← Nederland

Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Maastricht houdende regels omtrent woonprogrammering (Maastricht)

In het kort

Dit besluit regelt de woonprogrammering van de gemeente Maastricht voor de periode 2021-2030, inclusief financiële middelen en de systematiek van flexibel programmeren. Het trekt de eerdere woonprogrammering in en stelt een nieuwe, adaptieve woonprogrammering vast.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Maastricht houdende regels omtrent woonprogrammering DE RAAD DER GEMEENTE MAASTRICHT, gezien het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. 15-12-2020, organisatieonderdeel BO Ruimte, no. 2020-34113; BESLUIT: De Woonprogrammering Maastricht, vastgesteld door de raad op 27 september 2016, in te trekken en daarvoor in de plaats de adaptieve Woonprogrammering Maastricht 2021-2030 (bijlage 1) vast te stellen, inclusief de financiële middelen, de keuze van het werkgelegenheidsscenario als basis voor de behoeftebepaling en de systematiek van flexibel programmeren. Als onderdeel hiervan de geactualiseerde Woonprogrammering studentenhuisvesting 2019-2024, waarin menging met andere doelgroepen mogelijk wordt gemaakt, vast te stellen waarbij voor de kwalitatieve aspecten de eerder vastgestelde programmering studentenhuisvesting (vastgesteld door de raad op 25 juni 2019) vigerend blijft. De nieuwe Woonprogrammering op te nemen in de actualisatie van de Omgevingsvisie. Het addendum woonwagens bij de woonvisie Maastricht 2018 vast te stellen (bijlage 2). Om de betaalbaarheid en een evenwichtige spreiding van betaalbare woningen over de stad te bevorderen het college opdracht te geven tot het opstellen van een doelgroepenverordening en deze -vooruitlopend op het vastleggen in bestemmingsplannen- uit te werken door het vastleggen van minimumpercentages betaalbare nieuwbouw (sociale huur, sociale koop) voor de verschillende gebiedsprofielen van de Omgevingsvisie en potentiële woningbouwlocaties. Tot het moment dat de minimumpercentages betaalbare nieuwbouw zijn vastgelegd, allleen medewerking te verlenen aan nieuwe woningbouwplannen waar minimaal 60% betaalbare woningen (sociale huur, sociale koop) gerealiseerd worden. Voor het centrumstedelijk gebied geldt deze eis niet. Om de woonkwaliteit te waarborgen en mogelijk in de toekomst belangrijke kantoorlocaties te behouden, in afwachting van de nadere uitwerking van minimumpercentages betaalbare nieuwbouw voor een aantal gebieden, terughoudend om te gaan met het herbestemmen van kantoren naar andere doelgroepen dan studentenhuisvesting. De regeling ‘Herverdeling woningbouwprogramma’ en de regeling ‘Vraaggericht bouwen’ in te trekken en in de plaats van deze laatste regeling de nieuwe regeling ‘Stimulering vraaggericht bouwen 2021’ vast te stellen, waarmee de subsidie voor kluswoningen door gebrek aan belangstelling wordt geschrapt en de subsidie voor proceskosten collectief particulier opdrachtgeverschap wordt verlaagd (bijlage 3). De restrictie aan verleende medewerking bij nieuwbouwprojecten totdat de minimumpercentages zijn vastgelegd in de doelgroepenverordening (alleen wanneer 60% van de woningen betaalbare woningen betreft), zoals vermeld in het oorspronkelijke beslispunt 2, is alleen van toepassing bij nieuwe woningbouwplannen die bestaan uit meer dan drie nieuwe woningen. Woonprogrammering Maastricht 2021-2030 SAMENVATTING Aanleiding, opzet en hoofdpunten De woonprogrammering 2016-2020 loopt af. Het is daarom tijd voor een nieuwe woonprogrammering. Deze kijkt door tot het jaar

  1. Om hiertoe te komen is de huidige woonprogrammering (inclusief studentenhuisvesting) geëvalueerd. Er is een breed woningmarktonderzoek uitgevoerd en er is aanvullend onderzoek gedaan naar de huisvestingsbehoefte van een aantal specifieke doelgroepen: (koop-)starters, ouderen, internationale werknemers, recent afgestudeerden, kwetsbare groepen en woonwagenbewoners. De uitkomsten van deze onderzoeken zijn vertaald in een indicatief woningbouwprogramma voor de jaren 2021-
  2. Dit woningbouwprogramma levert een bijdrage aan behoud en versterking van Maastricht als goede woonstad voor zowel haar huidige als toekomstige inwoners en behoud en versterking van de daarbij horende ‘work-life balance’. Gekoerst wordt op een programma dat meebeweegt met de ontwikkelingen van de werkgelegenheid en de daarmee samenhangende migratie. Daarbij is rekening gehouden met de risico’s en kansen van de Coronacrisis. Door flexibel (‘adaptief’) te programmeren is er ruimte om in te spelen op kansen die zich voordoen. Er wordt invulling gegeven aan de doelstelling uit het Coalitieakkoord om meer afgestudeerden voor de stad te behouden door te zorgen voor voldoende mogelijkheden voor passende huisvesting. Starters krijgen een extra steun in de rug door aanvullende nieuwbouw en uitbreiding van de starterslening. De noodzaak voor betaalbare huisvesting voor kwetsbare groepen op de woningmarkt krijgt bijzondere aandacht. Door het spreiden van de uitbreidingsopgave voor sociale woningbouw wordt een bijdrage geleverd aan de stedelijke doelstelling van gemengde wijken. Bij de opstelling van deze woonprogrammering is rekening gehouden met de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierbij staat duurzaam gebruik van ruimte centraal. Het optimaliseren van het gebruik van de bestaande woningvoorraad en het herbestemmen van niet-woongebouwen staat voorop. Nieuwbouw is aan de orde als niet op andere wijze aan de vraag kan worden voldaan of als dit een bijdrage levert aan de gewenste doorstroming in de bestaande woningvoorraad. Ook het in het onderzoek gebruikte doorstroommodel gaat hiervan uit. Het verduurzamen van de bestaande woningvoorraad is een belangrijk uitgangspunt waarbij er ook een koppeling is gelegd met de betaalbaarheid. Deze nota laat zien dat er naast een nieuwbouwopgave ook een forse transformatieopgave voor de bestaande voorraad is. Belangrijkste trefwoorden daarbij zijn meer levensloopbestendige woningen en verduurzaming (in relatie tot onder andere de Warmtevisie). Een gecombineerde aanpak hiervan biedt kansen. Een wijkgerichte aanpak met afstemming tussen de bestaande voorraad en de nieuwbouw is nodig om te komen tot een meer evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad. Nieuwbouw dient aan te sluiten bij de gebiedsprofielen uit de Omgevingsvisie en invulling te geven aan de gewenste woonmilieus. EVALUATIE HUIDIGE WOONPROGRAMMERING Doelen van woonprogrammering 2016-2019 zijn gehaald De in 2016 vastgelegde nieuwbouwproductie van 500-1.000 woningen zal eind 2020 naar verwachting meer dan volledig zijn gerealiseerd (>1.100 woningen). Nadat in de eerste jaren de productie achter is gebleven, is deze in 2019 en 2020 fors gestegen. Dit komt vooral door de toegenomen productie in het Belvédère gebied en De Groene Loper. De productie in deze strategische locaties komt daarmee overeen met de in 2016 vastgelegde verwachting. Naast nieuwbouw zijn door het herbestemmen van bestaande gebouwen woningen toegevoegd. Door versnelde sloop (in verband met een korting op de verhuurdersheffing) en vervangende nieuwbouw die na 2020 plaatsvindt, is de voorraad sociale huurwoningen in deze jaren licht afgenomen. De nieuwbouw is conform het raadsbesluit uit 2016 geconcentreerd in het (centrum-)stedelijk woonmilieu. In het stadsrandmilieu is er minder gebouwd. Corporaties hebben via herstructurering een aantal sloop-/nieuwbouwprojecten uitgevoerd. Daarnaast zijn grotere aantallen nieuwbouwwoningen gerealiseerd aan de rand van Malberg (Zouwdalveste) en Ambyerveld/Amby-Noord. Ook het programma studentenhuisvesting 2016-2020 is volledig gerealiseerd. In 2019 is dit programma geactualiseerd naar aanleiding van sterker dan verwacht gestegen behoefte. De uitvoering daarvan ligt op schema. De groeiverwachting voor het studiejaar 2019-2020 is uitgekomen. De betaalbaarheid blijft een belangrijk aandachtspunt. Dit is, zoals vermeld in de woonprogrammering studentenhuisvesting, lastig af te dwingen bij ontwikkelaars en beleggers. In deze nieuwe woonprogrammering is conform afspraak met de gemeenteraad het programma studentenhuisvesting geïntegreerd. De in de prestatieafspraken vastgelegde voornemens van de corporaties tot het vergroten van de voorraad rolstoel- en rollatorgeschikt woningen zijn volledig gerealiseerd (rolstoelgeschikt iets meer, rollatorgeschikt iets minder). Vraaggericht bouwen heeft een impuls gekregen In het kader van het door de raad in 2016 vastgestelde actieplan Vraaggericht bouwen is Collectief Particulier Opdrachtgeverschap, maatschappelijk opdrachtgeverschap en de uitgifte van vrije kavels gestimuleerd. Dit heeft geleid tot 3 projecten CPO in Belvédère met in totaal 54 woningen. De kwaliteit van deze projecten is hoog. Voor CPO geldt dat het actieplan daarmee aan de gestelde doelen heeft voldaan. De afzet van (grote) vrije kavels in Ambyerveld is de afgelopen jaren moeizaam verlopen. Nog niet alle kavels zijn verkocht. Van de subsidieregeling voor kluswoningen is zeer beperkt gebruik gemaakt. Het doel van deze regeling om een impuls te geven aan kwaliteitsverbetering van bestaande woningen is niet gehaald. ANALYSE HUIDIGE WONINGMARKT Uitkomsten algemene woningmarkt onderzoek: uitbreidingsbehoefte en kwalitatieve opgave In het algemene woningmarktonderzoek zijn op basis van een analyse van verschillende bevolkingsprognoses enkele scenario’s voor de toekomstige bevolkingsontwikkeling opgesteld. Naast een basisscenario zijn drie andere scenario’s opgesteld. Het scenario ‘daling studenten’ laat zien dat het effect hiervan op de woningvraag naar reguliere woningen beperkt is. Het scenario ‘Corona’ laat zien dat een scherpe daling van de migratie van grote invloed is op de woningbehoefte. Het scenario ‘werkgelegenheid’ laat zien wat het effect is van de groei van de werkgelegenheid als gevolg van de doorontwikkeling van de Chemelot-campus, de Health Campus Maastricht en de mogelijke komst van de Einsteintelescoop (waarbij ervan is uitgegaan dat een deel van de werknemers die buiten Maastricht gaat werken ervoor zal kiezen om in Maastricht te gaan wonen). Dit scenario past bij de doorontwikkeling van de kenniseconomie in Zuid-Limburg en geeft invulling aan het adagium ‘Meer stad, meer land’ uit de Provinciale Omgevingsvisie. Deze leidt tot een toenemende behoefte aan stedelijk wonen. Maastricht kan (als enige) invulling geven aan deze regionale woonbehoefte. Alleen het scenario ‘werkgelegenheid’ leidt tot een behoefte aan uitbreiding van de woningvoorraad. De drie andere scenario’s laten alle een forse daling van de woningbehoefte zien. In alle scenario’s is er een aanvullende behoefte aan grondgebonden koopwoningen in diverse prijsklassen en levensloopbestendige woningen in diverse typen (appartementen, patio’s etc.). Kwalitatief zijn deze woningen in alle omstandigheden en scenario’s van meerwaarde. Kwantitatief verschilt het programma al naar gelang het bevolkingsscenario. Er zijn in de bestaande woningvoorraad woningen die kwetsbaar zijn. Dit zijn woningen waar op basis van de doorstroomanalyse van Stec op termijn meer aanbod is dan vraag. Hoe meer nieuwbouw er wordt gepleegd, des te groter is de kans dat dit zal leiden tot problemen in de meest kwetsbare delen van de woningvoorraad. Het meest kwetsbaar zijn kleine appartementen (met name in sociale huur, maar ook in middenhuur en koop) zonder lift en kleine eengezinswoningen. Qua bouwperiode ligt de nadruk bij de kwetsbare voorraad op de periode 1945-1970 en 1970-1990, ofwel de jaren van de grote naoorlogse bouwproductie. De buurten met absoluut gezien de grootste aantallen kwetsbare woningen zijn Heer, Daalhof, Wittevrouwenveld, Mariaberg en Scharn. Meestal gaat het om (buurten met veel) huurwoningen die kwetsbaar zijn. Met name in Heer en Scharn zijn ook veel koopwoningen kwetsbaar. Onderzoek specifieke doelgroepen: meer behoefte betaalbare (tijdelijke) huurwoningen In reactie op diverse actuele ontwikkelingen en naar aanleiding van regelmatig terugkerende vragen van de raad over onder andere ouderen, starters, afgestudeerden en kwetsbare groepen zijn diverse aanvullende onderzoeken in de programmering verwerkt. Deze onderzoeken laten vooral een groei zien van de behoefte aan betaalbare huurwoningen. Voor de huisvesting van kwetsbare doelgroepen gaat het uitsluitend om goedkope huurwoningen. De gemeenschappelijke noemer in de woningvraag van deze groepen is een behoefte aan een kleinere, goedkope woonruimte die snel beschikbaar is. De behoefte van woonwagenbewoners is gericht op huurwoonwagens. De huisvesting van internationale werknemers is eveneens sterk gericht op betaalbare huurwoningen. Alleen voor een deel van hoogopgeleide kenniswerkers geldt dat zij ook gericht zijn op koopwoningen in diverse prijsklassen. De vraag van internationale werknemers is hoger dan eerder werd ingeschat. Dat komt ten eerste door hogere prognoses over de arbeidsmigratie en ten tweede doordat in de woningbehoefteberekening is meegenomen dat een deel van de internationale werknemers permanent in Maastricht blijft. Verdergaande vergrijzing, de extramuralisering van de zorg, de komst van nieuwe doelgroepen, meer inkomensonzekerheid en een grotere druk op de betaalbaarheid leiden niet alleen tot een behoefte aan meer woningen, maar vooral aan andere woningen. In het nieuwe woningbouwprogramma wordt hierin voorzien door zowel een uitbreiding van permanente als tijdelijke woningen. Door een groei van het aantal personen die vanuit de maatschappelijke opvang/GGZ doorstroomt naar een woningmarkt die krapper en duurder wordt, wordt de druk van bijzondere doelgroepen op de woningmarkt steeds groter, met name bij goedkope huurwoningen. Deze ontwikkeling zal zich de komende jaren doorzetten. Een economische recessie als gevolg van Corona zal deze ontwikkeling verder kunnen versterken. Alleen maatregelen in de woonsfeer zullen onvoldoende zijn om deze toenemende spanning tussen de ontwikkeling van de inkomens en de woonlasten te kunnen wegnemen. Daarvoor zijn ook maatregelen nodig op het gebied van inkomensontwikkeling en werkgelegenheid. Deze kan de gemeente slechts zeer beperkt beïnvloeden. Uit de analyse van de ontwikkeling van de studentenaantallen is gebleken dat de effecten van Corona op de korte termijn meevallen (alleen een duidelijke terugval bij Exchange studenten die voor een paar maanden in Maastricht verblijven) en dat in het studiejaar 2020-2021 zelfs een groei heeft plaatsgevonden die hoger is dan waarmee nu in de woonprogrammering studentenhuisvesting rekening is gehouden. Daar staat tegenover dat meer studenten op afstand studeren en niet naar Maastricht zijn verhuisd. De verwachtingen over de verdere groei van de studentenaantallen en het aantal studenten dat in Maastricht woont zijn door Corona minder zeker geworden. In deze nota wordt daarom ook aandacht geschonken aan flexibel gebruik van complexen studentenhuisvesting en mengen van studenten met andere doelgroepen. Uit de doorstroomanalyse blijkt dat de behoefte van starters, koopstarters en recent afgestudeerden (vrijwel) geheel vervuld kan worden in de bestaande woningvoorraad. Op beperkte schaal is nieuwbouw wenselijk. Nieuwbouw is vooral gewenst om de doorstroom op gang te krijgen waardoor woningen daadwerkelijk vrijkomen voor starters en bijzondere doelgroepen en om de groeiende vraag naar sociale huurwoningen in te vullen. Daarnaast kunnen specifieke woonconcepten een bijdrage leveren als ‘extra trede’ op de woningmarktladder. Deze woonprogrammering biedt voor het eerst specifiek ruimte voor een substantieel aantal tijdelijke woningen. De motivatie voor tijdelijke woningen valt in twee delen uiteen. Ten eerste is een deel van dit programma bedoeld als tussenstap op weg naar een reguliere woning met een permanent huurcontract. Het bevordert de doorstroming, zowel in de maatschappelijke opvang als in de reguliere woningmarkt. Ten tweede zien we op de lange duur een daling van de vraag naar sociale huurwoningen, maar op de korte termijn een tekort. Tijdelijke woningen zijn dan een smeermiddel. Het is een uitwerking van het in de Woonvisie Maastricht 2018 vastgelegde voornemen om te komen tot een flexibele ‘schil’ van tijdelijke huisvesting om de bestaande woningvoorraad. Voorwaarde voor het goed functioneren van tijdelijke huisvesting is dat er voldoende mogelijkheden zijn om te zijner tijd door te stromen naar permanente huisvesting. UITWERKING IN NIEUWE WOONPROGRAMMERING Scenario werkgelegenheid als basisscenario In het Coalitieakkoord is opgenomen dat de gemeente een extra inspanning wil leveren om de groei van de werkgelegenheid te stimuleren en meer recent afgestudeerden voor de stad te behouden. En de Rekenkamer Maastricht beveelt in haar onderzoek naar het woonbeleid aan om bij de woonprogrammering meer rekening te houden met de vestiging van bedrijven. Bij het opstellen van het totaalprogramma voor de nieuwbouw is daarom uitgegaan van het scenario werkgelegenheid en niet van het basisscenario. Dit woningbouwprogramma kan daarmee de groei van de werkgelegenheid faciliteren door het bieden van voldoende woongelegenheid. Bij het opstellen is rekening gehouden met trends als extramuralisering van de zorg, flexibilisering van de arbeids- en de woningmarkt en de ontwikkeling van de arbeidsmarkt. Hiermee is gekozen voor een ambitieus programma in een onzekere en pessimistische tijd. Het betekent ook dat zonder deze groei van de werkgelegenheid er geen reden is om meer nieuwbouw te plegen dan het basisscenario aangeeft. Omdat de verwachtingen over de toekomstige ontwikkeling van de bevolking en de werkgelegenheid onzeker zijn wordt hiermee bij de invulling van de programmering rekening gehouden door deze flexibel (‘adaptief’) op te stellen. Met dit programma wordt ook actief ingespeeld op de ambitie om (meer) recent afgestudeerden vast te houden en de wens voor meer huisvesting van arbeidsmigranten met zowel een laag als hoog inkomen. Ook draagt dit bij aan versterking van de culturele infrastructuur waarvan betaalbare huisvesting voor kunstenaars, al dan niet in combinatie met werkruimten, een essentieel onderdeel uitmaakt. Het scenario ‘werkgelegenheid’ laat, net als de andere scenario’s, zien dat na 2030 de behoefte aan woningen afneemt. Dat betekent dat hoe meer woningen we tot 2030 bouwen, des te groter de opgave na 2030 wordt om de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad te verbeteren, c.q. de omvang van de woningvoorraad te verminderen en aan te passen aan de dan bestaande aantallen huishoudens. De wijkanalyse van het woningmarktonderzoek geeft de indicaties welke wijken het meest kwetsbaar zijn voor deze ontwikkeling. Deze analyse komt in hoge mate overeen met de analyse van buurten in de Omgevingsvisie. Het verduurzamen en het verhogen van de levensloopbestendigheid van woningen in deze buurten kan een bijdrage leveren aan het verminderen van de kwetsbaarheid hiervan. Doorstroming in bestaande woningvoorraad als basis, nieuwbouw is aanvullend Het grootste deel van de woningvoorraad van Maastricht staat er al. En het grootste deel van onze inwoners, en hun woningbehoeftes, is er ook al. Dat betekent dat via woonruimteverdeling en woningaanpassing in een groot deel van de behoefte kan worden voorzien. Voorwaarde daarvoor is dat de doorstroming uit bestaande woningen op peil blijft. Strategische nieuwbouw, die alleen toevoegt dat wat in de bestaande voorraad niet of onvoldoende aanwezig is en die maximaal inspeelt op de verhuiswensen van doorstromers, speelt daarbij een cruciale rol. Deze woonprogrammering bevat een dergelijk programma. Een programma dat bovendien in alle onderzochte scenario’s passend is. Indicatief woningbouwprogramma permanent 2030 In de programmering wordt onderscheid gemaakt in permanente en tijdelijke huisvesting. Bij de tijdelijke huisvesting wordt onderscheid gemaakt in permanente woningen die met een tijdelijk huurcontract worden verhuurd en tijdelijke woningen die met een tijdelijk huurcontract worden verhuurd. Er is indicatief van uitgegaan dat 50% van de behoefte aan tijdelijke huisvesting wordt ingevuld met permanente woningen. Dat aandeel is onderstaand overzicht opgenomen. Indicatieve woningbouwopgave permanent tot met 2030 (op basis van het scenario werkgelegenheid) Sociale huur Midden huur Koop Totaal € 150-250k € 250-350k >€ 350k Geen tijdelijke huurcontracten Uitbreidingsbehoefte1 300 - 300 500 350 1.450 Woonzorgwoningen senioren2 200 100 100 100 100 600 Internationale werknemers (blijvers)3 250 - 50 50 50 400 SUBTOTAAL 750 100 450 650 500 2.450 Tijdelijke huurcontracten Starters huur1 150 150 Koopstarters1 150 150 Spoedzoekers4 200 200 Tussenvoorziening bijzondere doelgroepen2 100 100 Internationale werknemers (tijdelijk)3 475 475 SUBTOTAAL 1.075 1.075 TOTAAL 1.825 100 450 650 500 3.525 Studenten5 2.400 Woonwagen standplaatsen6 18 Bron: 1Stec, 2020, 2Companen 2020, 3Decisio, 2020, 4Expertisecentrum Flexwonen, 2017, 5Gemeente & Universiteit Maastricht, 2019; cijfers t/m 2025, behoefte 2026-2031 nog niet bekend, 6Vrolijk BV, 2020 De totale opgave voor de periode tot en met 2030 komt uit op 3.525 woningen. Dat is fors meer dan de woningbouwopgave van de jaren 2016-2020 waar werd uitgegaan van een woningproductie van rond de 1.000 woningen. De opgave studentenhuisvesting is 2.400 eenheden t/m
  3. De verwachte ontwikkeling na 2025 is dermate ongewis dat ervan is afgezien om daar nu een prognose voor op te stellen. Deze aantallen kunnen als maximum worden gezien, omdat de andere bevolkingsscenario’s op een veel lagere en zelfs negatieve uitbreidingsbehoefte uitkomen. Het zwaartepunt in de opgave ligt ten eerste bij sociale huurwoningen en ten tweede op (grondgebonden) koopwoningen in diverse prijsklassen die de doorstroming uit de bestaande woningvoorraad bevorderen. De opgave voor woningen in de middenhuur is beperkt. Meer nieuwbouw plegen, bijvoorbeeld om met anticyclisch investeren de negatieve effecten van de Coronacrisis te temperen is mogelijk. In dat geval neemt de groei van de woningvoorraad sterker toe dan de groei van de huishoudens. Dat betekent dat er actief woningen aan de markt onttrokken moeten worden om vraag en aanbod in evenwicht te houden. Met name kwetsbare woningen (in kwetsbare wijken). De opgave van 600 woonzorgwoningen maakt onderdeel uit van een opgave voor meer levensloopbestendige woningen van in totaal 2.800 woningen. Naast de opgave voor 600 woonzorgwoningen met een hoog niveau van toegankelijkheid en geschiktheid voor zorg, ligt er een opgave voor het levensloopbestendig maken van 2.200 woningen in de bestaande woningvoorraad. Een deel van de tijdelijk in Maastricht wonende internationale kenniswerkers blijkt na verloop van tijd permanent in Maastricht te blijven wonen. Omdat deze ontwikkeling niet in het algemene woningbehoefteonderzoek is meegenomen is hiervoor een correctie in de woningbehoefte doorgevoerd. Met dit programma wordt gebouwd voor de doorstroming, voor complementaire woonproducten en vernieuwende woonvormen. Lange verhuisketens zorgen ervoor dat woningen in de bestaande woningvoorraad vrijkomen. Parallel hieraan moeten investeringen in de bestaande woningvoorraad bijdragen aan een toekomstbestendige en robuuste woningvoorraad. Indicatief woningbouwprogramma tijdelijk 2030 als extra trede op de woningmarktladder Indicatief woningbouwopgave tijdelijk tot met 2030 Sociale huur Permanent met tijdelijkhuurcontract 50% Tijdelijk met tijdelijk huurcontract 50% Starters huur 300 150 150 Koopstarters 300 150 150 Spoedzoekers 400 200 200 Tussenvoorziening bijzondere doelgroepen 200 100 100 Internationale werknemers 950 475 475 TOTAAL 2.150 1.075* 1.075 *) dit aantal is opgenomen onder het programma permanent De opgave voor tijdelijke woningen bedraagt in totaal 2.150 woningen. Het gaat alleen om woningen met een huur onder de aftoppingsgrenzen van de huurtoeslag. Indicatief wordt ervan uitgegaan dan 50% van de opgave wordt ingevuld met permanente huisvesting die met tijdelijke contracten worden verhuurd. De andere helft betreft tijdelijke woningen met eveneens een tijdelijk huurcontract. De opgave voor tijdelijke woningen komt daarmee uit op 1.075 woningen. Er is een aanzienlijke opgave voor tijdelijke huisvesting voor arbeidsmigranten die voor korte tijd in Maastricht verblijven: short stay (max. 4 maanden) en mid stay (4-9 maanden). Deze groep is niet meegenomen in de prognoses over de bevolkingsontwikkeling die als basis is gebruikt voor de algemene woningmarktanalyse. Deze opgave komt daar dus bovenop. Daarnaast blijkt dat een deel van de tijdelijke internationale werknemers toch permanent in Nederland te blijven. Hiervoor is een opslag op het programma permanente toegevoegd. Om de entree op de woningmarkt te vergemakkelijken wordt een extra trede op de woningmarktladder toegevoegd in de vorm van tijdelijke huisvesting voor starters en koopstarters. Voor starters op de huurmarkt kan dit een tussenstap zijn op weg naar een permanente huurwoning en voor koopstarters naar een koopwoning. Sturen op betaalbaarheid: doelgroepenverordening en bestemmingsplan Om als gemeente sterker dan voorheen te kunnen sturen op betaalbaarheid is het nodig een doelgroepenverordening op te stellen op basis waarvan in bestemmingsplannen en straks het omgevingsplan minimale percentages betaalbare woningen kunnen worden vastgelegd als ook de periode waarin deze woningen in de betreffende prijscategorie moeten blijven behoren. Wettelijk is vastgelegd dat dit voor vier categorieën kan worden vastgelegd: sociale huur, middeldure huur, sociale koop en kavels voor particulier opdrachtgeverschap. Als tussenstap zullen deze minimale percentages worden uitgewerkt voor de voor wonen relevante gebiedsprofielen van de Omgevingsvisie en een aantal, nader te bepalen potentiële woningbouwlocaties. Het woningmarktonderzoek laat zien dat er geen grote behoefte is aan nieuwbouw van middeldure huurwoningen. In de plannen voor Belvédère als ook in veel andere plannen in de binnenstad wordt de komende jaren middeldure huurwoningen toegevoegd. Er is dan ook nu geen zware reden om in een bestemmingsplan minimale percentages middeldure huur op te nemen. Dat neemt niet weg dat in de doelgroepenverordening zelf wel een omschrijving van middeldure huur kan worden opgenomen. Er worden geen aanvullende eisen ten aanzien van de woninggrootte gesteld bovenop de eisen uit het landelijke Bouwbesluit. Dit sluit aan bij het beleid uit de huidige Woonvisie Maastricht. Betaalbaarheid staat voorop. Marktpartijen worden uitgenodigd hier creatief invulling aan te geven binnen de landelijke regels van het Bouwbesluit en het puntensysteem uit het landelijke WoningWaarderingsStelsel (WWS). Via bestemmingsplannen zal worden gestuurd op betaalbare nieuwbouw. Waar (nog) niet op kan worden gestuurd zijn de servicekosten die worden gevraagd bij de verhuur van een huurwoning. We zien als gemeente een al eerder ingezette trend waarbij kleine goedkope huurwoningen met een lage huurprijs gemeubileerd en met andere services worden verhuurd waardoor de totale woonlasten hoog worden. Ontwikkelingen rondom het beïnvloeden van servicekosten door de overheid worden dan ook gemonitord. SOCIALE WONINGVOORRAAD Meer sociale huurwoningen nodig Na jaren in het gemeentelijk beleid te hebben ingezet op een stabilisatie van het aantal sociale huurwoningen, is er op grond van de actuele woningbehoeftecijfers weer behoefte aan uitbreiding. De huidige saldo nul afspraak met de woningbouwcorporaties uit de huidige woonprogrammering komt daarmee te vervallen. In het programma permanente woningbouw wordt ingezet op een toename van 1.825 woningen (dit is een toename van ca. 8%). Hierbij is rekening gehouden met de effecten van het op maximale doorstroming gerichte nieuwbouwprogramma waardoor er (ook) in de sociale huursector bestaande woningen vrijkomen voor toewijzing aan woningzoekenden. Er is rekening gehouden met scheefwonen. Het huidige percentage goedkope scheefheid (= hogere inkomens in sociale huurwoningen) van 10% wordt daarbij als acceptabel gezien. Het komt overeen met het percentage sociale huurwoningen dat corporaties mogen toewijzen aan huishoudens die niet tot de doelgroep behoren. Het sturen op behoud van voldoende sociale huurwoningen draagt bij aan het verminderen van dure scheefheid (= lagere inkomens in dure huurwoningen). Op de lange termijn geven de prognoses nog steeds een daling van de behoefte aan sociale huurwoningen aan. Gezien de grote onzekerheden in deze prognoses is het zaak de ontwikkeling van de doelgroep goed te blijven volgen. Op de lange termijn zou daarmee ook een deel van de grotere grondgebonden gezinswoningen door renovatie en verduurzaming wellicht ook boven de liberalisatiegrens op de markt gebracht worden. Dit zou ook een deel van de verduurzamingsopgave van de (bestaande) woningvoorraad kunnen helpen. Spreiding voorraad in stad en regio In het kader van de in het Coalitieakkoord opgenomen doelstelling van een ongedeelde, sociale en saamhorige stad en een evenwichtige opbouw van de woningvoorraad op wijkniveau wordt deze uitbreidingsopgave bij voorkeur geconcentreerd in de wijken die nu een naar verhouding laag aandeel sociale huurwoningen kennen. In buurten met de hoogste percentages sociale huur wordt ingezet op verdere woningdifferentiatie. Instrumenten hiervoor zijn huurdifferentiatie, sloop en vervangende nieuwbouw, verkoop en de woonruimteverdeling (toewijzingsbeleid, eigen inplaatsing, (afwijken van) passend toewijzen. Ook op hoger schaalniveau wordt gestreefd naar een meer evenwichtige spreiding van de sociale woningvoorraad, in dit geval tussen de stad Maastricht en de gemeenten in de woningmarktregio. Kernopgave corporaties De uitbreidingsopgave voor sociale huurwoningen is geen exclusieve taak van de corporaties. Ook andere marktpartijen kunnen hierin een rol spelen. Naast de uitbreidingsopgave is voor corporaties de belangrijkste opgave om de bestaande sociale voorraad meer toekomstbestendig te maken. Kernpunten daarin zijn vergaande verduurzaming en het inspelen op de toenemende vergrijzing door het verbeteren van de