← Nederland

Beleidsnota Bodem 2012 “De Gelderse wegwijzer door bodemland; uitvoering en toetsing. (Arnhem)

In het kort

Deze beleidsnota van de gemeente Arnhem is een praktische handleiding en toetsingskader voor de uitvoering van bodemtaken, onderzoek, sanering en nazorg binnen Gelderland. Het doel is om het gezamenlijke bodemsaneringsbeleid van de provincie Gelderland en de gemeenten Arnhem en Nijmegen af te stemmen en de voortgang van bodemsaneringen te stimuleren.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Beleidsnota Bodem 2012 “De Gelderse wegwijzer door bodemland; uitvoering en toetsing.Besluit van 23 oktober 2012 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem tot vaststelling van Beleidsnota Bodem 2012. College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem Besluiten: Vaststellen concept-Beleidsnota Bodem 2012 “De Gelderse wegwijzer door bodemland; uitvoering en toetsing. LEESWIJZER Voor u ligt de Beleidsnota Bodem 2012: “de Gelderse Wegwijzer door Bodemland: Uitvoering en Toetsing”. De nota is een praktische handleiding voor de uitvoering van bodemtaken en toetsings¬kader voor de uitvoering van onderzoek, sanering en nazorg binnen Gelderland. Het is een belangrijk naslagwerk voor de praktijk. Deze nota is een voortzetting van het in 2003 ingezette en in 2008 geactualiseerde beleid. De nota bevat tevens een aantal beleidsregels in het kader van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikel 4:81. Algemeen In 2003 hebben de provincie Gelderland en de gemeenten Arnhem en Nijmegen, als bevoegd gezag Wet bodembescherming, hun gezamenlijke koers uitgezet in de nota “Wegwijzer in Bodemland”. Het doel van deze nota was om het gezamenlijke bodemsaneringsbeleid van de provincie Gelderland en de gemeenten Arnhem en Nijmegen op elkaar af te stemmen en daarmee te voorkomen dat er onduidelijkheden op het gebied van bodemsanering zouden ontstaan. Concreet was dit uitgewerkt in voorstellen om de voortgang van de bodemsaneringsoperatie te stimuleren (deel 1) en door een praktisch kader te geven voor het toetsen van onderzoeken, saneringsplannen en saneringen (deel 2). Bij de opzet van deel 2 is eerst een korte beschrijving gegeven van het rijksbeleid gevolgd door een geïntegreerde beschrijving (cursief) van de Gelderse beleidsregels met de toelichting daarop. In een aantal paragrafen is ter toelichting het provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht (o.a. archeologie, Wro) . Evaluatie In 2011 is de Beleidsnota Bodem 2008 “de Gelderse wegwijzer door Bodemland” conform de beleidsvoornemens geëvalueerd door een ambtelijke werkgroep. Gebleken is dat wij nog steeds op de goede weg zijn met de uitvoering van het bodembeleid in Gelderland. Alle beleidsacties gericht op het wegnemen van belemmeringen van de voortgang van de bodemsaneringsoperatie zijn uitgevoerd en afgerond (zie bijlage 9). De voortgang van onderzoek en aanpak van verontreinigingen verloopt daardoor voorspoedig. Nieuwe beleidsacties zijn op dit moment regionaal niet noodzakelijk, maar vinden op dit moment landelijk plaats (zie hieronder bij Convenant). Deel 2 van de nota, “Uitvoering en toetsing” voorziet nog steeds in een duidelijke behoefte voor de doelgroep. Wel is het zo dat deel 2 op punten geactua¬liseerd moet worden, op basis van landelijke ontwikkelingen en regionale ervaringen, om vertragingen in de uitvoering te voorkomen. Nieuwe ontwikkelingen Convenant Op 10 juli 2009 is het “Convenant Bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties” ondertekend. Het bodembeleid verandert hiermee ingrijpend en de verantwoordelijkheden van het Rijk verschuiven naar de provincies en de gemeenten. Het convenant richt zich enerzijds op de transitie van het bodembeleid en verbreding van dit beleid naar ondergrond en het benutten van de kansen van de ondergrond (voor bijvoorbeeld ondergronds bouwen, bodemenergie en ondergrondse opslag) en het verschaffen van instrumenten hiervoor. Anderzijds richt het convenant zich op de afronding van de spoedlocaties. Een belangrijke afspraak is dat de bevoegde overheden de locaties waar gevaar voor de volksgezondheid kan optreden, de zogenaamde humane risicolocaties, in 2015 hebben gesaneerd of ten minste de risico's hebben beheerst. Voor de overige risicolocaties waar sprake is van ecolo¬gische- en/of verspreidingsrisico’s wordt ernaar gestreefd deze risico’s eind 2015 beheerst te hebben. Dit betekent niet dat na 2015 alle bodemsaneringen al afgerond zijn en dat er daarom na 2015 nog inzet nodig is voor de aanpak van bodemverontreinigingen. Denk hierbij aan afronding van lopende saneringen van de spoedlocaties, aan saneringen op locaties ten gevolge van functiewijziging en aan nazorg. In het convenant is ook een traject voor de aanpassing van wet- en regelgeving opgenomen. Wijzigingen wet bodembescherming en landelijke Circulaire bodemsanering Bij het opstellen van deze Beleidsnota is rekening gehouden met de volgende landelijke ontwikkelingen: - Geactualiseerde Circulaire bodemsanering 2009. Deze is gepubliceerd in de Staatscourant op 3 april 2012 (nr 6563); - Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet bodembescherming (Gebiedsgerichte aanpak van de verontreiniging van het diepere grondwater) (kamerstuk 32 712) vastgesteld op 26 april 2012 en in werking getreden op 1 juli 2012 (volgens besluit van 27 juni 2012, Staatsblad nr 296); - Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet bodembescherming met het oog op terugbrengen van de administratieve en bestuurlijke lasten en enkele verbeteringen van de uitvoering (kamerstuk 33 150). (Verwachte vaststelling is 2012 of begin 2013. Zie ook hoofdstuk 8) Omgevingswet Het omgevingsrecht gaat fundamenteel op de schop. Het is nu verspreid over meer dan 60 wetten (waaronder ook de Wet bodembescherming), 100 AMvB’s (waaronder Besluit bodemkwaliteit) en honderden ministeriële regelingen. Met ingang van 2011 is men druk doende het omgevingsrecht te vereenvoudigen, moderniseren en versoberen met als doel deze uiteindelijk te bundelen in één nieuwe Omgevingswet. De transitie uit het convenant wordt uitgewerkt en opgenomen in deze Omgevingswet. Actualisatie 2012 Deel 1 Op basis van de evaluatie en de nieuwe ontwikkelingen is besloten deel 1 niet te actualiseren. Nieuwe beleidsacties zijn op dit moment niet nodig. De landelijke Transitie van het bodembeleid en Omge¬vings¬wet zijn nog dusdanig in ontwikkeling dat hier op dit moment nog geen regionaal beleid voor ontwikkeld hoeft te worden. De in deel 1 opgenomen beleidsuitgangspunten blijven onverkort van toepassing. Deze zijn, inclusief de stand van zaken per 1 januari 2012, in tabelvorm als bijlage 9 in deze nieuwe Beleidsnota opgenomen. Het verloop van de spoedoperatie en bijbehorende beleidsontwikkelingen (onder andere gebieds¬gericht grondwaterbeheer) geven aanleiding tot actualisatie van het toetsingskader voor de uitvoering (Beleidsnota Bodem 2008, deel 2 Uitvoering en toetsing). Dit heeft geleid tot deze nieuwe “Beleids¬nota Bodem 2012, Uitvoering en toetsing”. Belangrijkste wijzigingen De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de Beleidsnota Bodem 2008, deel 2, hebben betrekking op de volgende punten: - de opzet van een nader onderzoek vindt plaats volgens NTA 5755 (Daarbij is het gebruik van een conceptueel model verplicht); - bepaling van onaanvaardbare humane risico’s, ecologische risico’s en verspreidingsrisico’s; - criteria sanering van de bovengrond (gebruiksvorm en leeflaagdiktes); - sanering ondergrond tot stabiele eindsituatie en benodigde monitoring om deze vast te stellen; - gebiedsgericht grondwaterbeheer afgestemd op de gewijzigde Wet bodembescherming; - gebruiksbeperkingen in evaluatieverslag in plaats van in nazorgplan; - zorg na saneren (minder actieve nazorg). Door wijziging van andere beleidskaders en regelingen is ook hoofdstuk 6 over de afstemming met andere beleidsterreinen behoorlijk herzien. Beleidsregels De nota bevat beleidsregels in het kader van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikel 4:81. Deze beleidsregels gelden als toetsingskader voor het afgeven van besluiten op grond van de Wet bodem¬bescherming. De beleidsregels hebben betrekking op de bevoegdheden die voortvloeien uit de artikelen 27, 28, 29, 30, 37, 38, 39, 39c, 39d, 39f, 40 en 42 en de doorwerking daarvan in de overige artikelen van de Wet bodembescherming. In bijlage 10 is een overzicht gegeven van de beleidsregels die in de hoofdtekst nader zijn ingevuld. Door de beleidsregels specifiek op te nemen in deze nota is de motiveringsplicht bij het nemen van besluiten vereenvoudigd en transparanter. Motivering kan door verwijzing naar de nota. Dit is tijdsbesparend voor zowel saneerder als bevoegd gezag. Status, Looptijd en Evaluatie Status Deze nota treedt in werking op 1 december 2012. Met de inwerkingtreding van deze nota wordt de Beleidsnota Bodem 2008, deel 2 Uitvoering en toetsing ingetrokken, met inachtneming van het volgende: - Voor rapporten die zijn opgesteld met inachtneming van de beleidsregels van de Beleidsnota bodem 2008 en die niet in strijd zijn met de op 1 december geldende landelijke regelgeving, geldt een overgangstermijn van vier maanden. Dit betekent dat de beleidsregels uit deze nota niet van toepassing zijn op meldingen gebaseerd op de Beleidsnota bodem 2008 die voor 1 april 2013 zijn gedaan. Daarna zijn de beleidsregels uit de nota van 2008 volledig ingetrokken en vervangen door de beleidsregels van 2012. Daarbij geldt een kanttekening ten aanzien het in werking treden van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet bodembescherming met het oog op terugbrengen van de administratieve en bestuurlijke lasten en enkele verbeteringen van de uitvoering. Hiervoor is in hoofdstuk 8 overgangsbeleid geformuleerd. - Het bevelsbeleid is in 2008 vastgesteld en niet veranderd. Dit is opgenomen in bijlage 7 en de toelichting is uitgewerkt in hoofdstuk 7. In de toelichting is wel geanticipeerd op de wijziging Wet bodembescherming met het oog op terugbrengen van de administratieve en bestuurlijke lasten en enkele verbeteringen van de uitvoering voor wat betreft de wettelijke onderzoeksplicht voor bedrijven. Looptijd De Wet bodembescherming wordt binnen enkele jaren opgenomen in de nieuwe Omgevingswet. De nota blijft in ieder geval in werking tot opname van de Wet bodembescherming in de nieuwe Omgevingswet is gerealiseerd. Mogelijk dat dan ook wijzigingen optreden over de toekenning van bevoegd gezag (decentralisatie). Naar verwachting behoudt deze nota ook dan haar waarde voor de uitvoering en toetsing. Het is aan het (nieuwe) bevoegd gezag om deze nota op dat moment in te trekken of te vervangen door nieuw beleid. Evaluatie Gezien de onduidelijkheden van termijnen en bevoegdheden rondom de Wet bodembescherming en de Omgevingswet is er geen officieel evaluatiemoment opgenomen in deze nota. Ambtelijk worden de ontwikkelingen en wetswijzigingen echter goed gevolgd en besproken in het gezamenlijk overleg tussen de drie overheden betreffende bevoegd gezag Wet bodembescherming (provincie Gelderland en de gemeenten Arnhem en Nijmegen). Indien nodig zal op basis van dit overleg besloten worden deze nota te evalueren en te actualiseren. Gezien de ontwikkelingen is de verwachting dat evaluatie en actualisatie niet nodig zijn voor 2015. Inspraak De ontwerpnota is ter inzage gelegd. Zienswijzen en reacties zijn verwerkt in de definitieve nota en de beantwoording op de schriftelijke zienswijzen is opgenomen in bijlage 11. Publicatie 2022 Gezien de wettelijke verplichting in het kader van de ‘Wet Elektronische Publicaties (WEP)’ moet ook dit beleid, dat voor 1 juli 2021 is vastgesteld, gepubliceerd worden. Ten behoeve van deze verplichting is de PdF-versie uit 2012 omgezet naar een PdF-versie, die voldoet aan de publicatie-eisen. Inhoudelijk is de tekst niet aangepast. Wel kunnen er verschillen zijn in de lay-out. In de voettekst is opgenomen dat dit de versie uit 2022 is ten behoeve van de WEP. 1VOORONDERZOEK EN VERKENNEND BODEMONDERZOEK 1.1Aanleiding en doel Een onderzoek naar bodemverontreiniging begint met een vooronderzoek (inclusief historisch onderzoek) gevolgd door een verkennend bodemonderzoek. Zo'n onderzoek wordt bijvoorbeeld gedaan bij: voorafgaand aan vergunningverlening Wet algemene bepalin¬gen omgevingsrecht (nulsituatieonderzoek) of in het kader van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het activiteitenbesluit) of onderzoek in het kader van Verbond (Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen); de aanleg of verwijdering van ondergrondse tanks (het activiteitenbesluit); de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het aspect bouw (Wet algemene bepalin¬gen omgevingsrecht); het opstellen of wijzigen van een bestemmingsplan (Wet ruimtelijke ordening); de aan- en verkoop van grond (privaatrecht); het in beeld brengen van de werkvoorraad (convenant bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties). Hoewel de aanleiding varieert, is het doel altijd hetzelfde: aantonen of er al dan niet sprake is van een bodemverontreiniging op een locatie. In dit hoofdstuk beschrijven we waaraan een verkennend onderzoek voor de landbodem moet voldoen en hoe het bevoegd gezag Wet bodem¬bescherming daarmee omgaat. 1.2Opzet onderzoek Landelijk beleid Normbladen Verkennend onderzoek wordt altijd voorafgegaan door een vooronderzoek. Voor het uitvoeren van de onderzoeken zijn landelijk diverse NEN-normen ontwikkeld: NEN 5725 (“Bodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek”); NEN 5740 (“Bodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”); NEN 5720 (“Bodem – Waterbodem-onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek”); NEN 5707 voor asbest (“Bodem – Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in de bodem”); NEN ADV 223 (“Bodem – Leeswijzer voor het gebruik van asbestbodemnormen”) Bepalen onderzoeksstrategie De onderzoeksstrategie voor verkennend onderzoek is vooral gericht op het toetsen van de hypothese(

