Beleidsvoorschriften van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen houdende bepalingen over werk, inkomen en participatie (Beleidsvoorschriften werk, inkomen en participatie gemeente Zutphen 2019)Ons kenmerk: 132438 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen, gelet op artikel(
- en)6.1 van de Verzamelverordening werk en inkomen gemeente Zutphen 2017 en 4:81 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht; b e s l u i t : vast te stellen devv Beleidsvoorschriften van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen houdende bepalingen over werk, inkomen en participatie (Beleidsvoorschriften werk, inkomen en participatie gemeente Zutphen 2019) Hoofdstuk1Re-integratie en participatie Een belangrijke doelstelling van de Participatiewet is om mensen die kunnen werken naar werk toe te leiden, bij voorkeur naar betaald werk. Werk is voor veel mensen één van de meest aansprekende vormen van meedoen in de maatschappij. Wanneer mensen niet op eigen kracht kunnen deelnemen, is daar een taak voor de gemeente weggelegd. Dit hoofdstuk gaat over de taak van de gemeente bij de re-integratie van inwoners en de voorzieningen die de gemeente daarbij kan aanbieden. Ook wordt besproken welke ondersteuning werkgevers kunnen krijgen bij het in dienst nemen van mensen met een achterstand op de arbeidsmarkt. 1.1 Werkgeversservicepunt Het Werkgeversservicepunt is een samenwerkingsverband tussen gemeente, UWV, team GelreWerkt!, als onderdeel van de gemeente Zutphen, kenniscentra en andere partijen. Bij een werkgeversservicepunt krijgt een werkgever onder andere informatie en ondersteuning bij het aannemen van personen die moeilijker aan het werk komen. Denk bijvoorbeeld aan informatie over de Participatiewet en de banenafspraak, voorzieningen en financiële regelingen. Het Werkgeversservicepunt geeft persoonlijk en kosteloos advies en ondersteunt bij de werving en selectie van personeel met een afstand tot de arbeidsmarkt. Andere taken van het werkgeversservicepunt: brengt vraag (vacatures van werkgevers) en aanbod (werkzoekenden) bij elkaar (matching); geeft informatie en advies over werkgeverszaken en subsidies aan onder andere werkgevers, uitzendbureaus, re-integratiebureaus en klantmanagers/werkcoaches; verzamelt arbeidsmarktinformatie; biedt de WerkgeversScan (waarmee bedrijven kunnen vaststellen of zij banen uit de banenafspraak kunnen creëren); is partner in het vervullen van banen uit de banenafspraak; geeft advies over Sociaal Ondernemen. De adviseurs van het Werkgeversservicepunt zijn het regionale aanspreekpunt voor de werkcoaches als het gaat om informatie over of matching van werkzoekenden op de beschikbare vacatures. 1.2 Team GelreWerkt! Naast de regionale dienstverlening aan werkgevers via het Werkgeversservicepunt, heeft de gemeente Zutphen bij team GelreWerkt!, als onderdeel van de gemeente Zutphen georganiseerd. Het team: organiseert de sociale werkvoorziening en beschut werk volgens artikel 10b Participatiewet voor werknemers die uitsluitend onder aangepaste omstandigheden kunnen werken; detacheert werknemers met een arbeidsbeperking bij werkgevers in de regio en draagt zo bij aan de Banenafspraak; brengt vraag en aanbod op de arbeidsmarkt in de regio bij elkaar; informeert werkgevers over de lokale arbeidsmarkt en over vragen over personeel, vacatures, subsidies en/of aantrekkelijke regelingen; begeleidt personen uit de doelgroep van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet, indien nodig, op de arbeidsplaats. Voor meer informatie over de werkzaamheden van het team: www.gelrewerkt.nl. 1.3 Landelijke regelingen Op rijksniveau zijn er voor werkgevers meerdere aantrekkelijke regelingen gecreëerd om werknemers met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen. Deze regelingen worden door het UWV uitgevoerd. Bijvoorbeeld de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). Deze wet bestaat uit 3 tegemoetkomingen voor werkgevers en heeft als doel om werknemers met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen of te houden. De Wtl vervangt de premiekortingen arbeidsgehandicapte werknemer en oudere werknemer door het loonkostenvoordeel (LKV) voor deze groepen. Daarnaast bestaat de Wtl uit het lage-inkomensvoordeel (LIV) en het jeugd-LIV. Daarnaast ondersteunt UWV werkgevers ook door onder andere de looncompensatie bij ziekte (‘no-riskpolis’), mobiliteitsbonus (premiekorting), en werkplekaanpassingen. Bijvoorbeeld als aanvulling op de wettelijke loonkostensubsidie die per 1 januari 2022 doorloopt bij ziekte. Voor meer informatie, zie: www.uwv.nl. 1.4 Banenafspraak Samen met het rijk hebben werkgevers- en werknemersorganisaties afgesproken dat er 100.000 extra banen komen in de periode tot 2026 voor mensen met een arbeidsbeperking. Daarnaast stelt de overheid zich garant voor 25.000 extra banen voor deze groep. Het Rijk zal het aantal banen voor mensen met een arbeidsbeperking de komende jaren kritisch volgen, om te bepalen of het aantal voorgenomen extra banen wordt gerealiseerd. Hiervoor is een landelijk doelgroepregister voor de banenafspraak ingevoerd dat wordt beheerd door het UWV. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen met een Wajong- of WIA-uitkering of mensen die op de wachtlijst voor sociale werkvoorziening staan (WSW oud). Die groep is rechtstreeks opgenomen in het doelgroepregister. Voor werkzoekenden met een arbeidsbeperking die hier niet onder vallen, zoals mensen uit de Participatiewet en de IOAW, bestaan twee routes: 1. Toets door het UWV Begin 2015 is een procedure ingericht, waarbij het UWV bepaalt of iemand behoort tot de doelgroep. De beoordeling door het UWV vindt in een aantal situaties plaats op basis van bewijsstukken die worden overlegd (bijvoorbeeld een indertijd door het UWV afgegeven WSW-indicatie, of een bewijs van deelname aan het praktijkonderwijs). In andere situaties verricht het UWV zelf een individuele beoordeling. Hierbij kijkt het UWV of iemand niet in staat is het WML te verdienen dan wel of hij/zij alleen met jobcoaching in staat is het WML te verdienen. Wanneer de inwoner aan de criteria voldoet, wordt deze opgenomen in het doelgroepregister. Werkenden binnen deze groep worden vervolgens bij de landelijke registratie meegeteld. Aanmelding bij UWV kan slechts door gemeente of werkgever. Werknemers kunnen niet zelf een aanvraag indienen. 2. Praktijkroute Met een wetswijziging is in 2017 de zogenoemde praktijkroute van kracht geworden. Daarmee kunnen ook mensen onder de doelgroep banenafspraak vallen, namelijk wanneer de gemeente heeft vastgesteld dat hun loonwaarde onder het wettelijk minimumloon ligt en de werkgever in aanmerking kan komen voor loonkostensubsidie. De vaststelling van de loonwaarde wordt gedaan volgens de landelijke geüniformeerde werkwijze. De definitie voor een baan uit de baanafspraak is 25 uur per week. Banen van minder uren tellen naar rato mee. Hetzelfde geldt voor banen die meer uren per week tellen. Mocht uit de monitoring blijken dat het aantal afgesproken extra arbeidsplaatsen niet gehaald wordt de komende jaren, dan is het mogelijk dat een wettelijke verplichting van kracht wordt voor grotere werkgevers (minimaal 25 werknemers) voor een minimaal percentage aan banen voor mensen met een arbeidsbeperking. De gemeente Zutphen, onderdeel team GelreWerkt! ondersteunt werkgevers bij het plaatsen van werknemers die in het doelgroepregister zijn opgenomen. Voor deze groep zijn ook aantrekkelijke regelingen van toepassing, zoals de looncompensatie bij ziekte, het lage-inkomensvoordeel en loonkostensubsidie. 1.5 Re-integratie en de Participatiewet In de Participatiewet is geregeld dat iedereen die recht heeft op een bijstandsuitkering in principe verplicht is werk te zoeken en te aanvaarden. De gemeente ondersteunt dat proces door voorzieningen te verstrekken die de klant stimuleren om weer aan het werk te gaan (re-integratie). Als de gemeente iemand helpt om aan het werk te gaan, is die persoon verplicht die voorziening te aanvaarden. Ook kan het zijn dat de gemeente iemand opdraagt om een tegenprestatie te leveren voor het recht op uitkering. Uitgangspunt van de Participatiewet is dat de weg naar werk zo kort mogelijk is. Dat betekent dat iedereen die een bijstandsuitkering heeft en 18 jaar of ouder is, tot de pensioengerechtigde leeftijd, elke vorm van arbeid waartoe hij in staat is moet accepteren. Alle arbeid is in feite passend. We spreken van algemeen geaccepteerde arbeid (artikel 9 lid 1a, Participatiewet). Hiermee wordt werk bedoeld dat in de samenleving als werk is aanvaard. Hieronder vallen bijvoorbeeld parttime werk, tijdelijke contracten en gesubsidieerd werk op basis van loonwaarde. De ondersteuning door de gemeente is er in principe op gericht dat de klant algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. Als dat (nog) niet mogelijk is, kan de gemeente voorzieningen aanbieden die de klant ondersteunen op de weg naar werk of naar participatie. 1.6 Ondersteuning door de gemeente Een grote groep inwoners kan een beroep kan doen op de gemeente voor ondersteuning om aan het werk te gaan (zie par. 1.5.3). De financiële middelen die door het rijk beschikbaar zijn gesteld aan gemeenten zijn echter beperkt. Daarom zijn er keuzes gemaakt bij het inzetten van de middelen en kunnen niet alle voorzieningen ingezet worden voor de hele doelgroep. In deze beleidsvoorschriften zijn de keuzes vastgelegd. Voor sommige voorzieningen geldt, dat er een wettelijke verplichting is om deze beschikbaar te stellen aan een specifieke doelgroep. Voor andere voorzieningen hebben gemeenten meer ruimte gekregen om te bepalen of iemand ervoor in aanmerking komt. Uitgangspunt is dat de voorzieningen evenwichtig worden verdeeld onder de totale doelgroep. Dat wordt in het jaarplan van de gemeente verder geconcretiseerd. In de Verzamelverordening werk en inkomen zijn de belangrijkste beleidskeuzes vastgelegd. Hieronder volgen de belangrijkste beleidskeuzes uit deze verordening: De ondersteuning van de gemeente is in principe gericht op de kortste weg naar werk. De gemeente houdt rekening met de omstandigheden en mogelijkheden van de persoon, voordat hulp wordt geboden of voorzieningen worden ingezet. De gemeente houdt bij het inzetten van voorzieningen rekening met de afstand tot de arbeidsmarkt. De gemeente waakt ervoor dat het inzetten van voorzieningen niet leidt tot oneerlijke concurrentie of verdringing op de arbeidsmarkt. De gemeente zorgt ervoor, dat ook andere voorzieningen die nodig zijn kunnen worden benut. Denk bijvoorbeeld aan schuldhulpverlening of een Wmo-voorziening. Doelgroepen De gemeente kan ondersteuning bieden bij re-integratie aan personen die behoren tot één van de volgende doelgroepen (art. 7 Participatiewet). Het gaat hierbij in ieder geval om mensen die wonen in Zutphen en nog niet de pensioenleeftijd hebben: uitkeringsgerechtigden (Participatiewet, IOAW, IOAZ); niet-uitkeringsgerechtigden zonder werk; mensen met een nabestaandenuitkering (ANW); gesubsidieerde werknemers; inwoners die hun baan, met loonkostensubsidie, zijn kwijtgeraakt en bijvoorbeeld WW of WIA ontvangen (pas als iemand twee jaar zonder ondersteunende voorziening het wettelijk minimumloon verdient wordt het UWV verantwoordelijk voor de re-integratie). In het Jaarplan van de gemeente kan verder worden aangegeven op welke wijze de beschikbare gelden verdeeld worden over de doelgroep. De wet maakt het mogelijk dat bepaalde voorzieningen door de gemeente worden ingezet voor mensen die buiten de wettelijke doelgroep vallen. Het gaat hier met name om: re-integratievoorziening beschut werk: deze kan ook worden ingezet voor mensen met een UWV-uitkering; loonkostensubsidie: deze kan ook worden ingezet voor jongeren die vanuit het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs of de entreeopleiding MBO (binnen 6 maanden) zijn gaan werken bij een werkgever. De gemeente bepaalt in principe zelf welke voorzieningen ingezet worden voor welke groepen inwoners. Re-integratievoorzieningen In de Verzamelverordening werk en inkomen zijn de belangrijkste voorzieningen vastgelegd. De gemeente kan echter ook andere voorzieningen aanbieden als dat zinvol is voor het toeleiden naar werk. De voorzieningen worden hieronder verder besproken. Niet ieder traject of iedere voorziening is passend voor een werkzoekende. Om te kunnen bepalen welke voorziening ingezet wordt, wordt een indeling in ‘stromen’ gebruikt. Iedere klant wordt ingedeeld in een ‘stroom’, die de afstand tot de arbeidsmarkt weergeeft. Een correcte stroom-indeling helpt bij de juiste dienstverlening aan werkzoekenden. De vier stromen staan hieronder kort beschreven. Indeling in stromen Stroom 1: lange afstand tot de arbeidsmarkt, klanten in deze stroom hebben in de eerste plaats behoefte aan ondersteuning op het gebied van zorg en welzijn. Stroom 2: relatief lange afstand, er zijn langdurig voorzieningen nodig om de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. Stroom 3: dit betreft klanten met een korte afstand tot de arbeidsmarkt: door middel van ondersteuning van de gemeente kan deze klant in een korte periode aan het werk zijn bij een werkgever (eventueel met loonkostensubsidie). Stroom 4: dit betreft klanten met een korte afstand tot de arbeidsmarkt, die direct aan het werk zouden kunnen zonder ondersteunende voorzieningen. Plan van aanpak Als een klant recht heeft op een uitkering, wordt samen met de klant een plan van aanpak opgesteld. In het plan wordt stilgestaan bij de huidige situatie van de klant op de arbeidsmarkt en wordt omschreven welke sterke punten en belemmeringen van invloed kunnen zijn op de mate waarin de klant kan deelnemen aan de arbeidsmarkt. In het plan van aanpak worden meetbare en realistische doelen en activiteiten opgenomen die zijn gericht op arbeid of maatschappelijke activiteiten. Deze activiteiten kunnen variëren van het contact opnemen met een hulpverlener tot het solliciteren op een vacature. In het plan van aanpak wordt ook de ondersteuning vanuit de gemeente concreet gemaakt. 