← Nederland

Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Overijssel 2024 (Overijssel)

In het kort

Deze regeling van de Provincie Overijssel stelt de voorwaarden vast voor subsidies voor natuur- en landschapsbeheer in 2024. Het doel is het ondersteunen van activiteiten die bijdragen aan het behoud en de ontwikkeling van natuur en landschap.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Overijssel 2024Besluit van Gedeputeerde Staten van Overijssel van 21 november 2023 tot vaststelling van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Overijssel

  1. Gedeputeerde Staten van Overijssel; Gelet op artikel 145 van de Provinciewet en artikel 4 van de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005; Gelet op de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024; Besluiten vast te stellen de navolgende: Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Overijssel 2024: §1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: andere gebruiker van landbouwgrond: gebruiker van landbouwgrond, niet zijnde een landbouwer; Awb: Algemene wet bestuursrecht; beheeractiviteit: activiteit uit de koppeltabel; beheerfunctie: functie van een beheeractiviteit zoals opgenomen in de koppeltabel; bestaand certificaat: certificaat dat door de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer vóór 2023 is afgegeven op basis van het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Programma van Eisen van 2019 of ouder; bijdrage: monitoringsbijdrage, schapenbijdrage, toezichtsbijdrage, vaarbijdrage of voorzieningenbijdrage; certificaat 2023: namens Gedeputeerde Staten door de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer afgegeven certificaat als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, waarmee wordt gewaarborgd dat een begunstigde voldoet aan bepaalde beheereisen en het beheer op de afgesproken manier uitvoert; deelnemer: lid van een vereniging als bedoeld in artikel 3.1; gescheperde schaapskudde: rondtrekkende schaapskudde die niet permanent op een plaats graast en die gehoed wordt door een herder met een of meer honden; grote onderneming: onderneming die niet aan de in bijlage I bij Verordening (EU) 2022/2472 vastgestelde criteria voldoet; koppeltabel: in bijlage 3 opgenomen overzicht van de subsidiabele beheeractiviteiten en maximale vergoedingen agrarisch natuur- en landschapsbeheer; knooppuntennetwerk: bij de Stichting Landelijk Fietsplatform of Stichting Wandelnet geregistreerd routenetwerk voor het fietsen of wandelen, bestaande uit genummerde knooppunten en bewegwijzering tussen de knooppunten; landbouwactiviteit: produceren van landbouwproducten, met uitzondering van visserijproducten, als bedoeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, alsmede hakhout met korte omlooptijd, alsmede natte teelten bij wijze van paludicultuur en het in een staat houden van landbouwgrond die begrazing of teelt mogelijk maakt zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan activiteiten op basis van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines; landbouwer: natuurlijk persoon of rechtspersoon, of een groep van natuurlijke personen of rechtspersonen, die een minimumniveau aan landbouwactiviteiten uitvoert; landbouwgrond: grond waarop een landbouwactiviteit wordt uitgeoefend, alsmede landschapselementen op of grenzend aan die grond die ter beschikking van de landbouwer of de andere gebruiker van landbouwgrond staan; landbouwsteunkader: richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (Pb EU 2022/C485/1); landelijke fietsroutes: bij de Stichting Landelijk Fietsplatform geregistreerde landelijke fietsroutes en ANWB-bewegwijzerde routes als onderdeel van een landelijk fietsroutenetwerk; landelijke wandelroutes: bij de Stichting Wandelnet geregistreerde Lange-Afstand-Wandelpaden en Streekpaden als onderdeel van een landelijk wandelroutenetwerk; landschapsbeheertype: in bijlage 1 opgenomen en nader beschreven beheertype; leefgebied: in het natuurbeheerplan begrensde landbouwgronden die een geschikte omgeving vormen of kunnen vormen voor planten of dieren; minister: minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; monitoringsbijdrage: extra vergoeding voor het uitvoeren van metingen en het vastleggen van de ontwikkelingen op het natuurterrein; monitoringsprogramma: door Gedeputeerde Staten vastgesteld meerjarig programma van metingen om de effecten van maatregelen en ingrepen te kunnen volgen vanuit vastgestelde beleidsdoelen en beleidstaken; natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 1.3 waarin de overeengekomen doelen op het gebied van natuur- en landschapsbeheer en agrarisch natuur- en landschapsbeheer zijn vastgelegd; natuurbeheertype: in bijlage 2 opgenomen en nader beschreven beheertype; natuurterrein: binnen de provincie gelegen grond met als hoofdfunctie natuur die in het natuurbeheerplan is aangeduid, alsmede grond waarvoor een subsidie functieverandering is verstrekt als bedoeld in de provinciale Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap; opslag voor de prijsstijging: op de consumentenprijsindex gebaseerde opslag van de subsidie om de kostenstijging gedurende de looptijd van de beschikking te compenseren; regiokaart: kaart en de bijbehorende onderverdeling in regio’s als bedoeld in bijlage 2, onderdeel B, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 van de minister; schapenbijdrage: extra vergoeding voor het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen ten behoeve van de inzet van gescheperde schaapskuddes; tarief: tarief voor de in artikel 2.2 genoemde subsidiabele activiteiten of bijdragen, dat op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder e, wordt opgenomen in het openstellingsbesluit; toezichtsbijdrage: extra vergoeding voor het toezicht houden op een natuurterrein; transactiekosten: extra kosten die verband houden met het in artikel 3.2 bedoelde project, maar niet rechtstreeks kunnen worden toegeschreven aan de uitvoering van dat project, noch vervat zijn in de kosten of gederfde inkomsten die rechtstreeks worden gecompenseerd en die op basis van standaardkosten berekend kunnen worden; vaarbijdrage: extra vergoeding voor transportkosten in verband met het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt; Verordening (EU) 2021/2115: verordening van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en Verordening (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L435); Verordening (EU) nr. 2021/2116: verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013; Verordening (EU) nr. 2022/1173: verordening van de Europese Commissie tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; voorzieningenbijdrage: extra vergoeding voor het toegankelijk maken en houden voor recreatie op een natuurterrein. Artikel1.2Openstelling 1.Gedeputeerde Staten kunnen een of meerdere keren per jaar een openstellingsbesluit vaststellen voor het verstrekken van subsidies op grond van deze regeling. 2.In het openstellingsbesluit, bedoeld in het eerste lid, geven Gedeputeerde Staten nadere invulling aan: de doelgroep; de onderdelen van het natuurbeheerplan waarvoor subsidie kan worden aangevraagd; het subsidieplafond en de wijze van verdeling; de periode van openstelling; de tarieven. Artikel1.3Natuurbeheerplan 1.Gedeputeerde Staten stellen het natuurbeheerplan vast. 2.Als onderdeel van het natuurbeheerplan stellen Gedeputeerde Staten in ieder geval een elektronische kaart met topografische ondergrond vast, waarop is aangeduid: voor welke natuurterreinen een subsidie natuur- en landschapsbeheer kan worden verstrekt, met daarbij de aanduiding: welk natuurbeheertype in stand kan worden gehouden; welke landschapsbeheertypen in stand kunnen worden gehouden; of het natuurterrein in aanmerking komt voor één of meer bijdragen; voor welk leefgebied, of onderdeel van een leefgebied een subsidie agrarisch natuur- en landschapsbeheer kan worden verstrekt, met daarbij de aanduiding: open akkerland; open grasland; dooradering; categorie water; categorie klimaat. Artikel1.4Vereisten subsidieaanvraag Een subsidieaanvraag voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten: een subsidieaanvraag wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten; een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier. Artikel1.5Bevoegdheid en beslistermijn subsidieverlening 1.Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een subsidie natuur- en landschapsbeheer of agrarisch natuur- en landschapsbeheer verstrekken. 2.Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om subsidie binnen dertien weken na afloop van de aanvraagperiode. 3.De beslissing, bedoeld in het tweede lid, kan eenmaal met ten hoogste dertien weken worden verdaagd. Artikel1.6Verplichtingen algemeen De subsidieontvanger is verplicht de administratie en de daartoe behorende bescheiden die betrekking hebben op de verstrekte subsidie ten minste gedurende een periode van vijf jaar na vaststelling van de desbetreffende subsidie te bewaren. Artikel1.7Toezicht 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van Gedeputeerde Staten aan te wijzen personen. 2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad. Artikel1.8Certificering 1.Gedeputeerde Staten besluiten op basis van het Programma van Eisen voor natuurbeheer en agrarisch natuurbeheer als opgenomen in de Uitvoeringsregeling Stichting Certificering SNL 2023 van de provincie Overijssel, op een aanvraag om afgifte van een: certificaat collectief agrarisch natuurbeheer 2023; certificaat collectief natuurbeheer 2023; certificaat natuurbeheer 2023 voor aanvragers die voor 200 of meer hectare natuurterrein subsidie hebben aangevraagd; certificaat natuurbeheer 2023 voor beheerders die voor minder dan 200 hectare natuurterrein subsidie hebben aangevraagd. 2.Onder een certificaat als bedoeld onder het eerste lid, onder d, wordt mede begrepen een bestaand certificaat natuurbeheer voor beheerders die voor minder dan 200 hectare natuurterrein subsidie hebben aangevraagd. 3.Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om de in het eerste lid en tweede lid genoemde certificaten in te trekken. 4.Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot het aanvragen en intrekken van certificaten. Artikel1.8aOvergangsregeling aanvragers met bestaande certificaten 1.In zoverre in afwijking van de artikelen 2.4, 2.13, 3.4, 3.13, 4.2 en 4.5, mag een subsidieaanvrager op basis van een bestaand certificaat een subsidieaanvraag indienen, zolang de aanvrager nog niet over een certificaat 2023 beschikt. 2.Een subsidieaanvrager als bedoeld in het eerste lid die een subsidieaanvraag indient op basis van een bestaand certificaat: dient uiterlijk in het eerste beheerjaar van de subsidie of bijdrage waarvoor op grond van de paragrafen 2, 3 en 4 subsidie wordt aangevraagd, een aanvraag in voor een certificaat 2023; en beschikt binnen uiterlijk drie jaar na indiening van de onder a bedoelde aanvraag voor het certificaat 2023, over dat certificaat. 3.Een subsidie of bijdrage verstrekt op grond van de paragrafen 2, 3 en 4 wordt ingetrokken indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede lid. Artikel1.9Weigeringsgrond Subsidie wordt geweigerd voor zover voor het natuurterrein of het gedeelte van het leefgebied waarvoor subsidie is aangevraagd, voor dezelfde periode of een deel van die periode al op grond van deze of enige andere regeling een subsidie is verstrekt met betrekking tot agrarisch natuurbeheer of natuurbeheer. §2Natuur- en landschapsbeheer Artikel2.1Doelgroep 1.Subsidie kan worden aangevraagd door: natuurlijke personen, die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd; privaatrechtelijke rechtspersonen en Staatsbosbeheer, die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd; verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid met als leden natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder a of b; rechtspersonen die volgens een door Gedeputeerde Staten te bepalen model een overeenkomst zijn aangegaan met natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder a of b. 2.Onverminderd het eerste lid, kan subsidie als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en b, worden aangevraagd door gemeenten en samenwerkingsverbanden als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen, voor zover deze voor het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd, subsidie ontvangen op basis van de onderhavige regeling, waarbij: de periode waarvoor subsidie overeenkomstig deze regeling is verstrekt op of na 31 december 2023 eindigt; en de subsidie natuur- en landschapsbeheer die op basis van deze regeling wordt verstrekt niet later ingaat dan 1 januari van het kalenderjaar, volgend op het jaar waarin de onder a bedoelde subsidie eindigt. 3.In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, onder b, kan Staatsbosbeheer subsidie aanvragen voor een natuurterrein waarvan het geen eigenaar of erfpachter is, indien dit natuurterrein op het moment van aanvragen in eigendom van het Rijk is en Staatsbosbeheer dit natuurterrein vóór 15 augustus 2009 reeds feitelijk in beheer had. Artikel2.2Subsidiabele activiteiten 1.Subsidie kan worden verstrekt voor: het beheer van natuurbeheertypen; het beheer van landschapsbeheertypen; 2.In aanvulling op de subsidie als bedoeld in het eerste lid, onder a, kan een bijdrage worden verstrekt voor: begrazing van het natuurterrein door een gescheperde schaapskudde; het uitvoeren van metingen en het vastleggen van de ontwikkelingen op het natuurterrein; het toegankelijk maken en houden voor recreatie op een natuurterrein; het toezicht houden op een natuurterrein. 3.Onverminderd het tweede lid, kan in aanvulling op de subsidie onder het eerste lid, een bijdrage worden verstrekt voor transport in verband met het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt. Artikel2.3Weigeringsgronden 1.Subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien: de subsidieaanvrager een rechtspersoon is die waterwinning als doelstelling heeft; de subsidieaanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is die kennelijk is opgericht ten behoeve van het beheer van grond of water, waarvan de eigendom geheel of gedeeltelijk berust bij de rechtspersoon, bedoeld onder a of een publiekrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde Staatsbosbeheer; de subsidieaanvrager een onderneming in financiële moeilijkheden is zoals omschreven in punt 63 van het landbouwsteunkader. 