← Nederland

Beheersverordening Vollenhove en Blokzijl (Steenwijkerland)

Kort samengevat

Deze beheersverordening stelt regels vast voor het gebruik en de bebouwing van gronden in Vollenhove en Blokzijl, gemeente Steenwijkerland. Het doel is om de ruimtelijke ordening en de kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Regels beheersverordening Vollenhove en BlokzijlInhoudsopgave regels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Bedrijf Artikel 5 Bedrijf - Gasontvangstation Artikel 6 Bedrijf - Nutsvoorziening Artikel 7 Bedrijf - Opslag Artikel 8 Bedrijventerrein Artikel 9 Centrum - Beschermd stadsgezicht Artikel 10 Gemengd - 1 Artikel 11 Gemengd - 4 Artikel 12 Gemengd - Beschermd stadsgezicht Artikel 13 Groen Artikel 14 Groen - Beschermd stadsgezicht Artikel 15 Groen - Park Old Ruitenborgh Artikel 16 Groen - Stadswal Artikel 17 Horeca - Beschermd stadsgezicht Artikel 18 Maatschappelijk Artikel 19 Maatschappelijk - Begraafplaats Artikel 20 Maatschappelijk - Beschermd stadsgezicht Artikel 21 Natuur Artikel 22 Recreatie - Kampeerterrein Artikel 23 Recreatie - Volkstuin Artikel 24 Sport Artikel 25 Tuin Artikel 26 Verkeer Artikel 27 Water Artikel 28 Wonen - 1 Artikel 29 Wonen - 2 Artikel 30 Wonen - 3 Artikel 31 Wonen - Beschermd stadsgezicht Artikel 32 Wonen - Garage Artikel 33 Wonen - Gestapeld Artikel 34 Wonen - Woonschepen Artikel 35 Wonen - Woonwagenstandplaats Artikel 36 Leiding Artikel 37 Waarde - Archeologie 1 Artikel 38 Waarde - Archeologie 2 Artikel 39 Waarde - Blokzijl beschermd stadsgezicht Artikel 40 Waarde - Blokzijl Bierkade en Zeedijk Artikel 41 Waarde - Blokzijl Breestraat Artikel 42 Waarde - Blokzijl Brouwersstraat Artikel 43 Waarde - Blokzijl Domineeswal Artikel 44 Waarde - Blokzijl Groenestraat Artikel 45 Waarde - Blokzijl Kerkstraat Artikel 46 Waarde - Blokzijl Kuinderstraat Artikel 47 Waarde - Blokzijl Noorderkade Artikel 48 Waarde - Blokzijl Oude Verlaat Artikel 49 Waarde - Blokzijl Wortelmarkt Artikel 50 Waarde - Blokzijl Zuiderkade Artikel 51 Waarde - Blokzijl Zuiderstraat Artikel 52 Waarde - Vollenhove Bentstraat Artikel 53 Waarde - Vollenhove beschermd stadsgezicht Artikel 54 Waarde - Vollenhove Bisschopstraat Artikel 55 Waarde - Vollenhove Groenestraat Artikel 56 Waarde - Vollenhove Kerkplein Artikel 57 Waarde - Vollenhove Kerkstraat Artikel 58 Waarde - Vollenhove Old Ruitenborgh en Toutenburg Artikel 59 Waterstaat - Waterkering Artikel 60 Waterstaat - Waterlopen Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 61 Antidubbeltelregel Artikel 62 Algemene bouwregels Artikel 63 Algemene gebruiksregels Artikel 64 Algemene aanduidingsregels Artikel 65 Algemene afwijkingsregels Artikel 66 Overige regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 67 Overgangsrecht Artikel 68 Slotregel Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Toegesneden lijst van bedrijfstypen Bijlage 2 Toegesneden lijst van bedrijfstypen bedrijventerrein Bijlage 3 Overzicht aan huis verbonden beroepen en -bedrijven Bijlage 4 Overzicht monumenten Bijlage 5 Aanwijzingsbesluit beschermd stadsgezicht Blokzijl Bijlage 6 Aanwijzingsbesluit beschermd stadsgezicht Vollenhove Bijlage 7 Kappenkaart Blokzijl Bijlage 8 Kappenkaart Vollenhove Bijlage 9 Straatprofielen Bijlage 10 Kenmerken bouwstijlen Hoofdstuk1Inleidende regels Artikel1Begripp 1.1 beheersverordening: de beheersverordening Vollenhove en Blokzijl van de gemeente Steenwijkerland, bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1708.VollenBlokBV-VA01 met de bijbehorende regels en bijlagen. 1.2 aanbouw/uitbouw: een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw, maar er functioneel onderdeel van uitmaakt. 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan huis verbonden bedrijf: het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten. 1.6 aan huis verbonden beroep: een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten. 1.7 achtererfgebied: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1,00 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. 1.8 agrarisch: het telen van gewassen en/of het houden van dieren. 1.9 agrarisch bedrijf: een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, waaronder tevens wordt verstaan een productiegerichte paardenhouderij, niet zijnde een agrarische nevenactiviteit. 1.10 agrarisch bedrijfsmatig gebruik: het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, ten behoeve van een agrarisch bedrijf met een omvang van minimaal 40 NGE. 1.11 agrarisch dienstverlenend bedrijf: een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht ter productie of levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven. 1.12 agrarisch hobbymatig gebruik: het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren met een omvang van maximaal 20 NGE. 1.13 agrarisch grondgebruik: een agrarische activiteit waarvan de productie afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond. 1.14 ambacht(elijk): het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, ver-/bewerken, herstellen of installeren van goederen, alsook het verkopen en/of leveren, als ondergeschikte activiteit, van goederen die ter plaatse worden vervaardigd, ver- of bewerkt, ondergeschikt aan de woonfunctie. Wanneer deze activiteit in een woning en de daarbij behorende bijgebouwen plaatsvindt, dient de omvang van de activiteit zodanig te zijn dat de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd. 1.15 archeologische deskundige: de provinciaal, gemeentelijk of regionaal archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie. 1.16 archeologisch monument: terrein dat op basis van de Monumentenwet 1988 is aangewezen als beschermd archeologisch monument. 1.17 archeologische verwachting: de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten. 1.18 archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden. 1.19 architectonische waarde: de aan een bouwwerk toegekende waarde in verband met de vormgeving, het materiaalgebruik en/of detaillering. 1.20 automatenhal/speelhal: een gebouw of een gedeelte van een gebouw welk is bestemd en/of wordt gebruikt om het publiek gelegenheid te geven om spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen. 1.21 bebouwde kom in verband met archeologie: voor het bepalen van de bebouwde kom als genoemd in artikel Waarde - Archeologie 1 en artikel Waarde - Archeologie 2 wordt aangesloten bij de bebouwde kom volgens de Wegenwet. 1.22 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.23 bebouwingspercentage: een in de verbeelding of regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd. 1.24 bed & breakfast: het aanbieden van recreatief nachtverblijf in de vorm van logies met ontbijt binnen bestaande gebouwen gericht op kortdurend verblijf, niet zijnde de uitoefening van een hotel, pension of ander bedrijf. Hieronder wordt niet verstaan het overnachten, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijk of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid. 1.25 bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten. Aan huis verbonden beroepen en bedrijven niet daaronder begrepen. 1.26 bedrijfsgebouw: een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten. 1.27 bedrijfsmatig: via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon deelnemen aan het economisch verkeer al dan niet met winstoogmerk, en activiteiten die hiermee naar aard, omvang en regelmaat zijn gelijk te stellen. 1.28 bedrijfsvloeroppervlak: het vloeroppervlak van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten. 1.29 bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, slechts bedoeld voor één huishouden waarvan de huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw en/of terrein. 1.30 beeldkwaliteit: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde met betrekking tot de bouwkundige vormgeving en ruimtelijke en functionele aspecten. 1.31 begane grond: het gedeelte van een gebouw dat gelijk is aan het natuurlijk oppervlak van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging. Is er sprake van hoogteverschillen in het terrein, dan geldt: de hoogte van het hoogst gelegen aansluitende maaiveld of de gemiddelde hoogte daarvan. 1.32 beperkt kwetsbaar object: objecten, niet zijnde een kwetsbaar of bijzonder kwetsbaar object bestemd voor regelmatig of vast verblijf van mensen. 1.33 beschermd stadsgezicht: groepen van onroerende zaken en terreinen, hieronder begrepen bomen, straten, pleinen, bruggen en water, die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meerdere monumenten bevinden en die ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet 1988 als zodanig zijn aangewezen. 1.34 bestaand: situatie ten tijde van de inwerkingtreding van de beheersverordening. 1.35 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak. 1.36 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.37 bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.38 bijgebouw: een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.39 bijzonder kwetsbaar object: een kwetsbaar object zijnde: een gebouw met bijbehorende grond dat bestemd is voor gebruik door of verblijf van personen met lichamelijke of geestelijke beperkingen of voor het opsluiten van personen voor langere tijd, waardoor deze personen geen of gering vermogen hebben zich zelfstandig binnen korte tijd in veiligheid te brengen of bescherming te zoeken voor dreigend gevaar door het vrijkomen van een gevaarlijke stof; een kinderdagverblijf; een school voor basisonderwijs. 1.40 binnenvisserij: beroepsmatige visserij in de Nederlandse binnenwateren. 1.41 biomassa-vergistingsinstallatie: een installatie waarbij minimaal 50% dierlijke mest door toepassing van technieken energie dan wel warmte wordt opgewekt met digestaat als eindproduct. 1.42 boerderijkamer: appartement in een daarvoor ingericht bedrijfsgebouw op een agrarisch bedrijf, ten behoeve van recreatief nachtverblijf. 1.43 boerderijwoning: een complex van ruimten bedoeld voor de huisvesting van één of meerdere afzonderlijke en zelfstandige huishoudens waarbij de karakteristieke hoofdvorm in stand wordt gehouden. 1.44 bomenteelt: het bedrijfsmatig voortbrengen van beplantingsgewassen zoals bos- en haagplantsoen, laan- en parkbomen, vruchtbomen, rozenstruiken, sierconiferen en overige sierheesters, een en ander in de vorm van volle grondsteelt dan wel containerteelt, dan wel glasboomteelt. 1.45 botenhuis: een gebouw ten behoeve van het aanleggen, afmeren en de stalling van boten. 1.46 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.47 bouwgrens: de grens van een bouwvlak. 1.48 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, dakopbouw of setback. 1.49 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.50 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel. 1.51 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.52 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.53 brug: een vaste (of beweegbare) verbinding voor het verkeer tussen twee punten die door water gescheiden zijn. 1.54 buitenopslag/open opslag: het opslaan, of opgeslagen houden van voorwerpen, stoffen of producten en andere materialen op de onbebouwde gronden van de bedrijfspercelen, daaronder mede begrepen de uitstalling ten verkoop, verhuur en dergelijke. 1.55 camperovernachtingsplaats: een kleinschalig kampeerterrein ten behoeve van een kortdurend verblijf voor campers, van maximaal 48 uur. 1.56 carport: een bouwwerk met tenminste een dak en niet, of aan maximaal twee zijden van wanden voorzien, inclusief bestaande wanden. 1.57 coffeeshop: een horecabedrijf, waarin uitsluitend alcoholvrije dranken en eventueel kleine eetwaren worden verstrekt voor gebruik ter plaatse en waar softdrugs worden verstrekt voor gebruik ter plaatse of gebruik elders. 1.58 complementair daghorecabedrijf: een aan de hoofdfunctie ondergeschikt horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag verstrekken van dranken en etenswaren. 1.59 congrescentrum: een gebouw waarin ruimten beschikbaar zijn waarin bijeenkomsten gehouden kunnen worden van kleine of grotere groepen die één of meer dagen over enkele of een aantal met elkaar samenhangende onderwerpen gestructureerd van gedachten wisselen om tot overeenkomst of tot kennisvermeerdering te komen, met de daarbij behorende horeca-activiteiten. 1.60 consument verzorgend ambacht/consument verzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten: het beroepsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot het aan huis verbonden beroep, gericht op consumentverzorging geheel of overwegend door middel van handwerk en waarbij de omvang van de activiteit zodanig is dat als deze in een woning en daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd. 1.61 containerveld: uitgespreid afdekmateriaal, al dan niet op of met ondersteunende constructie, waarbij de relatie van de grond en het te telen product is verbroken en bestemd voor vollegrondsgroente-, fruit-, bloemen-, planten- en boomteelt. 