  1. s)uit het vooronderzoek. Het is daarom belangrijk om een goed historisch onderzoek uit te voeren om de juiste hypothese te stellen en de juiste onderzoeksstrategie te kunnen bepalen. Zowel het vooronderzoek als de onderzoeks¬strategie wordt per deellocatie opgesteld. De onderzoeksstrategie bepaalt het aantal te nemen monsters, de plaatsen waar deze worden genomen en de stoffen waarvan de concentratie in de monsters moet worden bepaald. Het verkennend onderzoek wordt afgesloten met een rappor¬tage van de conclusies en mogelijke aanbevelingen voor het vervolgonderzoek. In de NEN ADV 223 is aangegeven dat afstemming van protocollen voor verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek gewenst is. In de NEN 5707 is aangegeven dat informatie moet worden verzameld over de eventuele aanwezigheid van asbest op een locatie of in een gebied. In deze NEN is een aantal activiteiten of gebeurtenissen aangegeven die moeten worden beschouwd als asbestverdacht. Kwaliteitsborging onderzoek Kwaliteitsborging in het bodembeheer (Kwalibo) heeft tot doel de kwaliteit van de uitvoering van werkzaamheden in de bodemsector te verhogen en integriteit van de uitvoerders te verbeteren. Het komt voort uit hoofdstuk 2 van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit Werkzaamheden zoals bodemonderzoek, bodem¬sane¬ring en laboratoriumanalyses moeten voldoen aan kwaliteitseisen. Bodemintermediairs mogen bepaalde werkzaamheden alleen uitvoeren als het Ministerie van I&M hen daarvoor heeft erkend. Dit geldt inmiddels voor veldwerk, analyse voor milieuhygiënisch bodemonderzoek, milieukundige begeleiding en evaluatie van bodemsaneringen, uitvoering van bodemsaneringen en bewerking van verontreinigde grond of baggerspecie. Het bevoegd gezag mag alleen aanvragen voor een beschikking of een melding in behandeling nemen wanneer de bodemgegevens afkomstig zijn van erkende bedrijven. Voor een aantal werkzaamheden, geldt daarbij ook de verplichting tot persoonsregistratie en/of functiescheiding. De laatste informatie , inclusief een actueel overzicht van de erkenningen, vindt u op: www.agentschap.nl onder Bodem. Normdocumenten (zoals BeoordelingsRichtLijnen BRL’
  2. s)zijn te downloaden op de website van het SIKB (www.sikb.nl). Gelders beleid en toelichting In Gelderland wordt aangesloten bij het landelijk beleid. 1.3Bodem, grond, verharding Landelijk beleid In het onderzoek naar bodemverontreiniging is het van belang te weten wat wordt verstaan onder de begrippen bodem, grond en verharding. De Wet bodembescherming (Wbb) verstaat onder bodem het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen. Als de bodem voor meer dan 50 gewichtsprocent uit bodemvreemd materiaal bestaat, bijvoorbeeld bij een stortlichaam of puinlaag, dan wordt deze volgens jurisprudentie niet als bodem in de zin van de Wbb beschouwd. Als bodemvreemd materiaal zich aan het maaiveld bevindt en daarbij de functie van verharding heeft dan wordt deze ook niet tot de bodem gerekend. Het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit gaan over het toepassen van grond of bouwstoffen. Grond in de zin van het besluit en de regeling mag maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal bevatten. Gelders beleid en toelichting In Gelderland wordt aangesloten bij het landelijk beleid. Daarbij wordt iets als bodem beschouwd als er minder dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal in voorkomt. Het bodemvreemd materiaal (puin, sintels) wat in de bodem aanwezig is en ruimtelijke, technische en organisatorische samenhang heeft met de (omliggende) bodemverontreiniging maakt ongeacht het gewichtspercentage wel deel uit van dat geval van bodemverontreiniging. Verhardingen die op de bodem zijn aangebracht maken geen deel uit van de bodem en vallen dus niet onder de Wet bodembescherming. De verharding moet als zodanig herkenbaar zijn en te scheiden van de bodem. De verharding moet bestaan uit meer dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal. Als door bodemvreemd materiaal de omliggende of onderliggende bodem verontreinigd is geraakt, kan er toch sprake zijn van een geval van bodemverontreiniging in de zin van de Wbb. Voormalige stortplaatsen worden in Gelderland altijd als een potentieel geval van ernstige bodemverontreiniging beschouwd (zie paragraaf 2.7). 1.4Beoordeling en vervolgaanpak Landelijk beleid Toetsing bodemverontreiniging De gehalten die zijn gemeten in de grond- en grondwatermonsters worden getoetst aan de landelijke waarden voor grond en grondwater genoemd in de Circulaire bodemsanering (de Achtergrondwaarden 2000 (grond), de streefwaarden (grondwater) en de interventie¬waarden) en eventuele waarden vanuit het Besluit en Regeling bodemkwaliteit. Vervolgaanpak Als de analysesresultaten van alle monsters onder de landelijke Achtergrondwaarden 2000 (grond) en streefwaarden (grondwater) liggen, is er geen verontreiniging op de locatie aanwezig en is geen verder bodem¬onderzoek nodig. Als in één of meer monsters de gehalten de landelijke Achtergrondwaarden 2000 over-schrijden, maar onder de tussenwaarden blijven, is sprake van een lichte bodem-verontreiniging. Als in één of meer monsters ook de tussen¬waarden worden overschreden, is een nader bodemonderzoek noodzakelijk om vast te kunnen stellen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. Gelders beleid en toelichting Toetsing bodemverontreiniging In aanvulling op het landelijk toetsingskader geldt het volgende. Allereerst moet worden vastgesteld of er een vermoeden is van een ‘geval van bodem-verontreiniging’ in de zin van de Wet bodembescherming. In hoofdstuk 2, paragraaf 2.3 wordt ingegaan op dit begrip. Is dat het geval dan worden vervolgens de onderzoeksresultaten getoetst. De toetsingscriteria zijn schematisch weergegeven in figuur 1.1 en 1.2. Als er voor het gebied Lokale achtergrondwaarden zijn afgeleid en vastgesteld passend binnen het landelijk en provinciaal bodembeleid, dan kan nader onderzoek achterwege blijven als de aangetroffen gehalten in de individuele monsters beneden deze achtergrondwaarden liggen. Bij de onderzoekshypothese voor verdachte locaties kunnen ook de door een gemeente vastgestelde Lokale Maximale Waarden (LMW) als criteria worden gebruikt. In de bodembeheernota van de gemeente moet zijn aangegeven hoe men de verschillende criteria wenst te gebruiken.Een gemeente kan het bevoegd gezag Wbb vervolgens verzoeken om de criteria opgesteld vanuit gebiedsgericht bodembeheer te mogen gebruiken als toetscriteria voor onderzoek en sanering op grond van de saneringsparagraaf Wbb. Het bevoegd gezag Wbb zal deze waarden dan overnemen als de uitgevoerde bepaling van deze waarden past binnen het landelijk en provinciaal bodembeleid. Daarbij is vooral de toepassing van de juiste onderzoeksopzet en statistische benadering op de verzamelde kentallen van belang. Als de onderzoeksgegevens ouder zijn dan vijf jaar, dan moet, afhankelijk van de situatie (mobiele of immobiele verontreiniging, wijziging in gebruik in de afgelopen jaren enzovoort), het onderzoek geactualiseerd worden. Ook bij onderzoeksgevens jonger dan vijf jaar kan actualisatie nodig zijn als er grote kans is op een gewijzigde situatie. Bij besluitvorming in het kader van het bevelsbeleid, waarbij ambtshalve een besluit wordt genomen (zie hoofdstuk 7) kan een actualisatieonderzoek bij gegevens ouder dan vijf jaar eventueel achterwege blijven.Vervolgaanpak Als op basis van het verkennend onderzoek het vermoeden bestaat dat het om een geval van ernstige bodemverontreiniging gaat, wordt de eigenaar/initiatiefnemer gevraagd een nader onderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek moet bij het bevoegd gezag worden gemeld als het inderdaad een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft. Aan de uitvoering van het nader onderzoek kan een termijn worden gekoppeld. Bij vermoedelijk spoedeisende gevallen van ernstige bodemverontreiniging wordt aan de uitvoering van het nader onderzoek een termijn gekoppeld. Zo nodig kan een eigenaar in die situatie worden verplicht dit nader onderzoek te doen. 1.5Procedure artikel 41 Wbb Als gehalten zijn aangetroffen die de Tussenwaarde ((AW2000+I)/2) overschrijden, is de gemeente wettelijk verplicht het bevoegd gezag Wet bodembescherming daarvan op de hoogte te stellen (artikel 41 van de Wet bodembescherming), tenzij de individuele gehalten beneden de Lokale achtergrondwaarde liggen. Het bevoegd gezag stelt naar aanleiding van een melding artikel 41 Wbb vast of het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging ge¬grond is of niet. In de praktijk vindt melding artikel 41 Wbb alleen plaats als de gemeente een duidelijk geval van ernstige verontreiniging vermoedt met gehalten boven de interventiewaarde. Dit is in lijn met vermindering van de administratieve en bestuurlijke lasten zoals landelijk beoogd. 2NADER ONDERZOEK 2.1Doel Een nader onderzoek heeft meerdere doelen, zoals: het definiëren van het geval of de gevallen van bodemverontreiniging, zodat duidelijk is op welke verontreiniging het besluit (vaststelling ernst en spoedeisendheid, artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming) of de besluiten (artikelen 29 en 37 én artikel 28 van de Wet bodembescherming) betrekking hebben; het bepalen of een verontreiniging een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft; het bepalen van de globale omvang van een geval van bodemverontreiniging. De omvang wordt niet altijd volledig vastgesteld (geen volledige afperking tot streefwaarde), als dit niet nodig is voor de Beschikking ernst en spoedeisendheid; het bepalen of sprake is van onaanvaardbare risico’s en dus of de verontreiniging met spoed gesaneerd moet worden of niet; het vaststellen van de gegevens voor de Wet kenbaarheid publiekrechterlijke bepalingen (Wkpb, kadastrale registratie). In dit hoofdstuk wordt op deze aspecten ingegaan. Ook wordt ingegaan op mogelijke beheer¬maatregelen en tijdelijke beveiligingsmaatregelen die in bepaalde situaties noodzakelijk zijn en kunnen worden voorgeschreven in een Besluit ‘vaststelling ernst en spoedeisendheid’. 2.2Opzet nader onderzoek Landelijk beleid Protocollen en richtlijnen De opzet van een nader onderzoek vindt plaats volgens de NTA 5755: Bodem-Landbodem- Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek – Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging. Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer (Kwalibo) Werkzaamheden zoals bodemonderzoek, bodemsanering en laboratoriumanalyses moeten voldoen aan kwaliteitseisen. Dit is geregeld in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit (onderdeel Kwalibo). Kwalibo geldt dus ook bij het nader onderzoek. Zie verder paragraaf 1.2. Gelders beleid en toelichting Opzet onderzoek In Gelderland wordt aangesloten bij het landelijk beleid. Zowel voor puntverontreinigingen als diffuse verontreinigingen, zoals diffuse ophooglagen, wordt aangesloten bij de NTA 5755. Voor het opstellen van een conceptueel model wordt verwezen naar de Handreiking voor het opstellen van een conceptueel model (www.bodemrichtlijn.nl). Het conceptueel model bestaat minimaal uit een bovenaanzicht en een dwarsdoorsnede van de situatie met een korte beschrij¬ving. Aandachtspunten voor het conceptueel model zijn het historische onderzoek volgens NEN 5725 (verdachte bronlocaties, maar ook veranderingen in de inrichting, slootdempingen en dergelijke), topografie (hoogteverschillen), bodemopbouw en geologie. Bij mobiele verontreini¬ging spelen ook hydrologie en geochemie een rol. Afstemming over het conceptuele model met het bevoegd gezag voorafgaande aan uitvoering van het onderzoek is bij complexe verontreinigingssituaties sterk aan te raden om latere discussie te voorkomen. Rapportage nader onderzoek Om tot een snelle afhandeling van meldingen te komen is voor Gelderland een standaardinhoudsopgave voor nadere onderzoeken opgesteld. Dit is een hulpmiddel voor adviesbureaus, dat er voor zorgt dat alle relevante informatie logisch gestructureerd in een nader onderzoek is opgenomen en een snelle beoordeling van dit onderzoek mogelijk is. In bijlage 1A is deze standaardinhoudsopgave opgenomen. Alle punten genoemd in de standaardinhoudsopgave moeten in ieder gevalt worden meegenomen in de rapportage. Het is ook mogelijk de landelijke rapportagestandaard (ontwikkeld in het kader van BEUK) te gebruiken. Ook hiervoor geldt geen verplichting. 2.3Gevalsafbakening Landelijk beleid Gevalsdefinitie De Wet bodembescherming definieert een geval van bodemverontreiniging als een (dreigen-
  3. de)bodemverontreiniging die betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreini¬ging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische én ruimtelijke zin, met elkaar samenhangen.Om te kunnen spreken van een geval van bodemverontreiniging moet aan alle drie de criteria zijn voldaan. Bovendien moet de verontreiniging zijn veroorzaakt door menselijk handelen. De drie criteria die bepalen of sprake is van een geval van bodemverontreiniging zijn dus: Technische samenhang: Een technische samenhang is aanwezig als de verontreiniging het gevolg is van een bepaald productieproces, installatie of mechanisme. Organisatorische samenhang: Een organisatorische samenhang is aanwezig als de veront-reinigingen een gevolg zijn van één en dezelfde organisatorische eenheid/veroorzaker. Ruimtelijke samenhang: Een ruimtelijke samenhang is aanwezig als de verontreinigingen in aan elkaar grenzende of in elkaars nabijheid gelegen grondgebieden voorkomen of in het verspreidingsgebied van de verontreiniging liggen. Een vaste afstand is echter niet te geven. Omvang van het geval De gevalsgrens is bereikt als de gehalten, vanuit de bron geredeneerd, voor grond op het niveau van de landelijke Achtergrondwaarde 2000 (voorheen de streefwaardecontour) en voor grondwater op het niveau van de streefwaarden komen. Als het bevoegd gezag Wbb de criteria uit de gemeentelijke bodembeheernota heeft overgenomen kan de gevalsgrens ook liggen op de vastgestelde Lokale achtergrondwaardecontour of de contour van de Lokale Maximale waarde (zie 1.4 en 6.2). Samenhang gevallen Het feit dat in een omgeving sprake is van meerdere gevallen wil niet zeggen dat deze gevallen niet (procedureel) tegelijkertijd aangepakt kunnen worden. Het bevoegd gezag Wet bodem¬bescherming kan in voorkomende gevallen vanuit doelmatigheidsoverwegingen bepalen dat met de sanering van de diverse gevallen tegelijkertijd moet worden begonnen (clusteraanpak volgens artikel 42 van de Wet bodembescherming). Zo kan er bij vermenging van verontreiniging weliswaar sprake zijn van afzonderlijke gevallen van bodemverontreiniging (met mogelijk afzonderlijke aansprakelijkheden), maar zal sanering gelijktijdig plaats moeten vinden. Gebiedsgericht beleid Bij een complex van meerdere gevallen is gebiedsgerichts beleid mogelijk (Zie paragraaf 3.5). Gelders beleid gevalsdefinitie en toelichting In Gelderland wordt aangesloten bij het landelijke beleid en jurisprudentie. Onderstaand wordt uitgelegd of verontreiniging moet worden gezien als één geval of als meerdere gevallen. Voor diffuse verontreiniging is specifiek invulling gegeven aan de gevalsdefinitie. Eén geval Als verontreinigingen met een bepaalde stof afkomstig van twee veroorzakers zich hebben vermengd, kan sprake zijn van één geval. Het is immers niet meer vast te stellen welk deel afkomstig is van welke veroorzaker. Het is ook mogelijk dat verschillende stoffen, ook als deze op meerdere percelen en in wisselende concentraties aanwezig zijn, soms als één geval moeten worden beschouwd. Daarvan kan sprake zijn als verschillende verontreinigingen zich dusdanig hebben vermengd, zelfs als deze afkomstig zijn van verschillende bedrijven, dat deze niet meer afzonderlijk toe te rekenen zijn aan een bron. Een voorbeeld hiervan zijn twee verontreinigingen met per en met tri. Per en tri hebben dezelfde afbraakproducten, waardoor niet meer eenduidig kan zijn vast te stellen welk deel van de verontreinigingsvlek bij welke veroorzaker hoort. In die situatie kan technische en organisatorische samenhang worden aangenomen. Meerdere gevallen Alleen als de verontreinigingen eenduidig te