2.Subsidie kan worden geweigerd indien het natuurterrein aan de subsidieontvanger om niet of tegen betaling is overgedragen door: een gemeente; een samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen; het Rijksvastgoedbedrijf van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; een waterschap; of een waterleidingmaatschappij. Artikel2.4Subsidievereisten 1.Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten: de activiteiten vinden plaats op een natuurterrein dat is aangemerkt als een onderdeel waarvoor subsidie kan worden aangevraagd in het natuurbeheerplan zoals geldend op het moment van indiening van de subsidieaanvraag; de activiteiten zijn gericht op de instandhouding van het natuurbeheertype of landschapsbeheertype; de activiteiten zijn gericht op een beheer van minimaal 75 hectares; de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en b, beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, onder b, c of d; de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c en d, beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, onder b, of de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, die het beheer uitvoeren beschikken elk afzonderlijk over een certificaat als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, onder c of d; de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, dient bij de subsidieaanvraag afschriften in van de in dat artikel genoemde overeenkomst die hij heeft gesloten met de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, die het beheer uitvoeren. 2.De voorzieningenbijdrage kan slechts worden verstrekt voor zover het natuurterrein niet ingevolge artikel 2.9, vierde lid is vrijgesteld van de openstellingsplicht. 3.In afwijking van het tweede lid kan in geval van een vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 2,9 vierde lid, onderdelen a en d, een voorzieningenbijdrage worden verstrekt, indien de betreffende afsluiting in een jaar maximaal zes maanden duurt. 4.Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot de openstellingsplicht en het verstrekken van de toezichtsbijdrage of de voorzieningenbijdrage in afwijking van artikel 2.9, eerste lid, onder d. 5.De subsidieaanvraag gaat vergezeld van een kaart waarop de buitengrenzen van de natuurterreinen zijn aangegeven. 6.Indien een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c of d, niet beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, onder b, gaat de aanvraag vergezeld van de individuele certificaten als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, onder c of d, of afschriften van de aanvragen daartoe, van de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a of b, die het beheer uitvoeren. 7.Indien een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, niet beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, onder c of onder d, gaat de aanvraag vergezeld van een afschrift van de aanvraag daartoe. Artikel2.4a(EU richtsnoeren voor staatssteun) 1.Subsidieaanvragen kunnen niet worden ingediend na 1 oktober
  2. 2.Indien de aanvrager een grote onderneming is, dient de subsidieaanvraag vergezeld te gaan van een beschrijving met onderbouwing van de situatie waarin geen steun zou worden verleend. Artikel2.5Subsidiabele kosten 1.De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking: kosten voor het beheer van een natuurterrein; kosten voor de inzet van gescheperde schaapskuddes op een natuurterrein; kosten voor monitoring van een natuurterrein; kosten voor het recreatief toegankelijk maken en houden van een natuurterrein; kosten voor het houden van toezicht op een natuurterrein; kosten voor het transport in verband met het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt. 2.Subsidiabel gestelde kosten zijn slechts subsidiabel indien de activiteiten zijn verricht nadat de aanvraag tot subsidie is ingediend. 3.Bij een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c en d, die niet beschikt over een certificaat collectief natuurbeheer 2023, zijn de activiteiten van een natuurlijk persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, die het beheer uitvoert niet subsidiabel indien deze niet langer over een certificaat als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, onder c of d beschikt. 4.Indien een aangevraagd certificaat als bedoeld in artikel 2.4, zesde of zevende lid, niet is afgegeven binnen negen maanden na het einde van de periode van openstelling als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder d, zijn de activiteiten die de desbetreffende natuurlijke persoon of rechtspersoon heeft verricht niet subsidiabel. Artikel2.6Subsidiehoogte 1.De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, wordt bepaald door het aantal subsidiabele hectares van het desbetreffende natuurbeheertype, en het aantal subsidiabele hectares, meters of stuks van het desbetreffende landschapsbeheertype, te vermenigvuldigen met het tarief vermenigvuldigd met zes jaar. 2.Indien van toepassing wordt de subsidie, bedoeld in het eerste lid, verhoogd met: het tarief voor de monitoringsbijdrage per natuurbeheertype, vermenigvuldigd met het aantal hectares; het tarief voor de voorzieningenbijdrage, vermenigvuldigd met het aantal hectares; het tarief voor de toezichtsbijdrage, vermenigvuldigd met het aantal hectares; het tarief voor de schapenbijdrage, vermenigvuldigd met het aantal hectares; het tarief voor de vaarbijdrage, vermenigvuldigd met het aantal hectares; elk vermenigvuldigd met zes jaar. 3.Indien toepassing van het eerste en tweede lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 1.200,--, wordt de subsidie niet verstrekt. Artikel2.7Verdeelcriteria 1.Het beschikbare subsidiebedrag wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen. 2.Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst. 3.Indien het subsidieplafond op enige dag wordt bereikt, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting. Artikel2.8Subsidieverlening 1.De subsidie, bedoeld in artikel 2.2, wordt verleend voor een periode zes aaneengesloten jaren, welke periode steeds begint op 1 januari. 2.Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie verlenen onder de opschortende voorwaarde dat binnen drie maanden na de datum van bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening een overeenkomst ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb tot stand komt. Artikel2.9Verplichtingen van de subsidieontvanger 1.Onverminderd artikel 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: het verrichten van al het beheer dat noodzakelijk is voor de instandhouding van de natuurbeheertypen en landschapsbeheertypen en geen handelingen te verrichten of te gedogen die afbreuk doen aan de instandhouding daarvan; ervoor zorgdragen dat door of vanwege Gedeputeerde Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd op het desbetreffende natuurterrein; indien de subsidieontvanger een monitoringsbijdrage ontvangt, wordt de monitoring verricht overeenkomstig het monitoringsprogramma van de provincie; het van zonsopgang tot zonsondergang kosteloos openstellen en toegankelijk houden van het desbetreffende natuurterrein op ten minste 358 dagen per jaar; ervoor zorg te dragen dat namens Gedeputeerde Staten audits kunnen worden uitgevoerd in het kader van de naleving van de certificeringsvoorwaarden; voor de gehele duur van de subsidie over het vereiste certificaat te beschikken. 2.Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger die een voorzieningenbijdrage ontvangt, de volgende verplichtingen: het natuurterrein is voldoende toegankelijk en bevat voldoende wegen, vaarwegen of paden, die recreatief gebruik mogelijk maken; de wegen, vaarwegen of paden als bedoeld onder a, worden onderhouden; de subsidieontvanger verleent medewerking aan de markering en beheer van routes voor wandelen en fietsen in het kader van de landelijke wandelroutes, landelijke fietsroutes en knooppuntennetwerken voor wandelen en fietsen. 3.Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger die een schapenbijdrage ontvangt, de volgende verplichtingen: bij het in standhouden van het op het natuurterrein aanwezig natuurbeheertype wordt gebruik gemaakt van een of meerdere gescheperde schaapskuddes; het gebruik van een of meerdere gescheperde schaapskuddes strekt zich uit over de gehele oppervlakte waarvoor de bijdrage door Gedeputeerde Staten wordt verstrekt. 4.De subsidieontvanger is vrijgesteld van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onder d, indien: sluiting nodig is bij of krachtens de Omgevingswet uitgewerkt in het Besluit activiteiten leefomgeving; het terrein naar zijn aard buiten machte van de subsidieontvanger niet toegankelijk is; er bescherming van de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk is tot een maximum van een hectare; of het terrein vrijgesteld is op grond van het natuurbeheerplan. 5.Indien de subsidieontvanger niet kan voldoen aan een of meerdere verplichtingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, doet hij daar een keer per jaar uiterlijk op 1 november melding van. 6.Indien een melding wordt gedaan als bedoeld in het vijfde lid en sprake is van overdracht van één of meer percelen aan een nieuwe eigenaar, die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten het subsidiabele beheer kan voortzetten en tijdig over het vereiste certificaat beschikt, wordt de subsidie voor die percelen berekend tot en met het kalenderjaar waarin het perceel is overgedragen. Artikel2.10(vervallen) Artikel2.11(vervallen) Artikel2.12Bevoorschotting en betaling 1.Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot op het verleende subsidiebedrag. 2.Er kunnen maximaal vijf voorschotten, als bedoeld onder in artikel 2.12, eerste lid, worden verleend. 3.Gedeputeerde Staten nemen binnen tien weken na afloop van ieder kalenderjaar een beslissing tot voorschotverlening. 4.De beslissing, bedoeld in het derde lid, kan eenmaal met ten hoogste tien weken worden verdaagd. 5.Het voorschot op het verleende subsidiebedrag wordt steeds binnen zes weken na afloop van de beslissing bedoeld in het derde of vierde lid betaald, tenzij de beschikking tot subsidieverlening een ander tijdstip vermeldt. 6.Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen in de beschikking tot subsidieverlening afwijken van het bepaalde in het derde en het vijfde lid van dit artikel. Artikel2.13Wijziging subsidieverlening vanwege vergroting areaal 1.De subsidieontvanger kan eenmaal per kalenderjaar in de aanvraagperiode een aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening met ingang van het volgend kalenderjaar, gericht op vergroting van het areaal. 2.Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om, overeenkomstig de aanvraag bedoeld in het eerste lid, de beschikking tot subsidieverlening te wijzigen voor de resterende looptijd van de subsidie, indien: de aanvraag voldoet aan de subsidievereisten genoemd in artikel 2.4, uitgezonderd het eerste lid, onder c; en die wijziging leidt in de resterende looptijd van de verlening tot een verhoging van het subsidiebedrag van minimaal € 1.200,-- 3.De hoogte van de wijziging van de subsidie wordt bepaald op basis van het tarief dat van toepassing was ten tijde van het nemen van de beschikking tot subsidieverlening. 4.Indien op het moment van de beschikking tot subsidieverlening nog geen tarief was vastgesteld voor het betreffende natuurbeheertype, landschapsbeheertype of bijdrage, wordt in afwijking van het derde lid het tarief en opslag voor de prijsstijging gehanteerd dat geldt in het jaar waarin voor het eerst het tarief is vastgesteld voor het betreffende natuurbeheertype, landschapsbeheertype, of bijdrage. Artikel2.13a(vervallen) Artikel2.14Subsidievaststelling 1.Gedeputeerde Staten stellen binnen dertien weken na afloop van de zes aaneengesloten beheerjaren waarvoor de subsidie is verstrekt, de subsidie ambtshalve vast. 2.De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten hoogste dertien weken worden verdaagd. 3.Het resterende bedrag wordt uitbetaald binnen zes weken na de subsidievaststelling Artikel2.15Transparantie Ten aanzien van subsidie die op grond van deze paragraaf wordt verleend maken Gedeputeerde Staten binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend: de gegevens, bedoeld in deel I, afdeling 3.2.4., punt 112, onder a en b van het landbouwsteunkader; en de gegevens, bedoeld in deel I, afdeling3.2.4., punt 112, onder c van het landbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan: € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie; of € 100.000 voor begunstigden in de sectoren van de verwerking van landbouwproducten, de afzet van landbouwproducten, de bosbouwsector of activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen. Artikel2.16Voortijdige vaststelling wegens wijziging natuurbeheertype 1.Een ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder a, kan een aanvraag indienen voor het geheel of gedeeltelijk voortijdig vaststellen van die subsidie, als hij op het natuurterrein of deel daarvan waarvoor hij de subsidie ontvangt, maatregelen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Overijssel treft die zijn gericht op een wijziging van het op dat natuurterrein in stand te houden natuurbeheertype. 2.Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, voortijdig naar evenredigheid geheel of gedeeltelijk vaststellen vanaf het moment dat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, van start gaan, als: de wijziging van het natuurbeheertype op grond van het natuurbeheerplan is toegestaan; de wijziging van het natuurbeheertype gericht is op een versterkte natuurkwaliteit; en de subsidieontvanger schriftelijk verklaart ten minste zes jaar of minder in geval van eenmalige gelijktrekking van beheerperiodes na afronding van de maatregelen als bedoeld in het eerste lid, beheer gericht op de instandhouding van het gewijzigde natuurbeheertype te blijven voeren. Deze verplichting vervalt voor zover hij voor die gewijzigde instandhouding een subsidie natuurbeheer op grond van de onderhavige verordening heeft aangevraagd en ontvangt. 