← Nederland

Waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2024 (Waterschap Aa en Maas)

Kort samengevat

Deze wet regelt de omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten en stelt regels voor het beheer van watersystemen binnen het gebied van Waterschap Aa en Maas. Het doel is om overstromingen, wateroverlast en waterschaarste te voorkomen en de waterkwaliteit te beschermen.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/waterschap/2024/CVDR703373 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0654/2023/Regelinge25ca3fab82c444e9002517a82edb2bd /join/id/stop/work_019 2024-10-21 2024-10-21 /akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR7033

Artikel 2.1 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam.

  1. Deze paragraaf is ook van toepassing op het aanleggen van een oppervlaktewaterlichaam of ondersteunend kunstwerk.
  2. Deze paragraaf is ook van toepassing op het lozen van water in of het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water en in een b-water: a. handelingen te verrichten; b. werken te behouden; of c. vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.
  4. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een peilregulerend werk te verwijderen in een c-water binnen beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied.
  5. Het is verboden zonder omgevingsvergunning werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.
  6. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een oppervlaktewaterlichaam of ondersteunend kunstwerk aan te leggen.
  7. Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied; b. een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding; c. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; d. als een waterstaatswerk wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgende informatie:
  8. een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleiding wegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat;
  9. een tekening met een aanduiding van de boorlijn;
  10. een tekening van de dwarsdoorsnede in de langsrichting van de gekozen boorlijn; en
  11. gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van de buis op basis van een grondmechanisch onderzoek; en
  12. gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van de buis op basis van een grondmechanisch onderzoek; en e. als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering. Artikel 2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit waterbodem Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, in aanvulling op artikel 4.1 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de hoeveelheid te verwijderen materiaal; en b. een aanduiding van het totaal te baggeren oppervlak in kubieke meter. Artikel 2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken oppervlaktewater wordt gebruikt; b. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder onttrekkingspunt; c. de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur per onttrekkingspunt; d. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste wordt onttrokken; e. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en f. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken. Paragraaf 2.1.2 Steigers, vlonders, boothellingen en overhangende bouwwerken Artikel 2.6 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van steigers, vlonders, boothellingen en overhangende bouwwerken in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam Artikel 2.7 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  13. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in een b-water.
  14. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de steiger, vlonder, boothelling of het overhangend bouwwerk eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.8 Aanwijzing algemene regels
  15. Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in een b-water wordt voldaan aan de artikelen 2.9 en 2.
  16. Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.11, als: a. de steiger, vlonder, boothelling of het overhangend bouwwerk eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.9 Waterafvoer
  17. De steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk veroorzaakt geen belemmering van de waterafvoer.
  18. Binnen een straal van 0,5 meter rondom de steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk worden afval en begroeiing die nadelige gevolgen heeft voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam verwijderd. Artikel 2.10 Staat en herstel
  19. De steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk wordt direct verwijderd als deze niet meer gebruikt wordt of niet meer in goede staat van onderhoud verkeert.
  20. Na het verwijderen van de steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk worden het talud en de bodem van het oppervlaktewaterlichaam vloeiend afgewerkt en wordt de taludbegroeiing hersteld. Artikel 2.11 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte De steiger, vlonder, boothelling of het overhangend bouwwerk wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip. Paragraaf 2.1.3 Bruggen in of over een oppervlaktewater Artikel 2.12 Toepassingsbereik
  21. Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van bruggen in een a-water, in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.13 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  22. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid geldt niet voor het verwijderen van een brug in een a-water of b-water, als de brug alleen voor eigen gebruik functioneert.
  23. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid geldt niet voor het aanleggen of behouden van een brug in een b-water, als de brug maximaal 15 meter breed is.
  24. Het verbod, bedoeld in artikel2.2 eerste lid geldt niet voor het behouden van een brug in een a-water of b-water, als onderhoud plaatsvindt aan de brug en/of het wegdek op de brug en de brug niet in vorm of afmeting wijzigt.
  25. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een brug in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de brug eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande brug is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.14 Aanwijzing algemene regels
  26. Bij het verwijderen van een brug in een a-water wordt voldaan aan artikel 2.15 en 2.17 of als een brug wordt verwijderd uit een b-water wordt voldaan aan artikel 2.15 als de brug alleen voor eigen gebruik functioneert.
  27. Bij het aanleggen of behouden van een brug in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.16 als de brug maximaal 15 meter breed is.
  28. Bij het plegen van onderhoud aan een brug en/of het wegdek op de brug in en a-water of b-water, wordt voldaan aan artikel 2.15 als de vorm of afmeting van de brug niet wijzigt.
  29. Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een brug in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.18 als: a. de brug eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande brug is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.15 Bescherming oppervlaktewaterlichaam, oevers en taluds bij verwijdering
  30. Het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt hersteld door een vloeiende aansluiting te maken op het bestaande talud, zowel beneden- als bovenstrooms.
  31. Nieuwe taluds worden ingezaaid met een graszaadmengsel of voorzien van graszoden. Bij zandgronden wordt voor het inzaaien een laag teelaarde aangebracht.
  32. Als er verzakkingen ontstaan, worden deze direct hersteld. Artikel 2.16 Bescherming oppervlaktewaterlichaam en oevers bij aanleg of behoud
  33. De pijlers van de brug worden niet in het oppervlaktewaterlichaam geplaatst.
  34. De brughoofden tasten de stabiliteit van de oevers niet aan.
  35. De waterdoorvoer wordt niet belemmerd. Artikel 2.17 Meldingsplicht Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden. Artikel 2.18 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte De brug wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip. Paragraaf 2.1.4 Stuwen en andere peilregulerende werken Artikel 2.19 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van peilregulerende werken in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.20 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  36. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een peilregulerend werk in een b-water, als het peilregulerende werk wordt aangelegd of behouden in overeenstemming met belanghebbenden.
  37. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een peilregulerend werk in een b-water buiten een beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied als het peilregulerende werk wordt verwijderd in overeenstemming met belanghebbenden.
  38. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een peilregulerend werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. het peilregulerende werk eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaand peilregulerend werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.21 Aanwijzing algemene regels
  39. Bij het aanleggen of behouden van een peilregulerend werk in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.22, als het peilregulerende werk wordt aangelegd of behouden in overeenstemming met belanghebbenden.
