Artikel 6.12 Sluiting prostitutiebedrijf
  188. Onverminderd artikel 2.7 kan de Burgemeester, indien het belang van de bescherming van de positie van de prostituee, de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid dat naar zijn oordeel vereist, de sluiting bevelen van een prostitutiebedrijf.
  189. Indien de in het eerste lid genoemde belangen de sluiting naar zijn oordeel niet langer vereisen, heft de Burgemeester de sluiting op. Artikel 6.13 Beëindigen exploitatie prostitutiebedrijf
  190. De vergunninghouder is verplicht, indien hij de exploitatie van het prostitutiebedrijf ten behoeve waarvan vergunning is verleend, beëindigt, hiervan binnen twee weken na de beëindiging van de exploitatie schriftelijk mededeling te doen aan de Burgemeester.
  191. Bij ontvangst van deze mededeling vervalt de vergunning, tenzij daarbij is aangegeven dat de bedrijfsactiviteiten door een ander worden voorgezet en een aanvraag voor een nieuwe vergunning binnen vier weken na de melding is ingediend.
  192. De vergunning blijft in dat geval van kracht, totdat op de aanvraag een beslissing is genomen. Artikel 6.14 Bevoegd orgaan Indien het prostitutiebedrijf geen voor het publiek openstaand gebouw is, worden de in dit hoofdstuk aan de Burgemeester toegekende bevoegdheden uitgeoefend door Burgemeester en Wethouders. Paragraaf 2 Overige bepalingen met betrekking tot prostitutie Artikel 6.15 Werven van klanten voor prostitutie vanuit een gebouw
  193. Het is een prostituee verboden, vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar dat gebouw klanten te werven die zich op of aan de weg bevinden.
  194. Het verbod is niet van toepassing op een prostituee, werkzaam in een raamprostitutie-bedrijf dat over een vergunning beschikt als bedoeld in artikel 6.
  195. Het is een prostituee verboden, een passant hinderlijk te bejegenen, zich aan hem op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam, in de toegang tot het bedrijf of op straat op te houden. Artikel 6.16 Werven van klanten voor prostitutie op of aan de weg
  196. Het is verboden zich aan of op de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw op te houden met het kennelijke doel klanten te werven voor prostitutie.
  197. Het is verboden aan of op de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw gebruik te maken van de diensten van een prostituee dan wel op enigerlei wijze in te gaan op voorstellen, in welke vorm dan ook, om van die diensten gebruik te maken.
  198. Onder ingaan op voorstellen als bedoeld in het tweede lid, wordt mede verstaan het laten instappen of meerijden van een prostituee in of op een voertuig.
  199. Een ambtenaar van politie kan degene die het in het eerste of tweede lid gestelde verbod overtreedt, gelasten zich onmiddellijk in een door hem aangegeven richting te verwijderen. Artikel 6.17
  200. Het verbod in artikel 6.16, eerste en tweede lid, is, behoudens het bepaalde in het tweede lid, niet van toepassing ten aanzien van door Burgemeester en Wethouders aangewezen wegen gedurende de daarbij aangegeven tijden.
  201. Burgemeester en Wethouders kunnen bepalen dat niet meer dan een door hen te bepalen aantal prostituees op de ingevolge het eerste lid aangewezen wegen werkzaam is.
  202. De in het eerste lid bedoelde uitzondering geldt niet voor prostituees die minderjarig zijn of niet in het bezit zijn van een geldige verblijfstitel op grond waarvan het tevens is toegestaan om arbeid als prostituee te verrichten. Artikel 6.18
  203. Een ambtenaar van politie kan de in artikel 6.17, derde lid, bedoelde personen, alsmede indien het krachtens artikel 6.17, tweede lid, vastgestelde aantal prostituees is bereikt, nieuwe prostituees die hun diensten op de krachtens artikel 6.17, eerste lid, aangewezen wegen willen aanbieden, bevelen zich onmiddellijk in een door hem aangegeven richting te verwijderen.
  204. Tevens kan een ambtenaar van politie eenieder die zich op de krachtens artikel 6.17, eerste lid, aangewezen wegen mag bevinden, in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, de verkeersvrijheid of de verkeersveiligheid, de gezondheid of zedelijkheid bevelen zich onmiddellijk in een door hem aangegeven richting richting te verwijderen.
  205. De Burgemeester kan met het oog op de in het tweede lid genoemde belangen personen aan wie tenminste eenmaal een bevel is gegeven als daar bedoeld, verbieden zich gedurende een termijn van maximaal drie maanden te bevinden op de krachtens artikel 6.17, eerste lid, aangewezen wegen en aangegeven tijden.
  206. De Burgemeester kan het in het derde lid bedoelde verbod beperken, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkenen naar zijn oordeel noodzakelijk is. Artikel 6.19
  207. Het is verboden, op of aan de door Burgemeester en Wethouders ingevolge artikel 6.17 aangewezen wegen de op prostitutie gerichte activiteiten te ondersteunen.
  208. Onder ondersteunen wordt mede verstaan het aan een prostituee aanbieden of overhandigen van geld, alcoholhoudende drank of middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, dan wel het in ontvangst nemen van geld van de prostituee. Artikel 6.20 Overgangsbepaling
  209. Het verbod van artikel 6.2 geldt niet tot 1 januari 2001, indien de exploitant vóór dat tijdstip een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend.