3.De subsidieaanvraag voor het beheer van het gewijzigde natuurbeheertype wordt ingediend in de eerstvolgende openstellingsperiode na het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 14c van de provinciale Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap. 4.Indien een subsidie voor het beheer van het gewijzigde natuurbeheertype als bedoeld in het tweede lid, onder c, wordt ingetrokken omdat de subsidieontvanger toerekenbaar niet voldaan heeft aan de subsidieverplichtingen, dan is voor de resterende periode de instandhoudingsplicht als bedoeld in het tweede lid, onder c, weer van toepassing tot de termijn van zes jaar, of minder in geval van eenmalige gelijktrekking van beheerperiodes, na afronding van de inrichtingsmaatregelen is verstreken. §3Agrarisch natuur- en landschapsbeheer Artikel3.1Doelgroep Subsidie kan worden aangevraagd door een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond. Artikel3.2Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor een project met beheeractiviteiten gericht op behoud en versterking van een leefgebied. Artikel3.3(vervallen) Artikel3.4Subsidievereisten Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: de aanvrager beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, onder a; het project voldoet aan de beoordelingscriteria voor gebiedsaanvragen zoals opgenomen in paragraaf 4.5 van het natuurbeheerplan zoals geldend op het moment van indiening van de subsidieaanvraag, inclusief de daarbij aangeduide kaarten; aan het project ligt een gebiedsaanvraag ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen: het minimum en maximum aantal hectares waarvoor per leefgebied, of onderdeel van het leefgebied beheeractiviteiten worden uitgevoerd, waarbij het maximum aantal hectares niet meer dan 15% meer mag zijn dan het minimumaantal hectares; per leefgebied, of onderdeel van het leefgebied een projectomschrijving op het niveau van beheerfunctie, een en ander afhankelijk van het gekozen abstractieniveau voor de beoordelingscriteria voor gebiedscriteria in het natuurbeheerplan zoals geldend op het moment van indiening van de subsidieaanvraag; de te realiseren doelen; een berekening van de kosten voor het uit voeren van het project, gesplitst naar leefgebied of onderdeel van het leefgebied, waarbij uit die berekening blijkt dat rekening is gehouden met de regiokaart. een of meer topografische kaarten met een schaal van 1:5.000 waarop de buitengrenzen van de leefgebieden of onderdelen van de leefgebieden waarvoor subsidie wordt aangevraagd zijn aangegeven. Artikel3.5Subsidiabele kosten De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking: kosten voor het uitvoeren van beheeractiviteiten; gederfde inkomsten voor het uitvoeren van beheeractiviteiten; transactiekosten. Artikel3.6(vervallen) Artikel3.7Subsidiehoogte 1.De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.2, wordt bepaald door het maximumaantal hectares per leefgebied dat voldoet aan de subsidievereisten zoals opgenomen in artikel 3.4 te vermenigvuldigen met de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, vermenigvuldigd met zes. 2.De gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald door de begrote kosten per leefgebied, bedoeld in artikel 3.4, onderdeel c, onder 4°, te delen door zes en daarna te delen door het maximumaantal hectares dat voor dat leefgebied is aangevraagd. 3.Indien toepassing van het eerste tot en met tweede lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 50.000,--, wordt de subsidie niet verstrekt. Artikel3.8Verdeelcriteria 1.Indien binnen de aanvraagperiode meerdere volledige subsidieaanvragen voor dezelfde locatie zijn ingediend, wordt voor subsidie van die locatie een aanvraag geselecteerd door te bepalen welke aanvraag het meest ecologisch effectief wordt uitgevoerd. 2.Na toepassing van het eerste lid maken Gedeputeerde Staten, indien de binnen de aanvraagperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria: de dekkingsgraad, zijnde de verhouding van het aantal hectares beheer dat is aangevraagd tot het totaal aantal hectares leefgebied waarop dat gedeelte van de aanvraag ziet, te waarderen met maximaal 50 punten; de kwaliteit van beheer, zijnde: variatie in beheer, te waarderen met maximaal 40 punten; intensiteit van beheer, te onderscheiden in: het aantal verschillende vormen van beheer dat is aangevraagd, te waarderen met maximaal 20 punten; de zwaarte van het aangevraagde beheer, te waarderen met maximaal 20 punten. 3.(vervallen) 4.Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt de rangschikking van die aanvragen bepaald door de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, waarbij de aanvraag met de laagste gemiddelde kosten het hoogst wordt gerangschikt. 5.Indien toepassing van het tweede en vierde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijke plek worden gerangschikt, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting. Artikel3.9Externe adviescommissie Gedeputeerde Staten kunnen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 voor advies over artikel 3.8 voorleggen aan een adviescommissie. Artikel3.10Subsidieverlening De subsidie, bedoeld in artikel 3.2, wordt verleend voor een periode van zes aaneengesloten kalenderjaren, welke periode steeds begint op 1 januari. Artikel3.11Verplichtingen van de subsidieontvanger De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen: uitvoering vindt plaats in leefgebieden; de subsidieontvanger doet uiterlijk op 15 december voorafgaand aan het beheerjaar per leefgebied of onderdeel van een leefgebied waarvoor is beschikt een opgave van de beheeractiviteiten op perceelsniveau in het daartoe door Gedeputeerde Staten aangewezen systeem; de gekozen beheeractiviteit of combinatie van beheeractiviteiten past bij de beheerfunctie zoals beschikt en het bijhorende leefgebied zoals aangewezen in het natuurbeheerplan dat geldt voor het beheerjaar waarop de gekozen beheeractiviteit of beheeractiviteiten zien; wijzigingen van activiteiten op perceelsniveau die gedurende het kalenderjaar optreden, en wijzigingen als bedoeld in onderdeel e, worden door de subsidieontvanger gemeld aan Gedeputeerde Staten door die wijzigingen binnen de termijnen, genoemd in bijlage 2 van de Beleidsregel verlagen subsidie GLB door te voeren via het onder b bedoelde systeem. De wijzigingen van activiteiten op perceelsniveau die gedurende het kalenderjaar optreden, kunnen tot uiterlijk 30 september van het lopende beheerjaar worden doorgevoerd; wijzigingen bestaande uit het toevoegen van percelen met de daarbij horende uit te voeren beheeractiviteit worden door de subsidieontvanger in het lopende beheerjaar doorgevoerd via het in onderdeel b bedoelde systeem. De subsidieontvanger voert deze wijzigingen uiterlijk door op 15 mei; wijzigingen bestaande uit het terugtrekken van percelen met de daarbij horende beheeractiviteit zijn mogelijk tot en met 30 september, via het in onderdeel b bedoelde systeem, tenzij artikel 7 van Verordening (EU) nr. 2022/1173 zich tegen de wijziging verzet; de subsidieontvanger dient uiterlijk 1 oktober van ieder kalenderjaar een verantwoording in waarin is beschreven: welke activiteiten als bedoeld onder b, daadwerkelijk zijn uitgevoerd; welke wijzigingen als bedoeld onder d, e en f hebben plaatsgevonden en waarom; de subsidieontvanger beschikt voor de gehele duur van de subsidie over het certificaat bedoeld in artikel 3.4, onder a; de subsidieontvanger draagt er zorg voor dat er door of vanwege Gedeputeerde Staten audits kunnen worden uitgevoerd in het kader van de naleving van de certificeringsvoorwaarden; de subsidieontvanger verleent medewerking aan een toezichthouder als bedoeld in artikel 1.7 om toezicht te houden op de naleving van de subsidieverplichtingen en verleent een toezichthouder ongehinderd toegang tot percelen; de subsidieontvanger draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd in het desbetreffende leefgebied; de subsidieontvanger meldt de in bijlage 2 van de Beleidsregel verlagen subsidie GLB genoemde activiteiten conform de daarbij genoemde termijnen en via het onder b bedoelde systeem; indien op een perceel meerdere activiteiten worden uitgevoerd, dan dienen al deze activiteiten in het onder b bedoelde systeem te worden opgenomen onder één en hetzelfde leefgebied en beheerfunctie; en de subsidieontvanger neemt in het in onderdeel b bedoelde systeem het relatienummer op van de deelnemer die ten tijde van het uitvoeren van de beheeractiviteit beschikt over het recht tot gebruik en beheer van de oppervlakte waarop die beheeractiviteit in het betreffende beheerjaar wordt uitgevoerd. Artikel3.11aVerplichtingen van de deelnemer 1.Een deelnemer verplicht zich ertoe zijn recht tot gebruik en beheer van de oppervlakte waarop de beheeractiviteit in het betreffende beheerjaar wordt uitgevoerd bij te houden in het daartoe door de minister voorgeschreven systeem. 2.De deelnemer houdt de gegevens die ingevolge het eerste lid zijn ingediend gedurende het aanvraagjaar actueel, met dien verstande dat uiterlijk vier weken nadat zich een wijziging heeft voorgedaan, doch niet later dan 1 september, de gegevens door middel van een door de minister vastgesteld formulier kunnen worden gewijzigd. Artikel3.12Bevoorschotting en betaling 1.Gedeputeerde Staten verstrekken na afloop van elk van de eerste vijf kalenderjaren een voorschot op het verleende subsidiebedrag, naar aanleiding van de verantwoording, bedoeld in artikel 3.11, onder g. 2.Gedeputeerde Staten nemen binnen tien weken na afloop van ieder kalenderjaar een beslissing tot voorschotverlening. 3.De beslissing, bedoeld in het tweede lid, kan eenmaal met ten hoogste tien weken worden verdaagd. 4.Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt steeds betaald binnen zes weken na afloop van de beslissing, bedoeld in het tweede of derde lid. 5.De hoogte van het voorschot wordt bepaald door per leefgebied het totaal aantal subsidiabele hectares waarvoor daadwerkelijk subsidiabele beheeractiviteiten zijn uitgevoerd, te vermenigvuldigen met de voor het betreffende leefgebied geldende gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, en de daaruit resulterende bedragen bij elkaar op te tellen. 6.Als het bedrag, bedoeld in het vijfde lid, hoger is dan het totaalbedrag dat voor de uitgevoerde beheeractiviteiten op grond van de vergoeding in bijlage 4 maximaal mag worden vergoed, geldt voor de berekening van het voorschot dit maximumbedrag. 7.Het uitrijden van ruige stalmest is ten hoogste subsidiabel voor éénmaal de oppervlakte van het betreffende perceel, ook al maakt de subsidieontvanger in een kalenderjaar meerdere keren melding van het uitrijden van ruige stalmest op dat perceel. Artikel3.12aVoorziening onmiddellijke liquiditeitsbehoefte subsidieontvanger 1.Om te voorzien in de onmiddellijke liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger kunnen Gedeputeerde Staten voorafgaande aan de in artikel 3.12 bedoelde voorschotbetaling voor het eerste kalenderjaar een betaling doen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: de betaling vindt plaats tussen 1 januari en 1 juli van het kalenderjaar waarop de voorschotbetaling betrekking heeft; de betaling bedraagt 20% van de totale subsidie die aan de subsidieontvanger per kalenderjaar is verleend; Gedeputeerde Staten brengen bij de voorschotbetaling, bedoeld in artikel 3.12, vierde lid, de betaling bedoeld in onderdeel a, in mindering op het voorschot. 2.Indien het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde voorschot ontoereikend is om de betaling geheel in mindering te brengen, verrekenen Gedeputeerde Staten het openstaande bedrag met de te verstrekken voorschotten voor de daaropvolgende kalenderjaren of, indien dit niet mogelijk is, bij de subsidievaststelling, bedoeld in artikel 3.
  3. 3.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het laatste jaar van het subsidietijdvak, met dien verstande dat Gedeputeerde Staten, in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, de betaling bij de subsidievaststelling, bedoeld in artikel 3.14, in mindering brengen op de te verstrekken subsidie. Artikel3.13Wijziging subsidieverlening 1.De subsidieontvanger kan eenmaal per kalenderjaar in de aanvraagperiode een aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening met ingang van het volgend kalenderjaar. Hierbij wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van het natuurbeheerplan dat geldt voor het beheerjaar waarvoor het wijzigingsverzoek is ingediend. 2.Onder wijziging van de beschikking tot subsidieverlening wordt verstaan: vergroting van de minimale en maximale oppervlakte van het leefgebied of onderdeel van het leefgebied waarvoor reeds een beschikking is afgegeven; of uitbreiding van de bestaande beschikking met een nieuw leefgebied of een onderdeel daarvan; of aanpassing van de gemiddelde kosten per hectare leefgebied; of een combinatie van een vergroting, zoals bedoeld onder a, met een aanpassing zoals bedoeld onder c; of een combinatie van een uitbreiding, zoals bedoeld onder b, met een aanpassing zoals bedoeld onder c. 3.Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om, overeenkomstig de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, de beschikking tot subsidieverlening te wijzigen voor de resterende looptijd van de subsidie voor zover: de aanvraag voldoet aan de subsidievereisten genoemd in artikel 3.4; die wijziging leidt tot een verhoging van minimaal € 1.200,--; de vergroting van de oppervlakte is aangevraagd in het eerste of het tweede beheerjaar; Vervallen, per 1 januari
  4. 4.In afwijking van de gegevens zoals bedoeld in artikel 3.4, onderdeel c, onder 4°, dient de subsidieontvanger een berekening in van de kosten voor het uitvoeren van het project gedurende de na wijziging resterende looptijd van de subsidie, gesplitst naar leefgebied of onderdeel van het leefgebied. 5.De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de gemiddelde kosten per hectare leefgebied. De gemiddelde kosten per hectare leefgebied worden bepaald door per leefgebied de kosten voor het uitvoeren van het project in de resterende looptijd te delen door het aantal jaren waarvoor de subsidieverlening na de wijziging nog loopt. Dit bedrag wordt gedeeld door het maximumaantal hectares waarvoor de subsidieverlening na de wijziging geldt. Het aldus berekende bedrag geldt met ingang van het kalenderjaar waarin de wijziging van kracht wordt voor de resterende looptijd van de subsidie bedoeld in artikel 3.
