← Nederland

Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Albrandswaard houdende regels omtrent de Welstandsnota (Albrandswaard)

Kort samengevat

Deze wet regelt de welstandsnota van de gemeente Albrandswaard, waarin de criteria zijn vastgelegd voor de beoordeling van bouwplannen op het gebied van uiterlijk en ruimtelijke kwaliteit. Het doel is om de welstandsbeoordeling transparanter en objectiever te maken voor burgers.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Albrandswaard houdende regels omtrent de WelstandsnotaInhoudsopgave VOORWOORD INLEIDING Tabblad 1 Inleiding DEEL A BELEID Tabblad 2 Welstandsbeleid Tabblad 3 Inkadering van het welstandsbeleid DEEL B CRITERIA Gebruikshandleiding Tabblad 4Algemene criteria Tabblad 5Gebiedsgerichte (sneltoets)criteria Tabblad 6Thematische uitwerkingen Tabblad 7Sneltoetscriteria Tabblad 8 (Repressieve) criteria voor vergunningsvrije bouwwerken DEEL C PROCEDURE Tabblad 9Organisatie van welstand Tabblad 10Welstands en bouwvergunningsprocedure BIJLAGEN Tabblad 11 KAARTEN Tabblad 12 Correcties en wijzigingen ten opzichte van de eerste gewijzigde versie Het toevoegen van het hoofdstuk H4.3 Karakteristiek dorpsgezicht Poortugaal en Rhoon. VOORWOORD In de nieuwe Woningwet is onderkend dat welstandszorg als middel tot sturing van de ruimtelijke kwaliteit onontbeerlijk is. Tegelijkertijd is ook geconstateerd dat er kritiek is op de wijze waarop de welstandszorg tot nu toe wordt uitgeoefend. De werkwijze van de commissie om, in beslotenheid en zonder vooraf geformuleerde criteria, adviezen uit te brengen met verstrekken de gevolgen voor de burger, is achterhaald. Tegen deze achtergrond heeft de Rijksoverheid in de nieuwe Woningwet voorstellen opgenomen om de welstandsadvisering te vermaatschappelijken en te baseren op vooraf geformuleerde criteria. Aan de gemeenten de taak om deze criteria voor de welstandsbeoordeling vast te stellen. Het doet mij genoegen u de welstandsnota voor de gemeente Albrandswaard te kunnen voorleggen. Wat beoogt de gemeente met de nieuwe nota? Iedereen die onze gemeente rondkijkt zal zo zijn oordeel hebben over mooi en lelijk. Dit is en blijft een persoonlijke opvatting, daar gaat deze welstandsnota dan ook niet over. Toch valt er op twee aspecten winst te behalen als het om de gebouwde omgeving gaat, en wel op het gebied van de kwaliteit van het woonmilieu en de verbetering van het inzicht in de beoordeling van bouwplannen. De kwaliteit van het woon en leefmilieu is altijd voor verbetering vatbaar, op de ene plaats wat meer dan op de andere. In de nota is hierop ingespeeld door die delen van de gemeente aandacht te geven, die dat wat meer nodig hebben. In de nota wordt het gemeentelijke beleid vastgesteld. Hierin kan worden bepaald dat een historisch waardevolle omgeving aan hogere kwaliteitseisen worden getoetst dan bijvoorbeeld een industrieterrein. Ook binnen woonwijken kan onderscheid aangebracht worden tussen de toe te passen welstands-criteria, afhankelijk van de na te streven verbetering. Om dit te bereiken is in de wet de zogenaamde gebiedsgerichte aanpak geïntroduceerd. Zonder expliciete criteria is de welstandsbeoordeling voor de burger nauwelijks voorspelbaar. In de nota wordt daarom aangegeven aan welke criteria de plannen getoetst worden en op welke accenten er in bepaalde gebieden of bij bijzondere objecten specifiek wordt gelet. Op deze manier wordt de helderheid en de openheid bij de beoordeling door de welstandscommissie vergroot. Ik ben er van overtuigd, dat deze welstandsnota een positieve bijdrage levert aan de bevordering van het begrip tussen planindiener en welstandscommissie en daarmee aan de versoepeling van de beoordeling van bouwplannen in onze gemeente en niet te vergeten, dat deze welstandsnota bijdraagt aan het behouden en versterken van een goede ruimtelijke kwaliteit in onze gemeente! Ik dank allen die aan het tot stand komen van deze nota hebben gewerkt. D.C. Roelse portefeuillehouder Ontwikkeling en Economie 1.INLEIDING 1.1Aanleiding Veranderingen in de bebouwde omgeving gaan vaak heel geleidelijk. Ze zijn het resultaat van een optelling van bouwinitiatieven, variërend van kleinere bouwwerken zoals een schutting, aanbouw of dakkapel, tot een compleet nieuwe woning. Deze optelling valt niet altijd positief uit. Het is immers lastig de invloed van iedere bouwaanvraag op de omgeving goed te beoordelen en naar de burger inzichtelijk te maken waarom deze beoordeling zo uitvalt. Het welstandsbeleid moet de handvaten bieden om deze beoordeling te kunnen maken. Bovendien geeft het de burgers vooraf inzicht in de criteria waaraan hun bouwaanvraag getoetst zal worden. Zij kunnen deze gebruiken als handvat bij het opstellen van hun bouwplan waardoor dit eerder aan de eisen van welstand kan voldoen zodat de vergunningprocedure soepeler kan worden doorlopen. Een belangrijke aanleiding voor het opstellen van welstandsbeleid vormen de wijzigingen van de Woningwet (januari 2003). Deze wijzigingen hebben tot doel de welstandsbeoordeling met kortere procedures transparanter en objectiever te maken. Het beleid moet lokaal ontwikkeld worden en bestuurlijk door de gemeenteraad worden vastgesteld. De wet eist voortaan dat gemeenten welstandsbeleid ontwikkelen om een welstandstoets te kunnen blijven uitvoeren. Met deze welstandsnota voldoet de gemeente Albrandswaard aan deze eis. 1.2Het doel en de reikwijdte van deze welstandsnota Voordat iemand mag gaan bouwen, zal hij in beginsel een vergunning moeten aanvragen bij de gemeente. De bouwaanvraag wordt, naast welstand, o.a. getoetst aan het Bouwbesluit en aan het bestemmingsplan. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. Het legt voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld een dorpskern, een beoordelingskader vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er worden criteria benoemd die ertoe moeten bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. Afhankelijk van de waarde van het gebied en de ambitie van de gemeente kan het kader meer of minder streng zijn. In bijvoorbeeld een historisch dorpscentrum zal de prioriteit van welstand anders liggen dan op een regulier bedrijventerrein. Welstandstoezicht is dus niet simpelweg een vraag van mooi of niet mooi, maar een beoordeling van de kwaliteit van het bouwwerk aan de hand van duidelijk benoemde criteria. Welstand is niet zozeer een waardeoordeel over een bouwwerk op zich, maar vooral een beoordeling van de bijdrage van dat bouwwerk aan de ruimtelijke kwaliteit op die specifieke locatie. De gemeentelijke welstandsnota richt zich op de lokale karakteristieken in bestaande stedelijke gebieden en het buitengebied. De gemeentelijke welstandsnota, als onderdeel van het welstandsbeleid van de gemeente Albrandswaard richt zich op de relatief kleine bouwopgaven van één of enkele gebouwen, uitbreidingen van bestaande bebouwing en veel voorkomende kleine bouwwerken in bestaand stedelijk en buitengebied (beheergebieden). Voor grootschalige ontwikkelingen of voor herontwikkelingen in bijvoorbeeld dorpscentra, vormen andere documenten, zoals beeldkwaliteitsplannen, de welstandsnota. 1.3Leeswijzer De 'Welstandsnota Albrandswaard’ bestaat naast het voorwoord uit drie delen: een toelichting op het welstandsbeleid in de gemeente Albrandswaard (deel A), criteria (deel B) en welstandsprocedures (deel C). Het benoemen, inventariseren en analyseren van de lokale ruimtelijke karakteristieken en vervolgens het vertalen van deze karakteristieken naar deelgebieden en thema's, vormen de basis voor een gebiedsgericht welstandsbeleid. In deel A het welstandsbeleid wordt toegelicht hoe de gemeente Albrandswaard vorm geeft aan haar gebiedsgerichte welstandsbeleid. Op basis van een waardering van de verschillende kwaliteiten per gebied wordt een welstandsniveau toegekend. Dit welstandsniveau betekent een bepaalde manier van toetsen. Deel B criteria gaat in op de bij een bouwaanvraag te hanteren criteria. In dit deel zijn de geldende 'algemene', 'gebiedsgerichte' en 'sneltoets'criteria aangegeven. De algemene criteria van welstand bestaan uit een 'algemene richtlijn voor goede architectuur'. De gebiedsgerichte criteria zijn op basis van een gebiedsinventarisatie en een gebiedsanalyse opgesteld en gelden voor een specifiek deelgebied van de gemeente. De sneltoetscriteria bestaan uit een algemene en een gebiedsgerichte set van criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken. Het lezen van dit hoofdstuk geeft inzicht in de eisen die aan een bouwplan in een bepaald gebied worden gesteld. Bij de uitoefening van een gebiedsgericht welstandsbeleid zijn vervolgens procedureregels nodig. Het welstandsinstrumentarium is vervat in procedures. Deze zijn te vinden in deel C procedures van deze nota. Dit gedeelte gaat in op de organisatie van welstandstoezicht. Daarnaast is een gebruikshandleiding voor het toetsen van bouwaanvragen opgenomen. DEEL A – BELEID 2.WELSTANDSBELEID 2.1Inleiding In Nederland staat de vormgeving van het collectieve beeld boven dat van het individuele object. Stedenbouw en architectuur zijn in Nederland van oudsher meer aan de orde van de dag. Al sinds de 15de eeuw bestaan er in Nederland lokale verplichtingen ten aanzien van vormgevingsaspecten. In 1962 werd de verplichting voor gemeenten om een welstandscommissie te benoemen opgenomen in de Woningwet. De laatste jaren is er kritiek geuit op de werkwijze en geringe mate van democratische controle op de welstandscommissie. In de nieuwe Woningwet, die sinds 1 januari 2003 van kracht is, worden veranderingen doorgevoerd om het welstandsbeleid toegankelijker en toetsbaarder te maken. Onderhavige welstandsnota en het hierin uitgedragen beleid geeft invulling aan het toegankelijk en toetsbaarder maken van het welstandsbeleid. In dit hoofdstuk is het nieuwe welstandsbeleid van de gemeente Albrandswaard uitgewerkt. Dit welstandsbeleid is in hoofdlijnen gestoeld op een gebiedsgerichte benadering. Er worden verschillende typen criteria onderscheiden. Aan welke criteria een bouwplan getoetst wordt, hangt af van het soort gebied en het type bouwwerk. In het welstandsbeleid van de gemeente Albrandswaard worden de volgende typen criteria onderscheiden: Algemene welstands-criteria 1 De teksten van de Algemene welstandscriteria zijn gebaseerd op de tekst van de heer Tj. Dijkstra, voormalig rijksbouwmeester, ‘Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid’, 1985. : deze liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan iedere bouwplanbeoordeling. Ze fungeren daarnaast als 'vangnet' wanneer een bouwplan gemotiveerd afwijkt van de gebiedsgerichte criteria. Gebiedsgerichte criteria: specifieke aan bebouwing in verschillende deelgebieden gerelateerde criteria. Ze gelden alleen voor reguliere bouwvergunningplichtige bouwwerken

(5). Sneltoetscriteria (algemeen): algemeen geldende, met name kwantitatieve criteria voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken en regulier bouwvergunningplichtige aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen (zowel vrijstaand als nietvrijstaand), overkappingen en dakkapellen. Gelden voor zowel solitaire aanvragen als voor onderdelen van een totaal bouwplan
(7). Gebiedsgerichte sneltoetscriteria: gebiedsgerichte criteria voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken en regulier bouwvergunningplichtige aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen (zowel vrijstaand als nietvrijstaand), overkappingen en dakkapellen: specifieke, aan elementen van bebouwing in verschillende deelgebieden gerelateerde criteria. Gelden voor zowel solitaire aanvragen als voor onderdelen van een totaalplan
(5). Thematische criteria: gelden aanvullend op de gebiedsgerichte (sneltoets)criteria voor specifieke bouwwerken zoals monumenten, historische boerderijen en masten of specifieke plekken zoals stads en dorpsranden, entrees en rivierfronten