1.7 Voorzieningen voor personen met lange afstand tot arbeidsmarkt Voor personen die ver van de arbeidsmarkt afstaan, zijn in ieder geval de volgende voorzieningen beschikbaar: Arbeidsmatige dagbesteding (1.7.1) Meedoenplek (1.7.2) Beschut werk (1.7.3) Werkervaringsplaats (1.7.4) Wettelijke loonkostensubsidie (1.7.5) Scholing (1.7.6) Persoonlijke voorzieningen bij werk en scholing (1.7.7) 1.7.1 Arbeidsmatige dagbesteding Wat houdt het in? Arbeidsmatige dagbesteding is een vorm van onbetaald werk met veel begeleiding. Bijvoorbeeld werk op een tuinderij, in een kantine, timmerwerkplaats of keramiek-werkplaats. Arbeidsmatige dagbesteding biedt structuur en invulling van de dag. Het kan ook een manier zijn om de kans op een 'gewone' baan te vergroten. Als iemand een uitkering van de gemeente heeft, dan loopt de uitkering door tijdens de dagbesteding. Voor wie is het? Arbeidsmatige dagbesteding is bestemd voor de inwoner die: lichamelijke, cognitieve, zintuiglijke, verstandelijke of psychiatrische beperkingen heeft, daardoor slechts met intensieve begeleiding kan werken, met dat werk niet het wettelijk minimumloon kan verdienen, en 18 jaar of ouder is maar de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. Wat zijn de voorwaarden? Inwoners met een lichte of matige beperking kunnen een beroep doen op de Wet Maatschappelijke ondersteuning, die ook door de gemeente wordt uitgevoerd. De gemeente heeft contracten afgesloten met organisaties, die arbeidsmatige dagbesteding uitvoeren. Inwoners met een ernstige beperking kunnen een beroep doen op de Wet langdurige zorg. Die wet wordt uitgevoerd door het Centrum indicatiestelling zorg. Voor meer informatie over de voorwaarden: https://www.ciz.nl. 1.7.2 Meedoenplek Wat houdt het in? Een meedoenplek is een werkplek waarbij het accent ligt op het benutten en ontwikkelen van talenten, het opbouwen van dagstructuur en een sociaal netwerk, het opdoen van arbeidsritme en werkervaring. Als wordt gewerkt op een meedoenplek loopt de uitkering door. De meedoenplek kan een eerste stap zijn op weg naar (betaald) werk. Voor wie is de meedoenplek bestemd? Voor een meedoenplek komen in aanmerking personen uit de doelgroep (zie par. 1.5.3), met een kleine kans op betaald werk. Wat zijn de voorwaarden? De volgende voorwaarden zijn van toepassing: Kleine kans op werk Geen sprake van verdringing op de arbeidsmarkt of oneerlijke concurrentie Schriftelijke overeenkomst tussen de gemeente, klant en organisatie, waarin het doel van de meedoenplek is vastgelegd De gemeente kan op verzoek van de klant nagaan of hij kan worden geplaatst op een meedoenplek. De gemeente kan dit ook op eigen initiatief beoordelen en aanbieden. De meedoenplek duurt zolang de organisatie iemand de gelegenheid biedt om daar te werken, maar als duidelijk is dat iemand toe is aan een nieuwe stap, kan de meedoenplek ook beëindigd worden. Het is dan de bedoeling, dat de meedoenplek wordt opgevolgd door een werkervaringsplaats of een andere voorziening, waardoor betaald werk mogelijk wordt. Bij welke organisaties is een meedoenplek mogelijk? Voor informatie over de organisaties waar een meedoenplek mogelijk is: www.meedoeninzutphen.nl. 1.7.3 Beschut werk Wat houdt het in? Een beschutte werkplek is een werkplek bij een werkgever voor een inwoner die alleen onder aangepaste omstandigheden kan werken. Beschut werken is werken in een normaal dienstverband, vaak met loonkostensubsidie. Beschut werk vraagt altijd om aanpassing van de werkplek of intensieve begeleiding in een beschutte werkomgeving. De gemeente is verantwoordelijk voor de dienstverbanden beschutte werkplekken en krijgt hiervoor jaarlijks van het Rijk een taakstelling voor het aantal dienstverbanden dat moet worden aangeboden. Voor wie is het? Beschut werk is een re-integratie- voorziening voor inwoners die tot de doelgroep van de gemeente behoren of van het UWV een uitkering ontvangen, en die uitsluitend onder aangepaste omstandigheden kunnen werken. Wat zijn de voorwaarden? UWV moet een positief advies geven. UWV heeft de wettelijke opdracht om de gemeente hierover te adviseren. Een verzoek om advies kan worden ingediend door de inwoner of de gemeente. UWV beoordeelt dan of de persoon kan werken en of er sprake is van: een of meer technische of organisatorische aanpassingen die niet binnen redelijke grenzen door een werkgever kunnen worden gerealiseerd; permanent toezicht of intensieve begeleiding die niet binnen redelijke grenzen door een werkgever kan worden aangeboden. Als aan deze voorwaarden is voldaan, adviseert UWV positief. De gemeente neemt dit advies in principe over. De gemeente neemt binnen 8 weken een besluit op grond van het advies van het UWV. Wat doet de gemeente nog meer? De gemeente kan de werkgever die een inwoner een beschutte werkplek aanbiedt het volgende aanbieden: loonkostenkostensubsidie: zie verder par. 1.7.5 extra begeleiding op de werkplek, zie par. 1.7.7 tegemoetkoming in de kosten van een werkplekaanpassing, zie par. 1.7.7 De gemeente verzorgt het dienstverband Hoe ondersteunt de gemeente de inwoner in de periode die aan zijn dienstverband beschut werk voorafgaat? Elke situatie is anders, dus de gemeente houdt rekening met de individuele situatie van de klant. Als het nodig en zinvol is, wordt één van de volgende voorzieningen aangeboden: scholing; persoonlijke ondersteuning, of schulddienstverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Hoe wordt de werkgever ondersteund? De werkgever die een dienstbetrekking aangaat met een inwoner met een beschut werk-indicatie wordt door het Rijk gecompenseerd in de kosten daarvan via de zgn. ‘no-riskpolis’ van het UWV bij ziekte van de werknemer, en met verschillende fiscale maatregelen, waaronder het Lage inkomensvoordeel. Hoe lang duurt Beschut werk? Zo lang als de positieve indicatie van UWV geldig is en het dienstverband duurt, tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. In de meeste gevallen zal het om een langdurige periode gaan. Maar het is mogelijk dat omstandigheden veranderen, waardoor een nieuw advies van het UWV nodig is. Zowel de werknemer als de gemeente kunnen een advies aanvragen bij het UWV. Bij welke organisaties kan beschut worden gewerkt? De gemeente Zutphen of een door haar aan te wijzen derde kan als werkgever optreden. 1.7.4 Werkervaringsplaats Wat houdt het in? De werkervaringsplaats is de Zutphense vorm van werken met behoud van uitkering. Er zijn twee mogelijkheden: De eerste mogelijkheid is dat deze voorziening wordt aangeboden als de afstand tot de arbeidsmarkt groot is, maar niet vaststaat hoe die afstand het beste overbrugd kan worden. De werkervaringsplaats maakt een analyse mogelijk waaruit blijkt welke voorziening het beste kan worden aangeboden om de afstand tot de arbeidsmarkt te overbruggen. De tweede mogelijkheid is dat de werkervaringsplaats wordt of blijft ingezet, als vaststaat dat werken met behoud van uitkering voorlopig de enige optie is om de aansluiting tot een betaalde baan te verkrijgen; in dat geval zal de werkervaringsplaats langere tijd kunnen duren. Voor wie is het? De werkervaringsplaats is bedoeld voor inwoners uit de doelgroep met een (zeer) grote afstand tot de arbeidsmarkt. Wat zijn de voorwaarden? Er mag geen sprake zijn van verdringing op de arbeidsmarkt; het gaat om additionele (extra) werkzaamheden. In een schriftelijke overeenkomst tussen de organisatie, de klant die van de werkervaringsplaats gebruik maakt en de gemeente wordt in ieder geval vastgelegd: het doel van de werkervaringsplaats; en de manier waarop de begeleiding plaatsvindt. De gemeente kan op verzoek van de klant nagaan of hij kan worden geplaatst op een werkervaringsplaats. De gemeente kan dit ook op eigen initiatief beoordelen en aanbieden. Wat doet de gemeente nog meer? Uiterlijk in de derde maand nadat een start met de werkervaringsplaats is gemaakt, vindt samen met de organisatie een evaluatie plaats. Hoe lang duurt een werkervaringsplaats? De Werkervaringsplaats duurt zo kort mogelijk, maar niet langer dan maximaal zes maanden. In bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld als de afstand tot de arbeidsmarkt vooralsnog groot blijft, kan die termijn verlengd worden: uitgangspunt is steeds dat regulier betaald werk het doel is en de Werkervaringsplaats niet voor onbepaalde tijd is. Bijzonderheden De gemeente vergoedt de noodzakelijke kosten van een assessment of vergelijkbaar testinstrument dat wordt gebruikt om te beoordelen hoe groot de afstand van de klant tot de arbeidsmarkt is en hoe de klant ondersteund kan worden om die afstand te overbruggen. Bij welke organisaties is een werkervaringsplaats mogelijk? Het beleid is erop gericht dat werkervaring zoveel mogelijk in profitorganisaties wordt opgedaan: dat maakt de kans op uitstroom het grootst. Indien plaatsing in een profitorganisatie niet mogelijk is, is plaatsing in een non profit organisatie mogelijk. 1.7.5 Wettelijke loonkostensubsidie Wat houdt het in? Loonkostensubsidie is een maandelijkse tegemoetkoming in de loonkosten die wordt verstrekt door de gemeente waar de te subsidiëren of gesubsidieerde werknemer woonachtig is. Deze wettelijke loonkostensubsidie is bedoeld voor een werkgever, die iemand in dienst neemt, die minder productief is door een arbeidsbeperking. Hoe lager de productiviteit, hoe hoger de loonkostensubsidie. De werknemer ontvangt het normale cao-loon of het wettelijk minimumloon, als er geen cao is. Het besluit tot loonkostensubsidie wordt genomen binnen vijf weken nadat de loonwaarde is vastgesteld; of nadat is vastgesteld dat de vaststelling van de loonwaarde achterwege kan blijven als sprake is van een vaste loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet. Deze loonkostensubsidie is aan het einde van paragraaf 1.7.5 beschreven. Voor wie is het? Loonkostensubsidie is bedoeld voor een werkgever die een persoon uit de doelgroep van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a van de Participatiewet in dienst neemt of houdt die niet of niet meer in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen vanwege een lichamelijke, verstandelijke of psychosociale beperking. Zowel de persoon die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort als de werkgever kunnen een aanvraag indienen. De loonkostensubsidie kan ook ambtshalve worden toegekend. Voor de persoon die een dienstbetrekking heeft, moet de aanvraag binnen 6 maanden na het begin van de dienstbetrekking worden ingediend. Wat zijn de voorwaarden? Het moet gaan om iemand uit één van de volgende groepen: Mensen met een uitkering van de gemeente; Andere mensen die door de gemeente geholpen moeten worden om werk te vinden; Jongeren, die vanuit het praktijkonderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs of de entree-opleiding van het ROC aan het werk gaan of die in een BBL-traject zitten; Mensen, die een beschutte werkplek hebben, behalve mensen met een Wajong-uitkering. De werkgever moet de loonkostensubsidie aanvragen voordat het dienstverband wordt gesloten, behalve als het gaat om een jongere die praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of MBO-entree-opleiding heeft gevolgd. Het dienstverband met die jongere moet zijn aangegaan binnen zes maanden na beëindiging van de opleiding Klant is niet in staat om het wettelijk minimumloon te verdienen Er is sprake van een arbeidsbeperking Hoe wordt de loonkostensubsidie bepaald? Op basis van de functie wordt beoordeeld wat iemand kan verdienen (de zgn. loonwaarde). Dat gebeurt door een loonwaardedeskundige die ten minste voldoet aan de kwalificaties in paragraaf 3 van de Regeling loonkostensubsidie Participatiewet 2021. De loonwaardedeskundige stelt de loonwaarde op de werkplek vast aan de hand van de (landelijk) geüniformeerde werkwijze. Belangrijke aspecten bij het meten van de loonwaarde zijn: de kwaliteit van de productie, het werktempo en de productieve tijd van de werknemer. Dat wordt vergeleken met een gemiddelde werknemer in een functie die qua samenstelling van de werkzaamheden het dichtst bij de werkzaamheden van de (nieuwe) werknemer ligt. De loonwaarde wordt gemeten als percentage van het wettelijk minimumloon. Als onduidelijk is of de functie echt bij de werknemer past, kan de werknemer toestemming krijgen om eerst maximaal 3 maanden met behoud van uitkering te werken (proefplaats). Hoe gaat een meting van de loonwaarde in zijn werk? De loonwaarde op de werkplek wordt aan de hand van de (landelijk) geüniformeerde werkwijze vastgesteld. Het college wordt voor de vaststelling van de loonwaarde geadviseerd door een loonwaardedeskundige die ten minste voldoet aan de kwalificaties in paragraaf 3 van de Regeling loonkostensubsidie Participatiewet 2021. Deze kwalificaties betreffen de aanwezigheid van een getuigschrift, werkervaring, kennis van toepasselijke wet- en regelgeving met betrekking tot de loonwaardebepaling en van de arbeidsmarkt. Het proces van de loonwaardebepaling bestaat uit de volgende stappen: Eerst stelt de loonwaardedeskundige samen met de werkgever de normfunctie, functieloon en hoofdtaken vast. Daarna brengt de loonwaardedeskundige een werkplekbezoek aan de werkgever. Hij spreekt de werkgever en werknemer en beoordeelt de prestatie van de werknemer ter plekke. De loonwaardedeskundige bespreekt zijn bevindingen omtrent de beoordeling van de prestaties van de werknemer met de werkgever. Dan stelt de loonwaardedeskundige een rapportage op en berekent de loonwaarde en de loonkostensubsidie. Ten slotte legt de loonwaardedeskundige in een beschikking vast of er loonkostensubsidie wordt verstrekt en zo ja, hoe hoog die dan is. De beschikking wordt zowel aan de werkgever als de werknemer verstuurd. De loonwaarde op de werkplek wordt op een (landelijk) geüniformeerde wijze vastgelegd. Dat betekent dat: er gebruik wordt gemaakt van het model-rapport dat een bijlage is bij paragraaf 2 van de Regeling loonkostensubsidie Participatiewet 2021; het bepalen van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bij loonkostensubsidie, de vaststelling van de loonwaarde, het bepalen van de normfunctie, de arbeidsprestatie per hoofdtaak zijn gebaseerd op de paragrafen 2 en 3 van het Besluit loonkostensubsidie Participatiewet 2021. Wat is de hoogte van de loonkostensubsidie? De berekening van de loonkostensubsidie gaat volgens de volgende rekenformule: Bepalen loonwaarde Loonwaarde = percentage van het wettelijk minimum (jeugd)loon (inclusief 8% vakantietoeslag) Wettelijk minimumloon (inclusief 8% vakantietoeslag) minus loonwaarde = hoogte loonkostensubsidie (ex vergoeding werkgeverslasten) vergoeding werkgeverslasten = het percentage genoemd in artikel 1 van de Regeling loonkostensubsidie Participatiewet Stap 3 en 4 optellen = de loonkostensubsidie De loonkostensubsidie is maximaal 70 procent van het wettelijk minimumloon. De werkgever ontvangt daarnaast een vergoeding voor de werkgeverslasten. Dit is het percentage genoemd in artikel 1 van de Regeling loonkostensubsidie Participatiewet 2021. Hierin is de hoogte vastgelegd van de in artikel 10d, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet genoemde vergoeding voor werkgeverslasten. Het kan ook zijn dat de werknemer wordt gedetacheerd. De werkgever bij wie de werknemer gaat werken, betaalt dan een inleenvergoeding aan de werkgever die detacheert (de formele werkgever). Bij het bepalen van de hoogte van de inleenvergoeding kan rekening worden gehouden met de hoogte van de loonkostensubsidie. Hoe lang duurt de loonkostensubsidie? De loonkostensubsidie loopt door tot het einde van de dienstbetrekking of tot het moment waarop de arbeidsproductiviteit zo toegenomen is, dat er geen loonkostensubsidie meer nodig is. Er kan tussentijds onderzoek worden gedaan naar de arbeidsproductiviteit en de loonwaarde. Vaste loonkostensubsidie Naast de loonkostensubsidie op basis van een loonwaardemeting op de werkplek, bestaat wettelijk de mogelijkheid om maximaal de eerste zes maanden dat iemand bij een werkgever in dienst komt, een vaste loonkostensubsidie te verlenen. Hierbij wordt in eerste instantie geen loonwaarde gemeten, maar bedraagt de subsidie standaard 50% van het wettelijk minimumloon. Deze vaste loonkostensubsidie is bedoeld voor situaties, waarin moeilijk ingeschat kan worden of er een groei in de productiviteit van de werknemer verwacht kan worden. De werkgever kan dan verzoeken om een vaste loonkostensubsidie. De gemeente bepaalt zelf of deze subsidie wordt verstrekt, of dat de loonkostensubsidie wordt gebaseerd op een loonwaardemeting. Na afloop van de vaste loonkostensubsidie, beoordeelt de gemeente of de loonkostensubsidie kan worden voortgezet op basis van een loonwaardemeting. Aan de vaste loonkostensubsidie zijn enkele nadelen verbonden voor werknemer en werkgever: de werknemer wordt niet opgenomen in het doelgroepregister voor de banenafspraak waardoor de banen tijdens de fase van vaste loonkostensubsidie dan niet meetellen voor de banenafspraak; de werkgever kan hierdoor niet in aanmerking komen voor de ‘no-risk-polis’ als de werknemer ziek wordt de werkgever kan niet in aanmerking komen voor het loonkostenvoordeel; het volgtijdelijk inzetten van een proefplaats en (daarna) een vaste loonkostensubsidie verlengt de nadelen vermeld onder a tot en met c. Hierdoor is de gemeente Zutphen terughoudend met het aanbieden van de combinatie van beide voorzieningen; een verkenning door de Werkkamer wijst uit dat 80% van de dienstbetrekkingen waarop een vaste loonkostensubsidie van toepassing is, gaat om mensen die tot de Doelgroep Banenafspraak behoren. Is er nog extra ondersteuning mogelijk? Naast de loonkostensubsidie kan de werkgever soms in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van een ‘jobcoach’. Dat kan een andere werknemer zijn of iemand van buiten de organisatie. Bij de gemeente kan om een tegemoetkoming in die kosten worden gevraagd. Zie verder par. 1.7.7. Daarnaast kan de werkgever soms in aanmerking komen voor een aanpassing van de werkplek of andere voorzieningen. Zie verder par. 1.7.7. 