← Nederland

Burgerlijk Wetboek 2 (Sint Maarten)

In het kort

Deze wet regelt de algemene bepalingen voor rechtspersonen zoals stichtingen, verenigingen en vennootschappen in Sint Maarten. Het beschrijft hoe deze rechtspersonen ontstaan, functioneren en wie erbij betrokken is.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Burgerlijk Wetboek 2Boek 2 RECHTSPERSONEN Titel1 Algemene bepalingen Artikel1 1.De bepalingen van deze titel gelden voor de in dit boek in afzonderlijke rechtsvormen geregelde rechtspersonen: de stichting, de stichting particulier fonds, de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij, de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap. 2.Artikel 3 geldt ook voor andere rechtsvormen die als rechtspersoon hebben te gelden. Voor zover het tegendeel niet uit de wet voortvloeit en de aard van de rechtspersoon zich niet daartegen verzet kunnen de overige bepalingen van deze titel analogisch worden toegepast op die andere rechtspersonen. 3.Van de bepalingen van dit boek kan slechts worden afgeweken in de statuten, in een vennootschappelijke overeenkomst, of in een reglement, en alleen voor zover dit uit de wet blijkt. Daarbij gelden achtereenvolgens de statuten, een vennootschappelijke overeenkomst en een reglement als een telkens lagere regeling. 4.Bepalingen van een lagere regeling zijn nietig voor zover zij leiden tot gevolgen die in strijd zijn met een hogere regeling. 5.Onder statuten wordt in dit boek verstaan: een uitdrukkelijk als “statuten” aangeduid document dat de fundamentele organisatieregels van de rechtspersoon bevat. 6.Onder een vennootschappelijke overeenkomst wordt in dit boek verstaan: een overeenkomst als bedoeld in artikelen 127, lid 3, en 227, lid

  1. 7.Onder reglement wordt in dit boek verstaan: een door een orgaan van de rechtspersoon krachtens de wet of de statuten vastgesteld, uitdrukkelijk als “reglement” aangeduid document, dat nadere organisatieregels van de rechtspersoon bevat. Artikel2 1.Een rechtspersoon ontstaat niet bij het ontbreken van een door een notaris ondertekende akte, voor zover door de wet voor de totstandkoming vereist. Het ontbreken van kracht van authenticiteit aan een door een notaris ondertekende akte verhindert het ontstaan van de rechtspersoon niet, tenzij het gaat om een uiterste wilsbeschikking. 2.Vernietiging van de rechtshandeling waardoor een rechtspersoon is ontstaan, tast diens bestaan niet aan. Het vervallen van de deelneming aan de oprichtingshandeling van een of meer oprichters van een rechtspersoon heeft op zichzelf geen invloed op de rechtsgeldigheid van de deelneming der overblijvende oprichters. 3.Is ten name van een niet bestaande rechtspersoon een vermogen gevormd, dan verklaart de rechter op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie dat dit vermogen toebehoort aan een bij die beschikking in het leven geroepen rechtspersoon in de voorgewende rechtsvorm. Tenzij een andere oplossing de rechter geraden voorkomt ontbindt de rechter die rechtspersoon bij dezelfde beschikking. Artikel 24, leden 6 tot en met 8, zijn van overeenkomstige toepassing. De andere oplossing kan bestaan in het alsnog vaststellen van statuten door de rechter en het aanwijzen van bestuurders, commissarissen, leden of aandeelhouders. 4.Is het niet ontstaan van de rechtspersoon geheel of gedeeltelijk te wijten aan de grove schuld of de grove nalatigheid van een of meer personen die voor de ontbinding hebben gefungeerd als oprichter, bestuurder, commissaris, lid of aandeelhouder, dan zijn deze jegens de ontbonden rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor een bij de vereffening blijkend tekort. Artikel3 1.Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit. 2.Leden, aandeelhouders en anderen die krachtens de wet of de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken, zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor de schulden van de rechtspersoon, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit. Artikel4 1.Is een notariële akte van oprichting vereist dan wordt deze verleden in de taal die de oprichters kiezen, mits de notaris deze taal verstaat. Is de taal een andere dan de Nederlandse of Engelse taal, dan wordt een door een beëdigd vertaler ondertekende Nederlandse of Engelse vertaling aan de akte gehecht. 2.De akte bevat in elk geval: de statuten van de rechtspersoon; tenzij het gaat om een stichting die bij uiterste wilsbeschikking wordt opgericht, de namen en woonplaatsen van de eerste bestuurders en van de overige functionarissen die er volgens de wet of de statuten moeten zijn. 3.Waar in dit boek wordt gesproken van een notariële akte wordt daaronder verstaan een akte verleden door of ten overstaan van een in Sint Maarten standplaats hebbende notaris. Een volmacht tot medewerking aan de akte moet schriftelijk zijn verleend. Artikel5 1.De notaris, ten overstaan van wie de akte van oprichting wordt verleden, draagt zorg dat deze voldoet aan het in dit boek bepaalde en dat de vereiste stukken daaraan zijn gehecht. Hij draagt vervolgens zorg dat de rechtspersoon zo spoedig mogelijk wordt ingeschreven in het handelsregister en dat tegelijkertijd een authentiek afschrift van de akte met de ingevolge dit boek daaraan gehechte stukken ten kantore van het handelsregister wordt gedeponeerd. 2.Is de akte van oprichting notarieel verleden dan is voor een wijziging van de statuten steeds ook een notariële akte vereist. De statuten, zoals zij na de wijziging luiden, worden in hun geheel in de akte van statutenwijziging opgenomen of daaraan gehecht. Iedere bestuurder is bevoegd de akte te doen verlijden, onverminderd de bevoegdheid van de algemene vergadering daarnaast een ander daartoe te machtigen. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing. 3.Bij verzuim in de naleving van de uit de leden 1 en 2 voortvloeiende verplichtingen is de notaris persoonlijk aansprakelijk jegens hen die daardoor schade hebben geleden. Artikel6 1.Uit rechtshandelingen, verricht namens een op te richten rechtspersoon, ontstaan slechts rechten en verplichtingen voor de rechtspersoon, wanneer hij die rechtshandelingen bij of na zijn oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt. 2.Degenen die een rechtshandeling verrichten namens een op te richten rechtspersoon zijn daardoor hoofdelijk verbonden. Deze verbondenheid vervalt een jaar na de bekrachtiging, tenzij schriftelijk anders is bedongen. Artikel7 1.De rechtspersoon en degenen die krachtens de wet of de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. 2.Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglement, besluit of overeenkomst geldende regel of beslissing is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Artikel8 1.Iedere rechtspersoon heeft een bestuur. 2.Behoudens uit de wet of de statuten voortvloeiende beperkingen, is het bestuur belast met het besturen van de rechtspersoon. Beperkingen van de bestuursbevoegdheid kunnen ook voortvloeien uit een vennootschappelijke overeenkomst of een reglement. Individuele bestuurders oefenen hun bevoegdheden uit met inachtneming van de besluiten van het bestuur. 3.Bij de vervulling van zijn taak richt het bestuur zich naar het belang van de rechtspersoon en, voor zover daarvan sprake is, de met deze verbonden onderneming. 4.Tenzij de statuten anders bepalen is het bestuur van een rechtspersoon die niet een stichting is, zonder opdracht van de algemene vergadering niet bevoegd aangifte te doen tot faillietverklaring van de rechtspersoon. Het bestuur van een stichting is bevoegd aangifte tot faillietverklaring te doen, tenzij de statuten die bevoegdheid beperken of uitsluiten. 5.De rechtsverhouding tussen een bestuurder en de rechtspersoon wordt niet aangemerkt of mede aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. 6.In geval van faillissement van de rechtspersoon zijn de vergoedingen die de bestuurder toekomen in verband met de uitoefening van zijn functie, vanaf de dag van de faillietverklaring niet voor rekening van de boedel, voor zover de rechter-commissaris in het faillissement niet anders beslist. 7.Het bepaalde in het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op vergoedingen die toekomen aan leden van andere organen van de rechtspersoon. Artikel9 1.De rechter in eerste aanleg neemt kennis van alle rechtsvorderingen die krachtens dit boek of de statuten tegen een bestuurder of de rechtspersoon worden ingesteld, alsook van de rechtsvorderingen waartoe de overeenkomst tussen een bestuurder en de rechtspersoon aanleiding geeft. Hetzelfde geldt voor alle overige in dit boek geregelde procedures en voor procedures die voortvloeien uit een vennootschappelijke overeenkomst. 2.De statuten kunnen bepalen dat alle of bepaalde geschillen tussen twee of meer van de in artikel 7, lid 1, bedoelde personen als zodanig worden beslist door arbitrage of bindend advies. Artikel10 1.Behoudens beperkingen die uit de wet, de statuten, een vennootschappelijke overeenkomst of een reglement voortvloeien, wordt de rechtspersoon vertegenwoordigd door het bestuur. Indien er meer bestuurders zijn wordt de rechtspersoon vertegenwoordigd door iedere bestuurder, voor zover niet anders voortvloeit uit een regeling als bedoeld in de eerste volzin. 2.Beperkingen van de bestuursbevoegdheid, bedoeld in artikel 8, lid 2, strekken mede tot beperking van de daarmee samenhangende vertegenwoordigingsbevoegdheid. 3.Voor zover de statuten dit niet uitsluiten kan een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid als bedoeld in het eerste en het tweede lid worden tegengeworpen aan een wederpartij die: van de beperking op de hoogte was of zonder eigen onderzoek moest zijn; door raadpleging van het handelsregister op de hoogte kon zijn van de beperking. Het tweede en derde lid van artikel 61 van Boek 3 vinden overeenkomstige toepassing. Aan de wederpartij komt slechts toe een beroep op het vierde en vijfde lid. 4.Een wederpartij mag afgaan op een door het bestuur of een bestuurder aan de wederpartij gerichte verklaring dat de rechtspersoon geen beroep zal doen op een of meer beperkingen als bedoeld in het eerste en het tweede lid. 5.Onverminderd het bepaalde in het vierde lid is het bestuur verplicht om op verzoek van een wederpartij uitsluitsel te geven over de vraag of er sprake is van een beperking als bedoeld in het eerste of het tweede lid en wat de aard daarvan is. Wordt het gevraagde uitsluitsel niet binnen een door de wederpartij gestelde, redelijke termijn gegeven, dan kan deze de rechtshandeling als ongeldig van de hand wijzen, mits dit onverwijld na afloop van die termijn geschiedt. Hetzelfde geldt indien het bestuur niet binnen een door de wederpartij gestelde, redelijke termijn aan deze mededeelt dat aan de voorwaarden voor opheffing van een beperking is voldaan. Iedere bestuurder is bevoegd om namens het bestuur een verklaring als in dit lid bedoeld af te geven. 6.Een uiting als omschreven in het vierde of vijfde lid wordt schriftelijk gedaan. Een onvolledige of onduidelijke verklaring kan niettemin op andere wijze worden aangevuld of verduidelijkt. 7.De statuten kunnen ook aan andere door of krachtens de statuten aan te wijzen functionarissen, al dan niet tezamen met bestuurders, vertegenwoordigingsbevoegdheid toekennen. Artikel11 1.De bevoegdheid ter zake van rechtshandelingen met of rechtsgedingen tegen een bestuurder berust bij de raad van commissarissen. Ontbreekt een raad van commissarissen dan berust deze bevoegdheid bij de algemene vergadering of een voor dat geval door de algemene vergadering aan te wijzen persoon of orgaan. Bij de stichting geschiedt de aanwijzing door de rechter op verzoek van een belanghebbende. 2.Van het eerste lid kan in de statuten worden afgeweken. Daarvan kan ook worden afgeweken in een krachtens de statuten door de algemene vergadering, bij de stichting door een ander orgaan dan het bestuur, vastgesteld reglement. Artikel12 1.De statuten moeten voorschriften bevatten omtrent de wijze waarop in het bestuur van de rechtspersoon tijdelijk wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders. 2.De statuten kunnen bepalen dat het orgaan dat een bestuurder benoemt een plaatsvervangend bestuurder kan aanwijzen, die bij ontstentenis of belet van een bestuurder diens taken waarneemt en diens bevoegdheden uitoefent. De aanwijzing kan te allen tijde door het orgaan dat de aanwijzing heeft gedaan worden ingetrokken. Artikel13 1.De rechtspersoon treedt niet buiten zijn statutaire doelomschrijving. 2.Tenzij de statuten een beroep op doeloverschrijding uitsluiten, is een door de rechtspersoon verrichte rechtshandeling vernietigbaar indien daardoor het doel werd overschreden en de wederpartij dit wist of zonder eigen onderzoek moest weten. Slechts de rechtspersoon kan een beroep op deze grond tot vernietiging doen. Bij de stichting kan een beroep op doeloverschrijding niet worden uitgesloten. 3.Krachtens een besluit van de algemene vergadering kan een rechtspersoon die geen stichting is een rechtshandeling, waardoor het doel wordt overschreden, bevestigen dan wel afstand doen van een beroep op doeloverschrijding. Artikel 10, lid 4, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de rechtspersoon die geen stichting is. Artikel14 1.Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. 2.Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet, de statuten, een vennootschappelijke overeenkomst of een reglement aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. 3.De bestuurders aan wie ingevolge het tweede lid bepaalde taken zijn toebedeeld houden de overige bestuurders regelmatig op de hoogte van de stand van zaken op dat taakgebied. 4.Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk ter zake van onbehoorlijk bestuur. Niet aansprakelijk is echter de bestuurder aan wie, mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken en de periode gedurende welke hij in functie is geweest, geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, mits hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden. 5.Wordt in geval van faillissement van de rechtspersoon een vordering uit hoofde van dit artikel ingesteld door de curator dan komt aan de bestuurder een beroep op kwijting, in welke vorm dan ook door de rechtspersoon verleend, niet toe. De bestuurder kan in dit geval ook geen beroep doen op verrekening met een vordering op de rechtspersoon. Artikel15 1.Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. 2.Onverminderd het elders in de wet bepaalde is het bestuur verplicht jaarlijks binnen acht maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening, ten minste bestaande uit een balans en een staat van baten en lasten, op te maken en op papier te stellen. 3.Het bestuur is verplicht de in het eerste en tweede lid bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende tien jaren te bewaren. 4.De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave van de gegevens en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt. 5.Het boekjaar van een rechtspersoon is het kalenderjaar, indien in de statuten geen ander boekjaar is aangewezen. 6.Iedere bestuurder heeft recht op inzage in en toegang tot alle boeken, bescheiden en andere gegevensdragers ten aanzien waarvan op het bestuur een wettelijke of statutaire bewaarplicht rust, voor zover het inzagerecht niet door of krachtens de betrokken regeling ten opzichte van een of meer bestuurders is beperkt. Artikel16 1.In geval van faillissement van de rechtspersoon is iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort, zijnde het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien er sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Artikel 14, lid 5, is van overeenkomstige toepassing. 2.Indien niet is voldaan aan de verplichtingen uit artikel 15 of de jaarrekening niet tijdig is of wordt opgemaakt, wordt vermoed dat er ook voor het overige sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur en dat onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Hetzelfde geldt indien de rechtspersoon volledig aansprakelijk vennoot is van een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap en niet voldaan is aan de verplichtingen uit artikel 15i van Boek
