Beleidsregels Munitax 2018De ambtenaar, als bedoeld in artikel 231, tweede lid, aanhef en onderdelen b en c van de Gemeentewet, van de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen, gelet op het bepaalde in: Artikel 24 Wet WOZ; Artikel 1 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen van bovengenoemde gemeenten; Artikel 3 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van rioolheffing van bovengenoemde gemeenten; Artikel 4 en 12 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van reinigingsheffing van Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen; Artikel 3 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing van Berg en Dal; Artikel 2 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van hondenbelasting van bovengenoemde gemeenten met uitzondering van Berg en Dal; Artikel 3 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van reclamebelasting van Wijchen; Artikel 4 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en de invordering van reclamebelasting van Beuningen en Druten; Artikel 3 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van toeristenbelasting van Beuningen en Wijchen; Artikel 2 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en de invordering Van toeristenbelasting van Berg en Dal; Artikel 3 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en de invordering van baatbelasting riolering buitengebied van Heumen; Artikel 2 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en de invordering van forensenbelasting van Beuningen en Berg en Dal; Artikel 3 van de verordening welke betrekking heeft op de heffing en invordering van lijkbezorgingsrechten van Druten; Artikel 4 van de geldende verordening welke betrekking heeft op de heffing en de invordering van Bedrijveninvesteringszone van Berg en Dal en Heumen BESLUIT: vast te stellen de volgende beleidsregels: Beleidsregels Munitax 2018 bestaande uit: - Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen; - Incassoreglement; - Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuze situatie; - Beleidsregels voor het aanwijzen van een WOZ-belanghebbende in een keuze situatie; - Beleidsregels inzake het toekennen van ambtshalve verminderingen; - Beleidsregels toepassing Besluit proceskosten bestuursrecht; - Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Artikel1Inwerkingtreding en overgangsrecht Alle voorgaande vastgestelde beleidsregels voor de in de aanhef genoemde gemeenten betreffende: Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen; Incassoreglement; Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuze situatie; Beleidsregels voor het aanwijzen van een WOZ-belanghebbende in een keuze situatie; Beleidsregels inzake het toekennen van ambtshalve verminderingen; Beleidsregels toepassing Besluit proceskosten bestuursrecht; Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen worden ingetrokken met ingang van de onderstaande datum van inwerkingtreding van de nieuwe beleidsregels, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op de belastbare feiten die zich voor deze datum hebben voorgedaan. Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. Artikel2Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels Munitax 2018”. Aldus vastgesteld door de heffings- en invorderingsambtenaar van de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen, op 30 januari 2018.De heffings- en invorderingsambtenaar,Peter LogemannTeamleider Munitax1 Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 1 Artikel 1 Inleiding en toepassingsgebied 1 1.1 Inleiding 1 1.1.1 Lijst met gebruikte afkortingen 1 1.1.2 Definities 1 1.1.3 Reikwijdte beleidsvoorschriften 2 1.1.4 Aansprakelijkgestelden en andere derden 2 1.1.5 Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur 2 1.1.6 Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen 2 1.1.7 Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven 2 1.1.8 Voor de invordering minder geschikte dagen 3 1.1.9 Binnenkomst van bescheiden 3 1.1.10 Positie belastingdeurwaarder 3 1.1.11 Bewaren invorderingsbescheiden 3 1.1.12 Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen 3 1.1.13 Informatieplicht 4 1.1.14 Diplomatieke status 4 1.2 Toepassingsgebied 4 Artikel 2 Begrippen 4 2.1 Woonplaats 4 Artikel 3 Bevoegdheden ontvanger 4 3.1 Fiscale en civiele bevoegdheden 4 3.2 Conservatoir beslag 4 3.2.1 Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering 4 3.2.2 Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag 5 3.3 Gerechtelijke procedures – toestemming 5 3.3.1 Juridische bijstand 5 3.3.2 Toestemming 5 3.4 Rijksadvocaat 5 3.5 Faillissementsaanvraag 5 Artikel 4 Bevoegdheid belastingdeurwaarder 5 4.1 Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder 5 4.2 Bescherming 5 4.3 Legitimatie 5 Artikel 5 5 Artikel 6 Reikwijdte van de wet 5 6.1 Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet 5 Artikel 7 Betaling en afboeking 6 7.1 Tijdstip betaling 6 7.2 De afboeking van de betaling 6 7.3 Teveelbetaling 6 7.4 Rente en kosten bij afboeking betalingen 6 7.5 Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen 6 7.6 Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling is verleend 6 7.7 Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden 6 7.8 Betaling bij vergissing 7 7.9 Mededeling afboeking betaling 7 7.10 Betaling van kleine bedragen 7 7.11 Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en faillissement 7 Artikel 7a Uitbetaling van belastingteruggaven 7 7a.1. Aanwijzen bankrekeningnummer voor uitbetaling 7 7a.2. Controle van een aangewezen bankrekening op de tenaamstelling 7 7a.3. Uitbetalingsfouten 7 Artikel 7b Cessie- en verpandingsverbod uitbetalingen inkomstenbelasting 8 Artikel 8 Bekendmaking aanslag 8 8.1 Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties 8 8.2 Verzending aanslagbiljetten via PostNL 8 8.3 Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet 8 8.4 Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag 8 Artikel 9 Betalingstermijnen 8 9.1 Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen 8 9.2 Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven 8 9.3 Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn 8 9.4 Dagtekening aanslagbiljet 8 9.5 Begrippen bij betalingstermijnen 8 9.6 Verzuim ontvanger bij uitbetaling 8 9.7 Regeling betalingstermijnen 9 9.8 Automatische incasso 9 Artikel 10 Versnelde invordering 9 10.1 Reikwijdte versnelde invordering 9 10.2 Vrees voor verduistering en versnelde invordering 9 10.3 Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering 10 10.4 Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering 10 10.5 Beslag en versnelde invordering 10 10.6 Verkoop namens derden en versnelde invordering 10 10.7 Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering 10 Artikel 11 Aanmaning 10 11.1 De geadresseerde van de aanmaning 10 11.2 Aanmaning ten onrechte verzonden 10 11.3 Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning 10 11.4 Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning 10 11.5 Betalingsherinnering 10 11.6 Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg 11 Artikel 12 Dwangbevel 11 12.1 Onderwerp van het dwangbevel 11 12.2 Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel 11 Artikel 13 Betekening van het dwangbevel 11 13.1 Betekening dwangbevel per post 11 13.1.1 Adressering van per post betekende dwangbevelen 11 13.2 Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder 12 13.3 Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel 12 Artikel 14 Tenuitvoerlegging van het dwangbevel 12 14.1 Tenuitvoerlegging algemeen 12 14.1.1 Keuze van invorderingsmaatregelen 12 14.1.2 Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging 12 14.1.3 Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden 12 14.1.4 Volgorde van uitwinning bij beslag 13 14.1.5 Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken 13 14.1.6 Beslaglegging voor vordering van derden 13 14.1.7 Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden 13 14.1.8 Opheffing beslag tegen betaling door een derde 13 14.1.9 Opschorten van de executie 13 14.1.10 Onderhandse verkoop 13 14.1.11 Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop 13 14.1.12 Strafrechtelijk beslag 13 14.1.13 Invordering en ontnemingswetgeving 13 14.2 Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn 14 14.2.1 Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken 14 14.2.2 Domiciliekeuze en beslag roerende zaken 14 14.2.3 Aanbod van betaling en beslag roerende zaken. 14 14.2.4 Omvang van het beslag op roerende zaken 14 14.2.5 Beslag op roerende zaken van derden 14 14.2.6 Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken 14 14.2.7 Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger en beslag roerende zaken 14 14.2.8 Beslag roerende zaken bij derden 14 14.2.9 Wegvoeren van beslagen zaken 14 14.2.10 Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zware motorrijtuigen en beslag roerende zaken 15 14.2.11 Afsluiting en beslag roerende zaken 15 14.2.12 Bewaarder en beslag roerende zaken 15 14.2.13 Executoriale verkoop computerapparatuur 15 14.2.14 Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken 15 14.2.15 Beslag op illegale zaken 15 14.2.16 Bieden voor rekening van de gemeente en beslag roerende zaken 16 14.2.17 Opheffing van het beslag op roerende zaken 16 14.2.18 Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken 16 14.2.19 Proces-verbaal van verkoop roerende zaken 16 14.2.20 Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken 16 14.2.21 Relaas van onttrekking 16 14.3 Beslag op onroerende zaken 16 14.3.1 Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken 16 14.3.2 Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken 16 14.3.3 Verhuurde of verpachte onroerende zaken 16 14.3.4 Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken 16 14.3.5 Opheffing van het beslag onroerende zaken 16 14.4 Beslag onder derden 17 14.4.1 Beslag op vordering van een derde 17 14.4.2 Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 17 14.4.3 Roerende zaken bij derden 17 14.4.4 Plaats beslaglegging en derdenbeslag 17 14.4.5 Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt 17 14.4.6 Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van verklaring 17 14.4.7 Bij derdenbeslag niet afdragen na het doen van verklaring 17 14.4.8 Afdracht binnen de vierwekentermijn bij derdenbeslag 17 14.4.9 Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente 17 14.4.10 Retentierecht en derdenbeslag 18 14.4.11 Opheffing van het derdenbeslag 18 14.4.12 Onverschuldigde betaling en derdenbeslag 18 14.4.13 Derdenbeslag onder de Staat, de ontvanger of een openbaar lichaam en het doen van verklaring 18 14.4.14 Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf 18 14.5 Beslag op schepen 18 14.5.1 Beletten van het vertrek van het schip 18 14.5.2 De executie van schepen 18 14.5.3 Afgelasting van de verkoop van een schip 18 14.5.4 Deskundige hulp en beslag op schepen 18 14.5.5 Opheffing van het beslag op schepen 18 Artikel 15 19 Artikel 16 Doorlopend beslag 19 16.1 Voor 1 januari 2011 gelegde derdenbeslagen 19 Artikel 17 Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel 19 17.1 Schorsing van de invordering bij verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel 19 17.2 Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste adressering 19 Artikel 18 19 Artikel 19 Doen van een vordering 19 19.1 Vordering algemeen 19 19.1.1 Bekendmaking vordering 19 19.1.2 Voldoen aan de vordering 20 19.1.3 Niet voldoen aan de vordering 20 19.1.4 Intrekken van een vordering 20 19.1.5 Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag in relatie tot vordering 20 19.1.6 Doorbreken beslagverboden en vordering 20 19.1.7 Notoire wanbetaler en vordering 20 19.1.8 Vordering ten laste van de echtgenoot 20 19.2 De faillissementsvordering 20 19.2.1 Aan te melden schulden in faillissement 20 19.2.2 Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in faillissement 20 19.2.3 Opkomen in faillissement 21 19.3 Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen 21 19.3.1 Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen 21 19.3.2 Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen 21 19.3.3 Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen 21 19.3.4 Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije voet 21 19.3.5 Belastingschuldige woont in buitenland en beslag periodieke uitkering 21 19.3.6 Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet 22 19.3.7 Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm 22 19.3.8 Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf 22 19.4 Beslagvrije voet en overheidsvordering 22 Artikel 20 Lijfsdwang 22 Artikel 21 Voorrecht rijksbelastingen 22 Artikel 22 Bodemrecht 22 22.1 Werkingssfeer en reikwijdte bodemrecht 22 22.2 Bodemrecht en bestuurlijke boeten 23 22.3 Overbetekening bodembeslag 23 22.4 Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement 23 22.5 Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement 23 22.6 Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar 23 22.7 Bodemrecht en voorrang 23 22.8 Verzet en beroep 23 22.8.1 Verzet artikel 435, derde lid, Rv tegen bodembeslag 23 22.8.2 Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv inzake bodembeslag 23 22.8.3 Opschorting verkoop na verzet in rechte tegen bodembeslag 23 22.8.4 Beroepschrift ex artikel 22 van de wet 23 22.8.5 