1.7.6 Scholing Wat houdt het in? Soms is scholing noodzakelijk om dichterbij de arbeidsmarkt te komen. Een klant jonger dan 27 jaar moet in principe gebruik maken van het reguliere onderwijs, zoals een MBO- of HBO-opleiding die door het rijk wordt bekostigd. zie verder par. 1.13.1. Gaat het om een klant die 27 jaar of ouder is, dan is regulier onderwijs meestal niet te volgen met behoud van uitkering. De klant is tijdens de studie namelijk niet beschikbaar voor werk. Als de klant in het individuele geval toestemming krijgt om regulier onderwijs te volgen, dan kan vanaf 1 augustus 2017 gebruik gemaakt worden van het zgn. ‘levenlanglerenkrediet’ op grond van de Wet studiefinanciering om de opleiding te betalen. Zie verder www.duo.nl. Is de gemeente van mening, dat een andere vorm van onderwijs, opleiding of training noodzakelijk is om de stap naar betaald werk te zetten, dan kan in overleg met de klant worden bepaald, in welke vorm dat wordt aangeboden. Daarbij wordt de individuele situatie van de klant betrokken. Het kan zijn dat de gemeente dit zelf organiseert, het kan ook zijn dat daarvoor een vergoeding wordt verstrekt. Voor wie is het? Scholing is in de eerste plaats bedoeld voor klanten met een lange afstand tot de arbeidsmarkt, maar kan ook aan klanten met een kortere afstand worden aangeboden. Dan zal de scholing vaak de vorm hebben van een kortdurende training, bijvoorbeeld een sollicitatietraining. Wat zijn de voorwaarden? De scholing moet noodzakelijk zijn om dichterbij werk te komen. Er mag geen andere voorziening in de kosten beschikbaar zijn. 1.7.7 Persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing Wat houdt het in? De gemeente Zutphen is ook verantwoordelijk voor het inzetten van zogenoemde ‘persoonlijke en op werk en opleiding gerichte voorzieningen’ voor mensen met een arbeidsbeperking die onder de doelgroep van de gemeente vallen. Het gaat om de volgende categorieën voorzieningen: Vervoersvoorzieningen: om naar het werk of opleidingslocatie te reizen, in de vorm van aanpassing van het eigen vervoermiddelen of van een vergoeding voor ander vervoer. Intermediaire voorzieningen: voor medewerkers met arbeidsvermogen die moeite hebben met zien, horen of bewegen, bijv. doventolk of voorleeshulp. Meeneembare voorzieningen: voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- of werkmethoden; het gaat daarbij om aanpassingen of hulpmiddelen die ook op een andere werkplek gebruikt kunnen worden (en niet standaard beschikbaar zijn binnen een bedrijf), bijvoorbeeld orthopedische schoenen en brailleleesregels. de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en de bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen; Noodzakelijke persoonlijke ondersteuning: begeleiding op de werkplek (jobcoaching) of tijdens een proefplaats. Een voorziening kan in natura beschikbaar worden ingesteld of in de vorm van een geldbedrag. Voor wie is het? Persoonlijke voorzieningen zijn bedoeld voor klanten uit de doelgroep van de gemeente die deze voorzieningen nodig hebben om te kunnen werken, of te kunnen deelnemen aan een traject richting werk. Het moet gaan om klanten die een arbeidsbeperking hebben. Wat zijn de voorwaarden? Aan persoonlijke voorzieningen zijn enkele voorwaarden verbonden: De voorziening is noodzakelijk Er is geen andere voorziening beschikbaar in de kosten De klant heeft een arbeidsbeperking De voorziening wordt toegekend volgens het principe: niet meer en niet langer dan noodzakelijk De gemeente kan op verzoek van de werknemer of de werkgever nagaan of de klant in aanmerking komt voor een persoonlijke voorziening. De gemeente kan dit ook op eigen initiatief beoordelen. Wat is er geregeld over de uitvoering? Tot 2018 nam het UWV de toekenning, inkoop en verstrekking voor zijn rekening. Vanaf 2018 zijn individuele gemeenten hiervoor verantwoordelijk; gegeven de geringe schaal waarop tot dusverre meeneembare voorzieningen werden ingezet, is het te vroeg voor beleidsinvulling. Beleid kan in de toekomst worden gebaseerd op de handreiking “Meeneembare voorzieningen Participatiewet 2018”, van de VNG. Voor de organisatie van jobcoaching en vervoersvoorzieningen bestaan geen landelijke afspraken. Jobcoaching wordt in principe door de gemeente zelf aangeboden. Als dit niet mogelijk is, kan de gemeente kiezen voor een vergoeding. Belanghebbende en medebelanghebbende (invoegen na tekst onder kopje Wat is er geregeld over de uitvoering) De wettelijke verankering van de aanvraagmogelijkheid voor zowel werknemer als werkgever die eveneens in de Verzamelverordening is opgenomen leidt ertoe dat gemeenten aandacht moeten besteden aan het belang voor beiden. Wanneer de werkgever een aanvraag voor ondersteuning indient, is de werknemer medebelanghebbende. In dit geval ontvangt de werkgever een besluit op de aanvraag in de vorm van een beschikking en brengt de gemeente Zutphen werknemer hiervan op de hoogte. Dat doen we bijvoorbeeld met een informatieve brief met daarbij een kopie van de beschikking (aan de werkgever). Als medebelanghebbende heeft de werknemer bovendien bezwaar- en beroepsrecht en is het wenselijk dat hij hierop geattendeerd wordt. Als de werkgever medebelanghebbende is, geldt het vorengaande eveneens. 1.8 Voorzieningen personen met korte afstand tot arbeidsmarkt Voor klanten die een korte afstand tot de arbeidsmarkt hebben en dus snel aan het werk kunnen, geldt dat zij in principe geen voorzieningen nodig hebben. De ondersteuning richt zich vooral op het doorverwijzen naar vacatures, uitzendbureaus en arbeidsbemiddelaars. Wel is e-coaching door de gemeente beschikbaar. Dat is een vorm van dienstverlening, waarbij de klant adviezen krijgt over stappen die gezet kunnen worden richting de arbeidsmarkt. Ook wordt soms sollicitatietraining aangeboden als dat volgens de gemeente noodzakelijk is voor de stap naar werk. Naast de genoemde voorzieningen kunnen met name een tijdelijke loonkostensubsidie en proefplaats als stimulans worden aangeboden. 1.8.1 Proefplaats Wat houdt het in? Een proefplaats betekent werken met behoud van uitkering met het vooruitzicht op een dienstverband van minimaal zes maanden (zonder proeftijd- of uitzendbeding), als de proefplaats succesvol is. Het gaat erom dat de werkgever de bedoeling heeft om na de proefplaats een dienstverband aan te bieden, met een minimale omvang van hetzelfde aantal uren hebben als tijdens de proefplaats. Voor wie is het? De gemeente Zutphen kan een proefplaats aanbieden aan een werkgever, die twijfelt over de vaardigheden en inzetbaarheid van een inwoner met een bijstandsuitkering of een IOAW-uitkering. Zowel de gemeente als de werkgever moet de proefplaats als een noodzakelijke voorfase van een dienstverband zien. Wat zijn de voorwaarden? De volgende voorwaarden zijn van toepassing: Werkgever verklaart schriftelijk dat bij goed gevolg een arbeidsovereenkomst met de klant wordt aangegaan van minimaal zes maanden De proefplaats is volgens de werkgever en de gemeente noodzakelijk als voorfase van een arbeidsovereenkomst De proefplaats duurt twee maanden en kan met maximaal vier maanden worden verlengd als individuele omstandigheden of de situatie daartoe aanleiding geven; een voorbeeld is dat de werkgever redelijkerwijs nog iets meer tijd nodig heeft om tot het aangaan van de dienstbetrekking over te gaan. Verlenging kan plaatsvinden nadat werkgever en klant daartoe een schriftelijk gemotiveerd en gezamenlijk verzoek hebben ingediend. Wat doet de gemeente Zutphen nog meer? De gemeente biedt tijdens de proefplaats op verzoek van de werkgever coaching aan op de werkplek. Team GelreWerkt! verzorgt zelf de coaching, of vergoedt, indien nodig de kosten van een coach die door de gemeente of de werkgever wordt ingehuurd. De gemeente kan de kosten van een noodzakelijke opleiding of training van de klant vergoeden, als de opleiding of training in een arbeidsontwikkelingsplan is opgenomen. Zie verder paragraaf 1.7.6 Bijzonderheden De gemeente stemt uitsluitend met een proefplaats in als de klant niet eerder werkzaamheden voor de werkgever heeft verricht. In bijzondere situaties kan de gemeente hiervan afwijken. 1.9 Onkostenvergoeding Wat houdt het in? De gemeente kan deze kosten aan inwoners uit de doelgroep vergoeden als de kosten voortkomen uit het uitvoeren van het plan van aanpak. Wat zijn de voorwaarden? Het gaat om kosten, die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het plan van aanpak; Vergoed worden slechts de kosten die worden gemaakt voor de goedkoopste, passende oplossing; De kosten worden door bewijsstukken aangetoond. Verwervingskosten m.b.t. werkaanvaarding; Deze kosten kunnen niet worden betaald uit de Uitstroombonus, waarop inwoners recht hebben. De gemeente kan op eigen initiatief of op verzoek van de klant nagaan of een onkostenvergoeding verstrekt kan worden. 1.10 Vrijlating van inkomsten Voor vier groepen klanten die een uitkering van de gemeente Zutphen hebben, is er de mogelijkheid om inkomsten uit deeltijdwerk vrij te laten bij het bepalen van de hoogte van de uitkering. Het gaat om: inkomsten uit arbeid voor iedereen vanaf 27 jaar met een uitkering; inkomsten uit arbeid voor alleenstaande ouders vanaf 27 jaar voor zover geen recht bestaat op een vrijlating wegens een medische urenbeperking (onder
- c)of vrijlating op grond van arbeid verricht door mensen die tot de doelgroep wettelijke loonkostensubsidie behoren (onder d); inkomsten uit arbeid voor mensen met een zogeheten medisch-urenbeperking; inkomsten uit dienstbetrekking als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet voor mensen die tot de doelgroep wettelijke loonkostensubsidie behoren. Voor meer informatie: zie hoofdstuk 4 Inkomen en vermogen. 1.11 Arbeidsmedisch advies Lichamelijke of psychosociale klachten kunnen aandachtspunten opleveren bij de ondersteuning door de gemeente naar werk. Zo nodig kan dan een arbeidsmedisch advies worden ingewonnen. Vaak is het niet nodig een keuring aan te vragen. Als bijvoorbeeld duidelijk is dat de klant niet belastbaar is voor werk (of soms: participatie) dan heeft een keuring geen toegevoegde waarde. Ook als sinds de vorige keuring niets is veranderd, is een keuring niet noodzakelijk. In veel gevallen is het bovendien beter met de klant te bespreken wat hij allemaal wel kan. Als een keuring echt noodzakelijk is, kan een medisch/psychologisch/arbeidskundig advies bij de gecontracteerde organisatie aangevraagd worden. Het medisch advies wordt in principe overgenomen. Een second opinion wordt alleen aangevraagd, als de diagnose en het advies niet helder genoeg zijn. 1.12 Administratieve voorschriften Administratieve voorschriften zijn nodig om het recht op ondersteuning bij re-integratie te regelen. Deze voorschriften geven antwoorden op vragen als: Hoe kan de inwoner zijn onkosten bij de gemeente declareren? Hoe kan de inwoner ondersteuning krijgen bij het zoeken naar werk? Aanvragen ondersteuning en voorzieningen Inwoners die een uitkering van de gemeente ontvangen, krijgen op initiatief van de gemeente een aanbod voor ondersteuning en zo nodig voor een voorziening als dat voor hun re-integratie of participatie nodig is. Inwoners die geen uitkering van de gemeente ontvangen, maar die aanspraak willen maken op de ondersteuning bij re-integratie door de gemeente krijgen na melding altijd een (intake)gesprek met een consulent Werk die de ondersteuningswensen van de niet uitkeringsgerechtigde inventariseert en een plan van aanpak opstelt. Voorzieningen die de gemeente kan verstrekken, kunnen worden aangevraagd of worden op eigen initiatief van de gemeente verstrekt. Per voorziening is geregeld hoe een klant aanspraak op zo’n voorziening kan krijgen (zie de betreffende paragraaf). De ondersteuning en de voorziening(