1.62 corsotent: tijdelijk bouwwerk, dat dient als onderkomen voor de opbouw van praalwagens die deelnemen aan het jaarlijkse corso. 1.63 culturele voorzieningen: een atelier, een expositieruimte, een creativiteitscentrum, een museum en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen. 1.64 cultuurgrond: gronden die in cultuur zijn gebracht, waaronder grasland-, akkerbouw- en tuinbouwgrond alsmede grond ten behoeve van de rietteelt. 1.65 cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde gekenmerkt door het beeld dat ontstaan is door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt. 1.66 cultuurlandschappelijke waarden: waarden die ontstaan zijn door het gebruik van de gronden door de mens in de loop van de geschiedenis. 1.67 dagrecreatie: het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats zonder overnachtingsmogelijkheden. 1.68 dak: een uitwendige scheidingsconstructie als bovenafsluiting van een bouwwerk. 1.69 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop, te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren, van goederen aan diegenen die, die goederen kopen respectievelijk huren, voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.70 detailhandel in volumineuze goederen: detailhandel die vanwege de aard en omvang van de gevoerde artikelen een relatief grote oppervlakte nodig heeft voor de uitstalling, zoals de verkoop van auto's, boten, caravans, tuininrichtingsartikelen, grove bouwmaterialen, keukens, sanitair, meubelen, bouwmarkten en detailhandel in landbouwwerktuigen. 1.71 dienstverlening: bedrijf of instelling voor het bedrijfsmatig verrichten van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder in ieder geval zijn begrepen een kapperszaak, schoonheidsinstituut, fotostudio, uitzendbureau, stomerij, wasserette, apotheek, reisbureau en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf, een horecabedrijf, een centrum voor fysiotherapie, een fitnesscentrum, een seksinrichting en een coffeeshop. 1.72 draadomheining en draaderfafscheiding: een omheining of erfafscheiding bestaande uit één of meerdere evenwijdig aan elkaar lopende of haaks op elkaar staande draden. 1.73 eerste bouwlaag: bouwlaag ter plaatse van de begane grond. 1.74 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, mits deze inrichting in overeenstemming is met de beheersverordening. 1.75 erfafscheiding: afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst. 1.76 erker: een ondergeschikte uitbouw op de begane grond van de woning, die strekt ter vergroting van het woongenot. Een erker is gelegen aan de verblijfsruimte en zorgt voor een verbijzondering van de voor- of zijgevel zonder de architectuur wezenlijk aan te tasten. Een erker heeft een diepte van maximaal 1,00 meter en is aan drie zijden geheel of gedeeltelijk voorzien van glas. 1.77 evenement: een activiteit in de openlucht, dan wel in al dan niet tijdelijke tenten of paviljoens, gericht op het bereiken van een algemeen of besloten publiek voor informerende, educatieve, culturele en/of levensbeschouwelijke doeleinden. 1.78 facilitair gebouw: gebouw ten behoeve van de verblijfsrecreatie dat niet gericht is op nachtverblijf maar wordt gebruikt voor de facilitaire voorzieningen van het verblijfsrecreatieterrein. 1.79 facilitaire voorzieningen: voorzieningen die onderdeel uitmaken van de exploitatie van het verblijfsrecreatieterrein ter ondersteuning van de verblijfrecreatie, uitsluitend ten behoeve van sanitaire voorzieningen, opslagruimte, entree, receptie en kantoorruimte, voor zover deze ondergeschikt en inherent zijn aan de verblijfsrecreatieve functie. 1.80 galerie: een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient ten behoeve van tenoonstellings- en verkoopruimte voor kunst. 1.81 gastouderopvang: kinderopvang binnen een gezinssituatie in een woning waar de gastouder zijn hoofdverblijf heeft, als bedoeld in artikel 1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. 1.82 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.83 gebruiksgerichte paardenhouderij: een paardenhouderij, waarbij het gebruik van paarden voorop staat, ten behoeve van recreatie en sport, te onderscheiden in: paardenhouderijen gericht op training van paarden waaronder worden begrepen africhtbedrijven, handels- en springstallen en draf- en renentrainementen; dienstverlenende paardenhouderijen, waaronder worden begrepen manegebedrijven, paardenverhuurbedrijven en pensions; paardenhouderijen ten behoeve van het houden van paarden en pony's voor eigen gebruik, als vrijetijdsbesteding, waaronder tevens begrepen oefenaccommodaties van rijverenigingen. 1.84 geluidzoneringsplichtige inrichting: een inrichting bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een geluidszone als bedoeld in die wet moet worden vastgesteld. 1.85 geschakelde woning: een woning, waarvan het hoofdgebouw door middel van een bijgebouw verbonden is aan een ander (hoofd)gebouw van een andere woning. 1.86 gestapelde woning: een woning in een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat. 1.87 gevellijn: de bouwgrens die (nagenoeg) gelijk loopt aan de as van de weg of het water waarin een (of meer) gevel(

  1. s)van een gebouw is (zijn) geplaatst en die is gelegen aan de weg grenzende perceelsgrens, ofwel de gevellijn als aangeduid op de kaart. 1.88 glastuinbouwbedrijf: een bedrijf gericht op het telen van gewassen door gebruik te maken van kassen. 1.89 groepsaccommodatie: een gebouw dat periodiek dient voor recreatief nachtverblijf, waarbij wordt overnacht in gemeenschappelijke slaapzalen en/of kamers. 1.90 grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf waarvan de productie in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. 1.91 grondgebonden woning: een gebouw dat uitsluitend één woning omvat en waarvan op het bijbehorende bouwperceel geen andere woningen voorkomen. 1.92 hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.93 horeca: het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren en/of logies. 1.94 horeca van categorie 1: een horecabedrijf dat qua exploitatievorm aansluit bij winkelvoorzieningen en waar naast overwegend niet ter plaatse bereide kleinere etenswaren en in hoofdzaak alcoholvrije drank worden verstrekt. 1.95 horeca van categorie 2: een inrichting die is gericht op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse dienen of kunnen worden genuttigd. Daaronder worden begrepen: cafetaria / snackbar, fastfood en broodjeszaak, lunchroom, ijssalon / ijswinkel, koffie en/of theeschenkerij, afhaalcentrum, eetwinkels, restaurant. 1.96 horeca van categorie 3: een inrichting die is gericht op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse, alsmede het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse dienen te worden genuttigd, alsmede de gelegenheid biedt tot dansen. Daaronder worden begrepen: café, bar, grand-café, eetcafé, danscafé, pubs, juice- en healthbar. 1.97 horeca van categorie 4: een inrichting die is gericht op het verstrekken van recreatief nachtverblijf met de daarbij behorende voorzieningen. Daaronder wordt begrepen: hotel, motel, pension en overige logiesverstrekkers. 1.98 horeca van categorie 5: een inrichting die is gericht op het bieden van vermaak en ontspanning (niet zijnde een recreatieve voorziening) en/of het geven van gelegenheid tot de dansbeoefening, al dan niet met live muziek en al dan niet met de verstrekking van dranken en kleine etenswaren. Daaronder worden begrepen: discotheek / dancing, nacht-café en een zalencentrum (met nachtvergunning). 1.99 houtteelt: de bedrijfsmatige uitoefening van uitsluitend de functie houtproductie op gronden die in principe hiervoor tijdelijk worden gebruikt en waarvoor ontheffing is verleend van de melding- en herplantplicht ex artikel 2 en 3 van de Boswet. 1.100 industrieel bedrijf: een bedrijf, dat is gericht op het geheel of overwegend machinaal verkopen van grondstoffen en/of vervaardigen van producten (nijverheids- en productietechnische bedrijven). 1.101 jachthaven: afmeergelegenheid en ligplaats ten behoeve van pleziervaartuigen, daaronder tevens begrepen recreatief nachtverblijf. 1.102 jeugdontmoetingplaats (jop): een onderkomen ten behoeve van een ontmoetingsplek voor jongeren. 1.103 kampeermiddel: een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren; enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 2.1 lid 1a van de Wabo een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is. Eén en ander voor zover genoemde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. 1.104 kampeerterrein: terrein of plaats waarop gelegenheid wordt gegeven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf. 1.105 kantine: een drink- en eetgelegenheid die zich bevindt bij bedrijven, scholen, sportvoorzieningen of andere instanties en die ondergeschikt is aan en uitsluitend ten dienste staat van de hoofdfunctie. 1.106 kantoor: een ruimte die door haar aard, indeling en inrichting is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard. 1.107 karakteristiek/karakteristieke bebouwing: te handhaven gebouw of bouwwerk, dat vanwege zijn architectonische vormgeving, schaal en cultuurhistorische waarde als kenmerkend voor een gebied kan worden beschouwd. 1.108 karakteristieke beplanting: beeldbepalende en/of waardevolle beplanting welke kenmerkend is voor en past bij de omgeving. 1.109 kas: een gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van vruchten, groenten, bloemen of planten. 1.110 kernrandzone: gebied met historisch gegroeide menging van kleinschalige aan buitengebied- en niet aan buitengebied verbonden functies, grenzend aan de bebouwde kom. 1.111 kleinschalig kampeerterrein (mini-camping): terrein of plaats met maximaal 15 kampeerplaatsen, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf, gedurende de periode van 15 maart tot 1 november van elk kalenderjaar. 1.112 kleinschalige bedrijfsmatige activiteit: de in Bijlage 1 (Bedrijvenlijst ontleend aan de brochure Bedrijven en Milieuzonering VNG) genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. 1.113 kwetsbaar object: een gebouw waarbinnen zich gemiddeld meer dan 50 personen bevinden gedurende meer dan 8 uur per dag en meer dan 5 dagen van de week, gedurende een groot deel van het jaar; niet zijnde een kantoor of andersoortige gebouw dat hoort bij een externe veiligheid relevante inrichting; één of meerdere woningen in een gebied dat de bestemming wonen heeft; een water waar woonboten zijn toegestaan; een winkelcentrum, waarbij de begrenzing wordt gevormd door de gebouwen waarin de winkels zijn gevestigd, voor zover dat het gedeelte betreft dat toegankelijk is voor het publiek; gebouwen op een terrein dat specifiek bestemd is voor het concentreren van detailhandelsverkopen voor particuliere consumenten; gebouwen met onderwijsdoeleinden, niet zijnde scholen voor basisonderwijs; een terrein of gebouw dat bestemd is voor recreatieve of culturele doeleinden, waar zich gemiddeld grote aantallen mensen bevinden, gedurende meerdere aaneengesloten dagen of gedurende een aanmerkelijk deel van de dag als dit met regelmaat plaatsvindt gedurende een groot deel van het jaar; objecten n.e.g. waarvan in redelijkheid is vast te stellen dat daar met regelmaat grote aantallen mensen verblijven, gedurende een aantal uren per dag tijdens een groot deel van het jaar. 1.114 lage, niet menstoegankelijke tunnels: niet verankerde, niet menstoegankelijke tunnels van maximaal 1,5 m hoog, die teeltgebonden zijn en uitsluitend tijdens de teeltperiode voor overkapping van gewassen wordt gebruikt. 1.115 landschappelijke waarde: de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur. 1.116 landschapselement: landschapselementen vormen een verzamelbegrip voor bijna alle individuele (biotische) onderdelen met een oppervlakte of een volume, die het landschap mee opbouwen en er een inhoud en identiteit aan geven. Hun ontstaan of voortbestaan is haast altijd op de een of andere manier te danken aan menselijke activiteiten. 1.117 maaiveld: bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging. 1.118 maatschappelijke voorzieningen: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen. 1.119 maatvoeringsvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge een maatvoeringssymbool in het betreffende vlak bepaalde afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en/of aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn toegelaten. manege: 1.120 manege: een niet-agrarisch bedrijf dat derden de mogelijkheid biedt om op het manegeterrein of in de omgeving ervan te rijden en/of te trainen (dressuur) met paarden. 1.121 mantelzorg: zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt gegeven aan een hulpbehoevende door één of meerdere leden van diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening direct voortvloeit uit de sociale relatie. 