  40. Bij het verwijderen van een peilregulerend werk in een b-water buiten een beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied wordt voldaan aan artikel 2.22, als het peilregulerende werk wordt verwijderd in overeenstemming met belanghebbenden.
  41. Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een peilregulerend werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.23, als: a. het peilregulerende werk eenvoudig ongedaan te maken is: of b. het een bestaand peilregulerend werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.22 Bescherming van het watersysteem
  42. Het watersysteem blijft binnen peilbesluitgebieden aan de geldende peilen uit het peilbesluit voldoen.
  43. Bij een hoge belasting van het watersysteem wordt de aan- en afvoer van water gewaarborgd. Artikel 2.23 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte Het peilregulerend werk wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip. Paragraaf 2.1.5 Dam met duiker Artikel 2.24 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van een dam met duiker in een a-water, in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.25 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  44. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een dam met duiker in een a-water, als de dam met duiker alleen voor eigen gebruik functioneert.
  45. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, verlengen, behouden of verwijderen van een dam met duiker voor perceelsontsluiting in een b-water, als: a. de dam met duiker 5 meter of meer van een bestaande dam met duiker, of van een ander (kunst)werk, wordt aangelegd; b. de buislengte maximaal 15 meter per perceelzijde bedraagt; c. de inwendige diameter van de duiker 0,30 meter of meer bedraagt; d. de binnenonderkant van de duiker 0,05 meter of dieper onder de waterbodem ligt, gemeten bij een goede onderhoudstoestand; en e. de duiker wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten.
  46. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, plaatsen of behouden van objecten op een dam met duiker in een b-water, als: a. Het object de constructie van de duiker niet negatief beïnvloed, en; b. de afmetingen van de dam of duiker niet wijzigt.
  47. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, verlengen en behouden van een extra dam met duiker langs een perceelzijde in een b-water, als: a. het perceel over een lengte van meer dan 100 meter grenst aan de watergang; b. de dam met duiker 5 meter of meer van een bestaande dam met duiker, of van een ander (kunst)werk, wordt aangelegd; c. de buislengte maximaal 15 meter bedraagt; d. de inwendige diameter van de duiker 0,30 meter of meer bedraagt; e. de binnenonderkant van de duiker 0,05 meter of dieper onder de waterbodem ligt, gemeten bij een goede onderhoudstoestand; en f. de duiker wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten.
  48. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een dam met duiker in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de dam met duiker eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande dam met duiker is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.26 Aanwijzing algemene regels
  49. Bij het verwijderen van een dam met duiker in een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.27 en 2.
  50. Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een dam met duiker in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.29, als: a. de dam met duiker eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande dam met duiker is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.27 Meldingsplicht Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden. Artikel 2.28 Bescherming oppervlaktewaterlichaam, oevers en taluds
  51. Het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt hersteld door een vloeiende aansluiting te maken op het bestaande talud, zowel beneden- als bovenstrooms.
  52. Nieuwe taluds worden ingezaaid met een graszaadmengsel of voorzien van graszoden. Bij zandgronden wordt voor het inzaaien een laag teelaarde aangebracht.
  53. Als er verzakkingen ontstaan, worden deze direct hersteld. Artikel 2.29 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte De dam met duiker wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip. Paragraaf 2.1.6 Oppervlaktewater onttrekken Artikel 2.30 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.31 Aanwijzing vergunningvrije gevallen Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vijfde lid, geldt niet voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam, als er maximaal 100 m3 water per uur wordt onttrokken. Artikel 2.32 Aanwijzing algemene regels Bij het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.
  54. Artikel 2.33 Water over de stuw Er moet benedenstrooms in een categorie a-water, water over de eerstvolgende stuw blijven lopen. Paragraaf 2.1.7 Lozingsconstructies en onttrekkingswerken Artikel 2.34 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van lozingsconstructies en onttrekkingswerken in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water, in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.35 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  55. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water of in een b-water.
  56. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de lozingsconstructie of het onttrekkingswerk eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande lozingsconstructie of onttrekkingswerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.36 Aanwijzing algemene regels
  57. Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in een a-water of in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.37 en 2.
  58. Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.
  59. Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.39, als: a. de lozingsconstructie of het onttrekkingswerk eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande lozingsconstructie of onttrekkingswerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.37 Meldingsplicht Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden. Artikel 2.38 Onderhoud en bescherming oppervlaktewaterlichaam
  60. Het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam wordt niet belemmerd of onmogelijk gemaakt.
  61. Het (doorstroom)profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt niet aangetast.
  62. Als gebruik gemaakt wordt van een waterlozingspunt (buis) of drainagebuis in een oppervlaktewaterlichaam, is aan het eerste en tweede lid in ieder geval voldaan, als: a. de uitmondingen van de (drainage)buizen zo worden aangelegd en gehouden, dat geen aantasting van het profiel van de watergang kan plaatsvinden; b. het talud van de watergang vanaf de uitmonding van de (drainage)buizen beschermd wordt door het aanbrengen en onderhouden van uitloopgoten die minimaal 0,15 m ingezonken in het talud van de watergang worden aangebracht en gehouden; c. (drainage)buizen worden afgeschuind overeenkomstig de taludhelling van de watergang; en d. de onderhoudsstrook na het aanbrengen van het waterlozingspunt goed geëgaliseerd wordt en vrij wordt gemaakt van overige obstakels.
  63. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op werken voor het onttrekken van oppervlaktewater.
  64. Indien nodig wordt de lozingsconstructies voorzien van een taludbescherming die: a. minimaal vanaf de onderkant van de lozingsvoorziening tot aan de laagste waterstand in het oppervlaktewaterlichaam reikt; b. bij een oppervlaktewaterlichaam met een bovenbreedte van 4 meter of kleiner aan beide zijden van het oppervlaktewaterlichaam aanwezig is; en c. in horizontale richting 1 meter links en rechts van de lozingsvoorziening strekt.
