wet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, de artikelen 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 gelezen in samenhang met artikel 9.1 van de Erfgoedwet, de artikelen 2.1 en 2.2, tweede lid, van de Wet
omgevingsrecht en artikel 8 van de Woningwet; besluit: vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving Gouda. Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen Bijlage I bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen. Artikel1.2Bevoegd gezag Het bevoegd gezag tot het nemen van besluiten op basis van deze verordening is, tenzij anders bepaald in deze verordening, het college. Hoofdstuk2Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 2.1 Aanwijzing en registratie van cultureel erfgoed §2.1.1Aanwijzing als gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur Artikel2.1.Aanwijzing als gemeentelijk monument 1.Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2.Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een monument als gemeentelijk monument bepalen, dat bouwhistorisch, cultuurhistorisch, tuinhistorisch, archeologisch onderzoek wordt verricht. 3.Dit artikel is niet van toepassing op: rijksmonumenten, en monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel2.2.Aanwijzing als gemeentelijk beeldbepalend pand 1.Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, besluiten een monument, dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, aan te wijzen als gemeentelijk beeldbepalend pand. 2.De in het eerste lid bedoelde aanwijzing richt zich op de verschijningsvorm of de samenhang met het stedenbouwkundig of architectonisch beeld. 3.Het interieur wordt niet betrokken bij de aanwijzing van een gemeentelijk beeldbepalend pand. 4.Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een pand als gemeentelijk beeldbepalend pand bepalen, dat bouwhistorisch, cultuurhistorisch, tuinhistorisch, archeologisch onderzoek wordt verricht. 5.Dit artikel is niet van toepassing op: rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel2.3.Aanwijzing als gemeentelijk beeldbepalende structuur 1.Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, besluiten een (stedenbouwkundige) structuur die van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk beeldbepalende structuur. 2.De in het eerste lid bedoelde beschrijving van een structuur richt zich op een onroerende zaak die deel uitmaakt van het cultureel erfgoed vanwege zijn verschijningsvorm of zijn samenhang met het stedenbouwkundig of architectonisch beeld. 3.Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van gemeentelijk beeldbepalende structuur bepalen, dat bouwhistorisch, cultuurhistorisch, tuinhistorisch, archeologisch onderzoek wordt verricht. Artikel2.4.Voornemen tot aanwijzing 1.Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.1, 2.2 of 2.3 maakt het college schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Voordat een kerkelijk gebouw als monument wordt aangewezen, voert het college overleg met de eigenaar van de kerk over het voornemen. Artikel2.5.Advies aanwijzing gemeentelijk monument en beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur 1.Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.1, 2.2 of 2.3 advies aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit. 2.In spoedeisende gevallen kan bij de toepassing van artikel 2.2 of 2.3 het vragen van advies, als bedoeld in het eerste lid, achterwege blijven. 3.De Adviescommissie Omgevingskwaliteit brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Artikel2.6.Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur 1.In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. 2.In een spoedeisend geval kan het college een monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur. 3.In de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt, in afwijking van artikel 2.5, aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur. 4.Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 2.1, 2.2 of 2.3. Artikel2.7.Inhoud aanwijzingsbesluit 1.De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijk beeldbepalend pand. 2.Het gehele kadastrale perceel valt onder het aanwijzingsbesluit, tenzij bepaalde gedeelten zijn uitgezonderd. Artikel2.8Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze zo snel mogelijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; gegevens van de door het college van de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap ontvangen afschriften van de inschrijving van rijksmonumenten in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet. Artikel2.9Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten, voorlopige gemeentelijke monumenten, gemeentelijke beeldbepalende panden en structuren, en voorlopige gemeentelijk beeldbepalende panden en structuren ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.Als het schrappen uit het register het doel is van de wijziging, dan is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument, pand of structuur, waarop de aanwijzing betrekking heeft, als zodanig teniet is gegaan. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument, pand of structuur, voor uitsluitend dat deel waarop de rijksaanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het geheel of gedeeltelijk vervallen van de aanwijzing, wordt zo snel mogelijk bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. §2.1.2Aanwijzing als gemeentelijk stads- en dorpsgezicht Artikel2.10Aanwijzing als gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, gebieden aanwijzen als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2.Het college zendt het voorstel voor een aanwijzing als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht voor advies aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit. 3.De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4.Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt zo snel mogelijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5.De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen stads- of dorpsgezicht een beschermend bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6.Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld. 7.Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen. 8.Dit artikel is niet van toepassing op stads- of dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet
omgevingsrecht. Artikel2.11Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijke stads- en dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 2.10, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of stads- of dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet
omgevingsrecht. 3.Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt dat zo snel mogelijk bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. §2.1.3Archeologische basiskaart Artikel2.12Archeologische basiskaart 1.De archeologische waarden en verwachtingen en het daaraan gekoppelde (instandhouding)beleid in Gouda zijn vastgelegd in de Archeologische Basiskaart, opgenomen in bijlage III en IV. 2.Het college is bevoegd tot het wijzigen van de waarden op de archeologische basiskaart. 3.Het college is bevoegd tot het wijzigen van de richtlijnen Archeologievriendelijk bouwen. §2.1.4Overige bepalingen Artikel2.13Beslistermijn Op een aanvraag om een aanwijzing als bedoeld in deze afdeling beslist het college binnen 26 weken. Afdeling 2.2 Overige aanwijzingen in de fysieke leefomgeving §2.2.1Aanwijzing van namen en nummers in de openbare ruimte Artikel2.14Naamgeving woonplaatsen en openbare ruimte 1.Het college stelt de grens en de naam van een of meer woonplaatsen vast en kan deze in wijken en buurten verdelen conform de eisen die het Centraal Bureau voor de Statistiek aan deze indeling verbindt. 2.Het college kent per woonplaats namen toe aan delen van de openbare ruimte en zo nodig aan gemeentelijke gebouwen en bouwwerken. 