1.122 milieubelasting: de beïnvloeding van de fysieke omgeving door het veroorzaken van lawaai, stank, hinder en/of door de uitworp van schadelijk (afval-)stoffen daarin. 1.123 milieucategorie: een aan een bedrijfsactiviteit toegekende categorie volgens de in de Bijlage 1 en/of Bijlage 2 bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten. 1.124 monumenten: alle bouwwerken conform artikel 6 Monumentenwet, alsmede gemeentelijke monumenten, zoals park Old Ruitenborgh. 1.125 natuurbeheer: zorg voor onderhoud van het natuurlandschap. 1.126 natuurlijke waarde: de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang. 1.127 nevenactiviteit: een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge deze beheersverordening toegestane hoofdfunctie op een perceel. 1.128 niet-grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf, waaronder in ieder geval worden verstaan: hokdierbedrijven; glastuinbouwbedrijven; gebouwgebonden teeltbedrijven en kwekerijen, zoals champignonteeltbedrijven, witlofkwekerijen, nertsenkwekerijen, sommige viskwekerijen en sommige wormkwekerijen. 1.129 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer. 1.130 oever: de langs een vaarweg aanwezige natuurlijke oever of aangebrachte oevervoorziening met inbegrip van de daarvoor noodzakelijke verankering. 1.131 omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.132 onderbouw/kelder: een gedeelte van een gebouw, dat is gelegen binnen de buitenwerkse gevelvlakken en wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven het peil is gelegen. 1.133 ondergeschikte functie: een functie die qua omvang en uitstraling ondergeschikt is aan een op dezelfde plaats voorkomende (hoofd)functie, maar indien dat in de bestemmingsomschrijving niet expliciet is aangegeven aan die functie niet ten dienste hoeft te staan c.q. daar functioneel mee verbonden hoeft te zijn. 1.134 onderkomens: voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief verblijf. 1.135 openbare nutsvoorziening: een gebouw of bouwwerk dat ten dienste staat van het openbaar energietransport dan wel de telecommunicatie, zoals een schakelkast, een elektriciteitshuisje en een verdeelstation. 1.136 opslag: het bewaren van goederen, materialen en stoffen, al dan niet in combinatie met de productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard. 1.137 overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde met een dak, dat niet of slechts aan één zijde is voorzien van een (bestaande) wand. 1.138 paardenbak: een onoverdekte, als zodanig herkenbare ruimte, al dan niet omsloten, bedoeld voor het trainen, rijden en berijden van paarden en pony's. 1.139 parkeervoorzieningen: een al dan niet overdekte c.q. ondergrondse stallingsgelegenheid ten behoeve van gemotoriseerd verkeer: openbare parkeerplaatsen: parkeerplaatsen die in beginsel openbaar toegankelijk zijn; particuliere parkeerplaatsen: parkeerplaatsen die in beginsel niet openbaar toegankelijk zijn, zoals bijvoorbeeld parkeerplaatsen op eigen terrein. 1.140 parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode plaatsen van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen. 1.141 passantenhaven: verzameling ligplaatsen die recreatievoertuigen de mogelijkheid bieden hun reis tijdelijk te onderbreken en/of recreatief te overnachten voor maximaal 2 x 24 uur. 1.142 peil: voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld; indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (NAP) of het ter plaatse geldende waterpeil. 1.143 perifere detailhandel: detailhandel in producten die qua aard en/of omvang van het aangeboden product niet past binnen binnenstedelijke winkelgebieden, waaronder in elk geval worden verstaan: woninginrichting mits niet groter dan 1.000 m², keukens en badkamers, inclusief tegels en sanitair, bouwmarkten, auto's, motoren, boten, caravans, tenten, tuincentra (inclusief dierenverzorgingsartikelen), autoaccessoires, in directe relatie met inbouw, grove bouwmaterialen en landbouwwerktuigen, brand- en explosiegevaarlijke stoffen en diversen, zoals zonwering, vijvers, zwembaden, tuinhuisjes. 1.144 permanente bewoning: bewoning door een persoon, gezin of andere groep van personen van een gebouw, dan wel een gedeelte daarvan, als hoofdverblijf. 1.145 plaatsgebonden risico: op de grens van of op een plaats buiten een inrichting aanwezige kans op overlijden van een persoon die gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven als gevolg van een ongeval binnen die inrichting, waarbij deze kans is bepaald op grond van regels die daarvoor gelden als vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen; op een locatie buiten een buisleiding, weg of spoorweg aanwezige kans op overlijden van een persoon die gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven als gevolg van een ongeval door getransporteerde gevaarlijke stoffen. 1.146 productiegebonden detailhandel: detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie. 1.147 productiegerichte paardenhouderij: een paardenhouderij welke is gericht op het fokken van paarden die bedoeld en geschikt zijn voor een specifieke taak, waaronder in ieder geval wordt begrepen hengstenstations, paardenmelkerijen, opfokbedrijven voor paarden en pony's, ook merriehouderijen of stoeterijen genaamd. 1.148 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.149 recreatie: activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q. vrijetijdsbesteding. 1.150 recreatief medegebruik: het medegebruik van gronden voor recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, ruitersport en kanovaren, sportvisserijen, alsmede route-ondersteunende voorzieningen, zoals picknick-, uitzicht-, rust- en informatieplaatsen, voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten. 1.151 recreatief nachtverblijf: verblijf door recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben. 1.152 recreatieve bewoning: de bewoning die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie waarbij elders hoofdverblijf wordt gehouden. 1.153 recreatiewoning: een gebouw dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatief gebruik en waarvan de gebruikers elders hun woonverblijf hebben. 1.154 recreatiewoonschip: een hoofdzakelijk niet voor varen bedoeld object dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatieve bewoning en waarvan de gebruikers elders hun woonverblijf hebben. 1.155 risicovolle inrichting: een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (BRZO'99) of het Vuurwerkbesluit. 1.156 rondvaartbedrijf: een bedrijf dat een schip/schepen in eigendom heeft en boottochten/rondvaarten organiseert met de daarbij behorende horeca-activiteiten. 1.157 ruimtelijke kwaliteit: de kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van die ruimte. 1.158 schuilgelegenheid: een bouwwerk dat aan dieren de gelegenheid biedt te schuilen tegen weersinvloeden, waarbij de dieren vrij in en uit kunnen lopen. 1.159 seizoensstandplaats: een aaneengesloten stuk grond op een kampeerterrein, al dan niet afgebakend, waarop krachtens de beheersverordening plaatsen van een kampeermiddel, of meerdere bij elkaar behorende kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf, is toegestaan, gedurende de periode van 15 maart tot 1 november van elk kalenderjaar. 1.160 seksinrichting: de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar in bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.161 serviceshop: een gebouw, of een gedeelte van een gebouw bij een benzinestation waar behalve autogerelateerde artikelen bij wijze van serviceverlening ook artikelen als bijvoorbeeld lectuur, dranken, ijs, en daarmee vergelijkbare versnaperingen en artikelen worden verkocht. 1.162 setback: een dakopbouw die is gelegen ten minste 2,00 meter achter de denkbeeldige verticaal doorgetrokken voorgevel van een gebouw en die een hoogte heeft van maximaal 3,50 meter, gemeten vanaf de bovenkant van de desbetreffende verdiepingsvloer. 1.163 silo: een bouwwerk dat dient voor het opslaan van mest, veevoeder, graan of andere bulkstoffen ten behoeve van het agrarische bedrijf. 1.164 shop-in-shop formule: shops die zijn gevestigd in andere winkels en voor wat betreft oppervlakte daaraan ondergeschikt zijn. Ze voldoen niet aan de definitie van volumineuze detailhandel. Mocht dat wel het geval zijn, dan zouden ze zich immers zelfstandig kunnen vestigen. Dergelijke formules zijn onder andere herkenbaar doordat ze geen onderdeel uit maken van de rechtspersoon van de overkoepelende winkel, ze eigen kassa's hebben, beschikken over eigen personeel en ze eigen reclameuitingen gebruiken. 1.165 sociale veiligheid: een ruimtelijke situatie die overzichtelijk, herkenbaar en sociaal controleerbaar is. 1.166 Staat van bedrijfsactiviteiten: de lijst van bedrijven bevattende basisinformatie voor milieuzonering, zoals die lijst is opgenomen in de Bijlage 1 en/of Bijlage 2 behorende bij deze regels. 1.167 standplaats: het vanaf een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals kraam, wagen of tafel. 1.168 statische opslag: opslag van goederen die naar hun aard weinig verplaatsing behoeven, zoals bijvoorbeeld caravans, campers, boten en (klassieke) auto's. 1.169 spoorwegvoorzieningen: voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van railverkeer, zoals rails, perrons, overkappingen, fietsenstallingen, viaducten en onderdoorgangen, taluds, geluidsschermen, (keer)muren, transformatorgebouwen, stationsvoorzieningen en dergelijke, met uitzondering van een restaurant, boekhandel en daarmee vergelijkbare voorzieningen. 1.170 stedenbouwkundig beeld: het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte. 1.171 straatmeubilair: de op of bij de weg behorende bouwwerken, zoals verkeersgeleiders, verkeersborden, brandkranen, lichtmasten, parkeermeters, stadsplattegronden, oplaadpunten voor elektrische auto's, zitbanken, bloem- en plantenbakken, papier-, glas- en andere inzamelbakken, kunstobjecten, draagconstructies voor reclame alsmede telefooncellen, abri's en andere, hiermee gelijk te stellen bouwwerken. 1.172 supermarkt: een gebouw of een ruimte in een gebouw, welke door zijn inrichting of indeling kennelijk bedoeld is voor detailhandel in (hoofdzakelijk) een grote verscheidenheid aan levensmiddelen door middel van zelfbediening. 1.173 terras: een plek van een horecagelegenheid waar men buiten kan zitten. 1.174 theeschenkerij: een gebouw of een gedeelte daarvan waar overdag bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt. 1.175 tuincentrum: het bedrijfsmatig uitoefenen van detailhandelsactiviteiten ten behoeve van de verkoop van bloemen, planten, heesters en bomen alsmede de voor de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen, parken, plantsoenen en bosschages benodigde hulpmiddelen en gereedschappen. 1.176 tunnelkas: een verankerde, menstoegankelijke kas met een tijdelijk karakter, behorende bij een vollegrondsgroente-, bloemen-, planten- en boomteeltbedrijf ter teeltondersteuning. 1.177 vaartuig: alle soorten van varende en drijvende voorwerpen welke gebezigd kunnen worden e/of ingericht zijn voor vervoer te water van personen en /of goederen waaronder mede vaartuigen dienende tot beoefening van de watersport of in gebruik ten behoeve van de sportvisserij, evenals vaartuigen dienende tot uitvoering van werkzaamheden onder in of boven water zoals baggermolens, zandbakken,vlotten en drijvende inrichtingen, elevators, dokken, sleepboten, duwboten en daarmee gelijk te stellen vaartuigen alsmede woonschepen. 1.178 verbeelding: de weergave van de inhoud van een beheersverordening conform het gestelde in de Regeling Standaarden Ruimtelijke Ordening 2008. Onder het begrip 'verbeelding' wordt zowel de analoge wijze als de digitale wijze verstaan. 1.179 verblijfsrecreatie: het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats waarbij recreatief nachtverblijf centraal staat. 1.180 verdieping: een bouwlaag die is gelegen boven de eerste bouwlaag, welke is gelegen ter plaatse van de begane grond. 1.181 verkeersveiligheid: de veiligheid voor het verkeer die wordt bepaald door de mate van overzichtelijkheid en vrij uitzicht (met name bij kruisingen van wegen en uitritten) en de (mogelijke) effecten van bebouwing en overige inrichtingselementen op de gedragingen van verkeersdeelnemers. 1.182 verkoopvloeroppervlakte: de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel, niet zijnde de netto-vloeroppervlakte. 1.183 volkstuin: een perceel grond dat hetzij als siertuin, hetzij voor de teelt van voedingsgewassen of bloemen en heesters in gebruik is bij een particulier en geen deel uitmaakt van het bouwperceel waarop de woning van de gebruiker staat al dan niet deel uitmakend van een complex. 1.184 voorgevel: gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de weg of het water en die in ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt. 1.185 waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc. 1.186 weg: een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerplaatsen. 1.187 wellness: activiteiten gericht op het lichamelijk welzijn van de mens in de breedste zin van het woord. 1.188 windturbine: een bouwwerk dat dient voor het omzetten van energie van bewegende lucht in andere vormen van energie zoals elektriciteit en warmte. 1.189 woning: een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.190 woningsplitsing: het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer zelfstandige woningen. 1.191 woonark: een object te water, zijnde een woonboot, niet zijnde een woonschip of woonvaartuig, dat feitelijk niet geschikt is om mee te varen en dat wordt gebruikt als of is bestemd tot woon- en/of nachtverblijf. 1.192 woonboot: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd voor de huisvesting van één afzonderlijk en zelfstandig huishouden. 1.193 woonschip: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, zijnde een woonboot die aan romp en opbouw herkenbaar is als een van origine varend schip met een authentieke opbouw. 1.194 woonwagen: een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst, waaronder niet begrepen een caravan. 1.195 woonzorgcomplex: woonvorm, bedoeld voor ouderen die niet geheel zelfstandig kunnen wonen, maar geen behoefte hebben aan intensieve verzorging, zoals dat in een bejaardenhuis het geval is. De zorg wordt op maat verleend. 1.196 zakelijke dienstverlening: het bedrijfsmatig verlenen van diensten, zoals banken, verzekeringswezen, exploitatie van handel in onroerende zaken, adviesbureaus en verhuurbedrijven, met uitsluiting van detailhandel. 1.197 zolder: ruimte(