  65. Binnen een straal van 0,5 meter rondom de lozingsconstructie of het onttrekkingswerk worden in het talud alle voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiing en afval verwijderd. Artikel 2.39 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte De lozingsconstructie of het onttrekkingswerk wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip. Paragraaf 2.1.8 Kabels en leidingen Artikel 2.40 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van kabels en leidingen in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water en in een b-water. Artikel 2.41 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  66. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een kabel of leiding parallel aan een a-water, als de kabel of leiding: a. op 1 meter of meer uit de insteek wordt gelegd; en b. op een diepte van minimaal 1 meter onder de grond in de beschermingszone wordt gelegd.
  67. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een kabel of leiding haaks op een a-water, als de kabel of leiding op een diepte wordt gelegd van minimaal: a. 2 meter onder de bodem van een watergang waar beschoeiing aanwezig is; b. 2,5 meter onder de bodem van een vaarweg; c. 1 meter onder de bodem van een watergang in andere gevallen; d. 1 meter onder het talud, gemeten haaks op het taludvlak; e. 1 meter onder de grond in de beschermingszone; en f. 1 meter onder een ondersteunend kunstwerk.
  68. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een kabel of leiding in een a-water of in de beschermingszone bij een a-water.
  69. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding boven een a-water of in de beschermingszone bij een a-water, als: a. de kabel of leiding bevestigd is aan of samenvalt met een bestaande brug of stuw over het oppervlaktewaterlichaam; of b. de kabel of leiding wordt aangelegd bij een ander ondersteunend kunstwerk dan een bestaande brug of stuw, met een afstand van minimaal 0,30 meter tussen het kunstwerk en de kabel of leiding.
  70. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding in een b-water. Artikel 2.42 Aanwijzing algemene regels
  71. Bij het aanleggen of behouden van een kabel of leiding parallel aan een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.43 en 2.
  72. Bij het aanleggen of behouden van een kabel of leiding haaks op een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.43, 2.44 en 2.
  73. Bij het verwijderen van een kabel of leiding in een a-water of in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.43, 2.44 en 2.
  74. Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding boven een a-water of in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.43 en 2.44, als de kabel of leiding bevestigd is aan of samenvalt met een bestaande brug of stuw over het oppervlaktewaterlichaam.
  75. Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding boven een a-water of in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.43, 2.44 en 2.47, als de kabel of leiding wordt aangelegd bij een ander ondersteunend kunstwerk dan een bestaande brug of stuw, met een afstand van minimaal 0,30 meter tussen het kunstwerk en de kabel of leiding.
  76. Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding in een b-water wordt voldaan aan de artikelen 2.43 en 2.
  77. Artikel 2.43 Herstel na uitvoering werkzaamheden Na het uitvoeren van de werkzaamheden worden de beschermingszone, het talud en de waterbodem zodanig hersteld dat: a. de stabiliteit van het waterstaatswerk en de beschermingszone wordt gegarandeerd; en b. het uit te voeren onderhoud niet wordt belemmerd. Artikel 2.44 Draagkracht De kabel of leiding onder een beschermingszone heeft voldoende draagkracht om machines voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam te dragen. Artikel 2.45 Waterafvoer Bij het verwijderen van een kabel of leiding wordt de waterafvoer ter plaatse te allen tijde gewaarborgd. Artikel 2.46 Gestuurde persing of boring Een kruising haaks op de watergang wordt uitgevoerd door middel van een gestuurde persing of boring. Artikel 2.47 Overlengte De kabel heeft een overlengte van 1 meter of meer, in de vorm van een lus. Paragraaf 2.1.9 Beschoeiing Artikel 2.48 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van beschoeiing in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.49 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  78. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van beschoeiing in een b-water, als de bergings- en doorstroomcapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam gelijk blijven.
  79. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van beschoeiing in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de beschoeiing eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het bestaande beschoeiing is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.50 De afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam De afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam worden teruggebracht naar de afmetingen van het oorspronkelijke profiel. Artikel 2.51 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte De beschoeiing wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip. Paragraaf 2.1.10 Anti-worteldoek Artikel 2.52 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van een anti-worteldoek in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.53 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  80. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van anti-worteldoek in een b-water.
  81. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een anti-worteldoek in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de anti-worteldoek eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande anti-worteldoek is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.54 Aanwijzing algemene regels
  82. Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van anti-worteldoek in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.
  83. Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een anti-worteldoek in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.56, als: a. de anti-worteldoek eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande anti-worteldoek is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.55 Profiel van het oppervlaktewaterlichaam Het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt niet verkleind. Artikel 2.56 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte De anti-worteldoek wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip. Paragraaf 2.1.11 Stoffen en voorwerpen Artikel 2.57 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het neerleggen, laten staan en laten liggen van vaste substanties en het aanleggen, behouden en verwijderen van stoffen en voorwerpen in een b-water. Artikel 2.58 Aanwijzing vergunningvrije gevallen Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het neerleggen, laten staan of laten liggen van vaste substanties of het aanleggen, behouden of verwijderen van stoffen en voorwerpen in een b-water. Artikel 2.59 Aanwijzing algemene regels Bij het neerleggen, laten staan of laten liggen van vaste substanties of het aanleggen, behouden of verwijderen van stoffen en voorwerpen in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.
  84. Artikel 2.60 Aan- en afvoer van water en onderhoud
  85. De aan- en afvoer van water wordt niet belemmerd.
  86. Het onderhoud wordt niet belemmerd. Paragraaf 2.1.12 Dieren Artikel 2.61 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het houden van dieren in de beschermingszone bij een a-water en in een b-water. Artikel 2.62 Aanwijzing vergunningvrije gevallen Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het houden van dieren in de beschermingszone bij een a-water en in een b-water. Artikel 2.63 Aanwijzing algemene regels Bij het houden van dieren in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.
  87. Artikel 2.64 Geen beschadiging watergang en talud
  88. Er wordt een voorziening getroffen die ervoor zorgt dat de dieren de watergang en het talud niet kunnen beschadigen.
  89. Deze voorziening belemmert het onderhoud niet. Paragraaf 2.1.13 Afrasteringen Artikel 2.65 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, wijzigen, hebben en verwijderen van afrasteringen in de beschermingszone bij een a-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.66 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  90. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het plaatsen, hebben of verwijderen van een afrastering in de beschermingszone bij een a-water, als de afrastering evenwijdig aan of haaks op de insteek is geplaatst.