herleiden zijn tot verschillende veroorzakers, , zal een gemengde verontreiniging als twee gevallen kunnen worden aangemerkt ook wanneer onafhankelijke sanering niet mogelijk is. Dit volgt uit de jurisprudentie over de gevalsdefinitie.. Soortgelijke verontreinigingen, bijvoorbeeld enkele gedempte sloten op eenzelfde terrein, kunnen niet als één geval worden aangemerkt als deze door verschillende bedrijven en mogelijk op verschillende tijdstippen zijn gedempt. Organisatorische samenhang ontbreekt dan immers. Een ander voorbeeld waarin niet kan worden gesproken van één geval van bodemverontreiniging is als op een bedrijfsterrein sprake is van verontreiniging in de ondergrond (bijvoorbeeld met oplosmiddelen) als gevolg van bedrijfsactiviteiten en in de bovengrond (bijvoorbeeld met zware metalen) als gevolg van het bouwrijp maken van het terrein. Dan ontbreekt de technische samenhang en misschien ook de organisatorische samenhang. Omvang van het geval Het onderzoeksprotocol NTA 5755 en de voorgenomen vervolgstappen bepalen mede de benodigde onderzoeksinspanning naar de omvang van het geval. In aanvulling op het landelijk beleid kunnen ook door de gemeente vastgestelde Lokale Maximale Waarden voor het gebied als gevalsgrens worden gehanteerd, mits deze als criteria zijn overgenomendoor het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Zie paragraaf 1.4 en 6.2). Gelders beleid diffuse verontreiniging Bij diffuse verontreiniging is niet altijd sprake van een ‘geval van bodemverontreiniging’ in de zin van de Wet bodembescherming. Er wordt onderscheid gemaakt tussen diffuse verontreiniging als gevolg van menselijk handelen en diffuse verontreiniging met een natuurlijke oorsprong. Diffuse verontreiniging als gevolg van menselijk handelen Diffuse verontreiniging wordt in de Wet bodembescherming aangemerkt als bodemveront-reiniging, als zij het gevolg is van menselijk handelen, ook al hebben deze handelingen lang geleden plaatsgevonden. Een dergelijke verontreiniging wordt in Gelderland als een geval aangemerkt als deze kan worden toegerekend aan een duidelijke technische handeling (vanuit een productieproces of ontwikkelingsactiviteit). Zo zal bij locatiegebonden ophooglagen, en/of depositie rond een fabrieksschoorsteen eerder sprake zijn van een geval van bodemverontreiniging. Bij atmosferische depositie, zoals bij (met PAK) verontreinigde wegbermen door autoverkeer, wordt niet gesproken van een geval van bodemverontreiniging. Bij historische activiteiten in binnensteden (puntbronnen die niet meer te onderscheiden zijn van elkaar) is de verontreiniging als totaal geen geval, maar kunnen plaatselijk wellicht wel puntbronnen en daarmee gevallen worden benoemd. Deze kunnen door historisch onderzoek worden aangetoond. Voor het onderscheid tussen gevallen en de vraag of sprake is van één geval van ernstige bodemverontreiniging gelden de algemene criteria (zie Gevalsdefinitie). Wanneer wordt vastge¬steld dat geen sprake is van een geval, dan is de saneringsparagraaf van de Wet bodem¬bescherming niet van toepassing. Het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit vormen dan het kader voor grondverzet. Daarnaast gelden uiteraard nog de regels uit bijvoorbeeld de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Diffuse verontreiniging met een natuurlijke oorsprong In sommige gebieden van Gelderland komen van nature verhoogde gehalten voor, bijvoorbeeld verhoogde arseengehalten in oerbanken in de Achterhoek en op delen van de Veluwe. Deze gehalten zijn niet veroorzaakt door menselijk handelen, en daarom worden ze niet gezien als een geval van bodemverontreiniging (ook niet als deze gehalten tot boven de interventie¬waarden voorkomen). De saneringsparagraaf van de Wet bodembescherming is daarop dus niet van toepassing. Het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit vormen dan het kader voor grondverzet. Daarnaast gelden uiteraard nog de regels uit bijvoorbeeld de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Risico’s als gevolg van bouwen op verontreinigde grond kunnen op die wijze worden voorkomen. Gemeentelijke bodemkwaliteitskaarten en bodembeheernota Gemeenten kunnen op hun bodemkwaliteitskaart en in hun bodembeheernota opnemen in welke gebieden (van nature) verhoogde gehalten voorkomen, om welke parameters het gaat, in welke gehalten ze voorkomen, en welke bijzonderheden er gelden voor onderzoek, grondverzet en of er mogelijke gebruiksbeperkingen gelden. Gemeenten moeten (het afleiden van) hun bodemkwaliteitskaarten en de bodembeheernota voorleggen aan het bevoegd gezag Wbb, als zij willen dat de Lokale Maximale waarden worden gebruikt binnen de saneringsregeling van de Wet bodembescherming. Bij graafwerkzaamheden gelden het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit alleen als het saneringscriterium niet wordt overschreden. Daarboven geldt de Wet milieubeheer en/of de Wet bodembescherming.. Niet (goed) gekeurde grond, en grond die als niet toepasbaar is gekeurd, wordt gezien als afvalstof. Ook grond die niet conform de regels uit de bodemkwaliteitskaart en bodembeheernota wordt ontgraven en hergebruikt wordt gezien als afvalstof. Ook in grondwater is soms sprake van van nature verhoogde gehalten. Op de provinciale site (www.gelderland.nl/bodem) staat een hulpmiddel dat een indicatie geeft van de mogelijkheid dat verhoogde gehalten in het grondwater van natuurlijke oorsprong zijn. 2.4Ernst Landelijk beleid De Circulaire bodemsanering bevat de landelijke richtlijnen voor het vaststellen van de ernst (paragraaf 2.4) en spoedeisendheid (paragraaf 2.5) van een geval van bodemverontreiniging. Vaststellen ernst Van een geval van ernstige verontreiniging is sprake als voor ten minste één stof gemiddeld de interventiewaarde in een bodemvolume van meer dan 25 m3 vaste bodem en/of 100 m3 grondwater overschrijdt. Asbest Voor asbest geldt niet het volumecriterium zoals hiervoren aangegeven bij het vaststellen van de ernst. In de landelijke Circulaire bodemsanering is aangegeven dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem, als de gemiddelde concentratie binnen een ruimtelijke eenheid groter is dan de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. (gewogen, te bepa¬len volgens het protocol NEN 5707 of NTA 5727). De ruimtelijke eenheid is maximaal 1000 m2, maar mogelijk kleiner, afgestemd op de verdachte spot. Gelders beleid en toelichting In Gelderland wordt aangesloten bij het landelijke beleid. 2.5Spoedeisendheid Landelijk beleid Wanneer is vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, moet er worden nagegaan of de verontreiniging dusdanige risico’s met zich meebrengt dat spoedige sanering noodzakelijk is (Wet bodembescherming, artikel 37). De wet maakt onderscheid in risico’s voor mens en ecologie en risico van verspreiding van de verontreiniging. De Circulaire bodemsanering geeft richtlijnen voor het vaststellen van de risico’s voor de mens, het ecosysteem en de verspreiding van de verontreiniging. Het saneringscriterium is het onaan¬vaardbaar zijn van die risico’s. Vaststellen risico’s Het vaststellen van de risico’s gebeurt als volgt (zie ook de Circulaire bodemsanering): Stap 1 het vaststellen van het geval van ernstige bodemverontreiniging. Stap 2 een standaard risicobeoordeling met het model Sanscrit. Stap 3 een locatiespecifieke risicobeoordeling. Deze kan worden uitgevoerd als uit stap 2 blijkt dat er onaanvaardbare risico’s zijn. Het bevoegd gezag kan dit verlangen van de initiatiefnemer, als zij dit noodzakelijk acht met het oog op de besluitvorming. De initiatief-nemer kan ook zelf hiervoor kiezen. Asbest Voor het vaststellen van risico’s van een bodemverontreiniging met asbest worden alleen huma¬ne risico’s bepaald volgens bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering. Gelders beleid en toelichting humane risico’s Voor de vaststelling van de humane risico’s sluit het bevoegd gezag Wbb aan bij de Circulaire bodemsanering. Bij de vaststelling van de risico’s moet de meest recente versie van Sanscrit worden gebruikt. Voor de invoer van Sanscrit moet goed gekeken worden naar welke waarden representatief zijn voor de risico’s. Bij de bepaling van uitdampingsrisico’s zijn de gehalten in de grond en met name het freatisch grondwater bepalend. Bij humane contactrisico’s zijn dat de gehalten in de bovenste meter. Bij humane risico’s moet altijd stap 3 plaatsvinden. Dit betekent dat: de Sanscrit-modellering locatiespecifiek moet plaatsvinden, waarbij alleen de werkelijke aanwezige blootstellingsroutes worden meegenomen in de modelberekening; als sprake is van een stedelijke ophooglaag met gehalten boven de functieklasse wonen, dan mag bij de bepaling van de risico’s worden uitgegaan van een lagere biobeschikbaarheid van 0,4 in plaats van 0,74 als voor deze gebieden lokaal beleid is vastgesteld (inclusief eventuele gebruiks¬beperkingen) op grond van het Besluit en de Regeling Bodemkwaliteit; als sprake is van mogelijke permeatie van drinkwaterleidingen, onderzoek naar de drinkwaterkwaliteit volgens het onderzoeksproctocol van de provincie Gelderland moet worden uitgevoerd. Zie bijlage 3. als uit de modelmatige locatiespecifieke beoordeling blijkt dat er uitdampingsrisico’s zijn, luchtmetingen (kruipruimte en binnenlucht) kunnen worden geëist die representatief zijn voor de situatie. Bij berekende uitdampingsrisico’s buiten het eigen terrein (bijvoorbeeld bij omwo¬nenden) zijn deze luchtmetingen altijd verplicht. De luchtmetingen moeten in overleg met het bevoegd gezag worden uitgevoerd volgens de GGD-richtlijn medische milieukunde: Gezond¬heids¬risico bodemverontreiniging (RIVM-rapport 609330010, 2009); er bij mogelijke humane risico’s door uitdamping onderscheid wordt gemaakt tussen model-matig berekende en daadwerkelijk gemeten gehalten: Modelmatig berekende gehalten: In het model Sanscrit is de Risico-index leidend. De Risico-index is gebaseerd op de TCL-norm met aangepaste verblijftijden bij de functie “wonen” of “werken” (168 versus of 40 uur/ week). Een uitzondering hierop is als in de huidige bedrijfsvoering met dezelfde stoffen wordt gewerkt. De modelmatig berekende gehalten worden dan getoetst aan de grenswaarde van de Arbowet omdat met binnenluchtmetingen niet is vast te stellen of gemeten resultaten afkomstig zijn van de aanwezige bodemverontreiniging. Daadwerkelijk gemeten gehalten: Bij toetsing van de resultaten van luchtmetingen aan de TCL-norm wordt rekening gehouden met aangepaste verblijftijden bij de functie “wonen” of “werken” (168 versus 40 uur/week). Als een stof echter carcinogeen is, moeten de aangepaste verblijftijden worden afgestemd met de GGD. Als er ook bij de huidige bedrijfsvoering met deze stoffen wordt gewerkt, worden de resultaten van de binnenluchtmetingen getoetst aan de voor het bedrijf geldende grens-waarde van de Arbowet. Mocht het bedrijfsmatig werken met deze stoffen in de toekomst vervallen dan is toetsing aan de Arbo-norm niet meer aan de orde en moet de situatie opnieuw beoordeeld worden Gelders beleid en toelichting (humane) risico’s asbest Voor de beoordeling van risico’s bij asbestverontreiniging wordt aangesloten bij het landelijk beleidskader. Daarbij wordt in Gelderland invulling gegeven aan het begrip “permanent en volledig bedekt met gras of vergelijkbare dichte vegetatie en wordt niet bewerkt of betreden” genoemd in de Circulaire bodemsanering. Daarbij worden de termen permanent en volledig niet in absolute zin gebruikt, maar als indicatie of er sprake is van incidentele of frequente verwaaiing. Het gebruik en de bewerking van de bodem moeten minimaal zijn. Op grond hier¬van vallen onder deze categorie in Gelderland alleen: weilanden die volledig bedekt zijn met gras, waar alleen voertuigen komen om te maaien; wegbermen die volledig bedekt zijn met gras of vegetatie, die niet betreden (kunnen) worden door voertuigen; niet vrij toegankelijk overig groen volledig bedekt met gras of vegetatie. Bij bewerking (maaien e.d.) moet men dan wel alert zijn op de aanwezigheid van asbest. De beperkingen (bij grondverzet of verwijdering van de vegetatie) moeten goed worden vastgelegd in een brief of besluit aan de terreineigenaar en in het bodeminformatiesysteem. In alle andere situaties is verdere beoordeling nodig volgens de landelijke Circulaire bodem-sanering om de risico’s te bepalen. Gelders beleid en toelichting ecologische risico’s Bij de standaardbeoordeling (stap 2) van de ecologische risico’s is de standaarddiepte van de te beoordelen laag de bovenste meter, maar is afwijken mogelijk bij een gemiddelde laagste grondwaterstand ondieper dan een meter. De minimaal te beoordelen laag is in dat geval de bovenste 0,5 meter. Bij de invoer van gehalten kan als richtlijn het gemiddelde van gehalten boven de Tussenwaarden ((AW2000+I)/2) worden genomen of het gemiddelde van gehalten boven de Lokale achtergrondwaarde als deze hoger zijn dan de Tussenwaarden. Voor de bepaling van de ecologische risico’s geldt in Gelderland een aantal specifieke regels: In stedelijk gebied (bebouwde kom) wordt alleen getoetst op ecologische risico’s als sprake is van de gebiedstype/functie natuur, groen (met natuurwaarde) of stedelijk groen (in Sanscrit onderdeel van ander groen). Bij de gebiedstypen wonen met tuin, plaatsen waar kinderen spelen, moestuinen/volkstuinen, industrie of infrastructuur, worden geen ecolo¬gi-sche risico’s bepaald. Buiten de bebouwde kom worden de ecologische risico’s wel altijd bepaald; Als op grond van stap 2 (Sanscrit) sprake is van onaanvaardbare ecologische risico’s dan zijn er volgens de landelijk Circulaire bodemsanering twee mogelijkheden: een gestructureerde maatschappelijke afweging; een vervolgonderzoek in de vorm van Triade onderzoek of monitoring; In de Circulaire wordt voor de gestructureerde maatschappelijke afweging verwezen naar stap 1 t/m 3 van NEN 5737. In Gelderland wordt geen nadere invulling gegeven aan deze afweging. Per locatie moeten de betrokken actoren worden bepaald. In ieder geval de terreineigenaar en -gebruiker worden in de afweging betrokken. Een sane¬rings¬onderzoek, waarin oplossingsrichtingen zijn uitgewerkt, maakt bij voorkeur deel uit van de afweging. In het saneringsonderzoek wordt niet alleen gekeken naar de bodemverontreiniging en de baten en lasten van een eventuele sanering, maar naar alle aspecten die van belang zijn voor het bereiken van een natuurdoel en het belang van de (afwezigheid van) bodemverontreiniging daarin (zie paragraaf 3.3); Vervolgens moet in de Beschikking ernst en spoedeisendheid worden aangegeven op welke wijze met de verontreiniging wordt omgegaan (beheer van de huidige situatie). Bij wijziging van de situatie, waarbij een mogelijke toename van ecologische risico’s aan de orde is moet een heroverweging van de spoedeisendheid plaatsvinden; Ook na een Triade-onderzoek kan op basis van een saneringsonderzoek een maat¬schap-pelijke discussie plaatsvinden. Als duidelijk is dat aanpak van de verontreiniging op korte termijn om andere zwaarwegende belangen niet mogelijk of wenselijk is (bijvoorbeeld vanwege cultuurwaarden, archeologie, fauna) dan