3.Onder vaststellen, verdelen en toekennen als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan. Artikel2.15Vaststellen van lig- en standplaatsen, afbakenen van panden en verblijfsobjecten en toekennen van nummers 1.Het college stelt de ligplaatsen en standplaatsen vast. 2.Het college kent binnen het grondgebied van de gemeente nummers toe aan verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen. 3.Het college bepaalt de afbakening van panden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen. 4.De toekenning of afbakening, bedoeld in het tweede en derde lid, kan op voor personen toegankelijke objecten, zijnde niet verblijfsobjecten of op afgebakende terreinen worden toegepast, indien dat naar oordeel van het college noodzakelijk is. 5.Onder vaststellen, toekennen en bepalen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan. §2.2.2Vaartuigen Artikel2.16Aangewezen ligplaatsen op de ligplaatsenkaart 1.De plaatsen waar vaartuigen ligplaats mogen hebben, zijn aangewezen op de door het college vastgestelde ligplaatskaarten. 2.De plaatsen aangewezen in de Breevaart en de Molenvliet zijn niet bestemd voor woonschepen en bedrijfsvaartuigen. 3.De plaatsen aangewezen in het Binnenhavenmuseum Turfsingel zijn bestemd voor historische bedrijfsvaartuigen. §2.2.3Houtopstanden Artikel2.17Aanwijzing bebouwde kom voor houtopstanden De bebouwde kom in de zin van artikel 4.1 onder a van de Wet natuurbescherming is vastgesteld in de Bebouwde kom kaart, opgenomen in bijlage II. § 2.2.4 Deelvervoer Artikel 2.17a Verboden stallingsplaatsen Het college kan stallingsplaatsen, wegen of weggedeelten of gebieden aanwijzen waar: het verboden is om voertuigen of categorieën van voertuigen als bedoeld in artikel 3.26a, eerste lid, te plaatsen, of het verboden is om voertuigen of categorieën van voertuigen als bedoeld in het eerste lid ter gebruik aan te bieden. Hoofdstuk3Activiteiten in de fysieke leefomgeving Afdeling 3.1 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed §3.1.1Algemene bepalingen Artikel3.1Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: het belang van het behoud van cultureel erfgoed; het belang van godsdienstuitoefening in een kerkelijk monument; het belang van het behoud van archeologische waarden. Artikel3.2Toepassingsbereik gemeentelijk monument, beeldbepalend pand, beeldbepalende structuur en stads- en dorpsgezicht 1.Deze afdeling is van toepassing op een beschermd gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur waarover: een besluit tot aanwijzing als zodanig heeft plaatsgevonden; of een voornemen als bedoeld in artikel 2.4 is bekendgemaakt; 2.Het eerste lid onder b geldt niet voor een monument, archeologisch monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur waarvan het aanwijzingsbesluit is herroepen of vernietigd of waarover de aanwijzing definitief wordt, door inschrijving in het gemeentelijke erfgoedregister. 3.Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op een voorlopig beschermd gemeentelijke beeldbepalend pand, een voorlopig gemeentelijk beeldbepalende structuur vanaf het moment dat het besluit tot aanwijzing als zodanig aan belanghebbenden is bekendgemaakt. 4.Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht waarover een besluit tot aanwijzing als zodanig heeft plaatsgevonden. Artikel3.3Toepassingsbereik archeologische waarden Deze afdeling is van toepassing op archeologische waarden zoals aangegeven op de archeologische basiskaart van bijlage III en IV. §3.1.2Instandhouden, vernielen, slopen, ontsieren van cultureel erfgoed Artikel3.4Instandhoudingsplicht Het is de rechthebbende en gebruikers verboden een gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel3.5Omgevingsvergunning gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur 1.Het is verboden om de volgende activiteiten, met betrekking tot een beschermd gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur, te verrichten zonder omgevingsvergunning: slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen, of herstellen, gebruiken of laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.De vergunningplicht, bedoeld in het eerste lid, geldt niet, indien de activiteit betrekking heeft op: gewoon onderhoud als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1 van bijlage II van het BOR, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt, of bij gemeentelijke monumenten een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde of betekenis heeft. 3.Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere voorschriften stellen voor de uitvoering van werkzaamheden aan een beschermd gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur. 4.De vergunningplicht bedoeld in het eerste lid strekt zich bij beeldbepalend pand uitsluitend uit over de gevel(s). Artikel3.6Beoordelingsregels 1.De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, kan slechts worden verleend voor zover deze niet strijdig is met de belangen, bedoeld in artikel 3.1 onder a. 2.De omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument kan slechts worden verleend met overeenstemming met de eigenaar en zover dit niet in strijd is met de belangen, bedoeld in artikel 3.1 onder a en b. Artikel3.7Advies omgevingsvergunning gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur 1.In geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beschermd gemeentelijk monument, beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur vraagt het college advies aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit voordat het beslist op de aanvraag. 2.Binnen vier weken na de adviesaanvraag brengt de desbetreffende commissie schriftelijk advies uit aan het college. Artikel3.8Intrekken van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, kan door het college worden ingetrokken: als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; als blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 3.5, derde lid, niet naleeft; voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument, het beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur zwaarder dient te wegen; als niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning substantieel gebruik wordt gemaakt van de vergunning. Artikel3.9Servicemoment monumentenadviseur Eigenaren kunnen voorafgaande aan de werkzaamheden contact opnemen met de monumentenadviseur van de Omgevingsdienst. De activiteiten van deze monumentenadviseur tijdens dit servicemoment zijn: het inbrengen van de ervaring en expertise die bij de Omgevingsdienst aanwezig is; het adviseren van de eigenaar of architect over de beoordeling van waarden, technische urgentie en financiële aanpak. §3.1.3Bescherming gemeentelijk stads- en dorpsgezicht Artikel3.10Omgevingsvergunning gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1.Het is in een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen. 2.De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3.De artikelen 3.6 en 3.8 zijn van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet. Artikel3.11Advies omgevingsvergunning gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1.In geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning in een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht vraagt het college advies aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit voordat het beslist op de aanvraag. 2.Binnen vier weken na de adviesaanvraag brengt de desbetreffende commissie schriftelijk advies uit aan het college. §3.1.4Bescherming archeologische waarden en verwachtingen Artikel3.12Instandhoudingsplicht en omgevingsvergunning archeologische waarden en verwachtingen 1.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning of in strijd met de bij de vergunning gestelde voorschriften werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aanwezen als hoogwaardige locatie met bijzondere waarde. Dit is niet van toepassing indien het een gemeentelijk archeologisch monument betreft en om die reden voor deze werkzaamheden op grond van artikel 3.5 reeds een omgevingsvergunning is vereist. 2.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning of in strijd met de bij de vergunning gestelde voorschriften werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aanwezen als hoogwaardige locatie, tenzij: de werkzaamheden die het bodemarchief verstoren een oppervlakte van minder dan 25 m² betreffen, of er gewerkt wordt volgens de Richtlijn Archeologievriendelijk Bouwen (zie bijlage V bij deze verordening). 