  2. n)in een gebouw die hoofdzakelijk is (zijn) afgedekt met schuine daken en die geen deel uitmaakt van (
  3. de)daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen. 1.198 zorgboerderij: een voormalige boerderij met de bijbehorende gebouwen, waar woongelegenheid wordt geboden aan en activiteiten plaatsvinden gericht op het bieden van zorg en begeleiding aan personen die begeleid dienen te worden in de leefsituatie en de dagbesteding. Artikel2Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens: tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is. 2.2 het bebouwingspercentage: het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de verbeelding bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen. 2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.6 de hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine. 2.7 de horizontale diepte van een bouwwerk: de lengte van een bouwwerk, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel. 2.8 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/
  4. of)het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.9 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk: de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand. 2.10 de ondergeschikte bouwdelen: bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter. 2.11 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend. 2.12 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Hoofdstuk2Bestemmingsregels Artikel3Agrarisch 3.1 Bestemmingsomschrijving 3.1.1 Algemeen De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: agrarisch bedrijfsmatig gebruik; agrarisch hobbymatig gebruik; een ijsbaan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ijsbaan'; met daaraan ondergeschikt: perceelsontsluitingswegen; recreatief medegebruik; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 3.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 66.1. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: gebouwen ten behoeve van de ijsbaan, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak' ter plaatse van de aanduiding 'ijsbaan'; bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 3.1 genoemde bestemming, zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak'; met inachtneming van de volgende regels (artikel 3.2.2 tot en met 3.2.3). 3.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels: binnen het bouwvlak mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd; het bouwvlak mag tot maximaal 100% worden bebouwd; gebouwen worden met een plat dak afgedekt; de goothoogte van gebouwen bedraagt maximaal 3,00 meter; de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 4,00 meter; voor de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt het bepaalde in artikel 3.2.3. 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen géén bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd, met uitzondering van: omheiningen en/of erfafscheidingen, uitsluitend in de vorm van draadomheiningen en/of draaderfafscheidingen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt; voederruiven, drinkbakken en/of picknickplaatsen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt; paardenbakken uitsluitend voor zover daarvoor een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 3.4.1. 3.3 Specifieke gebruiksregels 3.3.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, anders dan bedoeld in artikel 3.1; paardenbak, terras, tennisbaan en zwembad; het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband; opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, waaronder reclame-uitingen; buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik en anders dan bedoeld in artikel 3.1. 3.4 Afwijken van de gebruiksregels 3.4.1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van paardenbak Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 3.3 ten behoeve van het gebruik van gronden als paardenbak, met dien verstande dat: de paardenbak geen grotere afmeting mag hebben dan 20 x 40 meter; de volledige paardenbak dient te worden gerealiseerd binnen een straal van 70,00 meter gemeten vanaf het hoofdgebouw; de paardenbak op een minimale afstand van 50,00 meter gemeten vanaf woningen van derden dient te worden aangelegd; een goede landschappelijke inpassing dient te zijn gewaarborgd en lichthinder door lichtmasten dient te worden voorkomen; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: het straat- en bebouwingsbeeld; het woon- en leefklimaat; de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; de landschappelijke en/of natuurlijke waarden en/of archeologische waarden van de gronden; de waterstaats- en huishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden; in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte. Artikel4Bedrijf 4.1 Bestemmingsomschrijving 4.1.1 Algemeen De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: ter plaatse reeds legaal bestaande bedrijven, welke aanwezig zijn op het moment dat de beheersverordening in werking treedt; bedrijven en/of het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten die staan vermeld bij milieucategorie 1 en 2, zoals die zijn opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (Bijlage 1 bij deze regels) en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijvenen/of bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van: geluidzoneringsplichtige inrichtingen, en; risicovolle inrichtingen; de verkoop, bouw en verbouw/afbouw van boten en masten en de daarbij behorende voorzieningen, waaronder een botenberging, onderhoudswerkplaats, kantoor, ligplaatsen, mastenberging en spuitplaats, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - jachtwerf'; het opslaan en tanken van motorbrandstoffen met uitzondering van lpg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - brandstof tankpunt'; een palingrokerij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - palingrokerij'; detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel'; een rondvaartbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - rondvaartbedrijf'; met daaraan ondergeschikt: kantoorruimtes; daarbij behorende nutsvoorzieningen; ontsluitings- en parkeervoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 4.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 66.1. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Op de voor 'Bedrijf' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: gebouwen ten behoeve van de in artikel 4.1 genoemde bestemming, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; één bedrijfswoning, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak' ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; de daarbij behorende bijgebouwen, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak' en de aanduiding 'bijgebouwen'; bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 4.1 genoemde bestemming, zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak' en 'bijgebouwen'; met inachtneming van de volgende regels (artikel 4.2.2 tot en met 4.2.6). 4.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels: het bouwvlak wordt voor maximaal 80% per bouwperceel bebouwd; de voorgevels worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens; bedrijfsgebouwen, de bedrijfswoning, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde worden op een afstand van minimaal 3,00 meter uit de zijdelingse perceelsgrens gebouwd; bedrijfsgebouwen worden met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° afgedekt; de goothoogte van een bedrijfsgebouw bedraagt maximaal 5,00 meter, met dien verstande dat: ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' de aangeduide maximale goothoogte geldt; de goothoogte van een bedrijfsgebouw ter plaatse van de aanduiding 'goothoogte' de aangeduide goothoogte of minimaal 0,25 meter minder dan of maximaal 0,25 meter meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'goothoogte' aangeduide goothoogte bedraagt; de bouwhoogte van een bedrijfsgebouw bedraagt maximaal 13,00 meter, met dien verstande dat: ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' de aangeduide maximale bouwhoogte geldt; de bouwhoogte van een bedrijfsgebouw ter plaatse van de aanduiding 'bouwhoogte' de aangeduide bouwhoogte of minimaal 0,25 meter minder dan of maximaal 0,25 meter meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'bouwhoogte' aangeduide bouwhoogte bedraagt; voor de maatvoering met betrekking tot de bedrijfswoning geldt het bepaalde in artikel 4.2.3; voor de maatvoering met betrekking tot bijgebouwen geldt het bepaalde in artikel 4.2.4; voor de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt het bepaalde in artikel 4.2.6. 4.2.3 Bedrijfswoning Voor het bouwen van de bedrijfswoning gelden de volgende regels: ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is slechts één bedrijfswoning toegestaan; de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m³ of maximaal de bestaande inhoud indien deze groter is; de goothoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 5,00 meter; de bouwhoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 10,00 meter; de bedrijfswoning wordt met een kap van minimaal 45° en maximaal 65° afgedekt, met dien verstande dat de kapvorm, zoals opgenomen in de kappenkaarten (Bijlage 7 Kappenkaart Blokzijl of Bijlage 8 Kappenkaart Vollenhove bij deze regels) wordt toegepast. 4.2.4 Bijgebouwen Voor het bouwen van bijgebouwen behorende bij de bedrijfswoning gelden de volgende regels: de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, met uitzondering van carports mag maximaal 50 m² bedragen; bijgebouwen worden met een kap van maximaal 60° afgedekt; de goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3,50 meter; de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 80% van de bouwhoogte van de bedrijfswoning. 4.2.5 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' gelden de volgende regels: de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, met uitzondering van carports mag maximaal 50 m² bedragen; de grond ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' wordt voor maximaal 60% per bouwperceel bebouwd; bijgebouwen worden met een kap van minimaal 45° en maximaal 65° afgedekt, met dien verstande dat de kapvorm, zoals opgenomen in de kappenkaarten (Bijlage 7 Kappenkaart Blokzijl of Bijlage 8 Kappenkaart Vollenhove bij deze regels) wordt toegepast; de goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3,50 meter; de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw; voor de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt het bepaalde in artikel 4.2.6. 4.2.6 Overige regels Voor het overige gelden de volgende regels: de carport wordt op een afstand van minimaal 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van een carport maximaal 3,00 meter bedraagt en de oppervlakte van een carport maximaal 20 m² bedraagt; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 6,00 meter, met uitzondering van: 1.erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter bedraagt en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2,00 meter bedraagt. 