← Nederland

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Zuidplas houdende regels omtrent de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving Zuidplas) (

In het kort

Deze verordening van de gemeente Zuidplas bundelt regels over de fysieke leefomgeving om een veilige, gezonde en kwalitatieve omgeving te waarborgen, en om een doelmatig beheer en gebruik van deze omgeving te bevorderen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Zuidplas houdende regels omtrent de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving Zuidplas)Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen Adres Door het bevoegde gemeentelijke orgaan aan een verblijfsobject, een standplaats of een ligplaats toegekende benaming, bestaande uit een combinatie van de naam van een openbare ruimte, een nummeraanduiding en de naam van een woonplaats; Adresseerbaar object Een verblijfsobject, een ligplaats of een standplaats, gelegen binnen de gemeentegrenzen; Adviseur De door het college aan te wijzen persoon als bedoeld in artikel 6.1.1.1, onder c, Besluit ruimtelijke ordening; Anciënniteitlijst De lijst van vergunninghouders van een vaste plaats; Archeologisch onderzoek Onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt; Archeologische waarde De aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden; Autodate Het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een aanbieder of tussen natuurlijke personen uit meer dan één huishouden; Avondperiode De periode gelegen tussen 19.00 uur en 23.00 uur; Bebouwde kom De bebouwde kom of kommen weergegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze verordening; Beeldbepalend erfgoed Erfgoed dat vanwege zijn cultuur- en/of architectuurhistorische, stedenbouwkundige en/of landschappelijke waarde bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Belanghebbendenplaats Een parkeerplaats die is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of; gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd, of; is aangeduid met bord E4 uit bijlage 1 van het RVV 1990 plus een onderbord met daarop een specificatie van het voertuig of de voertuigen die gebruik mag/mogen maken van de parkeerplaats; Beschermd monument Beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Bevoegd gezag Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; Boom Een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam; Boomtechnisch deskundige Een deskundige die ten minste beschikt over het European Tree Technician (ETT) certificaat; Bouwwerk Constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties; Bromfiets Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; Collectieve festiviteit Festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; College Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas; Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Door het college ingestelde adviescommissie met als taak het college conform het Reglement van Orde Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) te adviseren over de aanwijzing van monumenten en de toepassing van de Erfgoedwet, deze verordening, het monumentenbeleid en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Cultureel erfgoed Monumenten, archeologische monumenten, dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de erfgoedwet; Cultuurhistorische waarde De aan een object, element of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het architectuurbeeld en het beeld dat is ontstaan door de wijze waarop de mensen in de loop van de geschiedenis gebruik heeft gemaakt van dat object, element of gebied. Dat kan ondermeer tot uitdrukking komen in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur; Dagperiode De periode gelegen tussen 7.00 uur en 19.00 uur; Dagplaats De marktstandplaats die op een markt voor onbepaalde tijd ter beschikking wordt gesteld aan de vergunninghouder; Elektrisch voertuig Een equivalent van een personen-, bestelauto of een vrachtauto met vier of meer wielen die volgens fabrieksopgave minimaal 60 kilometer volledig elektrisch wordt aangedreven; Gebouw Elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; Gemeentelijk erfgoedregister De lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument, beeldbepalend erfgoed, rijksmonumenten of als gemeentelijk of rijksbeschermd dorpsgezicht aangewezen zaken of terreinen; Gemeentelijk monument Een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen: zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde; terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak als bedoeld onder a; Gemeentelijk dorpsgezicht Een groep van gebouwen en/of een landschap dat vanwege de onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, hun/zijn wetenschappelijke, landschappelijke of cultuurhistorische waarde op grond van deze verordening is aangewezen als een beschermd dorpsgezicht; Handelsreclame Iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; Herplantwaarde De financiële waarde van een herplant op basis van de actuele richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; Houder van een inrichting Degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; Houtopstand Zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend; Iepziekte De aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau); Incidentele asverstrooiing Het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein; Incidentele festiviteit Festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; Inrichting Inrichting type A, type B of type C als bedoeld in het Activiteitenbesluit; Interferentiegebied Een of meerdere gebieden binnen de gemeente Zuidplas waarin ordening van bodemenergiesystemen wenselijk is met het oog op het voorkomen van negatieve onderlinge beïnvloeding van meerdere bodemenergiesystemen of anderszins ter bevordering van het doelmatig gebruik van bodemenergie; Kampeermiddel Een tent een tentwagen een kampeerauto een caravan of een stacaravan dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf Knotten Het periodiek terugzetten van de gehele kroon middels het verwijderen van opnieuw uitgelopen loten, twijgen en takken met als doelstelling het terugzetten van de kroon tot op het meerjarige hout; Landschap Het samenstel van natuurlijke elementen die een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van een gebied, zoals waterlopen, en/of door mensenhanden gemaakte cultuurelementen om het gebied in gebruik te nemen, zoals bijvoorbeeld dijken, weteringen en verkaveling, en zich door het samenstel van elementen dat zich binnen dat gebied bevindt als een zelfstandig geheel onderscheidt van aangrenzende gebieden. Landschappelijke waarde De waarde die aan een landschap wordt toegekend als gevolg van de aanwezige natuurlijke en/of cultuurlandschappelijke elementen; Levenspartner De persoon met wie de vergunninghouder met het oogmerk duurzaam samen te wonen een gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring ingericht volgens door het college te stellen regels; Ligplaats Een door het college als zodanig aangewezen plaats in het water al dan niet aangevuld met een op de oever aanwezig terrein of een gedeelte daarvan, die bestemd is voor het permanent afmeren van een voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikt vaartuig; Markt De warenmarkt die plaatsvindt op de, bij of krachtens artikel 3.58 van deze verordening vastgestelde dag, tijd en plaats; Marktmeester De persoon, die als zodanig is aangewezen door het college; Marktstandplaats De ruimte die voor de duur van de markt op het marktterrein is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel; Marktterrein De gehele openbare of voor het publiek toegankelijke oppervlakte grond, die bij of krachtens artikel 3.57 van deze verordening is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel; Motorvoertuig Motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; Nachtperiode De periode gelegen tussen 23.00 uur en 7.00 uur; NEN Norm die door de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut is uitgegeven; Object Een gebouw, complex, afgebakend terrein, ligplaats of standplaats; Omgevingsvergunning parkeren Een door burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen belanghebbendenplaatsen; Omgevingsvergunning voor het bouwen Vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Onversterkte muziek Muziek die niet elektronisch is versterkt; Openbaar water Wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; Openbare plaats Een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg; Openbare ruimte Een door burgemeester en wethouders als zodanig aangewezen gedeelte van het openbaar gebied binnen de woonplaats waaraan een naam is toegekend; Parkeren Parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990); Plan van aanpak Plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de kaders die gesteld worden in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden; Planologische maatregel Oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, Wet ruimtelijke ordening; Planschade Schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet ruimtelijke ordening; Programma van eisen Programma waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek; Rechthebbende Degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; Rijksmonument Rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de erfgoedwet; Standplaats Het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Zuidplas." Standwerkerplaats De marktstandplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken; Straatreclame Elke aanduiding van commerciële en niet-commerciële aard in de vorm van een opschrift, aankondiging en/of mededeling, voor zover deze op een openbare plaats geplaatst is; Taxateur van bomen Een boomtaxateur, officieel als zodanig geregistreerd bij de beroepsvereniging Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; Uitvoeringsvoorschriften Nadere bepalingen van technische en administratieve aard; Vaste plaats De marktstandplaats die op een markt voor onbepaalde tijd ter beschikking wordt gesteld aan de vergunninghouder; Vellen Rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben; Vergunninghouder Een omgevingsvergunning geldt voor degene die de activiteit verricht waarop zij betrekking heeft. Diegene is vergunninghouder en draagt zorg voor de naleving van de vergunningvoorschriften; Voertuig Voertuigen als bedoeld in artikel 1 het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; Voorziening Groen Een gemeentelijke financiële voorziening voor de uitbreiding en handhaving van het in de gemeente aanwezige openbare groen, waaronder houtopstanden; Weg Weg met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar zijn aard daartoe behoort; Woonplaats Een door het college aangewezen gebied waaraan een woonplaatsnaam is toegekend; Artikel1.2Bevoegd gezag Het bevoegd gezag tot het nemen van besluiten op basis van deze verordening is, tenzij anders bepaald in deze verordening, het college. Artikel1.3Doel Verordening fysieke leefomgeving 1.Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening. 2.Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en; een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel1.4Oogmerken De regels in deze verordening zijn gesteld met het oog op: het belang van de fysieke leefomgeving; het belang van de volksgezondheid; het belang van het milieu; het belang van de openbare orde; het belang van de openbare veiligheid. Artikel1.5Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels over aanwijzingen van beschermd erfgoed en regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving van het grondgebied van de gemeente Zuidplas die gaan vallen onder de reikwijdte van de toekomstige Omgevingswet en die niet mogen worden opgenomen in een bestemmingsplan. Hoofdstuk2Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 2.1 Aanwijzing en registratie van cultureel erfgoed §2.1.1Aanwijzing als gemeentelijk monument, beeldbepalend erfgoed of beeldbepalende structuur Artikel2.1(Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument 1.Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als gemeentelijk monument of als gemeentelijk archeologisch monument. 2.Het college zendt het voornemen tot aanwijzing voor advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als bedoeld in artikel 6.