  91. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het plaatsen, wijzigen of hebben van een afrastering in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de afrastering eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande afrastering is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.67 Aanwijzing algemene regels
  92. Bij het plaatsen of hebben van een afrastering in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.68 en 2.69, als de afrastering evenwijdig aan of haaks op de insteek is geplaatst.
  93. Bij het verwijderen van een afrastering in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.70, als de afrastering evenwijdig aan of haaks op de insteek is geplaatst.
  94. Bij het plaatsen, wijzigen of hebben van een afrastering in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.71, als: a. de afrastering eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande afrastering is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.68 Constructie van de afrastering
  95. De afrastering is niet hoger dan 1,20 meter, gemeten vanaf het maaiveld.
  96. De afrastering is niet breder dan 0,20 meter.
  97. De afrastering belemmert het zicht op de watergang niet.
  98. De afrastering heeft een eenvoudige constructie.
  99. De afrastering wordt in een deugdelijke staat van onderhoud gehouden. Artikel 2.69 Onderhoud oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone
  100. De afrastering belemmert het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet.
  101. Een afrastering die haaks op de watergang is geplaatst, kan zonder hulpmiddelen tijdelijk worden weggehaald.
  102. De eigenaar of gebruiker van de afrastering verwijdert, binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, alle begroeiing en afval die schadelijk is voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.70 Herstel na verwijdering Na het verwijderen van de afrastering wordt de beschermingszone teruggebracht in de oorspronkelijke staat. Artikel 2.71 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte De afrastering wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip. Paragraaf 2.1.14 Werken en bomen voor openbare wegen Artikel 2.72 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, wijzigen en behouden van werken en bomen voor openbare wegen in de beschermingszone bij een a-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.73 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  103. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen of behouden van een werk voor een openbare weg in de beschermingszone bij een a-water, als: a. het werk minimaal 0,5 meter uit de insteek wordt geplaatst; en b. de afstand tussen het werk en andere obstakels minimaal 10 meter bedraagt.
  104. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen of behouden van een boom voor een openbare weg in de beschermingszone bij een a-water, als: a. de afstand tussen de boom en andere obstakels minimaal 10 meter bedraagt; en b. de boom functioneert voor de aankleding van de openbare weg; c. De boom minimaal 0,5 meter en maximaal 1,5 meter uit de insteek wordt geplaatst.
  105. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanbrengen, wijzigen of behouden van een werk voor een openbare weg in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. het werk eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaand werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.74 Aanwijzing algemene regels
  106. Bij het aanbrengen van een werk bij een openbare weg in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.75 en 2.76, als: a. het werk minimaal 0,5 meter uit de insteek wordt geplaatst; en b. de afstand tussen het werk en andere obstakels minimaal 10 meter bedraagt.
  107. Bij het aanbrengen of behouden van een boom voor een openbare weg in de beschermingszone bij een a-water, wordt voldaan aan de artikelen 2.75 en 2.76 als: a. de afstand tussen de boom en andere obstakels minimaal 10 meter bedraagt; en b. de boom functioneert voor de aankleding van de openbare weg; en c. De boom minimaal 0,5 meter en maximaal 1,5 meter uit de insteek wordt geplaatst.
  108. Bij het aanbrengen, wijzigen of behouden van een werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.77, als: a. het werk eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaand werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.75 Onderhoud
  109. Het werk en/of de boom wordt zodanig aangebracht dat het onderhoud aan het a-water niet wordt belemmerd.
  110. De verharding heeft voldoende draagkracht en stabiliteit voor het onderhoud. Artikel 2.76 Schadelijke begroeiing en afval De eigenaar of gebruiker van het werk en/of de boom verwijdert, binnen een straal van 0,5 meter rondom het object, in het talud alle begroeiing en afval die schadelijk is voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.77 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte Het werk wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip. Paragraaf 2.1.15 Borden Artikel 2.78 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, wijzigen, behouden en verwijderen van borden in de beschermingszone bij een a-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.79 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  111. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen, behouden of verwijderen van een bord in de beschermingszone bij een a-water, als: a. het bord bedoeld is voor een recreatieroute; of b. het bord een zinkerbord is bij een kabel of leiding.
  112. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanbrengen, wijzigen of behouden van een bord in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. het bord eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaand bord is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.80 Aanwijzing algemene regels
  113. Bij het aanbrengen van een bord in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.81 en 2.82, als: a. het bord bedoeld is voor een recreatieroute; of b. het bord een zinkerbord is bij een kabel of leiding.
  114. Bij het aanbrengen, wijzigen of behouden van een bord in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.83, als: a. het bord eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaand bord is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.81 Plaatsing van het bord
  115. Het bord wordt, voor zover dat mogelijk is, aangebracht aan bestaand straatmeubilair of bestaande infrastructurele werken.
  116. Als het niet mogelijk is om het bord aan te brengen aan bestaand straatmeubilair of bestaande infrastructurele werken, wordt het bord zodanig aangebracht dat het onderhoud aan het a-water niet wordt belemmerd.
  117. Het eerste lid geldt niet voor verkeersborden voor de vaarweg. Artikel 2.82 Schadelijke begroeiing en afval De eigenaar of gebruiker van het bord verwijdert, binnen een straal van 0,5 meter rondom het bord, alle begroeiing en afval die schadelijk is voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.83 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte Het bord wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip. Paragraaf 2.1.16 Gras en eenjarige gewassen Artikel 2.84 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, behouden en verwijderen van gras en eenjarige gewassen in een a-water en in de beschermingszone bij een a-water. Artikel 2.85 Aanwijzing vergunningvrije gevallen Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen, behouden of verwijderen van gras of eenjarige gewassen in een a-water of in de beschermingszone bij een a-water. Artikel 2.86 Aanwijzing algemene regels Bij het aanbrengen, behouden of verwijderen van gras of eenjarige gewassen in een a-water of in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.87 en 2.
