Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 Inleiding en leeswijzer Inleiding De gemeente hecht er belang aan dat de hulpvraag van de inwoner zo volledig mogelijk wordt behandeld. Dit komt tot uiting in de integrale verordening, met als vertrekpunt: ‘één gezin, één plan, één regisseur’. De vraag van de inwoner staat centraal, waarbij wordt gezocht naar maatwerk en verbinding op het sociale domein. Daar waar het praktisch mogelijk is, wordt de wijze van toegang en behandeling van de hulpvraag in het kader van de Jeugdwet en Wmo identiek. Voor de hulpvragen waarbij de toegang en het werkproces apart zijn georganiseerd (bijv. Leerlingenvervoer) wordt er gewerkt vanuit de gedachte om de inwoner zoveel mogelijk integraal te ondersteunen. Inwoners die zich met hulpvragen bij de gemeente melden, kunnen van de gemeente verwachten dat zij goed onderzoek verricht en dat dit onderzoek in goede samenspraak met de inwoners om wie het gaat uitgevoerd wordt. Ongeacht de hulpvraag en waar deze in de organisatie terecht komt, kijken we breder naar de andere leefdomeinen als daar aanleiding voor is. Leeswijzer De verordening start met het integrale deel voor Jeugd, Wmo en het Leerlingenvervoer. Dit zijn de hoofdstukken 1 en 2. Hierna volgen de specifieke bepalingen voor Jeugd en Wmo (hoofdstuk 3), het persoonsgebonden budget (hoofdstuk 4) en Leerlingenvervoer (hoofdstuk 5). Aansluitend op hoofdstuk 5 volgen er nog drie hoofdstukken die weer integraal voor zowel Jeugd, Wmo als Leerlingenvervoer gelden. Hoofdstuk1:Algemene bepalingen Artikel1.Begrippen en afkortingen Algemeen gebruikelijke voorziening: zaak of dienst die normaal in de handel te krijgen is; niet speciaal voor mensen met een beperking is ontworpen; niet aanzienlijk duurder is dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau; Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van maatschappelijke ondersteuning (artikel 1.1.1, eerste lid van de Wmo 2015), zelfredzaamheid en participatie of opvang; Beperking: objectief vastgestelde stoornis of conditie in lichamelijke, zintuiglijke, psychische of verstandelijke zin, die een normaal maatschappelijk functioneren van de cliënt belemmert en/of nadelige sociale gevolgen met zich meebrengt; Cliënt: cliënt als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 of de jeugdige of ouder die aanspraak maakt op jeugdhulp, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; Dienstverlening: jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een cliënt, anders dan in de vorm van vervoer, woonvoorzieningen of hulpmiddelen; Eigen bijdrage: financiële bijdrage van de cliënt als bedoeld in artikel 2.1.4a van de Wmo 2015. Cliënt is geen eigen bijdrage verschuldigd voor rolstoelen, een woningaanpassing ten behoeve van een minderjarige en voorzieningen op grond van de Jeugdwet; Gebruikelijke hulp: de normale, dagelijkse zorg, toezicht, begeleiding en stimulering die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden, omdat zij samen een duurzaam huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden en voor elkaar; Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 of behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, waarbij de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet; Inwoner: iemand die in de gemeente Zuidplas staat ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp), dan wel in de gemeente Zuidplas zijn hoofdverblijf heeft. Individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening voor jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet, door het college verstrekt in natura of bij pgb. Jeugdwet; Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen als bedoeld in de Wmo 2015 en Jeugdwet; Machtiging gesloten jeugdhulp: een door de kinderrechter genomen beslissing (beschikking) om een jeugdige in een gesloten instelling te plaatsen; Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw), die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; Melding: melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.3.2, van de Wmo 2015, of de aanvraag voor jeugdhulp; Onafhankelijk cliëntondersteuning: gratis en onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen/de diverse levensdomeinen van personen; Ondersteuningsplan: het onderdeel van het ondersteuningsverslag dat de weergave bevat van de adviezen, verwijzingen en afspraken die met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding op grond van de Wmo 2015 of het hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet dat door het college is gemaakt naar aanleiding van het onderzoek, waaronder tevens wordt verstaan het niet inhoudelijk gevulde ondersteuningsplan in geval van weigering van de ondersteuning; Onderzoek: het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar aanleiding van een hulpvraag om te bekijken wat de situatie is van degene die hulp vraagt en te bepalen welke ondersteuningsbehoefte hieruit voortvloeit; Persoonsgebonden budget (pgb): persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 of artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een cliënt, dat deze in staat stelt de geïndiceerde hulp van derden te betrekken; Sociaal netwerk: een groep van mensen waarmee de cliënt duurzame banden onderhoudt en waarbij sprake is van verbondenheid. Personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; Vertegenwoordiger (gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger): persoon of rechtspersoon die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot de verleende hulp/zorgverlening; Vervoersdiensten: Wmo vervoer geregeld door de gemeente, zoals het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer. Vervoersvoorzieningen: hulpmiddelen voor het verplaatsen, te denken aan scootmobiel, driewielfiets etc Voorliggende voorziening: een algemene voorziening of andere voorziening waarmee geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en waardoor het toekennen van een maatwerkvoorziening achterwege kan blijven, omdat de cliënt de ondervonden problemen met die voorziening op eigen kracht kan oplossen; Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Zorg in Natura (ZIN): een voorziening in de vorm van goederen in (bruik)leen, in eigendom, persoonlijke dienstverlening, beschermd wonen of opvang om de zelfredzaamheid of participatie van een ingezetene te verbeteren of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang. NB: waar in de verordening gebruik wordt gemaakt van hij/zijn, wordt ook bedoeld zij/haar/hen. Hoofdstuk2:Integrale benadering Artikel2.Toegang tot ondersteuning 1.Het college zorgt er in ieder geval voor dat inwoners die daar om verzoeken: kosteloos en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte; kosteloos worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van: het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd; worden doorverwezen en –geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning, en dat degene die een melding, aanvraag of verzoek indient wordt gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning. 2.In het kader van de uitvoering van het eerste lid vindt geen verwerking van persoonsgegevens plaats. Op verzoek van betrokkene kunnen de relevante bevindingen op schrift worden gesteld en aan hem of haar ter beschikking worden gesteld. Artikel3.Melding hulpvraag 1.Eenieder kan zich met een hulpvraag voor zichzelf of voor een ander, telefonisch of met een schriftelijke aanmelding/verwijzing richten tot het college, mits de hulpvraag een inwoner van Zuidplas betreft. 2.Het college maakt met de inwoner een afspraak voor een gesprek, zoals bedoeld in artikel 6 en bevestigt deze schriftelijk. 3.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. Als de hulpvraag een minderjarige betreft informeert het college de jeugdige en/of zijn ouders. 4.Het college brengt de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een eigen plan / familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet op te stellen en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. 5.Lid 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op een aanvraag leerlingenvervoer. Een aanvraag hiervoor loopt volgens de procedure genoemd in hoofdstuk 5. Artikel4.Spoedeisende ondersteuning Het college kan in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve, een (tijdelijke) maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 6 of de aanvraag van cliënt. Indien er sprake is van spoedeisende jeugdhulp, treft het college zo spoedig mogelijk een passende (tijdelijke) voorziening en vraagt het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3, juncto artikel 6.1.8, van de Jeugdwet. Artikel5.Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 1.Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2.Het college zorgt ervoor dat de jeugdige, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon als bedoeld in de Jeugdwet. 3.Het college of de uitvoerende organisatie wijst de cliënt en mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning of, indien van toepassing, een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel6.Het onderzoek en het gesprek naar aanleiding van een melding/aanvraag 1.Het onderzoek start met het voeren van een gesprek met cliënt, en/of diens vertegenwoordiger/gemachtigde, mantelzorger en indien de client dit wenst, familie of iemand uit het eigen netwerk van de cliënt. 2.Het college stelt de identiteit vast van alle bij het gesprek aanwezigen aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 3.In het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, komen in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde: de behoefte, persoonskenmerken, beperkingen, veiligheid, ontwikkeling, gezinssituatie, het probleem of hulpvraag en de voorkeuren van de cliënt; in het kader van jeugdhulp: welke hulp naar aard en omvang nodig is om rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of andere personen uit het sociale netwerk, zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan hulp en ondersteuning, beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn: de mogelijkheden om met gebruikmaking van een voorliggende-, algemene- of algemeen gebruikelijke voorzieningen te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg, alsmede partijen op bijvoorbeeld het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget, waarbij de cliënt wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn. 4.Naast het gesprek kan gebruik worden gemaakt van (een combinatie van) de volgende onderzoeksmethoden: Dossieronderzoek; Een aanvullend gesprek; Telefonisch onderzoek; Inschakelen externe deskundige; Inwinnen van informatie met toestemming van de cliënt bij behandelaars, zorgverleners, familie en/of overige externe partijen; Overige onderzoeksmethoden waartoe het college wettelijk bevoegd is. 5.De inwoner kan feitelijke gegevens corrigeren en kan zijn/haar opmerkingen op het ondersteuningsplan kenbaar maken. 6.Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 7.Binnen 10 dagen na het gesprek verstrekt het college de cliënt een bondig gespreksverslag met daarin een weergave van de zorgvraag en gemaakte afspraken. Feitelijke onjuistheden in het verslag worden op verzoek van de inwoner gecorrigeerd. Artikel7.Tolkkosten 1.Indien bij de inzet van hulp sprake is van een onoverbrugbare taalbarrière, wordt van de client en/of het betrokken netwerk verwacht dat zij zelf zorgdragen voor adequate communicatie. Dit kan bijvoorbeeld door het inschakelen van personen uit het eigen netwerk, zoals familieleden, vrienden of andere bekenden die kunnen tolken. Minderjarigen worden hierbij niet geacht te tolken voor hun ouder(s). 2.Indien aantoonbaar geen tolk uit het eigen netwerk beschikbaar is én de inzet van een professionele tolk noodzakelijk is voor het kunnen verlenen van passende hulp, kan het college gemotiveerd besluiten af te wijken van het eerste lid. Vergoeding van de kosten voor een professionele tolk is uitsluitend mogelijk in de volgende situaties: bij intakegesprekken en diagnostiek; in crisissituaties waarin directe inzet van een tolk noodzakelijk is; in situaties waarin het ontbreken van een tolk leidt tot aantoonbare risico’s voor de veiligheid. 3.Indien de client verblijft in een opvanglocatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en beschikt over een geldig zorgnummer, worden de kosten voor inzet van een tolk niet door het college vergoed. In deze gevallen vindt vergoeding plaats via het COA. Artikel8.Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1.Een maatwerkvoorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen van de inwoner en/of partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten toereikend zijn om, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag. 2.Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen, bekenden die van betekenis zijn voor en kunnen bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de inwoner. 3.Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. 4.Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ten aanzien van jeugdigen, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW, als uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(