Beroepschriftprocedure ex artikel 22 van de wet 23 22.8.6 Taak van de ontvanger met betrekking tot beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet 23 22.8.7 Beslissing college op het beroepschrift tegen een bodembeslag 24 22.8.8 Onduidelijk bezwaar tegen bodembeslag 24 22.8.9 Samenloop administratief beroep en verzet tegen bodembeslag 24 22.8.10 Criteria voor de beslissing op het beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet 24 22.8.11 Beëindiging operationele leaseovereenkomst 24 22.8.12 Executie en bodemrecht 24 Artikel 22a, artikel 23 en artikel 23a 24 Artikel 24 Verrekening 24 24.1 Wanneer verrekening 24 24.1.1 Verrekening voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en beslagvrije voet 24 24.2 Betwiste schuld en verrekening 24 24.3 Reikwijdte van de verrekening 25 24.4 Bekendmaking verrekening 25 24.5 Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting 25 24.6 Instemmingsregeling bij cessie en verpanding 25 24.6.1 Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding 25 24.6.2 Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragen 25 24.6.3 Instemming of weigering met een cessie of verpanding 25 24.6.4 Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb 25 24.6.5 Bekendmaking beschikking college bij cessie of verpanding 25 24.6.6 Houding ontvanger bij procedure tegen weigeren instemming met cessie of verpanding 25 Artikel 25 Uitstel van betaling 26 25.1 Algemene uitgangspunten uitstelbeleid 26 25.1.1 Houding van de ontvanger tijdens behandeling verzoek om uitstel 26 25.1.2 Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling 26 25.1.3 Redenen afwijzing verzoek om uitstel 26 25.1.4 Redenen beëindigen uitstel 26 25.1.5 Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn 27 25.1.6 Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel 27 25.1.7 Geen invordering tijdens verleend uitstel 27 25.1.8 Na (afwijzen) uitstel tien dagen wachttijd 27 25.1.9 Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag 27 25.1.10 Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten 27 25.1.11 Uitstel voor een bestuurlijke boete 27 25.1.12 Tijdens uitstel nieuwe aanslagen voldoen 27 25.1.13 Zekerheid bij uitstel 27 25.1.14 Tijdstip indiening verzoek om uitstel 27 25.1.15 Verzoekschriften aan andere instellingen 28 25.2 Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag 28 25.2.1 Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag 28 25.2.2 Bezwaarschrift geldt niet als verzoek om uitstel; beroepschrift niet 28 25.2.3 De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling 28 25.2.4 Uitstel in verband met een onderlinge overlegprocedure 28 25.2.5 Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar 28 25.2.6 Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden belastingschuld 28 25.2.7 Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar 29 25.2.8 Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag 29 25.2.9 Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslag 29 25.3 Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag 29 25.4 Uitstel in verband met betalingsproblemen 29 25.4.1 Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen 29 25.4.2 Uitstel en motorrijtuigenbelasting 29 25.4.3 Verrekening tijdens een betalingsregeling 29 25.4.4 Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseance 29 25.5 Betalingsregeling voor particulieren 30 25.5.1 Duur betalingsregeling particulieren 30 25.5.2 Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren 30 25.5.3 Kort uitstel particulieren 30 25.5.4 Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren 30 25.5.5 Vermogen en betalingsregeling particulieren 30 25.5.6 Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren 30 25.5.7 Berekening betalingscapaciteit: bijzondere uitgaven 31 25.5.8 Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan derden 31 25.5.9 Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten 31 25.5.10 Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor 31 25.5.11 Betalingsregeling langer dan acht maanden 31 25.6 Betalingsregeling voor ondernemers 31 25.6.1 Duur betalingsregeling ondernemers 31 25.6.2 Voorwaarden betalingsregeling ondernemers 31 25.6.3 Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers 32 25.6.4 Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie 32 25.7 Administratief beroep 32 25.7.1 Toetsing uitstelbeschikking door het college 32 25.7.2 Beroepsfase uitstel 32 25.7.3 Beslissing college op beroepschrift bij uitstel 32 25.7.4 Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel 32 25.7.5 Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij de ontvanger 32 Artikel 26 Kwijtschelding van belastingen 32 26.1 Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid 33 26.1.1 Kwijtschelding van betaalde belastingschulden 33 26.1.2 Het indienen van een verzoek om kwijtschelding 33 26.1.3 Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om kwijtschelding 34 26.1.4 Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om kwijtschelding 34 26.1.5 Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden 34 26.1.6 Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding 34 26.1.7 Na afwijzen kwijtschelding veertien dagen wachttijd bij voortzetting invordering 34 26.1.8 Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding 34 26.1.9 Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend 34 26.1.10 Begrip 'ex-ondernemer' en kwijtschelding 35 26.1.11 Verzoekschriften aan andere instellingen 35 26.2 Kwijtschelding van belastingen voor particulieren 35 26.2.1 Vermogen en kwijtschelding particulieren 35 26.2.2 De inboedel en kwijtschelding particulieren 35 26.2.3 Het motorvoertuig en kwijtschelding particulieren 35 26.2.4 Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren 36 26.2.5 De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren 36 26.2.6 Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren 36 26.2.7 Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren 36 26.2.8 [Vervallen] 36 26.2.9 [Vervallen] 36 26.2.10 Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren 36 26.2.11 Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren 36 26.2.12 Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren 37 26.2.13 Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren 37 26.2.14 Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor particulieren 37 26.2.15 Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse belastingschulden 37 26.2.16 Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor particulieren 38 26.2.17 Kwijtschelding tijdens WSNP 38 26.2.18 [Vervallen] 38 26.2.19 Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de bijstandsuitkering 38 26.2.20 Onderhoud gezinsleden in het buitenland 38 26.3 Kwijtschelding van (privé) belastingschulden voor kleine zelfstandigen en ondernemers 38 26.3.1 Vermogen en kwijtschelding kleine zelfstandigen 38 26.3.2 De inboedel en kwijtschelding kleine zelfstandigen 38 26.3.3 Het motorvoertuig en kwijtschelding kleine zelfstandigen 38 26.3.4 Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 38 26.3.5 De eigen woning en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 39 26.3.6 Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 39 26.3.7 Nalatenschappen en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 39 26.3.8 Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 39 26.3.9 [Vervallen] 39 26.3.10 Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 39 26.3.11 Vakantiegeld en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 39 26.3.12 Studiefinanciering en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 39 26.3.13 Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 40 26.3.14 Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 40 26.3.15 Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse belastingschulden kleine zelfstandigen 40 26.3.16 Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor kleine zelfstandigen 40 26.3.17 Kwijtschelding tijdens WSNP kleine zelfstandigen 41 26.3.18 [Vervallen] 41 26.3.19 Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de bijstandsuitkering kleine zelfstandigen 41 26.3.20 Onderhoud gezinsleden in het buitenland kleine zelfstandigen 41 26.3.21 Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord 41 26.3.22 26.3.22. Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers 41 26.3.23 Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord 41 26.3.24 Toepassingsbereik saneringsakkoord 41 26.3.25 Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord 41 26.3.26 Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord 41 26.3.27 Rente en kosten en saneringsakkoord 41 26.3.28 Speciale crediteuren en saneringsakkoord 41 26.4 Administratief beroep 42 26.4.1 Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding 42 26.4.2 Herhaald verzoek om kwijtschelding 42 26.4.3 Beroepsfase kwijtschelding 42 26.4.4 Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding 42 26.4.5 Beslissing college op beroep bij kwijtschelding 42 26.4.6 Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding 42 26.4.7 Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding 43 26.4.8 Beslistermijn op het beroepschrift 43 26.5 Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding 43 26.5.1 Invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding 43 26.6 Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om kwijtschelding 43 26.7 Geautomatiseerde kwijtschelding 43 Artikel 27 Verjaring 43 27.1 Versnelde invordering en verjaring 43 27.2 Aansprakelijkgestelden en verjaring 44 27.3 Stuiting van de verjaring 44 27.4 Schorsing van de verjaring 44 27.5 Afstand van verjaring 44 27.6 Rente en kosten en verjaring 44 27.7 Na verjaring geen civiele invordering 44 Artikel 27a Betalingskorting 44 Artikel 28 Invorderingsrente 44 28.1 Cheque buitenland en invorderingsrente 44 28.2 Correctie berekende invorderingsrente 44 28.3 Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente 44 28.4 [Vervallen] 44 28.5 [Vervallen] 44 28.6 Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk 44 28.7 [Vervallen] 44 28.8 Drempelbedrag 44 28.9 28a, 28b en 28c 44 Artikel 29 45 Artikel 30 Beschikking betalingskorting en invorderingsrente 45 30.1 Beschikking terugnemen betalingskorting 45 30.2 Verzoek tot vermindering rente is bezwaar 45 30.3 Betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie 45 30.4 Teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van betaling 45 30.5 Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting 45 Artikel 31 en artikel 31a 45 Artikel 32 Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen 45 32.1 Keuze aansprakelijkheid 45 32.2 Gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid 45 Artikel 33 Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen 45 33.1 Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij aansprakelijkheid 46 33.2 Gemeenschapsschulden 46 33.3 Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid 46 33.4 Vereffenaar bij aansprakelijkheid 46 33.5 Bestuurder bij aansprakelijkheid 46 33.6 Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid 46 33.7 Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers 46 Artikel 34 tot en met 47 46 Artikel 48 Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen 46 48.1 Beneficiaire aanvaarding 46 48.2 Invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege 47 Artikel 49 Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling 47 49.1 Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete 47 49.2 Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente 47 49.3 De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn 47 49.3.1 Wanneer in gebreke 47 49.3.2 In gebreke zijn en versnelde invordering 47 49.3.3 In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere invorderingsmaatregelen’ 47 49.4 Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid 47 49.5 Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden 48 49.6 Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige 48 49.7 Volgorde van aansprakelijk stellen 48 49.8 Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling 48 49.8.1 Bezwaar en uitstel van betaling 48 49.8.2 [Vervallen] 48 49.9 Overgangsrecht 48 49.9.1 Bij civiele procedure geen invordering of verrekening 48 49.9.2 Wijziging eis 48 Artikel 51 Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid 48 51.1 Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar 48 Artikel 52 Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling 48 52.1 Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling 49 Artikel 53 Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding 49 53.1 Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld 49 53.2 Ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaarheid 49 Artikel 54 Mededeling aan de aansprakelijkgestelde 49 54.1 Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling 49 Artikel 55 tot en met 57 49 Artikel 58 Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde 49 58.1 Geen invorderingsonderzoek tijdens gerechtelijke procedure 49 58.2 Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden 49 58.3 Invorderingsonderzoek tijdens faillissement 49 Artikel 59 Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde 50 Artikel 60 Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen 50 60.1 Redelijke termijn voor verstrekken van informatie 50 60.2 Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen 50 Artikel 61 Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen 50 61.1 Niet van de administratie gescheiden (beroeps-) vertrouwelijke gegevens 50 Artikel 62 Informatieverplichtingen van de administratieplichtige 50 Artikel 62a 51 Artikel 63 en 63a 51 Artikel 63b Bestuurlijke boeten 51 63b.1. Algemene uitgangspunten 51 63b.2. Betalingsverzuim bij aanslagbelastingen 51 63b.3. Verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt 51 Artikel 63c en 64 51 Artikel 65 Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf 51 65.1 Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf 51 Artikel 65a en artikel 66 51 Artikel 67 Geheimhoudingsplicht 51 67a 52 67.1 Bekendmaking aan de belastingschuldige 52 67.2 Bekendmaking aan derden in het belang van de invordering 52 67.3 Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen 52 Artikel 68 tot en met 72 52 Artikel 73 Insolventieprocedures 52 73.1 Algemene uitgangspunten insolventieprocedures. 