- en)staan opgenomen in een plan van aanpak. Hierbij hoort een beschikking, waarin afspraken en verplichtingen staan. Tegen deze beschikking staat de mogelijkheid van bezwaar open. Als de gemeente een voorziening of vergoeding betaalt, gebeurt dat door overmaking op de door de inwoner opgegeven bankrekening. De gemeente kan hiervan afwijken als betaling op een andere wijze gewenst of noodzakelijk is. Inlichtingen- en medewerkingsplicht De werkgever en de inwoner zijn verplicht om de gemeente onmiddellijk in te lichten over feiten en omstandigheden die van invloed zijn op het recht op de voorziening die is aangevraagd of toegekend. De werkgever en de inwoner verlenen daarom de medewerking die nodig is voor de uitvoering van deze beleidsvoorschriften. Beëindiging voorziening De voorziening wordt beëindigd, zodra er geen recht meer op bestaat. Het kan zijn dat dit met terugwerkende kracht gebeurt. Als dat het geval is, wordt de voorziening teruggevorderd. De inwoner of werkgever ontvangt hierover schriftelijk bericht. 1.13 Bijzondere doelgroepen Voor een aantal specifieke groepen geldt dat de gemeente daar specifiek beleid voor heeft of dat er een specifieke werkwijze voor geldt. 1.13.1 Jongeren Jongeren tot 27 jaar vormen binnen de Participatiewet een specifieke doelgroep. Het uitgangspunt is bij deze jongeren altijd dat zij óf naar school gaan óf gaan werken. Als een jongere zich bij de gemeente meldt voor een uitkering, wordt eerst beoordeeld of die jongere regulier onderwijs kan gaan volgen dat door het rijk gefinancierd wordt. Denk daarbij aan onderwijs aan een ROC of een Hbo-opleiding. Als de jongere dat onderwijs direct kan volgen, kan er geen bijstandsuitkering worden toegekend en kunnen er ook geen voorzieningen vanuit de Participatiewet worden ingezet. De jongere kan ook niet in aanmerking komen voor premies, zoals de uitstroombonus. Als de jongere geen regulier onderwijs kan volgen en ook niet direct aan het werk kan gaan, kan de gemeente in bijzondere situaties toch ondersteuning en voorzieningen aanbieden. Van een bijzondere situatie kan sprake zijn als de jongere door een ernstige ziekte, of andere bijzondere omstandigheden (bijv. in relatie met beperkte leermogelijkheden) langdurig niet of niet voldoende inkomsten kan verwerven. Kan de jongere onderwijs volgen? De doelgroep, jongeren tot 27 jaar, kan worden opgesplitst in: Jongeren zonder startkwalificatie die naar verwachting binnen 6 maanden (weer) kunnen deelnemen aan regulier onderwijs. Deze jongeren krijgen alleen ondersteuning om aan het werk te komen, tot het moment waarop met de opleiding kan worden gestart. De ondersteuning houdt in: wegwijs maken op de arbeidsmarkt, doorverwijzen naar uitzendbureaus en arbeidsbemiddelaars e.d. Er wordt geen voorziening ingezet. Jongeren met startkwalificatie die al een opleiding hebben afgerond (HAVO, VWO of MBO-2) Ook bij deze jongeren staat deelname aan regulier onderwijs voorop. Er moet wel beoordeeld worden of het volgen van een vervolgopleiding passend en zinvol is voor de jongere. Bij deze beoordeling houdt de gemeente rekening met de leeftijd en arbeidskansen van de jongere, en de mogelijkheden om studiefinanciering te kunnen krijgen. Daarbij is niet van belang dat de studiefinanciering uit een lening bestaat. Is de gemeente van mening dat een vervolgopleiding niet passend en zinvol is, dan wordt de jongere met ondersteuning van de gemeente gestimuleerd om werk te zoeken. Opleggen zoektermijn 4 weken Iedere jongere tot 27 jaar krijgt direct na melding bij de gemeente een zoektermijn van vier weken. In deze vier weken ligt de focus op het zelfstandig en actief zoeken naar scholing en/of werk. De jongere en de medewerker van de gemeente Zutphen maken samen afspraken over de uit te voeren activiteiten gedurende de zoektermijn. Deze afspraken worden vastgelegd en ondertekend. Na de zoektermijn van vier weken kan een aanvraag worden ingediend en in behandeling worden genomen. De meldingsdatum is van belang als (mogelijke) ingangsdatum voor het recht op uitkering. Jongeren met een partner van 27 jaar of ouder kunnen wel direct een aanvraag indienen. Voor hen geldt geen zoektermijn. Als blijkt dat de jongere binnen vier weken geen baan heeft gevonden of studie kan volgen, dan kan hij zich opnieuw melden bij de gemeente Zutphen om een aanvraag in te dienen. Van deze zoektermijn zijn personen tot 27 jaar uitgezonderd die: een loonkostensubsidie ontvangen of tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren; een medische urenbeperking hebben; of tot een jaar voor de aanvraag van bijstand op het praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs ingeschreven hebben gestaan. Dit geldt ook als zij voorafgaand aan de aanvraag al een baan hebben gehad. Deze jongeren kunnen direct na de melding een aanvraag voor bijstand indienen die de gemeente direct in behandeling kan nemen en daarmee zowel kan voorzien in ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als in inkomensondersteuning (bijstand): hierbij geeft de gemeente tevens uitvoering aan het “Werkproces Praktijkonderwijs en Voortgezet speciaal onderwijs” dat op deze – specifieke – situatie ziet en waarmee uitkeringsafhankelijkheid zoveel mogelijk wordt voorkomen dan wel beperkt doordat de ondersteuning bij arbeidsinschakeling zich richt op (betaald) werk-aanvaarding al dan niet met inzet van (re-integratie-) voorzieningen, zoals een loonkostensubsidie. Ondersteuning bij Zelfstandig ondernemerschap De gemeente wil jongeren die gemotiveerd en daartoe in staat zijn, stimuleren als zelfstandig ondernemer aan de slag te gaan. Dit kan op basis van het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz) en de beleidsvoorschriften voor Parttime zelfstandigen. Zie par. 1.13.3. 1.13.2 Alleenstaande ouder Alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering zijn verplicht om gebruik te maken van voorzieningen die de gemeente aanbiedt om de kans op betaald werk te vergroten. Het kan hierbij gaan om het volgen van een opleiding of scholing, werkervaringsplek, vrijwilligerswerk of andere activiteiten die op termijn tot werk kunnen leiden. De stappen die de alleenstaande ouder gaat zetten om de kans op werk te vergroten worden vastgelegd in een plan van aanpak. Het plan wordt door de alleenstaande ouder, samen met de medewerker van de gemeente, opgesteld. Rekening wordt gehouden met de combinatie van zorg, participatie, scholing en arbeid. Het plan van aanpak wordt ook opgesteld voor de alleenstaande ouder die geen arbeidsverplichting heeft. Kan de alleenstaande ouder een ontheffing krijgen van de arbeidsverplichting? Een alleenstaande ouder met de zorg voor één of meer ten laste komende kinderen tot 5 jaar, kan ontheven worden van de verplichting om werk te aanvaarden of daarnaar te zoeken. De ontheffing moet de alleenstaande ouder zelf bij de gemeente aanvragen. Meer informatie over hoe een ontheffing kan worden aangevraagd en de voorwaarden en uitzonderingen voor een ontheffing staat weergegeven in artikel 9a Participatiewet en in hoofdstuk 5 ‘Verplichtingen’ van deze beleidsvoorschriften. Wat onderneemt de gemeente en de alleenstaande ouder tijdens de ontheffing? Tijdens de ontheffing van de arbeidsverplichting ondersteunt de gemeente de alleenstaande ouder bij het vinden van werk of zinvolle maatschappelijke activiteiten. De gemeente kan bijvoorbeeld werk met behoud van uitkering aanbieden of de alleenstaande ouder helpen vrijwilligerswerk te vinden, maar op grond van de wet gaat scholing voor. Voor de ouder die niet over een startkwalificatie beschikt, wordt dit ingevuld met scholing die de kans op werk vergroot. Bij een alleenstaande ouder met een startkwalificatie die een ontheffing heeft gekregen en een BOL-opleiding wil volgen, geldt wettelijk de regel ‘ja, tenzij’. Alleen als de opleiding niet geschikt is voor de alleenstaande ouder kan de gemeente hiervan afzien. Moet de alleenstaande ouder zich verplicht voorbereiden op werk? Ja, de alleenstaande ouder heeft een inspanningsverplichting om zich voor te bereiden op werk. Voldoet de klant niet aan de verplichtingen dan vervalt het recht op ontheffing en kan de bijstandsuitkering worden verlaagd. 1.13.2.1Kinderopvang Soms is het nodig dat alleenstaande ouders gebruik maken van kinderopvang. Het kan zijn dat de ouder werkt. Dan bestaat er vaak recht op een kinderopvangtoeslag van de belastingdienst. De kinderopvangtoeslag dekt meestal niet alle kosten. Dan is het vaak mogelijk om voor die kosten een vergoeding te krijgen. Het kan ook zijn dat kinderopvang nodig is omdat de ouder niet in staat is om voor het kind te zorgen. Is dat zo, dan kan de ouder een vergoeding van de gemeente krijgen. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden: de ouder heeft geen recht op een tegemoetkoming op grond van de Wet Innovatie en kwaliteit kinderopvang die de kosten dekt. Soms is het mogelijk volledige vergoeding van de kosten te krijgen; de ouder kan voor het kind geen gebruik maken van de voorschoolse educatie. Dat is kinderopvang door een peuterspeelzaal voor peuters met een mogelijke (taal)achterstand. Doel is om de peuters beter voor te bereiden op de basisschool en er voor te zorgen dat kleuters zonder achterstand naar groep 3 kunnen; de kinderopvang is noodzakelijk op sociale of medische gronden. Die noodzaak is vastgesteld door Yunio. In het advies van Yunio wordt ook aangegeven in hoeverre kinderopvang noodzakelijk is (maatwerk). Als aan deze voorwaarden is voldaan, dan hangt de hoogte van de bijdrage af van het inkomen, het noodzakelijke aantal dagdelen en kosten van kinderopvang. Een dagdeel bedraagt maximaal vier uur. Om dat te bepalen zijn de regels over de kinderopvangtoeslag van toepassing. Zie: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/prive/toeslagen/kinderopvangtoeslag/. De noodzakelijke kosten voor kinderopvang, worden voor maximaal 2 dagdelen vergoed, als het bruto inkomen, berekend over drie kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, niet hoger is dan de laagste inkomensgroep die vermeld is in de bijlage I. behorende bij het Besluit kinderopvangtoeslag. Zie: http://wetten.overheid.nl/BWBR0017321/2017-01-01. De laagste inkomensgroep genoemd in bijlage I. behorende bij het Besluit kinderopvangtoeslag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders is de eerste regel van deze bijlage, en de laagste inkomensgroep genoemd in bijlage I. behorende bij het Besluit kinderopvangtoeslag voor gehuwden of daarmee volgens de Participatiewet gelijkgestelden is de vierde regel van deze bijlage (stand van zaken 2017). De gemeente stelt het inkomen van de ouder vast aan de hand van het fiscaal loon, ook wel genoemd: loon voor Loonheffing, loonheffing, loon LH-loon, loon voor de loonbelastingpremies volksverzekering of heffingsloon. De gemeente betaalt de kinderopvanginstelling de kosten van de kinderopvang. De bijdrage wordt per maand betaald voor de duur van maximaal zes maanden. Binnen deze termijn wordt beoordeeld of de termijn moet worden verlengd. Als de ouder een eigen bijdrage moet betalen, dan moet de ouder deze betalen aan de gemeente. Vanaf de datum dat de schriftelijke indicatiestelling kinderopvang is ontvangen, vergoedt de gemeente de kosten kinderopvang. 1.13.3 Zelfstandigen De gemeente wil zelfstandig ondernemerschap stimuleren en ondernemers ondersteunen. Daar zijn twee regelingen voor: de parttime zelfstandigen (PTZ) regeling en de Bbz 2004 (besluit bijstandsverlening zelfstandigen). Op het moment dat een klant bij de gemeente aangeeft (opnieuw) als ondernemer werkzaam te willen zijn, of al een eigen onderneming heeft, wordt een intakegesprek met een medewerker van de gemeente gehouden. In dit intakegesprek wordt ingeschat of het ondernemerschap bij de klant past is en of de onderneming kans van slagen heeft. Als ondernemerschap bij de klant past beoordeelt de gemeente of de Bbz of de PTZ van toepassing is. Hieronder worden beide regelingen kort toegelicht en wordt aangegeven hoe de relatie is met bijstandverlening. 1.13.3.1 Parttime zelfstandige (PTZ) Voor mensen die met een uitkering van de gemeente maximaal 23,5 uur per week als zelfstandige werken, of dat willen of kunnen, zijn in deze paragraaf regels opgenomen. Het gaat hier om parttime zelfstandigen. Over wie gaat het? Het gaat om mensen met een uitkering van de gemeente die maximaal 23,5 uur per week als zelfstandige werken of dat gaan doen. Op mensen die meer dan 23,5 uur als zelfstandige (willen) werken, is het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen van toepassing. Dit besluit is een voorliggende voorziening. Meer informatie over deze regeling kan bij de gemeente worden opgevraagd. Wat zijn de mogelijkheden? Iemand die met een uitkering als parttime zelfstandige wil gaan werken, heeft toestemming nodig van de gemeente, voordat de zelfstandige werkzaamheden worden gestart. Er moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan, voordat toestemming wordt verleend. De zelfstandige activiteiten moeten zijn opgenomen in het plan van aanpak dat met de klant is opgesteld. In het plan van aanpak staat beschreven waaraan het zelfstandig ondernemerschap bijdraagt. De parttime zelfstandige activiteiten mogen niet tot gevolg hebben, dat de kans op uitstroom uit de uitkering belemmerd wordt. De zelfstandige activiteiten leiden naar verwachting niet tot voldoende inkomsten om zelfstandig in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Het zelfstandige werk neemt maximaal 23,5 uur per week in beslag. De uren gelden voor de parttime zelfstandige en de eventuele bijstandspartner samen. De urengrens van 23,5 uur geldt voor alle werkzaamheden inclusief de uren die besteed moeten worden aan administratie en boekhouding. De parttime zelfstandige moet voldoen aan de wettelijke eisen, zoals vergunningen, inschrijving kamer van Koophandel en een boekhouding die voldoet aan de eisen die de Belastingdienst hiervoor hanteert. De op de omzet in mindering gebrachte kosten mogen niet meer bedragen dan wat in het economisch verkeer gebruikelijk is; De kosten mogen nooit meer dan de omzet bedragen. Op de omzet kunnen alleen door de Belastingdienst aangemerkte zakelijke en aftrekbare kosten in mindering worden gebracht. De toestemming wordt voor 12 maanden gegeven. Deze periode kan telkens worden verlengd met 12 maanden, zolang nog aan de voorwaarden en de hierna te noemen verplichtingen wordt voldaan. Als iemand toestemming krijgt om als parttime zelfstandige te gaan werken, hoeft hij voor de uren die daaraan besteed worden niet (actief) te solliciteren. Aangeboden werk in loondienst mag de parttime zelfstandige echter niet weigeren. Met andere woorden: parttime zelfstandig werk mag er niet toe leiden dat werken in loondienst niet meer mogelijk is. Wat zijn de verplichtingen? De parttime zelfstandige moet: Een boekhouding bijhouden volgens de normen van de Belastingdienst. Na afloop van het boekjaar moet voor 1 juli de boekhouding, inclusief een jaarrekening, evenals de aangifte voor de Inkomstenbelasting en aanslag bij de gemeente worden ingeleverd. Voor zijn diensten of producten tarieven gebruiken die marktconform zijn. Een aparte bankrekening openen voor het betalingsverkeer m.b.t. het zelfstandige werk. Maandelijks gelijktijdig met het mutatieformulier bij de gemeente een overzicht inleveren met een inkomstenopgave en een urenverantwoording. Geen langlopende financiële verplichtingen aangaan; Dit draagt er aan bij dat uitstroommogelijkheden niet belemmerd worden. Over de voorwaarden en verplichtingen worden met de parttime zelfstandige nadere afspraken gemaakt en vastgelegd in het plan van aanpak. Kan de toestemming ingetrokken worden? Als de parttime zelfstandige niet meer voldoet aan de voorwaarden of de verplichtingen, kan de toestemming om als parttime zelfstandige te werken, worden ingetrokken. Dat betekent, dat de zelfstandige werkzaamheden moeten worden beëindigd. Hoe worden inkomsten en kosten verrekend met de uitkering? Maandelijks wordt het bruto inkomen verrekend met de uitkering, op basis van de inkomstenopgave, die bij de gemeente wordt ingediend. De inkomsten worden voor een deel vrijgelaten, als voldaan is aan de voorwaarden die daarvoor gelden (zie par. 1.10). Berekening en betaling van de vrijlating en de (definitieve) inkomstenverrekening vinden achteraf plaats. Dat is nadat de parttime zelfstandige zijn boekhouding over het afgelopen kalenderjaar heeft ingeleverd. Bijzondere regeling voor leden van een Sociale Corporatie Als de zelfstandige lid is van een Sociale Corporatie die maatschappelijk verantwoord onderneemt, dan zijn daar voor de parttime zelfstandige enkele voordelen aan verbonden. Allereerst kan een zelfstandige voor de volledige duur van een werkweek worden vrijgesteld van de arbeidsverplichting om actief te solliciteren. Voor een lid van een Sociale Corporatie geldt ook, dat er afwijkende afspraken gemaakt kunnen worden m.b.t. de administratieve verplichtingen van de zelfstandige. 