4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Afwijken van de bouwregels ten aanzien van het plaatsen van masten ten behoeve van telecommunicatie en alarmering Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.6 ten aanzien van het plaatsen van masten ten behoeve van telecommunicatie en alarmering, welke niet vergunningsvrij zijn, met dien verstande dat: deze passen binnen het stedenbouwkundige en landschappelijk beeld ter plaatse; belangen van derden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; de totale bouwhoogte van de antenne-installatie inclusief bebouwing niet meer dan 40,00 meter bedraagt. 4.3.2 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van bouwen buiten het bouwvlak en/of een hogere goot- en bouwhoogte Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2, ten behoeve van het bouwen buiten het bouwvlak en/of een hogere goot- en bouwhoogte, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - jachtwerf', met dien verstande dat: dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is; de maximale oppervlakte aan bebouwing niet meer bedraagt dan 10% van de binnen het bouwvlak toegestane maximale oppervlakte aan bebouwing; de goothoogte maximaal 10% meer bedraagt dan de binnen hetzelfde bestemmingsvlak aangeduide maximale goothoogte; de bouwhoogte maximaal 10% meer bedraagt dan de binnen hetzelfde bestemmingsvlak aangeduide maximale bouwhoogte; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: het straat- en bebouwingbeeld; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: de vestiging van een bedrijf en/of het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten anders dan bedoeld in artikel 4.1; het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, anders dan bedoeld in artikel 4.1; wonen, anders dan in de bedrijfswoning; mantelzorg in de bedrijfswoning en/of in de bijgebouwen; een aan huis verbonden beroep of bedrijf in de woning en/of in de vrijstaande bijgebouwen, anders dan bedoeld in artikel 4.4.2; gebouwen voor recreatieve bewoning; detailhandel (o.a. perifere detailhandel en detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte goederen) anders dan bedoeld in artikel 4.1.1; shop-in-shop formules; horeca; zelfstandig kantoor; buitenopslag, anders dan bedoeld in artikel 4.1 of als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik en dan niet voor de voorgevel van het hoofdgebouw; het afgraven van gronden. 4.4.2 Aan huis verbonden beroepen Een aan huis verbonden beroep, als opgenomen in het overzicht aan huis verbonden beroepen (Bijlage 3 bij deze regels), is toegestaan onder de volgende voorwaarden: een aan huis verbonden beroep uitsluitend wordt uitgeoefend in de bedrijfswoning of in de daarbij behorende bijgebouwen; maximaal in totaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende bijgebouwen wordt gebruikt voor aan huis verbonden beroep(en); de woonfunctie wordt in overwegende mate gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning wordt niet wezenlijk aangetast; er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarbij minstens één persoon tevens de bewoner van de bedrijfswoning is; er is ten hoogste één reclame-uiting toegestaan met een maximale afmeting van 20 x 30 centimeter; het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving; in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bestaande parkeervoorzieningen niet onevenredig mogen worden belast; er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van detailhandel in aan het betreffende beroep gerelateerde producten, waarvoor maximaal 10% van de voor het aan huis verbonden beroep gebruikte oppervlakte mag worden gebruikt. 4.5 Afwijken van de gebruiksregels 4.5.1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte goederen als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4, ten behoeve van het gebruik voor detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte goederen als nevenactiviteit naast de bedrijfsfunctie, met dien verstande dat: de oppervlakte van productiegebonden detailhandel bedraagt maximaal 10% van het brutovloeroppervlak, tot een maximum van 150 m²; de oppervlakte van afhaalpunten van internetwinkels bedraagt maximaal 15 m², met dien verstande dat detailhandel anders dan in de aan het hoofdassortiment ondergeschikte artikelen niet is toegestaan; etalages niet zijn toegestaan; verkoop van etenswaren, dranken en genotsmiddelen niet is toegestaan; in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 4.5.2 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van mantelzorg Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4, ten behoeve van mantelzorg in de bedrijfswoning of in bestaande bijgebouwen, met dien verstande dat: het oppervlak van de mantelzorgvoorziening in de bedrijfswoning en/of bestaande bijgebouwen maximaal in totaal 75 m² bedraagt, met dien verstande dat de maximale oppervlakte aan bijgebouwen niet meer mag bedragen dan het bepaalde in 4.2.4; de tijdelijkheid in voldoende mate vaststaat; specifiek voor mantelzorg in bestaande vrijstaande bijgebouwen de volgende regels gelden: het vrijstaande bijgebouw dient binnen een afstand van 25,00 meter van de bedrijfswoning te zijn gesitueerd en een ruimtelijke eenheid te vormen met de woning; realisatie van de afhankelijke woonruimte binnen de bedrijfswoning inclusief de aangebouwde bijgebouwen niet mogelijk is; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de verkeersveiligheid; het woon- en leefklimaat; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Artikel5Bedrijf - Gasontvangstation 5.1 Bestemmingsomschrijving 5.1.1 Algemeen De voor 'Bedrijf - Gasontvangstation' aangewezen gronden zijn bestemd voor: de aanleg en instandhouding van een gasontvangstation; ondergrondse en bovengrondse leidingen en toebehoren; met de daarbij behorende: voorzieningen, zoals verharding, wegen, paden, parkeervoorzieningen, lichtvoorzieningen, erf- en terreinafscheidingen en groen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 5.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 66.1. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Algemeen Op de voor 'Bedrijf - Gasontvangstation' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van de in artikel 5.1 genoemde bestemming, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 5.1 genoemde bestemming, zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak'; met inachtneming van de volgende regels (artikel 5.2.2 tot en met 5.2.3). 5.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' het bouwvlak mag tot maximaal 100% worden bebouwd; de goothoogte van gebouwen bedraagt maximaal 4,00 meter; de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 4,00 meter; voor de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt het bepaalde in artikel 5.2.3. 5.2.3 Overige regels Voor het overige gelden de volgende regels: de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 8,00 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen maximaal 3,00 meter bedraagt. 5.3 Specifieke gebruiksregels 5.3.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens; het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband; opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, waaronder reclame-uitingen; buitenopslag, anders dan bedoeld in artikel 5.1 of als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik en dan niet voor de voorgevel van het hoofdgebouw. Artikel6Bedrijf - Nutsvoorziening 6.1 Bestemmingsomschrijving 6.1.1 Algemeen De voor 'Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.nutsvoorzieningen, met de daarbij behorende voorzieningen; met daaraan ondergeschikt: ontsluitingsvoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 6.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 66.1. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Algemeen Op de voor 'Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: gebouwen ten behoeve van de in artikel 6.1 genoemde bestemming, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 6.1 genoemde bestemming, zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak'; met inachtneming van de volgende regels (artikel 6.2.2 tot en met 6.2.3). 6.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels: het bouwvlak mag tot maximaal 100% worden bebouwd; de goothoogte van gebouwen bedraagt maximaal 3,00 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' de aangeduide maximale goothoogte geldt; de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 3,00 meter; voor de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt het bepaalde in artikel 6.2.3. 6.2.3 Overige regels Voor het overige gelden de volgende regels: de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 6,00 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen maximaal 2,00 meter bedraagt. 6.3 Afwijken van de bouwregels 6.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het bouwen van gebouwen ten dienste van nutsvoorzieningen met een grotere bouwhoogte Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 6.2.2, ten behoeve van het bouwen van gebouwen ten dienste van nutsvoorzieningen met een grotere bouwhoogte, met dien verstande dat: de goothoogte maximaal 3,00 meter mag bedragen; de bouwhoogte maximaal 6,00 meter mag bedragen; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: het straat- en bebouwingbeeld; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 6.4 Specifieke gebruiksregels 6.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens; het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband; opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, waaronder reclame-uitingen; buitenopslag, anders dan bedoeld in artikel 6.1 of als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik en dan niet voor de voorgevel van het hoofdgebouw. Artikel7Bedrijf - Opslag 7.1 Bestemmingsomschrijving 7.1.1 Algemeen De voor 'Bedrijf - Opslag' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.de opslag van goederen, met uitzondering van brand- en explosiegevaarlijke stoffen; met daaraan ondergeschikt: ontsluitings- en parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 7.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 66.1. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Algemeen Op de voor 'Bedrijf - Opslag' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: gebouwen ten behoeve van de in artikel 7.1 genoemde bestemming, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; de daarbij behorende bijgebouwen, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak' en de aanduiding 'bijgebouwen'; bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 7.1 genoemde bestemming, zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak'; met inachtneming van de volgende regels (artikel 7.2.2 tot en met 7.2.4). 7.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels: het bouwvlak wordt voor maximaal 100% bebouwd; de voorgevels worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens; gebouwen worden met een kap van maximaal 60° afgedekt; de goothoogte van een bedrijfsgebouw bedraagt maximaal 4,00 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'goothoogte' de aangeduide goothoogte geldt of minimaal 0,25 meter minder dan of maximaal 0,25 meter meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'goothoogte' aangeduide goothoogte; de bouwhoogte van een bedrijfsgebouw bedraagt maximaal 4,00 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwhoogte' de aangeduide bouwhoogte geldt of minimaal 0,25 meter minder dan of maximaal 0,25 meter meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'bouwhoogte' aangeduide bouwhoogte; voor de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt het bepaalde in artikel 7.2.4. 7.2.3 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' gelden de volgende regels: a.de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, met uitzondering van carports mag maximaal bedragen: Oppervlakte bestaand bouwperceel Oppervlakte bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' Bouwperceel tot 350 m² 50 m² Bouwperceel van 350 m² - 700 m² 70 m² Bouwperceel van 700 m² - 1.000 m² 80 m² Bouwperceel vanaf 1.000 m² 100 m² de grond ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' wordt voor maximaal 60% per bouwperceel bebouwd; bijgebouwen worden met een kap van minimaal 45° en maximaal 65° afgedekt, met dien verstande dat de kapvorm, zoals opgenomen in de kappenkaarten (Bijlage 7 Kappenkaart Blokzijl of Bijlage 8 Kappenkaart Vollenhove bij deze regels) wordt toegepast; de goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 4,00 meter; de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw; voor de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt het bepaalde in artikel 7.2.4. 7.2.4 Overige regels Voor het overige gelden de volgende regels: de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 6,00 meter, met uitzondering van: 1.erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter bedraagt en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2,00 meter bedraagt. 7.3 Specifieke gebruiksregels 7.3.