(6). Het is wenselijk dat een burger met een bouwvoornemen contact opneemt met de gemeente Albrandswaard. De initiatiefnemer van een te bouwen vergunningvrij bouwwerk kan dit vrijwillig laten toetsen aan redelijke eisen van welstand, om te voorkomen dat men achteraf geconfronteerd wordt met een aanschrijving omdat het bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. De (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria kunnen dan dienen als adviserend toetsingskader. In onderstaand schema is aangegeven welke criteria van toepassing zijn op welk type bouwvergunning. De nummers verwijzen naar de hoofdstukken waarin de betreffende criteria aan de orde komen. In de criteria worden soms (kwantitatieve) maatvoeringen genoemd. Deze zijn gebaseerd op kwalitatieve kenmerken van het gebied. Daarbij is geen aansluiting gezocht bij de maatvoering uit het Besluit Bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (BBlb) en maatvoering uit het geldende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan staat in ‘rangorde’ boven de welstandsnota en is dus bepalend. In de criteria wordt bijvoorbeeld gesproken over een minimale afstand van met het hoofdgebouw verbonden bijgebouwen, zoals aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen tot de voorgevel. Deze bouwwerken zijn in sommige gevallen vergunningsvrij, soms lichtvergunningplichtig en soms regulier vergunningplichtig. In de criteria is een algemene maat opgenomen en is geen aansluiting gezocht bij het BBlb. Het is gezien de gedetailleerdheid van de regeling uit het BBlb niet gewenst om deze als maatstaf te nemen. Dan zouden de criteria te ingewikkeld en niet meer leesbaar worden. Dit betekent, dat in sommige gevallen criteria zijn opgenomen voor bouwwerken, die vergunningsvrij zijn. Dit zal geen probleem zijn. Hierboven is reeds aangegeven, dat de toetsende ambtenaar altijd eerst moet onderzoeken of een bouwplan vergunningsvrij is. Is dat het geval dan zal hij niet meer toekomen aan de criteria uit de welstandsnota. 2.2Gebiedsgericht welstandsbeleid 2.2.1Inleiding Gebiedsgericht welstandsbeleid is vervat in gebiedsgerichte criteria voor regulier vergunningplichtige bouwwerken en in gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor licht-vergunningplichtigebouwwerken. Een middel om het welstandsbeleid transparanter te maken is het gebiedsgericht maken van het welstandsbeleid. Met een gebiedsgericht welstandsbeleid wil de gemeente Albrandswaard ervoor zorgen dat nieuwe gebouwen en bouwwerken passen bij de karakteristiek en kwaliteit van een gebied. Binnen het grondgebied van de gemeente Albrandswaard komen verschillende soorten gebieden voor, elk met hun eigen kwaliteit en karakteristiek. Het centrum van Rhoon bijvoorbeeld, is anders dan een polderlint in het buitengebied of een dijklint in het dorpsgebied van Poortugaal. Hoe mensen de verschillende karakteristieken en kenmerken waarderen, verschilt van persoon tot persoon. In de gemeentelijke welstandsnota wordt deze waardering vastgelegd. Ruimtelijke identiteit De identiteit van een gebied, waarmee dat gebied zich onderscheidt van andere, is een door de jaren heen gegroeid gegeven. Aandacht voor dit gegeven, gestoeld op cultuurhistorisch besef en een beleving van en waardering voor de eigen historische, stedenbouwkundige en architectonische kwaliteiten, eigen karakteristieken en eigen eigenaardigheden, is belangrijk. Ingrepen in de gebouwde omgeving (bouwplannen) hebben invloed op die omgeving. Het is bij bouwopgaven van belang deze ruimtelijke identiteit van een gebied te behouden en waar mogelijk zelfs te versterken. Het is de bedoeling om geïnspireerd te worden door de bestaande omgeving en daar gebruik van te maken in het creatieve ontwerpproces. Ensembles De ruimtelijke kwaliteit van de bebouwde omgeving wordt door verschillende factoren beïnvloed. Ze kan een puur esthetische waarde bezitten, een verwijzing geven naar de geschiedkundige of oudheidkundige betekenis van een gebied, kenmerkend zijn voor een bepaalde architectonische stijl of juist een sterk geheel, een goed ensemble vormen. Bij een ensemble vormen de verschillende onderdelen zoals huizen, woongebieden, straten, pleinen, plantsoenen en parkeerterreinen een harmonisch geheel. De ruimtelijke kwaliteit is waardevol indien de mens deze factoren ook als zodanig herkent en daar waarde aan hecht. Dit waardeoordeel is sterk cultuurhistorisch en educatief bepaald. Iets is niet waardevol, maar men vindt iets waardevol. Zo werden bijvoorbeeld gotische kerken in de ‘moderne’ renaissance geassocieerd met het barbaarse, platvloerse middeleeuwse leven. In de ‘romantische’ 19e eeuw is men de gotiek opnieuw gaan waarderen en zijn de oude vervallen gotische kerken opgeknapt en vaak verder afgebouwd. Samenhang Als er sprake is van veel samenhang tussen de cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur zal een, van de karakteristiek afwijkend, nieuwbouwplan eerder als minder passend ervaren worden dan in gebieden met weinig samenhang tussen deze kenmerken. Wordt de samenhang tussen de kenmerken ook hoog gewaardeerd, zoals in een oude dorpskern, dan zal men een afwijkend gebouw eerder als een verstoring van deze kwaliteit beleven. Andere gebieden waar de samenhang in kenmerken ontbreekt zijn minder gevoelig. Daar hoeven minder eisen te worden gesteld aan nieuwe bouwplannen. De gevoeligheid van een gebied voor nieuwe bouwplannen is dus afhankelijk van de samenhang tussen de cultuurhistorie, de stedenbouw en de architectuur. Deze samenhang wordt bepaald door een aantal kenmerken van het gebied. Deze kenmerken zijn: Hoe de verschillende gebouwen in een gebied zijn gesitueerd ten opzichte van de straat, de verkaveling en elkaar; Welke bouwvormen voorkomen in dat gebied (grote of kleine massa's, één of meerdere verdiepingen, met of zonder kap); Of de gevels een karakteristieke opbouw hebben (staande of liggende ramen, een afzonderlijke onderpui e.d.); Of er sprake is van kenmerkend kleur en materiaalgebruik en van specifieke details. 2.2.2Gebiedsanalyse Kenmerkende gebieden Gebiedsgericht betekent maatwerk voor een specifieke situatie. De gemeente Albrandswaard maakt deel uit van de regio IJsselmonde. Dit gebied heeft vanuit zijn ontstaansgeschiedenis een eenduidige ruimtelijke opbouw met een duidelijke begrenzing. Binnen de regio IJsselmonde bestaat een duidelijke samenhangende karakteristiek en kwaliteit. Op basis van de samenhang tussen karakteristieken van (cultuur)historie, stedenbouw en architectuur zoals die in de bebouwing herkenbaar is, is voor Albrandswaard een gebiedstypologiekaart met te onderscheiden deelgebieden gemaakt. Deze deelgebieden worden behandeld in Deel B, hoofdstuk
  1. Om tot kenmerkende gebieden te komen, is een bepaalde methodiek gehanteerd om tot een logische indeling van gebiedstypen te komen. In het volgende schema is de wijze van kijken nader toegelicht. Functioneel Veel ruimtelijke vraagstukken hebben een directe relatie met de functie van bepaalde gebieden. Zo staan op bedrijventerreinen andere gebouwen dan in een woonwijk en speelt er in de centrumgebieden en linten een andere dynamiek dan in het buitengebied. In centrumgebieden zal veelvuldig een aanvraag tot het aanbrengen van winkelpuien ingediend worden, terwijl in het buitengebied de opgave eerder ligt in het aan en bijbouwen van of aan agrarische bedrijfsgebouwen. Een eerste hoofdindeling naar gebiedstypen is gemaakt naar de functionele verschijningsvorm van een gebied (laag 1 van volgend schema). De volgende hoofdgebiedstypen worden onderscheiden: Centrumgebieden (H, W en Agebieden); Gemengde gebieden (Hgebieden); Woongebieden (W en Agebieden); Werkgebieden en grootschalige publieke voorzieningen (Bgebieden); Groengebieden en buitengebied (Ggebieden). Ontstaanswijze In de beleving van de gebouwde wereld wordt in de Nederlandse samenleving tegenwoordig veel waarde gehecht aan de cultuurhistorische betekenis, de relatie tussen de historie van de plek en zijn huidige verschijningsvorm (de ontstaanswijze). Daarom zijn bebouwde gebieden, waar de relatie met de cultuurhistorie nog in de bebouwing zichtbaar is, binnen de gemeente ingedeeld naar hun cultuurhistorische relatie: dijklinten en polderlinten (Hgebieden). Ook groengebieden kennen soms nog een duidelijke relatie met de cultuurhistorie, zoals het geval is bij het kasteel van Rhoon (G1gebied). Gebieden die planmatig zijn aangelegd, zoals de naoorlogse woonwijken, planmatig aangelegde woongebieden (W en Agebieden), de reguliere bedrijventerreinen (B2 t/m B4) en sport en recreatiecomplexen (G2 t/m G5) kennen een minder duidelijke en minder directe relatie met de cultuurhistorie. Ook de verschillende landschappen in het buitengebied kennen ieder hun eigen karakteristiek, ontstaan door een wisselwerking tussen mens en natuur. Het buitengebied van Albrandswaard is ingedeeld naar landschapstype (G6gebieden). Het landelijk gebied is daarom onderverdeeld naar de kenmerkende landschapseenheden: jonge zeekleipolder en buitendijkse gronden Ruimtelijke verschijningsvorm Binnen de hoofdindeling naar functionele verschijningsvorm en ontstaanswijze is een nader onderscheid gemaakt op basis van kenmerkende ruimtelijke verschijningsvormen. Bij de kernen is dit onderscheid gebaseerd op de specifieke structuur zoals dijklinten en polderlinten (H4.1 en H6.1gebieden), bij de linten op de mate van verdichting in de vorm van dorpslinten (Hx/1gebieden) en uitlopers/buurtschappen (Hx.2gebieden). De specifieke structuur is in de gemeente Albrandswaard voor de kernen Rhoon en Poortugaal niet hetzelfde. Daarom zijn de dorpskernen in de gebiedsbeschrijving apart beschreven en beoordeeld. Er gelden per dorpscentrum dan ook afzonderlijke gebiedsgerichte criteria. De losbijgevoegde kaart geeft de typologieën voor Albrandswaard weer. Ook de planmatig ontwikkelde gemengde gebieden, woon en groengebieden, kennen een gedifferentieerde ruimtelijke verschijningsvorm. De woongebieden en gemengde gebieden zijn allereerst ingedeeld naar hoofdverschijningsvorm: seriematig (W1gebieden) of individueel (W2gebieden), en vervolgens naar stedenbouwkundige hoofdstromingen: Vooroorlogse woongebieden en gemengde gebieden gesloten bouwblok, tuindorpen (W1.1gebieden); Woongebieden en gemengde gebieden in stroken en blokverkaveling (W1.2gebieden); Woonerven (W1.3gebieden); Woongebieden en gemengde gebieden eind 20e eeuw (W1.4gebieden). Werkgebieden en gebieden met grootschalige publieke voorzieningen zijn als volgt naar ruimtelijke verschijningsvorm ingedeeld: Bedrijventerreinen (B3gebieden). Voor groengebieden is de volgende indeling aangehouden: Parken en begraafplaatsen (G2gebieden); Sportterreinen (G3gebieden); Grootschalige bebouwingscomplexen in het groen en instituten (G4gebieden); Recreatieve havengebieden en overige (extensieve) recreatiegebieden (G5gebieden). Architectuurkenmerken Vanaf de periode 1870 – 1900 is de uitbreiding van de gebouwde omgeving vooral planmatig aangestuurd. Bij deze planmatige ontwikkelingen van woon en werkgebieden hebben kenmerkende stijloverwegingen in meer of mindere mate hun stempel gedrukt op de kwaliteit van de omgeving. Gebieden met een herkenbare samenhangende bouwstijl worden daarbij hoog gewaardeerd. In de eerste helft van de 20e eeuw zijn in Albrandswaard geen dusdanig sterke woningbouwensembles gerealiseerd in de traditionele stedenbouw van (gesloten) bouwblokken dat deze een aparte typologie of waardering behoeven. In woongebieden die in kleine stappen zijn ontwikkeld en vaak ook in de meer recente woonwijken is de ontwikkeling meer overgelaten aan de markt. Individuele woonwensen en aversie tegen seriematig bouwen en het zoeken naar verscheidenheid, hebben geleid tot wijken met weinig samenhang tussen stedenbouw en architectuur (W1.x en W2gebieden). 2.2.3Drie niveaus van welstand Waardering De typologie ordent en beschrijft de kenmerken en karakteristieken van de verschillende gebieden. De waarde die hier aan wordt gehecht bepaalt het niveau van welstandstoezicht. Deze wordt gebaseerd op: de ruimtelijke karakteristiek en samenhang; de cultuurhistorische kwaliteiten; de architectonische kwaliteiten; de dynamiek van de bouwopgave; en de wijze waarop bovenstaande zaken binnen de gemeente worden beleefd en gewaardeerd. De keuze voor een bepaald niveau van welstand is een gemeentelijke. Deze is gestoeld op een afweging van bovenstaande kwaliteiten en de prioriteit die het gemeentebestuur hier aan heeft gegeven. In zijn algemeenheid geldt daarbij dat naarmate de waardering voor een bepaald gebied, gecombineerd met een bepaalde samenhang tussen cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur, hoger is, een hoger niveau van welstand gehanteerd wordt. De gemeente Albrandswaard geeft daarbinnen prioriteiten aan. Niveaus van welstand De welstandscommissie handelt bij haar toets conform de inhoud van de welstandcriteria, zoals in deze nota opgenomen. Zij houdt bij haar toets rekening met de verschillen in de niveaus van welstand. Bieden de criteria voor de welstandstoets aanknopingspunten voor het ontwerp, de niveaus van welstand geven een indicatie voor de mate van ontwerpvrijheid. De niveaus van welstand bepalen in hoofdlijnen de mate van gedetailleerdheid van de gebiedsgerichte criteria. De welstandscommissie kan in haar welstandsadvies geen zwaardere criteria hanteren dan vastgelegd in deze nota. Albrandswaard onderscheidt drie niveaus van welstandstoezicht: BASIS niveau van welstand; PLUS niveau van welstand; BIJZONDER niveau van welstand. De wet biedt ook de mogelijkheid welstandsvrije gebieden te onderscheiden. In Albrandswaard zijn geen welstandsvrije gebieden opgenomen, omdat deze welstandsnota gericht is op behoud van de kwaliteit van de bestaande ruimtelijke structuren, waarbij altijd sprake is van een bepaalde basiskwaliteit. Albrandswaard vindt het uit oogpunt van rechtsbescherming van burgers niet verantwoord voor bestaande gebieden geen enkele welstandstoets toe te passen. Bij nieuwe ontwikkelingen zal de gemeente steeds afwegen of daarin de mogelijkheid van welstandsvrij bouwen kan worden opgenomen. Oranje schema Nog invoegen De indeling in BASIS, PLUS en BIJZONDER niveau van welstand is vastgelegd op de welstandsbeleidkaart. Met de driedeling BASIS, PLUS en BIJZONDER niveau van welstand verwacht de gemeente Albrandswaard gebiedsgericht de juiste accenten te kunnen leggen voor welstand. Een basisniveau in het ene gebiedstype (zoals een werkgebied) omvat uiteraard andere criteria dan een basisniveau in een ander gebiedstype (zoals een woongebied). Aspecten van bebouwing De drie welstandsniveaus bepalen de mate van sturing van het welstandstoezicht. De concrete beoordeling van welstand van gebouwen en bouwwerken vindt op alle niveaus plaats vanuit vier soorten aspecten van bebouwing: de situering van het bouwwerk; de hoofdvormen van het bouwwerk; de gevelaanzichten van het bouwwerk; de materialisatie en detaillering van het bouwwerk. In algemene zin kan worden gesteld dat deze kenmerken op het BASIS niveau van welstand op hoofdlijnen worden beoordeeld, bij het PLUS niveau van welstand tevens op