  210. Indien de aanvraag tijdig is verzonden, geldt het verbod niet, totdat op de aanvraag is beslist.
  211. Gedurende de periode dat nog niet op de aanvraag is beslist, kan de Burgemeester de exploitant aanschrijven tot het treffen van in de aanschrijving vermelde voorzieningen of maatregelen.
  212. De door de Burgemeester ingevolge artikel 6.2 (oud) aangewezen wegen voor straatprostitutie gelden als wegen die zijn aangewezen ingevolge artikel 6.16, derde lid. Hoofdstuk 7 Seksinrichtingen Artikel 7.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. een seksinrichting: een seksbioscoop, een sekstheater of een seksautomatenhal; b. seksbioscoop: elke voor het publiek toegankelijke ruimte waar in hoofdzaak voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven met dia's, film- of videobeelden; c. sekstheater: elke voor het publiek toegankelijke ruimte waar ook anders dan met dia's, film- en/of video vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven; d. seksautomatenhal: elke voor het publiek toegankelijke ruimte waar door middel van automaten voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven; e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte in een gebouw waarin uitsluitend of hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd. Artikel 7.2 Seksinrichtingen
  213. Het is verboden, zonder vergunning van de Burgemeester een seksinrichting te exploiteren.
  214. De Burgemeester weigert in ieder geval de vergunning indien de aanwezigheid van de seksinrichting in strijd is met een bestemmingsplan of een leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing dan wel door de aanwezigheid van het bedrijf de openbare orde of het woon- en leefklimaat ernstig wordt verstoord of benadeeld. Artikel 7.3 Sekswinkels
  215. Het is de exploitant van een sekswinkel verboden, daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen of gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen, indien de Burgemeester aan de exploitant heeft meegedeeld dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan de openbare orde of het woon- of leefklimaat in gevaar brengt.
  216. Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van zaken, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen die dienen tot het openbaren van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Artikel 7.4 Verbod op toestaan seksuele contacten tegen betaling in seksinrichting Het is de exploitant van een seksinrichting verboden, toe te laten dat in de inrichting prostitutie wordt bedreven. Artikel 7.5 Verbod minderjarige of illegale werknemers Het is de exploitant verboden, in zijn inrichting personen werkzaam te laten zijn die niet meerderjarig zijn, niet in het bezit zijn van een geldige verblijfstitel dan wel personen voor wie hij geen vergunning heeft als bedoeld in artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel 7.6 Overgangsbepaling Het verbod van artikel 7.2 geldt niet voor de exploitant van een seksinrichting die beschikt over een ontheffing als bedoeld in artikel 7.2 (oud) waarvan de geldigheidsduur op 1 januari 2001 nog niet is verstreken. Hoofdstuk 8 Beheer openbare ruimte Artikel 8.1 Vastmaken van voorwerpen
  217. Het is verboden, touwen, kettingen, metalen draden of andere voorwerpen op, boven of over de weg te spannen dan wel deze voorwerpen, waaronder mede te verstaan fietsen, bromfietsen, aanhangwagens, kruiwagens en andere dergelijke kleine voertuigen, op of aan de weg vast te maken aan bomen, boombeschermers, straatkolken en rioolputten of aan lantaarnpalen, draden, zuilen of andere inrichtingen of installaties, bestemd voor de openbare dienst.
  218. Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 8.2 Voorwerpen en stoffen op, aan of boven de weg
  219. Het is verboden, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders stoffen of voorwerpen aan, op, in of boven de weg te plaatsen, aan te brengen, te hebben of te storten.
  220. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op: het uitsteken van vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of zaken en indien zij niet voor reclame worden gebruikt; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard of waarop het bepaalde in artikel 8.3 van toepassing is; voertuigen; benzinepompen; staanplaatsen als bedoeld in de Verordening op de Straathandel; terrassen als bedoeld in artikel 3.1; reclame als bedoeld in artikel 8.4 en artikel 8.5; de voorwerpen en stoffen die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg worden gebracht in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen ervan de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan is gereinigd; afvalstoffen, voorzover de aanbieding en de inzameling geschieden overeenkomstig het bepaalde in de Afvalstoffenverordening.
  221. Het is verboden, op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg of in ernstige mate afbreuk doen aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte.
  222. De vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd indien het beoogde gebruik: schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid daarvan, of een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, gevaar, hinder of verontreiniging voor de omgeving veroorzaakt, of afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte;
  223. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voorzover de Wet milieubeheer, de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde voorschriften of de Wet beheer rijkswaterstaatswerken van toepassing is.
  224. De in het vierde lid, onder c, genoemde weigeringsgrond geldt niet voor bouwwerken. Artikel 8.3 Plakken en kladden
  225. Het is verboden op de weg of op een zaak: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken of te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of op andere wijze een kleur-, of verfstof, enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
  226. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien: wordt gehandeld krachtens wettelijk voorschrift; wordt gehandeld door of met schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of de zaak, mits de toestemming vooraf is verleend en op eerste vordering wordt getoond aan een ambtenaar die belast is met het toezicht op de naleving van deze verordening; wordt gebruik gemaakt van door Burgemeester en Wethouders aangewezen aanplakobjecten die uitsluitend zijn te gebruiken voor het aanbrengen van meningsuitingen, voorzover het geen reclame betreft; het aanbrengen, doen aanbrengen, aanplakken of doen aanplakken geschiedt op een plaats die vanaf de weg niet zichtbaar is.