  2. Een onbelangrijk verzuim wordt niet in aanmerking genomen. Het enkele feit dat de tijdig opgemaakte jaarrekening niet voldoet aan de wettelijke of statutaire maatstaven is niet voldoende voor het intreden van de in de eerste volzin omschreven vermoedens. 3.Bij de toepassing van het eerste lid wordt slechts in aanmerking genomen het onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement of de in de zin van artikel 238 Faillissementbesluit 1931 daaraan voorafgaande surseance van betaling. Hetzelfde geldt ten aanzien van het niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde verplichtingen, voor zover deze voortvloeien uit artikel 15, lid 1 of lid 2, van dit boek of uit artikel 15i van Boek
  3. Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde verplichting tot het tijdig opmaken van de jaarrekening wordt alleen gelet op de jaarrekening over de laatste twee boekjaren die vóór het in de eerste volzin van dit derde lid bedoelde tijdstip waren afgesloten. 4.Niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat hem, mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken en de periode gedurende welke hij in functie is geweest, geen ernstig verwijt treft ter zake van het onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement, en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. 5.Het bepaalde in het tweede lid vindt geen toepassing ten aanzien van de bestuurder die bewijst dat hem, mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken en de periode gedurende welke hij in functie is geweest, geen ernstig verwijt treft ter zake van het niet voldoen aan de daar omschreven verplichtingen, en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om een verbeterde nakoming van die verplichtingen te bevorderen. 6.De rechter kan het bedrag waarvoor de bestuurders of bepaalde bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van het onbehoorlijk bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld. 7.Is de omvang van het tekort nog niet bekend, dan kan de rechter, al dan niet met toepassing van het zesde lid, bepalen dat van het tekort tot betaling waarvan hij de bestuurders veroordeelt, een staat wordt opgemaakt overeenkomstig Boek 2, titel 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 8.Op vordering van de curator of een aangesproken bestuurder kan de rechter bepalen dat bij de berekening van het tekort en de verdeling van de opbrengst uit hoofde van dit artikel via de uitdelingslijst de vordering van een schuldeiser geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing blijft indien en voor zover analogische toepassing van artikel 101, lid 1, van Boek 6 daartoe aanleiding geeft. De vordering wordt ingesteld tegen de daartoe in het geding geroepen schuldeiser. 9.Met een bestuurder wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld degene die gedurende enig tijdvak binnen de in het derde lid bedoelde periode het beleid van de rechtspersoon heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder, dan wel als oprichter kennelijk onzorgvuldig heeft gehandeld. De vordering kan niet worden ingesteld tegen een door de rechter, anders dan ingevolge artikel 2, lid 3, laatste volzin, benoemde functionaris. 10.Het eerste tot en met negende lid zijn van toepassing ten aanzien van de naamloze en de besloten vennootschap. Voor het overige zijn zij slechts van toepassing ten aanzien van de rechtspersoon aan welke gedurende enig tijdvak binnen de in het derde lid bedoelde periode een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening toebehoorde, waarbij dan alleen onbehoorlijk bestuur gedurende dat tijdvak in aanmerking wordt genomen. 11.Het eerste tot en met tiende lid zijn van toepassing dan wel van overeenkomstige toepassing op de aansprakelijkheid van bestuurders van een door buitenlands recht beheerste rechtspersoon, indien deze in Sint Maarten failliet wordt verklaard. Als bestuurders zijn eveneens aansprakelijk degenen die met de leiding van de in Sint Maarten verrichte werkzaamheden zijn belast. Bevoegd is de rechter die het faillissement heeft uitgesproken. 12.Dit artikel laat onverlet de bevoegdheid van de curator tot het instellen van een vordering op grond van de overeenkomst met de bestuurder of op grond van artikel
  4. Artikel17 1.De aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon rust tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. 2.Ten aanzien van de aan het slot van het eerste lid bedoelde bestuurder zijn artikel 14, leden 4 en 5, en artikel 16, leden 4 en 5, van overeenkomstige toepassing. Artikel18 1.De statuten kunnen bepalen dat de bestuurstaken op de in dit artikel bepaalde wijze worden verdeeld over een algemeen bestuur en een uitvoerend bestuur. 2.Behoudens beperkingen overeenkomstig artikel 8, lid 2, is het uitvoerend bestuur belast met het besturen van de rechtspersoon, voor zover dit betrekking heeft op de dagelijkse gang van zaken. Het uitvoerend bestuur is voorts belast met de overige taken die in dit boek aan het bestuur zijn toebedeeld. 3.Behoudens uit de wet of de statuten voortvloeiende beperkingen wordt de rechtspersoon vertegenwoordigd door het uitvoerend bestuur. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing. 4.Tot de taak van het algemeen bestuur behoort in elk geval: het als zodanig benoemen van uitvoerende bestuurders; het vaststellen van hun bezoldiging als zodanig; het beslissen over aangelegenheden die de dagelijkse gang van zaken te boven gaan; en het houden van toezicht op het uitvoerend bestuur. 5.Bij twijfel of een aangelegenheid tot de dagelijkse gang van zaken behoort, beslist het algemeen bestuur daarover. 6.Een of meer leden van het algemeen bestuur kunnen tevens lid zijn van het uitvoerend bestuur, mits zij in het algemeen bestuur een minderheid vormen en tezamen in het algemeen bestuur minder stemmen kunnen uitbrengen dan de overige leden van het algemeen bestuur tezamen. 7.Het uitvoerend bestuur verschaft het algemeen bestuur en de individuele leden van het algemeen bestuur tijdig de voor de uitoefening van hun taak noodzakelijke of met het oog daarop door de betrokkene verlangde gegevens. 8.Het algemeen bestuur is te allen tijde bevoegd een uitvoerend bestuurder als zodanig te ontslaan of voor een periode van maximaal twee maanden te schorsen. 9.Voor de toepassing van artikel 8, lid 3, heeft het algemeen bestuur als bestuur te gelden. Het uitvoerend bestuur oefent zijn bevoegdheden als zodanig uit met inachtneming van de besluiten van het algemeen bestuur. Binnen het uitvoerend bestuur oefenen individuele bestuurders hun bevoegdheden uit met inachtneming van de besluiten van het uitvoerend bestuur. 10.Onverminderd het bepaalde in het negende lid hebben voor de toepassing van de wet leden van het algemeen bestuur en van het uitvoerend bestuur gelijkelijk als bestuurder te gelden, voor zover het tegendeel niet uit de wet blijkt. Artikel19 1.De statuten kunnen bepalen dat er een raad van commissarissen is of kan zijn. Zij omschrijven dan de taak van de raad van commissarissen. 2.Tot de taak van de raad van commissarissen behoort in elk geval het houden van toezicht op het bestuur. 3.De raad van commissarissen bestaat uit een of meer personen. Een rechtspersoon kan geen commissaris zijn bij een rechtspersoon waaraan een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening toebehoort. 4.Tenzij de statuten anders bepalen is de raad van commissarissen bevoegd iedere bestuurder te schorsen. De schorsing vervalt indien de betrokkene niet binnen twee maanden na de dag van schorsing is ontslagen. 5.De statuten kunnen aanvullende bepalingen omtrent de taak en de bevoegdheden van de raad van commissarissen en van zijn leden bevatten. 6.Het bestuur verschaft de raad van commissarissen en de individuele commissarissen tijdig de voor de uitoefening van hun taak noodzakelijke of met het oog daarop door de betrokkene verlangde gegevens. 7.Het bepaalde in de artikelen 9, 14 en 16 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van commissarissen. In dit verband gelden als commissaris alle personen die krachtens de statuten met toezicht op het bestuur zijn belast. 8.Bij de vervulling van zijn taak richt de raad van commissarissen zich naar het belang van de rechtspersoon en, voor zover daarvan sprake is, de met deze verbonden onderneming. Tenzij de statuten anders bepalen, sluit dit niet uit dat een commissaris, met inachtneming van de eerste volzin, in het bijzonder opkomt voor de belangen van degene die hem heeft benoemd of voorgedragen en deze belangen relatief zwaar laat wegen. 9.Op de benoeming, de schorsing en het ontslag van commissarissen zijn onderscheidenlijk de artikelen 51, lid 1, onder c, 80 en 236 van overeenkomstige toepassing. Bij de naamloze vennootschap is artikel 136 van overeenkomstige toepassing, behoudens het bepaalde in artikel
  5. Artikel20 1.Een stem is nietig in de gevallen waarin een eenzijdige rechtshandeling nietig is; een stem kan niet worden vernietigd. 2.Een onbekwame die lid is van een vereniging, kan zijn stemrecht daarin zelf uitoefenen, voor zover de statuten zich daartegen niet verzetten. In andere gevallen komt de uitoefening van het stemrecht toe aan zijn wettelijke vertegenwoordiger. 3.Tenzij de statuten anders bepalen, is het in de vergadering van een orgaan van een rechtspersoon uitgesproken oordeel van de voorzitter omtrent de uitslag van een stemming beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel. 4.Wordt onmiddellijk na het uitspreken van het oordeel van de voorzitter de juistheid daarvan betwist, dan vindt een nieuwe stemming plaats, indien de meerderheid der vergadering of, indien de oorspronkelijke stemming niet hoofdelijk of schriftelijk geschiedde, een stemgerechtigde aanwezige dit verlangt. Door deze nieuwe stemming vervallen de rechtsgevolgen van de oorspronkelijke stemming. Artikel21 1.Een besluit van een orgaan van de rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten is nietig, tenzij iets anders uit de wet voortvloeit. 2.Nietig is ook een besluit indien een door dit boek of de statuten voorgeschreven quorum, meerderheid, voorstel, voordracht, machtiging of instemming ontbreekt. Nietig is voorts een besluit zolang een door dit boek of de statuten voorgeschreven goedkeuring van een ander orgaan ontbreekt. 3.Een besluit van een orgaan van de rechtspersoon is vernietigbaar op vordering van iemand die een redelijk belang heeft bij naleving van het voorschrift dat niet is nageleefd wegens: onverminderd het bepaalde in het tweede lid, strijd met bepalingen van de wet of de statuten, die de totstandkoming van besluiten regelen; strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 7 wordt geëist; strijd met een vennootschappelijke overeenkomst; strijd met een reglement. 4.De bevoegdheid om vernietiging van een besluit te vorderen, vervalt zes maanden na het einde van de dag waarop, hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. 5.De in het vierde lid genoemde vervaltermijn kan door de belanghebbende bij een binnen die termijn aan de rechtspersoon gedaan exploot met een termijn van maximaal zes maanden worden verlengd. Artikel22 1.De onherroepelijke uitspraak die de nietigheid van een besluit van een rechtspersoon vaststelt of die zulk een besluit vernietigt, is voor eenieder, behoudens herroeping of verzet door derden, bindend, indien de rechtspersoon partij in het geding is geweest. Herroeping komt ieder lid of aandeelhouder toe. 2.Is het besluit een rechtshandeling van de rechtspersoon, die tot een wederpartij is gericht, of is het een vereiste voor de geldigheid van zulk een rechtshandeling, dan kan de nietigheid of vernietiging van het besluit niet aan die wederpartij worden tegengeworpen, indien deze het gebrek dat aan het besluit kleefde niet kende of behoefde te kennen. Niettemin kan de nietigheid of vernietiging van een besluit tot uitgifte van aandelen aan de beoogde aandeelhouder en een besluit tot benoeming van een bestuurder of een commissaris aan de benoemde worden tegengeworpen; de rechtspersoon vergoedt echter de schade van de wederpartij, indien deze het gebrek in het besluit niet kende of behoefde te kennen. Artikel23 Bij de vaststelling in hoeverre bij stemmingen is voldaan aan een quorum of meerderheidseis, wordt geen rekening gehouden met lidmaatschappen of aandelen waarvan de wet bepaalt of de statuten bepalen dat daarvoor ten aanzien van het aan de orde zijnde onderwerp geen stem kan worden uitgebracht. Artikel24 1.De rechter kan de rechtspersoon ontbinden indien: zijn doel of werkzaamheden geheel of ten dele in strijd zijn met de goede zeden, de openbare orde, de wet of de statuten; de oprichtingshandeling ernstige gebreken vertoont; de statuten in strijd zijn met de wet; in geval van ontstentenis van alle bestuurders, niet op de voet van de in artikel 12, lid 1, bedoelde voorschriften tijdelijk in het bestuur is voorzien. 2.De rechter kan een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij ook ontbinden bij het geheel ontbreken van leden. 3.De rechter kan een naamloze of besloten vennootschap voorts ontbinden indien: niet ten minste zoveel aandelen dat ten aanzien van ieder onderwerp stemrecht kan worden uitgeoefend en één aandeel dat deelt in de winst, worden gehouden door een ander dan de vennootschap zelf; het verzoek tot ontbinding is gedaan binnen een jaar na de oprichting en de vennootschap niet kan aantonen dat de in artikel 101, lid 2, respectievelijk artikel 201, lid 2, bedoelde verklaring juist was, dan wel de in artikel 101, lid 3, respectievelijk artikel 201, lid 3, bedoelde oprichtingsbalans bij waardering van de getoonde activa en passiva naar in het maatschappelijk verkeer aanvaardbare maatstaven de toen bestaande toestand juist weergaf. 4.Ontbinding kan worden verzocht door een belanghebbende of het openbaar ministerie. Van de indiening van het verzoek wordt door de indiener mededeling gedaan in de Landscourant. Indien de rechtspersoon is ingeschreven in het handelsregister wordt van de indiening tevens opgave gedaan ten kantore van het handelsregister, ter inschrijving. 5.De rechter gaat niet over tot ontbinding voordat hij de rechtspersoon in de gelegenheid heeft gesteld de gronden voor ontbinding weg te nemen. Voor wat betreft de in het derde lid, onder b, genoemde grond geldt dat de rechter de ontbinding niet uitspreekt alvorens hij de vennootschap in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door hem te bepalen termijn haar eigen vermogen alsnog in overeenstemming te brengen met de daar bedoelde verklaring of balans. 6.De beschikking, waarbij de rechtspersoon ontbonden wordt verklaard, houdt in de benoeming van een curator en de aanwijzing van een rechter-commissaris. 7.De vereffening van de ontbonden rechtspersoon geschiedt door de curator onder toezicht van de rechter-commissaris, overeenkomstig de bepalingen van het Faillissementsbesluit
  6. 8.Van de beschikking, waarbij de rechtspersoon ontbonden wordt verklaard, wordt door de curator mededeling gedaan in de Landscourant. Indien de rechtspersoon is ingeschreven in het handelsregister wordt van de beschikking tevens opgave gedaan ten kantore van het handelsregister, ter inschrijving. 9.Is de ontbindingsgrond geheel of gedeeltelijk te wijten aan de grove schuld of de grove nalatigheid van een of meer oprichters, huidige of voormalige bestuurders of commissarissen, dan wel huidige of voormalige leden of aandeelhouders, dan zijn deze jegens de ontbonden rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor een bij de vereffening blijkend tekort. Artikel 14, lid 5, is van overeenkomstige toepassing. Artikel25 1.Een in het handelsregister ingeschreven rechtspersoon, wordt door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Nijverheid ontbonden, indien de Kamer is gebleken dat ten minste een van de navolgende omstandigheden zich voordoet: gedurende ten minste een jaar staan geen bestuurders van de rechtspersoon in het register ingeschreven, terwijl ook geen opgaaf tot inschrijving is gedaan, dan wel er doet zich, indien er wel bestuurders staan ingeschreven, een van de navolgende omstandigheden voor: alle bestuurders zijn overleden; alle bestuurders zijn niet bereikbaar gebleken op het in het register vermelde adres van de rechtspersoon. blijkens de administratie van de Kamer heeft de rechtspersoon gedurende ten minste een jaar niet voldaan aan de verplichting om het voor inschrijving in het handelsregister verschuldigde bedrag te voldoen; de rechtspersoon bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld ter zake van witwassen of terrorismefinanciering; de rechtspersoon niet voldoet aan het bepaalde in artikel 59 of 89, lid