  1. Artikel 6.11 is van overeenkomstige toepassing. 3.Het college maakt een voornemen tot aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak voor zover die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8 van de Kadasterwet. 4.Onverminderd het bepaalde in lid 2 en 3 wordt bij een monument over het voornemen tot aanwijzing overleg gevoerd met de eigenaar. 5.De aanwijzing bevat in ieder geval het adres van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. 6.Dit artikel is niet van toepassing op: Rijksmonumenten, en rijks archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet; en provinciale monumenten, en provinciale archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17 van de Erfgoedwet. Artikel2.2Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen zesentwintig weken na ontvangst van de aanvraag. 2.In afwijking van het eerste lid het college kan, met kennisgeving aan de eigenaar en alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak voor zover die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8 van de Kadasterwet, de beslistermijn met een redelijke termijn verlengen. 3.De aanwijzing bevat in ieder geval het adres van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel2.3Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister 1.Het college maakt de aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Kadasterwet. 2.Zodra de aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel2.4Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument 1.Het college kan de aanwijzing als bedoeld in het artikel 2.1 wijzigen. 2.Het college kan de aanwijzing intrekken indien het monument of archeologisch monument, waarop de aanwijzing betrekking heeft, teniet is gegaan. 3.Artikel 2.1 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit, tenzij de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is. 4.Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. 5.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of archeologisch monument, waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als rijks (archeologisch) monument of provinciaal (archeologisch) monument. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen. §2.1.2Aanwijzing als gemeentelijk dorpsgezicht Artikel2.5Aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan op voorstel van het college een dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht, wanneer een groep van onroerende zaken of een landschap van algemeen belang zijn/is wegens hun/zijn schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, hun/zijn wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en zich in deze groep of in dit landschap één of meer monumenten bevinden. 2.Het college zendt het voorstel voor advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, als bedoeld in artikel 6.
  2. Artikel 611 is van overeenkomstige toepassing. 3.Zodra de aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 4.De gemeenteraad stelt ter bescherming van een aangewezen beschermd dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij de aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht kan daarvoor een termijn worden gesteld. 5.Bij de aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht wordt bepaald of een geldend bestemmingsplan als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt of dat een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening moet worden vastgesteld. 6.Als een bestemmingsplan opnieuw moet worden vastgesteld als gevolg van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in deze wet vaststellen. 7.Dit artikel is niet van toepassing op: een door het Rijk aangewezen beschermd dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van artikel 9.1 van de Erfgoedwet. een door de provincie aangewezen beschermd dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel2.6Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan de aanwijzing als bedoeld in artikel 2.5 wijzigen of intrekken. Artikel 2.5, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft teniet is gegaan. 2.Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als beschermd rijks dorpsgezicht of als beschermd provinciaal dorpsgezicht. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen. §2.1.3Aanwijzing als beeldbepalend erfgoed Artikel2.7Registratie beeldbepalend erfgoed 1.Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument dat de erfgoedwaarden binnen de gemeente versterkt vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde als beeldbepalend erfgoed registreren in het erfgoedregister. 2.Het college zendt het voornemen voor advies aan de adviescommissie als bedoeld in artikel 6.
  3. Artikel 6.11 is van overeenkomstige toepassing. 3.Het college maakt een voornemen tot registratie schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak voor zover die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8 van de Kadasterwet. 4.Onverminderd het bepaalde in lid 2 en 3 wordt bij een monument over het voornemen tot registratie overleg gevoerd met de eigenaar. 5.De aanwijzing bevat in ieder geval het adres van het beeldbepalende erfgoed, de datum van registratie, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van de beeldbepalende waarden. 6.Dit artikel is niet van toepassing op: rijksmonumenten, die zijn aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet; en provinciale monumenten, die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17 van de Erfgoedwet; Gemeentelijke monumenten, die conform deze verordening reeds zijn aangewezen. Artikel2.8Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit beeldbepalend erfgoed Op een aanvraag om registratie dient te worden besloten binnen zesentwintig weken na ontvangst van de aanvraag. Artikel 2.9 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister Het college maakt de registratie schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Kadasterwet. Artikel2.10Wijziging, intrekking en vervallen van de registratie als beeldbepalend erfgoed 1.Het college kan de registratie als bedoeld in artikel 2.7 wijzigen. 2.Het college kan de registratie intrekken indien het beeldbepalende erfgoed waarop de aanwijzing betrekking heeft, teniet is gegaan. 3.Het wijzigen en intrekken van de registratie wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. 4.Een registratie vervalt met ingang van de dag waarop het beeldbepalende erfgoed waarop de registratie betrekking heeft, wordt aangewezen als rijksmonument of provinciaal monument of gemeentelijk monument. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen. Afdeling 2.2 Overige aanwijzingen in de fysieke leefomgeving §2.2.1Interferentiegebieden bodemenergiesystemen Artikel2.11Aanwijzing interferentiegebieden De op de bij deze verordening behorende kaart (zie bijlage 2) omkaderde gebieden worden aangewezen als interferentiegebieden in de zin van artikel 2.2b van het Besluit omgevingsrecht. §2.2.2Aanwijzing van namen en nummers in de openbare ruimte Artikel2.12Naamgeving van woonplaatsen en van delen van de openbare ruimte 1.Het college stelt voor het totale grondgebied van de gemeente ten minste een woonplaats vast en kan een woonplaats in wijken of buurten verdelen, zonodig daaraan namen, letters of nummers toekennen. 2.Het college kent voor het totale grondgebied van de gemeente namen toe aan te onderscheiden delen van de openbare ruimte en zonodig aan bouwwerken. 3.Voor het vaststellen, verdelen en toekennen, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college nadere beleidsregels vaststellen. 4.Onder vaststellen, verdelen en toekennen, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken van de vaststelling, verdeling en toekenning. Artikel2.13Nummering van adresseerbare objecten 1.Het college kent aan elk adresseerbaar object een adres toe. 2.Onder toekennen, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken van de toekenning. §2.2.3Houtopstanden Artikel2.14Aanwijzing bebouwde kom De bebouwde kom in de zin van artikel 4.1 onder a van de Wet natuurbescherming is vastgesteld in de Bebouwde kom kaart, opgenomen in bijlage
  4. §2.2.4Ligplaatsen Artikel2.15Aanwijzingen ligplaatsen Het college kan gedeelten van openbaar water aanwijzen voor het innemen van ligplaatsen voor vaartuigen. §2.2.5Parkeren Artikel2.16Aanwijzingen belanghebbenden parkeren 1.Het college kan weggedeelten aanwijzen als belanghebbendenplaats. 2.Het college kan de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats alleen aan vergunninghouders is toegestaan. §2.2.6Crossterreinen en natuurgebieden Artikel2.17Aanwijzingen crossterreinen Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod als bedoeld in artikel 3.34 lid 1 niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van de fysieke leefomgeving; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Artikel2.18Aanwijzingen natuurgebieden Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod als bedoeld in artikel 3.34 lid 1 niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van de fysieke leefomgeving; in het belang van de veiligheid van het publiek. §2.2.7Vervoer gevaarlijke stoffen Artikel2.19Aanwijzingen route vervoer gevaarlijke stoffen Het college wijst routes aan ter uitvoering van artikel 3.84 lid 1: een route of routes voor doorvoer door de gemeente; een route of routes van en naar de laad , los en overslagplaatsen in de gemeente. §2.2.8Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Artikel2.20Aanwijzingen plaatsen buiten inrichtingen Het college kan plaatsen aanwijzen buiten de inrichting, in de openlucht en buiten de weg waarvoor het verbod als bedoeld in artikel 3.83 lid 1 niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze plaatsen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van de fysieke leefomgeving; in het belang van de veiligheid van het publiek. Hoofdstuk3Activiteiten Afdeling 3.1 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed §3.1.1Algemene bepalingen Artikel3.1Oogmerken 1.Het doel van de regels in deze paragraaf is het behouden en beschermen van erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en onvervangbaar is. 2.Deze paragraaf berust op artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet. Artikel3.2Toepassingsbereik gemeentelijk monument, beeldbepalend erfgoed, beeldbepalende structuur en dorpsgezicht 1.Deze afdeling is van toepassing op een beschermd gemeentelijk monument, beeldbepalend erfgoed of beeldbepalende structuur waarover: een besluit tot aanwijzing als zodanig heeft plaatsgevonden; of een voornemen als bedoeld in artikel 2.1 is bekendgemaakt; 2.Het eerste lid onder b geldt niet voor een monument, archeologisch monument, beeldbepalend erfgoed of beeldbepalende structuur waarvan het aanwijzingsbesluit is herroepen of vernietigd of waarover de aanwijzing definitief wordt, door inschrijving in het gemeentelijke erfgoedregister. 