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: de vestiging van een bedrijf en/of het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten, anders dan bedoeld in artikel 7.1; het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, anders dan bedoeld in artikel 7.1; zelfstandig kantoor; wonen; detailhandel; horeca; buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik en dan niet voor de voorgevel van het hoofdgebouw. Artikel8Bedrijventerrein 8.1 Bestemmingsomschrijving 8.1.1 Algemeen De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: ter plaatse reeds legaal bestaande bedrijven, welke aanwezig zijn op het moment dat de beheersverordening in werking treedt; bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten die behoren tot milieucategorie 1 tot en met 4, zoals die zijn opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (Bijlage 2 bij de regels) en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van: geluidzoneringsplichtige inrichtingen, en; risicovolle inrichtingen; en met dien verstande dat de volgende milieuzonering in acht wordt genomen: Ter plaatse van de aanduiding: zijn de volgende categorieën bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten, toegestaan: 'bedrijf tot en met categorie 4.1' milieucategorie 1 tot en met 4.1 'bedrijf tot en met categorie 4.2' milieucategorie 1 tot en met 4.2 c.kantoren, als ondergeschikt onderdeel van het bedrijf, dan wel als onderdeel van een bedrijfsverzamelgebouw; met daaraan ondergeschikt: (ontsluitings)wegen en voorzieningen ter ontsluiting van de bedrijven; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; infiltratie- en bergingsvoorzieningen, inclusief benodigde voorzieningen voor voorbehandeling en risicobeperking in verband met het te infiltreren en/of te bergen water. 8.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 66.1. 8.2 Bouwregels 8.2.1 Algemeen Op de voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: gebouwen ten behoeve van de in artikel 8.1 genoemde bestemming, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; één bedrijfswoning, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak' ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; de bij een bedrijfswoning horende bijgebouwen, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 8.1 genoemde bestemming, zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak'; met inachtneming van de volgende regels (artikel 8.2.2 tot en met 8.2.5). 8.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels: de voorgevels worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens; de gebouwen worden op een afstand van minimaal 4,00 meter uit de zijdelingse perceelsgrens gebouwd; bedrijfsgebouwen worden met een kap van maximaal 60° afgedekt; de goothoogte van een bedrijfsgebouw bedraagt maximaal 6,50 meter; de bouwhoogte van een bedrijfsgebouw bedraagt maximaal 10,00 meter; voor de maatvoering van de bedrijfswoning geldt het bepaalde in artikel 8.2.3; voor de maatvoering van de bijgebouwen bij de bedrijfswoning geldt het bepaalde in artikel 8.2.4; voor de maatvoering van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt het bepaalde in artikel 8.2.5. 8.2.3 Bedrijfswoning Voor het bouwen van de bedrijfswoning gelden de volgende regels: per bedrijf is slechts één bedrijfswoning toegestaan; de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m³ of maximaal de bestaande inhoud indien deze groter is; de goothoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 5,50 meter; de bouwhoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 10,00 meter; de bedrijfswoning wordt met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° afgedekt. 8.2.4 Bijgebouwen Voor het bouwen van bijgebouwen behorende bij de bedrijfswoning gelden de volgende regels: de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, met uitzondering van carports mag maximaal 50 m² bedragen; bijgebouwen worden met een kap van maximaal 60° afgedekt; de goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3,50 meter; de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 80% van de bouwhoogte van de bedrijfswoning. 8.2.5 Overige regels Voor het overige gelden de volgende regels: de carport wordt op een afstand van minimaal 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van een carport maximaal 3,00 meter bedraagt en de oppervlakte van een carport maximaal 20 m² bedraagt; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 10,00 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen maximaal 2,00 meter bedraagt. 8.3 Afwijken van de bouwregels 8.3.1 Afwijken van de bouwregels ten aanzien van het plaatsen van masten ten behoeve van telecommunicatie en alarmering Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 8.2.5 ten aanzien van het plaatsen van masten ten behoeve van telecommunicatie en alarmering, welke niet vergunningsvrij zijn, met dien verstande dat: deze passen binnen het stedenbouwkundige en landschappelijk beeld ter plaatse; belangen van derden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; de totale bouwhoogte van de antenne-installatie inclusief bebouwing niet meer dan 40,00 meter bedraagt. 8.4 Specifieke gebruiksregels 8.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: het gebruik van gronden en opstallen voor het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, anders dan bedoeld in artikel 8.1; mantelzorg in de woning en/of in de vrijstaande bijgebouwen; wonen, anders dan in de bedrijfswoning; mantelzorg in de bedrijfswoning en/of in de bijgebouwen; een aan huis verbonden beroep of bedrijf in de bedrijfswoning en/of in de bijgebouwen, anders dan bedoeld in artikel 8.4.2; gebouwen voor recreatieve bewoning; detailhandel (o.a. perifere detailhandel en detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte goederen) anders dan bedoeld in artikel 8.1; shop-in-shop formules; horeca; zelfstandig kantoor; buitenopslag, anders dan bedoeld in artikel 8.1 of als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik en dan niet voor de voorgevel van het hoofdgebouw. 8.4.2 Aan huis verbonden beroepen Een aan huis verbonden beroep, als opgenomen in het overzicht aan huis verbonden beroepen (Bijlage 3 bij deze regels), is toegestaan onder de volgende voorwaarden: een aan huis verbonden beroep uitsluitend wordt uitgeoefend in de bedrijfswoning of in de daarbij behorende bijgebouwen; maximaal in totaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende bijgebouwen wordt gebruikt voor aan huis verbonden beroep(en); de woonfunctie wordt in overwegende mate gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning wordt niet wezenlijk aangetast; er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarbij minstens één persoon tevens de bewoner van de bedrijfswoning is; er is ten hoogste één reclame-uiting toegestaan met een maximale afmeting van 20 x 30 centimeter; het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving; in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bestaande parkeervoorzieningen niet onevenredig mogen worden belast; er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van detailhandel in aan het betreffende beroep gerelateerde producten, waarvoor maximaal 10% van de voor het aan huis verbonden beroep gebruikte oppervlakte mag worden gebruikt. 8.5 Afwijken van de gebruiksregels 8.5.1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte goederen als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 8.4, ten behoeve van het gebruik voor detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte goederen als nevenactiviteit naast de bedrijfsfunctie, met dien verstande dat: de oppervlakte van productiegebonden detailhandel maximaal 10% van het brutovloeroppervlak bedraagt, tot een maximum van 150 m²; de oppervlakte van afhaalpunten van internetwinkels maximaal 15 m² bedraagt, met dien verstande dat detailhandel anders dan in de aan het hoofdassortiment ondergeschikte artikelen niet is toegestaan; etalages niet zijn toegestaan; verkoop van etenswaren, dranken en genotsmiddelen uitgesloten is, tenzij het ter plaatse vervaardigde producten betreft; in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 8.5.2 Afwijken van de gebruiksregels ten aanzien van het vestigen van andere bedrijven Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de milieusituatie, een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 8.1.1 onder b. en toestaan dat tevens bedrijven worden gevestigd die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven genoemd in Bijlage 2 bij de regels, mits: het geen geluidzoneringsplichtige inrichtingen betreft; het geen risicovolle inrichtingen betreft; er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: het straat- en bebouwingsbeeld; de milieusituatie; de sociale veiligheid; de verkeersveiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 8.5.3 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van mantelzorg Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 8.4, ten behoeve van mantelzorg in de bedrijfswoning of in bestaande bijgebouwen, met dien verstande dat: het oppervlak van de mantelzorgvoorziening in de bedrijfswoning en/of bestaande bijgebouwen maximaal in totaal 75 m² bedraagt, met dien verstande dat de maximale oppervlakte aan bijgebouwen niet meer mag bedragen dan het bepaalde in artikel 8.2.4; de tijdelijkheid in voldoende mate vaststaat; specifiek voor mantelzorg in bestaande vrijstaande bijgebouwen de volgende regels gelden: het vrijstaande bijgebouw dient binnen een afstand van 25,00 meter van de bedrijfswoning te zijn gesitueerd en een ruimtelijke eenheid te vormen met de woning; realisatie van de afhankelijke woonruimte binnen de bedrijfswoning inclusief de aangebouwde bijgebouwen niet mogelijk is; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de verkeersveiligheid; het woon- en leefklimaat; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Artikel9Centrum - Beschermd stadsgezicht 9.1 Bestemmingsomschrijving 9.1.1 Algemeen De voor 'Centrum - Beschermd stadsgezicht' aangewezen gronden zijn bestemd voor: culturele voorzieningen, uitsluitend op de begane grond; detailhandel en de montage van ter plaatse verkochte artikelen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel uitgesloten', en uitsluitend op de begane grond; horeca tot en met categorie 1; (zakelijke) dienstverlening, uitsluitend op de begane grond; kantoren, uitsluitend op de begane grond; maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend op de begane grond; een supermarkt, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt'; wonen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'wonen - uitgesloten'; horeca tot en met categorie 2, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met horecacategorie 2'; horeca tot en met categorie 3, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met horecacategorie 3'; horeca tot en met categorie 4, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met horecacategorie 4'; met daaraan ondergeschikt: groenvoorzieningen; terrassen; parkeervoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 9.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 66.1. 9.2 Bouwregels 9.2.1 Algemeen Op de voor 'Centrum - Beschermd stadsgezicht' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: gebouwen ten behoeve van de in artikel 9.1 genoemde bestemming, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; de daarbij behorende bijgebouwen, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak' en de aanduiding 'bijgebouwen'; bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 9.1 genoemde bestemming, zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak' en de aanduiding 'bijgebouwen'; met inachtneming van de volgende regels (artikel 9.2.2 tot en met 9.2.4). 9.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels: binnen het bouwvlak is de bouw van bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde uitsluitend toegestaan als zij horen bij een binnen hetzelfde bouwvlak aanwezig hoofdgebouw; het bouwvlak mag tot maximaal 100% worden bebouwd; per bouwvlak bedraagt het aantal woningen niet meer en niet minder dan het aantal bestaande legale woningen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'geen maximale en minimale aantal wooneenheden'; de gevels van het hoofdgebouw worden geplaatst in de bouwgrenzen; hoofdgebouwen worden met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° afgedekt; gebouwen worden met een kap van minimaal 45° en maximaal 65° afgedekt, met dien verstande dat de kapvorm, zoals opgenomen in de kappenkaarten (Bijlage 7 Kappenkaart Blokzijl of Bijlage 8 Kappenkaart Vollenhove bij deze regels) wordt toegepast; de goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt de ter plaatse van de aanduiding 'goothoogte' aangeduide goothoogte of minimaal 0,25 meter minder dan of maximaal 0,25 meter meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'goothoogte' aangeduide goothoogte; de bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt de ter plaatse van de aanduiding 'bouwhoogte' aangeduide bouwhoogte of minimaal 0,25 meter minder dan of maximaal 0,25 meter meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'bouwhoogte' aangeduide bouwhoogte; voor de maatvoering van bijgebouwen geldt het bepaalde in artikel 9.2.3; voor de maatvoering van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt het bepaalde in artikel 9.2.4. 