kan dit alsnog worden betrokken in het Besluit ernst en spoedeisendheid; In de situatie dat er al een Beschikking ernst en spoedeisendheid ligt waarin is vastgelegd dat er sprake is van een spoedeisendheid voor de sanering, kan hiervoren genoemde maat-schappelijke discussie alsnog aanleiding geven tot een heroverweging van deze beschik¬king. Het stappenplan is schematisch weergegeven in figuur 2.1. Gelders beleid en toelichting verspreidingsrisico’s In Gelderland zijn veel drinkwaterwinningen en industriële onttrekkingen in het eerste watervoerend pakket. De combinatie van veel onttrekkingen en gemakkelijke verspreiding vraagt om een goede beoordeling van de verspreidingsrisico’s. Kwetsbare objecten In Gelderland zijn de volgende kwetsbare objecten benoemd: openbare drinkwaterwinningen met het bijbehorende grondwaterbeschermingsgebied (25 jaarszone), aangegeven in het Waterplan Gelderland 2010-2015 of de opvolger hiervan; iedere bestaande continue grondwateronttrekking is in beginsel een kwetsbaar object, tenzij de verontreiniging het gebruiksdoel niet belemmert (bijvoorbeeld koelwater). De initiatief-nemer dient zich ervan te vergewissen of dergelijke winningen in de omgeving van de verontreinigingslocatie aanwezig zijn en of het gebruik van het grondwater wordt belemmerd door de verontreiniging. Particuliere onttrekkingen zonder vergunning- of meldingsplicht worden niet gezien als kwetsbaar object; HEN-wateren (Hoogste Ecologische Niveau), aangegeven in het Waterplan Gelderland 2010-2015 of de opvolger hiervan; SED-wateren (Specifieke Ecologische Doelstelling), aangegeven in het Waterplan Gelderland 2010-2015 of de opvolger hiervan; Natte landnatuur, aangegeven in het Waterplan Gelderland 2010-2015 of de opvolger hiervan; zwemwateren, zoals jaarlijks door de provincie aangewezen; Natura 2000-gebieden, voor zover (grond)waterafhankelijk. In de omgevingsplannen van de provincie Gelderland, de gemeente Arnhem en de gemeente Nijmegen kunnen ook nog kwetsbare objecten worden opgenomen. Onbeheersbare situaties Voor de bepaling van de verspreidingsrisico’s moet de initiatiefnemer van het onderzoek altijd de jaarlijkse toename aan bodemvolume met grondwater met gehalten boven de interventiewaarde berekenen. Dit als stap 3 in aanvulling op stap 2 . In de situatie van een grondwaterverontreiniging binnen de 25-jaarszone van een drinkwater¬bescher¬mingsgebied moet (ook bij gehalten onder de interventiewaarde) altijd worden nagegaan of de verontreiniging kan leiden tot een bedreiging van de winning (met toetsing gehalte in winput aan de drinkwaternorm, zie bijlage A van het Waterleidingbesluit). Is dat het geval, dan is sprake van een onbeheersbare situatie. In de Circulaire bodemsanering is ingegaan op onbeheersbare situaties bij een drijflaag of zaklaag. Het bevoegd gezag Wbb in Gelderland vult dit niet nader in. Gelders beleid tijdstip start sanering Als algemene lijn volgt Gelderland de landelijke richtlijn dat als de sanering spoedeisend is, zo snel mogelijk met de sanering worden gestart, maar uiterlijk binnen vier jaar na het Besluit ernst en spoedeisendheid. In aansluiting daarop geldt het volgende: humane risico’s: bij gevallen met onaanvaardbare humane risico’s geldt dat binnen één jaar na het Besluit ernst en spoedeisendheid met sanering van het spoedeisende deel moet worden begonnen en dat het saneringsplan binnen een half jaar moet zijn ingediend. De saneerder kan een gemotiveerd verzoek indienen voor afwijking van deze termijn(en). Daarnaast kunnen door het bevoegd gezag Wbb tijdelijke beveiligingsmaatregelen (TBM) worden opgelegd; risico’s van verspreiding naar een kwetsbaar object: als er sprake is van spoedeisende sanering omdat de interventiewaardecontour binnen enkele jaren een kwetsbaar object bereikt, kan worden geëist dat de sanering op een kortere termijn dan vier jaar start; andere spoedeisende gevallen: in andere spoedeisende gevallen moet binnen vier jaar na het Besluit ernst en spoedeisendheid met sanering van het spoedeisende deel zijn begonnen. Daarbij geldt dat het saneringsplan binnen drie jaar na het besluit moet zijn ingediend. Hiermee wordt de richtlijn uit de Circulaire bodemsanering gevolgd; spoedeisende BSB-gevallen: wanneer in het verleden door de Stichting BSB Gelderland een uiterste datum is bepaald waarop de sanering moet aanvangen, en deze datum is reeds verstreken, dan moet zo spoedig mogelijk (binnen 1 tot 2 jaar) na het besluit dat de sanering spoedeisend is, met de sanering worden gestart en het saneringsplan een half jaar voorafgaand aan de start zijn ingediend. 2.6Voorwaarden in de beschikking Het bevoegd gezag kan in een beschikking nadere voorwaarden stellen. Het gaat om de vol-gende punten: tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij spoedeisende gevallen; beheermaatregelen bij niet-spoedeisende gevallen; gebruiksbeperkingen; wijzigingen in het gebruik; wijziging van omstandigheden. Landelijk beleid Tijdelijke beveiligingsmaatregelen Tijdelijke beveiligingsmaatregelen (TBM) kunnen worden geëist bij spoedeisende gevallen. TBM kunnen nodig zijn vanwege acute risico’s of om een flexibele aanpak van de sanering mogelijk te maken (binnen de gestelde termijnen). TBM worden getroffen tot het moment dat door sane¬ring de onaanvaardbare risico’s worden weggenomen. Voorbeelden van TBM zijn: - het plaatsen van een hekwerk en borden; - het afdammen van sloten; - het treffen van bijzondere bouwkundige voorzieningen (luchtafzuiging); - bodemluchtafzuiging; - monitoring en rapportageverplichting; - grondwaterbeheersing. Een tijdelijke beveiligingsmaatregel (TBM) is niet van invloed op de vereiste startdatum van saneren. Beheermaatregelen Het bevoegd gezag kan, in het belang van de bescherming van de bodem, beheermaatregelen eisen bij niet-spoedeisende gevallen van ernstige bodemverontreiniging (artikel 37, lid 4). Mogelijke beheermaatregelen zijn: monitoring met daaraan gekoppelde rapportageverplichting; maatregelen ter voorkoming van verspreiding; in stand houden van peilbuizen (voor monitoring). Gebruiksbeperkingen Bij zowel spoedeisende als niet-spoedeisende gevallen van bodemverontreiniging kunnen door de verontreiniging gebruiksbeperkingen gelden. Wijziging gebruik Het landelijk beleid geeft aan dat het bevoegd gezag in de beschikking kan aangeven welke wijzigingen van het gebruik moeten worden gemeld, maar geeft hiervoor zelf geen invulling. Wijziging omstandigheden Op grond van de Wet bodembescherming (artikel 37, lid 6) kan het bevoegd gezag van de Wet bodembescherming de risico’s (opnieuw) vaststellen, bijvoorbeeld naar aanleiding van monito¬rings¬gegevens of een melding in de wijziging in het gebruik. Dit kan leiden tot herziening van het Besluit vaststelling ernst en spoedeisendheid. Gelders beleid en toelichting In bijlage 2 is een overzicht gegeven van de zorgmaatregelen die minimaal vereist zijn bij bodemverontreinigingen in verschillende stadia van de aanpak (zorg voor, tijdens en na sane¬ren). Hieronder worden deze nader beschreven. Tijdelijke beveiligingsmaatregelen Tijdelijke beveiligingsmaatregelen (TBM) worden in Gelderland vooral geëist bij onaanvaard-bare humane risico’s. Voorbeelden zijn: - huidirritatie en stankoverlast ten gevolge van de bodemverontreiniging; - uitdamping verontreiniging; - mogelijkheden voor direct contact met de verontreiniging; - aanwezigheid van respirabele asbestvezels in de contactlaag; - permeatie door een drinkwaterleiding. Ook kunnen TBM worden geëist bij onaanvaardbare verspreidingsrisico’s, vooruitlopend op de sanering. Deze zullen dan vaak bestaan uit monitoring en zo nodig het tegengaan van de mogelijke verspreiding van verontreinigd grondwater. Hierbij kan worden gedacht aan onttrekking of het plaatsen van een scherm voor biologische afbraak. De vereiste TBM moeten zo spoedig mogelijk genomen worden. Degene die de TBM uitvoert legt het ontwerp ter goedkeuring voor aan het bevoegd gezag en rapporteert ook over de uitvoering en instandhouding van de TBM bij het bevoegd gezag. Beheermaatregelen In de volgende situaties is beheer in de vorm van monitoring gewenst en/of vereist: Als de verontreiniging een bedreiging kan zijn voor de drinkwaterwinning is beheer in de vorm van monitoring vereist; In (niet-spoedeisende) situaties waarin op het moment van het Besluit ernst en spoed-eisendheid de verspreidingsrisico’s niet eenduidig kunnen worden vastgesteld is monitoring gewenst. Deze monitoring is eindig en alleen ter verificatie van de risico’s. Een voorbeeld is de situatie waarbij de verspreiding wordt bepaald door een onttrekking op of nabij de verontreinigingslocatie. Als deze onttrekking wordt beëindigd, wordt verminderd of fluctueert per seizoen, dan kan de daadwerkelijke verspreiding anders zijn dan vastgesteld tijdens het onderzoek; Tot slot kunnen verplichtingen vanuit de Kaderrichtlijn Water leiden tot een monitorings-verplichting bij zich verspreidende grondwaterverontreiniging (Zie Besluit kwaliteitseisen en monitoring water, BKMW 2009). De monitoringsfrequentie en de duur van de monitoring is maatwerk en afhankelijk van het type verontreiniging, de verspreidingssnelheid en de eventuele aanwezigheid van kwetsbare objec¬ten (ook vanuit potentiële humane risico’s die door verspreiding kunnen optreden). Naast monitoring kan ook beheer van (het in stand houden van) een bepaalde situatie gewenst zijn, zoals bij mogelijke (ecologische) risico’s waar op basis van een maatschappelijke discussie is besloten niet met spoed te saneren, maar dit wel een bepaald beheer van die situatie vereist. Gebruiksbeperkingen Voor de locatie kunnen door de verontreiniging gebruiksbeperkingen gelden. Per situatie kunnen andere gebruiksbeperkingen gelden die in het Besluit vaststelling ernst en spoed-eisendheid worden aangegeven. Voorbeelden hiervan zijn: - in stand houden van verhardingen; - geen gewasteelt voor consumptie; - geen begrazing door vee; - geen drenking van vee; - niet betreden terrein; - geen onttrekking van grondwater. Verplichte melding wijzigingen in het gebruik In Gelderland geldt dat een wijziging naar een gevoeliger gebruik dan in het Besluit vaststelling ernst en spoedeisendheid is vastgelegd moet worden gemeld. Om handvatten te bieden om het gevoeliger zijn van het gebruik te kunnen beoordelen worden de volgende situaties onder¬scheiden: - wijziging van ‘industrie’ naar gebruik ‘woningbouw’, ‘natuur’ of ‘landbouw’; - wijziging van ‘landbouw’ (in het bijzonder fruitteelt) naar ‘woningbouw’. - wijziging naar gevoeliger bedrijfsvoering (bijvoorbeeld van spuiterij naar kantoor) als mogelijk sprake is van uitdampingsrisico’s. Een melding wijziging gebruik aan bevoegd gezag moet vergezeld gaan van een risicobeoordeling met Sanscrit voor het gevoeliger gebruik en kan aanleiding zijn tot een herbeschikking ernst en spoedeisendheid. Wijziging van omstandigheden In Gelderland zijn er geen algemene criteria voor het herzien van het Besluit vaststelling ernst en spoedeisendheid bij een melding van wijziging van omstandigheden. Dit is namelijk zeer afhan¬kelijk van de situatie. Een melding wijziging omstandigheden moet verge¬zeld gaan van een risicobeoordeling met Sanscrit. Voorbeelden zijn: - als uit monitoring van beheermaatregelen blijkt dat de verspreiding groter is dan aange-nomen of dat een bedreigd object sneller wordt bereikt dan verwacht; - het stopzetten of verminderen van een industriële onttrekking, met gevolgen voor de verspreiding. Het omhoog komen van de grondwaterstand kan ook gevolgen hebben voor mogelijke uitdampingrisico’s; Hiervoor genoemde wijzigingen naar een gevoeliger gebruik. Met Sanscrit moeten dan de risico’s opnieuw worden bepaald. De situatie na uitvoering van een (deel van) een sanering is geen wijziging van omstandigheden zoals bedoeld in artikel 37, lid 6, van de Wbb. Deze situatie komt in Gelderland niet in aanmerking voor herziening van het besluit vaststelling ernst en spoedeisendheid voor het geval van bodemverontreiniging. Na de start van de sanering is het saneringsplan met de hierin geformuleerde doelstelling bepalend en de vereisten uit artikel 38 van de Wet bodembescherming. 2.7Voormalige stortplaatsen Landelijk beleid Onder voormalige stortplaatsen worden die stortplaatsen verstaan waar na 1 september 1996 geen afval meer is gestort. Het betreft dus de oudere stortplaatsen, die vaak zonder voor¬zieningen zijn aangelegd. Het bijzondere karakter van voormalige stortplaatsen maakt dat de Wet bodembescherming van toepassing kan zijn. Dit omdat een stortplaats meestal onderdeel van de bodem is geworden en (zeker zonder voorzieningen) de omliggende bodem en grondwater kan verontreinigen (dreigende verontreiniging); In het kader van het landelijke NAVOS-project (Nazorg Voormalige Stortplaatsen) hebben alle provincies bij de meest bekende voormalige stortplaatsen verkennende onderzoeken laten verrichten, waarbij de kwaliteit en dikte van de deklaag is vastgesteld en de (grond)water¬kwaliteit enkele jaren is gemeten. Gelders beleid en toelichting In Gelderland worden voormalige stortplaatsen altijd als een potentieel geval van ernstige bodem¬verontreiniging beschouwd. Door de onbekendheid van het stortmateriaal kan het stort beschouwd worden als een ‘black-box’, die een mogelijke bedreiging vormt voor de om- en onderliggende bodem en het grondwater. Nader onderzoek Het doel van het nader onderzoek is om daadwerkelijk vast te stellen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Veldonderzoek moet bevestigen dat sprake is van een voormalige stortplaats en moet tevens de contouren van het stortlichaam (horizontaal en verticaal) in beeld brengen. Voor het merendeel van de voormalige stortplaatsen is dit al gedaan binnen het NAVOS-onderzoek. In deze situaties hoeft dit veldonderzoek niet nog een keer te worden uitgevoerd. Ook moet indicatief onderzoek worden gedaan naar de kwaliteit van het stortlichaam. Als uit dit onderzoek al blijkt dat 25 m3 grond of veraard stortmateriaal respectievelijk 100 m3 bodemvolume grondwater concentraties boven de interventiewaarden bevat, is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Dit betekent dat de rest van de verontreiniging in het stort niet verder uitgekarteerd hoeft te worden. Gedetailleerd onderzoek naar de kwaliteit en/of samenstelling van het stortlichaam is in dit kader niet noodzakelijk, omdat een voormalige stortplaats als een ‘black-box’ wordt beschouwd. Het feit dat sprake is van een ‘black-box’ betekent echter ook dat, als bij indicatief onderzoek geen interventiewaarde wordt overschreden, er niet geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een niet-ernstige bodemverontreiniging. Afhankelijk van de concrete situatie zal telkens worden beoordeeld of het uitgevoerde onderzoek voldoende is om een gedegen uitspraak over de ernst te kunnen doen. Bij verontreiniging in het grondwater dient deze (zoals ook andere grondwater¬verontreinigingen) in kaart te worden gebracht . Overigens wordt in de provincie Gelderland onderzoek naar de inhoud van het stortlichaam wel relevant geacht voor het bepalen van de saneringsoplossing. Alleen met deze kennis kan een verantwoorde keuze worden gemaakt voor bijvoorbeeld een variant gebaseerd op afvalmining. Spoedeisendheid Voor het vaststellen van de spoedeisendheid van de aanpak van stortplaatsen is onderzoek naar de dikte en kwaliteit van de deklaag en naar de kwaliteit van het grondwater bepalend. Afhankelijk van de concrete situatie zal telkens worden beoordeeld of het onder¬zoek voldoende is om een gedegen uitspraak over de ernst en spoedeisendheid te kunnen doen. Monitoring en gebruiksbeperkingen specifiek bij stortplaatsen Als uit het Besluit ernst en spoedeisendheid blijkt dat de aanpak van een stortplaats niet-spoedeisend is, dan bestaat de mogelijkheid dat beheermaatregelen worden gevraagd. Deze beheermaatregelen kunnen bestaan uit monitoring van de locatie. De beheermaatregel is bedoeld om te controleren dat blijvend geen sprake is van (verspreidings)risico’s. Ook wordt in het Besluit ernst en spoedeisendheid ingegaan op de gebruiksbeperkingen in het geval van een niet-spoedeisende locatie. Deze gebruiksbeperkingen zijn gericht op het voorkomen van veranderingen in het stortlichaam, waardoor processen op gang kunnen komen die uitloging van verontreiniging tot gevolg kunnen hebben. Gedacht moet worden aan het voorkomen van toevoer van zuurstof (bij boren of graven in de stortplaats), waardoor chemische processen op gang kunnen komen die kunnen leiden tot mobilisatie van verontreinigingen. 