3.Afdeling 3.1 is van overeenkomstige toepassing op een voorlopig beschermd gemeentelijke beeldbepalend erfgoed, een voorlopig gemeentelijk beeldbepalende structuur vanaf het moment dat het voornemen tot aanwijzing als zodanig aan belanghebbenden is bekendgemaakt. 4.Afdeling 3.1 is van overeenkomstige toepassing op een gemeentelijk dorpsgezicht waarover een besluit tot aanwijzing als zodanig heeft plaatsgevonden. Artikel3.3Zorgplicht voor onroerend gemeentelijk cultureel erfgoed. 1.Het is verboden (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed te beschadigen of te vernielen. 2.De eigenaar en huurder van een beschermd gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument zijn verplicht het onderhoud te verrichten dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. 3.Degene die een activiteit verricht aan of bij een (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed dan wel binnen de directe omgeving van een beschermd monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging van het beschermde monument te voorkomen. §3.1.2.Instandhouden, vernielen, slopen, ontsieren van cultureel erfgoed Artikel3.4Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college: een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; of inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. 3.Het college kan in het belang van de monumentenzorg nader onderzoek eisen ter onderbouwing van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De eigenaar is desgevraagd verplicht het onderzoek te laten uitvoeren. 4.Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een omgevingsvergunning voor afwijken van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen als bedoeld in het tweede lid. Artikel3.5Termijnen advies 1.Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de Commissie Ruimtelijke kwaliteit voor advies. 2.Binnen drie weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit schriftelijk advies uit aan het college. Artikel3.6Omgevingsvergunning binnen gemeentelijk beschermd dorpsgezicht 1.Het is in een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te beschadigen of te vernielen, te slopen, te verstoren, te verplaatsen, in enig opzicht te wijzigen, te herstellen of te laten gebruiken op een wijze waardoor het dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college het niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3.De artikelen 6.6 en 6.8 zijn van overeenkomstige toepassing. 4.Het college kan in het belang van de zorg voor het gemeentelijk beschermde dorpsgezicht nader onderzoek eisen ter onderbouwing van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De eigenaar is desgevraagd verplicht het onderzoek te laten uitvoeren. 5.Het college kan in het belang van de zorg voor het gemeentelijk beschermd dorpsgezicht nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden binnen een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Deze regels kunnen mede inhouden een omgevingsvergunning voor afwijken van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of de weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid. 6.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet. §3.1.3Bescherming beeldbepalend erfgoed Artikel3.7Omgevingsvergunning beeldbepalend erfgoed Het is verboden zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een beeldbepalend erfgoed te wijzigen op dusdanige wijze dat dit negatieve effecten heeft op de fysieke leefomgeving of de kenmerken van het betreffende erfgoed. Artikel3.8Termijnen advies beeldbepalend erfgoed 1.Het college zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beeldbepalend erfgoed aan de Commissie Ruimtelijke kwaliteit voor advies. 2.Binnen drie weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit schriftelijk advies uit aan het college. Artikel3.9Weigeringsgronden Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.7 kan slechts worden verleend als karakteristieken zoals opgenomen in de redengevende beschrijving van het beeldbepalende erfgoed zich daartegen niet verzetten. §3.1.4Bescherming van archeologische monumenten en terreinen Artikel 3.10 Instandhouding van archeologische gebieden 1.De raad neemt in een bestemmingsplan bepalingen op met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een gebied met archeologische waarden of verwachtingen als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart. 2.Het college kan bepalen dat archeologisch onderzoek moet worden verricht. De eigenaar is desgevraagd verplicht het onderzoek te laten uitvoeren. Artikel3.11Vangnet archeologie 1.Het is verboden de bodem dieper dan 30 cm beneden het maaiveld te verstoren in een gemeentelijk archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het bestemmingsplan niet is voorzien in een regeling om het archeologisch erfgoed te beschermen. 2.Het verbod is niet van toepassing indien; voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid onder c, van de Wet algemene bepalingen een omgevingsrecht is verleend, of; de activiteit geen strijd oplevert met het gemeentelijk archeologiebeleid, of; een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. 3.Het college kan nadere regels stellen waarmee kaders worden gesteld aan de activiteit en de uitvoering van archeologisch onderzoek. Artikel3.12Archeologisch onderzoek 1.Onverminderd het bepaalde in de Erfgoedwet worden bij onderzoek in de vorm van opgravingen de volgende regels in acht genomen: het college stelt een programma van eisen vast als bedoeld in artikel 1 van deze verordening, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek. De nadere regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het programma van eisen; de initiatiefnemer overlegt, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1.1 van deze verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag. In de gemeentelijke richtlijnen voor archeologisch veldonderzoek als bedoeld in artikel 1.1 neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. 2.Het college kan nadere regels opstellen over het verrichten van archeologisch onderzoek. Artikel3.13Advisering Bij toepassing van artikel 3.11 en 3.12 vraagt het college advies aan een ter zake deskundige. Afdeling 3.2 Activiteiten in de openbare ruimte §3.2.1.Gebruik van een openbare plaats Artikel3.14Het plaatsen van voorwerpen 1.Het is verboden een openbare plaats of een gedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: het gebruik schade toebrengt aan een openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van een openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van een openbare plaats; het gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen. 3.Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het in het eerste lid gestelde verbod. 4.Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j . of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5.Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor: evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Zuidplas; standplaatsen als bedoeld in artikel 3.70; terrassen behorend bij een openbare horecagelegenheid waarbij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Zuidplas is verleend; overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een omgevingsvergunning; voor het gebruik van een openbare plaats is verleend. 6.Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de omgevingsverordening Zuid-Holland. 7.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. Artikel3.15Verbod objecten onder hoogspanningslijn 1.Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen opgaand houtgewas of objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. 3.Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van dit verbod indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Over de mogelijkheid voor een omgevingsvergunning wordt overleg gevoerd met de netbeheerder. 4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. 5.Dit artikel is niet van toepassing voor zover in dit onderwerp is voorzien in het bestemmingsplan. Artikel3.16Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Het college kan buiten een inrichting plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben, of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. 2.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven. 3.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel3.17Bijen 1.Het is verboden bijen te houden: binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; binnen een afstand van dertig meter van de weg. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen. 3.Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4.Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de omgevingsverordening Zuid-Holland. 5.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken. 6.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. Artikel3.18Verstrooiing van as 1.Incidentele asverstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 2.Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. 3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 4.Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. Artikel3.19Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel3.20Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten kampeerterreinen dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddel voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 6.