- s)zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden, waar nodig met inzet van het eigen netwerk. 5.Uit het onderzoek kan blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner en/of partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten tekortschiet, omdat sprake is van: Geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; Een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of Overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden geboden totdat deze overbelasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 6.Bij de beoordeling van het vijfde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de partner, ouder(s), inwonende kinderen of andere huisgenoten hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de partner/ouder(
- s)maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: De behoefte en mogelijkheden van de inwoner; De mate van hulp die de inwoner nodig heeft; De aard en de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; De planbaarheid van de hulp; De benodigde ondersteuningsintensiteit De samenstelling van het gezin en de woonsituatie; De noodzaak van de partner/ouder(s)/inwonende kinderen om in een inkomen te voorzien en/of onderwijs te volgen. Artikel9.Ondersteuningsplan naar aanleiding van het onderzoek 1.Het college stelt na het onderzoek in overleg met de inwoner een ondersteuningsplan op, vanuit het principe één gezin, één plan, één regisseur. 2.Het ondersteuningsplan bevat de uitkomsten naar aanleiding van het onderzoek, waarin het college: de hulpvraag vaststelt; heeft vastgesteld welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving; in het kader van jeugdhulp: welke hulp naar aard en omvang nodig is om rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. heeft vastgesteld welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving; onderzocht heeft of en in hoeverre eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere mensen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden; slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn, een maatwerkvoorziening dient te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. 3.De inwoner kan feitelijke gegevens corrigeren en kan zijn/haar opmerkingen op het ondersteuningsplan kenbaar maken. 4.Als de inwoner van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening wordt dit opgenomen in het ondersteuningsplan. 5.Indien een client op basis van het opgestelde ondersteuningsplan daadwerkelijk een aanvraag wil indienen, dan dient het ondersteuningsplan ondertekend te worden teruggestuurd. Client kan daarbij kiezen om: akkoord te gaan met hetgeen in het ondersteuningsplan wordt geconcludeerd en daarvoor een aanvraag in te dienen, of niet akkoord te gaan met hetgeen in het ondersteuningsplan wordt geconcludeerd en een daarvan afwijkende aanvraag in te dienen. Hetgeen client wenst aan te vragen dient dan in het teruggestuurde ondersteuningsplan concreet te worden omschreven. Artikel10:Verstrekken van een maatwerkvoorziening 1.Het college besluit een maatwerkvoorziening te verstrekken voor zover in het ondersteuningsplan wordt aangegeven dat de inwoner: op eigen kracht met gebruikelijke hulp, of met zijn sociaal netwerk geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden, en geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemene voorziening, en met deze voorziening naar het oordeel van het college zelfredzaam wordt of kan participeren, en geen gebruik kan maken van een voorziening die algemeen gebruikelijk of voorliggend is. 2.Het college houdt bij het bepalen welke voorziening en/of ondersteuning het meest doelmatig, adequaat en toereikend is, rekening met de omstandigheden, behoeften en (functionele) mogelijkheden van een inwoner. 3.Als meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. 4.Een maatwerkvoorziening wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en (waar beschikbaar) wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. 5.Voor bepaalde voorzieningen kunnen aanvullende criteria van kracht zijn. Deze staan genoemd in hoofdstuk 3 van deze verordening. 6.De maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in natura of als persoonsgebonden budget. Artikel11.Weigeringsgronden 1.Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening als: cliënt voor de Wmo 2015 geen inwoner is van de gemeente Zuidplas of volgens de in artikel 1.1 van de Jeugdwet genoemde woonplaats niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Zuidplas valt; de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, of met gebruikmaking van algemene, algemeen gebruikelijke voorzieningen of andere voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; hulp of ondersteuning aan een jeugdige niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan gelden de uitgangspunten uit hoofdstuk 4 van de beleidsregels indicatiestelling Wlz (zie toelichting bij de verordening); indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is. Om te bepalen of de aanschaf van een voorziening financieel haalbaar is voor mensen met een inkomen op minimumniveau wordt de volgende rekenwijze toegepast: de kosten van de voorziening worden vergeleken met 5% van de geldende bijstandsnorm x 3 jaar. Wanneer de kosten van de voorziening lager zijn dan het berekende bedrag wordt de voorziening aangemerkt als zijnde algemeen gebruikelijk; indien gebrek aan financiële draagkracht de reden is voor het doen van een aanvraag voor reguliere voorliggende voorzieningen, voorbeelden hiervan zijn: huiswerkbegeleiding, begeleiding bij zwemles en bijdragen voor maatschappelijke activiteiten/sport.; indien de situatie van de cliënt niet (goed) kan worden beoordeeld doordat hij niet voldoet aan de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 en zoals bedoeld in artikel 8.1.2, derde lid, van de Jeugdwet; in de gevallen, bedoeld in artikel 2.3.5, zesde lid en 2.3.6, vijfde lid, van de Wmo 2015; in de gevallen, bedoeld in artikel 1.2, eerste en tweede lid, en 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet; indien deze geen passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die de belanghebbende vóór de melding heeft gerealiseerd of heeft geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of tenzij achteraf nog valt vast te stellen dat de voorziening noodzakelijk was en als goedkoopst adequate voorziening aan te merken valt; of voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Als jeugdige of zijn ouder(
- s)weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg, terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de jeugdige recht heeft op een dergelijk besluit. 2.Het college verstrekt geen woonvoorziening: voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; in of aan Wlz-instellingen, ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; voor zover het voorzieningen betreft in openbare en publieke gebouwen en in specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoelde gebouwen; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daar vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. voor zover het een voorziening betreft in het kader van de toegankelijkheid van de buitenruimte (tuin, balkon) als de buitenruimte voor cliënt reeds toegankelijk is via een andere toegang. 3.Voor beschermd- en beschut wonen geldt dat er geen toegang is tot deze voorziening als de cliënt uitsluitend (feitelijk) dakloos is of slachtoffer van huiselijk geweld. 4.Voor maatschappelijke opvang geldt dat de toegang kan worden geweigerd wanneer: een cliënt zich (na toegang tot de opvangvoorziening) niet houdt aan de huisregels; een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt; een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject; er sprake is van een tegenstellende indicatie waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is; een cliënt zich ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de opvang of richting medewerkers van de opvanginstelling; de eigen bijdrage (na veelvuldige waarschuwingen) niet betaald wordt; er in het geval van vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie. 5.Geen pgb wordt verstrekt als niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb zoals bedoeld in hoofdstuk 4 artikelen 46 t/m 51. 6.Het Collectief Vraagafhankelijke Vervoer (CVV) wordt niet verstrekt als vervoersmogelijkheid van en naar de dagbestedingslocatie. 7.In aanvulling op lid zes wordt het CVV tevens niet verstrekt voor reizen van en naar zorgverlener/specialist, tenzij de aanvraag voor een vergoeding van ziekenvervoer vanuit de Zvw wordt afgewezen door zorgverzekeraar. Artikel12.Aanvraag van een maatwerkvoorziening 1.Een inwoner kan een aanvraag van een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 2.Het college merkt een ondertekend ondersteuningsplan aan als aanvraag, als dit in het ondersteuningsplan door de cliënt is aangegeven. 3.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo 2015 kan ook via een daartoe ter beschikking gesteld aanvraagformulier worden ingediend. 4.In afwijking van het eerste t/m het derde lid, kan het college in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. Artikel13.Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp 1.Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(
