Beleidsregels Munitax 2017De ambtenaar, als bedoeld in artikel 231, tweede lid, aanhef en onderdelen b en c van de Gemeentewet, van de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen, gelet op het bepaalde in: Artikel 24 Wet WOZ; Artikel 1 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen van bovengenoemde gemeenten; Artikel 3 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van rioolheffing van bovengenoemde gemeenten; Artikel 4 en 12 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van reinigingsheffing van Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen; Artikel 3 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing van Berg en Dal; Artikel 2 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van hondenbelasting van bovengenoemde gemeenten met uitzondering van Berg en Dal; Artikel 3 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van reclamebelasting van Wijchen; Artikel 4 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en de invordering van reclamebelasting van Beuningen en Druten; Artikel 3 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van toeristenbelasting van Beuningen en Wijchen; Artikel 2 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en de invordering van toeristenbelasting van Berg en Dal; Artikel 3 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en de invordering van baatbelasting riolering buitengebied van Heumen; Artikel 2 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en de invordering van forensenbelasting van Beuningen en Berg en Dal; Artikel 3 van de verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van lijkbezorgingsrechten van Druten; Artikel 4 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en de invordering van Bedrijveninvesteringszone van Berg en Dal en Heumen BESLUIT: vast te stellen de volgende beleidsregels: Beleidsregels Munitax 2017 bestaande uit: Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen; Incassoreglement; Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuze situatie; Beleidsregels voor het aanwijzen van een WOZ-belanghebbende in een keuze situatie; Beleidsregels inzake het toekennen van ambtshalve verminderingen; Beleidsregels toepassing Besluit proceskosten bestuursrecht; Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Artikel1Inwerkingtreding en overgangsrecht Alle voorgaande vastgestelde beleidsregels voor de in de aanhef genoemde gemeenten betreffende: Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen; Incassoreglement; Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuze situatie; Beleidsregels voor het aanwijzen van een WOZ-belanghebbende in een keuze situatie; Beleidsregels inzake het toekennen van ambtshalve verminderingen; Beleidsregels toepassing Besluit proceskosten bestuursrecht; Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen worden ingetrokken met ingang van de onderstaande datum van inwerkingtreding van de nieuwe beleidsregels, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op de belastbare feiten die zich voor deze datum hebben voorgedaan. Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. Artikel2Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels Munitax 2017’. De heffings- en invorderingsambtenaar,PeterLogemannTeamleider MunitaxBeleidsregels Munitax 2017 Inhoud 1. Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen Artikel 1 Inleiding en toepassingsgebied 1.1. Inleiding 1.1.1. Lijst met gebruikte afkortingen 1.1.2. Definities 1.1.3. Reikwijdte beleidsvoorschriften 1.1.4. Aansprakelijkgestelden en andere derden 1.1.5. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur 1.1.6. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen 1.1.7. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven 1.1.8. Voor de invordering minder geschikte dagen 1.1.9. Binnenkomst van bescheiden 1.1.10. Positie belastingdeurwaarder 1.1.11. Bewaren invorderingsbescheiden 1.1.12. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen 1.1.13. Informatieplicht 1.1.14. Diplomatieke status 1.2 Toepassingsgebied Artikel 2 Begrippen 2.1. Woonplaats Artikel 3 Bevoegdheden ontvangen 3.1. Fiscale en civiele bevoegdheden 3.2. Conservatoir beslag 3.2.1. Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering 3.2.2. Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag 3.3. Gerechtelijke procedures - toestemming 3.3.1 Juridische bijstand 3.3.2 Toestemming 3.4. Rijksadvocaat 3.5. Faillissementsaanvraag Artikel 4 Bevoegdheid belastingdeurwaarder 4.1. Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder 4.2. Bescherming 4.3. Legitimatie Artikel 5 Artikel 6 Reikwijdte van de wet 6.1. Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet Artikel 7 Betaling en afboeking 7.1. Tijdstip betaling 7.2. De afboeking van de betaling 7.3. Teveelbetaling 7.4. Rente en kosten bij afboeking betalingen 7.5. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen 7.6. Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling is verleend 7.7. Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden 7.8. Betaling bij vergissing 7.9. Mededeling afboeking betaling 7.10. Betaling van kleine bedragen 7.11 Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en faillissement Artikel 7a Uitbetaling van belastingteruggaven 7a.1. Aanwijzen rekeningnummer voor uitbetaling 7a.3. Uitbetalingsfouten Artikel 8 Bekendmaking aanslag 8.1. Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties 8.2. Verzending aanslagbiljetten via PostNL 8.3. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet 8.4. Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag Artikel 9 Betalingstermijnen 9.1. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen 9.2. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven 9.3. Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn 9.4. Dagtekening aanslagbiljet 9.5. Begrippen bij betalingstermijnen 9.6. Verzuim ontvanger bij uitbetaling 9.7. Regeling betalingstermijnen 9.8. Automatische incasso Artikel 10 Versnelde invordering 10.1. Reikwijdte versnelde invordering 10.2. Vrees voor verduistering en versnelde invordering 10.3. Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering 10.4. Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering 10.5. Beslag en versnelde invordering 10.6. Verkoop namens derden en versnelde invordering 10.7. Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering Artikel 11 Aanmaningen 11.1. De geadresseerde van de aanmaning 11.2. Aanmaning ten onrechte verzonden 11.3. Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning 11.4. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning 11.5. Betalingsherinnering 11.6. Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg Artikel 12 Dwangbevel 12.1. Onderwerp van het dwangbevel 12.2. Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel Artikel 13 Betekening van het dwangbevel 13.1. Betekening dwangbevel per post 13.1.1. Adressering van per post betekende dwangbevelen 13.2. Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder 13.3. Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel Artikel 14 Tenuitvoerlegging van het dwangbevel 14.1. Tenuitvoerlegging algemeen 14.1.1. Keuze van invorderingsmaatregelen 14.1.2. Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging 14.1.3. Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden 14.1.4. Volgorde van uitwinning bij beslag 14.1.5. Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken 14.1.6. Beslaglegging voor vordering van derden 14.1.7. Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden 14.1.8. Opheffing beslag tegen betaling door een derde 14.1.9. Opschorten van de executie 14.1.10. Onderhandse verkoop 14.1.11 Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop 14.1.12. Strafrechtelijk beslag 14.1.13. Invordering en ontnemingswetgeving 14.2. Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn 14.2.1. Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken 14.2.2. Domiciliekeuze en beslag roerende zaken 14.2.3. Aanbod van betaling en beslag roerende zaken 14.2.4. Omvang van het beslag op roerende zaken 14.2.5. Beslag op roerende zaken van derden 14.2.6. Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken 14.2.7. Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger en beslag roerende zaken 14.2.8. Beslag roerende zaken bij derden 14.2.9. Wegvoeren van beslagen zaken 14.2.10. Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zware motorrijtuigen en beslag roerende zaken 14.2.11. Afsluiting en beslag roerende zaken 14.2.12. Bewaarder en beslag roerende zaken 14.2.13. Executoriale verkoop computerapparatuur 14.2.14. Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken 14.2.15. Beslag op illegale zaken 14.2.16. Bieden voor rekening van de gemeente en beslag roerende zaken 14.2.17. Opheffing van het beslag op roerende zaken 14.2.18. Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken 14.2.19. Proces-verbaal van verkoop roerende zaken 14.2.20. Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken 14.2.21 Relaas van onttrekking 14.3. Beslag op onroerende zaken 14.3.1. Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken 14.3.2. Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken 14.3.3. Verhuurde of verpachte onroerende zaken 14.3.4. Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken 14.3.5. Opheffing van het beslag onroerende zaken 14.4. Beslag onder derden 14.4.1. Beslag op vordering van een derde 14.4.2. Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 14.4.3. Roerende zaken bij derden 14.4.4. Plaats beslaglegging en derdenbeslag 14.4.5. Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt 14.4.6. Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van verklaring 14.4.7. Bij derdenbeslag niet afdragen na het doen van verklaring 14.4.8. Afdracht binnen de vierwekentermijn bij derdenbeslag 14.4.9. Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente 14.4.10. Retentierecht en derdenbeslag 14.4.11. Opheffing van het derdenbeslag 14.4.12. Onverschuldigde betaling en derdenbeslag 14.4.13. Derdenbeslag onder de Staat of de ontvanger en het doen van verklaring 14.4.14. Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf 14.5. Beslag op schepen 14.5.1. Beletten van het vertrek van het schip 14.5.2. De executie van schepen 14.5.3. Afgelasting van de verkoop van een schip 14.5.4. Deskundige hulp en beslag op schepen 14.5.5. Opheffing van het beslag op schepen Artikel 15 Artikel 16 Doorlopend beslag 16.1 Voor 1 januari 2011 gelegde derdenbeslagen Artikel 17 Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel 17.1. Schorsing van de invordering bij verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel 17.2. Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste adressering Artikel 18 Artikel 19 Doen van een vordering 19.1. Vordering algemeen 19.1.1. Bekendmaking vordering 19.1.2. Voldoen aan de vordering 19.1.3. Niet voldoen aan de vordering 19.1.4. Intrekken van een vordering 19.1.5. Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag in relatie tot vordering 19.1.6. Doorbreken beslagverboden en vordering 19.1.7. Notoire wanbetaler en vordering 19.1.8. Vordering ten laste van de echtgenoot 19.2. De faillissementsvordering 19.2.1. Aan te melden schulden in faillissement 19.2.2. Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in faillissement 19.2.3. Opkomen in faillissement 19.3. Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen 19.3.1. Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen 19.3.2. Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen 19.3.3. Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen 19.3.3a. Vervallen 19.3.4. Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije voet 19.3.5. Belastingschuldige woont in buitenland en beslag periodieke uitkering 19.3.6. Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet 19.3.7. Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm 19.3.8. Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf 19.4. Beslagvrije voet en overheidsvordering Artikel 20 Lijfsdwang Artikel 21 Voorrecht rijksbelastingen Artikel 22 Bodemrecht 22.1. Werkingssfeer en reikwijdte bodemrecht 22.2. Bodemrecht en bestuurlijke boeten 22.3. Overbetekening bodembeslag 22.4. Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement 22.5. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement 22.6. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar 22.7. Bodemrecht en voorrang 22.8. Verzet en beroep 22.8.1. Verzet artikel 435, derde lid, Rv tegen bodembeslag 22.8.2. Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv inzake bodembeslag 22.8.3. Opschorting verkoop na verzet in rechte tegen bodembeslag 22.8.4. Beroepschrift ex artikel 22 van de wet 22.8.5. Beroepschriftprocedure ex artikel 22 van de wet 22.8.6. Taak van de ontvanger met betrekking tot beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet 22.8.7. Beslissing college op het beroepschrift tegen een bodembeslag 22.8.8. Onduidelijk bezwaar tegen bodembeslag 22.8.9. Samenloop administratief beroep en verzet tegen bodembeslag 22.8.10. Criteria voor de beslissing op het beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet 22.8.11. Beëindiging operationele lease-overeenkomst 22.8.12. Executie en bodemrecht Artikel 22a, artikel 23 en artikel 23a Artikel 24 Verrekening 24.1. Wanneer verrekening 24.1.1. Verrekening voorloopige teruggaaf inkomstenbelasting en beslagvrije voet 24.2. Betwiste schuld en verrekening 24.3. Reikwijdte van de verrekening 24.4. Bekendmaking verrekening 24.5. Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting 24.6. Instemmingsregeling bij cessie en verpanding 24.6.1. Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding 24.6.2. Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragen 24.6.3. Instemming of weigering met een cessie of verpanding 24.6.4. Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb 24.6.5. Bekendmaking beschikking college bij cessie of verpanding 24.6.6. Houding ontvanger bij procedure tegen weigeren instemming met cessie of verpanding Artikel 25 Uitstel van betaling 25.1. Algemene uitgangspunten uitstelbeleid 25.1.1. Houding van de ontvanger tijdens behandeling verzoek om uitstel 25.1.2. Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling 25.1.3. Redenen afwijzing verzoek om uitstel 25.1.4. Redenen beëindigen uitstel 25.1.5 Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn 25.1.6. Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel 25.1.7. Geen invordering tijdens verleend uitstel 25.1.8. Na (afwijzen) uitstel tien dagen wachttijd 25.1.9. Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag 25.1.10. Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten 25.1.11. Uitstel voor een bestuurlijke boete 25.1.12. Tijdens uitstel nieuwe aanslagen voldoen 25.1.13. Zekerheid bij uitstel 25.1.14. Tijdstip indiening verzoek om uitstel 25.1.15. Verzoekschriften aan andere instellingen 25.2. Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag 25.2.1. Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag 25.2.2. Bezwaarschrift geldt niet als verzoek om uitstel; beroepschrift ook niet 25.2.2.A. Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschrift 25.2.2.B. Ontbrekende gegevens 25.2.3. De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling 25.2.4. Uitstel in verband met een onderlinge overlegprocedure 25.2.5. Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar 25.2.6. Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden belastingschuld 25.2.7. Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar 25.2.7A. Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstel 25.2.8. Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag 25.2.9. Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslag 25.3. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag 25.4. Uitstel in verband met betalingsproblemen 25.4.1. Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen 25.4.2. Uitstel en motorrijtuigenbelasting 25.4.3. Verrekening tijdens een betalingsregeling 25.4.4. Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseance 25.5. Betalingsregeling voor particulieren 25.5.1. Duur betalingsregeling particulieren 25.5.2. Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren 25.5.3. Kort uitstel particulieren 25.5.4. Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren 25.5.5. Vermogen en betalingsregeling particulieren 25.5.6. Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren 25.5.7. Berekening betalingscapaciteit: bijzondere uitgaven 25.5.8. Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan derden 25.5.9. Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten 25.5.10. Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor 25.5.11. Betalingsregeling langer dan acht maanden 25.6. Betalingsregeling voor ondernemers 25.6.1. Duur betalingsregeling ondernemers 25.6.2. Voorwaarden betalingsregeling ondernemers 25.6.2A. Bijzondere omstandigheden betalingsregeling ondernemers 25.6.2B. Verklaring derde deskundige 25.6.2C. Geen uitstel voor ondernemers in verband met betalingsproblemen als al kort uitstel is verleend 25.6.2D. Kort uitstel van betaling voor ondernemers 25.6.3. Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers 25.6.4. Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie 25.7. Administratief beroep 25.7.1. Toetsing uitstelbeschikking door het college 25.7.2. Beroepsfase uitstel 25.7.3. Beslissing college op beroepschrift bij uitstel 25.7.4. Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel 25.7.5. Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij de ontvanger Artikel 26 Kwijtschelding van belastingen 26.1. Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid 26.1.1. Kwijtschelding van betaalde belastingschulden 26.1.2. Het indienen van een verzoek om kwijtschelding 26.1.3. Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om kwijtschelding 26.1.4. Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om kwijtschelding 26.1.5. Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden 26.1.5.A Beslistermijn op een aanvraag kwijtschelding 26.1.5.B Opschorting beslistermijn 26.1.6. Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding 26.1.7. Na afwijzen kwijtschelding veertien dagen wachttijd bij voortzetting invordering 26.1.8. Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding 26.1.9. Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend 26.1.10. Begrip ‘ex-ondernemer’ en kwijtschelding 26.1.11. Verzoekschriften aan andere instellingen 26.2. Kwijtschelding van belastingen voor particulieren 26.2.1. Vermogen en kwijtschelding particulieren 26.2.2. De inboedel en kwijtschelding particulieren 26.2.3. Het motorvoertuig en kwijtschelding particulieren 26.2.4. Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren 26.2.5. De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren 26.2.6. Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren 26.2.7. Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren 26.2.8. [vervallen] 26.2.9. [vervallen] 26.2.10. Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren 26.2.11. Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren 26.2.12. Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren 26.2.13. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren 26.2.14. Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor particulieren 26.2.15. Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse belastingschulden 26.2.15.A. Woonlasten van meerpersoonshuishoudens 26.2.16. Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor particulieren 26.2.17. Kwijtschelding tijdens WSNP 26.2.18. [vervallen] 26.2.19. Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de bijstandsuitkering 26.2.20. Onderhoud gezinsleden in het buitenland 26.3. Kwijtschelding van (prive)belastingen voor kleine zelfstandigen en ondernemers 26.3.1. Vermogen en kwijtschelding kleine zelfstandigen 26.3.2. De inboedel en kwijtschelding kleine zelfstandigen 26.3.3. Het motorvoertuig en kwijtschelding kleine zelfstandigen 26.3.4. Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 26.3.5. De eigen woning en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 26.3.6. Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 26.3.7. Nalatenschappen en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 26.3.8. [vervallen] 26.3.9. [vervallen] 26.3.10. Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 26.3.11. Vakantiegeld en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 26.3.12. Studiefinanciering en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 26.3.13. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 26.3.13.a Persoonsgebonden budget en kwijtschelding voor zelfstandigen 26.3.14. Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 26.3.15. Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse belastingschulden kleine zelfstandigen 26.3.15.A. Woonlasten van meerpersoonshuishoudens kleine zelfstandigen 26.3.16. Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding kleine zelfstandigen 26.3.17. Kwijtschelding tijdens WSNP kleine zelfstandigen 26.3.18. [vervallen] 26.3.19. Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de bijstandsuitkering kleine zelfstandigen 26.3.20. Onderhoud gezinsleden in het buitenland kleine zelfstandigen 26.3.21. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord 26.3.22. Aansprakelijkheid en kwijtschelding ondernemers 26.3.23. Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord ondernemers 26.3.24. Toepassingsbereik saneringsakkoord ondernemers 26.3.25. Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord ondernemers 26.3.26. Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord ondernemers 26.3.27. Rente en kosten en saneringsakkoord ondernemers 26.3.28. Speciale crediteuren en saneringsakkoord ondernemers 26.4. Administratief beroep 26.4.1. Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding 26.4.1.A Horen voor de belsissing op een beroepsschrift 26.4.2. Herhaald verzoek om kwijtschelding 26.4.3. Beroepsfase kwijtschelding 26.4.4. Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding 26.4.5. Beslissing directeur op beroep bij kwijtschelding 26.4.6. Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding 26.4.7. Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding 26.4.8. Beslistermijn op het beroepschrift 26.5. Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding 26.5.1. Invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding 26.6. Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om kwijtschelding 26.7. Geautomatiseerde kwijtschelding Artikel 27 Verjaring 27.1. Versnelde invordering en verjaring 27.2. Aansprakelijkgestelden en verjaring 27.3. Stuiting van de verjaring 27.4. Schorsing van de verjaring 27.5. Afstand van verjaring 27.6. Rente en kosten en verjaring 27.7. Na verjaring geen civiele invordering Artikel 27a Betalingskorting Artikel 28 Invorderingsrente 28.1. Cheque buitenland en invorderingsrente 28.2. Correctie berekende invorderingsrente 28.3. Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente 28.4. [vervallen] 28.5. [vervallen] 28.6. Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk 28.7. [vervallen] 28.8. Drempelbedrag 28a 28 b en 28 c. Artikel 29 Artikel 30 Beschikking betalingskorting en invorderingsrente 30.1. Beschikking terugnemen betalingskorting 30.2. Verzoek tot vermindering rente is bezwaar 30.3. Betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie 30.4. Teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van betaling 30.5. Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting Artikel 32 Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen 32.1. Keuze aansprakelijkheid 32.2. Gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid Artikel 33 Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen 33.1. Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij aansprakelijkheid 33.2. Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheid 33.3. Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid 33.4. Vereffenaar bij aansprakelijkheid 33.5. Bestuurder bij aansprakelijkheid 33.6. Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid 33.7. Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers Artikel 34 tot en met 47 Artikel 48 Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen 48.1. Beneficiaire aanvaarding 48.2. Invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege Artikel 49 Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling 49.1. Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete 49.2. Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente 49.2a Vooraankondiging aansprakelijkstelling 49.3. De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn 49.3.1. Wanneer in gebreke 49.3.2. In gebreke zijn en versnelde invordering 49.3.3. In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere invorderingsmaatregelen’ 49.4. Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid 49.5. Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden 49.6. Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige 49.7. Volgorde van aansprakelijkstellen 49.8. Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling 49.8.1. Bezwaar en uitstel van betaling 49.9. Overgangsrecht 49.9.1. Bij civiele procedure geen invordering of verrekening 49.9.2. Wijziging eis Artikel 51 Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid 51.1. Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar Artikel 52 Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling 52.1. Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling Artikel 53 Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding 53.1. Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld 53.2. Ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaar Artikel 54 Mededeling aan de aansprakelijkgestelde 54.1. Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling Artikel 55 tot en met 57 Artikel 58 Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde 58.1. Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure 58.2. Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden 58.3. Invorderingsonderzoek tijdens faillissement Artikel 59 Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde Artikel 60 Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen 60.1. Redelijke termijn voor verstrekken van informatie 60.2. Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen Artikel 61 Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen 61.1. Niet van de administratie gescheiden (beroeps-)vertrouwelijke gegevens Artikel 62 Informatieverplichtingen van de administratieplichtige Artikel 62a Artikel 63 en 63a Artikel 63bBestuurlijke boeten 63b.1. Algemene uitgangspunten 63b.2. Betalingsverzuim bij aanslagbelastingen 63b.3. Verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt Artikel 63c en 64 Artikel 65 Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf 65.1. Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf Artikel 65a en artikel 66 Artikel 67 Geheimhoudingsplicht 67a 67.1. Bekendmaking aan de belastingschuldige 67.2. Bekendmaking aan derden in het belang van de invordering 67.2. Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen Artikel 68 tot en met 72 Artikel 73 Insolventieprocedures 73.1. Algemene uitgangspunten insolventieprocedures 73.1.1. Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement 73.1.2. Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of faillissement 73.1.3. Boedelschulden 73.1.4. Proceskostengarantie 73.1.5. Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator 73.1.6. Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP 73.1.7. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar 73.1.8. Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP 73.1.9. Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP 73.1.10. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot faillissement en WSNP 73.1.11. Toeslagenschuld in relatie tot WSNP en faillissement 73.1.12. Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement 73.2. Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering 73.2.1. Kwijtschelding tijdens WSNP 73.2.2. De WSNP is beëndigd met een schone lei 73.2.3. De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is ingetrokken 73.2.4. De WSNP is tussentijds beëndigd 73.3. Insolventieprocedure en surseance 73.3.1. Uitstel en surseance 73.3.2. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot surseance 73.4. Insolventieprocedure en faillissement 73.4.1. Faillissementsaanvraag: algemeen 73.4.2. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag 73.4.3. Particulieren en faillissement 73.4.4. Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag 73.4.5. Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling faillissementsaanvraag door rechter 73.4.6. Toestemming voor faillissementsaanvraag 73.4.7. Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag 73.4.8. Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag 73.4.9. Verzet tegen faillietverklaring 73.4.10. Beroep op regresrecht in faillissement 73.4.11. Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement 73.4.12. Opkomen in faillissement 73.4.13. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement 73.4.14. Na de toepassing van het faillissement 73.4.15. Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure 73.4.16. Omzetting faillissement in WSNP 73.5. Insolventieprocedure en minnelijke schuldsanering 73.5.1. Algemeen 73.5.2. Opschorten invorderingsmaatregelen na verzoek MSNP 73.5.3. Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen 73.5.4. Houding ontvanger tijdens uitstel MSNP 73.5.5. Intrekken uitstel gedurende MSNP 73.5.6. De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP 73.5.7. Na de toepassing van de MSNP 73.5.a. Onsolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten 73.5.a.1 Algemeen 73.6. Insolventieprocedures en akkoorden 73.6.1. Buitengerechtelijk akkoord 73.6.2. Voorwaarden voor toetreding tot een buitengerechtelijk akkoord 73.6.3. Gevolgen buitengerechtelijk akkoord 73.6.4. Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord 73.6.5. Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord 73.6.6. Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord 73.6.7. Schuldig nalatig en (buiten)gerechtelijk akkoord 73.6.8. Gevolgen dwangakkoord 73.6.9. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord Artikel 74 Uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteiten Artikel 75 Kosten van vervolging 75.1. Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten 75.2. Aan derden toekomende bedragen 75.3. Rechtsmiddelen en vervolgingskosten 75.4. Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar 75.5. Niet in rekening brengen van vervolgingskosten 75.6. Onverschuldigdheid van vervolgingskosten 75.7. Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten 75.8. Versnelde invordering en vervolgingskosten 75.9. Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten 75.10. Geen kwijtschelding van vervolgingskosten 75.11. Limitering betekeningskosten dwangbevel Artikel 76 tot en met 79 Artikel 80 Invordering en Awb 80.1. Tenuitvoerlegging termijndwangbevel 80.2. Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen 2. Incassoreglement 2.1 Artikel 1 Begripsomschrijving 2.2 Artikel 2 Deelname aan automatische incasso 2.3 Artikel 3 Aanvang 2.4 Artikel 4 Termijnbedrag 2.5 Artikel 5 Tijdstip van afschrijven 2.6 Artikel 6 Ontbindende voorwaarden 2.7 Artikel 7 Overlijden 2.8 Artikel 8 Scheiding e.d. en verhuizing 2.9 Artikel 9 Wijziging bankrekeningnummer 2.10 Artikel 10 Terugstorting 2.11 Artikel 11 Beeindiging automatische incasso 3. Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuze situatie 3.1. Artikel 1 Inleiding 3.2. Artikel 2 Voorkeursvolgorde 4. Beleidsregels voor het aanwijzen van een WOZ- belanghebbende in een keuze situatie 4.1. Artikel 1 Inleiding 4.2. Artikel 2 Voorkeursvolgorde 5. Beleidsregels inzake het toekennen van ambtshalve verminderingen 5.1 Artikel 1 Reikwijdte en definities 5.2 Artikel 2 Gevallen waarin ambtshalve vermindering wordt verleend 5.3 Artikel 3 Uitzonderingen 5.4 Artikel 4 Jurisprudentie 5.5 Artikel 5 Mededeling van afwijzing 5.6 Artikel 6 Algemene toelichting 6. Beleidsregels toepassing Besluit proceskosten 6.1 Artikel 1 Noodzaak kosten 6.2 Artikel 2 Wegingsfactor wegens zwaarte 6.3 Artikel 3 Afwijking wegingsfactor 6.4 Artikel 4 Deskundigen kosten 6.5 Toelichting op de beleidsregel toepassing wegingsfactor 6.6 Richtlijn uniforme toepassing vaststellen aantal uren en uurvergoeding taxatiekosten 7. Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 7.1 Artikel 1 Algemene bepaling 7.2 Artikel 2 Aangifte 7.3 Artikel 3 Gebruik nachtverblijfregister ten behoeve van de heffing van toeristenbelasting 7.4 Artikel 4 Voorlopige aanslag 7.5 Artikel 5 Rente 1. Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Toelichting vooraf Voor de indeling in artikelen en subartikelen is aangesloten bij de Rijksleidraad. Sommige artikelen uit de Invorderingswet 1990 en onderdelen van de Rijksleidraad treft u echter niet aan. Reden hiervoor is dat deze onderdelen en artikelen niet van toepassing zijn voor gemeenten. Dit is aangegeven met de opmerking: ‘Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. Wij hebben dit gedaan om de nummering van de originele Rijksleidraad niet te veranderen. De (halfjaarlijkse) wijzigingen van het Ministerie van Financiën kunnen dan sneller gevonden en veranderd worden. Wie stelt de Leidraad binnen de gemeente vast? Uit de wet blijkt niet wie binnen de gemeente de Leidraad moet vaststellen. De Rijksleidraad is vastgesteld door de staatssecretaris van Financiën. Het betreft hier een bevoegdheid die intern door de minister aan de staatssecretaris is overgedragen. Met de inwerkingtreding van de aanpassingswetgeving derde tranche Algemene wet bestuursrecht (1 januari 1998) wordt ‘de minister’ in de Gemeentewet vertaald met ‘het college’. Wij stellen ons op het standpunt dat de Leidraad invordering gemeentelijke belastingen ertoe strekt het invorderingsbeleid te formuleren en te formaliseren. De Leidraad moet als zodanig worden vastgesteld door hetzij degene aan wie de bevoegdheid is geattribueerd, dat is de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen (artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet), hetzij degene onder wiens bestuursverantwoordelijkheid de bevoegdheid wordt uitgeoefend, dat is het college (artikel 160 van de Gemeentewet) Daarnaast kan het college op grond van artikel 10:22 Awb per geval of in het algemeen instructies aan de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen geven. De vraag in dit verband is of het college bestuursverantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van de invordering of de gemeenteraad. Voor de gemeenteraad pleit dat dit orgaan de regels vaststelt (de organisatieverordening) op grond waarvan de aanwijzing van de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen moet plaatsvinden. De daadwerkelijke benoeming van de betrokken ambtenaar vindt echter plaats door het college. Gelet op het voorgaande zouden zowel de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen, als het college als de gemeenteraad bevoegd zijn tot het vaststellen van beleidsregels betreffende de invordering. Wel zouden deze regels naar de mate waarin de afstand tot de uitvoering groter is, zich meer moeten beperken tot algemene aanwijzingen en algemene instructies. Alles afwegend gaat de voorkeur uit naar de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen die de Leidraad vaststelt. Artikel 1 Inleiding en toepassingsgebied Dit artikel bevat de inleiding van de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen 2017 voor de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen (hierna: Munitax) en het beleid over het toepassingsgebied zoals opgenomen in artikel 1 van de Invorderingswet 1990. 1.1. Inleiding Voor u ligt de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen 2017 van Munitax. Net als de Leidraad Invordering 2008 van het Rijk 1 (hierna: Rijksleidraad) bevat de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen enkel beleidsregels. Werkinstructies zijn niet opgenomen. Bij de opmaak van deze leidraad is aansluiting gezocht bij de Rijksleidraad. Het is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk zijn bepalingen toegevoegd of aangepast aan de gemeentelijke situatie. 1.1.1. Lijst met gebruikte afkortingen Afkorting Omschrijving Awb Algemene wet bestuursrecht Awir Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen AWR Algemene wet inzake rijksbelastingen BW Burgerlijk Wetboek FW Faillissementswet MSNP Minnelijke schuldsanering natuurlijke personen Pw Participatiewet Rv Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Sr Wetboek van Strafrecht Sv Wetboek van Strafvordering WSF Wet Studiefinanciering 2000 WSNP Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen 1.1.2. Definities – belasting(en): belastingen die door de gemeente worden geheven; – belastingdeurwaarder: de daartoe door het college aangewezen gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet; – besluit (het): het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 – college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente; – hoger beroep: hoger beroep bij een gerechtshof dan wel, als beroep in cassatie bij de Hoge Raad in ingesteld, cassatieberoep; – echtgenoot: de echtgenoot, bedoeld in artikel 3 Wwb; – inspecteur: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de inspecteur; – ondernemer: de belastingschuldige die een onderneming drijft of zelfstandig een beroep uitoefent; – ontvanger: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de ontvanger; – particulier: de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt aangemerkt; regeling (de): de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990; – wet (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen (Invorderingswet 1990). Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde verstaan als de wet daaronder verstaat. 1.1.3. Reikwijdte beleidsvoorschriften Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 1.1.4. Aansprakelijkgestelden en andere derden De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de invordering met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de leesbaarheid is vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften te beperken. 1.1.5. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur De ontvanger handelt bij de invordering zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb Besluit Fiscaal bestuursrecht, ondanks het feit dat artikel 3:40, titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing zijn op de wet. Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de wet, de regeling of deze leidraad anders bepaalt. Voor beschikkingen op aanvraag geldt daarom een termijn van acht weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door een redelijke termijn te noemen (zie artikel 4:13, 4:14 en 4:15 Awb). Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het beslissen op beroepschriften bij administratief beroep geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:24 Awb). Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel 4:17 Awb). Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen: bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet; bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet; bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen; bezwaarschriften tegen beschikkingen kostenvergoeding bij een onrechtmatig opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de wet; bezwaarschriften tegen beschikkingen bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 63b van de wet. Een andere bepaling uit de Awb die van toepassing is bij invordering is artikel 4.84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken van de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad. Dit is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de leidraad dient. Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb. Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent onder meer dat als de belastingschuldige in een verzoek aan de gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, de ontvanger de belastingaanslag marginaal toetst. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer open staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in verband met termijnoverschrijding. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de ontvanger voor een dergelijke aanslag geen invorderings-maatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven begrepen. Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich beperkt tot feiten die de ontvanger bekend zijn op het moment dat hij tot invordering overgaat. De verrekening van een belastingaanslag waarvan is gebleken dat die in materiële zin niet verschuldigd is met een belastingteruggave wordt niet ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek daartoe heeft plaatsgevonden binnen één maand nadat de verrekening is bekendgemaakt. 1.1.6. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de gemeente de voorkeur. 1.1.7. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen wetende dat die het voortbestaan kunnen bedreigen van een bedrijf, dan vraagt hij daartoe toestemming van het college. Onder een bedrijf wordt in dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep. Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de ontvanger op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel onwetend blijven. De ontvanger vraagt altijd toestemming als: met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de activa van het bedrijf wordt beoogd; door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of nagenoeg geheel worden vastgelegd; derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het geval is bij derdenbeslag; de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door die schuldeiser. 1.1.8. Voor de invordering minder geschikte dagen Onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel e, en artikel 18 van de wet doet de deurwaarder geen exploten of verricht geen executiehandelingen tussen 20.00 uur 's avonds en 07.00 uur ’s ochtends, op een zondag en op een algemeen erkende feestdag, behalve na een daartoe strekkend verlof van de voorzieningenrechter. In aanvulling hierop geldt dat de ontvanger geen invorderingsmaatregelen treft op Goede Vrijdag. De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die maatregelen zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven. Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot de privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als de ontvanger een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid van de wet terstond invordert. Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name: landelijk of regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag de dagen tussen Kerstmis en Nieuwjaar 1.1.9. Binnenkomst van bescheiden Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van binnenkomst van die stukken de datum van binnenkomst bij de gemeente. Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van derden. 1.1.10. Positie belastingdeurwaarder Belastingdeurwaarder is een door of namens het college aangewezen ambtenaar van de gemeente, dan wel een als belastingdeurwaarder van de gemeente aangewezen deurwaarder. In de uitoefening van zijn functie is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de ontvanger). Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die handelingen dient. Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in welke hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden om hetgeen hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld – in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in verband daarmee – verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de heffing van enige rijksbelasting. De leiding van de invordering berust steeds in handen van de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die hij rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, slechts uitoefent nadat hij daartoe een opdracht van de ontvanger heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen. Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om een klacht in te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens hem of een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de ontvanger in wiens opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam is. 1.1.11. Bewaren invorderingsbescheiden De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt nog niet is verjaard. De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. 1.1.12. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen Op verzoek van de belastingschuldige of zijn gemachtigde geeft de ontvanger een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen of andere vorderingen openstaan waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen. Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het verleden – voor wat betreft de invordering – geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden. De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de belastingschuldige blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is. 1.1.13. Informatieplicht De ontvanger maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is betaald binnen de betalingstermijn(
- en)die voor de belastingaanslag gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige betaling plaatsvindt. De ontvanger kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan komen. 1.1.14. Diplomatieke status De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken. De ontvanger richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot: Ministerie van Buitenlandse Zaken Directie Kabinet en Protocol Postbus 20061 2500 EB ’s-Gravenhage 1.2. Toepassingsgebied Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel van de Awb niet van toepassing is op de wet. De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en het Besluit fiscaal bestuursrecht (zie ook artikel 1.1.5 van deze leidraad). Artikel 2 Begrippen In aansluiting op artikel 2 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over het begrip ‘woonplaats’. 2.1. Woonplaats De begrippen ‘woonplaats’ en ‘plaats van vestiging’ hebben bij de uitvoering van de wet niet steeds dezelfde inhoud. Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, sluit de ontvanger aan bij het begrip ‘woonplaats’ als bedoeld in de artikelen 1:10 en volgende van het BW. Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk VI van de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen ‘woonplaats’ en ‘plaats van vestiging’ die gelden voor de gemeentelijke verordening op grond waarvan de belastingschuld – waarvoor de aansprakelijkheid bestaat – is ontstaan. Artikel 3 Bevoegdheden ontvanger Artikel 3 van de wet geeft een afbakening van de bevoegdheden van de ontvanger. De ontvanger treedt in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak als zodanig in rechte op (artikel 3, tweede lid). De bepalingen van deze leidraad zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de invordering op civielrechtelijke wijze. Dat het bestuursorgaan ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden beschikt die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft is thans geregeld in artikel 4:124 Awb). In aansluiting op artikel 3 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de fiscale en civiele bevoegdheden van de ontvanger; het leggen van conservatoir beslag; het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures; de Rijksadvocaat; Faillissementsaanvraag. 3.1. Fiscale en civiele bevoegdheden De ontvanger beschikt op grond van de wet over diverse specifieke bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft hij alle bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de ontvanger zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale bevoegdheden, als van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden om zijn doel te bereiken. De ontvanger is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die hij het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Als de ontvanger het wenselijk of noodzakelijk acht van fiscale bevoegdheden over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, dan doet hij dit alleen als het belang van de invordering opweegt tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden. 3.2. Conservatoir beslag Om de rechten van de gemeente veilig te stellen heeft de ontvanger naast de versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen. Feiten en omstandigheden bepalen de keuze van de ontvanger. 3.2.1. Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor verduistering van de goederen niet aanwezig acht, dan legt de ontvanger niet alsnog om dezelfde reden executoriaal beslag op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet. 3.2.2. Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, vraagt de ontvanger slechts verlof om conservatoir beslag te leggen aan de voorzieningenrechter als de belasting in redelijkheid materieel verschuldigd geacht mag worden. Het opleggen van de belastingaanslag wordt beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid Rv. 3.3. Gerechtelijke procedures – toestemming 3.3.1 Juridische bijstand Op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet treedt de ontvanger zelfstandig in rechte op in rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van: beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR; hoger beroepsprocedures op grond van artikel 27h AWR; (hoger) beroepsprocedures op grond van artikel 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen; kantonzaken; kort gedingprocedures, indien de ontvanger gedaagde is. 3.3.2 Toestemming In gerechtelijke procedures voor de burgerlijke rechter waarin de ontvanger als eiser optreedt, moet hij toestemming hebben van het college. Het voorgaande geldt niet voor: verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen; kantonzaken; verzoekschriftprocedures; aansprakelijkheidsprocedures; procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid , of artikel 708, tweede lid, Rv. 3.4. Rijksadvocaat Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 3.5. Faillissementsaanvraag Bij een faillissementsaanvraag wordt vooraf toestemming gevraagd aan het college. Dit geldt ook bij een eventuele steunvordering voor het aanvragen van een faillissement. Artikel 4 Bevoegdheid belastingdeurwaarder Artikel 4 van de wet bepaalt dat voor het verrichten van deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van een ontvanger voor de invordering van (rijks) belastingen, uitsluitend een belastingdeurwaarder bevoegd is. In aansluiting op artikel 4 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de reikwijdte van die bevoegdheid. 4.1. Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden met de invorderingstaak en de hieruit voortvloeiende bevoegdheden van de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke weg, waartoe de ontvanger op grond van artikel 4:124 van de Awb gerechtigd is en tot die werkzaamheden die verricht moeten worden, wanneer de ontvanger zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt. 4.2. Bescherming Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180 Sr. Daardoor genieten zij strafrechtelijke bescherming, voor zover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen. 4.3. Legitimatie Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de belastingdeurwaarder op verzoek zich legitimeren aan de belastingschuldige en/of zijn/haar gemachtigden. Artikel 5 Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. Artikel 6 Reikwijdte van de wet Artikel 6 van de wet bepaalt dat de wet ook van toepassing is op: de rente; de kosten. In aansluiting op artikel 6 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over rente en kosten. 6.1. Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. Artikel 7 Betaling en afboeking Artikel 7 van de wet schrijft voor hoe de toerekening van betalingen plaats moet vinden: Lid 1 bepaalt dat toerekening van betalingen achtereenvolgens gebeurt aan de kosten, de betalingskorting, de rente en de belastingaanslag; Lid 2 bepaalt hoe de afboeking aan de verschillende componenten van de belastingaanslag plaatsvindt; In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: het tijdstip van de betaling; de afboeking van de betaling; teveelbetalingen; het rekenen van rente en kosten bij afboeking; het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen; de afboeking van de betaling op de bestuurlijke boete; de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden; betaling bij vergissing; betaling van kleine bedragen; ontvangen bedragen uit de wettelijke saneringsregeling en faillissement. 7.1. Tijdstip betaling Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van de gemeente; Bij betaling bij een bank of betaaldienstverlener door middel van storting van contant geld of door middel van storting met een pinpas, geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgens op de dag van de storting of pin-transactie Bij rechtstreekse betaling aan de gemeente door middel van een pin- of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling; Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik; Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling; Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald als tijdstip van betaling. 7.2. De afboeking van de betaling Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen: Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen; Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken; Als de ontvanger ook de invordering van gemeentelijke belastingen ten behoeve van een andere gemeente uitvoert, is het bovenstaande van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verdeling van de gelden naar rato van de grootte van de belastingschuld plaatsvindt. 7.3. Teveelbetaling Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere belastingaanslagen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en dienovereenkomstig behandeld. 7.4. Rente en kosten bij afboeking betalingen Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. Onder rente als bedoeld in artikel 7 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. 7.5. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag worden toegerekend aan een van de belastingaanslagen waarvoor de kosten zijn gemaakt. 7.6. Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling is verleend Als sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag vastgestelde bestuurlijke boete, vindt toerekening uitsluitend plaats aan de belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep). Als echter – ondanks dit uitstel – zoveel wordt betaald dat er na afboeking op de belasting nog een bedrag overblijft, dan wordt dit bedrag afgeboekt op de bestuurlijke boete. Als op de bestuurlijke boete is afgeboekt en de bestuurlijke boete wordt alsnog aangevochten, dan blijven de afboekingen gehandhaafd. 7.7. Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde, worden eerst de vervolgingskosten afgeboekt die aan de aansprakelijkgestelde zelf in rekening zijn gebracht. Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag – waarbij artikel 7 van de wet wel van toepassing is – echter met dien verstande dat de invorderingsrente en kosten die op die aanslag zelf betrekking hebben alleen worden afgeboekt indien en voor zover men hiervoor aansprakelijk is gesteld. Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden schriftelijk in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de betaling door de aansprakelijkgestelde. 7.8. Betaling bij vergissing Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van een evidente vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt bijzondere voorzichtigheid betracht. Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en invordering niet zonder meer opnieuw kan plaatshebben. In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij voor de ontvanger wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de schuld te gelegener tijd op juiste wijze zal worden voldaan. Indien een bedrag wordt betaald als gewetensgeld, wordt dit gezien als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Terugbetaling vindt dan niet plaats. 7.9. Mededeling afboeking betaling De ontvanger stelt de belastingschuldige van de afboeking van een betaling waarbij invorderingsrente of invorderingskosten in rekening is gebracht schriftelijk op de hoogte, tenzij het een slotbetaling betreft op een belastingaanslag waarbij geen kosten en rente worden afgeboekt. Een kennisgeving blijft achterwege als betaling plaatsvindt op grond van een machtiging tot automatische afschrijving en daarbij geen vervolgingskosten worden afgeboekt. 7.10 Betaling van kleine bedragen Betalingen van belastingaanslagen in kleinere bedragen dan die van de termijnen worden niet geweigerd, tenzij dit door ontvanger aangemerkt wordt als nodeloze overlast. In dat geval treedt hij in contact met de belastingschuldige om de betalingswijze aan te passen. 7.11. Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en faillissement Uit de wettelijke schuldsaneringsregeling of uit een faillissement ontvangen bedragen dienen steeds te worden afgeboekt overeenkomstig de gegevens van de uitdelingslijst, met in achtneming van artikel 7.2 van deze leidraad. Artikel 7a Uitbetaling van belastingteruggaven Artikel 7a van de wet regelt de wijze waarop de ontvanger bedragen uitbetaalt. Op grond van artikel 4:89, eerste lid, Awb dient een schuldenaar te betalen op een daartoe door de schuldeiser bestemde bankrekening. Het komt in de praktijk echter regelmatig voor dat een belastingschuldige aan wie de ontvanger een bedrag moet betalen, geen bankrekening(nummer) heeft aangewezen waarop de betaling moet plaatsvinden. Wanneer zich een dergelijke situatie voordoet, regelt artikel 7a van de wet dat de ontvanger betaalt op een bankrekening die op naam van de belastingschuldige staat. In aansluiting op artikel 4:89 Awb en artikel 7a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de aanwijzing van het rekeningnummer voor uitbetaling; uitbetalingsfouten. 7a.1. Aanwijzen bankrekeningnummer voor uitbetaling De aanwijzing door de belastingschuldige vindt in beginsel plaats op het verzoek in verband waarmee het desbetreffende uit te betalen bedrag wordt vastgesteld. Als de belastingschuldige niet reageert op het schriftelijk ter verificatie aanbieden van het bij de Gemeente bekende bankrekeningnummer door de gemeente, geldt dit ook als aanwijzing. Als de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met betrekking tot hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort uit te betalen bedrag een ander bankrekeningnummer aanwijst, dan wordt laatstbedoeld bankrekeningnummer geacht ook te zijn aangewezen voor het doen van uitbetalingen voortvloeiend uit eerdere aangiften of verzoeken. Aanwijzing moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk plaatsvinden en wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee redelijkerwijze bij de uitbetaling rekening kan worden gehouden. 7a.2. Controle van een aangewezen bankrekening op de tenaamstelling Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 7a.3. Uitbetalingsfouten Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een andere rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem is aangewezen, dan moet de ontvanger in beginsel opnieuw uitbetalen. De ontvanger verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag eerst wordt gerestitueerd. Hernieuwde uitbetaling vindt direct plaats als de belastingschuldige aantoont dat: hij tijdig vóór de uitbetaling bij de ontvanger heeft aangegeven dat de uitbetaling niet meer op de desbetreffende rekening moet geschieden, en hij niet over het uitbetaalde bedrag kan beschikken omdat de bankinstelling heeft aangegeven dat de rekening waarop de uitbetaling heeft plaatsgevonden, geblokkeerd is. Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan, zal de ontvanger het aldus teveel betaalde bedrag vervolgens terugvorderen uit ongerechtvaardigde verrijking. Uitbetalingsfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing door de belastingschuldige, blijven voor diens rekening. De ontvanger beroept zich in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (artikel 6:34 BW). Desgevraagd wordt de belastingschuldige op de hoogte gesteld omtrent de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd is betaald. Artikel 7b Cessie- en verpandingsverbod uitbetalingen inkomstenbelasting Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. Artikel 8 Bekendmaking aanslag Artikel 8 van de wet regelt dat de ontvanger de belastingaanslag bekend maakt door toezending of uitreiking aan de belastingschuldige. De belastingschuldige is de belastingaanslag in zijn geheel verschuldigd. In aansluiting op artikel 8 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties; de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet; het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan erfgenamen. 8.1. Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met dien verstande dat: aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde aan de curator worden gezonden; ingeval van faillissement het aanslagbiljet aan de curator wordt gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt dan wel een boedelschuld vormt; als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan de wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als bekend is dat verzending aan de belastingschuldige zelf al eerder problemen heeft opgeleverd; aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend is dat hij is overleden, worden gezonden aan de executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen. 8.2. Verzending aanslagbiljetten via PostNL [Vervallen per 1 juli 2012] 8.3. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt van hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de belasting materieel is verschuldigd. 8.4. Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijk termijn te voldoen. Artikel 9 Betalingstermijnen Artikel 9 van de wet regelt binnen welke betalingstermijnen belastingaanslagen moeten worden betaald. In aansluiting op artikel 9 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de afwijking van de betalingstermijnen bij voorlopige aanslagen; de afwijking van de betalingstermijn bij voorlopige teruggaven; de uitbetaling van een voorlopige teruggave in één termijn; de dagtekening van het aanslagbiljet; het begrip maand bij betalingstermijnen; regeling betalingstermijnen; automatische incasso. 9.1. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 9.2. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 9.3. Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 9.4. Dagtekening aanslagbiljet De dagtekening van het aanslagbiljet wordt zodanig bepaald dat de belastingschuldige het biljet op de dag van de dagtekening ontvangt. 9.5. Begrippen bij betalingstermijnen Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op twee maanden, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van twee maanden vervalt op 31 december. Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van twee maanden op 30 april. Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn twee maanden later op de dag die hetzelfde nummer heeft als dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15 maart is, vervalt de termijn dus op 15 mei. 9.6. Verzuim ontvanger bij uitbetaling Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de wet wordt onder het begrip ‘invorderen van rijksbelasting’ mede verstaan het betalen van een terug te geven bedrag aan belastingen. Op grond van deze definitie is de betalingstermijn voor een belastingaanslag zoals vastgelegd in de gemeentelijke belastingverordening, of bij ontbreken daarvan in artikel 9, eerste lid, van de wet, ook van toepassing op de uitbetaling van een belastingteruggaaf. Hieruit volgt dat de ontvanger niet in verzuim is met de uitbetaling van een belastingteruggaaf zolang die binnen deze betalingstermijn plaats vindt. 9.7. Regeling betalingstermijnen De gemeente heeft voor iedere belastingsoort de betalingstermijn(
- en)in de belastingverordening geregeld. Is in de belastingverordening niets geregeld, dan zijn de betalingstermijnen uit de wet van toepassing. In aansluiting op artikel 9, tiende lid, van de wet wordt de Algemene Termijnenwet in beide gevallen niet van toepassing verklaard. Op elke belastingaanslag wordt (worden) de betalingstermijn(
- en)aangegeven. Uiterlijk op die datum moet de belastingschuldige de aanslag (of het evenredige deel ervan bij meerdere termijnen) hebben betaald. 9.8. Automatische incasso Onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde belastingaanslagen is het mogelijk de aanslag(
- en)te voldoen via een automatische incasso. Hiervoor heeft de heffingsambtenaar een incassoreglement vastgesteld. Bij automatische incasso wordt de belastingschuldige (een) afwijkende, ruimere, betalingstermijn(
- en)toegestaan. Artikel 10 Versnelde invordering Artikel 10, eerste lid, van de wet geeft een limitatieve opsomming van bijzondere situaties waarin de ontvanger met doorbreking van de in artikel 9 van de wet voorgeschreven betalingstermijnen een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag kan invorderen. Artikel 10, tweede en derde lid, van de wet bevatten uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de toepassing van deze versnelde invordering. In aansluiting op artikel 10 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de reikwijdte van de versnelde invordering; de vrees voor verduistering; het metterwoon verlaten van Nederland; geen vaste woonplaats in Nederland; als er al beslag ligt; de verkoop namens derden; de vordering ex artikel 19. 10.1. Reikwijdte versnelde invordering Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde invordering (als bedoeld in artikel 10 van de wet) over te gaan, dan vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de ontvanger op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is uitgereikt of verzonden – maar voordat de belastingaanslag (geheel) invorderbaar is – deelt de ontvanger de belastingschuldige schriftelijk mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaart en dat de op het aanslagbiljet vermelde betalingstermijnen niet meer gelden. Hij doet dit eveneens onder opgave van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling behoord. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 van de wet wordt overgegaan – als sprake is van direct contact met de belastingschuldige – deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te betalen. Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend – maar voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) – vermeldt de ontvanger op het beslagexploot of op een aparte schriftelijke kennisgeving: artikel 15 in combinatie met artikel 10, eerste lid, van de wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel. Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de tweedagentermijn die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er hoeft geen nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige wordt – als sprake is van direct contact met laatstgenoemde – eerst in de gelegenheid gesteld om onmiddellijk te betalen. Een belastingaanslag die op grond van artikel 10, eerste lid, van de wet terecht geheel opeisbaar is geworden, blijft geheel opeisbaar ook al zouden de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent de ontvanger in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met de betalingstermijn(
- en)die normaal zou(den) gelden. 10.2. Vrees voor verduistering en versnelde invordering Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake, als de ontvanger aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen. De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van de belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door gedragingen van derden (bijvoorbeeld crediteuren), die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd. Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde beslaglegging blijkt dat deze uitsluitend van een derde zijn, is niet voldaan aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet en is het beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden opgeheven maar de ontvanger moet de betrokkenen wel informeren over het feit dat er geen beslag ligt. 10.3. Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de belastingschuldige van plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de ontvanger – alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de wet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren – er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn niet meer verhaald kan worden op goederen van de belastingschuldige die zich in Nederland bevinden. 10.4. Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zich geen reden voor de ontvanger om de belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er moet een situatie bestaan waarin de ontvanger er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald. 10.5. Beslag en versnelde invordering Nadat de ontvanger verhaalsbeslag heeft doen leggen op bepaalde goederen, zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige – waaronder hier wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen – dadelijk en ineens invorderbaar. 10.6. Verkoop namens derden en versnelde invordering Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van
- de)executoriale verkoop, zodat de ontvanger op deze grond niet eerder maatregelen kan treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal plaatshebben. 10.7. Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering De ontvanger mag geen vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet doen, enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar wordt. Als de ontvanger met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien worden andere belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die aanslagen tot het volle bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe aanslagen nog niet zijn verstreken. Artikel 11 Aanmaning Artikel 11 van de wet regelt dat als een belastingaanslag niet binnen de daartoe gestelde termijnen wordt betaald, de ontvanger overgaat tot vervolging van de belastingschuldige door de verzending van een aanmaning. In aansluiting op artikel 11 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de geadresseerde van de aanmaning; als de aanmaning ten onrechte is verzonden; het achterwege laten van tussentijdse vervolging; de gedeeltelijke voldoening na aanmaning; de betalingsherinnering; de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg. 11.1. De geadresseerde van de aanmaning De ontvanger zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is verzonden of uitgereikt. Als naderhand blijkt dat de ontvanger de vervolging voort moet zetten voor een belastingschuldige die minderjarig is of onder curatele staat, dan zendt de ontvanger alsnog een aanmaning naar het adres van de wettelijke vertegenwoordiger. Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de ontvanger de aanmaning naar de gezamenlijke erfgenamen. Als de ontvanger weet dat de nalatenschap al is verdeeld, dan zendt hij een aanmaning aan iedere erfgenaam afzonderlijk. 11.2. Aanmaning ten onrechte verzonden Als een belanghebbende zich tot de ontvanger wendt met de mededeling dat hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de vervolging niet voortgezet voordat dit is opgehelderd. Als de ontvanger concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen, of dat de mededeling is gedaan om de invordering te traineren, dan kan hij maatregelen nemen die de rechten van de gemeente veilig stellen. 11.3. Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 11.4. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan. 11.5. Betalingsherinnering Als de aard of omvang van de belastingschuld dan wel het betalingsgedrag van de belastingschuldige daartoe aanleiding geven, kan de ontvanger de belastingschuldige eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering toezenden. Als er geen betalingsherinnering wordt verzonden of als deze niet of niet tijdig tot algehele voldoening van de belastingschuld leidt, verzendt de ontvanger een aanmaning. 11.6. Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg Als de ontvanger invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de ontvanger over tot het uitbrengen van een dagvaarding. De dagvaarding hoeft niet vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel verzendt de ontvanger eerst een aanmaning. De ontvanger verzendt echter geen aanmaning als reeds conservatoir beslag is gelegd. Artikel 12 Dwangbevel Artikel 12 van de wet bepaalt dat de invordering van de belastingaanslag kan geschieden bij een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel. Op grond van dit dwangbevel kan de ontvanger overgaan tot invordering van de belastingaanslag. In aansluiting op artikel 12 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: het onderwerp van het dwangbevel; tegen wie een dwangbevel wordt verleend. 12.1. Onderwerp van het dwangbevel De ontvanger vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag vermeld op een aanslagbiljet van voorkomende belastingaanslagen en beschikkingen. Als een bedrag in termijnen mag worden voldaan, vaardigt de ontvanger een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag van de termijnen waarvoor een aanmaning is verzonden. De ontvanger vermindert het bedrag van een dwangbevel met: de inmiddels gedane betalingen; verleende verminderingen; bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is verleend. 12.2. Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel De ontvanger verleent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of diens rechtsopvolgers. Als de ontvanger het dwangbevel verleent tegen een ander dan de belastingschuldige, moet duidelijk blijken op welke gronden dit gebeurt. Als de ontvanger bekend is met de minderjarigheid of curatele van een belastingschuldige, dan brengt hij dit in het dwangbevel tot uitdrukking. Als de ontvanger hiermee niet bekend is, hoeft hij niet vooraf een daarop gericht onderzoek in te stellen. Als de ontvanger een belastingschuld van een overledene moet verhalen op diens onverdeelde nalatenschap, verleent hij één dwangbevel tegen de gezamenlijke erfgenamen. Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene op de voet van artikel 53 Rv niet mogelijk of niet wenselijk is, dan vermeldt de ontvanger alle erfgenamen met naam en adres alsmede met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het dwangbevel. De ontvanger brengt daarbij evenwel niet het deel van ieders aansprakelijkheid tot uitdrukking. Artikel 13 Betekening van het dwangbevel In artikel 13 van de wet is de wijze van betekening van het dwangbevel beschreven. Het dwangbevel vermeldt expliciet dat de belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet kan komen. Het dwangbevel wordt bekendgemaakt door middel van betekening. De betekening van het dwangbevel met bevel tot betaling kan plaatsvinden: door de belastingdeurwaarder; per post door de ontvanger. In aansluiting op artikel 13 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de betekening van het dwangbevel per post; de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder; bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel. 13.1. Betekening dwangbevel per post De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt plaats door het ter post bezorgen door de ontvanger van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling. Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de ontvanger ter verzending aanbieden van het afschrift aan PostNL. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging. De ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te betekenen. 13.1.1. Adressering van per post betekende dwangbevelen Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de administratie van de gemeente bekende adres van de belastingschuldige. Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de basisregistratie personen is geregistreerd. Als de belastingschuldige te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de basisregistratie personen – bijvoorbeeld een postbusadres – kan verzending ook plaatsvinden aan dat adres. Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een – ten tijde van de terpostbezorging – onjuist adres is verzonden en de belastingschuldige niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen rechtsgevolg verbonden. Als het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het afschrift niet te hebben ontvangen, dan geldt het dwangbevel als betekend. Dit is niet het geval als de belastingschuldige bijzondere omstandigheden aannemelijk kan maken op grond waarvan moet worden aangenomen dat het afschrift van het dwangbevel het bestemde adres niet heeft bereikt. 13.2. Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder Als bij de betekening van een dwangbevel door de belastingdeurwaarder aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie de belastingdeurwaarder het afschrift moet achterlaten, dan betekent de belastingdeurwaarder het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 47, eerste lid, Rv. Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht dat achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan de huisgenoot er niet toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook daadwerkelijk zal bereiken. Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres van de gemeente waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats heeft. Dit geldt ook voor de situaties waarin het dwangbevel is uitgevaardigd door de ontvanger van een andere gemeente. 13.3. Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel Een dwangbevel dat – hetzij door terpostbezorging, hetzij door de belastingdeurwaarder – is betekend aan een minderjarige of onder curatele gestelde, moet mede worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden overgegaan. Zo nodig zal aan de laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan. Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie. Artikel 14 Tenuitvoerlegging van het dwangbevel Artikel 14 van de wet gaat over de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. In aansluiting op artikel 4:116 van de Awb en artikel 14 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de algemene regels over tenuitvoerlegging beslag op roerende zaken die geen registergoederen; beslag op onroerende zaken; beslag onder derden; beslag op schepen. 14.1. Tenuitvoerlegging algemeen Het dwangbevel levert een executoriale titel op. Na betekening aan de belastingschuldige, kan de belastingdeurwaarder het dwangbevel met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering ten uitvoer leggen (zie artikel 4:116 Awb). Als het dwangbevel per post is betekend moet de belastingdeurwaarder een hernieuwd bevel tot betaling betekenen, voordat hij tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaat (artikel 14, eerste lid van de wet). Als de betekening van het hernieuwd bevel tot betaling plaatsvindt conform artikel 47 Rv – dat wil zeggen door achterlating van het bevel in een gesloten envelop of door terpostbezorging van het bevel – gaat de belastingdeurwaarder pas na twee dagen na betekening van het hernieuwde betalingsbevel over tot tenuitvoerlegging (artikel 14, eerste lid van de wet). In de overige gevallen kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan. Betekening van een hernieuwd bevel tot betaling hoeft overigens niet plaats te vinden als het dwangbevel met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet, terstond ten uitvoer kan worden gelegd (artikel 14, tweede lid, van de wet). 14.1.1. Keuze van invorderingsmaatregelen De tenuitvoerlegging gebeurt op de voet van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat toelaat de verschillende mogelijkheden van tenuitvoerlegging tegelijkertijd te benutten. 14.1.2. Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging De tenuitvoerlegging van verschillende dwangbevelen tegen dezelfde belastingschuldige gebeurt zoveel mogelijk tegelijkertijd. Bij de tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaarheid vermeden. Ook wordt de nodige soepelheid betracht. Dit brengt met zich mee dat de formeel voorgeschreven handelwijze wordt onderbroken, als het uit menselijk of tactisch oogpunt wenselijk is eerst persoonlijk contact met de belastingschuldige op te nemen. In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet dadelijk tot beslaglegging overgaat of deze onderbreekt of beëindigt, als hij vermoedt dat de ontvanger de beslagopdracht niet zou hebben gegeven als alle omstandigheden bekend waren geweest. Dit geldt ook als de belastingschuldige aantoont dat de betaling inmiddels heeft plaatsgevonden of dat een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in artikel 25.1.15 of 26.1.11 van deze leidraad, en de beslagopdracht elkaar hebben gekruist. Als het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag, wordt onverwijld tot uitwinning van de goederen waarop beslag is gelegd, overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag. Voorwaarde is dan wel dat met de afdoening – gelet op de omstandigheden – naar het oordeel van de ontvanger akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een minnelijke afdoening moet passen in het in deze leidraad geformuleerde beleid. 14.1.3. Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, gaat de belastingdeurwaarder pas tot tenuitvoerlegging over nadat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW, is verstreken. Als alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, kan de rechtbank de termijn van drie maanden verlengen. Als de nalatenschap wordt vereffend, kan de ontvanger gedurende de vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap verhalen. 14.1.4. Volgorde van uitwinning bij beslag Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 14.1.5. Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 14.1.6. Beslaglegging voor vordering van derden Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag heeft gelegd, gaat hij ook over tot beslaglegging voor vorderingen van derden met gelijke rangorde, waarvan de invordering aan hem is opgedragen, ongeacht de executiewaarde van de inbeslaggenomen zaken. 14.1.7. Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden De ontvanger kan een beschikking afgegeven, die inhoudt dat voor een openstaande belastingschuld geen invorderingsmaatregelen meer worden getroffen wanneer alsnog een bepaald bedrag wordt voldaan dan wel dat aan bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan. De ontvanger heft de gelegde beslagen op nadat dit bedrag is betaald of aan die voorwaarden is voldaan. 14.1.8. Opheffing beslag tegen betaling door een derde Als de ontvanger van een derde een bedrag krijgt aangeboden ter opheffing van het beslag, dan kan de ontvanger hieraan zijn medewerking verlenen als ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden: Het aangeboden geldbedrag komt niet direct of indirect uit het vermogen van de belastingschuldige; Het aangeboden geldbedrag is aanzienlijk hoger dan de opbrengst die naar verwachting zou zijn verkregen bij een executie; De belangen van de gemeente worden niet geschaad. De ontvanger houdt bij zijn beslissing rekening met de gerechtvaardigde belangen van andere schuldeisers die op de betreffende zaken verhaal zoeken, en hij kan aan zijn medewerking nadere voorwaarden verbinden. 14.1.9. Opschorten van de executie De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het proces-verbaal van beslag een verkoopdatum vast. Op deze datum vindt de openbare verkoop plaats, tenzij de ontvanger ervan overtuigd is dat betaling van de belastingschuld alsnog op zeer korte termijn zal plaatsvinden. In dat geval kan de ontvanger besluiten de verkoopdatum op te schorten tot (in totaal) maximaal zes maanden na de datum waarop het beslag is gelegd. Als sprake is van beslag op roerende zaken, dan deelt de belastingdeurwaarder de nieuwe verkoopdatum bij exploot aan de belastingschuldige mee, tenzij deze nieuwe datum op grond van een schriftelijke overeenkomst tussen de ontvanger en de belastingschuldige is verschoven. Het opschorten van de verkoopdatum houdt op zich geen uitstel van betaling in, in de zin van artikel 25 van de wet. 14.1.10. Onderhandse verkoop Als een onderhandse verkoop van in beslag genomen zaken naar verwachting aanzienlijk meer oplevert dan de verwachte opbrengst bij openbare verkoop, dan kan de ontvanger kiezen voor een onderhandse verkoop. De ontvanger moet hierbij rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van eventuele derde rechthebbenden die zich bij hem bekend hebben gemaakt. De ontvanger stelt deze derden in de gelegenheid om een bedrag aan te bieden ter opheffing van het beslag. Onderhandse verkoop vindt niet plaats als hierdoor de belangen van de gemeente worden geschaad. 14.1.11. Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop De ontvanger kan de mogelijkheid hebben om te kiezen tussen: een aangeboden bedrag ter opheffing van het beslag als bedoeld in artikel 14.1.8 van deze leidraad; een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 14.1.10 van deze leidraad. De ontvanger geeft dan in het algemeen de voorkeur aan opheffing van het beslag; voorwaarde is dat de hierdoor verkregen opbrengst niet lager is dan die van een onderhandse verkoop. 14.1.12. Strafrechtelijk beslag Als op een inbeslaggenomen goed ook een strafrechtelijk beslag ex artikel 94 Sv rust – dat wil zeggen niet zijnde een beslag in het kader van een ontnemingsmaatregel – dan wordt het beslag dat de belastingdeurwaarder heeft gelegd pas vervolgd nadat het strafrechtelijke beslag is opgeheven. Zolang niet duidelijk is wat er met het strafrechtelijke beslag gebeurt, kan het fiscale beslag blijven liggen. 14.1.13. Invordering en ontnemingswetgeving De gemeente belemmert zo min mogelijk de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen. In geval van samenloop van de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen en het nemen van invorderingsmaatregelen tot verhaal van een belastingschuld, treedt de ontvanger terughoudend op. Dit houdt in dat de ontvanger in beginsel niet direct overgaat tot uitwinning van gelegd beslag tenzij hiermee de belangen van de gemeente worden geschaad. 14.2. Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn 14.2.1. Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken Als de belastingdeurwaarder op het woonadres van de belastingschuldige niemand thuis treft een beslag op roerende zaken alleen kan plaatsvinden met gebruikmaking van artikel 444 Rv, dan blijft deze wijze van tenuitvoerlegging vooralsnog achterwege. De belastingdeurwaarder laat in dat geval een schriftelijke kennisgeving achter met vermelding van dag en uur waarop hij zich weer op het woonadres zal vervoegen. Deze handeling blijft achterwege als een belastingschuldige het stelselmatig hierop laat aankomen, dan wel van deze handelwijze misbruik wordt gemaakt of op andere wijze het belang van de invordering zich tegen deze handelwijze verzet. 14.2.2. Domiciliekeuze en beslag roerende zaken Als het beslag wordt gelegd door een belastingdeurwaarder van een ander Gemeente dan het kantoor waar bij de betekening van het dwangbevel domicilie is gekozen, dan wordt in het beslagexploot tevens domicilie gekozen ten kantore van de gemeente waar de belastingdeurwaarder die het beslag legt zijn standplaats heeft. 14.2.3. Aanbod van betaling en beslag roerende zaken Als de belastingschuldige ter voorkoming van beslaglegging aan de belastingdeurwaarder aanbiedt om ter plekke te betalen, aanvaardt de deurwaarder deze betaling. Van de betaling wordt een kwitantie opgemaakt, waarvan een afschrift aan de belastingschuldige wordt gelaten. 14.2.4. Omvang van het beslag op roerende zaken Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als – naar het oordeel van de belastingdeurwaarder – ruimschoots voldoende is voor dekking van de openstaande schuld inclusief rente en kosten. 14.2.5. Beslag op roerende zaken van derden Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 14.2.6. Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken Als een derde bij de belastingdeurwaarder bezwaar maakt tegen de inbeslagname van bepaalde roerende zaken waarvan hij de eigendom claimt, wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid een beroepschrift in te dienen bij het college op grond van artikel 22, eerste lid van de wet en eventueel in verzet te gaan op grond van artikel 456 of artikel 435 Rv. Als aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en vaststaat dat de ontvanger zijn verhaalsrecht niet kan effectueren, blijft inbeslagname achterwege. 14.2.7. Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger en beslag roerende zaken De ontvanger kan het restant van de schuld van belastingschuldige aan een derde op grond van artikel 6:30 BW voldoen in afwachting van verrekening met de belastingschuldige, als de belastingdeurwaarder de volgende zaken aantreft: zaken die niet onder het bodemrecht vallen; en strekken tot zekerheid voor de voldoening van een schuld die de belastingschuldige aan de derde heeft (bijvoorbeeld huurkoop, eigendomsvoorbehoud); en waarop de ontvanger zich na voldoening van die schuld zou kunnen verhalen. De ontvanger maakt van deze mogelijkheid slechts gebruik als de executiewaarde van de desbetreffende zaken beduidend hoger is dan het restant van de schuld. Dit geldt ook als het gaat om zaken van de belastingschuldige die bij een derde in beslag zijn genomen en waarop deze derde een retentierecht heeft. 14.2.8. Beslag roerende zaken bij derden Op zaken van de belastingschuldige die zich bij een derde bevinden, verhaalt de belastingdeurwaarder de belastingschuld zoveel mogelijk door het leggen van een beslag op roerende zaken. De deurwaarder zal in de volgende gevallen echter beslag onder derden leggen als: de derde geen medewerking verleent aan het leggen van een beslag roerende zaken; het voor de belastingdeurwaarder feitelijk onmogelijk is om de zaken zelf te zien, dan wel te inventariseren; de derde een beroep doet als bedoeld in artikel 461d Rv, voordat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten. Als de derde een dergelijk beroep doet nadat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten, legt de belastingdeurwaarder geen afzonderlijk derdenbeslag maar geldt het beslag roerende zaken als derdenbeslag. De belastingdeurwaarder betekent in dat geval binnen drie dagen na de beslaglegging aan de derde een formulier in tweevoud als bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv. Dit laatste geldt ook als de verwachting is gerechtvaardigd dat de derde voor de executoriale verkoop een beroep zal doen als bedoeld in artikel 461d Rv. 14.2.9. Wegvoeren van beslagen zaken Nadat op roerende zaken beslag is gelegd, wordt zoveel mogelijk aan de belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten. Onder bijzondere omstandigheden kan de belastingdeurwaarder beslagen zaken wegvoeren. Hij stelt daartoe een gerechtelijke bewaarder aan als bedoeld in Rv. Het aanstellen van een bewaarder ontheft de ontvanger niet van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de in beslag genomen zaken. Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van die zaken redelijkerwijze noodzakelijk is (artikel 446 Rv). Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de zaken dreigen te worden verduisterd of beschadigd. Hetzelfde geldt als er gegronde vrees bestaat dat verhaal op de zaken ernstig bemoeilijkt wordt of feitelijk onmogelijk is, indien de zaken niet worden afgevoerd. Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt slechts gebruik gemaakt: als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet kan worden ingevorderd en; de ontvanger na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden geacht. Het wegvoeren van zaken, [waaronder motorrijtuigen naar aanleiding van een actie op grond van artikel 18 van de wet] gebeurt niet door de belastingdeurwaarder dan na daartoe verkregen toestemming van de ontvanger van de gemeente. De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de ontvanger [of van een andere door hem daartoe aangewezen functionaris]. Bij het in beslag nemen van een voertuig is het aan de belastingdeurwaarder ter keuze om een wielklem, of een ander middel, aan te brengen ter zekerheid tegen verduistering. 14.2.10. Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zware motorrijtuigen en beslag roerende zaken Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 14.2.11. Afsluiting en beslag roerende zaken De deurwaarder dan wel de bewaarder kan tot afsluiting van de ruimte overgaan waarin ten laste van de onderneming in beslag genomen zaken zich bevinden, als: de omstandigheden zich voordoen als genoemd in artikel 14.2.9 van deze leidraad; en de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar verhouding zeer hoge kosten kunnen worden afgevoerd. Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop worden overgegaan. Voor de afsluiting is voorafgaande toestemming vereist van de ontvanger. De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de ontvanger of van een andere door de ontvanger daartoe aangewezen functionaris. 14.2.12. Bewaarder en beslag roerende zaken Als zaken op grond van artikel 14.2.9 van deze leidraad worden weggevoerd of op grond van artikel 14.2.11 van deze leidraad afsluiting plaatsvindt, stelt de belastingdeurwaarder daarbij een bewaarder aan die in staat moet worden geacht ook daadwerkelijk de taken verbonden aan het bewaarderschap met betrekking tot die zaken uit te oefenen. De aanstelling van de bewaarder wordt vermeld in het proces-verbaal dat in de betreffende situaties moet worden opgemaakt. Als een ambtenaar van de gemeente als bewaarder wordt aangesteld, is dit zoveel mogelijk een belastingdeurwaarder, niet zijnde de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Aan de ambtenaar die tot bewaarder is aangesteld, wordt hiervoor geen vergoeding gegeven. De tot bewaarder aangestelde ambtenaar draagt er zorg voor dat de beslagen zaken waarover hij tot bewaarder is aangesteld zo nodig worden vervoerd of opgeslagen op een wijze die het risico van fysiek of economisch bederf minimaliseert, meer dan voor de onderhavige zaken onder normale omstandigheden gebruikelijk is. De in dit verband te nemen maatregelen en de daaraan verbonden kosten moeten in een redelijke verhouding staan tot de aard en de waarde van de desbetreffende zaken. Tijdens de periode dat het beslag ligt, wordt in de navolgende gevallen aan de bewaarder het bewaarderschap ontnomen en een ander tot bewaarder aangesteld: als de bewaarder geacht moet worden gedurende langere tijd lichamelijk of geestelijk niet in staat te zijn de aan het bewaarderschap verbonden taken uit te oefenen; als de bewaarder is overleden; in dit geval hoeft het bewaarderschap niet uitdrukkelijk te worden ontnomen; als een ambtenaar van de gemeente tot bewaarder is aangesteld en deze ambtenaar door oorzaken van personele of organisatorische aard redelijkerwijs moet worden geacht geen betrokkenheid meer te (kunnen) hebben bij het beslag. Ontslag van een bewaarder gebeurt steeds schriftelijk; in voorkomend geval kan dit bij deurwaardersexploot. 14.2.13. Executoriale verkoop computerapparatuur Als de belastingdeurwaarder beslag legt op computerapparatuur, dan valt alleen de zogenoemde ‘hardware’ onder dit beslag. De belastingdeurwaarder moet – voordat tot executoriale verkoop wordt overgegaan – nagaan of deze apparatuur nog de zogenoemde ‘software’ bevat (bestanden, programma's en dergelijke). Als dat het geval is, dan moet de belastingschuldige de mogelijkheid worden geboden om die software te verwijderen en een back-up te maken. 14.2.14. Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken De ontvanger moet er voor zorgdragen dat geen zilveren, gouden of platina werken die niet zijn voorzien van de stempeltekenen die volgens de Waarborgwet 1986 vereist zijn, in openbare verkoop worden gebracht of met dat doel worden tentoongesteld. Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of platina werken voorkomen – al dan niet met het vereiste stempelteken – moet de ontvanger aangifte doen zoals artikel 46 van de Waarborgwet 1986 dat voorschrijft. 14.2.15. Beslag op illegale zaken Als voor beslag vatbare zaken worden aangetroffen waarvan in beginsel de vervaardiging, het bezit of het gebruik strafbaar is (of het vermoeden van strafbaarheid bestaat), kan de beslaglegging op de normale wijze doorgang vinden. Wel wordt direct of zo snel mogelijk na de beslaglegging de politie ingeschakeld om te bezien in hoeverre aanleiding bestaat om strafrechtelijke maatregelen te nemen. Hierbij geldt het bepaalde in artikel 14.1.12 van deze leidraad. Als geen strafrechtelijke maatregelen worden getroffen (de voormelde zaken worden niet verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer), dan moet de ontvanger contact opnemen met het college voordat maatregelen worden getroffen om tot executoriale verkoop van de inbeslaggenomen zaken over te gaan. 14.2.16. Bieden voor rekening van de gemeente en beslag roerende zaken Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de ontvanger een andere belastingdeurwaarder dan de deurwaarder die met de verkoop belast is, opdragen voor rekening van de gemeente te bieden. Daarnaast kan de ontvanger de belastingdeurwaarder opdracht geven om de executie plaats te laten vinden via internetveiling. De regels hiervoor dienen openbaar gemaakt te worden. 14.2.17. Opheffing van het beslag op roerende zaken Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de ontvanger dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot kenbaar gemaakt. Opheffing van het beslag op roerende zaken als bedoeld in artikel 445 Rv wordt altijd kenbaar gemaakt bij deurwaardersexploot. 14.2.18. Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken De ontvanger verhaalt de openstaande schuld waarvoor het beslag roerende zaken is gelegd op de executieopbrengst, inclusief de daarin begrepen omzetbelasting. Voordat de opbrengst op de openstaande schuld wordt afgeboekt, worden eerst de kosten van de executie verrekend. De ontvanger boekt de opbrengst van de executie vervolgens af met inachtneming van het bepaalde bij artikel 7 van deze leidraad. Als er andere schuldeisers zijn die beslag hebben gelegd of als er beperkt gerechtigden zijn van wie het recht door de executie is vervallen, dan wordt zoveel mogelijk getracht in der minne overeenstemming te bereiken over de toedeling van de netto-executieopbrengst. Als dat niet mogelijk blijkt, dan zijn de artikelen 481 en volgende Rv van toepassing. 14.2.19. Proces-verbaal van verkoop roerende zaken Als de belastingschuldige te kennen geeft dat hij een afschrift van het proces-verbaal van verkoop wenst, wordt hem dit zo spoedig mogelijk toegezonden, met dien verstande dat de namen en woonplaatsen van de kopers onleesbaar zijn gemaakt. 14.2.20. Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de ontvanger vraagt of een beslag nog ligt, dan verstrekt de ontvanger deze informatie tenzij het belang van de invordering zich daartegen verzet. 14.2.21 Relaas van onttrekking Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken (artikel 198 Sr) kan van dat feit op grond van artikel 162 Sv aangifte worden gedaan. De ontvanger beslist over de inzending van een relaas van onttrekking aan de officier van justitie. 14.3. Beslag op onroerende zaken 14.3.1. Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken Indien het beslag op een onroerende zaak mede omvat de in of op die zaak aanwezige bestanddelen of natuurlijke vruchten, geldt het volgende. De belastingdeurwaarder kan die bestanddelen of die vruchten wegvoeren om in bewaring te geven indien dit voor het behoud van die bestanddelen of vruchten noodzakelijk is. Het wegvoeren vindt niet plaats dan na daartoe verkregen toestemming van de ontvanger. Het bepaalde in artikel 14.2.9 is van overeenkomstige toepassing. 14.3.2. Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag op een onroerende zaak heeft gelegd, zal hij voor een nader opgekomen belastingschuld zoveel mogelijk opnieuw tot beslaglegging overgaan. In gevallen waarin de ontvanger zelf de eerste beslaglegger is, gaat hij altijd tot beslaglegging over voor vorderingen van derden waarvan de invordering aan hem is opgedragen. 14.3.3. Verhuurde of verpachte onroerende zaken De ontvanger die beslag op de onroerende zaak heeft laten leggen en tevens de huur of pacht wil incasseren, doet hiervoor zoveel mogelijk een vordering ex artikel 19 van de wet onder de huurder of pachter. Er wordt in zo’n geval dus niet gehandeld als bedoeld in artikel 507, derde lid, Rv. 14.3.4. Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken De ontvanger vraagt de notaris een afschrift van de veilingvoorwaarden die op de verkoop van toepassing zijn en hij treedt zo nodig in overleg over de inhoud van deze voorwaarden. In overleg met de notaris wordt in de voorwaarden van verkoop bepaald dat de kosten van executie, toewijzing en eventuele rangregeling door de executant zullen worden voldaan uit de koopprijs en dat het tekort – als de koopprijs niet toereikend mocht zijn – door de executant zal worden aangezuiverd. 14.3.5. Opheffing van het beslag onroerende zaken Van de opheffing van een beslag op een onroerende zaak wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de belastingschuldige. Als het beslag aan de huurder of pachter is betekend, ontvangt deze ook een schriftelijke mededeling. Ook wordt van deze opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de (eventuele) derde-eigenaar, aan alle (eventuele) hypotheekhouders en – indien van toepassing – aan de bewaarder. 14.4. Beslag onder derden 14.4.1. Beslag op vordering van een derde In de artikelen 475 en volgende Rv is de mogelijkheid gegeven ten laste van de belastingschuldige beslag te leggen onder een derde. Als blijkt dat – na het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring – de derde geen gelden of zaken onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te hebben gelegen. De ontvanger stelt de derde hiervan op de hoogte. Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de belastingschuldige toebehoort, dan wel op naam van die ander - bijvoorbeeld door een bank – wordt geadministreerd. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de echtgenoot met wie de belastingschuldige in gemeenschap van goederen is gehuwd. In dat geval wordt het derdenbeslag gelegd ten laste van de echtgenoot van de belastingschuldige, als de echtgenoot alleen gerechtigd is de vermogensbestanddelen te vorderen die onder het beslag vallen. In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de derde beslagene) dat zowel aan de belastingschuldige als aan de echtgenoot binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden betekend, moet de ontvanger zoveel mogelijk aangeven op welke gronden hij de vordering die op naam van de echtgenoot is geadministreerd, meent te kunnen uitwinnen ter verhaal van een vordering op de belastingschuldige. 14.4.2. Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van artikel 19 van de wet mogelijk is, kiest de ontvanger voor het doen van een vordering. 14.4.3. Roerende zaken bij derden Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige bevinden, wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 14.2.8 van deze leidraad. 14.4.4. Plaats beslaglegging en derdenbeslag Aan de nauwkeurige vermelding in het exploot van beslag van de naam en de eventuele rechtsvorm van de derde wordt bijzondere aandacht geschonken. De situatie kan zich voordoen dat de derde een hoofdkantoor heeft en een of meerdere bijkantoren. In dat geval legt de belastingdeurwaarder het beslag zoveel mogelijk bij het hoofdkantoor dan wel het filiaal of bijkantoor dat bemoeienis heeft met de gelden of zaken waarop verhaal wordt gezocht. In spoedeisende gevallen kan het beslag worden gelegd onder een ander filiaal of bijkantoor. De executant kiest in alle gevallen domicilie bij de belastingdeurwaarder. Als er aanleiding toe bestaat, kan de ontvanger de omvang van het beslag bij de beslaglegging beperken. Voor zover niet door een andere schuldeiser beslag is gelegd, kan de omvang ook op een later tijdstip nog worden beperkt. Van de beperking wordt in het beslagexploot of in een afzonderlijk geschrift aan de derde uitdrukkelijk melding gemaakt. 14.4.5. Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e dan wel artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen, dan past de ontvanger zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de beslagvrije voet toe als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv. 14.4.6. Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van verklaring De derde-beslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de ontvanger in gebreke gesteld als zeven kalenderdagen na de termijn van vier weken nog geen verklaring van hem is ontvangen. Hij wordt daarbij gesommeerd om onverwijld tot verklaring over te gaan. 14.4.7. Bij derdenbeslag niet afdragen na het doen van verklaring De derde beslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de ontvanger in gebreke gesteld als niet is overgegaan tot afdracht van de opeisbare geldsommen of tot het aan de belastingdeurwaarder ter beschikking stellen van de goederen en/of zaken binnen de termijn genoemd in de schriftelijke uitnodiging van de ontvanger aan de derde-beslagene. Hij wordt daarbij gesommeerd om binnen zeven kalenderdagen aan zijn verplichting te voldoen. 14.4.8. Afdracht binnen de vierwekentermijn bij derdenbeslag Een derde-beslagene kan binnen de termijn van vier weken verklaring doen van hetgeen hij onder zich heeft en de belastingdeurwaarder laten weten direct tot afdracht te willen overgaan. In dat geval deelt de ontvanger hem namens de belastingdeurwaarder mee – als er geen aanleiding bestaat de verklaring te betwisten – dat het beslag van rechtswege vervalt op het moment dat de door de derde-beslagene af te dragen geldsommen of ter beschikking te stellen goederen en/of zaken door de belastingdeurwaarder zijn ontvangen. 14.4.9. Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente Bij een derdenbeslag op een polis van een levens- of spaarverzekering of lijfrente geldt – naast de voorschriften in artikel 479l en volgende Rv – het volgende: De ontvanger stelt zich terughoudend op bij het leggen van derdenbeslag als er sprake is van een niet-bovenmatige oudedagsvoorziening; De ontvanger betrekt in zijn overwegingen de verhouding tussen de openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening van de polis. Bij de bepaling van de opbrengst houdt de ontvanger rekening met het feit dat een (voortijdige) afkoop of be