levensloopbestendigheid. Daarbij kan worden aangehaakt bij andere trajecten die lopen in het kader van de verduurzaming zoals de Regionale Energie Strategie en de Transitievisie Warmte. Voor sommige buurten zal het lange termijnperspectief duidelijker zijn dan voor andere buurten. Maar voor alle buurten geldt dat het isoleren van woningen een solide basis is voor verdergaande verduurzaming in de toekomst. De corporaties zijn hier al mee begonnen en ronden dit de komende jaren af. En in de eisen voor nieuwbouwwoningen is reeds een forse verduurzamingsambitie opgenomen, waarbij aardgasvrij het uitgangspunt is. STARTERS Voor starters op de woningmarkt wordt een extra trede op de woningmarktladder toegevoegd. In het programma zijn 600 flexibele huureenheden opgenomen (100 woningen per jaar voor periode van 6 jaar). Dit vergemakkelijkt op termijn de toetreding tot de reguliere woningmarkt. Hiermee krijgt tevens het vasthouden van meer afgestudeerden een extra impuls. De helft van deze woningen is opgenomen in het programma permanente woningbouw. De andere helft is geprogrammeerd als tijdelijke woningen die na verloop van tijd weer van de woningmarkt verdwijnen. Meer startersleningen Voor koopstarters (daartoe horen ook recent afgestudeerden) worden de bestaande mogelijkheden voor het verkrijgen van een starterslening uitgebreid. Startersleningen zijn een hulpmiddel voor koopstarters (daartoe horen ook recent afgestudeerden) om een koopwoning meer bereikbaar te maken. In deze woonprogrammering is een verhoogd budget hiervoor opgenomen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de raadsmotie over het uitbreiden van de starterslening. Met een toevoeging van afgerond € 400.000,- kunnen (uitgaande van een aanvullende provinciale bijdrage) in totaal 100 startersleningen worden verstrekt (63 meer dan kan op basis van het eerder in juni 2020 weer opengestelde budget). Als de starterslening wordt gebruikt voor de aankoop van een bestaande woning, biedt de provinciale regeling Langer Duurzaam Thuis mogelijkheden om de woning op te knappen en daarbij meer duurzaam en levensloopbestendig te maken. WONEN EN ZORG De toenemende vergrijzing vraagt om meer levensloopbestendige woningen. In het programma is voorzien in de toevoeging van 600 woonzorgwoningen verspreid over de stad. Daarnaast is er een opgave om de komende jaren 2.200 bestaande woningen levensloopbesteding aan te passen. VERVOLGHUISVESTING BIJZONDERE DOELGROEPEN De woningvraag van deze doelgroepen valt uiteen in een vraag naar reguliere zelfstandige huurwoningen en een vraag naar tussenvoorzieningen. Een tussenvoorziening is een extra trede op de woningmarktladder. Bewoners wonen hier tijdelijk met als doel uiteindelijk door te stromen naar een reguliere zelfstandige woning. Bewoners ‘oefenen’ in zelfstandig wonen en krijgen daarbij enige vorm van ondersteuning. Daarna volgt uitstroom naar volledig zelfstandig wonen. Bij de huisvesting in reguliere woningen zit er een knelpunt in het beschikbaar komen van voldoende woningen in met name het allergoedkoopste huursegment. Deze voorraad neemt in omvang af, komt beperkt vrij en ook andere woningzoekenden zijn hier op aangewezen. Met de corporaties zal overleg worden gevoerd over de wijze waarop het aanbod van de goedkoopste woningen op peil kan blijven. Daarnaast is in het indicatieve woningbouwprogramma een opslag van 400 tijdelijke woningen toegevoegd voor de huisvesting van bijzondere doelgroepen. De keus voor tijdelijk is ingegeven door de overweging dat op termijn een overschot aan sociale huurwoningen kan worden verwacht. Daarmee ligt een permanente uitbreiding niet voor de hand. Een tweede punt van aandacht is de evenredige spreiding en het tegengaan van ongewenste concentraties van bijzondere doelgroepen op buurt- en complexniveau. Verder zijn in het programma 200 als tussenvoorziening te realiseren eenheden opgenomen. Deze eenheden worden met een tijdelijk huurcontract verhuurd omdat het de bedoeling is dat de bewoner na verloop van tijd doorstroomt naar een reguliere woning en de tussenvoorziening weer beschikbaar komt voor een nieuwe bewoner. Kernbegrippen bij de invulling zijn: kleinschalig, verspreid over de stad, kleine, goedkope, zelfstandige woningen, verhuurd met tijdelijk huurcontract voor 2 jaar, soms met begeleiding en zorg. Tussenvoorzieningen kunnen via drie lijnen tot stand komen: 1) via omvorming Beschermd Wonen voorzieningen, 2) de complexmatige transformatie van bestaand vastgoed en 3) complexmatige nieuwbouw van complexen. Een complexmatige aanpak is gewenst, zodat een beheerder kan toezien op een passende mix van bijzondere doelgroepen en (eventueel) andere doelgroepen. Daarbij kan bij verspreid liggende huisvesting in overleg met de corporaties een ‘omklap’ aan de orde zijn: een tussenvoorziening die wordt omgezet naar reguliere huisvesting, waarmee een nieuwe verhuizing kan worden voorkomen. Aandachtspunt voor zowel de zelfstandige woningen als de tussenvormen is de toeleiding naar deze woningen. In overleg met de zorgprofessionals werkzaam in de buurt moet de uitstromende doelgroep een zachte landing ervaren in de wijk en de juiste zorg verkrijgen. HUISVESTING INTERNATIONALE WERKNEMERS In het deelprogramma sociale huur zijn 950 eenheden opgenomen voor de huisvesting van internationale werknemers die voor kortere tijd in Maastricht wonen (short en mid stay). Voor internationale werknemers die uiteindelijk in Maastricht blijven is het programma opgehoogd met 400 woningen, verdeeld over huur en koop. De ontwikkeling van de arbeidsmigratie wordt via de monitoring gevolgd. Daarbij wordt verwacht dat de ontwikkeling van de arbeidsmigranten gevoeliger is voor economische wisselingen dan de ontwikkeling van kenniswerkers. STUDENTENHUISVESTING Het in juni 2019 door de raad vastgestelde programma studentenhuisvesting is geactualiseerd en zoals afgesproken met de raad in deze programmering opgenomen. De eerder gemaakte keuzes met betrekking tot de verdeling van grootschalige en kleinschalige studentenhuisvesting en de 40-40-40-regeling zijn daarbij niet gewijzigd, omdat is gebleken dat de hierover gedane aannames in lijn zijn met de praktijk van de afgelopen jaren. De aantallen voor splitsen, omzetten en kleinschalige herbestemming zijn hetzelfde gebleven, als ook de verdeling over deze categorieën en de keuze om deze alleen in te zetten voor de doelgroep studenten en niet voor andere doelgroepen. In nieuwe projecten voor grootschalige studentenhuisvesting wordt menging van studenten met andere doelgroepen onder voorwaarden die per project kunnen verschillen toegestaan. Met deze maatregel wordt menging bevorderd en komen er extra mogelijkheden voor de huisvesting van bijvoorbeeld spoedzoekers en statushouders. In tijdelijke projecten voor bijzondere doelgroepen wordt het toegestaan om hier ook studenten te huisvesten in het kader van de Magic Mix. WOONWAGENBEWONERS Als gevolg van gewijzigd rijksbeleid is in deze programmering een uitbreiding van het aantal woonwagenstandplaatsen opgenomen. Om woonwagenbewoners een vergelijkbare kans te geven op een standplaats als huurders die op zoek zijn naar een grondgebonden woningen in het stadsrandmilieu (dat wordt beschouwd als een met standplaats/woonwagen vergelijkbaar woonproduct) zijn er de komende jaren 18 aanvullende (huur-)standplaatsen nodig. Daarnaast is het wenselijk om de huidige toewijzingspraktijk (wachtlijst en specifieke bemiddelingen) te evalueren en zo nodig aan te passen. Het is daarbij van belang in te spelen op de van oudsher sterke familiebanden. Tot slot is het wenselijk om in regionaal verband overleg te voeren over het hanteren van eenduidige definities en wijze van registreren. PARTICULIERE WONINGVOORRAAD De parabel van de fruitmand De focus in de aanpak van bestaande woningen zal de komende jaren niet alleen liggen op de sociale sector, maar ook op de particuliere huur- en koopsector. In een markt met een beperkt potentieel voor uitbreiding zal veel nieuwbouw leiden tot het ‘fruitmand-effect’: nieuwe woningen vinden aftrek, de verhuurbaarheid van bestaande woningen neemt af. Dit effect wordt versterkt wordt door het feit dat de komende jaren veel eengezinswoningen door de verdergaande vergrijzing vrij zullen komen. Als deze ontwikkeling een grootschaliger karakter krijgt en invloed gaat uitoefenen op de leefbaarheid van een wijk, komt er een moment dat de aanpak verschuift van een zuiver individuele verantwoordelijkheid van de eigenaar naar een medeverantwoordelijkheid van de gemeente (vergelijkbaar met de herstructurering van wijken met veel sociaal woningbezit). Daarom wordt in het kader van deze nota ingezet op vroegsignalering. Daarnaast levert de verduurzamingsaanpak van bestaande woningen een bijdrage aan kwaliteitsverbetering en daarmee aan een toekomstbestendige woonkwaliteit. Ook het vergroten van de levensloopbestendigheid kan hieraan bijdragen. Voor een groot deel zal het gaan om woningverbetering, maar ook sloop en vervangende nieuwbouw kunnen een optie zijn. Daarnaast kan selectieve nieuwbouw, die iets extra’s biedt ten opzichte van de huidige woningvoorraad de aantrekkelijkheid van een buurt vergroten. Ervaringen in Parkstad worden gebruikt om van te leren. Het blijkt dat betrokkenheid van het rijk bij een dergelijke aanpak nodig is. Een verdere uitwerking zal plaatsvinden binnen de regionale aanpak die hiervoor is opgesteld. De stapsgewijze verduurzaming van de particuliere voorraad is een speerpunt in de gemeentelijk aanpak aardgasvrij de komende tien jaar. Daarbij zal waar mogelijk worden aangesloten bij ‘natuurlijke’ besluitvormingsmomenten, bijvoorbeeld op het moment dat zich bij bewoners een vraag naar groot onderhoud en/of levensloopbestendigheid voordoet. VRAAGGERICHT BOUWEN EN (COLLECTIEF) PARTICULIER OPDRACHTGEVERSCHAP Op basis van de ervaringen met het door de raad in 2016 vastgestelde actieplan vraaggericht bouwen wordt de subsidie voor kluswoningen afgeschaft. Er is weinig gebruik van gemaakt en het droeg niet bij aan het beoogde doel om de verkoopbaarheid van langdurig leegstaande koopwoningen met een matig tot slechte woonkwaliteit te verbeteren. Er is voor (potentiële) woningeigenaren een alternatief in de vorm van de provinciale subsidieregeling Duurzaam Thuis voor het uitvoeren van levensloopbestendigheidsmaatregelen of isolerende maatregelen. De positieve ervaringen met (collectief) particulier opdrachtgeverschap (in Belvédère) zijn aanleiding om het eerder in het actieplan uitgezette beleid voort te zetten. De uitgifte van vrije kavels in Ambyerveld wordt voortgezet. Van de resterende gelden voor vraaggericht bouwen wordt een bedrag van € 140.000,- gereserveerd voor de subsidiëring van proceskosten Collectief Particulier Opdrachtgeverschap en Maatschappelijk Opdrachtgeverschap. Daarnaast wordt een bedrag van € 10.000,- gereserveerd voor communicatie over nieuwe projecten. Waar eerder de gemeente de communicatie hierover verzorgde, wordt deze verantwoordelijkheid nu bij de initiatiefnemers gelegd. Het gereserveerde budget wordt ingezet voor de inhuur van wijkreporters om initiatiefnemers te ondersteunen die hiervoor het podium van Thuisinmaastricht gebruiken. De resterende gelden voor CPO, die uit hetzelfde overkoepelende budget ISV (Investering Stedelijke Vernieuwing) komen, worden opnieuw samengevoegd met de resterende gelden voor de herstructurering van het woningbezit van de corporaties (regeling herverdeling woningbouwprogramma). Naast subsidiering van de proceskosten zijn locaties waar CPO kan plaatsvinden ook een vereiste. Daarom wordt CPO meegewogen bij de toekomstige tenders die de gemeente uitzet, waarbij de zwaarte van de weging afhankelijk is van de overige wensen voor het betreffende gebied. RELATIE MET DE REGIO Het programma is gebaseerd op een zorgvuldig vastgestelde behoefte. Maastricht bouwt daarbij primair voor de eigen behoefte en speelt in op de vraag naar (centrum-)stedelijk wonen. Daarmee speelt deze woonprogrammering een belangrijke rol in de regionale samenwerking, waarbij de regio als totaal een compleet palet aan woonmilieus kan bieden en Maastricht positie kiest als stad voor (centrum-)stedelijk wonen in Zuid-Limburg. Met deze woonprogrammering wordt tegemoetgekomen aan de wens van de provincie om meer ruimte te bieden voor de huisvesting van arbeidsmigranten en het verbeteren van de doorstroming op de woningmarkt door meer betaalbare nieuwbouw, sociale huur en middenhuur. Deze woningen waren in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg uit 2016 echter compensatieplichtig. Parallel aan het opstellen van de woonprogrammering is daarom bij de evaluatie van de regionale afspraken ingezet op versoepeling van de compensatiemethodiek. De evaluatie van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg en het afschaffen van de compensatieplicht voor gewenste, betaalbare woningen zal parallel aan deze woonprogrammering in het eerste kwartaal van 2021 tot besluitvorming worden gebracht in alle gemeenteraden in Zuid-Limburg. Hierdoor komt er meer ruimte voor maatschappelijke relevant geachte woningbouwinitiatieven. Het meer ruimte bieden voor betaalbare woningen leidt hopelijk ook tot meer spreiding van sociale huurwoningen over de regio. FLEXIBEL (ADAPTIEF) PROGRAMMEREN De ervaringen van de afgelopen jaren en de onzekerheden over de toekomst (met name economie-werkgelegenheid-migratie) vragen om een andere manier van programmeren. De Coronacrisis is daar een voorbeeld van. Dat vraagt om flexibel (‘adaptief’) programmeren. Bij adaptief programmeren krijgt sturing vooraf via aantallen woningen en het aanwijzen van specifieke woningbouwlocaties minder nadruk. De sturing op de kwalitatieve invulling (doelgroep, type, grootte, locatie, prijs) des te meer. Een dergelijke sturing wordt noodzakelijk geacht omdat marktpartijen niet als vanzelfsprekend ook bouwen voor lagere inkomens en de woningbehoefte duidelijk aangeeft dat er juist behoefte is aan meer voor lagere inkomens betaalbare woningen. Sturing op aantallen helemaal loslaten is ook ongewenst, omdat marktpartijen in de regel weinig oog hebben voor de effecten van hun plannen op de bestaande woningvoorraad of plannen van andere ontwikkelaars. Zonder sturing is er dus kans op overproductie met als gevolg leegstaand in de nieuwbouw en/of de bestaande woningvoorraad. Via gerichte monitoring worden de feitelijke ontwikkelingen in economie en woningmarkt gevolgd. Als de uitkomsten van de monitoring daar aanleiding toe geven wordt de te volgen koers aangepast. De monitoring is de basis waarmee de raad wordt geïnformeerd over de stand van zaken en zal aan de orde worden gesteld in het overleg met marktpartijen. Monitoring Flexibel programmeren stelt hoge eisen aan de monitoring. Voorzien wordt in monitoren op vier niveaus. Ten eerste wordt de ontwikkeling van de zogenaamde kantelpunten gevolgd. Dit zijn factoren die bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of het scenario ‘werkgelegenheid’ nog de juiste basis is voor de programmering. Gevolgd worden de ontwikkeling van het aantal en