- s)is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb-verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 3.Het college kan in geval van een aanvraag in het kader van de jeugdwet afwijken van bovengenoemd artikel, in situaties waarin het reguliere regionaal gecontracteerde zorgaanbod niet toereikend en/of passend is, of de toepassing van de inkoopkaders leidt tot onredelijke of niet-beoogde gevolgen voor de inwoner of diens huisgenoten, naaste familieleden en directe naaste omgeving. Deze afwijking is slechts mogelijk indien sprake is van een aantoonbaar noodzakelijke ondersteuning die binnen het regionaal gecontracteerde aanbod onvoldoende beschikbaar of passend is. Afwijking is slechts toegestaan wanneer de inzet van zorg voldoet aan de volgende inhoudelijke vereisten: Perspectief: De duur van de geboden hulp is afgestemd op de individuele ondersteuningsbehoefte van de inwoner en diens directe omgeving/netwerk en is afhankelijk van de voortgang richting de gestelde doelen. De doorlooptijd is proportioneel en doelgericht. De ondersteuning draagt aantoonbaar bij aan het perspectief van de inwoner. Dit perspectief is duidelijk omschreven. Kwaliteit: De aanbieder voldoet ten minste aan de regionale kwaliteitseisen zoals gesteld aan gecontracteerde aanbieders. De aanbieder toont dit aan met relevante documentatie, zoals geldige certificeringen (bijvoorbeeld HKZ of ISO), resultaten uit regionale contractmonitoring of inspectierapporten van de IGJ. 4.Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die: de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, en/of de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 5.Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 14. Artikel14.Beschikking maatwerkvoorziening 1.Het college maakt door middel van een beschikking zijn besluit kenbaar. Dit kan zowel een toewijzing als een afwijzing zijn. 2.Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: wat de te verstrekken voorziening is; wat het beoogde resultaat daarvan is; wat de ingangsdatum en duur van de voorziening is; welke gecontracteerde aanbieder de voorziening verstrekt; wat het tarief is van beoogde voorziening per minuut/dagdeel/etmaal; de mogelijkheid tot beroep en bezwaar. 3.Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: waarom er voor het verstrekken van een pgb is gekozen en; voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend en; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb en; wat de hoogte van het pgb is en; wat de duur is van de voorziening waarvoor het pgb bedoeld is, en; de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4.Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage in de kosten op grond van de Wmo 2015 wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. Hoofdstuk3:Voorzieningen: Paragraaf3.1Jeugd Artikel15.Algemene voorzieningen jeugd 1.Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen die aangeboden worden door een door de gemeente gecontracteerde derde en gericht zijn op jeugdhulpvoorzieningen. 2.Algemene voorzieningen bestaan uit een aanbod van individuele of collectieve ondersteunings- en dagbestedingstrajecten, activiteiten en diensten, die kunnen veranderen indien dit voortvloeit uit de behoefte van inwoners. 3.In ieder geval zijn de volgende algemene voorzieningen beschikbaar: Informatie/advies voor jeugdige en ouder Opvoedondersteuning Algemeen Jeugd- en Jongerenwerk Jeugdgezondheidszorg Veilig Thuis Integrale crisisdienst Vertrouwenspersoon Kindertelefoon Schoolmaatschappelijk werk Kinderombudsman 4.Het college kan nadere regels vaststellen over welke andere, naast die in lid 3 genoemde, algemene voorzieningen beschikbaar zijn. Artikel16.Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet passend onderwijs is als volgt geregeld: Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit de wet passend onderwijs is deze wet voorliggend op de jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet. Als een jeugdige voor het behalen van onderwijsdoelen begeleiding en/of persoonlijke verzorging nodig heeft op school in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen, valt de ondersteuning onder de jeugdhulpplicht vanuit de Jeugdwet. Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de Jeugdwet, dan rust op het college een inspanningsverplichting om in samenwerking met het onderwijs te komen tot een duidelijke analyse van het probleem met een daarbij passende oplossing voor de hulpvraag. Artikel17.Afbakening Jeugdwet en de Wet langdurige zorg De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet langdurige zorg is als volgt geregeld: Ondersteuning valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet als een jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap een blijvende behoefte heeft aan zorg én als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft: Ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de jeugdige of; Omdat jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen door fysieke problemen of door zware regieproblemen. Ondersteuning die gezien het voorgaande in ieder geval niet onder de jeugdhulpplicht van de jeugdwet valt, betreft: Logeeropvang voor jeugdigen met een indicatiebesluit Wet langdurige zorg; Verblijf in een instelling op basis van een indicatiebesluit Wet langdurige zorg; Vervoer naar en van een locatie voor Wet langdurige zorg. Als jeugdige of zijn ouder(
- s)weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg, terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de jeugdige recht heeft op een dergelijk besluit, dan verleent het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet. Als een jeugdige met een besluit op basis van de Wet langdurige zorg een aanvraag indient voor behandeling voor een psychische stoornis, verleent het college een voorziening voor jeugdhulp, mits de behandeling integraal onderdeel uitmaakt van de geboden behandeling vanuit de Wet langdurige zorg. Artikel18.Afbakening Jeugdwet en Zorgverzekeringswet De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Zorgverzekeringswet is als volgt geregeld: Indien jeugdige medisch noodzakelijke zorg nodig heeft, dan valt dit niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet en is er in dat kader geen recht op een voorziening op basis van de Jeugdwet. Voorbeelden van zorg op basis van de Zorgverzekeringswet zijn: Hulpmiddelenzorg; Ziekenvervoer; Zintuiglijke gehandicaptenzorg. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problematiek van de jeugdige en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, kent het college een maatwerkvoorziening toe. Persoonlijke verzorging voor jeugdigen die nodig is in verband met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen valt wel onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Jeugdhulp met verblijf valt niet onder de Jeugdwet als het een medisch noodzakelijk verblijf betreft vanwege geneeskundige zorg of als het gaat om tijdelijk, kortdurend geneeskundig verblijf buiten de thuissituatie. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de Jeugdwet als het onderdeel is van een integraal behandelplan en het een bewezen effectieve methodiek betreft. Artikel19.Afbakening Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning is als volgt geregeld: als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, dan is deze voorliggend op het verlenen van een voorziening op grond van de Jeugdwet. Artikel20.Afstemming met voorzieningen werk en inkomen De afstemming tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van wet- en regelgeving inzake werk en inkomen is als volgt geregeld: Het college ziet erop toe dat de gemeentelijke toegang, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële problematiek voor het slagen van preventie, jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering vroegtijdig signaleren. Het college ziet er daarnaast op toe dat jeugdigen en hun ouder(
- s)waar nodig de juiste ondersteuning krijgen vanuit de gemeentelijke voorzieningen. Deze voorzieningen vallen niet onder de Jeugdwet. Het college ziet erop toe dat er voorzieningen beschikbaar zijn op het terrein van arbeidsparticipatie voor jonggehandicapten en draagt zorg voor voldoende mogelijkheden van loonkostensubsidies en beschut werk voor deze doelgroep op het moment dat zij 18 jaar worden. Deze voorzieningen vallen niet onder de Jeugdwet. Artikel21.Maatwerkvoorzieningen jeugd 1.Een cliënt komt in aanmerking voor een individuele voorziening ter compensatie van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: op eigen kracht/eigen mogelijkheden; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg; met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening; met gebruikmaking van een algemene voorziening; of met gebruikmaking van een andere voorziening dan in het kader van de Jeugdwet. De individuele voorziening stelt de jeugdige in staat gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 2.De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: Jeugdzorg plus; Jeugdbescherming; Jeugdreclassering; Forensische GGZ; Crisisdienst Jeugd; Hoogspecialistische jeugdhulp Verblijf Ambulante hulp jeugd Dagbesteding jeugd 3.De volgende individuele voorzieningen worden zo kort als mogelijk ingezet en hebben in beginsel de volgende maximale duur en/of frequentie1Maximale duur en/of frequentie volgen uit het handboek inzet zorg en ondersteuning van de GR&JW. Deze kan gewijzigd worden.: Crisis verblijf: maximaal 3 maanden Jeugd-GGZ verblijf licht: maximaal 12 maanden en maximaal 7 etmalen per week Jeugd-GGZ verblijf zwaar: maximaal 12 maanden en maximaal 7 etmalen per week Jeugd-GGZ verblijf zonder overnachting: maximaal 12 maanden en maximaal 7 etmalen per week Groepsbehandeling plus: maximaal 12 maanden Logeeropvang regulier jeugd: maximaal 3 etmalen per week Logeeropvang intensief jeugd: maximaal 3 etmalen per week Deeltijd pleegzorg: maximaal 156 etmalen per jaar Individuele behandeling regulier: maximaal 12 maanden en maximaal 240 minuten per week Individuele behandeling specialistisch: maximaal 12 maanden en maximaal 240 minuten per week Onderwijs Opvang Voorziening: maximaal 6 maanden Multi-dimensionele Familie Therapie (MDFT): maximaal 18 maanden Groepsbehandeling regulier: maximaal 9 maanden Groepsbehandeling specialistisch: maximaal 9 maanden Specialistische GGZ: maximaal 24 maanden en maximaal 16.200 minuten Jeugd GGZ diagnostiek Ernstige Dyslexie: maximaal 15 sessies van 50 minuten Jeugd GGZ behandeling Ernstige Dyslexie: maximaal 60 sessies van 50 minuten Dagbesteding doorlopend-Jeugd: maximaal het aantal uur dat kinderen onderwijsplicht hebben en de dagbesteding open is. Dagbesteding doorlopend specialistisch-Jeugd: maximaal 1 jaar en maximaal het aantal uur dat kinderen onderwijsplicht hebben en de dagbesteding open is Dagbesteding ontwikkelgericht-Jeugd: maximaal het aantal uur dat kinderen onderwijsplicht hebben en de dagbesteding open is. Onderwijsarrangement stage en dagbesteding jeugd: maximaal voor 2 jaar en maximaal 4 dagdelen, waarvan de gemeente Zuidplas maximaal 2 dagdelen per week bekostigt. De overige 2 dagdelen worden bekostigd door het samenwerkingsverband. 4.Het college maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie en met inachtneming van het derde lid met aanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen: Doelgroepen; Activiteiten; Perspectief; Intensiteit; Kwaliteit; Beoogd resultaat; en Vermelding productcode iJw. 5.In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in het kader van de Jeugdwet, komt een jeugdige of zijn ouder(
- s)niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening in het kader van de jeugdwet. 6.Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin Artikel22.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding als hij in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten en de gebruikelijke zorg door de ouders en/of het sociale netwerk hier niet in kan voorzien: het krijgen of behouden van structuur of regie; het aanleren van praktische vaardigheden; het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; het aanleren van sociale vaardigheden; het langdurig ondersteunen bij zijn functioneren en het al dan niet deels overnemen hiervan; het leren omgaan met zijn beperkingen. Artikel22a.Kinderopvang en buitenschoolse opvang 1.Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang zijn geen vorm van jeugdhulp. 2.In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en/of psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(
