Inhoud DEEL I, ALGEMEEN HOOFDSTUK 1, BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1.1 In deze verordening wordt verstaan onder: a. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van een waterschap in de provincie Drenthe; b. beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de Waterwet; c. boorput: met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering; d. buisleiding: buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van aardgasleiding bestemd voor het plaatselijke transport van en naar particulieren en bedrijven), olie of chemicaliën, alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën; e. Ctgb: het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; f. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van een waterschap in de provincie Drenthe; g. evaluatieverslag: het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming; h. gedeputeerde staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe; i. gewasbeschermingsmiddelen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; j. grond- of funderingswerken: een werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies; k. insteek van het oppervlaktewater: de insteek van het oppervlaktewater als bedoeld in het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij; l. nader onderzoek: het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wet bodembescherming; m. nazorgplan: het nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming n. peilbesluit: een besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de Waterwet; o. profiel van vrije ruimte: de ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering; p. projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet; q. regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet; r. regionale waterkering: een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de Waterwet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening; s. retourbemaling: het in een grondwaterlichaam brengen van onttrokken water, ter compensatie of vermindering van de gevolgen van het onttrekken van water; t. schadelijke stoffen: stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen; u. saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; v. waterbeheerder: het openbaar gezag, dat is belast met het oppervlaktewaterkwantiteits- en oppervlaktewaterkwaliteitsbeheer, zijnde de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa's, Reest en Wieden en Velt en Vecht en de provincie Drenthe, voor zover belast met het kwantiteitsbeheer van de bij haar in beheer zijnde kanalen; w. waterleidingmaatschappij: een bedrijf dat grond- of oppervlaktewater wint met het doel dit te gebruiken voor de bereiding van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening; x. waterschap: de waterschappen Hunze en Aa's, Noorderzijlvest, Reest en Wieden en Velt en Vecht; y. achtergrondwaarde, baggerspecie, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse wonen, kwaliteitsklasse A en werk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit. HOOFDSTUK 2, INSPRAAK Artikel 2.1 Bij wijzigingen van deze verordening wordt de Algemene Inspraakverordening Drenthe toegepast. DEEL II, RUIMTELIJKE ORDENING HOOFDSTUK 3, RUIMTELIJK OMGEVINGSBELEID Titel 3.1, Algemeen Paragraaf 3.1.1, Begripsbepalingen Artikel 3.1 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. agrarisch bedrijf: bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren; b. beschermingszones radioastronomie: zones rond de Dwingeloo radiotelescoop, de Westerbork Synthese radiotelescoop en het Centrale gebied van de LOFAR radiotelescoop ter voorkoming van elektromagnetische storing zoals deze staan aangegeven op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 12 (Overige aanduidingen) en zoals bepaald in paragraaf 4.3.1 van de Omgevingsvisie; c. bedrijvenregio: binnen Drenthe bestaan de regio's Groningen - Assen en de Drentse Zuidas; d. bedrijventerrein: cluster van aaneengesloten percelen met een minimumoppervlakte van ten minste 1 hectare bruto dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening, met uitzondering van terreinen voor agrarische doeleinden en terreinen voor afvalstort; e. beeldkwaliteitsplan: plan dat eisen en aanbevelingen bevat met betrekking tot inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot de karakteristieken en kwaliteiten van een gebied en met betrekking tot stedenbouwkundige en architectonische vorm, massa en (wegen)structuur van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, met het oogmerk de kwaliteit van die ruimtelijke ontwikkelingen te waarborgen alsmede de wijze waarop deze in hun omgeving worden ingepast en dat juridisch deel uitmaakt van het ruimtelijk plan waarop het betrekking heeft; f. bestaande bebouwing: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden op grond van een bouw- of omgevingsvergunning, met uitzondering van bebouwing die gebouwd is zonder bouw- of omgevingsvergunning en in strijd is met het op dat tijdstip geldende bestemmingsplan, wijzigingsplan of vrijstellingsbesluit ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van genoemde planvormen; g. bestaand gebruik: gebruik van grond en bebouwing dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestond, met uitzondering van gebruik dat op dat tijdstip in strijd was met het geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan; h. bestaand stedelijk gebied: het bestaand stedelijk gebied komt neer op het feitelijke stedelijk gebied, aangevuld met verleende bouwrechten in onherroepelijk geworden bestemmingsplannen en inpassingsplannen. Tot het stedelijk gebruik wordt gerekend woon- en bedrijfsbebouwing, waartoe ook gerekend worden openbare voorzieningen en verkeersinfrastructuur, van een stad, dorp of kern; i. complex van recreatiewoningen: een terrein of een plaats van enige omvang, al dan niet geheel of gedeeltelijk met gemeenschappelijke voorzieningen ingericht en blijkens die inrichting en juridische bestemming bedoeld om meerdere recreatiewoningen te plaatsen of geplaatst te houden en bedrijfsmatig te exploiteren; j. ecologische hoofdstructuur (EHS): een samenhangend netwerk van gebieden, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen; k. glastuinbouwbedrijf: een agrarisch bedrijf gericht op de teelt of veredeling van gewassen geheel of nagenoeg geheel met behulp van kassen; l. grondgebonden agrarisch bedrijf: agrarisch bedrijf waarvan de exploitatie geheel of grotendeels gebonden is aan aanwezige gronden; m. informatiewaarde: de betekenis van een kernkwaliteit als bron van kennis over het verleden; n. intensieve veehouderij: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en die gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkveehouderij en het biologisch houden van dieren conform de Landbouwkwaliteitswet; o. kantoor: inrichting voor de bedrijfsmatige uitoefening van administratieve diensten; p. kassen: gebouwen van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de teelt of veredeling van tuinbouwgewassen, fruitteelt of sierteelt; q. kernkwaliteiten: De mate waarvan in een concrete situatie sprake is van: 1° stilte en duisternis; 2° openheid van het landschap; 3° natuur binnen de EHS; 4° diversiteit en gaafheid van het landschap; 5° cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden; 6° sociale, externe en verkeersveiligheid; of 7° leefbaarheid, kleinschaligheid; alleen waar deze zijn aangeduid op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 2 (Kernkwaliteitenkaart); r. kernwaarde bedrijvigheid: de economische dynamiek binnen of in de directe omgeving van het plangebied voor zover deze zich vertaalt in een bijdrage aan de vitaliteit, waaronder mede begrepen de werkgelegenheid; s. landgoed: een landgoed is een landschappelijk ontwikkeld gebied met 1 wooneenheid, eventueel in combinatie met ondergeschikte functies, die het voornamelijk door architectonische verbintenis met een landgoedontwerp allure en uitstraling verkrijgt, waarbij geldt dat: 1° het landgoed minimaal 5 hectare nieuw bos bevat; 2° het landgoed past in het bosclusteringsgebied zoals aangegeven in de paragraaf 4.3.3 van de Omgevingsvisie; 3° het landgoed openbaar toegankelijk is; 4° het landgoed een ecologische, economische en esthetische eenheid vormt; en 5° het landgoed past in het aanwezige landschap en houdt rekening met de cultuurhistorie en bodemgesteldheid; t. landschappelijk inpassingsplan: juridisch bindend plan dat aangeeft op welke wijze inpassing van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt. Tot deze inpassing behoren situering van de opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap. Het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap. Een en ander uit zich in een ontwerpgerichte benadering waarin de karakteristieken en kwaliteiten verder worden versterkt; u. locatie voor kantoren: perceel of cluster van aaneengesloten percelen waarop gebouwen gerealiseerd dan wel te realiseren zijn met een minimale bruto vloeroppervlakte van 3.000 m2 uitsluitend of hoofdzakelijk voor kantoren en daarbij behorende voorzieningen; v. lokale werklocatie: een bedrijventerrein dat: 1° plaats biedt aan bedrijven met een lokale oriëntatie om reden van de sociale binding aan de kern en haar directe omgeving (veelal doordat de eigenaar daar in de buurt woonachtig
- is)vooral qua arbeidsmarkt en qua toelevering- en afnemersrelaties; 2° bedrijven huisvest die kleinschalig zijn; 3° plaats biedt aan bedrijfsbebouwing die qua kwaliteit, volume en kavelgrootte aansluiten bij de kwaliteit van de directe omgeving; 4° geen ruimte biedt voor significant milieubelastende activiteiten (maximaal categorie 3 volgens VNG-uitgave 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering'), waarbij geldt dat op basis van duidelijke gemotiveerd uitzonderingsbeleid de vestiging van categorie-4-bedrijven eventueel ook mogelijk is; w. maatschappelijk belang: een belang is maatschappelijk wanneer het educatief, sociaal-medisch, sociaaleconomisch, sociaal-cultureel, recreatief of levensbeschouwelijk van aard is, de duurzaamheid bevordert, dan wel gerelateerd is aan sport of aan openbare dienstverlening; x. multifunctionele gebieden: gebieden waar meerdere provinciale functies en ambities samenkomen en waarbij geen duidelijke hoofdfunctie valt te onderscheiden. Het gaat om combinaties van landbouw, natuur, water, recreatie en landschap; y. neventak: aan de agrarische hoofdactiviteit ondergeschikte activiteiten die niet rechtstreeks tot de bedrijfsvoering van die hoofdactiviteit behoren; z. omgevingsvisie: de Omgevingsvisie Drenthe, zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 2 juni 2010 en gepubliceerd op 11 augustus 2010, inclusief bijbehorend kaartmateriaal (waarvan de visiekaart op 7 juli 2010 door Provinciale Staten bij besluit 2010-441-1 met een aanpassing gewijzigd is vastgesteld); aa. permanente bewoning: gebruik van een recreatiewoning als feitelijk hoofdverblijf; bb. recreatiewoning: woning ten behoeve van tijdelijk recreatief verblijf; cc. regionale werklocatievisie: een werklocatievisie is regionaal wanneer deze tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio is afgestemd en minimaal de onderwerpen planningsbehoefte en fasering, de kwantitatieve verdeling, de herstructureringsopgave, mogelijkheden voor lokale en regionale segmentatie, en de inpassing van milieuhinderlijke bedrijven met betrekking tot de regionale werklocatie omvat; dd. regionale werklocatie: een bedrijventerrein of locatie voor kantoren die plaats biedt aan bedrijven met een bovenlokale oriëntatie, zowel qua arbeidsmarkt als qua toelevering- en afnemersrelaties, en die is gelegen in een van de twee stedelijke netwerken (Groningen-Assen of de Drentse Zuidas) dan wel het VAM/MERA-terrein te Wijster betreft; ee. robuust systeem: een systeem is robuust als een verstoring door een ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor het functioneren van het systeem als zodanig. Het gaat in Drenthe om stedelijke netwerken, watersysteem, landbouw en natuur, zoals globaal weergegeven op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 2 (Kernkwaliteitenkaart); ff. Rood-voor-groen regeling: regeling waarbij nieuwe bebouwing gekoppeld is aan een substantiële verbetering van in de directe omgeving daarvan aanwezige kwaliteiten van natuur, water of landschap of de recreatieve mogelijkheden van omgeving, waartoe mede het in de Omgevingsvisie (paragraaf 4.3.1) bepaalde voor landgoederen wordt gerekend; gg. ruimtelijk plan: bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, een besluit zoals genoemd in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een beheersverordening zoals bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, een beheersverordening zoals bedoeld in artikel 3.22 van de Wet ruimtelijke ordening of een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet; hh. Ruimte-voor-ruimte regeling: Regeling ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied door het verwijderen van landschapsontsierende agrarische bedrijfsgebouwen, die geen agrarische functie meer hebben en waarvoor ter compensatie van de sloop een woning mag worden gebouwd; ii. SER-ladder: een methode om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik bij het inpassen van ruimtebehoefte langs de volgende stappen: 1° gebruik de ruimte die al beschikbaar is gesteld voor een bepaalde functie of door herstructurering beschikbaar gemaakt kan worden; 2° maak optimaal gebruik van de mogelijkheden om door meervoudig