hun specifieke samenstellende delen en bij het BIJZONDER niveau van welstand hiervoor de wijze van detaillering wordt toegevoegd. Strijdigheid met de gerichte criteria De gebiedsgerichte criteria zijn algemeen geldend voor de regulier vergunningplichtige bouwwerken in een bepaald gebied (m.u.v. de grotere aan en bijgebouwen, etc. zie ook hofdstuk 5, pag. 2). Er zijn echter uitzonderingssituaties denkbaar waar deze algemeen geldende gebiedsgerichte criteria ontoereikend, onbruikbaar of niet van toepassing zijn. In onderstaand kader zijn deze gevallen aangegeven en worden bepaalde toepassingsregels gehanteerd. Deze toepassingsregels zijn algemeen geldend in alle gebiedstypen. De toepassingsregels zijn dan ook onder elke set van gebiedsgerichte criteria weergegeven. In bijzondere situaties wanneer een bouwplan afwijkt van de gebiedsgerichte (sneltoets)criteria, maar door schoonheid, bijzonderheid, architectuur of structuur wél aan redelijke eisen van welstand voldoet, zal worden getoetst aan de 'Algemene Criteria'. De initiatiefnemer, ontwerper of architect zal in dit geval gemotiveerd moeten aantonen waarom het plan op die plek wél architectonischstedenbouwkundig verantwoord is. De commissie behoudt haar eigen verantwoordelijkheid. De commissie geeft advies aan B&W en zij zal de argumenten van de initiatiefnemer betrekken bij haar advisering aan B&W. Als een plan zowel in strijd is met de gebiedsgerichte als de algemene criteria, maar als B&W het plan toch aanvaardbaar achten, dan geldt de inherente afwijkingsbevoegdheid. Criteria zijn immers beleidsregels (art. 12a lid Woningwet 2003). Hiervan kan naar zijn aard in bijzondere gevallen en mits gemotiveerd afgeweken worden (zie art. 4:84 Algemene wet bestuursrecht). Daarnaast zijn burgemeester en wethouders op grond van artikel 44, lid 1d, Woningwet bevoegd gemotiveerd af te wijken van een welstandsadvies, indien zwaarwegende (economische of maatschappelijke) belangen dit wenselijk maken. Het college van burgemeester en wethouders zal uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of maatschappelijke belangen. Tenslotte kunnen burgemeester en wethouders afwijken van de criteria, indien zij dienen te voldoen aan andere wet en regelgeving (in het kader van bijvoorbeeld brandveiligheid of het milieu). Uitgangspunt is dat noodzakelijke maatregelen in het kader van bijvoorbeeld de brandveiligheid zodanig verwerkt worden in het bouwplan, dat voldaan wordt aan de welstands-criteria. Alleen als aangetoond wordt dat dit niet mogelijk is, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van de criteria. Wel zal in goed overleg gezocht moeten worden naar een zodanige inpassing van het bouwwerk in het bouwplan, dat zoveel mogelijk recht gedaan wordt aan redelijke eisen van welstand. Motivering keuze welstandsniveaus Albrandswaard In deel B zijn bij de gebiedscriteria per type gebied de specifieke kenmerken beschreven die voor dat gebied bij de beoordeling relevant zijn. In zijn algemeenheid geldt dat naar mate de waardering voor een bepaald gebied, samengaand met een bepaalde samenhang tussen cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur, hoger is, een hoger niveau van welstand gehanteerd wordt. De gemeente Albrandswaard heeft voor vier gebieden het BIJZONDER niveau van welstand bepaald. Het betreft hier de kern van Poortugaal, de kern van Rhoon met daarin meegenomen de Rijsdijk tot aan de Rivierweg, de omgeving van kasteel Rhoon (met een deel van de Dorpsdijk) en een deel van de Albrandswaardsedijk (voormalige woningen behorend tot het Delta ziekenhuis). Deze gebieden hebben een belangrijke betekenis gehad in de historie van beide kernen. Ook nu hebben deze gebieden nog een belangrijke betekenis als visitekaartje voor de gemeente Albrandswaard. In deze gebieden zijn ook veelal gemeentelijke en rijksmonumenten te vinden. De gemeente Albrandswaard is van mening dat een bepaalde mate van ‘conservatie’ in deze gebieden gerechtvaardigd is. De gemeente wenst het beeld zo veel mogelijk te behouden en wil daarom een grote mate van detaillering in de toetsingscriteria. Een groot deel van de gemeentelijke polderlinten en dijklinten krijgen een PLUS niveau van welstand. Deze linten hebben sterk de historie en ruimtelijke groei van de gemeente Albrandswaard bepaald. Ook zijn in het lint vele monumenten terug te vinden. Door recente bouwopgaven is de karakteristiek van delen van sommige polder en dijklinten echter verloren gegaan. Omdat de gemeente Albrandswaard een gebiedsgericht welstandsbeleid voorstaat (in plaats van een objectgericht beleid) is besloten deze linten een plus niveau te geven. Met dit niveau kan de huidige karakteristiek gewaarborgd blijven. Tot slot zijn er aan groot aantal gebieden binnen het gemeentelijk grondgebied aangewezen als gebied waar een BASIS niveau van welstand gaat gelden. Deze gebieden, die op het gebied van welstand iets minder gevoelig zijn, krijgen door het toekennen van dit niveau een bescherming die ervoor zorgt dat er in ieder geval gebouwd wordt volgens redelijke eisen van welstand. De criteria voor deze gebieden zijn echter vrijer dan voor de overige gebieden. Het betreft hier de grotere, planmatig aangelegde woongebieden, de groengebieden, de bedrijventerreinen en het buitengebied. 2.3Welstandsbeleid voor kleine bouwplannen Eén van de uitgangspunten bij het bepalen of een bouwwerk vergunningsvrij dan wel lichtvergunningplichtig is, is de zogenaamde voor en achterkant benadering. Deze benadering houdt in dat er met het oog op stedenbouw en welstand in een aantal gevallen verschil moet worden gemaakt tussen het bouwen aan de voorkant of aan de achterkant van een bouwwerk. Vanuit welstandsoptiek is het bouwen aan de voorkant in het algemeen kwetsbaarder dan het bouwen aan de achterkant. Dit is immers bepalend voor de beleving van de openbare ruimte. Voor een toelichting op de voor en achterkantbenadering wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit Bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. 2.4Thematisch welstandsbeleid Voor specifieke bouwwerken of bouwwerken op specifieke locaties zijn aanvullende criteria opgesteld. Per thema is aansluiting gezocht bij het ruimtelijke kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. Naast het benoemen en onderscheiden van verschillende deelgebieden kent elke gemeente en regio ook haar specifieke gebouwen, gebouwtypen en bouwwerken op specifieke locaties. De gemeente Albrandswaard benoemt gebouwtypen en bouwwerken die zo gebiedseigen zijn, een specifieke functie hebben of als object op zich beeldbepalend zijn, dat daarvoor afzonderlijke criteria kunnen worden opgesteld. Daarnaast zijn er bepaalde plekken, zoals een dorpsrand of een park die bijzondere aandacht vragen. Deze thematische bebouwingstypen zijn uitgewerkt in Deel B Hoofdstuk 6 van deze nota. Voor specifieke gebouwtypen en bouwwerken geldt dat de criteria altijd in samenhang gezien moeten worden met de gebiedsgerichte welstands-criteria waarin het bouwwerk wordt geplaatst.
  2. INKADERING VAN HET WELSTANDSBELEID 3.1Inleiding De essentie van het nieuwe welstandsbeleid is de gebiedsgerichte benadering. Op elk beleidsniveau zijn gebiedsspecifieke kenmerken te benoemen. Deze benadering stelt de gemeente in staat om de samenhang tussen verschillende beleidsvelden inzichtelijk te maken en daarmee de samenhang tussen het welstandsbeleid en ander beleid en andersom. De kwalitatieve kenmerken van een gebied zijn in het kader van het welstandsbeleid bepalend voor de samenstelling van gebiedsgerichte criteria. De gebiedsgerichte benadering levert een heldere beschrijving en beeld op van de specifieke karakteristieken van een deelgebied. Voor het welstandsbeleid richt deze benadering zich met name op de specifieke kenmerken van een gebied voor de bebouwing, maar in breder verband zijn uit deze benadering eveneens die kenmerken te distilleren die belangrijk zijn voor ander gemeentelijk ruimtelijk beleid. Deze benadering biedt kansen voor een brede basis voor gebiedsgericht beleid op alle ruimtelijke beleidsvelden. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de relatie van welstand met een aantal andere ruimtelijke beleidsvelden. 3.2Welstand en ruimtelijke kwaliteit in groter verband Het handhaven en liefst versterken van de ruimtelijke kwaliteit is een belangrijk uitgangspunt in het ruimtelijk beleid. Ruimtelijk kwaliteitsbeleid betekent: aandacht schenken aan cultuurhistorie en ruimtelijke identiteit, het creëren van een aantrekkelijke omgeving met ruimtelijke diversiteit in landschap, stedenbouw en architectuur en het verantwoord omgaan met natuur en ecologische waarden. Welstand is slechts één van de beleidstakken die zich bezighoudt met het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Het welstandsbeleid staat niet op zich. Het is deels verankerd in en deels gebaseerd op beleidslijnen uit andere beleidsvelden. Vanuit de stedenbouw en architectuur zijn geen concrete beleidskaders opgesteld waarop het welstandsbeleid is gebaseerd; wel bestaat er een duidelijke visie op de benutting van de ruimte (o.a. de in ontwikkeling zijnde Nota Ruimte (of Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening) en zijn er algemene architectonische aandachtspunten zoals vervat in de 'Architectuurnota'. Er bestaan nauwelijks beleidsstukken waar de relatie tussen natuurbeleid en welstand wordt uitgewerkt en geoperationaliseerd. Wel wordt met name in bestemmingsplannen, in zekere zin de kwetsbaarheid van met name het buitengebied voor bouwen in het algemeen aangegeven. De landschapstypologie zoals te destilleren uit de geomorfologische kaart vormt de basis voor de indeling naar gebiedsspecifieke (historische) structuren. 3.3Welstand en het bestemmingsplan Het op te stellen welstandsbeleid moet een kader bieden voor de toetsing van een bouwaanvraag aan redelijke eisen van welstand. In deze nota worden criteria benoemd die er aan bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De criteria worden onder andere geformuleerd vanuit een visie op het gebied en vanuit een beeld van de aanwezige waarden. Aspecten die aan de orde komen betreffen zowel nietruimtelijk relevante aspecten zoals kleur en materiaalgebruik, als ruimtelijk relevante aspecten zoals hoogte, omvang en situering van de gebouwen. Er is dus een nauwe relatie met het bestemmingsplan. De ruimtelijk relevante aspecten kunnen –wanneer wenselijk en noodzakelijk vertaald worden in het bestemmingsplan. Voor nietruimtelijk relevante aspecten is een vertaling in het bestemmingsplan niet mogelijk. Welstand kan kwalitatieve eisen, bijvoorbeeld het materiaalgebruik ten opzichte van de naastgelegen woning, aan een gebouw stellen terwijl het bestemmingsplan alleen kwantitatieve (ruimtelijk relevante) eisen stelt, bijvoorbeeld maximale nok en goothoogte. Het welstandsbeleid en bestemmingsplan liggen dus in elkaars verlengde en vullen elkaar aan. Een bouwaanvraag wordt zowel getoetst aan redelijke eisen van welstand als aan de bouwvoorschriften zoals opgenomen in het bestemmingsplan. Wanneer er sprake is van een verschil tussen de inhoud van een bestemmingsplan en een welstandsnota blijven bij toetsing van een bouwaanvraag de welstands-criteria buiten beschouwing. Het bestemmingsplan heeft hier formeel juridisch ‘het laatste woord’. Het is dus van belang om de inhoud van een bestemmingsplan en de inhoud van een welstandsnota op elkaar af te stemmen. Vanuit een visie op het gebied en de aanwezige waarden, moet bepaald worden welke criteria in welk document opgenomen worden en op welke wijze. Veel vigerende bestemmingsplannen zijn opgesteld vanuit een samenhangend ruimtelijk kwaliteitsbeleid voor de gehele gemeente. De gemeente Albrandswaard heeft er voor gekozen eerst een samenhangend welstandsbeleid te formuleren. Vanuit dit beleid kunnen kaders worden geformuleerd voor de toekomstige herzieningen van bestemmingsplannen, zodat met de tijd een consistent samenhangend ruimtelijk beleid zal worden gevoerd. Bij het opstellen van de criteria is dus geen rekening gehouden met de vigerende bestemmingsplannen. Gekozen is om op basis van een kwalitatieve beschrijving van de gemeente, gebiedsgerichte criteria op te stellen. In veel gevallen is het niet zinvol bestaande voorschriften uit het bestemmingsplan als uitgangspunt te nemen voor het welstandsbeleid, omdat deze meestal niet geformuleerd zijn met het oog op ‘redelijke eisen van welstand’. Bovendien gelden er binnen de gemeente vele bestemmingsplannen, waardoor het zeer lastig wordt om met al deze verschillende bestemmingsplannen rekening te houden. De consequentie van deze aanpak is, dat er strijdigheid kan ontstaan tussen het vigerende bestemmingsplan en de welstandsnota. Zo kan een bestemmingsplan ruimere bebouwingsmogelijkheden bieden dan de criteria uit de welstandsnota. Indien zich dit voordoet zullen (in de meeste gevallen) de (ruimtelijk relevante) criteria uit de welstandsnota buiten toepassing blijven totdat het bestemmingsplan is herzien. 3.4Welstand en de Structuurvisie op Hoofdlijnen Een belangrijk uitgangspunt van de structuurvisie is ‘contextueel bouwen’. Afhankelijk van de locatie, het gebiedstype waarin de betreffende locatie gelegen is en het strategisch belang van een locatie gezien de wenselijke ontwikkelingsrichting van de gemeente als geheel, is een bepaalde ontwikkeling wel of niet wenselijk. Ook hier ligt dus een belangrijke relatie met het welstandsbeleid, waar gebieds- en omgevingskenmerken centraal staan. De welstandsnota is één van de instrumenten om de doelstellingen van de Structuurvisie op Hoofdlijnen te bereiken. 