de samenstelling van de huishoudens, de (binnenlandse en buitenlandse) migratie en het aantal arbeidsplaatsen. Ten tweede worden ontwikkelingen in de woningvoorraad gevolgd (welke woningen worden waar toegevoegd, onttrokken, vervangen, samengevoegd, gesplitst etc.). Ten derde wordt de voortgang in de huisvesting van bijzondere doelgroepen en studenten gevolgd. Tot slot wordt de plancapaciteit (blijvend) in beeld gebracht. Dat is een uitdagende opgave omdat de woningen uit de planvoorraad (nog) geen geografische code hebben. Die krijgen ze pas bij daadwerkelijke realisatie. Wel is het belangrijk om de planvoorraad structureel en per buurt bij te houden om de confrontatie met het woningbouwprogramma blijvend te kunnen toetsen. PLANCAPACITEIT Behoefte extra plancapaciteit De woonprogrammering wordt niet vanaf een lege tafel ingevuld. Er staat al een groot aantal woningen in de planning. De benodigde plancapaciteit overschrijdt het huidige planaanbod. De opgave bedraagt ca. 3.500 woningen (waarvan ca. 2.400 permanente woningen en 1.100 permanente woningen met een tijdelijk huurcontract). Behoefte extra plancapaciteit tot en met 2030 Gewenst woningbouwprogramma 3.500 +30% opslag planvertraging en planuitval +1.050 Benodigde plancapaciteit 4.550 Huidige plancapaciteit 3.150 Benodigde extra plancapaciteit 1.400 -20% vrijhouden voor nieuwe ontwikkelingen -700 Plancapaciteit nu in te vullen met plannen 700 Rekening houdend met een planuitval van 30% als gevolg van vertraging en afvallen van plannen is een plancapaciteit van 130% (4.550 woningen) wenselijk1Het rijk heeft in het kader van het inlopen van het woningtekort en het stimuleren van de bouwproductie provincies en gemeenten gevraagd om de plancapaciteit op te hogen naar 130% van de noodzakelijke plancapaciteit. Hiermee wordt rekening met mogelijke planvertraging en planuitval in de toekomst. . De huidige netto plancapaciteit bedraagt ruim 3.100 woningen. Er is behoefte aan aanvullende plancapaciteit voor 1.400 woningen. Rekening houdend met het ‘apart zetten’ van 20% van de benodigde capaciteit voor nieuwe ontwikkelingen (niches en vernieuwende, onderscheidende woonconcepten) in de komende jaren en deze nu nog niet beleggen met concrete locaties en/of plannen, is er de noodzaak om nu voor 700 woningen concrete locaties aan te wijzen en plannen te gaan ontwikkelen. Er is spanning tussen het programma en de huidige plancapaciteit kijkend naar de woningcategorieën. De opgave voor betaalbare huur en betaalbare grondgebonden koop in het programma is veel groter dan de aandelen hiervan in de huidige plancapaciteit. Met de huidige plancapaciteit kan het woningbouwprogramma dus voor een deel worden ingevuld. Gezien het vergevorderde stadium waarin veel plannen, waaronder de projecten Belvédère en De Groene Loper, zich bevinden, zijn de mogelijkheden om kwalitatief bij te sturen beperkt. Dat geldt ook voor de plannen van de corporaties. Deze plannen zijn weliswaar vaak nog zacht, maar de financiële mogelijkheden van de corporaties zijn beperkt. Dat bemoeilijkt een (extra) inzet op goedkopere woningen. Voorgesteld wordt de gemeentelijke inzet daarom primair te richten op het optimaal invullen van nieuwe woningbouwplannen. Daartoe wordt aan de raad volgend op de vaststelling van de woonprogrammering een voorstel voorgelegd voor een doelgroepenverordening op basis waarvan in bestemmingsplannen en het omgevingsplan minimale percentages betaalbare nieuwbouw kunnen worden opgenomen. Er is behoefte aan aanvullende plancapaciteit voor (zowel permanente als tijdelijke) betaalbare sociale woningbouw (huren tot € 730,-) en betaalbare grondgebonden koopwoningen (sociale koop tot € 250.000,- en middeldure koop tot € 350.000,-). In de wetenschap dat planvertraging en planuitval deels onontkoombaar is, wordt er gerekend met een opslag van 30% bovenop de noodzakelijke plancapaciteit. Om flexibel in te kunnen spelen op nieuwe, onverwachte ontwikkelingen en ruimte te geven aan niches op de woningmarkt die een waardevolle aanvulling vormen op de huidige woningvoorraad, wordt 20% van de plancapaciteit hiervoor gereserveerd. Deze kan in de loop van de jaren gedoseerd worden ingezet. Daarmee komt er ruimte voor onder andere initiatieven van inwoners zoals (Collectief) Particulier Opdrachtgeverschap (waarvan de evaluatie heeft aangetoond dat deze positieve effecten heeft voor de stad), groepswonen voor ouderen, Tiny Houses en dergelijke. In deze woonprogrammering worden geen nieuwe woningbouwlocaties vastgelegd. Evenals bij de programmering studentenhuisvesting wordt het aan initiatiefnemers overgelaten om hiervoor plannen bij de gemeente in te dienen. De gemeente beoordeelt plannen op basis van het woonbeleid, de woonprogrammering en bovenliggend beleid zoals vastgelegd in (bijvoorbeeld) de Omgevingsvisie en hanteert daarbij de volgende principes: Plannen dienen te passen binnen de ladder voor locatiekeuze en de gebiedsprofielen uit de Omgevingsvisie. Plannen dienen invulling te geven aan de in deze woonprogrammering gewenste nieuwbouwcategorieën, te weten betaalbare huurwoningen onder de fiatteringsgrens huurtoeslag voor 1-2 persoonshuishoudens en betaalbare grondgebonden (met name koop-)woningen. Voor (centrum-)stedelijk wonen blijft Maastricht regionaal onderscheidend in en voorziet zij in de behoefte hieraan. Gezien de grote vraag naar betaalbare woningen kunnen er ook in woonwijken aan de rand van de stad woningen worden toegevoegd, maar niet zomaar overal. Deze worden primair geclusterd rondom voorzieningen. Uitbreiding daarbuiten moet zorgen voor differentiatie van de woningbouwvoorraad in de buurt. Plannen dragen bij aan het versterken van de bestaande structuur en/of het mogelijk maken van geplande voorzieningen en functies. De uitbreidingsopgave voor sociale huurwoningen, passend bij de ladder voor locatiekeuze en de gebiedsprofielen uit de Omgevingsvisie, wordt bij voorkeur geconcentreerd in buurten met een ondergemiddeld aandeel sociale huurwoningen en is daarnaast mogelijk in buurten waar het aandeel sociale huurwoningen bovengemiddeld hoog is en wordt gewaarborgd dat door nieuwbouw dit aandeel niet wordt verhoogd. Plannen dienen te voldoen aan de minimumpercentages betaalbare woningbouw zoals deze in bestemmingsplannen zullen worden vastgelegd. Tot het moment dat de minimumpercentages betaalbare nieuwbouw zijn vastgesteld, wordt alleen medewerking verleend aan nieuwe woningbouwplannen als het programma voor minimaal 60% uit betaalbare woningen (sociale huur en goedkope koop) bestaat. Betaalbaarheid staat voorop. Dat betekent dat bij de afweging grondgebonden of gestapeld bij sociale huurwoningen de betaalbaarheid voorop staat. Voor het programma grondgebonden koopwoningen ligt dit anders. Hier is het belang van het woningtype ook groot. Deze woningen zijn namelijk grotendeels gericht op potentiële doorstromers die een sterke voorkeur hebben voor een grondgebonden woning. De kans dat zij verhuizen naar een gestapelde woning is daarmee klein. Hergebruik van bestaande woongebouwen en herbestemming van bestaande (monumentale) niet-woongebouwen heeft prioriteit. (Grotere) Woningbouwplannen dienen bij te dragen aan grote, integrale gebiedsontwikkelingen met een regionaal en stedelijk belang. Bij de afweging wordt ook de bereikbaarheid van de locatie betrokken. ONDERZOEK REKENKAMER WOONBELEID In mei 2020 heeft de Rekenkamer Maastricht haar rapport over het Maastrichtse woonbeleid uitgebracht. De in dit rapport opgenomen aanbevelingen over de woonprogrammering zijn in dit raadsvoorstel verwerkt2Zie bijlage 10 voor een nadere uitwerking hiervan.. Er wordt inzicht gegeven in het scheefwonen in de sociale sector en de implicaties hiervan zijn in de programmering verwerkt. De vraag naar betaalbaar wonen is onderzocht en vertaald in de programmering. De risico’s met betrekking tot studentenhuisvesting zijn reeds eerder onderzocht en in deze programmering verwerkt. De Rekenkamer heeft ook geadviseerd over de ‘omgang met de wijken’. Qua behoefte is dat opgenomen in de woonprogrammering. Omdat het vraagstuk van de wijk(-aanpak) een integraal vraagstuk is, is dit in het kader van deze woonprogrammering niet uitgewerkt. Dit zal aan de orde komen bij de actualisatie van de Omgevingsvisie en de hernieuwing van de afspraken met de corporaties over de herstructurering van de sociale woningvoorraad waarbij ook aandacht zal worden geschonken aan gerichte kwaliteitsimpulsen in specifieke buurt. FINANCIELE PARAGRAAF De raad wordt voorgesteld de resterende budgetten van de eerder door de raad ter beschikking gestelde gelden voor de herstructurering van sociale huurwoningen en vraaggericht bouwen in te zetten voor de subsidiëring van de bouw van nieuwe sociale huurwoningen, een aanvullende storting in het revolverende fonds voor startersleningen, subsidiëring van proceskosten van CPO-projecten en de ontwikkeling van een volgsysteem voor de uitvoering van deze woonprogrammering. De resterende gelden kunnen worden ingezet voor het stimuleren van betaalbare sociale huurwoningen. Dit is voor corporaties en andere ontwikkelaars een opdracht van formaat. De bijdrage is niet bedoeld als exploitatiebijdrage voor de woningen zelf, maar voor de financiering van maatregelen die bijdragen aan een goede inpassing van plannen in de omgeving. Budget uitvoering woonprogrammering Totaal resterende budgetten ISVIII Wonen*) 1.788.336,- Bijdrage nieuwbouw sociale huur € 1.204.586,- Verhogen revolverend fonds startersleningen € 393.750,- Stimuleren collectief particulier opdrachtgeverschap € 140.000,- Monitoring (‘dashboard’ ) uitvoering woonprogrammering € 50.000,- Totaal € 1.788.336,- *Op het moment van schrijven loopt er nog een subsidieaanvraag van Servatius voor €140.000, die naar verwachting zal worden gehonoreerd. Dit bedrag is nog niet afgetrokken van dit resterende budget en zal, wanneer de subsidie wordt toegekend, in mindering worden gebracht op het restant-bedrag. 1.Aanleiding, opzet en onderbouwing 1.1Aanleiding In 2016 stelde de raad de woonprogrammering voor de jaren 2016-2020 met een doorkijk naar 2025 vast. Daarbij is vastgelegd dat er in 2020 een programmering voor de jaren 2021-2026 met een doorkijk voor de jaren daarna zou worden opgesteld. Met deze nota wordt daar invulling aan gegeven. 1.2Opzet van deze nota In hoofdstuk 2 wordt teruggeblikt op de uitkomsten van de woonprogrammering 2016-
  4. Hoofdstuk 3 geeft de belangrijkste resultaten van het woningmarktonderzoek en aanvullende onderzoeken weer. In hoofdstuk 4 worden de opgave (het ‘wat’) en strategie (het ‘hoe’) voor de nieuwe programmering beschreven. In hoofdstuk 5 wordt de opgave voor een aantal specifieke doelgroepen en thema’s nader uitgewerkt. Hoofdstuk 6 tot slot beschrijft enkele uitvoeringsonderdelen van de woonprogrammering en de wijze waarop de monitoring van de woonprogrammering is ingericht. Het opstellen van de nieuwe woonprogrammering komt tot stand in een woelige periode. De dynamiek op de woningmarkt wordt groter, het belang van flexibiliteit en tijdelijkheid neemt toe, de betaalbaarheid van het wonen staat onder steeds meer druk en de verduurzaming van de woningbouw vormt een opgave van formaat. Deze ontwikkelingen staan beschreven in bijlage
  5. De woonprogrammering komt tot stand in een periode waarin de effecten van de Corona-crisis voor de woningmarkt nog onduidelijk zijn. Veel, zo niet alles, zal afhangen van het tempo waarin er een werkzaam vaccin op de woningmarkt zal komen. Hoe langer dit duurt, des te groter zullen de effecten op de woningmarkt zijn. Veel zal daarbij afhangen van de ontwikkeling van de werkgelegenheid. Als veel mensen hun baan verliezen, zal de vraag naar duurdere (koop-)woningen inzakken en de vraag naar goedkopere (huur-)woningen toenemen. Een uitgebreide beschrijving van de effecten van de Corona-crisis is te vinden in bijlage
  6. De ervaringen van de afgelopen jaren en de onzekerheden over de toekomst vragen om een andere manier van programmeren. De Coronacrisis is daar een voorbeeld van. Dat vraagt om flexibel (‘adaptief’) programmeren. Een uitgebreide beschrijving van de redenen om over te gaan op een andere manier van programmeren zijn te vinden in bijlage
  7. In bijlage 4 wordt de beleidsmatige context beschreven waarin deze nota tot stand komt. Aan de orde komen rijksbeleid, regionaal beleid en lokaal beleid (Omgevingsvisie 2040, Woonvisie 2018, Woonprogrammering 2016-2019 en Programmering Studentenhuisvesting 2019-2024). In het raadsvoorstel programmering studentenhuisvesting 2019-2024 is vastgelegd dat deze separate programmering in het kader van de nieuwe stedelijke woonprogrammering wordt geactualiseerd en daarin wordt opgenomen. Daartoe is de programmering studentenhuisvesting tussentijds geëvalueerd. De uitkomsten van deze evaluatie zijn opgenomen in bijlage
  8. Onderdeel van het woonbeleid is vraaggericht bouwen. De uitkomsten hiervan zijn geëvalueerd en opgenomen in bijlage
  9. Bijlage 7 geeft de uitkomsten van de uitvraag tijdelijke woningen. In bijlage 8 is de woningbehoefte van internationale werknemers uitgewerkt. In bijlage 9 tot slot wordt een beschrijving gegeven van de leegstand van woningen in Maastricht. 1.3Onderbouwing Uitkomsten woningbehoefte- en woningmarktonderzoek De belangrijkste input voor de ontwikkeling van vraag en aanbod wordt gevormd door recent door bureau Stec verricht onderzoek3'Goed stedelijk wonen voor iedereen; woningmarktonderzoek Maastricht’, bureau Stec, juli
  10. Voor de verwachte ontwikkeling van de bevolking is gebruik gemaakt van verschillende bevolkingsprognoses (CBS, PBL, Etil). Deze kennen alle verschillende vooronderstellingen en hebben alleen daardoor al verschillende uitkomsten. Niettemin geven deze onderzoeken een duidelijke trend aan. In deze nota is, als uitgangspunt voor het woningbouwprogramma, gekozen voor het scenario werkgelegenheid. Dit scenario houdt voor de berekening van de woningbehoefte rekening met de effecten van de groei van de werkgelegenheid als gevolg van de doorontwikkeling van Chemelot, de Health Campus Maastricht en de mogelijke komst van de Einsteintelescoop. Hiermee kan Maastricht naar verwachting het beste aan de daaruit voortkomende woningvraag tegemoetkomen, zowel in aantallen woningen als kwalitatief (doelgroep, type, grootte, prijs) en daarmee het profiel van Maastricht als goede woonstad te versterken. Daarmee is gekozen voor een ambitieus programma in een onzekere en pessimistische tijd. Omdat de verwachtingen over de toekomstige bevolkingsontwikkelingen onzeker zijn wordt hiermee bij de invulling van de programmering rekening gehouden door deze flexibel (‘adaptief’) op te stellen. Verdiepende onderzoeken specifieke doelgroepen Het algemene woningmarktonderzoek vertelt niet het totale verhaal. Een verdieping op specifieke doelgroepen geeft aanvullende informatie. Vaak leidt dit tot een extra opgave voor de woonprogrammering. Deze zijn in de nieuwe woonprogrammering verwerkt. De volgende aanvullende onderzoeken zijn uitgevoerd: De behoefte aan vervolghuisvesting voor kwetsbare doelgroepen en wonen en zorg. Via het Sociaal Domein is hiervoor apart onderzoek verricht.4'Huisvestingsopgave kwetsbare doelgroepen; gemeente Maastricht’, bureau Companen, juni 2020 De uitkomsten hiervan zijn in de woonprogrammering verwerkt. Huisvesting arbeidsmigranten. Deze zijn wat betreft de zogenaamde long stay in het onderzoek van Stec meegenomen. Maar de behoefte aan mid/short stay is dat niet. De behoefte hieraan is, zoals deze naar voren komt uit recent onderzoek van Decisio5 'Onderzoek internationale werknemers in Limburg’, Decisio/Companen, mei 2020, in de nieuwe woonprogrammering verwerkt. De behoefte aan studentenhuisvesting. Het huidige programma is op basis van de tussentijdse evaluatie en verwachtingen over de toekomst geactualiseerd. Daarbij is ook aandacht geschonken aan de mogelijkheden voor gebruik van grootschalige complexen door diverse doelgroepen (Magic Mix en mogelijk omklappen naar andere doelgroepen op de lange termijn). De behoefte aan Collectief Particulier Opdrachtgeverschap. Op basis van een evaluatie van de CPO-projecten in Belvédère wordt in de nieuwe woonprogrammering aandacht besteed aan de kansen en mogelijkheden voor nieuwe CPO-projecten.6 Evaluatie CPO Maastricht (eerste conclusies, rapportage is nog niet afgerond) De behoefte aan standplaatsen voor woonwagenbewoners. In opdracht van de gemeenten in Limburg en onder coördinatie van de provincie is gezamenlijk onderzoek verricht7 'Behoeftepeiling woonwagenstandplaatsen provincie Limburg’, Companen, februari