  7. 2.De Kamer maakt het voornemen tot ontbinding van de rechtspersoon bekend, met vermelding van de omstandigheden waarop het voornemen is gegrond. 3.De bekendmaking van het voornemen vindt plaats door opname van de statutaire naam van de rechtspersoon op een lijst, aan te duiden als ontbindingslijst, die geplaatst wordt op de webpagina van de Kamer. 4.Tevens doet de Kamer van de plaatsing van de ontbindingslijst mededeling in de Landscourant en in een in Sint Maarten verschijnend nieuwsblad. 5.Na verloop van zes weken na de mededeling, bedoeld in het vierde lid, ontbindt de Kamer de rechtspersoon bij beschikking, tenzij voordien aan de Kamer is gebleken dat de omstandigheden, bedoeld in het lid 1, zich niet of niet meer voordoen. 6.De beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon wordt bekendgemaakt door opname daarvan in het handelsregister en door bekendmaking overeenkomstig het derde en vierde lid. Artikel25a 1.Ten aanzien van een beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon als bedoeld in artikel 25, lid 1, zijn de artikelen 55 en 75 van de Landsverordening administratieve rechtspraak niet van toepassing. 2.Indien tegen een beschikking tot ontbinding beroep ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak wordt ingesteld, schrijft De Kamer van Koophandel en Nijverheid dat in het handelsregister in. De beslissing op het beroep wordt tevens ingeschreven. 3.Indien de beslissing op beroep strekt tot vernietiging van de beschikking doet de Kamer daarvan een mededeling opnemen op de webpagina van de Kamer en doet zij daarvan mededeling in de Landscourant en in een in Sint Maarten verschijnend nieuwsblad. 4.Gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon na de beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon had opgehouden te bestaan, is er een verlengingsgrond als bedoeld in artikel 320 van Boek 3 ten aanzien van deverjaring van rechtsvorderingen van of tegen de rechtspersoon. Artikel25b 1.De Kamer van Koophandel en Nijverheid kan in de beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 25, lid 1, een vereffenaar aanwijzen. 2.De Kamer treedt op als vereffenaar van het vermogen van de aangewezen als bedoeld in het eerste lid, noch als bedoeld in artikel 29, lid
  8. 3.De Kamer die optreedt als vereffenaar, handelt overeenkomstig de bepalingen van artikel
  9. Artikel 25, lid 4, is van overeenkomstige toepassing op de mededeling, bedoeld in artikel 31, leden 5 en
  10. 4.De Kamer bewaart de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden rechtspersoon, voor zover deze onder haar berusten, gedurende tien jaren ten kantore van het handelsregister. 5.De Kamer is niet aansprakelijk voor de gevolgen van de beschikking tot ontbinding, de benoeming van een vereffenaar of de vereffening op grond van dit artikel. Artikel26 1.De rechter voor wie een verzoek tot ontbinding van een rechtspersoon aanhangig is, kan op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie een voorziening treffen als bedoeld in artikel 276, lid 4, indien het belang van de rechtspersoon of een andere in artikel 7, lid 1, bedoelde persoon, dan wel het belang van de crediteuren van de rechtspersoon, dit eist. 2.Van overeenkomstige toepassing zijn artikel 276, lid 3, eerste volzin en artikel 276, leden 5 tot en met
  11. Artikel27 1.De rechtspersoon wordt, onverminderd het elders in de wet bepaalde, ontbonden: door een daartoe strekkend besluit van de algemene vergadering of, indien de rechtspersoon een stichting is en de statuten dat toelaten, door een besluit van een daartoe in de statuten aangewezen orgaan of derde; na faillietverklaring, door hetzij opheffing van het faillissement wegens gebrek aan baten, hetzij insolventie. 2.Van de ontbinding wordt door de vereffenaars, in het geval van het eerste lid, onder b, door de curator, mededeling gedaan inde Landscourant. Indien de rechtspersoon is ingeschreven in het handelsregister wordt van de ontbinding tevens opgave gedaan ten kantore van het handelsregister, ter inschrijving. 3.De statuten kunnen andere wijzen van ontbinding aangeven. Een ontbinding krachtens een statutaire bepaling als bedoeld in dit lid treedt niet in werking alvorens daaraan bekendheid is gegeven overeenkomstig het tweede lid. De statutaire bepaling verliest haar geldigheid indien de vereffenaars niet binnen zes maanden na het tijdstip waarop dat voor het eerst mogelijk was, al het nodige hebben gedaan om de in het tweede lid bedoelde mededeling en inschrijving te doen plaatsvinden. Artikel28 1.Na zijn ontbinding geldt als doel van de rechtspersoon de vereffening van zijn vermogen en alles wat daartoe dienstig kan zijn. 2.In alle van de rechtspersoon uitgaande stukken worden aan de naam van de rechtspersoon aan het slot toegevoegd de voluit geschreven woorden "in liquidatie" of de vertaling daarvan in de daarvoor in aanmerking komende taal. Artikel29 1.Indien noch bij de statuten noch door de algemene vergadering of, bij de stichting, door het bestuur vereffenaars zijn aangewezen, treedt het bestuur als zodanig op. De rechter is te allen tijde bevoegd om op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie een vereffenaar te ontslaan, een of meer andere vereffenaars aan te wijzen, deze van de nodige instructies te voorzien en een beslissing te nemen ten aanzien van de beloning van vereffenaars en de onderlinge verdeling van die beloning. 2.Zijn er twee of meer vereffenaars, dan kan ieder van hen alle werkzaamheden tot vereffening verrichten, tenzij anders is bepaald. Bij verschil van mening tussen de vereffenaars beslist de rechter op de voet van lid 1, tweede volzin. Voor het overige vinden de bepalingen omtrent de bevoegdheden, plichten en aansprakelijkheid van bestuurders ten aanzien van de vereffenaars zo veel mogelijk toepassing, onverminderd artikel 28, lid
  12. 3.Blijkt de vereffenaar dat de schulden de baten vermoedelijk zullen overtreffen dan doet hij aangifte tot faillietverklaring, tenzij alle bekende schuldeisers desgevraagd schriftelijk instemmen met voortzetting van de vereffening buiten faillissement. 4.Indien noch bij de statuten, noch bij besluit van de algemene vergadering of bij de aanwijzing van vereffenaars door de rechter anders is bepaald, heeft de raad van commissarissen ten aanzien van de vereffenaars dezelfde taak als hij voor de ontbinding ten aanzien van het bestuur had. 5.Tegen een beslissing van de rechter op de voet van het eerste lid, tweede volzin, staat geen rechtsmiddel open. Artikel30 1.De vereffenaar maakt de activa van de rechtspersoon te gelde, wikkelt de verhoudingen tot derden af en betaalt de schulden. Wat na de voldoening van de schuldeisers overblijft wordt aan hen die krachtens de statuten daartoe zijn gerechtigd uitgekeerd, of anders aan de leden of aandeelhouders. Bij de naamloze en besloten vennootschap zijn artikel 118, lid 3, en artikel 218, lid 3, van overeenkomstige toepassing. Heeft geen ander recht op het overschot dan keert de vereffenaar dit uit aan het Land. 2.De vereffenaar is bevoegd om, indien de staat van de boedel daartoe aanleiding geeft, uitkeringen bij voorbaat te doen. Artikel31 1.Zodra het einde van de vereffening in zicht is, stelt de vereffenaar een rekening en verantwoording op van de vereffening waaruit blijkt in hoeverre elk van de schuldeisers is voldaan en, zo van een overschot sprake is, de omvang en samenstelling daarvan. Ter zake van het overschot stelt hij een plan van uitkering op dat de grondslagen van de uitkering bevat. 2.De vereffenaar legt de in het eerste lid genoemde stukken gedurende een periode van ten minste dertig dagen ter inzage ten kantore van de rechtspersoon en het handelsregister. In de Landscourant, alsmede schriftelijk aan alle bekende leden en houders van aandelen en aan alle bekende crediteuren, deelt hij mede waar en tot wanneer deze stukken ter inzage liggen. 3.Uiterlijk op de dertigste dag nadat zowel de ter inzage legging als de bekendmaking daarvan in het blad, bedoeld in het tweede lid, heeft plaatsgevonden, kan iedere schuldeiser of gerechtigde tegen de in het eerste lid genoemde stukken door een verzoekschrift bij de rechter in verzet komen. De vereffenaar doet van gedaan verzet op dezelfde wijze mededeling als van de terinzagelegging. Is geen verzet gedaan of is het gedaan verzet ingetrokken dan gaat de vereffenaar tot verdere afwikkeling en uitkering van het overschot over. 4.De rechter kan na gedaan verzet zodanige instructies voor een voortgezette vereffening geven en zodanige wijzigingen in het plan van uitkering aanbrengen als hem juist voorkomt. 5.Zodra de beslissing op elk verzet onherroepelijk is geworden doet de vereffenaar daarvan mededeling op dezelfde wijze als van het gedaan verzet. Hij gaat vervolgens tot verdere afwikkeling en uitkering van het overschot over. 6.De vereffening eindigt en de rechtspersoon houdt op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffenaar schriftelijk verklaart dat geen aan hem bekende baten meer aanwezig zijn en deze verklaring op de in het tweede lid voorziene wijze heeft bekendgemaakt. 7.Het eerste tot en met het zesde lid vinden geen toepassing indien de vereffenaar terstond bij zijn aantreden vaststelt dat geen aan hem bekende baten aanwezig zijn. Alsdan eindigt de vereffening en houdt de rechtspersoon op te bestaan op het tijdstip waarop een verklaring met die strekking, waarin de in de vorige volzin bedoelde vaststelling is opgenomen, door de vereffenaar bij het handelsregister is gedeponeerd en in de Landscourant is bekendgemaakt. 8.De vereffenaar stelt in alle gevallen een slotverantwoording op en legt deze ter inzage ten kantore van het handelsregister en, zo mogelijk, ten kantore van de rechtspersoon. Artikel32 1.Op verzoek van iemand die daarbij een redelijk belang heeft, kan de rechter de vereffening heropenen of alsnog openen en een of meer vereffenaars benoemen. 2.Indien het verzoek is gedaan door een achteraf opkomende schuldeiser is de vereffenaar bevoegd van de rechthebbenden tot het overschot het door ieder te veel ontvangen geldbedrag terug te vorderen. Artikel33 1.Na afloop van de vereffening blijven de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden rechtspersoon gedurende tien jaren berusten onder een bewaarder. 2.Indien noch bij de statuten noch door de algemene vergadering of, bij de stichting, door het bestuur een bewaarder is aangewezen, treedt de vereffenaar als zodanig op. Artikel 29, lid 1, is voor het overige overeenkomstig van toepassing. Artikel34 1.Iedere bewaarder is gehouden zijn aanwijzing of benoeming als zodanig ter inschrijving op te geven aan het kantoor van de handelsregisters, waar de ontbonden rechtspersoon was ingeschreven. 2.De rechthebbenden tot het overschot en hun rechtverkrijgenden kunnen door de rechter worden gemachtigd tot inzage van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, indien zij aantonen als zodanig bij die inzage een redelijk belang te hebben. 3.Tegen een beslissing krachtens het tweede lid staat geen rechtsmiddel open. Artikel35 1.Rechterlijke uitspraken, inhoudende: doorhaling, aanvulling of wijziging van hetgeen in het handelsregister ten aanzien van een rechtspersoon is ingeschreven; wijziging of tijdelijke afwijking van de statuten van de rechtspersoon; ontslag, schorsing of aanstelling, al dan niet tijdelijk, van een bestuurder of commissaris; nietigverklaring of vernietiging van een besluit tot ontbinding of wijziging van de statuten; ontbinding van een rechtspersoon of een beschikking als bedoeld in artikel 2, lid 3; vernietiging van een uitspraak als bedoeld onder a tot en met e; worden door de griffier van de rechterlijke instantie waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was aan de beheerder van het handelsregister gezonden met het verzoek zorg te dragen voor deponering en inschrijving van het uit die uitspraak blijkende relevante feit, zulks onverminderd de elders uit de wet voortvloeiende verplichting van anderen om van dat feit opgaaf ter inschrijving te doen. 2.In geval van faillissement of surseance van betaling van een rechtspersoon die is ingeschreven in het handelsregister, worden de aankondigingen welke krachtens het Faillissementsbesluit 1931 in de Landscourant worden opgenomen, door hem die met die openbaarmaking is belast, mede ter inschrijving in dat register opgegeven. Artikel36 1.Voor de toepassing van de bepalingen van dit boek wordt met een schriftelijke uiting gelijkgesteld een per exploot, telegram, telex, telefax, e-mail of ander tekst overbrengend communicatiemiddel gedane uiting. De statuten kunnen het gebruik van deze communicatiemiddelen beperken. 2.Alle geschriften, gedrukte stukken en schriftelijke uitingen van de rechtspersoon, met uitzondering van uitingen per telegram, telex, telefax, e-mail of ander tekstoverbrengend communicatiemiddel, moeten de volledige naam van de rechtspersoon, zijn statutaire zetel en het adres waar hij feitelijk gevestigd is of kantoor houdt bevatten. Is de rechtspersoon ingeschreven in het handelsregister dan wordt ook het inschrijfnummer vermeld. Artikel37 1.Voor de oprichting van een rechtspersoon, die bij notariële akte moet worden opgericht, zijn de oprichters aan het Land een vast recht verschuldigd. De hoogte van het vast recht wordt vastgesteld bij ministeriële beschikking met algemene werking. 2.Het vast recht wordt ten behoeve van het Land door de notaris voor wie de akte van oprichting wordt verleden geïnd. Indien een notaris nalaat het vast recht te innen, is hij niettemin afdrachtsplichtig. 3.Het vast recht wordt op aangifte afgedragen binnen dertig dagen na de dag dat de akte van oprichting is verleden. De aangifte wordt gedaan door het aanbieden van een afschrift van de akte van oprichting. 4.De aangifte wordt gelijktijdig met de betaling gedaan bij de landsontvanger. 5.De Landsverordening houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangafschriften alsmede van de rechtspleging inzake van belastingen, bijdragen en vergoedingen is van overeenkomstige toepassing. 6.Het bepaalde in de leden 1 tot en met 5 is van overeenkomstige toepassing bij wijziging van de statuten en bij omzetting van een naamloze of besloten vennootschap, met dien verstande dat het vast recht dan door de vennootschap verschuldigd is. Titel2 De stichting Artikel50 1.De stichting en de stichting particulier fonds zijn als zodanig bij notariële akte opgerichte rechtspersonen die beogen met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken. 2.Waar in de wet gesproken wordt van stichting geldt de bepaling eveneens voor de stichting particulier fonds, tenzij het tegendeel blijkt. 3.De stichting kent geen leden of aandeelhouders. Als leden van een stichting worden niet aangemerkt: personen aan wie bij of krachtens de statuten de bevoegdheid is gegeven om in de vervulling van ledige plaatsen in organen van de stichting te voorzien of om bestuurders of leden van andere organen van de stichting te schorsen en te ontslaan, deelnemers aan een pensioenfonds dat door de stichting wordt beheerd. 4.Het doel van een stichting die niet is een stichting particulier fonds, mag niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben. 5.Uitkeringen die voortvloeien uit een recht op pensioen, worden niet aangemerkt als uitkeringen als bedoeld in het vierde lid.