ruimtegebruik de ruimteproductiviteit te verhogen; 3° indien het voorgaande onvoldoende soelaas biedt, is de optie van uitbreiding van het ruimtegebruik buiten bestaand stedelijk gebied aan de orde. Daarbij dienen de verschillende relevante waarden en belangen goed te worden afgewogen in een gebiedsgerichte aanpak. Door een zorgvuldige keuze van de locatie van de ruimtebehoevende functie en door investeringen in kwaliteitsverbetering van de omliggende groene ruimte moet worden verzekerd dat het meerdere ruimtegebruik de kwaliteit van natuur en landschap respecteert en waar mogelijk versterkt; jj. perifere detailhandel: winkelformules die onder andere vanwege hun omvang of aard veelal gevestigd zijn op werklocaties buiten bestaande winkelconcentraties in de stedelijke, dorps- of wijkwinkelcentra, zoals tuincentra, bouwmarkten en wooninrichtingszaken; kk. vrijkomende agrarische bebouwing: bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel dat door (gedeeltelijke) beëindiging van het agrarische bedrijf vrij komt voor invulling met een niet-agrarische functie, dan wel gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een voormalige overeenkomstige bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn geweest, maar inmiddels een niet-agrarische functie hebben; ll. weidewinkel: zelfstandige detailhandelverkoop buiten het bestaand stedelijk gebied; mm. werklocatie: bedrijventerrein of een locatie voor kantoren; nn. wezenlijke kenmerken en waarden: voor gebieden met een agrarische bestemming de aanwezige waarden en voor gebieden met een andere bestemming de aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, neergelegd in de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, de mate van stilte donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde; oo. windturbine: door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit; pp. woonregio: binnen Drenthe bestaan de woonregio's Noord-Drenthe (gemeenten Aa en Hunze, Assen, Noordenveld, Tynaarlo en Midden-Drenthe), Zuidoost-Drenthe (gemeenten Borger-Odoorn, Coevorden en Emmen) en Zuidwest-Drenthe (gemeenten Hoogeveen, De Wolden, Meppel en Westerveld); qq. regionale woonvisie: een regionaal beleidsdocument waarin - op basis van een gezamenlijke analyse - tussen alle gemeenten in een woonregio afstemming plaatsvindt over minimaal de onderwerpen demografie, ontwikkelingen op de woningmarkt, invulling van de ruimtevraag (bundelingsbeleid, zorgvuldig ruimtegebruik en de kernenstructuur), doelgroepenbenadering (kwalitatieve afstemming) en monitoring (uitvoering en effecten van de regionale woonvisie) omvat. Deze visie is basis voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen. Paragraaf 3.1.2, AFLO Artikel 3.2, Adviescommissie voor de Fysieke Leefomgeving Drenthe (AFLO) 1. Er is een Adviescommissie voor de Fysieke Leefomgeving (AFLO), hierna te noemen de commissie. 2. De commissie vervult de advies- en overlegtaken inzake het provinciaal beleid zoals bepaald in artikel 2.41 van de Wet milieubeheer en artikel 9.1 Wet ruimtelijke ordening. 3. De commissie wordt vooraf door het provinciebestuur gehoord over maatregelen, plannen en verordeningen die van betekenis zijn voor het provinciaal omgevingsbeleid. 4. De commissie is bevoegd het provinciebestuur uit eigen beweging van advies te dienen over algemene vraagstukken betreffende het provinciaal omgevingsbeleid. 5. De commissie stelt, onder goedkeuring van Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten, nadere regels aangaande de werkwijze van de commissie. Artikel 3.3, Samenstelling AFLO 1. In de commissie hebben zitting: a. 1 voorzitter; b. de Inspecteur, regio Noordoost van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu; c. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, directie gebiedsontwikkeling; d. de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat, Directie Noord-Nederland; e. de regiodirecteur Noord van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; f. het hoofd van de Regio Noord van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; g. de eerstaangewezen ingenieur-directeur van de Directie Noordoost-Nederland van het Ministerie van Defensie; h. het hoofd van de Regio Noord van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; i. 2 leden op voordracht van de Vereniging van Drentse Gemeenten; j. 2 leden op voordracht van de waterschappen Hunze en Aa's, Noorderzijlvest, Reest en Wieden en Velt en Vecht; k. 1 lid op voordracht van de LTO Noord; l. 1 lid op voordracht van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Drenthe; m. 1 lid op voordracht van de Natuur en Milieufederatie Drenthe; n. 1 lid op voordracht van de erkende particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties; o. 1 lid op voordracht van de NV Waterleidingmaatschappij Drenthe; p. 1 lid op voordracht van de recreatiesector; q. 1 lid op voordracht van de ANWB. 2. Leden van provinciale staten, leden van Gedeputeerde Staten, ambtenaren en arbeidscontractanten van de provincie Drenthe kunnen geen lid zijn van de commissie. 3. De leden van de commissie kunnen zich laten vervangen door een plaatsvervanger. Artikel 3.4, Benoemingen AFLO 1. Provinciale Staten benoemen op voordracht van Gedeputeerde Staten de voorzitter van de commissie voor een periode van 4 jaar. 2. De commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan. 3. De leden van de commissie, genoemd in artikel 3.3, eerste lid, onder b tot en met h, zijn ambtshalve lid van de commissie. 4. Provinciale Staten benoemen de leden van de commissie, genoemd in artikel 3.3, eerste lid, onder b, c, d en e en onder i, j en k. 5. Gedeputeerde Staten benoemen de leden van de commissie, genoemd in artikel 3.3, eerste lid, onder f, g en h en onder l, m, n, o, p en q. Artikel 3.5, Subcommissies AFLO 1. Provinciale Staten dan wel Gedeputeerde Staten kunnen voor de behandeling van bepaalde onderwerpen subcommissies instellen. 2. De commissie en de subcommissies kunnen zich doen bijstaan door deskundigen. 3. Gedeputeerde Staten voorzien in het secretariaat van de commissie en de subcommissies. Artikel 3.6, Openbaarheid vergaderingen AFLO 1. De vergaderingen van de commissie en de subcommissies zijn openbaar. 2. Een vergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen waarin de in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur genoemde belangen op de in dat artikel bedoelde wijze kunnen worden geschaad. Titel 3.2, Ruimtelijke Kwaliteit Paragraaf 3.2.1, Kernkwaliteiten Artikel 3.7 Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn: a. wordt in het ruimtelijk plan uiteengezet dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform de provinciale ontwikkelingsvisie zoals uiteengezet in de Omgevingsvisie en de uitwerkingen ervan; b. maakt het desbetreffende ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die deze kernkwaliteiten significant aantasten. Artikel 3.8 Artikel 3.7 is niet van toepassing voor zover de desbetreffende gemeente in een ruimtelijk plan: a. zorgvuldig onderbouwt dat behoud of ontwikkeling van kernkwaliteiten niet samengaat met behoud of ontwikkeling van de kernwaarde bedrijvigheid; b. tussen behoud of ontwikkeling van kernkwaliteiten en behoud of ontwikkeling van de kernwaarde bedrijvigheid een zorgvuldige afweging maakt; c. en voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk behouden blijft, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet; en d. in de onderbouwing van een ruimtelijke plan waarbij kernkwaliteiten zijn betrokken, worden de voor die kernkwaliteiten van toepassing zijnde sturingsniveaus betrokken, zoals wij die in de Omgevingsvisie en uitwerkingen hebben neergelegd. Artikel 3.9 Artikel 3.7 is niet van toepassing binnen gebieden die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 5 (Landbouw) als 'Robuuste landbouw' zijn aangeduid, voor zover de gemeente in een ruimtelijk plan zorgvuldig onderbouwt dat: a. de ontwikkeling van Robuuste landbouw, nieuwe intensieve veehouderij als gevolg van verplaatsing uitgezonderd, niet kan samengaan met de bij het plan betrokken kernkwaliteiten; en b. voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk behouden blijft, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet. Artikel 3.10 De in artikel 3.9 vervatte uitzondering voor intensieve veehouderijen geldt niet wanneer in hetzelfde ruimtelijk plan sprake is van het beëindigen dan wel het samenvoegen van een of meer bestaande intensieve veehouderijen welke is gekoppeld aan de uitbreiding van de desbetreffende bestaande intensieve veehouderij. Artikel 3.11 Artikel 3.7 is niet van toepassing voor zover de gemeente in het desbetreffende ruimtelijk plan aantoont dat het niet mogelijk is een of meerdere van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten in het plan met elkaar te verenigen op een manier die aan behoud en ontwikkeling van ieder van die kernkwaliteiten afzonderlijk ten goede komt, mits: a. de gemeente in het desbetreffende ruimtelijk plan tussen die kernkwaliteiten een zorgvuldige planologische afweging maakt; en b. voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk behouden blijft, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet. Artikel 3.12 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3.7 indien het niet mogelijk blijkt een ontwikkeling uit te voeren met behoud van bestaande kernkwaliteiten, indien: a. sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang; b. onderzoek heeft aangetoond dat er geen gelijkwaardige alternatieve locaties voorhanden zijn; c. de ontwikkeling landschappelijk goed wordt ingepast blijkens een landschappelijk inpassingsplan; d. het verlies aan kernkwaliteiten dusdanig gecompenseerd wordt, dat geen sprake is van een nettoverlies aan kernkwaliteiten; en e. voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk behouden blijft, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet. Artikel 3.13 Gedeputeerde Staten kunnen de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 2 (Kernkwaliteitenkaart) wijzigen: a. op grond van feitelijke informatie die nader inzicht verschaft in de waarden die op de kaart zijn vastgelegd en die tot een correctie van die kaart noopt; b. om de kaart aan te passen aan de feitelijke situatie die ontstaat doordat de onder artikel 3.8, 3.9 of 3.11 beschreven situatie zich voordoet op het moment dat het desbetreffende ruimtelijk plan onherroepelijk is geworden; of c. om de kaart aan te passen aan de feitelijke situatie die ontstaat doordat ontheffing op basis van artikel 3.12 is verleend en dat besluit onherroepelijk is geworden. Paragraaf 3.2.2, Milieu- en leefomgevingskwaliteit Artikel 3.14 Voor zover bij een ruimtelijk plan milieueffecten en externe veiligheidseffecten aan de orde zijn die gemeentegrenzen overschrijden of samenhangen met provinciale verantwoordelijkheden, wordt in dat ruimtelijk plan verantwoord op welke wijze deze aspecten in het ontwerpen en inrichten van de fysieke leefomgeving van het plangebied, vertaald zijn. Paragraaf 3.2.3, Zorgvuldig ruimtegebruik (SER-Ladder) Artikel 3.15 1. Een ruimtelijk plan kan slechts in ruimtevragende ontwikkelingen voorzien op het gebied van woon-werklocaties en infrastructuur indien uit het desbetreffende ruimtelijk plan blijkt dat dit op basis van de SER-ladder gerechtvaardigd is. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing, waaronder in ieder geval begrepen agrarische bebouwing, bebouwing voor natuurbeheer, voor waterbeheer, voor veiligheid en hulpdiensten de opsporing en winning van delfstoffen als aardgas en aardolie of voor de levering van gas, water of elektriciteit. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op ontwikkelingen die vallen onder een Rood-voor-groen dan wel Ruimte-voor-ruimte regeling. Titel 3.3, Bruisend Drenthe Paragraaf 3.3.1, Algemene bepalingen Artikel 3.16 Aanwijzing bestaand stedelijk gebied 1. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangewezen het gebied dat als zodanig staat aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart D1 (Bestaand stedelijk gebied). 2. Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing zoals is aangegeven op de in het eerste lid bedoelde kaart wijzigen wanneer via onherroepelijk geworden ruimtelijke plannen of een inpassingsplan nieuwe bebouwingsmogelijkheden zijn gecreëerd en voorts ter correctie van feitelijke onjuistheden. Artikel 3.17, Basisbepalingen Bruisend Drenthe 1. Op een ruimtelijk plan dat voorziet in ontwikkelingen zoals omschreven in deze Titel zijn de in Titel 3.2 van dit hoofdstuk opgenomen bepalingen rondom kernkwaliteiten, milieu- en leefomgevingkwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik onverminderd van toepassing. 2. In een ruimtelijk plan wordt uiteengezet: a. hoe de met het plan beoogde ontwikkelingen zich verhouden tot de kernwaarde bedrijvigheid; en b. hoe de met het plan beoogde ontwikkelingen passen binnen het ontwikkelingsperspectief - voor zover van provinciaal belang - dat in de Omgevingsvisie voor het desbetreffende gebied is neergelegd. Artikel 3.18, Robuuste systemen Een ruimtelijk plan waarop het in de Omgevingsvisie verwoorde beleid voor de robuuste systemen (sociaaleconomisch systeem, watersysteem, natuursysteem en landbouwsysteem) zoals globaal verbeeld op op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 1 (Visiekaart 2020), draagt bij aan ontwikkeling van de hoofdfunctie (wonen, werken, water, natuur of landbouw) in het desbetreffende robuuste systeem. Het bevat geen ontwikkelingen die de robuustheid van het systeem schaden. Artikel 3.19, Multifunctionele gebieden Een ruimtelijk plan dat voorziet in nieuwe ontwikkelingen in gebieden die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 1 (Visiekaart 2020) als 'Multifunctioneel' zijn aangeduid, veroorzaakt zo weinig mogelijk negatieve gevolgen voor de daar van oudsher bestaande en/of dominante functie. Paragraaf 3.3.2, Thematische bepalingen Artikel 3.20, Ondergrond 1. In een ruimtelijk plan waarin realisering van woningen, bedrijventerreinen en/of glastuinbouw zijn voorzien, wordt aangegeven hoe dat plan bijdraagt aan de provinciale beleidsdoelen voor Warmte- en Koude Opslag en geothermische energie. 2. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de opslag van afvalstoffen in de ondergrond, met uitzondering van de mogelijkheid tot de injectie van formatiewater uit gas- en oliewinning. 3. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de opslag van gevaarlijk en radioactief afval in de ondergrond. 4. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de injectie van CO2 in aquifers of met de injectie van CO2 in 'lege' gasvelden met als oogmerk permanente opslag voor zover die niet als zodanig aangegeven zijn op de bij de Structuurvisie ondergrond (Provinciale staten van Drenthe, 15 december 2010) behorende kaart 3 (Voorkeurskaart toekomstig gebruik Drentse (diepe) ondergrond).. 5. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die de winning van aardgas en aardolie aantoonbaar kunnen belemmeren. Artikel 3.21, Agrarische bedrijvigheid Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op locaties die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 1 (Visiekaart 2020) zijn aangeduid als landbouwgebieden, voorziet niet in ontwikkelingen die een structureel negatief effect op het functioneren van de agrarische sector in het gebied hebben.Randvoorwaarde blijft wel dat waar op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 9 (Oppervlaktewater) een locatie als 'Beekdal' is aangeduid, ruimte voor water behouden moet blijven, de waterhuishoudkundige inrichting niet mag leiden tot wateroverlast benedenstrooms en tot een vermindering van de grondwatervoorraad. Artikel 3.22 1. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 1 (Visiekaart 2020) als 'multifunctioneel gebied' is aangeduid, kent aan een grondgebonden agrarisch bedrijf een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare toe, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan in een ruimer bouwvlak voorzien, mits: - een dergelijke ontwikkeling landschappelijk acceptabel wordt ingepast blijkens een landschappelijk inpassingsplan; of - wanneer blijkens het desbetreffende ruimtelijk plan met de ontwikkeling een aantoonbaar ander provinciaal beleidsdoel is gediend. Artikel 3.23 1. Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwvestiging van intensieve veehouderijen, en evenmin in het omschakelen van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij. 2. Een ruimtelijk plan geeft een intensieve veehouderij een bouwvlak een omvang van maximaal 1,5 hectare, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan. 3. Een ruimtelijk plan kan het bouwvlak voor een intensieve veehouderij vergroten tot maximaal 2 hectare, mits dit samengaat met winst voor milieu/ dierenwelzijn en een dergelijke ontwikkeling landschappelijk acceptabel wordt ingepast blijkens een landschappelijk inpassingsplan. 4. Een ruimtelijk plan kan voorzien in verplaatsing van intensieve veehouderijen naar robuuste landbouwgebieden in het geval sprake is van sanering, samenvoeging of het oplossen van een knelpunt binnen Drenthe, waarbij geldt dat: a. het bouwvlak voor een intensieve veehouderij maximaal 1,5 hectare bedraagt, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan; b. het bouwvlak voor een intensieve veehouderij bij maatwerk en landschappelijke inpassing blijkens een landschappelijk inpassingsplan tot maximaal 2 hectare kan worden vergroot; c. de bedrijfsbebouwing uit 1 bouwlaag bestaat. 5. Een ruimtelijk plan, behalve voor de in de Omgevingsvisie benoemde glastuinbouwlocaties in de gemeente Emmen, voorziet niet in nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven. 6. Een ruimtelijk plan kan, onverminderd het gestelde in artikel 3.26, negende lid, alleen voorzien in alternatieve gebruiksmogelijkheden voor vrijkomende agrarische bebouwing als in dat ruimtelijk plan wordt aangetoond dat: a. de nieuwe activiteit aan de in de Omgevingsvisie aan het desbetreffende gebied toegekende hoofdfunctie niet schaadt; b. de nieuwe bedrijfsactiviteit niet milieubelastend van aard is; en c. de woonfunctie van de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing gehandhaafd blijft. 7. Een ruimtelijk plan voorziet slechts in realisering van vergistinginstallaties bij agrarische bedrijven wanneer uit het ruimtelijk plan blijkt dat die ontwikkeling zich positief verhoudt tot het 'Beleidskader Co-Vergisting'. Artikel 3.24, Ruimte-voor-ruimte regeling 1. Een ruimtelijk plan voor een gebied, niet gelegen binnen het Bestaand Stedelijk Gebied, voorziet in een Ruimte-voor-ruimte regeling als in dat gebied voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig is. 2. De Ruimte-voor-ruimte regeling wordt vormgegeven met inachtneming van het volgende: a. toepassing van de regeling is alleen mogelijk voor agrarische bedrijfsbebouwing die op 2 juni 2010 al aanwezig was; b. de randvoorwaarde dat de sloopnorm voor een compensatiewoning 750 m2 aan agrarisch bedrijfsbebouwing bedraagt; met een afwijkingsmarge van maximaal 5%; c. de mogelijkheid tot het samenvoegen van agrarische bebouwing op meerdere percelen (saldering) om te kunnen komen tot de sloopnorm van 750 m2; d. de randvoorwaarde dat saldering slechts recht geeft op de bouw van 1 compensatiewoning; e. randvoorwaarden voor inpassing, omvang, inhoud, uiterlijk van de compensatiewoning; f. de randvoorwaarde dat bouw van een compensatiewoning niet plaatsvindt in gebieden die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 1 (Visiekaart 2020) met de functie 'Natuur' en 'Beekdalen' zijn aangeduid, tenzij zich een situatie zoals verwoord in de artikelen 3.35, eerste lid of artikel 3.36, tweede lid, onder c, voordoet. Artikel 3.25, Woningbouw 1. Een ruimtelijk plan laat geen nieuwe woningbouw toe die buiten de afspraken vallen die de woonregio en de provincie hebben gemaakt over de woningbouwprogrammering en het gestelde in de woonvisie. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfswoningen, een tweede woning bij een agrarisch bedrijf, recreatiewoningen, het splitsten van boerderijen in twee of meer woningen en nieuwbouw die past binnen de kaders van de provinciale Rood-voor-groen dan wel deRuimte-voor-ruimte regeling. Artikel 3.26, Bedrijvigheid 1. Een ruimtelijk plan laat geen nieuwe regionale werklocaties of uitbreiding van een bestaande regionale werklocatie toe anders dan via een regionale werklocatievisie. 2. Een ruimtelijk plan dat niet betrekking heeft op het bestaand stedelijk gebied van de plaatsen Hoogeveen, Emmen, Meppel, Assen en Coevorden laat geen nieuwe lokale werklocaties toe en kan slechts voorzien in de uitbreiding van een lokale werklocatie wanneer het desbetreffende ruimtelijk plan vergezeld gaat van een beeldkwaliteitsplan en wanneer de locatie wordt bestemd voor kleinschalige en lokaal georiënteerde bedrijvigheid. 3. Een ruimtelijk plan voorziet niet in vestiging of significante uitbreiding van een solitair buiten bestaand stedelijk gebied gelegen regionaal georiënteerd bedrijf met uitzondering van agrarische bedrijven, bedrijven binnen de sector recreatie & toerisme en overige functioneel aan het buitengebied verbonden bedrijvigheid. 4. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het derde lid indien zwaarwegende argumenten dit rechtvaardigen en het bedrijf belangrijk is voor de lokale werkgelegenheid. 5. Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwe bedrijvigheid die volgens de VNG systematiek 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' zou vallen in de milieucategorieën 4, 5 en 6, tenzij op regionale werklocaties. 6. In afwijking van het vijfde lid kan een ruimtelijk plan voorzien in nieuwe bedrijvigheid die volgens de VNG systematiek 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' valt in de categorie 4 voor zover dit gebeurt via door de betreffende gemeente vastgesteld uitzonderingsbeleid. 7. Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwe locaties voor detailhandel, voor zover deze ten koste gaan van de bestaande detailhandelsstructuur in winkelcentra en binnensteden. 8. In afwijking van het zevende lid kan een ruimtelijk plan in perifere detailhandel op een werklocatie voorzien wanneer dit in de toelichting daarop wordt gemotiveerd vanuit een integrale visie op de (boven)lokale (of regionale) detailhandelsstructuur en het bepaalde in het zevende lid voldoende wordt gewaarborgd. 9. Een ruimtelijk plan voorziet niet in de mogelijkheid tot het realiseren van weidewinkels. 10. Een ruimtelijk plan dat voorziet in de ontwikkeling van een nieuwe werklocatie dient vergezeld te gaan van een beeldkwaliteitsplan dat juridisch is verbonden aan het desbetreffende ruimtelijke plan. Artikel 3.27, Mobiliteit Ruimtelijke plannen met woningbouwlocaties, voorzieningen, kantoren, dagrecreatieve voorzieningen of bedrijven, die verkeersbewegingen kunnen veroorzaken die van wezenlijke invloed zijn op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur, geven in de plantoelichting inzicht in: a. de afstemming tussen bereikbaarheidseisen van functies en ontsluitingskwaliteiten van locaties; b. de mogelijkheden van bestaande verkeers- en vervoersvoorzieningen om de extra mobiliteit veilig en adequaat op te vangen; c. het al of niet noodzakelijk zijn van nieuwe verkeers- en vervoersvoorzieningen; d. de effecten op het openbaar vervoer netwerk. Artikel 3.28, Verblijfsrecreatie 1. Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwe verblijfsrecreatie voor zover gelegen binnen de op de bij deze verordening behorende kaart "EHS Concretisering 2010" aangegeven begrenzingen of in gebied dat op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 5 (Landbouw) als robuuste landbouw is aangeduid. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan voorzien in nieuwe verblijfsrecreatie wanneer het gaat om ver-/uitplaatsing van bestaande bedrijven uit kwetsbare gebieden als het desbetreffende ruimtelijk plan voorziet in een locatie aan de rand van natuurgebieden en het denkmodel van de SER-ladder is toegepast. 3. Een ruimtelijk plan kent geen gebruiksbepalingen die permanente bewoning van recreatieverblijven toestaan. Artikel 3.29 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het gestelde in het derde lid van artikel 3.28 wanneer: a. is voldaan aan de voorwaarden die de VROM-Inspectie stelt in de brochure 'Onrechtmatige bewoning van recreatieverblijven; handreiking voor gemeenten'; b. de legalisatie betrekking heeft op complexen en niet op losse recreatieverblijven; c. het recreatiecomplex aansluit op bestaand stedelijk gebied; d. de legalisatie past binnen het woonplan van de desbetreffende gemeente; en e. de integratie met het naastgelegen bestaand stedelijk gebied blijkens het ruimtelijk plan een blijvende ruimtelijke kwaliteitsslag oplevert. Artikel 3.30, Windenergie 1. Een ruimtelijk plan voorziet, onverminderd het bepaalde in artikel 3.31, niet in de toepassing van windenergie anders dan via realisering van windturbineparken in gebieden die als 'Windenergie (zoekgebied)' zijn aangeduid op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 8a (Zoekgebied grootschalige windenergie) en waarbij wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het vermogen van een windturbine dient ten minste 3 MW te bedragen; b. windturbines dienen ten minste in een cluster van 5 te worden gerealiseerd; en c. in het ruimtelijk plan wordt aangetoond dat rekening is gehouden met laagvliegroutes en laagvlieggebieden. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan wanneer het gaat om kleine installaties voorzien in de toepassing van windenergie binnen en buiten de zoekgebieden als bedoeld in het eerste lid die niet voldoet aan de er onder a en b gestelde voorwaarden wanneer deze wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied en bovendien uit het desbetreffende ruimtelijk plan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die past bij de bestaande bebouwings- en/ of beplantingshoogte. Artikel 3.31, Radioastronomie 1. Een ruimtelijk plan, voor zover dat gebieden bestrijkt die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 12 (Overige aanduidingen) zijn aangeduid als 'Zonering radiotelescoop (binnenste ring, zone I)' en 'Zone I LOFAR', voorziet niet in nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden waarbij elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden. 2. Een ruimtelijk plan, voor zover dat gebieden bestrijkt die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 12 (Overige aanduidingen) zijn aangeduid als 'Zonering radiotelescoop (buitenste ring, zone II)' en 'Zone II LOFAR', laat geen bedrijfsvestiging, -uitbreiding, intensivering van verkeer en andere activiteiten toe waarbij elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden. Artikel 3.32, Nationaal Landschap Drentsche Aa Als Nationaal Landschap Drentsche Aa wordt aangewezen het gebied dat valt binnen de begrenzing Nationaal Landschap Drentsche Aa zoals dat staat aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart D2 (kaart Begrenzing Nationaal Landschap Drentsche Aa) met als voornaamste kenmerken: - een zeer kleinschalig laaglandbeek- en esdorpenlandschap; - met vrij meanderende beken; en - een samenhangend complex van essen, bossen, heides en moderne ontginningen. Deze kernkwaliteiten zijn uitgewerkt in de Landschapsvisie Drentsche Aa. Artikel 3.33 1. Een ruimtelijk plan dat (mede) betrekking heeft op gebied dat onderdeel uitmaakt van het Nationaal Landschap Drentsche Aa: a. voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen als is onderbouwd dat die bijdragen aan behoud en versterking van de kenmerken van het Nationaal Landschap Drentsche Aa conform het Uitvoeringsprogramma Nationaal Landschap Drentsche Aaen het Cultuurhistorisch Kompas; en b. voorziet in elk geval niet in ontwikkelingen die leiden tot realisering van grootschalige stads- of dorpsontwikkeling dan wel tot realisering van grootschalige werklocaties of infrastructuur. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan toch in nieuwe ontwikkelingen voorzien wanneer in het desbetreffende ruimtelijk plan wordt aangetoond dat: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële andere mogelijkheden zijn; c. de nadelige effecten op het behoud of de versterking van de kenmerken van het Nationaal Landschap Drentsche Aa waar mogelijk worden gemitigeerd en voor het overige worden gecompenseerd, waarbij: 1° de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de kenmerken; en 2° de compensatie plaatsvindt: - aansluitend aan of, als dat niet mogelijk is, nabij het aangetaste gebied; - door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied; of - op financiële wijze; en d. de aard van de effectbeperkende of compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied en de compensatie duurzaam zijn verzekerd. Artikel 3.34, Ecologische hoofdstructuur 1. Als ecologische hoofdstructuur wordt aangewezen de gebieden die als "Provinciale EHS actualisatie 2010" staan aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart D3 (EHS Concretisering 2010). 2. Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing zoals bedoeld in het eerste lid wijzigen: a. voor zover door een ecologische onderbouwing is vastgesteld dat de wijziging leidt: 1° tot een verbetering voor de samenhang in de ecologische hoofdstructuur óf tot een betere inpassing van de ecologische hoofdstructuur in de planologische omgeving; en 2° tenminste de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen van de ecologische hoofdstructuur in het desbetreffende gebied worden behouden. b. voor kleinschalige ontwikkelingen waarin het vermelde onder a niet voorziet, en voor zover: 1° de aantasting van de wezenlijke waarden en van de samenhang van de ecologische hoofdstructuur als gevolg van de ontwikkeling beperkt is; 2° de ecologische hoofdstructuur in het desbetreffende gebied kwantitatief of kwalitatief met de ontwikkeling versterkt wordt; 3° de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur als gevolg van de ontwikkeling niet afneemt; 4° deze zorgvuldig is onderbouwd, waarbij blijkens het ruimtelijk plan alternatieven zijn overwogen; en 5° de ontwikkeling landschappelijk en natuurlijk blijkens het ruimtelijk plan goed wordt ingepast. Artikel 3.35 1. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gebied dat deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur en een wijziging inhoudt ten opzichte van het daaraan voorafgaande ruimtelijk plan maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur significant aantasten. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maken indien: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële andere mogelijkheden zijn; c. uit het ruimtelijk plan blijkt dat en hoe negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en voor het overige worden gecompenseerd, waarbij: 1° de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke waarden en kenmerken; 2° de compensatie plaatsvindt: - aansluitend aan of, als dat niet mogelijk is, nabij de ecologische hoofdstructuur; - door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied; of - op financiële wijze;en d. het ruimtelijk plan inzicht biedt in de aard van de effectbeperkende of compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied en de wijze waarop die compensatie duurzaam is verzekerd. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan een ruimtelijk plan een activiteit of een combinatie van activiteiten mogelijk maken indien uit een in een provinciale of intergemeentelijke structuurvisie neergelegde gebiedsvisie blijkt dat die activiteit of combinatie van activiteiten mede tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van de ecologische hoofdstructuur per saldo te verbeteren, waarbij in samenhang met een of meer andere ruimtelijke plannen die eveneens behoren tot de desbetreffende structuurvisie: a. de kwaliteit van de ecologische hoofdstructuur verbetert, waarbij de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur niet afneemt; b. het areaal van de ecologische hoofdstructuur wordt vergroot, ter compensatie van het gebied dat door de ontwikkeling verloren gaat, indien daarmee een beter functionerende ecologische hoofdstructuur ontstaat; en c. in dat ruimtelijk plan verantwoord wordt waaruit de aard, wijze en het tijdstip van realisatie van de kwaliteits- of kwantiteitswinst bestaat. 4. Een ruimtelijk plan dat met toepassing van het tweede en derde lid tot stand komt, wordt niet vastgesteld dan nadat Gedeputeerde Staten hebben aangegeven gebruik te maken van hun bevoegdheid tot herbegrenzing van de ecologische hoofdstructuur. Artikel 3.36, Water 1. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gebieden die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 9 (Oppervlaktewater) zijn aangeduid als "Beekdal", voorziet voor de desbetreffende gebieden niet in nieuwe kapitaalintensieve functies. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan in nieuwe kapitaalintensieve functies voorzien wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is sprake van een zwaarwegende maatschappelijk belang; b. er zijn geen reële alternatieven; c. de functie vormt op die locatie geen feitelijke belemmering om in de toekomst de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem te vergroten; en d. het negatieve effect op het watersysteem wordt in het desbetreffende ruimtelijke plan gecompenseerd. 3. Een ruimtelijk plan dat gebied bestrijkt dat op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 9 (Oppervlaktewater) is aangeduid als "Bergingsgebied", strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. 4. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gebied dat een grondwaterwinningfunctie heeft, strekt mede tot bescherming van die functie als grondwaterwingebied. Titel 3.4, Tegemoetkoming in schade Artikel 3.37, Aanwijzing adviseur(
- s)1. Gedeputeerde Staten kunnen 1 of 3 adviseurs voor de voorbereiding van een besluit inzake toekenning van een tegemoetkoming in schade als bedoeld in afdeling 6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening aanwijzen. 2. Indien Gedeputeerde Staten 3 adviseurs aanwijzen, vormen deze 3 adviseurs een schadebeoordelingscommissie. In dat geval wijzen Gedeputeerde Staten eveneens de voorzitter van genoemde commissie aan. 3. De aan te wijzen adviseurs mogen niet uit anderen hoofde verbonden zijn met belangen van de provincie of van een andere belanghebbende. Gedeputeerde Staten waken tegen de schijn van belangenverstrengeling. 4. Aan te wijzen adviseurs zijn op grond van opleiding, kennis en ervaring gekwalificeerd om te adviseren over een besluit inzake de toekenning van een tegemoetkoming in schade. 5. Het voornemen tot de aanwijzing van de adviseur of de adviseurs wordt bekendgemaakt aan de aanvrager en aan andere belanghebbenden. Binnen 2 weken na de bekendmaking kunnen de aanvrager en de andere belanghebbenden hun zienswijzen schriftelijk aan Gedeputeerde Staten kenbaar maken. 6. Indien Gedeputeerde Staten na ontvangst van een zienswijze hun voornemen herzien, zijn de leden 2 tot en met 5 van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.38, Werkwijze bij één adviseur 1. De adviseur hoort de aanvrager, de eventueel betrokken bestuursorganen en in voorkomend geval de belanghebbende, bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, over de aanvraag. 2. De adviseur bepaalt de dag, tijd en plaats van de hoorzitting en bepaalt tevens de wijze waarop deze zal plaatsvinden. 3. De adviseur draagt er zorg voor dat van de hoorzitting een verslag wordt gemaakt. Het verslag maakt deel uit van het definitieve rapport met bevindingen en advies. 4. Alvorens de adviseur zijn advies uitbrengt, dient hij de aanvrager en in voorkomend geval de belanghebbende als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid van de Wet ruimtelijke ordening, gedurende 6 weken in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op het verslag van de hoorzitting en op het ontwerpadvies. 5. Gedeputeerde Staten voegen een afschrift van het advies bij hun besluit op de aanvraag. Artikel 3.39, Werkwijze schadebeoordelingscommissie Indien een aanvraag wordt voorgelegd aan een schadebeoordelingscommissie is het gestelde in artikel 3.38 van overeenkomstige toepassing. Titel 3.5, Slotbepalingen Artikel 3.40, Algemene bepalingen ontheffingen 1. Een ontheffing op grond van dit hoofdstuk uit deze verordening kan, behoudens het gestelde in het tweede lid, alleen worden afgegeven als een bepaling daarin expliciet voorziet en met inachtneming van het gestelde in dit artikel. 2. Een ontheffing op grond van dit hoofdstuk uit deze verordening kan worden afgegeven voor ruimtelijke plannen die voortvloeien uit en passen binnen afspraken of toezeggingen die Gedeputeerde Staten hebben gedaan in de periode tot 11 november 2010, dit voor zover een gemeente deze afspraken of toezeggingen schriftelijk aantoont. 3. Een ontheffing op grond van dit hoofdstuk uit deze verordening kan alleen worden aangevraagd door de gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente. 4. Een aanvraag voor een ontheffing bevat minimaal: a. een beschrijving van de activiteit waarvoor om een ontheffing wordt verzocht; b. een omschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd; c. een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden. 5. Bij beoordeling van een aanvraag om een beschikking wordt in elk geval rekening gehouden met de geldende provinciale structuurvisie(s). 6. Voorafgaand aan een besluit over de aanvraag wordt de AFLO in de gelegenheid gesteld er schriftelijk advies over uit te brengen. 7. Een ontheffing van een bepaling van deze verordening kan in het belang dat beschermd wordt door die bepaling onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing worden de voorschriften verbonden, die ter bescherming van dat belang nodig zijn. 8. Een ontheffing op grond van dit hoofdstuk wordt niet verleend indien door het stellen van beperkingen of voorschriften niet voldoende kan worden tegemoetgekomen aan het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd. 9. Een ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken indien binnen drie jaren na inwerkingtreding van het besluit waarbij de ontheffing is verleend, geen gebruik is gemaakt van de ontheffing. Artikel 3.41, Overgangsbepaling De bepalingen van dit hoofdstuk in deze verordening zijn niet van toepassing op bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht, vrijstellings- dan wel ontheffingsbevoegdheid zijn opgenomen in een ruimtelijk plan dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk als formeel ontwerp ter inzage heeft gelegen. Artikel 3.42, Aanpassingstermijn bestemmingsplan, beheersverordening In afwijking van artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening wordt het tijdstip waarop bestemmingsplannen en beheersverordeningen in overeenstemming met dit hoofdstuk moet zijn vastgesteld, gesteld op het tijdstip bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening. DEEL III, MILIEU HOOFDSTUK 5, WARMTE- EN KOUDEOPSLAG Artikel 5.1, Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. WKO-systeem: een bodemenergiesysteem dat kan bestaan uit een open dan wel een gesloten systeem; b. open systeem: een bodemenergiesysteem waarmee uitwisseling van warmte of koude met de bodem plaatsvindt door grondwater uit de bodem te onttrekken en weer daarin terug te brengen; c. gesloten systeem: een bodemenergiesysteem waarmee uitwisseling van warmte of koude met de bodem plaatsvindt, zonder daarbij grondwater te verplaatsen; d. zone I: een in de ondergrond liggende zone die ligt tussen het maaiveld en een diepte van 25 m beneden maaiveld; e. zone II: een in de ondergrond liggende zone die ligt tussen een diepte van 25 m beneden maaiveld en een diepte van 300 m beneden maaiveld; f. rood gebied: een verbodsgebied dat in deze verordening is aangewezen waar bodemenergie niet is toegestaan en als zodanig is aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten C1 (WKO restrictiegebieden zone 1) en C2 (WKO restrictiegebieden zone 2); g. oranje gebied: een restrictiegebied dat in deze verordening op de kaarten C1 (WKO restrictiegebieden zone 1) en C2 (WKO restrictiegebieden zone 2) is aangewezen en als oranje gebied met de aanduiding "WKO slechts beperkt toegestaan" op kaart staat aangegeven, waar in geval van strijdige belangen de bescherming van daarbij aangewezen belangen voorrang heeft op de toepassing van bodemenergie; h. groen gebied: een gebied dat niet is aangewezen als rood of oranje gebied; i. klein systeem: een WKO-systeem waarbij bij een open systeem de onttrokken hoeveelheid maximaal 10 m3 per uur bedraagt en bij gesloten systemen sprake is van een maximale capaciteit van 70 kW (thermisch); j. eco-scan: een onderzoek als bedoeld in de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet naar de mogelijk negatieve effecten op de flora en fauna van de geplande activiteit; k. archeologische toets: een (voor)onderzoek als bedoeld in de Wet op de Archelogische Monumentenzorg naar de gevolgen van een activiteit voor de mogelijke archeologische waarden in een gebied; l. WKO-masterplan: een plan waarin het gebruik van de ondergrond in een bepaald gebied ten aanzien van open en gesloten WKO-systemen zo optimaal mogelijk wordt geregeld. Artikel 5.2, Doelstellingen De toepassing van dit hoofdstuk is gericht op het zodanig reguleren en sturen van de aanleg van WKO-systemen dat hiermee een bijdrage wordt geleverd aan een duurzame energieopwekking. Tevens is het gericht op het stimuleren dat WKO op een zodanige wijze wordt aangelegd dat rekening wordt gehouden met de onderlinge relatie van deze WKO-systemen en andere (toekomstige) belangen die spelen in de ondergrond. Artikel 5.3, Open systemen 1. Het verbod als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet is niet van toepassing op het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem in een groen gebied waarbij de te onttrekken hoeveelheid ten hoogste 10 m3 per uur bedraagt en wordt voldaan aan hetgeen met betrekking tot deze onttrekking is opgenomen in Bijlage II van deze verordening. 