3.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren te verrichten op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als hoogwaardige locatie, verstoord tot 1,5 meter onder het maaiveld, tenzij: de werkzaamheden die het bodemarchief verstoren een oppervlakte van minder dan 25 m² betreffen, of de werkzaamheden die het bodemarchief verstoren niet dieper gaan dan 1,5 meter onder het maaiveld, of er gewerkt wordt volgens de Richtlijn Archeologievriendelijk Bouwen (zie bijlage V bij deze verordening). 4.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als locatie met een hoge verwachting, vanaf 0,5 meter onder maaiveld, tenzij: deze werkzaamheden een oppervlakte van minder dan 100 m² betreffen. 5.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als locatie met een hoge verwachting vanaf 2 meter onder het maaiveld, tenzij: deze werkzaamheden een oppervlakte van minder dan 100 m² betreffen of deze werkzaamheden niet dieper gaan dan 2 meter onder het maaiveld. 6.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als locatie met een lage verwachting, tenzij deze werkzaamheden een oppervlakte van minder dan 10.000 m² betreffen. 7.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden te verrichten in waterwegen als bedoeld in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV, voor zover het gaat over: baggerwerkzaamheden, het uitzeven van de bodems van waterwegen, werkzaamheden die op andere wijze de archeologische waarde van de bodems van waterwegen aantasten. Artikel3.13Indiening aanvraag 1.De aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.12 moet de volgende gegevens bevatten: naam en adres van de aanvrager; locatie en omschrijving van de voorgenomen werkzaamheden; tijdsplanning. een gespecificeerde en met archeologisch onderzoek onderbouwde archeologische waardering van het terrein waarop de omgevingsaanvraag betrekking heeft, waaronder een archeologisch bureauonderzoek of een inventariserend veldonderzoek. 2.Het bevoegd gezag kan ter beoordeling van de aanvraag nadere gegevens van de aanvrager verlangen, waaronder een archeologische waardering, zoals opgenomen in een archeologisch bureauonderzoek. Artikel3.14Voorschriften en beperkingen 1.Het bevoegd gezag kan aan de verlening van de omgevingsvergunning voorschriften en beperkingen verbinden, waaronder het opleggen van de verplichting een archeologische opgraving of opgraving-variant begeleiding (behoud ex situ) te doen op basis van een vooraf door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen; het opleggen van de verplichting tot het treffen van maatregelen waarmee de fysieke instandhouding van de archeologische vindplaats is gewaarborgd. Bij een archeologievriendelijk bouwplan waarbij aan de criteria die in bijlage V zijn genoemd, wordt voldaan, wordt geen verplichting tot het doen van een opgraving opgelegd. 2.De omgevingsvergunning wordt geweigerd voor zover deze strijdig is met het belang, bedoeld in artikel 3.1 onder c. Artikel3.15Intrekken van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken indien: blijkt dat de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; blijkt dat de vergunninghouder zich niet houdt aan de voorschriften van de vergunning als bedoeld in artikel 3.14 eerste lid. Artikel3.16Wijzigen kwalificatie van een locatie Op grond van een melding als bedoeld in artikel 5.10 en artikel 5.11 van de Erfgoedwet en op grond van de resultaten van archeologisch onderzoek kan het college de kwalificatie van een locatie wijzigen. Afdeling 3.2 Activiteiten in de openbare ruimte §3.2.1.
Artikel3
.17Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: het belang van de openbare orde; het belang van de openbare veiligheid; het belang van de volksgezondheid; het belang van het milieu. Artikel3.18Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op activiteiten in de openbare ruimte, voor zover geregeld in deze afdeling. Artikel3.19Indiening aanvraag 1.Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de omgevingsvergunning nodig heeft, kan het bevoegd gezag besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2.Het eerste lid geldt niet voor zover in deze afdeling andere indieningstermijnen zijn bepaald. Artikel3.20Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling wordt verleend voor zover deze niet strijdig is met de belangen, bedoeld in artikel 3.
- Artikel3.21Voorschriften en beperkingen 1.Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de omgevingsvergunning is vereist. 2.Degene aan wie een omgevingsvergunning is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel3.22Persoonlijk karakter van een omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel3.23Intrekken of wijzigen van de omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de omgevingsvergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de omgevingsvergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder dit verzoekt. Artikel3.24Termijnen 1.Een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de omgevingsvergunning anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de omgevingsvergunning verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal omgevingsvergunningen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare omgevingsvergunningen overtreft. §3.2.2.Gebruik van een openbare plaats Artikel3.25Omgevingsvergunning gebruik openbare plaats 1.Het is verboden een openbare plaats te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan zonder een omgevingsvergunning. 2.Het in het eerste lid gestelde vergunningplicht is niet van toepassing op: voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; standplaatsen als bedoeld in afdeling 3.4 in dit hoofdstuk; evenementen als bedoeld in artikel 2:5 van de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2020; terrassen als bedoeld in artikel 2:9 van de Algemene plaatselijke verordening Gouda
- 3.Het college kan categorieën voorwerpen of stoffen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt voor zover wordt gehandeld overeenkomstig door het college vast te stellen nadere regels. 4.De in het eerste lid gestelde vergunningsplicht geldt niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening Zuid-Holland van toepassing zijn. 5.Het is verboden op, aan, over of boven de openbare plaats voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de openbare plaats, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats. 6.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. Artikel3.26Beoordelingsregels 1.De omgevingsvergunning kan, onverminderd artikel 3.25, worden verleend: indien het beoogde gebruik geen schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving voldoet aan redelijke eisen van welstand; het belang van de voorkoming of beperking van overlast of gevaar voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak zich hier niet tegen verzet. Artikel 3.26a Omgevingsvergunning deelvervoer
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college bedrijfsmatig voertuigen, bedoeld in de bijlage I van deze verordening, voor gebruik door derden op de weg te plaatsen.
- Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen categorieën voertuigen.
- De vergunning wordt aangevraagd onder gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier.
- Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: het adres en telefoonnummer van de aanvrager; het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; een exploitatieplan.
- Indien het college het nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.
- In afwijking van artikel 3.24 wordt de vergunning verleend voor de duur van twee jaar, tenzij bij de vergunning anders is bepaald.
- Aanvragen voor een vergunning, als bedoeld in het eerste lid, worden behandeld op volgorde van binnenkomst. Het tijdstip van ontvangst van de leges is bepalend voor de rangschikking.