- s)kan worden verwacht, kan vanuit de Jeugdwet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet. Artikel22b.Meerkosten zwemles Indien privézwemlessen onvoldoende zijn en de jeugdige extra begeleiding tijdens de zwemles nodig heeft, dan kan vanuit de gemeente jeugdhulp worden ingezet voor de extra begeleiding, niet voor de zwemles of zwemleskosten zelf. Artikel22c.Huiswerkbegeleiding 1.Ouders zijn de eerst verantwoordelijken om de ontwikkeling van hun kind te stimuleren. Ondersteuning gericht op het volgen van onderwijs valt dan ook onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders en het onderwijs. 2.Jeugdhulp kan aanvullend zijn als er sprake is van opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen. 3.Huiswerkbegeleiding is primair gericht op het leerproces en valt onder de zorgplicht van scholen en ouders. Huiswerkbegeleiding valt daarom niet onder jeugdhulp. 4.Als ouders vastlopen in het begeleiden van hun kind bij het maken van huiswerk, is opvoedondersteuning mogelijk vanuit de Jeugdwet. Artikel23.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening behandeling Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening behandeling als er bij hem in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten aanwijzingen zijn voor een tijdelijke of blijvende stoornis of beperking, of delict gedrag als gevolg van een stoornis of beperking waarvoor behandeling noodzakelijk is. het nodig hebben van diagnostiek als onderdeel van behandeling; het blijk geven van een behoefte aan stabilisering, vermindering, behandeling en opheffing van de stoornis of beperking en het leren omgaan hiermee; het aanleren van vaardigheden en het bewerkstelligen van een gedragsverandering bij de jeugdige of binnen het systeem van de jeugdige; het verlagen van recidiverisico. Artikel23a.Dyslexie 1.De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de jeugdwet. 2.Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de ED-specialist van het samenwerkingsverband Primair Onderwijs op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling van oordeel is dat diagnostiek, dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is. Artikel23b.Vaktherapie 1.Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines: Beeldende therapie; Dans en bewegingstherapie; Dramatherapie; Muziektherapie; Psychomotore therapie; Psychomotorische kindertherapie; Speltherapie 2.Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dit is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie geaccrediteerde opleiding OF een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding. 3.Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de Jeugdwet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is. 4.De behandelaar van de jeugdhulpaanbieder of een indicatiemedewerker van Stichting ZO! moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling. 5.Vaktherapeutische methodieken kunnen alleen worden geboden als zij onderdeel uitmaken van een bredere behandeling (bijvoorbeeld CGT) waarbij de lijn van de zorgverzekeraars wordt aangehouden. Artikel24.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening vervangende opvoeding Het college zet ondersteunende vervangende opvoeding voor de jeugdige in, als hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden: de opvoedsituatie is niet veilig genoeg voor de jeugdige; de jeugdige vormt een gevaar voor zichzelf of de omgeving, welk gevaar niet door de opvoeders, al dan niet in combinatie met ambulante hulp, kan worden weggenomen; de noodzakelijke hulp aan de jeugdige kan niet in afdoende mate door de opvoeders of ambulante hulp worden geboden; vervangende opvoeding levert betere en effectievere hulp aan de jeugdige op. Artikel25.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbehandeling of dagbesteding Het college zet ondersteunende dagbehandeling of dagbesteding in, als een of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: vanwege een beperking of stoornis is het voor de jeugdige niet mogelijk om, al dan niet tijdelijk, deel te nemen aan onderwijs; de jeugdige heeft een stoornis of beperking die met dagbehandeling effectief te behandelen is; de jeugdige is gebaat bij het aanleren van vaardigheden in het kader van sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder het verkrijgen van een dagstructuur. Om de jeugdige beter te kunnen begeleiden is het noodzakelijk om de vaardigheden van ouders/verzorgers en/of netwerk uit te breiden en versterken. Artikel26.Vervoer bij jeugdhulp 1.Uitgangspunt is dat ouder(
- s)zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. 2.Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3.Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening. Dit kan gaan om een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Beperkingen in de zelfredzaamheid kunnen te maken hebben met leeftijd, stoornis, beperking of ziekte en kunnen tijdelijk of chronisch van aard zijn. De beperking in de zelfredzaamheid hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp 4.Het college beoordeelt in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(
- s)onvoldoende zijn om het vervoer zelf te regelen. 5.Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. 6.De vraag om een voorziening vervoer bij jeugdhulp zal meestal tegelijk met een aanvraag voor de jeugdhulp aan de orde zijn en wordt dan meegenomen in het besluit. Het is echter ook mogelijk de vervoersvoorziening later toe te kennen, als zich na verloop van tijd een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid voordoen. Deze beperkingen hoeven geen relatie met de jeugdhulp te hebben. 7.De voorziening wordt toegekend vanaf de datum dat de jeugdhulp in de toekomst zal starten of zo vroeg als de datum van de aanvraag indien het vervoer feitelijk al in gang is gezet. Verstrekking met terugwerkende kracht, dus voor de datum van de aanvraag, is niet mogelijk. Vervoer dat is ingekocht bij zorgaanbieders is voorliggend. 8.Wanneer de noodzaak, zoals bedoeld in het derde lid, is vastgesteld, wordt een vervoersvoorziening toegekend wanneer de afstand en de frequentie van vervoer naar de jeugdhulplocatie dermate groot is dat dit de gebruikelijke zorgplicht van ouders overschrijdt. Om te beoordelen of dit van toepassing is maakt het college gebruik van de volgende berekeningsformule: (aantal maanden) x (aantal keren per week) x (aantal weken per maand) x (afstand enkele reis) x 0,25. Indien de uitkomst 250 of hoger is, kan een vervoersvoorziening worden toegekend, uitgaande van een afstand van meer dan 6 km. 9.De volgende vormen van een maatwerkvoorziening vervoer jeugdwet worden onderscheiden: Begeleiding van een jeugdige met als doel zelfstandig leren reizen naar de jeugdhulpaanbieder. Een vergoeding voor openbaar vervoer voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie indien sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 8). Een vergoeding voor openbaar vervoer met begeleiding voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie indien er sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 8). Een vergoeding voor eigen vervoer voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie, indien sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 8). Aangepast vervoer (taxivervoer) dat in natura wordt geboden door de jeugdhulpaanbieder of het door het college gecontracteerde taxibedrijf. Een combinatie van deze voorzieningen behoort tot de mogelijkheden, mits onderbouwd wordt waarom hiervoor gekozen wordt. 10.In de volgende volgorde is een afweging voor een passende voorziening gemaakt. Pas als een jeugdige niet op de beschreven manier (per optie) kan reizen, komt de volgende, daaronder beschreven optie in beeld. Het inzetten van aangepast vervoer (taxi/taxibus) is pas mogelijk wanneer alle onderstaande opties naar het oordeel van het college niet mogelijk zijn. De jeugdige fietst naar de jeugdhulplocatie. De jeugdige fietst naar de jeugdhulplocatie onder begeleiding van ouder(s)/verzorger(
- s)of het sociale netwerk. De jeugdige heeft de draagkracht en vaardigheden om in afzienbare tijd zelfstandig te leren reizen met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie begeleid door ouder(s)/verzorger(s), het sociale netwerk, een vrijwilliger of een jeugdprofessional. De jeugdige gaat met zijn/haar brommer/scooter naar de jeugdhulplocatie. De jeugdige reist zelfstandig met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie. Er zijn drie redenen waarom openbaar vervoer geen optie is, namelijk een gebrek aan zelfstandigheid van de jeugdige, het ontbreken van openbaar vervoer of een reistijd van meer dan 45 minuten voor een enkele reis. Daarbij wordt uitgegaan van de reisduur tussen woning en uitstaphalte of –station. De jeugdige reist onder begeleiding van ouder(s)/verzorger(
- s)of het sociale netwerk met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie. Deze optie vervalt als de jeugdige niet in staat is om met begeleiding in het openbaar vervoer te reizen, openbaar vervoer ontbreekt, de reistijd meer dan 45 minuten enkele reis (de reistijd tussen woning en uitstaphalte of –station) of ouder(s)/verzorger(
- s)kunnen aantonen dat begeleiding van de jeugdige door henzelf of anderen onmogelijk is dat wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. De ouder(s)/verzorger(
- s)of het sociale netwerk brengen en halen de jeugdige met gemotoriseerd vervoer (auto, bestelbus, motor enz). 11.Voor de opties lid 10 d, e, f en g is een vergoeding mogelijk in de vorm van een kilometervergoeding van € 0,23 per kilometer of een vergoeding op basis van het tarief openbaar vervoer. Indien het college een kilometervergoeding toekent voor een auto, bekostigt het college de kilometervergoeding alleen voor die kilometers dat de jeugdige inzittende van de auto is. Artikel27.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren Logeren is een vorm van respijtzorg. De zorg wordt tijdelijk overgenomen waardoor de mantelzorger ontlast wordt van de zorgtaak. Het is aanvullend op noodzakelijke zorg en ondersteuning die al in de thuissituatie wordt geboden, het vervangt deze zorg en ondersteuning niet. Logeeropvang wordt alleen toegewezen als het noodzakelijk is dat degene die mantelzorg of gebruikelijke zorg levert tijdelijk wordt ontzien en logeren in het sociale netwerk niet mogelijk is. Artikel28.Zestienjarige en voortzetting hulp na achttien jaar Zorgaanbieder draagt zorg voor een goede doorgaande zorglijn van 18- naar 18+. Zorgaanbieder start, samen met de Jeugdige, op zestienjarige leeftijd met het maken van een toekomstplan waarbij een regisseur wordt benoemd. Netwerkondersteuning maakt onderdeel uit van het toekomstplan. Paragraaf3.2Wmo Artikel29.Algemene voorzieningen Wmo 1.Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen die aangeboden worden door een door de gemeente gecontracteerde derde en gericht zijn op maatschappelijke ondersteuning. 2.Algemene voorzieningen bestaan uit een aanbod van individuele of collectieve ondersteunings- en dagbestedingstrajecten, activiteiten en diensten, die kunnen veranderen indien dit voortvloeit uit de behoefte van inwoners. 3.Een algemene voorziening is bedoeld om één van de volgende resultaten te bereiken: de inwoner heeft onderdak; de inwoner kan optimaal sociaal en persoonlijk functioneren; de inwoner kan deelnemen aan de samenleving; de inwoner kan zijn financiële huishouding voeren; de inwoner heeft een structuur/ invulling van de dag; de inwoner is verzorgd/voert de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zoveel als mogelijk zelf uit; de inwoner beschikt over schone en draagbare kleding h de inwoner heeft een veilige thuissituatie de mantelzorgers van de inwoner worden tijdelijk ontlast. 4.Om het resultaat zoals beschreven in artikel 29 lid 3 onder g te bereiken is er wasservice beschikbaar de eigen bijdrage voor inwoners met een indicatie huishoudelijke hulp is € 6,00 euro per waszak van maximaal 8 kg. de eigen bijdrage voor inwoners die geen indicatie huishoudelijke hulp hebben, is € 25,00 per waszak van maximaal 8 kg . 