  118. Artikel 2.87 Bescherming talud Bij grondbewerkingen dieper dan 0,15 meter wordt 1 meter vrijgehouden, gemeten vanaf de insteek, zodat het talud niet kan afschuiven. Artikel 2.88 Onderhoud Ploegvoren en andere diepe geulen worden gedicht, zodat het onderhoud ongehinderd kan plaatsvinden. Paragraaf 2.1.17 Natuurvriendelijke oevers Artikel 2.89 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van natuurvriendelijke oevers in een b-water buiten een beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied. Artikel 2.90 Aanwijzing vergunningvrije gevallen Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of wijzigen van een natuurvriendelijke oever in een b-water buiten een beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied. Artikel 2.91 Aanwijzing algemene regels Bij het aanleggen of wijzigen van een natuurvriendelijke oever in een b-water buiten een beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied wordt voldaan aan artikel 2.
  119. Artikel 2.92 Natte profiel van de watergang Het natte profiel van de watergang wordt niet verkleind. Paragraaf 2.1.18 Verharding Artikel 2.93 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, wijzigen, behouden en verwijderen van verharding in de beschermingszone bij een a-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.94 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  120. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen, behouden of verwijderen van verharding in de beschermingszone bij een a-water, als: a. de verharding gelijk met of onder het maaiveld wordt aangebracht; en b. daardoor de maaiveldhoogte niet verandert.
  121. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanbrengen, wijzigen of behouden van verharding in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de verharding eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het bestaande verharding is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.95 Aanwijzing algemene regels
  122. Bij het aanbrengen of behouden van verharding in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.96, als: a. de verharding gelijk met of onder het maaiveld wordt aangebracht; en b. daardoor de maaiveldhoogte niet verandert.
  123. Bij het verwijderen van verharding in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.97, als daardoor de maaiveldhoogte niet verandert.
  124. Bij het aanbrengen, wijzigen of behouden van verharding in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.98, als: a. de verharding eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het bestaande verharding is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.96 Bescherming oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone
  125. De stabiliteit van het oppervlaktewaterlichaam en de beschermingszone blijft te allen tijde gewaarborgd.
  126. Het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam wordt niet belemmerd door de verharding.
  127. Een strook van 0,5 meter wordt vrijgehouden, gemeten vanaf de insteek van de watergang.
  128. De verharding heeft voldoende draagkracht en stabiliteit voor het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.97 Herstel na verwijdering
  129. Na het verwijderen van de verharding wordt het maaiveld tot de oorspronkelijke hoogte aangevuld.
  130. Na het verwijderen van de verharding wordt de grond ingezaaid met een gras- of kruidenrijk zaadmengsel. Artikel 2.98 Na het verwijderen van de verharding wordt het maaiveld tot de oorspronkelijke hoogte aangevuld. De verharding wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip. Paragraaf 2.1.19 Verwijderen van werken en objecten Artikel 2.99 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van werken en objecten in de beschermingszone bij een a-water. Artikel 2.100 Aanwijzing vergunningvrije gevallen Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een werk of object in de beschermingszone bij een a-water, als het werk of object niet is geplaatst voor het beheer, onderhoud of functioneren van het oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.101 Aanwijzing algemene regels Bij het verwijderen van een werk of object in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.102, als het werk of object niet is geplaatst voor het beheer, onderhoud of functioneren van het oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.102 Bescherming oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone
  131. De stabiliteit van het oppervlaktewaterlichaam en de beschermingszone blijft te allen tijde gewaarborgd.
  132. Het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam wordt niet belemmerd. Paragraaf 2.1.20 Oppervlaktewaterlichaam aanleggen, wijzigen of dempen Artikel 2.103 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, verbreden, verdiepen en dempen van oppervlaktewaterlichamen. Artikel 2.104 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  133. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vierde lid, geldt niet voor het aanleggen, verbreden of verdiepen van een c-water buiten de beschermingszone bij een a-water en buiten een beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied, als daardoor geen directe verbinding ontstaat tussen verschillende peilvakken.
  134. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vierde lid, geldt niet voor het aanleggen van een poel, als deze: a. een oppervlakte heeft van maximaal 5.000 m2; b. niet dieper is dan de gemiddeld laagste grondwaterstand; c. maximaal 1,20 meter diep is; d. aan de noordzijde een taludhelling heeft van minimaal 1:5; en e. aan de andere zijden dan de noordzijde een taludhelling heeft van minimaal 1:
  135. Paragraaf 2.1.21 Obstakels in beschermingszone beperkt Artikel 2.105 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en verwijderen van werken en het laten staan en liggen van voorwerpen in een beschermingszone beperkt. Artikel 2.106 Aanwijzing vergunningvrije gevallen Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het plaatsen, behouden of verwijderen van een werk en het laten staan of liggen van een voorwerp in een beschermingszone beperkt, als het werk of voorwerp eenvoudig ongedaan te maken is. Artikel 2.107 Aanwijzing algemene regels
  136. Bij het plaatsen of behouden van een werk en het laten staan of liggen van een voorwerp in een beschermingszone beperkt wordt voldaan aan de artikelen 2.108 en 2.
  137. Bij het verwijderen van een werk in een beschermingszone beperkt wordt voldaan aan artikel 2.
  138. Artikel 2.108 Meldingsplicht Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden. Artikel 2.109 Bescherming oppervlaktewaterlichaam
  139. Het werk of voorwerp wordt op minimaal één meter uit de insteek geplaatst, behalve als het gaat om gras of eenjarige gewassen.
  140. Binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk of voorwerp worden in het talud alle voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiing en afval verwijderd. Artikel 2.110 Verwijdering
  141. Het werk of voorwerp wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip, als dit naar het oordeel van het bestuur nodig is voor het beheer of onderhoud van de aangrenzende waterkering.
  142. Na het verwijderen van het werk of voorwerp worden de beschermingszone en het talud teruggebracht in de oorspronkelijke staat. Artikel 2.111 Maatwerkvoorschriften Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over artikel 2.
  143. Paragraaf 2.1.22 Kortdurende activiteiten bij oppervlaktewaterlichamen Artikel 2.112 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van kortdurende activiteiten in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water en in een b-water. Artikel 2.113 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  144. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verrichten van een activiteit in een b-water, als: a. de activiteit nodig is voor het verrichten van een activiteit die is toegestaan op grond van één van de andere paragrafen van dit hoofdstuk; en b. de activiteit maximaal twee weken duurt.