2.8Procedure melding nader onderzoek De beoordeling van een nader onderzoek door het bevoegd gezag vindt plaats naar aanleiding van een melding artikel 28 of ontvangst van een nader onderzoek met het verzoek een Besluit ernst en spoedeisendheid te nemen (melding artikel 29 Wbb. Het bevoegd gezag neemt op grond van de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming een Besluit vaststelling ernst en spoedeisendheid. Gelders beleid Bij een melding nader onderzoek moeten de volgende gegevens worden aangeleverd (zie ook de websites van de provincie Gelderland en de gemeenten Arnhem en Nijmegen): een volledig ingevuld en ondertekend meldingsformulier (zie de sites van het bevoegde gezag); de rapporten van het nader onderzoek (op papier en digitaal, bij voorkeur in pdf/a-formaat). Als de onderzoeksgegevens ouder zijn dan vijf jaar, dan moet aangetoond worden dat de gegevens nog actueel zijn. Zo nodig moet, afhankelijk van de situatie (mobiele of immobiele verontreiniging, het gebruik in de afgelopen jaren), een actualisatieonderzoek of een nieuw onderzoek plaatsvinden. Het rapport moet voldoen aan de vereisten in bijlage 1A; een actuele kadastrale kaart met de I-contouren in grond en grond¬water; een lijst van eigenaren van de betrokken kadastrale percelen en andere direct belang-hebbenden binnen de gevalscontour grondverontreiniging en de I-contour grondwater-verontreiniging. Bij besluitvorming in het kader van het bevelsbeleid, waarbij ambtshalve een besluit wordt genomen (zie hoofdstuk 7), kan een actualisatieonderzoek bij gegevens ouder dan vijf jaar eventueel achterwege blijven. In bijlage 4 is een toelichting gegeven op de procedurele aspecten bij het nemen van een besluit. 3SANERINGSPLAN HISTORISCHE GEVALLEN (VOOR 1987) 3.1Algemeen In een saneringsplan wordt de saneringsdoelstelling vastgelegd. In het saneringsplan wordt vervolgens beschreven hoe de saneerder denkt de saneringsdoelstelling te realiseren. Daarnaast geeft een saneringsplan ook een gedetailleerde beschrijving van de maatregelen voor het maken van een bestek. Een saneringsonderzoek waarin diverse varianten worden uitge¬werkt kan noodzakelijk zijn voorafgaand aan het saneringsplan. In bepaalde eenvoudige situaties kan een saneringsplan achterwege blijven en kan een melding worden gedaan op grond van het Besluit uniforme saneringen (BUS, zie ook paragraaf 4.9). 3.2Opzet saneringsplan Landelijk beleid De eisen aan een saneringsplan zijn vastgelegd in de Wet bodembescherming. Ook zijn er diverse landelijke beleidsstukken die gebruikt kunnen worden voor de opzet van een sanerings¬onderzoek en -plan. Gelders beleid en toelichting Rapportage saneringsplan In Gelderland zijn inhoudsopgaven voor standaard saneringsplannen voor eenvoudige situaties met mobiele en immobiele verontreinigingen ontwikkeld. Deze zijn opgenomen in bijlage 1 (1B en 1C). De standaardopzet is een hulpmiddel voor adviesbureaus, die er voor zorgt dat alle relevante informatie in een saneringsplan wordt opgenomen en waardoor een snelle beoordeling van dit saneringsplan mogelijk is. De standaardinhoudsopgaven zijn niet voor maatwerk zoals “niet stabiele eindsituaties” opgezet, maar kunnen wel als handleiding worden gebruikt. Het is ook mogelijk de landelijke rapportage, ontwikkeld in het kader van BEUK, te gebruiken. Alle punten genoemd in de standaardopzet uit bijlage 1 moeten in ieder geval worden meegenomen in het saneringsplan, ook als de standaardopzet niet wordt gebruikt. Overige specifieke aandachtspunten In het saneringsplan moet in elk geval zijn opgenomen: de te verwachten restverontreinigingen na saneren moeten op kaart worden weergeven (I-, (L)AW-contouren van restverontreiniging in de vaste bodem en I- en streefwaardecontour van restverontreiniging in grondwater); er moet worden aangegeven voor welke bodemfuncties (zie tabel 3.1) de locatie na saneren geschikt is en welke gebruiksbeperkingen er dan gelden (zie ook paragraaf 2.6 voor gebruiksbeperkingen); bij een gefaseerde sanering moeten maatregelen en de doelstellingen toetsbaar per fase worden vastgelegd. Hierdoor is tussentijdse evaluatie mogelijk (zie ook 4.2). Er moeten kaarten met contouren zijn opgenomen (I en AW- en streefwaarden) waarop de verwachte omvang van de restverontreinigingen na iedere fase is aangegeven; als op grond van landelijk en Gelders beleid een faalscenario vereist is, dan moet dit faalscenario minimaal op hoofdlijnen zijn uitgewerkt. In het saneringsplan moet altijd al duidelijk zijn aangegeven onder welke omstandigheden het faalscenario in werking treedt (zie ook 3.4 en 4.2). Daarbij moet worden aangegeven dat een gedetailleerde technische uitwerking wordt ingediend als wijziging op het saneringsplan op het moment dat het faalscenario in werking moet treden.; er moet een planning worden opgenomen, inclusief de startdatum en de geraamde doorlooptijd van de sanering. De startdatum moet liggen binnen twee jaar na het indienen van het saneringsplan of eerder als de spoedeisendheid dat vereist. Als bij de indiening van het saneringsplan de concrete startdatum van de sanering nog niet bekend is, kan ook een periode van maximaal twee jaar worden aangegeven waarbinnen (de eerste fase van) de sanering zal starten. Ook dan moet de verwachte doorlooptijd van de sanering worden genoemd. 3.3Saneringsdoelstelling immobiele verontreinigingen Landelijk beleid De Wet bodembescherming gaat uit van een functiegerichte saneringsdoelstelling. Dit betekent niet dat dit altijd het saneringsdoel moet zijn. Er zijn situaties denkbaar waarin volledige verwijdering van de verontreiniging nog steeds doelmatiger is. Leeflaag De waarden in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit zijn bepalend voor de kwaliteit waaraan een leeflaag bij een bepaalde functie moet voldoen. Voor de leeflaag gelden verder de eisen die daaraan worden gesteld in de Circulaire bodemsanering of daarvoor in de plaats tredende regelgeving: de leeflaag heeft een standaarddikte van één meter; in tuinen kan afhankelijk van de bewortelingsdiepte een grotere diepte, variërend van 1,0 tot 1,5 meter noodzakelijk zijn; een van de standaarddikte afwijkende leeflaag is mogelijk onder bijzondere omstandig-heden, zoals een hoge grondwaterstand, ter beoordeling aan bevoegd gezag; de leeflaag moet kunnen worden onderscheiden van de onderliggende bodem als sprake is van verschillende kwaliteit. Daarvoor wordt als regel een signaallaag aangebracht. Een leeflaag kan worden gemaakt door gehele vervanging van de bestaande laag (ontgraven en afvoeren van aanwezige verontreinigde grond en weer aanvullen), door het aanbrengen van een nieuwe laag op het bestaande maaiveld (ophogen) of door alleen die grond te verwijderen die niet voldoet aan de gewenste kwaliteit (selectief ontgraven spots en weer aanvullen). In de laatste situatie voldoet een deel van de bovengrond dus al (aantoonbaar) aan de eisen die worden gesteld aan de aan te leggen leeflaag. De benodigde kwaliteit van een leeflaag wordt volgens de landelijke Circulaire bodemsanering bij voorkeur bepaald door de functieklasse volgens de gemeentelijke functieklassekaart. Daarmee past toekomstig grondverzet van de leeflaag binnen de kaders van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. Dit leidt voor de eigenaar tot minder beperkingen in gebruik en grondverzet na saneren. Gelders beleid en toelichting Invulling saneringsdoelstelling immobiele verontreiniging De beleidsruimte die de Wet bodembescherming in de artikelen 38 (saneringsdoelstelling) en 39 (saneringsplan) geeft, is in Gelderland nader ingevuld. Er wordt ingegaan op de volgende punten: - bepaling bodemfunctie - de kwaliteit en dikte van een leeflaag; - het toepassen van Lokale Maximale Waarden en generieke Maximale Waarden; - normaal gebruik; - de signaallaag; - kabels en leidingen; - de specifieke aanpak bij ecologische risico’s. Bepaling bodemfunctie In Gelderland is voor de vaststelling van de bodemfunctie en daarmee de vereiste dikte en kwaliteit van de leeflaag naast de (bodem)functieklassenkaart, het bestemmingsplan van belang. In navolging van de Circulaire bodemsanering wordt in Gelderland de benodigde dikte en kwaliteit van een leeflaag bij voorkeur bepaald door de functie volgens de gemeentelijke functieklassenkaart, maar als de functie volgens het bestemmingsplan minder gevoelig is dan die van de functieklassenkaart, dan mag ook de functie volgens het bestemmingsplan worden vertaald naar een bodemfunctie aangegeven in tabel 3.1. De hierin aangegeven eisen kunnen dan worden gehanteerd voor de dikte en kwaliteit van de leeflaag. Dit moet met motivatie worden aangegeven in het saneringsplan. Het moet wel gaan om ruimtelijke eenheden die een robuuste bodemkwaliteit en nazorg mogelijk maken (minimaal op locatieniveau). Hiermee wordt voldaan aan de criteria van de Wet bodembescherming om de locatie geschikt te maken voor de functie. Het gevolg is echter dat eventueel grondtransport van en naar de locatie na saneren niet onder (vrij) hergebruik binnen het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit valt. Dit moet samen met andere gebruiksbeperkingen worden vastgelegd in het evaluatieverslag en leidt tot nazorg voor de eigenaar. Als de locatie een gevoeliger bestemming kent dan de functieklassenkaart, dan is de kwaliteit die voor de locatiebestemming nodig is, altijd maatgevend. Als er geen functieklassenkaart is, dan geldt de functie volgens het bestemmingsplan. Ook dit moet in het saneringsplan worden aangegeven. Let op dat voor de aanvoer van grond naast het kader van de Wet bodembescherming het kader van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit geldt. (Zie ook paragraaf 3.6 en 6.2). Kwaliteit en dikte leeflaag De landelijke criteria voor een leeflaag zijn nader gespecificeerd, waarbij voor een aantal gebruiksvormen gemotiveerd wordt afgeweken van de standaarddikte van 1,0 meter. Gelet op de mate van contact en kans op optredende risico’s kan bij onderstaande gebruiksvormen ook een minimale dikte van 0,5 meter volstaan: wegbermen; groen bij bedrijven, kantoren en op industrieterreinen. Dit leidt tot de eisen voor een leeflaag voor diverse bodemfuncties in Gelderland zoals aangegeven in tabel 3.1. Bij door de gemeente vastgesteld locatiespecifiek beleid kunnen andere eisen gelden (zie hierna). Tabel 3.1 Gebruiksvorm en leeflaagcriteria Bodemfunctie Bodemnorm Standaarddikte - wonen met tuin, siertuin - plaats waar kinderen spelen - openbaar groen Maximale Waarde Wonen 1,0 m - industrie incl. kantoren en groenstroken - infrastructuur/verkeer en bermen Verharding en/of Maximale Waarde Industrie (in groenstrook, bermen) 0,5 m - moestuin, volkstuin (met > 10% consumptie uit eigen tuin) - landbouw (incl. glastuinbouw) AW 2000 1,0 m - natuur AW 2000 maatwerk In aanvulling op de tabel geldt het volgende: Afhankelijk van de dikte gelden gebruiksbeperkingen na saneren (o.a. bewortelingsdiepte en dus beplanting) en de noodzaak van melding van een wijziging naar een gevoeliger functie; Ter plaatse van nieuwe kabels en leidingen geldt een leeflaagdikte tot aan de onderzijde van de aan te leggen kabel of leiding met een minimale dikte van 1,0 meter (zie ook hierna); Bij nieuwe bebouwing met een kruipruimte wordt de leeflaag in geringere dikte doorgezet onder de bebouwing. Bij een leeflaag van 1,0 meter en een kruipruimte van 80 cm wordt dus nog een leeflaag van 20 cm onder de kruipruimte doorgezet. De minimale dikte van een “leeflaag” onder de kruipruimte moet 10 cm dik zijn bij toepassing van een geotextiel en minimaal 30 cm als geen geotextiel wordt aangebracht. Als een verhardingslaag wordt toegepast, dan mag het gaan om beton, asfalt, straatstenen of trottoirtegels, maar niet om bijvoorbeeld puin of gravel. De verharding moet grote aaneen¬gesloten ruimtelijke eenheden zijn en geen tuinpaden en dergelijke. Lokale Maximale Waarden en generieke Maximale Waarden Met de inwerkingtreding van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit krijgt de lokale (water)bodembeheerder de bevoegdheid om voor zijn beheergebied Lokale Maximale Waarden (LMW) vast te stellen. De LMW’s zijn bedoeld om de bodemkwaliteit in een gebied te verbeteren of minimaal te handhaven. Ze zijn ook het toetsingskader voor toepassing van grond en bagger. Er is een duidelijke samenhang tussen deze LMW’s en de kwaliteit van de leeflaag bij saneringen. In Gelderland geldt dat LMW’s gebruikt kunnen worden als kwaliteitseis voor de leeflaag in plaats van de generieke Maximale Waarden, tenzij ze strenger zijn dan de generieke waarden (zie ook paragraaf 6.2). Voorwaarde is dat de gemeente in haar bodembeheernota expliciet heeft aangegeven hoe hier mee om wordt gegaan en het bevoegd gezag Wbb verzoekt om de criteria opgesteld vanuit gebiedsgericht bodembeheer te mogen gebruiken als toetscriteria voor de saneringsparagraaf Wbb. Het bevoegd gezag Wbb zal deze waarden dan overnemen als de uitgevoerde bepaling van deze waarden past binnen het landelijk en provinciaal bodembeleid. Als een gemeente toch een sanering wenst met een leeflaag die schoner is dan de generieke waarden, dan zal zij dit via onderhandeling met de initiatiefnemer moeten bewerkstelligen. Normaal gebruik Bij een functiegerichte sanering is de leeflaag geschikt voor normaal gebruik behorende bij de functie. Onder normaal gebruik wordt verstaan: dat er mag worden gegraven tot de onderzijde van de leeflaag (dus tot de signaallaag of de diepte waarbij wordt voldaan aan de gestelde normen. Zo kan een vijver of een zitkuil tot de signaallaag worden aangebracht, als daarbij de contactrisico’s met onderliggende verontreiniging voldoende worden voorkomen. Wel moet