  5. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; de bescherming van een dorpsgezicht. 5.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. Artikel3.21Oplaten van ballonnen Het is verboden ballonnen op te laten. Onder ballonnen wordt verstaan alle soorten ballonnen en wenslantaarns en soortgelijke objecten die zonder sturing wegdrijven. §3.2.2.Veranderen van een openbare plaats Artikel3.22(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.De omgevingsvergunning kan, in aanvulling op artikel 6.8, worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4.Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening Zuid-Holland, de Waterschapskeur, de Waterschapsverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Artikel3.23Maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg; Het gebruik van een uitweg te veranderen. 2.De omgevingsvergunning kan, in aanvulling op artikel 6.6, worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. 3.het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de Waterschapsverordening, of de Omgevingsverordening Zuid-Holland. §3.2.3.Activiteiten ten aanzien van bomen en houtopstanden Artikel3.24Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op bomen en houtopstanden: die gelegen zijn binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 2.14, en: die niet gelegen zijn binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 2.14, voor zover het gaat om houtopstanden als bedoeld in artikel 4.1, onderdelen b en f van de Wet Natuurbescherming. Artikel3.25Verbod vellen waardevolle houtopstanden 1.Het is verboden een waardevolle houtopstand te vellen of te doen vellen; 2.Het is verboden de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de Monumentale- en waardevolle bomen - Zuidplas lijst. 3.Het in het eerste en tweede lid opgenomen verbod geldt niet voor: a.het vellen van een houtopstand krachtens de Plantenziektewet; b.het vellen van een houtopstand op grond van een door het college op basis van deze verordening opgelegde verplichting dan wel in verband met een voornemen daartoe, of: c.het knotten als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen; d.een houtopstand, gelegen in een gebied met ernstige bodemdaling; e.het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; 4.Een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in lid 1 wordt geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden: de natuurwaarde van de houtopstand; de landschappelijke waarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 5.Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het in het eerste lid opgenomen verbod indien sprake is van: instandhouding die niet langer verantwoord is; het verplanten van een houtopstand dat geen bedreiging vormt voor het duurzaam behoud van de houtopstand, of: een zwaarwegende maatschappelijke reden. 6.Voordat het college een omgevingsvergunning verleent voor afwijken wegens grond a of b van het vijfde lid, dient door de aanvrager van de ontheffing een advies te worden overgelegd van een boomtechnisch deskundige. Artikel3.26Verval Een op grond van deze paragraaf verleende omgevingsvergunning vervalt, indien daarvan niet binnen één jaar na het in rechte onaantastbaar worden daarvan, voor alle houtopstanden waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, gebruik is gemaakt. Artikel3.27Herplantplicht en overige voorschriften 1.Het college kan aan een omgevingsvergunning in ieder geval als voorschrift verbinden dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen wordt herplant, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten. 2.Het college kan bepalen dat herplant geschiedt met een houtopstand die vergelijkbaar is met de gevelde houtopstand. 3.Indien herplant niet in redelijkheid op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, wordt in plaats van het in het eerste lid bedoelde voorschrift als voorschrift opgenomen dat de houtopstand niet mag worden geveld voordat een door het college te bepalen bedrag, dat gelijk is aan de herplantwaarde, in de Voorziening Groen is gestort. Voordat het college een dergelijk voorschrift opneemt, dient door de aanvrager van de omgevingsvergunning een taxatie van de herplantwaarde door een taxateur van bomen te worden overgelegd. 4.Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in, op en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna. Artikel3.28Herplantplicht bij overtreding verbod 1.Indien een houtopstand in strijd met een in deze verordening opgenomen verbod zonder omgevingsvergunning is geveld, kan het college de verplichting opleggen dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen, wordt herplant. Deze verplichting wordt opgelegd aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond, danwel aan degene die de houtopstand heeft geveld dan wel heeft doen vellen. 2.Indien herplant niet in redelijkheid op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, kan in plaats van de in het eerste lid bedoelde verplichting worden opgelegd dat een door het college te bepalen een bedrag, dat gelijk is aan de herplantwaarde in de Voorziening Groen wordt gestort. Artikel3.29Bestrijding van boomziekten 1.Indien zich op een terrein één of meer bomen of andere houtopstand bevinden, die naar het oordeel het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de insecten, die boomziekten verspreiden, is de eigenaar of de publiekrechtelijke bevoegde op aanschrijving van het college en binnen de door haar daarbij te stellen termijn verplicht: de houtopstand te vellen; de houtopstand ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen; de niet ontbaste bomen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen, dat verspreiding van boomziekten wordt voorkomen; in geval van iepziekte alle onder hierboven a, b en c genoemde maatregelen te treffen; alle andere maatregelen te treffen ter voorkoming van boomziekten behoudens beperkingen bij of krachtens de Plantenziektenwet gesteld. tot herbeplanting over te gaan overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen. 2.Het is verboden gevelde door boomziekte aangetaste bomen, of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, tenzij het betreft geheel ontbast hout of hout met een doorsnede kleiner dan 4 cm. 3.Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het verbod als bedoeld in het tweede lid. §3.2.4.Openbaar water Artikel3.30Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren melding aan het college. 3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de omgevingsverordening Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Artikel3.31Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water of in strijd met het in krachtens het tweede lid bepaalde. 2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Artikel3.32Beschadigen van waterstaatswerken 1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van strafrecht, Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de omgevingsverordening Zuid-Holland. Artikel3.33Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. §3.2.5.Schade aan groenvoorzieningen Artikel3.34Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig en een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, of het Besluit geluidproductie sportmotoren Artikel3.35Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets of met een fiets of een paard. 2.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; binnen de bij of krachtens de omgevingsverordening Zuid-Holland 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. 4.Het college kan middels een omgevingsvergunning ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 5.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. Artikel3.36Rookverbod in bossen en natuurgebieden 1.Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode. 2.Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3.Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouw en aangrenzende erven. §3.2.6.Parkeren Artikel3.37Belanghebbendenplaatsen 1.Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een omgevingsvergunning parkeren verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen. 2.Een omgevingsvergunning parkeren kan worden verleend aan: een eigenaar of houder van een motorvoertuig die: (huis)arts is in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn, en die aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is, en dat hij dagelijks en frequent op niet altijd voorspelbare tijdstippen gebruik moet kunnen maken van een motorvoertuig, en dat hij een motorvoertuig op korte afstand van een bij hem in gebruik zijnd pand in dat gebied moet kunnen parkeren, en dat hij niet beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein of bij derden (categorie I); een openbare dienstverlener in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en die: aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is, en dat hij dagelijks en frequent op niet altijd voorspelbare tijdstippen gebruik moet kunnen maken van een motorvoertuig, en dat hij een motorvoertuig op korte afstand van een bij hem in gebruik zijn pand in dat gebied moet kunnen parkeren, en dat hij niet beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein of bij derden (categorie II); een openbare dienstverlener in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het in belang van diens dienstverlening noodzakelijk is dat bezoekers hun motorvoertuig in dat gebied parkeren (categorie III) een eigenaar of houder van een motorvoertuig bestemd voor autodate, waarvan de belanghebbendestandplaats is gelegen in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn (categorie IV); een eigenaar of houder van een elektrisch voertuig die: aantoont dat hij niet beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein of bij derden, en waarvan het elektrisch voertuig niet gebruikt wordt in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening. (categorie V). 3.Het college kan aan een omgevingsvergunning parkeren voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Aan een omgevingsvergunning parkeren voor categorie III kan het college voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik. 4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. Artikel3.38Beslistermijn 1.Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van een aanvraag voor een omgevingsvergunning parkeren. 2.Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste 4 weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld. Artikel3.39Geldigheidsduur 1.Een omgevingsvergunning parkeren wordt tot wederopzegging verleend. 2.De omgevingsvergunning parkeren bevat in ieder geval de volgende gegevens: het gebied waarvoor de omgevingsvergunning parkeren geldt; de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de omgevingsvergunning parkeren is verleend. Artikel3.40Intrekking omgevingsvergunning parkeren Het college kan een omgevingsvergunning parkeren intrekken of wijzigen: op verzoek van de vergunninghouder; wanneer de vergunninghouder het gebied, waarvoor de omgevingsvergunning parkeren is verleend, verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt; wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de voorwaarden die relevant waren voor het verlenen van de omgevingsvergunning parkeren; wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van omgevingsvergunningen parkeren komt te vervallen; wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de omgevingsvergunning parkeren verbonden voorschriften; wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de omgevingsvergunning parkeren onjuiste gegevens zijn verstrekt; om redenen van openbaar belang. Artikel3.41Verbodsbepaling 1.Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden: zonder omgevingsvergunning parkeren; zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de omgevingsvergunning parkeren; in strijd met de aan de omgevingsvergunning parkeren verbonden voorschriften. 2.Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig te plaatsen of te laten staan op een belanghebbendenplaats. 3.Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel. §3.2.7.Reclame Artikel3.42Straatreclame 1.Artikel 3.14 is niet van toepassing op straatreclame. 2.Straatreclame mag alleen worden aangebracht op de door burgemeesters en wethouders aangewezen plekken door middel van de door het college beschikbaar gestelde middelen. 3.Het gebod in het tweede lid geldt niet voor spandoeken, deze mogen alleen worden aangebracht op de door het college aangewezen plekken. 4.Het college kan nadere regels stellen omtrent straatreclame. Artikel3.43Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2.Het college kan nadere regels stellen in het belang van de verkeersveiligheid en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 3.Dit artikel is niet van toepassing op bouwwerken. §3.2.8.Ambulante handel Artikel3.44Omgevingsvergunning voor innemen van marktstandplaats 1.Het is verboden een marktstandplaats op een markt in te nemen zonder omgevingsvergunning van het college. 2.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. Artikel3.45Toewijzing marktstandplaatsen Een marktstandplaats wordt toegewezen als: vaste plaats; dagplaats; of standwerkerplaats. Artikel3.46Vereisten omgevingsvergunningaanvraag Voor toewijzing van een marktstandplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die een (schriftelijke) aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft ingediend bij het college en die daarbij tevens aantoont dat hij persoonlijk voldoet aan alle publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisatie. Artikel3.47Intrekking omgevingsvergunning 1.De omgevingsvergunning voor het innemen van een vaste plaats wordt ingetrokken: op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder; bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 3.49 de omgevingsvergunning wordt overgeschreven. 2.Het college kan een omgevingsvergunning intrekken: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 3.49 genoemde vereisten voor het toewijzen van een marktstandplaats; indien de vergunninghouder niet het minimum aantal keren de marktstandplaats inneemt overeenkomstig artikel 3.