5.Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel. Artikel30.Maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 1.Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit één of meer van de volgende diensten of productcategorieën: hulp bij het huishouden; begeleiding; dagbesteding; logeren; beschermd wonen; beschut wonen; rolstoelvoorzieningen; woonvoorzieningen en woningaanpassingen; vervoersvoorzieningen; vervoersdiensten; sportvoorzieningen. 2.Als onderdeel van dagbesteding kan de cliënt tevens in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding. 3.Het college stelt de omvang van de dienst of het product vast aansluitend bij de ondersteuningsbehoefte en de zorgzwaarte van de cliënt. 4.Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening hulp bij huishouden wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 ontwikkeld door Bureau HHM. 5.Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening begeleiding en dagbesteding wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Begeleiding versie 2.0 ontwikkeld door Bureau HHM en Factum Advies. 6.Een cliënt kan alleen in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening indien naar oordeel van het college de cliënt geen mogelijkheden heeft om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk of wanneer algemene voorzieningen of andere voorzieningen afwezig en/of ontoereikend zijn om: de beperkingen die de cliënt ondervindt in de zelfredzaamheid of participatie te verminderen of weg te nemen en de cliënt met een, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven functioneren; of de problemen die de cliënt ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving, als er sprake is van een cliënt met psychische of psychosociale problemen of die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, te verminderen of weg te nemen en de cliënt met de, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld om zich uiteindelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 7.Het college kan een maatwerkvoorziening in natura, anders dan voor dienstverlening, in bruikleen of in eigendom verstrekken. 8.Het college hanteert voor het toekennen van een maatwerkvoorziening, voor zover relevant, de volgende criteria: er is sprake van kosten of voorzieningen die, gelet op de situatie van de cliënt, niet algemeen gebruikelijk zijn; de maatwerkvoorziening is, gelet op de persoon, veilig voor hemzelf en zijn omgeving en brengt geen gezondheidsrisico’s met zich mee; er is geen sprake van een verzoek tot vervanging van een eerder verstrekte voorziening als deze nog in voldoende mate ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de cliënt en de voorziening nog niet technisch is afgeschreven; de melding is gedaan op een zodanig moment, dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning kan plaatsvinden; de cliënt werkt binnen zijn vermogen mee aan het opstellen en nakomen van het ondersteuningsplan en de afspraken met de aanbieder van de maatwerkvoorziening; de noodzaak tot het verstrekken van een voorziening is niet aan de cliënt te verwijten. 9.Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van de maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015. Artikel31.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden als er ondersteuning nodig is in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten: het schoon en leefbaar houden van de woning volgens algemeen hygiënische normen; het beschikken over schone en draagbare kleding; het beschikken over primaire levensbehoeften, waaronder maaltijden; het voeren van regie over het doen van het huishouden. Artikel32.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding als er ondersteuning nodig is in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten: het krijgen of behouden van structuur of regie; het aanleren van (praktische) vaardigheden; het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; het aanleren van sociale vaardigheden; het bevorderen of behouden van zelfredzaamheid; het leren omgaan met de beperkingen die de cliënt heeft. Artikel33.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbesteding 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening dagbesteding als er ondersteuning nodig is in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten: het noodzakelijk is het ondersteuningssysteem van cliënt te ontlasten; cliënt ondersteuning nodig heeft bij het vergroten van zijn netwerk, teneinde gevoelens van eenzaamheid te doorbreken; cliënt belemmeringen ondervindt bij het deelnemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag, zoals werk, scholing of vrijetijdsbesteding; de cliënt structuur en veiligheid nodig heeft teneinde verlies aan regie en zelfredzaamheid te voorkomen; het noodzakelijk is om cliënt te activeren tot zingevende activiteiten; of de cliënt ondersteund moet worden bij het verkrijgen van werknemersvaardigheden. 2.De dagbesteding vindt plaats op een daartoe bestemde locatie onder begeleiding van de aanbieder. Artikel34.Aanvullende criteria voor vervoer van en naar de dagbesteding Een cliënt kan in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding als cliënt, gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de dagbesteding. Artikel35.Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren Een cliënt kan in aanmerking komen voor logeeropvang of logeerverblijf als er naast de algemene voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 8, wordt voldaan aan de volgende criteria: er is sprake van een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap; en ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert is noodzakelijk; en de cliënt is aangewezen op ondersteuning, gepaard gaand met toezicht; en de cliënt structureel gedurende maximaal 3 etmalen per week aangewezen is op deze maatwerkvoorziening. Artikel36.Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschermd wonen en maatschappelijke opvang 1.Op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 kan een inwoner in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. 2.De toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang vindt plaats via de gemeente Gouda. 3.Een cliënt kan in aanmerking komen voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang overeenkomstig het daartoe vastgestelde beleid van centrumgemeente Gouda, de geldende verordening en nadere regels maatschappelijke ondersteuning. Artikel37.Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschut wonen 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening beschut wonen als er naast de algemene voorwaarden zoals bedoelt in artikel 8, wordt voldaan aan de volgende criteria: er is sprake van belemmeringen in het zelfstandig wonen als gevolg van psychische- of psychiatrische problematiek, een licht verstandelijke beperking, verslaving of een combinatie hiervan; is in staat de ondersteuningsvraag te benoemen en kan deze (tijdelijk) uitstellen; heeft dag invulling via opleiding, werk of dagbesteding; heeft ’s nachts in principe geen begeleiding nodig; is aangewezen op begeleiding die door de weeks op vaste momenten aanwezig is en daarbuiten 24-uurs bereikbaarheid heeft en indien nodig op afroep langs komt. 2.Een cliënt is zelf verantwoordelijk voor het betalen van de huur en woonlasten. Artikel38.Aanvullende criteria maatwerkvoorziening rolstoel 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een (elektrische) rolstoel, als hij als gevolg van zijn beperkingen langdurig is aangewezen op het zittend verplaatsen in en om de woning. 2.Er zijn medisch aantoonbare beperkingen die dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en waarvoor loophulpmiddelen, die zelf gekocht kunnen worden of via de zorgverzekeringswet verstrekt worden niet volstaan. 3.In het geval van een elektrische rolstoel kan de cliënt veilig deelnemen aan het verkeer. 4.De woning van de cliënt is rolstoeltoegankelijk en rolstoeldoorgankelijk of kan met beperkte middelen worden aangepast. Artikel39.Aanvullende criteria maatwerk woonvoorzieningen 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening, in de vorm van een woningaanpassing of in de vorm van hulpmiddelen om zich in en om de woning te verplaatsen, als er sprake is van een aantoonbare beperking bij het normaal gebruik van de noodzakelijke gebruiksruimte(
- n)in de woning, als: de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf in Zuidplas heeft, waarbij er geen sprake mag zijn van een tijdelijke huurovereenkomst; en de woning geschikt is om het hele jaar door te bewonen; en de ondervonden beperkingen in de woonruimte niet voortvloeien uit de aard van de in de woonruimte gebruikte materialen, te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de voor periodiek onderhoud geldende wettelijke vereisten; en de woonruimteaanpassing langdurig noodzakelijk is en verhuizen niet mogelijk of niet de goedkoopst adequate voorziening is. 2.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor het bezoekbaar maken van één woning indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling in de gemeente Zuidplas en de cliënt regelmatig een bezoek brengt en zal blijven brengen aan die woning in de gemeente Zuidplas, en het bezoek voor de cliënt noodzakelijk is voor het onderhouden van sociaal contact, en hij deze woning niet op een normale manier kan betreden of bereiken. 3.Wanneer uit onderzoek blijkt dat verhuizing de goedkoopst adequate oplossing is voor de hulpvraag, dan wordt het primaat van verhuizen toegepast. Het college kan daarbij een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor de kosten van een verhuizing, tenzij er argumenten zijn die tegen verhuizen pleiten. 4.In afwijking van het eerste lid, sub c kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekken voor de kosten van een verhuizing, als: de cliënt aantoonbaar goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te doen wegnemen; en er met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen een redelijke termijn geen uitzicht is op de opheffing van de gebreken aan de woning. 5. De kosten van het verwijderen van woonvoorzieningen, bijvoorbeeld trapliften, zijn voor rekening van de gemeente voor zover deze voorzieningen eigendom zijn van de gemeente. De kosten voor het verwijderen van een woonvoorziening die in eigendom is verstrekt, middels een financiële tegemoetkoming, uit een eigen of huurwoning zijn voor rekening van degene aan wie de verstrekking is toegekend. De herstelkosten bij het verwijderen van voorzieningen, bijvoorbeeld het vullen van gaten en herstellen van vloerbedekking, zijn in alle gevallen voor rekening van degene aan wie de verstrekking was toegekend. In geval van overname van een (huur)woning zijn, na acceptatie van de woning, de kosten voor rekening van de nieuwe huurder/eigenaar en kan geen beroep worden gedaan op de Wmo. Artikel40.Aanvullende criteria maatwerkvoorzieningen, vervoersdiensten en vervoersvoorzieningen 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een vervoersdienst of vervoersvoorziening als er als gevolg van lichamelijke beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen belemmeringen worden ondervonden bij het (lokaal) verplaatsen met het reguliere openbaar vervoer of eigen vervoer. 2.In afwijking van het eerste lid komen cliënten, die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, op basis van hun leeftijd in aanmerking voor een CVV indicatie. 