  13. Het doel van een stichting particulier fonds mag niet inhouden het uitoefenen van een bedrijf. 7.Als bedrijf bedoeld in het zesde lid wordt niet aangemerkt: het zich bezig houden met de belegging van haar kapitaal, ongeacht de aard van die beleggingen; het houden van een belang in een andere rechtspersoon; het deelnemen in een commanditaire vennootschap als commanditaire vennoot. Artikel51 1.De statuten moeten inhouden: de naam van de stichting, met het woord stichting respectievelijk stichting particulier fonds of een vertaling daarvan als deel van de naam; gaat het om een stichting particulier fonds dan mag ook de afkorting “S.P.F.” of “SPF” worden gebruikt; het doel van de stichting; de wijze van benoeming en ontslag van de bestuurders; de vermelding dat de stichting haar zetel heeft in Sint Maarten; de bestemming van het overschot na vereffening in geval van ontbinding van de stichting of de wijze waarop de bestemming zal worden vastgesteld. 2.De statuten van de stichting kunnen door haar organen slechts worden gewijzigd, indien en voor zover de statuten daartoe de mogelijkheid openen, onverminderd het bepaalde in artikel
  14. 3.De statuten kunnen bepalen dat personen die zich als aangeslotene of deelnemer of onder een soortgelijke benaming met de stichting hebben verbonden, bepaalde verplichtingen tegenover de stichting hebben of dat aan hen op in de statuten aangegeven wijze bepaalde verplichtingen kunnen worden opgelegd. Ter zake van de beëindiging van de verbinding is artikel 79 van overeenkomstige toepassing. Artikel53 1.Indien ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen, die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild, en de statuten de mogelijkheid van wijziging uitsluiten of daarin niet voorzien, of zij die tot wijziging de bevoegdheid hebben zulks nalaten, kan de rechter op verzoek van een oprichter, van het bestuur of van het openbaar ministerie de statuten wijzigen. 2.De rechter wijkt daarbij zo min mogelijk van de bestaande statuten af. Indien wijziging van het doel noodzakelijk is, wijst hij een doel aan dat aan het bestaande verwant is. Met inachtneming van het vorenstaande is de rechter bevoegd, zo nodig, de statuten op andere wijze te wijzigen dan is verzocht. 3.Met overeenkomstige toepassing van het eerste en tweede lid kan de rechter de statuten wijzigen om ontbinding van de stichting op een grond als vermeld in artikel 24 of artikel 57, lid 1, onder a, te voorkomen. 4.In een geding, waarin ontbinding van een stichting op een grond als in het derde lid vermeld wordt verzocht, kan de rechter de in dit artikel bedoelde bevoegdheden ook ambtshalve uitoefenen. Artikel54 1.Bij ernstige twijfel of de wet of de statuten te goeder trouw worden nageleefd dan wel het bestuur naar behoren wordt gevoerd, is het openbaar ministerie bevoegd aan het bestuur inlichtingen te verzoeken. De inlichtingen worden desgevraagd op schrift gesteld. 2.Bij niet of niet behoorlijke voldoening aan het verzoek, alsmede wanneer er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, kan het openbaar ministerie een of meer deskundige personen belasten met het inwinnen van nadere inlichtingen over het beleid en de gang van zaken bij de stichting. 3.Het bestuur is verplicht de gevraagde inlichtingen te verschaffen en desgevraagd ook inzage in zijn boeken, bescheiden en andere gegevensdragers te geven aan het openbaar ministerie en de deskundigen. Artikel55 1.Op verzoek van het openbaar ministerie of een belanghebbende kan een bestuurder door de rechter worden ontslagen indien: hij iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of de statuten, dan wel zich schuldig maakt aan wanbeleid; hij niet of niet behoorlijk voldoet aan zijn verplichtingen uit artikel 54, lid
  15. 2.De rechter kan, hangende het onderzoek, een voorziening als bedoeld in artikel 276, lid 4, treffen. Van overeenkomstige toepassing zijn artikel 276, lid 3, eerste volzin, en artikel 276,leden 5 tot en met
  16. 3.De rechter kan bepalen dat een door hem ontslagen bestuurder gedurende vijf jaren nadat het ontslag onherroepelijk is geworden geen bestuurder van een stichting kan zijn. Artikel56 1.Telkens wanneer het door de statuten voorgeschreven bestuur geheel of gedeeltelijk ontbreekt en daarin niet overeenkomstig de statuten wordt voorzien, kan de rechter op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie in de vervulling van de ledige plaats voorzien. De rechter neemt daarbij zoveel mogelijk de statuten in acht. 2.De rechter kan desverzocht of ambtshalve in de ledige plaats voorzien tegelijk met de toewijzing van een verzoek als bedoeld in artikel 55, lid
  17. Artikel57 1.De rechter ontbindt de stichting op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, indien: het vermogen van de stichting ten enenmale onvoldoende is voor de verwezenlijking van haar doel en in hoge mate onwaarschijnlijk is dat een voldoende vermogen door bijdragen of op andere wijze binnen afzienbare tijd zal worden verkregen; het doel der stichting is bereikt of niet meer kan worden bereikt en wijziging van het doel niet in aanmerking komt. 2.De rechter kan desverzocht of ambtshalve de stichting ontbinden tegelijk met de afwijzing van een verzoek als bedoeld in artikel 53 of
  18. 3.Artikel 24, leden 4 tot en met 8, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel58 Voor een stichting, waaraan een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening toebehoort, zijn de artikelen 119 tot en met 126 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: in artikel 120, lid 1, in plaats van “de algemene vergadering” wordt gelezen: het bestuur; artikel 120, lid 6, niet van toepassing is; in artikel 121, lid 2, in plaats van “de algemene vergadering” wordt gelezen: het in de statuten aangewezen orgaan; in artikel 121, lid 7, in plaats van “de algemene vergadering” en “zij” telkens wordt gelezen: het bestuur; in artikel 124, lid 1, de zinsnede vanaf “en bovendien” niet van toepassing is. Artikel59 1.Jaarlijks binnen acht maanden na afloop van het boekjaar, behoudens verlenging van deze termijn op grond van bijzondere omstandigheden met ten hoogste zes maanden, stelt het bestuur een jaarverslag vast over de gang van zaken in de stichting en over het gevoerde beleid. Het stelt tevens een jaarrekening vast, ten minste bestaande uit een balans, een staat van baten en lasten en een toelichting op deze stukken. 2.De jaarrekening wordt door alle bestuurders ondertekend. Ontbreekteen handtekening dan wordt de reden daarvoor medegedeeld. 3.De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat alsmede, voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de stichting. 4.Artikel 15, lid 3, vindt overeenkomstige toepassing op de opgemaakte en goedgekeurde jaarrekening en de daarbij behorende stukken. 5.Het jaarverslag vermeldt: de identiteit van de personen die verantwoordelijkheid dragen voor de activiteiten van de stichting en deze controleren of besturen, met inbegrip van hooggeplaatste functionarissen en beheerders, alsmede van leden van een Raad van Toezicht indien deze binnen de stichting bestaat; over welke controlemiddelen het bestuur beschikt om ervoor te zorgen dat de geldmiddelen volledig worden verantwoord en worden besteed op een wijze die consistent is met de doelstellingen van de stichting; en, over welke controlemiddelen het bestuur beschikt om de identiteit van haar belangrijke donoren en de identiteit en goede naam van haar begunstigden te controleren. 6.De jaarrekening bevat een gedetailleerde uitsplitsing van inkomsten en uitgaven, alsmede een overzicht van alle transacties aan of van een persoon of rechtspersoon in het buitenland boven een waarde van NAƒ 25.000,- of het equivalent daarvan in vreemde valuta. 7.Het jaarverslag en de jaarrekening zijn openbaar. Zij worden door het bestuur binnen een week na de ondertekening ervan op het internet gepubliceerd en gezonden aan de Kamer van Koophandel en Nijverheid en het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, bedoeld in artikel 2 van de Landsverordening Meldpunt Ongebruikelijke Transacties. 8.Indien de termijn, bedoeld in het eerste lid, op grond van bijzondere omstandigheden met ten hoogste zes maanden wordt verlengd, zendt het bestuur binnen een week na het besluit tot verlenging een kennisgeving daarvan aan de Kamer van Koophandel en Nijverheid en het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, bedoeld in artikel 2 van de Landsverordening Meldpunt Ongebruikelijke Transacties. 9.Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing indien zowel de balans, als het totaal van de baten of lasten minder bedraagt dan NAƒ 100.000,-. Titel3 De vereniging Artikel70 1.De vereniging is een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel, anders dan omschreven in artikel 90, lid 1 of lid
  19. 2.Een vereniging wordt bij meerzijdige rechtshandeling opgericht. 3.Een vereniging mag geen winst onder haar leden verdelen. Artikel71 1.Wordt een vereniging opgericht bij een notariële akte dan moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 4, de volgende bepalingen in acht worden genomen. 2.De statuten moeten inhouden: de naam van de vereniging en de vermelding dat zij haar zetel heeft in Sint Maarten; het doel van de vereniging; de verplichtingen die de leden tegenover de vereniging hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd; de wijze van bijeenroeping van de algemene vergadering; de wijze van benoeming en ontslag van de bestuurders; de bestemming van het overschot na vereffening in geval van ontbinding van de vereniging of de wijze waarop de bestemming zal worden vastgesteld. Artikel72 De algemene vergadering van een vereniging, die niet overeenkomstig artikel 71, lid 1, is opgericht, kan besluiten de statuten te doen opnemen in een notariële akte. Alsdan is artikel 71 van overeenkomstige toepassing. Artikel73 1.Een vereniging waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte, kan geen registergoederen verkrijgen en kan geen erfgenaam zijn. 2.De bestuurders van een zodanige vereniging zijn hoofdelijk naast de vereniging verbonden voor schulden uit een rechtshandeling die tijdens hun bestuur ontstaan of opeisbaar worden. Na hun aftreden zijn zij voorts hoofdelijk verbonden voor schulden, voortspruitend uit een tijdens hun bestuur verrichte rechtshandeling. Aansprakelijkheid ingevolge een der voorgaande volzinnen rust niet op degene die niet tevoren over de rechtshandeling is geraadpleegd en die heeft geweigerd haar, toen zij hem bekend werd, als bestuurder voor zijn verantwoording te nemen. Ontbreken personen die ingevolge de eerste of tweede volzin naast de vereniging zijn verbonden, dan zijn degenen die handelden, hoofdelijk verbonden. 3.De bestuurders van een zodanige vereniging kunnen haar doen inschrijven in het handelsregister. Daarbij leggen zij een afschrift van de statuten ten kantore van dat register neer. Is een afschrift bij het register neergelegd dan zijn in geval van statutenwijziging de bestuurders verplicht aldaar tevens een afschrift van de wijziging en van de gewijzigde statuten neer te leggen. 4.Heeft de inschrijving bedoeld in het derde lid plaatsgevonden, dan is degene die uit hoofde van het tweede lid wordt verbonden slechts aansprakelijk, voor zover de wederpartij aannemelijk maakt dat de vereniging niet aan de verbintenis zal voldoen. Artikel74 1.Een vereniging kan naast gewone leden ook een of meer andere soorten van leden hebben. 2.Gewone leden hebben de rechten en verplichtingen die in dit boek aan leden zijn toegekend. Leden, niet zijnde gewone leden, hebben deze rechten en verplichtingen voor zover de statuten niet anders bepalen. Artikel75 Tenzij de statuten anders bepalen, beslist het bestuur over de toelating van een lid en kan bij niet-toelating de algemene vergadering alsnog tot toelating besluiten. Artikel76 1.Het lidmaatschap van de vereniging is persoonlijk, tenzij de statuten anders bepalen. 2.Tenzij de statuten van de vereniging anders bepalen, gaat het lidmaatschap van een rechtspersoon die door fusie of splitsing ophoudt te bestaan, over op de verkrijgende rechtspersoon, onderscheidenlijk overeenkomstig de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving op een van de verkrijgende rechtspersonen. Artikel7 Verbintenissen kunnen slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap worden verbonden. Artikel78 1.Het lidmaatschap eindigt: door de dood van het lid, tenzij de statuten overgang krachtens erfrecht toelaten; door opzegging door het lid; door opzegging door de vereniging; door ontzetting. 2.Is het lidmaatschap verbonden aan de kwaliteit van eigenaar van of gerechtigde tot een registergoed, dan kunnen de statuten bepalen dat bij opzegging door het lid de aan het lidmaatschap verbonden verplichtingen geheel of gedeeltelijk op de betrokkene blijven rusten zolang hij eigenaar of gerechtigde is. 3.De vereniging kan het lidmaatschap opzeggen in de gevallen in de statuten genoemd, voorts wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten door de statuten voor het lidmaatschap gesteld, te voldoen, alsook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. Tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen, geschiedt de opzegging door het bestuur. 4.Ontzetting kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. 5.Tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen, geschiedt de ontzetting door het bestuur. Het lid wordt ten spoedigste schriftelijk van het besluit, met opgave van redenen, in kennis gesteld. Hem staat, behalve wanneer krachtens de statuten het besluit door de algemene vergadering is genomen, binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit, beroep op de algemene vergadering of een daartoe bij de statuten aangewezen orgaan of derde open. De statuten kunnen een andere regeling van het beroep bevatten, doch de termijn kan niet korter dan op één maand worden gesteld. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst. 6.Wanneer het lidmaatschap in de loop van een boekjaar eindigt, blijft, tenzij de statuten anders bepalen, desniettemin de jaarlijkse bijdrage voor het geheel verschuldigd. Artikel79 1.Tenzij de statuten anders bepalen, kan opzegging van het lidmaatschap slechts geschieden tegen het einde van een boekjaar en met inachtneming van een opzeggingstermijn van vier weken. In ieder geval kan het lidmaatschap worden beëindigd door opzegging tegen het eind van het boekjaar, volgend op dat waarin wordt opgezegd, of onmiddellijk, indien redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. 2.Een opzegging in strijd met het in het eerste lid bepaalde, doet het lidmaatschap eindigen op het vroegst toegelaten tijdstip volgende op de datum waartegen was opgezegd. 3.Een lid kan voorts zijn lidmaatschap met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een maand nadat een besluit of statutenwijziging waarbij zijn rechten zijn beperkt of zijn verplichtingen zijn verzwaard, hem is bekend geworden of medegedeeld. Het besluit of de gewijzigde statutaire bepaling is alsdan niet op hem van toepassing. Deze bevoegdheid tot opzegging kan de leden bij de statuten worden ontzegd voor het geval van wijziging van daar nauwkeurig omschreven rechten en verplichtingen. 4.Een lid kan zijn lidmaatschap ook met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een maand nadat hem een besluit is meegedeeld tot omzetting van de vereniging in een andere rechtsvorm, tot fusie of tot splitsing. Artikel80 1.Het bestuur wordt uit de leden benoemd. De statuten kunnen echter bepalen dat bestuurders ook buiten de leden kunnen worden benoemd. 2.De benoeming geschiedt door de algemene vergadering. De statuten kunnen de wijze van benoeming echter ook anders regelen, mits elk lid middellijk of onmiddellijk aan de stemming over de benoeming der bestuurders kan deelnemen. 3.De statuten kunnen bepalen, dat een of meer der bestuurders, mits minder dan de helft, door andere personen dan de leden worden benoemd. 4.Is in de statuten bepaald dat een bestuurder in een vergadering uit een bindende voordracht moet worden benoemd, dan kan aan die voordracht het bindend karakter worden ontnomen door een met ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen genomen besluit van die vergadering. In de statuten kan worden bepaald dat op deze vergadering ten minste een bepaald aantal stemmen moet kunnen worden uitgebracht; dit aantal mag niet hoger worden gesteld dan twee derden van het aantal stemmen dat door de stemgerechtigden gezamenlijk kan worden uitgebracht. 5.Indien ingevolge de statuten een bestuurder door leden of afdelingen buiten een vergadering wordt benoemd, dan moet aan de leden gelegenheid worden geboden kandidaten te stellen. De statuten kunnen bepalen dat dit recht slechts aan een aantal leden gezamenlijk toekomt, mits hun aantal niet hoger wordt gesteld dan een vijfde van het aantal leden dat aan de verkiezing kan deelnemen. De statuten kunnen voorts bepalen dat aldus gestelde kandidaten slechts zijn benoemd, indien zij ten minste een bepaald aantal stemmen op zich hebben verenigd, mits dit aantal niet groter is dan twee derden van het aantal der uitgebrachte stemmen. 6.Een bestuurder kan, ook al is hij voor een bepaalde tijd benoemd, te allen tijde door het orgaan dat hem heeft benoemd, worden ontslagen of geschorst. Voor de toepassing van deze bepaling worden de bestuurders die bij de oprichting zijn aangewezen geacht te zijn benoemd door de algemene vergadering, tenzij uit de statuten anders voortvloeit. 7.Tenzij de statuten anders bepalen, wijst het bestuur uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan. 8.Indien artikel 18 toepassing heeft gevonden geldt het in dit artikel bepaalde voor de benoeming van het algemeen bestuur. Artikel81 1.Behoudens het in artikel 82 bepaalde, hebben alle leden die niet geschorst zijn, toegang tot de algemene vergadering en hebben zij daar ieder één stem. Een geschorst lid heeft toegang tot de vergadering waarin het besluit tot schorsing wordt behandeld, en is bevoegd daarover het woord te voeren. De statuten kunnen aan bepaalde leden meer dan één stem toekennen. 2.Tenzij de statuten anders bepalen, treden de voorzitter en de secretaris van het bestuur of hun vervangers, als zodanig ook op bij de algemene vergadering. 3.De statuten kunnen bepalen dat personen die deel uitmaken van andere organen der vereniging en die geen lid zijn, in de algemene vergadering stemrecht kunnen uitoefenen. Het aantal door hen gezamenlijk uitgebrachte stemmen zal echter niet meer mogen zijn dan de helft van het aantal door de leden uitgebrachte stemmen. 4.Tenzij de statuten anders bepalen, kan iemand die krachtens het eerste lid of derde lid stemgerechtigd is, aan een andere stemgerechtigde schriftelijk volmacht verlenen tot het uitbrengen van zijn stem. Artikel82 1.De statuten kunnen bepalen dat de algemene vergadering zal bestaan uit afgevaardigden die door en uit de leden worden gekozen. De wijze van verkiezing en het aantal van de afgevaardigden worden door de statuten geregeld; elk lid moet middellijk of onmiddellijk aan de verkiezing kunnen deelnemen. Artikel 80, vierde en vijfde lid, zijn bij de verkiezing van overeenkomstige toepassing. Artikel 81, lid 3, is van overeenkomstige toepassing op personen die deel uitmaken van andere organen der vereniging en die geen afgevaardigde zijn. 2.De statuten kunnen bepalen dat bepaalde besluiten van de algemene vergadering aan een referendum zullen worden onderworpen. De statuten regelen de gevallen waarin, de tijd waarbinnen, en de wijze waarop het referendum zal worden gehouden. Hangende de uitslag van het referendum wordt de uitvoering van het besluit geschorst. Artikel83 1.Aan de algemene vergadering komen in de vereniging alle bevoegdheden toe, die niet door de wet of de statuten aan een ander orgaan zijn toegekend. 2.Een eenstemmig besluit van alle leden of afgevaardigden, ook al zijn deze niet in een vergadering bijeen, heeft, mits met voorkennis van het bestuur genomen, dezelfde kracht als een besluit van de algemene vergadering. Artikel84 1.Het bestuur roept de algemene vergadering bijeen, zo dikwijls het dit wenselijk oordeelt, of wanneer het daartoe volgens de wet of de statuten verplicht is. De statuten kunnen deze bevoegdheid ook aan anderen dan het bestuur verlenen. 2.Op schriftelijk verzoek van ten minste een zodanig aantal leden of afgevaardigden als bevoegd is tot het uitbrengen van een tiende gedeelte der stemmen in de algemene vergadering of van een zoveel geringer aantal als bij de statuten is bepaald, is het bestuur verplicht tot het bijeenroepen van een algemene vergadering op een termijn van niet langer dan vier weken na indiening van het verzoek. 3.Indien aan het verzoek binnen veertien dagen geen gevolg wordt gegeven, kunnen, tenzij in de statuten de wijze van bijeenroeping der algemene vergadering voor dit geval anders is geregeld, de verzoekers zelf tot die bijeenroeping overgaan op de wijze waarop het bestuur de algemene vergadering bijeenroept of bij advertentie in ten minste één dagblad. De verzoekers kunnen alsdan anderen dan bestuurders belasten met de leiding der vergadering en het opstellen der notulen. 4.Tenzij de statuten anders bepalen wordt de vergadering in Sint Maarten gehouden. Artikel85 De artikelen 80 tot en met 84 zijn van overeenkomstige toepassing op de afdelingen van een vereniging die geen rechtspersonen zijn en die een algemene vergadering en een bestuur hebben. Wat in die artikelen omtrent de statuten is bepaald, kan in een afdelingsreglement worden neergelegd. Artikel86 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 5 kan in de statuten van de vereniging geen wijziging worden aangebracht dan door een besluit van een algemene vergadering, waartoe is opgeroepen met de mededeling dat aldaar wijziging van de statuten zal worden voorgesteld. De termijn voor oproeping tot een zodanige vergadering bedraagt ten minste zeven dagen, de dag van de oproeping en de dag van vergadering niet meegerekend. 2.Zij die de oproeping tot de algemene vergadering ter behandeling van een voorstel tot statutenwijziging hebben gedaan, moeten ten minste vijf dagen vóór de vergadering een afschrift van dat voorstel, waarin de voorgedragen wijziging woordelijk is opgenomen, op een daartoe geschikte plaats voor de leden ter inzage leggen tot na afloop van de dag waarop de vergadering wordt gehouden. Aan de afdelingen waaruit de vereniging bestaat en aan afgevaardigden moet het voorstel ten minste veertien dagen vóór de vergadering ter kennis zijn gebracht; de eerste volzin is dan niet van toepassing. 3.Het bepaalde in de eerste twee leden is niet van toepassing, indien in de algemene vergadering alle leden of afgevaardigden aanwezig of vertegenwoordigd zijn en het besluit tot statutenwijziging met algemene stemmen wordt genomen. 4.Het in dit artikel en in artikel 87, leden 1 en 2, bepaalde is van overeenkomstige toepassing op een besluit tot ontbinding. Artikel87 1.Tenzij de statuten anders bepalen, behoeft een besluit tot statutenwijziging ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen. 2.Voor zover de bevoegdheid tot wijziging bij de statuten mocht zijn uitgesloten, is wijziging niettemin mogelijk met algemene stemmen in een vergadering, waarin alle leden of afgevaardigden aanwezig of vertegenwoordigd zijn. 3.Een bepaling in de statuten, welke de bevoegdheid tot wijziging van een of meer andere bepalingen beperkt, kan slechts worden gewijzigd met inachtneming van gelijke beperking. 4.Een bepaling in de statuten, welke de bevoegdheid tot wijziging van een of meer andere bepalingen uitsluit, kan slechts worden gewijzigd met algemene stemmen in een vergadering, waarin alle leden of afgevaardigden aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Artikel88 De vereniging kan, voor zover uit de statuten niet het tegendeel voortvloeit, ten behoeve van de leden rechten bedingen en, voor zover dit in de statuten uitdrukkelijk is bepaald, te hunnen laste verplichtingen aangaan. Zij kan nakoming van bedongen rechten jegens en schadevergoeding aan een lid vorderen, tenzij dit lid zich daartegen verzet. Artikel89 1.Het bestuur brengt op een algemene vergadering binnen acht maanden na afloop van het boekjaar, behoudens verlenging van deze termijn door de algemene vergadering, een jaarverslag uit over de gang van zaken in de vereniging en over het gevoerde beleid. Het legt een jaarrekening, ten minste bestaande uit een balans, een staat van baten en lasten en een toelichting op deze stukken, ter goedkeuring aan de vergadering voor. De jaarrekening wordt ondertekend door de bestuurders en, zo die er zijn, de commissarissen; ontbreekt de ondertekening van een of meer van hen, dan wordt daarvan onder opgave van redenen melding gemaakt. Na verloop van de termijn kan ieder lid van de gezamenlijke bestuurders in rechte vorderen dat zij deze verplichtingen nakomen. 2.Ontbreekt een raad van commissarissen en wordt omtrent de getrouwheid van de stukken aan de algemene vergadering niet overgelegd een verklaring afkomstig van een deskundige als bedoeld in artikel 121, lid 1, dan benoemt de algemene vergadering jaarlijks een commissie van ten minste twee leden die geen deel van het bestuur mogen uitmaken. De commissie onderzoekt de stukken bedoeld in de tweede volzin van het eerste lid en brengt aan de algemene vergadering verslag van haar bevindingen uit. Het bestuur is verplicht de commissie ten behoeve van haar onderzoek alle door haar gevraagde inlichtingen te verschaffen, haar desgewenst de kas en de waarden te tonen en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de vereniging voor raadpleging beschikbaar te stellen. 3.Bij een vereniging, waaraan een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening toebehoort, zijn de artikelen 119 tot en met 126 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 119, lid 1, en artikel 119, lid 3, tweede volzin, in plaats van “de artikelen 116 en 117” wordt gelezen: artikel 89,leden 1 en