  6. 3.Indien degene op wie een omgevingsvergunning ingevolge artikel 3.49 is overgeschreven, reeds een omgevingsvergunning heeft voor een andere vaste plaats op dezelfde markt, wordt deze omgevingsvergunning ingetrokken. Artikel3.48Opzeggen omgevingsvergunning Indien de vergunninghouder zijn inname van een vaste marktstandplaats wil beëindigen, dient hij dit, twee maanden voor de datum dat hij de inname van de vaste marktstandplaats wil beëindigen, aan te geven bij de marktmeester. Artikel3.49Overschrijven omgevingsvergunning 1.In geval van overlijden dan wel blijvende (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder kan de omgevingsvergunning voor de vaste plaats worden overgeschreven op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of de levenspartner van de vergunninghouder. 2.Indien de omgevingsvergunning niet kan worden overgeschreven op grond van het eerste lid, kan een kind van de vergunninghouder vergunning voor een vaste plaats krijgen indien hij ten minste drie jaar in loondienst van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf heeft gefunctioneerd. 3.Indien de omgevingsvergunning niet kan worden overgeschreven op de personen genoemd in lid 1 en 2 van dit artikel dan kan een medewerker van de vergunninghouder omgevingsvergunning voor een vaste plaats krijgen indien hij tenminste drie jaar in loondienst van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf heeft gefunctioneerd. 4.Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee maanden na het overlijden van de vergunninghouder danwel binnen vier weken nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld. 5.Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van het bepaalde in dit artikel. Artikel3.50Persoonlijk innemen marktstandplaats 1.De vergunninghouder neemt de marktstandplaats die hem is toegewezen persoonlijk in. Hij mag de marktstandplaats niet aan een ander afstaan of in gebruik geven. 2.De vergunninghouder mag zich op de marktstandplaats doen bijstaan. 3.De standwerker mag zich alleen doen bijstaan door degene die hij overeenkomstig artikel 3.64, tweede lid bij de marktmeester heeft aangemeld. Artikel3.51Aantal keren innemen marktstandplaats De vergunninghouder van een vaste plaats neemt ten minste eenmaal per twee weken en ten minste tienmaal per dertien weken zijn plaats op de markt in, dit met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 3.52 en 3.
  7. Artikel3.52Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden 1.De vergunninghouder van een vaste plaats die wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste plaats in te nemen, deelt dit schriftelijk mee aan de marktmeester. Bij vakantie geeft de vergunninghouder aan hoe lang zijn afwezigheid duurt. 2.De schriftelijke mededeling wordt tijdig voor de betreffende marktdag gedaan. Plotselinge verhindering wordt mondeling of telefonisch aan de marktmeester gemeld, gevolgd door een schriftelijke bevestiging daarvan aan de marktmeester. 3.Bij langdurige afwezigheid wegens ziekte overlegt de vergunninghouder als bewijs van ziekte iedere drie maanden een geneeskundige verklaring aan het college, tenzij het college hiervan ontheffing heeft verleend 4.Indien de in het vorige lid bedoelde verklaring niet wordt overlegd of indien naar het oordeel van het college behoefte bestaat aan nadere informatie, dient de vergunninghouder een keuring te ondergaan bij een door het college aan te wijzen geneeskundige. 5.Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van het bepaalde in dit artikel. Artikel3.53Ontheffing en vervanging 1.In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college op aanvraag van de vergunninghouder van een vaste plaats hem tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting om ten minste eenmaal per twee weken en tienmaal per dertien weken de plaats op de markt in te nemen. 2.Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder hem omgevingsvergunning verlenen zich op zijn marktstandplaats te laten vervangen door een met name genoemde persoon. Artikel3.54Intrekken en vervallen marktstandplaatsvergunning Het college kan een omgevingsvergunning voor een vaste plaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of degene die hem bijstaat: het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de omgevingsvergunning overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Artikel3.55Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkerplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkerplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, gelegen binnen een periode van twee jaar na de bekendmaking van het besluit tot uitsluiting, indien deze: het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkerplaats; niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Artikel3.56Onmiddellijke verwijdering Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college, indien hij dit noodzakelijk acht, een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen, indien hij: het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de omgevingsvergunning overtreedt; zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkerplaats; niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Artikel3.57Tijdstip innemen marktstandplaats/aan- en afvoer goederen 1.Het is verboden voor vergunninghouders op het marktterrein meer dan 1,5 uur voor aanvang en meer dan 1 uur na afloop van de markt met een voertuig, goederen of anderszins ruimte in te nemen dan wel goederen aan of af te voeren. 2.De vergunninghouder is verplicht zijn marktstandplaats tot de sluitingstijd van de markt te blijven innemen. Het college kan van deze verplichting ontheffing verlenen. 3.Indien de vergunninghouder zijn vaste plaats niet uiterlijk om 08.30 uur heeft ingenomen, wordt de betreffende plaats voor die dag als dagplaats aangemerkt. 4.Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing indien de vergunninghouder de marktmeester vóór dit tijdstip, onder opgave van een geldige reden die hem belet tijdig aanwezig te zijn, heeft verzocht de plaats vrij te houden. Artikel3.58Dag, tijd en plaats van de markt 1.De markten vinden plaats op door het college vastgestelde plaatsen en tijden. 2.Het college kan op grond van dringende redenen en voor bijzondere evenementen, in afwijking van het eerste lid, in overleg met de marktcommissie, bepalen dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden: op een andere dag; op een andere tijd; op een andere plaats. 3.Het college is bevoegd te bepalen dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden op een andere dag, indien de in het eerste lid bedoelde dag samenvalt met een van de in artikel 2, eerste lid, onder b van de Winkeltijdenwet genoemde dagen of een andere door het college op grond van bijzondere gelegenheden aangewezen dag. Artikel3.59Indeling van de markt; branche-indeling 1.Het college besluit ten aanzien van de markt: de standaardafmetingen van de marktstandplaatsen; de opstelling en indeling van de markt; welke marktstandplaatsen worden toegewezen als vaste plaats en als standwerkerplaats; welke gedeelten van het marktterrein bestemd zijn voor het verhandelen van bepaalde artikelen; welk gedeelte van de markt eventueel bestemd wordt voor het plaatsen van verkoopwagens. 2.Het college kan voor de markt vaststellen: een lijst met artikelengroepen (branches) en; een maximumaantal standplaatsen per branche. 3.Het college kan vaste plaatsen toewijzen met grotere afmetingen dan de ruimte die standaard door een vaste plaats wordt ingenomen. Artikel3.60De marktcommissie 1.Het college kan een commissie van advies instellen die tot taak heeft het college te adviseren inzake marktaangelegenheden. 2.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de samenstelling en werkwijze van deze marktcommissie. Artikel3.61Inhoud marktstandplaatsvergunningen Indien een vaste plaats kan worden toegewezen, verleent het college een omgevingsvergunning waarin in ieder geval is bepaald: de naam en voorletters, de geboortedatum en -plaats, het adres en de woonplaats van de vergunninghouder; een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste plaats met vermelding van het nummer en de afmetingen daarvan; de verkoopmaterialen die de vergunninghouder bij het innemen van de plaats mag gebruiken; de artikelen (branche) die de vergunninghouder mag verhandelen; de datum waarop aan de vergunninghouder voor het eerst omgevingsvergunning is verleend en zijn volgnummer op de Anciënniteitlijst; dat de vergunninghouder zelf zorg draagt voor inzameling en afvoer van zijn afval en dat hij zijn marktstandplaats schoon oplevert; van wie de vergunninghouder zijn elektriciteit betrekt; welke geluidsapparatuur op de marktstandplaats is toegestaan; welke kook-, bak- en verwarmingsapparatuur zijn toegestaan. Artikel3.62Inschrijving op de anciënniteitlijst Vergunninghouders van vaste marktstandplaatsen worden met vermelding van en in volgorde van de datum, waarop aan hen voor het eerst een vaste marktstandplaats is toegewezen, op een doorlopend te nummeren lijst ingeschreven. Bij deze inschrijving wordt tevens vermeld welke artikelen de vergunninghouder mag verhandelen. Artikel3.63Volgorde toewijzing vaste plaatsen Vrijkomende vaste marktstandplaatsen worden achtereenvolgens toegewezen aan: de vergunninghouder van een vaste marktstandplaats die aan het college schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven van marktstandplaats te willen veranderen, in volgorde van plaatsing op de anciënniteitlijst; aan degene die in aanmerking komt voor een opengevallen vaste marktstandplaats op de markt, op voordracht van de selectiecommissie. Artikel3.64Selectie door marktcommisie 1.De marktcommissie draagt zorg voor werving van kandidaten, rekening houdend met het branchepatroon op de markt en maakt uit de aanmeldingen een beredeneerde voordracht van een gegadigde voor de opengevallen marktstandplaats; 2.Indien een lid van de marktcommissie werkzaam is in de branche waarvoor een nieuwe kandidaat wordt gezocht of indien er sprake is van familie of zakelijke relaties met een kandidaat, wordt zijn plaats ingenomen door een plaatsvervangend lid; 3.Het college kan bepalen dat van de voordracht van de marktcommissie wordt afgeweken. Artikel3.65Toewijzing dagplaats 1.Toewijzing van een dagplaats geschiedt door afgifte van een omgevingsvergunning door het college op het moment dat de marktstandplaats niet als vaste plaats wordt ingenomen. 