← Nederland

Welstandsnota gemeente Bloemendaal 2013 (Bloemendaal)

Kort samengevat

Deze wet, de Welstandsnota gemeente Bloemendaal 2013, stelt de regels vast voor het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken in de gemeente Bloemendaal om de schoonheid en aantrekkelijkheid van de leefomgeving te waarborgen. Het doel is een effectief, controleerbaar en klantvriendelijk welstandstoezicht te bieden en bouwers vroegtijdig te informeren over de criteria.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Welstandsnota gemeente Bloemendaal 2013De raad van de gemeente Bloemendaal; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 februari 2013; besluit; gelet op artikel 9.1 van de Bouwverordening Bloemendaal, en gelet op artikel 12a eerste lid van de Woningwet, de Welstandsnota gemeente Bloemendaal 2013 vast te stellen en in werking te laten treden op de dag na publicatie. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Bloemendaal, gehouden op 25 april

  1. Gepubliceerd in het Weekblad Kennemerland Zuid d.d. 30 mei
  2. In werking: 31 mei
  3. HOOFDSTUK1BELEIDSREGELS BETREFFENDE BELEIDSBEPALING, PARTICIPANTEN EN PROCEDURES 1.1INLEIDING Welstandstoezicht werd ooit ingesteld om te voorkomen dat bouwwerken de openbare ruimte zouden ontsieren. Nog steeds wordt bij iedere aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen beoordeeld of het betreffende bouwwerk niet in strijd is met 'redelijke eisen van welstand'. De welstandsbeoordeling is volgens artikel 12 van de Woningwet gericht op het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk. Het bouwwerk moet zowel op zichzelf als ook in zijn omgeving worden beoordeeld, waarbij ook verwachte veranderingen van die omgeving een rol kunnen spelen. Artikel 12 maakt duidelijk dat de welstandsbeoordeling een complex gebeuren is, waarbij deskundigheid en kennis van de omgeving vereist is. Door de oneindige hoeveelheid combinaties van bouwwerk en omgeving valt de welstandsbeoordeling onmogelijk te standaardiseren of te objectiveren. Toch vraagt de samenleving om meer zekerheid en meer openheid rondom de welstandsbeoordeling. De meeste mensen willen best meewerken aan het instandhouden en bevorderen van de schoonheid van hun leefomgeving, mits vroegtijdig duidelijk wordt gemaakt wat dat betekent als zij met bouwplannen rondlopen. Veel irritaties over het welstandstoezicht worden weggenomen als vooraf wordt aangegeven welke zaken een rol spelen bij de welstandsbeoordeling en binnen welke kaders die beoordeling zich afspeelt. Dat zijn politieke keuzes, die moeten worden gebaseerd op inhoudelijk onderzoek en een maatschappelijke discussie. In de voorliggende nota wordt het welstandsbeleid van de gemeente Bloemendaal uiteengezet. De nota is gebaseerd op de modelwelstandsnota uit de publicatie 'Naar een gemeentelijke welstandsnota' die in het jaar 2000 werd opgesteld in opdracht van de Rijksbouwmeester, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Federatie Welstand. Doel van welstandstoezicht en welstandsbeleid Het welstandsbeleid is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen de dagelijkse leefomgeving van de mensen in Bloemendaal. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Het welstandstoezicht is bedoeld om, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan de schoonheid en de aantrekkelijkheid van Bloemendaal. Het doel van het welstandsbeleid is: Een effectief, controleerbaar en klantvriendelijk welstandstoezicht in te richten en opdrachtgevers en ontwerpers in een vroeg stadium te informeren over de criteria die bij de welstandsbeoordeling een rol spelen. De welstandsnota Als gevolg van de fusie tussen de gemeente Bloemendaal en Bennebroek per 1 januari 2009 zijn de welstandsnota’s van Bloemendaal en Bennebroek in 2010 op gegaan in één nota voor de gehele gemeente Bloemendaal de “Welstandsnota 2010 Gemeente Bloemendaal”. Na besluitvorming door burgemeester en wethouders heeft de gemeenteraad de welstandsnota vastgesteld. Vanaf dit moment is de welstandsbeoordeling van nieuwe bouwplannen gebaseerd op de criteria zoals in de welstandsnota vastgelegd. De welstandsnota moet inhoudelijke kennis koppelen aan juridisch houdbare criteria en efficiënte procedures. Bovendien moet de nota leesbaar en begrijpelijk zijn voor verschillende 'gebruikers'. Dit programma van eisen levert een gelaagde nota op waarin welstandscriteria in allerlei soorten en maten worden uitgewerkt. Het eerste hoofdstuk van de welstandsnota is procedureel van aard. Het kan worden beschouwd als uitwerking van het “Reglement van Orde op de Adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit” behorende bij de Bouwverordening Bloemendaal (bijlage 9), die is afgestemd op de Modelbouwverordening van de VNG. Na een beschrijving van de huidige werkwijze van de welstandscommissie volgt een paragraaf over de verantwoordelijkheden van burgemeester en wethouders bij de uitvoering van het welstandsbeleid. Daarna wordt ingegaan op de betekenis en de inhoud van het advies van de welstandscommissie. In een volgende paragraaf komen de taakomschrijving en de samenstelling van de welstandscommissie aan de orde. Tot slot volgen paragrafen over de openbaarheid van de vergaderingen van de welstandscommissie, de mogelijkheden voor vooroverleg met de welstandscommissie, de werkwijze bij projecten waar planbegeleiding door een supervisor plaatsvindt en een sectie over de handhaving van het welstandsbeleid. Het tweede hoofdstuk omvat een globale ruimtelijke analyse van het gemeentelijk grondgebied van Bloemendaal. In deze ruimtelijke analyse wordt de gemeente op twee schaalniveaus geïnventariseerd en geanalyseerd. Op het hoogste schaalniveau is het landschap nader bekeken. Vervolgens is ingezoomd op de kernen van de gemeente Bloemendaal. De essentie van een gebiedsgericht welstandsbeleid is een zorgvuldige gebiedsdifferentiatie en een hierop afgestemd selectief beleid. Op basis van de ruimtelijke analyse en het vigerende ruimtelijk beleid wordt in hoofdstuk twee een beleidskader vastgesteld in de vorm van een gebiedsindeling en het welstandsregime (beleidsniveau) per deelgebied. Het derde hoofdstuk van de welstandsnota geeft alle criteria die burgemeester en wethouders en de welstandscommissie gebruiken bij het welstandsoordeel. Allereerst worden de algemene welstandscriteria beschreven die bij iedere welstandsbeoordeling worden gehanteerd. Deze criteria zijn te beschouwen als een checklist van onderdelen waarop het bouwwerk op zichzelf wordt beoordeeld. Daarna worden de gebiedsgerichte welstandscriteria gegeven. Ook deze worden bij iedere welstandsbeoordeling gebruikt om te beoordelen hoe het bouwwerk zich gedraagt in zijn omgeving. In hoofdstuk drie worden ook welstandscriteria gegeven voor specifieke bouwwerken. In Bloemendaal is gekozen om voor villa's specifieke welstandscriteria op te nemen. Deze criteria zijn aanvullend op de criteria opgenomen in de gebiedsgerichte uitwerkingen. Daarna volgen de welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen: dakkapellen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, erfafscheidingen en kozijn/gevelwijzigingen. Deze zogenaamde sneltoetscriteria voor kleine bouwplannen zijn vrijwel absoluut (100 procent objectief), zodat een ambtelijke sneltoets mogelijk is. Deze bouwwerken vallen onder de vergunningsprocedure, waar een wettelijk beperkte termijn voor toetsing van toepassing is. Dergelijke bouwplannen dienen altijd in samenhang met de gebiedsgerichte welstandscriteria getoetst te worden. Als zo'n bouwplan van de sneltoetscriteria afwijkt of als in een bijzondere situatie de criteria niet van toepassing zijn, wordt het plan door de welstandscommissie getoetst aan de algemene welstandscriteria, gebiedsgerichte welstandscriteria en, indien noodzakelijk, aan de welstandscriteria voor specifieke bouwwerken. De nota wordt afgesloten met de overgangsbepaling en verschillende bijlagen: een overzicht van de monumenten in Bloemendaal, een begrippenlijst en een register van straatnamen met een verwijzing naar de betreffende welstandsgebied(en). Gebruik van de welstandsnota en hardheidsclausule De welstandscriteria in deze nota vormen in de eerste plaats een vangnet en dienen om bouwplannen die het aanzien niet waard zijn uit Bloemendaal te weren. Dat is primair de bedoeling van het welstandstoezicht. Maar veel liever zien we in Bloemendaal bouwplannen waarbij de welstandscriteria worden gebruikt als opstapje, als middel om na te denken over de schoonheid van het bouwwerk in zijn omgeving. In zo'n geval kan het zelfs voorkomen dat de welstandscriteria ontoereikend zijn. Het kan gebeuren dat een plan wél voldoet aan redelijke eisen van welstand maar niet aan de gebiedsgerichte of de objectgerichte welstandscriteria. Daarom kunnen burgemeester en wethouders, na schriftelijk en gemotiveerd advies van de welstandscommissie, afwijken van deze welstandscriteria. In praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria kan worden beargumenteerd. Samenvattend: de gebiedsgerichte en de objectgerichte welstandscriteria in deze welstandsnota gelden tenzij er sprake is van een bijzondere situatie en er gerede twijfel mag bestaan aan de toepasbaarheid ervan. Dit wordt altijd schriftelijk gemotiveerd. Welstandsnota in relatie met bestemmingsplannen In artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt geregeld dat een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen slechts mag en moet worden geweigerd als het betreffende bouwwerk niet voldoet aan de Bouwverordening, het Bouwbesluit, bestemmingsplan en/of redelijke eisen van welstand. Jurisprudentie leert ons echter dat als het bestemmingsplan het bouwwerk toestaat, dit welstandshalve niet meer afgewezen kan worden op basis van plaatsing, vorm en maatvoering. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie dus regelend op voor wat betreft functie, hoofdvorm en maatvoeringen. 1.2EEN FLEXIBEL EN DEMOCRATISCH WELSTANDSBELEID Welstandstoezicht in Bloemendaal De gemeente Bloemendaal voert al meer dan bijna 60 jaar welstandstoezicht uit. Burgemeester en wethouders laten zich sinds 2009 bij de afgifte van vergunningen voor bouwen adviseren door de WZNH adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit (WZNH). In het verleden gebeurde dat door de eigen Bloemendaalse Welstandscommissie. In artikel 2.1 tot 2.7 van Bijlage 9 Reglement van Orde op de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit van de Bouwverordening Bloemendaal 2012’ is de organisatie en werkwijze van de welstandscommissie geregeld. Eén keer per twee weken houdt deze commissie zitting in een gemeentekantoor van Bloemendaal. Sinds 1993 zijn de vergaderingen openbaar. Planindieners en/of ontwerpers kunnen desgewenst een toelichting geven op het plan. Alle omgevingsvergunningplichtige plannen, met uitzondering van de bouwplannen die op basis van de loketcreteria door een ambtenaar worden beoordeeld, worden in de plenaire commissie behandeld. De uitvoering van het welstandstoezicht gebeurt onder verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders door het team Bouw- en woningtoezicht. Burgemeester en wethouders volgen in het algemeen de adviezen van de welstandscommissie op. Ingevolge de Woningwet vormt een gemeentelijke welstandsnota een voorwaarde voor het uitvoeren van welstandstoezicht. Na vaststelling van de welstandsnota door de gemeenteraad wordt de welstandsbeoordeling gebaseerd op de criteria die in deze welstandsnota zijn genoemd. De criteria in de welstandsnota moeten zo concreet mogelijk zijn en duidelijk aangeven waar bij de welstandsbeoordeling op zal worden gelet. De welstandsnota geeft onder meer de mogelijkheid om de welstandscriteria per gebied op maat te snijden. Het blijft bij het welstandstoezicht gaan om redelijke eisen van welstand, maar de vraag wat precies 'redelijk' is wordt per gebied ingevuld. De WZNH Adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit stelt ter uitvoering van artikel 12b lid 3 Woningwet jaarlijks voor de gemeenteraad een verslag op van haar werkzaamheden, genoemd het jaarverslag. De werking van de welstandsnota wordt jaarlijks in de gemeenteraad geëvalueerd aan de hand van het jaarverslag van de commissie en een rapportage van burgemeester en wethouders over de wijze waarop zij uitvoering hebben gegeven aan het welstands-toezicht. Deze evaluatie is wettelijk verplicht. In dit jaarverslag komt ten minste aan de orde op welke wijze de Adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit toepassing heeft gegeven aan de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen welstandscriteria. Het jaarverslag signaleert waar de welstandsnota als beleidskader voldoende dan wel onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en geeft aan waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. Voorts kan de WZNH Adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit in haar jaarverslag aandacht besteden aan de werkwijze van de commissie, op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen, de aard van de beoordeelde plannen en bijzondere projecten. De WZNH Adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit kan in haar verslag aanbeveling doen ten aanzien van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en het welstandsbeleid in het bijzonder. Naar aanleiding van de evaluatie kan de gemeenteraad besluiten dat aanpassing van de welstandsnota noodzakelijk is. Voor dergelijke aanpassingen is de gemeentelijke inspraakverordening van kracht. Na vaststelling van de welstandsnota kan de gemeenteraad ook tussentijds aanvullingen op de welstandsnota vaststellen. Dit is vooral het geval bij de grotere nieuwe projecten waarvoor de welstandscriteria voortaan in het kader van de stedenbouwkundige planvoorbereiding worden opgesteld. Voor dergelijke aanvullingen geldt dat de inspraak wordt gekoppeld aan de reguliere inspraakregeling bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding. 1.3TAKEN EN VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van de omgevingsvergunning ligt bij burgemeester en wethouders. Zij hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel, dat tot stand komt aan de hand van de in de welstandsnota opgenomen criteria. Bij dit oordeel speelt het advies van de Adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit een belangrijke rol. De wijze van advisering door de Adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit is geregeld in hoofdstuk 9 van de Bouwverordening Bloemendaal 2012 Wanneer vragen burgemeester en wethouders advies aan de commissie? Bij elke vergunningplichtige bouwaanvraag,met uitzondering van de bouwplannen die op basis van de loketcreteria door een ambtenaar worden beoordeeld, wordt advies aan de commissie gevraagd, tenzij bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op een andere grond moet worden geweigerd. Naast de formele aanvraag omgevingsvergunning blijft ook de mogelijkheid bestaan tot het voeren van vooroverleg met de commissie door middel van een principeaanvraag (zie paragraaf 1.7). Afdoening onder verantwoordelijkheid In bijlage 9 hoofdstuk 6 van de Bouwverordening Bloemendaal 2012 is het volgende bepaald.