  11. Op basis van een richtinggevende vergelijking met slaagkansen van woningzoekenden in de sociale huursector is dit vertaald in een voorstel voor aanvullende standplaatsen8 ‘Richtinggevende vergelijking met sociale sector in Maastricht’, Vrolijk BV, augustus 2020 2.Evaluatie woningbouwprogrammering 2.1Totaalproductie Tabel 1 Woningproductie 2016-2020 A Nieuwbouw B Af: Sloop C= A+B Bruto toename /nieuwbouw minus sloop) D Saldo Overige toevoeging1) E Af: Correctie CBS F=C+D+E Saldo toename Totaal 2016-2019 506 -538 -32 907 -54 821 2020 621 -199 422 PM 2) PM 422 TOTAAL 2016-2020 1.127 -737 390 907 +PM -54 +PM 1.243 +PM Bron: 2016-2019: CBS Statline, 2020: bewerking gemeente Maastricht Dit betreft het saldo van woningsplitsing en herbestemming naar zelfstandig wonen. Voor zover het gaat om zelfstandige studentenhuisvesting is dit opgenomen in deze tabel. Dat levert extra woningen op. Daarnaast vermindert het aantal woningen door woningsamenvoeging en herbestemmen naar een andere functie dan wonen. Dit aantal verschilt sterk per jaar. Het is daarom niet mogelijk hier een goede schatting van te maken. De feitelijke stand kan voorjaar 2021 worden opgemaakt als de definitieve BAG-gegevens aan het CBS zijn doorgegeven en verwerkt. In totaal zijn tot en met 2019 ruim 800 zelfstandige woningen toegevoegd. Het saldo van sloop en nieuwbouw was in de periode negatief. Dit is veroorzaakt door het feit dat corporaties versneld plannen voor sloop hebben ingediend en hiermee in aanmerking kwamen voor een korting op de verhuurdersheffing. Hierdoor is in de jaren 2016-2019 de groei van de woningvoorraad terug te voeren op veranderingen in de bestaande gebouwenvoorraad (splitsen in zelfstandige appartementen, herbestemmen van niet-woongebouwen naar zelfstandige woonruimte). Een aanzienlijk deel hiervan is de zelfstandige studentenhuisvesting die de afgelopen jaren is gerealiseerd. Voor 2020 is het verwachte beeld duidelijk anders. Het saldo van sloop en nieuwbouw komt uit op ruim 400 woningen. Het hoge aantal sloopwoningen is een gevolg van het feit dat corporaties de sloop in de tijd naar voren hebben gehaald in verband met een korting op de verhuurdersheffing. Het saldo van andere toevoegingen is voor 2020 nog onbekend. Voor de gehele periode komt de toename van de woningvoorraad uit op ca. 1.250 woningen, waarvan 390 (ca. eenderde) als gevolg van (al dan niet vervangende) nieuwbouw en 907 (ca. tweederde) als gevolg van veranderingen in de bestaande gebouwenvoorraad. Een vergelijking over de tijd laat zien dat de in 2016 uitgesproken verwachting dat de dynamiek, die er normaal gesproken is in de bestaande woningvoorraad, door de prioritering en het daarbij geformuleerde flankerend beleid, zou verminderen, wel is uitgekomen. Het aantal toevoegingen anders dan nieuwbouw lag in 2018 en 2019 duidelijk lager dan in 2016 en
  12. Er zijn in 2016 afspraken gemaakt met de provincie en regiogemeenten over de woningbouw. Hier wordt in paragraaf 2.7 apart op ingegaan. 2.2Nieuwbouw 2016-2020 Tabel 2 Nieuwbouwproductie 2016-2020: inzet en realisatie Voornemen 2016 Gerealiseerd Sloop Saldo Nieuwbouw 500-1.000 2016 2017 2018 2019 2020* Totaal 16 175 94 221 621 1.127 Waarvan Belvédère en Groene Loper 700 738 Waarvan corporaties Saldo nul 2016 2017 2018 2019 2020* Totaal 17 18 39 15 87 176 45 158 236 37 199 675** -28 -140 -197 -22 -112 -499 Bronnen: CBS (2016-2019), gemeente Maastricht

(2020), evaluatie prestatieafspraken 2016-2019 en de prestatieafspraken 2020 *) verwachting **) de gegevens over gesloopte corporatiewoningen zijn afkomstig van de corporaties. Door een andere wijze van registreren komen deze niet geheel overeen met de gegevens over gesloopte woningen zoals deze op basis van CBS-cijfers in tabel 1 zijn opgenomen Geconcludeerd kan worden dat het nieuwbouwprogramma uit de nota eind 2020 naar verwachting volledig zal zijn gerealiseerd. De nieuwbouw zit met een totaalaantal van ruim 1.100 boven de bovengrens uit het raadsbesluit uit 2016. Daarbij zien we dat de gerealiseerde in productie 2019 en de verwachte totaalproductie in 2020 veel hoger ligt dan voorgaande jaren. De nieuwbouwproductie heeft hiermee meebewogen met de vooral in 2019 en 2020 oplopende spanning op de woningmarkt en de gunstige economische omstandigheden. Dit komt vooral door de toegenomen productie in het Belvédère gebied. Samen met de Groene Loper is dit goed voor 738 woningen in de jaren 2016-2020 (601 Belvédère, 137 Groene Loper). Dit is twee derde van de totale nieuwbouwproductie. De in Belvédère gewenste bouwproductie is in deze jaren dus goed op gang gekomen. De productie bij de Groene Loper blijft daar vooralsnog bij achter. Niettemin komt de totale verwachte productie op beide locaties overeen met de in de programmering 2016 opgenomen verwachting van ca. 700 woningen. Conform het raadsbesluit uit 2016 betekent deze uitkomst ook dat met de nieuwbouw in Belvédère en De Groene Loper invulling is en wordt gegeven aan de opdracht om de woningbouw te concentreren in het (centrum-)stedelijk woonmilieu. In het stadsrandmilieu is er behoudens sloop-/nieuwbouwprojecten van corporaties waardoor er per saldo sprake is van verdunnen weinig gebouwd. Uitzonderingen hierop zijn de nieuwbouw aan de rand van Malberg (Zouwdalveste) en Ambyerveld/Amby-Noord. De inzet bij de sociale woningbouw was een saldo nul op het niveau van de gehele stad (met een verdunning aan de stadsranden en verdichting in het stedelijk woonmilieu). Per saldo is de sociale woningvoorraad in deze jaren gekrompen met bijna 500 woningen. Dit is een gevolg van het feit dat de corporaties de sloop in de tijd naar voren hebben gehaald om in aanmerking te kunnen komen voor een korting op de verhuurdersheffing. In de jaren na 2020 zal dit worden gecompenseerd door vervangende nieuwbouw waardoor de voorraad weer zal gaan groeien. In de woonprogrammering uit 2016 is 10% van de ‘programmeringsruimte’ (maximaal 20 woningen per jaar) gereserveerd voor nieuwe, kleinschalige initiatieven (5 woningen of minder per initiatief) die passen bij de behoefte (zowel qua woonmilieu als woningtype). Gemiddeld zijn per jaar naar schatting 10 van dergelijke plannen goedgekeurd. In geen enkel jaar is het maximumaantal van 20 woningen bereikt. In de woonprogrammering is vastgelegd dat als de woningbouwproductie niet op het gewenste niveau zou komen en blijven, er zou worden overwogen het quotum van 20 woningen per jaar te realiseren voor deze kleinschalige initiatieven tijdelijk te verhogen. Dit is niet gebeurd. Weliswaar bleef de productie in de jaren 2016-2018 achter, maar dit is in de jaren vanaf 2019 ingelopen, zodat het verwachte totaalaantal woningen wel is bereikt. Daarnaast is vastgelegd dat zowel voor het herbestemmen van (rijks-)monumenten als voor het huisvesten van specifieke doelgroepen (niches die nog niet op Maastrichtse woningmarkt aanwezig zijn, zorgwoningen, tijdelijk woningzoekenden) maatwerkoplossingen mogelijk blijven. Ook hiervan is de afgelopen jaren beperkt gebruik gemaakt. Onder het maatwerk vallen naast zorgwoningen en tijdelijk woningzoekenden starters, arbeidsmigranten en kenniswerkers, vervolghuisvesting in verband met uitstroom uit de maatschappelijke opvang, short stay en afgestudeerden/jonge werkers. Deze uitzonderingen verklaren, naast de realisatie van lopende pijplijnplannen, al dan niet van corporaties, de resterende nieuwbouw. 2.3Studentenhuisvesting In de woonprogrammering van 2016 is ook een apart programma studentenhuisvesting opgenomen. Onderstaande tabel laat zien hoe dit in de jaren daarna tot ontwikkeling is gekomen en volledig is gerealiseerd. Hieruit blijkt dat het programma van 1.461 eenheden naar verwachting eind 2020 volledig zal zijn gerealiseerd. Ook de gewenste verhouding grootschalig-kleinschalig (60-40) is hiermee gerealiseerd. Tabel 3 Productie studentenhuisvesting 2016-2020 (100% herbestemming, 0% nieuwbouw) Programma Realisatie GROOTSCHALIG Eiffelgebouw Boschstraat 350 Gerealiseerd Bonnefantencollege Tongerseweg 257 Gerealiseerd Carrégebouw Tongerseweg 142 Gerealiseerd Leeuwenborghcollege A. van Scharnlaan 47 Gerealiseerd Grote Gracht 85 40 Gerealiseerd Boschstraat 25 Gerealiseerd SUBTOTAAL GROOTSCHALIG 861 59% KLEINSCHALIG Quotum splitsen (40/
  1. jr)Diverse adressen 200 Gerealiseerd Quotum omzetten (40/
  2. jr)Diverse adressen 200 Gerealiseerd Quotum herbestemmen (40/
  3. jr)Diverse adressen 200 Gerealiseerd 1) SUBTOTAAL KLEINSCHALIG 600 100% Gerealiseerd 2) TOTAAL 1.461 41% Bron: gemeente Maastricht Quota herbestemmen zijn niet in alle jaren volledig benut zoals is gebleken uit eind 2019 verricht onderzoek waarover de raad met een raadsinformatiebrief van 3 maart 2020 (reg.nr. 2020.06600) is geïnformeerd. Maar omdat uit ditzelfde onderzoek tevens is gebleken dat er ook eenheden via herbestemming zijn toegevoegd die volgens het bestemmingsplan rechtstreeks mogelijk waren waardoor er geen toets aan de quota hoefde plaats te vinden is het aantal van 200 wel gehaald. Uitgifte vergunningen 2020 is nog niet afgerond. Er wordt vanuit gegaan dat dit quotum m.u.v. herbestemmen volledig zal worden uitgegeven. Dit is conform het beeld van de afgelopen jaren. Eveneens conform afgelopen jaren wordt verwacht dat er ook zonder een toets aan de quota eenheden via herbestemming zullen worden toegevoegd. Realisatie is daarom ook voor 2020 op 100% gezet. 2.4Wonen en zorg Naast studentenhuisvesting is wonen en zorg de tweede uitzondering binnen de woonprogrammering 2016. In het landelijke Bouwbesluit heeft het rijk vastgelegd dat alle nieuwbouw en ingrijpende renovatie tot op zekere hoogte levensloopbestendig moet zijn. Er worden vijf basiseisen gesteld: lage drempels (maximaal 2 cm hoog); een minimale doorgangsbreedte van deuren (85 cm); een rolstoeltoegankelijk toilet (minimaal 90 x 120 centimeter) een draaicirkel voor rolstoelen op galerijen en ruimte voor een lift bij gebouwen van twee tot vier verdiepingen (voor gebouwen met meer verdiepingen is een lift altijd verplicht). Alle in Maastricht de afgelopen jaren gerealiseerde nieuwbouw en ingrijpende woningverbeteringen voldoen aan deze eisen. Alle gerealiseerde gelijkvloerse nieuwbouwappartementen met lift voldoen aan de definitie van de nultredenwoning: een woning die zonder trappen van buitenaf bereikbaar is en waarbij de zogenoemde ‘primaire ruimtes’ (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden. Deze zijn de afgelopen jaren op diverse plaatsen in de stad gerealiseerd, bijvoorbeeld door de woningcorporaties en in Belvédère. Een levensloopbestendige woning gaat verder dan een nultredenwoning. Een levensloopgeschikte woning is in principe gelijk aan een nultredenwoning. Maar daar bovenop beschikt dit type ook over voldoende ruimte voor rollator- en/of rolstoelgebruikers. Deze is daarmee ook geschikt voor bewoners met een lichamelijke beperking. In het Maastrichtse woonbeleid is vastgelegd dat alle nieuwbouw bij voorkeur levensloopbestendig is. Verzorgd wonen gaat weer een stap verder. Dit zijn levensloopbestendige woningen waarbij zorg (24/7) wordt geleverd door een zorginstelling in de directe omgeving. In de woning is meestal extra ruimte gemaakt voor verzorging. De bewoners kunnen extramurale zorg, verpleging en begeleiding krijgen en ook bepaalde hotel- en welzijnsdiensten afnemen. Denk bij deze categorie aan geclusterde woonvormen, zoals woon- en zorgcomplexen voor oudere en begeleide woonvormen voor verstandelijk en/of lichamelijk beperkten. Enkele voorbeelden van gerealiseerde projecten: 1) The Masters® Home (gerealiseerd in 2019); dit is een deels beschermde woonvorm (zorg indien nodig) waar studenten en ‘anders’ ontwikkelden de ‘kunst van het nieuwe samenleven’ tastbaar maken; wonen en zorg zijn gescheiden en 2) Woonvorm Caberg (gerealiseerd in 2019) voor cliënten van stichting Radar; deze voorziening is gebouwd voor mensen met een geestelijke beperking, waarvan sommigen ook lichamelijk beperkt. In het kader van de prestatieafspraken hebben de woningcorporaties in 2015 een bod uitgebracht op ‘geclusterd verzorgd wonen’. Hierin was voorzien dat er 326 rollatorgeschikte woningen en 571 rolstoelgeschikte woningen gerealiseerd zouden worden. Eind 2019 waren er 270 rollatorgeschikte en 612 rolstoelgeschikte woningen gerealiseerd, en zijn de woningen van 18 complexen grotendeels rollator en/of rolstoelgeschikt. 