2. Van de voorgenomen aanleg van een bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid doet de eigenaar van het perceel waarop het perceel wordt aangelegd 2 weken voor de start van de aanleg melding bij gedeputeerde staten Artikel 5.4, Gesloten systemen 1. Het is verboden om een gesloten WKO-systeem aan te leggen of te hebben. 2. Het is verboden om in zone II een gesloten WKO-systeem aan te leggen door middel van een methode waarbij het systeem in de bodem wordt gedrukt. 3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op de aanleg van een klein systeem in een groen gebied als wordt voldaan aan hetgeen met betrekking tot dit gesloten WKO-systeem is opgenomen in Bijlage II van deze verordening. 4. Van de voorgenomen aanleg van een gesloten WKO-systeem als bedoeld in het derde lid doet de eigenaar van het perceel waarop het perceel wordt aangelegd 2 weken voor de start van de aanleg melding bij gedeputeerde staten. 5. Het verbod genoemd in het eerste lid is niet van toepassing op gesloten WKO-systemen die aanwezig waren op het moment van inwerkingtreding van dit artikel. Artikel 5.5, Ontheffing gesloten systeem Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid. Artikel 5.6, Melding en ontheffing Voor het doen van een melding of het aanvragen van een ontheffing als bedoeld in dit hoofdstuk, wordt gebruikgemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier. Artikel 5.7, Aanvullende voorwaarden Bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet of een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 5.5, dat betrekking heeft op een WKO-systeem dat wordt aangelegd in een oranje gebied, gaat: a. in het geval dat er sprake is van een gebied dat is aangewezen op grond van de Habitat- of Vogelrichtlijn dan wel de Natuurbeschermingswet de aanvraag vergezeld van een eco-scan; b. in het geval dat er sprake is van een gebied dat is opgenomen op de door de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek vastgestelde Archeologische monumentenkaart de aanvraag vergezeld van een archeologische toets. Artikel 5.8, WKO-masterplan 1. De gemeente kan een WKO-masterplan vaststellen. 2. Het plan moet worden goedgekeurd door gedeputeerde staten. 3. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de inhoud van het WKO-masterplan. Artikel 5.9, Reikwijdte WKO-masterplan Indien de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet of een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 5.5 betrekking heeft op een WKO-systeem dat wordt aangelegd in een gebied waarop een WKO-masterplan van toepassing is, nemen Gedeputeerde Staten bij de verlening van de vergunning of ontheffing hetgeen hierover is opgenomen in dit plan in acht. Artikel 5.10, Voorschriften en beperkingen gesloten systemen 1. Aan een ontheffing als bedoeld in artikel 5.5 kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. De aan de ontheffing te verbinden voorschriften kunnen mede betrekking hebben op het na het staken van de vergunde handeling wegnemen, compenseren of beperken van de door de vergunde handeling of het staken van die handeling veroorzaakte nadelige gevolgen voor het watersysteem. 2. Gedragingen in strijd met de aan de ontheffing verbonden voorschriften zijn verboden. Artikel 5.11, Weigeringsgronden Een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet of een ontheffing als bedoeld in artikel 5.5, wordt geweigerd: a. voor zover de verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 5.2; b. indien uit de onderzoeken als bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, onder a of b, blijkt dat de realisatie van een WKO-systeem onacceptabele schade veroorzaakt aan de te beschermen waarden in dat gebied of in strijd is met de doelstellingen die ten grondslag liggen aan de belangen op grond waarvan het gebied of het object zijn bijzondere status heeft gekregen; c. indien het WKO-systeem effecten veroorzaakt in een rood gebied. Artikel 5.12, Wijziging 1. Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing als bedoeld in artikel 5.5 en de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen wijzigen of aanvullen. 2. Gedeputeerde Staten kunnen de ontheffing als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk intrekken, indien de ontheffing gedurende 3 achtereenvolgende jaren niet is gebruikt. 3. Gedeputeerde Staten trekken de ontheffing als bedoeld in het eerste lid of de vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet geheel of gedeeltelijk in: a. op aanvraag van de vergunninghouder; b. indien zich omstandigheden en feiten voordoen waardoor de handeling of handelingen waarvoor de ontheffing is verleend niet langer toelaatbaar worden geacht met het oog op het belang waarmee deze regeling is opgesteld. Artikel 5.13, Rechtsopvolging 1. De ontheffing geldt tevens voor de rechtsopvolgers van de vergunninghouder, tenzij dat bij de ontheffing anders is geregeld. 2. De rechtsopvolger van de ontheffing doet binnen 4 weken nadat de ontheffing voor hem is gaan gelden daarvan mededeling aan gedeputeerde staten. HOOFDSTUK 6, BODEMSANERING Titel 6.1, Landbodemsanering Artikel 6.1 1. De melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming, het rapport van het nader onderzoek, het saneringsplan, een melding van wijziging van het saneringsplan, het evaluatieverslag en het nazorgplan worden met de daarbij behorende stukken in vijfvoud bij Gedeputeerde Staten ingediend, waarbij gebruik wordt gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier. 2. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot gegevens die moeten worden vermeld bij de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming, in het rapport van het nader onderzoek, in het saneringsplan, bij een melding van wijziging van het saneringsplan, in het evaluatieverslag en in het nazorgplan. Artikel 6.2 Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk 13 weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan Gedeputeerde Staten aan. Artikel 6.3 Indien Gedeputeerde Staten opdracht geven om een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering uit te voeren, stellen zij ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep in, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. Artikel 6.4 1. De projectgroep als bedoeld in artikel 6.3 heeft tot taak Gedeputeerde Staten haar zienswijze te geven over de uitvoering van het in artikel 48 van de Wet bodembescherming bedoelde nader onderzoek en saneringsonderzoek, respectievelijk de in dat artikel bedoelde sanering. 2. Een projectgroep bestaat ten minste uit: a. een vertegenwoordiger van gedeputeerde staten; b. een vertegenwoordiger van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen het geval van verontreiniging is gelegen; c. voor zover mogelijk een vertegenwoordiger van de ingezetenen van de betrokken gemeente en van andere belanghebbenden bij de uitvoering van het nader onderzoek, het saneringsonderzoek of de sanering van dat geval. HOOFDSTUK 7, GEBIEDEN Titel 7.1, Aanwijzing gebieden Artikel 7.1 1. Als gebieden ter bijzondere bescherming van het grondwater met het oog op de winning van grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening worden aangewezen de gebieden die als gebieden ter bescherming van het grondwater zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart A. 2. Een gebied ter bescherming van het grondwater kan bestaan uit de volgende zones: a. waterwingebied b. grondwaterbeschermingsgebied c. verbodszone diepe boringen d. grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa 3. In de gebieden ter bescherming van het grondwater gelden de in titel 7.3 opgenomen regels voor zover dat voor de verschillende zones is aangegeven. Artikel 7.2 Als gebieden ter voorkoming of beperking van geluidhinder worden aangewezen de gebieden die als stiltegebieden zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart A. In deze gebieden gelden de in titel 7.4 opgenomen regels. Titel 7.2, Zorgplichtbepaling Artikel 7.3 1. Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een gebied dat in artikel 5.1.2 is aangewezen kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten - behoudens voor zover dat ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk uitdrukkelijk is toegestaan - dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 2. In geval van een verontreiniging of een direct dreigende verontreiniging van het grondwater behoort tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval dat degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten, terstond Gedeputeerde Staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf informeert. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing: a. voor zover artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1, eerste, tweede of derde lid, van de Wet milieubeheer of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is; b. met betrekking tot inrichtingen tenzij in deze verordening anders is bepaald. Titel 7.3, Grondwaterbescherming Paragraaf 7.3.1, Bevoegd gezag Artikel 7.3a (bevoegd gezag) Waar in titel 7.3 sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoeld: a. indien sprake is van een toestemming voor een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, van de Wet milieubeheer: het daartoe bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen bevoegde gezag; b. in alle andere gevallen: gedeputeerde staten. Paragraaf 7.3.2, Waterwingebieden Artikel 7.4a Waar in titel 7.3 sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoeld: a. indien sprake is van een toestemming voor een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, van de Wet milieubeheer: het daartoe bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen bevoegde gezag; b. in alle andere gevallen: Gedeputeerde Staten. Artikel 7.4 (inrichtingen) 1. Het is verboden in een waterwingebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien het in werking hebben van de inrichting noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening. Artikel 7.5 (activiteiten buiten inrichtingen) 1. Het is in waterwingebieden verboden: a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen; b. een constructie of werk van welke aard dan ook op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan; c. grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt; d. handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd; e. een lozing in de bodem uit te voeren. 2. Onder schadelijke stoffen worden in elk geval begrepen aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen, IBC-bouwstoffen, meststoffen als bedoeld in de Meststoffenwet en gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. 3. Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in elk geval begrepen boorputten, grond- en funderingswerken, wegen, parkeergelegenheden voor motorvoertuigen, kampeerterreinen, recreatiecentra, leidingen, installaties, opslagreservoirs, begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as. 4. Het in het eerste lid onder a, b en c gestelde verbod geldt niet voor: a. het oprichten en hebben van boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; b. het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding; c. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; d. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; e. het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; f. het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit; g. het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembescherming. 