  227. Burgemeester en Wethouders kunnen voor het gebruik van de aangewezen aanplakobjecten nadere regels stellen, voorzover deze niet betrekking hebben op de inhoud van de meningsuiting.
  228. Het is verboden: a. zich met enig aanplakbiljet, plakmiddel of plakgereedschap op de weg te bevinden; b. zich tussen zonsondergang en zonsopgang op de weg te bevinden met teer, krijt, kalk of een kleur- of verfstof.
  229. Het bepaalde in het vierde lid geldt niet, indien redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat deze voorwerpen of stoffen niet zijn gebruikt noch zijn bestemd voor handelingen welke ingevolge het eerste en tweede lid verboden zijn.
  230. Burgemeester en Wethouders stellen met het oog op de vrijheid van meningsuiting het minimumaantalaanplakobjecten als bedoeld in het tweede lid, onder c, vast. Indien een dergelijk besluit ontbreekt dan wel indien er in Westpoort of enig stadsdeel minder aanplakobjecten aanwezig zijn dan voor deze gebieden is vastgesteld, is het verbod in het eerste lid niet van toepassing in dat gebied of die gebieden ten aanzien van uitingen die geen reclame betreffen.
  231. Degene die reclame maakt door middel van een aanplakbiljet of enig ander in het eerste lid, onder a, genoemd middel, is verplicht aan te tonen dat hij zich ervan heeft vergewist dat voor het aanplakken of op andere wijze aanbrengen van deze middelen schriftelijk toestemming is verleend. Artikel 8.4 Ontsierende reclames op onroerende zaken
  232. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden deze zaak of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van reclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is, en die niet toelaatbaar is als bedoeld in het tweede lid.
  233. Reclame is niet toelaatbaar, indien deze naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders: ontsierend is voor het stadsbeeld of afbreuk doet aan de kwaliteit van de openbare ruimte; de veiligheid van het verkeer in gevaar brengt; onevenredige hinder veroorzaakt voor de omgeving.
  234. Handelsreclame wordt geacht in ieder geval niet in strijd te zijn met het bepaalde in het eerste en het tweede lid, onder a, indien: aan Burgemeester en Wethouders door of vanwege de rechthebbende schriftelijk en met inachtneming van de vereisten als bedoeld in het vierde lid, van het voornemen tot het aanbrengen van handelsreclame kennis is gegeven, en deze niet binnen vijf weken na de dag waarop zij deze melding hebben ontvangen, aan de melder hebben bekendgemaakt dat de handelsreclame in strijd is met het bepaalde in het tweede lid, onder a, dan wel slechts toelaatbaar is voor een beperkte termijn.
  235. Burgemeester en Wethouders stellen richtlijnen vast ten aanzien van het bepaalde in het tweede lid, onder a, inhoudende nadere kwalitatieve toetsingscriteria voor reclame, zowel per gebied als per type object; zij stellen voorts de vereisten vast met betrekking tot de gegevens die in of bij de kennisgeving als bedoeld in het derde lid, onder a, dienen te zijn vermeld.
  236. Burgemeester en Wethouders leggen, alvorens te beslissen op een melding als bedoeld in het derde lid, deze zo spoedig mogelijk voor aan een commissie van onafhankelijke deskundigen. Deze brengt schriftelijk binnen twee weken nadat daarom door Burgemeester en Wethouders is verzocht, aan hen advies uit, met inachtneming van de richtlijnen als bedoeld in het vierde lid.
  237. Burgemeester en Wethouders kunnen het aanvragen van advies als bedoeld in het vijfde lid achterwege laten indien de richtlijnen als bedoeld in het vierde lid naar hun oordeel op afdoende wijze in het geval voorzien.
  238. Het tweede lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.
  239. Burgemeester en Wethouders kunnen, in de gevallen als bedoeld in het zevende lid, een reclamemelding als bedoeld in het derde lid, aanmerken als een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet dan wel artikel 11 van de Monumentenwet, onverminderd de toepasselijke bepalingen omtrent de wijze van inrichting en indiening van een dergelijke aanvraag.
  240. Bij toepassing van het achtste lid, blijft het bepaalde in het derde lid, onder b, buiten toepassing. De melder wordt hiervan binnen vijf weken na ontvangst van de melding in kennis gesteld.
  241. In het eerste, tweede en vierde lid wordt onder reclame verstaan: het aanprijzen van of de aandacht vestigen op diensten, goederen, activiteiten, doelstellingen of namen. Artikel 8.5 Reclame op of aan de weg
  242. Het is verboden, met een bord, doek of met enig ander middel of voorwerp, of met een voertuig of vaartuig, uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt of bestemd voor het maken van reclame, op of aan de weg of het openbaar water reclame te maken.
  243. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet, indien: artikel 8.4 inzake reclame op onroerende zaken van toepassing is; artikel 10.8 inzake het parkeren van een reclamevoertuig van toepassing is; artikel 8.9, tweede lid, inzake folders, reclamemonsters of ander reclamemateriaal van toepassing is; voor het gebruik van objecten die bij de gemeente in beheer zijn, met de gemeente over het gebruik voor reclame van die objecten een overeenkomst is aangegaan.