- Het college kan ter bescherming van de in artikel 3.26b eerste lid genoemde belangen per categorie of type voertuig besluiten een plafond instellen voor het maximum aantal voertuigen waarvoor vergunning verleend kan worden en besluiten een plafond in te stellen voor het maximum aantal te verlenen vergunningen. Artikel 3.26b Beoordelings-, intrekkings- en wijzigingsgronden
- Het college kan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.26a verlenen indien: een door het college vastgesteld vergunningen- of voertuigenplafond door verlening niet wordt overschreden; als het ter gebruik aanbieden van de voertuigen geen: gevaar oplevert voor de veiligheid van de gebruikers, de verkeersveiligheid of de doorstroming van het verkeer; hinder veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat; een nadelige invloed heeft op het milieu; onevenredig beslag legt op de openbare ruimte, of afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte. niet in strijd wordt gehandeld met het exploitatieplan van de vergunninghouder;
- Het college kan, onverminderd artikel 3.23, een omgevingsvergunning deelvervoer intrekken of wijzigen indien niet wordt voldaan aan de beoordelingsgronden van het eerste lid. Artikel3.27Omgevingsvergunning maken of veranderen van een uitweg 1.Voor de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning van het college vereist: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.De vergunningplicht, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Keur Rijnland 2020 of de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Artikel3.28Beoordelingsregels 1.Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.27, kan worden verleend wanneer de volgende belangen zich hier niet tegen verzetten: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de verkeersvrijheid of –veiligheid; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. Artikel3.29Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht. §3.2.3.Geluidhinder Artikel3.30Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.31 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 3.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 4.Op dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit, en artikel 3.31 van deze verordening, uiterlijk om 00:30 uur beëindigd als dag valt op een zondag tot en met donderdag en uiterlijk om 01:30 uur als de dag valt op een vrijdag en zaterdag. 5.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 55 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. De toeslag voor muziekgeluid van 10 dB(A) en de bedrijfsduurcorrectie wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. Artikel3.31Onversterkte muziek 1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid van het Activiteitenbesluit binnen inrichtingen is de onder e opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. Tabel locatie 7.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A)) 30 dB(A) 25 dB(A LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 2.Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit van toepassing. 3.Het eerste lid geldt niet indien artikel 3.30 of artikel 3.36 van deze verordening van toepassing is. 4.Bij muzikale optredens op de openbare weg wordt geen gebruik gemaakt van een toeter, spreekbuis of anderszins versterkte zang of muziek. Artikel3.32Geluidhinder door machines e.a. tijdens de daguren 1.Het is verboden om tussen 07.00 uur en 19.00 uur (bouw)machines, (recreatie)toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving onevenredige of langdurige geluidhinder wordt veroorzaakt zonder een omgevingsvergunning. 2.Het verbod geldt niet voor zover het geluid wordt veroorzaakt binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit of in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder of door het Bouwbesluit 2012, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Milieuverordening Zuid-Holland. 3.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel. Artikel3.33Geluidhinder tijdens de avonduren 1.Het is verboden om tussen 19.00 uur en 23.00 uur machines, motorvoertuigen, (recreatie)toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt zonder een omgevingsvergunning. 2.De vergunningsplicht is niet van toepassing voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen nadere regels ter beperking van geluidhinder. 3.De vergunningsplicht is niet van toepassing op situaties, dat vergunning is verleend op basis van artikel 2:5 APV, het geluid wordt veroorzaakt binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit of in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Bouwbesluit 2012, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Milieuverordening Zuid-Holland. 4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel. Artikel3.34Geluidhinder tijdens de nachturen 1.Het is verboden om tussen 23.00 uur en 07.00 uur machines, motorvoertuigen, (recreatie)toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt zonder een omgevingsvergunning. 2.Het verbod geldt niet voor zover vergunning is verleend op basis van artikel 2:5 APV, het geluid wordt veroorzaakt binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het activiteitenbesluit of in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Bouwbesluit 2012, de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening. 3.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel. Artikel3.35Omgevingsvergunning generator 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning aan boord van een afgemeerd schip een generator te gebruiken in gebieden die het college heeft aangewezen. 2.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel. Artikel3.36Kennisgeving incidentele festiviteiten 1.Het is de houder van een omgevingsvergunning voor een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.31 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2.Het is de houder van een omgevingsvergunning voor een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 4.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd. 5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.Op de festiviteiten, bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.31 - op zondag tot en met donderdag uiterlijk om 00:30 uur en op vrijdag en zaterdag uiterlijk om 01.30 uur beëindigd. 7.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 55 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. De toeslag voor muziekgeluid van 10 dB(A) en de bedrijfsduurcorrectie wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. 8.Het is verboden de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid te houden op een buiten de besloten ruimte liggend deel van de inrichting. Hieronder is in elk geval het terras begrepen. 9.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. §3.2.4.Beheer en bescherming van de openbare ruimte Artikel3.37Natuurlijke behoefte doen Het is verboden op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 3.37a Verbod oplaten ballonnen
- Het is verboden een ballon, van welk materiaal dan ook, door middel van helium of enig ander gas dat lichter dan lucht is, op te laten in de buitenlucht zonder dat deze op enige wijze met het aardoppervlak verbonden is.
- Het verbod is niet van toepassing op luchtvaartuigen als bedoeld in de Wet luchtvaart. Artikel 3.37b Verbod gebruik confetti en serpentine Het is verboden confetti en serpentine, van een ander materiaal dan afbreekbaar papier, op een openbare plaats te gebruiken. Artikel3.38Bescherming en omgevingsvergunning groenvoorzieningen 1.Alleen diegenen die daartoe bevoegd zijn mogen schade toebrengen of verandering aanbrengen aan openbare groenvoorzieningen. 2.Het is verboden zonder daartoe bevoegd te zijn om schade toe te brengen aan openbare groenvoorzieningen of om een voorwerp, zoals een container, caravan of kampeertent in of op openbare groenvoorzieningen te plaatsen. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het plaatsen van een voorwerp in een openbare groenvoorziening. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het plaatsen en laten staan van een container, caravan, kampeertent, voertuig of enig ander voorwerp in een openbare groenvoorziening. 3.Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning van het college met een voertuig of een paard in of door een openbare groenvoorziening te rijden of daarin een voertuig te plaatsen. Het verbod is niet van toepassing op situaties, dat voertuigen worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid en voor voertuigen, waarmee een standplaats is ingenomen op terreinen die daarvoor zijn bestemd. 4.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod als bedoeld in het derde lid niet van toepassing is. Het college kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen van overlast; in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van het publiek. 5.Het verbod is niet van toepassing op bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als bedoeld in het eerste lid; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als bedoeld in het eerste lid; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 6.Het verbod, bedoeld in het derde lid, geldt voorts niet binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Zuid-Holland aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. 7.