2.De plaats wordt toegewezen aan degene die zich als eerste aanmeld, voor 08:30 uur. Dit met inachtneming van het branchepatroon. Indien meerdere gegadigden zich melden gaat toewijzing door middel van loting uitgevoerd door de marktmeester en een ambtenaar. Artikel3.66Toewijzing standwerkplaats 1.Het college wijst een standwerkplaats toe aan de degene die zich als eerste aanmeldt, met inachtneming van het branchepatroon. Indien er meerdere gegadigde zich melden gaat toewijzing door middel van loting uitgevoerd door de marktmeester en een ambtenaar. 2.Indien een standwerker zich wil doen bijstaan, meldt hij dit vooraf aan de marktmeester onder vermelding van de naam van degene die hem zal bijstaan. Degene die hem zal bijstaan, mag niet op eigen naam deelnemen aan de loting. Artikel3.67Plaats voertuigen 1.Het is verboden rij- en voertuigen, waarmee de goederen of waren ter markt worden of zijn aangevoerd, op de markt aanwezig te hebben op een andere plaats dan die, welke door de marktmeester is aangewezen. 2.Behoudens het bepaalde in het eerste lid, is het verboden voor en gedurende markt zich met een voertuig op het marktterrein te bevinden of een Voertuig op het Marktterrein aanwezig te hebben. Artikel3.68Verzorging marktstandplaats De vergunninghouder dient: ervoor te zorgen dat zijn marktstandplaats steeds een goed verzorgd aanzien biedt; tijdens de markt zelf zijn afval, verpakkingsmaterialen en dergelijke in te zamelen; en voordat hij het marktterrein verlaat zijn marktstandplaats en de onmiddellijke omgeving daarvan achter te laten en het afval in de daarvoor bestemde afvalbakken te deponeren. Artikel3.69Afvalbakken De vergunninghouder aan wie omgevingsvergunning is verleend om geringe eet-en drinkwaren voor consumptie gereed te maken en te verkopen, dient aan de voorzijde van zijn marktstandplaats voldoende afvalbakken te plaatsen. Artikel3.70Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 6.8 weigert het college de omgevingsvergunning: indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de omgevingsvergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; het maximaal aantal standplaatsen is ingenomen zoals bepaald in artikel 3.70 lid
  8. 3.Het college weigert de omgevingsvergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. 5.Aan een aanvrager kan één standplaatsvergunning per dag worden verleend. Artikel3.71Locaties en tijden 1.Standplaatsen kunnen op gemeentegrond worden ingenomen op de onderstaande locaties en zoals aangegeven op de bij deze verordening gevoegde plattegronden: Locatie Dorpskern Aantal standplaatsen J.A. Beijerinkstraat 53 Nieuwekerk aan den IJssel 2 (waarvan één met geurverspreidende waren) Raadhuisplein Moerkapelle 1 Burgemeester Boerstraat (ter hoogte van het Bosgrachtpad) Zevenhuizen 1 Parkeerterrein bij oude begraafplaats aan de Kerklaan nabij de hoek van Kon. Julianastraat Moordrecht 1 2.Indien onvoorziene omstandigheden van tijdelijke aard zulks noodzakelijk maken, kan het college wijziging aanbrengen in de situering van de vaste standplaatsen en elders in de gemeente een andere locatie aanwijzen.
  9. Het college kan als naar haar oordeel bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven afwijken van het in het eerste lid bepaalde.
  10. De omgevingsvergunning voor een standplaats wordt niet verleend op de dag dat de weekmarkt plaats vindt in het betreffende dorp.
  11. De standplaats moet worden ingenomen met een verplaatsbare verkoopwagen/kraam die buiten de verkoopuren van de standplaats verwijderd wordt. Artikel3.72Standplaatsen in winkelcentra Geen omgevingsvergunning is vereist voor een standplaats in een winkelcentrum, dat 's nachts is afgesloten, indien de standplaatshouder binnen 10 werkdagen voorafgaand aan de inname van de standplaats melding heeft gedaan aan het college en de inname van de standplaats voldoet aan de brandveiligheidseisen. Artikel3.73Gronden voor intrekking 1.De verleende omgevingsvergunning voor een standplaats kan worden ingetrokken: wanneer de ingeschreven niet langer handelingsbekwaam is of niet langer voldoet aan alle overige voorgeschreven publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van de bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisaties; bij overlijden van de standplaatshouder, tenzij het college overschrijving toestaat; als gebleken is dat een ander dan de vergunninghouder de standplaats in gebruik heeft genomen zonder dat daarvoor vergunning is verleend; als een vergunninghouder gedurende 3 achtereenvolgende dagen of gedurende 5 dagen binnen een tijdvak van 13 weken geen gebruik heeft gemaakt van de standplaats zonder een naar het oordeel van het college geldige reden; 2.Het college kan, indien zij onverwijld optreden noodzakelijk acht, de vergunninghouder in afwachting van de besluitvorming het recht ontzeggen om de standplaats gedurende een periode van maximaal vier weken daadwerkelijk te gebruiken. Artikel3.74Rechtsopvolging 1.Bij overlijden van de houder van een omgevingsvergunning voor een standplaats wordt de vergunning overgeschreven op de overblijvende echtgeno(o)t(e), dan wel duurzaam samenwonende partner, of een kind dat bij voortduring zijn ouder op diens standplaats heeft bijgestaan, mits een schriftelijk verzoek daartoe binnen vier weken na het overlijden wordt ingediend. 2.De omgevingsvergunning voor een standplaats kan analoog aan het in lid 1 bepaalde ook overgeschreven worden bij blijvende arbeidsongeschiktheid of pensioen van de vergunninghouder, mits daartoe een schriftelijk verzoek wordt gedaan binnen vier weken na het bekend worden van de blijvende arbeidsongeschiktheid, dan wel vier weken voor aanvang van het pensioen. §3.2.9.Naamgeving en nummering Artikel3.75Namen en nummerdragers aanbrengen 1.De door het college aan delen van de openbare ruimte toegekende namen worden zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht. 2.Aan een adresseerbaar object dat een nummer heeft gekregen, moet het nummer door de rechthebbende op een doeltreffende wijze en duidelijk zichtbaar vanaf de openbare weg zijn aangebracht. 3.Het is eenieder, die daartoe niet bevoegd is, verboden naamborden in de openbare ruimte aan te brengen. 4.Het is eenieder, die daartoe niet bevoegd is, verboden aan adresseerbare objecten zonder de daar aan ten grondslag liggende collegebesluiten nummerdragers aan te brengen. Artikel3.76Nummerdragers aanbrengen 1.De rechthebbende is verplicht het nummer, zoals bedoeld in artikel 3.75, tweede lid, binnen vier weken na kennisgeving van het besluit van het college aan te brengen. 2.Tenzij door het college anders is besloten, is de rechthebbende van een object verplicht het in het eerste lid genoemde nummer, alsmede daarmee verband houdende verwijs- en verzamelborden aan te brengen op een wijze zoals krachtens artikel 3.75, tweede lid is bepaald. 3.Indien een object nog niet is voltooid, wordt het nummer binnen vier weken na voltooiing aangebracht. 4.Het college kan de in het eerste en derde lid genoemde termijn verlengen. Artikel3.77Uitvoeringsvoorschriften 1.De wijze van toekennen, het plaatsen van de nummerdragers alsmede de voorschriften voor de afmetingen, vormgeving en materiaalkeuze van de nummerdragers dienen te geschieden conform de in bijlage 3 (technische uitvoeringsvoorschriften) benoemde NEN-normen. 2.Het college is bevoegd nadere uitvoeringsvoorschriften vast te stellen betreffende het bepaalde in deze paragraaf. Afdeling 3.3 Milieubelastende activiteiten §3.3.1.Festiviteiten Artikel3.78Collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.80 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten, in het bebouwde deel van de inrichting, gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Hierbij geldt dat uiterlijk om 00.00 uur op zondag tot en met donderdag en 1.00 uur op vrijdag en zaterdag de lichten moeten zijn gedoofd, tenzij in de aanwijzing van de collectieve festiviteiten anders is aangegeven. 3.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 4.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 5.Op dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit, en artikel 3.80 van deze verordening, uiterlijk om 00:00 uur beëindigd als dag valt op een zondag tot en met donderdag en uiterlijk om 01:00 uur als de dag valt op een vrijdag en zaterdag. 6.De equivalente geluidsniveaus LAeq en LCeq veroorzaakt door de inrichting, bedragen niet meer dan 65 dB(A) en 80 dB(C) in de dagperiode, 60 dB(A) en 75 dB(C) in de avondperiode en 55 dB(A) en 70 dB(C) in de nachtperiode, gemeten op de gevel van gevoelige gebouw op een hoogte van 1,5 meter. 7.De geluidswaarden als bedoeld in het zesde lid zijn inclusief onversterkte muziek. De toeslag voor muziekgeluid van 10 dB(A) en de bedrijfsduurcorrectie wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. Artikel3.79Incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden in het bebouwde gedeelte van de inrichting, waarvan ten hoogste 4 maal inclusief de buitenruimte, waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.80 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Hierbij geldt dat uiterlijk in 00.00 uur op zondag tot en met donderdag of 1.00 uur op vrijdag en zaterdag de lichten moeten zijn gedoofd. 3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving; 4.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier is vermeld. 5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.De equivalente geluidsniveaus LAeq en LCeq veroorzaakt door de inrichting, bedragen niet meer dan 65 dB(A) en 80 dB(C) in de dagperiode, 60 dB(A) en 75 dB(C) in de avondperiode en 55 dB(A) en 70 dB(C) in de nachtperiode, gemeten op de gevel van gevoelige gebouw op een hoogte van 1,5 meter. 7.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, in het bebouwde gedeelte van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit – uiterlijk 00.00 uur op zondag tot en met donderdag en 1.00 uur op vrijdag en zaterdag beëindigd. 8.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit – uiterlijk om 00.00 uur beëindigd. 9.De geluidswaarden als bedoeld in het zesde lid zijn inclusief onversterkte muziek. De toeslag voor muziekgeluid van 10 dB(A) en de bedrijfsduurcorrectie wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. 10.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in het bebouwde gedeelte van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. §3.3.2.Geluidhinder Artikel3.80onversterkte muziek 1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. Tabel Dagperiode Avondperiode Nachtperiode LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dagperiode en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit van toepassing. 