  244. Burgemeester en Wethouders kunnen van het in eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
  245. De ontheffing als bedoeld in het derde lid, kan worden geweigerd, indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, of gevaar, hinder, overlast of verontreiniging kan opleveren dan wel afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien of het gebruik van de openbare ruimte. Artikel 8.6 Installaties en werkzaamheden op of in de weg
  246. Het is verboden, op de weg: een fontein- of drinkwaterinrichting onbruikbaar te maken, te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waartoe zij is bestemd; een brandkraan, luchtkraan of spuileiding onbruikbaar te maken, het mogelijk gebruik daarvan te belemmeren of daaraan water te onttrekken.
  247. Het is verboden, op of in de weg werkzaamheden of onderzoekingen te verrichten aan leiding- en kabelnetten met toebehoren of de wegbedekking op te breken of te beschadigen.
  248. Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het tweede lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
  249. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is; het in het tweede lid gestelde verbod geldt tevens niet voorzover degene die werkzaamheden in of aan de openbare weg verricht dan wel degene in wiens opdracht deze werkzaamheden worden verricht, beschikt over een instemmingsbesluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Telecommunicatieverordening. Artikel 8.7 Gedoogplicht ten behoeve van de openbare dienst. De rechthebbende op een zaak die is gelegen aan de weg of het openbaar water, is verplicht te gedogen dat op die zaak of aan of in die zaak een voorwerp of teken wordt aangebracht ten behoeve van de openbare dienst. Artikel 8.8 Gedenktekens
  250. Het is verboden, zich te bevinden op of tegen een gedenkteken op of aan de weg of daarop of daartegen een voorwerp te zetten.
  251. Het verbod geldt niet, indien de Wet openbare manifestaties van toepassing is, dan wel sprake is van een huldiging, herdenking of een evenement waarvoor door de Burgemeester vergunning is verleend. Artikel 8.9 Verontreiniging van de weg en het water
  252. Het is verboden, de weg te verontreinigen, alsmede een voorwerp op de weg te plaatsen, waarvan door die plaatsing afstand wordt gedaan.
  253. Het is verboden, op of aan de weg eetwaren te bereiden, of voor reclamedoeleinden voorwerpen, reclamemonsters of ander materiaal onder het publiek te verspreiden of te doen verspreiden.
  254. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet: voorzover de Wet milieubeheer of de Afvalstoffenverordening van toepassing is; als de verontreiniging het redelijkerwijs niet te voorkomen gevolg is van werkzaamheden.
  255. Degene die de in het derde lid, onder b, bedoelde werkzaamheden verricht, is verplicht, de weg in de omgeving van de plaats waar de werkzaamheden worden verricht, te reinigen onmiddellijk na het beëindigen van de werkzaamheden en ook voordien als een toezicht houdende ambtenaar dat verlangt.
  256. Burgemeester en Wethouders kunnen van het bepaalde in het tweede lid ontheffing verlenen, die kan worden geweigerd met het oog op het belang van het voorkomen van verontreiniging, de openbare orde en veiligheid en gelet op het belang van de kwaliteit van de openbare ruimte.
  257. Het is verboden, stoffen en voorwerpen die een hinderlijke stank verspreiden, het water kunnen verontreinigen, voor de gezondheid schadelijk kunnen zijn of tot verondieping van het water kunnen leiden, of blijven drijven, rechtstreeks in het openbaar water dan wel op een plaats vanwaar deze stoffen of die voorwerpen direct in het openbaar water kunnen terechtkomen, te deponeren of te doen geraken.
  258. Het bepaalde in het zesde lid geldt niet, voorzover het bepaalde in de Wet Verontreiniging oppervlaktewateren, de Plassenverordening Noord-Holland, de Verordening bescherming bodem- en grondwateren Noord-Holland dan wel de Verordening verontreiniging oppervlaktewateren Noord-Holland van toepassing is. Artikel 8.10 Vervoeren, laden en lossen
  259. Het is verboden, stoffen of voorwerpen op of aan de weg of op of aan het openbaar water te vervoeren dan wel te laden of te lossen, te hijsen of te vieren zonder voldoende voorzieningen te hebben getroffen om te voorkomen dat de lucht, het water of de weg wordt verontreinigd als gevolg van morsen, verliezen of stuiven.
  260. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel 8.11 Openbare ijsvlakten Het is verboden, een voor het publiek toegankelijke ijsvlakte te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of voor het schaatsen minder bruikbaar te maken. Artikel 8.12 Veerponten
  261. Het is verboden, gebruik te maken van de veerponten en de daarop aanwezige voorzieningen en installaties op zodanige wijze dat de orde, de rust, de veiligheid of een goede bedrijfsgang wordt of kan worden verstoord.