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel. Artikel3.39Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.38, tweede en derde lid, kan, onverminderd artikel 3.20, worden verleend: indien het beoogde gebruik geen schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; het belang van de voorkoming of beperking van overlast of gevaar voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak zich hiertegen niet verzet. §3.2.5.Reclame Artikel3.40Omgevingsvergunning handelsreclame 1.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is. 2.Het eerste lid geldt niet voor onverlichte opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, voor zover het gaat over: opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. 3.De vergunningsplicht geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits: deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn, en de opschriften of aankondigingen niet meer dan 50% van het oppervlak van glazen puien, deuren en/of ramen bedekken. 4.Bij een aanvraag tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning moet in ieder geval in tweevoud worden overgelegd: een beschrijving met tekeningen op schaal 1:10; indien mogelijk foto's; een opgave van de materialen en kleuren. Artikel3.41Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.40, kan worden verleend: indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving voldoet aan redelijke eisen van welstand; het belang van de verkeersveiligheid zich hier niet tegen verzet; het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak, zich hier niet tegen verzet. §3.2.6.Kamperen Artikel3.42Omgevingsvergunning recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden binnen een kampeerterrein dat niet als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod is niet van toepassing op het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Met een omgevingsvergunning van het college kan worden afgeweken van het verbod. 4.Onverminderd artikel 3.20 kan de omgevingsvergunning worden verleend zolang dit niet in strijd is met het belang van de bescherming van natuur en landschap of van een stadsgezicht. 5.Het college kan per categorie kampeermiddelen plaatsen aanwijzen waarop het verbod niet geldt. 6.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel. §3.2.7.Standplaatsen Artikel3.43Omgevingsvergunning standplaats 1.Het is verboden om een standplaats in te nemen of te hebben zonder een omgevingsvergunning. 2.De in het eerste lid gestelde vergunningsplicht geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben en te koop aanbieden, verkopen, verstrekken en demonstreren van zelfgemaakte voorwerpen, zoals schilderijtjes, sieraden en kleding, dit voor zover door het college bij openbare kennisgeving daartoe één of meer gedeelten of straten van de gemeente zijn aangewezen en onder de bij bedoelde openbare kennisgeving bepaalde voorschriften. 3.De in het eerste lid gestelde vergunningsplicht geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Zuid-Holland. 4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op dit artikel. Artikel3.44Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning kan, onverminderd artikel 3.20, worden verleend: indien de standplaats is toegestaan in een geldend bestemmingsplan, indien de standplaats op zichzelf of in verband met de omgeving voldoet aan eisen van redelijke welstand, en indien de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen past binnen het redelijke verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse. Artikel3.45Toestemming rechthebbende De rechthebbende laat niet toe dat zonder omgevingsvergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen op zijn perceel. Afdeling 3.3 Bouwactiviteiten §3.3.1.
Artikel3
.46Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op bouwactiviteiten in de fysieke leefomgeving. §3.3.2.Bodemverontreiniging Artikel3.47Het onderzoek naar bodemverontreiniging 1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: de resultaten van een recent standaard vooronderzoek verricht volgens NEN 5725 (uitgave 2009); indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat er een bodemverontreiniging aanwezig is, worden tevens ingediend de resultaten van een recent milieu-hygiënisch verkennend bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1; indien op basis van het milieu-hygiënisch verkennend bodemonderzoek een vermoeden bestaat dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, worden tevens ingediend de resultaten van een nader onderzoek, verricht volgens NTA 5755 (uitgave 2010); indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003. 2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht,. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. 3.Het college staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 3.1a Wet
omgevingsrecht bij het college reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijke ontheffing verlenen van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet
omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is, dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009, niet rechtvaardigen. 5.Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt en er als gevolg van de aanwezige bouwwerken vooraf geen goed beeld kan worden verkregen van de bodemsituatie, vindt het bodemonderzoek plaats nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. 6.Bodemonderzoeken dienen geheel overeenkomstig vastgestelde protocollen en NEN normen en overeenkomstig hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit te worden uitgevoerd. De onderzoeksbureaus moeten in het bezit zijn van een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Dit lid is niet van toepassing op vooronderzoeken van voor 1 juli
- De rapportage moet als volgt worden ingediend: een papieren rapportage; een digitaal exemplaar in pdf-bestand en een digitaal exemplaar in SIKB-0101 xml-bestand (meest recente versie). Artikel3.48Bouwen op verontreinigde grond Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag worden gebouwd zover dat bouwen geen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist en dat de grond raakt of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd Artikel3.49Voorschriften en beperkingen Onverminderd artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. §3.3.3.Advisering over ruimtelijke kwaliteit bij bouwen Artikel3.50Welstandscriteria Een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen wordt getoetst aan de welstandscriteria als aangegeven in artikel 3.
- Artikel3.51Adviescommissie Omgevingskwaliteit 1.De advisering over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken waarvoor geen sneltoetscriteria zijn opgenomen in de welstandsnota wordt uitgevoerd door de Adviescommissie Omgevingskwaliteit. 2.De Adviescommissie Omgevingskwaliteit baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. 3.Het college beoordeelt zonder advies van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit of bouwwerken waarvoor sneltoetscriteria in de welstandsnota staan niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Het college baseert hun standpunt op de in de welstandsnota genoemde sneltoetscriteria. Artikel3.52Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 1.De behandeling van aanvragen voor omgevingsvergunningen door of onder verantwoordelijkheid van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit is openbaar. De agenda voor de vergadering van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit wordt uiterlijk één dag voor de vergadering gepubliceerd op de website van de gemeente Gouda. Indien het college - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan dient het college daaraan klemmende redenen op grond van artikel 5.1 van de Wet open overheid ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2.Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag heeft verzocht, wordt deze door of namens de Adviescommissie Omgevingskwaliteit in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. 3.In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, ontvangt de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. 4.Belanghebbenden hebben geen spreekrecht. Artikel3.53Afdoening onder verantwoordelijkheid 1.De Adviescommissie Omgevingskwaliteit kan slechts advies over een bouwplan uitbrengen indien ten minste drie leden aanwezig zijn. 2.De Adviescommissie Omgevingskwaliteit kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van het voorgaande lid, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit als bekend mag worden verondersteld. In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit. 3.De Adviescommissie Omgevingskwaliteit adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. 4.Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het college gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Artikel3.54Nadere regels taken, samenstelling en werkwijze Adviescommissie Omgevingskwaliteit Nadere regels over taken, samenstelling en werkwijze van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit zijn vastgelegd in het Reglement van orde op de Adviescommissie Omgevingskwaliteit zoals opgenomen in bijlage VII van deze verordening. §3.3.4.Actualisering van NEN- en andere normen. Artikel3.55Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het college is het bevoegd gezag en is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Afdeling 3.4 Marktstandplaats innemen §3.4.1.