3.In aanvulling op het eerste lid verstrekt het college alleen een vervoersdienst of vervoersvoorziening als: de beperkingen langdurig (minimaal 6 maanden) van aard zijn; de cliënt de voorziening nodig heeft in verband met specifieke verplaatsingsbehoefte, die niet anderszins kan worden opgelost; de cliënt in staat wordt geacht om – na instructie – op veilige wijze gebruik kan maken van de voorziening; de cliënt in het geval van een open gehandicaptenvoertuig beschikt over een geschikte, brandveilige en overdekte stallingsruimte, die voor voorzieningen met een accu is voorzien van een geaard stopcontact van 220 volt, of gecreëerd kan worden. 4.Het college legt het primaat bij het gebruik van het CVV, als het CVV de cliënt naar het oordeel van het college in voldoende mate in staat stelt tot participatie en zelfredzaamheid. 5.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een combinatie van de vervoersvoorzieningen als dit voor zijn participatie of zelfredzaamheid voor zowel de korte als de lange afstand noodzakelijk is. 6.De indicatie voor het CVV vervalt na twee jaar, wanneer de vervoersdienst in die periode niet door de cliënt is gebruikt. Dit zal middels een beschikking aan de cliënt kenbaar worden gemaakt. 7.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor vervoer wanneer het college in aanvulling op het eerste lid van oordeel is dat de cliënt door zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden niet in staat is gebruik te maken van het CVV. Artikel41.Aanvullende criteria maatwerk sportvoorzieningen 1.Het college kan ten behoeve van het uitoefenen van een sport een pgb verstrekken voor: een cliënt die in het dagelijks leven gebruik maakt van een loophulpmiddel of een verplaatsingsmiddel; en een cliënt die zonder sportvoorziening niet in staat is tot sportbeoefening; en beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk. 2.Het pgb voor de aanschafkosten van een sporthulpmiddel is gelijk aan de feitelijke kosten van de voorziening, aangevuld met de onderhoudskosten. Artikel42.Afschrijvingsperioden 1.De volgende afschrijvingsperioden worden gehanteerd: keuken 15 jaar badkamer 25 jaar toilet 15 jaar hulpmiddelen 7 jaar douche- en toiletvoorzieningen 5 jaar kindervoorzieningen 5 jaar traplift geen afschrijvingsperiode Artikel43.Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1.Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo 2015, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2.Voor de verhuiskosten bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 3.750,77 als deze kosten voorvloeien uit de voorgestelde maatwerkoplossing zoals opgenomen in het ondersteuningsplan. 3.Voor het bezoekbaar maken van een woning (het toe- en doorgankelijk maken en aanpassen van het toilet en/of woonkamer) bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 3.750,77. 4.De tegemoetkoming vermeldt onder lid 2 en 3 kunnen eenmalig verstrekt worden. 5.Voor de kosten van het gebruik van een taxi bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 4.748,25 per kalenderjaar. Voor de kosten van het gebruik van een rolstoeltaxi bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 6.196,36 per kalenderjaar. 6.Voor de kosten van de aanpassingen van de eigen auto wordt de vergoeding vastgesteld op basis van offertes, waarbij de technische levensduur van de auto op het moment van aanvragen nog minimaal 10 jaar moet zijn. 7.Voor de kosten ten behoeve van een sportrolstoel bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 3.709,80 per drie jaar. 8.Voor de kosten ten behoeve van onderhoud en reparatie aan de sportrolstoel bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 695,19 per kalenderjaar. 9.De toegekende tegemoetkoming zoals bedoeld in lid 3 t/m 9 worden op declaratiebasis achteraf uitgekeerd aan de aanvrager; de toegekende tegemoetkoming uit lid 2 wordt uitbetaald op basis van de beschikking. 10.De maximale bedragen van de tegemoetkomingen genoemd onder lid 2 t/m 9 worden jaarlijks verhoogd of verlaagd aan de hand van de prijsindex voor gezinsconsumptie zoals bepaald in artikel 3.7 eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel44.Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel pgb op grond van de Wmo 2015, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt, onderscheidenlijk gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt of tot wanneer de kostprijs van de maatwerkvoorziening is bereikt. 2.Voor de maatwerkvoorzieningen bedraagt de hoogte van de bijdrage voor een of meerdere voorzieningen samen het bedrag genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt samen. 3.In afwijking van het eerste lid is cliënt geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen rolstoelen; woningaanpassing ten behoeve van een minderjarige cliënt. 4.In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de Wmo 2015 is de hoogte van de reizigersbijdrage voor de maatwerkvoorziening collectief vraagafhankelijk vervoer afhankelijk van het aantal gereden zones. Deze reizigersbijdrage is: 2025 Aantal Zones Van deur naar deur Wmo-pashouder Geïndiceerde begeleider Sociaal begeleider OV- reiziger 1 € 2,40 Nihil € 2,40 € 6,70 2 € 3,35 Nihil € 3,35 € 10,05 3 € 4,30 Nihil € 4,30 € 13,40 4 € 5,35 Nihil € 5,35 € 16,75 5 € 6,30 Nihil € 6,30 € 20,10 6 € 7,45 Nihil € 7,45 € 23,75 De genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2025 en worden ieder opvolgend jaar gewijzigd aan de hand van indexatie (NEA). 6.De kostprijs van een: maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. 7.In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de Wmo 2015, worden de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. Artikel45.Blijk van waardering voor mantelzorgers 1.Mantelzorgers van ingezetenen van de gemeente Zuidplas kunnen door middel van een melding bij het college in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering. 2.Het college draagt zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering als bedoeld in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015, voor mantelzorgers van ingezetenen van Zuidplas in de vorm van: een jaarlijkse dag/activiteit voor mantelzorgers. Deelname hieraan is gratis; op maat geboden ondersteuning door het mantelzorgsteunpunt; Hoofdstuk4:Persoonsgebonden budget (pgb) Artikel46.Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgb 1.Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en/of artikel 2.3.6 van de Wmo 2015. 2.Als een cliënt in aanmerking komt voor een zorg gerelateerde dienst op basis van een pgb, dan is de cliënt verplicht om ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag een budgetplan in te dienen. De cliënt dient daarbij gebruik te maken van een door het college vastgesteld format. In het budgetplan dient gemotiveerd te worden: welke zorg er met het pgb wordt ingekocht; waarom hij de maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 als een pgb wenst geleverd te krijgen of waarom hij een maatwerkvoorziening in het kader van de Jeugdwet in natura niet passend acht; waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen terzake, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel met een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp voldoende in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Desgevraagd onderbouwt de budgethouder dit met bewijsstukken; hoe de zorg wordt vormgegeven; hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is. Daarbij is in elk geval van belang dat wanneer degene die de diensten verleent in contact kan komen met personen die jonger zijn dan achttien jaar, voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste en tweede graad en degenen die incidentele ondersteuning bieden; hoe hij de voorziening volgens een begroting dan wel een offerte wenst te financieren. 3.Voor dienstverlening in het kader van de Wmo 2015 of Jeugdwet wordt het tarief voor formele (professionele zorg) of informele (sociaal netwerk) hulp gehanteerd. 4.Een pgb is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb en: er geen wettelijke weigeringsgrond van toepassing is; de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen moet naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit zijn en in voldoende mate bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; de budgethouder en het college in het ondersteuningsplan afspreken binnen welke termijn de behaalde resultaten en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd. Er op geen enkele manier druk is uitgeoefend op cliënt om de dienstverlening, in welke vorm van ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 5.Het college verlangt van de cliënt en zijn vertegenwoordiger een schriftelijke machtiging en verklaring teneinde het beheer van het pgb op verantwoorde wijze uit te voeren. 6.Het college kan een persoon niet in staat achten de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden: problematische schuldenproblematiek; ernstige verslavingsproblematiek; aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; een aanmerkelijke verstandelijke beperking; een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid. 7.Het college verplicht de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie van het ondersteuningsplan ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden. 8.Een pgb bestemd voor besteding in het buitenland, is alleen mogelijk als het college daar expliciet toestemming voor heeft gegeven. 9.Een pgb is niet mogelijk: als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 4, dan wel ondersteuning die ambtshalve wordt verleend in de situatie als bedoeld in artikel 10, vierde lid; de kosten voor tussenpersonen, belangbehartigers, bemiddeling, administratie, lidmaatschappen, verlofdagen/feestdagenuitkering of reiskosten komen niet in aanmerking voor een pgb; voor de bekostiging van huisvesting/huur. 10.Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken. 11.Bij het verlenen van een pgb geldt dat de voorziening moet voldoen aan het programma van eisen dat is opgesteld door de gemeente voor de dan geldende aanbesteding hulpmiddelen en, indien van toepassing, moet worden aangeschaft bij een leverancier die is aangesloten bij het Nationaal keurmerk hulpmiddelen. 12.Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel. Artikel47.Regels voor pgb vertegenwoordiging 1.Een vertegenwoordiger wordt geacht de aan de pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te kunnen voeren. 2.De vertegenwoordiger stelt het belang van de cliënt centraal en moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van de cliënt. 3.De vertegenwoordiger is niet tevens uitvoerder van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of heeft geen financiële relatie met de uitvoerder van de ondersteuning. 4.In afwijking op lid 3 kan gezien de situatie van de cliënt of jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de verantwoordde besteding van het pgb, naar het oordeel van het college passend worden bevonden; 5.De vertegenwoordiger van de cliënt ondersteunt de cliënt van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de cliënt en is ook integraal aanspreekpunt. 6.Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit en rechtmatigheid, al dan niet steekproefsgewijs, controleren wie er als vertegenwoordiger staat geregistreerd bij de SVB. 7.Indien de vertegenwoordiger iemand is uit het netwerk van cliënt dan dient er te worden aangeven dat het beheren van het pgb voor hem of haar niet tot overbelasting leidt. 