  4. Afdoening onder verantwoordelijkheid Artikel 6.1 Advisering onder verantwoordelijkheid van de commissie De commissie kan de advisering onder haar verantwoordelijkheid overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Indien dit in de toekomst wettelijk mogelijk wordt gemaakt kan de commissie de welstandstoetsing van aanvragen van ondergeschikt belang onder haar verantwoordelijkheid overlaten aan een of meerdere daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren van de gemeente. De commissie kan te allen tijde ad hoc afspraken maken over afdoening onder haar verantwoordelijkheid. Artikel 6.2 Reikwijdte van de verantwoordelijkheid Afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie kan plaatsvinden bij een positieve beoordeling van een aanvraag. Bij afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie geldt dat een aanvraag bij enige vorm van twijfel wordt voorgelegd aan de commissie of een daartoe aangewezen commissielid. Bij afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie wordt de commissie onverwijld schriftelijk in kennis gesteld van de beoordeling. Voor afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie gelden dezelfde reglementen als voor advisering door de plenaire commissie. Voor afdoening onder verantwoordelijkheid van bouwplannen gelden verder dezelfde reglementen als voor behandeling van bouwplannen door de plenaire commissie. Wanneer kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het advies van de commissie? Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van de commissie, met de volgende uitzonderingsmogelijkheden: Afwijken op inhoudelijke grond Op inhoudelijke grond kunnen burgemeester en wethouders slechts afwijken van het advies van de commissie indien zij tot het oordeel komen dat de commissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of dat de commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast. Indien burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning aanvraag op inhoudelijke grond tot een ander oordeel komen dan de commissie, dan vragen zij voordat het besluit op de vergunningaanvraag wordt genomen, maar binnen de daarvoor geldige afhandelingtermijn, een second opinion aan commissies van andere gemeenten. Dit tweede advies speelt een zware rol bij de verdere oordeelsvorming van burgemeester en wethouders. Indien burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd. De commissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Afwijken bij zwaarwegende redenen Burgemeester en wethouders hebben de mogelijkheid om indien een bouwplan strijdig is met redelijke eisen van welstand, toch de omgevingsvergunning te verlenen indien zij van oordeel zijn dat daarvoor zwaarwegende redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd. De commissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. In Bloemendaal zullen burgemeester en wethouders uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid, omdat de ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of maatschappelijke belangen. Afwijken van de welstandscriteria (Hardheidsclausule) Burgemeester en wethouders kunnen, op advies van de commissie, afwijken van de welstandscriteria zelf. Dit kan gebeuren bij plannen die niet voldoen aan de vastgestelde gebiedsgerichte of objectgerichte welstandscriteria, maar wél aan redelijke eisen van welstand, beoordeeld aan de hand van de algemene welstandscriteria. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd. Het indienen van bezwaar Belanghebbenden kunnen binnen zes weken bezwaar, of in voorkomende gevallen beroep, indienen tegen de beslissing van burgemeester en wethouders op de aanvraag voor een omgevingsvergunning op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht. Belanghebbenden zijn in de regel de planindiener en de direct omwonenden. Als een bezwaar of beroep te maken heeft met het welstandsoordeel richt de belanghebbende zich nadrukkelijk op het oordeel van burgemeester en wethouders en niet op het advies van de commissie. Dat is immers alleen een advies aan burgemeester en wethouders. De commissie zelf kent daarom geen bezwaarprocedure voor belanghebbenden. Natuurlijk kunnen de ontwerper en eventueel de planindiener wel een toelichting op een uitgebracht advies vragen. Na hoor en wederhoor kan de commissie, als zij daartoe aanleiding ziet, het advies herzien. Deze herziening wordt in het advies gemotiveerd. Jaarlijkse rapportage over de uitvoering van het welstandstoezicht Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks voor de gemeenteraad een rapportage op van de wijze waarop zij met hun verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van het welstandstoezicht zijn omgegaan. De rapportage over het voorgaande jaar is uiterlijk gereed in maart van het volgende jaar. In de rapportage komen in ieder geval de volgende punten aan de orde: de toepassing van de welstandscriteria in de welstandsadviezen; de wijze waarop burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de welstandsadviezen; de wijze waarop burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de welstandsbeoordeling van regulier vergunningplichtige en licht vergunningplichtige bouwwerken; de wijze waarop burgemeester en wethouders zijn omgegaan met hun bevoegdheid een beslissing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning te verdagen; de werkwijze van de commissie en openbaarheid van de vergaderingen; de gang van zaken bij de spraakmakende of beeldbepalende projecten. 1.4HET ADVIES VAN DE WELSTANDSCOMMISSIE De inhoud van het welstandsadvies Het advies van de commissie geeft aan of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Als de planbeoordeling openbaar heeft plaatsgevonden, is ook het schriftelijke advies van de commissie openbaar. Het bestemmingsplan gaat 'boven' het welstandsadvies: datgene dat door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, kan niet door het welstandsadvies worden tegengehouden. Het welstandsadvies kan wel gericht zijn op de gekozen invulling binnen het bestemmingsplan. In een situatie waarin een omgevingsvergunning wordt aangevraagd en het plan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan eveneens ruimte biedt voor alternatieven, kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard moet de welstandsnota daartoe de argumentatie leveren. De welstandscriteria moeten waar nodig de ruimte die het bestemmingsplan biedt invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Het advies van de commissie wordt altijd schriftelijk vastgelegd in de vorm van goedgekeurde vergaderingnotulen. Het welstandsadvies (met uitzondering van het stempel) bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten, uitmondend in een integraal advies. Steeds moet de motivatie, op grond waarvan het advies wordt gegeven, duidelijk zijn. De welstandsadvisering is niet gericht op zaken die geen betrekking hebben op het welstandstoezicht. Het welstandsadvies kan wel suggesties bevatten voor beleid of voor procedurele zaken die naar mening van de commissie in acht genomen zouden moeten worden. In een enkel geval zal de commissie willen proberen de planindiener te enthousiasmeren voor zaken die het plan op een nog hoger niveau kunnen tillen. Deze 'puntjes op de i' worden als vrijblijvende suggestie genoemd en zijn duidelijk losgekoppeld van het welstandsadvies zelf. De welstandsadviezen mogen nooit zodanig zijn geformuleerd dat één der betrokkenen zich daardoor beledigd of in goede naam of eer aangetast kan voelen. Uitkomst en betekenis van het welstandsadvies Als een plan naar mening van de commissie volgens de welstandscriteria voldoet aan redelijke eisen van welstand wordt een positief advies gegeven aan burgemeester en wethouders. Op initiatief van de commissie of op verzoek van burgemeester en wethouders kan een positief advies schriftelijk worden gemotiveerd. Dit gebeurt in ieder geval bij bijzondere situaties, waarbij geadviseerd wordt om een plan goed te keuren in afwijking van de gebiedsgerichte c.q. objectgerichte welstandscriteria. Soms voldoet een plan naar mening van de commissie volgens de welstandscriteria niet aan redelijke eisen van welstand, tenzij het op ondergeschikte punten wordt aangepast. Deze punten worden ondubbelzinnig genotuleerd of op de tekening. Indien het plan wordt aangepast aan deze opmerkingen wordt een positief welstandsadvies gegeven. Als een plan naar mening van de commissie volgens de welstandscriteria niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, volgt een negatief advies. Dit betekent dat (ingrijpende) wijzigingen in het planconcept of de uitwerking van het ontwerp noodzakelijk zijn. Op initiatief van de commissie of op verzoek van burgemeester en wethouders kan een negatief advies schriftelijk worden gemotiveerd. De commissie kan het welstandsadvies aanhouden indien meer informatie of een toelichting van de ontwerper wenselijk is, of om de ontwerper de gelegenheid te geven zijn plan aan te passen. Gezien de vaak korte afhandelingtermijn van vergunningplichtige plannen zal het in praktijk nauwelijks mogelijk zijn deze plannen aan te houden. Om die reden wordt er voor gepleit aanvragers te enthousiasmeren om bouwplannen in vooroverleg aan de commissie voor te leggen (zie paragraaf 1.7). Mondelinge toelichting op het welstandsadvies In principe moeten de welstandsadviezen zo begrijpelijk en duidelijk zijn dat nadere uitleg overbodig is. Indien de ontwerper of de planindiener een mondelinge toelichting op het welstandsadvies wenst kan via de plantoelichter een afspraak worden gemaakt met de commissie. De toelichting wordt gegeven door een van de architect-leden van de commissie. Na hoor en wederhoor kan de commissie als zij daartoe aanleiding ziet, het advies herzien. Deze herziening wordt in het advies gemotiveerd. 1.5DE COMMISSIE Taakomschrijving De belangrijkste taak van de commissie is het adviseren van burgemeester en wethouders over bouwplannen waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd en over bouwplannen die nog niet in dit stadium verkeren (plannen in vooroverleg). Dit advies is gebaseerd op de in deze welstandsnota genoemde welstandscriteria, die zowel stedenbouwkundige als architectonische aspecten omvatten. De tweede belangrijke taak van de commissie is het opstellen van een jaarlijks verslag van de werkzaamheden voor de gemeenteraad. Deze rapportage over het voorgaande jaar is uiterlijk gereed in maart van het volgende jaar. In het jaarverslag komen in ieder geval de volgende punten aan de orde: de werkwijze van de commissie en openbaarheid van de vergaderingen; de aard van de beoordeelde plannen en uitkomst van de welstandsadviezen; de wijze waarop de commissie in haar adviezen toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria uit deze nota; de gang van zaken bij de spraakmakende of beeldbepalende projecten. Om deze twee belangrijke wettelijke taken optimaal te kunnen uitoefenen en de kennis die daarbij wordt vergaard ten goede te laten komen aan het lokale ruimtelijke kwaliteitsbeleid, krijgt de commissie in Bloemendaal tevens de volgende taken mee: het onder regie van de gemeente voeren van noodzakelijk geacht overleg met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen (het vooroverleg, zie paragraaf 1.7); het op verzoek van burgemeester en wethouders uitbrengen van adviezen over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken; overleg met de betrokken ambtelijke afdelingen en burgemeester en wethouders over het opstellen van welstandscriteria en welstandsbeleid; het bevorderen van de openbaarheid van het welstandstoezicht, het zorgdragen voor het maatschappelijk draagvlak en het stimuleren van de discussie over ruimtelijke kwaliteit in de gemeente; het zorgdragen voor regelmatig overleg met het gemeentebestuur; het gevraagd en ongevraagd signaleren van stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. Samenstelling van de commissie De commissie van Bloemendaal is een gecombineerde Welstands- en Monumentencommissie. De commissie van Bloemendaal bestaat uit ten minste drie leden; twee deskundigen op het gebied van architectuur en een voorzitter met ervaring in lokale politieke besluitvorming. Indien een wijzigingsplan voor een monument voor advies wordt voorgelegd, wordt aan de commissie een architect met monumenten en restauratie deskundigheid toegevoegd. De welstandscommissie wordt ondersteund door : De commissiecoördinator: Bij alle vergaderingen van de welstandscommissie is een commissiecoördinator aanwezig die wordt benoemd door de Stichting WZNH. De commissiecoördinator neemt geen deel aan de beraadslaging maar ondersteunt de commissie, zorgt voor de vergaderingnotulen, de administratieve verwerking van de welstandsadviezen en het verzamelen van gegevens voor het jaarverslag. De commissiecoördinator is ook verantwoordelijk voor de digitale archivering van de welstandsadviezen. De commissiecoördinator werkt nauw samen met de gemeentelijke plantoelichter en de architectsecretaris. Plantoelichter: De ambtenaar die belast is met de uitvoering van het welstandstoezicht, is als plantoelichter aanwezig bij de vergaderingen van de welstandscommissie. Hij of zij neemt geen deel aan de beraadslaging en de beoordeling maar informeert de commissie over alle relevante aspecten van de bouwaanvraag. De plantoelichter is verantwoordelijk voor het overbrengen van de stedenbouwkundige kwaliteitsdoelstellingen aan de commissie en voor het tijdig inwinnen van een advies van de welstandscommissie over de welstandsaspecten van nieuwe stedenbouwkundige plannen. De plantoelichter ziet toe op de volledigheid van het dossier, is verantwoordelijk voor de archivering van de bouwplandossiers en zorgt dat bouwaanvragen op het juiste moment aan de commissie worden voorgelegd: nadat de planologische aanvaardbaarheid is vastgesteld en uiteraard binnen de wettelijke beslistermijn. Hij of zij is verantwoordelijk voor het maken van afspraken voor (voor) overleg en zorgt dat het welstandsadvies uiteindelijk arriveert bij burgemeester en wethouders. De plantoelichter(s) wordt door burgemeester en wethouders gemandateerd het welstandsoordeel