5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien de desbetreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening of als de activiteit of gedraging is opgenomen in een beheerplan als bedoeld in artikel 7.6. Artikel 7.6 (beheerplannen) 1. De waterleidingmaatschappij stelt, voor de bij haar in gebruik zijnde waterwingebieden, beheerplannen op waarin is aangegeven op welke wijze de waterwingebieden zijn of worden ingericht en beheert en op welke wijze de bodem en het grondwater worden beschermd met het oog op de waterwinning. In de beheerplannen kan worden aangegeven welke activiteiten en handelingen als bedoeld in artikel 7.5 in het voor dat gebied opgestelde beheerplan naar de mening van de waterleidingmaatschappij in dat gebied toegestaan zijn. 2. Het in het eerste lid bedoelde beheerplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten. Paragraaf 7.3.3, Grondwaterbeschermingsgebieden Artikel 7.7 (inrichtingen) Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een of meer van de categorieën die zijn aangewezen in bijlage I. Artikel 7.8 (boorputten en grond- of funderingswerken) 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben. Het verbod geldt niet voor: a. boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; b. het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet bodembescherming; of c. tijdelijke bronbemaling, mits de BRL SIKB 2101 Mechanisch boren in acht wordt genomen en voor de algemene kwaliteitseisen voor het uitvoerende boorbedrijf BRL SIKB 2100 in acht wordt genomen; en d. veedrinkputten die niet dieper gaan dan 10 meter beneden maaiveld. 2. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 3 m of meer onder het maaiveld. Het verbod geldt niet voor graafwerkzaamheden en het inbrengen van palen indien wordt voldaan aan de volgende algemene voorschriften: a. bij graafwerkzaamheden: indien grond wordt verwijderd, wordt het bodemprofiel aangevuld tot ten minste 3 m onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken; b. voor het inbrengen van palen: indien uitsluitend gebruikgemaakt wordt van: 1° grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; 2° in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken; of 3° schroefpalen. 3. Van het voornemen tot het oprichten van een boorput of het uitvoeren van grond- of funderingswerken, waarbij toepassing wordt gegeven aan de in het tweede lid bedoelde voorschriften, doet degene die de activiteit onderneemt een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 7.20 van toepassing. Artikel 7.9. (buisleidingen) Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een buisleiding te leggen, te hebben, te vervangen, te veranderen of te verleggen. Artikel 7.10 (gebouwen, wegen en andere verhardingen) 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om afstromend water van gebouwen en verhardingen op of in de bodem te lozen. Het verbod geldt niet voor oppervlakkige infiltraties: a. ten aanzien van gebouwen: indien geen bouwmaterialen worden gebruikt die tot gevolg hebben dat schadelijke stoffen door afspoelen of uitloging in het afstromend water kunnen komen en afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem; b. ten aanzien van wegen: indien het afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem. 2. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden afstromend water via diepinfiltratie in het grondwater te lozen. 3. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden parkeergelegenheid voor motorvoertuigen, anders dan voor privégebruik, aan te bieden indien het terrein niet is voorzien van een aaneengesloten verharding. 4. Van het voornemen tot het lozen van afstromend water op of in de bodem als bedoeld in het eerste lid, doet degene die de activiteit onderneemt een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 7.20 van toepassing. Artikel 7.11 (begraafplaatsen) Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een begraafplaats of uitstrooiveld, als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te hebben. Artikel 7.12 (gewasbeschermingsmiddelen) Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden buiten inrichtingen gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken indien: 1. in de voor die gewasbeschermingsmiddelen door de Ctgb afgegeven toelatingsbeschikking als wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen: "Het is verboden dit middel in grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodembescherming, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen, zoals grondboringen zijn verboden, te gebruiken"; 2. in de voor die gewasbeschermingsmiddelen door de Ctgb afgegeven toelatingsbeschikking als wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen dat het gebruik in bepaalde perioden, op bepaalde gronden of in bepaalde gewassen verboden is binnen grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodembescherming, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen zoals grondboringen zijn verboden, waar het gaat om toepassingen in die bepaalde perioden, op die bepaalde gronden of in die bepaalde gewassen. Artikel 7.13 (warmtetoevoeging en -onttrekking) Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd. Artikel 7.14 (IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie) 1. Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied IBC-bouwstof toe te passen. 2. Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied grond of baggerspecie toe te passen. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor de toepassing van grond of baggerspecie: a. op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie 1° de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel 2° de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is; b. in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie 1° de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel 2° de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is; c. bij toepassing in een omvang van meer dan 5.000 m3 indien wordt aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de desbetreffende drinkwaterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie 1° bij een toepassing op of in de bodem de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt; 2° bij een toepassing in oppervlaktewater de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt; d. voor zover het betreft baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen: op het aangrenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen. 4. Van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid, onder c, doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. De melding bevat de resultaten van locatiespecifiek onderzoek op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen. Ten aanzien van de melding is artikel 7.20 van toepassing. Paragraaf 7.3.4, Verbodszone diepe boringen Artikel 7.15 1. De artikelen 7.8, 7.10, tweede lid, en 7.13 zijn van toepassing in verbodszones diepe boringen, met dien verstande dat in die artikelen voor "grondwaterbeschermingsgebied" wordt gelezen: verbodszone diepe boringen. 2. De in het eerste lid van toepassing verklaarde verboden gelden niet indien de activiteiten of handelingen waarop deze verboden betrekking hebben niet dieper gaan dan de voor die zone geldende en op kaart A aangegeven maximale diepte. Paragraaf 7.3.5, Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa Artikel 7.16 Het is verboden om vanuit de op kaart A als grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa aangegeven waterlopen oppervlaktewater in te nemen bestemd voor het (rechtstreeks) vullen en spoelen van machines voor het verspuiten van gewasbeschermingsmiddelen. Artikel 7.17 1. Het is verboden om binnen een afstand van 4 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater van de waterlopen als bedoeld in artikel 7.16 gewasbeschermingsmiddelen toe te passen. 2. Het verbod in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op het gebruik van op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden toegelaten gewasbeschermingsmiddelen door middel van de pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring en jacobskruiskruid op gronden in gebruik als grasland, wegbermen, plantsoenranden en/of bermen langs spoorwegen, met uitzondering van: a. die gewasbeschermingsmiddelen waarbij in de voor die gewasbeschermingsmiddelen door de Ctgb afgegeven toelatingsbeschikking als wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen: "Het is verboden dit middel in grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodembescherming, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen zoals grondboringen zijn verboden, te gebruiken"; b. die gewasbeschermingsmiddelen waarbij in de voor die gewasbeschermingsmiddelen door de Ctgb afgegeven toelatingsbeschikking als wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen dat het gebruik in bepaalde perioden, op bepaalde gronden of in bepaalde gewassen verboden is binnen grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodembescherming, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen zoals grondboringen zijn verboden, waar het gaat om toepassingen in die bepaalde perioden, op die bepaalde gronden of in die bepaalde gewassen. Paragraaf 7.3.6, Aanduiding gebieden Artikel 7.18 1. De waterleidingmaatschappij dient de grondwaterbeschermingsgebieden en de waterwingebieden aan te duiden door middel van borden, waarvan het model door Gedeputeerde Staten is vastgesteld. 2. De borden met het opschrift "grondwaterbeschermingsgebied" respectievelijk "waterwingebied" dienen te worden geplaatst langs alle verharde en onverharde openbare wegen die de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk de waterwingebieden doorkruisen c.q. daaraan grenzen en wel bij de buitenste grens van de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk waterwingebieden. Paragraaf 7.3.7, Overige bepalingen Artikel 7.19 (relatienotagebied) Deze titel is niet van toepassing op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer. Artikel 7.20 (meldingen) 1. Indien in deze titel het doen van een melding is voorgeschreven, wordt in de melding aangegeven: a. de naam en het adres van degene die de melding doet; b. de dagtekening; c. een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft; d. een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden; e. op welke wijze aan de bodembeschermende voorschriften wordt voldaan. 2. De melding wordt gedaan aan het bevoegd gezag uiterlijk 9 weken voordat tot de handeling waarop de melding betrekking heeft, wordt overgaan. 3. Het bevoegd gezag staten bevestigt de ontvangst van de melding en sturen onverwijld een afschrift van de melding aan de waterleidingmaatschappij. De waterleidingmaatschappij geeft uiterlijk binnen 6 weken na de ontvangst van de melding schriftelijk zijn oordeel of op basis van die gegevens verwacht mag worden dat wordt voldaan aan de voorschriften, waarop de melding betrekking heeft. 4. De aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden waarop de melding betrekking heeft, wordt minimaal 2 weken van tevoren schriftelijk aan het bevoegd gezag gemeld. 5. Indien de voorgenomen toepassing niet binnen 6 maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde melding is aangevangen, dient opnieuw een melding te worden gedaan. Artikel 7.21 (ontheffingen) 1. Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit waarop een verbod betrekking heeft, noodzakelijk maakt, kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen van de in de artikelen 7.5, 7.8, 7.9 voor zover sprake is van transport van niet verontreinigd aardgas, 7.10 en 7.14 opgenomen verboden. Aan de ontheffing worden de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden. 2. De aanvrager vermeldt in de aanvraag om ontheffing het algemeen belang dat met de uitvoering van de activiteit is gediend. 3. Het bevoegd gezag stelt de inspecteur en de waterleidingmaatschappij in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om ontheffing. Artikel 7.22 (overgangsrecht) Het verbod genoemd in de artikelen 7.4, 7.7, 7.8, eerste en tweede lid, 7.9, 7.11 en 7.13 is niet van toepassing op een inrichting of een activiteit die is opgericht of al werd uitgevoerd voor de inwerkingtreding van die artikelen. Titel 7.4, Stilte Paragraaf 7.4.1, Begripsbepalingen Artikel 7.23 In deze titel wordt verstaan onder: a. een geluidsapparaat, toestel, motorvoertuig en bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder; b. openbare weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip "wegen", met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers en fietsers. Paragraaf 7.4.2, Verbodsbepalingen Artikel 7.24 Het is verboden een grootschalig evenement waarbij gebruik wordt gemaakt van: a. een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen; b. een modelvliegtuig, modelboot, of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; c. een muziekinstrument en een ander daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan geluidversterker, te houden of te organiseren. Artikel 7.25 Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. Artikel 7.26 Het is verboden een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen. Paragraaf 7.4.3, Vrijstellingen en ontheffingen Artikel 7.27 De verboden in artikelen 7.25 en 7.26 gelden niet voor zover deze betrekking hebben op: a. een motorvoertuig of bromfiets dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin-, bosbouw of vervening of ten behoeve van het onderhoud van het stiltegebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies; b. motorvoertuigen en bromfietsen voor zover sprake is van elektrische aandrijving. Artikel 7.28 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 7.24, onder a en c, opgenomen verbod. Paragraaf 7.4.4, Aanduiding gebieden Artikel 7.29 Gedeputeerde Staten duiden een stiltegebied aan door middel van borden, waarvan