Artikel3
.56Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het innemen, verlenen, intrekken en verwijdering van een marktstandplaats en het vaststellen van de inrichting van de markt. §3.4.2.Locatie markt Artikel3.57Inrichting van de markt 1.Het college bepaalt ten aanzien van de markt: de locatie, de dag en de tijden van de markt; het aantal marktstandplaatsen; de afmetingen van de marktstandplaatsen; de opstelling en de indeling van de markt; welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats. 2.Het college kan voor de markt vaststellen: een lijst met artikelengroepen of branches; een maximum aantal marktstandplaatsen per branche; de instelling van een marktpromotiefonds. Artikel3.58Andere locatie, indeling of afgelasting 1.Het college kan besluiten de markt om bijzondere of dringende redenen af te gelasten dan wel onmiddellijk te beëindigen. 2.Het college kan een andere opstelling en indeling van de markt vaststellen ten behoeve van het plaats vinden van evenementen; 3.Het college kan tijdelijk een andere locatie voor de markt vaststellen ten behoeve van de kermis of van een ander bijzonder evenement, met inachtneming van voorafgaand goed overleg met alle betrokken partijen en na een zorgvuldige afweging van alle betrokken belangen. 4.Het college stelt de opstelling en de indeling van de markt vast indien de markt op een andere locatie plaatsvindt. §3.4.3.Omgevingsvergunning marktstandplaats Artikel3.59Omgevingsvergunning vaste marktstandplaats Het is verboden om een marktstandplaats op een markt in te nemen zonder een omgevingsvergunning. Artikel3.60Voorschriften en beperkingen 1.Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een krachtens deze afdeling verleende omgevingsvergunning ter bescherming van de belangen in verband waarmee de omgevingsvergunning is vereist. 2.Degene aan wie krachtens deze afdeling een omgevingsvergunning is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen. Artikel3.61Indiening aanvraag 1.Voor toewijzing van een marktstandplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon, die een aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft ingediend bij het college en die daarbij tevens aantoont dat deze persoonlijk voldoet aan alle publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisatie. 2.Vaststelling van de identiteit en verblijfsrechtelijke positie geschiedt aan de hand van documenten als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel3.62Intrekken van de omgevingsvergunning 1.Het college trekt een omgevingsvergunning vaste marktstandplaats in: op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder; bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van de nadere regels, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, de vergunning wordt overgeschreven; indien de vergunninghouder in staat van faillissement komt te verkeren. indien de vergunninghouder blijvend arbeidsongeschikt is, tenzij op grond van de nadere regels, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, de vergunning wordt overgeschreven; 2.Het college kan een omgevingsvergunning vaste marktstandplaats intrekken: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 3.61 genoemde vereisten. 3.Indien degene op wie een omgevingsvergunning nadere regels, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, is overgeschreven, reeds omgevingsvergunning heeft voor een andere vaste marktstandplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde omgevingsvergunning ingetrokken. Artikel3.63Intrekken en schorsen van de omgevingsvergunning Het college kan een omgevingsvergunning vaste marktstandplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. §3.4.4.Uitsluiting of verwijdering wegens overtreding Artikel3.64Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: het bepaalde bij of krachtens deze afdeling overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet als standwerker de gehele dag actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats; niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Artikel3.65Onmiddellijke verwijdering Onverminderd artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien deze: het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats. Afdeling 3.5 Ondergrondse infrastructuur §3.5.1.
Artikel3
.66Toepassingsbereik 1.Deze afdeling is van toepassing op de aanleg, het behouden, het onderhoud en het verwijderen van leidingen in de openbare ruimte en in of op kunstwerken. 2.Deze afdeling is niet van toepassing op: kabels, bedoeld in de Telecommunicatiewet; de leidingen, die onderdeel zijn van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer of deel uitmaken van drukapparatuur als bedoeld in het Warenwetbesluit drukapparatuur
- §3.5.2.Omgevingsvergunning leidingen Artikel3.67Omgevingsvergunning leidingen 1.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning, in, op of boven de openbare ruimte, en in of op kunstwerken, een leiding: aan te leggen of te houden; te onderhouden, of behoudens het bepaalde in artikel 3.80, te verwijderen. 2.Het is verboden om een leiding zonder of in strijd met een omgevingsvergunning: te wijzigen; te verplaatsen; een andere functie te geven dan die in de vergunning is omschreven. Artikel3.68Beoordelingsregels 1.Een omgevingsvergunning leidingen wordt verleend, indien wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze afdeling. 2.De aanvraag wordt ingediend bij het college door middel van een daartoe vastgesteld formulier. 3.In geval van reparaties en het maken van huisaansluitingen met een maximale lengte van 25 meter in openbare gronden geldt ten opzichte van de vorige leden een verkorte procedure, inhoudende dat tenminste twee werkdagen voorafgaande aan de werkzaamheden door de leidingexploitant een aanvraag is gedaan door middel van een door het college vastgesteld formulier en voor de beoogde werkzaamheden een omgevingsvergunning is verleend. Aan de omgevingsvergunning kunnen door het college voorwaarden worden gesteld. 4.Indien de werkzaamheden spoedeisend zijn dient de melding, bedoeld in het derde lid, zo spoedig mogelijk doch voor aanvang van de werkzaamheden door het college ontvangen te zijn. Artikel3.69Aanhouden aanvraag omgevingsvergunning leidingen 1.Het college houdt een beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning aan indien er geen grond is om de omgevingsvergunning te weigeren en voor de aanleg, verplaatsing of verwijdering van de leiding tevens een bouwvergunning of een andere gemeentelijke vergunning vereist is, tenzij: de betreffende vergunning is afgegeven en zes weken zijn verstreken waarbinnen geen bezwaar is aangetekend dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend en dat verzoek is toegewezen. 2.De omgevingsvergunning leidingen wordt alleen verleend in indien wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze afdeling. Artikel3.70Voorschriften en beperkingen 1.Het college kan aan de omgevingsvergunning voorschriften, beperkingen en een tijdsduur verbinden. 