2.5Vraaggericht bouwen en (Collectief) Particulier Opdrachtgeverschap In de woonprogrammering is ruimte geboden aan vraaggericht bouwen en (collectief) particulier opdrachtgeverschap (CPO). Vraaggericht bouwen betekent dat de koper of huurder meer zelf bepaalt wat voor woningen worden ge- of verbouwd. Er zijn verschillende vormen: Particulier opdrachtgeverschap (PO): Individueel ontwerp, individueel aanbesteed, koper is zelf opdrachtgever; Collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO): Collectief ontwikkeld, collectief aanbesteed, kopers zijn zelf opdrachtgever; Medeopdrachtgeverschap (MO): Ontwikkelaar en koper zijn samen opdrachtgever; Kluswoningen: koper gaat verplichting aan om woning binnen een bepaalde tijd op te knappen en er zelf minimaal twee jaar te wonen, vaak in ruil voor een goedkopere woningprijs. In het in juli 2016 door de raad vastgestelde actieplan vraaggericht bouwen is dit beleid uitgewerkt en zijn subsidie voor kluswoningen en CPO vastgesteld. Dit beleid is in het kader van deze woonprogrammering geëvalueerd. De evaluatie, die op het moment van schrijven nog niet definitief was, resulteerde samen met aanvullend deskresearch in enkele aanbevelingen tot vervolg. Deze aanbevelingen zijn opgenomen in bijlage 6. In Belvédère heeft CPO een duidelijke plaats verworven. Er zijn en worden in 2020 drie CPO-projecten met in totaal 54 woningen opgeleverd. Op de enige locatie met ruimte voor grote aantallen kavels in het topsegment (Ambyerveld) zijn de afgelopen jaren kavels verkocht, maar niet allemaal. Van de 35 kavels zijn er inmiddels 23 verkocht (66%). Van de resterende kavels is er op 5 kavels een optie genomen en zijn er nog 7 vrij te verkopen (stand van zaken 3 augustus 2020). De ruimte die in het plangebied is opgenomen voor twee grotere gebouwen voor CPO heeft nog niet geresulteerd in plannen. Momenteel lopen de voorbereiding voor de uitgifte van de 2 ‘superkavels’ (op elk kavel kan 1 grote woning worden gebouwd, dan wel 5 op de ene, resp. 7 woningen op de andere kavel), waarbij behalve CPO ook individueel opdrachtgeverschap mogelijk is. Er moeten nog diverse onderzoeken worden afgerond voordat kavels bouwrijp en verkoopbaar kunnen worden opgeleverd. Doelen van het actieplan waren om een bijdrage te leveren aan het beter aansluiten van het woningaanbod op de woningvraag, ruimte te geven aan particulier initiatief, marktpartijen te prikkelen tot innovatie in de bouw en een kwaliteitsimpuls aan de particuliere woningvoorraad te geven. Voor CPO geldt dat het actieplan deze doelen dichterbij heeft gebracht. Er zijn in Belvédère met financiële ondersteuning van de gemeente afgelopen jaren drie CPO-projecten tot stand gekomen, waarvan er 2 gebruik hebben gemaakt van de gemeentelijke subsidie. De gerealiseerde kwaliteit van de woningen is hoog, mede omdat kostenbesparingen die de bewoners hebben gerealiseerd in de voorbereidingsfase, zijn geïnvesteerd in extra woningkwaliteit. CPO heeft dus geen goedkopere woningen opgeleverd. Minstens zo belangrijk is dat de projecten hebben geleid tot een grote sociale cohesie tussen de bewoners. Er is zeer beperkt gebruikt gemaakt van de beschikbare subsidie voor kluswoningen. Dit is deels terug te voeren op de veranderde woningmarkt waarop het aantal langdurig (> 1 jaar) te koop staande woningen sterk is gedaald. Het is de verwachting dat dit aantal de komende jaren laag zal blijven. Verder is gebleken dat de aankoop van de woning niet afhankelijk was van het al dan niet verkrijgen van de kluswoningsubsidie. Er is dus geen stimulerend effect uitgegaan op de verkoop van langdurig leegstaande koopwoningen. En het doel om juist de kwaliteit van betaalbare (< € 200.000,-) woningen te vergroten is niet bereikt, omdat alleen voor duurdere woningen een klussubsidie is aangevraagd. Sinds 2 maart 2020 biedt de Provincie Limburg de Leningen Duurzaam Thuis aan waarmee met de Hypothecaire Stimuleringslening kopers een aanvullende lening kunnen krijgen wanneer zij levensloopbestendigheidsmaatregelen of isolerende maatregelen uitvoeren. Deze regeling is een goed alternatief voor de kluswoningsubsidie. Op grond van de ervaringen wordt voorgesteld de subsidie voor kluswoningen te laten vervallen, en de subsidie voor proceskosten van vraaggericht bouwen te handhaven, maar deze wel te optimaliseren (maximeren bedrag, verplichte uitbesteding van procescoördinatie). Bij het laten vervallen van de subsidie voor de kluswoningen speelt ook een rol dat de provincie Limburg aspirant-kopers de mogelijkheid biedt om een aanvullende lening te verkrijgen voor het uitvoeren van levensloopbestendigheidsmaatregelen of isolerende maatregelen. Naast subsidiering van de proceskosten zijn locaties waar CPO kan plaatsvinden natuurlijk ook een vereiste. Hierbij geldt dat CPO één van de wenselijke invullingen kan zijn in een projectlocatie (naast bijvoorbeeld zorgwoningen, sociale huurwoningen, etc.). Advies is dan ook om de aanwezigheid van CPO mee te wegen bij bijvoorbeeld tenders die de gemeente uitzet, waarbij de zwaarte van de weging afhankelijk is van de overige wensen voor het betreffende gebied. Naast financiële ondersteuning bestond het actieplan uit actieve voorlichting via de website Thuis in Maastricht. De evaluatie mondt uit in het advies om de voorlichting uit te besteden aan ontwikkelaars die de mogelijkheid voor CPO aanbieden in de betreffende projectlocatie. En daarnaast initiatiefnemers het podium van Thuisinmaastricht te laten gebruiken voor het vertellen van hun persoonlijke verhaal en drijfveren. Aanbevolen wordt om voor dit laatste een beperkt budget te reserveren om initiatiefnemers hierbij te ondersteunen. 2.6Tijdelijke woningen In de januari 2018 vastgestelde woonvisie Maastricht 2018 is opgenomen dat wordt gestreefd naar een flexibel in te zetten schil van tijdelijke huisvesting naast de bestaande permanente woningvoorraad voor specifieke doelgroepen. Eerder had de gemeente in 2016 een eerste pilot uitgezet waarbij uiteindelijk één kleinschalig project met tijdelijke woningen in kasteel Severen is gerealiseerd. In 2018 is, mede naar aanleiding van concrete verzoeken van marktpartijen, een uitvraag gedaan naar tijdelijke woonconcepten voor 10 jaar. Een andere reden was dat de gemeente alternatieve tijdelijke huisvestingsvormen voor vergunninghouders verkende en zocht naar oplossingen voor een verwacht tijdelijk tekort aan betaalbare huurwoningen en studentenhuisvesting. Dit is eind 2018 uitgewerkt in de ‘richtlijn voor tijdelijke woningen’ die in december 2018 is gepubliceerd waarna initiatiefnemers tot eind januari de tijd kregen om een voorstel in te dienen. Daarbij is een maximum gesteld van 500 tijdelijke woningen gericht op vergunninghouders, studenten, spoedzoekers en inwoners die de geestelijke gezondheidszorg verlaten. Deze doelgroepen zijn momenteel kwetsbaar op de Maastrichtse woningmarkt. Uiteindelijk is voor één initiatief vergunning verleend. Er zijn door C3 Living 252 tijdelijke onzelfstandige kamers voor studenten gerealiseerd aan de Oeslingerbaan in Randwyck. Andere initiatieven vielen af vanwege onvoldoende informatie, onvoldoende zekerheid over de realisatietermijn of andere randvoorwaarden. Ook vielen er initiatiefnemers af door het ontbreken of wegvallen van een geschikte locatie. In bijlage 7 wordt nader op de uitkomsten van de uitvraag ingegaan en worden aanbevelingen voor de toekomst gedaan die in deze nota worden uitgewerkt. 2.7Evaluatie regionaal beleidskader Vanwege veranderingen in de woningmarkt en de economie is de evaluatie van de StructuurVisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) vervroegd naar 2020. De evaluatie is door bureau Stec uitgevoerd.9 Evaluatie structuurvisie Wonen Zuid-Limburg’, Stec, juni 2020 Er ligt op basis van die evaluatie een regionaal voorstel tot aanpassing onder de naam ‘Bouwen naar behoefte’. Dit voorstel, dat het afschaffen van de compensatieplicht voor gewenste betaalbare woningen bevat, zal parallel aan deze woonprogrammering in het eerste kwartaal van 2021 tot besluitvorming worden gebracht in alle gemeenteraden in Zuid-Limburg. De belangrijkste conclusies zijn dat door de SVWZL de regionale samenwerking fors is verbeterd en dat er ruim voldoende en betere plannen zijn die de eindstreep hebben gehaald, maar dat er maar weinig woningbouwplannen zijn geschrapt. De SVWZL is bovendien toe aan actualisering, met name op het gebied van de compensatieregeling voor nieuwbouw. Ook wordt geconstateerd dat de transformatieopgave niet actueel is en het daarvoor gebruikte leegstandscijfer discutabel is. Kwantitatief zijn er in de regio Maastricht-Heuvelland sinds de introductie van SVWZL 1.952 woningen gerealiseerd (Zuid-Limburg: 2.736). Hiervan is gemiddeld ca. 90% compensatievrij gebouwd (in Maastricht 97%), omdat het uitzonderingen betroffen. De analyse brengt Stec tot onder meer de volgende aanbevelingen: SVWZL handhaven: de doelstellingen zijn nog actueel gezien het forse aantal toevoegingen in relatie tot de verwachte bevolkingsontwikkeling. Wel is een actualisatie van de beleidsafspraken nodig, met name versoepelen van de compensatieregeling voor goede plannen en subregionaal maatwerk leveren daarin. Belangrijke rol voor de provincie als bewaker van de afspraken: de gemeenten maken via de SVWZL-afspraken en de provincie moet het nakomen hiervan waarborgen. Beeldvorming SVWZL verbeteren onder raden, markt, corporaties, initiatiefnemers. De SVWZL zit gerealiseerde en beoogde ontwikkelingen niet in de weg, maar dat is wel de perceptie van veel belanghebbenden. Maak beleidsafspraken flexibel (adaptief) en koppel ze aan de opgave per subregio (differentiëren). Niet-stedelijke gemeenten hebben minder plancapaciteit en kunnen moeilijk compenseren, waardoor compensatieplicht hier harder gevoeld wordt en het draagvlak afkalft. Differentiëren van de opgave (zie vorige bullit) kan helpen dit te verbeteren. Ga actief aan de slag met ongewenste oude plannen, gemeenten kunnen dit niet alleen. Provincie zou kunnen ‘wegbestemmen’, dus een soort ‘veegplan’. Het effect van de recente tijdelijke versoepeling van de compensatieregeling duurt even, breidt die ook uit, bijvoorbeeld met het vrijstellen van sociale en middeldure huur. Ga flexibeler om met éénpitters’ (plannen voor 1 woning): ambtelijke afstemming volstaat. Neem beleid rondom woonwagens op in de SVWZL. Wonen in centra prioriteren ten koste van wonen op andere plekken, transformatie van winkels naar woningen op de juiste plekken mogelijk maken, onder strenge voorwaarden. Breng plancapaciteit regionaal in beeld en ga zo onderhandelen met initiatiefnemers van ‘ongewenste’ plannen. Kom tot meer sociale spreiding tussen gemeenten. Op dit moment is de samenstelling in eigendomsverhoudingen en prijssegmenten per gemeente eenzijdig. Lees: de voorraad sociale huurwoningen en goedkope koopwoningen is te sterk geconcentreerd in de steden. In vervolg op deze aanbevelingen voor de regio Zuid-Limburg is door adviesbureau Stec een advies geschreven voor een nieuwe beleidsregel, die ruimte biedt voor gewenste woningen en de compensatieplicht zal vervangen. De nieuwe methodiek geeft ruimte voor de bouw van gewenste betaalbare woningen zonder dat hiervoor compensatie nodig is. De gemeenteraad heeft vooruitlopend hierop een motie aangenomen die toeziet op het schrappen van de verplichting tot compensatie van betaalbare woningen. Het begrip goede woning is daarbij als volgt ingevuld: Plannen die voorzien in een evidente behoefte aan met name: woonwagens, sociale en middeldure huur en eventueel koop (onder voorwaarden) voor doelgroep starters en ouderen tot een maximale koopsom die inclusief verwervingskosten gelijk is aan de kostengrens van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG-grens 2021: € 325.000,-). Deze aanvulling sluit met name aan op de behoefte aan meer betaalbare woningbouw. Het regionaal bestuurlijk overleg wonen heeft 19 november 2020 besloten de geadviseerde beleidsregel -die de huidige strengere beleidsregel over compensatie moet vervangen- wordt voorgelegd aan de Zuid-Limburgse gemeenteraden. In Maastricht is de besluitvorming over deze beleidsregel geagendeerd voor behandeling in de raad voorafgaand aan de besluitvorming over de nieuwe woonprogrammering. 3.Uitkomsten woningmarkt- en woningbehoefteonderzoeken 3.1Inleiding: korte beschrijving huidige woningvoorraad Voordat wordt ingegaan op de uitkomsten van de verschillende onderzoeken volgt in deze paragraaf een korte introductie op de huidige woningvoorraad. De huidige woningvoorraad in Maastricht bestaat uit bijna 62.000 zelfstandige woningen (CBS 2019). Daarnaast zijn er enkele duizenden kleine wooneenheden en zijn er ruim 12.000 onzelfstandige kamers die grotendeels door studenten worden bewoond. Verhouding huur-koop Maastricht heeft, in tegenstelling tot veel gemeenten in de regio Zuid-Limburg, een groot aandeel huurwoningen, namelijk 60%. Een groot deel daarvan is sociale huurwoningen (36%). De rest zijn particuliere huurwoningen. Deze verhoudingen zijn de afgelopen jaren stabiel gebleven. Figuur 1 Opbouw woningvoorraad Maastricht naar huur-koop Bron: CBS/Statline Het grootste verschil is te zien in de particuliere huur. Dit aandeel is gestegen van 20% in 2012 naar 24% in 2019. Dit komt neer op een groei van bijna 2.600 woningen, daar waar de sociale koopsector met ruim 1.400 woningen en de sociale huursector met 400 woningen is gegroeid. De relatief sterke groei van de particuliere huursector heeft mede te maken met het fenomeen van buy-to-let, maar dit heeft, mede doordat veel nieuwbouw de afgelopen jaren uit koopwoningen bestond, dus niet geleid tot een afname van de voorraad koopwoningen. Gegevens over de huren in de particuliere huursector zijn schaars, maar verwacht kan worden dat deze groei voor een aanzienlijk deel heeft geleid tot woningen in de vrije huursector, waarmee is voorzien in de afgelopen jaren gegroeide vraag naar middeldure huurwoningen. De 36% sociale huurwoningen zijn overigens niet evenredig over de stad verdeeld. Zo zijn er buurten met zeer hoge percentages sociale huurwoningen en buurten zonder sociale huur. Dit is te zien in onderstaande figuur. Daaruit blijkt het aandeel te variëren tussen 0% en 84%. Figuur 2 Aandeel sociale huur per buurt 2019 Levensloopbestendigheid In 2016 is door PC-kwadraat onderzoek gedaan naar de behoefte aan wonen en zorg. Daaruit blijkt dat Maastricht bijna 6.200 zorggeschikte woningen heeft 10 Onderzoek PC-kwadraat uit 2016. Hiervan 1.192 rolstoelgeschikt, rollatorgeschikt 1.826 en niveau wandelstokgeschikt 3.143. Totaal 6.161 woningen. Daarnaast hebben zorgaanbieders 251 zorgwoningen. . Dit is ca. 10% van de totale woningvoorraad. Naast een aantal intramurale eenheden in zorginstellingen gaat het hierbij grotendeels om gelijkvloerse woningen al dan niet met lift. In het onderzoek van Companen naar kwetsbare doelgroepen uit 2020 is een actualisatie van het onderzoek van PC-kwadraat uitgevoerd. Deze heeft alleen betrekking op de corporatiewoningen. 11 Huisvestingsopgave kwetsbare doelgroepen; gemeente Maastricht’, bureau Companen, juni 2020 Hieruit komt naar voren dat er in 2019 in de sociale huurwoningenvoorraad 3.400 rollator- en rolstoelgeschikte woningen zijn (waarvan bijna 1.600 rolstoelgeschikt). Op de totale voorraad corporatiewoningen is dat ca. 17%. Daarnaast zijn er in de sociale woningvoorraad ca. 3.650 wandelstokgeschikte woningen (ook wel 1 ster) en ca. 325 intramurale/onzelfstandige woningen. Gegevens over de particuliere voorraad zijn summier. Het landelijk woningbehoefteonderzoek (Woon 2018) geeft wel enige indicaties. Maastricht heeft ruim 12.000 nultredenwoningen in de stad, waarvan ruim 7.000 huurwoningen en bijna 5.000 koopwoningen. Daarnaast zijn er ruim 13.000 woningen wel intern toegankelijk, maar niet extern. Dit zijn vaak flats zonder lift. Tot slot zijn er ruim 25.000 woningen wel extern toegankelijk, maar niet intern. Dit zijn allemaal grondgebonden woningen. Woonmilieus Maastricht kent een aantal verschillende woonmilieus. In de binnenstad en directe omgeving is sprake van overwegend (centrum-)stedelijk woonmilieus, veelal in de hogere prijsklasse. Het huidige ruimtelijk beleid en woonbeleid is erop gericht te voorzien in de vraag naar woningen in dit woonmilieu, met name ‘rustig wonen in nabijheid van voorzieningen’. Buiten de binnenstad bestaat Maastricht vooral uit naoorlogse woonbuurten (met een nadruk op de jaren 1945-1980) met een combinatie van gestapelde en grondgebonden woningen (woonwijken met veel laagbouw en/of gestapelde bouw). In het huidige beleid ligt de nadruk hier op verdunning en kwaliteitsverbetering. Aan de randen van de stad zijn op een aantal plekken ruim opgezette woonbuurten georiënteerd op het groen. Dit is een gewild woonmilieu. Het woningmarktonderzoek laat zien hoe de vraag naar de verschillende woonmilieus zich in de toekomst naar verwachting zal gaan ontwikkelen. 