1.13.3.2 Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) Voor meer informatie over ondersteuning aan, en regelgeving over het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen kan contact worden opgenomen met de gemeente. 1.13.4 Jongere partner van AOW-gerechtigde Algemene bijstand voor personen in de pensioenleeftijd wordt verzorgd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Als er sprake is van twee partners wordt het recht op aanvullende bijstand aan beide partners gezamenlijk toegekend. Dit betekent dat de SVB dus ook recht toekent aan de jongere partner die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft. De jongere partner is op grond van de Participatiewet verplicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. De gemeente blijft verantwoordelijk voor de beoordeling van de re-integratieverplichtingen en -inspanningen en het aanbieden van ondersteuning bij de arbeidsinschakeling voor de partners jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. De SVB meldt de personalia van de jongere partner bij de contactpersonen van de gemeente zodra de bijstandsaanvraag Participatiewet is ontvangen. De werkcoach moet de klant oproepen en op de gebruikelijke wijze de re-integratiemogelijkheden met de klant bespreken. Als een klant ontheven moet worden voor de re-integratie of als een klant niet meewerkt aan zijn re-integratie, dient dit te worden gemeld aan de SVB. De SVB stuurt het besluit naar de betreffende klant en onderneemt acties bijvoorbeeld met betrekking tot het verlagen van de uitkering. De SVB stuurt een kopie van de betreffende besluiten naar de gemeente. 1.13.5 Samenlopers UWV Voor mensen met een uitkering verstrekt door het UWV (WW, WAO, WAZ, ZW e.d.) en een aanvullende bijstandsuitkering, IOAW- of IOAZ-uitkering, is het UWV verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning bij de re-integratie. Hierop bestaat met de invoering van de Participatiewet één algemene uitzondering: personen die werkzaam waren met een wettelijke loonkostensubsidie (art 10d Participatiewet) en instromen in een UWV-uitkering blijven voor ondersteuning bij re-integratie aangewezen op de gemeente, totdat zij twee jaar hebben gewerkt zonder loonkostensubsidie. 1.14 Specifieke projecten van de gemeente Om de kansen op werk en zinvolle maatschappelijke activiteiten voor klanten bij de gemeente te vergroten is het belangrijk dat klanten worden voorbereid op betaald werk en ervaring opdoen met werken. De gemeente ondersteunt haar klanten door voorzieningen aan te bieden, ongeacht of zij een kleine of grote kans op betaald werk hebben. Deze (ondersteunende) voorzieningen zijn onder andere gericht op onderzoek, coaching, persoonlijke- en professionele ontwikkeling, deelname aan maatschappelijke activiteiten of het opdoen van werkervaring. Het grootste gedeelte van de beschikbare (ondersteunende) voorzieningen biedt de gemeente aan in de vorm van projecten in samenwerking met maatschappelijke organisaties en bedrijven. Klanten kunnen aan deze projecten deelnemen door te helpen, stage te lopen, of te werken in de vorm van een werkervaringsplek. Bij het koppelen van de klant aan organisatie bekijkt de medewerker van de gemeente samen met de klant welke activiteiten het beste bij hem of haar passen. De projecten kunnen onder andere plaatsvinden bij supermarkten, kringloopwinkels, werkateliers en buurtservices. Klanten kunnen bij de medewerkers van de gemeente vragen naar de mogelijkheden en de beschikbare projecten. 1.15 Wettelijke basis De beleidsvoorschriften in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de Participatiewet, de Verzamelverordening werk en inkomen en op de IOAW en de IOAZ. Meer concreet: Thema Artikelen Doelgroep re-integratie door de gemeente 7 Participatiewet Verplichtingen m.b.t. werk 9 Participatiewet, 37 IOAW en 37 IOAZ Aanspraak op ondersteuning en voorzieningen 10 Participatiewet, 36 IOAW en 36 IOAZ Beschut werk 10b Participatiewet 2.3 Verzamelverordening Loonkostensubsidie 6 en 10c t/m da Participatiewet 2.5 en 2.11 Verzamelverordening Plan van aanpak 2.2 Verzamelverordening Meedoenplek, werkervaringsplaats, proefplaatsing 2.4 Verzamelverordening Persoonlijke voorzieningen 2.5 Verzamelverordening Scholing 2.7 Verzamelverordening Plaatsingssubsidie 2.8 Verzamelverordening Premies 2.9 Verzamelverordening Onkostenvergoeding 2.10 Verzamelverordening Hoofdstuk2Recht op bijstand Recht op bijstand heeft de inwoner die aan de voorwaarden uit de Participatiewet voldoet. De belangrijkste voorwaarden zijn: Inwoner heeft onvoldoende financiële middelen Inwoner heeft woonplaats in Zutphen Onvoldoende financiële middelen Een inwoner kan pas in aanmerking komen voor bijstand, als het inkomen en het vermogen lager zijn dan de normen uit de Participatiewet. Wat de Participatiewet onder ‘inkomen’ en ‘vermogen’ verstaat, wordt uitgelegd in hoofdstuk 4 ’Inkomen en vermogen’. In hoofdstuk 3 ‘Bijstandsnormen’ wordt uitgelegd wat de bijstandsnormen zijn. Ook wordt daarin uitgelegd hoe hoog de bijstand is als het inkomen of vermogen te laag is. Woonplaats in Zutphen Iemand die te weinig financiële middelen heeft kan bijstand aanvragen bij de gemeente waar hij woont. Hoe de woonplaats wordt bepaald, is beschreven in hoofdstuk 3 ‘Bijstandsnormen’ Andere voorwaarden In dit hoofdstuk wordt beschreven welke voorwaarden er nog meer zijn, voordat recht op bijstand bestaat. De Participatiewet geeft een opsomming van alle situaties, waarbij geen recht op bijstand bestaat. Deze situaties worden ‘uitsluitingsgronden’ genoemd. De opsomming van uitsluitingsgronden wordt hier besproken en toegelicht. Deze opsomming is limitatief. Dat betekent: er zijn geen andere uitsluitingsgronden. Er is een onderscheid tussen algemene en bijzondere bijstand. Soms wordt het recht op algemene bijstand uitgesloten, maar bestaat recht op bijzondere bijstand. 2.1 Verblijf in Nederland Eerste voorwaarde voor bijstand is dat de klant feitelijk verblijft in Nederland. Er bestaat geen recht, zodra de klant zich in het buitenland bevindt. Daarop bestaat één uitzondering: voor de duur van maximaal vier weken per kalenderjaar mag de klant in het buitenland zijn. 'Nederland' betekent binnen de Participatiewet het grondgebied in Europa. Een verblijf op de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustasius en Saba) en op Curaçao, Sint Maarten en Aruba geldt dus als een verblijf buiten Nederland. 2.2 Niet gedetineerd Iemand die ‘rechtens zijn vrijheid is ontnomen’ (detentie) heeft geen recht op bijstand. Dat geldt voor elke vorm van vrijheidsontneming met een wettelijke basis, dus niet alleen verblijf in een gevangenis of huis van bewaring. Het gaat dan bijvoorbeeld om: verblijf in een politiecel, arrestantenlokaal, enz; voorarrest; verblijf in een open of gesloten inrichting; weekendverlof (tijdens detentie); buitengewoon verlof, meestal 1 dag (bijvoorbeeld een begrafenis); “ter beschikking gesteld” zijn (TBS). Tijdens de detentie is er geen recht op bijstand, ook al duurt dat maar een dag. De dag van opname telt mee als dag waarop iemand gedetineerd is. Iemand die zich onttrekt aan detentie heeft ook geen recht op bijstand. Onder ‘onttrekken’ wordt verstaan: niet melden na een oproep bij de inrichting voor het uitzitten van de straf; ontsnappen uit detentie; niet terugkeren van verlof tijdens detentie. Het Ministerie van Justitie voorziet tijdens detentie in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Voor sommige groepen gedetineerden is soms wel bijstand mogelijk. Dit geldt bijvoorbeeld voor gedetineerden met elektronische detentie (ED), elektronisch toezicht (ET), een penitentiair plan (PP), alternatief gestraften, TBS-ers met proefverlof enz. Het gaat dan om gedetineerde waarvoor Justitie niet in de noodzakelijke kosten voorziet (soms voor een deel, soms in het geheel niet). Let op: iemand in detentie kan soms bijzondere bijstand krijgen voor het doorbetalen van de woonlasten tijdens detentie. Dit is niet standaard: er moet sprake zijn van zeer dringende redenen, na een individuele afweging. In principe moet de gedetineerde zelf maatregelen nemen voor doorbetaling van de woonlasten. 2.3 Geen werkstaking of uitsluiting Tijdens werkstaking of uitsluiting van werk heeft iemand geen recht op algemene bijstand. Dit staat los van het recht op bijzondere bijstand. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat de overheid invloed heeft op een arbeidsconflict. Er gelden enkele uitzonderingen: iemand werkt, en heeft daarom geen recht op algemene bijstand. Hij ontvangt alleen bijzondere bijstand. Vervolgens wordt hij uitgesloten van werk, of gaat staken. De bijzondere bijstand kan dan gewoon voortgezet worden. een klant heeft een deeltijdbaan met aanvullende (algemene) bijstand. Bij staking of uitsluiting van werk kan de aanvullende bijstand voortgezet worden, maar niet worden verhoogd. 2.4 Meerderjarig Bijstand is er voor meerderjarige inwoners. Een persoon jonger dan 18 jaar heeft dus geen recht op bijstand. Ook niet als de jongere zelfstandig woont. Dat geldt voor algemene en bijzondere bijstand. De ouders zijn onderhoudsplichtig. Er gelden enkele uitzonderingen: minderjarige weglopers (tot en met 17 jaar). In een acute noodsituatie kun je toch bijstand verlenen; kinderen van tienermoeders; kinderen van gedetineerde ouders. Per geval moet worden beoordeeld of de situatie met zich meebrengt dat bijstand noodzakelijk is. 2.5 Schulden De gemeente kan geen bijstand verstrekken om schulden af te lossen. De wetgever gaat ervan uit, dat iedere Nederlander een toereikend inkomen kan verwerven, waarbij de Participatiewet als sluitstuk geldt. Iets anders is, dat bij schulden wel schuldhulpverlening in beeld kan komen. De gemeente verleent ook hulp bij schulden, door het team schuldhulpverlening. Het beleid van de gemeente over schuldhulpverlening staat beschreven in hoofdstuk 10 ‘Schulddienstverlening’. 2.6 Bijstand voor 18 t/m 20 -jarigen in een inrichting Voor 18- tot en met 20-jarigen die opgenomen zijn in een inrichting, bestaat geen recht op algemene bijstand. Voor kosten die de jongere maakt moet hij een beroep doen op de ouders, want zij zijn onderhoudsplichtig. Is een beroep op de ouders niet mogelijk dan kan de gemeente in uitzonderlijke gevallen bijzondere bijstand verstrekken. De bijstand die wordt verstrekt, moet afgestemd worden op de omstandigheden. De bijstand mag in ieder geval niet hoger zijn dan de norm voor personen in inrichtingen. Over de norm voor mensen in een inrichting, zie hoofdstuk 3 ‘Bijstandsnormen’. 2.7 Recht op een voorliggende voorziening De Participatiewet is het ‘vangnet’ of ‘sluitstuk’ van de sociale zekerheid. Dit betekent dat de klant eerst alle mogelijkheden van een (sociale) verzekering of voorziening moet benutten, voordat er sprake kan zijn van bijstand. Dit wordt het complementaire (aanvullende) karakter van de wet genoemd. De klant die recht heeft op een toereikende (sociale) verzekering of voorziening (bijvoorbeeld WW, ZW, Wajong, pensioen, enz.) heeft geen recht op bijstand. Wel kan hij recht hebben op aanvullende bijstand, als de voorliggende voorziening niet hoog genoeg is. Als de voorliggende voorziening geen vergoeding geeft voor bepaalde kosten, is soms bijstandsverlening mogelijk. Dan kan bijzondere bijstand in beeld komen. Zie hoofdstuk 9 ‘Armoedebeleid’. In schuldsituaties is de schuldhulpverlening te beschouwen als een voorliggende voorziening. In hoofdstuk 10 wordt de schuldhulpverlening beschreven. 2.8 Vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel Een vreemdeling zonder geldige verblijfstitel heeft geen recht op bijstand. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bepaalt, welke verblijfstitel een vreemdeling krijgt. Het hangt van die verblijfstitel af, of er bijstand kan worden verleend. Soms hebben kinderen wel een geldige verblijfstitel, maar de ouders niet. Dan hangt het van de omstandigheden af hoe hoog de bijstand wordt. Mensen met een andere nationaliteit die uit een ander EU-land afkomstig zijn, hebben soms recht op bijstand. Dat recht is rechtstreeks afgeleid van het EU-verdrag. Een vreemdeling met een verblijfstitel, die zich voldoende kan identificeren, heeft recht op bijstand, ook als er (nog) geen pasje is. De verblijfsstatus kan eventueel met andere documenten worden aangetoond. Voorwaarde is wel de verificatie van de verblijfsstatus door vergelijking met de code in de Basisregistratie Personen (BRP). 2.9 Onbetaald verlof Iemand die werkt en onbetaald verlof heeft, heeft geen recht op algemene bijstand. Dit staat los van een eventueel recht op bijzondere bijstand. Dit geldt niet alleen voor de direct betrokken persoon, maar ook voor de partner of echtgenoot. Die heeft dan ook geen recht op algemene bijstand. Onbetaald verlof is bijvoorbeeld aan de orde bij ouderschapsverlof en langdurend zorgverlof. 2.10 Studerenden jonger dan 27 jaar Studerenden jonger dan 27 jaar die onderwijs (kunnen) volgen dat door het rijk wordt vergoed, en: in verband daarmee aanspraak hebben op studiefinanciering (WSF), of in verband daarmee geen aanspraak hebben op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgen zijn uitgesloten van het recht op algemene bijstand. 2.11 Jongeren tot 27 jaar die verplichtingen niet na willen komen Wie jonger is dan 27 jaar en die uit zijn houding en gedrag ondubbelzinnig laat blijken de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 niet te willen nakomen, heeft geen recht op algemene bijstand. 