2.De voorschriften en beperkingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op: de bescherming van de openbare orde; de bescherming van de bodem; de bescherming van de volksgezondheid; de voorkoming van gevaar, schade of hinder; de verkeersveiligheid en goede doorstroming van het verkeer; het verschaffen van nadere informatie; de bescherming en ongestoorde exploitatie van naburige leidingen; de afstemming met andere werken; de verzekering van de toestand waarin het tracé na voltooiing van het werk moet worden opgeleverd; het behoud van de integriteit van de leiding; de bepaling van het tijdstip waarop de feitelijke werkzaamheden aan de leiding mogen of moeten beginnen; de vaststelling van de met het oog op het verrichten van de feitelijke werkzaamheden in te dienen werkplan en de termijn waarbinnen het plan moet zijn ingediend; het tijdschema voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding; de voorwaarden waaronder afwijking van het werkplan of het tijdschema is toegestaan; de bepaling van onderhoudsverplichtingen; het tracé waar de leiding mag of moet worden gelegd en gehouden. Artikel3.71Wijzigen of intrekken van de omgevingsvergunning 1.Het college kan de omgevingsvergunning in ieder geval wijzigen of intrekken indien: de leidingexploitant niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de leidingvergunning de werkzaamheden als omschreven in de vergunning is begonnen; de leidingexploitant de exploitatie en het onderhoud van de leiding gedurende een aaneengesloten periode van tenminste 26 weken staakt dan wel de leiding anderszins gedurende een periode van tenminste 26 weken niet in gebruik is en niet onderhouden is; blijkt dat de leidingvergunning op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend; de leidingvergunning in strijd met enig wettelijk voorschrift is afgegeven; de leidingexploitant het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de vergunningvoorschriften niet naleeft; na het verlenen van de leidingvergunning naar het oordeel van het college gegronde aanleiding bestaat te veronderstellen dat het van kracht blijven van de leidingvergunning onaanvaardbare schadelijke gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu en hieraan door het stellen van nadere voorschriften en beperkingen aan de verleende leidingvergunning niet kan worden tegemoetgekomen; dit noodzakelijk is vanwege de uitvoering van werken. 2.Eveneens kan het college met in achtneming van artikel 3.70 tweede lid een verleende omgevingsvergunning wijzigen of aanvullen. Artikel3.72Algemene voorwaarden omgevingsvergunning 1.De leidingexploitant draagt ervoor zorg dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. 2.Indien de leiding ten aanzien waarvan een omgevingsvergunning is verleend wordt overgedragen of de leidingexploitant in een andere rechtsvorm wordt omgezet, melden de oude en de nieuwe leidingexploitant respectievelijk meldt de nieuwe rechtsvorm dit onverwijld schriftelijk aan het college. 3.In afwijking van het eerste en tweede lid kan het college in de omgevingsvergunning bepalen dat de vergunning slechts geldt voor de leidingexploitant. 4.Een krachtens deze verordening verleende omgevingsvergunning geldt, voor zover van toepassing, tevens als een omgevingsvergunning voor als bedoeld in artikel 3.25 en artikel 3.
- Artikel3.73Verval omgevingsvergunning leidingen 1.De omgevingsvergunning vervalt indien de leidingexploitant schriftelijk aan het college verklaart van de omgevingsvergunning geen gebruik meer te willen maken. 2.Degene die een schriftelijke verklaring als bedoeld in het eerste lid afgeeft, wordt gedurende de tijd dat de leiding na opzegging in de openbare ruimte aanwezig is, beschouwd als leidingexploitant, tenzij de leiding is overgedragen of wordt geëxploiteerd of beheerd door een andere persoon, in welk geval laatstgenoemde persoon als leidingexploitant wordt beschouwd. 3.In afwijking van het tweede lid wordt in geval van een persoonsgebonden vergunning als bedoeld in artikel 3.72, derde lid, de vergunninghouder als leidingexploitant beschouwd tot het moment dat hij de vergunning conform het eerste lid opzegt en de exploitatie van de leiding staakt of de leiding waar de vergunning betrekking op heeft in eigendom overdraagt en hij daarvan schriftelijk melding heeft gedaan bij het college met dien verstande dat hij het bewijs van de overdracht kan leveren. Artikel3.74Verplichtingen bij aanleg leiding 1.Het college kan de leidingexploitant verplichten binnen een door het college vast te stellen termijn na verlening van de omgevingsvergunning en voor de beoogde aanvang van de feitelijke werkzaamheden voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding documenten in te dienen. 2.De leidingexploitant voltooit de werkzaamheden met betrekking tot de aanleg, wijziging of verwijdering binnen 26 weken na aanvang van de werkzaamheden, tenzij in de omgevingsvergunning anders is bepaald. Artikel3.75Werkwijze aanleg 1.De leidingexploitant stelt het college in de gelegenheid op werkdagen de gelegde leiding in te meten. 2.De leidingexploitant draagt ervoor zorg dat het leidingtracé na afloop van het werk in de oorspronkelijke, dan wel in de omgevingsvergunning omschreven staat wordt opgeleverd. 3.Indien door de leidingexploitant werkzaamheden aan leidingen in de openbare ruimte worden uitgevoerd, brengt het college de kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van die openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden bij de leidingexploitant in rekening. Artikel3.76Ondergrondse obstakels 1.Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden ondergrondse obstakels worden aangetroffen, meldt de leidingexploitant dit onverwijld aan het college. 2.Het college kan bij gebleken ondergrondse obstakels in of nabij het tracé van de leiding aan de leidingexploitant maatregelen opdragen ter bescherming van de belangen waartoe deze verordening strekt en opschorting van de werkzaamheden gelasten. De kosten van de te nemen maatregelen komen ten laste van de vergunninghouder. 3.De in het tweede lid bedoelde opschorting wordt pas gelast, indien: is gebleken dat geen uitvoering is gegeven aan de door het college aan de leidingexploitant opgedragen maatregelen, of naar het oordeel van het college maatregelen als bedoeld onder a. niet mogelijk zijn. Artikel3.77Tekeningen Het college kan de leidingexploitant verplichten na de voltooiing van het werk tekeningen, waaruit de feitelijke situatie na de uitvoering van de werkzaamheden blijkt, om niet aan het college ter beschikking te stellen. Artikel3.78Het beheer van leidingen 1.De leidingexploitant is verplicht zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van de leiding. 2.Het college kan de leidingexploitant verplichten periodiek aan het college door een onafhankelijk en deskundig bureau opgesteld rapport te verstrekken, waarin wordt aangetoond dat de leiding voldoet aan de vergunningsvoorwaarden. 3.Indien naar het oordeel van het college een leiding onvoldoende is onderhouden, zendt het college een aanzegging naar de leidingexploitant. De leidingexploitant meldt binnen de in de aanzegging bepaalde termijn op welke wijze en binnen welke termijn onderhoudswerkzaamheden zullen worden verricht. 4.Indien voor het verrichten van onderhoud aan de leiding graafwerkzaamheden in de openbare ruimte worden verricht zijn de artikelen 3.74 tot en met 3.77 van overeenkomstige toepassing. Artikel3.79Verontreiniging, gevaar en hinder 1.De leidingexploitant is verplicht verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden, onmiddellijk te melden en alle maatregelen te treffen teneinde verdere verontreiniging, schade of hinder te voorkomen. 2.Het college kan de leidingexploitant opdragen een milieutechnisch onderzoek dan wel een onderzoek naar mogelijk gevaar of hinder uit te voeren, indien een redelijk vermoeden bestaat van verontreiniging, gevaar of hinder, ontstaan bij de exploitatie van de leiding. 3.Het college kan bij gebleken of ernstige dreiging van verontreiniging, gevaar of hinder in of nabij het tracé van de leiding opschorting gelasten van de exploitatie van de betreffende leiding en, indien sprake is van een vergrote kans op verontreiniging, gevaar of hinder door belendende leidingen, van laatstgenoemde leidingen. Artikel3.80Het verwijderen van leidingen 1.De leidingexploitant is verplicht na het verlopen, opzeggen of geheel of gedeeltelijke intrekken van de omgevingsvergunning de leiding binnen een door het college te bepalen termijn te verwijderen. 2.De artikelen 3.67, 3.74, 3.75, 3.76 en 3.77 zijn van overeenkomstige toepassing op de verwijderingen, bedoeld in het eerste lid. Artikel3.81Nadeelcompensatie Indien blijkt dat een leidingexploitant als gevolg van een besluit van het college, inhoudende een intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning op grond van artikel 3.71, onderdeel g, schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel tot het normale risico kan worden gerekend en waarvan een vergoeding niet of niet voldoende is verzekerd, kent het college op verzoek aan hem een vergoeding toe. Afdeling 3.6 Vaartuigen §3.6.1.