9.2.3 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' gelden de volgende regels: a.de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, met uitzondering van carports mag maximaal bedragen: Oppervlakte bestaand bouwperceel Oppervlakte bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' Bouwperceel tot 350 m² 50 m² Bouwperceel van 350 m² - 700 m² 70 m² Bouwperceel van 700 m² - 1.000 m² 80 m² Bouwperceel vanaf 1.000 m² 100 m² de grond ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' wordt voor maximaal 60% per bouwperceel bebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' het aangeduide maximum bebouwingspercentage geldt; bijgebouwen worden met een kap van minimaal 45° en maximaal 65° afgedekt, met dien verstande dat de kapvorm, zoals opgenomen in de kappenkaarten (Bijlage 7 Kappenkaart Blokzijl of Bijlage 8 Kappenkaart Vollenhove bij deze regels) wordt toegepast; de goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 4,00 meter; de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw; voor de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt het bepaalde in artikel 9.2.4. 9.2.4 Overige regels Voor het overige gelden de volgende regels: de carport wordt op een afstand van minimaal 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van de carport maximaal 3,00 meter bedraagt en de oppervlakte van carports maximaal 20 m² bedraagt; bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen uitsluitend achter de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen en vlaggenmasten; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 6,00 meter, met dien verstande dat: de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2,00 meter bedraagt; ter plaatse van de aanduiding 'specifiek bouwaanduiding - tuinmuur' de bouwhoogte van de tuinmuur minimaal 1,80 meter en maximaal 2,80 meter bedraagt. 9.3 Afwijken van de bouwregels 9.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het verkleinen van de dakhelling Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 9.2.2, ten behoeve van het verkleinen van de dakhelling tot 0° mits dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. 9.4 Specifieke gebruiksregels 9.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, anders dan bedoeld in artikel 9.1; horeca, anders dan bedoeld in artikel 9.1; een aan huis verbonden beroep of bedrijf in de woning en/of in de vrijstaande bijgebouwen anders dan bedoeld in artikel 9.4.2; wonen ter plaatse van de aanduiding 'wonen - uitgesloten'; woningsplitsing; het samenvoegen van hoofdgebouwen; mantelzorg in de woning en/of in debijgebouwen; gebouwen voor recreatieve bewoning; detailhandel, anders dan bedoeld in artikel 9.1; detailhandel en de montage van ter plaatse verkochte artikelen ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel uitgesloten'; gebruik van gronden voor de naar de weg gekeerde bouwgrens voor het stallen van voertuigen, caravans en dergelijke, anders dan op een oprit; buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik en anders dan bedoeld in artikel 9.1. 9.4.2 Aan huis gebonden beroepen Een aan huis gebonden beroep, als opgenomen in het overzicht aan huis gebonden beroepen (Bijlage 3 bij deze regels), is toegestaan onder de volgende voorwaarden: een aan huis verbonden beroep uitsluitend wordt uitgeoefend in de woning of in de bijgebouwen; maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de bijgebouwen wordt gebruikt voor een aan huis verbonden beroep; maximaal 100 m² wordt gebruikt voor medische beroepen; maximaal 10% wordt gebruikt voor detailhandel, tot een maximum van 10 m²; de woonfunctie wordt in overwegende mate gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning wordt niet wezenlijk aangetast; er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarbij minstens één persoon tevens de bewoner van de woning is; er is slechts één reclame-uiting toegestaan met een maximale afmeting van 20 x 30 centimeter; het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving; in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bestaande parkeervoorzieningen niet onevenredig mogen worden belast; er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van detailhandel in aan het betreffende beroep gerelateerde producten, waarvoor maximaal 10% van de voor het aan huis verbonden beroep gebruikte oppervlakte mag worden gebruikt. 9.5 Afwijken van de gebruiksregels 9.5.1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van aan huis verbonden bedrijven Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 9.4, ten behoeve van een aan huis verbonden bedrijf als opgenomen in het overzicht aan huis gebonden bedrijven (Bijlage 3 bij deze regels), met dien verstande dat: een aan huis verbonden bedrijf uitsluitend wordt uitgeoefend in de woning of in de bijgebouwen; de bestaande bouwmogelijkheden niet mogen worden verruimd; maximaal in totaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte wordt gebruikt voor een aan huis verbonden bedrijf, tot een maximum van 25 m²; de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning niet wezenlijk wordt aangetast; er maximaal 2 personen werkzaam mogen zijn, waarbij minstens één persoon tevens de bewoner van de woning is; het onbebouwde gedeelte van het perceel niet mag worden gebruikt voor beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten, met uitzondering van parkeren; er ten hoogste één reclame-uiting is toegestaan met een maximale afmeting van 20 x 30 centimeter; in de parkeerbehoefte in voldoende mate wordt voorzien op eigen terrein, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bestaande parkeervoorzieningen niet onevenredig mogen worden belast; er geen detailhandel plaatsvindt, met uitzondering van detailhandel in aan het betreffende bedrijf gerelateerde producten, waarvoor maximaal 10% van de voor het aan huis verbonden bedrijf gebruikte oppervlakte mag worden gebruikt. 9.5.2 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van mantelzorg Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 9.4, ten behoeve van mantelzorg in de woning of in bestaande bijgebouwen, met dien verstande dat: het oppervlak van de mantelzorgvoorziening in de woning en/of bestaande bijgebouwen maximaal in totaal 75 m² bedraagt, met dien verstande dat de maximale oppervlakte aan bijgebouwen niet meer mag bedragen dan het bepaalde in artikel 9.2.3; de tijdelijkheid in voldoende mate vaststaat; specifiek voor mantelzorg in bestaande vrijstaande bijgebouwen de volgende regels gelden: het vrijstaande bijgebouw dient binnen een afstand van 25,00 meter van de woning te zijn gesitueerd en een ruimtelijke eenheid te vormen met de woning; realisatie van de afhankelijke woonruimte binnen de woning inclusief de aangebouwde bijgebouwen niet mogelijk is; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de verkeersveiligheid; het woon- en leefklimaat; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 9.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 9.6.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Centrum - Beschermd stadsgezicht' aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - tuinmuur' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de op de gronden aanwezige tuinmuur geheel of gedeeltelijk te slopen en/of gevelopeningen aan te brengen. 9.6.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 9.6.1 is niet van toepassing op: a.sloopwerkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd. 9.6.3 Toepassingscriteria De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 9.6.1 kan alleen worden verleend indien: de karakteristieke hoofdvorm dan wel de cultuurhistorische waarde niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijziging aan de muur kan worden hersteld; de karakteristieke hoofdvorm dan wel de cultuurhistorische waarde in redelijkheid niet is te handhaven; een positief advies wordt verkregen van de Monumentencommissie of een daarvoor in de plaats tredende commissie. Artikel10Gemengd - 1 10.1 Bestemmingsomschrijving 10.1.1 Algemeen De voor 'Gemengd - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: culturele voorzieningen, toegestaan op de begane grond; (zakelijke) dienstverlening, toegestaan op de begane grond; kantoren, toegestaan op de begane grond; maatschappelijke voorzieningen, toegestaan op de begane grond; wonen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten'; met daaraan ondergeschikt: groenvoorzieningen; terrassen; parkeervoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 10.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 66.1. 10.2 Bouwregels 10.2.1 Algemeen Op de voor 'Gemengd - 1' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: gebouwen ten behoeve van de in artikel 10.1 genoemde bestemming, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; de daarbij behorende bijgebouwen, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 10.1 genoemde bestemming, zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak'; met inachtneming van de volgende regels (artikel 10.2.2 tot en met 10.2.3). 10.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels: binnen het bouwvlak is de bouw van bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde uitsluitend toegestaan als zij horen bij een binnen hetzelfde bouwvlak aanwezig hoofdgebouw; het bouwvlak mag tot maximaal 100% bebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' het aangeduide maximum bebouwingspercentage per bouwperceel geldt; per bouwvlak is maximaal het aantal bestaande, legale woningen toegestaan; de voorgevels worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens; gebouwen worden met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° afgedekt; de grenzen van het bouwvlak mogen worden overschreden door erkers, luifels, balkons en dergelijke, mits: de diepte gemeten vanaf de bouwvlakgrens niet meer dan 1,00 meter bedraagt; de breedte niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van de woning; de goothoogte maximaal gelijk is aan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer + 0,30 meter; de goothoogte van een gebouw bedraagt maximaal 7,00 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' de aangeduide maximale goothoogte geldt; de bouwhoogte van een gebouw bedraagt maximaal 11,00 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' de aangeduide maximale bouwhoogte geldt; voor de maatvoering van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt het bepaalde in artikel 10.2.3. 10.2.3 Overige regels Voor het overige gelden de volgende regels: de carport worden op een afstand van minimaal 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van een carport maximaal 3,00 meter bedraagt en de oppervlakte van een carport maximaal 20 m² bedraagt; bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen uitsluitend achter de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen en vlaggenmasten; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde mag maximaal 6,00 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2,00 meter mag bedragen. 10.3 Afwijken van de bouwregels 10.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het verkleinen van de dakhelling Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 10.2.2, ten behoeve van het verkleinen van de dakhelling tot 0° mits dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. 10.4 Specifieke gebruiksregels 10.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, anders dan bedoeld in artikel 10.1; wonen ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten'; een aan huis verbonden beroep of bedrijf in de woning en/of in de vrijstaande bijgebouwen anders dan bedoeld in artikel 10.4.2; woningsplitsing; het samenvoegen van panden; mantelzorg in de woning en/of in de bijgebouwen; gebouwen voor recreatieve bewoning; horeca; gebruik van gronden voor de naar de weg gekeerde bouwgrens voor het stallen van voertuigen, caravans en dergelijke, anders dan op een oprit; buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik en anders dan bedoeld in artikel 10.1. 