Deze wet, de Algemene Plaatselijke Verordening 2010 van Winterswijk, is een herziene set regels voor de openbare orde, veiligheid en leefbaarheid in de gemeente. Het doel is om de regeldruk voor burgers en bedrijven te verminderen en de verordening te actualiseren.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:
In deze afdeling wordt verstaan onder: - Besluit : het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; - nrichting : een inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; - ouder van een inrichting : degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; - collectieve festiviteit : festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; - incidentele festiviteit : festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen. - geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; - geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; - onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17 , 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door burgemeester en wethouders aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de aanwijzing slechts geldt voor een of meer gebiedsdelen. 3.Voor festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geldt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) tengevolge van muziekactiviteiten niet meer bedraagt dan 65 dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 4.De geluidswaarde als bedoeld in het derde lid is inclusief onversterkte muziek. 5.Bij de vaststelling van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als bedoeld in lid 3 wordt geen toeslag muziekcorrectie berekend. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten 6.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van muziek met een geluidsniveau hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit uiterlijk om 24 uur te worden beëindigd, tenzij burgemeester en wethouders anders hebben bepaald. Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten
In deze afdeling wordt verstaan onder: - wegen : de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b van de Wegenverkeerswet 1994; - voertuigen : alle voertuigen als bedoeld in artikel 1 onder al van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kruiwagens, rolstoelen, kinderwagens en andere kleine voertuigen; - parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 onder ac van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijven e.d. 1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen dan wel de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 2.Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 3.Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon. 4.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.3 Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen wegen of weggedeelten voertuigen te parkeren met het kennelijke doel deze te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5.5 Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben. 2.Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5.6 Caravans e.d. 1.Het is verboden een camper, woonwagen, caravan, keetwagen, aanhanger of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel voor andere doeleinden dan vervoer wordt gebruikt of is bestemd: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op een weg of openbare grond te plaatsen of geplaatst te hebben; b. op een door burgemeester en wethouders bij persoonlijke aanschrijving aangewezen plaats te plaatsen of geplaatst te hebben waar dit naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente of hinderlijk voor anderen is danwel de verkeersveiligheid in gevaar brengt. 2.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Gelders wegenreglement. Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken. 2.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig, dat met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte heeft van meer dan 2,4 meter te parkeren op door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen, waar dit parkeren naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is verboden een voertuig, dat met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, te parkeren op door burgemeester en wethouders aangewezen wegen, waar dit parkeren naar hun oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte. 3.Burgemeester en wethouders kunnen de in het eerste en tweede lid gestelde verboden beperken naar tijd. 4.Burgemeester en wethouders kunnen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel 5.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 5.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of op een niet van de weg deel uitmakende, van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing: a. op wegen als bedoeld in artikel 5.1; b. op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; c. op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd. 3.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.11 Overlast van fietsen en bromfietsen
.2 Beslistermijn Artikel 1.3 Indiening aanvraag Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Artikel 1.7 Termijnen Artikel 1.8 Weigeringsgronden Alinea Hoofdstuk 2 Openbare orde Adeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden Afdeling 2 Betogingen Artikel 2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Afdeling 3 Bruikbaarheid van de weg Artikel 2.3 Voorwerpen of stoffen op, in of boven de weg Artikel 2.4 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Artikel 2.5 Maken en veranderen van een uitweg Afdeling 4 Veiligheid op de weg Artikel 2.6 Veroorzaken van gladheid Artikel 2.7 Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp Artikel 2.8 Openen straatkolken e.d. Artikel 2.9 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Artikel 2.10 Voorzieningen voor verkeer en verlichting Artikel 2.11 Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting Afdeling 5 Droppings Artikel 2.12 Droppings Afdeling 6 Toezicht op evenementen Artikel 2.13 Begripsomschrijving Artikel 2.14 Evenementen Artikel 2.15 Ordeverstoring bij evenementen Afdeling 7 Toezicht op horecabedrijven Artikel 2.16 Begripsomschrijvingen Artikel 2.17 Terrassen Artikel 2.18 Sluitingstijden Artikel 2.19 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting Artikel 2.20 Aanwezigheid in gesloten inrichting Artikel 2.21 Ordeverstoring Afdeling 8 Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2.22 Begripsomschrijvingen Artikel 2.23 Exploitatievergunning speelgelegenheid Afdeling 9 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2.24 Betreden gesloten woning Artikel 2.25 Plakken en kladden Artikel 2.26 Vervoer inbrekerswerktuigen Artikel 2.27 Hinderlijk gedrag op of aan de weg Artikel 2.28 Hinderlijk drankgebruik Artikel 2.29 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Artikel 2.30 Neerzetten van fietsen e.d. Artikel 2.31 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Artikel 2.32 Slapen op of aan de weg Artikel 2.33 Bedelarij Artikel 2.34 Loslopende honden Artikel 2.35 Verontreiniging door honden Artikel 2.36 Gevaarlijke honden Artikel 2.37 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Artikel 2.38 Loslopend vee en pluimvee Afdeling 10 Vuurwerk/carbid Artikel 2.39 Begripsomschrijving Artikel 2.40 Bezigen van vuurwerk Artikel 2.41 Carbidschieten Afdeling 11 Drugsoverlast Artikel 2.42 Verbod drugshandel op straat Afdeling 12 Veiligheidsrisicogebieden Artikel 2.43 Veiligheidsrisicogebieden Artikel 2.44 Cameratoezicht op openbare plaatsen Alinea Hoofdstuk 3Prostitutie en seksinrichtingen Afdeling
en nadere regels Artikel 3.