  145. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verrichten van een activiteit in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water of in een b-water, als: a. de activiteit maximaal een week duurt; en b. bij de activiteit geen werk wordt geplaatst dat langer dan een week aanwezig is. Artikel 2.114 Aanwijzing algemene regels
  146. Bij het verrichten van een activiteit in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.117, als: a. de activiteit maximaal twee weken duurt; en b. de activiteit nodig is voor het verrichten van een activiteit die is toegestaan op grond van één van de andere paragrafen van dit hoofdstuk.
  147. Bij het verrichten van een activiteit in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water of in een b-water wordt voldaan aan de artikelen 2.115, 2.116 en 2.117, als: a. de activiteit maximaal een week duurt; en b. bij de activiteit geen werk wordt geplaatst dat langer dan een week aanwezig is. Artikel 2.115 Meldingsplicht Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden, als de activiteit langer duurt dan een uur. Artikel 2.116 Herstel na uitvoering Na het uitvoeren van de activiteit worden het oppervlaktewaterlichaam en de beschermingszone teruggebracht in de staat zoals deze voor uitvoering van de activiteit was. Artikel 2.117 Bescherming watersysteem
  148. De waterafvoer van de aangrenzende percelen blijft gewaarborgd.
  149. Alle materialen die vrijkomen bij het verrichten van de activiteit, worden verwijderd. Artikel 2.118 Maatwerkvoorschriften Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de uitvoering en de locatie van het werk, bedoeld in artikel 2.113, tweede lid. Paragraaf 2.1.23 Overige activiteiten in het profiel van vrije ruimte Artikel 2.119 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, voor zover de paragrafen 2.1.2 tot en met 2.1.20 daarop niet van toepassing zijn. Artikel 2.120 Aanwijzing vergunningvrije gevallen Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het plaatsen, wijzigen of behouden van een werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. het werk eenvoudig ongedaan gemaakt kan worden; of b. het een bestaand werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.121 Aanwijzing algemene regels Bij het plaatsen, wijzigen of behouden van een werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.122, als: a. het werk eenvoudig ongedaan gemaakt kan worden; of b. het een bestaand werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting. Artikel 2.122 Verwijdering van het werk Het werk wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip. Afdeling 2.2 Lozen op oppervlaktewater Paragraaf 2.2.

Artikel 2

.123 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, dat in beheer is bij het waterschap. Artikel 2.124 Oogmerken De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; b. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en c. het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk. Artikel 2.125 Normadressaat Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 2.126 Specifieke zorgplicht

  1. Degene die een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.124, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; c. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd; f. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd. Artikel 2.127 Maatwerkvoorschriften
  3. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.126 en 2.131 tot en met 2.
  4. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.131 tot en met 2.
  5. Artikel 2.128 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 2.129 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  6. Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 2.128, wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  7. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Artikel 2.130 Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap
  8. Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.
  9. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 2.131 Informeren over een ongewoon voorval
  10. Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
  11. Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen. Artikel 2.132 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  12. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
  13. Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen. Artikel 2.133 Aanvraagvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater; b. de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden; c. een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt; d. een riooltekening; e. de locaties van de lozingspunten; f. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan; g. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken; h. een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; i. de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd; j. de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; k. de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en l. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd. Artikel 2.134 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.135 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 2.2.2 Lozen van water Artikel 2.136 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.137 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  14. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vijfde lid, geldt niet voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam, als er maximaal 100 m3 water per uur wordt geloosd.
  15. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak of afkoppeling van bestaand verhard oppervlak, als: a. de waterparagraaf van het omgevingsplan na 1 januari 2019 de schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap; en b. de in de waterparagraaf genoemde maatregelen zijn uitgevoerd.
  16. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak, als: a. het verhard oppervlak toeneemt met maximaal 500 m2; of b. de toename van verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak.
  17. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak, als: a. de toename meer dan 500 m2 maar maximaal 10.000 m2 bedraagt; en b. er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de volgende rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x <gevoeligheidsfactor> x 0,06 (in m).
  18. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door afkoppeling, als er maximaal 10.000 m2 bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld. Artikel 2.138 Aanwijzing algemene regels
  19. Bij het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.139 en 2.140, als er meer dan 50 m3 water per uur maar maximaal 100 m3 per uur wordt geloosd.
  20. Bij het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.140, als er maximaal 50 m3 water per uur wordt geloosd.
  21. Bij het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak wordt voldaan aan artikel 2.141, als: a. de toename meer dan 500 m2 maar maximaal 10.000 m2 bedraagt; en b. er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de volgende rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x <gevoeligheidsfactor> (normwaarde in geo-object) x 0,06 (in m). Artikel 2.139 Meldingsplicht Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden. Artikel 2.140 Capaciteit en overlast
  22. Er wordt niet meer water geloosd dan de waterloop kan verwerken.
  23. Er wordt geen overlast veroorzaakt bij het lozen van het water. Artikel 2.141 De bergingsvoorziening
  24. De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand.
  25. Het water wordt uit de voorziening afgevoerd via een functionele bodempassage naar het grondwater of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater.
  26. De functionele afvoerconstructie heeft een diameter van 4 cm.
  27. Bij de voorziening wordt een overloopconstructie aangelegd om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen. Artikel 2.142 Maatwerkvoorschriften Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over het lozen van water, als er meer dan 50 m3 maar maximaal 100 m3 water per uur wordt geloosd. Paragraaf 2.2.3 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering Artikel 2.143 Lozen van grondwater bij saneringen
  28. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
  29. Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.1, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.1 Emissiegrenswaarden bij lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK's 1 μg/l BTEX 50 μg/l Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor 20 μg/l Aromatische organohalogeen-verbindingen 20 μg/l Minerale olie 500 μg/l Cadmium 4 μg/l Kwik 1 μg/l Koper 11 μg/l Nikkel 41 μg/l Lood 53 μg/l Zink 120 μg/l Chroom 24 μg/l Onopgeloste stoffen 50 mg/l
  30. Voor het lozen van dat grondwater in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.2, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.2 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK's 1 μg/l Minerale olie 50 μg/l Cadmium 0,4 μg/l Kwik 0,1 μg/l Koper 1,1 μg/l Nikkel 4,1 μg/l Lood 5,3 μg/l Zink 12 μg/l Chroom 2,4 μg/l Onopgeloste stoffen 20 mg/l Benzeen 2 μg/l Tolueen 7 μg/l Ethylbenzeen 4 μg/l Xyleen 4 μg/l Tetrachlooretheen 3 μg/l Trichlooretheen 20 μg/l 1,2-dichlooretheen 20 μg/l 1,1,1-trichloorethaan 20 μg/l Vinylchloride 8 μg/l Som van de vijf hier bovenstaande stoffen 20 μg/l Monochloorbenzeen 7 μg/l Dichloorbenzenen 3 μg/l Trichloorbenzenen 1 μg/l Artikel 2.144 Lozen van grondwater bij ontwatering
  31. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat grondwater: a. niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.