te geven voor licht-vergunningplichtige plannen waarbij de mening van de welstandscommissie bekend wordt verondersteld. Bij een dergelijke mandaatstelling geldt dat de plantoelichter bij twijfel de welstandscommissie kan raadplegen. Adviseurs: indien de aard van een te beoordelen plan dan wel het beleid daartoe aanleiding geeft kunnen burgemeester en wethouders en de welstandscommissie in overleg treden over de mogelijkheid om op ad hoc of permanente basis specifieke deskundigen als adviseur aan de commissie toe te voegen, bijvoorbeeld een stedenbouwkundige, een architectuurhistoricus, een landschapsarchitect of een kunstenaar. De adviseur neemt deel aan de beraadslaging maar heeft geen stem in de eindbeoordeling. Leden van de commissie worden voorgedragen door WZNH en benoemd door de gemeenteraad voor een periode van onbepaalde tijd. Het streven is om bij vervanging van de commissieleden deze alternerend te vervangen met dien verstande dat per jaar niet meer dan één nieuw lid in de commissie zal worden benoemd. Bij ziekte of afwezigheid van één van de commissieleden zorgt de WZNH voor een gekwalificeerde vervanger. Van alle leden van de commissie wordt verwacht dat zij geïnteresseerd zijn in Bloemendaal en de leefomgeving van de gemeente kennen of willen leren kennen. Bovendien moeten zij communicatief zijn ingesteld en in staat zijn om het welstandsoordeel begrijpelijk te verwoorden. Uit oogpunt van deskundigheid wordt daarbij aan alle leden van de commissie de eis gesteld dat zij tekeningen kunnen lezen en cultureel besef en kennis van de (geschiedenis) van de bouwkunst hebben. Uit oogpunt van onafhankelijkheid mogen de leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan burgemeester en wethouders of belangen in Bloemendaal hebben die gerelateerd zijn aan het welstandstoezicht. Indien één van de commissieleden betrokken is bij een bouwplan dat ter beoordeling aan de commissie wordt voorgelegd, neemt hij of zij geen deel aan de beraadslaging en de eindbeoordeling van het betreffende plan. In dat geval zorgt WZNH voor een gekwalificeerde vervanger. Hieronder volgt een profielschets van de commissieleden: Voorzitter De voorzitter is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de algemene kwaliteit van de advisering. Dit vereist, naast bovenstaande capaciteiten, zowel bestuurlijke ervaring en inzicht in lokale besluitvormingsprocessen als kennis van de ruimtelijke ontwikkelingen en het beleid van Bloemendaal. De voorzitter heeft een cruciale rol tijdens de vergadering. Hij of zij leidt de discussie en moet ervoor zorgen dat eventuele verschillen in opvattingen helder naar voren komen. De voorzitter zorgt voor een evenwichtige discussie waarbij alle commissieleden hun mening voldoende kunnen uiten. De voorzitter integreert de verschillende visies tot een gemeenschappelijk eindadvies en moet dat helder kunnen formuleren. De voorzitter heeft tevens tot taak de commissie, de welstandsadviezen en het jaarverslag naar buiten toe te presenteren en anderen - planindieners, architecten, ambtenaren, wethouders - te stimuleren en overtuigen. De voorzitter verzorgt de externe contacten van de commissie en is het officiële aanspreekpunt voor het gemeentebestuur en geïnteresseerden. Architectlid Het architectlid is mede verantwoordelijk voor de vakinhoudelijke kwaliteit van de advisering. Hij of zij heeft zowel ervaring met het beoordelen van ontwerpen van (aanstaande) collega's, bijvoorbeeld in onderwijssituaties of jury's, als ook een erkend of veelbelovend niveau van eigen vakuitoefening als architect. Het architectlid kan door de commissie worden gemandateerd om het (voor-) overleg met planindieners en ontwerpers te voeren, rapporteert daarover aan de commissie en is verantwoordelijk voor de consistentie van de beoordelingen. Bij kleine plannen, waarbij de mening van de commissie als bekend mag worden verondersteld, kan het architectlid door de commissie worden gemandateerd het welstandsadvies te geven. Gemandateerde taken worden altijd uitgevoerd in naam van de plenaire commissie. Het aan te leveren materiaal De kwaliteit van het aangeleverde materiaal (plattegronden, tekeningen, foto's etc.) moet een goed beeld geven van het bouwplan en de planfilosofie. De commissie kan zich een goed oordeel vormen als tenminste de volgende zaken worden aangeleverd: situatietekening inclusief aansluitende terreinen (minimaal schaal 1:1000); tekeningen van bestaande en nieuwe plattegronden, doorsneden en gevelaanzichten (minimaal schaal 1:100); tekeningen van de principedetails die verband houden met het uiterlijk van het bouwwerk; kleurenschema's en materiaallijst en foto's van de bestaande toestand van het bouwwerk en de omgeving. Bij grote projecten kan de commissie een werkmaquette van het bouwwerk en zijn omgeving vragen om de schaal en massa te kunnen beoordelen. De commissie kan bij welstandsbeoordeling gebruik maken van door de gemeente aan te leveren aanvullende informatie, bijvoorbeeld luchtfoto's, een digitaal beeldregistratiesysteem, stedenbouwkundige plannen, bestemmingsplannen en eventueel maquettes. De leden van de commissie gaan indien noodzakelijk zelf ter plekke kijken. 1.6OPENBAARHEID VAN DE VERGADERINGEN VAN DE COMMISSIE De vergaderingen van de commissie zijn openbaar. Verwacht mag worden dat deze openbaarheid bijdraagt aan de gewenste vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Dit gebeurt door bijvoorbeeld het tijdstip en plaats van de vergadering van de commissie te publiceren in het huis aan huis blad. Via internet is enkele dagen voor de vergadering de agenda te raadplegen. Betrokkenen, dat wil zeggen ontwerpers of planindieners, worden persoonlijk ingelicht en zijn tijdens de behandeling van hun plan welkom “aan tafel” om een mondelinge toelichting te geven. Zij kunnen daarvoor een afspraak maken met de gemeentelijk plantoelichter. Betrokkenen hebben spreekrecht, in die zin dat de commissie hoor- en wederhoor toepast. Daarna vormt de commissie het eindoordeel dat wordt verwoord in het advies aan burgemeester en wethouders. Belangstellenden kunnen de vergadering bijwonen. Zij hoeven daarvoor geen afspraak te maken. De voorzitter van de commissie geeft bij de behandeling van een onderwerp aan de aanwezige belangstellenden op de publieke tribune de gelegenheid kort iets over het onderwerp te zeggen. Indien de orde van de vergadering of het belang van de planindiener dit vergt, kan de commissie een niet-openbare voor- of nabespreking houden. Dit is bedoeld voor plannen en notities die nog niet openbaar zijn, zoals principeaanvragen of conceptbeleidsplannen. Uit de verslaglegging van de in beslotenheid behandelde plannen dient de motivering te blijken waarom tot behandeling in een besloten vergadering is overgegaan. De in een besloten vergadering behandelde plannen dienen, alvorens een beslissing op de aanvraag voor vergunning wordt genomen, in tweede termijn in een openbare vergadering van de commissie te worden behandeld. 1.7PLANNEN IN VOOROVERLEG De gemeente Bloemendaal biedt ontwerpers en planindieners de mogelijkheid om, voorafgaand aan de formele omgevingsvergunningaanvraag, vooroverleg (al dan niet openbaar) te plegen met de commissie over de interpretatie van de welstandscriteria in het concrete geval van hun bouwplan. Hiertoe kan het schetsontwerp als principeplan worden ingediend bij het team Bouw- en Woningtoezicht. Het vooroverleg met de commissie kan pas starten nadat duidelijkheid bestaat over de planologische aanvaardbaarheid van het plan. Omdat het vooroverleg diep kan ingrijpen in de planontwikkeling moet het met de nodige waarborgen worden omgeven. De volgende punten zijn daarbij van belang: De kwaliteit van het aangeleverde materiaal moet een goed beeld geven van de bedoelingen en de planfilosofie. De commissie kan zich een goed oordeel vormen als de volgende zaken worden aangeleverd: situatieschets inclusief aansluitende terreinen (minimaal schaal 1:1000); schetsen van bestaande en nieuwe plattegronden, doorsneden en gevelaanzichten (minimaal schaal 1:100); schetsen van de principedetails die verband houden met het uiterlijk van het bouwwerk; voorstel voor kleurenschema's en materiaallijst en foto's van de bestaande toestand van het bouwwerk en de omgeving. Bij grote projecten kan de commissie een werkmaquette van het bouwwerk en zijn omgeving vragen om de schaal en massa te kunnen beoordelen. Het plan in vooroverleg wordt geregistreerd, gedateerd en krijgt een nummer en een dossier. De commissie behandelt geen ongeregistreerde plannen. De commissie draagt uiterste zorg voor goede verslaglegging en consistente beoordelingen in de verschillende planfasen. Bij het welstandsadvies over een plan in vooroverleg moet de commissie altijd aangeven in welk stadium het plan werd beoordeeld. Het plan moet voor de definitieve vergunningaanvraag naderhand nog terug komen bij de commissie. Voor de welstandsadviezen over deze plannen in vooroverleg gelden verder dezelfde uitgangspunten als voor de adviezen over de definitieve omgevingsvergunningaanvragen. 1.8HANDHAVING EN EXCESSENREGELING De gemeente geeft met deze welstandsnota regels voor het welstandstoezicht en zal zich ook inspannen voor de naleving daarvan. Als voor een vergunningplichtig bouwwerk geen omgevingsvergunning is aangevraagd, dan wel het bouwwerk na realisering blijkt af te wijken van de tekeningen waarop de omgevingsvergunning is afgegeven, dan krijgt de eigenaar de gelegenheid om (alsnog of opnieuw) een vergunning aan te vragen voor het gerealiseerde bouwwerk. Als deze omgevingsvergunning moet worden geweigerd, bijvoorbeeld vanwege een negatief welstandsadvies, dan zal de eigenaar de situatie moeten veranderen. Burgemeester en wethouders kunnen dan degene die tot het opheffen van de situatie bevoegd is aanschrijven om binnen een door hen te bepalen termijn de strijdigheid op te heffen. Ook bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd of bouwwerken die worden of zijn gebouwd in het welstandsvrije gebied Bloemendaalse strand moeten aan minimale welstandseisen voldoen. Volgens artikel 12 van de Woningwet mag het uiterlijk van een bouwwerk niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Deze “excessenregeling” is niet bedoeld om de plaatsing van bouwwerken tegen te gaan. De gemeente Bloemendaal hanteert bij het toepassen van de excessenregeling het criterium dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Vaak heeft dit betrekking op: het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk van zijn omgeving; het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk; armoedig materiaalgebruik; toepassing van felle of contrasterende kleuren; te opdringerige reclames, of een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsgerichte welstandscriteria) Vergunningvrije bouwwerken die voldoen aan de welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand. Om te voorkomen dat men achteraf geconfronteerd wordt met redelijke eisen van welstand kan de eigenaar het te bouwen vergunningvrije bouwwerk toch laten toetsen op welstand (de vrijwillige welstandstoets). HOOFDSTUK2RUIMTELIJKE ANALYSE EN WELSTANDREGIMES 2.1RUIMTELIJKE ANALYSE Voor het definiëren van de gebiedsindeling en het formuleren van gebiedsgerichte welstandscriteria is een globale ruimtelijke analyse gemaakt. De ruimtelijke analyse vormt een karakterisering van de stedenbouwkundige opbouw van de gemeente Bloemendaal die resulteert in een gebiedsindeling. Vervolgens is deze gebiedsindeling vertaald naar gebiedsgerichte welstandsregimes. Deze analyse dient in eerste instantie als basis voor de gebiedsindeling, maar dient daarnaast als kennisbron en argumentatiegrond voor toetsing van bouwaanvragen in het kader van welstand. Ruimtelijke analyse landschap Landschapsvorming en ontwikkeling De vorming van strandwallen en strandvlakten vormt de basis voor de ontwikkeling van het landschap in de gemeente Bloemendaal. Evenwijdig aan de kust bevindt zich een brede rij jonge duinen. Achter deze duinenrij bevinden zich in lengterichting van het gebied afwisselend strandwallen en strandvlakten. De strandwallen hebben een zandige ondergrond en liggen ten opzichte van de omgeving relatief hoog. De strandvlakten liggen lager, hebben een venige ondergrond en zijn daardoor relatief nat. Op de overgang van beide stroken concentreerde zich de eerste bebouwing. De eerste wegen werden langs deze vestigingsplaatsen aangelegd en liepen daardoor evenwijdig aan de strandwallen. Vanaf 1100 is begonnen met de ontginning van de strandvlaktes en omstreeks 1500 is door de ontbossingen een open landschap ontstaan. Haarlem bloeide in de Gouden Eeuw tot een belangrijke stad, met brouwerijen en textielindustrie. De veenweiden waren de ideale vestingplaats voor blekerijen. Amsterdamse en Haarlemse kooplieden legden langs de binnenduinrand buitenplaatsen aan. Het zand van de duinen werd afgegraven voor stadsuitbreidingen. Vanaf het einde van de 18e eeuw experimenteerden de buitenplaatsbezitters met het vastleggen van de jonge duinen door bebossing. De toename van het aantal buitenplaatsen zorgde voor een aaneengesloten gebied met bossen. Tevens werden vanaf die tijd vele tuinen in landschapsstijl gerealiseerd. In de 19e eeuw werden spoorwegen aangelegd en is de eerste villabebouwing in het Bloemdaalse Park gerealiseerd. De 20ste eeuw bracht grote veranderingen met zich mee. Veel landgoederen werden verkaveld en met villa’s bebouwd. Door de groei van de bevolking is de stedelijke druk op de gemeente Bloemendaal toegenomen. Hierdoor zijn de oorspronkelijke zeer duidelijke ruimtelijke verschillen tussen de strandwallen en de strandvlakten afgenomen. Open plekken werden voornamelijk benut voor het ontwikkelen van woonwijken. In de periode na de eerste wereldoorlog zijn voornamelijk op de meer oostelijk gelegen vlakke graslanden (strandvlakten) planmatige woonwijken, met relatief grotere woningdichtheden gerealiseerd. Daarnaast heeft in Overveen en Vogelenzang de ontwikkeling van tuinbouw en vooral de bollenteelt in de 19e en 20ste eeuw een grote vlucht genomen. De laatste jaren is de aandacht verschoven naar