.2 Bevoegd bestuursorgaan Artikel 3.3 Nadere regels Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d. Artikel 3.4 Exploitatievergunning seksinrichtingen Artikel 3.5 Gedragseisen exploitant en beheerder Artikel 3.6 Sluitingstijden Artikel 3.7 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting Artikel 3.8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder Artikel 3.9 Raam- en straatprostitutie Artikel 3.10 Sekswinkels Artikel 3.11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch- pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Afdeling 3 Weigeringsgronden Artikel 3.12 Weigeringsgronden Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel 3.13 Beëindiging exploitatie3 Artikel 3.14 Wijziging beheer Alinea Hoofdstuk 4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voorhet uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1 Geluidhinder Artikel 4.
.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten Artikel 4.4 Overige vormen van geluidhinder Afdeling 2 Maatregelen tegen verontreiniging, stankoverlast en ontsiering Artikel 4.5 Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg Artikel 4.6 Natuurlijke behoefte doen Artikel 4.7 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen Afdeling 3 Voorwerpen/stoffen op of aan onroerende zaken Artikel 4.8 Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ingekuilde landbouwprodukten e.d. Artikel 4.9 Handelsreclame Afdeling 4 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4.10 Begripsomschrijving Artikel 4.11 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Artikel 4.12 Aanwijzing kampeerplaatsen Afdeling 5 Beschermde planten Artikel 4.13 Beschermde planten Alinea Hoofdstuk 5Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling 1 Parkeerexcessen Artikel 5.
Artikel 5.3 Te koop aanbieden van voertuigen Artikel 5.4 Defecte voertuigen Artikel 5.5 Voertuigwrakken Artikel 5.6 Caravans e.d. Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen Artikel 5.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen Artikel 5.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Artikel 5.11 Overlast van fietsen en bromfietsen Afdeling 2 Collecteren en verkopen Artikel 5.12 Inzameling van geld of goed Artikel 5.13 Venten e.d. Artikel 5.14 Standplaatsen en uitstallingen Afdeling 3 Crossterreinen en natuurgebieden Art. 5:15 Begripsbepalingen Artikel 5.15a Crossterreinen Artikel 5.16 Beperking verkeer in natuurgebieden Artkel 5.17 Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen Afdeling 4 Verbod om vuur te stoken / rookverbod Artikel 5.17 Verbod afvalstoffen buiten inrichtingen te verbranden of anderszins vuur te stoken Artikel 5.18 Rookverbod Afdeling 5Verstrooiing van as Artikel 5.19 Begripsomschrijving Artikel 5.20 Verbod incidentele asverstrooiing Artikel 5.21 Verbod incidentele asverstrooiing ingeval van hinder en overlast Alinea Hoofdstuk 6Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6.1 Strafbepaling Artikel 6.2 Toezichthouders Artikel 6.3 Binnentreden van woningen Artikel 6.4 Inwerkingtreding Artikel 6.5 Overgangsbepaling Artikel 6.6 Aanhalingstitel Toelichting hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Algemeen Hoofdstuk 1 van de verordening bevat een aantal procedurevoorschriften en een aantal algemene bepalingen. Het aantal procedurevoorschriften is beperkt. De reden hiervoor is dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) algemene regels geeft betreffende de aanvraag, de behandeling en de verlening van een vergunning of ontheffing. De APV bevat slechts procedurevoorschriften indien: een afwijking van de hoofdregel in de Algemene wet bestuursrecht noodzakelijk is; de regels een aanvulling vormen op de hoofdregel in de Algemene wet bestuursrecht; deze regels facultatief zijn. In het kader van de toepassing en uitvoering van de APV worden verschillende soorten besluiten genomen, te weten: algemeen verbindende voorschriften, namelijk daar waar het bestuursorgaan op grond van de verordening de bevoegdheid heeft om nadere regels te stellen; besluiten van algemene strekking, bijvoorbeeld gebiedsaanwijzingen op basis van een APV-bepaling; beleidsregels, ter invulling van op de verordening gebaseerde beleidsvrijheid; beschikkingen, het verlenen of weigeren van vergunningen of ontheffingen die op basis van de APV verplicht zijn voordat een bepaalde activiteit kan worden ondernomen. Alle hier genoemde besluiten zijn besluiten in de zin van de Awb. In artikel 1:3 van de Awb wordt het begrip "besluit" immers als volgt omschreven: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Artikel 1.