  262. Het is verboden, op veerponten in de voor passagiers bestemde ruimten tabaksproducten te roken. Hoofdstuk 8A Naamgeving en nummering Artikel 8.13 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. bouw- en kunstwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond en bedoeld is om ter plaatse te functioneren; b. gebouw: vrijstaande, overdekte en geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte, die voor mensen toegankelijk is en direct of indirect met de grond is verbonden; c. ligplaats: een deel van het openbare water dat bestemd en/of in gebruik is voor het permanent afmeren van een vaartuig; d. nummer: een nummer dat bestaat uit een of meer Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter- en/of cijfercombinatie; e. object: een verblijfsobject, ligplaats of standplaats; f. openbare ruimte: alle voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaande wegen of paden, pleinen, plaatsen, plantsoenen, bruggen, viaducten, knooppunten en alle wateren die, al dan niet met enige beperking, voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn, evenals daarin begrepen alle bouw- en kunstwerken die daar deel van uitmaken; g. standplaats: een kavel die bestemd en/of in gebruik is voor het plaatsen van een woonwagen; h. verblijfsobject: een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat rechtstreeks vanaf de open-bare weg, via het eigen erf of een gemeenschappelijke ruimte toegankelijk is en waarbinnen alle ruimtes met elkaar in verbinding staan; i. woonplaats: een onderdeel van de gemeente dat apart wordt onderscheiden en aangeduid. Artikel 8.14 Woonplaatsen vaststellen en de openbare ruimte benoemen
  263. Burgemeester en Wethouders stellen voor het totale gemeentegebied ten minste een woonplaats vast en kunnen een woonplaats in wijken of buurten verdelen en, zo nodig, daaraan namen, letters of nummers toekennen.
  264. Burgemeester en Wethouders kennen voor het totale gemeentegebied namen toe aan te onderscheiden delen van de openbare ruimte en, zo nodig, aan bouw- en kunstwerken.
  265. Onder vaststellen, verdelen en toekennen zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt tevens begrepen de bevoegdheid het wijzigen en intrekken van de vaststelling, verdeling en toekenning. Artikel 8.15 Objecten nummeren
  266. Burgemeester en Wethouders kennen aan elk object een nummer toe.
  267. Indien aan een object meer dan één nummer wordt toegekend, worden de nummers onderscheiden in hoofdnummer en nevennummers.
  268. Onder toekennen, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt tevens begrepen de bevoegdheid tot het wijzigen en intrekken van een nummer. Artikel 8.16 Namen en nummers aanbrengen
  269. Burgemeester en Wethouders dragen er zorg voor dat de namen die zijn toegekend aan delen van de openbare ruimte, zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse worden aangebracht.
  270. Het is verboden, aan delen van de openbare ruimte namen aan te brengen anders dan ingevolge een last als bedoeld in artikel 8.18, eerste lid.
  271. Het is verboden aan een onroerende zaak nummers aan te brengen anders dan op grond van artikel 8.
  272. Artikel 8.17 Gedoogplicht naamborden
  273. Indien Burgemeester en Wethouders het nodig oordelen dat borden met een wijk- of buurtaanduiding, borden met straatnamen en verwijsborden aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, is de rechthebbende verplicht toe te laten dat de hier bedoelde borden overeenkomstig de aanwijzingen van Burgemeester en Wethouders worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
  274. De rechthebbende dient er zorg voor te dragen dat in het eerste lid genoemde borden vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar blijven. Artikel 8.18 Nummerborden aanbrengen
  275. De rechthebbende op een object is verplicht binnen vier weken na de dag van toezending van een besluit, inhoudende de last het nummer zoals bedoeld in artikel 8.15, eerste lid, evenals daarmee verband houdende verwijs- en verzamelborden aan te brengen, aan deze last gehoor te geven.
  276. Indien een object nog niet is voltooid, wordt het nummer door de rechthebbende binnen vier weken na voltooiing aangebracht.
  277. Burgemeester en Wethouders kunnen de in het tweede lid genoemde termijn verlengen. De nummerborden worden op een zodanige wijze aan het object bevestigd dat deze vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar zijn.
  278. Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd, nadere regels te stellen omtrent de afmetingen en het uiterlijk van de nummers die ingevolge het eerste lid moeten worden aangebracht. Artikel 8.19 Overgangsbepalingen
  279. De ingevolge de artikelen 8.8 en 8.9 genomen besluiten tot toekenning van nummers en tot het aanbrengen van nummers, alsmede de overeenkomstig de aanwijzingen van het College van Burgemeester en Wethouders aangebrachte straatnaamborden blijven van kracht.
  280. Burgemeester en Wethouders kunnen in afwijking van het eerste lid besluiten dat de op grond van de in het eerste lid genoemde bepaling aangebrachte namen en nummers binnen een door hen te bepalen termijn moeten worden vervangen door namen en nummers die voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk 8.A. Bij het vervangen van een naam of nummer als bedoeld in het tweede lid, zullen zowel de oude en de nieuwe naam als het oude en het nieuwe nummer gedurende een jaar na het besluit op grond van artikel 8.19, tweede lid, mogen worden gebruikt op een nadere, bij dat besluit te bepalen wijze. Hoofdstuk 9 Bescherming van het leefmilieu Artikel 9.1 Bestrijding van de iepziekte
  281. Dit artikel verstaat onder: iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostomaulmi (Buism.) Nanff. [syn. Ceratosystisulmi (Buism.) c.Moreau]; iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytusscolytus (F.), Scolytusmultistriatus (Marsh.)en Scolytuspygmaeus (F.).
  282. Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door Burgemeester en Wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen; of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.
  283. Het is verboden, gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren.
  284. Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing op geheel ontschorst iepenhout of op iepehout met een doorsnede kleiner dan 4 cm.
  285. Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. Artikel 9.2 Hinder van gemotoriseerde voertuigen en bromfietsen
  286. Het is verboden, de motor van een voertuig zonder noodzaak op of aan de weg in werking te hebben.
  287. Het is verboden: zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor zonder noodzaak hinder wordt veroorzaakt; geluidshinder te veroorzaken door middel van een geluidsapparaat bestemd voor het voortbrengen van muziek, dat in of aan een voertuig is bevestigd of met het voertuig wordt meegedragen.