3.2Woningvraag: uitkomsten algemeen woningbehoefteonderzoek Migratie is de belangrijkste onzekere factor De kwantitatieve woningvraag (= de vraag naar het aantal woningen) wordt ten eerste bepaald door demografische ontwikkelingen (geboorte, sterfte, migratie). Geboorte en sterfte zijn redelijk goed voorspelbaar en veranderen in de tijd niet snel. Ook binnenlandse migratiepatronen veranderen niet snel. Dat is anders voor internationale migratie. Deze is moeilijk voorspelbaar en kan op korte termijn sterk veranderen. De effecten van de Coronacrisis zijn daar een goed voorbeeld van. Ten tweede wordt de kwantitatieve woningvraag beïnvloed door sociaal-economische en sociaal-culturele ontwikkelingen. Denk aan de leeftijd waarop jongeren uit huis gaan om zelfstandig te gaan wonen, echtscheiding en het langer zelfstandig wonen van ouderen. Vier prognoses met verschillende veronderstellingen over migratie In het woningmarktonderzoek is een vergelijkende studie gemaakt van verschillende gezaghebbende prognoses (CBS/PBL, Abf/Primos en Etil/Progneff). De verschillende uitkomsten zijn met name terug te voeren op verschillende veronderstellingen over de migratie, zowel de nationale als de internationale. In het woningmarktonderzoek is de Progneff 2019 update als basis genomen voor de berekeningen over de woningbehoefte, omdat deze het beste aansluit op de ontwikkelingen in het verleden en de verwachtingen over de toekomst. Qua veronderstellingen over de migratie is deze voor Maastricht het meest positief. In aanvulling op deze bevolkingsprognoses zijn aanvullende scenario’s ontwikkeld die inzicht geven in de gevolgen van de onzekerheid bij migratie voor de woningbehoefte: Wat gebeurt er met de woningvraag als de instroom van nieuwe studenten in het hoger onderwijs met 10% afneemt? Wat gebeurt er met de woningvraag als gevolg van de extra werkgelegenheid verbonden aan de doorontwikkeling van Chemelot, de Health campus Randwyck en de mogelijke komst van de Einsteintelescoop? Wat zijn de mogelijke effecten van de Coronacrisis op de migratie? Hiervoor is de ‘oude’ Progneff 2019 prognose gebruikt (hierin zijn inmiddels verouderde migratiecijfers gebruikt; deze prognose is inmiddels vervangen door een update waarin de nieuwste, hogere migratiecijfers van het CBS uit 2019 zijn verwerkt. Woningbehoefte tot en met 2030 Tabel 4 Groei huishoudens = groei woningbehoefte tot 2030 (NB exclusief studenten op kamers en zelfstandige studenteneenheden) Basisscenario (Progneff 2019 update) Scenario Minder migratie = ‘Corona-scenario’ Scenario Minder studenten (-10%) Scenario Groei werkgelegenheid (+6.700 banen) -1.715 -4.130 (-2.425 t.o.v. basis) -2.110 (-395 t.o.v. basis) +1.435 (+3.150 t.o.v. basis) Bron: Stec, 2020 De uitkomsten van de scenario’s laten zien dat het effect van de migratie op de huishoudenontwikkeling groot is 12 Het totaal aantal huishoudens (inclusief studenten) bedraagt momenteel ca. 69.900 (CBS, Statline, 2020).. In het scenario ‘minder migratie’ (Corona-scenario) is de afname van het aantal huishoudens bijna 2,5 keer zo groot als in het basisscenario. Worden de scenario’s doorgetrokken naar 2040, dan slaat ook bij het werkgelegenheidsscenario de groei om naar een afname van het aantal huishoudens met ruim 2.000 huishoudens. Het effect van een daling van het aantal studenten op de woningvraag is niet zo groot. Dat komt omdat het grootste deel van de studenten op kamers of in een wooneenheid woont. Een vermindering van het aantal studenten heeft daarmee een beperkt effect op de vraag naar reguliere zelfstandige huisvesting. Daarnaast blijft na afstuderen een beperkt deel in Maastricht wonen. De meerderheid vertrekt voor een vervolgstudie, werk of relatievorming naar elders. Een afname in het aantal afgestudeerde studenten, die zich bovendien pas voordat enkele jaren nadat de instroom is verminderd, werkt daarom maar beperkt door op de vraag naar reguliere zelfstandige huisvesting. Het effect van de groei van werkgelegenheid 13 Het totaal aantal arbeidsplaatsen in Maastricht bedraagt momenteel circa. 75.000. is daarentegen substantieel. De veronderstelde groei van 6.700 arbeidsplaatsen doet het beeld kantelen van een afname naar een groei van het aantal huishoudens van ruim 1.400 tot 2030. Dit illustreert het grote effect van de ontwikkeling van het aantal arbeidsplaatsen op de woningbehoefte. En het betekent dat een tegenvallende ontwikkeling van de werkgelegenheid leidt tot een daling van behoefte aan uitbreiding van de woningvoorraad. Woningbehoefte tot 2040 Tot 2030 geeft alleen het scenario werkgelegenheid een groei in huishoudens (exclusief studenten). Doorgerekend tot 2040 laat ook dit scenario een afname van het aantal huishoudens zien (exclusief studenten). Dat komt omdat er na 2030 niet is gerekend met een (extra) groei van de werkgelegenheid, waardoor dit scenario na 2030 weer gelijk wordt aan het basisscenario. Aanzet woningbouwprogramma volgens Stec Uit de vergelijking van de 4 scenario’s is volgens Stec een robuust (‘altijd goed’) programma af te leiden. Dit zijn woningen waar in alle scenario’s behoefte aan is. Alleen de omvang van de behoefte verschilt per scenario. Deze woningen vormen dus altijd een zinvolle aanvulling op de bestaande woningvoorraad. Dit programma bestaat uit ten eerste grondgebonden koopwoningen in diverse prijsklassen en ten tweede uit levensloopbestendige woningen. De vraag naar grondgebonden woningen komt voort uit vooral jongere huishoudens die vanuit de sociale huursector en de particuliere huursector willen doorstromen naar een koopwoning. De vraag naar nultredenwoningen komt voort uit de groeiende groep senioren die vanuit een bestaande huur- of koopwoning willen doorstromen naar een levensloopbestendige woning waar zij comfortabel kunnen blijven wonen als er lichamelijke beperkingen zijn of komen. De vraag van deze laatste groep zit wat ‘verstopt’ in de cijfers. Het blijkt dat er tot en met 2030 bij ouderen (65+) een behoefte is aan 2.500 appartementen/nultredenwoningen. In het gebruikte doorstroommodel valt deze vraag weg tegen het aantal van 4.500 appartementen die door jongere doelgroepen in dezelfde periode bij verhuizing worden achtergelaten. Maar deze vrijkomende woningen zullen veelal gestapelde woningen zonder lift zijn en deze woningen zijn niet geschikt voor ouderen. Dat betekent dat in de vraag van ouderen naar appartementen moet worden voorzien in levensloopbestendige nieuwbouw en aanpassing van bestaande woningen. Stec adviseert om 80% van de woningbouwprogrammering in te zetten voor plannen die kwalitatief gezien aansluiten bij alle scenario’s. Om voldoende flexibiliteit te houden is het advies om de resterende 20% van het woningbouwprogramma te reserveren als flexibele ‘speelruimte’. Hiermee kan de gemeente bijvoorbeeld plannen toevoegen die slechts in enkele scenario’s voorkomen. De aantallen woningen waaraan behoefte is, verschillen per scenario. In de tabel zijn de onder- en bovengrenzen aangegeven. Tabel 5 Advies Stec woningbouwprogramma tot 2030 80% vastleggen 20% vrije ruimte Sociale huur Appartement en/of nultredenwoningen, vanaf 80 m² (+290 tot +640 woningen) Woningtypen die in enkele scenario’s voorkomen: Bijv. goedkope grondgebonden koopwoningen Daarnaast specifieke doelgroepen in huur of koop: Starters Expats En/of onderscheidende concepten: Tiny houses Knarrenhofjes Friends-concepten Grondgebonden woningen, vanaf 120 m² (+120 tot +260 woningen) Koop Grondgebonden woningen, tot 120 m² en met een prijs tussen de € 250.000,- en € 350.000,- (+150 tot +520 woningen) Grondgebonden woningen, vanaf 120 m² en met een prijs tussen de € 250.000,- en € 350.000,- (+270 tot +590 woningen) Grondgebonden woningen, tot 120 m² en met een prijs vanaf € 350.000,- (+120 tot +700 woningen) Bron: Stec 2020, bewerking gemeente Opgemerkt wordt dat een aantal aanbevolen woningcategorieën in de praktijk zeer moeilijk realiseerbaar zullen zijn. Grote betaalbare sociale huurwoningen zijn onder de huidige condities (o.a. hoge bouwkosten, verhuurdersheffing) niet of nauwelijks economisch rendabel te realiseren, laat staan dat commerciële marktpartijen dit oppakken. Daarnaast blijkt uit aanvullende verdiepende onderzoeken dat de vraag naar sociale huurwoningen aanzienlijk groter is dan uit het Stec onderzoek naar voren komt. Woningoverschot Minstens zo belangrijk als de vraag waar tekorten zich kunnen voordoen is de vraag waar zich overschotten kunnen gaan voordoen. Overschotten op de markt hebben immers vaak negatieve effecten (onvoldoende vraag leidt tot verminderde verhuur- en verkoopbaarheid; dit kan -zeker als de markt meer ontspannen raakt als er veel nieuwbouw wordt gepleegd- leiden tot leegstand, verloedering, achterstallig onderhoud etc.). Tabel 6 Overschotten tot 2030 Sociale huur Appartement en/of nultredenwoningen, tot 80 m² (-1.510 tot -2.090 woningen) Grondgebonden huurwoningen, tot 120 m² (-360 tot -520 woningen) Vrije sector huur Grondgebonden woningen, tot 120 m2 (-410 tot -550 woningen) Appartementen/nultreden tot 80 m2 (-300 tot -430 woningen) Appartementen/nultreden vanaf 80 m2 (-180 tot -350 woningen) Koop Appartementen/nultreden tot 80 m2 (alleen in scenario werkgelegenheid) (-130) In alle scenario’s is er een overschot aan kleine sociale huurappartementen. Deze is het kleinst in het scenario werkgelegenheid. In alle scenario’s, behalve ‘werkgelegenheid’, is er daarnaast een overschot aan grondgebonden sociale huur. In alle scenario’s is er een overschot aan vrije sector huur. Dit impliceert dat de huidige vraag naar middelduur niet zozeer is ingegeven door de intrinsieke woningvraag van woningzoekenden, maar door het rijksbeleid t.a.v. middeninkomens in de sociale huur en het hoge huurprijsniveau dat in de markt wordt afgedwongen. Verband tussen nieuwbouw en bestaande voorraad Er is een verband tussen bijbouwen voor tekorten en overschotten. Als er meer wordt gebouwd dan waar behoefte aan is, ontstaan overschotten. En als er meer woningen worden toegevoegd in segmenten waar al overschotten bestaan, nemen die overschotten verder toe. Daar staat tegenover dat het onttrekken van incourante woningen in de bestaande voorraad zorgt voor meer ruimte voor toevoeging van kwalitatief goede nieuwbouwconcepten. Er is dus een rechtstreeks verband tussen de omvang van de nieuwbouw en de ontwikkelingen in de bestaande voorraad. De volgende figuur geeft dit schematisch weer. Belangrijk is dus dat bij elk nieuwbouwprogramma de gevolgen hiervan voor de bestaande voorraad in kaart worden gebracht en dat als er meer wordt gebouwd er ook meer overschotten aan minder courante woningen zullen ontstaan. Nieuwbouw en bestaande woningvoorraad moeten dus altijd in onderlinge samenhang worden bekeken. Figuur 3 Samenhang nieuwbouw en bestaande woningvoorraad Door Stec is een analyse gemaakt welke delen van de bestaande woningvoorraad het meest kwetsbaar zijn, met andere woorden welke woningen in de toekomst naar verwachting minder gevraagd zullen zijn en waar overschotten zich mogelijk het duidelijkst kunnen gaan laten zien. Hiertoe is deze voorraad beoordeeld op woningkenmerken, omgevingskenmerken en intrinsieke woonkwaliteit (ligging, historische waarde en monumentenstatus). Deze meting geeft een nulmeting van de toekomstbestendigheid en kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad. Uit deze analyse komt naar voren dat de voorraad kwetsbare woningen relatief veel voorkomt bij de kleinere corporatiewoningen (zowel grondgebonden woningen als appartementen) en de goedkopere grondgebonden koopwoningen. Figuur 4 Woningtypen in kwetsbare woningvoorraad Qua bouwperiode ligt de nadruk bij de kwetsbare voorraad op de periode 1945-1970 en 1970-1990, ofwel de jaren van de grote naoorlogse bouwproductie. Stec heeft de woningvoorraad beoordeeld op een groot aantal kenmerken, onderverdeeld in woningkenmerken, omgevingskenmerken en intrinsieke kwaliteit (=historische waarde, monumentaliteit en ligging ten opzichte van het centrum). Figuur 5 toont de score als alleen naar woningkenmerken wordt gekeken. Hieruit blijkt dat in veel buurten een deel van de woningvoorraad als kwetsbaar wordt beoordeeld. De spreiding is dus vrij groot. De buurten met absoluut gezien de grootste aantallen kwetsbare woningen zijn Heer, Daalhof, Wittevrouwenveld, Mariaberg en Scharn. Meestal gaat het om (buurten met veel) huurwoningen die kwetsbaar zijn. Met name in Heer en Scharn zijn ook veel koopwoningen kwetsbaar. Figuur 5 Relatieve prestatiescore bestaande woningvoorraad op basis van woningkenmerken (NB het gaat om relatieve scores ten opzichte van het Maastrichtse gemiddelde) NB: door de gebruikte gebiedsindeling kleuren een aantal gebieden aan de randen van de stad rood. In deze gebieden zijn slechts enkele woningen aanwezig. Figuur 6 toont de resultaten waarbij ook wordt gescoord op omgevingskenmerken en intrinsieke kwaliteit. Belangrijkste verschil is dat de concentratie van kwetsbare woningen groter is dan wanneer alleen wordt gekeken naar woningkenmerken. Figuur 6 Relatieve prestatiescore bestaande woningvoorraad (NB het gaat om relatieve scores ten opzichte van het Maastrichtse gemiddelde) In deze woonprogrammering wordt het thema van de wijkenaanpak niet verder uitgewerkt. Dat zal plaatsvinden bij de actualisatie van de omgevingsvisie en prestatieafspraken met de corporaties. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de (effecten van nieuwbouw op