4.Het eerste lid geldt niet indien artikel 3.75 of artikel 3.76 van toepassing is. Artikel3.81Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht 1.Het is verboden buiten een inrichting toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan voor het afwijken van het verbod een omgevingsvergunning verlenen. 3.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Zuid-Holland. 4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. §3.3.3.Overige milieubelaste activiteiten Artikel3.82Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Het verbod geldt niet voorzover het betreft: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. 3.Het college kan voor het afwijken van dit verbod een omgevingsvergunning verlenen. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 6.8 kan de omgevingsvergunning worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5.Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Zuid-Holland. 6.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. Artikel3.83Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen op stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voertuigen of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof: op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3.Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen. 4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Artikel3.84Vervoer van gevaarlijke stoffen 1.Het is verboden met transporteenheden ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden als bedoeld in artikel 1 van bijlage 2, Hoofdstuk 2 van het Reglement vervoer over land van gevaarlijke stoffen alsmede gevaarlijke stoffen als bedoeld in dat artikel te vervoeren over andere wegen of weggedeelten dan die, welke voor dat transport door het college is aangewezen en als zodanig zijn aangeduid met borden overeenkomstig model K 14 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
  12. 2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod omgevingsvergunning verlenen. Het verleent deze omgevingsvergunning slechts op een schriftelijke aanvraag, waarbij ten minste is vermeld ten behoeve van wie en naar welk adres het vervoer dient te geschieden. Afdeling 3.4 Bouwactiviteiten §3.4.1.Algemene bepalingen Artikel3.85Status Het bepaalde in Afdeling 3.4 wordt mede aangemerkt als Bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet. §3.4.3.Bodemverontreiniging Artikel3.86Bodemonderzoek Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: de resultaten van een recent en standaard vooronderzoek verricht volgens de vigerende NEN 5725; indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat er een bodemverontreiniging aanwezig is, worden tevens ingediend de resultaten van een recent milieuhygiënisch verkennend bodemonderzoek verricht volgens de vigerende NEN 5740; indien op basis van het milieuhygiënisch verkennend bodemonderzoek een vermoeden bestaat dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, worden tevens ingediend de resultaten van een nader onderzoek, verricht volgens de vigerende NTA 5755 indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in de vigerende NEN
  13. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en
  14. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en
  15. Het college staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het college reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. Het college kan gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Bodemonderzoeken dienen geheel overeenkomstig vastgestelde protocollen en NEN normen en overeenkomstig hoofdstuk 2 uit het Besluit bodemkwaliteit te worden uitgevoerd. De onderzoeksbureaus moeten in het bezit zijn van een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid onderzoeken van voor 1 juli
  16. De rapportage moet als volgt worden ingediend: een papieren rapportage een digitaal exemplaar in pdf-bestand een digitaal exemplaar in SIKB-0101 xml-bestand. Artikel3.87Verbod op bouwen op verontreinigde grond Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk waarvoor op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een dergelijke omgevingsvergunning niet is vereist, en dat de grond raakt, of ten aanzien waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel3.88Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.80 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het college voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval hij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig artikel 39, tweede lid, Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, Wet bodembescherming van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. §3.4.4.Actualisering van NEN- en andere normen. Artikel3.89Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in afdeling 3.4 wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Hoofdstuk4Beheer en onderhoud Afdeling 4.1 Instandhouding §4.1.1Instandhouding van waardevolle houtopstanden Artikel4.1Instandhoudingsplicht waardevolle houtopstanden Wordt een waardevolle houtopstand zoals opgenomen op de Monumentale- en waardevolle bomen - Zuidplas lijst in het voortbestaan ernstig bedreigd door menselijk handelen, dan kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt, danwel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van maatregelen bevoegd is, de last opleggen om: een advies op te laten stellen door een boomtechnisch deskundige, waarin de gevolgen van het menselijk handelen voor de houtopstand en mogelijke maatregelen worden weergegeven; overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen en binnen een door het college te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. Afdeling 4.2 Gedoogplichten Artikel4.2Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel4.3Gedoogplicht naamborden 1.Indien het college het nodig oordeelt dat borden met een wijk- of buurtaanduiding, borden met straatnamen en verwijsborden aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, is de rechthebbende verplicht toe te laten dat de hier bedoelde borden overeenkomstig de aanwijzingen van het college worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.De rechthebbende dient er zorg voor te dragen dat de in het eerste lid genoemde borden vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar blijven. Hoofdstuk5Financiële bepalingen Artikel5.1Tegemoetkoming erfgoed Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot: de weigering van het bevoegd gezag een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4, 3.6, 3.7 of 3.11 te verlenen; de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4, 3.6 of 3.11; de door het bevoegd gezag nader te stellen regels als bedoeld in artikel 3.4 vierde lid, 3.7 vijfde lid of 3.11 derde lid; een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.12, eerste lid onder a; Artikel5.2Voorziening Groen 1.Het college voorziet in de Voorziening Groen. 2.De aan bomen gelieerde gelden in de Voorziening Groen mogen worden gebruikt ten behoeve van de uitbreiding en handhaving van het in de gemeente aanwezige openbare groen, waaronder houtopstanden. Hoofdstuk6Procesregels Afdeling 6.1 Algemene procesregels Artikel6.1Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.Wanneer volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet het college maar een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is voor het nemen van een besluit, wordt voor ‘het college’ gelezen ‘het bevoegd gezag volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’. 2.Artikel 6.3 tot en met artikel 6.8 zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel6.2Persoonlijk karakter van omgevingsvergunning of ontheffing De omgevingsvergunning is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel6.3Indienen aanvraag, melding of verzoek om omgevingsvergunning Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de omgevingsvergunning nodig heeft, kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen. Het eerste lid geldt niet voor zover in deze verordening andere indieningstermijnen zijn bepaald. Voor bepaalde, door het college aan te wijzen, omgevingsvergunningen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste dertien weken. Artikel6.4Beslistermijn 1.Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, tenzij elders in deze verordening of in een andere wettelijke regeling een andere beslistermijn is gesteld of afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard. 2.Het college kan de beslistermijnen eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Dit besluit wordt bekendgemaakt binnen de beslistermijn. 3.Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking deelt het college het besluit mee op dezelfde wijze als het heeft kennisgegeven van de aanvraag. Artikel6.5Voorschriften en beperkingen 1.Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de omgevingsvergunning is vereist. 2.Een omgevingsvergunning geldt voor eenieder die het project uitvoert waarop zij betrekking heeft. De vergunninghouder draagt ervoor zorg dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. Artikel6.6Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden 1.Het college kan de omgevingsvergunning in ieder geval wijzigen of intrekken indien: de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten; de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd; de voor de houder van de omgevingsvergunning geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd; van de omgevingsvergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie; of de vergunninghouder dit verzoekt. 2.Het college kan de omgevingsvergunning in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel6.7Omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd 1.Een omgevingsvergunning als bedoeld in deze verordening geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de omgevingsvergunning anders is bepaald of de aard van de omgevingsvergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de omgevingsvergunning verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal omgevingsvergunningen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare omgevingsvergunningen overtreft. Artikel6.8Algemene weigeringsgronden 1.Het college weigert een omgevingsvergunning in ieder geval: Indien de te vergunnen activiteit in strijd zou zijn met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regeling; In het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 3.Het college kan een omgevingsvergunning in ieder geval weigeren indien: dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige, gezonde fysieke leefomgeving, de bescherming van het milieu of het genoemde doel in de van toepassing zijnde paragraaf; dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gesteld vereisten om voor de omgevingsvergunning in aanmerking te komen; de aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; het belang van de voorkoming of beperking van overlast of gevaar voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak zich hier tegen verzet. Artikel6.9Inwerkingtreding omgevingsvergunning 1.Een omgevingsvergunning treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop: het besluit is bekendgemaakt, of als het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht: het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, van die wet ter inzage is gelegd. 