na opheffen van de situatie (verwijderen vijver/zitkuil) de leeflaag tot de oorspronkelijke dikte worden hersteld; dat er beplanting mag worden aangebracht met een worteldiepte tot maximaal de onderzijde van de leeflaag; dat er gebouwd kan worden voor zover dit niet leidt tot grondverzet van mogelijk veront-reinigde grond onder de leeflaag. Voor normaal gebruik van de leeflaag zoals hiervoor genoemd is geen melding op grond van de Wbb vereist. Het doorbreken van de leeflaag (bijvoorbeeld diepere ontgraving voor de aanleg van een kelder) valt buiten normaal gebruik. Ook het onttrekken van grondwater valt niet onder normaal gebruik. Deze verrichtingen zijn bij vermindering of verplaatsing van de verontreiniging meldingsplichtig volgens artikel 28 van de Wbb. In hoofdstuk 4 wordt verder ingegaan op gebruiksbeperkingen en zorg. Signaallaag Om onderscheid te maken tussen een leeflaag en onderliggende sterker verontreinigde grond, moet een signaallaag worden aangebracht. Deze moet bestaan uit een doek met een lange levensduur. In bepaalde situaties zoals bij duidelijk kleur- en/of materiaalverschil kan gemotiveerd van de toepassing van een doek worden afgezien. Kabel- en leidinggoten Nieuw aan te leggen kabel- en leidinggoten moeten in een strook met een diepte tot aan de onderkant van de aan te leggen kabel of leiding worden gelegd met een minimale diepte van 1,0 meter. De kwaliteit van de grond in die strook moet ten minste voldoen aan de lokale of generieke Maximale waarden voor de locatie, maar mag de norm ‘industrie’ volgens het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit niet overschrijden. Als pas in een later stadium kabels en leidingen onder een verharding of leeflaag moeten worden aangelegd is dat werk opnieuw meldingsplichtig. Vaak kan dit met een BUS-melding, categorie tijdelijk uitplaatsen, worden afgehandeld. Specifieke aanpak bij ecologische risico’s In de situatie van ecologische risico’s ligt het ontgraven van een verontreiniging niet altijd voor de hand. Zoals in paragraaf 2.5 al is aangegeven kunnen er andere belangen zijn die een rol spelen in de aanpak. Denk daarbij aan herstel of juist schade aan flora en fauna bij saneren, behoud van cultuurhistorische waarden of de invloed van de bodemverontreiniging op het daadwerkelijk aanwezige of gewenste natuurtype. In de meeste situaties is het nodig dat een saneringsonderzoek wordt uitgevoerd. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar mogelijke technische maatregelen voor de bodem-veront¬reiniging, maar moeten ook andere aspecten worden meegenomen in de baten en lasten. Ook beheer (in stand houden van de situatie) of juist wijziging naar een situatie (natuurtype) die minder gevoelig is voor de aanwezige bodemverontreiniging behoren tot de mogelijke oplossingsrichtingen. Als de bodemverontreiniging een belemmering vormt voor het natuurdoeltype zoals vastgelegd in het beheerplan voor een natuurgebied, zal aanpak van de verontreiniging noodzakelijk zijn. 3.4Saneringsdoelstelling mobiele verontreinigingen Landelijk beleid Artikel 38 van de Wet bodembescherming stelt dat degene die de bodem saneert dat zodanig moet doen, dat: de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na saneren krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt; het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt; de noodzaak tot het nemen van maatregelen na saneren en beperkingen in het gebruik van de bodem zoveel mogelijk wordt beperkt. In de Circulaire bodemsanering 2009 is de saneringsdoelstelling voor mobiele verontreiniging nader beschreven. Gelders beleid en toelichting Als er sprake is van (dreigende) verontreiniging van het grondwater, moet de sanering zich richten op een integrale aanpak. Hiervoor geven de landelijke beleidsontwikkelingen, regelgeving en praktijkervaring aanleiding tot nadere invulling van het Gelderse beleid. Er wordt ingegaan op de volgende punten: de stabiele eindsituatie; de afweging van saneringsvarianten; gefaseerde aanpak met ijkmomenten. Invulling saneringsdoelstelling mobiele verontreiniging De saneringsdoelstelling voor mobiele verontreinigingen moet invulling geven aan artikel 38 van de Wet bodembescherming. Bij de omschrijving van de saneringsdoelstelling moet worden aange¬geven: voor welke functie(
  4. s)de gesaneerde locatie geschikt is na saneren; hoe mogelijke risico’s op de locatie en in de omgeving worden wegge¬nomen tijdens en na sanering (ook als gevolg van mogelijke groei van de vlek en/of verdere verplaatsing van de vlek); welke gebruiksbeperkingen gelden tijdens en na saneren; welke ontwikkeling een grondwatervlek vertoont tijdens en na saneren; welke nazorg nodig is. In Gelderland spelen niet alleen de risico’s voor kwetsbare objecten een rol bij de aanpak van grondwaterverontreiniging. Deze aanpak is er ook op gericht om eventuele beperkingen op de locatie en in de omgeving daarvan, zo klein mogelijk te houden. Dat houdt in dat een stabiele situatie, zoals hieronder nader omschreven, geldt als voorkeursoplossing in de afweging van saneringsvarianten. In bepaalde situaties is wegnemen van de nalevering door aanpak van de bron niet kosten-effectief mogelijk (of niet gewenst) en is ook een afnemende omvang niet haalbaar omdat bijvoorbeeld biologische afbraak niet optreedt en (door de omvang of bodemsamenstelling) onvoldoende gestimuleerd kan worden. In die situatie kan op basis van een afweging ook worden gestreefd naar een aanpak waar alleen beheer (monitoring) nodig is als nazorg. In uitzonderlijke situaties is actieve beheersing noodzakelijk. Onderstaand wordt nader ingegaan op de stabiele situatie en de afweging. Stabiele eindsituatie In Gelderland wordt een stabiele eindsituatie gedefinieerd als een situatie waarbij: na sanering geen sprake is van humane en/of ecologische risico’s op de locatie en in de omgeving, ook niet als gevolg van mogelijke afbraak(producten), groei en/of verdere ver-plaatsing van de verontreiniging; geen sprake is van verspreiding naar een kwetsbaar object (zie paragraaf 2.5). Daarbij zijn niet alleen de actuele risico’s (op basis van Sanscrit) bepalend, maar ook de verspreiding van grondwaterverontreiniging in concentraties onder de interventie¬waarden naar dit kwetsbaar object die tot onacceptabele risico’s en/of schade leidt (zoals kan plaatsvinden bij drinkwaterwinningen); er een in het saneringsplan vastgestelde acceptabele toename in omvang van de totale grondwaterverontreiniging plaats vindt, die op termijn stopt. Bij beëindiging (evaluatie) van de sanering blijft de omvang van de sterke verontreiniging (I-contour) gelijk en de totale grondwater¬verontreiniging (de gevalscontour) neemt nog slechts beperkt toe. Hierbij behoeft geen rekening te worden gehouden met mogelijke invloed van externe factoren (onttrekkingen) in de toekomst (zie ook paragraaf 4.2); er minimale zorg resteert (alleen registratie van de restverontreiniging). Afweging saneringsvarianten Elke verontreinigingsituatie is anders. Naast aard van de stoffen spelen omgevingsfactoren een grote rol bij het vaststellen van de saneringsdoelstelling. Dit betekent dat in Gelderland een afweging moet worden gemaakt tussen saneringsvarianten, om daarmee de meest adequate variant te kunnen kiezen. Een afweging hoeft niet gemaakt te worden bij: gevallen die onder het Besluit uniforme saneringen (BUS) gesaneerd worden (hiervoor geldt landelijke regelgeving); gevallen waarbij verwijdering van zo veel mogelijk verontreiniging met inzet van actieve verwijderingtechnieken voor bron én pluim centraal staat, met als saneringsdoelstelling mini¬maal de stabiele eindsituatie. Daarbij vindt moni¬toring plaats totdat deze situatie is aangetoond. gevallen van bodemverontreiniging met beperkte omvang (volume grondwater boven interventiewaarde < 6.000 m3) en zonder risico’s voor een kwetsbaar object, waarbij al sprake is van een stabiele situatie en er actieve aanpak van de verontreiniging in de bron plaatsvindt. In andere situaties is een afweging verplicht om tot een gemoti¬veerd besluit te komen. In situaties met grote grondwaterverontreinigingen waarbij de bron en/of de pluim op een meer passieve manier wordt gesaneerd (natuurlijke afbraak) is minimaal een vergelijking met een actieve aanpak verplicht. Dit vanwege de afweging van extra lasten van een passieve aanpak, zoals langere tijdsduur, grotere faalrisico’s en/of meer gebruiksbeperkingen tegen de hogere kosten van een actieve aanpak of een verdergaand saneringsresultaat. De mate van afwegen (uitgebreid of beperkt) is afhankelijk van de situatie. Bij een verplichte afweging, is gebruik van de methode in ROSA II met vergelijking van baten en lasten verplicht. Hiermee wordt een zekere uniformiteit in afwegen bewerkstelligd. De afweging moet plaatsvinden op basis van een tabel met gegevens en feiten en niet op basis van een interpretatie van gegevens of van beleving (geen tabel met plussen en minnen). Wel kan worden aangegeven welke baten en lasten niet of minder onderscheidend zijn. Een initiatiefnemer kan op basis van de tabel gemotiveerd zijn voorkeursvariant aangeven. Gefaseerde aanpak en ijkmomenten Bij sanering van mobiele verontreiniging met een gescheiden aanpak van de bron en de pluim is altijd een tussentijdse evaluatie na de bronaanpak nodig. Hiermee is na te gaan of na aanpak van de bron de doelstelling voor de gehele aanpak nog haalbaar is. Om een besluit te kunnen nemen op een tussentijdse evaluatie moet in het saneringsplan worden uitgegaan van een gefaseerde aanpak. De gefaseerde aanpak en de doelstellingen per fase moeten in het saneringsplan expliciet worden vermeld (zie ook paragraaf 3.8 en 4.4). Ook kunnen tijdens een grond en/of grondwatersanering ijkmomenten nodig zijn, waarbij getoetst wordt of de doelstelling gehaald wordt. Daarbij kan blijken dat de maatregelen niet leiden tot de gewenste eindsituatie of dat de uitvoering niet mogelijk is binnen de vooraf gestelde randvoorwaarden. Voor deze situaties moet in het saneringsplan een faalscenario zijn opge¬nomen. Voor een verdere invulling van het Gelderse beleid over de zorg tijdens saneren, met een toelichting over het faalscenario en over de eindcontrole, het eindverslag en de nazorg wordt verwezen naar hoofdstuk 4. 3.5Gebiedsgerichte aanpak grondwater Landelijk beleid De mogelijkheid van gebiedsgerichte aanpak is opgenomen in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet bodem¬bescherming (Gebiedsgerichte aanpak van de verontreiniging van het diepere grondwater, staatsblad 26 april 2012, 222). Deze vorm van beheer staat naast de gevalsgerichte aanpak of de clusteraanpak van bodemverontreiniging. Gebiedsgerichte aanpak is gericht op de sanering van het diepe grondwater van meerdere gevallen van bodemverontreiniging in een daartoe aangewezen gebied. Een overheid (provincie, gemeente, waterschap, openbaar bestuurslichaam) kan als gebieds-beheerder optreden. Daarvoor moet een gebiedsbeheerplan worden opgesteld. Het bevoegd gezag Wet bodembescherming moet het gebied vaststellen waarvoor het gebiedsgericht beheer van toepassing is. Daarbij moet door de aanvrager duidelijk worden gemotiveerd waarom voor het betreffende gebied geen gevalsaanpak of clusteraanpak voor de hand ligt. In artikel 55c en 55e van de gewijzigde Wbb is een aantal vereisten genoemd voor het gebied, respectievelijk het beheersplan. Het vormgeven van gebiedsgericht beheer van verontreinigd grondwater is niet eenvoudig. De problemen die hierbij optreden zijn zowel van praktische als van principiële aard. Op landelijk niveau zijn diverse handleidingen verschenen ten aanzien van gebiedsgericht grondwater, zoals: Samenvattende handreiking ten behoeve van gebiedsgericht beheer verontreinigd grond-water (SKB project PP5302 april 2006). Kwantificering gebiedsgericht grondwaterbeheer in Nederland en gevolgen voor de financiering en bestuurlijk-juridische aanpak (SKB project PP6325, werkdocument 5, juli 2007). Handreiking Gebiedsgericht grondwaterbeheer (Ministerie van VROM, oktober 2010). Ook vanuit het Uitvoeringsprogramma Gebiedsgericht Grondwaterbeheer is gewerkt aan diverse handleidingen voor het instellen van gebiedsgericht beheer. Landelijk wordt een AMvB gebiedsgericht grondwater opgesteld met hierin nadere richtlijnen voor de uitvoering van gebiedsgericht grondwaterbeheer. Gelders beleid en toelichting In Gelderland moet voor de implementatie onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de provincie en anderzijds de gemeenten Arnhem en Nijmegen. Het is niet de verwachting dat de provincie Gelderland de rol als opdrachtgever of uitvoerende van gebiedsgericht grondwaterbeheer op zich neemt, tenzij daarmee de aanpak van (meerdere) spoedeisende “vangnetgevallen” kan worden opgepakt. Zij heeft vooral de rol van regisseur en van bevoegd gezag, voor het aanwijzen van een gebied waar een gebiedsgerichte aanpak zal plaatsvinden. De gemeenten Arnhem en Nijmegen kunnen zowel initiatiefnemer, opdrachtgever, uitvoerende als bevoegd gezag vormen voor gebiedsgericht grondwaterbeheer binnen hun grondgebied. Onderstaand wordt op de volgende punten verder ingegaan: criteria voor gebied waar gebiedsgericht grondwater plaatsvindt; criteria voor aanpak in het beheergebied mede in relatie tot andere beleidskaders (energie, grondwateronttrekking; Criteria voor gebied Bij de bepaling van het gebied waarop het gebiedsgericht beheer van toepassing is spelen de volgende zaken een rol: de verontreinigingen (contouren) zijn al vermengd of zodanig gelegen, dat een gevalsgerichte aanpak of een clusterbenadering niet mogelijk of niet doelmatig is; de ruimte die nodig is om voor de betreffende verontreinigingen tot een goede kosten-effectieve oplossing te komen (zoals een reactorvat bij biologische afbraak); de ruimtelijke ontwikkelingen en daarmee samenhangende ondergrondse beïnvloeding (zoals KWO’s); de mogelijke kwetsbare objecten in de ondergrond. Op basis van deze punten kan een gebied worden gedefinieerd waarop het gebiedsgericht beheer van toepassing is. Daarbij is het streven het gebied zo klein mogelijk te houden. Criteria voor aanpak in het beheergebied De nota Gelders afwegingskader is als bijlage 8 opgenomen. Hierin wordt aangegeven hoe verschillende aspecten in een gebied tegen elkaar kunnen worden afgewogen (grondwaterkwaliteit, grondwater¬kwantiteit en energie). Primair uitgangspunt voor de aanpak van de verontreinigingen in het beheergebied is dat gestreefd wordt naar een eindige oplossing zonder risico’s en zonder nazorg (een stabiele eindsituatie, ambitieniveau midden). Als voor één van de aspecten grondwaterkwantiteit of energie al een hoog ambitieniveau wordt gerealiseerd en voor de ander ligt het ambitieniveau ook minimaal op midden, dan is voor het aspect grondwaterkwaliteit ambitieniveau laag acceptabel. Dan hoeft er een minder vergaande oplossing te worden gehanteerd, die gericht is op het voorkomen van risico’s. Daarbij gaat het om humane risico’s en risico’s voor kwetsbare objecten. Eventuele onaanvaardbare risico’s moeten als onderdeel van het gebiedsgericht beheer voor 2015 worden aangepakt. Uiteraard mag er bij de aanpak/het beheer van het gebied geen strijdigheid zijn met andere beleidskaders zoals het provinciaal Waterplan, de kaderrichtlijn water (KRW) en de grondwaterrichtlijn (GWR). 