  4. de)particuliere woningvoorraad. 3.3Doelgroep: sociale huur De doelgroep die op grond van rijksregelgeving in aanmerking komt voor sociale huurwoningen bestaat uit huishoudens met een inkomen tot € 39.000,-. Corporaties mogen tijdelijk (tot 2021) ook woningen verhuren aan zgn. lage middeninkomens met een huur tot € 42.000,-. Deze groep is niet in de hiernavolgende berekeningen meegenomen. Verder zijn alleen zelfstandig wonende studenten in een meergezinswoning in de berekeningen meegenomen. Studenten die op kamers wonen of in een 1-kamerwoning wonen, zijn niet meegenomen, omdat zij geen gebruik maken van de reguliere zelfstandige woningvoorraad. Tabel 7 Omvang sociale huurwoningvoorraad en sociale doelgroep, 2020 en 2030 (excl. studenten in kamerverhuurpanden of 1-kamerwoningen) Het woningmarktonderzoek laat zien dat er in 2020 een zeer beperkt tekort is aan sociale huurwoningen gezien de huidige omvang van de doelgroep (reguliere woningzoekenden met een laag inkomen) en de wijze waarop deze is gehuisvest (155 woningen, ofwel een tekort van 0,7%). Hierbij is ervan uitgegaan dat alle sociale huurwoningen van de corporaties worden ingezet om de doelgroep te huisvesten die op basis van het inkomen recht heeft op huurtoeslag (en die niet elders geschikt woont). Naar verwachting krimpt de doelgroep tot 2030 met ruim 2.000 huishoudens. Uitgaande van een gelijkblijvende sociale woningvoorraad resulteert dit in een theoretisch overschot van bijna 1.400 woningen in 2030. Dat de doelgroep afneemt is een logische ontwikkeling, omdat de bevolkingsprognose uitgaat van een afnemend aantal huishoudens. Dit heeft ook invloed op het aandeel huishoudens met een laag inkomen. Onzekerheden in de prognose Ook bij deze cijfers past een ‘Corona-voorbehoud’. De ontwikkeling van het aantal huishoudens met een laag inkomen is ook afhankelijk van de ontwikkeling van de economie en de werkgelegenheid. Een slecht draaiende economie zet de werkgelegenheid en inkomensontwikkeling onder druk. Dit kan het aantal huishoudens met een laag inkomen doen groeien. Dat geldt voor zowel werkenden als bijvoorbeeld ouderen die niet meer werken, omdat ook de hoogte van uitkeringen en pensioenen onder druk kan komen te staan. Daarnaast komen deze uitkomsten uit een doorstroommodel. De kans bestaat dat door de Coronacrisis de doorstroming van huur naar koop zal gaan stagneren. Hierdoor zullen er minder huurwoningen vrijkomen, waardoor het overschot zich in de praktijk niet zal gaan voordoen en zelfs kan omslaan in een tekort. Goedkope en dure scheefheid Een tweede reden om een kanttekening te maken bij het voor 2030 berekende overschot is dat de huidige sociale voorraad niet alleen wordt bewoond door huishoudens uit de doelgroep. De Rekenkamer Maastricht heeft daar in haar rapport over de lokale woningmarkt aandacht voor gevraagd 14 Woonbeleid’, Rekenkamer Maastricht, mei 2020. Daarnaast woont een deel van de doelgroep te duur gezien hun inkomen. Zie de volgende tabel. Tabel 8 Aandeel scheefwoners in corporatiewoningen Maastricht Bijna 1 op 10 sociale huurwoningen wordt bewoond door een huishouden dat niet tot de doelgroep behoort (= goedkoop scheefwonen). Omgekeerd woont bijna 1 op 6 huishoudens die tot de doelgroep hoort te duur gezien hun inkomen (= duur scheefwonen). Het percentage te goedkoop wonenden is de afgelopen jaren licht gedaald van 10,7% in 2014 naar 9,4% in 2018. Het passend toewijzen heeft hieraan bijgedragen. Het percentage te duur wonenden is de afgelopen jaren gestegen van 11,7% in 2014 naar 14,1% in 2018. Dit ondanks het passend toewijzen. De oorzaken hiervoor kunnen verschillend zijn: huurverhogingen, inkomensdalingen, meer toewijzingen boven de aftoppingsgrenzen. Bovenstaande is nog niet het complete beeld van de vraag naar sociale huurwoningen. Uit de onderzoeken naar internationale werknemers, wonen en zorg en de huisvesting van bijzondere doelgroepen komt een extra vraag naar sociale huurwoningen naar voren die niet in deze berekeningen zijn meegenomen (zie 3.2.5, 3.2.6 en 3.2.7). Deze extra vraag is fors van omvang en verklaart dan ook waarom in deze programmering toch wordt ingezet op een uitbreiding van de sociale woningvoorraad ondanks dat de vraag van de reguliere doelgroep naar verwachting daalt. 3.4Doelgroep: (koop-)starters Typen starters Er zijn verschillende groepen starters. Volgens het landelijk woningbehoefteonderzoek Woon15 Bron: Woningonderzoek Nederland 2018. is een starter: “een huishouden dat voor verhuizing niet zelfstandig woonde -als zelfstandig huishouden in een zelfstandige woning- en na verhuizing hoofdbewoner van een zelfstandige woning (huur of koop) is”. Voorbeelden zijn personen die vanuit het ouderlijk huis of een (studenten)kamer een zelfstandige woning betrekken. Een semi-starter is een persoon die voor en na verhuizing tot de huishoudkern behoort ofwel een zelfstandige huishoudenspositie heeft. De vorige woning was niet beschikbaar voor de woningmarkt, bijvoorbeeld na scheiding, verlaten woongroep of sloop van vorige woning. Er wordt dus onderscheid gemaakt in starters die voordat zij verhuizen niet zelfstandig wonen (in de volksmond zijn dit ‘de’ starters) en de zgn. semi-starters die voor verhuizing wel zelfstandig wonen, maar bij verhuizing geen woning achterlaten. Naast deze beide groepen zijn er de koopstarters. Dit zijn huishoudens die voor het eerst de koopmarkt betreden. Voor verhuizing woonden zij al dan niet zelfstandig. De koopstarters zijn een heterogene groep met grote verschillen in levensfase, woonsituatie, inkomen, spaargeld en dergelijke. De wensen en mogelijkheden bij het kopen van een woning lopen dan ook sterk uiteen. Dé koopstarter bestaat dan ook eigenlijk niet. Reden om aparte aandacht te besteden aan starters is dat zij een andere positie op de woningmarkt hebben dan doorstromers. Deels hebben zij ook andere woonvoorkeuren. In de volksmond en de politiek ligt de nadruk bij starters op de jongere leeftijdsgroepen. Starters zijn dan jongeren (tot 30 jaar) die voor het eerst een zelfstandige woning gaan huren. Jongere koopstarters zijn jongeren (tot 30 jaar) die voor het eerst een koopwoning kopen. De analyse van Stec geeft aan dat er op korte termijn sprake is van tekorten. Met name starters en jonge huishoudens met een laag inkomen vinden moeilijk een geschikte (betaalbare) woning. Passende woningen zijn wel beschikbaar in de bestaande woningvoorraad, maar deze woningen komen onvoldoende vrij en zijn dus op korte termijn niet beschikbaar. Starters op de woningmarkt hebben soms (nog) weinig vastigheid (in een carrière of relatie). Voor hen starters staan flexibiliteit, bereikbaarheid, voorzieningen en sociale contacten in de buurt voorop. Zij hebben vaak een beperkt budget, maar ruimer dan studenten. Daarnaast is de procentuele inkomensgroei van starters in veel gevallen bovengemiddeld. In de huidige markt met hoge prijzen sluit een kleine (flexibele) woning goed aan bij hun woonwensen, en voorziet in de behoefte in een tijdelijke passende woning, als tussenstap op naar de volgende levensfase. De behoefte van starters is meegenomen in de in paragraaf 4.2.1 beschreven algemene woningbehoefteberekeningen. Er is dus geen reden deze voor deze doelgroep te verhogen. Voor koopstarters geldt dat de afgelopen jaren de financieringsnormen weliswaar zijn verruimd, maar dat de bereikbaarheid van een koopwoning hiermee niet is vergroot, omdat meer leencapaciteit gepaard is gegaan met een stijging van de huizenprijzen.16 DNBulletin: ‘Huizenprijs hangt meer samen met financieringsruimte koper dan met woningtekort’, 16 juli 2020 Ruimte voor (koop-)starters moet volgens Stec worden gevonden in het bouwen voor de doorstroming zodat er meer betaalbare woningen in de bestaande woningvoorraad vrijkomen, flexibele (verplaatsbare/modulaire) woonconcepten en tijdelijke contracten. De tijdelijke huisvesting moet dan wel gepaard gaan met voldoende mogelijkheden om daarna door te kunnen stromen naar andere huisvesting. Er zijn op zich voldoende goedkopere koopwoningen, maar deze zijn voor koopstarters niet altijd betaalbaar. Dit is een argument voor het voortzetten van de starterslening. Corona zal naar verwachting leiden tot stagnatie in de doorstroming, zowel op huur- als koopmarkt. Dit leidt tot minder kansen voor starters. 3.5Doelgroep: wonen en zorg/ouderen Het onderzoek van PC-kwadraat uit 2016 gaf aan dat er in principe voldoende toegankelijke woningen waren, maar dat er drie kwalitatieve problemen waren: De woningen zijn voor veel ouderen te duur; Er is geen evenwichtige spreiding over de stad; Woningen komen onvoldoende beschikbaar. Wat betreft dit laatste: deze woningen worden veelal bewoond door mensen voor wie dat minder of niet noodzakelijk is. Omdat het niet mogelijk en wenselijk is om deze groep te doen verhuizen, blijft er een opgave om in de toekomst de bestaande woningvoorraad door aanpassingen meer levensloopbestendig te maken. Door Mapification (voorheen Lab18) is een actualisatie van het onderzoek van PC-kwadraat uitgevoerd. De uitkomsten daarvan zijn opgenomen in het onderzoek van Companen naar kwetsbare doelgroepen uit 2020 Deze heeft alleen betrekking op de complexgebonden corporatiewoningen 17 ‘Huisvestingsopgave kwetsbare doelgroepen; gemeente Maastricht’, bureau Companen, juni 2020. De zorggeschikte reguliere woningen van VvE’s of andere huiseigenaren zijn niet in beeld gebracht, omdat deze woningen nergens goed zijn geadministreerd. Dat geldt ook voor de afzonderlijk aangepaste woningen met traplift en een aangepaste badkamer. De aanbod¬kant is hiermee niet geheel in beeld. Uit de analyse komt naar voren dat er in 2019 in de sociale huurwoningenvoorraad ruim 3.400 rollator- en rolstoelgeschikte woningen zijn (waarvan bijna 1.600 rolstoelgeschikt). Op de totale voorraad corporatiewoningen is dat ca. 17%. Tabel 9 Ontwikkeling aantal huishoudens 75+ doelgroep sociale huur versus huidig aanbod corporaties18 De grens is gelegd bij 75-plussers. Intramuraal wonende 75-plussers zijn niet meegeteld. Daarbij is gedachte dat een deel van de 75-plussers nog vele jaren niet is aangewezen op een dergelijke woning, omdat er nog geen mobiliteitsproblemen zijn. Aan de andere kant zijn er ook huishoudens jonger dan 75 jaar die wel op een dergelijke woning zijn aangewezen. 2019 2025 2030 Doelgroep sociale huur 75+ 3.438 3.892 4.346 Aantal rollatorgeschikte sociale huurwoningen 1.803 2.533 PM Aantal rolstoelgeschikte sociale huurwoningen 1.639 2.003 PM Totaal geschikt 3.442 4.536 PM Saldo +4 +644 PM Bron: Companen, 2020 (ontwikkeling doelgroep) en Prestatieafspraken 2021
(2020)(voorraadgegevens) De vergelijking tussen de ontwikkeling van de vraag en het aanbod laat zien dat vraag en aanbod in 2019 met elkaar in evenwicht waren en dat de komende jaren het aanbod sneller zal stijgen dan de vraag. Dat wil niet zeggen dat er daarmee geen fricties zijn, want de hiervoor gesignaleerde problemen van een betaalbaarheid, verdeling over de stad en de beschikbaarheid zullen hiermee niet direct zijn verdwenen. Uitgangspunt bij deze berekeningen is dat voor mensen van 75 jaar en ouder een rollator-geschikte woning het meest levensloopbestendig is. Dat wil niet zeggen dat alle 75-plussers een dergelijke woning nodig hebben. Er van uitgaande dat deze groep nog circa 10-15 jaar in die woningen zou kunnen wonen, is het zeer waarschijnlijk dat een groot deel van die leeftijdsgroep (dan rond de 90 jaar) slechter ter been wordt. Dan wordt het belangrijker dat de woningen toegankelijk en doorgankelijk zijn, om het langer thuis wonen mogelijk te maken. Met een rollatorgeschikte woning zijn ook mensen zonder zorgvraag geholpen, omdat het risico van een valpartij verminderd wordt en de woningen voor de komende jaren levensloopbestendig zijn: mochten de mensen gebreken krijgen, dan kunnen ze in de woning blijven wonen. Uiteraard zijn er ook mensen onder de 75, die een rollator- of rolstoelgeschikte woning nodig hebben door een fysieke beperking. Het onderzoek van Companen geeft geen inzicht in de vraag-aanbod verhoudingen in de particuliere huur- en koopsector. Wel is de totale groei van het aantal 75-plussers in beeld gebracht. De volgende tabel laat dit zien. Deze laat ook zien dat het groei van 75+ met een hoger inkomen groter is dan 75+-plussers met een laag inkomen. Tabel 10 Ontwikkeling aantal huishoudens 75+ 2019 2030 Ontwikkeling Doelgroep EC sociale huur 75+ 19 EC-doelgroep sociale huur: inkomen tot € 39.055,- en EC-doelgroep overig: € 39.055-€ 43.574,-. Corporaties mogen per jaar maximaal 10% van de vrijkomende woningen aan deze groep toewijzen EC-doelgroep. 3.438 4.346 +25% Doelgroep overig EC 75+ 1.794 2.280 +27% Overig 75+ 2.467 3.607 +46% TOTAAL 7.699 10.233 +33% In het woningmarktonderzoek van Stec is ook ingezoomd op de groeiende groep ouderen. Het aandeel 65-plussers in Maastricht is in de afgelopen jaren toegenomen van 18% in 2009 naar 21,5% in 2019. In dezelfde periode nam het aandeel inwoners tot 15 jaar af van 12,5% tot 10,5%, en het aandeel 25 tot 65-jarigen van 53% tot 49%. Er is dus sprake van vergrijzing: een groter aandeel ouderen ten opzichte van de totale bevolking. Stec heeft de behoefte aan extramurale woonvormen voor verschillende leeftijdsgroepen specifiek in beeld gebracht. Door diverse ontwikkelingen en trends is de ontwikkeling van de behoefte aan extramurale woonvormen minder eenduidig aan te geven dan de behoefte aan intramurale woonvoorzieningen. Er speelt de afbouw van bestaande zorg- en verpleegcentra, de hervorming van de intramurale geestelijke gezondheidszorg, de ambulantisering van de GGZ en de ambulantisering van beschermd wonen. De gevolgen hiervan zijn moelijker uit te drukken in prognoses. Volgens de berekeningen groeit deze groep tot 2030 in totaal met 580 personen. De groei zit vrijwel alleen bij de 75-plussers (+715). Tabel 11 Extramurale bevolking Maastricht, naar leeftijd en type zorgvraag in 2020 en 2030 Tabel 12 Extramurale bevolking Maastricht, naar type zorgvraag in 2020 en 2030 Wanneer wordt gekeken naar de onderliggende problematiek blijkt dat de groei vrijwel uitsluitend bij mensen met lichamelijke klachten zit. In de voorgaande berekeningen zijn niet alle aspecten van extramuralisering en ambulantisering van de zorg meegenomen. De behoefte wordt ook beïnvloed door: Ambulantisering van beschermd wonen. Geschat wordt dat dit voor de nieuwe woonprogrammering een extra vraag naar huisvesting van circa 100 tot 150 inwoners in de gemeente Maastricht betekent. Dit zijn mensen, die verwacht worden uit te stromen uit instellingen voor beschermd wonen. Zij moeten zelfstandig worden gehuisvest met ambulante begeleiding. Voor deze doelgroep gelden veelal geen fysieke eisen voor de woning. Belangrijk is met name dat de woningen voor deze doelgroep goedkoop zijn. De uitstroom van deze inwoners vanuit instellingen naar de reguliere woningmarkt zit voor het eerste jaar nog niet goed verwerkt in de prognose, maar wordt daarna wel verwerkt in de reguliere huishoudensprognose. De woningvraag van deze groep komt aan bod in het onderzoek van Companen naar de huisvesting van kwetsbare doelgroepen. Extramuralisering van de psychogeriatrische intramurale zorg. Door vergrijzing gaat dit vermoedelijk om een relatief grote groep. Volgens de dementiemonitor van Alzheimer Nederland woont 70% van de dementerenden thuis. Pas in een relatief laat stadium kunnen patiënten terecht in een verpleeghuis. Wel zijn er vaak wachttijden, waardoor nijpende situaties ontstaan. Naar verwachting is er behoefte aan woonvormen tussen zelfstandig wonen en wonen in een verpleeghuis. Onbekend is hoe groot deze behoefte is. Psychiatrische zorg. Ook psychiatrisch patiënten worden steeds meer opgevangen in de reguliere woningvoorraad. De gemeente heeft per 1 januari 2020 de wettelijke verplichting (verplichte GGZ) tot nazorg en het realiseren van voorwaarden zoals huisvesting. De woningvraag van deze groep komt aan bod in het onderzoek van Companen naar de huisvesting van kwetsbare doelgr

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.