2.In afwijking van het eerste lid bepaalt het college in de omgevingsvergunning dat die in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging als naar zijn oordeel: het verrichten van de activiteit die de omgevingsvergunning mogelijk maakt binnen die vier weken kan leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld, en de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning ertoe strekken die bestaande toestand te beschermen. 3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen van activiteiten worden aangewezen, waarin het college in ieder geval toepassing geeft aan het tweede lid. 4.Als binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt de omgevingsvergunning niet in werking voordat op het verzoek is beslist. Belanghebbenden die door de opschorting rechtstreeks in hun belang worden getroffen, kunnen de voorzieningenrechter verzoeken de opschorting op te heffen of te wijzigen. 5.Als het eerder in werking treden van een omgevingsvergunning volgens het college vanwege spoedeisende omstandigheden nodig is, kan het in afwijking van het tweede lid bepalen dat het besluit eerder in werking treedt en het vierde lid niet van toepassing is. 6.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een besluit tot wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning of tot intrekking van een omgevingsvergunning. Afdeling 6.2 Voorbereiding van besluiten Artikel6.10Voorbescherming 1.De artikelen 3.3, 3.4, 3.5 en 3.10 tot en met 3.12 zijn van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 2.1 is bekendgemaakt. 2.De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Afdeling 6.3 Adviescommissie §6.3.1Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Zuidplas Artikel6.11Advisering Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Zuidplas 1.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft als taak de raad en het college te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. 2.De advisering over het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit is opgedragen aan de Stichting Dorp, Stad en Land, Adviseurs Ruimtelijke Kwaliteit (hierna te noemen Dorp, Stad & Land), die uit haar midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna te noemen: Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. 3.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. 4.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit baseert haar advies op de in de gemeentelijke welstandsnota genoemde welstandscriteria. 5.Ter uitvoering van haar taak: adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college over een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor: een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument; een activiteit die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument of een gemeentelijk monument; een activiteit in geval de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als adviseur is aangewezen; een activiteit die betrekking heeft op een beschermd dorpsgezicht; een andere activiteit in geval het college een advies nodig achten met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit; adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college over het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanwijzen van een onroerende zaak als rijksmonument ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet of over het aan een locatie geven van de functie-aanduiding gemeentelijk monument op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet; adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit baseert haar advies op de in de gemeentelijke welstandsnota genoemde welstandscriteria. adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college of uit eigen beweging over het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie, omgevingsplan en maatwerkregels voor de omgevingskwaliteit; adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college in een geval waarin het college een advies nodig achten in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving; informeert en begeleidt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces; voert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college vooroverleg met planindieners over een in te dienen aanvraag om een omgevingsvergunning; adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college over: het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en werelderfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen; adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college over het geven van beschikkingen op grond van regels in deze verordening en regels in verordeningen op grond van artikel 149 van de Gemeentewet die een eis ten aanzien van de omgevingskwaliteit bevatten. §6.3.2Aanwijzing van besluiten waarover verplicht advies moet worden gevraagd Artikel6.12Verplichte advisering Het college wint advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit in omtrent een te nemen beslissing als bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid, onder a, onderdelen 1 ̊tot en met 3 ̊, en onder b. §6.3.3Samenstelling en inrichting Artikel6.13Samenstelling van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit 1.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder een voorzitter en een secretaris. 2.De leden en de plaatsvervangers worden benoemd op persoonlijke titel op grond van de professionele deskundigheid die nodig is voor de advisering, alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. 3.Indien een lid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit verhinderd is, draagt Dorp, Stad & Land zorg voor een plaatsvervanger met vergelijkbare deskundigheid op het gebied van stedenbouw, architectuur, Landschap met historische kennis, restauratiearchitectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. Indien een lid benoemd is dat niet verbonden is aan Dorp, Stad & Land, draagt het college zelf zorg voor plaatsvervanging. 4.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit telt enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg; 5.De disciplines die de leden in gezamenlijkheid vertegenwoordigen zijn: Stedenbouw; Architectuur; Landschap met kennis van de historie; Restauratiearchitectuur; Cultuurhistorie. Artikel6.14Benoeming 1.De leden en de plaatsvervangers kunnen voor een termijn van ten hoogste 3 jaar worden benoemd. 2.Herbenoeming van leden kan eenmaal voor ten hoogste 3 jaar plaatsvinden. Dit is niet van toepassing op de plaatsvervangers. 3.Afgetreden leden zijn 10 jaar na hun aftreden weer benoembaar. 4.De leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Zij kunnen voorts door het college wordt geschorst en door de raad worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. Artikel6.15Ondersteuning van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft een ambtelijk secretaris. De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit uitsluitend verantwoording schuldig aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. De secretaris kan worden ondersteund door andere ambtelijke medewerkers of medewerkers van de Omgevingsdienst Midden-Holland, die voor hun werkzaamheden voor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit uitsluitend verantwoording schuldig zijn aan de secretaris. De secretaris noch de medewerkers zijn lid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Artikel6.16Termijn van advisering 1.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen twee weken nadat door of namens het college daarom is verzocht. 2.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze omgevingsvergunning betrekking heeft op een deel van een project of wanneer het een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen twee weken nadat door of namens het college daarom is verzocht. 3.Het college kan in hun verzoek om advies de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het advies. Een langere termijn kan door het college worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel6.17Beraadslaging en standpuntbepaling 1.De vergaderingen waarin een of meer adviezen over aanvragen om omgevingsvergunning door of namens de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit worden vastgesteld zijn openbaar. De agenda voor de vergadering van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit wordt tijdig op een geschikte wijze bekendgemaakt. Indien het college – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan dient het college daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2.De aanvrager van de omgevingsvergunning of zijn gemachtigde heeft de mogelijkheid tot toelichting van de aanvraag ten overstaan van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Tijdens de beraadslagingen is er geen spreekrecht. 3.Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen. 4.Over de uit te brengen adviezen wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste twee leden. Over een advies over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste twee leden met deskundigheid op het gebied van de monumentenzorg. 5.Leden die als opdrachtgever, ontwerper of anderszins betrokken zijn bij de uitvoering van een activiteit waarvoor een aanvraag is gedaan waarover de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert, onthouden zich van medewerking aan het desbetreffende advies en zijn tijdens de behandeling van en de besluitvorming over het advies niet in de vergadering aanwezig. 6.De geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en de daarvoor werkzame personen. Artikel6.18Afdoening onder verantwoordelijkheid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit 1.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan onverminderd het bepaalde in artikel 6.11, derde lid, de adviser

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.