2.12 Uitzondering: zeer dringende redenen Op al de bovengenoemde uitsluitingsgronden bestaat één uitzondering: als er sprake is van zeer dringende redenen, kan er toch bijstand worden verleend. Dat is niet snel aan de orde. Er moet dan een acute noodsituatie zijn, die uitsluitend met bijstand te verhelpen is. Als het gaat om vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel, dan geldt deze uitzonderingsclausule echter niet. 2.13 Wettelijke basis De beleidsvoorschriften van dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de Participatiewet, meer concreet op de volgende bepalingen: Thema Artikelen Verblijf in buitenland/kosten in buitenland/vakantie in buitenland 11 lid 1 en 13 lid 1 onderdeel e Participatiewet Niet gedetineerd 13 lid 1 onderdelen a en b en lid 3 Participatiewet Geen werkstaking of uitsluiting 13 lid 1 onderdeel d Participatiewet Meerderjarig 13 lid 1 onderdeel f Participatiewet Schulden 13 lid 1 onderdeel g Participatiewet 18 t/m 20-jarigen in inrichting 13 lid 2 onderdeel a Participatiewet Voorliggende voorziening 15 Participatiewet Vreemdelingen 11 lid 2 en 3 Participatiewet Onbetaald verlof 13 lid 2 onderdeel b Participatiewet Studerende jonger dan 27 jaar 13 lid 2 onderdeel c Participatiewet Zeer dringede redenen 16 Participatiewet Hoofdstuk3Bijstandsnormen Een inwoner heeft recht op bijstand als voldaan is aan een aantal voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat het eigen inkomen niet hoger is dan de bijstandsnorm. De bijstandsnorm is het bedrag, dat de inwoner aan bijstand kan ontvangen als hij geen inkomen heeft en verder aan alle voorwaarden voldoet. Dit hoofdstuk gaat over bijstandsnormen. Het gaat om de vraag welke bijstandsnormen er zijn en wat de hoogte daarvan is. Ook worden verschillende woonsituaties en leefvormen behandeld, omdat dat belangrijk is voor het bepalen van de juiste bijstandsnorm. 3.1 Bijstandsnormen Er bestaan verschillende bijstandsnormen. De bijstandsnorm is namelijk afhankelijk van de situatie van de klant. In de volgende paragrafen wordt uitgelegd hoe die bijstandsnormen worden bepaald. De Participatiewet kent een aantal vastgestelde bijstandsnormen. De hoogte van de toepasselijke norm is in de eerste plaats afhankelijk van leeftijd, maar ook van de woonsituatie en de leefsituatie (gezinssamenstelling). De Participatiewet kent de volgende normen: jongerennormen 18 t/m 20 jaar (Artikel 20 Participatiewet); normen 21 jaar tot pensioengerechtigde leeftijd (Artikel 21 Participatiewet); normen pensioengerechtigden (Artikel 22 Participatiewet); kostendelersnorm (art. 19a en 22a Participatiewet); normen voor mensen in een inrichting (Artikel 23 Participatiewet). Per leeftijdsgroep zijn er verschillende bijstandsnormen. Die zijn afhankelijk van de gezinssituatie: een alleenstaande/alleenstaande ouder; gehuwden. Alle bijstandsnormen zijn inclusief vakantietoeslag. Maandelijks reserveert de gemeente ongeveer 5% van de uitkering voor vakantiegeld. De gemeente betaalt het gereserveerde vakantiegeld uit in juni, of als de bijstand wordt beëindigd. Hieronder wordt toegelicht wat de woonsituatie betekent voor de bijstandsnormen en op welke manier de verschillende leefvormen doorwerken in de bijstandsnormen. Voor een overzicht van alle bijstandsnormen zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2018/05/24/normenbrief-juli-2018. 3.2 Hoofdverblijf Voor de bijstandverlening is bepalend waar de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft. De gemeente waar dat hoofdverblijf zich bevindt, is de gemeente die de bijstand verleent. In Nederland is iedereen verplicht zich bij de Basisregistratie Personen (BRP) van zijn woonplaats in te schrijven op het adres waar hij daadwerkelijk woont. Uitgangspunt van het “hoofdverblijf” is: feitelijk verblijf = woonplaats = adres in BRP. Voor de hoogte van de bijstandsnorm is het aantal huisgenoten belangrijk. De zgn. kostendelersnorm kan dan van toepassing zijn (zie par. 3.4.2). Ook daarvoor geldt dat de registratie BRP leidend is. Zodra een klant een bijstandsuitkering aanvraagt, gaat de gemeente uit van het aantal personen dat volgens BRP op dat adres staat ingeschreven. Als er twijfel bestaat over het juiste aantal personen, dan kan uitgegaan worden van de feitelijke situatie, als dit voldoende aannemelijk is gemaakt door de klant. Dit kan bijvoorbeeld door overlegging van bewijs van uitschrijving, maar ook door het instemmen met een huisbezoek. Uiteindelijk is het nog steeds aan de klant om de BRP-registratie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Tijdelijk verblijf elders Bij een kortdurend tijdelijk verblijf van enkele dagen of weken op een ander adres dan het BRP-adres, wijzigt het hoofdverblijf niet. Dit heeft dus geen gevolgen voor de toepasselijke bijstandsnorm. Bij twijfel of er sprake is van een kortdurend tijdelijk verblijf moet de klant contact opnemen met de gemeente. 3.3 Leefvormen Voor de hoogte van de bijstand is de leefvorm van belang. Er wordt rekening gehouden met drie groepen: een alleenstaande; een alleenstaande ouder; gehuwden. 3.3.1 Alleenstaande Een alleenstaande is iemand, die niet gehuwd is of een gemeenschappelijke huishouding met een ander heeft (samenwoning) én die geen minderjarig kind heeft, waarvoor hij de volledige zorg draagt en die ten laste van hem komt. Onder een alleenstaande wordt ook verstaan: iemand die met een meerderjarige bloedverwant in de eerste graad een gezamenlijke huishouding voert (samenwoont). Iemand is ook een alleenstaande als hij/zij samenwoont met een bloedverwant in de tweede graad en er in die relatie geen zorgbehoefte is. Zie verder par. 3.3.3. 3.3.2 Alleenstaande ouder Een alleenstaande ouder is iemand, die niet gehuwd is of samenwoont en die een minderjarig kind heeft, waarvoor hij de volledige zorg draagt en die ten laste van hem/haar komt. Volledige zorg Voor de vraag of een alleenstaande de volledige zorg heeft over kind, is bepalend of hij feitelijk optreedt als hoofd van een eenoudergezin. Een klant die beslisbevoegd is over zijn kind en verzorging biedt bij ziekte, en het kind van en naar zijn activiteiten vervoert, heeft de volledige zorg voor zijn kind. Wel/niet ten laste komend kind Een ten laste komend kind is een minderjarig kind dat financieel ten laste van de ouder komt en voor wie de alleenstaande ouder aanspraak kan maken op kinderbijslag. Als de ouder geen recht op kinderbijslag heeft, is het kind niet ten laste komend. Een kind dat financieel ten laste van de ouder komt maar in het buitenland woont, geldt voor de Participatiewet niet als een ten laste komend kind. Het moet gaan om een in Nederland woonachtig eigen kind, geadopteerd kind of stiefkind. Uitzonderingen op definitie van ten laste komend kind Als de ouder nog geen kinderbijslag krijgt, omdat het kind nog maar kort in Nederland woont en dus in de ‘wachttijd’ zit, dan is dit kind wel ten laste komend. In een enkel geval woont een kind in bij iemand die geen ouder is, maar wel kinderbijslag ontvangt voor het kind. Bijvoorbeeld een grootouder die een kind opvoedt en verzorgt als ware het een eigen kind. Strikt genomen betreft het geen ouder-kindrelatie in de zin van de Participatiewet. Maar waar de Algemene kinderbijslagwet de verzorgende persoon gelijkstelt met een ouder, is er in het algemeen ook aanleiding om dit te doen bij de uitvoering van de Participatiewet. De Algemene Kinderbijslagwet is aangepast om voortijdig schoolverlaten te bestrijden. Ouders kunnen de kinderbijslag verliezen als hun 16- en 17-jarige kinderen geen onderwijs volgen, terwijl ze ook geen startkwalificatie hebben (MBO2-, HAVO-, VWO-diploma). In dat geval wordt toch aangenomen, dat het kind een ten laste komend kind blijft. 3.3.2.1 Norm alleenstaande ouder De aparte norm voor alleenstaande ouders is gewijzigd in alle sociale regelingen, waaronder ook de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ. Vanaf 1 januari 2015 is de norm voor alleenstaande ouders gelijk aan de norm voor een alleenstaande. Omdat alleenstaande ouders in het algemeen hogere kosten maken dan alleenstaanden kunnen alleenstaande ouders aanspraak maken op een aanvulling in het kindgebonden budget. Het kindgebonden budget wordt door de Belastingdienst aan gezinnen verstrekt en is een bijdrage in de kosten voor kinderen tot 18 jaar. De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van het inkomen, het aantal kinderen en de leeftijd van de ouder(s). Speciaal voor alleenstaande ouders komt daar een aanvulling bovenop, de zgn. alleenstaande-ouderkop. Belangrijke voorwaarde is wel dat deze personen geen toeslagpartner hebben. De Belastingdienst beoordeelt dat. In de Participatiewet is het begrip ‘alleenstaande ouder’ van belang voor o.a. ontheffingen van verplichtingen, maar ook voor de vermogensvrijlating of de inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders. 3.3.3 Gezamenlijke huishouding De Participatiewet spreekt van een gezamenlijke huishouding als klanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij bovendien zorg dragen voor elkaar. De zorg voor elkaar kan bestaan uit het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of uit iets anders. Bij een aanvraag of een wijziging in de bijstandsverlening, wordt beoordeeld of er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het is niet van belang of de partners van gelijk of verschillend geslacht zijn. Ook de aard van hun relatie doet niet ter zake. Het doet er dus niet toe of de samenwoning puur uit economische motieven plaatsvindt of dat er al dan niet een liefdesrelatie is. Voorbeelden waaruit zorg voor elkaar kan blijken zijn: het delen van een kledingkast, het gezamenlijk doen van boodschappen of het samen op vakantie gaan. Een echte LAT-relatie is geen gezamenlijke huishouding, omdat bij een LAT-relatie de partners een verschillend hoofdverblijf hebben. De Participatiewet beschouwt ongehuwde klanten die met een ander een gezamenlijke huishouding voeren als gehuwd, behalve als het om bloedverwanten in de eerste graad gaat (ouder-kind) of om bloedverwanten in de 2e graad bij wie sprake is van een zorgrelatie (broers/zussen, grootouders/kleinkinderen). Ook degene die duurzaam (blijvend) gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is, wordt als ongehuwd beschouwd. Registratie als gezamenlijke huishouding Als klanten in een officiële registratie staan geregistreerd als gezamenlijke huishouding ziet de Participatiewet dat ook zo. In het ‘Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding’ staat waar klanten geregistreerd kunnen staan als gezamenlijke huishouding: bij andere uitkeringen; zorgverzekering; huurtoeslag; vreemdelingenwet. Bij een registratie als gezamenlijke huishouding wordt het volgende nagegaan: bestaat de registratie bij de aanvraag om bijstand? vindt de registratie plaats tijdens de verlening van bijstand? is de relatie in een periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag om bijstand op enig moment als een gezamenlijke huishouding geregistreerd? Als één van die situaties zich voordoet, is sprake van een gezamenlijke huishouding. Onweerlegbaar rechtsvermoeden Soms is zonder meer sprake van een gezamenlijke huishouding. Dat wordt een ‘onweerlegbaar rechtsvermoeden’ genoemd. Dat betekent dat de wet aan de klant geen gelegenheid biedt voor het leveren van tegenbewijs. Kortom: de gezamenlijke huishouding staat wettelijk vast, en verder onderzoek is niet nodig. Een gezamenlijke huishouding staat zonder meer vast als de klanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en aan één of meer van de volgende voorwaarden voldoen: zij zijn met elkaar gehuwd of zijn op enig moment in de twee jaar voorafgaand aan de bijstandsaanvraag met elkaar gehuwd geweest; zij zijn de afgelopen twee jaar als gehuwden aangemerkt; uit hun relatie is een kind geboren, of het kind is binnen die relatie erkend; er is geen sprake van onweerlegbaar rechtsvermoeden als het kind in het buitenland woont. zij hebben zich wederzijds verplicht tot een bijdrage aan de huishouding door een samenlevingscontract; zij zijn op grond van een bepaalde registratie als een gezamenlijke huishouding aan te merken (zie boven). 3.3.3.1 Bloedverwanten in eerste en tweede graad Definitie van bloedverwanten Eerstegraads bloedverwanten zijn ouder en (biologisch of geadopteerd) kind, een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde. Tweedegraads bloedverwanten zijn broer-zus, of grootouder-kleinkind. Eerstegraads bloedverwanten Voor de Participatiewet worden bloedverwanten in de eerste graad nooit gezien als een gezamenlijke huishouding. Zij worden beschouwd als alleenstaande of alleenstaande ouder. Tweedegraads bloedverwanten Bij bloedverwanten in de tweede graad die op hetzelfde adres wonen zal vaak sprake zijn van een gezamenlijke huishouding. Het moet echter wel aan de hand van de feitelijke situatie vastgesteld worden. Bloedverwanten in de tweede graad die een gezamenlijke huishouding voeren, waarbij één van beiden zorg nodig heeft, definieert de Participatiewet als alleenstaanden of alleenstaande ouders. Er wordt dan gezegd dat er sprake is van een zorgbehoefte. Van een zorgbehoefte op grond van de Participatiewet is sprake indien de betrokkene aanspraak zou kunnen maken op plaatsing in een Wlz-instelling, zoals een verpleeg- of verzorgingshuis, maar daar van heeft afgezien of op een wachtlijst daarvoor is geplaatst. Daarnaast is sprake van zorgbehoefte als de betrokkenen vanwege ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren, omdat hij is aangewezen op intensieve zorg van anderen. 3.3.4 Co-ouderschap Het begrip co-ouder of gezamenlijk ouderlijk gezag bestaat niet in de Participatiewet. Een co-ouder is geen alleenstaande ouder, omdat hij niet de volledige zorg voor een of meer minderjarige eigen kinderen heeft. Als een co-ouder kinderbijslag ontvangt, is de co-ouder ook geen alleenstaande. Voor de hoogte van de bijstandsnorm die de co-ouder zal ontvangen, is dit echter geen probleem omdat de norm voor een alleenstaande ouder net zo hoog is als de norm voor een alleenstaande. 3.3.5 Niet rechthebbende partner Een niet-rechthebbende partner is een partner, die uitgesloten is van bijstand. Dat is van belang voor de hoogte van de bijstandsuitkering van de wel rechthebbende partner. De gevolgen zijn als volgt: Niet-rechthebbende partner zonder kostendelers: Als een van de partners in een gezamenlijke huishouding geen recht heeft op algemene bijstand dan krijgt de ander 50% van de van toepassing zijnde gehuwdennorm. Niet-rechthebbende partner met kostendelers: Als een van de partners geen recht heeft op algemene bijstand, dan heeft de andere partner recht op een uitkering, maar wel volgens de kostendelersnorm. De niet-rechthebbende partner kan op zijn beurt ook weer een kostendeler zijn. Dat is afhankelijk van de omstandigheden (bijv. als studerende niet, maar iemand die werkloos is weer wel. Zie verder par. 3.4.2) Met het inkomen van de niet-rechthebbende partner wordt rekening gehouden, als de som van het bijstandsbedrag van de rechthebbende plus het inkomen van de niet-rechthebbende, meer bedraagt dan de bijstandsnorm voor het echtpaar, die zou gelden als de partner wel recht op bijstand had (al dan niet met kostendeler). 3.4 Woonvormen Naast de leeftijd en de leefvorm is ook de woonvorm van belang voor de hoogte van de bijstandsuitkering. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen: mensen die alleen wonen, en kostendelers 3.4.1 Alleenwonenden Iemand woont alleen, als er geen andere meerderjarige persoon op hetzelfde adres zijn hoofdverblijf heeft. Voor de betekenis van ‘hoofdverblijf’, zie par. 3.2. Voor de bijstandsnormen voor alleenwonende bijstandsgerechtigden, zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2018/05/24/normenbrief-juli-2018. 3.4.2 Kostendelersnorm De kostendelersnorm is de toepasselijke norm voor personen die met andere meerderjarige personen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. De gedachte achter de kostendelersnorm is dat meerdere personen in een woning een aantal woonkosten kunnen delen, zoals de huur, of energiekosten e.d. Het individuele recht voor één persoon is daarom afhankelijk gemaakt van het totaal aantal bewoners in de woning. In de kern komt de werking van de kostendelersnorm erop neer: “hoe meer bewoners in de woning, hoe lager het recht op bijstand per persoon.” De hoogte van uitkering wordt vastgesteld aan de hand van de formule zoals deze in artikel 22a Participatiewet vermeld staat. (40% + A x 30%) x B A Hierbij zijn de volgende twee variabelen van belang: het aantal (relevante) meerderjarige medebewoners (=A); en de rekennorm, oftewel de gehuwdennorm van de verschillende leeftijdscategorieën (=B). Simpelweg betekent dit, dat voor elke extra persoon in de woning, het totale recht op bijstand van alle bewoners op het adres met 30% van de betreffende gehuwdennorm stijgt, als alle bewoners recht zouden hebben op bijstand. Vervolgens moet dit totaalrecht op bijstand gedeeld worden door het totaal aantal relevante bewoners (inclusief de klant en evt. partner) op het adres. De uitkomst is het individuele bijstandsrecht per persoon. De hoogte van de uitkering is o.a. afhankelijk van het aantal meerderjarige medebewoners. In de wet is een aantal groepen medebewoners uitgezonderd. Deze personen tellen dan niet mee voor de berekening van de hoogte van de uitkering. Dat zijn: personen jonger dan 27 jaar; bewoners die een onderlinge commerciële relatie hebben; personen die afzonderlijk een commerciële relatie hebben met een derde; personen die zijn aan te merken als studerenden. 3.4.2.1 Uitzondering 1: personen jonger dan 27 jaar Personen jonger dan 27 jaar zijn uitgezonderd van de kostendelersnorm. De ouder(