  5. 6.In afwijking van het bepaalde in het derde lid geldt dat de aanvraag in de situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a, voldoet aan de subsidievereisten genoemd in artikel 3.4, onderdelen a en b, en onderdeel c onder 1° en 4°. Artikel3.14Subsidievaststelling 1.Gedeputeerde Staten stellen binnen dertien weken na afloop van de zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de subsidie is verstrekt, de subsidie ambtshalve vast, waarbij tevens beslist wordt op de door de subsidieontvanger in het zesde en laatste kalenderjaar ingediende verantwoording, bedoeld in artikel 3.11, onder g. 2.De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten hoogste dertien weken worden verdaagd. 3.Het resterende bedrag wordt binnen zes weken na afloop van de beslissing, bedoeld in het eerste of tweede lid, uitbetaald. 4.De hoogte van het resterende bedrag wordt bepaald door het totaal aantal hectares opgegeven in de verantwoording, bedoeld in artikel 3.11, onder g en waarvoor daadwerkelijk beheeractiviteiten zijn uitgevoerd, per leefgebied te vermenigvuldigen met de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid. 5.Als het bedrag, bedoeld in het vierde lid, hoger is dan het totaalbedrag dat voor de uitgevoerde beheeractiviteiten op grond van de vergoeding in bijlage 4 maximaal mag worden vergoed, geldt voor de berekening van het resterende bedrag dit maximumbedrag. Artikel3.15Verlagen subsidies Gedeputeerde Staten geven uitvoering aan de artikelen 59, vijfde lid en 84, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2021/
  6. §4Natura 2000-gebieden De Wieden en Weerribben Artikel4.1Subsidiabele activiteiten 1.Gedeputeerde Staten kunnen aanvullend op en in afwijking van de bepalingen uit paragraaf 1 en 2 subsidie verstrekken voor het natuur- en landschapsbeheer binnen de Natura 2000 gebieden De Wieden en Weerribben. 2.In deze paragraaf wordt verstaan onder pachter: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een natuurterrein exploiteert binnen de Natura 2000 gebieden De Wieden en Weerribben, krachtens een door de grondkamer goedgekeurd pachtcontract. Artikel4.2Criteria Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria: er is voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen paragraaf 1 en 2, voorzover daarvan in deze paragraaf niet wordt afgeweken. in afwijking van artikel 2.1 kan subsidie worden aangevraagd door een pachter. in aanvulling op artikel 2.1 voldoet de aanvraag tot subsidie aan de volgende criteria: de eigenaar en de pachter dienen hun aanvraag gebundeld in; de eigenaar als bedoeld onder a dient meer dan 75 hectare grond binnen het Natura 2000-gebied De Wieden of Weerribben in beheer te hebben; de eigenaar als bedoeld onder a dient te beschikken over een certificaat als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, onder b, c en d. Artikel4.3Grondslag subsidie 1.Voor subsidieaanvragers als bedoeld in artikel 4.2, onder b, bedraagt de hoogte van de subsidie 80% van het op basis van artikel 2.6, eerste lid, bepaalde bedrag, eventueel verhoogd met 80% van het bedrag genoemd in artikel 2.6, tweede lid, onder e. 2.In afwijking van artikel 2.6, eerste lid, bedraagt de hoogte van de subsidie voor de eigenaar 20% van het op basis van artikel 2.6, eerste lid, bepaalde bedrag, eventueel verhoogd met de bedragen genoemd in artikel 2.6, tweede lid, onder a tot en met c, alsmede 20% van het bedrag genoemd in artikel 2.6, tweede lid, onder e. Artikel4.4Verplichtingen subsidieontvanger Gedeputeerde Staten kunnen bij de toekenning van subsidie nadere beheervoorschriften geven ter afstemming van de werkzaamheden van eigenaar en pachter. Artikel4.5Wijziging subsidieverlening Voor de toepassing van artikel 2.13 is voor de pachter het bepaalde in artikel 4.2 sub c onder a van overeenkomstige toepassing. §5Slotbepalingen Artikel5.1Inwerkingtreding 1.Deze regeling treedt in werking op de datum waarop de Omgevingswet in werking treedt en werkt ten aanzien van artikel 3.11, onder l, terug tot en met 1 januari
  7. 2.De subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Overijssel 2016 wordt ingetrokken op de datum dat de Omgevingswet in werking treedt. Artikel5.2Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Overijssel
  8. Artikel5.3Overgangsrecht Subsidies verleent op grond van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Overijssel 2016 worden geacht te zijn verleend op grond van de Subsidieregeling natuur en- landschapsbeheer Overijssel
  9. Bijlage1Index Natuur en Landschap Onderdeel landschap Inhoudsopgave Leeswijzer L01 Groenblauwe landschapselementen L01.02 Houtwal en houtsingel L01.03 Elzensingel L01.04 Bossingel en bosje (vervallen per 1-1-2017) L01.05 Knip- of scheerheg L01.06 Struweelhaag L01.07 Laan L01.08 Knotboom L01.09 Hoogstamboomgaard L01.10 Struweelrand (vervallen per 1-1-2017) L01.11 Hakhoutbosje (vervallen per 1-1-2017) L01.12 Griendje (vervallen per 1-1-2017) L01.13 Bomenrij en solitaire boom (vervallen per 1-1-2017) L01.14 Rietzoom en klein rietperceel (vervallen per 1-1-2017) L01.15 Natuurvriendelijke oever (vervallen per 1-1-2017) L01.16 Bossingel (nieuw per 1-1-2017) L02 Historische gebouwen en omgeving L02.01 Fortterrein L02.02 Historisch bouwwerk en erf L02.03 Historische tuin L03 Aardwerken L03.01 Aardwerk en groeve L04 Recreatieve landschapselementen L04.01 Wandelpad over boerenland Leeswijzer N00.01 Nog om te vormen naar natuur N01 Grootschalige, dynamische natuur N01.01 Zee en wad N01.02 Duin- en kwelderlandschap N01.03 Rivier- en moeraslandschap N01.04 Zand- en kalklandschap N02 Rivieren N02.01 Rivier N03 Beken en bronnen N03.01 Beek en bron N04 Stilstaande wateren N04.01 Kranswierwater N04.02 Zoete plas N04.03 Brak water N04.04 Afgesloten zeearm N05 Moerassen N05.01 Moeras (vervallen per 1-1-2021) N05.02 Gemaaid rietland N05.03 Veenmoeras (nieuw per 1-1-2021) N05.04 Dynamisch moeras (nieuw per 1-1-2021) N06 Voedselarme venen en vochtige heiden N06.01 Veenmosrietland en moerasheide N06.02 Trilveen N06.03 Hoogveen N06.04 Vochtige heide N06.05 Zwakgebufferd ven N06.06 Zuur ven of hoogveenven N07 Droge heiden N07.01 Droge heide N07.02 Zandverstuiving N08 Open duinen N08.01 Strand en embryonaal duin N08.02 Open duin N08.03 Vochtige duinvallei N08.04 Duinheide N09 Schorren of kwelders N09.01 Schor of kwelder N10 Vochtige schraallanden N10.01 Nat schraalland N10.02 Vochtig hooiland N11 Droge schraallanden N11.01 Droog schraalland N12 Rijke graslanden en akkers N12.01 Bloemdijk N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.03 Glanshaverhooiland N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland N12.05 Kruiden- en faunarijke akker N12.06 Ruigteveld N13 Vogelgraslanden N13.01 Vochtig weidevogelgrasland N13.02 Wintergastenweide N14 Vochtige bossen N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos N14.02 Hoog- en laagveenbos N14.03 Haagbeuken- en essenbos N15 Droge bossen N15.01 Duinbos N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos N16 Bossen met productiefunctie N16.01 Droog bos met productie (vervallen per 1-1-2018) N16.02 Vochtig bos met productie (vervallen per 1-1-2018) N16.03 Droog bos met productie (nieuw per 1-1-2018) N16.04 Vochtig bos met productie (nieuw per 1-1-2018) N17 Cultuurhistorische bossen N17.01 Vochtig hakhout en middenbos (vervallen per 1-1-2017) N17.02 Droog hakhout N17.03 Park- en stinzenbos N17.04 Eendenkooi N17.05 Wilgengriend (nieuw per 1-1-2017) N17.06 Vochtig en hellinghakhout (nieuw per 1-1-2017) Leeswijzer T.a.v. versie 0.
  10. Bij de beheertypen die zijn vervallen is de vervaldatum met een eenduidige notatiewijze toegevoegd. De beheerpakketten voor landbouw en niet gecertificeerde beheerders zijn vervallen en weggehaald. De beheereisen die eerder voor beheerpakketten op landbouwgrond van toepassing waren zijn weggehaald. Waar wordt verwezen naar een vervallen beheertype is de verwijzing naar het vervallen beheertype weggehaald (landschapspakketten op landbouwgrond). Systematiek In het kader van de vereenvoudiging en transparantie van het Stelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) is een systematiek ontwikkeld die aansluit op de systematiek van de onderdelen Natuur en Agrarisch: L = Landschap L01 = landschapselemententypen L01.01 = landschapsbeheertypen Binnen het onderdeel Landschap zijn er 4 natuurtypen vastgesteld met daaronder 20 beheertypen. Uitgangspunten van de typologie zijn: Natuurtypen zijn bedoeld als sturingsinstrument op landelijk en regionaal niveau. Natuurtypen zijn bruikbaar om afspraken op het gebied van landschapsbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu op elkaar af te stemmen zodat de nagestreefde natuurkwaliteit gerealiseerd kan worden. Natuurbeheertypen zijn bruikbaar voor het typeren van een doelstelling van grote gebieden. Zowel natuurlijke landschappen als groene cultuurhistorische elementen zijn geïntegreerd in de natuurtypen. De indeling in natuurtypen zowel gebaseerd op abiotische als op biotische condities en op cultuurhistorie. Beheertypen zijn bedoeld voor de classificering en indeling van het beheer. Beheertypen kunnen (op regionaal niveau) beschouwd worden als eenheden met een kleine variatie in natuurwaarde en abiotische randvoorwaarden. Beheertypen zijn geschikt om zowel actuele situaties als doelen mee te beschrijven. Binnen een beheertype is sprake van een vergelijkbaar beheer en vergelijkbare kosten (koppeling doelen en middelen). Van alle landschapselemententypen is een algemene beschrijving opgenomen. De algemene beschrijving geeft een indruk van het voorkomen en geografische verspreiding van de beheertypen, de kenmerkende natuurwaarden en belangrijkste abiotische en ruimtelijke condities. Ook van alle landschapsbeheertypen is een algemene beschrijving opgenomen die samen met de afbakening de basis vormt voor de classificering van de beheertypen. Daarnaast zijn de afbakeningen met name gebaseerd op de minimale oppervlakte en/of afmeting in het kader van ecologische en financiële haalbaarheid van de vergoedingen. L01 Groenblauwe landschapselementen Algemene beschrijving In de loop der eeuwen zijn in het Nederlandse landschap diverse landschapselementen verschenen. Sommige van deze landschapselementen zijn al eeuwen oud. De functie was vaak meerledig: zo dienden dergelijke landschapselementen als perceelsscheiding, veekering of drinkwatervoorziening voor het vee maar ze leverden ook gebruikshout op. Door de komst van prikkeldraad, de schaalvergroting en ruilverkavelingen zijn vele kilometers en hectares van deze elementen verdwenen. Deze landschapselementen vertegenwoordigen vaak een hoge natuurwaarde, doordat veel dieren en planten er beschutting, dekking en voedsel vinden. De lijnvormige landschapelementen worden gebruikt als migratieroute door veel zoogdieren als vleermuizen en das. De blauwe landschapselementen dienen als voortplantingsplaats van amfibieën en insecten. Veel vogels vinden nestgelegenheid in de dichtte begroeiing of juist in de ontstane holtes als gevolg van het intensieve beheer dat bij deze landschapelementen plaatsvindt. Planten en insecten profiteren optimaal van de vele microklimaten die de landschapelementen bieden. Beheertypen Dit natuurtype omvat de volgende beheertypen: L01.01 Poel en klein historisch water L01.02 Houtwal en houtsingel L01.03 Elzensingel L01.04 Bossingel en bosje (vervallen per 1-1-2017) L01.05 Knip- en scheerheg L01.06 Struweelhaag L01.07 Laan L01.08 Knotboom L01.09 Hoogstamboomgaard L01.10 Struweelrand (vervallen per 1-1-2017) L01.11 Hakhoutbosje (vervallen per 1-1-2017) L01.12 Griendje (vervallen per 1-1-2017) L01.13 Bomenrij en solitaire boom (vervallen per 1-1-2017) L01.14 Rietzoom en klein rietperceel (vervallen per 1-1-2017) L01.15 Natuurvriendelijke oever (vervallen per 1-1-2017) L01.16 Bossingel (nieuw per 1-1-2017) L01.01 Poel en klein historisch water Algemene beschrijving Poelen zijn natuurlijke of gegraven laagtes, gemaakt om over water voor vee te kunnen beschikken. Andere al dan niet gegraven kleine wateren met een historische betekenis zijn bijvoorbeeld voorraadbassins voor bluswater, visvijvers, schapenwasplaatsen, pingoruïnes en veenputten. Vaak vervulden poelen meerdere functies. De mens heeft altijd water nodig gehad en daarvoor zijn zowel bestaande natuurlijke wateren als zelf gegraven laagtes gebruikt. Ook uit de middeleeuwen zijn putten en kuilen bekend. Tot op de dag van vandaag worden poelen gegraven en gebruikt. Poelen en kleine wateren in het landschap kunnen dus al eeuwen oud zijn, alhoewel sommige van zeer recente datum zijn, denk aan nieuw gegraven amfibieënpoelen. Het beheertype Poel en klein historisch water is te vinden in heel Nederland. Er zijn diverse vormen bekend. In het waterrijke West-Nederland dienden de sloten veelal als veedrinkplek en waren poelen dan ook minder noodzakelijk. In dit gebied vinden we de veenputten die door het kleinschalig afgraven van veen zijn ontstaan. Als drinkplaats voor vee zijn poelen daar te vinden waar ander drinkwater niet voorhanden was. Vooral in Oost- en Zuid-Nederland zijn poelen veel voorkomende landschapselementen. In de kustgebieden zijn poelen aangelegd om in zoet water te voorzien in een zilte omgeving. Deze poelen werden dan in een kunstmatige verhoging gegraven. Dit zijn de zogenaamde hollestelles. Deze zijn vooral in Zeeland te vinden en liggen vaak buitendijks. Wateren die als bluswater dienden zijn veel nabij boerderijen en nederzettingen te vinden. Visvijvers komen vooral veel in Brabant en Zuid-Limburg voor. Het is belangrijk de historische contouren/vormen te behouden, zeker bij de visvijvers. Openheid rondom (een deel van) de poel kan de zichtbaarheid en beleefbaarheid vergroten en is van belang om een goed voortplantingsbiotoop voor amfibieën te behouden. In het verleden was zeker bij veedrinkpoelen het element bereikbaar voor vee en dus in ieder geval deels onbegroeid. Vaak stonden er wel enkele bomen bij een poel voor schaduw voor de dieren en tegen verdamping. Soms kennen poelen gemetselde randen, zoals uit Zuid-Limburg bekend is. Poelen zijn van groot belang als voortplantingsbiotoop voor amfibieën en libellen in het cultuurlandschap. Afbakening Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door grond- en/of regenwater. Een poel mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied. Het element heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 en maximaal 50 are. In Zuid-Limburg heeft een voortplantingspoel voor amfibieën een oppervlakte van minimaal 0,2 are. Vijvers die een onderdeel zijn van een park- of tuinaanleg vallen niet onder dit beheertype, maar onder beheertype L02.03 Historische tuin. Wateren die onder N06.06 ‘Zuur ven of hoogveenven’ of N06.05‘Zwakgebufferd ven’ vallen horen niet tot dit beheertype. Sloten behoren niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.02 Houtwal en houtsingel Algemene beschrijving Houtwallen en houtsingels komen in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten zoals; graften, grubben, dykswâlen, schurvelingen of houtkaden. Houtwallen komen vooral voor in cultuurlandschappen in het Zandgebied, Heuvelland en het Duingebied. Lijnvormige landschapselementen met wallichaam in het laagveengebied worden houtkade genoemd. Ook de begroeiing op graften en holle wegen in Zuid-Limburg valt onder dit type. Deze lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Houtwallen en houtsingels zijn bepalend voor het kleinschalige kampenlandschap op de zandgronden. Deze lijnvormige elementen vormen een belangrijk biotoop voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna. Afbakening Een houtwal of houtsingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd. De houtwal of houtsingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. Elzensingels bestaande uit een enkele rij horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype L01.03 Elzensingel. Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.03 Elzensingel Algemene beschrijving Elzensingels zijn lijnvormige landschapselementen die bestaan uit een enkele rij zwarte elzen, en vaak langs slootkanten staan. Deze elzensingels komen vooral voor in het laagveen-, zand- of rivierengebied en zijn zeer kenmerkend voor de Friese Wouden en komen in verscheidene andere delen van Nederland voor, zoals het Groninger Westerkwartier, de Gelderse Vallei, Midden-Brabant en de gebieden rond Staphorst en Vriezeveen. Elzensingels zijn van belang voor schuilmogelijkheden voor fauna in het cultuurlandschap. Afbakening Een elzensingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten éénrijig landschapselement dat grotendeels bestaat uit Zwarte els en als hakhout wordt beheerd. Een elzensingel is minimaal 25 meter lang. Losse bomenrijen horen niet tot dit beheertype Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.04 Bossingel en bosje (vervallen per 1-1-2017) Algemene beschrijving Een bossingel of een bosje zijn houtopstanden die vroeger vaak aangeplant en beheerd werden als hakhout, maar doorgeschoten zijn. Ze komen in veel gebieden in Nederland voor. Ook de meer recentere landinrichtingsbosjes en kleine bosjes die geen hakhoutbeheer gekend hebben behoren tot dit type. Afbakening Een bossingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken. Een bossingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. Een bosje is een vrijliggend vlakvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken. Een bosje is minimaal 2,0 are en maximaal 1 hectare groot. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.05 Knip- of scheerheg Algemene beschrijving Heggen zijn al eeuwen te vinden in het Nederlandse cultuurlandschap. Waar in natte delen van Nederland sloten als eigendoms- of perceelscheiding dienden, werden in drogere delen veelal heggen gebruikt. De doornige meidoorn kon daarnaast ook nog een veekerende functie hebben. Ook op landgoederen en forten is het gebruik van meidoornhagen bekend. De introductie van het prikkeldraad rond 1900 heeft gezorgd voor het verdwijnen van veel heggen. Heggen komen in heel Nederland voor, maar zijn vooral te vinden rondom dorpen en boerderijen. In Zuid-Limburg is de knip- en scheerheg ook een karakteristiek landschapselement in het landelijke gebied. Door het regelmatig knippen heeft de heg een strak en recht uiterlijk. Heggen zijn van belang als leefgebied en migratieroute. Daarnaast bieden heggen schuilmogelijkheden voor de fauna in het cultuurlandschap. Afbakening Een knip- of scheerheg is een vrijliggend lijnvormig landschapselement, met een aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen en/of struiken, dat wordt geknipt of geschoren. Een knip- of scheerheg is minimaal 25 meter lang. Een knip- of scheerheg kan periodiek gevlochten worden. Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.06 Struweelhaag Algemene beschrijving In de loop der eeuwen zijn in het Nederlandse landschap diverse lijnvormige landschapselementen verschenen met houtige gewassen. Sommige van deze landschapselementen zijn al eeuwen oud. De functie van dergelijke landschapselementen was perceelsscheiding en veekering. Door de komst van prikkeldraad en de schaalvergroting en ruilverkavelingen zijn vele kilometers van deze elementen verdwenen. Struweelhagen komen in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten. Karakteristieke heggenlandschappen zijn terug te vinden langs de grote rivieren Maas en IJssel, in Zuid-Beveland en op Walcheren. Deze landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Het verschil met een knip- of scheerheg is dat een struweelhaag minder frequent wordt gesnoeid en daardoor meer en breder uitgroeit. Soms is er sprake van speciale beheervormen zoals bij vlechtheggen. Struweelhagen vormen een belangrijk leefgebied voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna. Afbakening Een struweelhaag is een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken. Een struweelhaag is minimaal 25 meter lang. Hagen die minimaal eenmaal per 3 jaar worden gesnoeid horen tot het beheertype L01.05 Knip- of scheerheg. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.07 Laan Algemene beschrijving Lanen zijn wegen die aan beide zijde met een of meerdere rijen bomen zijn beplant. Lanen vormen sinds de 17e eeuw belangrijke dragers van landgoederen en buitenplaatsen. Lanen werden niet alleen aangeplant uit esthetische motieven, maar dienden ook als beschutting tegen weersinvloeden en voor de houtproductie. Lanen blijven populair in de diverse tuinstijlen. Nog altijd worden nieuwe lanen aangelegd. Lanen komen voor in heel Nederland, vaak op en rond landgoederen. Soms herinneren lanen aan vroegere landgoederen op die locatie. Lanen zijn belangrijke onderdelen van landgoederen en geven vaak de structuur aan. Niet zelden bevindt zich het landhuis aan het eind van een laan, of biedt een laan een ver zicht naar een markant punt in de omgeving. Zeker oudere lanen met markante bomen kunnen zeer indrukwekkende landschapselementen zijn. Lanen zijn van belang voor aan oude bomen of boomholten gebonden vogels en vleermuizen. Verder zijn ze van belang voor op bomen groeiende mossen en korstmossen en oude lanen waar jaarlijks weinig strooisel blijft liggen zijn van groot belang voor zeldzame mycorhizapaddestoelen. Afbakening Een laan is een weg of pad, die aan beide zijden met een of meerdere rijen bomen is beplant en is bedoeld en aangelegd als laan. Bij een laan gaat het meestal om bomen van dezelfde soort en leeftijd en er is sprake van een herkenbaar en regelmatig plantverband. Onder dit beheertype vallen ook dijken met een weg, bovenop de kruin van de dijk, die aan beide zijden met bomen is beplant. Een laan is minimaal 50 meter lang. Losse bomenrijen horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.08 Knotboom Algemene beschrijving Knotbomen zijn bomen met een opgaande stam, waarbij periodiek de boven op die stam groeiende takken (of pruik) worden geoogst. Door die oogst ontstaat er op deze hoogte een vergroeiing van de stam: de knot. De knotboom levert gemakkelijk oogstbaar hout op dat op een plaats groeit waar het vee er niet bij kan. Knoteiken worden traditioneel een keer in de zeven tot acht jaar geknot. Bij knotessen gebeurde dat eens in de vijf tot zes jaar en knotwilgen en knotpopulieren worden meestal eens in de vier jaar geknot. Al van voor het begin van onze jaartelling zijn er vermeldingen bekend van knotbomen. Het gaat dan om de soorten wilg, populier, es, els, eik en haagbeuk. Knotessen, knothaagbeuken en knoteiken kunnen bijzonder oud worden. Ook wilgen en bijvoorbeeld populieren worden als knotboom veel ouder dan wanneer ze vrijuit groeien. Voor grote delen van vooral Laag Nederland is de knotwilg een zeer kenmerkend landschapselement. Utrecht en Zuid-Holland zijn de provincies met de meeste knotbomen, geschat wordt dat het alleen daar al om honderdduizenden exemplaren gaat. Andere knotboomrijke gebieden zijn Zuid-Limburg, de Achterhoek, de Liemers, het gebied van de grote rivieren en Zeeuws-Vlaanderen. Het silhouet van knotbomen is uit veel regio's bekend. Per gebied verschillen echter wel de boomsoorten die ervoor worden gebruikt. In het oosten van het land staan knoteiken, essen en wilgen in houtwallen en als overstaanders in heggen. Maar ze zijn daar en in het zuiden ook te vinden in graften, langs holle wegen en terras- en bosranden. Ze komen zelfs midden in bossen voor als markering van vroegere hakhoutpercelen. Knotelzen staan vaak op armere gronden, ze zijn vooral kenmerkend voor akkerranden in landschappen met kampontginningen, slagenlandschappen en esdorpenlandschappen. Ze kwamen vroeger op veel plaatsen in Nederland voor, langs slootkanten als geknotte elzenhagen, maar ook in rijen tussen akkers en weilanden. In laagveengebieden en langs rivieren en dijken staan verschillende wilgen- en populierensoorten, maar daar en vooral in het laagveengebied worden ook gewone essen gebruikt. De bodem heeft daar weinig draagkracht en essen kunnen geknot veel ouder worden dan doorgroeiende essen. Knotbomen bieden broedgelegenheid aan diverse vogels, waaronder de Steenuil en Wilde eend. Vooral oude knotbomen kunnen zeldzame hierop groeiende mossen en korstmossen herbergen. Afbakening Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van minimaal 1,0 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot). Knotbomen worden aangetroffen als solitaire boom, in rijen of in kleine groepen. Een kleine groep bestaat uit maximaal 20 bomen. Vlakvormige elementen met knotbomen, behoudens kleine groepen, horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.09 Hoogstamboomgaard Algemene beschrijving Een hoogstamboomgaard is een boomgaard of boomweide met fruitrassen of notenbomen. Hoogstamboomgaarden zijn al bekend uit de middeleeuwen bij kloosters en kastelen, zowel voor eigen gebruik als handel. Ook bij boerderijen komen boomgaarden dan ook al eeuwen voor en sommige locaties kunnen heel oud zijn. De bomen zelf worden vaak niet ouder dan honderd jaar. De stijgende prijzen voor fruit zorgden voor een ware explosie van het aantal boomgaarden tussen 1850 en
  11. Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen veel hoogstammen voor de efficiëntere teelt in eerst half- en vervolgens laagstammen. Rooipremies hebben in het hele land veel hoogstamboomgaarden doen verdwijnen. In Zeeland speelde de overstromingen tijdens de Tweede Wereldoorlog en in 1953 een belangrijke rol in het afnemen van de hoogstammen in deze provincie. Inmiddels worden er uit landschappelijke en ecologische motieven weer hoogstambomen aangeplant, maar de oppervlakte is nog maar een fractie van de oppervlakte die kort na de Tweede Wereldoorlog bestond. Overal in Nederland komen hoogstamboomgaarden voor, vooral als onderdeel van het boerenerf. Ook bij landgoederen en buitenplaatsen waren vaak (grootschalige) boomgaarden te vinden. Niet overal in Nederland komen hoogstamboomgaarden evenveel voor. Vooral in de traditionele fruitgebieden, zoals Zuid-Limburg en het rivierengebied liggen nu nog veel restanten van oude boomgaarden. In het Hollands-Utrechtse veenweidegebied komen nog veel boomgaarden bij boerderijen voor. Hier is door afzetting van rivierklei een geschikte groeiplaats ontstaan. In noord- en oost Nederland op het zand zijn hoogstamboomgaarden relatief schaars. Boomgaarden zijn dikwijls verbonden aan boerderijen. Enkele grotere complexen horen bij landgoederen en buitenplaatsen of dateren uit de tijd van de grote groei (1850-1900). Boomgaarden worden vaak door een heg, haag of sloot afgescheiden van de omgeving. De ondergrond van de hoogstamboomgaard is vaak een begraasd grasland: de hoogte van de stammen zorgden er immers voor dat het vee geen fruit kon eten! In het rivierengebied komen oude boomgaarden op de kleigronden voor, in Zuid-Limburg is er vaak een relatie met de dorpen. Naast hun functie voor fruitproductie hebben hoogstamboomgaarden ook een belangrijke landschappelijke betekenis en vormen ze het leefgebied voor diverse diersoorten zoals bijvoorbeeld steenuil. In oude boomgaarden groeien vaak ook bijzondere zeldzame fruitrassen en in de ondergroei van de hoogstammen handhaaft zich vaak een soortenrijke kruidenvegetatie. Afbakening Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,5 meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie. Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 150 bomen per hectare. Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnoten. Een hoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.10 Struweelrand(vervallen per 1-1-2017) Algemene beschrijving Struweelranden kunnen zich ontwikkelen vanuit een extensief beheerde situatie, of aangeplant worden. Afhankelijk van het beheer kunnen randen ontstaan die gedomineerd worden door ruigtekruiden, struiken of een combinatie van beide. Kenmerk van een struweelrand is dat deze zowel vrijliggend, als aansluitend aan een ander element kan liggen. Struweelranden kunnen daarmee dienen als overgangsgebied tussen agrarisch gebruikte percelen en bossen, en zijn in die vorm vooral te beschouwen als een naar voren geschoven bosrand. Met een gunstige ligging kunnen struweelranden bijdragen aan een warmer microklimaat, en zijn dan vooral van belang voor insecten, amfibieën en reptielen. Wanneer dat microklimaat ontbreekt, kunnen struweelraden vooral van belang zijn voor broedvogels en planten van een meer extensief beheer. Afbakening Een struweelrand is een aaneengesloten rand met een mozaïek van struweel (bramen en/of andere inheemse bomen of struiken) en een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die zich spontaan kan ontwikkelen. De rand is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door inheemse bomen en/of struiken. De struweelrand kan langs een bosrand of een landschapselement liggen maar ook vrij in het veld, bijvoorbeeld langs een perceelsrand. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.11 Hakhoutbosje(vervallen per 1-1-2017) Algemene beschrijving Boeren hebben al eeuwenlang behoefte aan hout voor allerlei doeleinden. Het kan hierbij gaan om brandhout, staken voor de groentetuin of hout voor gereedschapsstelen. Dit soort bosjes wordt in de volksmond ook wel geriefhoutbosje genoemd. In de loop der tijd zijn deze bosjes vaak in onbruik geraakt omdat er steeds minder behoefte aan het hout kwam. Ook werden in sommige regio’s deze bosjes gebruikt om aan ziekten doodgegaan vee te dumpen. Afbakening Een hakhoutbos(je) is een vrijliggend vlakvormig landschapselement, met inheemse bomen en/of struiken dat als hakhout wordt beheerd. Een hakhoutbosje is minimaal 1,0 are en maximaal 1,0 hectare groot. Kleine vrijliggende bosjes zonder hakhoutbeheer of met een zeer beperkte vorm van hakhoutbeheer behoren niet tot dit beheertype. Subsidievoorwaarden Binnen natuurterreinen dient de beheerder het landschapstype in stand te houden om voor beheersubsidie SNL in aanmerking te komen. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.12 Griendje(vervallen per 1-1-2017) Algemene beschrijving In bepaalde delen van het land, was het verbouwen van wilgen lange tijd vrij gebruikelijk in vooral moerassige streken. Deze wilgen werden op enige tientallen centimeters boven de grond afgezet in een 4-6 jarige cyclus. Het hier vanaf komend hout (vaak wilgentenen genoemd) werd o.a. gebruikt als rijshout ter bescherming van waterkeringen. Deze wilgengrienden zijn ook nu nog in het landschap terug te vinden en het eraf komend hout wordt nog steeds gebruikt voor rijshout, maar kent inmiddels ook moderner toepassingen als tuinschermen etc. Vooral de oude wilgengrienden hebben vaak een rijke ondergroei van hogere planten, varens en mossen. Faunistisch zijn ze van belang als schuilplaats voor kleine zoogdieren en broedgebied voor zangvogels. Ook reeën vinden een geschikte schuilgelegenheid in wilgengrienden. Afbakening Een griendje is een vrijliggend vlakvormig landschapselement met inheemse wilgensoorten dat als hakhout wordt beheerd. Het griendje is minimaal 1,0 are en maximaal 1,0 hectare groot. Grienden die machinaal gemaaid worden behoren niet tot dit type. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.13 Bomenrij en solitaire boom(vervallen per 1-1-2017) Algemene beschrijving Bomenrijen komen in heel Nederland voor en zijn vaak zeer bepalende elementen in het landschap, met een grote verscheidenheid aan vormen. Op de zandgronden komen bomenrijen voor langs perceelsgrenzen en langs paden. In het zeekleigebied zijn bomenrijen vaak terug te vinden op de slapende dijken. Ze kunnen bestaan uit één of meerdere boomsoorten, vrij in het veld staan of langs een watergang, schouwpad, weg of anderszins. In deze vorm hebben bomenrijen niet alleen een landschappelijke waarde maar ook waarde als broedgebied voor vogels, of als ecologische corridor, bijvoorbeeld voor vleermuizen. Solitaire bomen zijn eveneens zeer kenmerkend voor het landschap, en vanuit die optiek waardevol om te behouden. Afbakening Een bomenrij/solitaire boom is een vrijliggend landschapselement van inheemse loofbomen dat niet kan worden gerangschikt onder andere beheertypen van deze index. Bedoeld worden solitaire bomen of bomen in een groep of rij staande op of langs landbouwgrond. Bomen die een onderdeel vormen van een ander beheertype van deze index of deel uitmaken van een bomenrij als bedoeld in dit beheertype kunnen niet als solitaire boom of verzameling van solitaire bomen aangevraagd worden. De bomenrij is minimaal 50 meter lang en bestaat uit minimaal 8 bomen per 100 meter. Vlakvormige boomweides behoren niet tot dit beheertype. Solitaire knotbomen of een rij knotbomen behoren tot het beheertype L01.08 Knotboom. Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.14 Rietzoom en klein rietperceel(vervallen per 1-1-2017) Algemene beschrijving Rietzomen bestaan uit smalle rietstroken die grenzen aan agrarisch gebruikte percelen. Deze rietstroken kunnen zowel individueel als in samenhang met elkaar voorkomen, en in de laatste vorm soms vele kilometers lengte beslaan. Vanwege een extensief gebruik van deze rietzomen, zijn ze een belangrijk broedgebied voor rietvogels, en eveneens van belang voor amfibieën, ringslang, libellen en moerasvegetaties. Afbakening Een rietzoom bevindt zich langs een waterloop en bestaat uit riet-, biezen en/of zeggevegetaties, waarvan riet meer dan 50% van de oppervlakte inneemt. De rietzoom heeft een breedte van minimaal 2 meter en is minimaal 25 meter lang. Een klein rietperceel is een vlakvormig element met een vegetatie die overwegend uit riet bestaat. Het rietperceel heeft een maaibare oppervlakte van maximaal 0,5 ha. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.15 Natuurvriendelijke oever(vervallen per 1-1-2017) Algemene beschrijving Natuurvriendelijke oevers komen in heel Nederland voor langs waterlopen maar het meest karakteristiek zijn de natuurvriendelijke oevers voor Laag Nederland. Natuurvriendelijke oevers zijn door de mens aangebracht in de vorm van een plas- of dras berm of een flauw talud langs een bestaande waterloop. De begroeiing bestaat uit plantensoorten van natte ruigten en natte graslanden. Door de kenmerkende flora en fauna hebben deze oevers een hoge ecologische waarde. Zij zijn gebonden aan typische terreinomstandigheden. Afbakening Een natuurvriendelijke oever is een aaneengesloten oever langs een bestaande waterloop, in de vorm van een plas- of drasberm of flauw talud (minimaal 1:3) met een begroeiing van inheemse planten. De oever heeft een breedte van tenminste 3 meter en maximaal 10 meter en heeft een minimale lengte van 25 meter. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L01.16 Bossingel (nieuw per 1-1-2017) Algemene beschrijving Een bossingel is een houtopstand die vroeger vaak werd aangeplant en beheerd werd als hakhout, maar doorgeschoten is. Ze komen in veel gebieden in Nederland voor. Afbakening Een bossingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken. Een bossingel heeft een breedte van minimaal 2 en maximaal 20 meter en een minimale oppervlakte van 1,0 are. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L02 Historische gebouwen en omgeving Algemene beschrijving Vanaf de (late) middeleeuwen nam de bouw van grote, ruim opgezette bouwwerken een grote sprong voorwaarts. Er werd veel geïnvesteerd in grote verdedigingwerken die het land en haar inwoners diende te beschermen. Maar daarnaast nam ook het aantal luxueuze buitenverblijven toe. De adel en andere welvarende burgers vestigden zich in het buitengebied in een veelal ruim opgezette indeling van gebouwen en bijbehorende gronden. Ook het aantal kloosters nam toe sinds de middeleeuwen sterk toe. De nog resterende gebouwen van die tijd kennen naast hun cultuurhistorische waarde vaak ook een grote natuurwaarde. Kenmerkend voor deze landschappen zijn de muurplanten die op de, met kalkrijke mortel aangelegde, muren groeien en de vleermuizen die in de kelders en de vele holtes die vaak in een dergelijke omgeving aanwezig zijn, zeer geschikte verblijfplaatsen vinden. Beheertypen Dit natuurtype omvat de volgende drie beheertypen: L02.01 Fortterrein L02.02 Historisch bouwwerk en erf L02.03 Historische tuin L02.01 Fortterrein Algemene beschrijving In Nederland zijn sinds de 16e eeuw vele forten gebouwd ter bescherming van strategische locaties zoals steden, doorgaande wegen of belangrijke wateren. De bekende waterlinies zoals de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam waren gebaseerd op stelsels van inundatievlakten en forten, die strategische plekken tussen de onderwaterzettingen moesten verdedigen. Forten zijn vaak uitgebreide complexen bestaande uit gebouwen, wallen en grachten. De Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie kennen tientallen van dergelijke forten, maar ook losse forten komen voor. Fortterreinen hadden diverse functies: wallen dienden ter verdediging, maar er waren ook vlakke gedeelten voor exercitie, beplanting voor de aanwezigheid van gebruikshout en camouflage. Voornaamste onderdeel van fortterreinen vormen de vaak complexe stelsels van wallen, waarin de gebouwen vaak liggen ingebed. Ook opstelplaatsen voor geschut zijn in de wallen te vinden. Beplanting vormt vaak een belangrijk onderdeel van fortterreinen. Van de forten van de grote waterlinies is bekend, dat deze forten een planmatige beplanting kenden: deels als camouflage, maar vooral ook om gebruikshout beschikbaar te hebben. Restanten van deze beplantingen zijn nog op diverse forten te vinden. Concentraties van fortterreinen zijn te vinden rondom de forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, maar verspreid door het land komen ook elders forten voor, soms geïsoleerd, soms deel uit makend van een linie. Voorbeelden zijn Fort Sint Pieter op de Sint Pietersberg bij Maastricht of Fort Rammekens bij Vlissingen. Belangrijkste beheermaatregelen bestaan uit het onderhouden van de wallen en bijbehorende graslanden en de (al dan niet historische) beplanting. Maaien en afvoeren van het maaisel van de wallen is één van de belangrijkste beheermaatregelen. De schuine taluds van de wallen maken maaien vaak moeilijk. Fortterreinen hangen sterk samen met de fortgebouwen, de fortgracht en het buitenfort. Forten kennen meestal een sterke relatie met het omliggende landschap, zoals bijvoorbeeld de strategische ligging en nabijheid van het te verdedigen object, zoals een weg, dijk of stad. Fortterreinen hebben meestal een belangrijke functie als rustgebied voor fauna in het cultuurlandschap. De erop aanwezige gebouwen vormen belangrijke voortplantings- en overwinteringsplekken voor vleermuizen. Afbakening Tot het beheertype Fortterrein behoren de stelsels van wallen, beplanting en terreinen inclusief de gracht, met uitzondering van de gebouwen van het fort. Het gaat hierbij vrijwel altijd om 19e en vroeg 20e eeuwse complexen. De aanwezige historische beplanting, vaak knotbomen en meidoornhagen, worden periodiek afgezet. Deze maken onderdeel van fortterrein en vallen niet apart als landschapselement onder de beheertypen Houtwal, Struweelhaag, Knotboom, Elzensingel of Knip- en scheerheg. Het grazige gedeelte van het fortterrein wordt niet apart als beheertype Kruiden- en faunarijk grasland onderscheiden, maar is onderdeel van het beheertype Fortterrein. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. L02.02 Historisch bouwwerk en erf Algemene beschrijving Historisch bouwwerk en erf bestaat uit bouwwerken die van belang zijn in de geschiedenis van de architectuur, die belangrijke architectonische elementen bevatten of die een belangrijke historische rol hebben gespeeld in de plaatselijke culturele of sociale ontwikkeling. Hierbij gaat het om het bouwwerk inclusief de bijbehorende directe omgeving zoals bijvoorbeeld erven en omgrachting. Het gaat hierbij om de buitenruimte met een utilitair gebruik die een functionele samenhang heeft met het gebouw. Het geheel kan al of niet officieel als monument zijn aangewezen. Er zijn verschillende bouwwerken te onderscheiden: Landhuizen en bijgebouwen en omgrachting (stallen, dienstwoningen, poortgebouwen, oranjerie, duiventil, tuinhuisje, ijskelders, etc.); Boerderijen en bijgebouwen met bijbehorend historische erfindeling en omgrachting (stallen, etc.); Bouwwerken met een religieuze functie (of verleden) inclusief begraafplaatsen; Bouwwerken met een industriële of technische functie (of verleden) (zoals; molens, sluizen + bijgebouwen, (steen-) fabrieken); Woonhuizen; Bouwwerken met een militaire functie en eventuele omgrachting ( of verleden) (zoals fortgebouwen, bunkers, betonnen en stenen verdedigingswerken. Van de verschillende bouwwerken zijn regionale types (bijv. boerderijen) en/of specifieke relaties met de vestigingsplek (bijv. steenfabrieken). Verschillende bouwwerken dienen als broed- of overwinteringplaats van vogels en insecten. Afbakening Onder dit beheertype vallen het bouwwerk inclusief de bijbehorende directe omgeving zoals bijvoorbeeld erven. Het gaat hierbij om de buitenruimten die een functionele samenhang hebben met het gebouw. Beheer Er zijn drie beheeropties: Consolidatie door regulier beheer, restauratie of reconstructie. De kern van het beheer is dat het bouwwerk in de huidige toestand blijft. Men kan ook kiezen om tot restauratie of reconstructie over te gaan wat na de ingreep tot een instandhoudingbeheer zal leiden. L02.03 Historische tuin Algemene beschrijving Het beheertype Historische tuin beslaat oude tuinen of tuinonderdelen bij buitenplaatsen, landgoederen kastelen of kloosters die onderhouden moeten worden volgens een bepaald historisch ontwerp. Hierbij horen o.a. gazons, (rozen)perken, fonteinen, sier- en fruitbomen, paden, heggen, bij het ontwerp horende vijvers/waterpartijen etc. Buitenplaatsen ontstonden in de Nederlanden eind 16e eeuw. Sommige buitenplaatsen ontwikkelden zich uit de bestaande kastelen en kloosters, andere werden nieuw gesticht, veelal door de nieuwe stedelijke elite die genoeg geld hadden verdiend om naar 'buiten' te trekken en op een landschappelijk aantrekkelijke plaats te gaan wonen. Buitenplaatsen nabij steden werden lang niet altijd permanent bewoond, vaak werd het huis in de stad aangehouden en woonde de eigenaar alleen in het zomerseizoen op de buitenplaats. Buitenplaatsen waren in Nederland populair vanaf de 17e eeuw. Er zijn diverse stijlvormen bekend: Geometrische tuinstijl 17e/18e eeuw Landschappelijke stijl eind 18e en 19e eeuw Gemengde en neostijlen 20e eeuw. In praktijk is op de meeste buitenplaatsen een mengvorm van deze tuinstijlen te vinden. De ontwikkeling van tuinstijlen begint in de zeventiende eeuw met de geometrische tuinen met veel symmetrie, water, lanen en zichtassen (denk aan Het Loo), naar de landschappelijke tuinen vanaf eind 18e eeuw naar allerlei meng- en neostijlen in de 20e eeuw. Historische tuinen zijn te vinden op landgoederen en buitenplaatsen in heel Nederland. Er zijn enkele bekende zones met vele buitenplaatsen bij elkaar in Nederland te vinden zoals langs de Vecht of de ’s Gravelandse Buitenplaatsen. Tuinen in de geometrische tuinstijl zijn zeldzaam: Het Loo is een bekend voorbeeld. In de landschappelijke tuinstijl zijn vele parken bij landgoederen en buitenplaatsen aangelegd, maar lang niet altijd is daar een historische tuin in deze stijl bij te vinden. Veel historische tuinen komen toch uit de categorie gemengde en neostijlen vanaf begin 20e eeuw. Ook hierbij geldt, dat vele mengvormen voorkomen en vaak elementen uit vroegere stijlperiodes in de tuin werden opgenomen. Ook rondom kloosters kunnen historische tuinen te vinden zijn. De tuin werd vaak ingericht met een mengeling van recreatieve en nuttige functies, waarbij het representatieve aspect dominant was. De tuin was een onderdeel van een groter geheel waar ook lanen, singels, leibomen, solitaire bomen, begroeide slangenmuren, grachten, kanalen, een duiventil, follys en allerlei bijgebouwen bijhoren. Deze verschillende delen worden bijeengehouden doordat ze bij het ontwerp van één buitenplaats horen. De tuinen hebben een relatie met het bijbehorende huis. Vaak waren de intensief onderhouden tuinen in de directe omgeving van het huis te vinden. In een enkel geval is het huis verdwenen maar de tuin nog aanwezig. Daarnaast hebben de tuinen een duidelijke relatie met andere onderdelen van het landgoed of de buitenplaats, zoals de lanen en parkbossen of landerijen. Soms hebben deze een sterke regionale inslag, vaak ook niet. Afbakening Het beheertype historische tuinen beslaat oude tuinen of tuinonderdelen bij buitenplaatsen, landgoederen, kastelen of kloosters die onderhouden moeten worden volgens een bepaald historisch ontwerp. Belangrijkste onderdelen zijn in dit type gazons, (rozen)perken en borders, (uitheemse) bomen en struiken, kleinschalig padenpatroon, fonteinen, sier- en fruitbomen, paden, heggen en bij het ontwerp horende vijvers/waterpartijen. Ook bijzondere tuinelementen als berceaus (loofgangen) of doolhoven vallen onder dit type. Deze onderdelen worden intensief onderhouden volgens een bepaald ontwerp. Niet tot het beheertype behoren landschapselementen die horen bij Park- en stinzenbossen (beheertype N17.03) en lanen L01.