  20. 4.Het bepaalde in artikel 59, zesde, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing, tenzij zowel de balans, als het totaal van de baten of lasten minder bedraagt dan NAƒ 100.000,-. Titel4 De coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij Artikel90 1.De coöperatie is een bij notariële akte als coöperatie opgerichte rechtspersoon met leden. Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen. 2.De onderlinge waarborgmaatschappij is een bij notariële akte als onderlinge waarborgmaatschappij opgerichte rechtspersoon met leden. Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen met haar leden verzekeringsovereenkomsten te sluiten of leden en mogelijk anderen in het kader van een wettelijke regeling verzekerd te houden, een en ander in het verzekeringsbedrijf dat zij te dien einde ten behoeve van haar leden uitoefent. 3.De statuten van een coöperatie kunnen haar veroorloven overeenkomsten als die welke zij met haar leden sluit, ook met anderen aan te gaan. Hetzelfde geldt voor de statuten van een onderlinge waarborgmaatschappij die geen bepaling als bedoeld in artikel 92 kennen. 4.Indien een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij de in het derde lid bedoelde bevoegdheid uitoefent, mag zij dat niet in een zodanige mate doen, dat de overeenkomsten met de leden slechts van ondergeschikte betekenis zijn. 5.De naam van een coöperatie moet het woord "coöperatief" bevatten of een afleiding daarvan, die van een onderlinge waarborgmaatschappij het woord "onderling" of "wederkerig" of een afleiding daarvan. Is de akte van oprichting in een andere taal dan de Nederlandse gesteld dan kan het equivalent van deze woorden in die andere taal worden gebruikt. Artikel91 De bepalingen van titel 3 zijn, met uitzondering van artikel 70, lid 3, op de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan in deze titel niet wordt afgeweken. Artikel92 1.De statuten kunnen bepalen dat zij die bij de ontbinding leden waren, of minder dan een jaar te voren hebben opgehouden leden te zijn, tegenover de rechtspersoon naar de daarbij aangegeven maatstaf voor een tekort aansprakelijk zijn; wordt een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij ontbonden door haar insolventie nadat zij in staat van faillissement is verklaard, dan wordt de termijn van een jaar niet van de dag der ontbinding, maar van de dag der faillietverklaring gerekend. De statuten kunnen een langere termijn dan een jaar vaststellen. 2.Bevatten de statuten niet een maatstaf voor ieders aansprakelijkheid, dan zijn allen voor gelijke delen aansprakelijk. 3.Kan op een of meer van de leden of oud-leden het bedrag van zijn aandeel in het tekort niet worden verhaald, dan zijn voor het ontbrekende de overige leden en oud-leden, ieder naar evenredigheid van zijn aandeel, aansprakelijk. Deze aansprakelijkheid bestaat ook, indien de vereffenaars afzien van verhaal op een of meer leden of oud-leden, op grond dat door de uitoefening van het verhaalsrecht een bate voor de boedel niet zou worden verkregen. Indien de vereffening geschiedt onder toezicht van personen, door de wet met dat toezicht belast, kunnen de vereffenaars van dat verhaal slechts afzien met machtiging van deze personen. 4.De aansprakelijke leden en oud-leden zijn gehouden tot onmiddellijke betaling van hun aandeel in een geraamd tekort, vermeerderd met 50 ten honderd, of zoveel minder als de vereffenaars voldoende achten, tot voorlopige dekking van een nadere omslag voor de kosten van invordering en van het aandeel van hen, die in gebreke mochten blijven aan hun verplichting te voldoen. 5.Een lid of oud-lid is niet bevoegd tot verrekening van zijn schuld uit hoofde van dit artikel. Artikel93 1.Indien de statuten een regeling bevatten als bedoeld in artikel 92, lid 1, kunnen zij de verplichting van de leden of oud-leden om in een tekort bij te dragen, tot een maximum beperken. 2.Bevatten de statuten geen regeling als bedoeld in artikel 92, lid 1, dan zijn de leden of oud-leden niet gehouden om in een tekort bij te dragen. Artikel94 1.Jaarlijks binnen acht maanden na afloop van het boekjaar, behoudens verlenging van deze termijn door de algemene vergadering op grond van bijzondere omstandigheden met ten hoogste zes maanden, maakt het bestuur een jaarrekening op, ten minste bestaande uit een balans, een winst en verliesrekening en een toelichting op deze stukken. 2.De opgemaakte jaarrekening wordt door alle bestuurders ondertekend. Zij wordt medeondertekend door de commissarissen die in functie zijn. Ontbreekt een handtekening dan wordt de reden daarvoor medegedeeld. 3.De opgemaakte jaarrekening wordt aan de algemene vergadering ter goedkeuring voorgelegd. De statuten kunnen bepalen dat de algemene vergadering de bevoegdheid heeft alle of bepaalde posten te wijzigen dan wel het bestuur op te dragen de jaarrekening te wijzigen volgens door de algemene vergadering of een commissie uit die vergadering te geven aanwijzingen. 4.De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat alsmede, voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij. 5.Artikel 15, lid 3, vindt overeenkomstige toepassing op de opgemaakte en goedgekeurde jaarrekening en de daarbij behorende stukken. 6.De artikelen 119 tot en met 126 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daarbij in artikel 119, lid 1, en in artikel 119, lid 3, tweede volzin, in plaats van “de artikelen 116 en 117” wordt gelezen: artikel 94, leden 1 tot en met
  21. Artikel95 1.Coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen zijn niet bevoegd door een besluit wijzigingen in de met haar leden in de uitoefening van haar bedrijf aangegane overeenkomsten aan te brengen, tenzij zij zich deze bevoegdheid in de overeenkomst op duidelijke wijze hebben voorbehouden. Een verwijzing naar statuten, reglementen, algemene voorwaarden of dergelijke, is daartoe niet voldoende. 2.Op een wijziging als in het eerste lid bedoeld kan de rechtspersoon zich tegenover een lid slechts beroepen indien de wijziging schriftelijk aan het lid was medegedeeld. Artikel96 Voor de coöperatie geldt voorts dat, met behoud der vrijheid van uittreding uit de coöperatie, daaraan bij de statuten voorwaarden, in overeenstemming met haar doel en strekking, kunnen worden verbonden. Een voorwaarde welke verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden. Artikel97 Voor een coöperatie, die in haar statuten een regeling heeft opgenomen als bedoeld in artikel 92, gelden bovendien de volgende bepalingen: Het lidmaatschap wordt schriftelijk aangevraagd. Aan de aanvrager wordt eveneens schriftelijk bericht, dat hij als lid is toegelaten of geweigerd. Wanneer hij is toegelaten, wordt hem tevens medegedeeld onder welk nummer hij als lid in de administratie der coöperatie is ingeschreven. Niettemin behoeft, ten bewijze van de verkrijging van het lidmaatschap, van een schriftelijke aanvrage en een schriftelijk bericht als hiervoor bedoeld, niet te blijken. De geschriften, waarbij het lidmaatschap wordt aangevraagd, worden gedurende ten minste tien jaren door het bestuur bewaard. Echter behoeven de hier bedoelde geschriften niet te worden bewaard voor zover het betreft diegenen, van wie het lidmaatschap kan blijken uit een door hen ondertekende, gedagtekende verklaring in de administratie van de coöperatie. De opzegging van het lidmaatschap kan slechts geschieden, hetzij bij een afzonderlijk geschrift, hetzij door een door het lid ondertekende, gedagtekende verklaring in de administratie van de coöperatie. Het lid dat de opzegging doet, ontvangt daarvan een schriftelijke erkenning van het bestuur. Wordt de schriftelijke erkenning niet binnen veertien dagen gegeven, dan is het lid bevoegd de opzegging op kosten van de coöperatie bij deurwaardersexploot te herhalen. Een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de ledenlijst wordt ten kantore van het handelsregister neergelegd bij de inschrijving van de coöperatie. Binnen een maand na het einde van ieder boekjaar wordt door het bestuur een schriftelijke opgave van de wijzigingen die de ledenlijst in de loop van het boekjaar heeft ondergaan, aan de ten kantore van het handelsregister neergelegde lijst toegevoegd of wordt, indien de Kamer van Koophandel en Nijverheid dit nodig oordeelt, een nieuwe lijst neergelegd. Artikel98 Voor een onderlinge waarborgmaatschappij gelden voorts de volgende bepalingen: Zij die als verzekeringnemer bij een onderlinge waarborgmaatschappij een overeenkomst van verzekering lopende hebben, zijn van rechtswege lid van de waarborgmaatschappij. Bij de onderlinge waarborgmaatschappij die krachtens haar statuten ook verzekeringnemers die geen lid zijn mag verzekeren, kan van deze bepaling worden afgeweken. Tenzij de statuten anders bepalen, duurt het lidmaatschap dat uit een verzekeringsovereenkomst ontstaat, voort totdat alle door het lid met de waarborgmaatschappij gesloten verzekeringsovereenkomsten zijn geëindigd. Bij overdracht of overgang van de rechten en verplichtingen uit zodanige overeenkomst gaat het lidmaatschap, voor zover uit die overeenkomst voortvloeiende, op de nieuwe verkrijger of de nieuwe verkrijgers over, een en ander behoudens afwijkende bepalingen in de statuten. Artikel99 1.Het is aan een persoon die geen coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij is, verboden zaken te doen met gebruik van de aanduiding "coöperatief", "onderling" of "wederkerig" of een afleiding daarvan. 2.Ingeval van overtreding van dit verbod kan iedere coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij vorderen, dat de overtreder zich op straffe van een door de rechter te bepalen dwangsom onthoudt het gewraakte woord bij het doen van zaken te gebruiken. Titel5 De naamloze vennootschap Afdeling1Algemene bepalingen Artikel100 1.De naamloze vennootschap is een als zodanig aangeduide rechtspersoon met een of meer op naam gestelde aandelen. Aandelen aan toonder kunnen niet worden uitgegeven. 2.De vennootschap wordt door een of meer personen opgericht bij notariële akte. Bij de oprichting worden ten minste zoveel aandelen bij een oprichter of een derde geplaatst dat ten aanzien van ieder onderwerp stemrecht kan worden uitgeoefend en ten minste één aandeel dat deelt in de winst. 3.Rechten die stemrecht noch aanspraak op een uitkering als bedoeld in artikel 118 omvatten, worden niet als aandeel aangemerkt. Artikel101 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 4, lid 2, bevat de akte van oprichting in elk geval: de aantallen en soorten van de bij de oprichting geplaatste aandelen, alsmede de namen en woonplaatsen van degenen die deze aandelen hebben genomen; het bedrag of de waarde van iedere storting en de modaliteiten van de stortingsplicht en de voldoening daaraan. 2.In de akte van oprichting wordt opgenomen of daaraan wordt gehecht een verklaring van alle oprichters dat het eigen vermogen van de vennootschap bij de oprichting niet negatief is. 3.Wordt anders dan in geld gestort dan wordt bovendien aan de akte gehecht een door alle oprichters getekende oprichtingsbalans dat een eigen vermogen toont dat niet negatief is. De oprichtingsbalans heeft betrekking op een tijdstip dat ten hoogste drie maanden vóór de dag van de akte ligt. 4.Heeft de vennootschap bij de oprichting een nominaal kapitaal, dan wordt bij de toepassing van het tweede en derde lid, het bedrag daarvan als ondergrens in aanmerking genomen. 5.De akte wordt in persoon of bij schriftelijke volmacht getekend door iedere oprichter en door ieder die blijkens de akte een of meer aandelen neemt. Artikel102 1.De statuten vermelden de naam van de vennootschap, Sint Maarten als de plaats waar de vennootschap haar zetel heeft en het doel van de vennootschap. De naam vangt aan of eindigt met de woorden naamloze vennootschap, hetzij voluit geschreven, hetzij afgekort tot “N.V." of “NV”. De naam mag niet in andere dan Latijnse schrifttekens gesteld zijn. 2.De statuten kunnen bepalen dat er verschillende soorten aandelen zijn. Zij kunnen aan een of meer soorten een nominale waarde toekennen. De nominale waarde kan in een of meer vreemde muntsoorten worden uitgedrukt, met dien verstande echter dat per soort aandeel steeds dezelfde muntsoort wordt gebruikt. 3.Als nominaal kapitaal heeft te gelden de som van de nominale waarden van de uitgegeven aandelen. Door statutenwijziging kan de nominale waarde worden opgeheven of gewijzigd. Vermeerdering van de nominale waarde is niet mogelijk indien het nominaal kapitaal groter is dan het eigen vermogen van de vennootschap of daardoor groter wordt. 4.Kennen de statuten verschillende soorten aandelen of aandelen met een verschillende nominale waarde, dan bevatten zij bepalingen met betrekking tot de aan die aandelen en andere aandelen verbonden stem- en uitkeringsrechten. 5.In afwijking van artikel 3, lid 2, kunnen de statuten bepalen dat houders van alle aandelen, of van alle aandelen van een bepaalde soort, persoonlijk aansprakelijk zijn, al dan niet hoofdelijk, voor bepaalde of alle schulden van de vennootschap. In dat geval komt het in artikel 109, lid 4, bedoelde inzagerecht toe aan iedere belanghebbende. Iedere belanghebbende kan voorts verlangen dat aan hem wordt afgegeven een door het bestuur van de vennootschap gewaarmerkt uittreksel uit het register waarop de voor hem van belang zijnde gegevens staan vermeld. Een besluit tot wijziging van de statuten, waardoor een zodanige persoonlijke aansprakelijkheid wordt ingevoerd, gewijzigd of afgeschaft, kan slechts tot stand komen met de uitdrukkelijke instemming van alle aandeelhouders en alle stemgerechtigden. 6.Een derde te wiens behoeve een bepaling als bedoeld in het vijfde lid in de statuten is opgenomen kan de betrokken aandeelhouder rechtstreeks daaruit aanspreken, tenzij dit in die bepaling is uitgesloten. De vennootschap kan steeds nakoming jegens de derde vorderen, tenzij deze zich daartegen verzet. 7.Wordt door statutenwijziging een aansprakelijkheidsregeling als bedoeld in het vijfde lid afgeschaft of gewijzigd, waardoor de aansprakelijkheid van een of meer aandeelhouders vervalt of vermindert, dan heeft die afschaffing of wijziging ook effect voor bestaande schulden, echter met dien verstande dat ten aanzien van die schulden het verval of de vermindering van de aansprakelijkheid eerst intreedt zes maanden na het tijdstip waarop, nadat de statutenwijziging heeft plaatsgevonden, ten aanzien van de betrokken aandeelhouder een daarop aansluitende aantekening in het register, bedoeld in artikel 109, is gedaan, alles onverminderd het bepaalde in de Handelsregisterverordening. De statuten kunnen deze termijn verlengen of door een langere verjaringstermijn vervangen. 8.Houdt een aandeelhouder, op wie een aansprakelijkheid rust uit hoofde van een statutaire bepaling als bedoeld in het vijfde lid, op aandeelhouder te zijn, dan vervalt ook zijn aansprakelijkheid voor bestaande schulden, zulks echter met dien verstande dat ten aanzien van die schulden het verval van aansprakelijkheid eerst intreedt zes maanden na het tijdstip waarop, nadat zijn aandeelhouderschap is geëindigd, daarvan aantekening is gedaan in het register, bedoeld in artikel