3.5Welstand en het beeldkwaliteitsplan De welstandsnota richt zich primair op de min of meer reguliere en/of incidentele bouwopgave in bestaande stedelijke gebieden en het buitengebied. Voor gebieden met een planmatige functieverandering, zoals nieuwe woon en werkgebieden en herontwikkelingsgebieden (stads en dorpscentra, wijkontwikkelingsgebieden) kan voor de sturing van welstand ook een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld. Deze beeldkwaliteitsplannen kennen in de meeste gevallen niet alleen criteria van welstand waaraan bouwwerken dienen te voldoen, maar gaan bijvoorbeeld ook in op de vormgeving van het openbare gebied. Dat deel van het beeldkwaliteitsplan, dat betrekking heeft op het bouwen, kan als basis dienen voor welstandstoetsing bij bouwaanvragen. Indien er reeds een beeldkwalteitsplan voor een in ontwikkeling zijnd gebied bestaat voordat de welstandsnota wordt vastgesteld door de gemeenteraad dient dit plan tot onderdeel te worden gemaakt van de welstandsnota door in de welstandsnota hier expliciet naar te verwijzen. Wel dient het beeldkwaliteitsplan tot stand te zijn gekomen volgens de voorschriften, die de nieuwe Woningwet ten aanzien van de vaststelling en wijziging van de welstandsnota stelt (vaststelling door de gemeenteraad en inspraak conform de gemeentelijke inspraakverordening). Door in de welstandsnota naar het beeldkwaliteitsplan te verwijzen vormt dit plan juridisch een onderdeel van de welstandsnota. Beeldkwaliteitsplannen zijn in principe bedoeld om specifieke ontwikkelingen te kunnen begeleiden. Als de ontwikkeling is afgerond ligt het dan ook in de rede om de criteria die gelden voor het betreffende gebied bij een wijziging van de welstandsnota op te nemen in de welstandsnota zelf. De verwijzing naar het beeldkwaliteitsplan kan dan vervallen. De mogelijkheid bestaat om een beeldkwaliteitsplan vast te stellen in aanvulling op een vastgestelde welstandsnota; bijvoorbeeld als het betreffende beeldkwaliteitsplan een verdere concretisering van het beleid inhoudt dat reeds in de welstandsnota is verankerd. In dat geval is er sprake van een wijziging van de welstandsnota, bijvoorbeeld om ontwikkelingen in een straatwand te sturen en te stimuleren of aanvullende eisen voor een karakteristiek stukje centrumgebied op te stellen. Deze wijziging van de welstandsnota dient weer door de gemeenteraad te worden vastgesteld en de inspraakprocedure conform de gemeentelijke inspraakverordening dient te zijn gevolgd. Behalve de toetsingscriteria omvat een beeldkwaliteitsplan bij voorkeur ook een toelichting waarin het onderliggende beleid kan worden verklaard. In deze toelichting wordt het gemeentebeleid voor het betreffende (ontwikkelings)gebied met betrekking tot beeldkwaliteit op hoofdlijnen samengevat. De toelichting vervult verder een belangrijke rol bij uitvoering van projecten, omdat initiatiefnemers bij het realiseringstraject kunnen refereren aan de voorbeelden en beleidslijnen. Maar net als bij een bestemmingsplan heeft de toelichting ook bij een beeldkwaliteitsplan slechts een beperkte status. De gemeente Albrandswaard beschikt over een beeldkwaliteitplan voor het centrum van Rhoon en voor de gehele kern Poortugaal. De criteria uit het beeldkwaliteitplan centrum Rhoon zijn voor zover mogelijk verwerkt in de criteriaschema’s in hoofdstuk 5 van deze nota. Het beeldkwaliteitplan voor Poortugaal is overwegend analyserend van karakter. Bij de gebiedsbeschrijvingen is gekeken naar de analyses in dit stuk. Echter, de voorgestelde welstandstypologieën komen niet altijd overeen met de gekozen gebiedsindeling van het beeldkwaliteitplan. De relevante en voor deze nota bruikbare informatie is verwerkt. 3.6Welstand en openbare ruimte en groenbeleid De openbare ruimten en groengebieden worden binnen een gemeente over het algemeen begrensd door bebouwing. Over die bebouwing doet welstand een uitspraak om de kwaliteit van die bebouwing en vooral ook de samenhang tussen bebouwing binnen een gebied zoveel mogelijk te waarborgen. De kwaliteit van die bebouwing heeft effect op de omgeving waarin dat gebouw staat. Een straat met kwalitatief hoogwaardige bebouwing draagt positief bij aan de beleving van die ruimte. Andersom draagt een straat met een kwalitatief hoogwaardige inrichting positief bij aan de beleving van de bebouwing langs die straat. Omdat in het welstandsbeleid slechts in geringe mate kan worden ingegaan op de kwaliteiten van de openbare ruimte en groen, namelijk slechts op die aspecten waarvoor een bouwvergunning vereist is, is het dan ook de kunst dat bij de wens tot een integraal kwaliteitsbeleid er voldoende afstemming plaatsvindt tussen de welstandsnota met daarin vastgelegd de kwaliteiten voor de bebouwing en daarnaast beleidsnota's waarin de kwaliteiten vastgelegd zijn van de openbare ruimte en groen. Deze afstemming kan op twee manieren plaatsvinden: Enerzijds door vanuit de gebiedsgerichte benadering, die gevolgd wordt in het kader van het opstellen van de welstandsnota, beleidskeuzen voor andere beleidsvelden vast te leggen. Dit vereist reeds van het begin af aan een integrale aanpak op gebiedsniveau. Anderzijds kan men bij het opstellen van inrichtingsplannen, waar voorheen de uitvoering en het beheer geschiedde door de gemeentelijke diensten, de welstandscommissie bij de opzet van deze plannen betrekken. Immers, straatmeubilair, verlichting, verharding en verkeersmiddelen maken integraal onderdeel uit van de beleving van ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. De gemeente Albrandswaard beschikt over een zeer uitgebreid groenplan. Dit plan is in het kader van de welstandsnota gebruikt om te putten uit beschrijvingen van groene gebieden die relevant zijn voor de welstandstoets, met andere woorden: voor groene gebieden waar bouwwerken aan de orde zijn. Vaak zijn dit sportparken etc. 3.7Welstand en monumentenbeleid 3.7.1Inleiding Rijksmonumenten De bescherming van het monument zelf is geregeld in de Monumentenwet
(1988)of in de gemeentelijke Monumentenverordening. Bouwen en verbouwen aan rijksmonumenten is vastgelegd in de Monumentenwet. Deze wet geeft het Rijk de mogelijkheid om objecten met een leeftijd van 50 jaar of hoger als rijksmonument aan te wijzen. Rijksmonumenten worden wettelijk beschermd via het vergunningenstelsel en bij restauratie zijn financiële middelen beschikbaar. Rijksmonumenten zijn in het Monumentenregister ingeschreven door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ). Het hele object, of het nu een gebouw of een object in de openbare ruimte betreft, is beschermd. Veranderingen aan rijksmonumenten doorvoeren is niet verboden, maar er moet altijd een vergunning aangevraagd te worden. Het is verboden rijksmonumenten te beschadigen of te vernielen. Het is bovendien niet toegestaan een monument zo te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken dat het monument in gevaar wordt gebracht of ontsierd wordt. Een vergunning wordt pas verleend na afweging van alle belangen van zowel de belanghebbende(
  1. n)als van het object zelf. Deze afweging wordt gemaakt door de RDMZ en de gemeente. Voorts kan de eigenaar een verzoek indienen bij de rijksoverheid om subsidie te krijgen voor restauratie of, bij bijzondere monumenten, voor onderhoud. De Monumentenwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads en dorpsgezichten. Aangezien het beschermen van stads en dorpsgezichten een zaak is van monumentenzorg en van ruimtelijke ordening, heeft zowel de staatssecretaris van OC&W als de Minister van VROM de bevoegdheid tot aanwijzing. Bouwen in beschermde stads en dorpsgezichten is aan bepaalde regels gebonden. Deze zijn vervat in een aangepast bestemmingsplan en hebben primair betrekking op het respecteren van de lokale karakteristiek. Het opstellen van het aangepaste bestemmingsplan voor een beschermd stads en dorpsgezicht gebeurt in nauwe samenspraak met de monumentencommissie en de RDMZ. Gemeentelijke en provinciale monumenten Net als bij rijksmonumenten dient bij bouwen en verbouwen aan een gemeentelijk of provinciaal monument uitgegaan worden van een afweging tussen de belangen van de belanghebbende(
  2. n)en het object zelf. Bij een bouwvergunning moet de gemeentelijke of provinciale monumentencommissie verplicht om advies gevraagd worden. Een beslissing wordt genomen door burgemeester en wethouders of door gedeputeerde staten. Een belangrijk verschil tussen rijksmonumenten enerzijds en gemeentelijke en provinciale monumenten anderzijds is dat alleen rijksmonumenten vallen onder het regime van de Monumentenwet en dat de ouderdomsnorm van 50 jaar alleen op rijksmonumenten van toepassing is. 3.7.2Monumenten op de Welstandsbeleidskaart Het aan en verbouwen van het monument op zich is dus geregeld in de Monumentenverordening en wet. Echter, de gebouwen in de directe omgeving van een monument vallen hier niet onder terwijl zij wel liggen binnen de beeldinvloedssfeer van dat monument. In het kader van welstand is het wenselijk bij (aan of ver)bouwen van de belendende panden extra aandacht aan de vormgeving te besteden, zodat met de nieuwe ontwikkeling het monument gerespecteerd wordt. Dit geldt ook voor beeldbepalende panden, hiervoor is echter geen wettelijke status aanwezig (zie ook themablad ‘Bouwen aan/bij monumenten en beeldbepalende panden’). Bouwplannen aan of nabij monumenten worden getoetst door de monumentencommissie en door de welstandscommissie. Dit vormen twee onafhankelijke adviezen. De welstandscommissie toetst aan de gebiedsgerichte criteria. Voor monumenten geldt dat alle vergunningsvrije bouwwerken zoals genoemd in de AmvB lichtvergunningplichtig zijn. Dit houdt in dat kleine bouwplannen die normaal gesproken vergunningvrij zijn en dus preventief niet getoetst worden aan redelijke eisen van welstand, vooraf getoetst worden aan redelijke eisen van welstand. De monumentencommissie toetst aan de redengevende beschrijving van het monument. Door de monumentencommissie wordt vaak meer op detail getoetst. Ook kan bijvoorbeeld het interieur van belang zijn. Het detailniveau hoeft voor de welstandscommissie niet van belang te zijn. 3.8Welstand en reclamebeleid Reclame-uitingen aan of op gevels alsmede reclameobjecten zijn bedoeld om op te vallen. Daarom kunnen ze, indien harmonieuze inpassing achterwege blijft, al snel als visueel storend worden ervaren. Derhalve is voor plaatsing in beginsel altijd een vergunning van de gemeente nodig. Bij de beoordeling van reclame-uitingen door gemeenten in het kader van welstand wordt onder meer gelet op de visuele afstemming van de reclame op het gebouw en de omgeving. Hiervoor wordt advies gevraagd aan de plaatselijke of provinciale welstandscommissie. Concreet wordt gekeken naar de volgende aspecten: Er moet worden gelet op de vormgeving van de reclame. De reclame moet een functionele relatie hebben met het gebouw waarop deze wordt aangebracht. In het themablad ‘Reclame’ zijn criteria voor reclame-uitingen opgenomen DEEL B – CRITERIA GEBRUIKSHANDLEIDING Gebruik In dit hoofdstuk zijn de criteria ten behoeve van de welstandstoets van Albrandswaard uitgewerkt. Deze criteria zijn in belangrijke mate gestoeld op een gebiedsgerichte benadering. Er worden verschillende typen criteria onderscheiden. Aan welke criteria een bouwplan getoetst wordt, hangt af van het soort gebied en het type bouwwerk. Met behulp van de AmvB 'Bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken' kan worden bepaald of een bouwaanvraag vergunningsvrij, licht danwel regulier vergunningplichtig is. De welstandstoets vormt een onderdeel van de bouwvergunningsprocedure. De bouwvergunningsprocedure is uitgewerkt in Deel C, hoofdstuk 10. In onderstaand schema staat de onderlinge relaties tussen de verschillende typen criteria weergegeven. Afhankelijk van de te doorlopen bouwvergunningsprocedure zijn de typen criteria uit het schema wel of niet van toepassing. In het kader van een welstandstoets is er altijd sprake van één toets. Deze toets kan overigens bestaan uit meerdere toetselementen, de verschillende typen criteria. Niveau van welstand De welstandscommissie handelt bij haar toets conform de inhoud van de welstands-criteria, zoals in deze nota opgenomen. Zij houdt bij haar toets rekening met de verschillen in de niveaus van welstand. Bieden de criteria voor de welstandstoets aanknopingspunten voor het ontwerp, de niveaus van welstand geven een indicatie voor de mate van ontwerpvrijheid. De niveaus van welstand bepalen in hoofdlijnen de mate van gedetailleerdheid van de gebiedsgerichte criteria. De welstandscommissie kan in haar welstandsadvies geen zwaardere criteria hanteren dan vastgelegd in deze nota. De gemeente Albrandswaard onderscheidt drie niveaus van welstandstoezicht: BASIS niveau van welstand; PLUS niveau van welstand; BIJZONDER niveau van welstand. In Deel A, Hoofdstuk 2, §2.2.3 wordt de invulling van deze niveaus van welstand nader toegelicht. In Deel B, Hoofdstuk 5 wordt per gebiedstype het geldende niveau van welstand en de bijbehorende set van criteria per gebiedstype uitgewerkt. 