  12. Gebouwde elementen van de tuin zoals tuinmuren en ijskelders vallen onder beheertype L02.
  13. Een landgoed of buitenplaats bezit niet per definitie een historische tuin, zoals in dit beheertype bedoeld is. Ook kloosters kunnen een historische tuin kennen. Stadstuinen vallen buiten dit type. Beheer Er zijn drie beheeropties: Consolidatie door regulier beheer of restauratie of reconstructie. De kern van het beheer is dat de tuin in de huidige toestand blijft. Bij het beheer is kennis van de oorspronkelijke vorm en betekenis van de verschillende groene elementen van belang. Het beheer is dus gericht op behoud van de oorspronkelijke structuren. Is de structuur van een tuin verloren gegaan door sterke verwaarlozing, dan zijn er vaak nog wel resten te vinden van de oude aanleg. In dat geval kan gekozen worden voor een restauratie of reconstructie. De eerste vraag die daarbij gesteld wordt is: kies je voor een specifiek tijdsbeeld (bijvoorbeeld begin 19e eeuw), of moet de nieuwe situatie een beeld geven van de ontwikkeling van de tuin door de jaren heen? Beide keuzen vereisen een grondige studie van historische bronnen, zoals oude kaarten, beschrijvingen en mogelijk zelfs ontwerptekeningen van de tuin. Op grond daarvan zal gekozen moeten worden voor een van de twee hierboven genoemde mogelijkheden. Consolidatie betekent het behouden van nog aanwezige tuinelementen in de huidige situatie. L03 Aardwerken Algemene beschrijving Door de eeuwen heen heeft de mens haar sporen achtergelaten in het Nederlandse landschap. Er werden nederzettingen opgericht in het buitengebied waarbij de omgeving gebruikt werd om in de levensbehoeften van de inwoners te voorzien. Zo werden er verhogingen in het landschap aangelegd die de inwoners moesten beschermen tegen aanvallers maar ook tegen het water. Daarnaast werd het landschap zo ingericht dat het mogelijk werd om vee te houden en gewassen te telen. Om de achterliggende gronden bereikbaar te maken werden paden aangelegd die als gevolg van vele jaren intensief gebruik vaak insleten in het landschap. Deze sporen zijn tot op de dag van vandaag zichtbaar in het landschap en geven het landschap een historische dimensie. Beheertypen Dit natuurtype omvat het volgende beheertype: L03.01 Aardwerk en groeve L03.01 Aardwerk en groeve Algemene beschrijving Binnen dit beheertype valt een diverse verzameling van landschapselementen van door de mens gemaakte verhogingen of ophogingen van aarde/grond of door de mens gemaakte kuilen, laagtes of gaten. Grofweg is deze verzameling in 4 groepen in te delen: Aarden schansen of ander verdedigingswerken: o.a. schansen, landweren, kogelvangers, tankgrachten en loopgraven); Wallen en dijken: tuunwallen, aarden wallen, terpen, wierden, dijken (slaper-, binnen-, ban-, overlaat-, peel-, rivier, schaar-, schenkel-, stuif-, zomer-, zeedijk etc) en dammen (incl. Spekdam (spiek, paap); Groeves en putten: steengroeven, zand-(grind-)putten en –groeves, kuilen (ijzer-, boeren- en zaagkuilen), daliegaten en leemputten; Microreliëf en steilranden; kades (tiendwegen), esranden, bolle akkers en akkerbergen. Vooral wallen en dijken zijn opvallende elementen in het landschap en een belangrijk onderdeel van veel landschappen in het lage deel van Nederland. Van de verschillende landschapselementen zijn regionale types en/ of specifieke relaties met de locatie van voorkomen. Afbakening Alle landschapselementen die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) staan, zoals bijvoorbeeld motte’s, grafheuvels en vlietbergen vallen buiten dit beheertype. Alleen elementen dia als zodanig worden beheerd vallen onder dit beheertype. Elementen die al onder een ander beheertype kunnen worden gerekend vallen buiten dit beheertype. Beheer Binnen natuurterreinen geldt een instandhoudingsverplichting. Het beheer dient er op gericht te zijn dat het landschapselement in de huidige toestand blijft. L04 Recreatieve landschapselementen Algemene beschrijving Mensen gebruiken het landschap niet alleen om te voorzien in hun levensbehoeften. Het landschap wordt ook gebruikt voor recreatie in haar vele vormen. Van oudsher werden bijvoorbeeld delen van agrarische percelen gebruikt als wandelpad omdat dit vaak de kortste route was tussen twee locaties, vooral op zondag wanneer men naar de kerk ging of het buitengebied in trok ter ontspanning. Meer recent neemt vooral de behoefte toe om het agrarisch landschap breed te ontsluiten voor recreatiedoeleinden. Beheertypen Dit natuurtype omvat het volgende beheertype: L04.01 Wandelpad over boerenland L04.01 Wandelpad over boerenland Algemene beschrijving Veel boeren, vaak in georganiseerd verband, overgegaan tot de aanleg van wandelpaden over boerenland. Inmiddels is een heel stelsel van wandelpaden over boerenland ontstaan, vaak onderdeel uitmakend van veel grotere systemen zoals lange afstandwandelpaden, provinciale wandelkaarten etc. Ook zijn tot voor enige decennia aanwezige oudere paden soms weer in ere hersteld, zoals kerkenpaden. Afbakening Een wandelpad over boerenland bestaat in beginsel uit een onverhard pad. Kleine gedeelten verhard pad over particuliere gronden kunnen meegenomen worden als dit noodzakelijk is voor de wandelpadenstructuur. Het wandelpad heeft een breedte van maximaal 3 meter. De paden zijn duidelijk gemarkeerd en zijn geschikt voor wandelaars met een normale conditie. Het wandelpad vormt een onderdeel van een doorgaande en/of openbare wandelstructuur. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Bijlage2Index Natuur en Landschap Onderdeel natuurbeheertypen Inhoudsopgave Leeswijzer L01 Groenblauwe landschapselementen L01.02 Houtwal en houtsingel L01.03 Elzensingel L01.04 Bossingel en bosje (vervallen per 1-1-2017) L01.05 Knip- of scheerheg L01.06 Struweelhaag L01.07 Laan L01.08 Knotboom L01.09 Hoogstamboomgaard L01.10 Struweelrand (vervallen per 1-1-2017) L01.11 Hakhoutbosje (vervallen per 1-1-2017) L01.12 Griendje (vervallen per 1-1-2017) L01.13 Bomenrij en solitaire boom (vervallen per 1-1-2017) L01.14 Rietzoom en klein rietperceel (vervallen per 1-1-2017) L01.15 Natuurvriendelijke oever (vervallen per 1-1-2017) L01.16 Bossingel (nieuw per 1-1-2017) L02 Historische gebouwen en omgeving L02.01 Fortterrein L02.02 Historisch bouwwerk en erf L02.03 Historische tuin L03 Aardwerken L03.01 Aardwerk en groeve L04 Recreatieve landschapselementen L04.01 Wandelpad over boerenland Leeswijzer N00.01 Nog om te vormen naar natuur N01 Grootschalige, dynamische natuur N01.01 Zee en wad N01.02 Duin- en kwelderlandschap N01.03 Rivier- en moeraslandschap N01.04 Zand- en kalklandschap N02 Rivieren N02.01 Rivier N03 Beken en bronnen N03.01 Beek en bron N04 Stilstaande wateren N04.01 Kranswierwater N04.02 Zoete plas N04.03 Brak water N04.04 Afgesloten zeearm N05 Moerassen N05.01 Moeras (vervallen per 1-1-2021) N05.02 Gemaaid rietland N05.03 Veenmoeras (nieuw per 1-1-2021) N05.04 Dynamisch moeras (nieuw per 1-1-2021) N06 Voedselarme venen en vochtige heiden N06.01 Veenmosrietland en moerasheide N06.02 Trilveen N06.03 Hoogveen N06.04 Vochtige heide N06.05 Zwakgebufferd ven N06.06 Zuur ven of hoogveenven N07 Droge heiden N07.01 Droge heide N07.02 Zandverstuiving N08 Open duinen N08.01 Strand en embryonaal duin N08.02 Open duin N08.03 Vochtige duinvallei N08.04 Duinheide N09 Schorren of kwelders N09.01 Schor of kwelder N10 Vochtige schraallanden N10.01 Nat schraalland N10.02 Vochtig hooiland N11 Droge schraallanden N11.01 Droog schraalland N12 Rijke graslanden en akkers N12.01 Bloemdijk N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.03 Glanshaverhooiland N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland N12.05 Kruiden- en faunarijke akker N12.06 Ruigteveld N13 Vogelgraslanden N13.01 Vochtig weidevogelgrasland N13.02 Wintergastenweide N14 Vochtige bossen N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos N14.02 Hoog- en laagveenbos N14.03 Haagbeuken- en essenbos N15 Droge bossen N15.01 Duinbos N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos N16 Bossen met productiefunctie N16.01 Droog bos met productie (vervallen per 1-1-2018) N16.02 Vochtig bos met productie (vervallen per 1-1-2018) N16.03 Droog bos met productie (nieuw per 1-1-2018) N16.04 Vochtig bos met productie (nieuw per 1-1-2018) N17 Cultuurhistorische bossen N17.01 Vochtig hakhout en middenbos (vervallen per 1-1-2017) N17.02 Droog hakhout N17.03 Park- en stinzenbos N17.04 Eendenkooi N17.05 Wilgengriend (nieuw per 1-1-2017) N17.06 Vochtig en hellinghakhout (nieuw per 1-1-2017) Leeswijzer T.a.v. versie 0.5 De versie 0.5 van het onderdeel natuurbeheertypen van de index natuur- en landschap betreft een versie met beschrijvingen van de beheertypen waar net als in versie 0.3 de landschapselementen zijn uitgehaald en elders in een apart onderdeel Landschapselementen zijn ondergebracht. Ten opzichte van versie 0.
  14. zijn enkele kleine aanpassingen aan de tekst van de beheertypen gedaan ter verdere verduidelijking van de afbakening van de beheertypen, naar aanleiding van gebleken onduidelijkheden tijdens het omzettingsproces vanuit oude typologieën begin
  15. T.a.v. versie 0.7 In versie 0.7 zijn ten opzichte van versie 0.6 de natuurbeheertypen 05.03 (Veenmoeras) en 05.04 (Dynamisch moeras) toegevoegd. Het natuurbeheertype 05.01 (Moeras) vervalt per 1-1-
  16. T.a.v. versie 0.8 In versie 0.8 is ten opzichte van versie 0.7 het natuurbeheertype 05.01 (Moeras) vervallen. Waar wordt verwezen naar een vervallen beheertype is de verwijzing aangepast naar het nieuwe beheertype. In de lopende tekst is de code van het natuurbeheertype toegevoegd (conform de werkwijze bij Landschap). 1 natuurbeheertypen De natuur- en beheertypen zijn in nauwe samenwerking met IPO en LNV en met uitgebreide consultatie ontwikkeld binnen het Project Waarborgen Natuurkwaliteit om de bestaande planning en evaluatiesystemen op het gebied van natuurbeheer te verbeteren. Het ging om de volgende doelen en wensen: Samenvoegingen en vervanging van bestaande systemen; Verbetering waar nodig, echter geen radicaal andere uitgangspunten; Stroomlijning met doelen van N2000 en Kaderrichtlijn water; Vereenvoudiging door reductie van het aantal typen. Binnen het onderdeel natuur zijn er nu 17 natuurtypen en daaronder 49 beheertypen. Uitgangspunten van de typologie zijn: Natuurtypen zijn bedoeld als sturingsinstrument op landelijk en regionaal niveau. Natuurtypen zijn bruikbaar om afspraken op het gebied van natuurbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu op elkaar af te stemmen zodat de nagestreefde natuurkwaliteit gerealiseerd kan worden. De indeling in natuurtypen is met name gebaseerd op abiotische condities (waterhuishouding en voedselrijkdom). Beheertypen zijn bedoeld voor de aansturing van het beheer. De indeling is praktisch en sluit aan op de schaal waarop beheerders werken. In het algemeen betekent dit dat de index toepasbaar moet zijn op een schaal 1:25.