- s)zijn in principe nog onderhoudsplichtig voor deze jongeren. Deze uitzondering werkt door in twee richtingen: als personen jonger dan 21 jaar aanspraak maken op bijstand, dan is op hen de jongerennorm van toepassing; ongeacht het aantal bewoners op hetzelfde adres. Zie paragraaf 3.5. personen jonger dan 27 jaar – hoewel meerderjarig – tellen niet mee als relevante bewoners op hetzelfde adres, als de hoogte van de uitkering van andere medebewoners moet worden vastgesteld volgens de kostendelersnorm. Voor personen tot 21 jaar geldt verder dat hun ouder(
- s)in principe nog onderhoudsplichtig zijn. 3.4.2.2 Uitzondering 2: commerciële relatie tussen bewoners onderling Wanneer tussen twee personen die op hetzelfde adres wonen, sprake is van een commerciële relatie, dan is de kostendelersnorm niet van toepassing. Hiermee wordt bedoeld de onderlinge relatie tussen onderhuurder/onderverhuurder en kostganger/kostgever. De wet geeft een aantal voorwaarden mee, wanneer er wel of juist niet sprake kan zijn van een dergelijke onderlinge relatie. Van een commerciële relatie is sprake tussen personen, die: in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben, geen bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad zijn van elkaar, en die op basis van een schriftelijke overeenkomst, een commerciële onderhuurprijs zijn overeengekomen Deze vier voorwaarden worden hieronder kort besproken. Voorwaarde 1: Geen commerciële relatie bij eerste of tweedegraads bloed- of aanverwanten De wetgever heeft uitgesloten dat tussen personen die zijn aan te merken als eerste- of tweedegraads aan- of bloedverwanten een commerciële relatie kan bestaan. Dit betekent bijvoorbeeld dat klanten geen commerciële relatie kunnen hebben met een ouder of met een broer of zus. Voorwaarde 2: Schriftelijke overeenkomst Als verschillende personen een afspraak hebben gemaakt over het onder(ver)huren van woonruimte, dan is het gebruikelijk dat dit op papier staat, in een huur- of kostgeldovereenkomst. Hierin staat vermeld wat de personen hebben afgesproken, zoals tegen welke maandelijkse prijs een deel van de woonruimte beschikbaar wordt gesteld. Voorwaarde 3: Commerciële prijs Hiermee wordt bedoeld een prijs die in het maatschappelijk en economisch verkeer gebruikelijk is. De overeengekomen (onder)huurprijs mag geen ‘vriendenprijsje’ zijn. Bij twijfel of de prijs te laag is voor de gehuurde ruimte, kan altijd de huurprijscheck worden geraadpleegd. Zie: https://www.huurcommissie.nl/webformulieren/onderwerpen/huurprijs-en-punten/huurprijscheck-en-puntentelling/huurprijscheck-onzelfstandige-woonruimte/. In Zutphen worden geen grensbedragen gehanteerd om te bepalen of er sprake is van een commerciële prijs. Dit is gedaan omdat de prijs die gebruikelijk is in het maatschappelijk en economisch verkeer, afhankelijk is van meerdere factoren zoals oppervlakte van te huren ruimte, gebruik gemeenschappelijke ruimten/voorzieningen, locatie, e.d. de gemeente beoordeelt per geval of er sprake is van commerciële huur/kostgeld. Voorwaarde 4: Bewijzen van betaling commerciële prijs De gemeente kan de klant vragen om aan te tonen dat de (onder)huurprijs of het kostgeld feitelijk is betaald, door betalingsbewijzen te overleggen. De vorm van de betalingsbewijzen doet niet ter zake. Dat kunnen bank- of giroafschriften zijn, maar ook kwitanties, of elke andere vorm waaruit blijkt dat de (onder)huurprijs of het kostgeld is betaald. 3.4.2.3 Uitzondering 3: alle bewoners hebben een commerciële relatie met een derde Ook de volgende groep is uitgezonderd van de kostendelersnorm: alle personen die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en die afzonderlijk of gezamenlijk een commerciële relatie hebben met een verhurende derde die niet in dezelfde woning woont. Daarbij zijn ook de hierboven genoemde criteria van toepassing: de aanwezigheid van een schriftelijke overeenkomst en een commerciële prijs (zie par. 3.4.2.2). Onder een schriftelijke overeenkomst valt ook een zogenaamde woon-/zorgovereenkomst met een instelling voor maatschappelijke opvang. 3.4.2.4 Uitzondering 4: studerenden De laatste groep personen die niet meetelt als medebewoner bij de kostendelersnorm, zijn studerenden. Het maakt daarbij niet uit of de studerende inwonend (bij ouders) of uitwonend (op kamers) is. Hiervoor is gekozen om te stimuleren dat jongeren door middel van studie en opleiding een zo hoog mogelijke kwalificatie behalen en zodoende hun arbeidsmarktkansen verhogen. Zonder deze uitzondering zou het moeten delen van kosten met huisgenoten (consequentie van de kostendelersnorm) de student mogelijk belemmeren om te studeren. In de wet is bepaald dat een medebewoner op drie manieren als studerende wordt aangemerkt: aanspraak op studiefinanciering (WSF 2000) aanspraak tegemoetkoming hoofdstuk 4 WTOS volgen van beroepsbegeleidende leerweg (BBL) een vergelijkbaar soort onderwijs of beroepsopleiding als hierboven genoemd volgt buiten Nederland, mits voor 30 jarige leeftijd gestart met dit onderwijs. Voor de eerstgenoemde groep gaat het om studenten die: studiefinanciering daadwerkelijk ontvangen; reeds zijn begonnen met een opleiding, maar nog geen aanspraak kunnen maken op studiefinanciering (bijv. MBO studenten die voor hun 18e zijn begonnen met een opleiding); de studiefinanciering kunnen ontvangen maar er geen gebruik van maken; hun opleiding voortzetten terwijl zij geen studiefinanciering meer ontvangen, omdat de maximale termijn daarvan bereikt is. 3.4.3 Verlaging in verband met woonsituatie Als een bijstandsgerechtigde klant een onderhuurder of kostganger in huis heeft genomen, en er is sprake van een commerciële relatie, dan is de kostendelersnorm niet van toepassing. Wel moeten de inkomsten uit onderhuur of kostgeld in mindering worden gebracht op de uitkering. Voor iedere onderhuurder of kostganger geldt, dat de bijstandsnorm wordt verlaagd met 10% van de bijstandsnorm die geldt voor gehuwden. Bij drie of meer onderhuurders/kostgangers, is er sprake van bedrijfsmatige verhuur. Dat leidt ertoe dat de uitkering beëindigd moet worden. Als een bijstandsgerechtigde klant in een woning woont waaraan geen woonlasten zijn verbonden, wordt de uitkering verlaagd met 10% van de gehuwdennorm. Er zijn geen woonlasten als er geen huur of hypotheek hoeft te worden betaald. Ook als iemand geen woonruimte heeft (dakloze), dan wordt de bijstandsuitkering verlaagd met 10% van de gehuwdennorm. 3.4.4 Personen in een inrichting Als iemand in een instelling zit, valt hij onder de norm voor personen opgenomen in een inrichting. Zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2018/05/24/normenbrief-juli-2018 voor het overzicht van de bijstandsnormen. Het begrip inrichting Artikel 1 van de Participatiewet rekent twee soorten instellingen tot het begrip inrichting: 1e: Instellingen die louter gericht zijn op verzorging en verpleging; 2e: Instellingen die slaapgelegenheid bieden en de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding hebben gedurende meer dan de helft van ieder etmaal. Wel als inrichting te beschouwen Alle instellingen die gericht zijn op verzorging en verpleging zijn te beschouwen als inrichtingen. Dit blijkt ook uit de financiering van deze instellingen vanuit de Wlz-middelen (Wet langdurige zorg). Voorbeelden hiervan zijn alle algemene en psychiatrische ziekenhuizen, verpleeg- en bejaardentehuizen. Niet als inrichting te beschouwen Instellingen die gericht zijn op het bieden van (tijdelijke) woonvoorzieningen worden niet beschouwd als een inrichting. Voorbeelden hiervan zijn de dak- en thuislozenopvang, Blijf-van-mijn-lijf-huizen (Vrouwenopvang) en begeleid wonen projecten. Bij opvangvoorzieningen voor dak- en thuislozen, zoals bijvoorbeeld sociale pensions, beperkt de voorziening zich veelal tot het bieden van slaapgelegenheid. Er is in de regel geen of in beperkte mate begeleiding en hulpverlening. Instellingen voor maatschappelijke opvang zoals sociale pensions, internaten enz. zijn geen inrichtingen. Blijf-van-mijn-lijfhuizen worden beschouwd als woonvoorzieningen, waarbij de gebruik(st)er voor de toepassing van deze wet als zelfstandig wonend wordt beschouwd. Ook de projecten voor begeleid wonen voldoen niet aan de definitie van het begrip inrichting, omdat deze projecten bedoeld zijn als woonvoorziening met een zeer beperkte mogelijkheid tot begeleiding. Ook als inrichting te beschouwen Instellingen die zich kenbaar maken als begeleid-wonenproject, maar meer dan de helft van ieder etmaal begeleiding of hulpverlening beschikbaar hebben worden wel als inrichting beschouwd (beschermd wonen). Dit blijkt ook uit de financiering van deze instellingen vanuit de Wlz-middelen. Ook RIBW-instellingen die worden gefinancierd vanuit de Wet langdurige zorg worden als inrichting beschouwd. 3.4.4.1 Normen voor personen in inrichtingen Er zijn twee normen voor personen in een inrichting: norm voor alleenstaanden en alleenstaande ouders; norm voor gehuwden. De normen zijn niet afhankelijk van de leeftijd. De regeling over kostendelers is niet van toepassing op deze normen. Als van een echtpaar één persoon in een inrichting verblijft, wordt de gehuwdennorm vastgesteld door de bedragen, die elk als alleenstaande zou krijgen, bij elkaar op te tellen. De bijstand in een inrichting is bedoeld voor persoonlijke uitgaven. Van oudsher heet dat zak- en kleedgeld, of Persoonlijke Toelage. Van deze uitkering gaan ook reserveringen en aflossingen af. Ook een persoonlijke toelage is voor de fiscus een belaste uitkering. De gemeente betaalt net als voor overige bijstandsuitkeringen loonbelasting over de verstrekte bijstand. Mensen in een Wlz-instelling betalen ook premie voor een basisverzekering. Dat is geregeld in de Zorgverzekeringswet die per 1 januari 2006 is ingevoerd. Omdat de zorgtoeslag de gestegen premie onvoldoende compenseert, zijn de normen voor zak- en kleedgeld extra verhoogd. Aanpassing van de norm Als een opname (naar verwachting) korter duurt dan drie maanden wordt de norm niet omgezet naar die voor personen in een inrichting. Aanvullende bijzondere bijstand voor algemene kosten Mensen in inrichtingen kunnen naast hun bestaande bijstandsuitkering bijzondere bijstand aanvragen als er sprake is van bijzondere, extra kosten, die niet uit het zak- en kleedgeld betaald kunnen worden. Dat geldt vooral voor reiskosten, weekendverlof, en het aanhouden van een woning. 3.5 Jongerennormen Voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar gelden speciale –lage- bijstandsnormen. Achterliggende gedachte is, dat in principe de ouders nog onderhoudsplichtig zijn voor deze jongeren. Daarom zijn de bijstandsnormen voor deze groep lager dan voor oudere bijstandsgerechtigden. Voor deze normen, zie het overzicht op https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2018/05/24/normenbrief-juli-2018. Het kan voorkomen dat jongeren geen beroep kunnen doen op de ouders voor financiële ondersteuning. In dat geval kan soms aanvullende bijzondere bijstand worden verstrekt. Zie par. 3.8. 3.6 Normen voor pensioengerechtigden Inwoners, die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en onvoldoende financiële middelen hebben, kunnen bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een aanvraag indienen voor een aanvullende inkomensondersteuning (aio-uitkering). Zie www.svb.nl. Ze hebben geen recht op een bijstandsuitkering. Wel kunnen ze bij de gemeente terecht voor bijzondere bijstand en andere inkomensvoorzieningen uit het armoedebeleid. 3.7 Wettelijke basis De beleidsvoorschriften in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de Participatiewet. Meer concreet: Thema Artikelen Definitie: gehuwden/gezamenlijke huishouding 3 Participatiewet Definitie: alleenstaanden/alleenstaande ouders 4 Participatiewet Definitie: inrichting 1 Participatiewet Definitie: bijstandsnorm 5 Participatiewet Jongerennormen 18 t/m 20 jaar 20 Participatiewet Normen 21 jaar tot pensioengerechtigde leeftijd 21 Participatiewet Kostendelersnorm 9a en 22a Participatiewet Normen voor mensen in inrichting 23 Participatiewet Normen voor pensioengerechtigden 22 Participatiewet Verlaging bijstandsnorm i.v.m. ontbrekende woonlasten/bijstandsnorm voor dak- en thuislozen 27 Participatiewet Normen voor niet-rechthebbende partner 24 Participatiewet Hoofdstuk4Beleidsvoorschriften Inkomen en vermogen Er bestaat pas recht op bijstand als iemand te weinig financiële middelen heeft. Bijstand is het laatste financiële vangnet. Met de financiële middelen van de klant moet rekening worden gehouden bij het bepalen van het recht op bijstand en de hoogte daarvan. De Participatiewet spreekt over ‘middelen’. Daarmee wordt bedoeld het inkomen en vermogen van de klant. In dit hoofdstuk wordt verduidelijkt, welke middelen meetellen bij de bijstandverlening en op welke manier dat wordt gedaan. De regels die daarop van toepassing zijn staan in de Participatiewet. Deze regels zijn in de eerste plaats van toepassing op de algemene bijstand voor levensonderhoud. Voor bijzondere bijstand gelden deze regels in principe ook, maar soms kan daarvan afgeweken worden: zie voor bijzondere bijstand hoofdstuk 9 ‘Armoedebeleid’. Dit hoofdstuk heeft betrekking op bijstand. Voor uitkeringen op grond van de Ioaw en de Ioaz gelden andere regels. Deze worden hier niet uitgelegd. Voor meer informatie kan de klant contact opnemen met de gemeente. 