de bescherming van natuur en landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Landschapsstructuur en morfologie Kenmerkend voor de gemeente Bloemendaal is de langgerekte structuur. Het ruimtelijk karakter van de gemeente wordt sterk bepaald door de vroegere en nog aanwezige landgoederen op de beboste strandwallen en de binnenduinrand. In het westen vormt de jonge duinenrij als besloten ruimtelijk element de afsluiting van deze zone. Ten oosten van Bloemendaal zorgt het stedelijk gebied van Haarlem met grootschalige infrastructuur voor een ruimtelijke barrière. De gemeente Bloemendaal bestaat uit de kernen Bloemendaal, Overveen, Aerdenhout, Bennebroek en Vogelenzang. Deze hebben zich voornamelijk ontwikkeld op de westelijke strandwal, terwijl Haarlem op de oostelijke strandwal is gelegen. Ter hoogte van Vogelenzang komen beide strandwallen samen. Met de toename van de bebouwing is tevens het aantal oost-west wegen toegenomen, waarvan de Zandvoorterweg/Zandvoortselaan en de Zeeweg de belangrijkste verbindingen met de kust vormen. De strandwallen hebben door de veelheid aan bebouwing en bos een besloten karakter. De strandvlakten daarentegen zijn ingericht als weidegebieden met een open ruimtelijke uitstraling. In de loop van de tijd zijn echter ook de strandvlakten steeds verder met bebouwing verdicht. Het huidige beeld in de gemeente Bloemendaal laat een aantal kernen zien die overwegend omgeven worden door bosgebieden, open ruimtes en het stedelijk gebied van Haarlem en die van elkaar gescheiden worden door middel van (semi) open ruimtes. Functies en verstedelijking De gemeente Bloemendaal bestaat uit vijf woonkernen, te weten Bloemendaal, Overveen, Aerdenhout, Bennebroek en Vogelenzang. De kernen Bloemendaal, Overveen, Aerdenhout, en Vogelenzang zijn gesitueerd aan de Vogelenzangseweg-Elswoutlaan-Bloemendaalseweg. De kern Bennebroek, gelegen in de zuid-oostelijke punt van de gemeente Bloemendaal, wordt gescheiden door de Leidsevaart. Villagebieden en landgoederen zijn in hoofdzaak in het meer bosrijke gebied aan de westzijde gelegen. De woonkernen zijn van elkaar gescheiden door groene zones van landgoederen waardoor ze hun zelfstandigheid hebben behouden. De meeste landgoederen zijn gelegen in een bosrijke omgeving met veel cultuurhistorische en landschappelijke waarden. De landgoederen zijn destijds veelal door bekende landschapsarchitecten als landschapspark ingericht. De villagebieden zijn rond 1900 ontstaan op de in de 17e eeuw aangelegde buitenplaatsen en zijn opgebouwd met gebogen lanen en riante beplantingen. De bebouwing wordt gekenmerkt door karakteristieke grote panden op ruime tot zeer ruime kavels welke omgeven zijn met landschappelijke en vaak ecologisch waardevolle beplanting. In enkele gevallen is er sprake van twee-onder-één-kap woningen. Ook is er sprake van afwisseling in afstanden van de woningen onderling en van de woningen tot de weg. De in de woonkernen gesitueerde bebouwing heeft een meer gedifferentieerde verschijningsvorm en bestaat zowel uit vrijstaande als twee-onder-één-kap en geschakelde woningen. Daarnaast is in de gemeente Bloemendaal en de voormalige gemeente Bennebroek steeds gestreefd naar sociale woningbouw van hoge kwaliteit, passend in het landschap. Ook wordt woonbebouwing in de kernen afgewisseld met bedrijven en detailhandel. De bebouwing heeft veelal een karaktervolle en statige uitstraling. Ruimtelijke analyse kernen De vijf kernen worden in het kort geanalyseerd. Hierbij is de huidige structuur, openbare ruimte, functies, bebouwingstypologie en -dichtheid en verkavelingpatroon beschreven. Het is belangrijk dit op te nemen als kennisbron en argumentatiegrond voor de criteria die in de welstandsnota naar voren komen. De hierna volgende globale analyse vormt een eerste inventarisatie van de kenmerken en eigenschappen als basis voor een uitgebreide analyse. Bloemendaal Vanuit Santpoort rijdt men Bloemendaal binnen over de Kennemerweg, waar men de enigszins zelfstandig gesitueerde buurt Veen en Duin passeert. Hier staan een aantal portiekflats met 3 tot 4 lagen en geschakelde eengezinswoningen. De verkeersstructuur vanuit Overveen wordt bepaald door de Bloemendaalseweg met als belangrijkste zijwegen de Mollaan en Hartenlustlaan. De entree vanaf Haarlem wordt gevormd door de eeuwenoude Kleverlaan, die de overgang van de kern naar het aangrenzend weidegebied markeert met een fraaie stedelijke bebouwingswand. Tussen de Iepenlaan en Ignatius Bispincklaan bevinden zich voornamelijk grote geschakelde woningen en twee-onder-één-kap villa’s in het Kinheimpark

(1925). Dit gebied kent een vrij planmatig karakter vergeleken met de ruim opgezette villagebieden ten westen van de Bloemendaalseweg. Het villapark Laag-Hartenlust vormt een groene ruimte van de Vijverweg tot de Noorder Stationsweg met een aantal vrijstaande villa’s georiënteerd op het station
(1900). In Duin en Daal/Bloemendaalse Park staan vrijstaande villa's op grote kavels in een bosrijke omgeving. Bijzonder aan dit gebied is de fraaie ligging langs de Kennemerduinen en Bloemendaalse bos. Daarnaast heeft door het vele (particuliere) groen, de gebogen en hellende wegen met daarlangs veelal teruggelegen cultuurhistorisch van belang zijnde villa's, dit gebied een zeer waardevol karakter. Dit gebied is daarom ook door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg aangewezen als Beschermd Dorpsgezicht. Het centrumgebied gelegen langs de Bloemendaalseweg heeft van de hele gemeente het hoogste voorzieningenniveau. Het bestaat uit de historische Voorbuurt tussen Mollaan en Potgieterweg, de Buurt van Bloemendaal en het kerkplein. In het centrum, de Buurt van Bloemendaal, zijn aaneengesloten panden met voornamelijk een winkelfunctie gesitueerd. Van deze gesloten gevelwanden is de oostzijde in 1904 tot stand gekomen. Overveen De Bloemendaalseweg en de Julianalaan alsmede het knooppunt op de kruising van deze wegen vormen de hoofdstructuur van de kern Overveen. De Julianalaan gaat over in de Zeeweg die leidt tot Bloemendaal aan Zee. Aan de zuidzijde van de kern loopt de spoorlijn naar Zandvoort. De bebouwing kent een duidelijk onderscheid tussen het oostelijk en westelijk gedeelte en de bebouwingstypologie is vergelijkbaar met de kern Bloemendaal. Ten oosten van de Bloemendaalseweg is de bebouwing planmatig van opzet met veelal geschakelde en twee-onder-één-kap woningen. Aan de westzijde is de bebouwing grootschaliger en is op ruimere kavels gesitueerd in een groene omgeving met een kronkelend en hellend wegenpatroon. Bijzondere elementen in de openbare ruimte zijn de onverharde voetpaden langs de rijbaan in het villagebied Kweekduin. Aan de noordoostkant van de kern staan een aantal typische gestapelde portiekflats uit de jaren '50, nieuwbouw en voorzieningen. Het monumentale gemeentehuis is net buiten de kern gesitueerd en is ten opzichte van de weg hoger gelegen. Het centrum van Overveen is net als in Bloemendaal aan weerszijden van de Bloemendaalseweg gelegen. Ook hier bestaat de bebouwing uit aaneengesloten panden van verschillende architectonische stijlen met op de begane grond voornamelijk winkelfuncties. Een architectonisch fraai pand is de Albert Heijn op de hoek van de Tetterodeweg. Het gedeelte ten zuiden van het spoor met stadsvilla’s en oude bebouwing rondom de kruising van de Bloemendaalseweg met de Zijlweg heeft door de aanwezige bebouwingskarakteristiek een fraai straatbeeld. Op het terrein van het voormalige marine hospitaal zal in de toekomst woningbouw gesitueerd worden. Aerdenhout De stedenbouwkundige structuur van Aerdenhout is opgebouwd uit vier kwadranten gescheiden door de kruisende wegen; Bilderdijklaan/Boekenroodeweg en de Zandvoorterweg. De kwadranten ten westen van de Bilderdijklaan/Boekenroodeweg vormen het grootste gedeelte van de kern Aerdenhout en worden gekenmerkt als villagebieden. Deze gebieden zijn ruim van opzet met grote vrijstaande villa's op ruime groene kavels. Opvallend is de woonbuurt ten westen van de Bovenweg, ontsloten door de Karel Doormanlaan. Dit Bovenwegkwartier kent een planmatig opbouw. De buurt is in de vijftiger jaren in een groene omgeving gesitueerd met woonblokken van geschakelde eengezinswoningen en daaromheen bungalowachtige vrijstaande bebouwing. De oostelijke kwadranten tussen de Houtvaartkade en de Bilderdijklaan/Boekenroodeweg hebben voornamelijk een planmatige opzet en zijn opgebouwd met herenhuizen, twee-onder-één-kap villa's en soms geschakelde (3 tot 4) villa-achtige woningen in diverse architectonische stijlen. Voor de dagelijkse voorzieningen richt Aerdenhout zich op de gemeente Heemstede. Bennebroek In het zuid-oostelijke punt van de gemeente ligt de kern Bennebroek. Bennebroek is de dichts bebouwde kern van de gemeente Bloemendaal. De bebouwingsdichtheid in de voormalige zelfstandige gemeente Bennebroek is historisch gegroeid en is het gevolg van het ontbreken van buitengebieden. De gemeente Bennebroek lag ingeklemd tussen de gemeentes Heemstede, Bloemendaal en Hillegom en de Ringvaart van de Haarlemmermeer. De kern kent een compacte structuur en bebouwingsdichtheid met een kleinschalig en dorps karakter. De stedenbouwkundige structuur van Bennebroek wordt bepaald door de Bennebroekervaart die loopt van de Ringvaart van de Haarlemmermeer tot aan de Leidsevaart. De Rijksstraatweg vormt de noord-zuidroute en de Zwarteweg, Bennebroekerlaan en de Meerweg vormen de oost-west route. De gebieden zijn divers en lopen uiteen van Lintbebouwing langs de Bennebroekerlaan en de Reek, planmatig woonwijken (Meerwijk, Lage Duin, Bloemhof en Bloemveld), villagebieden (Het Duin, Krakeling) vrijstaande villa's op grote kavels in een bosrijke omgeving ten noord-oosten van de Meerweg, de locatie van GGZ inGeest, en het sportveldencomplex het Rottegat. Voor de dagelijkse voorzieningen wordt in voldoende mate voorzien door twee supermarkten en de winkels langs de Zwarteweg en de Bennebroekerlaan. Vogelenzang In het zuidelijkste puntje van de gemeente ligt Vogelenzang. Vergeleken met de andere kernen is Vogelenzang in oppervlakte een stuk kleiner en kent het geen villagebieden. De kern is gelegen in het weidse open landschap van de strandvlakte met de gelijknamige polder. Door dit open landschap ontstaat een ander beeld, voornamelijk minder besloten ten opzichte van de overige kernen. De kern kent een compacte structuur en bebouwingsdichtheid met een kleinschalig en dorps karakter. De stedenbouwkundige structuur van Vogelenzang wordt bepaald door de doorgaande Vogelenzangseweg. Ter hoogte van de Graaf Florislaan is het hart van de oude kern gelegen en vormt de kerk een belangrijk oriëntatiepunt. Aan weerszijden van de Vogelenzangseweg zijn in de jaren ’60 een aantal planmatige woonwijken gerealiseerd. De oorspronkelijke lintbebouwing is hoofdzakelijk gesitueerd in het hart van het dorp langs de Vogelenzangseweg en de Graaf Florislaan. Bijzonder zijn de woningblokken aan de Vogelenzangseweg, met een architectonische samenhang bestaande uit relatief kleine woningen van één laag met een evenwijdige kaprichting afgewisseld door kopgevels. Grootschalige villagebieden met een bosrijke omgeving ontbreken in Vogelenzang, alleen ten noorden van de kern, langs de Bekslaan, zijn een aantal villa's gesitueerd. Aan de noordoostkant hebben in de jaren ’80 de laatste ruimtelijke ontwikkelingen plaatsgevonden. Vogelenzang-oost is hoofdzakelijk opgebouwd met geschakelde en twee-onder-één-kap woningen. 2.2GEBIEDSINDELING Op basis van de ruimtelijke analyse zijn zes voor Bloemendaal typerende gebiedscategorieën te onderscheiden. Vervolgens zijn binnen de categorieën deelgebieden onderscheiden, die een duidelijk waarneembare samenhang in bebouwingsvorm hebben, zie kaart A blz. 47. 1.Dorpscentra In de dorpscentra bestaat er een grote diversiteit aan gebouwen, ruimten en/of functies. De dynamiek en het collectief gebruik zijn groot. Deze dynamiek is vaak historisch gegroeid door de centrale ligging aan belangrijke structuurlijnen en assen. Vanwege de grote verscheidenheid en activiteiten zijn deze gebieden kwetsbaar en liggen ingrepen wat betreft hun vormgeving niet voor de hand. De context vraagt echter wel om ontwikkeling van nieuwe kenmerken gerelateerd en beargumenteerd vanuit de bestaande waarden en eigenschappen. In het bijzonder de toepassing van reclame en de inrichting van de openbare ruimte spelen voor wat betreft de verschijningsvorm en de beleving een belangrijke rol. In de gemeente Bloemendaal zijn de volgende dorpscentra te onderscheiden: Centrum Bloemendaal Centrum Overveen Centrum Bennebroek Oude Kern Bennebroek Centrum Vogelenzang 2.Villagebieden <15 won./ha In de villagebieden staan vrijstaande grootschalige woningen op grote kavels (1-15 won./
  1. ha)in een bosrijke omgeving. Daarnaast hebben deze gebieden, door het vele (particuliere) groen, de gebogen en hellende wegen met daarlangs veelal teruggelegen cultuurhistorisch van belang zijnde villa's, een zeer waardevol karakter. De gebieden worden gekenmerkt door de verscheidenheid aan architectuur, bouwvormen en situering van de hoofdmassa op de kavel. In villagebieden zijn de reeds aanwezige (cultuurhistorisch waardevolle) stedenbouwkundige en architectonische eigenschappen van een zodanige kwaliteit dat het beleid vooral gericht moet zijn op handhaven (consolideren) van de bestaande kwaliteiten en eigenschappen. In geval van verandering of vervanging van bestaande elementen dient de nadruk te liggen op conformeren aan de reeds aanwezige context en waar mogelijk het herstellen van verloren waarden. In de gemeente Bloemendaal zijn de volgende villagebieden <15 won./ha te onderscheiden: Dennenweg de Krullenlaan e.o. Duinwijckweg Bloemendaalse park / Duin en Daal Villagebied Overveen Villagebied Aerdenhout Villagebied Bennebroek Veldlaan en Zuidlaan e.o Bekslaan Parkgebied Bennebroek 3.Woongebieden > 15 won./ha De woongebieden van Bloemendaal hebben elk een eigen identiteit. Wat betreft de woningdichtheid (> 15 won./