  288. Het is verboden, een vrachtauto, zijnde een motorvoertuig, niet ingericht voor het vervoer van personen, waarvan de massa van het ledige voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3500 kg, op zodanige wijze te laden of te lossen, dat daardoor zonder noodzaak hinder wordt veroorzaakt.
  289. Het bepaalde in het in het eerste en tweede lid geldt niet voorzover artikel 57 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 van toepassing is; het bepaalde in het derde lid geldt niet voorzover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel 9.3 Geluidshinder door dieren Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidshinder veroorzaakt. Artikel 9.4 Hinder in de openlucht
  290. Het is verboden, in de openlucht of op of aan de weg een geluidsapparaat of een toestel dan wel een machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder wordt veroorzaakt.
  291. Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 9.5 Overige hinder
  292. Het is verboden, met toestellen of geluidsapparaten, niet zijnde luchtvaartuigen, dan wel op andere wijze handelingen te verrichten, waardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder wordt veroorzaakt, of toe te laten dat deze handelingen worden verricht.
  293. Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
  294. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet, voorzover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeerstekens en verkeersregels of de Bouwverordening van toepassing is. Artikel 9.5A Besluiten ingevolge waarvan bepaalde geluids- en lichthindervoorschriften niet van toepassing zijn
  295. Op Koninginnedag zijn de voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7, 1.1.8 en 1.5.1 van de bijlage, behorende bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, niet van toepassing. De Burgemeester kan in verband met de viering van bepaalde festiviteiten in elk stadsdeelgebied per kalenderjaar ten hoogste negen dagen of delen van dagen aanwijzen waarop genoemde voorschriften niet van toepassing zijn.
  296. De Burgemeester kan ten behoeve van incidentele festiviteiten of activiteiten binnen een horeca-inrichting als bedoeld in het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen, per kalenderjaar ten hoogste twee dagen of delen van dagen aanwijzen waarop de voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 van de bijlage, behorende bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, niet van toepassing zijn.
  297. De Burgemeester kan ten behoeve van incidentele festiviteiten of activiteiten binnen een sport- en recreatie-inrichting als bedoeld in het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen, per kalenderjaar ten hoogste twaalf dagen of delen van dagen aanwijzen waarop de voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 van de bijlage, behorende bij dat besluit, niet van toepassing zijn.
  298. De Burgemeester kan ten behoeve van incidentele festiviteiten of activiteiten binnen een sportinrichting als bedoeld in het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen, per kalenderjaar ten hoogste twaalf dagen of delen van dagen aanwijzen waarop voorschrift 1.5.1 van de bijlage, behorende bij dat besluit, niet van toepassing is.
  299. Burgemeester en Wethouders kunnen een gebied aanwijzen als horecaconcentratiegebied in de zin van voorschrift 1.1.5 van de bijlage, behorende bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen. Artikel 9.6 Doen van natuurlijke behoefte Het is verboden, op of aan de weg buiten een urinoir of andere toiletgelegenheid datgene te verrichten waarvoor een toiletgelegenheid is bestemd. Artikel 9.7 Terreinrijden
  300. Het is verboden, op enig terrein, geen weg zijnde in de zin van artikel 1 van de Wegenverkeerswet, met een voertuig een wedstrijd te houden of te doen houden, daaraan deel te nemen, of op dat terrein anderszins bij wijze van sport of recreatie te rijden.
  301. Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen en daaraan voorschriften verbinden in het belang van het voorkomen of beperken van overlast, in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en andere milieuwaarden en in het belang van de veiligheid van de deelnemers of van het publiek.
  302. Burgemeester en Wethouders kunnen terreinen aanwijzen, waar het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is.
  303. Het in de voorgaande leden bepaalde geldt niet voorzover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel 9.8 Natuurschoon
  304. Het is verboden, de door Burgemeester en Wethouders ter bescherming van het natuur- en landschaps- of stadsschoon aangewezen plaatsen te verontreinigen, of daarin planten, bloemen of takken uit te steken, te plukken of te snijden of te vervoeren, dieren te verontrusten, te vangen of te doden of in het algemeen daarin schade aan de natuur toe te brengen.
  305. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet: ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen dan wel van elders afkomstige bloemen, planten of takken; indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhouds-werkzaamheden; voorzover de Natuurbeschermingswet van toepassing is.
  306. Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 9.9 Openbare groenvoorzieningen
  307. Het is verboden, zich te bevinden in een van gemeentewege aangelegde of onderhouden groenvoorziening.
  308. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op de voor gebruik bestemde wegen of paden of andere plaatsen, zoals lig- of speelweiden.
  309. Het is verboden, schade toe te brengen aan een van gemeentewege aangelegde of onderhouden groenvoorziening.
  310. Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 9.10 Voertuigen in groenvoorzieningen Het is verboden, met een voertuig in een van gemeentewege aangelegde of onderhouden groenvoorziening te rijden dan wel een voertuig daarin te doen of te laten stilstaan, buiten de voor gebruik bestemde wegen of paden. Hoofdstuk 10 Parkeerexcessen Artikel 10.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. wegen: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen, parkeerterreinen of paden, de daarin liggende bruggen en duikers, alsmede de tot de wegen behorende paden en bermen of zijkanten; b. voertuigen: alle voertuigen, met uitzondering van treinen en trams, fietsen en bromfietsen in de zin van het Wegenverkeersreglement en kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen en rolstoelen; c. parkeren: het doen of laten staan van voertuigen, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en wordt gebruikt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken. Artikel 10.2 Parkeren van voertuigen van een autobedrijf e.d.