4. ALGEMENE CRITERIA Naast de specifieke gebiedsgerichte criteria zijn bij de beoordeling van een bouwwerk ook algemene criteria van kracht. Deze richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op universele kwaliteitsprincipes. De algemene criteria liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling en bestaan uit een uiteenzetting van algemene architectonische begrippen en aspecten. De algemene architectonische begrippen komen voort uit de notitie die de toenmalige rijksbouwmeester, dhr. Tj. Dijkstra, in 1985 heeft uitgebracht onder de titel 'Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid'. Ze vormen het begrippenkader en zijn als het ware het gereedschap van de welstandscommissie bij de argumentatie van het welstandsadvies. Toepassing algemene criteria In bijzondere situaties, wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte criteria (sneltoetscriteria) ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene criteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte en sneltoetscriteria. In praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene criteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben, zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit. Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen, maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren, kunnen de gebiedsgerichte criteria duidelijkheid verschaffen. Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd worden gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen bijvoorbeeld naar zuilenstructuren, zuilen en/of pilasters van tempels. Transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen. Er kunnen dan concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw of verbouw in bestaande (monumentale) omgevingen betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te 'begrijpen' als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door eenvoud verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden helderheid en complexiteit daarom als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in een evenwichtige en spanningsvolle relatie. Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst. Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben, maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. 5. GEBIEDSGERICHTE (SNELTOETS) CRITERIA Gebiedsgerichte criteria Naast de algemene welstandscriteria, welke een gebouw op zich beoordelen, bestaan er criteria die eisen stellen aan bouwwerken in relatie tot de omgeving van dat bouwwerk: de gebiedsgerichte welstandscriteria. In dit hoofdstuk zijn per deelgebied gebiedsgerichte welstandscriteria geformuleerd. Vertrekpunt voor het bepalen van gebiedsgerichte criteria is de ruimtelijke hoofdstructuur, verfijnd in een gebiedstypologiekaart en gebiedsbeschrijving. Op de typologiekaart worden de verschillende gebiedstypen in landelijke en dorpsgebieden onderscheiden. De gebiedsbeschrijving gaat in op het voorkomen, de oorsprong en de karakteristieken van de verschillende gebieden en gebiedsdelen. Op basis van inventarisatie en analyse kunnen de belangrijkste karakteristieken bepaald worden. Deze vormen de aandachtspunten voor de gebiedsgerichte welstandsnota. Binnen één type gebied kunnen meerdere welstandseenheden voorkomen. De keuze voor een bepaald welstandsniveau (VRIJ, BASIS, PLUS of BIJZONDER) in een bepaald (gedeelte) van een gebiedstype wordt bepaald vanuit de volgende invalshoeken: 1) de ruimtelijke karakteristiek en samenhang tussen cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur, 2) de cultuurhistorische kwaliteiten en 3) de dynamiek van de bouwopgave 1 Zie voor uitgebreide toelichting deel A - paragraaf 2.2.3 . Voor elk gebied is een set met gebiedsgerichte criteria opgesteld (zie hieronder). Voor grenssituaties en ingrepen van grote invloed zijn algemene beleidsregels opgenomen. Een begrippenlijst en een uitleg van bouwkundige termen is als bijlage bij deze welstandsnota gevoegd. In de navolgende paragrafen is achtereenvolgens ingegaan op: De ontstaansgeschiedenis en ruimtelijke hoofdstructuur van de gemeente; De historisch gegroeide gebieden (H-gebieden); De planmatig aangelegde woongebieden (W-gebieden); De bedrijventerreinen (B-gebieden); De groengebieden (G-gebieden), waaronder het buitengebied (G6). Gebiedsgerichte sneltoetscriteria Voor veel voorkomende kleine bouwplannen (licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken) gelden in eerste instantie de algemene sneltoetscriteria, zoals benoemd in deel B – hoofdstuk 7. Het gaat hier bijvoorbeeld om kleine bouwplannen ter uitbreiding van of toevoeging aan een bestaand gebouw (zoals aanbouwen, uitbouwen en al of niet vrijstaande bijgebouwen). Ook kunnen het kleine bouwplannen zijn, die onderdeel uitmaken van een bouwplan voor een nieuw gebouw. In bepaalde gevallen gelden aanvullend op deze algemene sneltoetscriteria gebiedsgerichte sneltoetscriteria. Deze zijn gerelateerd aan een bepaald type architectuur in een bepaald gebied en zijn in tabelvorm weergegeven onder de tabel met gebiedsgerichte criteria. In hoofdstuk 7 ‘Algemene sneltoetscriteria’ is, indien van toepassing, een verwijzing opgenomen naar deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria. De (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria zijn niet alleen van toepassing voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, maar ook voor regulierbouwvergunningplichtige bouwwerken, die alleen maar in sommige gevallen lichtbouwvergunningplichtig zijn. Het betreft hier allereerst grotere aanbouwen, uitbouwen, vrijstaande en nietvrijstaande bijgebouwen en overkappingen. Deze regulierbouwvergunningplichtige bouwwerken worden ook getoetst aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria, omdat zij in vorm en functie lijken op de licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Besloten is om niet apart voor deze grotere bouwwerken gebiedsgerichte criteria op te nemen. Om de leesbaarheid en hanteerbaarheid zo groot mogelijk te houden gelden dus voor alle aanbouwen, uitbouwen, vrijstaande en niet vrijstaande bijgebouwen en overkappingen de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria. Ook dakkapellen kunnen soms regulierbouwvergunningplichtig zijn. Dit is het geval als zij niet op een bestaand gebouw worden geplaatst. Als tijdens de bouw van een woning besloten wordt alsnog een dakkapel te bouwen is deze dakkapel regulierbouwvergunningplichtig en gelden ook hiervoor de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria. Eén welstandstoets Een nieuwbouwplan voor bijvoorbeeld een woning omvat vaak een hoofdgebouw met verschillende onderdelen, zoals aanbouwen, bijgebouwen of dakkapellen. Een dergelijk bouwplan wordt in één keer getoetst aan zowel de (relevante) gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria. Voorbeeld tabel gebiedsgerichte criteria: Gebiedsgerichte criteria voor gebied X Algemene karakteristiek Situering bouwwerk Algemeen geldend: criteria voor rooilijn, plaatsing, oriëntatie. Hoofdvormen bouwwerk Algemeen geldend: criteria voor relatie vorm bouwwerk tot hoofdvormen in gebied. Gevelaanzichten Algemeen geldend: criteria in relatie tot gevelaanzichten in gebied. Materialisatie en detaillering bouwwerk Algemeen geldend: criteria in relatie tot materialisatie en detaillering van bouwwerken in gebied. Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen. Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria. Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte. Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte. Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing. Hieronder is een voorbeeld opgenomen van een tabel met gebiedsgerichte (sneltoets)criteria. Voorbeeld tabel gebiedsgerichte sneltoetscriteria: Gebiedsgerichte sneltoetscriteria aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen Gelden aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X. vrijstaande bijgebouwen en overkappingen Gelden aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X. kozijn- en gevelwijzigingen Gelden aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X. Dakkapellen Gelden aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X. erfafscheidingen Gelden aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X. Dakramen Gelden aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X. Zonnepanelen, -collectoren Gelden aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X. spriet-, staaf- en schotelantennes Gelden aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X. Rolhekken, luiken en rolluiken Gelden aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X. Globale ruimtelijke ontwikkeling Landschap 2 Voor de beschrijving van de landschappelijke structuur is gebruik gemaakt van het ‘Groenstructuurplan Albrandswaard’, Hollandschap, juni 1996. Oorspronkelijk was het grondgebied van de gemeente Albrandswaard onderdeel van de Delta waar de Hollandsche IJssel in uitmondde. Rond 1100 was sprake van een gebied dat bestond uit talloze veeneilanden, slikken en gorzen tussen een stelsel van rivieren, kreken en geulen. De hoogste eilandjes werden het eerst bewoond. Het gebied nabij Poortugaal is één van de eerst bewoonde gebieden (ter hoogte van het voormalige kasteel Valckensteyn). Het land van Poortugaal was al in 1288 bedijkt. Na verloop van tijd verlandden diverse drassige geulen, waarna de ontstane opwassen (zandplaten) werden bedijkt. Door deze bedijking versmalden de beddingen van de rivieren en nam de stroomsnelheid toe. De aanslibbingen kregen vervolgens langgerekte vormen. Vanaf de 16e eeuw wordt het gebied schilsgewijs in zuidelijke richting uitgebreid door het bedijken van de nieuwe aanslibbingen. Deze nieuwere gebieden noemt men aanwassen. Het patroon van dijken bepaalt nog steeds de hoofdstructuur van het landschap. Plaatselijk is de dijk niet meer herkenbaar. Dit is met name het geval bij kruisingen met hoofdwegen. Kernen en nederzettingen 3 Voor de beschrijving van de kernen en nederzettingen is gebruik gemaakt van de gemeentelijke website www.albrandswaard.nl Rhoon De geschiedenis van de kern Rhoon start aan het begin van de dertiende eeuw. Om precies te zijn in 1199, toen Biggo van Duyvenland een plaat (stuk hoger gelegen grond) in de Oude Maas als leengoed ter beschikking kreeg. Door het indijken van de landplaat ontstaat er een nederzetting, die als het begin van de kern Rhoon gezien kan worden. Na het indijken liet Biggo van Duyvenland een kasteel bouwen. Dit kasteel is niet bewaard gebleven maar vernietigd door de Elisabethsvloed van 1421. Het huidige kasteel is na deze vloed gebouwd. Ook de kenmerkende kerk en het Wapen van Rhoon (voormalige Huis te Pendrecht) dateren van na de vloed. Deze gebouwen markeren het oude centrum van Rhoon. Over een echte dorpskern kan niet gesproken worden, Rhoon strekte zich namelijk uit over de Oude Zeedijk. In de eeuwen die volgden na de eerste indijking van de landplaat door van Duyvenland hebben velen gewerkt aan het verder indijken van omliggende polders. Rhoon wordt daarom gekarakteriseerd als dijkdorp. De straatnamen in Rhoon herinneren nog aan de periodes van indijkingen. Eeuwenlang houden de dorpelingen zich bezig met landbouw, tuinbouw en veeteelt. Met de komst van de havengebonden bedrijvigheid in Rotterdam omstreeks 1930, werkten vele arbeiders in die regio. Ook werkten veel arbeiders in de petrochemische industrie in het Botlek en Europoortgebied. De grootste uitbreidingen van Rhoon begonnen in de periode van de Wederopbouw. Na de Tweede Wereldoorlog werden verschillende wijken gebouwd, het inwoneraantal groeide daarmee gestaag. Carnisselande en Portland vormen samen de zogenaamde VINEX locatie Midden IJsselmonde. In dit gebied worden tot 2007 10.000 woningen gebouwd. Hiervan komen er uiteindelijk 7.600 op Barendrechts grondgebied, de locatie Carnisselande. 