  2. ha)en bebouwingstypologie hebben deze gebieden wel dezelfde eigenschappen. Deze gebieden kennen in bebouwing een planmatig en samenhangend karakter vergeleken met de ruim opgezette villagebieden. In de gebieden komen voornamelijk (half)open woonblokken, aaneengesloten bebouwing van 3 tot 4 woningen, twee-onder-één-kap woningen en enkele vrijstaande woningen voor. De volgende woongebieden (>15 won./
  3. ha)zijn in de gemeente Bloemendaal te onderscheiden: Brederodelaan, Schulzlaan, S. v/d Kolkweg (Duinlustpark I) Boslaanbuurt Kinheimpark Bovenwegkwartier Binnenweg westzijde Park Tetrode Veen en Duin Dompvloedslaan e.o. Kennemerpark Joan Mauritsplein en Oranje Nassaulaan e.o. Spiegelenburghlaan e.o. Zonnebloemlaan e.o. Woongebied Bennebroek Woongebied Vogelenzang 4.Grootschalige complexen De categorie grootschalige complexen herbergt alle deelgebieden die worden gekenmerkt door grootschalige bebouwing. Deze bebouwing kan zowel hoogbouw als laagbouw zijn. Kenmerkend is dat er veelal sprake is van alzijdige oriëntatie van de gebouwen. De meeste grootschalige complexen zijn monofunctioneel. Onder deze gebieden vallen het terrein van het Park Brederode (voormalig Psychiatrisch Ziekenhuis), Pompstation Leiduin, de zone langs de Zeeweg en het terrein van GGZingeest (De Geestgronden) met verschillende voorzieningen. De volgende grootschalige complexen zijn in de gemeente Bloemendaal te onderscheiden: Park Brederode (voormalig Psychiatrisch Ziekenhuis) Watertoren Zeeweg e.o. Pompstation Leiduin Geestgronden 5.Sport en recreatie Sportcomplexen en maneges worden gekenmerkt door de grote ruimtes (soms in directe relatie met het landschap), veelal omrand met hoog opgaand groen dat het zicht op ruimte en bebouwing veelal ontneemt (coulissen en gesloten ruimtes). De bebouwing bestaat voornamelijk uit één bouwlaag met plat dak met veelal een utilitaire uitstraling. Bloemendaal aan Zee is daarentegen een afwijkend gebied met op het strand gerichte recreatievoorzieningen. Voor de sport- en recreatiecomplexen geldt daarentegen dat handhaving van de basiskwaliteit voldoende is. In de gemeente Bloemendaal zijn de volgende sport- en recreatiegebieden te onderscheiden: Sportcomplexen (Bergweg / Brederodelaan, Zomerzorgerlaan, Mariënweide en Vogelenzang) Rottegat Linnaeushof Bloemendaal aan Zee Bloemendaalse strand 6.Landelijk gebied De categorie landelijk gebied herbergt alle bebouwing buiten de bebouwde kom. Het onderscheid tussen bebouwde en onbebouwde kom is vastgesteld in de gemeentelijke Artikel 19 nota. In de typering van het landelijk gebied is een onderscheid gemaakt tussen het duinlandschap, het open (agrarisch) weidelandschap, landgoederen, parken en overige bosgebieden. Door het conserverend beleid dat de gemeente voert ten aanzien van het duingebied en de landgoederen vormen deze gebieden bijzondere welstandsgebieden waarbij extra aandacht uit dient te gaan naar consolidatie en respect voor de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Daarnaast dient er extra aandacht uit te gaan naar het behoud van de kleinschaligheid en karakteristieken van het open weidelandschap rond Vogelenzang en ten oosten van Boekenrode, waarbij zichtrelaties en openheid de belangrijkste kwaliteitsaspecten zijn. In de gemeente Bloemendaal zijn de volgende landelijke gebieden te onderscheiden: Duinlandschap, landgoederen, parken en overige bosgebieden Open (agrarisch) weidelandschap 2.3WELSTANDSREGIMES Met de vertaling naar welstandsregimes wordt aangegeven in welke gebieden men meer regulering wenst en in welke gebieden minder. In sommige gebieden moet de lat hoog liggen omdat de historische kwaliteit hierom vraagt, in andere gebieden wordt een extra inspanning gevraagd omdat het gebied in belangrijke mate bijdraagt aan het collectieve beeld. In bepaalde gebieden ligt de nadruk op het mogelijk maken van toevoegen van nieuwe waarden binnen de bestaande context, in andere gebieden is conformeren aan de bestaande eigenschappen de juiste toon. Daarnaast zijn er gebieden aan te wijzen waar de thematiek niet veel anders is als in andere (vergelijkbare) gebieden elders, ook buiten de gemeente. Voor deze neutrale gebieden kunnen veelal min of meer universeel te noemen uitgangspunten en criteria worden opgesteld en moet het ook mogelijk zijn de criteria te standaardiseren. Het vaststellen van het welstandsregime is cruciaal voor het opstellen van de welstandscriteria. De volgende welstandsregimes per gebied zijn te onderscheiden: Beschermd stads- of dorpsgezicht (extra bescherming gericht op consolidatie van de historische context) Bijzondere welstandsgebieden (extra inspanning tot voordeel van de ruimtelijke kwaliteit) Reguliere welstandsgebieden (normale inspanning gericht op het handhaven van de basiskwaliteit) Welstandsvrije gebieden (geen inspanning en welstandstoezicht) Hierna worden de deelgebieden zoals genoemd in paragraaf 2.2 ingedeeld naar welstandsregime. 1.Beschermd stads- of dorpsgezicht Bloemendaal kent nu één Rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht: Bloemendaalse Park / Duin en Daal. De gemeente heeft een specifiek en gedetailleerd bestemmingsplan voor dit gebied. Dit gebied heeft een zeer monumentaal en waardevol karakter. Villagebieden < 15 won./ha Bloemendaalse Park / Duin en Daal 2.Bijzondere welstandsgebieden Door de bijzondere ruimtelijke context en cultuurhistorische betekenis kan het merendeel van de gemeente Bloemendaal als bijzonder getypeerd worden. Voor 27 gebieden is daarom een bijzonder welstandsregime van toepassing. Het gaat dan om de gebieden waar extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk wordt geacht. Het welstandstoezicht kan dan gericht worden op het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. Dorpscentra Centrum Bloemendaal Centrum Overveen Centrum Bennebroek Oude Kern Bennebroek Centrum Vogelenzang Villagebieden < 15 won./ha Dennenweg en Krullenlaan e.o. Duinwijckweg Villagebied Overveen Villagebied Aerdenhout Villagebied Bennebroek Veldlaan en Zuidlaan e.o Bekslaan Woongebieden > 15 won./ha Duinlustparkweg e.o. Boslaanbuurt Kinheimpark Bovenwegkwartier Binnenweg westzijde Park Tetrode Grootschalige complexen Park Brederode (voormalig Psychiatrisch Ziekenhuis) Geestgronden (Instelling voor Psychiatrisch zorg) Watertoren Zeeweg e.o. Pompstation Leiduin Sport en recreatie Sportcomplexen (Bergweg/Brederodelaan, Zomerzorgerlaan, Mariënweide, Vogelenzang) Bloemendaal aan Zee Landelijk gebied Duinlandschap, landgoederen, parken en overige bosgebieden Parkgebied Bennebroek Open (agrarisch) weidelandschap 3.Reguliere welstandsgebieden In Bloemendaal is voor 10 gebieden een regulier welstandsregime van toepassing. Hier dient de ruimtelijke kwaliteit en het welstandstoezicht gericht te zijn op het handhaven van de basiskwaliteit van de gebieden. Deze gebieden kunnen afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. De welstandscriteria beschrijven daarom de basiskwaliteiten van deze gebieden. Woongebieden > 15 won./ha Veen en Duin Dompvloedslaan e.o. Kennemerpark Joan Mauritsplein en Oranje Nassaulaan e.o. Spiegelenburghlaan e.o. Zonnebloemlaan e.o. Woongebieden Bennebroek Woongebied Vogelenzang Linnaeushof Rottegat 4. Welstandsvrije gebieden In de gemeente Bloemendaal komt slechts één welstandsvrij gebied voor, te weten het Bloemendaalse strand. Voor dit gebied geldt geen toets aan redelijke eisen van welstand. Op verzoek van aanvrager of ambtshalve kunnen bouwplannen of bouwwerken (achteraf) worden voorgelegd aan de welstandscommissie voor toetsing aan de Excessenregeling zoals opgenomen in hoofdstuk 1, 1.8 Bloemendaalse strand Bloemendaalse strand HOOFDSTUK3BELEIDSREGELS BETREFFENDE DE WELSTANDSCRITERIA 3.1INLEIDING De welstandstoetsing wordt bij kleine bouwplannen gebaseerd op de ‘welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken’, de zgn. sneltoetscriteria. Grotere bouwplannen of kleine bouwplannen die vergunningplichtig zijn, worden door de welstandscommissie beoordeeld op basis van de gebiedsgerichte welstandscriteria, welstandscriteria voor specifieke bouwwerken en/of de algemene welstandscriteria. In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens de algemene welstandscriteria, gebiedsgerichte welstandscriteria, welstandscriteria voor specifieke bouwwerken en de welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken (sneltoetscriteria) behandeld. 3.2ALGEMENE WELSTANDSCRITERIA Toelichting In deze paragraaf worden de algemene welstandscriteria genoemd die bij iedere welstandsbeoordeling worden gehanteerd. Deze paragraaf is gebaseerd op de notitie 'Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid, van prof. Ir Tj. Dijkstra
(1985), die mede aanleiding is geweest voor de nieuwe Woningwet. De in deze paragraaf genoemde algemene welstandscriteria richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op vrij universele kwaliteitsprincipes. De algemene welstandscriteria liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan elke planbeoordeling omdat ze het uitgangspunt vormen voor de uitwerking van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. In de praktijk zullen die uitwerkingen meestal voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling. In bijzondere situaties, wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te vallen op de algemene welstandscriteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan (slaafs) is aangepast aan de gebiedsgerichte welstandscriteria, maar het bouwwerk zelf zo onder de maat blijft dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden. Ook wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet, kan worden teruggevallen op de algemene welstandscriteria. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren van de hardheidsclausule gebruik te maken en af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. Hoewel dit gebruik van de hardheidsclausule betekent dat de welstandscommissie elke valide argumentatie kan aanvoeren om het plan te beoordelen, zal dit in de praktijk betekenen dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. 3.2.1Relatie tussen vorm, functies en constructie Een bouwwerk wordt primair gemaakt om een bepaalde functie te vervullen. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk in de meeste gevallen niet los worden gezien van de gebruikseisen en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. De verschijningsvorm heeft mede tot taak het gebruik van het bouwwerk en de wijze waarop dit in materiële zin wordt mogelijk gemaakt, aan de waarnemer duidelijk te maken. Gebeurt dit niet dan is de verschijningsvorm een loos gebaar. Dat wil overigens niet zeggen dat de verschijningsvorm rechtstreeks moet voortkomen uit functie en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die daarop invloed kunnen hebben. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Als de regels van de taal worden verhaspeld of ongeïnspireerd worden gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een herkenbare relatie heeft met de functie en de constructie van het bouwwerk, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Daaruit volgt dat een bouwwerk waarbij de verschijningsvorm de vitale verbinding met functie en constructie mist, waardoor de vorm een loos gebaar is geworden, meestal niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een bouwwerk waarvan de vorm niet meer is dan een optelsom van de eisen van functie en constructie, zal over het algemeen evenmin aan redelijke eisen van welstand voldoen. Dit betekent dat een bouwwerk niet voldoet aan redelijke eisen van welstand als bijvoorbeeld: de massaopbouw en de gevels niet in overeenstemming zijn met de interne ruimtelijke structuur; de architectonische uitdrukking evident strijdig is met de constructieve opbouw; de constructieve detaillering van de onderdelen het architectonisch concept niet ondersteunt. 3.2.2Relatie tussen bouwwerk en omgeving Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte. Het gebouw is een particulier object in een openbare context; het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen, maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke context. De gebiedsgerichte welstandscriteria dienen ertoe de welstandsbeoordeling op dit punt verder inzichtelijk te maken. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Een bouwwerk voldoet in het algemeen niet aan redelijke eisen van welstand als bijvoorbeeld: de hoofdvorm van het bouwwerk en de aard en opbouw van de gevels niet zijn gerelateerd aan de kenmerken van de landschappelijke of stedenbouwkundige omgeving; de hoofdvorm van het bouwwerk en de opbouw van de gevels geen bijdrage leveren aan de karakteristiek van de bestaande omgeving en de verwachte ontwikkeling daarvan; het bouwwerk geen bijdrage levert aan de beoogde kwaliteit van de openbare ruimte. 3.2.3Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context Vormen ontstaan primair vanuit de functie van een bouwwerk en de wijze waarop en het materiaal waarvan zij zijn gemaakt. Maar als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen dan krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt en geen valse pretenties uitdrukken. Een bouwwerk voldoet niet aan redelijke eisen van welstand als het bijvoorbeeld: niet integer is naar tijd, dat wil zeggen dat het op grond van zijn uiterlijk niet in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer bij nieuwbouw in bestaande (monumentale) omgeving de aanwezige vormen en detailleringen zodanig worden geïmiteerd dat niet meer duidelijk is wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd; niet integer is naar functie, dat wil zeggen dat de architectonische uitdrukking van het bouwwerk niet in overeenstemming is met zijn (oorspronkelijke en/of nieuwe) functie en met de wijze waarop die functie in de regio doorgaans is vormgegeven; niet integer is naar plaats, dat wil zeggen dat het niet doet wat men op de plaats van het bouwwerk verwacht of wat de plek van het bouwwerk vraagt; niet integer is naar schaal, dat wil zeggen dat de schaal van het bouwwerk niet voortkomt uit de grootte of de betekenis van de bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn, mits ze ook altijd als eenheid te lezen zijn. 3.2.4Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn deze beide elementen tegelijk aanwezig in een evenwichtige en spanningsvolle relatie. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een bouwwerk voldoet niet aan redelijke eisen van welstand als bijvoorbeeld: de massaopbouw en/of de structuur van de gevels geen herkenbare samenhang vertonen; de massaopbouw en/of de structuur van de gevels door overmatige simpelheid een storende factor zijn in de omgeving. 3.2.5Duidelijke maatverhoudingen De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Een bouwwerk voldoet niet aan redelijke eisen van welstand als bijvoorbeeld: het stelsel van maatverhoudingen in massa, opbouw en gevels onduidelijk is en/of niet consequent wordt toegepast; de afmetingen en verhoudingen van de gevelelementen niet in harmonie en verhouding zijn tot elkaar en het totale gevelvlak; de dakhelling en het dakvlak niet in goede verhouding staan tot de hoofdmassa; toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling verstoren. 3.2.6Materiaal, textuur, kleur en licht Door middel van materialen, kleuren en lichttoepassingen krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Een bouwwerk voldoet niet aan redelijke eisen van welstand als bijvoorbeeld: het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving; het gebruik van materialen en kleuren niet bijdraagt aan de beoogde samenhang met de omgeving; het gebruik van materialen en kleuren een samenhang suggereert die een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk belemmert. 3.3GEBIEDSGERICHTE WELSTANDSCRITERIA Voor alle welstandsgebieden zijn uitwerkingen gemaakt. Deze gebiedsgerichte uitwerkingen dienen gezien te worden als een beoordelingskader gerelateerd aan de bestaande ruimtelijke context. Een beoordelingskader omvat het beeld dat een beoordelaar nodig heeft voor toetsing van bouwplannen en dat een ontwerper gebruikt om een context gerelateerd ontwerp te vervaardigen dat een meerwaarde vormt in zijn omgeving. Er is geen sprake van absolute meetbare criteria maar van een argumentatiegrond voor ontwerp en planbeoordeling. De gebiedsgerichte criteria zijn dus minder concreet dan de objectgerichte criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen (sneltoetscriteria). Het zijn relatieve criteria, die ruimte laten voor een interpretatie. De criteria vormen op deze manier discussiepunten waarmee de planindiener en/of ontwerper een dialoog kan aangaan met de gemeente en/of welstandscommissie. Bij bouwaanvragen kan deze interpretatie al in een vroeg stadium onderwerp van gesprek zijn met de welstandscommissie. Dit wordt zeker aanbevolen bij twijfel of grote afwijkingen van de criteria. Een gebiedsgericht beoordelingskader bestaat uit de volgende onderdelen: Gebiedsbeschrijving Een korte beschrijving van het gebied, waarbij aandacht wordt besteed aan de ontstaansgeschiedenis, de stedenbouwkundige of landschappelijke structuur, de vormgeving van de bebouwing alsmede het materiaal- en kleurgebruik en de detaillering daarvan. Aanvullend beleid De aanvullende beleidsinstrumenten die de gemeente inzet in het gebied; Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Een samenvatting van het beleid, de te verwachten en/of gewenste ontwikkelingen en de waardering voor het gebied op grond van de belevingswaarde en eventuele bijzondere cultuurhistorische, landschappelijke, stedenbouwkundige en/of architectonische werken; Het voor het gebied geldende welstandsregime. Welstandscriteria De welstandscriteria zijn onderverdeeld in criteria betreffende de situering van het bouwwerk in zijn omgeving, de massa en vorm van het gebouw, de detaillering en het kleur- en materiaalgebruik. 1.BLOEMENDAALSE PARK DUIN EN DAAL Gebiedsbeschrijving Het villagebied Bloemendaalse Park Duin en Daal is gelegen ten zuidwesten van de kern Bloemendaal en wordt aan de westzijde begrensd door de Hoge Duin en Daalseweg, aan de oostzijde door de Bloemendaalseweg, aan de zuidzijde door de Midden Duin en Daalseweg/Parkweg en aan de noordzijde door de Zomerzorgerlaan. Het gebied omvat drie villaparken. Het Bloemendaalse Park is in 1885 gesticht als eerste villapark in Bloemendaal, gelegen op een overgangsgebied van het oude naar het jonge duingebied. Tegen het eind van de 19e eeuw nam de exploitatie van villaparken sterk toe met als eerste het in Engelse landschapsstijl ontworpen park ‘Duin en Daal’ (1897/1898) direct ten westen van het Bloemendaalse Park. Vanaf 1900 werd het villapark Hoog Hartenlust ontwikkeld op het hooggelegen overbos van de buitenplaats Hartenlust. Naast de villaparken kent het gebied enkele fraaie wandelgebieden te weten Thijsse’s Hof (eerste heempark in Nederland met op het grootste deel van het terrein het oorspronkelijke duingebied van Zuid-Kennemerland, met duinbos, een duinvallei, duinheide, een duinplas met moeras en een duin, waarbij de inheemse flora rijk vertegenwoordigd is), het Bloemendaalsebos (met hertenkamp), Het Kopje en het wandelpark Caprera met openluchttheater. In het gebied heeft wonen altijd centraal gestaan, waardoor er vrijwel geen winkels zijn en slechts enkele utiliteitsgebouwen zoals een schoolgebouw, enkele horecavestigingen en een klein waterleidingcomplex. Het gebied kent een grillige structuur van gebogen en hellende wegen met vele richtingsveranderingen en zeer eenvoudige profielindelingen begeleid door particulier en openbaar groen. De geasfalteerde wegen zijn relatief smal en aan beide zijden voorzien van geasfalteerde en met grind bestrooide trottoirs die een gering hoogteverschil met de rijweg kennen. De wegen worden overschaduwd door het volwassen geboomte in de tuinen van de villa’s, welke tevens het zicht op de villa’s ontneemt. De overwegend vrijstaande bebouwing bestaat uit middelgrote en grote villa’s. Met uitzondering van Hoog Hartenlust, staan deze op grote en onregelmatig gevormde kavels op ruime afstand van de weg. Alleen het gebied rond de Jozef Israëlsweg kent minder volumineuze en dichter opeen geplaatste bebouwing. In de villaparken Bloemendaalse Park en Duin en Daal zijn representatieve voorbeelden te vinden van schilderachtige-rustieke villa’s, schilderachtige villa’s met Engelse invloed en op Hollandse 18e eeuwse profane bouwkunst (baksteenbouw) geïnspireerde villa’s. Hoewel veel villa’s zijn gebouwd volgens overeenkomstige bouwstijlen bestaat er een grote diversiteit in verschijningsvorm en detailleringen. In de naoorlogse decennia zijn enkele zeer grote villa’s gesplitst, ook de meeste bijbehorende koetshuizen en garages zijn als individuele woning in gebruik genomen. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het bosrijke gebied is karakteristiek voor een villagebied uit de periode rond 1900 met een bijzondere landschappelijke aanleg op het merendeels geaccidenteerde terrein met enkele grote hoogteverschillen. Een overwegend slingerend wegenpatroon geflankeerd door ruime percelen, waarop zich gevarieerde villabebouwing bevindt die merendeels tussen 1880 en 1920 is gebouwd. Het gebied is te omschrijven als kwalitatief hoogwaardig woongebied in zowel de openbare ruimte als architectuurrijke villabebouwing. De openbare ruimte is eenvoudig ingericht, waardoor de openbare en particuliere groenvoorzieningen beeldbepalend zijn. Daarnaast kent het gebied enkele waardevolle wandelgebieden. Er is sprake van een grote vrijheid aan individuele vormgeving en positionering van de villabebouwing ten opzichte van de weg, waardoor de diversiteit van de bebouwing groot is. Het is van belang deze diversiteit te behouden. Diverse panden zijn uit algemeen belang opgenomen als provinciale monumenten in het Monumenten Selectie Project gezien de cultuurhistorische- en architectonische waarde. Welstandsregime Het villagebied Bloemendaalse park/Duin en Daal is aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht. Het gebied is karakteristiek voor een villagebied uit de periode rond 1900 dat gekenmerkt wordt door een ruimtelijke en historische samenhang. Het beleid is erop gericht de bestaande ruimtelijke, cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te respecteren. Hierbij is het bestemmingsplan voor het beschermd dorpsgezicht Bloemendaalse Park/Duin en Daal richtinggevend. Er is sprake van grote diversiteit in vormgeving, situering op de kavel en bebouwingsmassa van de villa’s. Daarbij zijn de kavels veelal weelderig begroeid en omgeven door bosrijk gebied. Voor toetsingscriteria voor villabebouwing wordt verwezen naar paragraaf 3.4 welstandscriteria voor specifieke bouwwerken, villabebouwing en buitenhuizen. Afstemming van aan- en uitbouwen, toevoegingen aan het dakvlak en bijgebouwen op de hoofdbebouwing is het belangrijkste item. Welstandscriteria Ligging in de omgeving Behouden van de huidige cultuurhistorische, architectonische en karakteristieke uitstraling van het gebied, met de bijzondere landschappelijke aanleg op het merendeels geaccidenteerde terrein met enkele grote hoogteverschillen. Behoud van de groene besloten uitstraling van de bos en duin omgeving en weelderige erfbeplanting met een verzorgd en samenhangend beeld van bij voorkeur natuurlijke erfafscheidingen. Bij vervangende nieuwbouw is de teruggelegen positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend. Voor toetsingscriteria voor villabebouwing wordt verwezen naar paragraaf 3.4 welstandscriteria voor specifieke bouwwerken, villabebouwing en buitenhuizen. Massa en vorm van het gebouw Verscheidenheid in architectuur, bouwhoogte en volume bij villa’s behouden. Bij geschakelde woningen dient het hoofdgebouw te worden afgestemd op de belendende bebouwing. Detaillering van het gebouw Verscheidenheid in detaillering, kleur- en materiaalgebruik bij villabebouwing behouden (bij voorkeur géén kunststoftoepassingen). Bij geschakelde woningen dient het kleur- en materiaalgebruik te worden afgestemd op de belendende bebouwing. Tegengaan van sterk contrasterende kleuren met de omgeving. Behouden van gevelbepalende ornamenten en daklijsten. Voor toetsing van veel voorkomende kleine bouwwerken wordt verwezen naar paragraaf 3.5 sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen. 2 CENTRUM BLOEMENDAAL Gebiedsbeschrijving Het deelgebied wordt gekenmerkt door een stedelijk karakter en vormt het winkelcentrum van de kern van Bloemendaal. De kern Bloemendaal heeft van de hele gemeente het hoogste voorzieningenniveau. Voor dit gebied kan men spreken over een organisch gegroeide lintbebouwing met aaneengesloten en vrijstaande panden. Door de geschakelde panden en daardoor gesloten bebouwingswand doet het niet vermoeden dat daarachter de panden zijn gesitueerd op grote kavels en de (privé) buitenruimte een veel meer open en groen karakter kent. De bebouwing staat over de gehele lengte van het lint op de kop van de kavel met de ontsluiting aan de weg. Daarnaast zijn er grootschalige complexen die veelal teruggelegen zijn gesitueerd ten opzichte van de weg. Aan de oostzijde van de Hartenlustlaan is er sprake van meer vrijstaande bebouwing op grote groene kavels. Aan de Verlengde Koepellaan, de Genestetweg en de Rustenburgherweg staat zeer karakteristieke aaneengesloten bebouwing. De bebouwing bestaat meestal uit twee tot drie bouwlagen met een kap die meestal met de kopgevel op de weg is gesitueerd. Van oorsprong kennen deze individuele panden een verticale gevelgeleding, met smalle staande raamopeningen. De detaillering en ornamentiek komen voornamelijk tot uiting in het gebruik van rol-/speklagen, gootlijsten en gevelornamenten. De panden zijn opgebouwd in baksteen en pannendaken in aardkleuren of wit geschilderd. De architectuurstijlen en -kenmerken kennen een rijke diversiteit met stijlkenmerken van begin 20ste eeuwse Neoclassicisme, Overgangsarchitectuur, Amsterdamse School en Traditionalisme. De diversiteit van de grotendeels historische bebouwing is vrij groot, waardoor een afwisselend beeld ontstaat. Het beeld wordt bepaald door het vele gebruik van verschillende reclamemiddelen. Behalve veel reclameborden op straat worden verticaal gelede gevels vaak doorbroken door brede horizontale reclamemiddelen, boeiboorden en luifels over de gehele gevel breedte. In combinatie met het verbreden van de ramen op de begane grond is dit een sterke aantasting van de overwegend verticale gevelgeleding. Reclames loodrecht op de gevel komen ook veelvuldig voor, waarbij de reclameborden in verschillende hoogtes tegen de gevels zijn geplaatst. De openbare ruimte wordt gedomineerd door de verkeersfunctie en de (sfeer)verlichting/reclameborden over de weg. Het profiel kent een relatief eenvoudige indeling, bestaande uit een rijbaan en aan weerzijden parkeerstroken en relatief smalle trottoirs. De historisch ogende verlichting versterkt het profiel in lengterichting. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling De Bloemendaalse weg biedt een terugblik in de historie van alle opeenvolgende tijdsbeelden van de kern en is onderhevig aan een sterke dynamiek. Afwisseling, plaatsing op de kavel, kleinschalige parcellering, gevelgeleding en detaillering zijn de belangrijkste beeldbepalende factoren. Enkele historische panden zijn bijzonder goed geconserveerd, wat heeft geresulteerd in opname zowel op de gemeentelijke lijst van waardevolle panden als op de Rijksmonumentenlijst. Andere historische panden zijn daarentegen door aanpassing van de gevel aan de winkelfunctie, reclamematerialen, geveldoorbrekingen en rolluiken sterk aangetast in hun waarde. Welstandsregime Het gebied is benoemd tot bijzonder welstandsgebied. Welstandstoezicht is hier gericht op aandacht voor gevelwijzigingen, gevelreclame en bouwwerken aan voorzijde. Belangrijk daarbij is het voorkomen van aantasting van de verticale geleding van gevels en extra aandacht voor wat betreft maatvoering en materialisering van gevelreclames en rolluiken. Waar mogelijk kan de historische kwaliteit worden aangevuld met eigentijdse vormgeving en architectuur passend binnen de bestaande context. Dat betekent dat de schaal en het ontwerp van nieuwbouw moeten worden aangepast aan de historische structuur, gevelgeleding en verkaveling waarin deze gelegen is. Het hoeft niet noodzakelijk een exacte kopie van de al aanwezige architectuur te zijn. Welstandscriteria Ligging in de omgeving Behouden en herstellen van het diverse ruimtelijk karakter van de bebouwing als geheel, herhaling voorkomen. Aansluiten op het ritme, ontsluiting, materialisering en kleinschalige gevelparcellering van de bestaande bebouwing. De bebouwing dient met de voorgevel min of meer haaks georiënteerd te zijn op de hoofdweg. Het hoofdgebouw staat daarbij op de kop van de kavel. Kleinschalige verspringing van voorgevelrooilijn en goothoogte van bebouwing onderling binnen de bestaande uitersten van de belendende percelen is mogelijk. Massa en vorm van het gebouw Oorspronkelijke verticale gevelindelingen behouden en waar mogelijk herstellen. Samenvoeging van bestaande panden op de begane grond ten behoeve van winkelvergroting is alleen toelaatbaar indien de individualiteit van elk pand wordt gerespecteerd. Accentuering in bouwhoogte van hoekbebouwing is alleen mogelijk indien dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt beargumenteerd kan worden. In het algemeen zijn een (samengesteld) zadeldak, schilddak of mansardekap met de nokrichting haaks op de weg meest wenselijk. De gevel wordt bij voorkeur beëindigd met een stevige lijst. Aan de verschijningsvorm van de voorgevel worden hoge eisen gesteld. Zowel vanuit de context als vanuit het gebouw op zichzelf. Bij vrijstaande, naar voren springende of bij hoekbebouwing tevens aandacht voor de verschijningsvorm van de zijgevels. Met name zijramen leveren een belangrijke bijdrage aan de verlevendiging van zijgevels. Detaillering van het gebouw Dichte gevels (muren) op voetgangersniveau moeten worden voorkomen, evenals het volledig uitvoeren als pui van de begane grond, waardoor de bovengevel als het ware gaat zweven. In de pui- of gevelstructuur aansluiting zoeken bij ritmiek van de bovengevel. Geen toepassing van kleuren die sterk contrasteren met de omliggende bebouwing. Kleuren van dakpannen en metselwerk op elkaar afstemmen. Bijzondere aandacht voor de entree en eventuele symmetrie van het pand is wenselijk, met uitzondering van hoekpunten. Vormgeving van het dak afstemmen op de bestaande bebouwde omgeving of de stijl van het betreffende pand. Bij voorkeur baksteen in aardkleuren en kozijnen in verschillende tinten wit geschilderd (bij voorkeur géén kunststoftoepassingen), en dakbedekking in dakpannen. In de detaillering is een interpretatie van of reactie op de specifieke historische ornamentiek (hardstenen toevoegingen, plinten, banden en speklagen) wenselijk. Voor toetsing van veel voorkomende kleine bouwwerken wordt verwezen naar paragraaf 3.5 sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen. Aanvullende criteria voor reclame-uitingen In het algemeen mogen reclames aan gevels niet hoger worden aangebracht dan de onderzijde van de raamdorpels van de eerste verdieping. Reclame-uitingen aan de voorgevel voldoen in ieder geval aan redelijke eisen van welstand indien: reclame-uiting evenwijdig aan de gevel aangebracht maximaal 0.40 m hoog en niet breder dan 60% van de gevelbreedte is; reclame-uiting haaks op de gevel aangebracht maximaal 0.80 m hoog en 0.80 m breed is; reclame-uiting niet bestaat uit mechanisch bewegende delen; geen lichtcouranten of lichtreclame met veranderlijk of intermitterend licht zijn toegepast; geen daglichtreflecterende reclame is toegepast; geen dakreclame is toegepast; het geen reclame-uitingen betreft voor diensten of producten, die niet in het pand plaatsvinden respectievelijk worden verkocht; reclame-uitingen niet zijn aangebracht op bouwlagen met een woonbestemming of bouwlagen met een bedrijfsbestemming zonder publieksfunctie; reclame-uitingen niet het uitzicht op de openbare ruimte ernstig belemmeren; rolluiken aan de buitenzijde van de gevel zijn niet toegestaan; rolluiken aan de binnenzijde dienen minimaal 75% open/transparant te zijn. 3 CENTRUM OVERVEEN Gebiedsbeschrijving Het centrum van Overveen is gelegen aan weerszijden van de Bloemendaalseweg, welke de doorgaande route naar Bloemendaal vormt en wordt doorkruist door de spoorlijn. Het gedeelte ten noorden van het spoor heeft een besloten steenachtig karakter en wordt begeleid door vrijwel gesloten gevelwanden. Het noordelijk deel van het centrum Overveen wordt gekenmerkt door vrijstaande villa-achtige bebouwing in een groene setting. Het gedeelte ten zuiden van de spoorlijn heeft een opener landelijker karakter met aan de westzijde sporadische vrijstaande bebouwing omgeven door groen en aan de oostzijde een gesloten teruggelegen gevelwand waarbij er ter hoogte van de kruising met de Zijlweg sprake is van pleinvorming. Verder naar het zuiden staan aan de oostzijde van de Korte Zijlweg een aantal vrijstaande bebouwingselementen zoals de kerk. De Zijlweg is een smalle straat met aan weerszijden gesloten gevelwanden. In de gebieden direct ten noorden van het spoor en rondom de kruising met de Zijlweg overheersen detailhandel en horeca functies. Het straatbeeld wordt hier gekenmerkt door toevoegingen aan gevels in de vorm van reclame-toepassingen en uitstallingen. De openbare ruimte is gericht op doorgaand verkeer en sober ingericht met geasfalteerde en beklinkerde rijbanen begeleid door parkeerstroken en trottoirs. Het pleintje ter hoogte van de kruising met de Zijlweg is ingericht met een overwegende parkeerfunctie. De gevelwanden langs de Zijlweg en het gebied direct ten noorden van de spoorlijn kenmerken zich door hun gesloten karakter van 2 of 3 bouwlagen en een kap. In de opbouw van de gevelwanden zijn door het verschil in vormgeving, nok en goothoogte, gevelbreedte, kapvorm, kaprichting en kleur- en materiaalgebruik individuele gevels duidelijk herkenbaar. Hierdoor is er sprake van een sterke verticale geleding in de gevelwanden. Een overdaad aan reclame-toepassingen aan de gevels heeft een negatieve invloed op het beeld. De gebouwen van Albert Heijn en het voormalige postkantoor zijn door hun specifieke architectuur twee opvallende bebouwingselementen in het centrum van Overveen. De openbare ruimte van het centrum van Overveen is voor een deel zo ingericht dat de verkeersfunctie aan importantie afneemt en de openbare ruimte meer als verblijfsgebied is ingericht. Ter hoogte van het pleintje is de samenhang in het gevelbeeld veel groter. Er is sprake van een samenhangende gesloten gevelwand opgebouwd uit twee bouwlagen van gele bakstenen en een forse evenwijdig kap van donkere dakpannen. Een sterke ritmering overheerst de gevel en het dakvlak met kleine dakkapellen op het dakvlak en grote ramen op de verdieping. De ritmering op de begane grond wordt verstoord door afwijkende winkelpuien, zonweringen en reclame-toepassingen aan de gevel. De witte kozijnen, fraaie gootlijsten en schoorstenen zorgen voor een verzorgde detaillering in het gevelbeeld. Het pand op de kop van de Zijlweg is een markant en duidelijk herkenbaar bebouwingselement. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het centrum Overveen is een gebied met een tweeledig karakter. Naast gedifferentieerde gesloten gevelwanden met veelal detailhandelfuncties komen vrijstaande bebouwingselementen omgeven door groen voor. Het is van belang de centrumfunctie van het gebied te versterken. Hierbij is het terugdringen van de invloed van reclame-toepassingen op het gevarieerde gevelbeeld van belang. Tevens zijn er vergaande plannen voor de ontwikkeling van het terrein van het voormalig marinehospitaal. Welstandsregime Het gebied is benoemd tot bijzonder welstandsgebied. Welstandstoezicht is hier gericht op aandacht voor gevelwijzigingen, reclame-toepassingen en bouwwerken aan de voorzijde. Belangrijk daarbij is het voorkomen van aantasting van of het herstellen van de oorspronkelijke vormgeving van (historische) gevels en extra aandacht voor wat betreft maatvoering en materialisering van gevelreclames en rolluiken. Waar mogelijk kan de historische kwaliteit worden aangevuld met eigentijdse vormgeving en architectuur passend binnen de bestaande context. Welstandscriteria Ligging in de omgeving Zoveel mogelijk behouden van tweeledig karakter van het gebied met gesloten gevelwanden ten opzichte van vrijstaande bebouwing omgeven door groen. Gedifferentieerde karakter van gevelwanden zoveel mogelijk behouden door de oorspronkelijke individuele vormgeving van de gevels en daken te respecteren. De samenhang in de gevelwand ter hoogte van de kruising met de Zijlweg herstellen middels eenheid in vormgeving van winkelpuien met afstemming op het gevelbeeld als geheel. Massa en vorm van het gebouw Oorspronkelijke gevelindelingen zoveel mogelijk behouden en waar mogelijk herstellen. Bij samenvoegen van bestaande panden op de begane grond ten behoeve van winkelvergroting bij voorkeur de individualiteit van elk pand respecteren. In het algemeen zijn een (samengesteld) zadeldak, schilddak of mansardekap het meest wenselijk. De nokrichting is hierbij van ondergeschikt belang. Accentuering in bouwhoogte van hoekbebouwing is alleen mogelijk indien dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt beargumenteerd kan worden. Aan de verschijningsvorm van de voorgevel worden hoge eisen gesteld. Zowel vanuit de context als vanuit het gebouw op zichzelf. Bij vrijstaande of naar voren springende bebouwing tevens aandacht voor de verschijningsvorm van de zijgevels. Met name zijramen leveren een belangrijke bijdrage aan de verlevendiging van zijgevels. Detaillering van het gebouw Dichte gevels (muren) op voetgangersniveau moeten zoveel mogelijk worden voorkomen, evenals het volledig uitvoeren als pui van de begane grond, waardoor de bovengevel als het ware gaat zweven. In de pui- of gevelstructuur aansluiting zoeken bij ritmiek en materiaal- en kleurgebruik van de bovengevel. Zoveel mogelijk behouden van gevelbepalende ornamenten en daklijsten. zoveel mogelijk tegengaan van het gebruik van sterk contrasterende kleuren met de omgeving. Bij voorkeur baksteen in aardkleuren en kozijnen in verschillende tinten wit geschilderd (bij voorkeur géén kunststoftoepassingen), en dakbedekking in dakpannen. Voor toetsing van veel voorkomende kleine bouwwerken wordt verwezen naar paragraaf 3.5 sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen. Aanvullende criteria voor reclame-uitingen In het algemeen mogen reclames aan gevels niet hoger worden aangebracht dan de onderzijde van de raamdorpels van de eerste verdieping. Reclame-uitingen aan de voorgevel voldoen in ieder geval aan redelijke eisen van welstand indien: reclame-uiting evenwijdig aan de gevel aangebracht maximaal 0.40 m hoog en niet breder dan 60% van de gevelbreedte is. reclame-uiting haaks op de gevel aangebracht maximaal 0.80 m hoog en 0.80 m breed is. reclame-uiting niet bestaat uit mechanisch bewegende delen. geen lichtcouranten of lichtreclame met veranderlijk of intermitterend licht zijn toegepast. geen daglichtreflecterende reclame is toegepast; geen dakreclame is toegepast; het geen reclame-uitingen betreft voor diensten of producten, die niet in het pand plaatsvinden respectievelijk worden verkocht; reclame-uitingen niet zijn aangebracht op bouwlagen met een woonbestemming of bouwlagen met een bedrijfsbestemming zonder publieksfunctie; reclame-uitingen niet het uitzicht op de openbare ruimte ernstig belemmeren. rolluiken aan de buitenzijde van de gevel zijn niet toegestaan; rolluiken aan de binnenzijde dienen minimaal 75% open/transparant te zijn. 4CENTRUM BENNEBROEK Gebiedsbeschrijving Het centrum van Bennebroek bestaat uit de historische lintbebouwing langs de Reek/hoek Binnenweg, het deel van de Rijksstraatweg gelegen tussen de Zwarteweg, en de Bennebroekervaart en de bebouwing langs de Bennebroekerlaan gelegen tussen de Duinlaan en de Schoollaan. Bennebroek is oorspronkelijk gegroeid als een lintdorp langs de Binnenweg-Schoollaan. In de middeleeuwen ontstond een soort assenkruis met de Bennebroekervaart. De oudste 17e eeuwse bebouwing ligt langs de Reek, aan de noordzijde van de Bennebroekervaart. Later werd ook aan de zuidzijde van de Bennebroekervaart gebouwd. Dit gebeurde vooral op het zand, in westelijke richting. De Rijksstraatweg (N208) kent een breed straatprofiel, bestaande uit een geasfalteerde rijbaan welke aan weerszijden begeleid wordt door een rode fietssuggestiestrook en trottoir van betontegels. De Bennebroekerlaan kent eveneens een breed straatprofiel, bestaande uit een geasfalteerde rijbaan met aan één zijde begeleid door een parkeerstrook en een breed trottoir van betontegels en aan één zijde een smal trottoir met daarop bomen. De weg krijgt hierdoor een uitstraling welke is te vergelijken met die van een laan. De Reek bestaat uit klinkers met een enigszins historische uitstraling met in de berm/talud van de Bennebroekervaart een rij monumentale lijlinden. Kenmerkend voor de straatwanden in dit gebied is, dat de bebouwing is georiënteerd op de straten. Langs de openbare weg staat een vrijwel aaneengesloten straatwand, die bestaat uit een lange rij individuele huizen en winkels (waaronder dienstverlening). De meeste hiervan hebben een historische vormgeving met staande vensters en een traditionele detaillering in baksteen en hout met pannen op de daken. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Doel van het beleid is het beschermen en handhaven van de besloten ruimtelijke structuur van de gevelwanden. Inzet van het bestemmingsplan is behoud van de cultuurhistorische aspecten en het kleinschalig karakter. Het beschermen van deze kwaliteiten is basis voor de ruimtelijke ontwikkeling, maar dient niet te leiden tot bevriezing van de bestaande toestand (waarbij wel extra aandacht dient te worden geschonken aan veranderingen in de verschijningsvorm van de beeldbepalende panden genoemd in het bestemmingsplan). De te verwachten dynamiek bestaat uit uitbreiden van woonhuizen, functiewijziging van winkelpanden voor andere commerciële doeleinden. Ook zullen er aanvragen worden gedaan voor het plaatsen van bijgebouwen op het achtererf. Welstandsregime Het gebied is benoemd tot bijzonder welstandsgebied. Het welstandsbeleid is er op gericht de bestaande cultuurhistorische waarden te behouden en extra aandacht te besteden aan eventuele nieuwe ontwikkelingen. Welstandscriteria Ligging in de omgeving Zoveel mogelijk de oorspronkelijke verticale gevelindelingen behouden. De rooilijn van de voorgevel van de hoofdmassa ligt parallel aan de weg. De rooilijnen hebben kleine verspringingen ten opzichte van elkaar. Het pand staat in de rooilijn, op het maaiveld en heeft een duidelijke voorzijde met entree. Massa en vorm van het gebouw De gebouwen zijn individueel en afwisselend. Per erf/kavel een hoofdmassa is qua maat en schaal aangepast aan de gebouwen rondom. Verschijningsvorm verschilt van het buurpand waardoor de individualiteit van het pand goed herkenbaar is. Gebouwen zijn voorzien van een kap (tenzij het bestemmingsplan anders aangeeft). De nok staat bij smalle percelen dwars op, en ligt bij bredere percelen, evenwijdig aan de weg. Vensters staan verticaal en overwegend op regelmatige afstand. Goothoogten, kapvormen en gevelbeëindigingen verschillen. Opbouwen en aanbouwen waaronder erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en toegevoegd. Detaillering van het gebouw Dichte gevels (muren) op voetgangersniveau moeten zoveel mogelijk worden voorkomen, evenals het volledig uitvoeren als pui van de begane grond, waardoor de bovengevel als het ware gaat zweven. In de pui- of gevelstructuur aansluiting zoeken bij ritmiek en materiaal- en kleurgebruik van de bovengevel. Zoveel mogelijk behouden van gevelbepalende ornamenten en daklijsten. zoveel mogelijk tegengaan van het gebruik van sterk contrasterende kleuren met de omgeving. Bij voorkeur baksteen in aardkleuren en kozijnen in verschillende tinten wit geschilderd (bij voorkeur géén kunststoftoepassingen), en dakbedekking in dakpannen. Reek: het afwisselen van baksteen in aardkleuren en wit geschilderde gevels komen afwisselend voor en is het meest wenselijk. Voor toetsing van veel voorkomende kleine bouwwerken wordt verwezen naar paragraaf 3.5 sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen. Aanvullende criteria voor reclame-uitingen In het algemeen mogen reclames aan gevels niet hoger worden aangebracht dan de onderzijde van de raamdorpels van de eerste verdieping. Reclame-uitingen aan de voorgevel voldoen in ieder geval aan redelijke eisen van welstand indien: reclame-uiting evenwijdig aan de gevel aangebracht maximaal 0.40 m hoog en niet breder dan 60% van de gevelbreedte is; reclame-uiting haaks op de gevel aangebracht maximaal 0.80 m hoog en 0.80 m breed is; reclame-uiting niet bestaat uit mechanisch bewegende delen; geen lichtcouranten of lichtreclame met veranderlijk of intermitterend licht zijn toegepast; geen daglichtreflecterende reclame is toegepast; geen dakreclame is toegepast; het geen reclame-uitingen betreft voor diensten of producten, die niet in het pand plaatsvinden respectievelijk worden verkocht; reclame-uitingen niet zijn aangebracht op bouwlagen met een woonbestemming of bouwlagen met een bedrijfsbestemming zonder publieksfunctie; reclame-uitingen niet het uitzicht op de openbare ruimte ernstig belemmeren; rolluiken aan de buitenzijde van de gevel zijn niet toegestaan; rolluiken aan de binnenzijde dienen minimaal 75% open/transparant te zijn. 5OUDE KERN BENNEBROEK Gebiedsomschrijving Tot de jaren vijftig lag dit complex als een landgoed in het open poldergebied bij Bennebroek. Door de groei van het dorp heeft de bebouwing geleidelijk het klooster omsloten. In het gebied bevinden zich een klooster met de kloostertuin, een vrij recente uitbreiding van het klooster in de vorm van een appartementengebouw, een school die door verschillende uitbreidingen als een olievlek steeds verder is gegroeid en tot slot de brandweerkazerne annex gemeentewerf. Het gevolg van deze ontwikkeling is dat de oude kern is ingesloten en als besloten, ontoegankelijke enclave in het dorp ligt. Voor het kloostercomplex is in 2009 is een bouwvergunning verleend voor het verbouwen van het klooster tot appartementengebouw met 22 appartementen, het bouwen van een half ondergrondse parkeergarage en een appartementengebouw met 22 appartementen. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid voor dit gebied is terughoudend. Binnen het gebied zijn een aantal gebouwen en terreinen met cultuurhistorische waarde. Aanvullend beleid Het gebied ligt centraal in Bennebroek. Aan het eind van de vorige eeuw is nabij de kern van het dorp een seminarie gebouwd dat vervolgens is uitgegroeid tot een klooster met een kerk, een pastoriewoning en twee begraafplaatsen. Voor dit gebied geldt geen aanvullend beleid. Wel wordt in de cultuurhistorische notitie aandacht besteed aan dit gebied. Zo wordt de kloostertuin bij het St. Luciaklooster beschouwd als een intieme oase en behoort dit klooster, samen met kerk, pastorie, begraafplaats en school tot een van de belangrijkste historische complexen binnen Bennebroek. Ook de villa Duinlust (Schoollaan) die herinnert aan een voormalige buitenplaats en aan de functie als woonhuis voor de rector van het St. Luciaklooster heeft bijzondere cultuurhistorische waarde. Het St. Luciaklooster kan beschouwd worden als een “nieuwe” buitenplaats. Welstandsregime Het gebied is benoemd tot bijzonder welstandsgebied. Het welstandsbeleid is er op gericht de bestaande cultuurhistorische waarden te behouden en extra aandacht te besteden aan eventuele nieuwe ontwikkelingen. Welstandscriteria Ligging in de omgeving De bebouwing is georiënteerd op de straat. Publieke en representatieve functies zijn gericht op de (belangrijkste) straat; Blinde straatwanden vermijden. Hoofdbebouwing staat aan de straatzijde, bijgebouwen hebben een ondergeschikte positie en liggen zo mogelijk terug. Minder aantrekkelijke functies worden zoveel mogelijk aan het oog onttrokken en in ieder geval niet aan de voorzijde gesitueerd. Massa en vorm van het gebouw De gebouwen zijn individueel en afwisselend. Aanbouwen staan herkenbaarheid van de hoofdmassa niet in de weg. Representatieve functies zijn ingezet als verbijzondering van de gevels. Detaillering van het gebouw Dichte gevels (muren) op voetgangersniveau moeten zoveel mogelijk worden voorkomen, evenals het volledig uitvoeren als pui van de begane grond, waardoor de bovengevel als het ware gaat zweven. In de pui- of gevelstructuur aansluiting zoeken bij ritmiek en materiaal- en kleurgebruik van de bovengevel. Zoveel mogelijk behouden van gevelbepalende ornamenten en daklijsten. zoveel mogelijk tegengaan van het gebruik van sterk contrasterende kleuren met de omgeving. Bij voorkeur baksteen in aardkleuren en kozijnen in verschillende tinten wit geschilderd (bij voorkeur géén kunststoftoepassingen), dakbedekking van dakpannen. Voor toetsing van veel voorkomende kleine bouwwerken wordt verwezen naar paragraaf 3.5 sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen. 6 CENTRUM VOGELENZANG Gebiedsbeschrijving Het centrum van Vogelenzang bestaat uit de Vogelenzangseweg, de Kerkweg met op de kop van de straat de kerk en begraafplaats en aan de oostkant de Graaf Florislaan. Oorspronkelijk lag de dorpskern van Vogelenzang langs de Graaf Florislaan. Dit is nog duidelijk herkenbaar aan de karakteristieke panden. De Vogelenzangseweg doorsnijdt de kern van noord naar zuid en dient als hoofdontsluiting voor de woongebieden van Vogelenzang. De Vogelenzangseweg kent een breed straatprofiel, bestaande uit een geasfalteerde rijbaan welke aan weerszijden begeleid wordt door een breed trottoir van betontegels met daarop hoge bomen. De weg krijgt hierdoor een uitstraling welke is te vergelijken met die van een laan. De geparkeerde auto’s op het trottoir laten een rommelig beeld achter. De Kerkweg bestaat uit klinkers, met aan weerszijden een trottoir van betontegels, met daarop enkele grote bomen. Vanaf de Vogelenzangseweg is er een zichtlijn naar de kerk. De Graaf Florislaan kent een eenvoudig en gebogen straatprofiel, bestaande uit een rijbaan van klinkers met aan weerszijden een gelijkvloers trottoir/parkeerstrook. De bebouwing langs de Vogelenzangseweg kent een divers karakter en bestaat zowel uit vrijstaande als geschakelde woningen in een wisselende rooilijn. De bebouwing bestaat uit één of twee bouwlagen met wisselende kapvorm- en richting en zijn voorzien van een voortuin. Kenmerkend voor de geschakelde woningblokken is de architectonische samenhang. De relatief kleine woningen bestaan uit één bouwlaag met evenwijdige kap afgewisseld door kopgevels. De bebouwing aan de zuidzijde van de Kerkweg bestaat uit moderne geschakelde eengezinswoningen direct grenzend aan de openbare ruimte. De woningen bestaan uit twee bouwlagen met evenwijdig zadeldak. Kenmerkend is dat de transparantie van de gevel terugkomt in de erkers en de dakkapellen. De geschakelde woningen aan de noordzijde zijn voorzien van een kleine voortuin. De bebouwing langs de Graaf Florislaan kent tevens een divers karakter. Naast vrijstaande bebouwing komen, met name in het zuidelijk deel ook geschakelde eengezinswoningen voor. De bebouwing wisselt onder andere in richting, (kap)vorm, goothoogte, kleurgebruik en detaillering. Door het gebogen verloop van de straat komen zijgevels veelvuldig in het zicht. In het noordelijk deel van de straat hebben sommige panden een winkelfunctie. Behalve de bebouwing in het noorden en aan de westrand zijn alle woningen voorzien van een voortuin. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het centrum van Vogelenzang wordt met name langs de Vogelenzangseweg en de Graaf Florislaan gekenmerkt door een gedifferentieerd bebouwingsbeeld. Het gebogen verloop van de straten met een groene uitstraling en de wisselende bebouwing in vorm, positionering en detaillering zorgen voor een levendig beeld. Het is van belang om dit beeld te behouden. Kenmerkend voor de relatief kleine geschakelde woningblokken langs de Vogelenzangseweg is de symmetrie en architectonische samenhang. Extra aandacht dient uit te gaan naar zijgevels die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte en naar reclame toepassingen. Welstandsregime Het gebied is benoemd tot bijzonder welstandsgebied. Welstandstoezicht dient zich vooral te richten op behoud van de gedifferentieerde uitstraling van het centrum van Vogelenzang. Belangrijk daarbij is het behoud van oorspronkelijke gevelbeelden welke zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. Welstandscriteria Ligging in de omgeving Behouden van het ruimtelijk karakter van de bebouwing als geheel met enerzijds een gedifferentieerd bebouwingsbeeld langs de Vogelenzangseweg en Graaf Florislaan en anderzijds de symmetrisch en architectonisch samenhangende geschakelde woningblokken. Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend. Verspringingen in rooilijn zijn gewenst binnen de bestaande uitersten van de belendende bebouwing. Voorkomen van gesloten wandwerking middels aaneengesloten gevels. Massa en vorm van het gebouw Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw is het van belang te streven naar zorgvuldige inpassingen tussen de bestaande bebouwing en dient het bouwwerk zich zoveel mogelijk te conformeren aan de bouwstijl en materialisering in de omgeving. (Vervangende) nieuwbouw dient voor wat betreft bouwmassa en bouwhoogte te passen binnen de bestaande bebouwingscontext. Vogelenzangseweg: kapvorm en nokrichting zijn van ondergeschikt belang, met uitzondering van de geschakelde bouwblokken waarbij een zadeldak of afgekapt schilddak evenwijdig aan de weg richtinggevend is. Kerkweg: evenwijdig zadeldak. Graaf Florislaan: Bebouwing in één bouwlaag met zadeldak of mansardedak, met wisselende noklijnen, is het meest wenselijk. De richting voor vrijstaande bebouwing is van ondergeschikt belang, geschakelde bouwblokken evenwijdig aan de weg. Detaillering van het gebouw Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw dient het bouwwerk zich zoveel mogelijk te conformeren aan de oorspronkelijke bouwstijl. Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw dienen de oorspronkelijke gevelopbouw en het oorspronkelijke materiaal – en kleurgebruik te worden gerespecteerd. Geen toepassing van kleuren die sterk contrasteren met de omliggende bebouwing. Afstemming op de belendende bebouwing. Bij voorkeur baksteen in aardkleuren en kozijnen in verschillende tinten wit geschilderd (bij voorkeur géén kunststoftoepassingen), en dakbedekking in dakpannen. Vogelenzangseweg: behouden van symmetrie en architectonische samenhang van geschakelde bebouwing. Baksteen in aardkleuren, dakbedekking van rode dakpannen is het meest wenselijk. Kerkpad: baksteen in aardkleuren, dakbedekking van rode dakpannen is het meest wenselijk. Graaf Florislaan: baksteen in aardkleuren en dakbedekking van donkere dakpannen is het meest wenselijk. Voor toetsing van veel voorkomende kleine bouwwerken wordt verwezen naar paragraaf 3.5 sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen. 7DENNENWEG EN KRULLENLAAN E.O. Gebiedsbeschrijving Het villagebied Dennenweg en de Krullenlaan e.o. is gelegen in de noordoostelijke punt van de gemeente Bloemendaal en wordt aan de westzijde begrensd door de Johan Verhulstweg/Krommelaan/ Dennenweg met aangrenzend het landgoed ‘Schapenduinen’, aan de oostzijde door de Kennemerweg en de grens met de gemeente Velsen, aan de zuidzijde door de Krullenlaan en aan de noordzijde door de Pinellaan. De Johan Verhulstweg loopt door het gehele deelgebied. De geasfalteerde rijbaan wordt aan weerszijden begeleid door een grindtrottoir met daaraan grenzend hoge groene erfafscheidingen hetgeen voor een besloten karakter zorgt. Daarnaast wordt het beeld sterk bepaald door particuliere en openbare groenvoorzieningen in de vorm van perkjes en grasveldjes. De bebouwing in het oostelijk deel bestaat voornamelijk uit geschakelde eengezinswoningen en vormen een vrij gesloten gevelwand. Symmetrie is een belangrijk item binnen deze bouwblokken. De geschakelde bebouwing langs de Alberdingk Thijmlaan en Schaepmanlaan bestaat uit één bouwlaag met evenwijdig zadeldak afgewisseld met kopgevels. De bebouwing langs de Schaepmanlaan kent een steilere dakhelling. De woningen zijn aan de openbare zijde voorzien van dakkapellen. Daarnaast staa

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.