3.6Hergebruik bij saneringen en aanvoer grond Landelijk beleid Er is onderscheid tussen hergebruik van saneringsgrond binnen een geval van bodemverontreiniging, hergebruik van die grond buiten een geval van bodemverontreiniging en aanvoer van grond ten behoeve van aanvulling van de sanering. Als er sprake is van aanvoer van grond van elders (aanvulgrond, aanbrengen leeflaag) dan zijn naast de Wet bodembescherming ook het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit van toepassing. Als er geen sprake is van aanvoer van grond van elders zijn het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit niet van toepassing. Dan zijn wat er in het saneringsplan staat en het daarover genomen besluit (Wbb) bepalend. Bij afvoer van grond van de locatie zijn het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit van toepassing. Gelders beleid en toelichting Hergebruik (herschikken) van grond binnen een geval van bodemverontreiniging Voor hergebruik binnen een geval van ernstige verontreiniging (herschikken) zijn de regels rondom toepassen van grond uit het Besluit bodemkwaliteit niet van toepassing (maar wel Kwalibo). Bij herschikken gelden de volgende criteria: verontreinigde grond herschikken binnen het geval van bodemveront¬reiniging is mogelijk als de grond van vergelijkbare of betere kwaliteit is dan de omliggende bodemlaag (Kwaliteit in de wanden). In het saneringsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de omstandigheden waaronder dit gebeurt en waar dit gebeurt; bodemvreemd materiaal (puin, sintels) binnen een geval van bodemverontreiniging kan onder de leeflaag worden herschikt, mits dit materiaal onderdeel is van het geval van bodemverontreiniging (naast ruimtelijk ook organisatorische en technische samenhang); de grond voor herschikken in een leeflaag bevat bij voorkeur maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal; het concentreren van verontreinigde grond en hiervoor genoemd bodemvreemd materiaal binnen het geval op gebiedsniveau is gemoti¬veerd toegestaan, maar niet in een schone onderlaag. Ook bij concentreren geldt dat in het saneringsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de omstandigheden waar¬onder dit gebeurt en waar dit gebeurt; Het verwijderen van puin (“cosmetisch zeven”) is toegestaan, als dit geen negatieve consequenties heeft voor de kwaliteit van het te herschikken materiaal. Voor het bewerken van grond voorafgaand aan het herschikken is mogelijk een omgevingsvergunning nodig; het herschikken moet binnen één (deel)saneringsplan zijn geregeld. De grond mag niet in depot worden gezet in afwachting van een volgende deelsanering. Het herschikken mag wel in een volgende fase van een gefaseerde aanpak plaatsvinden als een duidelijke termijn is aangegeven waarbinnen het herschikken plaatsvindt. Daarbij geldt een maximum termijn van twee jaar; in het saneringsplan is de manier aangegeven waarop de kwaliteit van een partij te herschikken grond en de manier waarop de kwaliteit van de (omliggende) bodemlaag waarin de grond wordt aangebracht wordt bepaald. Hergebruik van saneringsgrond buiten het geval Voor hergebruik van saneringsgrond buiten een geval zijn het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit van toepassing. In Gelderland is hiervoor geen specifiek beleid van toepassing. Aanvoer van grond voor gebruik binnen het saneringsgeval Voor grond aangevoerd van buiten het geval van bodemverontreiniging gelden naast de Wet bodembescherming de criteria van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit (en de gemeentelijke bodembeheernota). De strengste normen zijn bepalend. Dit kan inhouden dat schonere grond moet worden aangevoerd dan vereist voor de functie. Zie ook paragraaf 6.2. 3.7Sanering van voormalige stortplaatsen Landelijk beleid Landelijk is er geen specifiek beleid voor het saneren van voormalige stortplaatsen. Gelders beleid en toelichting De aanpak valt onder het algemene kader van functiegericht en kosteneffectief saneren. Ook bij herontwikkeling of bestemmingswijziging van voormalige stortplaatsen moet een saneringsplan worden opgesteld. Bij herontwikkeling moet een afweging gericht op risico’s en risicobeheersing plaatsvinden om tot een verantwoorde inpassing/herontwikkeling van een voormalige stortplaats te komen. Op de volgende aspecten volgt een nadere toelichting: gezamenlijke aanpak van in elkaars nabijheid liggende stortplaatsen (‘samenvoeging’); herschikken bij sanering, inclusief overslaan van afval; kwaliteit deklaag na sanering; deelsanering; aanleg van fundering ten behoeve van bebouwing (na sanering); voorwaarden bij woningbouw. Gezamenlijke aanpak van stortplaatsen (‘samenvoeging’) Vanuit het oogpunt van milieuhygiënische doelmatigheid, beheersbaarheid en mogelijke kostenbesparing wil het bevoegd gezag bevorderen dat voormalige stortplaatsen gezamenlijk worden aangepakt als deze als één geval van bodemverontreiniging kunnen worden beschouwd. Als (kleine) voormalige stortplaatsen in elkaars nabijheid liggen, dezelfde eigenaar hebben gehad en waarin hetzelfde materiaal is gestort, kan het voordelen hebben om deze locaties gezamenlijk aan te pakken. Gezamenlijke aanpak is maatwerk en dient per situatie te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Herschikken bij sanering, inclusief overslaan van afval Voor het herschikken van verontreinigd materiaal (grond en stortmateriaal) geldt voor voor-malige stortplaatsen hetzelfde beleid als voor ‘gewone’ saneringen. Binnen het wettelijke kader is herschikken van verontreinigd materiaal mogelijk, mits dat gebeurt binnen de grenzen van het geval. Bij voormalige stortplaatsen geldt dit ook voor het niet veraarde afval. In Gelderland worden voorwaarden aan herschikken verbonden, die voornamelijk te maken hebben met het black-box karakter van een stort. Bij handelingen in het stortmateriaal kunnen immers diverse fysisch-chemische processen optreden die een risico voor de gezondheid en het milieu kunnen vormen. Herschikken van grond en stortmateriaal binnen het stort mag, mits in het saneringsplan wordt aangegeven welke handelingen worden verricht, welke effecten deze hebben op het verontreinigde materiaal (grond en stortmateriaal), hoe deze effecten zich vertalen naar risico’s en op welke wijze deze risico’s worden beheerst. Bij effecten kan worden gedacht aan uitdamping en uitloging of uitspoeling van verontreinigingen. Voor afvalmining geldt dezelfde voorwaarde. Herbruikbaar materiaal mag worden ‘gewonnen’ en de reststroom mag worden herschikt, mits in het saneringsplan goed staat omschreven hoe de risico’s worden beheerst. Kwaliteit deklaag na sanering Voor de kwaliteit van de deklaag wordt aangesloten bij de landelijke Circulaire bodemsanering, het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit en ons beleid beschreven in paragraaf 3.3. De vereiste kwaliteit van de deklaag is daarbij afhankelijk van de bodemfunctie na saneren en moet voldoen aan de daarbij behorende dikte en kwaliteit. Deelsanering bij stortplaatsen Het beleid voor deelsaneringen (zie paragraaf 3.8) geldt ook voor voormalige stortplaatsen. Gezien het black-box karakter van een stortplaats kan het mogelijk zijn dat er meer onderzoek wordt gevraagd dan het nader onderzoek (voor stortplaatsen) voor het gedeelte waar de deelsanering wordt uitgevoerd. Aanvullend kan worden gevraagd de effecten van de deel¬sanering op het restmateriaal te onderzoeken. Bij handelingen in het stortmateriaal kunnen immers diverse fysisch-chemische processen optreden die een risico voor de gezondheid en het milieu kunnen vormen. Aanleg van fundering ten behoeve van bebouwing (na sanering) Door de onzekerheid over het in het verleden gestorte materiaal, brengt het aanbrengen van fundering (bijvoorbeeld heipalen) extra risico mee voor het milieu. Het toepassen van fundering is hierdoor niet zondermeer toegestaan. Het creëren van lekstromen waarmee mogelijk verontreinigd grondwater zich in verticale richting kan verspreiden moet zo veel mogelijk voorkomen worden. De funderingswijze kan worden opgenomen in het saneringsplan wanneer de herontwikke-lingsplannen al voldoende concreet zijn. Als de funderingswijze pas later bekend is kan deze in het nazorgplan worden uitgewerkt. Als de funderingswijze niet in het saneringsplan of in het nazorgplan wordt beschreven, moet er later een funderingsplan ter instemming van het bevoegd gezag Wet bodembescherming worden voorgelegd. Voorwaarden bij woningbouw Bebouwing op voormalige stortplaatsen is mogelijk. Maar vooral wanneer het woningbouw betreft moeten op zorgvuldige wijze de risico’s voor de gezondheid beheersbaar worden gemaakt,, nu en in de toekomst. Dit betekent dat er voldoende inzicht moet zijn in de risico’s en de mogelijkheden deze te beheersen. Daarbij moet ook aandacht worden besteed aan de (soms negatieve) emotionele aspecten die met wonen op een voormalige stortplaats kunnen samenhangen. Woningbouw moet altijd veilig zijn en als veilig worden ervaren. 3.8Deelsaneringsplan, gefaseerde sanering en raamsaneringsplan Landelijk beleid Het uitgangspunt bij de uitvoering van een bodemsanering blijft dat het gehele geval van ernstige verontreiniging wordt aangepakt. De wet kent wel meerdere mogelijkheden om een flexibele aanpak te ondersteunen zoals de deelsanering en de gefaseerde aanpak. Deelsanering Een deelsanering kan plaatsvinden op grond van artikel 40 van de Wet bodembescherming. Randvoorwaarde is dat het belang van de bescherming van de bodem (artikel 1) zich daartegen niet verzet. Bij een deelsanering kan een nader onderzoek en saneringsplan voor slechts een deel van het geval worden uitgevoerd en opgesteld. Ook in die situatie moet een risico-evaluatie, voor het onderzochte deel, in het nader onderzoek worden opgenomen. Bij een vermoeden van een spoedeisend geval kan er aanleiding zijn om, los van de deel-sanering, verder onderzoek te eisen. Hiermee kan worden vastgesteld of sanering van het resterende deel op grond van milieuhygiënische risico’s noodzakelijk is. Het vermoeden van spoedeisendheid wordt bepaald aan de hand van historisch onderzoek en eventuele aanvullende onderzoeksgegevens (NEN 5740-onderzoek, nulonderzoek/BSB-onderzoek). Gefaseerde aanpak Op grond van de wet is het mogelijk om een sanering gefaseerd uit te voeren. Deze aanpak biedt het voordeel dat de sanering optimaal kan aansluiten bij de (ontwikkelings)dynamiek van de locatie. Het grote voordeel van een gefaseerde sanering is de vereenvoudiging van de hele procedure. Er wordt eenmalig een besluit genomen. In het saneringsplan staat de saneringsdoelstelling, het geeft aan uit welke fasen de sanering bestaat, en geeft op hoofdlijnen de uitwerking, planning en nazorg weer. Bij uitvoering wordt voorafgaand aan elke fase een gedetailleerde (technische) uitwerking opgesteld, en aan het bevoegd gezag ter beoordeling toegezonden. Het bevoegd gezag toetst aan het gefaseerde saneringsplan en het besluit hierop, maar er wordt geen nieuw besluit genomen. Ook kan per fase een (tussen)evaluatie plaatsvinden. Als een initiatiefnemer een afzonderlijk besluit op een tussenevaluatieverslag wenst, dan moet dit expliciet als fase in het saneringsplan zijn aangegeven, waarbij duidelijk is aangegeven wat de doelstelling is voor die betreffende fase. Raamsaneringsplan Het begrip raamsaneringsplan is niet in de wet omschreven. Gelders beleid en toelichting Voorwaarden voor een deelsanering Deelsaneringen zijn toegestaan, mits de deelsanering het belang van bescherming van de bodem niet schaadt. In Gelderland wordt hiervoor gekeken naar de volgende aspecten: De saneringsdoelstelling in artikel 38 Wbb: Dit betekent dat bij sanering van mobiele verontreinigingen sprake moet zijn van een integrale afweging om de risico’s van verspreiding en de nazorg zo veel mogelijk te beperken; Inzicht in resterende verontreiniging: De voorgestelde deelsanering en de ontwikkeling die daartoe aanleiding vormt, mag uiteraard geen belemmering vormen voor een eventuele toekomstige benodigde sanering van het overige deel. Deze aspecten worden vertaald naar de volgende toetscriteria: Als de melder is aan te spreken voor het gehele geval van bodemverontreiniging (zie bevelsbeleid, Hoofdstuk 7) en er zijn mogelijk onaanvaardbare risico’s, dan zal hij ook buiten zijn eigen perceel moeten onderzoeken en zo nodig saneren. Het belang van de bescherming van de bodem is er dan bij gebaat dat in ieder geval de risico’s van het geval volledig in beeld worden gebracht en dat de verontreiniging die deze risico’s met zich meebrengt wordt aangepakt; bij sanering van mobiele verontreinigingen kan niet worden ingestemd met alleen een sanering van de bovengrond of de bronzone. Er moet een integrale beoordeling plaatsvinden van de benodigde maatregelen voor de verontreiniging in zowel de vaste bodem als het grondwater (zie paragraaf 3.3 en 3.4). Zo nodig kan een gefaseerde aanpak plaatsvinden of kan worden aangesloten bij een gebiedsgerichte aanpak, mits daarmee al eerder is ingestemd (zie paragraaf 3.5); Als er onvoldoende inzicht is in mogelijke belemmeringen bij de vervolgaanpak, is onderzoek, voorafgaand aan de instemming met het deelsaneringsplan nodig. Bij belemmering van een benodigd vervolg, kan niet met de deelsanering worden ingestemd; Er mag geen herverontreiniging plaatsvinden van het gesaneerde deel door de achterblijvende restverontreiniging. Gefaseerde aanpak Het saneringsplan bevat in aanvulling op de wettelijke vereisten en de eisen genoemd in de provinciale en gemeentelijke verordeningen: een beschrijving van de verschillende fasen met de saneringsmaatregelen. Per fase wordt aangegeven welke aanvullende technische gegevens bij de melding van de start van de fase worden overgelegd; een planning voor de aanpak van de verschillende fasen. Met het verontreinigde deel dat de spoedeisendheid bepaalt, moet uiterlijk worden gestart op het tijdstip dat is opgenomen in het Besluit ernst en spoedeisendheid; een beschrijving van de wijze van evalueren per fase; het (verwachte) tijdstip waarop de sanering van de hele verontreiniging is afgerond; een communicatieplan als de actieve sanering langer duurt dan vijf jaar. Hierin moet worden aangegeven hoe de melder met belangen van derden omgaat. Speciale aandacht verdienen de zogenaamde 'nieuwe' belanghebbenden, zoals nieuwe bewoners bij gerealiseerde woningbouw waar in de omgeving nog gesaneerd moet worden. Raamsaneringsplan Zoals eerder aangegeven is het begrip raamsaneringsplan niet in de Wet bodembescherming omschreven. In de praktijk wordt wel regelmatig gesproken van een raamsaneringsplan zonder dat exact duidelijk is wat hiermee wordt bedoeld. Daarom is er voor gekozen in Gelderland nader invulling te geven aan dit begrip. Een raamsaneringsplan is een gefaseerd saneringsplan, maar dan zonder termijn(
  5. en)voor de verschillende fasen en zonder dat de termijn waarin de volledige sanering wordt afgerond exact vastligt. Het raamsaneringsplan kan gedetailleerd de uit te voeren sanering(