  22. De statuten kunnen deze termijn verlengen of door een langere verjaringstermijn vervangen. Afdeling2 De aandelen Artikel103 1.Voor zover de wet of de statuten niet anders bepalen zijn aan alle aandelen gelijke rechten en verplichtingen verbonden. 2.De statuten kunnen bepalen dat ter zake van aandelen van een of meer soorten onderaandelen kunnen worden uitgegeven, die de bij de uitgifte aan te geven fractie van een aandeel vertegenwoordigen. 3.De bepalingen van dit boek over aandelen en aandeelhouders vinden overeenkomstige toepassing op onderaandelen en houders daarvan voor zover uit die bepalingen niet anders blijkt. 4.Tenzij de statuten anders bepalen gelden voor de toepassing van artikel 129, lid 1, en 132, lid 1, onderaandelen die tezamen ten minste een of meer aandelen vertegenwoordigen als zoveel aandelen, ongeacht de gerechtigdheid tot de onderaandelen. Artikel104 1.De algemene vergadering of een daartoe in of krachtens de statuten aangewezen ander orgaan is bevoegd na de oprichting te besluiten tot uitgifte van nieuwe aandelen. De daaropvolgende uitgifte geschiedt bij een door de vennootschap en de nemer getekende akte, dan wel door een vanwege de vennootschap aan de nemer gezonden verklaring van uitgifte en een al dan niet bij voorbaat door de nemer aan de vennootschap verzonden verklaring van aanvaarding daarvan. Artikel 15, lid 3, is van overeenkomstige toepassing op de in dit lid bedoelde stukken. 2.De uitgifte geschiedt niet eerder dan nadat de identiteit van de nemer is vastgesteld en deze identiteit door de vennootschap is geverifieerd aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron. Kopieën van de documenten worden bewaard bij het in artikel 109 bedoelde register. 3.Uitgifte van beursgenoteerde aandelen, daaronder begrepen aandelen die onmiddellijk na de uitgifte tot een beursnotering worden toegelaten, kan ook geschieden overeenkomstig het bij die beurs gebruikelijke of door die beurs toegelaten systeem. Artikel106 1.De statuten kunnen bepalen dat, al dan niet krachtens besluit van een daartoe aangewezen orgaan, bepaalde of alle aandeelhouders bij uitgifte van bepaalde of alle aandelen een voorkeursrecht hebben in een daarbij te bepalen verhouding. 2.Worden aandelen met voorkeursrecht uitgegeven dan wordt dit bekend gemaakt aan alle aandeelhouders met overeenkomstige toepassing van artikel 131, lid
  23. Het voorkeursrecht kan worden uitgeoefend gedurende ten minste twee weken na de bekendmaking. Artikel107 1.De nemer van een aandeel is verplicht de tegenprestatie te voldoen die in de akte van oprichting of het besluit tot uitgifte is vastgesteld. Indien anders dan in geld moet worden gestort, wordt de waarde van de storting in de akte van oprichting of de akte van uitgifte in een bedrag weergegeven. De waarde wordt bepaald met inachtneming van in het maatschappelijk verkeer aanvaardbare maatstaven. Worden aandelen met een nominale waarde genomen dan bedraagt de waarde van de tegenprestatie ten minste het nominale bedrag van het aandeel. 2.Een storting anders dan in geld moet bij of onverwijld na de oprichting of de uitgifte geschieden. Ten aanzien van een storting in geld kan in de akte van oprichting, in de statuten of in het besluit tot uitgifte worden bepaald dat het verschuldigde bedrag, of een deel daarvan, pas na verloop van een bepaalde tijd opeisbaar zal zijn of pas opeisbaar zal zijn na een daartoe strekkend besluit van een daarbij aangewezen orgaan. Ontbreekt een bepaling als bedoeld, dan moet de storting bij de oprichting of uitgifte geschieden. 3.Voor zover de vordering van de vennootschap tot voldoening aan een stortingsplicht niet binnen één jaar onvoorwaardelijk opeisbaar is, wordt deze vordering buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het eigen vermogen van de vennootschap, zoals bedoeld in dit boek. 4.Als bijstortingsplicht wordt in de wet aangeduid iedere stortingsplicht die niet onmiddellijk en onvoorwaardelijk opeisbaar is. Bij aandelen met een nominale waarde kan geen bijstortingsplicht bestaan ter zake van het nominale bedrag. 5.Behoudens ontheffing van stortingsplicht op de voet van artikel 115 kan de houder van een aandeel niet worden ontheven van zijn verplichtingen uit hoofde van dit artikel. Bij vervreemding van een aandeel blijft de vervreemder nog gedurende een jaar naast de verkrijger hoofdelijk aansprakelijk voor uit dit artikel voortvloeiende verplichtingen. 6.Ten aanzien van een stortingsplicht kan de wederpartij van de vennootschap zich nimmer op verrekening beroepen. 7.De vereffenaar van een vennootschap en, in geval van faillissement of ontbinding door de rechter op de voet van artikel 24 of 25, de curator, zijn bevoegd tot uitschrijving en inning van alle nog niet gedane stortingen op de aandelen. Deze bevoegdheid geldt onverschillig hetgeen daaromtrent op grond van het tweede lid van dit artikel is bepaald. Indien echter uit het bepaalde voortvloeit dat een storting eerst hoeft plaats te vinden op een tijdstip na de dag van de faillietverklaring of ontbinding, kan worden volstaan met voldoening van de contante waarde daarvan op de dag van de faillietverklaring of ontbinding. Artikel108 1.Aan de nemer of houder van een aandeel wordt desgevraagd een op naam gesteld aandeelbewijs afgegeven. De dag van afgifte en alle op het aandeel betrekking hebbende gegevens, zoals deze op de dag van afgifte ingevolge artikel 109, lid 1, in het aandeelhoudersregister behoren te zijn opgenomen, worden op het aandeelbewijs vermeld. 2.Als aandeelbewijs kan ook gelden een ten name van de aandeelhouder gesteld uittreksel uit het aandeelhoudersregister, bedoeld in artikel 109, dat de op die aandelen betrekking hebbende gegevens bevat. 3.Aan de latere verkrijger te goeder trouw kan niet worden tegengeworpen dat het daarop door of vanwege de vennootschap vermelde onjuist of onvolledig is, zulks onverminderd de aansprakelijkheid van de vennootschap voor schade door de verkrijger te goeder trouw geleden, indien de onjuistheid of onvolledigheid aan de vennootschap is te wijten. Artikel108a 1.De statuten kunnen met betrekking tot alle aandelen of alle aandelen van een bepaalde soort: bepalen dat verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard, jegens de vennootschap of derden of tussen aandeelhouders, aan het aandeelhouderschap zijn verbonden; eisen verbinden aan het aandeelhouderschap; een bepaling bevatten als bedoeld in artikel
  24. 2.Bevatten de statuten een verplichting van verbintenisrechtelijke aard jegens derden, dan komt het in artikel 109, lid 4, bedoelde inzagerecht toe aan iedere belanghebbende. Iedere belanghebbende kan voorts verlangen dat aan hem wordt afgegeven een door het bestuur van de vennootschap gewaarmerkt uittreksel uit het register waarop de voor hem van belang zijnde gegevens staan vermeld. Artikel 102, leden 6 tot en met 8, zijn van overeenkomstige toepassing. 3.Een besluit tot wijziging van de statuten waardoor een bepaling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c wordt ingevoerd, kan slechts tot stand komen met de uitdrukkelijke instemming van alle aandeelhouders en alle stemgerechtigden. Een besluit tot wijziging van de statuten, waardoor een verplichting als bedoeld in het eerste lid, onder a of c, wordt gewijzigd, kan slechts tot stand komen met de uitdrukkelijke instemming van degenen op wie die verplichting rust of komt te rusten. Artikel109 1.Het bestuur houdt een register bij, waarin de namen en adressen van alle houders van aandelen zijn opgenomen, met vermelding van de soort aandeel, het daaraan verbonden stemrecht, het daarop gestorte of als gestort weergegeven bedrag, de eventueel nog openstaande stortingsplicht met vermelding of het gaat om een bijstortingsplicht en zo ja, de modaliteiten daarvan, de dag en de modaliteiten van de verkrijging, de eventuele aansprakelijkheid uit hoofde van de artikelen 102, lid 5, en 108a, lid 1, en het al of niet afgegeven zijn van een aandeelbewijs. Aangetekend worden ook de gegevens met betrekking tot de vestiging of overdracht van vruchtgebruik op de aandelen en de vestiging van pandrecht op de aandelen, alsmede met betrekking tot een daarmee samenhangende overgang van stemrecht. De naam en het adres van de vruchtgebruiker en de pandhouder worden in het register vermeld. Overeenkomstige gegevens worden vermeld met betrekking tot vergadergerechtigden, die geen aandeelhouder, pandhouder of vruchtgebruiker zijn. 2.Het register wordt regelmatig bijgehouden. Bij iedere mutatie wordt de dag waarop deze is aangebracht vermeld. 3.Aandeelhouders en anderen van wie gegevens in het register moeten worden opgenomen, verschaffen het bestuur tijdig de nodige gegevens. Voor zover dat niet eerder is geschied verschaffen zij het bestuur ook nadere gegevens en inlichtingen als bedoeld in artikel 104, lid 2, en leggen zij documenten over als daar bedoeld. Kopieën van de documenten worden bewaard bij het register. 4.Aandeelhouders en anderen van wie gegevens in het register zijn opgenomen hebben recht op inzage in het register. De statuten kunnen het inzagerecht aan andere personen toekennen. Zij kunnen ook het inzagerecht beperken tot de gegevens die betrekking hebben op de rechten die toekomen aan degene die om inzage vraagt. Zij kunnen ook bepalen dat de betrokkene slechts recht heeft op toezending van een uittreksel uit het aandeelhoudersregister dat de op hem betrekking hebbende gegevens bevat. 5.Tenzij de statuten anders bepalen kan het aandeelhoudersregister: onder verantwoordelijkheid van het bestuur door een derde worden bijgehouden; in elektronische vorm worden bijgehouden. Artikel110 1.Aandelen zijn overdraagbaar, behoudens het in artikel 111 en elders in de wet bepaalde. 2.Levering van aandelen geschiedt door een door partijen getekende akte van overdracht en hetzij betekening van die akte aan de vennootschap, hetzij erkenning van de overdracht door de vennootschap. Erkenning geschiedt door een ondertekende aantekening op de akte van overdracht of een aan de verkrijger gerichte schriftelijke verklaring van de vennootschap. Betreft het aandelen die nog niet zijn volgestort, dan kan erkenning slechts geschieden wanneer de akte van overdracht een vaste dagtekening draagt. 3.Indien een aandeelbewijs door de vennootschap is afgegeven kan dat stuk, voorzien van een door partijen ondertekende aantekening tot overdracht, als akte van overdracht gelden. 4.De statuten kunnen bepalen dat, indien een aandeelbewijs door de vennootschap is afgegeven, als akte van overdracht uitsluitend kan gelden een stuk als bedoeld in het derde lid. Zij kunnen ook bepalen dat erkenning of betekening slechts kan geschieden na inlevering van het afgegeven aandeelbewijs, zulks onverminderd het recht van de opvolgend aandeelhouder op afgifte van een te zijnen name gesteld aandeelbewijs op de voet van artikel 108, eerste of tweede lid. In beide gevallen lijdt de regel uitzondering wanneer de vervreemder ten genoegen van de vennootschap aannemelijk maakt dat zijn aandeelbewijs verloren is gegaan. De vervreemder, die zich op deze bepaling beroept, is tegenover de vennootschap en derden aansprakelijk voor alle als gevolg hiervan te lijden schade. 5.Met betrekking tot volgestorte aandelen kunnen de statuten bepalen dat levering ook kan geschieden door een tot de vennootschap gerichte schriftelijke verklaring van de gerechtigde tot dat aandeel, waarin van de levering mededeling wordt gedaan, met een daarop aansluitende tot de vennootschap gerichte schriftelijke verklaring van de verkrijger, gevolgd door een van de vennootschap uitgaande, aan beide partijen gerichte schriftelijke verklaring van erkenning. 6.De levering en de dag daarvan worden in het register, bedoeld in artikel 109, aangetekend. 7.Levering van beursgenoteerde aandelen kan ook geschieden overeenkomstig het bij die beurs gebruikelijke of door die beurs toegelaten systeem. Artikel111 1.De overdraagbaarheid van aandelen kan bij de statuten worden beperkt of uitgesloten. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid van toedeling van aandelen uit een gemeenschap. 2.Een overdracht of toedeling die in strijd is met een regeling als bedoeld in het eerste lid is ongeldig, tenzij deze de instemming heeft van alle aandeelhouders. 3.In geval van executoriaal beslag, faillissement, afgifte van een legaat, toedeling uit een gemeenschap of pandrecht, kan de rechter bepalingen als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk buiten toepassing verklaren. Het verzoek daartoe kan worden gedaan door onderscheidenlijk de executant, de curator of een belanghebbende bij de afgifte van het legaat of de toedeling of de pandhouder. De rechter wijst het verzoek, zo nodig in afwijking van artikel 474g, lid 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, slechts toe indien de belangen van de verzoeker dat bepaaldelijk vorderen en de belangen van anderen daardoor niet onevenredig worden geschaad. De rechter kan bepalen dat de vennootschap aan de executant of de curator inzage moet geven in het register, bedoeld in artikel
  25. Artikel112 1.De bevoegdheid tot het vestigen van vruchtgebruik op aandelen kan niet bij de statuten worden beperkt of uitgesloten. 2.Tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik anders is bepaald, komen het stemrecht en de overige zeggenschapsrechten toe aan de aandeelhouder. De statuten kunnen het toekennen van deze rechten aan de vruchtgebruiker beperken of uitsluiten. 3.Bij een vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 19 en 21 van Boek 4 komt het stemrecht aan de vruchtgebruiker toe, tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik of door de rechter op de voet van artikel 23, lid 4, van Boek 4 anders wordt bepaald. Artikel113 1.De bevoegdheid tot het vestigen van een pandrecht op aandelen kan bij de statuten worden beperkt of uitgesloten. Artikel 111, lid 2, is van overeenkomstige toepassing. 2.Voor zover het tegendeel niet volgt uit een voorziening als bedoeld in het derde lid komen de aan het aandeel verbonden rechten toe aan de aandeelhouder. 3.Tenzij de statuten anders bepalen kan bij de vestiging of in een aanvullende akte tussen aandeelhouder en pandhouder worden bepaald dat de aan de aandelen verbonden rechten, al dan niet voorwaardelijk, geheel of gedeeltelijk toekomen aan de pandhouder. 4.Wordt pandrecht gevestigd met toepassing van artikel 236, lid 2, van Boek 3 en vervolgens in een aanvullende akte een voorziening als bedoeld in het derde lid getroffen, dan is voor de geldigheid van die akte vereist dat artikel 110, lid 2, overeenkomstige toepassing heeft gevonden. Ook artikel 110, derde, vierde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 5.In afwijking van artikel 236, lid 2, van Boek 3 kan pandrecht op aandelen ook worden gevestigd zonder betekening of erkenning als bedoeld in artikel