10.4.2 Aan huis verbonden beroepen Een aan huis verbonden beroep, als opgenomen in het overzicht aan huis verbonden beroepen (Bijlage 3 bij deze regels), is toegestaan onder de volgende voorwaarden: een aan huis verbonden beroep uitsluitend wordt uitgeoefend in de woning of in de bijgebouwen; maximaal in totaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de bijgebouwen wordt gebruikt voor aan huis verbonden beroep(en); de woonfunctie wordt in overwegende mate gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning wordt niet wezenlijk aangetast; er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarbij minstens één persoon tevens de bewoner van de woning is; er is slechts één reclame-uiting toegestaan met een maximale afmeting van 20 x 30 centimeter; het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving; in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bestaande parkeervoorzieningen niet onevenredig mogen worden belast; er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van detailhandel in aan het betreffende beroep gerelateerde producten, waarvoor maximaal 10% van de voor het aan huis verbonden beroep gebruikte oppervlakte mag worden gebruikt. 10.5 Afwijken van de gebruiksregels 10.5.1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van aan huis verbonden bedrijven Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 10.4, ten behoeve van een aan huis verbonden bedrijf als opgenomen in het overzicht aan huis gebonden bedrijven (Bijlage 3 bij deze regels), met dien verstande dat: een aan huis verbonden bedrijf uitsluitend wordt uitgeoefend in de woning of in de bijgebouwen; de bestaande bouwmogelijkheden niet mogen worden verruimd; maximaal in totaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte wordt gebruikt voor een aan huis verbonden bedrijf; de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning niet wezenlijk wordt aangetast; er maximaal 2 personen werkzaam mogen zijn, waarbij minstens één persoon tevens de bewoner van de woning is; het onbebouwde gedeelte van het perceel niet mag worden gebruikt voor beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten, met uitzondering van parkeren; er ten hoogste één reclame-uiting is toegestaan met een maximale afmeting van 20 x 30 centimeter; in de parkeerbehoefte in voldoende mate wordt voorzien op eigen terrein, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bestaande parkeervoorzieningen niet onevenredig mogen worden belast; er geen detailhandel plaatsvindt, met uitzondering van detailhandel in aan het betreffende bedrijf gerelateerde producten, waarvoor maximaal 10% van de voor het aan huis verbonden bedrijf gebruikte oppervlakte mag worden gebruikt; Een omgevingsvergunning, vrijstelling of ontheffing die ten tijde van de inwerkingtreding van de beheersverordening is verleend voor een bestaand aan huis verbonden bedrijf wordt gelijkgesteld met de omgevingsvergunning als bedoeld onder sub a. 10.5.2 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van mantelzorg Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 10.4, ten behoeve van mantelzorg in de woning of in bestaande vrijstaande bijgebouwen, met dien verstande dat: het oppervlak van de mantelzorgvoorziening in de woning en/of bestaande bijgebouwen maximaal in totaal 75 m² bedraagt, met dien verstande dat de maximale oppervlakte aan bijgebouwen niet meer mag bedragen dan het bepaalde in artikel 10.2.2; de tijdelijkheid in voldoende mate vaststaat; specifiek voor mantelzorg in bestaande vrijstaande bijgebouwen de volgende regels gelden: het vrijstaande bijgebouw dient binnen een afstand van 25,00 meter van de woning te zijn gesitueerd en een ruimtelijke eenheid te vormen met de woning; realisatie van de afhankelijke woonruimte binnen de woning inclusief de aangebouwde bijgebouwen niet mogelijk is; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de verkeersveiligheid; het woon- en leefklimaat; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Artikel11Gemengd - 4 11.1 Bestemmingsomschrijving 11.1.1 Algemeen De voor 'Gemengd - 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor: sport; horeca van categorie 3; een zalencentrum; met daaraan ondergeschikt: groenvoorzieningen; terrassen; parkeervoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 11.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 66.1. 11.2 Bouwregels 11.2.1 Algemeen Op de voor 'Gemengd - 4' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: gebouwen ten behoeve van de in artikel 11.1 genoemde bestemming, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; de daarbij behorende bijgebouwen, zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak'; bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 11.1 genoemde bestemming, zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak'; met inachtneming van de volgende regels (artikel 11.2.2 tot en met 11.2.4). 11.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels: het bouwvlak mag tot maximaal 100% worden bebouwd; de voorgevels worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens; de grenzen van het bouwvlak mogen worden overschreden door erkers, luifels, balkons en dergelijke, mits: de diepte gemeten vanaf de bouwvlakgrens niet meer dan 1,00 meter bedraagt; de breedte niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van de woning; de goothoogte maximaal gelijk is aan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer + 0,30 meter; gebouwen worden met een kap van minimaal 45° en maximaal 65° afgedekt, met dien verstande dat de kapvorm, zoals opgenomen in de kappenkaarten (Bijlage 7 Kappenkaart Blokzijl of Bijlage 8 Kappenkaart Vollenhove bij deze regels) wordt toegepast; de goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt: maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' aangeduide maximale goothoogte, of; de ter plaatse van de aanduiding 'goothoogte' aangeduide goothoogte of minimaal 0,25 meter minder dan of maximaal 0,25 meter meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'goothoogte' aangeduide goothoogte; de bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt: maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' aangeduide maximale bouwhoogte, of; de ter plaatse van de aanduiding 'bouwhoogte' aangeduide bouwhoogte of minimaal 0,25 meter minder dan of maximaal 0,25 meter meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'bouwhoogte' aangeduide bouwhoogte; voor de maatvoering van bijgebouwen geldt het bepaalde in artikel 11.2.3; voor de maatvoering van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt het bepaalde in artikel 11.2.4. 11.2.3 Bijgebouwen Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels: de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen buiten de aanduiding 'bouwvlak', met uitzondering van carports, mag maximaal 75 m² bedragen; bijgebouwen worden met een kap van maximaal 60° afgedekt; de goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3,50 meter; de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw. 11.2.4 Overige regels Voor het overige gelden de volgende regels: de carport wordt op een afstand van minimaal 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van een carport maximaal 3,00 meter bedraagt en de oppervlakte van een carport maximaal 20 m² bedraagt; bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen uitsluitend achter de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen en vlaggenmasten; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 6,00 meter, met uitzondering van: 1.erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter bedraagt en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2,00 meter bedraagt. 11.3 Afwijken van de bouwregels 11.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het verkleinen van de dakhelling Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 11.2.2, ten behoeve van het verkleinen van de dakhelling tot 0° mits dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. 11.4 Specifieke gebruiksregels 11.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, anders dan bedoeld in artikel 11.1; gebouwen voor recreatieve bewoning; detailhandel; wonen; horeca, anders dan bedoeld in artikel 11.1; buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik en anders dan bedoeld in artikel 11.1. Artikel12Gemengd - Beschermd stadsgezicht 12.1 Bestemmingsomschrijving 12.1.1 Algemeen De voor 'Gemengd - Beschermd stadsgezicht' aangewezen gronden zijn bestemd voor: een congrescentrum en huwelijksvoltrekkingen; het verstrekken van recreatief nachtverblijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - overnachting'; een restaurant en koffie- en theeschenkerij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - restaurant'; met daaraan ondergeschikt: horeca-activiteiten; groenvoorzieningen; terrassen; parkeervoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 12.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 66.1. 12.2 Bouwregels 12.2.1 Algemeen Op de voor 'Gemengd - Beschermd stadsgezicht' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: gebouwen ten behoeve van de in artikel 12.1 genoemde bestemming, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; één bedrijfswoning, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak' ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 12.1 genoemde bestemming, zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak'; met inachtneming van de volgende regels (artikel 12.2.2 tot en met 12.2.3). 12.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels: binnen het bouwvlak is de bouw van bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde uitsluitend toegestaan als zij horen bij een binnen hetzelfde bouwvlak aanwezig hoofdgebouw; het bouwvlak mag tot maximaal 100% worden bebouwd; de gevels worden in de aangegeven bouwgrenzen geplaatst, met dien verstande dat de voorgevel wordt geplaatst in de naar de weg gekeerde bouwgrens; gebouwen worden met een kap van minimaal 45° en maximaal 65° afgedekt, met dien verstande dat de kapvorm, zoals opgenomen in de kappenkaart (Bijlage 8 bij deze regels) wordt toegepast; de goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt de ter plaatse van de aanduiding 'goothoogte' aangeduide goothoogte of minimaal 0,25 meter minder dan of maximaal 0,25 meter meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'goothoogte' aangeduide goothoogte; de bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt de ter plaatse van de aanduiding 'bouwhoogte' aangeduide bouwhoogte of minimaal 0,25 meter minder dan of maximaal 0,25 meter meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'bouwhoogte' aangeduide bouwhoogte; voor de maatvoering van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt het bepaalde in artikel 12.2.3. 12.2.3 Overige regels Voor het overige gelden de volgende regels: bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen uitsluitend achter de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen en vlaggenmasten; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 6,00 meter, met dien verstande dat: de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2,00 meter bedraagt; ter plaatse van de aanduiding 'specifiek bouwaanduiding - tuinmuur' de bouwhoogte van de tuinmuur minimaal 1,80 meter en maximaal 2,80 meter bedraagt. 12.3 Specifieke gebruiksregels 12.3.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, anders dan bedoeld in artikel 12.1; gebouwen voor recreatieve bewoning, anders dan bedoeld in artikel 12.1; horeca, anders dan bedoeld in artikel 12.1; wonen, anders dan in de bedrijfswoning; mantelzorg in de bedrijfswoning en/of in de bijgebouwen; detailhandel; ambachtelijke en/of industriële doeleinden; buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik en anders dan bedoeld in artikel 12.1. 12.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 12.4.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Gemengd - Beschermd stadsgezicht' aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - tuinmuur' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de op de gronden aanwezige tuinmuur geheel of gedeeltelijk te slopen en/of gevelopeningen aan te brengen. 12.4.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 12.4.1 is niet van toepassing op: a.sloopwerkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd. 12.4.3 Toepassingscriteria De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 12.4.1 kan alleen worden verleend indien: de karakteristieke hoofdvorm dan wel de cultuurhistorische waarde niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijziging aan de muur kan worden hersteld; de karakteristieke hoofdvorm dan wel de cultuurhistorische waarde in redelijkheid niet is te handhaven; een positief advies wordt verkregen van de Monumentencommissie of een daarvoor in de plaats tredende commissie. Artikel13Groen 13.1 Bestemmingsomschrijving 13.1.1 Algemeen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: groenvoorzieningen, zoals trapvelden, speelplaatsen, plantsoenen, waterpartijen met de daarbij behorende voet- en fietspaden en andere voorzieningen; structurele beplantingen; recreatief medegeb

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.