8.Kosten voor pgb vertegenwoordiging mogen niet worden voldaan uit het persoonsgebonden budget. Artikel48.Regels voor pgb professional (formele hulp) 1.Van professionele ondersteuning is sprake als de organisatie of zelfstandig werkende hulpverlener die door de cliënt is ingeschakeld voor de ondersteuning, voldoet aan het geheel van de eisen genoemd in één van de volgende onderdelen: Er is sprake van een organisatie die: staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel waarbij de activiteiten blijkens deze inschrijving bestaan uit het verlenen van ondersteuning die past binnen de kaders van de Wmo 2015 en Jeugdwet; biedt een dienstverband aan minimaal twee medewerkers; de organisatie en de medewerkers voldoen aan de kwaliteitseisen en beroepscodes die voor de betreffende ondersteuning worden gesteld aan gecontracteerde aanbieders en hun medewerkers; de eigenaar en medewerkers zijn geen eerste- of tweedegraads bloed- of aanverwant van degene aan wie ze ondersteuning bieden of van diens vertegenwoordiger; en beschikt, indien ondersteuning wordt geleverd in het kader van dagbesteding, over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven; of Er is sprake van een zelfstandig werkende hulpverlener die: staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel waarbij de activiteiten blijkens deze inschrijving bestaan uit het verlenen van ondersteuning die past binnen de kaders van de Wmo 2015 en Jeugdwet; de belastingdienst beschouwt de hulpverlener in het kader van de hulpverlening aan de cliënt als ondernemer; de medewerker voldoet aan de kwaliteitseisen die aan een hulpverlener van een gecontracteerde aanbieder worden gesteld en berekent een tarief dat marktconform is; de hulpverlener is geen eerste- of tweedegraads bloed- of aanverwant van degene aan wie hij ondersteuning biedt of van diens vertegenwoordiger; en beschikt, indien ondersteuning wordt geleverd in het kader van dagbesteding, over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven. 2.De professional die een dienst verleent in het kader van de Wmo 2015 en/of de Jeugdwet: dient een ingezetene van Nederland te zijn en te beschikken over een Burgerservicenummer; Voor het leveren van professionele ondersteuning is vereist dat de hulpverlener beschikt over een VOG die na of kort voor indiensttreding bij zijn werkgever of de start van de ondersteuning is afgegeven; De professional die een dienst verleent in het kader van de Jeugdwet dient in het bezit te zijn van een SKJ-registratie of voldoet aan de richtlijn verantwoorde werktoedeling; hij dient in bezit te zijn van een geldige aansprakelijkheidsverzekering en een geldig lidmaatschap van een klachtencommissie. 3.De organisatie en de hulpverlener mogen geen enkel ander voordeel aan de ondersteuningsrelatie ontlenen dan de betaling vanuit het pgb. 4.Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van voortdurende wanprestatie kan het college een waarschuwing geven, de aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een pgb. Artikel49.Regels voor pgb sociaal netwerk (informele hulp) 1.Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, etc. 2.De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. 3.Indien er sprake is van verlening van hulp door een persoon in het sociaal netwerk: dient uit het ondersteuningsplan en budgetplan te blijken dat deze in staat is de gevraagde hulp gedurende de afgesproken periode te leveren, dat dit niet leidt tot overbelasting en hoe vervanging geregeld is bij vakantie of ziekte. zoekt de persoon uit het sociale netwerk afstemming met andere dienstverleners dan wel met de casusregisseur conform het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur. als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben. overlegt de persoon uit het sociaal netwerk een verklaring omtrent gedrag (VOG) waaruit blijkt dat het gedrag van de persoon in het verleden geen bezwaar vormt voor het verlenen van diensten in de persoonlijke leefomgeving. Artikel50.Hoogte van het pgb 1.De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van de te verstrekken maatwerkvoorziening zoals bepaald in artikel 8. 2.Een hulpmiddel of een woningaanpassing wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de voorziening die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de voorziening in natura zou zijn verstrekt. 3.Het pgb is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; 4.Uitbetaling van een pgb voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp vindt plaats op basis van zorgovereenkomsten of op declaratiebasis, door de SVB. 5.In afwijking van lid 4 vindt uitbetaling van een pgb voor een (vervoer)hulpmiddel of een woningaanpassing achteraf plaats door het college, op basis van leveranciersfacturen. 6.Bij de berekening van het tarief van een pgb wordt rekening gehouden met alle kosten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verlofdagen, feestdagen, verzekering(
- en)en reiskosten. 7.Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt: personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. informele hulp is: Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in onderdeel a; Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in onderdeel a, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt. 8.Het tarief voor formele hulp uitgevoerd door een hulpverlener werkzaam bij een professionele instelling bedraagt ten hoogste 100% van het tarief in natura. 9.Het tarief voor vervoer van en naar de dagbesteding of locatie waar jeugdhulp wordt geboden bedraagt ten hoogste 100% van het tarief in natura en is alleen mogelijk voor een professionele instelling. 10.Het tarief van een zzp‘er bedraagt ten hoogste 75% van het tarief van zorg in natura. 11.Het tarief voor hulp in natura wordt indien het geen uurtarief is, omgerekend naar een tarief per uur. 12.Het pgb voor hulp uitgevoerd als bedoeld in lid 7 onderdeel b is gelijk aan het tarief hiervoor in de Wet langdurige zorg plus de kosten voor het aanvragen van een Verklaring omtrent het Gedrag. 13.De gemeente volgt voor de indexering bij het tarief voor hulp uit het sociale netwerk de ontwikkeling van het tarief in de Wet langdurige zorg. Artikel51.Besteding en verantwoording van het pgb 1.De cliënt besteedt het pgb conform het door het college goedgekeurde budgetplan. 2.De cliënt voldoet aan de eisen die door de wetgever en het college aan het pgb worden gesteld, ten aanzien van de verantwoording, de zorgovereenkomst en het trekkingsrecht. 3.Het niet nakomen van de aan het pgb verbonden verplichtingen kan leiden tot: terugvordering van het ten onrechte ontvangen pgb; en de weigering om de ondersteuning nog langer in de vorm van een pgb te verstrekken. 4.Het is de cliënt niet toegestaan om met de dienstverlener een vast maandloon overeen te komen, dan wel een andersoortige afspraak te maken op basis waarvan uitbetaling door de SVB aan dienstverlener plaatsvindt zonder voorafgaande verplichting van cliënt tot overlegging aan SVB van een door cliënt geaccordeerde factuur of specificatie van ingezette ondersteuning. Hoofdstuk5:Specifieke bepalingen leerlingenvervoer Paragraaf5.1Definities Artikel52.Definities In deze verordening wordt verstaan onder: aangepast vervoer: door het college georganiseerd vervoer (vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, taxibus of bustaxi) afstand: afstand tussen de woning en de school, overeenkomstig artikel 4, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, gemeten met ANWB routeplanner langs de kortste voor de leerling per fiets voldoende begaanbare en veilige weg; begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; begeleiding: fysieke begeleiding van de leerling tijdens het vervoer; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas; deskundige: onafhankelijk medisch, psychiatrisch, psychologisch, pedagogisch of verkeerskundig deskundige; eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets, dat onder eigen verantwoordelijkheid plaatsvindt; gehandicapte leerling: een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; inkomen: inkomensgegevens als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school; ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 2.44 op de Wet op het voortgezet onderwijs 2020, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding, dan wel de commissie van onderzoek; openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waarvan iedereen al dan niet tegen betaling gebruik van kan maken; opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer; opvangadres: adres naast de woning van de leerling waar de leerling wordt opgevangen, zoals buitenschoolse opvang, gastouder of familielid. ouders: (pleeg)ouders, voogden of verzorgers van de leerling; reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids (of het standaard rooster bij voortgezet onderwijs), minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt: Dit is basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding; toegankelijke school: toegankelijke school als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, waar plaats is en waarbij de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders of de meerderjarige leerling berustende keuze van een school geëerbiedigd wordt; vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; vervoersvoorziening: vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider; vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig van dienst begeleider; aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig voor diens begeleider; of gehele of gedeeltelijke vergoeding van de vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft. Artikel53.Doelstelling Dit hoofdstuk van de Integrale verordening heeft tot doel om, op basis van een beoordeling op grond van de in deze verordening vastgestelde criteria en een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling, een gehele of gedeeltelijke bekostiging toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug. Paragraaf5.2Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening Artikel54.Aanvraag 1.Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de gemeente waar de leerling structureel verblijft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens. 2.Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken 3.De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling. Artikel55.Onderzoek 1.Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, onderzoekt het college in elk geval de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin, en de afstand en route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school. 2.Het college kan in een gesprek met de ouders, en desgewenst met de leerling, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken. Bij dit gesprek kan, als het college dat noodzakelijk acht, ook een deskundige aansluiten. 3.Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden. 4.Het college kan in overleg met de ouders en desgewenst de leerling, gelet op het ontwikkelingsperspectief van de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit. Artikel56.Inzet deskundige 1.Het college betrekt een deskundige bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen, ter beoordeling van de individuele situatie van de leerling, op het moment dat het college specifieke deskundigheid noodzakelijk acht. 2.De ouders en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek van de deskundige. Artikel57.Beslistermijn 1.Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening. 2.Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. Artikel58.Ingangsdatum voorziening Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de verzochte datum, waarbij de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de verzochte datum. Artikel59.Besluit 1.Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking, de uitbetaling, en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. 2.Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. Paragraaf5.3Beoordelingscriteria Artikel60.Algemene bepalingen beoordelingscriteria 1.De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kind(eren). 2.Ten behoeve van het schoolbezoek van een leerling die zijn woning heeft in de gemeente, kent het college aan de ouders of de meerderjarige leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij vormt de goedkoopst passende vervoersvoorziening het uitgangspunt. 