  26. Artikel 239 van Boek 3 is dan van overeenkomstige toepassing. Artikel114 1.De vennootschap kan geen eigen aandelen nemen. 2.Onverminderd het bepaalde in titel 7 kunnen de statuten de verkrijging door de vennootschap van eigen aandelen van derden uitsluiten, beperken of aan voorwaarden onderwerpen. Zolang de vennootschap direct of indirect eigen aandelen houdt, kunnen de daaraan verbonden rechten niet worden uitgeoefend. 3.Artikel 118, vijfde, zesde en zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing op verkrijging van eigen aandelen. Bij de verkrijging van aandelen met een nominale waarde, die onmiddellijk na de betaling aan de aandeelhouder en de verkrijging door de vennootschap worden ingetrokken, geldt het nominaal kapitaal na die intrekking als de in artikel 118, lid 7, bedoelde ondergrens. 4.De statuten kunnen bepalen dat in gevallen, in de statuten omschreven, de vennootschap gehouden is tot inkoop en verkrijging van eigen aandelen van een of meer aandeelhouders tegen voorwaarden zoals deze bij de statuten zijn bepaald of krachtens de statuten door onafhankelijke deskundigen zullen worden vastgesteld. 5.De vennootschap kan door een daarop gericht besluit van de algemene vergadering of een door de statuten aangewezen ander orgaan door de vennootschap gehouden eigen aandelen intrekken. Artikel115 De algemene vergadering of een bij de statuten aangewezen ander orgaan kan ten aanzien van alle aandelen of van een bepaalde soort aandelen besluiten tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van een verrichte storting of tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de stortingsplicht. Artikel 118, vijfde, zesde en zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Afdeling3 De jaarrekening Artikel116 1.Jaarlijks binnen acht maanden na afloop van het boekjaar, behoudens verlenging van deze termijn door de algemene vergadering op grond van bijzondere omstandigheden met ten hoogste zes maanden, maakt het bestuur een jaarrekening op, ten minste bestaande uit een balans, een winst en verliesrekening en een toelichting op deze stukken. 2.De opgemaakte jaarrekening wordt door alle bestuurders ondertekend. Zij wordt medeondertekend door de commissarissen die in functie zijn. Ontbreekt een handtekening dan wordt de reden daarvoor medegedeeld. 3.De opgemaakte jaarrekening wordt aan de algemene vergadering ter goedkeuring voorgelegd. De statuten kunnen bepalen dat de algemene vergadering de bevoegdheid heeft alle of bepaalde posten te wijzigen dan wel het bestuur op te dragen de jaarrekening te wijzigen volgens door de algemene vergadering of een commissie uit die vergadering te geven aanwijzingen. 4.De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat alsmede, voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de vennootschap. 5.Artikel 15, lid 3, is van overeenkomstige toepassing op de opgemaakte en goedgekeurde jaarrekening en de daarbij behorende stukken. 6.Iedere aandeelhouder en iedere houder van schuldbrieven aan toonder heeft gedurende twee jaren na het tijdstip van opmaken, onderscheidenlijk goedkeuren van de jaarrekening recht op inzage in de krachtens het vijfde lid bewaarde stukken. Artikel117 1.De algemene vergadering of een ander daartoe bij de statuten aangewezen orgaan is zonder beperking bevoegd om een externe deskundige te benoemen ten einde op de boekhouding regelmatig toezicht te houden, alsmede aan de algemene vergadering verslag uit te brengen omtrent de door het bestuur opgemaakte jaarrekening. 2.De deskundige is gerechtigd tot inzage van alle boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de vennootschap, waarvan de kennisneming tot een juiste vervulling van zijn taak nodig is. Het is hem verboden hetgeen hem nopens de zaken der vennootschap blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan zijn opdracht met zich brengt. 3.De deskundige brengt zijn verslag ook ter kennis van het bestuur, de raad van commissarissen en het orgaan dat hem heeft benoemd. Artikel118 1.In onmiddellijke samenhang met de goedkeuring van de jaarrekening, beslist de algemene vergadering of een ander bij de statuten aangewezen orgaan over de uitkering of inhouding van de uit die jaarrekening blijkende winst en over het doen van andere uitkeringen ten laste van het uit die jaarrekening blijkende eigen vermogen. 2.De algemene vergadering of een ander bij de statuten aangewezen orgaan kan besluiten tot het doen van tussentijdse uitkeringen ten laste van een lopend boekjaar of ten laste van een afgesloten boekjaar, waarvan de jaarrekening nog niet is goedgekeurd. 3.Voor zover de statuten niet anders bepalen geeft ieder aandeel bij iedere uitkering recht op een gelijk bedrag en geeft ieder onderaandeel recht op de dienovereenkomstige fractie van dat bedrag. De statuten kunnen bepalen dat de aandelen die de vennootschap zelf houdt meetellen bij de berekening van de verdeling van uitkeringen. De statuten kunnen de verdeling van uitkeringen geheel of gedeeltelijk overlaten aan een daartoe aangewezen orgaan. 4.Het recht op uitkering vervalt door een tijdsverloop van drie jaren na het einde van de dag, waarop hetzij daaraan voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de uitkeringsgerechtigde daarvan kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. De statuten kunnen deze termijn verlengen of door een langere verjaringstermijn vervangen. 5.Uitkeringen aan aandeelhouders en andere uitkeringsgerechtigden mogen niet worden gedaan indien het eigen vermogen van de vennootschap negatief is of door die uitkering negatief zou worden. Een besluit tot het doen van een zodanige uitkering heeft geen enkele rechtskracht. Artikel 22, lid 2, is niet van toepassing, tenzij de uitkering is gedaan aan de regelmatige houder van een aandeel dat op een beurs verhandeld wordt of een daarmee verbonden recht. 6.Een uitkering als bedoeld in dit artikel wordt vermoed te zijn gedaan in strijd met de eerste volzin van het vijfde lid, indien de jaarrekening van het boekjaar ten laste waarvan de uitkering wordt gedaan, met inachtneming van die uitkering een eigen vermogen toont dat negatief is. Betreft het een uitkering als bedoeld in het eerste lid dan is het vermoeden onweerlegbaar. 7.Heeft de vennootschap een nominaal kapitaal dan wordt bij de toepassing van het vijfde lid het bedrag daarvan als ondergrens in aanmerking genomen. Afdeling4 De jaarrekening bij de grote vennootschap Artikel119 1.Voor een vennootschap, die op of rond een bepaalde balansdatum voldoet aan elk van de in het tweede lid omschreven criteria, gelden in het boekjaar dat volgt op het boekjaar dat is aangevangen met die balansdatum, in plaats van de artikelen 116, 117 en 120 tot en met
  27. 2.De in het eerste lid bedoelde criteria zijn: bij de vennootschap zijn in Sint Maarten op enig tijdstip in de periode tussen één maand voor en één maand na de balansdatum ten minste twintig werknemers, tezamen volmakende ten minste twintig mandagen, werkzaam krachtens een arbeidsovereenkomst met de vennootschap, een groepsmaatschappij van de vennootschap, een uitzendbureau of een soortgelijke instelling; de waarde van de activa bedraagt, volgens een met inachtneming van artikel 120, lid 3, opgemaakte balans, meer dan NAf 5 miljoen of het equivalent daarvan in buitenlandse valuta; de netto-omzet gedurende het afgelopen boekjaar, berekend met inachtneming van de in artikel 120, lid 3, opgemaakte jaarrekening, bedraagt meer dan NAf 10 miljoen of het equivalent daarvan in buitenlandse valuta. 3.Een vennootschap die niet voldoet aan elk van de in het tweede lid omschreven criteria kan in haar statuten de artikelen 120 tot en met 122 van toepassing verklaren, al dan niet tezamen met de artikelen 123 en
  28. In deze gevallen zijn ook de artikelen 125 en 126 van toepassing en zijn de artikelen 116 en 117 niet van toepassing. 4.De in het tweede lid genoemde bedragen kunnen worden bijgesteld bij Landsbesluit, houdende algemene maatregelen, telkens wanneer de prijsontwikkeling daartoe aanleiding geeft. Artikel120 1.Jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar, behoudens verlenging van deze termijn door de algemene vergadering op grond van bijzondere omstandigheden met ten hoogste zes maanden, maakt het bestuur een jaarrekening op en een jaarverslag en legt het deze stukken voor alle aandeelhouders ter inzage ten kantore van de vennootschap. De stukken worden opgemaakt in de taal van de statuten, tenzij de algemene vergadering tevoren anders heeft beslist. 2.Het bestuur voegt aan de jaarrekening toe: de laatste beschikbare jaarrekening met de daarbij eventueel behorende deskundigenverklaring en het jaarverslag van de dochtermaatschappijen, voor zover deze niet zijn geconsolideerd tenzij, blijkens de toelichting op de jaarrekening, vermelding van deze gegevens van te verwaarlozen betekenis is voor het door de vennootschap te verschaffen inzicht als in het derde lid bedoeld. 3.De jaarrekening wordt opgesteld volgens de door de International Accounting Standards Board (IASB) vastgestelde financiële rapportage normen en geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede, voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de vennootschap. De vennootschap mag de jaarrekening opstellen volgens andere internationaal aanvaarde normen, mits uit de toelichting blijkt welke gegronde redenen daartoe aanleiding hebben gegeven en volgens welke normen de jaarrekening is opgesteld. 4.De opgemaakte jaarrekening wordt door alle bestuurders ondertekend. Zij wordt medeondertekend door de commissarissen die in functie zijn. Ontbreekt een handtekening dan wordt de reden daarvoor medegedeeld. 5.Het jaarverslag geeft een getrouw beeld van de toestand op de balansdatum en de gang van zaken gedurende het boekjaar van de vennootschap en van de dochtermaatschappijen waarvan de financiële gegevens in haar jaarrekening zijn opgenomen. Het bevat mede inlichtingen omtrent gebeurtenissen van bijzondere betekenis, die na het einde van het boekjaar hebben plaatsgevonden, terwijl voorts mededelingen worden gedaan over de verwachte gang van zaken. Het jaarverslag mag niet in strijd zijn met de jaarrekening. 6.Het jaarverslag wordt onverwijld na afloop van de in het eerste lid genoemde termijn aangeboden aan de algemene vergadering. Tegelijkertijd wordt de opgemaakte jaarrekening aan de algemene vergadering ter goedkeuring voorgelegd. De statuten kunnen bepalen dat de algemene vergadering de bevoegdheid heeft alle of bepaalde posten te wijzigen dan wel het bestuur op te dragen de jaarrekening te wijzigen volgens door de algemene vergadering of een commissie uit die vergadering te geven aanwijzingen. 7.Artikel 15, lid 3, is van overeenkomstige toepassing op het jaarverslag, de opgemaakte en goedgekeurde jaarrekening en de daarbij behorende stukken. Artikel121 1.De vennootschap verleent aan een externe deskundige die bevoegd is tot het afleggen van de in het vijfde lid bedoelde verklaring, de opdracht tot onderzoek van de jaarrekening. De opdracht kan worden verleend aan een organisatie waarin deskundigen die mogen worden aangewezen, samenwerken. 2.Tot het verlenen van de opdracht is de algemene vergadering bevoegd. Gaat deze daartoe niet over dan is de raad van commissarissen bevoegd of, zo deze ontbreekt of in gebreke blijft, het bestuur. 3.De deskundige onderzoekt of de jaarrekening voldoet aan de in artikel 120, lid 3, gestelde vereisten. Hij gaat voorts na of het jaarverslag voor zover hij dat kan beoordelen, in overeenstemming met het in artikel 120, lid 5, bepaalde is opgesteld en met de jaarrekening verenigbaar is. 4.De deskundige is gerechtigd tot inzage van alle boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de vennootschap waarvan de kennisneming tot richtige invulling van zijn taak nodig is. Het is hem verboden hetgeen hem nopens de zaken der vennootschap blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan zijn opdracht met zich brengt. 5.De deskundige brengt omtrent zijn onderzoekverslag uit aan het orgaan dat hem heeft benoemd, het bestuur en, zo die er is, de raad van commissarissen. Hij geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een schriftelijke verklaring, waarin hij zijn oordeel geeft over de getrouwheid van de jaarrekening en de gebleken tekortkomingen. 6.Tot het afleggen van de in het vijfde lid bedoelde verklaring is bevoegd een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent in de zin van de Nederlandse regelgeving, een certified public accountant in de zin van de regelgeving in de Verenigde Staten van Amerika, alsmede iemand die door de Minister belast met Economische Zaken bij een herroepelijke vergunning als deskundige is toegelaten op grond van een bewijs dat betrokkene voldoet aan eisen van bekwaamheid. Deze eisen moeten op een niveau liggen dat gelijkwaardig is aan dat van vorenbedoelde registeraccountant, accountant-administratieconsulent of certified public accountant. De Minister kan aan de vergunning voorwaarden verbinden. 7.De jaarrekening kan door de algemene vergadering eerst worden goedgekeurd nadat zij kennis heeft kunnen nemen van de verklaring van de deskundige, die aan de jaarrekening moet zijn toegevoegd. Artikel122 1.De vennootschap is verplicht binnen acht dagen na goedkeuring van de jaarrekening en gedurende twee jaren daarna een volledig afschrift van de jaarrekening, waarop de dag van de goedkeuring is aangetekend, alsmede van het jaarverslag en de verklaring van de deskundige, ten kantore van de vennootschap ter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.