  32. Voor het te lozen grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster.
  33. Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen. Artikel 2.145 Meet- en rekenbepalingen
  34. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
  35. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  36. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN
  37. Artikel 2.146 Gegevens en bescheiden
  38. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.143 en 2.144, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  39. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  40. Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater bij ontwatering, als: a. het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of b. het lozen plaatsvindt bij wonen.
  41. In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken. Paragraaf 2.2.4 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening Artikel 2.147 Lozen van afvloeiend hemelwater
  42. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat hemelwater: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en c. geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.
  43. In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.
  44. In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel 2.148 Gegevens en bescheiden
  45. Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden a. de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
  46. Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Paragraaf 2.2.5 Lozen van huishoudelijk afvalwater Artikel 2.149 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  47. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater alleen op een oppervlaktewaterlichaam geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: a. 40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; b. 100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; c. 600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten; d. 1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en e. 3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten. f.
  48. De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
  49. In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
  50. In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Artikel 2.150 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  51. Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.
  52. Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.
  53. Tabel 2.3 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 30 mg/l 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 150 mg/l 300 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l
  54. Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.
  55. Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 20 mg/l 40 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 100 mg/l 200 mg/l Totaal stikstof 30 mg/l 60 mg/l Ammoniumstikstof 2 mg/l 4 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l Fosfor totaal 3 mg/l 6 mg/l
  56. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid: a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
  57. Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Artikel 2.151 Meet- en rekenbepalingen
  58. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
  59. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  60. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; d. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; e. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en f. voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-
  61. Artikel 2.152 Gegevens en bescheiden
  62. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.149, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  63. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  64. Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Paragraaf 2.2.6 Lozen van koelwater Artikel 2.153 Koelwater
  65. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
  66. Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.
  67. De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 1000 kJ/s bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
  68. De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.154 Gegevens en bescheiden
  69. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.153, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de maximale warmtevracht; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  70. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Paragraaf 2.2.7 Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken Artikel 2.155 Bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, tenzij het gaat om: a. afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of b. afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar. Artikel 2.156 Werkinstructie bij reinigen en conserveren
  71. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken: a. is een werkinstructie opgesteld; en b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
  72. In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen: a. welke technieken worden toegepast; b. welke stoffen kunnen vrijkomen; en c. welke stoffen worden gebruikt.
  73. Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen: a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd; b. wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is; c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft; d. op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en e. welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s. Artikel 2.157 Werkinstructie bij bouwen en slopen Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen. Artikel 2.158 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam Met het oog op het voorkomen of beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting. Artikel 2.159 Meet- en rekenbepalingen Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing. Artikel 2.160 Gegevens en bescheiden
  74. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.155 tot en met 2.157, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.156; of b. voor het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.
  75. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  76. Het eerste en tweede lid gelden niet voor reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd. Paragraaf 2.2.8 Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen Artikel 2.161 Inerte goederen Voor de toepassing van deze afdeling worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas. Artikel 2.162 Lozen bij opslaan van inerte goederen Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.163 Lozen bij overslaan van inerte goederen
  77. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
  78. Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.
  79. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of b. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.
  80. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen. Paragraaf 2.2.9 Lozen bij opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen Artikel 2.164 Lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen
  81. In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen, worden geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
  82. Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.5, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.5 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink 1 mg/l Minerale olie 20 mg/l Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 μg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Som van stikstofverbindingen 10 mg/l Som van fosforverbindingen 2 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l Artikel 2.165 Meet- en rekenbepalingen
  83. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
  84. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  85. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2; d. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; e. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; f. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; g. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; h. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en i. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-
  86. Artikel 2.166 Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen
  87. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam bij: a. het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen; b. het overslaan van zout voor het strooien op wegen; c. het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en d. het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.
  88. Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.
  89. Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of b. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep. Artikel 2.167 Gegevens en bescheiden
  90. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.164 en 2.166, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  91. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  92. Dit artikel is niet van toepassing op het overslaan van: a. zout voor het strooien op wegen; b. niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en c. niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk. Paragraaf 2.2.10 Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater Artikel 2.168 Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. Artikel 2.169 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. Paragraaf 2.2.11 Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam Artikel 2.170 Lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.171 Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. de toe te passen baggertechniek, en b. de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze. Artikel 2.172 Lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 2.170 op een oppervlaktewaterlichaam en worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer, worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.173 Lozen van algen en bacteriën Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.174 Gegevens en bescheiden
  93. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.170, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem; b. als de waterbodem de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.171; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  94. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  95. Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet. Paragraaf 2.2.12 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen Artikel 2.175 Lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen
  96. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
  97. Aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd. Paragraaf 2.2.13 Lozen bij calamiteitenoefeningen Artikel 2.176 Lozen bij calamiteitenoefeningen Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Artikel 2.177 Gegevens en bescheiden Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.176, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; en b. welke stoffen dat blusschuim bevat. Paragraaf 2.2.14 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen Artikel 2.178 Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas
  98. In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.
  99. Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.6, gemeten in een steekmonster. Tabel. 2.6 Emissie grenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l
  100. De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
  101. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 2.179 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  102. In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.
  103. Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster.