het model door Gedeputeerde Staten is vastgesteld. DEEL IV, NATUUR EN LANDSCHAP HOOFDSTUK 8, ONTGRONDINGEN Artikel 8.1, Vrijstellingen 1. Het verbod van artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet geldt niet voor de hierna genoemde werkzaamheden, die uitsluitend zijn of omvatten: a. het uitvoeren van rijkswaterstaats- en waterschapswerken, door het bevoegde gezag goedgekeurde bodemsaneringen en werken door of op last van de provincie uit te voeren; b. het aanleggen en wijzigen van watergangen, deel uitmakend van een stelsel van waterlopen, voor zover deze een bovenbreedte van niet meer dan 6 m, een bodembreedte van niet meer dan 3 m en een diepte van niet meer dan 2 m beneden het maaiveld ter plaatse hebben of zullen verkrijgen; c. het delven, openen en ruimen van graven, het leggen, onderhouden en opruimen van buisleidingen en kabels met toebehoren, het plaatsen, aanbrengen, oprichten, wijzigen, onderhouden en opruimen van bouwwerken en hun funderingen, beplantingen, palen en andere in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen en het doen van grondboringen en sonderingen; d. het aanleggen, onderhouden, wijzigen en opruimen van tuinen, vijvers, putten, reservoirs en bassins, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd op erven bij woningen of bedrijven, de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven en er niet meer dan 1.000 m3 bodemmateriaal van het erf wordt afgevoerd; e. het aanleggen, onderhouden, wijzigen en opruimen van mestbassins, mits de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; f. het aanleggen en wijzigen van poelen ten behoeve van natuurontwikkeling met een maximale doorsnede van 12 m, mits de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; g. het aanleggen, onderhouden en wijzigen van openbare werken, wegen, waterkeringen, spoorwegen, vliegvelden, industrieterreinen, bouwterreinen, sport- en recreatieterreinen, plantsoenen, parken, vijvers en andere waterpartijen, mits de grondlagen dieper dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld, dan wel bij bestaande waterpartijen 3 m beneden het vlak dat wordt gevormd door denkbeeldige rechte lijnen die het maaiveld ter plaatse van de tegenover elkaar liggende oevers met elkaar verbinden, ongemoeid blijven, de hoogteligging van de terreinen na beëindiging van de werkzaamheden, behoudens ter plaatse van waterpartijen, met niet meer dan 1,5 m zal zijn verminderd en de werken plaatshebben ter uitvoering van een geldend bestemmingsplan of krachtens een vrijstelling of een aanlegvergunning op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, nadat Gedeputeerde Staten daarvoor een verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven; h. het oprichten en veranderen van een inrichting, waarvoor krachtens de Wet milieubeheer een vergunning is vereist, tot het op of in de bodem brengen van afvalstoffen of tot het opslaan van bodemmateriaal, mits de grondlagen dieper dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; i. het verrichten van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op ontgrondingen die geschieden ter verkrijging van bodemmateriaal, behoudens ten behoeve en ter plaatse van de activiteiten genoemd in het eerste lid, onder d, e en h. 3. Het verbod van artikel 3, eerste lid van de Ontgrondingenwet geldt eveneens niet voor: a. werkzaamheden aan en in gronden, gebezigd voor de uitoefening van een land-, tuin- of bosbouwbedrijf, mits deze werkzaamheden uitsluitend geschieden ten dienste van het bedrijf en de daartoe behorende gronden, de hoogteligging van de gronden na beëindiging van de werkzaamheden met niet meer dan 0,5 m zal zijn verminderd, er geen afvoer van bodemmateriaal plaatsheeft voor gebruik buiten het bedrijf waartoe de gronden behoren en de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van wallen; b. werkzaamheden verricht door of in opdracht van natuurterreinbeherende instanties aan en in gronden die door deze instanties worden beheerd, mits de werkzaamheden zijn gericht op behoud of ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden, de hoogteligging van de gronden na beëindiging van de werkzaamheden met niet meer dan 0,5 m zal zijn verminderd, er geen afvoer van ander dan humeus bodemmateriaal plaatsheeft en de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van wallen. Artikel 8.2, Meldingen Degene die voornemens is een ontgronding uit te voeren als bedoeld in artikel 8.1, waarbij 10.000 m3 of meer bodemmateriaal wordt afgevoerd of in depot gezet, meldt dit uiterlijk 4 weken voor de aanvang van de werkzaamheden aan Gedeputeerde Staten met gebruikmaking van een door hen vastgesteld formulier. Bij de melding worden de gegevens verstrekt die op het meldingsformulier worden gevraagd. Artikel 8.3, Vergunningen 1. Een aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning wordt met gebruikmaking van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier ingediend, vergezeld van de op grond van het aanvraagformulier verlangde gegevens en bescheiden. 2. Een aanvraag tot intrekking van een vergunning bevat een aanduiding van de vergunning waarop de aanvraag betrekking heeft en de reden van de aanvraag. 3. Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het eerste lid buiten behandeling laten indien de aanvrager geen eigenaar is van alle onroerende zaken waarop de aanvraag betrekking heeft en hij geen verklaring van toestemming van de eigenaar overlegt. Artikel 8.4 Gedeputeerde Staten kunnen bestuursorganen, instanties en organisaties aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het geven van een beschikking betreffende het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning, of die op een andere wijze worden betrokken bij de voorbereiding van zodanige beschikking. Artikel 8.5, Eenvoudige procedure 1. Gedeputeerde Staten kunnen artikel 10, eerste, tweede en derde lid, van de Ontgrondingenwet buiten toepassing laten, indien de aanvraag als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, of de ambtshalve te geven beschikking, betrekking heeft op een ontgronding van geringe omvang of op een geringe uitbreiding van een ontgronding waarvoor reeds vergunning is verleend, indien andere belangen hierbij niet of nauwelijks zijn betrokken. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van wijziging van een vergunning betreffende verlenging van de geldigheidstermijn, de tenaamstelling, de in de vergunningsvoorschriften genoemde zekerheidstelling en wijziging van ondergeschikte betekenis van vergunningsvoorschriften. 3. Het eerste lid is eveneens van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van de vergunning op aanvraag van de vergunninghouder. HOOFDSTUK 9, VAARVERBOD DRENTSCHE AA Titel 9.1, Aanwijzing gebied Artikel 9.1 Als gebied Vaarverbod Drentsche Aa wordt ter bijzondere bescherming van natuur en landschap aangewezen het gebied dat op de bij deze verordening behorende kaart A is aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa, met uitzondering van de waterlopen ten zuiden van het wegvak Assen-Rolde van de provinciale weg N376. In het gebied Vaarverbod Drentsche Aa gelden de in titel 9.2 opgenomen regels. Titel 9.2, Het vaarverbod Artikel 9.2 Het is verboden in een waterloop te varen of een vaartuig in een waterloop te leggen of te laten drijven of te laten liggen. Artikel 9.3 Het verbod als bedoeld in artikel 9.2 geldt niet voor zover het betrekking heeft op een vaartuig dat wordt gebruikt ten behoeve van het onderhoud van de waterloop en het aangrenzende gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies. Artikel 9.4 1. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 9.2 gestelde verbod. 2. Een ontheffing kan alleen worden verleend voor zover deze betrekking heeft op het verrichten van onderzoek. Artikel 9.5 Staatsbosbeheer duidt de waterlopen, waarvoor het in artikel 9.2 bedoelde verbod geldt, aan door middel van borden waarvan het model door Gedeputeerde Staten is vastgesteld. DEEL V, WATER HOOFDSTUK 10, WATER Titel 10.1, Normen Artikel 10.1, Aanwijzen regionale waterkeringen Als regionale keringen gelden de regionale waterkeringen die zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart A. Artikel 10.2, Veiligheidsnorm 1. Op de bij deze verordening behorende kaart A is voor elke regionale waterkering of voor elk deel daarvan de veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop de regionale waterkering moet zijn berekend, mede gelet op overige het waterkerende vermogen bepalende factoren. 2. Gedeputeerde Staten kunnen voorschriften vaststellen voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen en stellen ten behoeve van de beoordeling de maatgevende waterstanden vast. 3. De verschillende regionale waterkeringen moeten uiterlijk 1 januari 2015 voor de eerste keer voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid. 4. Indien een regionale waterkering is gelegen in meer dan 1 provincie, kunnen Gedeputeerde Staten van die provincies besluiten, dat het toezicht op die waterkering wordt uitgeoefend door Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen. Artikel 10.3, Regionale verdringingsreeks 1. In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt bij het beheer bij de in artikel 2.1, eerste lid, onder 3°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. doorspoeling van stedelijk en landelijk gebied ter voorkoming van botulisme en blauwalgen, in geval sprake is van een risico voor de volksgezondheid; b. onttrekking voor proces- en gietwater; c. doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt; d. beregening van akker- en tuinbouwgewassen, waarvoor in het tweede lid, onder a, een uitzondering wordt gemaakt. 2. In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt bij het beheer bij de artikel 2.1, eerste lid, onder 4°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. beregening van akker- en tuinbouwgewassen, sportvelden en greens; b. doorspoeling tegen verzilting en verontreiniging ten behoeve van beregening akker- en tuinbouw; c. peilhandhaving klei- en zandgebieden; d. peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur; e. beregening gras/mais; f. doorspoeling tegen botulisme en blauwalgen voor zover de volksgezondheid niet in het geding is; g. het onnodig verlies van water tijdens het schutten van schepen. Artikel 10.4, Normen waterkwantiteit 1. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, dat in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, een gemiddelde overstromingskans van eens in de 100 jaar en voor het overige gebied een gemiddelde overstromingskans van eens in de 10 jaar. 2. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, een gemiddelde overstromingskans van niet vaker dan: a. eens in de 50 jaar voor glastuinbouw en hoogwaardig land- en tuinbouw, waarbij 1 % van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; b. eens in de 25 jaar voor akkerbouw, waarbij 1% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; c. eens in de 10 jaar voor grasland, niet zijnde natuur, waarbij 5% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben. 3. Op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart B is voor verschillende te onderscheiden gebieden de norm aangegeven waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht. 4. Voor de teelt van mais en roulerende teelten (bollen en dergelijke) geldt voor de in het tweede lid bedoelde overstromingskans dat wordt aangesloten bij de gemiddelde overstromingskans voor het overwegende grondgebruik in de directe omgeving. 5. Gedeputeerde Staten stellen voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren. 6. De bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren voldoen uiterlijk in 2015 voor de eerste keer aan de in het eerste en tweede lid opgenomen normen. Zo nodig kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van het dagelijks bestuur ontheffing van deze termijn verlenen. Artikel 10.5, Verslag toetsing watersysteem 1. Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer. 2. Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer op basis van artikel 10.2 en de legger bedoeld in artikel 10.29. 3. Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de normen, bedoeld in artikel 10.4, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer. 4. Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de normen en voorschriften bedoeld in artikel 10.4 en de legger bedoeld in artikel 10.29. 5. Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen bedoeld in het eerste en derde lid een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht. 6. Gedeputeerde Staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, vast voor welk tijdstip de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, voor de eerste maal wordt uitgebracht en met welke frequentie het verslag daarna wordt uitgebracht. Artikel 10.6, Nadere voorschriften Gedeputeerde Staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen, bedoeld in artikel 10.5. Titel 10.2, Toedeling beheer en vaarwegenbeheer Artikel 10.7, Begripsomschrijvingen In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. lijst A: de in de bij deze verordening behorende bijlage 3 opgenomen lijst van vaarwegen in beheer bij de provincie Drenthe; b. lijst B: de in de bij deze verordening behorende bijlage 3 opgenomen lijst van binnen de provincie gelegen vaarwegen in beheer bij andere overheidslichamen, het Rijk uitgezonderd; c. minimaal benodigde vaarwegdiepte: de vaarwegdiepte op basis van de scheepstype indeling conform CEMT, of conform de klasse indeling volgens de BRTN, vermeerderd met de benodigde kielspeling; d. schip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet; e. vaarweg: elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, voor zover vermeld op lijst A of lijst B; f. vaarwegbeheer: de overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken; g. vaarwegbeheerder: het bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast en als zodanig is vermeld op lijst A of lijst B; h. werk: elk kunstwerk of ander bouwwerk, waaronder begrepen oevers en oevervoorzieningen, boven, op, in, onder of langs een vaarweg gelegen. Artikel 10.8, Beheer watersysteem Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in het reglement van het waterschap. Artikel 10.9, Toedeling beheer vaarwegen In lijst A en lijst B is aangegeven welk bestuursorgaan, niet zijnde een bestuursorgaan van het Rijk, is belast met het vaarwegbeheer. Artikel 10.10, Belangenbescherming 1. Deze titel en de daarop berustende bepalingen hebben tot doel: a. regels te stellen in het belang van de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen en de bijbehorende werken; b. aanvullende regels te stellen in het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarwegen. 2. Deze titel kan mede strekken ter bescherming van ecologische, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve, toeristische of landschappelijke belangen. Artikel 10.11 Vaarwegdiepte en vaarwegonderhoud 1. Gedeputeerde Staten kunnen de minimaal benodigde vaarwegdiepten vaststellen van de vaarwegen op de lijsten A en B. 2. De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van de minimaal benodigde vaarwegdiepten, vastgesteld krachtens het eerste lid. 3. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Artikel 10.12, Afmetingen scheepvaart Gedeputeerde Staten kunnen voor de scheepvaart regels stellen voor de lengte, breedte en diepgang. Artikel 10.13, Bedieningstijden van bruggen en sluizen 1. Gedeputeerde Staten stellen de bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen, behorende bij de vaarwegen op de lijsten A en B. 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor spoorbruggen en voor bruggen en sluizen in beheer bij het Rijk. 3. De beheerders van de bruggen en sluizen dragen er zorg voor dat de bruggen en sluizen worden bediend op de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tijden. 4. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is Afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Artikel 10.14, Onttrekken van een vaarweg aan het openbaar scheepvaartverkeer 1. Het besluit van een vaarwegbeheerder tot het blijvend geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het openbaar verkeer van een vaarweg van lijst B voor alle schepen, behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten. 2. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Artikel 10.15, Absoluut verbod voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken Het is verboden: a. het voor het scheepvaartverkeer noodzakelijke uitzicht op en bij scheepvaartwegen te belemmeren; b. de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de scheepvaartweg in gevaar te brengen; c. vaste stoffen of voorwerpen in een vaarweg te brengen, dan wel vaste stoffen of voorwerpen op een zodanige wijze op oevers te plaatsen of te hebben, dat deze geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken. Artikel 10.16, Verboden met ontheffingsmogelijkheid voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken 1. Het is verboden om: a. zodanig te handelen of na te laten dat aan vaarwegen schade wordt of kan worden toegebracht; b. zodanig te handelen of na te laten dat het veilig en doelmatig gebruik of de instandhouding van vaarwegen in de ruimste zin wordt of kan worden belet; c. veranderingen aan te brengen aan de scheepvaartweg; d. enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, onder of binnen een afstand van tien meter landinwaarts van de scheepvaartweg horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn; e. onverminderd het bepaalde in artikel 1.23 van het Binnenvaartpolitiereglement, een waterweg te gebruiken voor het houden van wedstrijden of evenementen. 2. De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten vaarwegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die vaarwegen in het geding is. 3. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen van het eerste lid, indien de belangen bedoeld in artikel 10.10 zich daartegen niet verzetten. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 4. Een ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien: a. de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou worden verleend; b. de ontheffing gedurende twee jaar niet is gebruikt; c. gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de houder verstrekte onjuiste gegevens; d. de in het derde lid bedoelde voorschriften of beperkingen niet of niet voldoende worden nageleefd. 5. Op de voorbereiding van een besluit omtrent de beperking van de gebruiksmogelijkheid van een kanaal voor de scheepvaart is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Artikel 10.17, Provinciaal belang Het in de artikelen 10.15 en 10.16 opgenomen verbod geldt niet voor handelingen die worden uitgevoerd ten behoeve in het belang van een goed provinciaal vaarwegenbeheer. Artikel 10.18, Aanwijzing andere ligplaats Onverminderd artikel 7.11 van het Binnenvaartpolitiereglement moeten schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen op aanwijzing van de vaarwegbeheer een andere ligplaats innemen indien onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt. Titel 10.3, Regionaal waterplan en beheerplannen Artikel 10.19, Inhoud regionaal waterplan 1. Het regionaal waterplan bevat, naast het bepaalde in de artikel 4.4 van de Waterwet, een of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld zijn gebracht. 2. De ruimtelijke aspecten bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de Waterwet worden in het regionaal waterplan aangeduid. Artikel 10.20, Voorbereiding regionaal waterplan 1. Gedeputeerde Staten voeren, ter voorbereiding van het regionaal waterplan, ten minste overleg met het dagelijks bestuur, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten. 2. Gedeputeerde Staten raadplegen ter voorbereiding van het regionaal waterplan de minister van Verkeer en Waterstaat en Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies en de beheerder van de grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen. 3. Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Artikel 10.21, Uitwerking regionaal waterplan 1. In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat Gedeputeerde Staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionaal waterplan gegeven regels. 2. Het besluit van Gedeputeerde Staten tot uitwerking van het regionaal waterplan maakt deel uit van het regionaal waterplan. 3. Artikel 10.20 is van overeenkomstige toepassing op het in het tweede lid genoemde besluit. Artikel 10.22, Inhoud beheerplan 1. Het beheerplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.6 van de Waterwet, ten minste: a. de beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt; b. het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen; c. de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren; d. een raming van de kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de planperiode; e. het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem voor de aan het oppervlaktewater en het freatisch grondwater toegekende functies; f. een of meer kaarten, waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken staan aangegeven. 2. Het beheerplan is voorzien van een toelichting, waarin ten minste is opgenomen: a. de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken; b. een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterplan, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het eerste lid, onder c, genoemde maatregelen. Artikel 10.23, Raadplegen beheerplan Het dagelijks bestuur raadpleegt, bij het opstellen van het beheerplan, ten minste de dagelijks besturen van de aangrenzende waterbeheerders, Gedeputeerde Staten en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende provincies en gemeenten, alsmede de ten aanzien van grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen bevoegde Duitse autoriteiten. Artikel 10.24, Voorbereiding beheerplan 1. Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. De stukken worden ter inzage gelegd in ten minste het kantoor van het desbetreffende waterschap en in de gemeentehuizen van de gemeenten die zijn gelegen binnen het gebied waarop het beheerplan betrekking heeft. 2. Het dagelijks bestuur kan besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Awb geregelde procedure niet wordt toegepast bij het actualiseren van het maatregelenprogramma en het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem als bedoeld in artikel 10.22, eerste lid, onder c en e, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat. 3. Een vastgesteld beheerplan wordt toegezonden aan de instanties als bedoeld in artikel 10.23 en aan de minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 10.25, Uitwerking beheerplan 1. In het beheerplan kan worden bepaald dat het dagelijks bestuur het beheerplan of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens de in het beheersplan gegeven regels. 2. Het besluit van het dagelijks bestuur tot uitwerking van het beheerplan maakt deel uit van het beheerplan. 3. Artikel 10.24 is van overeenkomstige toepassing op het in het tweede lid genoemde besluit. Artikel 10.26, Goedkeuring beheerplan Indien het beheerplan in zijn geheel wordt herzien, wordt het beheerplan ter goedkeuring gestuurd naar gedeputeerde staten. Indien het een herziening van beperkte strekking betreft, wordt de herziening ter goedkeuring gestuurd naar Gedeputeerde Staten van de provincie waarop de herziening van het beheerplan betrekking heeft. Als bijlagen voegt het dagelijks bestuur toe het verslag van het bij de voorbereiding gevoerde overleg, de ingediende zienswijzen en de beschouwingen van het algemeen bestuur daarover. Artikel 10.27, Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan Het dagelijks bestuur rapporteert ten minste eenmaal per jaar aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen. Artikel 10.28, Nadere voorschriften beheerplan Gedeputeerde Staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 10.27. Titel 10.4, Aanleg en beheer van waterstaatswerken Artikel 10.29, Legger waterstaatswerken 1. De legger bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet bevat naast het bepaalde in het eerste en tweede lid van dat artikel in ieder geval: a. het lengteprofiel en dwarsprofielen van de primaire- en regionale waterkeringen, regionale oppervlaktewaterlichamen; b. een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire- en regionale waterkering, regionale oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden. 2. In afwijking van het eerste lid, onder a, en van artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet, geldt in het geval van meanderen van een oppervlaktewaterlichaam dat daarvoor in de legger wordt opgenomen ten minste de ruimtelijke begrenzing en het minimale dwarsprofiel. 3. Op de overzichtskaart bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet is ten aanzien van de primaire- en regionale waterkeringen tevens aangegeven het profiel van vrije ruimte. 4. In afwijking van artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet, wordt in het geval van bergingsgebieden in de legger alleen opgenomen de ruimtelijke begrenzing en het bergend vermogen. 5. Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet, gedurende een daarbij vast te stellen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen of onderdelen daarvan. 6. Gedeputeerde Staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet met betrekking tot vorm, afmeting en constructie indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen. 10.30, Opstellen peilbesluiten Het algemeen bestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewateren in de gebieden die: a. deel uitmaken van provinciegrensoverschrijdende peilvakken waarvoor een door de provincie Groningen, Overijssel of Friesland opgestelde verplichting geldt als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Waterwet; b. zijn aangewezen op een als zodanig aangeduide kaart bij het beheerplan van het waterschap. Artikel 10.31, Inhoud peilbesluit 1. Het peilbesluit bevat naast het bepaalde in het tweede lid van artikel 5.2 van de Waterwet een kaart met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft. 2. Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin ten minste zijn opgenomen: a. de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken; b. een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie; c. een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven grond- en oppervlaktewaterstanden voor de diverse belangen. Artikel 10.32, Openbare voorbereiding peilbesluit Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Artikel 10.33, Herziening peilbesluit 1. Een peilbesluit wordt in ieder geval herzien indien hiertoe uit de evaluatie van het beheerplan de noodzaak blijkt. 2. Indien een peilbesluit betrekking heeft op een provinciegrensoverschrijdend peilvak, dan is op de herziening van het peilbesluit de regelgeving van de provincie van toepassing, waarbinnen het gro