  311. Het is degene die er zijn bedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren, voor het geven van rijlessen te gebruiken of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg in elkaars nabijheid te parkeren; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
  312. Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 10.3 Te koop aanbieden van voertuigen
  313. Het is verboden, op of aan de weg een voertuig te parkeren met het doel het te koop aan te bieden of te verhandelen, in de naaste omgeving van een ander met gelijk doel geplaatst voertuig.
  314. Het is verboden, op door Burgemeester en Wethouders aangewezen wegen een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
  315. Burgemeester en Wethouders kunnen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel 10.4 Parkeren van handkarren, bakfietsen en dergelijke Het is verboden, op de weg een aanhangwagen, handkar, bakfiets, kruiwagen of een dergelijk vervoermiddel te parkeren met het kennelijke doel door middel daarvan parkeerruimte te reserveren. Artikel 10.5 Parkeren van voertuigen als opslagruimte
  316. Het is verboden, op of aan de weg een voertuig dat hoofdzakelijk of uitsluitend als opslag- of bedrijfsruimte wordt gebruikt, te parkeren.
  317. Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 10.6 Parkeren van fietsen en bromfietsen Het is verboden, een fiets of bromfiets: a. op zodanige wijze voor of tegen een gebouw te parkeren, dat daardoor voor een bewoner of gebruiker van dat gebouw de toegang of het uitzicht wordt belemmerd; b. op zodanige wijze op een voetpad of trottoir te parkeren, dat daardoor de doorgang wordt gehinderd of belemmerd. Artikel 10.7 Parkeren van grote voertuigen
  318. Het is verboden, een voertuig dat een lengte van 6 m of een hoogte, al dan niet met inbegrip van lading, van 2,4 m te boven gaat, tussen zonsopgang en zonsondergang, op de weg te parkeren op een door Burgemeester en Wethouders aangewezen plaats, waar dit parkeren naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
  319. Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 10.8 Parkeren van reclamevoertuigen
  320. Het is verboden, een voertuig als bedoeld in artikel 1.2, dat is voorzien van een reclameaanduiding, op of aan de weg te parkeren met het doel daarmee reclame te maken.
  321. Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
  322. De ontheffing als bedoeld in het tweede lid kan worden geweigerd, gelet op de belangen genoemd in artikel 8.2, vierde lid. Artikel 10.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen
  323. Het is verboden, een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 m of een hoogte van meer dan 2,4 m, op of aan de weg te parkeren bij een voor bewoning of voor ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
  324. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet gedurende de tijd die nodig is en wordt gebruikt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 10.10 Parkeren van caravans, aanhangwagens en dergelijke
  325. Het is verboden, op of aan de weg een kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of een ander dergelijk voertuig dat uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, langer dan drie dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking te parkeren.
  326. Burgemeester en Wethouders kunnen wegen aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is.
  327. Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
  328. De in het derde lid bedoelde ontheffing kan worden geweigerd met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of het uiterlijk aanzien van de gemeente. Artikel 10.11 Gebruik fietsenrekken e.d. Burgemeester en Wethouders kunnen wegen of weggedeelten aanwijzen waar het verboden is langer dan een door hen te bepalen periode zonder wezenlijke tijdsonderbreking van de voor het parkeren van fietsen of bromfietsen bestemde voorzieningen gebruik te maken. Hoofdstuk 11 Dieren Artikel 11.1 Verontreiniging door honden
  329. De rechthebbende op een hond is verplicht, ervoor te zorgen dat die hond, indien deze zich op of aan de weg bevindt, zich niet van uitwerpselen ontdoet.
  330. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing: op door Burgemeester en Wethouders aangewezen plaatsen; indien de rechthebbende op een hond ervoor zorgt, dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.
  331. De rechthebbende is verplicht, indien hij zich met een hond op de weg bevindt, een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor de verwijdering van de uitwerpselen. Burgemeester en Wethouders stellen de eisen vast waaraan een hulpmiddel ten minste moet voldoen, wil het doeltreffend zijn.
  332. De rechthebbende op een hond die zich met die hond op of aan de weg bevindt, is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering te laten zien aan de toezicht houdende ambtenaar. Artikel 11.2 Aanlijngebod honden
  333. De rechthebbende op een hond is, indien deze hond zich op of aan de weg bevindt, verplicht ervoor te zorgen, dat: deze aangelijnd is; deze op duidelijk zichtbare wijze aan de hals de penning draagt die voor die hond op grond van de geldende Verordening hondenbelasting is verstrekt.
  334. Burgemeester en Wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waar het bepaalde in het eerste lid, onder a, niet van toepassing is.
  335. Het eerste lid is niet van toepassing voorzover de rechthebbende op een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is. Artikel 11.3 Verboden plaatsen voor honden Het is de rechthebbende op een hond verboden, deze op een voor kinderen bestemde openbare speelplaats of speelweide te laten verblijven dan wel op andere door Burgemeester en Wethouders aangewezen plaatsen. Artikel 11.4 Muilkorf of -band voor honden
  336. Het is de rechthebbende op een hond verboden, deze te laten verblijven op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd, nadat Burgemeester en Wethouders hem hebben bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk achten; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat Burgemeester en Wethouders hem hebben bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk achten; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, indien de hond behoort tot een door Burgemeester en Wethouders aangewezen als gevaarlijk aangemerkt ras of type hond of door kruising daarmee verkregen verwanten.