  104. De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
  105. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 2.180 Lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen
  106. In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
  107. Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.7, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.7 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l Artikel 2.181 Lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars
  108. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
  109. CVoor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.8, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.8 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Chloride 200 mg/l Ijzer 2 mg/l
  110. De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing. Artikel 2.182 Lozen bij ontijzeren grondwater
  111. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.
  112. Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
  113. De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
  114. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 2.183 Meet- en rekenbepalingen
  115. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
  116. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  117. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; b. onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; c. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; d. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en e. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-
  118. Artikel 2.184 Gegevens en bescheiden
  119. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.178 tot en met 2.182, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  120. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Paragraaf 2.2.15 Lozen bij maken van betonmortel en uitwassen van beton Artikel 2.185 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute Als in het omgevingsplan voor afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in die artikelen, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route. Paragraaf 2.2.16 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding Artikel 2.186 Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving Deze afdeling is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Artikel 2.187 Lozen bereiden van voedingsmiddelen
  121. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het bereiden plaatsvindt met: a. grootkeukenapparatuur; b. één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of c. één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt.
  122. Het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten. Artikel 2.188 Gegevens en bescheiden
  123. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.187, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  124. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Paragraaf 2.2.17 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers Artikel 2.189 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.190 Gegevens en bescheiden
  125. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.189, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  126. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Paragraaf 2.2.18 Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind Artikel 2.191 Lozen van spoelwater Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen de volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; en b. afvalwater dat vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind. Paragraaf 2.2.19 Asverstrooiing Artikel 2.192 Asverstrooiing Het op een oppervlaktewaterlichaam individueel verstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan. Paragraaf 2.2.20 Andere lozingen Artikel 2.193 Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater
  127. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen of warmte worden geloosd.
  128. Het verbod geldt niet voor: a. het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het lozen, bedoeld in de afdelingen 2.2.3 tot en met 2.2.19; c. het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en d. het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen. Artikel 2.194 Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk
  129. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten.
  130. Het verbod geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Hoofdstuk 3 Activiteit bij waterkeringen Afdeling 3.1 Activiteit bij waterkeringen Paragraaf 3.1.

Artikel 3

.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. Artikel 3.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in: een primaire waterkering; of de beschermingszone A bij een primaire waterkering; ofeen regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskering; ofde beschermingszone A bij een regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskering; a. handelingen te verrichten; b. werken te behouden; of c. vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.
  2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een compartimenteringskering, beschermingszone A bij een compartimenteringskering of in een overige waterkering: a. bouwwerken aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of te verwijderen; b. beplanting in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen; c. ontgravingen uit te voeren of ophogingen aan te brengen; d. te boren of te sonderen; of e. kabels of leidingen aan te leggen, te hebben, te onderhouden, te wijzigen of te verwijderen.
  3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in beschermingszone B bij een primaire waterkering: a. bouwwerken te plaatsen, aan te passen of te verwijderen die een afdichtende bodemlaag doorsnijden; b. ontgravingen uit te voeren of ophogingen aan te brengen; c. seismische onderzoeken te verrichten; d. werken met een overdruk van 10 bar of meer te plaatsen en te hebben; e. explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben; of f. leidingen te leggen.
  4. Het is verboden zonder omgevingsvergunning werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden in het profiel van vrije ruimte bij een waterkering. Paragraaf 3.1.2 Onderhoud aan openbare wegen Artikel 3.3 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van onderhoud aan openbare wegen in een waterkering en in de beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 3.4 Aanwijzing vergunningvrije gevallen De verboden, bedoeld in artikel 3.2, eerste, tweede en vierde lid, gelden niet voor het uitvoeren van onderhoud aan een openbare weg in een waterkering of in de beschermingszone A bij een waterkering, als het onderhoud alleen bestaat uit: a. het vervangen van de toplaag van de weg, waarbij de verharding niet wordt uitgebreid; b. het plaatsen, onderhouden, verwijderen en vervangen van verkeersborden waarvoor geen fundering in het leggerprofiel van de waterkering nodig is; of c. het roven of aanvullen van de berm. Artikel 3.5 Aanwijzing algemene regels
  5. Bij het uitvoeren van onderhoud aan een openbare weg in een waterkering of in beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.6 en 3.7, als het onderhoud bestaat uit het vervangen van de toplaag van de weg, waarbij de verharding niet wordt uitgebreid.
  6. Bij het uitvoeren van onderhoud aan een openbare weg in een waterkering of in beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.6 tot en met 3.8, als het onderhoud bestaat uit: a. het plaatsen, onderhouden, verwijderen en vervangen van verkeersborden waarvoor geen fundering in het leggerprofiel van de waterkering nodig is; of b. het roven of aanvullen van de berm. Artikel 3.6 Meldingsplicht Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden. Artikel 3.7 Afdichten van paalgaten Bij het verwijderen van bebording worden de paalgaten afgedicht met klei. Artikel 3.8 Periode van uitvoering Het onderhoud wordt alleen uitgevoerd in de periode van 1 april tot 1 oktober, tenzij het onderhoud uitgevoerd wordt op of bij een compartimenteringskering. Paragraaf 3.1.3 Regulier onderhoud aan percelen Artikel 3.9 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van regulier onderhoud aan percelen in beschermingszone A bij een waterkering en in beschermingszone B bij een primaire waterkering. Artikel 3.10 Aanwijzing vergunningvrije gevallen De verboden, bedoeld in artikel 3.2, gelden niet voor het uitvoeren van regulier onderhoud aan een perceel in beschermingszone A bij een waterkering of in beschermingszone B bij een primaire waterkering. Artikel 3.11 Aanwijzing algemene regels Bij het uitvoeren van regulier onderhoud aan een perceel in beschermingszone A bij een waterkering of in beschermingszone B bij een primaire waterkering wordt voldaan aan artikel 3.
  7. Artikel 3.12 Graafwerkzaamheden
  8. Er wordt niet dieper gegraven dan 0,5 meter, gemeten vanaf het maaiveld.
  9. Na het uitvoeren van het onderhoud wordt het maaiveld teruggebracht in de oorspronkelijke staat. Paragraaf 3.1.4 Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken Artikel 3.13 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, hebben, onderhouden en verwijderen van eenvoudig verplaatsbare bouwwerken in: beschermingszone A bij een primaire waterkering;bescherm

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.