  6. en)beschrijven, maar het kan ook gaan om een raamsaneringsplan op hoofdlijnen (gericht op het bereiken van een saneringsdoel): bij een gedetailleerd raamsaneringsplan wordt van iedere deellocatie schriftelijk de start van de voorgenomen activiteit doorgegeven aan het bevoegd gezag (start melding); bij een raamsaneringsplan op hoofdlijnen wordt net als bij de gefaseerde aanpak vooraf-gaand aan elke fase een gedetailleerde uitwerking opgesteld (deelplan), en ter beoordeling aan het bevoegd gezag toegezonden; er wordt geen nieuw Besluit “instemming (deel)saneringsplan” genomen per activiteit of per deelfase, maar het bevoegd gezag kan wel toetsen aan het raamsaneringsplan en het besluit hierop. Als niet wordt voldaan aan het saneringsplan of het hierop genomen besluit wordt aangeven dat zo nodig handhavend wordt opgetreden; Per uitgevoerde saneringsactiviteit vindt door de melder een formele tussenevaluatie plaats waarop een besluit mogelijk is. Bekende voorbeelden zijn de sanering van een (diffuus) verontreinigde ophooglaag die in de loop der tijd wordt aangepakt in samenloop met ontwikkelingsplannen of de aanpak van een NS-emplacement met meerdere gevallen van bodemverontreiniging. Ten aanzien van raamsaneringsplannen gelden de volgende opmerkingen: omdat een besluit gericht is aan één rechtspersoon kunnen niet meerdere initiatiefnemers een beroep doen op een raamsaneringsplan. Het is dus geschikt als een soort bodem-beheersplan voor één bedrijf of de gemeente; als spoedeisende gevallen onderdeel uitmaken van een raamsaneringsplan, dan moeten de termijnen waarop gestart wordt met de sanering van die spoedeisende gevallen, zijn opgenomen in dat plan; een raamsaneringsplan kan niet worden gebruikt voor alleen de aanpak van het spoed-eisende deel van een geval, zonder termijn voor de totale aanpak. In die situatie moet een gefaseerde aanpak plaatsvinden, met een geplande einddatum; in situaties met directe belanghebbenden moet er gedurende het traject duidelijkheid zijn over de voortgang van de sanering en de geplande aanpak. Daarbij kan een communicatieplan worden geëist als onderdeel van het raamsaneringsplan (zie ook gefaseerde aanpak). 3.9Financiële zekerheidsstelling bij saneringen Landelijk beleid De Regeling financiële bepalingen biedt het bevoegde gezag de mogelijkheid om aan de instemming met een saneringsplan of nazorgplan, voorschriften te verbinden tot het stellen van financiële zekerheid door degene die de bodem saneert. Financiële zekerheid kan alleen worden geëist als de saneringskosten van het te saneren geval, of de kosten van nazorg na de sanering, voor meer dan 50% na een periode van ten minste vijf jaar na de start van de sanering zullen worden gemaakt. Het eisen van financiële zekerheidsstelling heeft ten doel om de financiering van sanerings- en nazorgmaatregelen door derden op lange termijn te waarborgen. Voorkomen moet worden dat, bij faillissement of beëindiging van het bedrijf, de maatregelen voor de voortzetting van sanering of nazorg gefinancierd moeten worden uit overheidsbudget. Dit geldt ook voor situaties waarbij de saneerder na afronding van een saneringsfase de saneringsplicht voor volgende saneringsfase(
  7. n)overdraagt. In dergelijke situaties is er een risico dat de nieuwe saneerder de kosten van het faalscenario niet kan opbrengen, en het faalscenario dus vanuit het overheidsbudget moet worden gefinancierd. Dat risico moet gedekt zijn in de financiële zekerheidsstelling. Gelders beleid en toelichting Het Gelders bevoegd gezag Wet bodembescherming zal financiële zekerheidstelling eisen in de volgende situatie: er is sprake van een spoedeisende sanering én de saneringskosten inclusief nazorg, worden voor meer dan 50% na een periode van ten minste vijf jaar na de start van de sanering gemaakt. Voor overheden geldt geen plicht tot financiële zekerheidstelling. De melder moet in het saneringsplan naast de totale kosten voor de sanering en nazorg vermelden welk deel van die kosten worden uitgegeven na vijf jaar (artikel 39, lid 6, van het Besluit financiële bepalingen). De kosten voor de nazorg, het in stand houden van voorzieningen en de uitvoering van het faalscenario moeten als te onderscheiden posten in de raming zijn opgenomen. Zowel de kans van falen als de hoogte van de kosten van het faalscenario worden meegenomen bij de bepaling van de hoogte van de financiële zekerheidstelling. De hoogte van de te stellen financiële zekerheid is dus maatwerk. Het bedrag waarvoor financiële zekerheid wordt geëist, is zodanig dat minstens een overbrug¬gingsperiode van tien jaar gedekt wordt. De verwachting is dat er meestal binnen tien jaar een koper voor het terrein is, die de verplichtingen van de sanering en/of de nazorg op zich neemt. In situaties waarbij verkoop binnen een periode van vijf jaar niet aannemelijk is, zoals bij voor¬malige stortplaatsen of saneringslocaties in agrarisch gebied, kan financiële zekerheid voor de gehele sanering worden geëist. De vorm van de financiële zekerheid kan worden bepaald in overleg tussen het bevoegd gezag en de melder. Mogelijke vormen zijn de bankgarantie, het verlenen van het recht van hypotheek of pandrecht, borgstelling door bijvoorbeeld een moederbedrijf en fondsvorming voor de duur van de sanering en de nazorg. Als overleg na twee keer niet tot overeenstemming leidt zal het bevoegd gezag Wet bodembescherming een bankgarantie eisen. 3.10Procedures melding saneringsplan en wijziging tenaamstelling Landelijk beleid Zowel op het saneringsplan als op een verzoek wijziging tenaamstelling neemt het bevoegd gezag Wet bodembescherming een besluit. Melding saneringsplan (artikel 28 Wet bodembescherming) Op grond van artikel 28 Wet bodembescherming moet degene die de bodem wil saneren of verontreinigingen wil verminderen of verplaatsen, van dat voornemen melding doen bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Bij de melding van een voornemen tot saneren van een ernstig geval moet een saneringsplan worden gevoegd, waarin de voorgenomen werk-zaamheden zijn beschreven. Het bevoegd gezag beoordeelt het saneringsplan op basis van artikel 38, 39 en 40 van de Wet bodembescherming. Aan een instemming kunnen voorschriften worden verbonden. De instemming met het saneringsplan is gekoppeld aan het Besluit vaststelling ernst en spoedeisendheid dat op basis van de artikelen 29 en 37 Wet bodembescherming wordt genomen. Wijziging tenaamstelling Het Besluit instemming saneringsplan is een (rechts)persoonsgericht besluit. Dit wil zeggen dat het besluit gericht is tot degene die voornemens is de bodem te saneren (de melder). Deze melder is verantwoordelijk voor de uitvoering van de sanering en de nazorg na saneren. Voordat het saneringsplan volledig is uitgevoerd, is het mogelijk dat door omstandigheden (bijvoorbeeld naar aanleiding van overdracht van de eigendom van de saneringslocatie) een ander de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de sanering en de nazorg wil overnemen. Om dit te kunnen realiseren is een gedeeltelijke herziening nodig van het besluit (gericht op de tenaamstelling) waarbij met het saneringsplan is ingestemd. Gelders beleid en toelichting Melding saneringsplan (artikel 28 Wet bodembescherming) Bij een melding saneringsplan moeten ondermeer de volgende gegevens worden aangeleverd: een volledig ingevuld en ondertekend meldingsformulier (zie de sites van het bevoegde gezag); de rapporten van het nader onderzoek, tenzij hier al een besluit op is genomen (zie 2.8) (op papier en digitaal, in PDF/A-formaat). Als de onderzoeksgegevens ouder zijn dan vijf jaar, moet aangetoond worden dat de gegevens nog actueel zijn. Zo nodig moet, afhankelijk van de situatie (mobiele of immobiele verontreiniging, het gebruik in de afgelopen jaren), een actualisatieonderzoek of een nieuw onderzoek plaatsvinden; de rapporten van het (deel)saneringsplan en eventuele onderliggende rapporten (sane-ringsonderzoek) (op papier en digitaal, in PDF/A formaat); een actuele kadastrale kaart met daarop aangegeven de I-contouren in grond en grond¬water; een lijst van eigenaren van de betrokken kadastrale percelen en andere direct belang-hebbenden binnen de gevalscontour grondverontreiniging en de I-contour grondwater-verontreiniging. In bijlage 4 is een toelichting gegeven op de procedurele aspecten bij het nemen van een besluit. Wijziging tenaamstelling De oorspronkelijke melder en degene die de sanering wil overnemen (de nieuwe melder) moeten gezamenlijk een verzoek doen aan het bevoegd gezag Wet bodembescherming om het besluit op naam te stellen van de nieuwe melder. Bij dit verzoek moeten de gegevens worden gevoegd van de nieuwe melder en een overzicht van de (nog te maken) sanerings- en zorgkosten met de daarvoor beschikbare middelen. Technisch-inhoudelijke aspecten van het saneringsplan kunnen niet ter discussie worden gesteld. Wil men dit wel, dan moet men een nieuwe melding doen met een gewijzigd saneringsplan. Bij de behandeling van het verzoek tot wijziging van de tenaamstelling van het Besluit instemming saneringsplan, worden vooral de financiële gevolgen van de wijziging van de tenaamstelling beoordeeld. De nieuwe melder dient aan te tonen dat deze voldoende financiële middelen ter beschikking heeft. Het Besluit wijziging tenaamstelling kan zowel een instemming als een weigering omvatten. 4UITVOERING, SANERING, EVALUATIE EN NAZORG VAN HISTORISCHE GEVALLEN (VOOR 1987) 4.1Uitvoeringsaspecten Landelijk beleid Kwalibo Nadat met het saneringsplan is ingestemd, kan de sanering starten. Er zijn diverse beoordelingsrichtlijnen (BRL’
  8. s)die moeten worden gevolgd (zie www.sikb.nl). Daarnaast geldt de Kwalibo-regelgeving waarin de kwaliteitsborging in het bodembeheer wettelijk is vastgelegd (zie ook paragraaf 1.2). Bodemintermediairs mogen alleen bepaalde werkzaamheden verrichten als zij daarvoor door het Ministerie van I&M zijn erkend. Het ministerie erkent hen alleen als ze volgens de betreffende BRL’s gecertificeerd zijn. Voor verschillende onderdelen van het werk bestaan ook verschillende BRL’s. Voorbeelden zijn de BRL SIKB 6000 voor “Milieukundige begeleiding en evaluatie van bodemsanering” (met de protocollen VKB 6001 t/m 6003) en de BRL SIKB 7000 voor “Uitvoering bodemsanering” (met de protocollen SIKB 7001 t/m 7003). Op de site van Bodem+ (www.agentschap.
  9. nl)staat een actueel overzicht van de erkenningen. Status evaluatieverslag en nazorgplan Het evaluatieverslag en het nazorgplan hebben wettelijke status (artikel 39c en 39d Wet bodem¬bescherming). Met de aanpassingswet Wbb worden de gebruiksbeperkingen opgenomen in het evaluatieverslag in plaats van in het nazorgplan. Dat betekent dat geen nazorgplan nodig is als alleen sprake is van gebruiksbeperkingen. Milieukundige begeleiding De milieukundige begeleiding is te onder te verdelen in twee taken: processturing: milieukundige aansturing tijdens de bodemsanering, aangeven van ontgravingsgrenzen, afvoer en grondbestemming, plaatsing en instelling van installaties, nemen van monsters ten behoeve van voortgangscontrole of in het kader van vergunningsvoorschriften; milieukundige verificatie: milieukundige controle van tussen- en eindsituatie, vastlegging van eindresultaat en beschrijving van de uitgevoerde saneringswerkzaamheden in een evaluatieverslag. In de protocollen BRL SIKB 6001 t/m 6003 is vastgelegd hoe beide taken moeten worden uitge¬voerd. Milieukundige begeleiders moeten onafhankelijk zijn van de opdrachtgever. Als zij een relatie hebben met de uitvoerend aannemer moet er een duidelijke interne functiescheiding zijn. Gelders beleid en toelichting In aanvulling op het landelijke beleid geldt in Gelderland het onderstaande beleid. Start sanering Zoals in hoofdstuk 3 is aangegeven, moet in het saneringsplan een planning worden opgenomen, inclusief de start- en einddatum (of start- en eindperiode) van de sanering. Als blijkt dat de sanering na die datum of periode zal starten, moet degene die de bodem saneert dit schriftelijk melden bij het bevoegde gezag Wet bodembescherming als wijziging van het saneringsplan (artikel 39, lid 4, Wbb). De melder moet hierbij aangeven of sanering volgens het oorspronkelijke plan nog mogelijk is. Wellicht is eerst actualisatie van het onderzoek gewenst of is door omstandigheden het plan niet meer uitvoerbaar. Het is van belang dat de melder voldoende ruimte hanteert in de startdatum, onder andere rekening houdend met andere vergunningprocedures, zodat niet al kort na instemming met het plan een wijziging op het saneringsplan nodig is. Er kan gestart worden met een sanering direct nadat het definitieve besluit is genomen. Door te starten binnen de bezwaar- of beroepstermijn loopt de melder wel het risico dat de beschikking, naar aanleiding van een gemaakt bezwaar of beroep, moet worden aangepast of moet worden teruggedraaid, of dat de sanering door de aanvraag van een voorlopige voor-ziening moet worden gestopt. De melder moet ten minste twee weken voor de feitelijke aanvang van de sanering of een nieuwe fase van de sanering de startdatum melden bij het bevoegd gezag. Ook het bereiken van de einddiepte bij ontgraven en het beëindigen van de sanering moet worden gemeld. Milieukundige begeleiding In het saneringsplan moet worden aangegeven hoe de beide taken van de milieukundige begeleiding worden ingevuld. Voor eisen aan bemonstering en analyse tijdens de sanering en eindbemonsterin¬gen bij saneringen wordt verwezen naar de protocollen die het SIKB heeft opgesteld. Voor de eindcontrole bij grondwatersaneringen zoals die in Gelderland moet worden uitgevoerd, wordt ook verwezen naar paragraaf 4.2. In overeenstemming met het landelijk beleid mag een bedrijf dat in Gelderland de uitvoering verricht op basis van een prestatie- of lumpsumcontract niet ook de milieukundige verificatie verrichten. Het bedrijf kan dan een financieel of ander belang hebben bij het saneringsresultaat, anders dan het objectief vaststellen van het eindresultaat (verificatie). Het bedrijf mag in die situatie wel de processturing doen. 4.2Zorg tijdens saneren Gelders beleid en toelichting Tijdens de sanering bestaat de zorg uit het monitoren van de verontreiniging met als doelen: te controleren of de ontwikkeling van de sanering in de praktijk verloopt als voorzien; het vaststellen en naleven van de gebruiksbeperkingen tijdens de sanering; het vaststellen van de eindsituatie. Het vaststellen van een stabiele eindsituatie maakt dus deel uit van de sanering en niet van de zorg na saneren. Bodemsaneringen kunnen bestaan uit een actieve aanpak, een passieve aanpak of een combinatie van beide. Bij de actieve aanpak wordt de verontreinigingsituatie actief beïnvloed, bijvoorbeeld door ontgraving, grondwateronttrekking, bodemluchtonttrekking, of het toedienen van voedings-stoffen ter stimulatie van biologische afbraak. De zorg is dan onder meer gericht op het controleren van de maatregelen en de effecten daarvan. De passieve aanpak bestaat uit monito

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.