In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling of paragraaf definities opgenomen. Deze definities kunnen afwijken van de in artikel 1.1 opgenomen definities. Zie de definitie van "weg" in de afdeling "parkeerexcessen". Ten aanzien van de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt: A. Weg De meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De in artikel 1.1 gegeven omschrijving van "weg" is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de Wegenverkeerswet 1994 (en die van de verschillende provinciale wegenreglementen). Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip "weg": a. de "(openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); b. de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen: c. de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder uiteenlopende formuleringen - voorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen. De volgorde is die van eng naar ruim: "openbare wegen" zijn ook "wegen die voor het openbaar verkeer open staan", maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de "voor het publiek toegankelijke plaatsen" kunnen de "openbare wegen" en de overige "voor het openbaar verkeer openstaande wegen" gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput. De wegenverkeerswetgeving heeft slechts betrekking op wegen in eigenlijke zin. De bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever strekt zich echter óók uit tot andere voor het publiek toegankelijke plaatsen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 1930 volgt dat niet het juridisch karakter van een plaats, maar het feitelijk karakter doorslaggevend is voor de vraag of de gemeenteraad nadere regels mag stellen in het belang van de openbare orde. Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 april 1967, (APV Eindhoven), wordt duidelijk dat onder "voor het publiek toegankelijke plaatsen " moet worden verstaan alle openbare én niet openbare plaatsen welke in feite voor het publiek toegankelijk zijn. Dat de toegang tot bedoelde plaatsen mogelijk aan beperkingen onderhevig is - bijvoorbeeld door de betaling van entreegeld - doet daaraan in beginsel niet af. De conclusie die kan worden getrokken is deze, dat de gemeentelijke wetgever bevoegd is ten aanzien van alle feitelijk voor het publiek toegankelijke plaatsen regels vast te stellen - zulks ongeacht de eigendomssituatie met betrekking tot deze plaatsen - voorzover dat nodig is in het belang van de gemeentelijke huishouding. Uiteraard mogen deze regels de rechten van de eigenaars niet illusoir maken en moeten de grenzen gelegen in hogere wetgeving (o.a. wegenverkeerswetgeving en Wegenwet) in acht worden genomen. Over de vier onderdelen van de omschrijving van het begrip "weg" in artikel 1.1 kan het volgende worden opgemerkt: Onderdeel 1 Teneinde verwarring te voorkomen wordt door de verwijzing de letterlijke tekst van artikel 1 WVW 1994 overgenomen. In artikel 1, eerste lid, onder B, zijn wegen gedefinieerd als: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Ook de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen worden daaronder begrepen geacht. Om iedere twijfel weg te nemen is een expliciete verwijzing naar parkeerterreinen gehandhaafd. Hiermee worden bedoeld: alle als zodanig herkenbare parkeerterreinen die - al dan niet tegen betaling - toegankelijk zijn voor het publiek. Onderdeel 2 Door opneming van de woorden "al dan niet met enige beperking" is buiten kijf gesteld, dat bepaalde voorwaarden voor de toegankelijkheid, zoals de betaling van entreegeld, er niet aan af doen dat gesproken kan worden van "weg", indien de desbetreffende plaats in feite voor het publiek toegankelijk is. Onderdelen 3 en 4 In de onderdelen 3 en 4 wordt een onderscheid gemaakt tussen stoepen, trappen, portieken enz., die "uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven" (onder 3) en andere stoepen en trappen enz. (onder 4). De eerstbedoelde categorie valt alleen onder het begrip "weg" indien deze niet afsluitbaar zijn. Daarmee worden galerijen in portiekgebouwen enz. uitgezonderd gehouden van het begrip "weg", óók indien het hek of de deur niet is afgesloten ("afsluitbaar"). Bij de onder 4 bedoelde categorie speelt de mogelijkheid van afsluiting op zich geen rol; het feitelijk voor het publiek toegankelijk zijn, bepaalt of de APV van toepassing is. Bij deze categorie moet gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. In recentelijk gebouwde winkelcentra vindt men steeds meer kleine, veelal overdekte straatjes die voor het doorgaande verkeer nauwelijks een functie hebben. Sommige van deze bewust smal gehouden doorgangen of "passages" worden gedurende de avond- en nachtelijke uren afgesloten, omdat het uitoefenen van toezicht alsdan onmogelijk is. Ter verklaring van de zinsnede "die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is" wordt het volgende vermeld. Op de wegen in de zin van de Wegenwet kan het publiek vrijelijk vertoeven omdat het rechtens daartoe bevoegd is. In het bijzonder heeft de zakelijk gerechtigde op de betrokken weg niet de mogelijkheid hierin verandering te brengen. Bij andere wegen heeft de term "openbaar" slechts de betekenis van "feitelijk voor het publiek toegankelijk". Het publiek heeft toegang tot deze wegen krachtens gedogen van de zakelijk gerechtigde. Mits hij zich niet bij overeenkomst terzake heeft gebonden, is de zakelijk gerechtigde naar burgerlijk recht te allen tijde bevoegd in het gebruik van de weg door het publiek wijziging te brengen dan wel dit gebruik te beëindigen. Het mag duidelijk zijn dat in het geval de zakelijk gerechtigde het publiek de toegang ontzegt, op de desbetreffende weg de APV niet (meer) van toepassing is. Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De term "aan de weg" duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. B. Openbaar water Een "openbaar water" in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat voor enig gebruik open staat voor het publiek. "Openbaar" is hier dus synoniem aan "feitelijk voor het publiek toegankelijk". C. Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt (zijn) tot de bebouwde kom. Voor het begrip "bebouwde kom" kan aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de Wegenwet. D. Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. E. Voertuigen De verwijzing naar artikel 1, onder a en onder al van het RVV 1990 voorkomt verwarring over de inhoud van het begrip voertuigen. In artikel 1, onder a, worden aanhangwagens gedefinieerd als: voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers. In artikel 1, onder al, worden als voertuigen genoemd:, fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. De APV zondert van deze voertuigen uit: a. treinen en trams en b. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. F. Bouwwerk Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de (Model-)bouwverordening: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”. G.Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”. H. Vee: Voor de uitleg van het begrip vee is aangesloten bij de Meststoffenwet. In Bijlage A van deze wet worden als diersoorten genoemd: rundvee, varkens, kippen, kalkoenen, schapen, vossen, nertsen, geiten, eenden, konijnen en parelhoenders. I. Pluimvee Onder pluimvee moet worden verstaan vogels als kippen, eenden, ganzen en kalkoenen die gefokt worden voor hun vlees of eieren. J. Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid, dat zich volgens constante jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d. Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip "reclame" dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot "handelsreclame" heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Bij handelsreclame staat dus een materiële doelstelling voorop. Uiteraard zal de grens tussen handelsreclame en reclame voor ideële doeleinden niet altijd even scherp zijn. Het vorenstaande betekent overigens niet dat handelsreclame niet beschermd wordt. Voorschriften betreffende handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel. K. Geluidsapparaat Niet elk apparaat dat geluid voortbrengt is een geluidsapparaaat; het apparaat moet ook ten doel hebben om geluid voort te brengen. Bij geluidsapparaten moet dus vooral gedacht worden aan muziekapparatuur. L. Samenscholing Omdat niet elke groepsvorming als samenscholing wordt aangemerkt en het begrip samenscholing verschillend kan worden uitgelegd, is hiervan een begripsomschrijving opgenomen. Artikel 1.2 Beslistermijn Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Op deze wijze kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In deze APV is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid Awb wordt gesteld. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgewerkt. De meer ingewikkelde aanvragen echter, zeker die waarvoor de adviezen van meerdere instanties moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld (tweede lid). Uitgangspunt blijft altijd een redelijke termijn. Artikel 4:14 Awb verplicht uiteraard tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan. Dienstenrichtlijn Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn van artikel 1:2 voldoet daaraan. Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium. De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht worden. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting. Ontvangstbevestiging Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13, vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd. De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn, de beschikbare rechtsmiddelen en indien van toepassing de vermelding dat bij het uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex silencio. Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde instantie dient te verrichten, indien door het doen van die melding en een bij wettelijk voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot of de uitoefening van een dienst. Opschorting van de termijn Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip waarop alle documenten zijn ingediend. Artikel 13, zesde lid bepaalt dat wanneer een aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt meegedeeld dat hij aanvullende documenten moet verstrekken, en, in voorkomend geval, welke gevolgen dit heeft voor de in artikel 13, derde lid, bedoelde termijn. Hiermee wordt bedoeld dat moet worden meegedeeld dat de termijn pas aanvangt als de gevraagde documenten zijn ontvangen. Deze regeling wijkt af van die van artikel 4:15 Awb : de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Als de aanvraag is aangevuld, loopt de termijn weer verder door. Wabo De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd. Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd. De wegaanlegvergunning (art 2:4) valt onder de Wabo, en ook onder bepaalde omstandigheden het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (art 2:3). De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:3). De vergunning voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. Artikel 1.3 Indiening aanvraag In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel ("kan") laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten. Met het oog op de vergunningen die niet binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken. Deze termijn van acht weken geldt met name voor de meer ingewikkelde vergunningsaanvragen waarbij advies bij meerdere instanties ingewonnen moet worden en de vergunningsaanvraag gepubliceerd wordt. Wel zal het bevoegde bestuursorgaan vooraf in een uitvoeringsbesluit moeten aangeven op welke vergunningen en/of ontheffingen deze verlengde termijn van toepassing is. Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Deze voorschriften mogen uitsluitend strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen. Uiteraard is bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is vereist. Dienstenrichtlijn Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het commentaar onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningvoorwaarden is voldaan. In de algemene strafbepaling die in deze APV is opgenomen (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn. Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning of ontheffing. Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde. Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer enz. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de drank- en horecavergunning. Dit hangt samen met de omstandigheid dat de vereiste diploma’s, leeftijd en gedragingen van de exploitant en bedrijfsleider(s) in belangrijke mate bepalend zijn voor het verkrijgen van een vergunning. Als een persoonlijke vergunning kunnen ook de standplaatsvergunning en de ventvergunning worden beschouwd. Dit hangt samen zowel met het - persoonlijke - karakter van de ambulante handel als met de omstandigheid dat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen veelal verre overtreft, wat het bestuur noodzaakt een restrictief beleid te voeren. Het zou onredelijk zijn als een standplaats- of ventvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat. Een zuiver voorbeeld van een zakelijke vergunning is de vergunning op grond van de Wet milieubeheer. Deze vergunning is van de persoon van de aanvrager of vergunninghouder onafhankelijk. Indien in de verordening of in de vergunning is bepaald dat deze vergunning persoonsgebonden is, terwijl deze vergunning toch vooral verband houdt met de aard van het object waarop zij betrekking heeft, zal deze vergunning weliswaar niet automatisch overgaan op de rechtsopvolger doch aan hem in vele gevallen ook niet licht geweigerd kunnen worden. Een "gemengd" karakter heeft de ontheffing van de sluitingstijden voor horecabedrijven. De voorschriften met betrekking tot de sluitingstijden van horecabedrijven moeten in de eerste plaats gezien worden als bepalingen die ten doel hebben geluidhinder en andere overlast, die ontstaan door het 's avonds en 's nachts drijven van een "inrichting", te voorkomen of te beperken. In zoverre kan men zeggen dat een ontheffing sluitingsuur een zakelijk karakter draagt. Aan de andere kant dient bedacht te worden dat de persoon van de exploitant bij de beslissing inzake de ontheffingsverlening niet geheel onbelangrijk is en dat bovendien sprake is van een ontheffing (dus een uitzondering op het verbod). Uitgangspunt in deze APV is de persoonsgebondenheid van de vergunning of ontheffing. Hiervan kan worden afgeweken door toevoeging van de zinsnede "tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald." en expliciete vermelding van het zakelijk karakter in de desbetreffende APV-bepaling of de vergunning of ontheffing. Indien de vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtverkrijgende geldt, verdient het aanbeveling het voorschrift op te nemen dat de houder ervan in geval van rechtsovergang verplicht is hiervan binnen twee weken schriftelijk mededeling te doen aan het bevoegde orgaan, met vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing. Aldus blijft het bevoegde orgaan op de hoogte van de feitelijke houder van de vergunning of ontheffing. Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking. Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen als wordt voldaan aan artikel 4:8 Awb. Ook indien er niet exact sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:8 Awb doet het bestuursorgaan gelet op een zorgvuldige besluitvorming er goed aan de vergunninghouder te horen voordat tot intrekking of wijziging van de vergunning wordt overgegaan. Ingeval van een wijziging of intrekking die het gevolg is van een algemene beleidsbeslissing van het bestuursorgaan, is het echter vaak niet doenlijk om alle betrokkenen te horen. Wel is het dan gewenst om met vertegenwoordigers van belanghebbenden te overleggen. Artikel 1.7 Termijnen Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Artikel 11 van de D
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.