2.400 woningen komen op het grondgebied van Albrandswaard, in de aangrenzende locatie Portland. De vinexlocatie voorziet niet alleen in woningen. In Portelandsehoek zijn plannen voor een supermarkt, zorgwoningen voor ouderen, sociaal-cultureel centrum, een basisschool en een sporthal. Poortugaal De geschiedenis van het dorp Poortugaal begon al in de vijfde eeuw voor Christus. De bewoners uit die tijd zijn door een sterke getijdenwerking van de kreek waar ze aan woonden weer verjaagd. Het gebied is daarna enkele eeuwen onbewoond gebleven totdat de Romeinen in de tweede eeuw na Christus op hun beurt probeerden om het gebied bewoonbaar te maken. Echter ook zij hielden het in midden van de derde eeuw voor gezien. Tot aan de negende eeuw na Christus bleef het huidige Poortugaal onbewoond. Rond 1170 begonnen de toenmalige inwoners van het dorp door middel van dijken zichzelf beter te beschermen tegen het wassende water. Door deze bedijking ontstond een droge polder van maar liefst 95 hectare. In het centrum van deze nederzetting stonden in eerste instantie een huisje, toren en kerkje, allen van hout. Tegen de zuidelijke dijk woonden de mensen zonder eigen land. Tezamen vormde dit het dorpje Poortugaal. De kerk in het gebied was van een adellijke heer van buiten het dorp. Deze kerk werd begin dertiende eeuw vervangen door een stenen kerk. De buitengewone ligging buiten het dorp is te danken aan het feit dat de kerk van deze adellijke heer was. In de geschiedenis van Poortugaal komt ook een kasteel voor. In de veertiende eeuw werd het kasteel Valckesteyn gebouwd. Het kasteel had een belangrijke militaire waarde en was bovendien in gebruik als gevangenis. Het kasteel is in de negentiende eeuw gesloopt. Op de huidige plek van het kasteel bevindt zich nu het bos Valckesteyn. Oorspronkelijk bestond Poortugaal uit een aantal boerderijen rond een cirkelvormig stuk grasland (te vergelijken met een donknederzetting). Deze centrale ruimte is later volgebouwd, zodat deze structuur niet meer als zodanig herkenbaar is. Na de Tweede Wereldoorlog kende Poortugaal, net als Rhoon, een snelle uitbreiding van verschillende wijken. Historisch gegroeide woon en gemengde gebieden (H-gebieden) Historisch gegroeide woon en gemengde gebieden zijn op verschillende manieren ontstaan. De landschappelijke en historische ontwikkeling van de gebieden zijn bepalend geweest voor de historische identiteit. Welstandseenheden Dorpen en steden kunnen op verschillende wijzen ontstaan en gegroeid zijn. De landschappelijk ontwikkeling, situering langs oude hoofdwegen en knooppunten maar ook strategische plekken zijn hierin bepalend geweest. In de gemeente Albrandswaard zijn de kernen ontstaan door inpoldering van de Oude Maas. In Albrandswaard kan onderscheid worden gemaakt in de verschillende wijze waarop de gebieden zijn ontstaan. Historische linten: Dijk- en weglint (H4). Om gebieden te beschermen tegen overstromingen zijn dijken opgeworpen. Vanaf de dijklinten is het gebied landinwaarts verkaveld en in cultuur gebracht. De bebouwing aan de linten komt zowel op de dijk als aan voet van de dijk voor. Polderlint (H6). Langs de weteringen in de poldergebieden zijn verschillende linten ontstaan. De bebouwing aan het polderlint heeft overwegend dezelfde richting als de verkaveling. In onderstaand schema wordt aangegeven welke typologie aan de historische gebieden kan worden toegeschreven. De nummers verwijzen naar de gebieds/typologiebeschrijvingen met bijbehorende criteria. Daarnaast corresponderen zij met de legendaeenheden van de typologiekaart. Gebiedscode naam gebied Typologiebeschrijving Woon- en gemengde gebieden met een duidelijke relatie met de cultuurhistorie H4.1 centrumgebieden van Rhoon en Poortugaal Dijk- en weglint – dorpsgebied H4.2 Poortugaal: Welhoeksdijk, Albrandswaardsedijk (gedeeltelijk), Slotsedijk Rhoon: Rhoonsedijk, Dorpsdijk, Rijsdijk, Essendijk (gedeeltelijk), Tijsjesdijk en Kleidijk (voor zover gelegen binnen de kom). Dijk- en weglint – uitloper/buurtschap H4.3 Poortugaal gedeelte van de Dorpsstraat, Kikkerstraat, Emmastraat en F. vd Poest Clementlaan. Rhoon gedeelte Dorpsdijk Dorpsgebied H6.2 Rhoon: Oud Rhoonse Dijk, Molendijk, Kleidijk, Achterdijk Polderlint - uitloper/buurtschap H4 Dijklint Dijklinten bevinden zich langs de grote rivieren. Kenmerkend is het hoogteverschil, de positie van de bebouwing ten opzichte van de dijk en de dichtheid van de bebouwing. Vanaf 1200 worden de nederzettingen in de regio Rijnmond omdijkt en ontstonden er dijklinten. In deze regio was men genoodzaakt zich op of aan de voet van de dijk te vestigen, vanwege overstromingsgevaar in het achterland. Na de realisatie van de Deltawerken hebben veel dijken in deze regio hun primaire waterkerende functie verloren. Welstandseenheden Tussen de dijklinten bestaat verschil in dichtheid en in beleving van open of beslotenheid. Op sommige plekken zijn nederzettingen en buurtschappen ontstaan en op andere is het dijklint juist landelijk gebleven. Om deze verschillen in dijklinten te accentueren worden verschillende welstandseenheden onderscheiden. Er is een verschil gemaakt in 'dorpse dijklinten' (H4.1), 'uitlopers’ (H4.2) en ‘karakteristieke dorpsgezicht’(H4.3). Voor elk van deze welstandseenheden gelden aparte criteria. In de inleiding van dit hoofdstuk is aangegeven welke straten of delen daarvan in de dorpsgebieden of uitlopers zijn ingedeeld. Op de typologiekaart zijn de verschillende typen dijklinten met bovenstaande coderingen aangegeven. Hieronder zijn de verschillende typen nader uitgewerkt en is per type een niveau van welstand bepaald en zijn criteria benoemd. H4.1 Dorpse dijklinten Dorpse dijklinten worden gevormd door een fysieke verdichting in bebouwing en een visuele verdichting in het beeld. Historische dorpsgebieden zijn ontstaan als een verdichting van de dijklinten. In deze verdichtingen vestigden zich naast de agrarische functie ook de dienstverlenende en de maatschappelijke functies. Rhoon Het centrumgebied van Rhoon concentreert zich tussen de Rijsdijk, Dorpsdijk en het Strawinskiplein waar het winkelcentrum is gelegen. Dit centrumgebied bestaat grofweg uit twee delen. Ten eerste het deel ten westen van de Dorpsdijk. Hier is nog gedeeltelijk de oude lintbebouwing van de dijk terug te vinden. Daaronder bevinden zich ook nog een aantal zeer karakteristieke pandjes zoals ‘’t Boerderijtje’. Verder is de bebouwing zeer gemengd, zowel qua functie als architectuur. De bebouwing aan deze zijde bestaat voornamelijk uit twee of meer aangebouwde panden, terwijl de verderop het lint de bebouwing wat losser van structuur wordt. Op dit punt haakt ook de Rijsdijk aan op de dorpsdijk. Vanwege deze hogere dichtheid én de kruising van twee belangrijke wegen (lees: dijken) is het gebied te kenmerken als centrumgebied. Later is het dorp naar noordelijke en zuidelijke richting over de dorpsdijk uitgebreid. Het tweede deel van het centrum bestaat uit het Strawinskiplein en omgeving. Dit winkelcentrum is gebouwd in de jaren ’80 om het voorzieningenniveau op peil te brengen met groeiende bevolking. Het winkelcentrum is haaks op het oude lint gebouwd waardoor ter hoogte van het centrum een verwijding van het relatief smalle lintprofiel ontstaat. Dit wordt nog eens versterkt doordat het winkelcentrum als U-vorm ontworpen is met de parkeerplaats in het midden. Hierdoor ontstaat een grote openbare ruimte. De hoofdbouwvorm in het centrum van Rhoon bestaat voornamelijk uit één tot 2 bouwlagen met een kap. Er komen in het centrum verschillende kapvormen en –richtingen voor. De meest voorkomende kapvorm is het zadeldak, evenwijdig aan de straat. In het centrumgebied van Rhoon worden, met uitzondering van het winkelcentrum en omgeving, uitsluitend natuurlijke materialen gebruikt. De gevels bestaan uit baksteen, al dan niet voorzien van stucwerk. De daken bestaan voor het grootste gedeelte uit (gebakken) pannen. Voor het centrumgebied van Rhoon is een beeldkwaliteitplan in ontwikkeling. Dit plan is, ten tijde van het opstellen van deze nota, reeds in concept gereed. Het beeldkwaliteitplan doet uitspraken over ontwikkelingen in het centrum en heeft in die context dus een directe relatie met de criteria zoals deze in de welstandsnota opgenomen zijn. Elementen uit het beeldkwaliteitplan die gaan over het bouwen zijn vertaald in de criteria zoals opgenomen in dit hoofdstuk. Aanbevelingen die betrekking hebben op inrichting van de openbare ruimte of beplanting vallen bij de context van deze nota en zijn daarom ook niet opgenomen. Poortugaal Het dorpsgebied van Poortugaal is wat complexer dan dat van Rhoon. Dit komt voornamelijk door de ontstaanswijze en –geschiedenis. Poortugaal is in eerste instantie ontstaan als een aantal boerderijen, gegroepeerd in een ronde vorm met een open ruimte daartussen. Later is deze open ruimte volgebouwd en is het dorp qua structuur veranderd. Anno 2003 lijkt het centrum van het dorp Poortugaal dan ook sterk op een dijklint. Daarom is ervoor gekozen dat, ondanks een iets andere ontstaansgeschiedenis, dit dorp toch mee te nemen in beschrijving van dorpse dijklinten. Verschillende wegen in het centrum (Schoolstraat, Dorpsstraat en Achterweg) kruisen elkaar, iedere weg met zijn eigen bebouwing. In het centrumgebied liggen nog enkele voorname panden zoals het voormalige gemeentehuis van Poortugaal en het ‘Wapen van Poortugaal’. De straatjes in het centrum zijn krap opgezet, het openbare profiel is krapper dan het profiel zoals dat in Rhoon te zien is. De bebouwing in deze straatjes in heel divers. Alle verschillende pandjes vormen samen wel één gesloten straatwand. De woningen zijn relatief laag, vaak één tot anderhalve bouwlaag maar bijna altijd met een kap. In de verschillende straatjes komen zowel langskappen als dwarskappen voor. Vele verschillende kapvormen zijn vertegenwoordigd. De panden hebben een divers kleurgebruik. De oudere, historische panden zoals het voormalig gemeentehuis, zijn gebouwd in een donkere kleur baksteen. De accenten zijn licht gekleurd. Ook zijn de gevels enkele panden, zoals het Wapen van Poortugaal, wit geschilderd of gekeimd. De bebouwing in het oude centrumgebied van Poortugaal is veelal wat rijker gedetailleerd dan bebouwing in de omgeving, zoals op de foto’s hierboven te zien is. Er wordt gebruikt gemaakt van detaillering en accenten in het metselwerk. Bij verschillende gebouwen zijn ook de dakgoot en de gootklossen voorzien van de nodige detaillering. Welstandsniveau Voor deze gebieden is het BIJZONDER niveau van welstand van toepassing. Het welstandsbeleid is gericht op het handhaven van de ruimtelijke kwaliteit van het dorpse dijklint en het bewaren van de eenvoud in hoofdbouwvormen en kleurgebruik. Criteria Voor de dorpse dijklinten (H4.1) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. Deze zijn in het schema gescheiden en staan respectievelijk boven en onder de stippellijn. De gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw. Gebiedsgerichte criteria voor dijklinten in de gemeente Albrandswaard; dorps ‑H4.1 Een dorps dijklint is ontstaan vanuit een verdichting in het dijklint. De bebouwing bestaat uit een mix van staafvormige bouwmassa's en kleinere bouwmassa's waarbij de hoofdbouwmassa op de kruin van de dijk gesitueerd is. De bebouwing in de dorpse dijklinten staat dicht op de weg en de rooilijn van de gebouwen volgt de loop van het dijklint. In de dorpse dijklinten bepalen de gesloten tot half-open rooilijnen de structuur van het occupatiepatroon. Er zijn twee typen hoofdbouwmassa’s in het gebied te onderscheiden: Type A: staafvormige boerderijachtige bouwmassa’s. Type B: kleinere staaf- en blokvormige bouwmassa’s. Bij vervanging en nieuwbouw van een hoofdbouwmassa kan één van de hiervoor genoemde typen teruggebouwd worden. Voor monumentale / cultuurhistorisch waardevolle panden of gevelwanddelen dient bij vervanging hetzelfde type te worden teruggebouwd. Onderstaand schema geeft de criteria per type aan. Situering van het bouwwerk Type A Type B Rooilijn: Gebogen rooilijn, volgt de weg. Zijdelingse afstand: Los van elkaar. Zijdelingse afstand: Aan elkaar (gesloten van bebouwing, clusters van bebouwing) Situering van het bouwwerk Type A Type B Oriëntatie: Haaks op de straat (dwarsrichting). Indien gelegen op of aan een feitelijke dijk: hoofdbebouwing is gesitueerd op de kruin van de dijk. Indien niet gelegen aan een dijk: oriëntatie op de ruimtelijk belangrijkste openbare ruimte of straat. Oriëntatie: Rhoon; J. Louwerensplein/Strawinskyplein Alzijdige oriëntatie (alle gevels dienen representatief te zijn alsof het voorgevels waren) Overige dorpsgebieden Evenwijdig aan de straat (langsrichting). Indien gelegen op of aan een feitelijke dijk: hoofdbebouwing is gesitueerd op de kruin van de dijk. Indien niet gelegen aan een dijk: oriëntatie op de ruimtelijk belangrijkste openbare ruimte of straat. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: Per erf of kavel is er één hoofdbouwmassa. Staafvormig, liggend. Bouwmassa: Per erf of kavel is er één hoofdbouwmassa. Staafvormig, liggend en blokvormig. Bouwhoogte: Hoogtevariatie van 1 tot 1,5 bouwlaag met kap, passend in de gevelwand. Bouwhoogte: Rhoon; J. Louwerensplein/Strawinskyplein Één bouwlaag met daarboven eventueel een bijzonder dakopbouw of kapconstructie. Rest dorpsgebied Rhoon en Poortugaal Hoogtevariatie tot 2 bouwlagen met kap, passend in de gevelwand. Gevelaanzichten van het bouwwerk Kapvorm: Forse kappen. Hoofdvorm is een zadeldak of schilddak Kapvorm: Rhoon; J. Louwerensplein/Strawinskyplein Platte afdekking of bijzonder dakopbouw of kapconstructie Rest dorpsgebied Rhoon en Poortugaal Hoofdvorm is een zadeldak of mansardekap. Daken mogen met overstek worden toegepast. Type A Type B Gevelaanzichten van het bouwwerk Kaprichting: Haaks op de straat (dwarsrichting). Kaprichting: Rhoon; J. Louwerensplein/Strawinskyplein Kaprichting niet van toepassing. Aansluiten bij bestaande dakopbouwen of kapconstructies. Rest dorpsgebied Rhoon en Poortugaal Evenwijdig aan (langsrichting) of haaks op (dwarsrichting) de straat. Gevelopbouw Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel maar is te onderscheiden in boven- en onderstuk. Onderstuk is overwegend niet symmetrisch, bovenstuk geheel symmetrisch. Gevelgeleding: Voorgevel van het hoofdgebouw heeft een verticale geleding. Gebruik van staande ramen. Parcelering bij grotere bouwvolumes. Toepassen van een plint is niet toegestaan een functionele dorpel daarentegen wel. Bij (ver)nieuwbouw bestaande waardevolle gevelkarakteristieken (zoals klok-, lijst- of tuitgevels) behouden Plasticiteit: In de voorgevel mogen geen balkons sneltoetscriteria. Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze: Rhoon Begane grond: overwegend glas Overige bouwlagen: traditioneel, baksteen en stucwerk. Accenten in metaal, aluminium, staal, hout, glas en beton. Kunststof gevelbekleding is uitgesloten. Rhoon; J. Louwerensplein / Strawinskyplein modern, glas, (roestvast) staal, aluminium, e.d. Poortugaal Kozijnen: hout of goedgelijkende andere materialen. Dakbedekking: (gebakken) niet geglazuurde pannen. Gevel: bakstenen, stucwerk of gekeimd. Materiaalkleur: Rhoon Gevels in warme en natuurlijke (aarde)tinten. Poortugaal Baksteenkleur: donkere tinten. Stucwerk of gekeimd: witte of lichte kleuren, aansluitend bij toegepaste kleurstellingen in de omgeving. Kozijnkleur: Oudhollandse kleuren. Detaillering: Toegevoegde elementen zelfstandig vormgeven in de lijn van de architectuur van het geheel. Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen. Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria. Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte. Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte. Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing. Gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor H4.1 Dijklint; dorps De gebiedsgerichte sneltoetscriteria gelden aanvullend op de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7. Bij strijdigheid prevaleren deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria boven de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7. Type bouwwerk Criteria Aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen aan de voorkant en aan de achterkant Aan de achterkant situeren, naast de hoofdbebouwing is mogelijk, mits plaatsing 3 meter achter voorgevelrooilijn, mits de breedte van de ‘kruin’ van de dijk het toelaat. Materiaal, kleur en detailleringniveau van aan- of uitbouw afstemmen op dat van het hoofdgebouw. Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. Vrijstaande bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant Aan de achterkant situeren. In de dorpsgebied van Rhoon zijn luifels en overkappingen aan de voorzijde van het gebouw niet toegestaan. Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaal van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. Kozijn- en gevelwijzigingen Bij kozijn- en gevelwijzingen dient het oorspronkelijk ontwerp als uitgangspunt. Bij nieuwe winkelpuien afstemming zoeken in ritmiek van de pui- en gevelstructuur tussen begane grondgevel en bovengevel. Het samenvoegen van meerdere panden door het toepassen van luifels of andere geveltoevoegingen is niet toegestaan. Deze moeten altijd de oorspronkelijke gevelindeling van het individuele gebouw volgen en afgestemd zijn op de materiaalkeuze en kleurstelling van het bestaande hoofdgebouw. Detaillering van de oorspronkelijke/historische bebouwing met rolbogen, sluitstenen, speklagen e.d. is richtinggevend. Met name (winkel)puien op hoeken verdienen een zeer zorgvuldige vormgeving. Behoud en respect voor oorspronkelijke raamindeling. Behoud van en respect voor oorspronkelijke ornamentiek. Dakkapellen Dakkapellen aan de voorkant in maatvoering minimaliseren en passend in de architectuur van het hoofdgebouw. Geen dakopbouwen en doorgetrokken gevels. Aangekapte dakkapel is mogelijk. Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met hoofdbebouwing essentieel. Erfafscheidingen Uitsluitend erfafscheidingen in metselwerk, begroeiing/ hagen of houten of ijzeren hekwerken, passend bij de karakteristiek van de bebouwing en inrichting van de openbare ruimte. H4.2 Uitlopers en buurtschappen De uitlopers van dijklinten zijn kleine clusters van bebouwing, soms op de kruin en soms aan de voet van de dijk gelegen; soms direct aan de kern, als uitloper van de verdichting in de dorpskern en soms als buurtschap solitair aan de dijk. Rhoon De uitlopers in Rhoon zijn zeer duidelijk herkenbaar. De linten komen veelal vanaf het buitengebied en lopen helemaal door tot aan het centrum van het dorp dat als H4.1 is getypeerd. In de loop van de tijd zijn sommige linten doorbroken door grote infrastructurele lijnen. Een voorbeeld daarvan is de Kleidijk. Deze is doorsneden door de Groene Kruisweg. De fragmenten van de Kleidijk zijn echter nog wel als uitloper herkenbaar en ook als zodanig getypeerd. Ook de Dorpsdijk wordt doorsneden door dezelfde Groene Kruisweg. De bebouwing langs deze dijken is in principe vergelijkbaar met de centrumgebieden. Het grote verschil is vaak terug te vinden in de oorspronkelijke functie van het gebouw en de situering. De uitlopers zijn vaak wat minder dicht bebouwd. Er zijn meer doorzichten naar wat vroeger het buitengebied was. Dit buitengebied is op veel plaatsen al bebouwd. Zo was vroeger vanaf de Rijsdijk een open zicht richting het buitengebied. Na de realisatie van de woonwijk ten noorden van de dijk (Ghijseland e.o.) zijn de doorzichten naar het buitengebied verdwenen. Bij deze dijk is echter nog wel aan beide zijden de dijklintbebouwing herkenbaar. Bij de Tijsjesdijk en de Dorpsdijk (tussen de Korhoenlaan en Zwaluwenlaan) is het een andere situatie. De Dorpsdijk is in dit stuk van oorsprong alleen aan de westzijde bebouwd. Aan de oostzijde was er een open zicht over de Jan Cornelispolder. Hetzelfde geldt voor de Tijsjesdijk, waar aan de zuidoostkant open zicht was over Het Buitenland en de Zegenpolder. Aan de dijken komt een variatie aan bebouwingsvormen voor uit verschillende bouwperioden. Veelal is de bebouwing vrijstaand of halfvrijstaand met een hoogte van 1 of 2 bouwlagen met een kap. Af en toe is er als inbreiding een rijtje van drie of meer woningen opgenomen. Voor de panden wordt veelal gebruikt gemaakt van natuurlijke materialen: de gevels van baksteen en de daken van (gebakken) pannen. Ook wordt er in de linten gebruik gemaakt van hout als hoofdconstructiemiddel. Op de middelste foto hierboven is daar een voorbeeld van weergegeven. De wanden van deze schuur bestaan uit bruin gepotdekseld houtwerk, het dak is voorzien van rode singels. De detaillering van de pand is sober. Poortugaal De uitlopers van de dijklinten in Poortugaal hebben een iets ander karakter dan in Rhoon. De twee dijken waar het om gaat, de Albrandswaardsedijk en Welhoeksedijk, liggen aan de rand van het dorp. De dijken zijn aan beide kanten voorzien van vrijstaande bebouwing. Aan de Albrandswaardsedijk komen nog enkele woningen voor die in gebruik waren voor werknemers van het psychiatrisch ziekenhuis. Deze woningen hebben een statig uiterlijk dat wordt bepaald door een hoog opgetrokken gevel waardoor de woningen hoger lijken. Ook hebben de woning een forse goot en gootoverstek waardoor het gebouw als geheel fors oogt. Ten tijde van het bouwen van deze woningen had het ziekenhuis nog niet de omvang die het nu heeft. Verderop staan er aan de dijk nog enkele karakteristiek witte woningen. Deze woningen zijn 1 ½ bouwlaag met een kap. In tegenstelling tot de hierboven beschreven woningen staan deze niet aan de top van de dijk, maar onder aan de dijk. Zoals aan de foto’s hiernaast al te zien is, is het kleurgebruik zeer divers. Er wordt gebruik gemaakt van een donkere kleur baksteen, er komen echter ook witte woningen voor (wit gestuct of gekeimd). Voor de meeste woningen is echter wel gekozen voor het gebruik van natuurlijke materialen. De daken zijn voorzien van een pannen dak. Afhankelijk van de kleur van de gevel is het dak voorzien van rode, donkergrijze of blauwe dakpannen. Uitgangspunt bij de welstandstoetsing moet daarom ook zijn dat de gevels en de daken qua kleur goed bij elkaar aansluiten. Hierboven zijn daarvan enkele geslaagde voorbeelden te zien. De detaillering van de panden is sober. De bebouwing is nauwelijks voorzien van details in het metselwerk of goten. Ook de Welhoeksedijk herbergt een aantal karakteristieke woningen. De dijk sluit nauw aan bij het centrum van Poortugaal. De bebouwingsdichtheid is aan het begin van deze dijk nog relatief hoog. Deze neemt echter snel af als de dijk verder richting het buitengebied gaat. De bebouwing staat dicht op de dijk en bestaat voornamelijk uit kleine blok en staafvormige gebouwen van één tot anderhalve bouwlaag met kap. Eenmaal voorbij de gemeentegrens is er nauwelijks meer bebouwing aanwezig. De bebouwing die wel aanwezig is, bestaat voornamelijk uit vrijstaande agrarische bebouwing (zie ook themablad ‘agrarische bebouwing’, hoofdstuk 6 van deze nota). Welstandsniveau Voor de historische bebouwingslinten wordt een PLUS niveau van welstand gehanteerd. Vanaf deze belangrijke (historische) structuurdragers wordt een gebied het meest intensief beleefd. Daarbij staan langs deze structuren nog veel traditionele historische bebouwing met een relatief hoge cultuurhistorische waarde. Aandacht voor welstand langs deze structuurdragers vormt dan ook een uitgangspunt. Uitzondering hierop vormen een deel van de Dorpsdijk (ter hoogte van het kasteel van Rhoon), de Rijsdijk van het centrum tot aan de Rivierweg en de Albrandswaardsedijk tussen de Kuivelandse Kade en de Albrandswaardse Haven. Voor deze gebieden geldt het BIJZONDER niveau van welstand Criteria Voor de uitlopers/buurtschappen in dijklinten (H4.2) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. Deze zijn in het schema gescheiden en staan respectievelijk boven en onder de stippellijn. De gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw. Gebiedsgerichte criteria voor dijklinten; uitloper/buurtschap - H4.2 Een uitloper/buurtschap bestaat uit een clustering van bebouwing die zowel op de kruin als aan de voet van de dijk is gelegen. De bebouwing is een mix van voornamelijk staafvormige bouwmassa's en enkele kleinere bouwmassa's die gezamenlijk de loop van het dijklint volgen. In de uitlopers/buurtschappen bepalen de open tot half-open rooilijnen de structuur van het occupatiepatroon. Er zijn twee typen hoofdbouwmassa’s in het gebied te onderscheiden: Type A: staafvormige boerderijachtige bouwmassa’s. Type B: kleinere staaf- en blokvormige bouwmassa’s. Type A komt in de uitlopers/buurtschappen het meeste voor. Dit type is aangevuld met bebouwing van het type B. De bebouwing in de uitlopers/buurtschappen ligt de hoofdbebouwing overwegend op de kruin of op de berm van de van de dijk. Bij nieuwbouw- en vervanging van de hoofdbouwmassa kan één van de hiervoor genoemde typen teruggebouwd worden. Voor monumentale / cultuurhistorisch waardevolle panden of gevelwanddelen dient bij vervanging hetzelfde type te worden teruggebouwd. Onderstaand schema geeft de criteria per type aan. Situering van het bouwwerk Type A Type B Rooilijn: De overwegend gebogen, op de weg gerichte, rooilijn dient gerespecteerd te worden. Zijdelingse afstand: De bebouwing is vrijstaand. De openheid tussen de bouwmassa’s dient gehandhaafd te worden. Zijdelingse afstand: De bebouwing is overwegend vrijstaand. De doorzichten naar het achtergebied dienen in acht genomen te worden. Type A Type B Situering van het bouwwerk Oriëntatie: De oriëntatie van de bebouwing is overwegend haaks op de straat (dwarsrichting). Dit beeld dient gerespecteerd te worden. Hoofdbebouwing kunnen zowel aan de voet als op de kruin van de dijk gesitueerd worden. Bij situering aan de voet of in de berm van de dijk verdient de aansluiting van het perceel op het dijklint aandacht. (trappartijen, insteekstraten, inritten e.d.) Oriëntatie: De oriëntatie van de bebouwing is overwegend evenwijdig aan de straat (langsrichting). Dit beeld dient gerespecteerd te worden. Hoofdbebouwing is overwegend gesitueerd op de kruin van de dijk. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: Per erf of kavel is er één hoofdbouwmassa. Staafvormig, liggend. Bouwmassa: Per erf of kavel is er één hoofdbouwmassa. Een hoofdbouwmassa kan uit meerder woningen bestaan. Staafvormig, liggend en blokvormig. Bouwhoogte: Hoogtevariatie van 1 tot 1,5 bouwlaag handhaven. Passend in de gevelwand. Bouwhoogte: Hoogtevariatie van 1 tot 2 bouwlagen handhaven. Passend in de gevelwand. Kapvorm: Hoofdvorm is een zadeldak of schilddak. Kapvorm: Hoofdvorm is een zadeldak of mansardekap. Daken mogen met overstek worden toegepast. Kaprichting: Haaks op het lint (dwarsrichting). Kaprichting: Evenwijdig aan (langsrichting) of haaks op (dwarsrichting) het lint. Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw: Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel maar is te onderscheiden in boven- en onderstuk. Gevelgeleding: Voorgevel van het hoofdgebouw heeft een verticale geleding. Bij (ver)nieuwbouw bestaande waardevolle gevelkarakteristieken (zoals klok-, lijst- of tuitgevels) behouden Gebruik van staande ramen is toegelaten. Type A Type B Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze: Kozijnen: hout of goedgelijkende andere materialen. Dakbedekking: (natuurlijk) riet of (gesmoorde) gebakken pannen. Gevel: bakstenen. Materiaalkeuze: Kozijnen: hout of goedgelijkende andere materialen. Dakbedekking: (gesmoorde) gebakken pannen. Gevel: bakstenen. Materiaalkleur: Baksteenkleur: donkere tinten. Kozijnkleur: Oudhollandse kleuren. Detaillering: Toegevoegde elementen zelfstandig vormgeven in de lijn van de architectuur van het geheel. Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen. Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria. Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte. Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte. Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing. Voor de hiernaast afgebeelde woningen aan de Albrandswaardsedijk gelden zeer specifieke criteria. De gemeente Albrandswaard wil de huidige karakteristiek van deze woningen conserveren vanwege de belangrijke cultuurhistorische waarde van de panden. Deze panden (tevens gemeentelijk monument) kennen dan ook zeer specifieke criteria. Deze worden hieronder opgesomd. Rooilijn: De strakke rooilijn die de dijk volgt dient gehandhaafd te blijven Zijdelingse afstand: De vrijstaande situering van de woningen dient gehandhaafd te blijven Oriëntatie: De op de dijk gerichte oriëntatie dient gehandhaafd te blijven Hoofbouwvorm: Eén hoofdbouwmassa per perceel dient gehandhaafd te blijven Blokvormige bouwmassa handhaven Bouwhoogte van 2,5 laag met flauwe kap handhaven Bestaande kapvorm (samengestelde kap) handhaven Kaprichting haaks op het lint handhaven Gevelaanzicht De gevel bestaat uit één geheel. Vanwege het gebruik van geglazuurde steentjes op dorpelhoogte van de begane grond wordt in mindere mate een plint gesuggereerd. Lijnsymmetrie in de gevel aanwezig. De gevel heeft een sterke verticale geleding. De gevelopeningen zijn verticaal gericht. De plasticiteit bestaat uit een redelijk diepe neggemaat. Overige plasticiteit in de gevel is niet aanwezig en niet wenselijk Materialisering en detaillering Gebruik van donker gekleurde baksteen Gebruik van natuurstenen elementen bij gevelopeningen Gebruik van (gebakken) pannen in een donkere kleur Kozijnen en dakranden in contrasterende, lichte kleur Dorpels in natuursteen Gebruik van geglazuurde steentjes ter hoogte van de dorpellijn Rijk gedetailleerde daklijst Aan voorzijde dakvlak en voorgevel zijn geen aan of uitbouwen of opbouwen toegestaan Gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor H4.2 Dijklint; uitlopers/buurt­schappen De gebiedsgerichte sneltoetscriteria gelden aanvullend op de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7. Bij strijdigheid prevaleren deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria boven de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7. Type bouwwerk Criteria Aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen aan de voorkant en aan de achterkant Uitbreiding aan zijgevel alleen mogelijk als vorm en maat van het perceel daar ruimte voor laat: doorzichten niet dichtzetten. Kapvorm afstemmen op kapvorm van het hoofdgebouw. Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. Vrijstaande bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant Ondergeschikt houden aan het hoofdgebouw, in principe achter het hoofdgebouw niet zichtbaar vanaf de openbare weg. Passend in het ensemble van alle bebouwing op het erf. Kapvorm afstemmen op kapvorm van de hoofdbebouwing. Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. Kozijn- en gevelwijzigingen Bij kozijn- en gevelwijzigingen dient het oorspronkelijk ontwerp als uitgangspunt. Bij nieuwe winkelpuien afstemming zoeken in ritmiek van de pui- en/of gevelstructuur tussen begane grondgevel en bovengevel. Het samenvoegen van meerdere panden door het toepassen van luifels of andere geveltoevoegingen is niet toegestaan. Deze moeten altijd de oorspronkelijke gevelindeling van het individuele gebouw volgen en afgestemd zijn op de materiaalkeuze en kleurstelling van het bestaande hoofdgebouw. Detaillering van de oorspronkelijke historische bebouwing met rolbogen, speklagen e.d. richtinggevend. Met name (winkel)puien op hoeken verdienen een zorgvuldige vormgeving. Behoud van en respect voor oorspronkelijke raamindeling. Behoud van en respect voor oorspronkelijke ornamentiek. Dakkapellen Dakkapellen aan de voorkant in maatvoering minimaliseren en aansluiten bij de architectuur van het hoofdgebouw. Geen dakopbouwen en doorgetrokken gevels. Aangekapte kapel is mogelijk. Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met hoofdbebouwing essentieel. H4.3 Karakteristiek dorpsgezicht Poortugaal en Rhoon zie bijlage H6Polderlint Polderlinten worden gekenmerkt door langgerekte landschappelijke lijnen met bebouwing in verschillende dichtheden. De polderlinten in Albrandswaard zijn verkaveld en in cultuur gebracht vanaf de oeverwallen van de Oude Maas, later gevolgd door binnenwaartse nederzettingen langs de weteringen: de polderlinten. Langs de weteringen zijn verschillende linten ontstaan. De bebouwing aan het polderlint langs de weteringen heeft overwegend dezelfde richting als de verkaveling. Welstandseenheden De dichtheid en de beleving van open dan wel beslotenheid van bebouwing in de polderlinten verschilt. Soms zijn er nederzettingen aan de linten ontstaan. Om deze verschillen in de criteria te laten doorwerken, worden verschillende welstandseenheden onderscheiden. Er is een verschil gemaakt in ‘dorpse polderlinten‘, ‘uitlopers/buurtschappen’ en ‘landelijke polderlinten‘. Voor elk van deze welstandseenheden gelden aparte criteria. In de gemeente Albrandswaard zijn alleen de uitlopers/buurtschappen (H6.2) benoemd. Deze uitlopers bestaan uit de Achterdijk, Kleidijk (gedeeltelijk), Molendijk (gedeeltelijk), Oude Rhoonsedijk, F. v.d. Poest Clementenlaan en Kerkstraat (gedeeltelijk). Op de typologiekaart zijn de uitlopers van de polderlinten met bovenstaande codering aangegeven. Hieronder zijn de uitlopers nader uitgewerkt, is een niveau van welstand bepaald en zijn criteria benoemd. H6.2 Uitlopers en buurtschappen De uitlopers van polderlinten zijn kleine clusters van bebouwing soms direct aan de kern, als uitloper van de verdichting in de dorpskern en soms als buurtschap solitair aan het lint. De bebouwing in de uitlopers en bebouwingsclusters zijn gesitueerd op de kop van de kavel, aan het polderlint (de wetering of de weg). Het type bebouwing verschilt niet ten opzichte van de bebouwing aan landelijke polderlinten, hoewel meer nietagrarische bebouwing voorkomt. De bebouwingsvorm aan deze linten is divers, maar heeft vaak wel een duidelijke richting. De bebouwing is meestal gericht op de weg. Qua architectuur is er niet één duidelijke stroming aan te wijzen. De bebouwing is zeer divers te noemen. Ook de kapvormen variëren sterk. Naast zadeldaken komen mansardekappen en schilddaken voor. Het kleur en materiaalgebruik is ook divers in deze uitlopers. De daken zijn veelal voorzien van een pannen dak. De meest voorkomende kleur voor deze daken is rood of donkergrijs (antraciet). De gevels zijn voornamelijk opgetrokken in baksteen met een middeldonkere tot donkere kleur. Enkele panden zijn wit gestuct of gekeimd. De detaillering van de panden beperkt zich meestal tot de expressionistische bebouwing. Ook functioneel is er een onderverdeling te maken. Langs de uitlopers liggen zowel agrarische bedrijven, oude boerderijen die geen agrarische functies meer hebben en ‘gewone’ burgerwoningen. In de gemeente Albrandswaard zijn een aantal fraaie voorbeelden van voormalige agrarische boerderijen bewaard gebleven zoals op de foto hiernaast te zien is (zie hiervoor ook de themabladen ‘historische boerderijen’ en/of ‘agrarische bedrijfsbebouwing in hoofdstuk 6 van deze nota). Hier is een wit geschilderde boerderij te zien met bijbehorende bijgebouwen. Aan de uitlopers van de polderlinten zijn in de loop der tijd enkele nietagrarische bedrijven gevestigd. Kenmerkend voor de uitlopers (en buurtschappen) is de expressionistische architectuurstijl bij woonbebouwing. Deze woonbebouwing is in de jaren ‘20/30 in de polderlinten gebouwd. Deze bebouwing vormden als het ware de eerste uitbreidingen van de kern. Een goed voorbeeld daarvan is te vinden aan de Molendijk, boven de Stationsstraat (zie hiernaast). Welstandsniveau De dynamiek in de gebieden met gemengde bebouwing is relatief hoog. Functieverandering en ruimtelijke ingrepen zijn hier aan de orde van de dag. Omdat in de gemengde gebieden nog veel traditionele historische bebouwing staat met een relatief hoge cultuurhistorische waarde is extra aandacht voor welstand in deze gebieden gewenst. Derhalve is gekozen voor een PLUS niveau van welstand. Het welstandsbeleid is gericht op het handhaven van de ruimtelijke kwaliteit van het dorpse polderlint en het bewaren van de eenvoud in hoofdbouwvormen en kleurgebruik. Criteria Voor de uitlopers en buurtschappen in polderlinten (H6.2) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. Deze zijn in het schema gescheiden en staan respectievelijk boven en onder de stippellijn. De gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw. Gebiedsgerichte criteria voor polderlinten; uitloper/buurtschap H6.2 Een uitloper/buurtschap aan een polderlint bestaat uit (een opeenvolging van) clusterbebouwing. De clusters vormen soms een eenheid en zijn in de loop der jaren ontstaan en opgebouwd uit een mix van gebouwen uit verschillende tijdsperiodes. Zowel in de van oorsprong agrarische als in de niet-agrarische uitlopers/buurtschappen bepalen de open tot half-open rooilijnen de structuur van het occupatiepatroon. Er zijn drie typen hoofdbouwmassa’s in de gebieden te onderscheiden: Type A: staafvormige boerderijachtige bouwmassa’s met een van oorsprong agrarische functie. Type B: kleinere staaf- en blokvormige bouwmassa’s met een niet agrarische functie. Type C: expressionistische bebouwing. Type A, B en C komen in de polderlinten van dit type naast elkaar voor. Type C is vooral gebouwd in de uitlopers van dorpsgebieden als uitbreiding. Voor dit type gelden aanvullend op de criteria voor type B de criteria zoals vermeld in de tabel ‘A3 – Expressionisme’. Aangezien het type A3 niet verder in Albrandswaard voorkomt, is dit schema in deze paragraaf opgenomen. Situering van het bouwwerk Type A Type B Rooilijn: Rechte en rechtlijnige rooilijnen handhaven. Zijdelingse afstand: Overwegend los van elkaar. Oriëntatie: Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend. Achterzijden van de bebouwing op eilanden tussen twee weteringen en of een wetering en een openbare weg in verband met de zichtbaarheid van de openbare ruimte behandelen als voorzijden. Hoofdvormen van het bouwwerk Type A Type B Bouwmassa: Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw heeft een herhaling van eigenschappen van de landelijke gebouwen zoals in de directe omgeving voorkomende boerderijen, of een bewerking hiervan de voorkeur. Aansluiten bij de staafvormige, (liggende) bouwmassa’s. Bouwmassa: Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw streven naar zorgvuldige inpassing tussen de bestaande bebouwing. Bouwstijl conformeren naar de bouwstijl van de naastgelegen bebouwing. Aansluiten bij de staafvormige, (liggende of staande) en blokvormige bouwmassa’s. Bouwhoogte: Hoogtevariatie van 1 tot 1,5 bouwlaag handhaven, afstemmen op de bebouwingshoogte van de omgeving. Bouwhoogte: Hoogtevariatie van 1 tot 2 bouwlagen met kap handhaven, afstemmen op de bebouwingshoogte van de omgeving. Kapvorm: Forse kappen, hoofdvorm: zadeldak of schilddak Kapvorm: Hoofdvorm: zadeldak, afgeplat tentdak (vooral toepasbaar bij een staande staaf als vorm hoofdbouwmassa) of mansardekap. Daken mogen met overstek worden toegepast. Kaprichting: Haaks op het lint (dwarsrichting). Kaprichting: Evenwijdig (langsrichting) of haaks (langsrichting) op het lint. Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw: Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel maar is te onderscheiden in een dakgedeelte en een onderstuk. De uitstraling van de bouwstijl prevaleert hierbij boven de herkenbaarheid van de functie van het bouwwerk. Gevelgeleding: Voorgevel van het hoofdgebouw heeft een verticale geleding. Gebruik van staande ramen. Geleding passend bij architectuurstijl hoofdbouw. Bij (ver)nieuwbouw bestaande waardevolle gevelkarakteristieken (zoals klok-, lijst- of tuitgevels) behouden Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Type A Type B Materiaalkeuze: Deuren en kozijnen: hout of goedgelijkende andere materialen. Dakbedekking: (gesmoorde) gebakken pannen of (natuurlijk) riet. Gevel: bakstenen. Materiaalkleur: Tegengaan van gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals: oranje gifgroen of fel paars etc. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving passende kleuren hierbij zijn: donkere aardtinten rood en bruin, zwart en donker groen. Kozijnkleur: Oudhollandse kleuren. Baksteenkleur: bij voorkeur rode aardtinten. Keimen, schilderen of stucen met een witte of lichte kleur verf toegestaan, aansluitend bij toegepaste kleurstellingen in de omgeving. Detaillering: Zorgvuldige detaillering aansluitend aan de oorspronkelijke en/of in overeenstemming met de detailleringen van belendingen. Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen. Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria. Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte. Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte. Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing. Voor de expressionistische bebouwing in de H6.2 gebieden geldt het volgende schema met gebiedsgerichte criteria. Aangezien deze nota uitgaat van gebiedsgericht welstandsbeleid en geen objectgericht welstandsbeleid, zijn deze panden niet apart aangegeven. Om te bepalen of een pand behoort tot de stroming van expressionistische architectuur kan Stichting Dorp, Stad en Land om advies gevraagd worden. Gebiedsgerichte criteria voor gebieden met expressionistische bebouwing Type C Individuele objecten Seriematige objecten Situering van het bouwwerk Rooilijn: Aansluiten bij aanwezige rooilijn in gebied. Rooilijn: Aansluiten bij aanwezige rooilijn in gebied. De rooilijn is recht en op accentpunten verspringend. Deze karakteristiek handhaven. Zijdelingse afstand: Doorgaans vrijstaand of halfvrijstaand. Ensembles met individuele bouw onderling: respecteren toegepaste zijdelingse afstand. Zijdelingse afstand: Aaneengesloten. Bouwblokken onderling: respecteren toegepaste zijdelingse afstand. Oriëntatie: De op de straat georiënteerde bebouwingskarakteristiek handhaven. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: De bouwmassa bestaat uit één duidelijke bouwmassa met (niet-)functionele details. Toegepaste vormen: staaf (liggend en staand) of blokvormig – overwegend met kap. Op hoeken accenten in bouwvorm, door toepassen aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen, mits passend in totale gevelwand mogelijk. Bouwhoogte: Bouwhoogte afleiden van bouwhoogte binnen bouwblok, cluster van seriematige vrijstaande of halfvrijstaande gebouwen. Kapvorm: Dakopbouw en dakkapellen toeges

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.