  337. In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren (Staatscourant 1993, nr. 11); kort aangelijnd: aanlijnen van een hond met een lijn van een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 m.
  338. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voorzover de Regeling agressieve dieren (Staatscourant 1993, nr. 11) van toepassing is. Artikel 11.5 Duiven
  339. Het is verboden, op of aan de weg duivenvoer te verkopen.
  340. Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
  341. Voorzover de ontheffing als bedoeld in het eerste lid strekt, is de Verordening op de straathandel niet van toepassing.
  342. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op door de Gemeenteraad of door Burgemeester en Wethouders ingestelde markten gedurende de voor die markten aangewezen dagen en uren. Hoofdstuk 12 Behendigheidsspelen Artikel 12.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij premies, geld of in geld inwisselbare goederen kunnen worden gewonnen en verloren; b. exploitant: degene die krachtens een zakelijk of persoonlijk recht een speelgelegenheid exploiteert of, indien de exploitant een rechtspersoon is, de natuurlijke persoon die bestuurder is van die rechtspersoon; c. beheerder: de natuurlijke persoon die de dagelijkse en onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van een speelgelegenheid. Artikel 12.2 Exploitatie van een speelgelegenheid
  343. Het is verboden, zonder vergunning van de Burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren.
  344. Het eerste lid is niet van toepassing op: speelcasino’s waarvoor op grond van artikel 27h van de Wet op de kansspelen een vergunning is vereist; speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de kansspelen een vergunning is vereist; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden, het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, waar gelegenheid wordt gegeven te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen of waar gelegenheid wordt gegeven tot de in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen omschreven handeling; de door de Burgemeester aangewezen soorten speelgelegenheden. Artikel 12.3 Aanvraag
  345. Voor het indienen van een aanvraag om een vergunning maakt de exploitant gebruik van een door de Burgemeester vastgesteld formulier.
  346. Bij een aanvraag wordt een bedrijfsplan overgelegd, waarin in ieder geval staat beschreven welk spel in de speelgelegenheid zal worden beoefend en op welke wijze de bedrijfsactiviteiten zullen worden gefinancierd.
  347. Indien de exploitant een wijziging wenst van het soort spelen in de speelgelegenheid, deelt hij dit de Burgemeester vooraf schriftelijk mede; de mededeling wordt als aanvulling op het bedrijfsplan aangemerkt. Artikel 12.4 Overdraagbaarheid vergunning De vergunning is niet overdraagbaar en gebonden aan de speelgelegenheid waarvoor zij is verleend. Artikel 12.5 Eisen aan de exploitant en de beheerder. De exploitant en de beheerder van een speelgelegenheid: a. staan niet onder curatele of bewind en zijn niet uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Artikel 12.6 Gronden voor weigering vergunning
  348. De Burgemeester weigert een vergunning, indien: de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een bestemmingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing; de vestiging daarvan geschiedt in een woonruimte waarvoor geen vergunning tot woningonttrekking is verleend als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestigingswet; de speelgelegenheid niet in een gebouw is gevestigd; de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 12.5 gestelde eisen.
  349. De Burgemeester kan een vergunning weigeren, indien naar zijn oordeel: het woon- en leefklimaat in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde of veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de speelgelegenheid; een eerdere vergunning voor de exploitatie van de speelgelegenheid is ingetrokken of de speelgelegenheid met toepassing van artikel 2.7 of artikel 12.10 van deze verordening dan wel van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten; het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 12.3 onvoldoende garanties geeft dat het in de Wet op de kansspelen bepaalde niet zal worden overtreden; het op grond van andere feiten en omstandigheden onvoldoende vaststaat dat het bepaalde in de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden. Artikel 12.7 Verplichtingen van de exploitant en beheerder
  350. De exploitant van een speelgelegenheid is verplicht, voldoende toezicht uit te oefenen op de gang van zaken gedurende de openingsuren van het bedrijf dan wel ervoor zorg te dragen dat voldoende toezicht wordt uitgeoefend.
  351. De exploitant is verplicht als beheerder van het bedrijf op te laten treden degene die als zodanig in de vergunning staat vermeld.
  352. De exploitant en de beheerder dienen ervoor zorg te dragen dat de vergunning in het bedrijf aanwezig is en op eerste vordering van een ambtenaar belast met het toezicht op deze regelgeving of op eerste vordering van een opsporingsambtenaar ter inzage af te geven. Artikel 12.8 Exploitatietijden
  353. De Burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de veiligheid of ter voorkoming of beperking van overlast de openingstijden van een speelgelegenheid beperken.
  354. Het is de bezoeker van een speelgelegenheid verboden, zich daarin te bevinden gedurende de tijden dat het bedrijf ingevolge het eerste lid gesloten dient te zijn. Artikel 12.9 Gronden voor intrekking vergunning De Burgemeester kan de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien: a. de exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het bedrijfsplan heeft opgenomen; b. het aanvullend bedrijfsplan als bedoeld in artikel 12.3, derde lid, onvoldoende garanties geeft dat de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden; c. het bepaalde

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.