4.1 Betekenis van de begrippen middelen, inkomen en vermogen De Participatiewet verstaat onder het begrip middelen: inkomen en vermogen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Iemand kan pas bijstand ontvangen op het moment dat hij zelf onvoldoende middelen heeft. De wet rekent tot middelen: vermogen en inkomen dat iemand vrij kan besteden; vermogen en inkomen waarover iemand redelijkerwijs kán beschikken; inkomsten die iemand anders krijgt voor het levensonderhoud van de klant zelf, zoals de curator die inkomsten ontvangt voor de klant; de fiscale heffingskortingen uit de Wet Inkomstenbelasting 2001. Uitzondering: de jonggehandicaptenkorting voor 27-plussers. Die is vrijgelaten. Wat wordt verstaand onder ‘redelijkerwijs kunnen beschikken’? Middelen waarover iemand redelijkerwijs kan beschikken zijn middelen waarover iemand de beschikking kan krijgen als hij er enige moeite voor doet. Denk bijvoorbeeld aan: een uitkering die aangevraagd kan worden bij UWV; een onverdeelde nalatenschap die nog verdeeld moet worden; antiek dat verkocht kan worden. Inkomen of vermogen Om te kunnen bepalen welke gevolgen bepaalde middelen voor de bijstandsuitkering hebben, is het nodig om te weten of er sprake is van inkomen of van vermogen. Voor inkomen gelden andere regels dan voor vermogen. Er is sprake van inkomen als voldaan is aan twee voorwaarden. De eerste voorwaarde is dat de middelen het karakter van inkomen hebben. Dat is het geval als de middelen regelmatig worden ontvangen en vrij besteedbaar zijn. Maar ook middelen die eenmalig worden ontvangen kunnen als inkomen worden beschouwd. Dat is bijvoorbeeld zo bij een afkoopsom voor alimentatie, loon of pensioen. Middelen met het karakter van ‘inkomen’ zijn bijvoorbeeld: inkomsten uit arbeid; doorbetaald loon bij ziekte; inkomsten uit vermogen; sociale zekerheidsuitkeringen; alimentatie; inkomsten uit verhuur en onderhuur; inkomsten van kostgangers. De tweede voorwaarde is, dat de middelen betrekking hebben op een periode waarin bijstand is/wordt ontvangen. Als dat niet zo is, dan is er sprake van vermogen. Een afkoopsom voor een ouderdomspensioen dat ver voor de pensioengerechtigde leeftijd wordt uitgekeerd, is bijvoorbeeld vermogen, omdat het niet betrekking heeft op een periode waarover algemene bijstand zal worden ontvangen. Vermogen Vermogen is de waarde van bezittingen, na aftrek van de aanwezige schulden. Bezittingen zijn zowel geld als goederen die een bepaalde economische waarde hebben. Inlichtingenplicht In principe moeten alle middelen worden gemeld bij de gemeente, ook als de klant twijfelt aan de noodzaak daarvan. De gemeente bepaalt vervolgens of de middelen van belang zijn voor de bijstandverlening. Als de klant nalaat om dergelijke middelen door te geven, dan komt hij de inlichtingenverplichting niet na. Als daardoor ten onrechte bijstand wordt verleend, moet dat teruggevorderd worden en wordt een onderzoek ingesteld naar het opleggen van een boete. Zie par. 6 ‘Bestuurlijke sancties’ en 8 ‘Terugvordering en verhaal’. 4.2 Geen middelen voor de Participatiewet De wet somt een aantal middelen op, dat ‘vrijgelaten’ wordt. Ze worden niet betrokken bij de bijstandverlening. De belangrijkste middelen die worden vrijgelaten zijn: kindgebonden budget en kinderbijslag (4.2.1); persoonsgebonden budget (4.2.2); inkomsten uit arbeid van kinderen onder de 18 jaar (4.2.3); rente over vrijgelaten vermogen en spaargeld (4.2.4); vergoedingen van een werkgever voor reiskosten (4.2.5); toeslagen van de Belastingdienst (4.2.6); inkomstenvrijlatingen (4.2.7); activeringssubsidies van de gemeente (4.2.8); jonggehandicaptenkorting van de Belastingdienst (4.2.9). Er zijn ook middelen, die onder bepaalde omstandigheden vrijgelaten worden: uitkeringen en vergoedingen voor geleden schade (4.2.10); bepaalde giften (4.2.11); onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk (4.2.12). Hieronder wordt per paragraaf een toelichting gegeven op deze vrijgelaten middelen. 4.2.1 Kindgebonden budget en kinderbijslag Kindgebonden budget en kinderbijslag zijn uitkeringen waarmee het inkomen van een gezin met kinderen wordt aangevuld. Deze voorzieningen worden vrijgelaten bij de verlening van algemene bijstand. Dat geldt ook voor de verhoging van het kindgebonden budget, de zgn. ‘alleenstaandeouder-kop’ op het normale kindgebonden budget. Het kindgebonden budget wordt uitbetaald door de Belastingdienst. De kinderbijslag wordt verstrekt door de Sociale Verzekeringsbank. 4.2.2 Persoonsgebonden budget Geen inkomen in de zin van de Participatiewet is het Persoonsgebonden Budget (PGB). Dit is geld dat mensen krijgen als ze recht hebben op verpleging of verzorging via de AWBZ. Ze betalen daarmee zelf hun hulpverlener. Let op: voor de hulpverlener is het uitbetaalde geld uiteraard wel inkomen (zie voor meer informatie de SVB site). 4.2.3 Inkomsten van minderjarige kinderen Inkomen uit arbeid en ontvangen uitkeringen uit werkloosheid en arbeidsongeschiktheid van minderjarige kinderen hebben geen effect op de bijstand van de ouder(s). Ook pleeggeld, dat een pleegouder ontvangt voor een pleegkind, wordt vrijgelaten. Let op: voor de bijzondere bijstand kan dit anders zijn, als het gaat om kosten die door de ouders voor het kind worden gemaakt. Zie verder hoofdstuk 9 ‘Armoedebeleid’. 4.2.4 Rente over vermogen en spaargeld Niet onder de middelen vallen: rente over vermogen dat beneden de vrijlatingsgrens blijft; rente over geld dat is gespaard tijdens de bijstandsperiode; ook niet als dat spaargeld de vrijlatingsgrens overschrijdt. Zie ook paragraaf 6.7 en verder. 4.2.5 Vergoedingen van een werkgever voor reiskosten Onkostenvergoedingen voor het verrichten van werk, worden in principe vrijgelaten. Dat geldt ook voor reiskosten. Het is wel mogelijk dat de reiskostenvergoeding zo hoog is, dat het meer is dan een onkostenvergoeding. In dat geval kan de vergoeding voor dat deel als inkomen worden aangemerkt. Niet bovenmatig is een vergoeding van de feitelijke reiskosten met het openbaar vervoer, of een vergoeding per verreden kilometer volgens de normen van de Belastingdienst (€ 0,19 per kilometer bij gebruik eigen auto). 4.2.6 Toeslagen van de Belastingdienst De Belastingdienst is verantwoordelijk voor het verstrekken van toeslagen voor specifieke uitgaven, ter ondersteuning van het inkomen. Naast het kindgebonden budget (zie par. 6.2.1.1) zijn dat de huur-, zorg- en kinderopvangtoeslag. Deze worden vrijgelaten voor de bijstandsuitkering. 4.2.7 Vrijlating inkomsten uit werk Inkomsten uit werk kunnen worden vrijgelaten. Dan moet aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan. Hieronder wordt toegelicht in welke gevallen inkomsten uit werk kunnen worden vrijgelaten en welke voorwaarden daarvoor gelden. Inkomstenvrijlating voor deeltijdwerk De klant die inkomsten uit deeltijdwerk heeft, komt in aanmerking voor de inkomstenvrijlating van 25% tot een maximum van € 201,- per maand (per 1 juli 2017). De inkomstenvrijlating geldt voor alle deeltijdinkomsten uit werk, dus ook voor zelfstandig werk met behoud van uitkering. De vrijlating loopt door tijdens periodes van ziekte, zolang de werkgever het loon moet doorbetalen. De vrijlating wordt toegekend voor maximaal zes maanden tijdens een uitkeringsperiode. Elke maand, waarin de klant inkomsten uit deeltijdwerk ontvangt, telt mee. Dit hoeft dus niet een aaneensluitende periode te zijn. Na beëindiging van de uitkering ontstaat een nieuw recht van maximaal zes maanden vrijlating als de klant opnieuw een bijstandsuitkering krijgt. De vrijlating geldt voor beide partners in een huishouding. Jongeren tot 27 jaar hebben geen recht op deze vrijlating. Als de klant met zijn/haar inkomsten boven de bijstandsnorm uitkomt, dan bestaat er geen recht meer op de inkomstenvrijlating. Er is immers geen recht op bijstand die maand. Inkomstenvrijlating voor de alleenstaande ouder Zodra de inkomstenvrijlating voor deeltijdwerk volledig is benut (na zes maanden vrijlating) ontstaat voor de werkende alleenstaande ouder van 27 jaar of ouder met een ten laste komend kind onder de 12 jaar aanspraak op een vrijlating van 12,5% van de inkomsten uit deeltijdwerk, tot een maximum van € 125,67 per maand (per 1 juli 2017). De vrijlating kan maximaal gedurende 30 aaneengesloten maanden worden verstrekt. De duur van de vrijlating wordt dus niet opgeschort door een onderbreking in het werk. Als de klant met zijn/haar inkomsten boven de bijstandsnorm uitkomt, dan bestaat er geen recht meer op de inkomstenvrijlating. Er is immers geen recht op bijstand die maand. Inkomstenvrijlating voor medisch-urenbeperking Deze inkomstenvrijlating is slechts beschikbaar voor personen die niet een volledige werkweek kunnen werken, als gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling. In dat geval is er sprake van een zgn. ‘medisch-urenbeperking’. Voor personen die naast hun bijstandsuitkering in deeltijd werken, bestaat recht op een vrijlating van 15% van het inkomen, tot een maximum van € 127,46 per maand (per 1 juli 2017). Er is geen maximale duur aan de toepassing van deze vrijlating verbonden, zolang de medisch urenbeperking voortduurt. Deze vrijlating kan alleen worden toegepast nadat de inkomstenvrijlating voor deeltijdwerk van 25% is toegepast. Let op: een inkomstenvrijlating geeft een hoger belastbaar inkomen. Dit heeft geen gevolgen voor de kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen, maar kan wel voor de toeslagen van de Belastingdienst van invloed zijn. In geval van een hoog inkomen uit deeltijdwerk kan dit ertoe leiden dat de toeslagen moeten worden verlaagd. Om een naheffing te voorkomen, kan de klant via mijn toeslagen op Belastingdienst Toeslagen (http://www.toeslagen.nl/), via de Belastingtelefoon
(0800)0543 of bij het Belastingkantoor de wijziging in het inkomen doorgeven. Inkomstenvrijlating voor mensen uit de doelgroep wettelijke loonkostensubsidie Deze inkomstenvrijlating is van toepassing als een persoon uit de doelgroep loonkostensubsidie op grond van een dienstverband volgens artikel 10d, eerste en tweede lid van de Participatiewet werkzaam is en er geen sprake is van een medische urenbeperking. Het recht op deze vrijlating bestaat nadat het college heeft vastgesteld dat uitbreiding van de omvang van het dienstverband niet mogelijk is als gevolg van “in de persoon gelegen factoren”. Nadere voorwaarden zijn dat de vrijlating van inkomsten uit deeltijdwerk (25%) niet (meer) van toepassing is, evenals dat geen aanspraak (meer) bestaat op de vrijlating medische urenbeperking. 4.2.8 Activeringssubsidies van de gemeente De gemeente Zutphen kent geen activeringssubsidies. 4.2.9 Jonggehandicaptenkorting Heffingskortingen van de Belastingdienst zijn middelen. Daarmee moet rekening worden gehouden bij de bijstandsverlening. Dat geldt niet voor de jonggehandicaptenkorting, als de ontvanger 27 jaar of ouder is. 4.2.10 Uitkeringen en vergoedingen voor geleden schade Een aantal uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade zijn vrijgelaten volgens de Participatiewet. Het gaat om de volgende schadevergoedingen: tegemoetkoming Bijlmerramp; tegemoetkoming asbestslachtoffers; tegemoetkoming slachtoffers mesothelioom; vergoedingen voor omwonenden vliegveld Maastricht; vergoedingen voor slachtoffers Legionella-epidemie; eenmalige uitkering oud-mijnwerkers in verband met silicose; eenmalige uitkering in verband met diensttijd veteranen; individuele uitkeringen in het kader van tegoeden Tweede Wereldoorlog aan leden van de Joodse, Sinti, Roma en Indische gemeenschappen; uitkeringen aan voormalige dwangarbeiders Tweede Wereldoorlog; eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening; uitkering in verband met DES-gebruik bij zwangerschap; schadevergoeding voor slachtoffers misbruik Rooms-Katholieke kerk; schadevergoeding voor slachtoffers misbruik jeugdzorg; eenmalige bijzondere uitkering veteranen; een uitkering voor geleden schade die een gedupeerde van de Kinderopvangtoeslagaffaire ontvangt (bijvoorbeeld de zogenaamde Catshuisregeling ad € 30.000); een uitkering voor geleden schade die een gedupeerd kind van de Kinderopvangtoeslagaffaire ontvangt (de zogenaamde Kindregeling variërend van € 2.000 tot € 10.000, afhankelijk van de leeftijd van het gedupeerde kind). Voor andere schadevergoedingen geldt het volgende: deze worden vrijgelaten, voor zover de schadevergoeding volgens de gemeente een verantwoorde omvang en bestemming heeft. Dat is afhankelijk van een aantal factoren, zoals de oorzaak en de omvang van de schadevergoeding, de bestemming daarvan, de hoogte van de feitelijke schade etc. Alle relevante factoren moeten in het individuele geval worden afgewogen, voordat een besluit over schadevergoeding wordt genomen. Als er recht bestaat op een schadevergoeding moet de klant dit z.s.m. melden aan de gemeente. Dan kan worden bepaald wat de gevolgen voor de uitkering zijn. Inkomen of vermogen? Een vergoeding voor materiële schade die niet wordt vrijgelaten, wordt als vermogen gezien. Een vergoeding voor immateriële schade is inkomen, als het bedoeld is voor een periode waarin ook bijstand is/wordt verleend. Is de vergoeding niet bedoeld voor een specifieke periode, of is het bedoeld voor een periode waarin geen bijstand is/wordt verleend, dan is het vermogen. Schadevergoeding voor het verlies van arbeidsvermogen Als de schadevergoeding is bedoeld als compensatie voor het verlies van arbeidsvermogen, dan wordt de schadevergoeding gezien als inkomen en moet deze met de bijstand worden verrekend. De vergoeding heeft hetzelfde karakter als een uitkering die kan worden ingezet voor levensonderhoud. 4.2.11 Beoordelingskader giften Voor de beoordeling of een gift tot het inkomen of vermogen (ofwel, tot de middelen) moet worden gerekend, hanteert het college het volgende beoordelingskader: Een gift of (meerdere) giften die op kalenderjaarbasis de grens van €1.200 niet overschrijden, worden na een individuele beoordeling niet tot de middelen gerekend; het bedrag van €1.200 noemen we de giftendrempel. Voor giften die op kalenderjaarbasis €1.200 overschrijden, zijn de giftendrempel en het volgende beoordelingskader van toepassing. Beoordelingskader. De gemeente laat giften boven de giftendrempel vrij voor zover dit verantwoord is vanuit het oogpunt van bijstandverlening. Om dat te bepalen wordt gekeken naar de hoogte én naar de bestemming van de gift. Er is geen verschil tussen giften van instellingen of personen. In ieder individueel geval moet opnieuw worden beoordeeld wat er met de gift moet gebeuren. Bij de beoordeling of iets een gift is, maakt het niet uit of de gift eenmalig of periodiek is. Punten die aanleiding kunnen zijn om de gift wel bij de bijstandverlening te betrekken: de gift heeft betrekking op kosten die uit de algemene bijstand moeten worden betaald (zoals kosten voor voeding en wonen); de gift heeft een vrij te besteden karakter; de gift leidt ertoe, dat iemand veel meer te bested