3.De verantwoordelijkheid om als dat nodig is te zorgen voor een begeleider berust bij ouders, tenzij naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. 4.Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer. 5.De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders. 6.Bij de keuze voor de te verstrekken vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is: per fiets; met openbaar vervoer; met eigen vervoer; met aangepast vervoer; 7.Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen. Artikel61.Afwijzingsgronden 1.Geen vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner dan of gelijk is aan 6 kilometer. Deze grens geldt niet voor gehandicapte leerlingen. 2.Geen vervoersvoorziening wordt toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs, tenzij: er sprake is van voortgezet speciaal onderwijs en de leerling door een handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra; of de leerling door een lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 8.28, van de Wet voortgezet onderwijs 2020. Artikel62.Andere oplossing 1.Als de leerling aanspraak kan maken op een passende voorziening of vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling, komt de leerling niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening op basis van deze verordening. 2.Als de leerling aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding op grond van deze verordening of brengt bij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening. Artikel63.Aanwijzing opstapplaats Het college kan overgaan tot het instellen van opstapplaatsen, waarbij geldt dat: het college bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats kan aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. De opstapplaats zich bevindt op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en voldoende ruimte biedt voor een eventuele begeleider; de ouders er zorg voor dragen dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. het college geen opstapplaats aanwijst als naar oordeel van het college door de ouders voldoende wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. het college tijdelijk geen opstapplaats aanwijst als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling. Artikel64.Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1.In overeenstemming met artikel 4, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk instemt. 2.Er wordt, overeenkomstig artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op het primair onderwijs, eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en: de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als ouders daar schriftelijk mee instemmen; of een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a en ouders daar schriftelijk mee instemmen. 3.Als de ouders of de meerderjarige leerling vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: aan het college is door de ouders of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en aan het college is door de ouders of de meerderjarig leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod. Artikel65.Peildatum leeftijd leerling Voor het verstrekken van een vervoersvoorziening is de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft, bepalend. Artikel66.Schooltijden en wachttijden 1.Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op de schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2.Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd van één of meerdere (les)uren in te stellen, om het aangepast vervoer zo efficiënt mogelijk in te zetten. 3.Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet georganiseerd, tenzij de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager naar het oordeel van het college toereikend bewijs overlegt waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt. Artikel67.Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1.Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; en in de periode, voorafgaand aan het tijdelijk verblijf buiten de gemeente, is een vervoervoorziening toegekend op grond van deze verordening; en de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 2.Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. 3.Als de vervoersvoorziening bestaat uit aangepast vervoer kan het college, in overleg met de gemeente waarin de leerling tijdelijk verblijft, besluiten dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van het tijdelijk verblijf het vervoer uitvoert. Artikel68.Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat 1.Met inachtneming van de artikelen 55 en 57 kent het college op aanvraag een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de schoolvakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. 2.Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het eerste lid bedoelde schoolvakanties. 3.Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vervoer van de leerling tijdens de schoolvakanties. De voorziening betreft de reis van het internaat of adres van het pleeggezin naar de woning van de ouders, eenmaal aan het begin van de vakantie en eenmaal aan het einde van de vakantie, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 4.Voor de toekenning is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt. Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken. 5.Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De vergoeding is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken. 6.Het college kan uitsluitend aangepast vervoer toekennen voor weekeinde en vakantievervoer wanneer: openbaar vervoer geheel ontbreekt; of het gaat om een leerling van het voortgezet speciaal onderwijs die verblijvend in een internaat of pleeggezin, wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig, ook niet met een begeleider gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Artikel69.Vervoersvoorziening naar stageadres 1.Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. 2.De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school en wordt aangetoond in het stagecontract; de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; de stage vindt plaats op één stageadres; en het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school. 3.De in het tweede lid, onder d, genoemde voorwaarde is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat dit niet mogelijk is. In dat geval kan het stageadres gelegen zijn binnen een door college te bepalen maximale aantal kilometers van de woning dan wel opstapplaats of de school. 4.Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. 5.Het college kan het stagecontract opvragen. Artikel70.Vervoersvergoeding voor de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 1.Als voldaan is aan de afstandsgrens, verstrekt het college aan de ouders van de leerling vanaf 9 jaar die een basisschool zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer 2.Als aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets. 3.Het college bepaalt de hoogte van de te verstrekken vervoersvoorziening in de vorm van een vervoersvoorziening op basis van de kosten van het openbaar vervoer en houdt daarbij rekening met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. 4.De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets bedraagt € 0,11. Artikel71.Vervoersvergoeding voor de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider 1.Het college verstrekt aan de ouders van de leerling vanaf 9 jaar vergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider als: voldaan is aan de afstandsgrens, de leerling jonger dan twaalf jaar is en een basisschool, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, of voldaan is aan de afstandsgrens, de leerling jonger is dan twaalf jaar en een speciale school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, bezoekt, of de leerling door een handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. 2.Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. 3.Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met de kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden. 4.De kilometervergoeding voor de fiets bedraagt € 0,11. Artikel72.Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouders georganiseerd vervoer 1.Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief. 2.Ouders kunnen op basis van het eerste lid niet verplicht worden om één of meer leerlingen zelf te vervoeren. 3.Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, vergoedt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: een bedrag op basis van de kosten van het vervoer per fiets voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets al dan niet met begeleiding. De kilometervergoeding voor de fiets is € 0,11 per kilometer. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer al dan niet met begeleiding; of een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de eigen auto (kortste route), als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer. Deze vergoeding is op basis van het belastingvrije bedrag per kilometer (€ 0,23), gebaseerd op twee retourreizen per dag. een bedrag op basis van de werkelijk gemaakte reiskosten voor de leerling die gebruik maakt van een schoolbus van een school of een oudervereniging. 4.Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, vergoedt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto per rit en niet per leerling. 5.Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die reeds voor dit vervoer vergoeding van het college ontvangen, wordt door het college geen vergoeding verstrekt. 6.Als ouders in samenwerking met andere ouders besluiten zelf een vervoersvoorziening te organiseren, kan het college een bijzonder kostendekkend tarief hanteren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief. Artikel73.Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer 1.Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als: voldaan is aan de afstandsgrens genoemd en de leerling onder de 9 jaar is; voldaan is aan de afstandsgrens, de leerling tussen 9 en 12 jaar is en clusteronderwijs bezoekt; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 70 en 71 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een basisschool of terug rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 70 en 71 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een speciale school voor basisonderwijs of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan een uur onderweg is; het een school voor voortgezet speciaal onderwijs cluster 1, 2 of 3 betreft en de leerling door een handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 71, de leerling een school voor regulier voortgezet onderwijs of speciaal voortgezet onderwijs cluster 4 bezoekt en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan drie kwartier onderweg; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 70 en 71 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 71 en door de ouders genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding –van openbaar vervoer gebruik te maken. dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief. 2.In het geval van een toekenning aangepast vervoer kan een vervoersvoorziening verstrekt worden voor vervoer naar één ander adres dan de woning van de leerling indien: dit een adres betreft waar kinderopvang wordt geboden, omdat beide ouders werken; het adres van de opvanglocatie binnen een straal van 500 meter van de school van de leerling ligt of in de dorpskern waar de leerling woont, ligt, en er sprake is van een vast patroon, dat wil zeggen één vast opvangadres op vaste dag(
- en)per week, dat bij de aanvraag is opgegeven. dit geen hulpverlening in het kader van de Jeugdwet betreft. Artikel74.Vergoeding andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan