← Nederland

Regeling POP 3 subsidies provincie Overijssel (Overijssel)

In het kort

Deze regeling beschrijft de basis voor het verstrekken van subsidies door provincies voor plattelandsontwikkeling, gebaseerd op het Europese Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (POP3). Het doel is het ondersteunen van projecten die bijdragen aan de ontwikkeling van het platteland in Overijssel.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Regeling POP 3 subsidies provincie Overijssel Algemene toelichting § 1 Inleiding § 1.1 Algemene inleiding Op grond van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van verordening (EU) nr. 1698/2005 van de Raad (PbEU L 347/487), verder: de POP verordening, heeft Nederland in december 2014 haar Plattelands¬ontwikkelingsprogramma 2014 - 2020 (POP3) bij de Europese Commissie ingediend. Dit programma is op 13 februari 2015 door de Commissie goedgekeurd. Het POP3 programma is primair gebaseerd op voorgenoemde verordening, maar naast deze verordeningen zijn ook enkele andere verordeningen relevant voor het POP3 programma. Het gaat daarbij met name om de verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PbEU L 347) en verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU L347/320) en alle bij genoemde verordeningen behorende uitvoeringsverordeningen en controleverordeningen. Hoewel genoemde verordeningen rechtstreeks doorwerken in de Nederlandse rechtsorde, kunnen subsidies op grond van het goedgekeurde POP3 programma slechts worden verstrekt op basis van een door een op nationaal of provinciaal niveau vastgestelde subsidieregeling. De onderhavige provinciale regeling "Regeling POP3 subsidies" vormt, samen met nog vast te stellen openstellingsbesluiten, de wettelijke basis voor het door provincies verstrekken van POP3 subsidies (anders dan subsidies voor agromilieu- en klimaatdiensten). In deze regeling worden in hoofdstuk 1 de in de regeling gehanteerde begrippen gedefinieerd. Daarbij is uitgangspunt dat waar mogelijk is aangesloten bij de definities uit EU-verordeningen. Indien een begrip niet gedefinieerd is, wordt er vanuit gegaan dat de betekenis in het normale spraakgebruik voldoende duidelijk is. In hoofdstuk 2 wordt per door het bestuursorgaan open te stellen maatregel de bij openstelling nader te bepalen en uit te werken voorwaarden en beperkingen weergegeven. In hoofdstuk drie worden de Leadermaatregelen beschreven en in hoofdstuk 4 volgen de slotbepalingen. POP3 kent een gelaagde structuur. Op basis van genoemde EU-verordeningen en het goedgekeurde POP-programma is de Regeling POP-subsidies ontwikkeld. Dit betekent dat de EU-verordeningen én de afspraken die bestaan tussen lidstaat Nederland en de Europese Commissie over de uitvoering van POP3 in Nederland (het goedgekeurde POP3 programma), bij eventuele strijdigheid van deze Regeling met een EU-verordening of het POP-programma, vòòr gaan. § 1.2 Openstellingsbesluit De maatregelen opgenomen in deze Regeling POP3 subsidies kunnen door een Provincie opengesteld worden door middel van een openstellingsbesluit. In een openstellingsbesluit zal - naast het aanwijzen van de maatregel(

  1. en)waarvoor subsidie kan worden aangevraagd en het vaststellen van subsidieplafond(
  2. s)– onder meer aangegeven worden welke selectiecriteria gehanteerd zullen worden, welke wegingsfactoren op de selectiecriteria van toepassing zullen zijn en welke minimale puntenscore door een project behaald dient te worden om zo wie zo voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Deze minimaal te behalen puntenscore zal ten minste 55% van de maximaal te behalen score bedragen. § 1.3 Selectie van projecten door middel van tenders De selectie van projecten zal – met uitzondering van Leaderprojecten waarbij tendering niet verplicht is voorgeschreven en bij specifieke openstellingen zoals bijvoorbeeld openstellingen voor investeringen die op grond van een investeringslijst gedaan kunnen worden of openstellingen waarbij slechts een geografisch criterium van toepassing is - plaats vinden via een zogenaamde ‘tender-methode’: alle binnen de in het openstellingsbesluit genoemde tijdvak ingediende projecten worden, indien ze voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden, gescoord. Subsidiabiliteitsvoorwaarden (‘instapeisen’) zijn de voorwaarden waaraan een aanvraag altijd moet voldoen, bijvoorbeeld: als alleen agrarisch ondernemers aan kunnen vragen, wordt een aanvraag die niet van een agrarisch ondernemer afkomstig is, direct op grond van het niet voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarde ‘aanvrager is agrarisch ondernemer’ afgewezen. Aanvragen die voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden, worden gescoord op basis van de in de betreffende openstelling gehanteerde selectiecriteria en de weging van die criteria als aangegeven in het openstellingsbesluit. Ten behoeve van de uitvoering van deze procedure kan een selectiecommissie ingesteld worden. Op basis van de procedure ontstaat er een lijst met alle ingediende projecten die aan de subsidiabiliteitscriteria voldoen, voorzien van een score (cijfer). Projecten die meer dan het minimaal voorschreven aantal punten behalen, kunnen voor subsidie in aanmerking komen. Indien de kosten voor het aantal projecten dat voor subsidie in aanmerking komt hoger zijn dan het beschikbare subsidieplafond, worden subsidie toegekend op basis van de behaalde scores (projecten met hogere scores gaan voor). Indien er meerdere projecten met hetzelfde puntenaantal zijn en niet al die projecten kunnen gehonoreerd worden omdat het subsidieplafond dan overschreden zou worden, dan zal in het algemeen een selectie tussen de betreffende projecten gemaakt worden door te kijken naar het selectiecriterium/de selectiecriteria waaraan het hoogste belang is gehecht. Scoren projecten dan nog altijd gelijk, dan wordt gekeken naar het selectiecriterium/de selectiecriteria waaraan het op één na hoogste belang is gehecht. Zijn er ook na toepassing van deze regels gelijkscorende projecten, dan kan door middel van loting bepaald worden welke projecten uit die groep voor subsidie in aanmerking komen. § 2 Maatregelen Het POP3 bestaat voornamelijk uit maatregelen die door de Provincies zullen worden uitgevoerd. De volgende voor onderhavige regeling relevante provinciale maatregelen en submaatregelen zijn in het programmadocument van Nederland opgenomen : 1. Maatregel inzake Kennisoverdracht en voorlichting (artikel 14 Verordening (EU) Nr.1305/2013) Het is nodig om voorlichting en andere kennisoverdrachtacties te ondersteunen omdat reeds ontwikkelde (veelal technische) innovaties vaak moeilijk voorbij de eindfase van de innovatiecyclus komen. Zonder deze maatregel blijft grootschalige toepassing van noodzakelijke innovaties uit of wordt deze vertraagd. Dit geldt in het bijzonder wanneer de toepassing van een innovatie niet vanzelfsprekend zelfstandig door het bedrijfsleven en de markt worden opgepakt. Daarnaast dient de maatregel bij te dragen aan kennisuitwisseling tussen onderzoek en praktijk. Enerzijds voor toepassing van nieuwe wetenschappelijke kennis in de praktijk en anderzijds voor onderzoek dat gestuurd wordt door vragen vanuit de praktijk. 2. Maatregel inzake investeringen (artikelen 17 lid 1 (a), (
  3. c)en (
  4. d)Verordening (EU) Nr. 1305/2013) Deze maatregel bestaat uit een vijftal submaatregelen: a. fysieke investeringen nodig voor het ontwikkelen, beproeven en demonstreren van innovaties en voor de brede uitrol van innovaties; b. fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische ondernemingen van jonge landbouwers; c. investeringen in infrastructuur d. niet-productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur, landschap en hydrologische maatregelen PAS (Programmatische Aanpak Stikstof); en e. niet-productieve investeringen voor water . Deze maatregelen dragen bij het versterken van de levensvatbaarheid van landbouwbedrijven en het concurrentievermogen van de landbouw en het bevorderd het gebruik van van innovatieve landbouwtechnologieën. Er wordt een link gelegd met duurzaamheid en innovatie door in te spelen op onderwerpen als milieu, klimaat, water, bodembeheer, energie, dier- en plantgezondheid en dierenwelzijn, biodiversiteit en landschap. 3. Maatregel inzake samenwerking (artikel 35 van Verordening (EU) Nr. 1305/2013) Deze maatregel richt zich op het ontwikkelen en valideren van praktische kennis en technologie met een groep van koplopers, die met name resulteert in technische innovatie, productinnovatie, procesinnovatie, organisatie-innovatie, innovatie in businessconcepten en/of uiteindelijk in systeeminnovatie. Deze maatregel is op samenwerkingsvormen en bestaat uit de volgende submaatregelen: 1) samenwerking met betrekking tot proefprojecten en de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, processen en technieken in de landbouw- en de voedingsmiddelensector en 2) de oprichting en werking van operationele groepen in het kader van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw. 4. Maatregel inzake LEADER -lokale ontwikkeling (artikelen 32 tot en met 35 van Verordening (EU) Nr. 1303/2013 en artikelen 42 tot en met 44 van Verordening (EU) Nr. 1305/2013) LEADER beoogt bij te dragen aan de plaatselijke ontwikkeling van plattelandsgebieden. De interactie tussen landbouw en samenleving wordt steeds belangrijker. Er ligt een opgave om samen te werken aan de sociaaleconomische ontwikkeling van het platteland en aan een duurzaam beheer van de ruimte. De agrarische sector zal zich in moeten zetten voor maatschappelijk draagvlak. De sector moet daarbij invulling geven aan haar "license to produce". Dat kan bijvoorbeeld door de relatie tussen het platteland en de stad en tussen de boer en de burger te verstevigen. LEADER kan hier een bijdrage aan leveren, want: • LEADER heeft een toegevoegde waarde bij projecten waarvoor draagvlak en samenwerking tussen private en publieke partijen een voorwaarde voor succes zijn; • LEADER projecten komen ten goede aan de economische ontwikkeling en werkgelegenheid op het platteland, innovaties op agrarische bedrijven, de leefomgeving van de agrarische sector, jonge boeren en hun gezinnen; • LEADER kan ondersteunen in ‘krimp' gebieden waar alle actoren de opgave hebben om samen te werken aan een sociaal en economisch vitaal platteland; • LEADER is een krachtige aanpak voor de opgaven voor integrale plattelandsontwikkeling waarbij verschillende belanghebbenden zijn betrokken en de landbouwsector een belangrijke speler is; • LEADER sluit goed aan bij de huidige tijdsgeest die vraagt om een actievere inzet van burgers en bedrijven. Het resterende deel van de maatregelen genoemd in het POP3 programma betreft de agromilieu- en klimaatmaatregelen, waarvoor een separate provinciale regeling ontwikkeld is, òf zal door de Minister van Economische Zaken worden uitgevoerd. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de maatregelen inzake risicobeheer (artikelen 36 en 37 van de POP-verordening). § 3 Subsidieverlening op basis van selectiecriteria en tendering POP3 subsidie kan slechts worden verstrekt indien verlening van een aangevraagde subsidie aantoonbaar een effectief en efficiënt gebruik van overheidsmiddelen is. Om te kunnen bepalen of een te verlenen subsidie effectief en efficiënt zal zijn, zijn in het algemeen selectiecriteria geformuleerd. De in deze regeling opgenomen selectiecriteria per regeling zijn algemeen geformuleerde criteria, die in een openstellingsbesluit nader uitgewerkt en geconcretiseerd zullen worden. Ten behoeve van een eenduidige invulling van de criteria over provincies en maatregelen heen, is een Handboek selectiecriteria ontwikkeld. In dit handboek is opgenomen op welke wijze aan de in deze regeling opgenomen criteria invulling gegeven wordt en welke weging en scores van toepassing zijn. Dit handboek kan worden gezien als een bestendige overheidspraktijk voor de invulling van de selectiecriteria. Het Handboek is te vinden op de website van het Regiebureau POP. Het is niet mogelijk dat niet in deze regeling genoemde selectiecriteria ‘toegevoegd’ worden bij een openstelling: de bij de maatregelen in hoofdstuk 2 opgenomen criteria kunnen bij openstelling wel nader ingevuld of geconcretiseerd worden, maar er kunnen geen extra criteria toegevoegd worden. In geval van Leader zijn de selectiecriteria waarvan gebruik gemaakt wordt opgenomen in de goedgekeurde Lokale Ontwikkelings Strategie (LOS). Selectie van projecten zal – met uitzondering van Leader-projecten en openstellingen waarbij sprake is van een investeringslijst of een geografisch criterium - plaatsvinden door middel van een tender. Alle gedurende een openstellingsperiode ingediende projecten worden – indien de aanvraag volledig is én aan de gestelde subsidiabiliteitscriteria (= eisen waaraan in ieder geval voldaan dient te zijn om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, bijvoorbeeld: een jonge agrariër dient bij aanvraag nog geen 40 jaar te zijn. De aanvraag zal worden afgewezen zonder inhoudelijk naar de aanvraag te kijken, indien de aanvrager niet aan dit criterium voldoet) wordt voldaan - op basis van in het openstellingsbesluit bekend gemaakte selectiecriteria en wegingsfactoren van die selectiecriteria beoordeeld. Zie verder §1.3. De doelgroep van een subsidie is afhankelijk van de maatregel die het betreft en de beleidsmatige doelstellingen die met de subsidieverlening worden nagestreefd. In deze regeling wordt bij veel maatregelen een breed scala aan mogelijke aanvragers genoemd. In een openstelling kan de doelgroep beperkt worden tot die groepen die - gelet op de beleidsmatige doelstellingen die met de betreffende openstelling nagestreefd worden - voor subsidie in het kader van de betreffende openstelling in aanmerking komen. Er kan indien gewenst een selectie van de in deze regeling genoemde doelgroepen plaatsvinden, toevoegen van extra - niet in deze regeling bij de betreffende maatregel genoemde - doelgroepen is niet mogelijk. Om in het kader van een tenderregeling gelijke kansen voor alle aanvragers te garanderen is het noodzakelijk dat bij sluiting van de tender àlle voor het beoordelen van de aanvraag noodzakelijke gegevens bekend zijn. Een aanvraag dient te worden ingediend op een door GS beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Daarbij wordt expliciet voorgeschreven dat altijd het laatst beschikbaar gekomen aanvraagformulier gehanteerd dient te worden, om hierover misverstanden te voorkomen. Een onvolledig ingediende aanvraag dient vòòr de sluitingsdatum van de openstellingstermijn aangevuld te zijn om voor beoordeling in aanmerking te komen. Enige uitzondering die hierop gemaakt zou kunnen worden is het toestaan van het aanvullen van gegevens die niet noodzakelijk zijn voor een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag (zie verder bij de artikelsgewijze toelichting, artikel 1.7). Het indienen van ‘pro forma' aanvragen zonder dat inhoudelijke aanvulling van de aanvraag voor de gestelde sluitingsdatum plaatsvindt, is derhalve in het kader van deze regeling niet zinvol. Subsidie zal geheel of gedeeltelijk geweigerd worden indien één van de weigeringsgronden van toepassing is. Het kan hierbij gaan om een weigeringsgronden als genoemd in artikel 3.35 AWB, in artikel 1.8 van deze regeling, in het van toepassing zijnde artikel van hoofdstuk 2 of 3 òf in het van toepassing zijnde openstellingsbesluit. § 4 Subsidiabele kosten en bijdragen in natura In onderhavige regeling wordt per maatregel aangegeven welke kosten subsidiabel gesteld worden of kunnen worden. Sommige kosten kunnen alleen onder voorwaarden subsidiabel zijn. Zo mag in bepaalde projecten de kosten voor aankoop van grond, bebouwd of niet-bebouwd, subsidiabel gesteld worden, maar deze kosten zijn – tenzij er sprake is van een uitzonderlijke situatie - voor maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten die in het project gemaakt worden subsidiabel. Bij sommige maatregelen kunnen bijdragen in natura subsidiabel gesteld worden. Bijdragen in natura zijn alle in het project ingebrachte bijdragen voor werken, goederen, diensten, grond of onroerende goederen die NIET door facturen en betaalbewijzen of daaraan gelijk te stellen documenten gestaafd worden. Deze bijdragen dienen aan strikte eisen te voldoen, om de hoogte van de uitgaven toch controleerbaar te maken. De waarde die wordt toegekend aan de bijdrage in natura mag niet meer bedragen dan de kosten die gewoonlijk op de desbetreffende markt worden aanvaard. Voor enkele kostensoorten (inbreng eigen arbeid, vrijwilligerswerk) zijn standaardtarieven ontwikkeld die bij de inbreng van dat soort kosten als maximum gehanteerd worden. Bijdragen in natura zijn slechts subsidiabel indien de verstrekte subsidie minder dan 100% van de subsidiabele kosten bedraagt én binnen het project ook voldoende àndere subsidiabele kosten gemaakt worden. De uit te betalen subsidie - berekend als % van de subsidiabele kosten inclusief de bijdrage in natura - kan nooit hoger zijn dan de subsidiabel gestelde kosten zònder die bijdrage in natura. § 5 Verplichtingen subsidieverkrijgers Subsidieverkrijgers dienen aan alle in het subsidietoekenningsbesluit gestelde verplichtingen te voldoen. In artikel 1.17 worden de algemene verplichtingen weergegeven waaraan - indien de betreffende verplichting op het betreffende project van toepassing is - altijd moet worden voldaan. Naast deze algemene, subsidiegerelateerde, verplichtingen, kunnen ook specifieke verplichtingen opgelegd worden en op grond van artikel 1.18 kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieverkrijger ook niet doelgebonden verplichtingen opleggen. § 6 Financiële aspecten subsidie Een subsidie geeft een direct financieel voordeel aan de subsidieverkrijger. Naast dit directe financiële voordeel ten gevolge van de subsidie, kan er ook sprake zijn van een financieel voordeel in de vorm van netto inkomsten die tijdens of na het uitvoeren van het project verkregen worden. Ook kan er sprake zijn van een vermogensvoordeel ten gevolge van de subsidie. In sommige gevallen dienen dit soort voordelen verrekend of vergoed te worden. De artikelen 1.19, 1.20 en 1.21 geven daar de voorschriften voor. Wat onder netto inkomsten moet worden verstaan is gedefinieerd in artikel 1.1 sub f. Het gaat hierbij overigens alleen over rechtstreeks gegenereerde netto-inkomsten, waarmee géén rekening is gehouden op het tijdstip van goedkeuring van de actie. Met veel inkomsten, bijvoorbeeld kostenreductie dank zij de investering of inkomsten door het verkopen van bedrijfsgebouwen in het kader van een bedrijfsverplaatsing of het vragen van een bijdrage van agrarisch ondernemers die aan een cursus deel zullen nemen, zal bij de toekenning al rekening gehouden worden. Indien er verrekend zou moeten worden, gelden er verschillende uitzonderingen op het voorschrift tot verrekening. Zo hoeft bijvoorbeeld niet verrekend te worden indien het gaat om een concrete actie waarvan de totale subsidiabele kosten ten hoogste 50.000 euro bedragen. Ook concrete acties waarvoor voorschriften inzake staatssteun gelden, vallen buiten de plicht tot verrekening. In sommige gevallen kan een toegekende subsidie worden verlaagd. Dit is bijvoorbeeld het geval indien er sprake is van onregelmatigheden. Verlaging is ook nà afronding van een project mogelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval indien niet wordt voldaan aan de instandhoudings-verplichting: een investering in infrastructuur of een productieve investering dient in principe gedurende 5 jaar na vaststelling van de subsidie - gebruiksklaar - in stand te worden gehouden. Indien aan deze verplichting niet wordt voldaan, zal de subsidie evenredig verlaagd worden. Een ander financieel aspect betreft de bevoorschotting. Er bestaan twee soorten voorschotten, te weten een voorschot dat vòòr afronding van een project wordt verstrekt op basis van reeds uitgevoerde onderdelen van het project (‘bevoorschotting op basis van realisatie') en voorschotten die worden verstrekt vooruitlopend op de uitvoering van een project. Voorschotten op basis van realisatie zijn – in POP-terminologie - tussentijdse betalingen waarbij nààst een voortgangsrapportage inzake het project, facturen en betaalbewijzen van de reeds verrichte projectonderdelen, of – indien van toepassing – bewijsstukken ten aanzien van de ingebrachte bijdrage(
  5. n)in natura - moeten worden overgelegd. Een dergelijk voorschot kan in bepaalde gevallen worden verleend, maar het voorschot zal worden verlaagd indien bij de aanvraag voor de tussentijdse betaling té veel onjuiste facturen en betaalbewijzen overlegd worden. Op grond van EU-regelgeving dient een tussentijds voorschot te worden verlaagd met het bedrag van de onjuiste facturen en betaalbewijzen, indien het bedrag aan onjuiste facturen en betaalbewijzen meer bedraagt dan 10% van het bedrag aan ingediende facturen en betaalbewijzen van kosten die wel subsidiabel gesteld zijn. Dit betekent dat niet alleen de onjuiste facturen/betaalbewijzen niet worden vergoed, er wordt daarnaast een correctie van de betaling opgelegd ter hoogte van het bedrag dat onjuist gedeclareerd is. Deze maatregel is een verplichting opgelegd door de EU en is er op gericht aanvragers te bewegen voldoende zorgvuldigheid te betrachten bij het indienen van declaraties. Van de verplichte correctie van de betalingsaanvraag kan worden afgezien, indien de aanvrager aan kan tonen dat zijn declaratie buiten zijn schuld onjuist was. Overigens is de bepaling inzake het verlagen van een betaling òòk van toepassing indien het verzoek om betaling geen verzoek tot tussentijdse betaling betreft, maar een verzoek om eindafrekening indien bij dat verzoek om eindafrekening facturen en betaalbewijzen overgelegd worden. Naast tussentijdse betalingen, bestaan er ook voorschotten die worden aangevraagd vooruitlopend op de uitvoering van het project. De EU-regelgeving biedt slechts de mogelijkheid dit soort voorschotten te verlenen voor investeringsgerelateerde steun en voor plaatselijke groepen voor zover het daarbij gaat om functionerings- en dynamiseringskosten. Het voorschot kan maximaal 50% van de toegekende overheidsbijdrage bedragen. Een dergelijk voorschot kan slechts worden verleend indien er door de subsidieverkrijger een bankgarantie of daaraan gelijk te stellen zekerheid wordt verstrekt van 100% van het te verlenen voorschot. Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1.1 definities 1 [Toelichting: In dit artikel zijn de belangrijkste begrippen gedefinieerd die in deze regeling worden gehanteerd. De definities sluiten daar waar mogelijk aan bij de definities zoals gehanteerd in de van toepassing zijnde EU-regelgeving. Mocht er strijdigheid bestaan tussen de definitie van een begrip in de van toepassing zijnde EU-verordeningen en de begripsbepaling in deze regeling, dan wel begrippen niet in de begripsbepalingen van deze regeling gedefinieerd zijn, dan worden de begrippen geacht te zijn gedefinieerd conform de van toepassing zijnde EU-definities.] In deze regeling wordt verstaan onder: a. bruto jaarloon: het in enig jaar aan een werknemer betaalde salaris, inclusief een niet-prestatie gevonden eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende CAO of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief (overige) vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten b. grondgebruiker: gebruikgerechtigde van de grond; c. inpassingsmaatregelen: maatregelen die noodzakelijk zijn om kavels goed bewerkbaar te maken en eventuele negatieve neveneffecten van de herverkaveling tegen te gaan; d. landbouwer: een natuurlijk persoon of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, van wie het bedrijf zich bevindt binnen het territoriale toepassingsgebied van de verdragen als omschreven in artikel 52 VEU in samenhang met de artikelen 349 en 355 VWEU, en die een landbouwactiviteit uitoefent; e. landbouwbedrijf: alle eenheden op het grondgebied van eenzelfde lidstaat die voor landbouwactiviteiten worden gebruikt en door een landbouwer worden beheerd; f. netto inkomsten: instroom van kasmiddelen die gebruikers genereren door rechtstreeks te betalen voor de door middel van de gesubsidieerde activiteit verstrekte goederen/zaken of diensten, minus alle operationele kosten en de kosten voor de vervanging van uitrusting met een korte levensduur die in de overeenkomstige periode zijn gemaakt. Besparingen op operationele kosten die gerealiseerd worden door de gesubsidieerde activiteit worden als netto inkomsten gerekend, tenzij de besparingen teniet worden gedaan door een evenredige verlaging van een eventuele exploitatiesubsidie; g. niet-productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf of een andere onderneming; h. ELFPO: het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling als bedoeld in VO (EU) 1305/2013VO (EU) 1303/2013: Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad; i. VO (EU) 1305/2013: Verordening (EU) Nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad; j. VO (EU) 702/2014: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard; k. Regeling Europese EZ-subsidies: Regeling van 1 juli 2015, Stcrt, 2015, 18094; l. Kaderbesluit nationale EZ-subsidies: Regeling van 1 januari 2009, Stb. 2008, 499, gewijzigd per 1 juli 2016, Stb. 2016, 56; m. Afschrijvingskosten: De kosten van afschrijving zoals bedoeld in artikel 69 lid 2 van Verordening (EU) Nr. 1303/2013. Artikel 1.2 toepassingsbereik 2 [Toelichting: POP subsidie kan slechts worden verstrekt voor activiteiten die ten goede komen aan een duurzame ontwikkeling van het platteland van Nederland of de agrarische sector. Het gaat hierbij slechts om het deel van Nederland dat in de Europese Unie gelegen is, de overzeese gebieden van Nederland vallen niet onder deze regeling. Onder het platteland van Nederland wordt daarbij verstaan: het grondgebied van Nederland met uitzondering van aaneengesloten woonkernen met meer dan 30.000 inwoners. Woonkernen met meer dan 30.000 inwoners worden geacht ‘stedelijk gebied' te zijn. Activiteiten worden geacht ten goede te komen aan een duurzame ontwikkeling van het platteland indien de activiteit zelf of de resultaten van de activiteit ten goede komen aan het platteland en/of de agrarische sector.] 1. Subsidie op grond van deze regeling wordt slechts verstrekt voor activiteiten ten behoeve van het in de Europese Unie gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden waarvan de resultaten aantoonbaar ten goede komen aan het platteland van Nederland of de agrarische sector. 2. Tot het platteland van Nederland behoort het gehele grondgebied van het in de Europese Unie gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden met uitzondering van aaneengesloten woonkernen met meer dan 30.000 inwoners. Artikel 1.3 openstelling 3 [Toelichting: In het openstellingsbesluit worden de subsidieplafonds vastgelegd, maar kunnen daarnaast ook de in deze regeling genoemde onderdelen, zoals bijvoorbeeld de doelgroep, de subsidiabele activiteiten of thema's, subsidiabele kosten en selectiecriteria, nader ingevuld worden zodat bij openstelling duidelijk is waarvoor in het kader van de openstelling precies subsidie aangevraagd kan worden en hoe aanvragen beoordeeld zullen worden. Zo wordt in deze regeling bijvoorbeeld aangegeven dat ‘landbouwers' de begunstigden kunnen zijn, maar in een openstellingsbesluit kan dit nader gespecificeerd worden tot ‘varkenshouders' , ‘biologische boeren' of ‘landbouwers waarvan het bedrijf tenminste grootte x heeft'. En de subsidiabele activiteit kan in deze regeling zijn omschreven als ‘kennisoverdracht', maar dat kan in een openstellingsbesluit nader gericht worden tot bv. ‘kennisoverdracht inzake klimaatadaptatie'. Ook kan de Provincie Overijssel er voor kiezen om, vanwege beleidsmatige overwegingen, bepaalde kostensoorten die op grond van deze regeling subsidiabel gesteld zouden kunnen worden, in een specifiek geval toch niet subsidiabel te stellen. Bijvoorbeeld: afschrijvingskosten kunnen op grond van sommige artikelen subsidiabel gesteld worden, maar de Provincie Overijssel kan er voor kiezen om die kosten, bijvoorbeeld vanwege de hoge uitvoeringslasten die gemoeid zijn met het berekenen en beoordelen van die kosten, niet subsidiabel te stellen. Dit betekent dat de in deze regeling genoemde mogelijkheden de maximale mogelijkheden weergeven, welke ingeperkt kunnen worden in een openstellingsbesluit. In die zin is openstelling per ‘submaatregel' mogelijk. Wat niet mogelijk is, is dat er in een openstellingsbesluit nieuwe, niet in deze regeling genoemde, onderdelen - bijvoorbeeld een andere doelgroep of een andere subsidiabele activiteit - toegevoegd worden. Voor de selectiecriteria geldt dat de criteria genoemd in deze regeling algemene criteria zijn, die nader uitgewerkt zullen worden in een openstellingsbesluit. Bij alle maatregelen wordt het selectiecriterium ‘kosteneffectiviteit' gebruikt. Met dit selectiecriterium wordt beoogd toepassing gegeven aan artikel 49 van Vo 1305/2013, waarin onder meer is bepaald dat de selectiecriteria borg dienen te staan voor een beter gebruik van financiële middelen. Met deze kosteneffectiviteit wordt bedoeld: in welke mate draagt de subsidie bij aan het realiseren van (beleids)doelstellingen. Voorbeeld: als er sprake is van een project dat onderdeel is van een groter programma of samenhangt met enkele andere (niet door de overheid of niet vanuit POP te subsidiëren) projecten, kan - kijkend naar de opbrengst van het programma of de opbrengst van het project in samenhang met die andere projecten (= spin off van het te subsidiëren project) - er sprake zijn van een relatief kleine subsidie die, door de spin off, grote (beleids)effecten sorteert. Als voorbeeld: een project van 100.000 euro dat een noodzakelijk onderdeel oplevert voor een programma dat in zijn totaliteit voor 1 miljoen euro aan ‘opbrengst' voor een bepaald beleidsdoel genereert, zal naar verwachting hoger op dit selectiecriterium scoren dan een verder vergelijkbaar project met 100.000 euro aan subsidiabele kosten, waarbij er geen sprake is van een spin off effect.] 1. Gedeputeerde staten kunnen een openstellingsbesluit vaststellen. 2. Gedeputeerde staten stellen per openstellingsbesluit vast: één of meerdere subsidieplafonds; per plafond een periode waarbinnen een aanvraag om subsidie moet zijn ontvangen. 3. In het openstellingsbesluit kunnen Gedeputeerde staten nadere regels stellen met betrekking tot: de categorieën van activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen; de thema's waarop een activiteit betrekking moet hebben; de categorieën van begunstigden; de kostensoorten die voor subsidie in aanmerking komen; de territoriale begrenzing van de openstelling; een drempelbedrag met betrekking tot de subsidiabele kosten; de minimale of maximale hoogte van de subsidie; de gegevens of bescheiden die bij de aanvraag om subsidie, voorschot, wijziging of vaststelling overgelegd moeten worden; de wijze van indienen van een verzoek om subsidie, voorschot , wijziging of vaststelling; het indienen van een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten; het verstrekken van voorschotten; overige verplichtingen die aan een subsidieontvanger kunnen worden opgelegd. 4. In het openstellingsbesluit stellen Gedeputeerde staten vast: de selectiecriteria; het punten aantal dat per selectiecriterium behaald kan worden; de wegingsfactor per selectiecriterium; het minimaal aantal punten dat een aanvraag op basis van de selectiecriteria moet behalen om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Artikel 1.4 POP3 steun 4 [Toelichting: Een subsidieplafond is het totaalbedrag dat bij een openstelling voor subsidieaanvragers beschikbaar wordt gesteld. POP-subsidies bestaan - in het algemeen - uit 50% nationaal overheidsgeld en een bijdrage van 50% die afkomstig is uit het door de EU aan Nederland beschikbaar gestelde bedrag aan middelen uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). Provincies zijn in het kader van onderhavige regeling aangewezen als beheerder van het ELFPO-budget. Provincies kunnen in een openstellingsbesluit slechts ELFPO-budget beschikbaar stellen, kunnen naast het ELFPO-budget òòk de benodigde nationale cofinanciering beschikbaar stellen òf kunnen - indien daar in het POP programma voor de betreffende maatregel in is voorzien - alleen nationale overheidsmiddelen beschikbaar stellen (‘aanvullende nationale financiering'). Indien een Provincie slechts ELFPO-middelen beschikbaar stelt, dient een aanvrager de verplicht voorgeschreven nationale overheidsfinanciering op een andere manier te verkrijgen. In die gevallen zal een aanvraag slechts voor (ELFPO)subsidie in aanmerking kunnen komen indien bij de subsidieaanvraag een bewijs wordt overgelegd waaruit blijkt dat de nationale financiering die benodigd is voor het project beschikbaar is of zal komen. Dit omdat er anders geen sprake is van een sluitende begroting. Het te overleggen bewijs kan bijvoorbeeld een reeds gedane subsidietoezegging of bijdrageverklaring zijn.] 1. POP-3 steun bestaat uit ELFPO-middelen en middelen van nationale overheden, tenzij in een openstellingsbesluit anders is bepaald. 2. De in het eerste lid bedoelde middelen van nationale overheden bestaan uit. provinciale middelen, of middelen van andere overheden. 3. Gedeputeerde staten stellen in een openstellingsbesluit vast welke gedeelten van de in het eerste lid bedoelde steun met de openstelling beschikbaar worden gesteld. 4. De in deze regeling genoemde subsidiepercentages bestaan voor 50% uit steun afkomstig uit het ELFPO en voor 50% uit nationale overheidsfinanciering, tenzij in een openstellingsbesluit anders is bepaald. Artikel 1.5 doelgroep 5 [Toelichting: In hoofdstuk 2 worden per maatregel de doelgroep of doelgroepen gedefinieerd. In dit artikel wordt bepaald dat een landbouwonderneming in het kader van deze regeling een MKB-bedrijf dient te zijn. Grote landbouwondernemingen, met meer dan 250 werknemers, komen in het kader van deze regeling niet voor subsidie in aanmerking.] Indien op grond van deze regeling subsidie kan worden verstrekt aan landbouwondernemingen wordt de subsidie uitsluitend verstrekt aan ondernemingen die voldoen aan de definitie van kleine, middelgrote of micro-ondernemingen (mkb) als opgenomen in bijlage 1 bij verordening 651/2014 (AGV). Artikel 1.6 samenwerkingsverbanden 6 [Toelichting: In sommige gevallen kan een subsidie worden verstrekt aan een samenwerkingsverband. Indien een samenwerkingsverband, niet zijnde een formeel samenwerkingsverband in de vorm van een rechtspersoon, subsidie wenst aan te vragen, zijn er aan het samenwerkingsverband eisen gesteld die in dit artikel worden benoemd. Naast de in dit artikel benoemde vereisten, kunnen ook in de artikelen in hoofdstuk 2 of 3 én in het openstellingsbesluit aanvullende eisen aan samenwerkingsverbanden worden gesteld.] 1. Indien bij of krachtens deze regeling is bepaald dat een subsidie kan worden verstrekt aan een samenwerkingsverband, komen in geval van samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid slechts voor subsidie in aanmerking samenwerkingsverbanden: waarvan de deelnemers natuurlijke personen of rechtspersonen, ieder met een andere eigenaar en niet in eigendom van een deelnemende natuurlijke persoon, zijn, en die voldoen aan de concurrentieregels zoals die gelden krachtens de artikelen 206 tot en met 210 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad. 2. Indien een aanvraag namens de deelnemers aan een samenwerkingsverband wordt ingediend bevat de aanvraag om subsidie tevens: een door alle partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst van de deelnemende partijen, waarin onder meer door alle partijen wordt verklaard dat iedere partij hoofdelijk aansprakelijk is voor onverschuldigd betaalde subsidiebedragen; de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen bevattende de baten en de lasten van de deelnemende partijen. gegevens waaruit blijkt dat de penvoerder is aangewezen door de deelnemende partijen aan het samenwerkingsverband om de aanvraag om subsidie in te dienen. 3. Ingeval een subsidie wordt verstrekt aan een samenwerkingsverband: berusten de verplichtingen die daaruit voortvloeien hoofdelijk op iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband; is de penvoerder verplicht de projectadministratie als bedoeld in artikel 1.17, onder g, te voeren; kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen overeenkomstig artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht hoofdelijk worden teruggevorderd bij iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband. Bij terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen zal de penvoerder van het project als eerste worden aangesproken. Artikel 1.7 wijze van indienen van en vereisten aan een subsidieaanvraag 7 [Toelichting: Een subsidieaanvraag kan slechts worden ingediend door gebruik te maken van het door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde aanvraagformulier. Alleen een volledig ingevuld aanvraagformulier, voorzien van alle voorgeschreven bijlagen, zal in behandeling genomen worden. Aanvragen waarbij slechts een gedeelte van de voorgeschreven informatie wordt aangeleverd en niet alle voorgeschreven informatie vòòr de sluitingsdatum van de tender is aangeleverd (zoals ‘pro forma aanvragen') zullen niet in behandeling genomen worden. Dit om rechtsongelijkheid tussen aanvragers te voorkomen. Enige uitzondering hierop vormen gegevens en bijlagen die weliswaar wel aanwezig dienen te zijn bij een aanvraag voor subsidietoekenning, maar niet essentieel zijn voor de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan een Kamer van Koophandel nummer. Een subsidieaanvrager kàn derhalve de mogelijkheid worden geboden dergelijke gegevens ook na sluiting van de tender, maar binnen een door Gedeputeerde Staten te stellen termijn, aan te vullen. De aanvraag dient in ieder geval een projectplan te bevatten, waarin ook wordt aangegeven wat de doelstelling(
  6. en)van het project is/zijn, of er een relatie is met andere projecten / of het project onderdeel uitmaakt van een groter programma en wat de doelstellingen daarvan zijn en hoe de resultaten van het project worden getoetst. Met de ‘doelstelling' wordt bedoeld: het beleidsdoel wat nagestreefd wordt (bijvoorbeeld: meer fietsers in de gemeente). De doelstelling is in het algemeen van een hoger abstractieniveau dan het projectresultaat (bijvoorbeeld: projectresultaat zal zijn dat er 25 km fietspad is aangelegd of verbeterd). Aanvragers worden geacht in het projectplan aan te geven hoe bezien/bepaald wordt of de doelstelling (meer fietsers in de gemeente) is bereikt. Indien een aanvraag betrekking heeft op een investering, dient op grond van artikel 45 Verordening (EU) nr. 1305/2013 1e lid "de investering voorafgegaan te worden door een beoordeling van de te verwachten milieueffecten overeenkomstig het recht dat specifiek is voor deze soort investering, in gevallen waarin de investering waarschijnlijk nadelige gevolgen zal hebben voor het milieu". Dit betekent dat investeringen waarvoor voorafgaand aan de investering een milieu- of omgevingsvergunning verkregen moet zijn, die vergunning verkregen moet zijn vòòr er vanuit ELFPO voor die investering betalingen gedaan kunnen worden. Indien er geen milieu- of omgevingsvergunning verplicht is, bijvoorbeeld omdat de betreffende investering op grond van de Omgevingswet slechts gemeld hoeft te worden, dient de aanvrager een beperkte effectverkenning met een eigen oordeel aan te leveren, op grond waarvan blijkt dat er geen sprake is van een investering die waarschijnlijk negatieve gevolgen voor zal hebben voor het milieu. De zwaarte van de verkenning zal afhangen van het soort/type investering. Een belangrijk aandachtspunt voor de Europese Commissie is het punt ‘redelijkheid van kosten'. Indien er bij een project geen sprake is van een aanbestedingstraject zal door het Betaalorgaan in het algemeen worden vereist dat een aanvrager - ter onderbouwing van de redelijkheid van de kosten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en als toelichting op de begroting- drie offertes aan de aanvraag toevoegt, op basis waarvan het Betaalorgaan de redelijkheid van de opgevoerde kosten kan bepalen. Onderdeel van de aan te leveren gegevens is ook het aanleveren van informatie over subsidies of vergoedingen / bijdragen die voor dezelfde subsidiabele activiteiten van andere bestuursorganen, private organisaties of personen afkomstig zijn. Deze gegevens zijn enerzijds van belang om te kunnen beoordelen of er sprake is van een sluitende begroting, anderzijds kan op basis van deze gegevens ook worden bezien of er wellicht sprake zou kunnen zijn van cumulatie van subsidies of cumulatie met andere vormen van steun. Aanvragen zullen vaak elektronisch ingediend kunnen worden. Als elektronisch indienen kàn, verdient elektronisch indienen van aanvragen sterk de voorkeur. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht is het echter niet mogelijk elektronisch indienen van aanvragen te verplichten.] 1. Een aanvraag om subsidie: wordt ingediend bij Gedeputeerde staten; wordt ingediend met gebruik making van de meest recente versie van een door Gedeputeerde staten beschikbaar gesteld formulier. 2. Een aanvraag om subsidie bevat tenminste: een begroting van de kosten van de activiteit; een toelichting op de begroting; een financieringsplan van de kosten van de activiteit; een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde activiteiten bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen zijn aangevraagd, onder vermelding van de stand van zaken daarvan; een overzicht van inkomsten die met de uitvoeringen van de activiteit gegenereerd worden; een projectplan waarin tenminste is opgenomen: ) de doelstellingen van het project; ) een probleemanalyse waaruit onder andere de noodzaak van het project en de ter uitvoering van het project te maken kosten blijkt; ) de wijze van uitvoering van het project; ) de wijze waarop de resultaten van het project worden getoetst; ) de verwachte realisatietermijn van het project; ) de verwachte resultaten van het project. 3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een investering en de investering leidt naar waarschijnlijkheid tot negatieve omgevingseffecten bevat de aanvraag om subsidie een verkenning naar de mogelijke negatieve omgevingseffecten van de investering. 4. Indien de verwachte realisatietermijn van het project langer is dan één jaar bevat de aanvraag om subsidie tevens: een meerjarenbegroting met een liquiditeitsplanning per jaar; een overzicht in de tijd van de te onderscheiden fasen van het project. 5. Een aanvraag om subsidie van een onderneming bevat tevens een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, lid 14, van Verordening (EU) 702/2014. Artikel 1.7a bewijsstukken lidnr 7a Toelichting: Op grond van bestaande regelgeving kunnen als bewijsstukken slechts stukken worden geaccepteerd die aan strikte eisen voldoen. In dit artikel wordt aangegeven welke bewijsstukken geaccepteerd worden. Bij alle documenten is het van belang dat uit het bewijsstuk duidelijk blijkt dat het bewijsstuk onderdeel uitmaakt van de uitvoering van het project waarvoor subsidie is verleend. Zo zal op facturen en betaalbewijzen, of het om originele documenten of afgeleiden daarvan gaat, in het algemeen een projectnummer of andere informatie vermeld moeten zijn, waaruit blijkt dat de kosten ten behoeve van een specifiek project gemaakt zijn. 1. Als bewijsstukken van documenten die in het kader van deze regeling moeten worden ingediend worden geaccepteerd: originele documenten; fotokopieën van originelen; microfiches van originelen; elektronische versies van originelen; 2. Bewijsstukken, genoemd in lid 1 onder b tot en met d, worden slechts geaccepteerd indien de procedure, bedoeld in bijlage 1 van de Regeling Europese EZ subsidies is gevolgd. Artikel 1.8 weigeringsgronden 8 [Toelichting: In bepaalde gevallen zal een subsidieaanvraag (geheel of gedeeltelijk) afgewezen worden. Indien er gewerkt wordt met een tendersysteem (zie onder §1.3) en het in geval van dreigende overschrijding van het subsidieplafond en het toepassen van loting in de groep van ‘projecten met dezelfde score', is het onwenselijk dat aanvrager(
  7. s)voor dezelfde activiteit meerdere aanvragen indienen (om zo de kans bij een eventuele loting te vergroten). Indien voor dezelfde activiteit en door dezelfde aanvrager(
  8. s)meerdere aanvragen worden gedaan, zal - tenzij een eerder ingediende aanvraag ingetrokken zou worden - alleen de eerst ingediende aanvraag meegenomen worden in de tenderprocedure. De overige versies van dezelfde aanvraag voor dezelfde activiteit en door dezelfde aanvrager(
  9. s)zullen afgewezen worden. Er zijn projecten waarvan het effect in meerdere provincies ‘neerslaat' of neer kan slaan. In dat geval kunnen provincies in onderling overleg besluiten over de financiering van het project. Die besluitvorming zou er bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat één provincie subsidie verstrekt, maar een deel van de benodigde financiering (naar rato) van een andere provincie verkrijgt. In geval van investeringen zal het in het algemeen zo zijn dat de plaats van de investering leidend is: subsidie voor een investering door een bedrijf in provincie x, maar het grondgebied waar de investering geplaatst wordt is in provincie y, zal aangevraagd kunnen worden bij provincie y. Door middel van fysieke controles dan het daadwerkelijke gebruik van de investering gecontroleerd kunnen worden. Op grond van de EU-regelgeving dienen subsidies in het algemeen een stimulerend effect te hebben. Een stimulerend effect van een subsidie is niet aanwezig indien de subsidiabele onderdelen van het project al zijn afgerond vòòr een subsidieaanvraag ingediend is. Maar ook indien een project al is begonnen voor de subsidieaanvraag is ingediend, is het de vraag of er sprake is van een stimulerend effect door de subsidie. Een project mag dan ook pas gestart worden als een subsidie aanvraag is ingediend. Uitzondering hierop vormen de zogenaamde voorbereidende activiteiten voor het project. Kosten voor voorbereidende activiteiten (= voorbereidingskosten) zijn algemene kosten ter voorbereiding van het project, zoals het inschakelen van adviseurs en het (laten) uitvoeren van haalbaarheidsstudies. De kosten moeten aantoonbaar zijn gemaakt ten behoeve van het specifieke project. Het kan hierbij overigens NIET gaan om de inzet van eigen personeel van een organisatie, indien de voorbereidende activiteiten feitelijk reguliere werkzaamheden voor dit personeel betreffen. Voorbereidingskosten zijn op grond van artikel 1.12 subsidiabel, mits ze zijn gemaakt binnen een redelijke termijn voorafgaand aan het project. Die redelijke termijn is in zijn algemeenheid gesteld op 1 jaar vòòr de aanvraag is ingediend, maar in een openstellingsbesluit kunnen GS van die termijn van 1 jaar afwijken. Omdat in geval van POP-subsidies er sprake kàn zijn van een POP-subsidieplafond dat slechts uit ELFPO-budget bestaat en een POP-subsidie waarbij ELFPO wordt toegekend alleen rechtmatig verleend wordt indien er ook eenzelfde bedrag aan nationale overheidsfinanciering voor het project beschikbaar gesteld wordt, is als specifieke weigeringsgrond vermeld het feit dat een aanvraag - op het moment van beschikken - niet is voorzien van een bijdrageverklaring dan wel een subsidie- beschikking voor de benodigde nationale overheidsfinanciering. Overigens is ook de weigeringsgrond genoemd in artikel 4.35, 1e lid, onder a van de Algemene Wet Bestuursrecht is in dit geval onverminderd van toepassing. Dit betekent dat indien de uitvoering van de activiteit naar het oordeel van gedeputeerde staten technisch, financieel, organisatorisch of economisch niet haalbaar is, de subsidie geweigerd kan worden.] Onverminderd het bepaalde in artikel 4:35 Algemene wet bestuursrecht, wordt een subsidie geheel of gedeeltelijk geweigerd indien: a. voor dezelfde activiteit op grond van hetzelfde openstellingsbesluit reeds subsidie is aangevraagd; b. voor dezelfde activiteiten en subsidiabele kosten op grond van enige regeling reeds subsidie is verstrekt tot het op grond van Europese verordeningen toegestane maximale subsidiepercentage of - bedrag; c. de activiteit niet overwegend plaatsvindt in provincie Overijssel tenzij de activiteit of de resultaten ervan aantoonbaar ten goede komt of komen aan ingezetenen van provincie Overijssel, of de activiteit of de resultaten daarvan aantoonbaar op enigerlei wijze het belang van de provincie Overijssel dient of dienen; d. met de uitvoering van de activiteit, niet zijnde de uitvoering van voorbereidingshandelingen voor de uitvoering van de activiteit, is gestart voordat de aanvraag om subsidie is ingediend; e. in het opstellingsbesluit de benodigde nationale overheidsfinanciering als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, niet of niet volledig beschikbaar is gesteld en de aanvraag niet voorzien is van een bijdrageverklaring of een subsidiebeschikking voor de benodigde resterende nationale overheidsfinanciering; f. een aanvraag minder scoort dan het minimum aantal punten als bedoeld in artikel 1.15, 3e lid, onder c; g. de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, lid 14, van Verordening (EU) 702/2014; h. ten aanzien van de subsidieaanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering bestaat, volgend op een eerdere beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard. Artikel 1.9 personeelskosten 9 [Toelichting: Rekenvoorbeeld werken met individueel uurtarief 1. Op basis van de meest recente loonstaat van de persoon die voor het project werkzaam is wordt het bruto jaarsalaris voor deze persoon berekend (inclusief niet prestatiegebonden eindejaarsuitkering, maar exclusief vakantieuitkering) 2. Verhoog het onder 1 bedoelde bedrag met 43,5% (ter dekking van de werkgeverslasten) 3. Verhoog het onder 2 berekende bedrag met 15% (ter dekking van overheadkosten) 4. Deel het onder 3 berekende bedrag door ‘(aantal contracturen/40) x 1720’ om de loonkosten per uur voor deze persoon te bepalen 5. Bij een loonkostendeclaratie wordt een urenstaat overlegd. De loonkostenvergoeding voor deze persoon bedraagt het ingezette aantal uren volgens de urenstaat x het onder 4 berekende uurtarief. Voor organisaties die als bestendige praktijk werken met een integrale kostensystematiek, kunnen personeelskosten ook berekend worden door het aantal aan het project besteedde uren te vermenigvuldigen met de op grond van die systematiek tevoren bepaalde loonkosten per uur. Overigens zijn personeelskosten (waarbij sprake is van de inzet van personeel waaraan salaris wordt uitbetaald) iets anders dat de kosten van eigen arbeid (aanvrager stopt zelf tijd in een project, maar indien de aanvrager niet in loondienst is en dus geen ‘loon' krijgt, is er geen sprake van personeelskosten) én iets anders dan kosten van vrijwilligers. Deze laatste twee kostenposten zijn geregeld in artikel 1.11. Aan de te vergoeden kosten voor personeel kàn in een openstellingsbesluit een maximum gesteld worden. Maar ook als er geen maximum gesteld wordt, geldt als algemeen uitgangspunt de redelijkheid van kosten. Loonkosten zijn dan ook gemaximeerd tot een uurtarief dat redelijk is gelet op de aard van de te verrichten werkzaamheden én het aantal te declareren uren is gemaximeerd op het aantal uren dat redelijkerwijs, gelet op de verrichtte of te verrichten werkzaamheden, aan de werkzaamheden besteed wordt. Hierbij is tevens van toepassing dat personeel, op jaarbasis, nooit meer uren kan declareren dan genoemd aantal van 1720 uur. Bij de berekening van personeelskosten wordt, tenzij de methodiek van integrale kosten van toepassing is, uitgegaan van het meest recente bruto jaarloon. Bij de aanvraag van subsidie zal dit de kosten betreffen van het jaarloon voorafgaand aan de subsidieaanvraag, van een personeelslid van het niveau waarop personeel ingezet wordt in het project. Bij afrekening gaat het om de daadwerkelijk gemaakte kosten. 1. Loonkosten worden berekend door het aantal aan het project of de investering bestede uren te vermenigvuldigen met een volgens één van de volgende methodieken berekend tarief: een per medewerker bepaald individueel uurtarief, berekend op basis van bruto jaarloon, vermeerderd met een opslag van 43,5% voor werkgeverslasten, waarna over dat bedrag 15% aan overheadkosten wordt berekend en dat bedrag vervolgens door 1.720 uur op basis van een 40-urige werkweek wordt gedeeld; een door de minister goedgekeurde integrale kostensystematiek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies. 2. Personeelskosten zijn subsidiabel tot maximaal 1.720 uur per persoon per jaar bij een 40-urig dienstverband. 3. In geval van een parttime dienstverband, worden de personeelskosten per uur en het maximale aantal uur per persoon per jaar waarvoor personeelskosten subsidiabel zijn naar rato berekend. Artikel 1.10 kosten aankoop van gronden 10 [Toelichting: Indien het in het kader van een project noodzakelijk is om gronden aan te kopen, mogen de kosten voor de aankoop van die gronden maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten van het project bedragen, tenzij er een uitzondering op deze 10% regeling van toepassing is op grond van de leden 2 of 3 van dit artikel. Praktijkvoorbeeld: Een project omvat de aanleg van een fietspad met EU-subsidiabele inrichtingskosten van € 810.000 waarvoor in totaal 2 ha grond moet worden aangekocht ad € 140.000,- De totale projectkosten bedragen dus € 950.000,- Als de aankoopkosten tot 10% over de totale subsidiabele kosten mogen bedragen, vormen de aanlegkosten van € 810.000 dus 90% van de totale subsidiabele kosten. De totale subsidiabele kosten bedragen in dit voorbeeld dan teruggerekend (100/90 x € 810.000,- =) € 900.000, waarvan € 90.000,- grondkosten. De overige € 50.000,- grondkosten zijn niet EU-subsidiabel.] 1. Kosten van de aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden zijn subsidiabel tot maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten. 2. Indien de bebouwde of onbebouwde gronden zijn gelegen in verwaarloosde gebieden of voormalige industriezones, zijn de kosten van de aankoop de gronden subsidiabel tot maximaal 15% van de totale subsidiabele kosten, indien dit in een openstellingsbesluit is bepaald. 3. Gedeputeerde staten kunnen in uitzonderlijke gevallen in een openstellingsbesluit een hoger percentage vaststellen voor de aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden in het kader van activiteiten ten behoeve van milieubehoud. Indien de bebouwde of niet bebouwde gronden zijn gelegen in Natura 2000 gebieden of onderdeel uit maken van Kader Richtlijn Water opgaven buiten de EHS én in het concrete geval ontbreken redelijke alternatieven om de milieudoelen te behalen, kan het subsidiepercentage, mits onderbouwd in de toekenningsbeschikking, verhoogd worden tot 30% van de totale subsidiabele kosten. Artikel 1.11 berekeningswijze bijdragen in natura 11 [Toelichting: Indien bij een maatregel genoemd in hoofdstuk 2 of 3 bijdragen in natura subsidiabel gesteld worden, worden in dit artikel de voorwaarden genoemd waaraan moet worden voldaan om een bijdrage in natura vergoed te kunnen krijgen.] 1. Bijdragen in natura kunnen bestaan uit werken, zaken, diensten, grond en onroerende zaken waarvoor geen door facturen of documenten met gelijkwaardige bewijskracht gestaafde contante betalingen zijn verricht. 2. Bijdragen in natura zijn subsidiabel, mits: de aan de bijdrage in natura toegekende waarde niet hoger is dan de waarde die gewoonlijk op de desbetreffende markt wordt aanvaard; er een onafhankelijke beoordeling en verificatie van de waarde van de bijdragen in natura mogelijk is. 3. Indien de bijdrage in natura bestaat uit de verstrekking van gronden of onroerende zaken is de bijdrage, in afwijking van het tweede lid, onderdeel b, slechts subsidiabel indien de waarde is getaxeerd en gecertificeerd door een onafhankelijke gekwalificeerde deskundige of een hiertoe gemachtigde officiële instantie. 4. Bijdrage in natura in de vorm van verstrekking van gronden is subsidiabel tot maximaal de percentages genoemd in artikel 1.10. 5. Indien de bijdrage in natura bestaat uit gronden of onroerende goederen kan een contante betaling worden gedaan met het oog op een huurovereenkomst voor een nominaal bedrag per jaar dat niet meer bedraagt dan € 1,-. 6. Indien de bijdrage in natura bestaat uit onbetaalde arbeid is de bijdrage slechts subsidiabel indien de werkelijke arbeidstijd voor de uitvoering van de activiteit gecontroleerd kan worden. 7. De waarde van onbetaalde eigen arbeid wordt gewaardeerd op € 35,- per uur. 8. De waarde van onbetaalde arbeid van vrijwilligers wordt gewaardeerd op € 22,- per uur. 9. De aan een concrete actie betaalde overheidssteun die bijdragen in natura omvat is aan het einde van de concrete actie niet hoger dan de totale subsidiabele uitgaven, exclusief bijdragen in natura. Artikel 1.12 subsidiabiliteit van de kosten 12 [Toelichting: Kosten zijn slechts subsidiabel als de kosten worden gemaakt nadat een aanvraag om subsidie ingediend is. Kosten worden geacht te zijn gemaakt zodra er een handeling is verricht waardoor de subsidieverkrijger een niet vrijblijvende verplichting is aangegaan. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het zetten van een handtekening onder een koopcontract of het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst. Uitzondering op de voorwaarde dat kosten pas mogen worden gemaakt nadat de aanvraag om subsidie ingediend is kunnen de zogenaamde voorbereidingskosten, zijnde kosten die aantoonbaar gemaakt zijn om te komen tot een projectplan, zijn. Dit moet in het openstellingsbesluit als zodanig zijn bepaald. Het gaat hierbij met name om kosten van bijvoorbeeld adviseurs of haalbaarheidsstudies. Indien eigen personeel ten behoeve van een project wordt ingezet, zijn de voorbereidingsactiviteiten die het personeel heeft uitgevoerd slechts subsidiabel, indien die activiteiten aantoonbaar ten behoeve van het project gemaakt zijn én niet het reguliere werk van het betreffende personeel betreffen.] 1. Kosten, afschrijvingskosten en bijdragen in natura komen slechts voor subsidie in aanmerking indien zij zijn gemaakt of geleverd nadat de aanvraag om subsidie is ingediend. 2. Indien in het openstellingsbesluit bepaald komen, in afwijking van het eerste lid, voorbereidingskosten ook voor subsidie in aanmerking indien zij gemaakt zijn binnen één jaar of een in het openstellingsbesluit vastgelegde termijn voordat de aanvraag om subsidie is ingediend. 3. De voorbereidingskosten kunnen uitsluitend bestaan uit: kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs; kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied; kosten van haalbaarheidsstudies; personeelskosten of inbreng eigen arbeid, voor zover deze kosten betrekking hebben op werkzaamheden zoals bedoeld onder de leden a, b en c van dit artikel. Artikel 1.13 niet-subsidiabele kosten 13 [Toelichting: Bij de maatregelen genoemd in hoofdstuk 2 en 3 worden de subsidiabele kosten benoemd. Bepaalde kostenposten zullen, bijvoorbeeld op grond van EU-regelgeving of op basis van provinciale beleidsafwegingen, nooit subsidiabel gesteld worden. In dit artikel worden deze kosten benoemd. Een van de kosten die hierbij worden genoemd zijn kosten die naar het oordeel van Gedeputeerde staten niet voldoen aan de eisen van goed financieel beheer (artikel 1.13, lid 1 sub i). Onder goed financieel beheer wordt in ieder geval verstaan dat opgevoerde kosten niet bovenmatig mogen zijn. Dat wil zeggen dat de opgevoerde kosten redelijk moeten zijn en dus in verhouding moeten staan tot het doel wat moet worden bereikt. Zo moeten materialen die worden aangekocht qua specificatie passend zijn bij het doel waarvoor het materiaal wordt aangekocht. Zo zal het aantal uren dat wordt besteedt aan uitvoering van een project redelijk moeten zijn. Iemand die 1000 uren besteedt aan de uitvoering van een project terwijl vergelijkbare projecten met een inzet van slechts 100 uren uitgevoerd worden, zal die 1000 uur niet vergoed krijgen.] 1. Subsidie wordt in ieder geval niet verstrekt voor de volgende kosten: kosten die niet aantoonbaar rechtstreeks aan de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft zijn toe te rekenen; kosten die reeds uit andere hoofde zijn gesubsidieerd tot het op grond van Europese verordeningen toegestane maximale subsidiepercentage of - bedrag; kosten van rente, debetrente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, kosten van juridische advisering of bijstand ten behoeve van gerechtelijke procedures, boetes en sancties; vervangingsinvesteringen; legeskosten, tenzij deze kosten expliciet subsidiabel gesteld worden; reguliere investeringen in de onderneming van de subsidieontvanger; kosten voor de vervaardiging van producten die melk en zuivelproducten imiteren of vervangen; verrekenbare of compensabele BTW; kosten die naar het oordeel van Gedeputeerde staten voldoen aan de vereisten van goed financieel beheer als bedoeld in artikel 30 van VO 966/2012 (Financieel Reglement); winstopslagen binnen een samenwerkingsverband. 2. Indien de activiteit betrekking heeft op een investering in de landbouw wordt eveneens geen subsidie verstrekt voor de aankoop van: landbouwproductierechten, betalingsrechten; dieren; zaai- en pootgoed van eenjarige gewassen alsmede het planten daarvan. Artikel 1.14 adviescommissie 14 [Toelichting: Subsidieaanvragen zullen, met uitzondering van aanvragen onder Leader en specifieke andere aanvragen zoals met name bij eenvoudige investeringsmaatregelen, worden geselecteerd op grond van een tendersysteem aan de hand van tevoren vastgelegde selectiecriteria. Indien de selectiecriteria daartoe aanleiding geven, bijvoorbeeld omdat de criteria niet eenvoudig objectiveerbaar zijn, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten ten behoeve van de beoordeling van ingediende projecten die aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden voldoen, een adviescommissie in het leven te roepen, conform artikel 82 Provinciewet. Er kan daarbij sprake zijn van een ambtelijke adviescommissie, van een adviescommissie bestaande uit deskundigen of een combinatie van beide. Indien gekozen wordt voor een deskundigen adviescommissie, zal de commissie voldoen aan de voorwaarden zoals genoemd in afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht.] 1. Gedeputeerde staten kunnen één of meer adviescommissies instellen. 2. Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden voorgelegd aan een adviescommissie. Artikel 1.15 honorering subsidieaanvragen 15 [Toelichting: Zoals beschreven in §1.3 worden projecten die worden geselecteerd door middel van het toepassen van tendering op basis van in het openstellingsbesluit aangegeven selectiecriteria en weging daarvan - al dan niet na advisering door een adviescommissie -, van een puntentotaal voorzien. Projecten worden op basis van dit puntentotaal gerangschikt op een prioriteitenlijst. Projecten die niet voor subsidie in aanmerking komen omdat niet is voldaan aan één of meerdere subsidiabiliteitscriteria of de voorgeschreven minimale totaalscore niet wordt behaald, worden niet op de prioriteitenlijst opgenomen. Subsidie wordt slechts verstrekt aan projecten opgenomen op de prioriteitenlijst, voor zover het subsidieplafond subsidiëring toelaat. Bij overschrijding van het subsidieplafond en een gelijk aantal punten op de selectiecriteria, treedt de procedure als beschreven in het openstellingsbesluit, in werking. Zie ook §1.3.] 1. Gedeputeerde staten verdelen het beschikbare subsidiebedrag op basis van rangschikking op basis van selectiecriteria; rangschikking op basis een investeringslijst; een geografisch criterium; 2. Aanvragen worden gehonoreerd op volgorde van de rangschikking. 3. Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden gerangschikt op basis van selectiecriteria, stellen Gedeputeerde staten in een openstellingsbesluit vast: de wegingsfactor per selectiecriterium; het minimaal en maximaal te behalen aantal punten per selectiecriterium; het minimum aantal punten dat een aanvraag op basis van de selectiecriteria moet behalen om voor subsidie in aanmerking te komen; het aantal punten van een aanvraag wordt bepaald door toepassing van alle in het openstellingsbesluit vermelde selectiecriteria met de aangegeven weging van die criteria. 4. Gedeputeerde staten stellen een procedure vast voor de honorering van aanvragen voor subsidie die op gelijke plaats zijn gerangschikt en bij honorering van die aanvragen het subsidieplafond wordt overschreden. Artikel 1.16 beslistermijn Gedeputeerde staten beslissen binnen 22 weken na afloop van de periode waarbinnen een aanvraag om subsidie ontvangen moet zijn. Artikel 1.17 verplichtingen 16 [Toelichting: Aan een subsidieverkrijger worden verschillende verplichtingen opgelegd. In dit artikel staan de algemeen van toepassing zijnde verplichtingen genoemd. Om te voorkomen dat projecten die nog niet uitvoeringsgereed zijn al wel meedoen in een tender en beslag leggen op een deel van het beschikbare budget, wordt een termijn ‘binnen twee maanden na subsidietoekenning starten met het project' gehanteerd. Van deze termijn kan overigens in het openstellingsbesluit of de toekenningsbeschikking afgeweken worden. Een vanuit het oogpunt van controle belangrijke verplichting is de verplichting tot het voeren van een inzichtelijke administratie. Die administratie dient tot 5 jaar nà de formele afsluiting van het POP3 op 31 december 2023, dus tot 31 december 2028, bewaard te worden. Onder een sluitende urenadministratie en een volledig inkoopdossier wordt verstaan wat deze begrippen in het normale taalgebruik betekenen, namelijk een administratie zoals bijvoorbeeld een tijdschrijfsysteem van waaruit het ingezette aantal uren ten behoeve van het project inzichtelijk is resp. een dossier waarin alle documenten die betrekking hebben op de aankoop van een bepaalde investering overzichtelijk bijeen gebracht zijn. In geval van investeringen is het niet alleen van belang dat aangetoond wordt dat een investering daadwerkelijk gedaan is (‘de machine is gekocht'), maar is ook van belang dat de investering daadwerkelijk gebruikt kàn worden en dus gebruiksklaar is (‘de machine is aangesloten'). Dat de investering vervolgens ook daadwerkelijk gebruik wòrdt is geen vereiste. Wel wordt vereist dat de investering gedurende 5 jaar gebruiksklaar in stand gehouden wordt en dus ook vijf jaar aantoonbaar bruikbaar blijft. Op grond van lid 1 sub l dient een subsidieverkrijger een voorgenomen overdracht van het eigendom van een onderneming waaraan subsidie is verleend of zeggenschap over gronden waarop subsidie is verleend te melden bij de subsidieverlener. Melding moet dus worden gedaan vòòr daadwerkelijke overdracht, op het moment dat zekerheid bestaat over de overdracht. Mocht een voorgenomen overdracht uiteindelijk toch niet doorgaan, dan dient ook daar wederom melding van te worden gemaakt. Dit omdat voor de subsidieverstrekker te allen tijde duidelijk moet zijn wie zeggenschap heeft over een onderneming / de grond waarop een subsidie is verleend. ] 1. De subsidieontvanger is verplicht: indien de subsidieontvanger aanbestedingsplichtig is op grond van de Aanbestedingswet, dienen de voorschriften uit de Aanbestedingswet in acht genomen te worden; te voldoen aan de communicatieverplichtingen zoals omschreven in Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 808/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1305/2013 ; in geval van investeringen de investering op het moment van indiening van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie gebruiksklaar te hebben; een investering gedurende vijf jaar gebruiksklaar in stand te houden, indien de activiteit een investering in infrastructuur of een productieve investering omvat; binnen twee maanden na dagtekening van de subsidiebeschikking te starten met de uitvoering van de activiteit als beschreven in het projectplan, tenzij in het openstellingsbesluit of in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald; een administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor een juist inzicht in de realisatie van de gesubsidieerde activiteiten en voor een juiste subsidieverstrekking , hetgeen inhoudt dat alle inkomsten en uitgaven in de administratie zijn vastgelegd met de onderliggende bewijsstukken: ) een sluitende urenadministratie; ) een deugdelijk en volledig inkoopdossier; ) bewijsstukken, als onderdeel van de administratie aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en dat daaruit de aard van de geleverde goederen en diensten duidelijk blijkt; de administratie en de daartoe beherende bescheiden te bewaren tot 31 december 2028; eenmaal per jaar een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten in te dienen, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald; de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht; de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen indien niet, niet tijdig of niet geheel zal worden voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn; medewerking te verlenen aan met het toezicht op deze regeling belaste toezichthouders. om vervreemding van de onderneming waaraan subsidie is verstrekt of grond waarop een activiteit waarvoor subsidie is verstrekt betrekking heeft, zo spoedig als mogelijk maar uiterlijk de dag van daadwerkelijke vervreemding bij de subsidieverstrekker te melden. 2. Een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder i, bevat tenminste: de uitgevoerde activiteiten; de eventuele afwijkingen van het projectplan, alsmede de oorzaak daarvan; de mate waarin de uitgevoerde activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan beschreven doelstellingen; de activiteiten die in het komende jaar uitgevoerd zullen worden; de eventuele maatregelen die genomen worden om een eventuele achterstand in te lopen; de financiële voortgang waarin tenminste is opgenomen: ) een actueel kostenoverzicht in relatie tot de begroting; ) een financieringsoverzicht alsmede een overzicht van toegezegde financiering van derden; ) de financiële planning voor de resterende looptijd van de activiteit. Artikel 1.18 niet doel gebonden verplichtingen Gedeputeerde staten kunnen in de subsidiebeschikking aan een subsidieontvanger verplichtingen als bedoeld in artikel 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht opleggen. Artikel 1.19 verrekening vermogensvoordeel 17 [Toelichting: Voor zover het verstrekken van een subsidie leidt tot vermogensvorming, kan op grond van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 4.41, tot verrekening van het vermogensvoordeel worden overgegaan, mits dit - in geval van een subsidie op basis van een wettelijk voorschrift - bij wettelijk voorschrift is bepaald. Dit artikel strekt ertoe die bevoegdheid te creëren. ] 1. In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht kunnen Gedeputeerde staten bepalen dat de subsidieontvanger een vergoeding verschuldigd is. 2. De hoogte van de vergoeding is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de subsidieontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte van zijn totale inkomsten dat gedurende de laatste tien jaar de subsidie is geweest. Bij de bepaling van de waarde van de vermogensbestanddelen wordt uitgegaan van hun waarde op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen. 3. De waarde van de onroerende zaken wordt bepaald op basis van hun waarde in het economisch verkeer, vastgesteld door een onafhankelijke deskundige, die daartoe door Gedeputeerde staten in overleg met de subsidieontvanger wordt aangewezen. 4. De waarde van roerende zaken wordt bepaald op basis van hun boekwaarde, geldmiddelen, waaronder begrepen de banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde. Artikel 1.20 verrekening netto inkomsten gedurende uitvoering 18 [Toelichting: Op grond van artikel 65, lid 8 van verordening (EU) nr. 1303/2013 dient bij projecten die tijdens de uitvoering ervan netto-inkomsten genereren waarmee tijdens de goedkeuring van die actie geen rekening is gehouden, in bepaalde gevallen een verrekening van die inkomsten plaats te vinden. Onder netto-inkomsten worden òòk begrepen besparingen die worden behaald als gevolg van de investeringen (zie de definitie in artikel 1.1). In artikel 65, lid 8 van verordening (EU) nr. 1303/2013 worden verschillende uitzonderingen benoemd, onder meer is bepaald dat verrekening niet hoeft plaats te vinden indien de totale subsidiabele kosten minder dan € 50.000,- bedragen.] Indien de subsidie betrekking heeft op hoofdstuk 2 of op paragrafen met betrekking tot Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties, Samenwerking voor innovaties of Samenwerking in het kader van het EIP van hoofdstuk 3 worden netto inkomsten die tijdens de uitvoering van de activiteit gegenereerd worden als bedoeld in artikel 65, lid 8, van Vo (EU) 1303/2013, overeenkomstig genoemd artikel in mindering gebracht op de subsidiabele kosten. Artikel 1.21 verrekening netto inkomsten na uitvoering 19 [Toelichting: Op grond van artikel 61 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 dient bij projecten die na de uitvoering ervan netto-inkomsten genereren, in bepaalde gevallen een verrekening van die inkomsten plaats te vinden. In genoemd artikel worden verschillende uitzonderingen benoemd, onder meer is bepaald dat verrekening niet hoeft plaats te vinden indien de totale subsidiabele kosten minder dan € 1.000.000,- bedragen.] Indien de subsidie betrekking heeft op hoofdstuk 2 of op paragrafen met betrekking tot Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties, Samenwerking voor innovaties of Samenwerking in het kader van het EIP van hoofdstuk 3 worden netto inkomsten die na de uitvoering van de activiteit gegenereerd worden als bedoeld in artikel 61 van Vo (EU) 1303/2013, overeenkomstig genoemd artikel in mindering gebracht op de subsidiabele kosten. Artikel 1.22 verlaging in verband met het niet voldoen aan de verplichting tot instandhouding van een investering in infrastructuur of een productieve investering 1. Indien de subsidie betrekking heeft op een investering in infrastructuur of op een productieve investering verlagen Gedeputeerde staten de vastgestelde subsidie indien binnen vijf jaar na vaststelling van de subsidie: de productieactiviteit wordt beëindigd of wordt verplaatst naar een locatie buiten het grondgebied van het in de Europese Unie gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden een verandering in de eigendom van een infrastructuurvoorziening plaatsvindt waardoor een onderneming of een overheidsinstantie een onrechtmatig voordeel behaalt; een substantiële verandering in de aard, de doelstellingen of de uitvoeringsvoorwaarden plaatsvindt waardoor de oorspronkelijke doelstelling of doelstellingen van de investering of investeringen worden ondermijnd. 2. De verlaging van de subsidie wordt naar rato berekend op basis van de periode waarvoor niet aan de vereisten wordt voldaan. 3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de productiecapaciteit wordt beëindigd wegens een niet-frauduleus faillissement. 4. De in het eerste lid genoemde termijn van vijf jaar kan worden verkort tot drie jaar bij behoud van investeringen of door het MKB gecreëerde banen. Artikel 1.23 bevoorschotting op basis van realisatie (tussentijdse betalingen) 20 [Toelichting: Dit artikellid biedt subsidieverkrijgers de mogelijkheid om tussentijds, vòòr afronding van het project, deelbetalingen (een tussentijdse betaling of voorschot op basis van realisatie) aan te vragen voor reeds gemaakte kosten. Om uitvoeringskosten te beperken, wordt de mogelijkheid tot het aanvragen van een tussentijdse betaling beperkt tot aanvragen van minimaal 25% van de verleende subsidie of minimaal 50.000 euro. Gedeputeerde staten kunnen in een openstellingsbesluit nadere regels stellen aan het indienen van een voorschot. Het bedrag dat per voorschot kan worden verstrekt zou daarbij ook gemaximeerd kunnen worden. ] 1. Gedeputeerde staten kunnen op aanvraag voorschotten op basis van realisatie verlenen. 2. Het voorschot wordt verleend op basis van werkelijke kosten en betalingen. 3. Een aanvraag om een voorschot bevat tenminste facturen en betaalbewijzen, een verslag omtrent de voortgang als bedoeld in artikel 1.17, sub i en voor zover van toepassing: bewijsstukken inzake de gemaakte personeelskosten bewijsstukken inzake geleverde inbreng in natura; bewijsstukken inzake afschrijvingskosten. 4. De aanvraag om een voorschot heeft betrekking op minimaal 25% van de verleende subsidie of minimaal € 50.000,-. 5. Gedeputeerde staten beslissen binnen 13 weken op een aanvraag om voorschot. Artikel 1.24 verlagen voorschot (sanctie) 21 [Toelichting: Verlagen van een betalingsaanvraag (dat kan een voorschot zijn, maar ook een subsidievaststelling/eindbetaling) is van toepassing als in de betalingsaanvraag kosten zijn opgenomen waarvan niet kan worden vastgesteld dat ze subsidiabel zijn. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan onvoldoende onderbouwing van gemaakte kosten (bv ontbrekende facturen en/of betaalbewijzen), om kosten voor activiteiten die niet zijn verricht in het kader van het project, om kosten voor activiteiten die wel in het kader van het project zijn verricht, maar waarvan de kosten in de openstelling of in het besluit tot subsidieverlening niet subsidiabel gesteld zijn of kosten die dubbel opgevoerd worden (in één declaratie of al betaalbaar gesteld zijn in een eerdere declaratie). De betreffende - niet subsidiabele - kosten worden vanzelfsprekend niet vergoed. Indien de onjuist gedeclareerde kosten meer dan 10% bedragen van de totaal in de betreffende aanvraag gedeclareerde wel subsidiabele kosten, wordt het te verstrekken voorschot ook nog eens gecorrigeerd met het bedrag van de opgevoerde kosten die niet subsidiabel zijn. Die verlaging kan overigens nooit leiden tot een negatief bedrag. Deze regel is door de Europese Commissie ingesteld om zorgvuldigheid bij aanvragers te stimuleren. Indien een aanvrager aan kan tonen dat hij geen schuld heeft aan de onjuiste declaratie, kan van de korting worden afgezien. Een rekenvoorbeeld: Er is een subsidietoekenning verstrekt van 200.000 euro. Er wordt een betalingsverzoek ingediend (voorschot op basis van realisatie) van 100.000 euro (er wordt voor 100.000 euro aan facturen en betaalbewijzen overlegd). Bij controle blijkt dat 20.000 euro aan facturen en betaalbewijzen NIET betaalbaar gesteld kan worden, omdat de facturen en betaalbewijzen geen in het kader van het project subsidiabel gestelde kosten betreffen. Er is dus sprake van 20.000 euro aan ‘onjuiste' facturen, 80.000 euro aan facturen is wel subsidiabel. Er is daarmee sprake van een fout van 25% (20.000 ‘fout' en 80.000 ‘goed'). Het te betalen voorschot van 80.000 euro (bedrag van de juiste facturen), wordt nu verlaagd met 20.000 euro (het totaal bedrag aan onjuiste facturen) en dus wordt een voorschot uitbetaald van 60.000 euro.] 1. Gedeputeerde staten stellen bij een verzoek om voorschot als bedoeld in artikel 1.23 vast welk bedrag op grond van deze regeling, het openstellingsbesluit of de beschikking tot subsidieverlening kan worden verstrekt. 2. Indien het gevraagde bedrag aan voorschot meer dan 10% hoger is dan het onder het eerste lid berekende bedrag, wordt het onder het eerste lid berekende bedrag verlaagd. 3. De verlaging is gelijk aan het verschil tussen het gevraagde bedrag aan voorschot en het onder het eerste lid berekende bedrag. 4. Het voorschot wordt maximaal verlaagd tot nihil. 5. Het voorschot wordt niet verlaagd indien de subsidieontvanger aantoont dat het verzoek om voorschot buiten zijn schuld facturen, betaalbewijzen of bewijsstukken bevat van kosten die niet subsidiabel zijn of indien Gedeputeerde staten anderszins van oordeel is dat de betrokken begunstigde geen schuld treft. Artikel 1.25 voorschotten vooruitlopend op realisatie 22 [Toelichting: In een beperkt aantal gevallen is het mogelijk om vòòr de uitvoering van een project daadwerkelijk gestart is en kosten aantoonbaar gemaakt zijn, een voorschot (‘voorschot vooruitlopend op realisatie') aan te vragen. De verordening [(EU) 1305/2013, artikel 42 lid 2 en art. 45 lid 4] beperkt de mogelijkheid voor dergelijke voorschotten tot investeringsprojecten en functionerings- en dynamiseringskosten bij Leader. Het voorschot bedraagt maximaal 50% van de totaal toegekende overheidssteun en kan slechts toegekend worden indien er voor 100% van het voorschot een garantie is verstrekt. Een dergelijke garantie kan worden verstrekt door een bank of daaraan gelijkgestelde instelling. Ook een overheidsgarantie kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, als garantiestelling geaccepteerd worden.] 1. Indien dit in een openstelling is bepaald, kunnen Gedeputeerde staten op verzoek voorschotten vooruitlopend op realisatie verlenen. 2. Een voorschot vooruitlopend op realisatie kan slechts worden verleend indien er sprake is van investeringsgerelateerde steun of subsidie op grond van een regeling met betrekking tot Voorbereiding en uitvoering van samenwerkingsactiviteiten van de lokale groep (LEADER). 3. Gedeputeerde staten kunnen een voorschot verlenen voordat kosten zijn gemaakt en betaald door subsidieverkrijger, indien er een bankgarantie of een gelijkwaardige garantie voor 100% van het voorschot is gesteld. 4. Een door een overheidsinstantie ter beschikking gestelde garantiefaciliteit wordt beschouwd als gelijkwaardig aan de in het derde lid bedoelde garantie, indien de instantie zich ertoe verbindt het door die garantie gedekte bedrag te betalen wanneer er geen recht op betaling van het voorschot wordt vastgesteld. 5. Een voorschot kan maximaal 50% van de oorspronkelijk verleende subsidie bedragen. 6. Gedeputeerde staten beslissen binnen 13 weken op een verzoek om een voorschot. Artikel 1.26 Wijzigingsverzoeken 23 [Toelichting: De ervaring leert dat projecten gedurende de looptijd vaak op één of meerdere punten gaan afwijken van hetgeen in het oorspronkelijke projectplan werd vermeld. Een subsidieverkrijger kan bij Gedeputeerde Staten in dat geval een wijzigingsverzoek indienen. Bij de beoordeling van het wijzigingsverzoek zal Gedeputeerde Staten in ieder geval beoordelen in hoeverre de voorgestelde aanpassing zou leiden tot een project dat, indien het project in die aangepaste versie oorspronkelijk zou zijn ingediend, niet voor subsidie in aanmerking gekomen zou zijn. Indien nodig kunnen Gedeputeerde Staten zich hierbij laten adviseren door de adviescommissie als bedoeld in 1.14. Voor zover van toepassing / mogelijk, is het van belang dat een wijzigingsverzoek ingediend én goedgekeurd is, vòòr de aanvrager de uitvoering van het project daadwerkelijk aanpast. Aanpassingen die doorgevoerd worden vòòr een wijzigingsverzoek is goedgekeurd, voert de aanvrager voor eigen rekening en risico door.] 1. Gedeputeerde staten kunnen op verzoek de beschikking tot subsidieverlening wijzigingen. 2. Een wijzigingsverzoek kan niet worden gehonoreerd indien de wijziging: leidt tot een activiteit die op grond van het openstellingsbesluit niet subsidiabel is; leidt tot een lager behaald aantal punten op basis van de selectiecriteria dan het minimum aantal punten om voor subsidie in aanmerking te komen; zou leiden tot een lagere plaats op de prioriteitenlijst dan de plaats waarop het subsidieplafond is bereikt. Artikel 1.27 subsidievaststelling 24 [Toelichting: Een aanvraag tot vaststelling van de subsidie dient tijdig bij Gedeputeerde Staten te worden ingediend. Een aanvraag tot subsidievaststelling dient uiterlijk op de datum die vermeld is in de subsidietoekenning te worden ingediend. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan deze termijn indien nodig worden verdaagd. Bij de aanvraag dienen alle bescheiden te worden overlegd die noodzakelijk zijn om de inhoudelijke uitvoering van het project, de financiële aspecten ervan en de behaalde resultaten te kunnen beoordelen. Soms zal ten behoeve van de aanvraag van subsidievaststelling een formulier zijn voorgeschreven dat gebruikt moet worden. Er moet bij de aanvraag in ieder geval een onderverdeling gemaakt worden naar de onderscheiden subsidiabele kosten. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om een onderscheid dat is gemaakt in de subsidiebeschikking of, indien daarnaar in de subsidiebeschikking verwezen wordt, in de begroting bij de aanvraag. De subsidieverkrijger dient een eigen beoordeling te geven van hetgeen het project heeft opgeleverd. Deze beoordeling gaat verder dan het feitelijk beschrijven van de activiteit(
  10. en)die is/zijn verricht. Het is van belang dat de subsidieverkrijger aangeeft in hoeverre de activiteit(
  11. en)daadwerkelijk heeft/hebben bijgedragen aan de (meer abstracte) doelstellingen van het project.] 1. Subsidieontvanger is verplicht de aanvraag tot subsidievaststelling binnen drie jaar na datum subsidiebeschikking of, indien dat eerder is, uiterlijk op 1 april 2023 in te dienen, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald. 2. De aanvraag om vaststelling bevat tenminste: een inhoudelijk en financieel verslag; facturen en betaalbewijzen; 3. Bij een aanvraag tot subsidievaststelling wordt mededeling gedaan van alle aan het project gelieerde inkomsten, waaronder mede begrepen eventueel toegekende andere subsidies die op de gesubsidieerde activiteit of activiteiten betrekking hebben. 4. Bij de rekening en verantwoording, bedoeld in artikel 4:45, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maakt de subsidieontvanger een onderverdeling naar de onderscheiden subsidiabele kosten. 5. Het inhoudelijk verslag bevat ten minste: een beschrijving van de activiteiten die in het kader van het project zijn verricht; een evaluatie van de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de doelstellingen, omschreven in het projectplan dat onderdeel vormt van de beschikking tot subsidieverlening; de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan, en de wijze waarop de kennis en informatie, bedoeld in onderdeel c, openbaar is of zal worden gemaakt, ingeval is bepaald dat openbaarmaking plaatsvindt. 6. Gedeputeerde staten beslissen binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling. 7. Indien de aanvraag tot vaststelling tevens een verzoek om uitbetaling van de subsidie op basis van facturen en betaalbewijzen, gemaakte personeelskosten of geleverde inbreng in natura bevat, is artikel 1.24 van overeenkomstige toepassing. Artikel 1.28 wettelijke rente bij terugvordering. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente. De rente wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de in de terugvorderingsopdracht voor de begunstigde vastgestelde betalingstermijn, die niet meer dan 60 dagen mag bedragen, en de datum van de terugbetaling dan wel verrekening. Artikel 1.29 verlagingen 25 [Toelichting: Indien er sprake is van onregelmatigheden, moet de verleende of zelfs een reeds vastgestelde subsidie - op grond van EU-voorschriften - worden verlaagd. Onregelmatigheden zijn, kort gezegd, ‘een handeling of een nalaten, waardoor de begroting van de Gemeenschappen wordt of zou kunnen worden benadeeld'. Het is een koepelterm die feitelijk aanduidt dat er ‘iets' anders is gegaan dan is afgesproken. Dat ‘iets' kan van alles zijn, van een gebrekkige administratie tot investeringen waarvoor wel subsidie is verkregen, maar die helemaal niet gedaan blijken te zijn.] 1. Gedeputeerde staten verlagen de verleende of vastgestelde subsidie indien er onregelmatigheden zijn geconstateerd bij de uitvoering van controles als bedoeld in artikel 48 en 49 van de Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden. 2. Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht verstaan die bestaat uit een handeling of een nalaten van een subsidieontvanger waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave. Hoofdstuk 2 LEADER 2.1 Algemeen 26 [Toelichting: LEADER beoogt bij te dragen aan de plaatselijke ontwikkeling van plattelandsgebieden. De interactie tussen landbouw en samenleving wordt steeds belangrijker. Er ligt een opgave om samen te werken aan de sociaaleconomische ontwikkeling van het platteland en aan een duurzaam beheer van de ruimte. De agrarische sector zal zich in moeten zetten voor maatschappelijk draagvlak. De sector moet daarbij invulling geven aan haar "license to produce". Dat kan bijvoorbeeld door de relatie tussen het platteland en de stad en tussen de boer en de burger te verstevigen. LEADER kan hier een bijdrage aan leveren, want: 1 LEADER heeft een toegevoegde waarde bij projecten waarvoor draagvlak en samenwerking tussen private en publieke partijen een voorwaarde voor succes zijn; 2 LEADER projecten komen ten goede aan de economische ontwikkeling en werkgelegenheid op het platteland, innovaties op agrarische bedrijven, de leefomgeving van de agrarische sector, jonge boeren en hun gezinnen; 3 LEADER kan ondersteunen in ‘krimp' gebieden waar alle actoren de opgave hebben om samen te werken aan een sociaal en economisch vitaal platteland; 4 LEADER is een krachtige aanpak voor de opgaven voor integrale plattelandsontwikkeling waarbij verschillende belanghebbenden zijn betrokken en de landbouwsector een belangrijke speler is; 5 LEADER sluit goed aan bij de huidige tijdsgeest die vraagt om een actievere inzet van burgers en bedrijven. Lokale Aktie Groepen In Overijssel is een viertal Lokale Actie Groepen (LAG'
  12. s)door Gedeputeerde Staten ingesteld, te weten: - Zuidwest Twente - Salland - Noordoost Twente - Noord Overijssel Deze groepen zijn breed samengesteld uit vertegenwoordigers van de bevolking uit het betreffende LEADER gebied. Hun taak is tweeledig; zij geven vorm aan het bottom-up karakter van het LEADER programma door als aanjager en begeleider van LEADER-waardige projecten uit de regio te acteren en adviseren Gedeputeerde Staten omtrent de subsidiabiliteit van de ingediende projectaanvragen. Door de formele instelling op basis van artikel 82 Provinciewet hebben zij ook de status van adviesorgaan van Gedeputeerde Staten verkregen. De door de LAG's afgegeven adviezen gelden als een zwaarwegend advies aan Gedeputeerde Staten. Iedere LAG heeft zijn visie omtrent de aanpak van de opgaven in haar regio en besteding van de LEADER gelden neergelegd in de desbetreffende Lokale Ontwikkelings Strategie (LOS). Deze documenten gelden als leidraad voor het handelen van de LAG's. ] 2.1.1 algemeen 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: LAG: locale actiegroep als bedoeld in artikel 34 van Vo (EG) nr. 1303/2013; Lokale ontwikkelingsstrategie (LOS): een vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkelingsstrategie als bedoeld in artikel 33 van Vo (EG) nr. 1303/2013. 2. In een openstellingsbesluit inzake Leader kan door Gedeputeerde staten afgeweken worden van de algemene bepalingen als opgenomen in hoofdstuk 1 van deze verordening. 2.2 Regeling Lopende kosten en dynamisering LEADER 27 [Toelichting: Deze regeling is uitsluitend bedoeld voor Lokale Actiegroepen (LAG) die zijn ingesteld door Gedeputeerde Staten van Overijssel in het kader van de LEADER maatregel uit het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3). De regeling voorziet in een tegemoetkoming van de kosten voor het beheer van de uitvoering en de kosten voor promotie en voorlichting van de ontwikkelingsstrategie. De EU bijdrage en en de provinciale bijdrage vormen tezamen 75% van de steun. De overige 25% dienen door een gemeente cq waterschap te worden bijgedragen.] 2.2.1 subsidiabele activiteit Subsidie kan worden verstrekt voor: a. beheer van de uitvoering van de Lokale Ontwikkelings Strategie (LOS); b. promotie en voorlichting van de LOS. 2.2.2 aanvrager Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan een LAG. 2.2.3 subsidievereiste 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 van de Regeling POP3 subsidies wordt subsidie uitsluitend verstrekt indien de aanvraag past binnen een door Gedeputeerde staten goedgekeurde LOS. 2. Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 16 december 2015 tot en met 15 februari 2016. 2.2.4 subsidiabele kosten a. Voor subsidies als bedoeld in artikel 2.2.1 sub a zijn de volgende kosten subsidiabel: operationele kosten en personeelskosten; opleidingskosten; kosten voor public relations; in afwijking van het bepaalde in artikel 1.13 van de Regeling POP3 subsidies, kosten voor financiële diensten, waaronder begrepen kosten voor bankdiensten en financieringen; kosten voor monitoring en evaluatie. b. Voor subsidies als bedoeld in artikel 2.2.1 sub b zijn de volgende kosten subsidiabel: kosten voor het faciliteren van de uitwisseling tussen belanghebbenden; kosten voor het promoten van en verstrekken van informatie over de LOS kosten voor de ondersteuning van potentiële begunstigden bij de ontwikkeling van concrete projecten en het voorbereiden van aanvragen 2.2.5 hoogte subsidie De steun van deze regeling bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van 25% van de totale publieke uitgaven voor de Lokale Ontwikkelings Strategie. 2.2.6 Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.2.1 voor de tenderperiode genoemd in artikel 2.2.3 tweede lid vast op € 1.567.181. Het subsidieplafond wordt als volgt onderverdeeld: € 450.000 voor de LAG Zuidwest Twente; € 375.000 voor de LAG Salland; € 225.000 voor de LAG Noordoost Salland; € 517.181 voor de LAG Noord Overijssel. 2.3 Regeling uitvoering van LEADER projecten 28 [Toelichting: Met de ‘Regeling uitvoering van LEADER projecten' wordt fors ingezet op de plaatselijke ontwikkeling in het kader van LEADER (artikelen 32 tot en met 35 van Verordening (EU) Nr. 1303/2013 en artikelen 42 tot en met 44 van Verordening (EU) Nr. 1305/2013), Cofinanciering projecten Indien de provincie minder subsidie beschikbaar stelt dan het Europese ELFPO-budget, dient een private aanvrager bij de aanvraag bewijsstukken te overleggen dat ook de verplichte aanvullende nationale overheidsfinanciering, van bijvoorbeeld gemeente of waterschap, ten behoeve van het project beschikbaar is gesteld (zie artikel 1.4 van deze regeling). Subsidiabiliteit van kosten Het gaat hierbij om de volgende kostensoorten: (NB. Voor een toelichting op de kosten verwijzen wij u ook graag naar Hoofdstuk 1 en de toelichting op Hoofdstuk 1). Kosten van de aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden zijn subsidiabel tot maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten. Zie ook Hoofdstuk 1, artikel 1.10 van deze regeling. Bedrijfsmiddelen (o.a. machines, inventaris, computers, etc.) komen alleen voor subsidie in aanmerking als deze uitsluitend en blijvend worden gebruikt door de eindbegunstigde als onderdeel van de projectinvesteringen. Wanneer bedrijfsmiddelen langer dan de duur van het project kunnen worden gebruikt zijn de afschrijvingskosten van bedrijfsmiddelen voor de duur van het project subsidiabel. De aankoop of huurkoop van nieuwe machines en bedrijfsuitrusting, met inbegrip van hardware zijn subsidiabel tot ten hoogte de marktwaarde van het bedrijfsmiddel. Bijdragen in natura Zie hiervoor Hoofdstuk 1, artikel 1.11 van deze regeling. Personeelskosten Zie hiervoor Hoofdstuk 1, artikel 1.9 van deze regeling. Voorbereidingskosten Voorbereidingskosten komen slechts voor subsidie in aanmerking indien zij gemaakt zijn binnen één jaar voordat de aanvraag om subsidie is ingediend. Zie voor de definitie van voorbereidingskosten Hoofstuk 1, artikel 1.12 lid 3 van deze regeling. Reis en verblijfkosten Deze kosten zijn subsidiabel. Bij berekening van de kosten dient het normaal zakelijk gebruik als uitgangspunt te worden genomen. Reiskosten voor woon-werkverkeer zijn niet subsidiabel, daar zij vallen onder de opslag voor overhead (artikel 1.9 lid 1 van deze regeling). Kosten voor promotie en publiciteit Deze kosten zijn subsidiabel. Hieronder vallen ook de kosten voor een informatiebord of plaquette. Op de website www.europaloket.nl POP3 2014-2023 treft u hierover meer informatie aan, inclusief het format voor de plaquette. De kosten voor promotie en publiciteit dienen echter wel in redelijke verhouding te staan ten opzichte van het project. Hoogte subsidie De hoogte van de subsidie is samengesteld uit financiële bijdragen van meerdere overheden. De Europese Unie draagt 50% van de subsidie bij. Daarnaast neemt de provincie Overijssel 25% voor haar rekening. De overige 25% dient te worden bijgedragen door een derde overheid. Aan de subsidie-aanvrager de taak ervoor zorg te dragen dat de bijdrage van deze overheid is gegarandeerd. Dit blijkt uit een bijgevoegde een bijdrageverklaring of een subsidiebeschikking van de desbetreffende overheid bij de projectaanvraag. Schematisch ziet de financiering van een project van € 80.000,- bij een gehanteerd subsidiepercentage van 50% er als volgt uit: Subsidie 50%: Bijdrage Europa € 20.000,-; Bijdrage provincie € 10.000,-; Bijdrage derde overheid € 10.000,-; Eigen bijdrage 50% Bijdrage aanvrager € 40.000,-. Financiering op basis van tekort De mogelijkheid bestaat dat een aanvrager besluit slechts subsidie aan te vragen ter grootte van het financieringstekort van het project. ] A. Lokale Aktie Groep Zuidwest Twente Algemene toelichting De Lokale Ontwikkelingsstrategie (LOS) kunt u downloaden van de website www.europaloket.nl/pop3 onder het kopje documenten in rechterbalk of direct via de link www.overijssel.nl/publish/pages/141302/los_zuidwest_twente_2015-2020.pdf. Artikel 2.3.1 subsidiabele activiteiten 29 [Toelichting: Subsidie kan worden verstrekt aan een project of activiteit dat voldoet aan de uitgangspunten van de Lokale Ontwikkelings Strategie (LOS) Zuidwest Twente zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel in haar vergadering van 24 november 2015. Het project dient zich te richten op één of meer van de volgende thema's: 1. Het behouden en creëren van levendige gemeenschappen; 2. Het versterken van bedrijvigheid in het buitengebied; 3. De profilering van Zuidwest Twente als boeiende omgeving voor recreant en toerist; 4. Verstevigen van de relatie tussen landbouw, voedsel en stad. Subsidiabele activiteiten (artikel 2.3.1) Een uitgebreide beschrijving hiervan is te vinden in hoofdstuk 3, paragraaf 3.1, subparagraaf 3.1.1 vanaf pagina 20 van de LOS. ] Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van concrete acties die passen binnen de Lokale Ontwikkelingsstrategie (LOS) van LEADER Zuidwest Twente: a. Het behouden en creëren van levendige gemeenschappen; b. Het versterken van bedrijvigheid in het buitengebied; c. De profilering van Zuidwest Twente als boeiende omgeving voor recreant en toerist; d. Verstevigen van de relatie tussen landbouw, voedsel en stad. Artikel 2.3.2 aanvrager Subsidie kan worden aangevraagd door: a. publieke rechtspersonen; b. private rechtspersonen; c. ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid, met name eenmanszaken, vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en maatschappen. d. samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen Artikel 2.3.3 subsidiabele kosten Onverminderd artikel 1.12 zijn de volgende kosten ter voorbereiding of uitvoering van projecten die passen binnen de LOS subsidiabel: a. de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende zaken; b. de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; c. de kosten van architecten en ingenieurs; d. de kosten van externe adviseurs; e. de kosten van haalbaarheidsstudies; f. de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; g. de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken; h. bijdragen in natura; i. niet verrekenbare BTW; j. personeelskosten; k. voorbereidingskosten; l. reis en verblijfkosten; m. de kosten voor promotie en publiciteit. n. materiaalkosten Artikel 2.3.4 criteria 30 [Toelichting: Om voor subsidie in aanmerking te komen zal per project minimaal sprake moeten zijn van een subsidie van € 30.000,- en de maximaal € 100.000,-. De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten, bestaande uit EU-subsidie (25%), provinciale subsidie (12,5%) en een subsidie van gemeente of waterschap (12,5%). Van de aanvrager wordt verwacht dat 50% van de totale subsidiabele kosten door de aanvrager zelf wordt geïnvesteerd. Zie hiervoor tevens ‘hoogte subsidie' bij de algemeen inleiding bij paragraaf 2.3. Criteria en hoogte subsidie (artikel 2.3.4 en 2.3.5) Om voor subsidie in aanmerking te komen zal per project minimaal sprake moeten zijn van een subsidie van € 30.000,- en maximaal € 100.000,-. De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten, waarvan 50% EU-subsidie, 25% provinciale subsidie en 25% subsidie van gemeente of waterschap. Van de aanvrager wordt verwacht dat 50% van de totale subsidiabele kosten door de aanvrager zelf wordt geïnvesteerd. ] 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen dient op moment van de subsidieverlening de subsidie per project minimaal € 30.000,- te bedragen. 2. Indien de totale subsidiabele projectkosten het bedrag van € 200.000,- overstijgen bedraagt de maximale subsidie € 100.000,-. Artikel 2.3.5 hoogte subsidie 31 [Toelichting: Om voor subsidie in aanmerking te komen zal per project minimaal sprake moeten zijn van een subsidie van € 30.000,- en de maximaal € 100.000,-. De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten, bestaande uit EU-subsidie (25%), provinciale subsidie (12,5%) en een subsidie van gemeente of waterschap (12,5%). Van de aanvrager wordt verwacht dat 50% van de totale subsidiabele kosten door de aanvrager zelf wordt geïnvesteerd. Zie hiervoor tevens ‘hoogte subsidie' bij de algemeen inleiding bij paragraaf 2.3. Criteria en hoogte subsidie (artikel 2.3.4 en 2.3.5) Om voor subsidie in aanmerking te komen zal per project minimaal sprake moeten zijn van een subsidie van € 30.000,- en maximaal € 100.000,-. De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten, waarvan 50% EU-subsidie, 25% provinciale subsidie en 25% subsidie van gemeente of waterschap. Van de aanvrager wordt verwacht dat 50% van de totale subsidiabele kosten door de aanvrager zelf wordt geïnvesteerd. ] 1. De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten. 2. Indien de aanvrager in het financieringsplan een subsidiebedrag aanvraagt dat lager is dan het bedrag dat verkregen wordt door de subsidiabel kosten te vermenigvuldigen met het onder lid 1 genoemde percentage van de totale subsidiabele kosten, wordt dit gezien als het aangevraagde en maximaal te verlenen subsidiebedrag. Artikel 2.3.6 weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd: a. Indien voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt, behalve wanneer het de benodigde nationale cofinanciering betreft; b. Indien het project niet past binnen een door Gedeputeerde staten goedgekeurde LOS. Artikel 2.3.7 bevoorschotting Aanvragers dienen in aanvulling op artikel 1.23 derde lid bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen. Artikel 2.3.8 selectiecriteria 32 [Toelichting: Met behulp van de selectiecriteria zoals opgenomen in de Lokale Ontwikkelings Strategie onder Bijlage 4 wordt beoordeeld in hoeverre het project tegemoet komt aan de doelstellingen van het LEADER programma. Deze beoordeling vindt plaats met behulp van de volgende selectiecriteria: 1. De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS. Een project kan bijdragen aan één of meerdere doelen. Het gaat hierbij om kwaliteit van de mate van bijdrage, niet om de kwantiteit (aantal doelen waaraan wordt bijgedragen). Deze doelen zijn: a. Het behouden en creëren van levendige gemeenschappen; - Is er een aantoonbaar draagvlak voor een nieuwe of te behouden voorziening onder de inwoners; - Wordt de voorziening in stand gehouden door de inwoners na realisatie; - Wordt er ingespeeld op de jeugd; - Wordt er met de voorziening rekening gehouden met zorgaspecten in het LEADER-gebied. b. Het versterken van bedrijvigheid in het buitengebied; - Draagt het bij aan de verbetering van het vestigingsklimaat in het buitengebied; - Worden er in het project diverse kwaliteiten dan wel sectoren van het LEADER-gebied verbonden; - Draagt het project bij aan (duurzame) werkgelegenheid in brede zin; c. De profilering van Zuidwest Twente als boeiende omgeving voor recreant en toerist; - Draagt het project bij aan behoud en/of groei van werkgelegenheid; - Worden lokale (toeristisch/recreatieve) ondernemingen zichtbaar door het project; - Draagt het project bij aan de toeristische beleving van Zuidwest Twente. d. Verstevigen van de relatie tussen landbouw, voedsel en stad - Draagt het project bij aan bewustwording van (streek)voedsel (al dan niet in de stad); - Draagt het project bij aan vermarkting van de landbouw om meer lokaal voedsel af te nemen. 2. De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER (bottom-up, integraal, innovatief, samenwerkend, gebiedsgericht); - Hoe bottom-up is het project; is het draagvlak duidelijk aangetoond; - In hoeverre is het project integraal van opzet, bestrijkt het meerdere (sub)doelen?; - is het project vernieuwend/innovatief voor het gebied; - Is er sprake van samenwerking in het gebied en/of wordt er een netwerk opgebouwd; - Maakt het project gebruik van of is het gericht op gebiedsspecifieke kwaliteiten, uitdagingen, streekidentiteit; - Is het project overdraagbaar. Het betreft inhoudelijke overdraagbaarheid, van kennis en ervaring. 3. De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt; a. De organisatiebeschrijving - Is er een projectleider?; - Is er een projectteam?; - Worden de verantwoordelijkheden beschreven in het projectplan?; - Hoe wordt de realisatie van de projectdoelen geborgd? - Wordt het project maatschappelijk verantwoord uitgevoerd? b. De expertise van de initiatiefnemer c. Het realisme van het tijdpad d. Het zicht op continuiteit e. Een sluitende en transparante begroting - Is er sprake van een deugdelijke transparante begroting die aan regels van de subsidieverordening voldoet; f. Het dekkingsplan - Is er een sluitend dekkingsplan, inclusief onderbouwing/toezegging cofinanciering? g. Het communicatieplan 4. De mate van efficiency en doelmatigheid van het project. a. Is de balans goed tussen de investeringen, tijdsinzet en te verwachten resultaten: b. De meerwaarde die het project krijgt door gebruikmaking van de LEADER-subsidie c. Is er zicht op continuiteit van het project na realisatie. Selectiecriteria (artikel 2.3.8) Met behulp van de selectiecriteria zoals opgenomen in de LOS onder Bijlage 4 wordt beoordeeld in hoeverre het project tegemoet komt aan de doelstellingen van het LEADER programma. Een uitgebreide beschrijving en de wijze van toepassing van deze selectiecriteria staan in Bijlage 4 van de LOS vanaf pagina 80. In afwijking van artikel 1.15 hanteren Gedeputeerde Staten, op basis van het advies van de LAG, voor de rangschikking van de aanvragen als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria: 1. De mate waarin het project bijdraagt aan één of meerdere doelen van de LOS, hetgeen blijkt uit de omschrijving van de bijdrage aan: Het behouden en creëren van levendige gemeenschappen; Het versterken van bedrijvigheid in het buitengebied; Profilering van een boeiende omgeving voor recreant en toerist; Verstevigen van de relatie tussen landbouw, voedsel en stad. 2. De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER, hetgeen blijkt uit de bottom-up aanpak; de integraliteit; innovativiteit; samenwerking; gebiedsgerichtheid; overdraagbaarheid. 3. De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt, hetgeen blijkt uit: de organisatiebeschrijving; de expertise van de initiatiefnemer; het realisme van het tijdpad; het zicht op continuïteit; een sluitende en transparante begroting; het dekkingsplan; het communicatieplan. 4. De mate van efficiency en doelmatigheid van het project hetgeen blijkt uit de balans tussen investeringen en de verwachte opbrengst in brede zin; de meerwaarde die het project krijgt door gebruikmaking van de LEADER-subsidie; het zicht op de continuïteit na realisatie van het project. Artikel 2.3.9 puntenmethodiek Ter advisering aan Gedeputeerde Staten worden de projecten door de LAG beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 2.3.8, waarbij per criterium het volgend aantal punten wordt toegekend. a. Het maximale aantal toe te kennen punten voor het criterium uit: artikel 2.3.8 lid 1 bedraagt 12 punten; artikel 2.3.8 lid 2 bedraagt 12 punten; artikel 2.3.8 lid 3 bedraagt 9 punten; artikel 2.3.8 lid 4 bedraagt 9 punten. b. Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit: artikel 2.3.8 lid 1 bedraagt 8 punten; artikel 2.3.8 lid 2 bedraagt 8 punten; artikel 2.3.8 lid 3 bedraagt 6 punten; artikel 2.3.8 lid 4 bedraagt 6 punten. c. Projecten dienen minimaal 28 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen. B. Lokale Aktie Groep Salland Algemene toelichting De LOS kunt u downloaden van de website www.europaloket.nl/pop3 onder het kopje documenten in rechterbalk of direct via de link www.overijssel.nl/publish/pages/141302/los_salland.pdf. Artikel 2.3.10 subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van concrete acties die passen binnen de Lokale Ontwikkelingsstrategie (LOS) Leader De Kracht van Salland: a. het stimuleren van (sociale) innovaties en de toepassing ervan (People); b. het stimuleren van de duurzame ontwikkeling van Salland (Planet); c. het versterken van de economie van Salland (Profit). Artikel 2.3.11 aanvrager Subsidie kan worden aangevraagd door: a. publieke rechtspersonen; b. private rechtspersonen; c. ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid, met name eenmanszaken, vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en maatschappen. d. samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen. Artikel 2.3.12 subsidiabele kosten 33 [Toelichting: In dit artikel staan de kostensoorten vermeld, die voor een Leaderbijdrage in aanmerking komen. ] Onverminderd artikel 1.12 zijn de volgende kosten ter voorbereiding of uitvoering van projecten die passen binnen de LOS subsidiabel: a. de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende zaken; b. de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; c. de kosten van architecten en ingenieurs; d. de kosten van externe adviseurs; e. de kosten van haalbaarheidsstudies; f. de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; g. de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken; h. bijdragen in natura; i. niet verrekenbare BTW; j. personeelskosten; k. voorbereidingskosten; l. reis en verblijfkosten; m. de kosten voor promotie en publiciteit. n. materiaalkosten Artikel 2.3.13 criteria 34 [Toelichting: Om voor subsidie in aanmerking te komen moet er sprake zijn van een bepaalde omvang van het project. Het project moet financieel minimaal dermate groot zijn dat een subsidiebijdrage van € 30.000,- wordt toegekend en maximaal zo groot dat € 100.000,- kan worden toegekend. Bij een gehanteerd subsidiepercentage van 50% betekent dit dat de minimale omvang van een project € 60.000,- moet bedragen. De subsidie bestaat uit: EU-subsidie (25%), provinciale subsidie (12,5%) en een subsidie van gemeente of waterschap (12,5%). Zie hiervoor tevens ‘hoogte subsidie' bij de algemeen inleiding bij paragraaf 2.3. Criteria en hoogte subsidie (artikel 2.3.13 en 2.3.14) Om voor subsidie in aanmerking te komen zal per project minimaal sprake moeten zijn van een subsidie van € 30.000,- en maximaal € 100.000,-. De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten (waarvan 50% EU-subsidie, 25% provinciale subsidie en 25% subsidie van gemeente of waterschap). Van de aanvrager wordt verwacht dat 50% van de totale subsidiabele kosten door de aanvrager zelf wordt geïnvesteerd. ] 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen dient op moment van de subsidieverlening de subsidie per project minimaal € 30.000,- te bedragen. 2. Indien de totale subsidiabele projectkosten het bedrag van € 200.000,- overstijgen bedraagt de maximale subsidie € 100.000,-. Artikel 2.3.14 hoogte subsidie 1. De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten. 2. Indien de aanvrager in het financieringsplan een subsidiebedrag aanvraagt dat lager is dan het bedrag dat verkregen wordt door de subsidiabel kosten te vermenigvuldigen met het onder lid 1 genoemde percentage van de totale subsidiabele kosten, wordt dit gezien als het aangevraagde en maximaal te verlenen subsidiebedrag. Artikel 2.3.15 weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd: 1. indien voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt, behalve wanneer het de benodigde nationale cofinanciering betreft; 2. indien het project niet past binnen de door Gedeputeerde staten goedgekeurde LOS. Artikel 2.3.16 bevoorschotting Aanvragers dienen in aanvulling op artikel 1.23 derde lid bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen. Artikel 2.3.17 selectiecriteria 35 [Toelichting: De Lokale Aktie Groep heeft in de LOS onder Par 7.2 de criteria opgenomen aan de hand waarvan de projecten zullen worden beoordeeld. De LAG toetst 1. In welke mate de projecten bijdragen aan de doelen van de LOS. Hierbij worden de volgende doelen onderscheiden: - People; de stimulering van sociale innovaties en de toepassing ervan door middel van: o Moderne en creatieve initiatieven die bijdragen aan sociale inclusie en slimme oplossingen om het voorzieningenniveau op peil te houden ("Meedoen") o Initiatieven die bijdragen aan een gezond leven en een fijne leefomgeving ("Gezond leven") - Planet; de stimulering van de duurzame ontwikkeling van Salland door middel van: o Bewustwording en educatie op gebied van water, landschap, biodiversiteit, energie, grondstoffen, voedsel en gezond leven. ("Landschap, water en landbouw" en "Circulaire economie") o Experimentele projecten met kennisoverdracht ("Landschap, water en landbouw" en "Circulaire economie") - Profit; de versterking van de economie van Salland door middel van: o Gezamenlijke initiatieven van ondernemers, WEconomy, maatschappelijk ondernemen ("plattelandsWEconomy") o Experimentele projecten met kennisoverdracht tussen ondernemers en onderwijs ("kennisdelen onderwijs-bedrijfsleven") 2. In welke mate de projecten voldoen aan de Leadercriteria. Deze criteria zijn: - Bottom up, draagvlak; - Innovatief; - Gebiedsgericht, meerwaarde voor Salland; - Samenwerking; - Overdracht van kennis en ervaring. 3. In welke mate de projecten financieel en organisatorisch haalbaar zijn. Hierbij spelen de volgende overwegingen een rol: a. Financieel (a, b,
  13. c)- Is de begroting realistisch? - Is er een logisch verband tussen de beoogde doelen, de geplande activiteiten en de begrote kosten? - Is de financiering toegezegd? Zijn de toezeggingen van cofinanciering bijgesloten? - Is de exploitatiebegroting voor de komende 3 jaren dekkend en realistisch? - Is het project op langere termijn levensvatbaar? - In welke mate de projecten efficiënt zijn (value for money). b. Organisatorisch (d en
  14. e)- Is het project logisch en solide georganiseerd? - Hebben de organisatoren de capaciteit om het project te realiseren en in stand te houden? - Is er openbare kennis over de betrouwbaarheid en/of kwaliteit van de organisatoren? - Is er (schijn van) belangenverstrengeling? - Wie zijn er betrokken? Wie mis je? - Is het tijdpad realistisch? - Zijn benodigde vergunningen aangevraagd/verleend? 4. In welke mate de projecten efficiënt en doelmatig zijn. Hierbij spelen de volgende overwegingen een rol: - Value for money: - Kleinschaligheid: - Efficiëntie: o Hoe ligt de balans tussen de begrote kosten en de verwachtte opbrengst van het project? Is de begroting realistisch of is het ‘opgeklopt'? o Is dit project de gevraagde Leaderbijdrage waard? - Is een Leaderbijdrage nodig: - Is de Leaderbijdrage echt nodig? - Zonder de Leaderbijdrage k

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.