52 73.1.1 Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement 52 73.1.2 Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of faillissement 52 73.1.3 Boedelschulden 52 73.1.4 Proceskostengarantie 52 73.1.5 Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator 53 73.1.6 Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP 53 73.1.7 Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar 53 73.1.8 Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP 53 73.1.9 Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP 53 73.1.10 Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot faillissement en WSNP 53 73.1.11 Toeslagenschuld in relatie tot WSNP en faillissement 53 73.1.12 Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement 53 73.2 Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering 53 73.2.1 Kwijtschelding tijdens WSNP 53 73.2.2 De WSNP is beëindigd met een schone lei 53 73.2.3 De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is ingetrokken 53 73.2.4 De WSNP is tussentijds beëindigd 54 73.3 Insolventieprocedure en surseance 54 73.3.1 Uitstel en surseance 54 73.3.2 Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot surseance 54 73.4 Insolventieprocedure en faillissement 54 73.4.1 Faillissementsaanvraag: algemeen 54 73.4.2 Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag 54 73.4.3 Particulieren en faillissement 54 73.4.4 Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag 54 73.4.5 Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling faillissementsaanvraag door rechter 54 73.4.6 Toestemming voor faillissementsaanvraag 54 73.4.7 Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag 54 73.4.8 Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag 54 73.4.9 Verzet tegen faillietverklaring 55 73.4.10 Beroep op regresrecht in faillissement 55 73.4.11 Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement 55 73.4.12 Opkomen in faillissement 55 73.4.13 Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement 55 73.4.14 Na de toepassing van het faillissement 55 73.4.15 Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure 55 73.4.16 Omzetting faillissement in WSNP 55 73.5 Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door leden van de NVVK of gemeenten 55 73.5.1 Voorwaarden voor MSNP 55 73.5.2 Opschorten invorderingsmaatregelen na verzoek MSNP 56 73.5.3 Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen 56 73.5.4 Houding ontvanger tijdens uitstel MSNP 56 73.5.5 Intrekken uitstel gedurende MSNP 56 73.5.6 De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP 56 73.5.7 Na de toepassing van de MSNP 57 73.5a Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten 57 73.6 Insolventieprocedures en akkoorden 57 73.6.1 Buitengerechtelijk akkoord 57 73.6.2 Vervallen 57 73.6.3 Gevolgen buitengerechtelijk akkoord 57 73.6.4 Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord 57 73.6.5 Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord 58 73.6.6 Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord 58 73.6.7 Schuldig nalatig en (buiten)gerechtelijk akkoord 58 73.6.8 Gevolgen dwangakkoord 58 73.6.9 Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord 58 73.7 Wettelijk breed moratorium 58 Artikel 74 Uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteiten 58 Artikel 75 Kosten van vervolging 58 75.1 Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten 58 75.2 Aan derden toekomende bedragen 58 75.3 Rechtsmiddelen en vervolgingskosten 59 75.4 Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar 59 75.5 Niet in rekening brengen van vervolgingskosten 59 75.6 Onverschuldigdheid van vervolgingskosten 59 75.7 Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten 60 75.8 Versnelde invordering en vervolgingskosten 60 75.9 Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten 60 75.10 Geen kwijtschelding van vervolgingskosten 60 75.11 Limitering betekeningskosten dwangbevel 60 Artikel 76 tot en met 79 60 Artikel 80 Invordering en Awb 60 80.1 Tenuitvoerlegging termijndwangbevel 60 80.2 Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen 60 2Incassoreglement61 Artikel 1 Begripsomschrijving 61 Artikel 2 Deelname aan automatische incasso 61 Artikel 3 Aanvang 61 Artikel 4 Termijnbedrag 61 Artikel 5 Tijdstip van afschrijven Artikel 6 Ontbindende voorwaarden Artikel 7 Overlijden Artikel 8 Scheiding e.d. en verhuizing Artikel 9 Wijziging bankrekeningnummer Artikel 10 Terugstorting Artikel 11 Beëindiging automatische incasso 3Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuze situatie Artikel 1 Inleiding Artikel 2 Voorkeursvolgorde 4Beleidsregels voor het aanwijzen van een WOZ-belanghebbende in een keuze situatie Artikel 1 Inleiding Artikel 2 Voorkeursvolgorde 5Beleidsregels inzake het toekennen van een ambtshalve vermindering Artikel 1 Reikwijdte en definities Artikel 2 Gevallen waarin ambtshalve vermindering wordt verleend Artikel 3 Uitzonderingen Artikel 4 Jurisprudentie en beleidsbesluiten 65 Artikel 5 Mededeling van afwijzing 65 Artikel 6 Algemene toelichting 65 6Beleidsregels toepassing Besluit proceskosten bestuursrecht67 Artikel 1 Artikel 1 Noodzaak kosten 67 Artikel 2 Wegingsfactor wegens zwaarte 67 Artikel 3 Afwijking wegingsfactor 67 Artikel 4 Deskundigenkosten 67 6.1 Toelichting op de Beleidsregel toepassing wegingsfactoren 67 6.2 Richtlijn uniforme toepassing vaststellen aantal uren en uurvergoeding taxatiekosten 68 7Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen69 Artikel 1 Algemene bepaling 69 Artikel 2 Aangifte 69 Artikel 3 Gebruik nachtverblijfregister ten behoeve van de heffing van toeristenbelasting 69 Artikel 4 Voorlopige aanslag 69 Artikel 5 Rente 69 Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Toelichting vooraf Voor de indeling in artikelen en subartikelen is aangesloten bij de Rijksleidraad. Sommige artikelen uit de Invorderingswet 1990 en onderdelen van de Rijksleidraad treft u echter niet aan. Reden hiervoor is dat deze onderdelen en artikelen niet van toepassing zijn voor gemeenten. Dit is aangegeven met de opmerking: ‘Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. Wij hebben dit gedaan om de nummering van de originele Rijksleidraad niet te veranderen. De (halfjaarlijkse) wijzigingen van het Ministerie van Financiën kunnen dan sneller gevonden en veranderd worden. Wie stelt de Leidraad binnen de gemeente vast? Uit de wet blijkt niet wie binnen de gemeente de Leidraad moet vaststellen. De Rijksleidraad is vastgesteld door de staatssecretaris van Financiën. Het betreft hier een bevoegdheid die intern door de minister aan de staatssecretaris is overgedragen. Met de inwerkingtreding van de aanpassingswetgeving derde tranche Algemene wet bestuursrecht (1 januari 1998) wordt ‘de minister’ in de Gemeentewet vertaald met 'het college'. Wij stellen ons op het standpunt dat de Leidraad invordering gemeentelijke belastingen ertoe strekt het invorderingsbeleid te formuleren en te formaliseren. De Leidraad moet als zodanig worden vastgesteld door hetzij degene aan wie de bevoegdheid is geattribueerd, dat is de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen (artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet ), hetzij degene onder wiens bestuursverantwoordelijkheid de bevoegdheid wordt uitgeoefend, dat is het college (artikel 160 van de Gemeentewet) Daarnaast kan het college op grond van artikel 10:22 Awb per geval of in het algemeen instructies aan de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen geven. De vraag in dit verband is of het college bestuursverantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van de invordering of de gemeenteraad. Voor de gemeenteraad pleit dat dit orgaan de regels vaststelt (de organisatieverordening) op grond waarvan de aanwijzing van de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen moet plaatsvinden. De daadwerkelijke benoeming van de betrokken ambtenaar vindt echter plaats door het college. Gelet op het voorgaande zouden zowel de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen, als het college als de gemeenteraad bevoegd zijn tot het vaststellen van beleidsregels betreffende de invordering. Wel zouden deze regels naar de mate waarin de afstand tot de uitvoering groter is, zich meer moeten beperken tot algemene aanwijzingen en algemene instructies. Alles afwegend gaat de voorkeur uit naar de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen die de Leidraad vaststelt. Artikel 1Inleiding en toepassingsgebied Dit artikel bevat de inleiding van de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen 2017 voor de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen (hierna: Munitax) en het beleid over het toepassingsgebied zoals opgenomen in artikel 1 van de Invorderingswet 1990. 1.1 Inleiding Voor u ligt de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen 2017 van Munitax. Net als de Leidraad Invordering 2008 van het Rijk 1 (hierna: Rijksleidraad) bevat de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen enkel beleidsregels. Werkinstructies zijn niet opgenomen. Bij de opmaak van deze leidraad is aansluiting gezocht bij de Rijksleidraad. Het is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk zijn bepalingen toegevoegd of aangepast aan de gemeentelijke situatie. 1.1.1 Lijst met gebruikte afkortingen Afkorting Omschrijving Awb Algemene wet bestuursrecht Awir Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen AWR Algemene wet inzake rijksbelastingen BW Burgerlijk Wetboek FW Faillissementswet MSNP Minnelijke schuldsanering natuurlijke personen Pw Participatiewet Rv Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Sr Wetboek van Strafrecht Sv Wetboek van Strafvordering WSF Wet Studiefinanciering 2000 WSNP Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen 1.1.2 Definities belasting(en): belastingen die door de gemeente worden geheven; belastingdeurwaarder: de daartoe door het college aangewezen gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet ; besluit (het): het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente; hoger beroep: hoger beroep bij een gerechtshof dan wel, als beroep in cassatie bij de Hoge Raad in ingesteld, cassatieberoep; echtgenoot: de echtgenoot, bedoeld in artikel 3 Wwb ; inspecteur: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet , met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de inspecteur; ondernemer: de belastingschuldige die een onderneming drijft of zelfstandig een beroep uitoefent; ontvanger: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet , met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de ontvanger; particulier: de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt aangemerkt; regeling (de): de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 ; wet (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen (Invorderingswet 1990 ). Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde verstaan als de wet daaronder verstaat. 1.1.3 Reikwijdte beleidsvoorschriften Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 1.1.4 Aansprakelijkgestelden en andere derden De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de invordering met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de leesbaarheid is vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften te beperken. 1.1.5Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur De ontvanger handelt bij de invordering zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en het Besluit Fiscaal bestuursrecht, ondanks het feit dat artikel 3:40 , titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing zijn op de wet. Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de wet, de regeling of deze leidraad anders bepaalt. Voor beschikkingen op aanvraag geldt daarom een termijn van acht weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door een redelijke termijn te noemen (zie artikel 4:13, 4:14 en 4:15 Awb). Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het beslissen op beroepschriften bij administratief beroep geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:24 Awb). Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel 4:17 Awb). Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen: bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet ; bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet ; bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen ; bezwaarschriften tegen beschikkingen kostenvergoeding bij een onrechtmatig opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de wet; bezwaarschriften tegen beschikkingen bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 63b van de wet. Een andere bepaling uit de Awb die van toepassing is bij invordering is artikel 4.84 Awb . Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken van de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad. Dit is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de leidraad dient. Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb . Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent onder meer dat als de belastingschuldige in een verzoek aan de gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, de ontvanger de belastingaanslag marginaal toetst. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer open staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in verband met termijnoverschrijding. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de ontvanger voor een dergelijke aanslag geen invorderings-maatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven begrepen. Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich beperkt tot feiten die de ontvanger bekend zijn op het moment dat hij tot invordering overgaat. De verrekening van een belastingaanslag waarvan is gebleken dat die in materiële zin niet verschuldigd is met een belastingteruggave wordt niet ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek daartoe heeft plaatsgevonden binnen één maand nadat de verrekening is bekendgemaakt. 1.1.6Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de gemeente de voorkeur. 1.1.7Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen wetende dat die het voortbestaan kunnen bedreigen van een bedrijf, dan vraagt hij daartoe toestemming van het college. Onder een bedrijf wordt in dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep. Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de ontvanger op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel onwetend blijven. De ontvanger vraagt altijd toestemming als: met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de activa van het bedrijf wordt beoogd; door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of nagenoeg geheel worden vastgelegd; derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het geval is bij derdenbeslag; de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door die schuldeiser. 1.1.8Voor de invordering minder geschikte dagen De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die maatregelen zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven. Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot de privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als de ontvanger een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid van de wet terstond invordert. Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name: - De Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, de vijfde mei en de Goede Vrijdag, alee met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag; - Regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag; - De dagen tussen de beide Kerstdagen en Nieuwjaarsdag. 1.1.9Binnenkomst van bescheiden Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van binnenkomst van die stukken de datum van binnenkomst bij de gemeente. Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van derden. 1.1.10Positie belastingdeurwaarder Belastingdeurwaarder is een door of namens het college aangewezen ambtenaar van de gemeente, dan wel een als belastingdeurwaarder van de gemeente aangewezen deurwaarder. In de uitoefening van zijn functie is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de ontvanger). Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die handelingen dient. Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in welke hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden om hetgeen hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld - in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in verband daarmee - verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de heffing van enige rijksbelasting. De leiding van de invordering berust steeds in handen van de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die hij rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering , slechts uitoefent nadat hij daartoe een opdracht van de ontvanger heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen. Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om een klacht in te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens hem of een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de ontvanger in wiens opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam is. 1.1.11Bewaren invorderingsbescheiden De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt nog niet is verjaard. De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. 1.1.12Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen Op verzoek van de belastingschuldige of zijn gemachtigde geeft de ontvanger een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen of andere vorderingen openstaan waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen. Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het verleden - voor wat betreft de invordering - geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden. De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de belastingschuldige blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is. 1.1.13Informatieplicht De ontvanger maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is betaald binnen de betalingstermijn(
- en)die voor de belastingaanslag gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige betaling plaatsvindt. De ontvanger kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan komen. 1.1.14Diplomatieke status De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken. De ontvanger richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot: Ministerie van Buitenlandse Zaken Directie Kabinet en Protocol Postbus 20061 2500 EB ’s-Gravenhage 1.2Toepassingsgebied Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel van de Awb niet van toepassing is op de wet. De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en het Besluit fiscaal bestuursrecht (zie ook artikel 1.1.5 van deze leidraad). Artikel 2Begrippen In aansluiting op artikel 2 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over het begrip 'woonplaats'. 2.1Woonplaats De begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' hebben bij de uitvoering van de wet niet steeds dezelfde inhoud. Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering , sluit de ontvanger aan bij het begrip 'woonplaats' als bedoeld in de artikelen 1:10 en volgende van het BW. Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk VI van de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' die gelden voor de gemeentelijke verordening op grond waarvan de belastingschuld - waarvoor de aansprakelijkheid bestaat - is ontstaan. Artikel 3Bevoegdheden ontvanger Artikel 3 van de wet geeft een afbakening van de bevoegdheden van de ontvanger. De ontvanger treedt in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak als zodanig in rechte op (artikel 3, tweede lid). De bepalingen van deze leidraad zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de invordering op civielrechtelijke wijze. Dat het bestuursorgaan ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden beschikt die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft is thans geregeld in artikel 4:124 Awb ). In aansluiting op artikel 3 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de fiscale en civiele bevoegdheden van de ontvanger; het leggen van conservatoir beslag; het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures; de Rijksadvocaat; Faillissementsaanvraag. 3.1Fiscale en civiele bevoegdheden De ontvanger beschikt op grond van de wet over diverse specifieke bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft hij alle bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de ontvanger zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale bevoegdheden, als van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden om zijn doel te bereiken. De ontvanger is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die hij het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Als de ontvanger het wenselijk of noodzakelijk acht van fiscale bevoegdheden over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, dan doet hij dit alleen als het belang van de invordering opweegt tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden. 3.2Conservatoir beslag Om de rechten van de gemeente veilig te stellen heeft de ontvanger naast de versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen. Feiten en omstandigheden bepalen de keuze van de ontvanger. 3.2.1Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor verduistering van de goederen niet aanwezig acht, dan legt de ontvanger niet alsnog om dezelfde reden executoriaal beslag op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet. 3.2.2Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, vraagt de ontvanger slechts verlof om conservatoir beslag te leggen aan de voorzieningenrechter als de belasting in redelijkheid materieel verschuldigd geacht mag worden. Het opleggen van de belastingaanslag wordt beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid Rv . 3.3Gerechtelijke procedures – toestemming 3.3.1Juridische bijstand Op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet treedt de ontvanger zelfstandig in rechte op in rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van: beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR ; hoger beroepsprocedures op grond van artikel 27h AWR ; (hoger) beroepsprocedures op grond van artikel 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen; kantonzaken; kort gedingprocedures, indien de ontvanger gedaagde is. 3.3.2Toestemming In gerechtelijke procedures voor de burgerlijke rechter waarin de ontvanger als eiser optreedt, moet hij toestemming hebben van het college. Het voorgaande geldt niet voor: verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen; kantonzaken; verzoekschriftprocedures; procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid , of artikel 708, tweede lid, Rv. In afwijking van de vorige volzin geldt voor in hoger beroep te voeren zaken dat altijd toestemming van het college nodig is. 3.4Rijksadvocaat Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 3.5Faillissementsaanvraag Bij een faillissementsaanvraag wordt vooraf toestemming gevraagd aan het college. Dit geldt ook bij een eventuele steunvordering voor het aanvragen van een faillissement. Artikel 4Bevoegdheid belastingdeurwaarder Artikel 4 van de wet bepaalt dat voor het verrichten van deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van een ontvanger voor de invordering van (rijks) belastingen, uitsluitend een belastingdeurwaarder bevoegd is. In aansluiting op artikel 4 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de reikwijdte van die bevoegdheid. 4.1Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden met de invorderingstaak en de hieruit voortvloeiende bevoegdheden van de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke weg, waartoe de ontvanger op grond van artikel 4:124 van de Awb gerechtigd is en tot die werkzaamheden die verricht moeten worden, wanneer de ontvanger zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt. 4.2Bescherming Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180 Sr . Daardoor genieten zij strafrechtelijke bescherming, voor zover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen. 4.3Legitimatie Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de belastingdeurwaarder op verzoek zich legitimeren aan de belastingschuldige en/of zijn/haar gemachtigden. Artikel 5 Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. Artikel 6Reikwijdte van de wet Artikel 6 van de wet bepaalt dat de wet ook van toepassing is op: de rente; de kosten. In aansluiting op artikel 6 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over rente en kosten. 6.1Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. Artikel 7Betaling en afboeking Artikel 7 van de wet schrijft voor hoe de toerekening van betalingen plaats moet vinden: Lid 1 bepaalt dat toerekening van betalingen achtereenvolgens gebeurt aan de kosten, de betalingskorting, de rente en de belastingaanslag; Lid 2 bepaalt hoe de afboeking aan de verschillende componenten van de belastingaanslag plaatsvindt; In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: het tijdstip van de betaling; de afboeking van de betaling; teveelbetalingen; het rekenen van rente en kosten bij afboeking; het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen; de afboeking van de betaling op de bestuurlijke boete; de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden; betaling bij vergissing; betaling van kleine bedragen; ontvangen bedragen uit de wettelijke saneringsregeling en faillissement. 