  17. Kleine delen van andere beheertypen worden niet apart weergegeven, de grenzen van het doelgebied komen op duidelijk herkenbare structuren zoals wegen en paden, bosranden etc. Alle subsidiabele natuur van terreinbeherende organisaties en particulieren kan worden ondergebracht in de typologie. Voor niet subsidiabel beheer kan door de beheerders een aantal extra typen voor interne sturing worden gehanteerd (bv regulier verpachte gronden, gebouwen en erf). Deze typen zijn niet in de typologie opgenomen. Beheertypen kunnen op regionaal niveau beschouwd worden als eenheden met een kleine variatie in natuurwaarde en abiotische randvoorwaarden. Beheertypen zijn geschikt om zowel actuele situatie als doelen mee te beschrijven. Binnen een beheertype is sprake van een vergelijkbaar beheer en vergelijkbare kosten (koppeling doelen en middelen). Waar echter verschillende maatregelen tot een zelfde resultaat kunnen leiden, is rekening gehouden met de verschillende beheermethoden. Zowel natuurlijke landschappen als groene cultuurhistorische elementen zijn geïntegreerd in de beheertypen. Om een houtproductiedoelstelling apart te kunnen weergeven is het natuurtype multifunctionele bossen onderscheiden. Bij het ontwerp van de beheertypen in de eerste 16 natuurtypen (met als belangrijkste aandachtsveld Natuur of Bos met productiefunctie) is rekening gehouden met drie aspecten: Ecosysteembenadering; processen, structuur en levengemeenschappen; Mate van natuurlijkheid; Hanteren van kwaliteitsniveaus per type. Naast deze 17 natuurtypen en 49 beheertypen van het onderdeel natuur is er nog het natuurtype N00 Nog om te vormen naar natuur en het beheertype N00.01 Nog om te vormen naar natuur om gronden die nog moeten worden ingericht of omgevormd naar andere beheertypen in omvang en ligging voor beleid en beheer inzichtelijk te maken. Van alle natuurbeheertypen is een algemene beschrijving en afbakening opgenomen. De algemene beschrijvingen geven een indruk van het voorkomen en geografische verspreiding van de beheertypen, de kenmerkende natuurwaarden en belangrijkste abiotische en ruimtelijke condities. Voor de afbakening van de beheertypen is een aantal uitgangspunten geformuleerd: de afbakening is goed toepasbaar en helder voor deskundige (gecertificeerde) beheerders, de indeling is eenduidig toe te passen, de typen sluiten elkaar onderling zoveel mogelijk uit. De afbakeningen zijn met name gebaseerd op vegetatiestructuur, abiotische condities en voorkomen in geografische regio’s. In een aantal gevallen wordt het voorkomen van soorten en vegetatietypen gebruikt om het type te karakteriseren. Indien het beheer onlosmakelijk verbonden is met het beheertype wordt dit bij de afbakening vermeld. De afbakening tussen de natuurtypen vochtig bos en droog bos en bos met productie is gebaseerd op hoeveelheid oogst in relatie tot gemiddelde jaarlijkse bijgroei (conform FSC-certificering voor Small and Low Intensity Managed Forest). De opschaling tot eenheden die praktisch hanteerbaar zijn voor beheerders heeft tot gevolg dat er, ten opzichte van de gehanteerde indeling in het handboek natuurdoeltypen, ook in de typeomschrijvingen een opschaling plaats vindt. Het gaat dus vaak om een combinatie van natuurkwaliteiten: Bij moerassen bijvoorbeeld gaat het om de combinatie van open waterriet, gesloten rietlanden, ruigten en struwelen. Bossen behoren open plekken, zomen en struwelen te bevatten. In de veenweidegebieden gaat het dan niet meer om graslanden, oevers en sloten afzonderlijk, maar juist om de combinatie van deze drie elementen en de overgangen er tussen. Soms zijn bijzondere kwaliteiten juist gebonden aan gradiënten. De beheertypen herbergen dus meer gradiënten dan de natuurdoeltypen. In de kwaliteitsbeoordeling komt dit aspect o.a. terug in het onderdeel structuur. De kwaliteit van het leefgebied van veel diersoorten wordt bepaald door de aanwezigheid van meerdere structuurelementen. In de vertaaltabel worden deze kleinschalige elementen als sloten en ruigten en zomen uit oude typologieën niet overal genoemd bij de vertaling. In principe worden ze opgenomen in aanliggende beheertypen. Grootschalige dynamische natuur bestaat met uitzondering van Zee en wad altijd uit een combinatie van andere beheertypen. Bij grootschalige beheertypen wordt beschreven welke combinaties van de andere beheertypen te verwachten zijn. De kwaliteit van deze beheertypen wordt bepaald door de kwaliteit van de andere beheertypen die in dit type voorkomen en door de mate van natuurlijkheid. De aanwezigheid van landschapsvormende en hydrologische processen is belangrijk voor het laatste aspect. De omschrijvingen in de natuur- en beheertypen zijn niet bedoeld als kookboeken voor het beheer. De werkelijkheid is daarvoor veel te ingewikkeld, maatwerk zal nodig blijven. De omschrijvingen zijn bedoeld om duidelijk te maken wat er onder een type valt. Bij de beheertypen zal een foto opgenomen worden ter illustratie van een goed ontwikkelde vorm van het beheertype. Daarnaast wordt een aantal voorbeeldgebieden genoemd, waar het type goed ontwikkeld voorkomt. Over de schaal van toepassing van de beheertypen in de nieuwe subsidieregeling en de sturingsrelatie SBB-EZ is ook een praktische insteek noodzakelijk. Omdat veel beheertypen vaak in kleinschalig mozaïek voorkomen (praktisch niet karteerbaar) moet er ruimte zijn voor het kleinschalig voorkomen van andere beheertypen binnen begrensde eenheden. Daarbij is gehanteerd dat 20% van de oppervlakte kleinschalig en in menging tot een ander beheertype mag behoren. Deze ruimte is niet telkens apart genoemd in de afzonderlijke beschrijvingen van de afbakeningen per beheertype. N00.01 Nog om te vormen naar natuur 1.1 Algemene beschrijving Gronden met een intensief agrarisch of ander verleden die een natuurbestemming krijgen, hebben meestal niet van de ene op de andere dag natuurwaarden. Hiervoor is eerst een omvormingsbeheer (verschraling) nodig of inrichting, zoals het afvoeren van de voedselrijke bouwvoor of bosaanplant. Dit kan vaak niet meteen. Vaak is er wel al aangepast beheer nodig. Om deze gronden met een natuurbestemming toch op de kaart te kunnen zetten is er het beheertype ‘nog om te vormen naar natuur’. Hiermee is voor het beheer en beleid inzichtelijk waar en hoeveel natuur nog omgevormd of ingericht moet worden. Als ook voor de toekomst nog niet duidelijk is tot welke natuur het omgevormd wordt kan het ook op ambitiekaart van de Provincie staan aangegeven, totdat daadwerkelijk aan een inrichting wordt gewerkt. 1.2 Afbakening Dit beheertype omvat gronden die in het verleden een andere functie dan natuur hebben gekend en nog niet tot andere beheertypen te rekenen zijn. N01 Grootschalige, dynamische natuur Algemene beschrijving Grootschalige, dynamische natuur is een natuurtype waar natuurlijke processen een bepalende invloed hebben op het landschap. Als gevolg hiervan zijn jonge successiestadia zoals open grond, open water of grasland aanwezig, maar ook oude successiestadia zoals bossen of venen. Er is daarom sprake van een ruime variatie in levensgemeenschappen en soorten. In een land zoals Nederland zijn vooral processen actief onder invloed van water. Voorbeelden daarvan zijn: de stroming van oppervlaktewater, waardoor pioniermilieus kunnen ontstaan; stagnatie van grond- en regenwater, waardoor veenvorming kan optreden; de toestroom van zilt water, waardoor bepaalde soorten worden bevoordeeld en andere (onder andere alle bomen en struiken) worden uitgesloten. In droge gebieden kan ook begrazing, brand of wind ervoor zorgen dat plaatselijk lage vegetaties ontstaan op plaatsen die anders geheel zouden dichtgroeien met bos of struweel. Ontstaansgeschiedenis Grootschalige, dynamische natuur is aanwezig als er weinig of geen menselijke invloed is op het landschap. Die omstandigheden zijn op de meeste plaatsen in Nederland al lang verdwenen. In de eerste plaats doordat gebieden in gebruik werden genomen voor landbouw, bewoning, enzovoorts. In de tweede plaats doordat men uit veiligheidsoverwegingen bescherming wenste tegen natuurlijke processen, zoals overstroming, brand, dierziekten en dergelijke. Na de middeleeuwen heeft het natuurtype zich voornamelijk langs de kust redelijk weten te handhaven. De binnenlandse beheertypen van dit natuurtype zijn in de loop van de eeuwen vrijwel verdwenen. Dit laatste gebeurde zowel direct, door het ontginnen van gebieden en het indammen en bestrijden van dynamische processen, als indirect doordat resterende natuurgebieden steeds kleiner werden en daarmee geen ruimte meer boden voor landschapsvormende processen. Tegenwoordig bestaat grote belangstelling om grootschalige, dynamische natuur (weer) te ontwikkelen. Daarvoor zijn grote gebieden nodig die ruimte bieden aan landschapsvormende processen binnen de omstandigheden van de 21e eeuw. Het laatste betekent dat het natuurtype ook kan worden nagestreefd in bijvoorbeeld afgesloten zeearmen die door de mens zijn drooggelegd. Zelfs enige mate van actieve menselijke beïnvloeding behoort tot de mogelijkheden, vanuit de overweging dat natuurlijke processen bijna nergens in Nederland nog geheel ongestoord kunnen verlopen, en omdat vaak niet valt te reconstrueren hoe de natuurlijke referentie eruit ziet. Men kan daarom besluiten om gewenste ruimtelijke variatie te bereiken door de landschapsvormende processen af en toe een handje te helpen. Beheertypen Afhankelijk van de regionale omstandigheden en de landschapsvormende processen die er optreden, omvat dit natuurtype de volgende 4 beheertypen: N01.01 Zee en wad N01.02 Duin en kwelderlandschap N01.03 Rivier- en moeraslandschap N01.04 Zand- en kalklandschap N01.01 Zee en wad 1.1 Algemene beschrijving Zee en wad omvat het water en de niet begroeide droogvallende zand- en slikplaten die door de zee overstroomd worden. Het gaat om droogvallende platen, geulen, zandbanken en diepere zeebodems met een grote variatie aan bodemleven. In meer stabiele stadia, die ook niet zwaar door de mens beïnvloed worden, ontwikkelen zich schelpenbanken. Op plaatsen waar ook zoet water instroomt kunnen zeegrasvelden aanwezig zijn. Zee en wad komt voor langs de gehele kust en met name in de Waddenzee en het Deltagebied. De vroegere geleidelijke overgangen naar zoet water zijn door de aanleg van dijken veelal scherp geworden en zoet-zout overgangen met hun bijbehorende flora en fauna zijn dan ook zeldzaam geworden. Door de stroming van het zeewater zijn er erosie en sedimentatieprocessen aanwezig die leiden tot variatie in diepte, substraat en ontwikkelingsstadium van de bodem. Met name grootschalig intensief menselijk gebruik zoals bodemvisserij leidt tot zware en langdurige bodemverstoring met tot gevolg een sterke afname van oudere stadia met schelpdierbanken. Hierdoor is er onder andere minder voedsel voor vogels. Recreatie kan daarnaast leiden tot veel verstoring. Het natuurbeheer bestaat hier vooral in het waarborgen van voldoende rust voor de fauna en het beschermen tegen intensieve ingrepen in de bodem. Het type is van Europees groot belang voor veel trekvogels, bodemdieren en vissoorten. Verder zijn voor dit type Gewone en Grijze zeehond karakteristiek. 1.2 Afbakening Zee en wad omvat de zee, zeearmen en niet begroeide droogvallende zand- en slikplaten. Begroeide platen onder grootschalige natuur worden tot het beheertype N01.02 Duin- en kwelderlandschap gerekend. Het landschap wordt gevormd door natuurlijke processen. Met name door de werking van de zeewaterstromen en wind. De tot dit type behorende eenheid is tenminste 500 ha groot of maakt onderdeel uit van een groter gebied behorend bij grootschalige dynamische natuur. Het beheertype heeft alleen betrekking op de kustzône. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Voorbeeldgebieden Waddenzee, Dollard en Oosterschelde. N01.02 Duin- en kwelderlandschap 1.1 Algemene beschrijving Duin- en kwelderlandschap omvat de kustduingebieden en kwelders waar wind- en waterdynamiek vrij spel hebben en veelal ook integrale begrazing door grote zoogdieren aanwezig is. Het bestaat uit beheertypen Strand en embryonaal duin, Open duin, Vochtige duinvallei, Duinheide, Duinbos en Schor of kwelder die echter vanwege het veranderlijke landschap niet in omvang en ligging apart in het beheer worden vastgelegd. Door de dynamiek in het landschap is er sprake van allerlei in ligging en omvang variërende successiestadia. Het gaat hierbij om een variatie die alle hierboven genoemde beheertypen omvat. Door het aan banden leggen van wind- en waterdynamiek is er weinig ruimte meer voor dit beheertype en is het beperkt tot een aantal gebieden waar deze dynamiek nog wel vrij spel mag hebben. Met name het frequent ontstaan van pionierstadia maakt dit beheertype van belang voor veel hieraan gebonden zeldzame soorten. 1.2 Afbakening Duin- en kwelderlandschap omvat in tijd en ruimte wisselende beheertypen N08.01 Strand en embryonaal duin, N08.02 Open duin, N08.03 Vochtige duinvallei, N08.04 Duinheide, N15.01 Duinbos, N04.02 Zoete plas en N09.01 Schor of kwelder. Het landschap wordt gevormd door natuurlijke processen zoals de werking van wind, zeewaterstromen en/of grote grazers. De tot dit type behorende eenheid is tenminste 500 ha groot of maakt onderdeel uit van een groter gebied behorend bij grootschalige dynamische natuur. Subsidieverplichtingen De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. Voorbeeldgebieden Oostpunt Schiermonnikoog, oostpunt Terschelling en Kwade Hoek. N01.03 Rivier- en moeraslandschap 1.1 Algemene beschrijving Rivier- en moeraslandschap omvat enerzijds de gebieden langs rivieren waar de waterdynamiek van de rivieren en successie in combinatie met integrale begrazing door grote grazers het landschap bepalen en anderzijds veen- en kleigebieden waar waterstandfluctuaties, hoogteverschillen, successie en integrale begrazing het landschap bepalen. Langs de rivieren gaat het ook om kleine in het overstromingsbereik van de rivier liggende gebieden die tezamen langs een rivier een landschappelijke eenheid vormen. Al naar gelang de ligging van het gebied bestaat het uit een groot scala van andere in rivier- en veen- en kleigebieden voorkomende beheertypen (zoals rivier, zoete plas, moeras, droog schraalland, zilt grasland en overstromingsgrasland, ruigteveld, rivier en beekbegeleidend bos of hoog- en laagveenbos) die echter vanwege het veranderlijke landschap niet in omvang en ligging apart in het beheer worden vastgelegd. De overstromingsdynamiek is langs de rivieren een belangrijke factor. Deze is echter door allerlei ingrepen bovenstrooms en door het dieper komen te liggen van de rivier veranderd van bijna jaarlijkse lage overstromingen tot onvoorspelbare hoge overstromingen. Hierdoor hebben concurrentiekrachtige soorten van storingsmilieus een groot aandeel gekregen en is begrazing belangrijk om ook andere soorten nog kansen te geven. In dit grootschalig voorkomende beheertype zijn ook toppredatoren als zeearend karakteristiek en daarnaast kan ook de bever invloed hebben op het landschap. Ook aanwezigheid van grote zoogdieren zoals edelhert in meer natuurlijke dichtheden zijn van belang. 1.2 Afbakening Rivier- en moeraslandschap is gelegen in het Rivierenlandschap of in het landschapstype Laagveen en zeeklei en omvat in tijd en ruimte wisselende in dit landschap behorende typen. Het landschap wordt gevormd door natuurlijke processen z

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.