7.1Tijdstip betaling Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van de gemeente; Bij betaling bij een bank of betaaldienstverlener door middel van storting van contant geld of door middel van storting met een pinpas, geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgens op de dag van de storting of pin-transactie Bij rechtstreekse betaling aan de gemeente door middel van een pin- of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling; Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van -ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik; Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling; Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald als tijdstip van betaling. 7.2De afboeking van de betaling Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen: Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen; Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken; Als de ontvanger ook de invordering van gemeentelijke belastingen ten behoeve van een andere gemeente uitvoert, is het bovenstaande van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verdeling van de gelden naar rato van de grootte van de belastingschuld plaatsvindt. 7.3Teveelbetaling Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere belastingaanslagen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en dienovereenkomstig behandeld. 7.4Rente en kosten bij afboeking betalingen Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. Onder rente als bedoeld in artikel 7 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. 7.5Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag worden toegerekend aan een van de belastingaanslagen waarvoor de kosten zijn gemaakt. 7.6Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling is verleend Als sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag vastgestelde bestuurlijke boete, vindt toerekening uitsluitend plaats aan de belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep). Als echter - ondanks dit uitstel - zoveel wordt betaald dat er na afboeking op de belasting nog een bedrag overblijft, dan wordt dit bedrag afgeboekt op de bestuurlijke boete. Als op de bestuurlijke boete is afgeboekt en de bestuurlijke boete wordt alsnog aangevochten, dan blijven de afboekingen gehandhaafd. 7.7Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde, worden eerst de vervolgingskosten afgeboekt die aan de aansprakelijkgestelde zelf in rekening zijn gebracht. Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag - waarbij artikel 7 van de wet wel van toepassing is - echter met dien verstande dat de invorderingsrente en kosten die op die aanslag zelf betrekking hebben alleen worden afgeboekt indien en voor zover men hiervoor aansprakelijk is gesteld. Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden schriftelijk in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de betaling door de aansprakelijkgestelde. 7.8Betaling bij vergissing Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van een evidente vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt bijzondere voorzichtigheid betracht. Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en invordering niet zonder meer opnieuw kan plaatshebben. In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij voor de ontvanger wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de schuld te gelegener tijd op juiste wijze zal worden voldaan. Indien een bedrag wordt betaald als gewetensgeld, wordt dit gezien als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Terugbetaling vindt dan niet plaats. 7.9Mededeling afboeking betaling De ontvanger stelt de belastingschuldige van de afboeking van een betaling waarbij invorderingsrente of invorderingskosten in rekening is gebracht schriftelijk op de hoogte, tenzij het een slotbetaling betreft op een belastingaanslag waarbij geen kosten en rente worden afgeboekt. Een kennisgeving blijft achterwege als betaling plaatsvindt op grond van een machtiging tot automatische afschrijving en daarbij geen vervolgingskosten worden afgeboekt. 7.10Betaling van kleine bedragen Betalingen van belastingaanslagen in kleinere bedragen dan die van de termijnen worden niet geweigerd, tenzij dit door ontvanger aangemerkt wordt als nodeloze overlast. In dat geval treedt hij in contact met de belastingschuldige om de betalingswijze aan te passen. 7.11Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en faillissement Uit de wettelijke schuldsaneringsregeling of uit een faillissement ontvangen bedragen dienen steeds te worden afgeboekt overeenkomstig de gegevens van de uitdelingslijst, met in achtneming van artikel 7.2 van deze leidraad. Artikel 7a Uitbetaling van belastingteruggaven Artikel 7a van de wet regelt de wijze waarop de ontvanger bedragen uitbetaalt. Op grond van artikel 4:89, eerste lid, Awb dient een schuldenaar te betalen op een daartoe door de schuldeiser bestemde bankrekening. Het komt in de praktijk echter regelmatig voor dat een belastingschuldige aan wie de ontvanger een bedrag moet betalen, geen bankrekening(nummer) heeft aangewezen waarop de betaling moet plaatsvinden. Wanneer zich een dergelijke situatie voordoet, regelt artikel 7a van de wet dat de ontvanger betaalt op een bankrekening die op naam van de belastingschuldige staat. In aansluiting op artikel 4:89 Awb en artikel 7a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de aanwijzing van het rekeningnummer voor uitbetaling; uitbetalingsfouten. 7a.1. Aanwijzen bankrekeningnummer voor uitbetaling De aanwijzing door de belastingschuldige vindt in beginsel plaats op het verzoek in verband waarmee het desbetreffende uit te betalen bedrag wordt vastgesteld. Als de belastingschuldige niet reageert op het schriftelijk ter verificatie aanbieden van het bij de Gemeente bekende bankrekeningnummer door de gemeente, geldt dit ook als aanwijzing. Als de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met betrekking tot hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort uit te betalen bedrag een ander bankrekeningnummer aanwijst, dan wordt laatstbedoeld bankrekeningnummer geacht ook te zijn aangewezen voor het doen van uitbetalingen voortvloeiend uit eerdere aangiften of verzoeken. Aanwijzing moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk plaatsvinden en wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee redelijkerwijze bij de uitbetaling rekening kan worden gehouden. 7a.2. Controle van een aangewezen bankrekening op de tenaamstelling Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 7a.3. Uitbetalingsfouten Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een andere rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem is aangewezen, dan moet de ontvanger in beginsel opnieuw uitbetalen. De ontvanger verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag eerst wordt gerestitueerd. Hernieuwde uitbetaling vindt direct plaats als de belastingschuldige aantoont dat: hij tijdig vóór de uitbetaling bij de ontvanger heeft aangegeven dat de uitbetaling niet meer op de desbetreffende rekening moet geschieden, en hij niet over het uitbetaalde bedrag kan beschikken omdat de bankinstelling heeft aangegeven dat de rekening waarop de uitbetaling heeft plaatsgevonden, geblokkeerd is. Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan, zal de ontvanger het aldus teveel betaalde bedrag vervolgens terugvorderen uit ongerechtvaardigde verrijking. Uitbetalingsfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing door de belastingschuldige, blijven voor diens rekening. De ontvanger beroept zich in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (artikel 6:34 BW ). Desgevraagd wordt de belastingschuldige op de hoogte gesteld omtrent de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd is betaald. Artikel 7b Cessie- en verpandingsverbod uitbetalingen inkomstenbelasting Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. Artikel 8Bekendmaking aanslag Artikel 8 van de wet regelt dat de ontvanger de belastingaanslag bekend maakt door toezending of uitreiking aan de belastingschuldige. De belastingschuldige is de belastingaanslag in zijn geheel verschuldigd. In aansluiting op artikel 8 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties; de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet; het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan erfgenamen. 8.1Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met dien verstande dat: aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde aan de curator worden gezonden; ingeval van faillissement het aanslagbiljet aan de curator wordt gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt dan wel een boedelschuld vormt; als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan de wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als bekend is dat verzending aan de belastingschuldige zelf al eerder problemen heeft opgeleverd; aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend is dat hij is overleden, worden gezonden aan de executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen. 8.2Verzending aanslagbiljetten via PostNL [Vervallen per 1 juli 2012] 8.3Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt van hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de belasting materieel is verschuldigd. 8.4Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijk termijn te voldoen. Artikel 9Betalingstermijnen Artikel 9 van de wet regelt binnen welke betalingstermijnen belastingaanslagen moeten worden betaald. In aansluiting op artikel 9 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de afwijking van de betalingstermijnen bij voorlopige aanslagen; de afwijking van de betalingstermijn bij voorlopige teruggaven; de uitbetaling van een voorlopige teruggave in één termijn; de dagtekening van het aanslagbiljet; het begrip maand bij betalingstermijnen. regeling betalingstermijnen automatische incasso 9.1Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 9.2Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 9.3Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 9.4Dagtekening aanslagbiljet De dagtekening van het aanslagbiljet wordt zodanig bepaald dat de belastingschuldige het biljet op de dag van de dagtekening ontvangt. 9.5Begrippen bij betalingstermijnen Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op twee maanden, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van twee maanden vervalt op 31 december. Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van twee maanden op 30 april. Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn twee maanden later op de dag die hetzelfde nummer heeft als dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15 maart is, vervalt de termijn dus op 15 mei. 9.6Verzuim ontvanger bij uitbetaling Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de wet wordt onder het begrip ‘invorderen van rijksbelasting’ mede verstaan het betalen van een terug te geven bedrag aan belastingen. Op grond van deze definitie is de betalingstermijn voor een belastingaanslag zoals vastgelegd in de gemeentelijke belastingverordening, of bij ontbreken daarvan in artikel 9, eerste lid, van de wet, ook van toepassing op de uitbetaling van een belastingteruggaaf. Hieruit volgt dat de ontvanger niet in verzuim is met de uitbetaling van een belastingteruggaaf zolang die binnen deze betalingstermijn plaats vindt. 9.7Regeling betalingstermijnen De gemeente heeft voor iedere belastingsoort de betalingstermijn(
- en)in de belastingverordening geregeld. Is in de belastingverordening niets geregeld, dan zijn de betalingstermijnen uit de wet van toepassing. In aansluiting op artikel 9, tiende lid, van de wet wordt de Algemene Termijnenwet in beide gevallen niet van toepassing verklaard. Op elke belastingaanslag wordt (worden) de betalingstermijn(
- en)aangegeven. Uiterlijk op die datum moet de belastingschuldige de aanslag (of het evenredige deel ervan bij meerdere termijnen) hebben betaald. 9.8Automatische incasso Onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde belastingaanslagen is het mogelijk de aanslag(
- en)te voldoen via een automatische incasso. Hiervoor heeft de heffingsambtenaar een incassoreglement vastgesteld. Bij automatische incasso wordt de belastingschuldige (een) afwijkende, ruimere, betalingstermijn(
- en)toegestaan. Artikel 10Versnelde invordering Artikel 10, eerste lid, van de wet geeft een limitatieve opsomming van bijzondere situaties waarin de ontvanger met doorbreking van de in artikel 9 van de wet voorgeschreven betalingstermijnen een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag kan invorderen. Artikel 10, tweede en derde lid, van de wet bevatten uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de toepassing van deze versnelde invordering. In aansluiting op artikel 10 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de reikwijdte van de versnelde invordering; de vrees voor verduistering; het metterwoon verlaten van Nederland; geen vaste woonplaats in Nederland; als er al beslag ligt; de verkoop namens derden; de vordering ex artikel 19. 10.1Reikwijdte versnelde invordering Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde invordering (als bedoeld in artikel 10 van de wet) over te gaan, dan vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de ontvanger op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is uitgereikt of verzonden - maar voordat de belastingaanslag (geheel) invorderbaar is - deelt de ontvanger de belastingschuldige schriftelijk mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaart en dat de op het aanslagbiljet vermelde betalingstermijnen niet meer gelden. Hij doet dit eveneens onder opgave van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling behoord. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 van de wet wordt overgegaan - als sprake is van direct contact met de belastingschuldige - deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te betalen. Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend - maar voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) - vermeldt de ontvanger op het beslagexploot of op een aparte schriftelijke kennisgeving: artikel 15 in combinatie met artikel 10, eerste lid, van de wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel. Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de tweedagentermijn die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er hoeft geen nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige wordt - als sprake is van direct contact met laatstgenoemde - eerst in de gelegenheid gesteld om onmiddellijk te betalen. Een belastingaanslag die op grond van artikel 10, eerste lid, van de wet terecht geheel opeisbaar is geworden, blijft geheel opeisbaar ook al zouden de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent de ontvanger in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met de betalingstermijn(
- en)die normaal zou(den) gelden. 10.2Vrees voor verduistering en versnelde invordering Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake, als de ontvanger aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen. De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van de belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door gedragingen van derden (bijvoorbeeld crediteuren), die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd. Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde beslaglegging blijkt dat deze uitsluitend van een derde zijn, is niet voldaan aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet en is het beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden opgeheven maar de ontvanger moet de betrokkenen wel informeren over het feit dat er geen beslag ligt. 10.3Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de belastingschuldige van plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de ontvanger - alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de wet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren - er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn niet meer verhaald kan worden op goederen van de belastingschuldige die zich in Nederland bevinden. 10.4Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zich geen reden voor de ontvanger om de belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er moet een situatie bestaan waarin de ontvanger er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald. 10.5Beslag en versnelde invordering Nadat de ontvanger verhaalsbeslag heeft doen leggen op bepaalde goederen, zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige - waaronder hier wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen - dadelijk en ineens invorderbaar. 10.6Verkoop namens derden en versnelde invordering Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van
- de)executoriale verkoop, zodat de ontvanger op deze grond niet eerder maatregelen kan treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal plaatshebben. 10.7Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering De ontvanger mag geen vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet doen, enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar wordt. Als de ontvanger met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien worden andere belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die aanslagen tot het volle bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe aanslagen nog niet zijn verstreken. Artikel 11Aanmaning Artikel 11 van de wet regelt dat als een belastingaanslag niet binnen de daartoe gestelde termijnen wordt betaald, de ontvanger overgaat tot vervolging van de belastingschuldige door de verzending van een aanmaning. In aansluiting op artikel 11 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de geadresseerde van de aanmaning; als de aanmaning ten onrechte is verzonden; het achterwege laten van tussentijdse vervolging; de gedeeltelijke voldoening na aanmaning; de betalingsherinnering; de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg. 11.1De geadresseerde van de aanmaning De ontvanger zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is verzonden of uitgereikt. Als naderhand blijkt dat de ontvanger de vervolging voort moet zetten voor een belastingschuldige die minderjarig is of onder curatele staat, dan zendt de ontvanger alsnog een aanmaning naar het adres van de wettelijke vertegenwoordiger. Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de ontvanger de aanmaning naar de gezamenlijke erfgenamen. Als de ontvanger weet dat de nalatenschap al is verdeeld, dan zendt hij een aanmaning aan iedere erfgenaam afzonderlijk. 11.2Aanmaning ten onrechte verzonden Als een belanghebbende zich tot de ontvanger wendt met de mededeling dat hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de vervolging niet voortgezet voordat dit is opgehelderd. Als de ontvanger concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen, of dat de mededeling is gedaan om de invordering te traineren, dan kan hij maatregelen nemen die de rechten van de gemeente veilig stellen. 11.3Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 11.4Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan. 11.5Betalingsherinnering Als de aard of omvang van de belastingschuld dan wel het betalingsgedrag van de belastingschuldige daartoe aanleiding geven, kan de ontvanger de belastingschuldige eerst (kostenloos) een schriftelijke betalingsherinnering toezenden. Als er geen betalingsherinnering wordt verzonden of als deze niet of niet tijdig tot algehele voldoening van de belastingschuld leidt, verzendt de ontvanger een aanmaning. 11.6Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg Als de ontvanger invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de ontvanger over tot het uitbrengen van een dagvaarding. De dagvaarding hoeft niet vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel verzendt de ontvanger eerst een aanmaning. De ontvanger verzendt echter geen aanmaning als reeds conservatoir beslag is gelegd. Artikel 12Dwangbevel Artikel 12 van de wet bepaalt dat de invordering van de belastingaanslag kan geschieden bij een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel. Op grond van dit dwangbevel kan de ontvanger overgaan tot invordering van de belastingaanslag. In aansluiting op artikel 12 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: het onderwerp van het dwangbevel; tegen wie een dwangbevel wordt verleend. 12.1Onderwerp van het dwangbevel De ontvanger vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag vermeld op een aanslagbiljet van voorkomende belastingaanslagen en beschikkingen. Als een bedrag in termijnen mag worden voldaan, vaardigt de ontvanger een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag van de termijnen waarvoor een aanmaning is verzonden. De ontvanger vermindert het bedrag van een dwangbevel met: de inmiddels gedane betalingen; verleende verminderingen; bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is verleend. 12.2Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel De ontvanger verleent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of diens rechtsopvolgers. Als de ontvanger het dwangbevel verleent tegen een ander dan de belastingschuldige, moet duidelijk blijken op welke gronden dit gebeurt. Als de ontvanger bekend is met de minderjarigheid of curatele van een belastingschuldige, dan brengt hij dit in het dwangbevel tot uitdrukking. Als de ontvanger hiermee niet bekend is, hoeft hij niet vooraf een daarop gericht onderzoek in te stellen. Als de ontvanger een belastingschuld van een overledene moet verhalen op diens onverdeelde nalatenschap, verleent hij één dwangbevel tegen de gezamenlijke erfgenamen. Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene op de voet van artikel 53 Rv niet mogelijk of niet wenselijk is, dan vermeldt de ontvanger alle erfgenamen met naam en adres alsmede met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het dwangbevel. De ontvanger brengt daarbij evenwel niet het deel van ieders aansprakelijkheid tot uitdrukking. Artikel 13Betekening van het dwangbevel In artikel 13 van de wet is de wijze van betekening van het dwangbevel beschreven. Het dwangbevel vermeldt expliciet dat de belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet kan komen. Het dwangbevel wordt bekendgemaakt door middel van betekening. De betekening van het dwangbevel met bevel tot betaling kan plaatsvinden: door de belastingdeurwaarder; per post door de ontvanger. In aansluiting op artikel 13 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de betekening van het dwangbevel per post; de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder; bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel. 13.1Betekening dwangbevel per post De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt plaats door het ter post bezorgen door de ontvanger van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling. Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de ontvanger ter verzending aanbieden van het afschrift aan PostNL. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging. De ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te betekenen. 13.1.1Adressering van per post betekende dwangbevelen Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de administratie van de gemeente bekende adres van de belastingschuldige. Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de basisregistratie personen is geregistreerd. Als de belastingschuldige te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de basisregistratie personen - bijvoorbeeld een postbusadres - kan verzending ook plaatsvinden aan dat adres. Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een - ten tijde van de terpostbezorging - onjuist adres is verzonden en de belastingschuldige niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen rechtsgevolg verbonden. Als het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het afschrift niet te hebben ontvangen, dan geldt het dwangbevel als betekend. Dit is niet het geval als de belastingschuldige bijzondere omstandigheden aannemelijk kan maken op grond waarvan moet worden aangenomen dat het afschrift van het dwangbevel het bestemde adres niet heeft bereikt. 13.2Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder Als bij de betekening van een dwangbevel door de belastingdeurwaarder aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie de belastingdeurwaarder het afschrift moet achterlaten, dan betekent de belastingdeurwaarder het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 47, eerste lid, Rv . Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht dat achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan de huisgenoot er niet toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook daadwerkelijk zal bereiken. Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres van de gemeente waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats heeft. Dit geldt ook voor de situaties waarin het dwangbevel is uitgevaardigd door de ontvanger van een andere gemeente. 13.3Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel Een dwangbevel dat - hetzij door terpostbezorging, hetzij door de belastingdeurwaarder - is betekend aan een minderjarige of onder curatele gestelde, moet mede worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden overgegaan. Zo nodig zal aan de laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan. Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie. Artikel 14Tenuitvoerlegging van het dwangbevel Artikel 14 van de wet gaat over de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. In aansluiting op artikel 4:116 van de Awb en artikel 14 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de algemene regels over tenuitvoerlegging; beslag op roerende zaken die geen registergoederen; beslag op onroerende zaken; beslag onder derden; beslag op schepen. 14.1Tenuitvoerlegging algemeen Het dwangbevel levert een executoriale titel op. Na betekening aan de belastingschuldige, kan de belastingdeurwaarder het dwangbevel met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering ten uitvoer leggen (zie artikel 4:116 Awb ). Als het dwangbevel per post is betekend moet de belastingdeurwaarder een hernieuwd bevel tot betaling betekenen, voordat hij tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaat (artikel 14, eerste lid van de wet). Als de betekening van het hernieuwd bevel tot betaling plaatsvindt conform artikel 47 Rv - dat wil zeggen door achterlating van het bevel in een gesloten envelop of door terpostbezorging van het bevel - gaat de belastingdeurwaarder pas na twee dagen na betekening van het hernieuwde betalingsbevel over tot tenuitvoerlegging (artikel 14, eerste lid van de wet ). In de overige gevallen kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan. Betekening van een hernieuwd bevel tot betaling hoeft overigens niet plaats te vinden als het dwangbevel met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet , terstond ten uitvoer kan worden gelegd (artikel 14, tweede lid, van de wet ). 14.1.1Keuze van invorderingsmaatregelen De tenuitvoerlegging gebeurt op de voet van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat toelaat de verschillende mogelijkheden van tenuitvoerlegging tegelijkertijd te benutten. 14.1.2Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging De tenuitvoerlegging van verschillende dwangbevelen tegen dezelfde belastingschuldige gebeurt zoveel mogelijk tegelijkertijd. Bij de tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaarheid vermeden. Ook wordt de nodige soepelheid betracht. Dit brengt met zich mee dat de formeel voorgeschreven handelwijze wordt onderbroken, als het uit menselijk of tactisch oogpunt wenselijk is eerst persoonlijk contact met de belastingschuldige op te nemen. In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet dadelijk tot beslaglegging overgaat of deze onderbreekt of beëindigt, als hij vermoedt dat de ontvanger de beslagopdracht niet zou hebben gegeven als alle omstandigheden bekend waren geweest. Dit geldt ook als de belastingschuldige aantoont dat de betaling inmiddels heeft plaatsgevonden of dat een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in artikel 25.1.15 of 26.1.11 van deze leidraad, en de beslagopdracht elkaar hebben gekruist. Als het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag, wordt onverwijld tot uitwinning van de goederen waarop beslag is gelegd, overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag. Voorwaarde is dan wel dat met de afdoening - gelet op de omstandigheden - naar het oordeel van de ontvanger akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een minnelijke afdoening moet passen in het in deze leidraad geformuleerde beleid. 14.1.3Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, gaat de belastingdeurwaarder pas tot tenuitvoerlegging over nadat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW , is verstreken. Als alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, kan de rechtbank de termijn van drie maanden verlengen. Als de nalatenschap wordt vereffend, kan de ontvanger gedurende de vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap verhalen. 14.1.4Volgorde van uitwinning bij beslag Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 14.1.5Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 14.1.6Beslaglegging voor vordering van derden Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag heeft gelegd, gaat hij ook over tot beslaglegging voor vorderingen van derden met gelijke rangorde, waarvan de invordering aan hem is opgedragen, ongeacht de executiewaarde van de inbeslaggenomen zaken. 14.1.7Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden De ontvanger kan een beschikking afgegeven, die inhoudt dat voor een openstaande belastingschuld geen invorderingsmaatregelen meer worden getroffen wanneer alsnog een bepaald bedrag wordt voldaan dan wel dat aan bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan. De ontvanger heft de gelegde beslagen op nadat dit bedrag is betaald of aan die voorwaarden is voldaan. 14.1.8Opheffing beslag tegen betaling door een derde Als de ontvanger van een derde een bedrag krijgt aangeboden ter opheffing van het beslag, dan kan de ontvanger hieraan zijn medewerking verlenen als ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden: Het aangeboden geldbedrag komt niet direct of indirect uit het vermogen van de belastingschuldige; Het aangeboden geldbedrag is aanzienlijk hoger dan de opbrengst die naar verwachting zou zijn verkregen bij een executie; De belangen van de gemeente worden niet geschaad. De ontvanger houdt bij zijn beslissing rekening met de gerechtvaardigde belangen van andere schuldeisers die op de betreffende zaken verhaal zoeken, en hij kan aan zijn medewerking nadere voorwaarden verbinden. 14.1.9Opschorten van de executie De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het proces-verbaal van beslag een verkoopdatum vast. Op deze datum vindt de openbare verkoop plaats, tenzij de ontvanger ervan overtuigd is dat betaling van de belastingschuld alsnog op zeer korte termijn zal plaatsvinden. In dat geval kan de ontvanger besluiten de verkoopdatum op te schorten tot (in totaal) maximaal zes maanden na de datum waarop het beslag is gelegd. Als sprake is van beslag op roerende zaken, dan deelt de belastingdeurwaarder de nieuwe verkoopdatum bij exploot aan de belastingschuldige mee, tenzij deze nieuwe datum op grond van een schriftelijke overeenkomst tussen de ontvanger en de belastingschuldige is verschoven. Het opschorten van de verkoopdatum houdt op zich geen uitstel van betaling in, in de zin van artikel 25 van de wet. 14.1.10Onderhandse verkoop Als een onderhandse verkoop van in beslag genomen zaken naar verwachting aanzienlijk meer oplevert dan de verwachte opbrengst bij openbare verkoop, dan kan de ontvanger kiezen voor een onderhandse verkoop. De ontvanger gaat allereerst na of het bod afkomstig is van een onafhankelijke derde. Als de koopsom direct of indirect uit het vermogen van de belastingschuldige komt, gaat de ontvanger niet akkoord met een onderhandse verkoop. Daarnaast houdt de ontvanger rekening met de gerechtvaardigde belangen van eventuele derde rechthebbenden die zich bij hem bekend hebben gemaakt. De ontvanger stelt deze derden in de gelegenheid om een bedrag aan te bieden ter opheffing van het beslag. Onderhandse verkoop vindt niet plaats als hierdoor de belangen van de gemeente worden geschaad. 14.1.11Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop De ontvanger kan de mogelijkheid hebben om te kiezen tussen: een aangeboden bedrag ter opheffing van het beslag als bedoeld in artikel 14.1.8 van deze leidraad; een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 14.1.10 van deze leidraad. De ontvanger geeft dan in het algemeen de voorkeur aan opheffing van het beslag; voorwaarde is dat de hierdoor verkregen opbrengst niet lager is dan die van een onderhandse verkoop. 14.1.12Strafrechtelijk beslag Als op een inbeslaggenomen goed ook een strafrechtelijk beslag ex artikel 94 Sv rust - dat wil zeggen niet zijnde een beslag in het kader van een ontnemingsmaatregel - dan wordt het beslag dat de belastingdeurwaarder heeft gelegd pas vervolgd nadat het strafrechtelijke beslag is opgeheven. Zolang niet duidelijk is wat er met het strafrechtelijke beslag gebeurt, kan het fiscale beslag blijven liggen. 14.1.13Invordering en ontnemingswetgeving De gemeente belemmert zo min mogelijk de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen. In geval van samenloop van de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen en het nemen van invorderingsmaatregelen tot verhaal van een belastingschuld, treedt de ontvanger terughoudend op. Dit houdt in dat de ontvanger in beginsel niet direct overgaat tot uitwinning van reeds gelegd beslag tenzij hiermee de belangen van de gemeente worden geschaad. 14.2Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn 14.2.1Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken Als de belastingdeurwaarder op het woonadres van de belastingschuldige niemand thuis treft een beslag op roerende zaken alleen kan plaatsvinden met gebruikmaking van artikel 444 Rv, dan blijft deze wijze van tenuitvoerlegging vooralsnog achterwege. De belastingdeurwaarder laat in dat geval een schriftelijke kennisgeving achter met vermelding van dag en uur waarop hij zich weer op het woonadres zal vervoegen. Deze handeling blijft achterwege als een belastingschuldige het stelselmatig hierop laat aankomen, dan wel van deze handelwijze misbruik wordt gemaakt of op andere wijze het belang van de invordering zich tegen deze handelwijze verzet. 14.2.2Domiciliekeuze en beslag roerende zaken Als het beslag wordt gelegd door een belastingdeurwaarder van een ander Gemeente dan het kantoor waar bij de betekening van het dwangbevel domicilie is gekozen, dan wordt in het beslagexploot tevens domicilie gekozen ten kantore van de gemeente waar de belastingdeurwaarder die het beslag legt zijn standplaats heeft. 14.2.3Aanbod van betaling en beslag roerende zaken. Als de belastingschuldige ter voorkoming van beslaglegging aan de belastingdeurwaarder aanbiedt om ter plekke te betalen, aanvaardt de deurwaarder deze betaling. Van de betaling wordt een kwitantie opgemaakt, waarvan een afschrift aan de belastingschuldige wordt gelaten. 14.2.4Omvang van het beslag op roerende zaken Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als - naar het oordeel van de belastingdeurwaarder - ruimschoots voldoende is voor dekking van de openstaande schuld inclusief rente en kosten. 14.2.5Beslag op roerende zaken van derden Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 14.2.6Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken Als een derde bij de belastingdeurwaarder bezwaar maakt tegen de inbeslagname van bepaalde roerende zaken waarvan hij de eigendom claimt, wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid een beroepschrift in te dienen bij het college op grond van artikel 22, eerste lid van de wet en eventueel in verzet te gaan op grond van artikel 456 of artikel 435 Rv . Als aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en vaststaat dat de ontvanger zijn verhaalsrecht niet kan effectueren, blijft inbeslagname achterwege. 14.2.7Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger en beslag roerende zaken De ontvanger kan het restant van de schuld van belastingschuldige aan een derde op grond van artikel 6:30 BW voldoen in afwachting van verrekening met de belastingschuldige, als de belastingdeurwaarder de volgende zaken aantreft: zaken die niet onder het bodemrecht vallen; en strekken tot zekerheid voor de voldoening van een schuld die de belastingschuldige aan de derde heeft (bijvoorbeeld huurkoop, eigendomsvoorbehoud); en waarop de ontvanger zich na voldoening van die schuld zou kunnen verhalen. De ontvanger maakt van deze mogelijkheid slechts gebruik als de executiewaarde van de desbetreffende zaken beduidend hoger is dan het restant van de schuld. Dit geldt ook als het gaat om zaken van de belastingschuldige die bij een derde in beslag zijn genomen en waarop deze derde een retentierecht heeft. 14.2.8Beslag roerende zaken bij derden Op zaken van de belastingschuldige die zich bij een derde bevinden, verhaalt de belastingdeurwaarder de belastingschuld zoveel mogelijk door het leggen van een beslag op roerende zaken. De deurwaarder zal in de volgende gevallen echter beslag onder derden leggen als: de derde geen medewerking verleent aan het leggen van een beslag roerende zaken; het voor de belastingdeurwaarder feitelijk onmogelijk is om de zaken zelf te zien, dan wel te inventariseren; de derde een beroep doet als bedoeld in artikel 461d Rv , voordat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten. Als de derde een dergelijk beroep doet nadat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten, legt de belastingdeurwaarder geen afzonderlijk derdenbeslag maar geldt het beslag roerende zaken als derdenbeslag. De belastingdeurwaarder betekent in dat geval binnen drie dagen na de beslaglegging aan de derde een formulier in tweevoud als bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv . Dit laatste geldt ook als de verwachting is gerechtvaardigd dat de derde voor de executoriale verkoop een beroep zal doen als bedoeld in artikel 461d Rv . 14.2.9Wegvoeren van beslagen zaken Nadat op roerende zaken beslag is gelegd, wordt zoveel mogelijk aan de belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten. Onder bijzondere omstandigheden kan de belastingdeurwaarder beslagen zaken wegvoeren. Hij stelt daartoe een gerechtelijke bewaarder aan als bedoeld in Rv . Het aanstellen van een bewaarder ontheft de ontvanger niet van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de in beslag genomen zaken. Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van die zaken redelijkerwijze noodzakelijk is (artikel 446 Rv). Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de zaken dreigen te worden verduisterd of beschadigd. Hetzelfde geldt als er gegronde vrees bestaat dat verhaal op de zaken ernstig bemoeilijkt wordt of feitelijk onmogelijk is, indien de zaken niet worden afgevoerd. Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt slechts gebruik gemaakt: als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet kan worden ingevorderd en; de ontvanger na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden geacht. Het wegvoeren van zaken [, waaronder motorrijtuigen naar aanleiding van een actie op grond van artikel 18 van de wet ] gebeurt niet door de belastingdeurwaarder dan na daartoe verkregen toestemming van de ontvanger van de gemeente. De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de ontvanger [of van een andere door hem daartoe aangewezen functionaris]. Bij het in beslag nemen van een voertuig is het aan de belastingdeurwaarder ter keuze om een wielklem, of een ander middel, aan te brengen ter zekerheid tegen verduistering. 14.2.10Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zwaremotorrijtuigen en beslag roerende zaken Deze bepaling is niet van toepassing voor de aan Munitax deelnemende gemeenten. 14.2.11Afsluiting en beslag roerende zaken De deurwaarder dan wel de bewaarder kan tot afsluiting van de ruimte overgaan waarin ten laste van de onderneming in beslag genomen zaken zich bevinden, als: de omstandigheden zich voordoen als genoemd in artikel 14.2.9 van deze leidraad; en de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar verhouding zeer hoge kosten kunnen worden afgevoerd. Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop worden overgegaan. Voor de afsluiting is voorafgaande toestemming vereist van de ontvanger. De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de ontvanger of van een andere door de ontvanger daartoe aangewezen functionaris. 14.2.12Bewaarder en beslag roerende zaken Als zaken op grond van artikel 14.2.9 van deze leidraad worden weggevoerd of op grond van artikel 14.2.11 van deze leidraad afsluiting plaatsvindt, stelt de belastingdeurwaarder daarbij een bewaarder aan die in staat moet worden geacht ook daadwerkelijk de taken verbonden aan het bewaarderschap met betrekking tot die zaken uit te oefenen. De aanstelling van de bewaarder wordt vermeld in het proces-verbaal dat in de betreffende situaties moet worden opgemaakt. Als een ambtenaar van de gemeente als bewaarder wordt aangesteld, is dit zoveel mogelijk een belastingdeurwaarder, niet zijnde de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Aan de ambtenaar die tot bewaarder is aangesteld, wordt hiervoor geen vergoeding gegeven. De tot bewaarder aangestelde ambtenaar draagt er zorg voor dat de beslagen zaken waarover hij tot bewaarder is aangesteld zo nodig worden vervoerd of opgeslagen op een wijze die het risico van fysiek of economisch bederf minimaliseert, meer dan voor de onderhavige zaken onder normale omstandigheden gebruikelijk is. De in dit verband te nemen maatregelen en de daaraan verbonden kosten moeten in een redelijke verhouding staan tot de aard en de waarde van de desbetreffende zaken. Tijdens de periode dat het beslag ligt, wordt in de navolgende gevallen aan de bewaarder het bewaarderschap ontnomen en een ander tot bewaarder aangesteld: als de bewaarder geacht moet worden gedurende langere tijd lichamelijk of geestelijk niet in staat te zijn de aan het bewaarderschap verbonden taken uit te oefenen; als de bewaarder is overleden; in dit geval hoeft het bewaarderschap niet uitdrukkelijk te worden ontnomen; als een ambtenaar van de gemeente tot bewaarder is aangesteld en deze ambtenaar door oorzaken van personele of organisatorische aard redelijkerwijs moet worden geacht geen betrokkenheid meer te (kunnen) hebben bij het beslag. Ontslag van een bewaarder gebeurt steeds schriftelijk; in voorkomend geval kan dit bij deurwaardersexploot. 14.2.13Executoriale verkoop computerapparatuur Als de belastingdeurwaarder beslag legt op computerapparatuur, dan valt alleen de zogenoemde 'hardware' onder dit beslag. De belastingdeurwaarder moet - voordat tot executoriale verkoop wordt overgegaan - nagaan of deze apparatuur nog de zogenoemde 'software' bevat (bestanden, programma's en dergelijke). Als dat het geval is, dan moet de belastingschuldige de mogelijkheid worden geboden om die software te verwijderen en een back-up te maken. 14.2.14Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken De ontvanger moet er voor zorgdragen dat geen zilveren, gouden of platina werken die niet zijn voorzien van de stempeltekenen die volgens de Waarborgwet 1986 vereist zijn, in openbare verkoop worden gebracht of met dat doel worden tentoongesteld. Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of platina werken voorkomen - al dan niet met het vereiste stempelteken - moet de ontvanger aangifte doen zoals artikel 46 van de Waarborgwet 1986 dat voorschrijft. 14.2.15Beslag op illegale zaken Als voor beslag vatbare zaken worden aangetroffen waarvan in beginsel de vervaardiging, het bezit of het gebruik strafbaar is (of het vermoeden van strafbaarheid bestaat), kan de beslaglegging op de normale wijze doorgang vinden. Wel wordt direct of zo snel mogelijk na de beslaglegging de politie ingeschakeld om te bezien in hoeverre aanleiding bestaat om strafrechtelijke maatregelen te nemen. Hierbij geldt het bepaalde in artikel 14.1.12 van deze leidraad. Als geen strafrechtelijke maatregelen worden getroffen (de voormelde zaken worden niet verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer), dan moet de ontvanger contact opnemen met het college voordat maatregelen worden getroffen om tot executoriale verkoop van de inbeslaggenomen zaken over te gaan. 14.2.16Bieden voor rekening van de gemeente en beslag roerende zaken Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de ontvanger een andere belastingdeurwaarder dan de deurwaarder die met de verkoop belast is, opdragen voor rekening van de gemeente te bieden. Daarnaast kan de ontvanger de belastingdeurwaarder opdracht geven om de executie plaats te laten vinden via internetveiling. De regels hiervoor dienen openbaar gemaakt te worden. 14.2.17Opheffing van het beslag op roerende zaken Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de ontvanger dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot kenbaar gemaakt. Opheffing van het beslag op roerende zaken als bedoeld in artikel 445 Rv wordt altijd kenbaar gemaakt bij deurwaardersexploot. 14.2.18Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken De ontvanger verhaalt de openstaande schuld waarvoor het beslag roerende zaken is gelegd op de executieopbrengst, inclusief de daarin begrepen omzetbelasting. Voordat de opbrengst op de openstaande schuld wordt afgeboekt, worden eerst de kosten van de executie verrekend. De ontvanger boekt de opbrengst van de executie vervolgens af met inachtneming van het bepaalde bij artikel 7 van deze leidraad. Als er andere schuldeisers zijn die beslag hebben gelegd of als er beperkt gerechtigden zijn van wie het recht door de executie is vervallen, dan wordt zoveel mogelijk getracht in der minne overeenstemming te bereiken over de toedeling van de netto-executieopbrengst. Als dat niet mogelijk blijkt, dan zijn de artikelen 481 en volgende Rv van toepassing. 14.2.19Proces-verbaal van verkoop roerende zaken Als de belastingschuldige te kennen geeft dat hij een afschrift van het proces-verbaal van verkoop wenst, wordt hem dit zo spoedig mogelijk toegezonden, met dien verstande dat de namen en woonplaatsen van de kopers onleesbaar zijn gemaakt. 14.2.20Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de ontvanger vraagt of een beslag nog ligt, dan verstrekt de ontvanger deze informatie tenzij het belang van de invordering zich daartegen verzet. 14.2.21Relaas van onttrekking Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken (artikel 198 Sr ) kan van dat feit op grond van artikel 162 Sv aangifte worden gedaan. De ontvanger beslist over de inzending van een relaas van onttrekking aan de officier van justitie. 14.3Beslag op onroerende zaken 14.3.1Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken Indien het beslag op een onroerende zaak mede omvat de in of op die zaak aanwezige bestanddelen of natuurlijke vruchten, geldt het volgende. De belastingdeurwaarder kan die bestanddelen of die vruchten wegvoeren om in bewaring te geven indien dit voor het behoud van die bestanddelen of vruchten noodzakelijk is. Het wegvoeren vindt niet plaats dan na daartoe verkregen toestemming van de ontvanger. Het bepaalde in artikel 14.2.9 is van overeenkomstige toepassing. 14.3.2Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag op een onroerende zaak heeft gelegd, zal hij voor een nader opgekomen belastingschuld zoveel mogelijk opnieuw tot beslaglegging overgaan. In gevallen waarin de ontvanger zelf de eerste beslaglegger is, gaat hij altijd tot beslaglegging over voor vorderingen van derden waarvan de invordering aan hem is opgedragen. 14.3.3Verhuurde of verpachte onroerende zaken De ontvanger die beslag op de onroerende zaak heeft laten leggen en tevens de huur of pacht wil incasseren, doet hiervoor zoveel mogelijk een vordering ex artikel 19 van de wet onder de huurder of pachter. Er wordt in zo’n geval dus niet gehandeld als bedoeld in artikel 507, derde lid, Rv . 14.3.4Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken De ontvanger vraagt de notaris een afschrift van de veilingvoorwaarden die op de verkoop van toepassing zijn en hij treedt zo nodig in overleg over de inhoud van deze voorwaarden. In overleg met de notaris wordt in de voorwaarden van verkoop bepaald dat de kosten van executie, toewijzing en eventuele rangregeling door de executant zullen worden voldaan uit de koopprijs en dat het tekort - als de koopprijs niet toereikend mocht zijn - door de executant zal worden aangezuiverd. 14.3.5Opheffing van het beslag onroerende zaken Van de opheffing van een beslag op een onroerende zaak wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de belastingschuldige. Als het beslag aan de huurder of pachter is betekend, ontvangt deze ook een schriftelijke mededeling. Ook wordt van deze opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de (eventuele) derde-eigenaar, aan alle (eventuele) hypotheekhouders en - indien van toepassing - aan de bewaarder. 14.4Beslag onder derden 14.4.1Beslag op vordering van een derde In de artikelen 475 en volgende Rv is de mogelijkheid gegeven ten laste van de belastingschuldige beslag te leggen onder een derde. Als blijkt dat - na het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring - de derde geen gelden of zaken onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te hebben gelegen. De ontvanger stelt de derde hiervan op de hoogte. Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de belastingschuldige toebehoort, dan wel op naam van die ander - bijvoorbeeld door een bank - wordt geadministreerd. In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de derde beslagene) dat zowel aan de belastingschuldige als aan degene aan wie de vordering formeel toebehoort binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden betekend, moet de ontvanger zoveel mogelijk aangeven op welke gronden hij de vordering die op naam van die ander is geadministreerd, meent te kunnen uitwinnen ter verhaal van een vordering op de belastingschuldige. 14.4.2Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van artikel 19 van de wet mogelijk is, kiest de ontvanger voor het doen van een vordering. 14.4.3Roerende zaken bij derden Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige bevinden, wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 14.2.8 van deze leidraad. 14.4.4Plaats beslaglegging en derdenbeslag Aan de nauwkeurige vermelding in het exploot van beslag van de naam en de eventuele rechtsvorm van de derde wordt bijzondere aandacht geschonken. De situatie kan zich voordoen dat de derde een hoofdkantoor heeft en een of meerdere bijkantoren. In dat geval legt de belastingdeurwaarder het beslag zoveel mogelijk bij het hoofdkantoor dan wel het filiaal of bijkantoor dat bemoeienis heeft met de gelden of zaken waarop verhaal wordt gezocht. In spoedeisende gevallen kan het beslag worden gelegd onder een ander filiaal of bijkantoor. De executant kiest in alle gevallen domicilie bij de belastingdeurwaarder. Als er aanleiding toe bestaat, kan de ontvanger de omvang van het beslag bij de beslaglegging beperken. Voor zover niet door een andere schuldeiser beslag is gelegd, kan de omvang ook op een later tijdstip nog worden beperkt. Van de beperking wordt in het beslagexploot of in een afzonderlijk geschrift aan de derde uitdrukkelijk melding gemaakt. 14.4.5Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e dan wel artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen, dan past de ontvanger zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de beslagvrije voet toe als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv . 14.4.6Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van verklaring De derde-beslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de ontvanger in gebreke gesteld als zeven kalenderdagen na de termijn van vier weken nog geen verklaring van hem is ontvangen. Hij wordt daarbij gesommeerd om onverwijld tot verklaring over te gaan. 14.4.7Bij derdenbeslag niet afdragen na het doen van verklaring De derde beslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de ontvanger in gebreke gesteld als niet is overgegaan tot afdracht van de opeisbare geldsommen of tot het aan de belastingdeurwaarder ter beschikking stellen van de goederen en/of zaken binnen de termijn genoemd in de schriftelijke uitnodiging van de ontvanger aan de derde-beslagene. Hij wordt daarbij gesommeerd om binnen zeven kalenderdagen aan zijn verplichting te voldoen. 14.4.8Afdracht binnen de vierwekentermijn bij derdenbeslag Een derde-beslagene kan binnen de termijn van vier weken verklaring doen van hetgeen hij onder zich heeft en de belastingdeurwaarder laten weten direct tot afdracht te willen overgaan. In dat geval deelt de ontvanger hem namens de belastingdeurwaarder mee - als er geen aanleiding bestaat de verklaring te betwisten - dat het beslag van rechtswege vervalt op het moment dat de door de derde-beslagene af te dragen geldsommen of ter beschikking te stellen goederen en/of zaken door de belastingdeurwaarder zijn ontvangen. 14.4.9Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente Bij een derdenbeslag op een polis van een levens- of spaarverzekering of lijfrente geldt - naast de voorschriften in artikel 479l en volgende Rv het volgende: De ontvanger stelt zich terughoudend op bij het leggen van derdenbeslag als er sprake is van een niet-bovenmatige oudedagsvoorziening; De ontvanger betrekt in zijn overwegingen de verhouding tussen de openstaande belastingsch