Artikel3
.82Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het hebben of innemen van een ligplaats met een vaartuig. §3.6.2.Niet aangewezen ligplaats Artikel3.83Omgevingsvergunning niet aangewezen ligplaats 1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen buiten de op grond van artikel 2.16 aangewezen gedeelten van het water. 2.Voor het innemen van een ligplaats, buiten de op grond van artikel 2.16 aangewezen gedeelten van het water, voor vaartuigen die in aanbouw of in reparatie zijn is een omgevingsvergunning vereist. Aan deze omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden. §3.6.3.Omgevingsvergunning ligplaats Artikel3.84Omgevingsvergunning ligplaats 1.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning, op de op grond van artikel 2.16 aangewezen plaatsen, met een vaartuig een ligplaats in te nemen. 2.Op de op grond van artikel 2.16, derde lid, aangewezen plaatsen mag een historisch bedrijfsvaartuig een ligplaats innemen mits de rechthebbende beschikt over een ligplaatsovereenkomst met de Stichting Binnenhavenmuseum Turfsingel, 3.De Stichting Binnenhavenmuseum Turfsingel maakt gebruik van een door het college goedgekeurd model voor de ligplaatsovereenkomst. Het college kan voorschriften en bepalingen vaststellen die in een te sluiten ligplaatsovereenkomst dienen te worden opgenomen. 4.Met betrekking tot de ligplaatsen in de Breevaart en de Molenvliet kan het college de in het eerste lid bedoelde vergunning uitsluitend verlenen aan de bewoners van de woningen Bodegraafsestraatweg 61 t/m 165, Oostboezemkade 12, Wethouder Venteweg 107 t/m 171, Wethouder Venteweg 25 t/m 103, Oostboezemkade 1 t/m 10, Burgvlietkade 48 t/m 98, Steijnkade 29 t/m 36, Steijnpad 3, Burgvlietkade 13 t/m 45, Zuidelijke Steijnkade 1 t/m 28 en Zuidelijke Burgvlietkade 1 t/m 23. 5.De omgevingsvergunning ligplaats wordt gesteld op naam van de rechthebbende van het vaartuig en vermeldt de plaatsaanduiding van de desbetreffende ligplaats, de bijbehorende voorzieningen en de kenmerken van het vaartuig. Artikel3.85Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning ligplaats kan worden verleend indien: voor de ligplaats nog geen vergunning is verleend; het vaartuig inclusief de bijbehorende voorzieningen niet langer en/of breder is, hoger boven respectievelijk dieper onder de waterlijn ligt, of een onderlinge afstand heeft minder dan aangegeven op de ligplaatsenkaarten; het vaartuig geen belemmeringen kan veroorzaken aan het verkeer te water of te land; het uiterlijk en de ligplaats van het vaartuig zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand; het vaartuig voldoet aan eisen van veiligheid en gezondheid; het aannemelijk is dat de aanvrager binnen 12 weken na het indienen van de aanvraag met het woonschip/bedrijfsvaartuig de plaats waarvoor de ligplaatsvergunning is aangevraagd, kan innemen; de aanvraag in overeenstemming is met de door het college gestelde regels op het gebied van de bijbehorende voorzieningen. Artikel3.86Wachtlijst omgevingsvergunning ligplaats 1.Indien de aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt geweigerd omdat de gewenste ligplaats aan een ander is toegewezen wordt, behoudens de in artikel 3.84, vierde lid bepaalde gevallen, de naam van de aanvrager op zijn verzoek op een door het college aan te houden wachtlijst geplaatst. 2.Indien één van de op grond van artikel 2.16 aangegeven plaatsen vrijkomt stelt het college, behoudens de in artikel 3.84, bepaalde gevallen, de op de wachtlijst geplaatste gegadigden, te beginnen met de hoogst geplaatste, in de gelegenheid een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning in te dienen. In deze gevallen kan de omgevingsvergunning alleen worden verleend als voldaan is aan artikel 3.85, onder b t/m g. 3.Indien de nieuwe aanvraag niet binnen vier weken na de datum van verzending van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving is ontvangen, wordt aangenomen dat geen prijs meer wordt gesteld op de omgevingsvergunning en wordt de naam van de betrokken persoon van de wachtlijst geschrapt. Artikel3.87Overdragen omgevingsvergunning ligplaats 1.De vergunninghouder kan, behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 3.84, vierde lid, de omgevingsvergunning overdragen aan een rechtverkrijgende. 2.Op een aanvraag tot wijziging van een omgevingsvergunning is artikel 3.85, onder b tot en met g, van toepassing. Artikel3.88Wijzigen van de omgevingsvergunning ligplaats 1.Indien wijziging van de omgevingsvergunning gewenst is, dient de vergunninghouder bij het college een aanvraag tot wijziging van de omgevingsvergunning in. 2.Op een aanvraag tot wijziging van een omgevingsvergunning is artikel 3.85, onder b tot en met g, van toepassing. Artikel3.89Intrekken van de omgevingsvergunning Het college kan de omgevingsvergunning intrekken indien: de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste opgave of informatie is verleend; de gegevens in de omgevingsvergunning niet meer overeenstemmen met de werkelijke situatie; niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze afdeling gegeven voorschriften; het vaartuig waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft zowel op zichzelf als in verband met de omgeving niet aan redelijke eisen van welstand voldoet; het vaartuig waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft niet voldoet aan eisen van veiligheid en gezondheid; het vaartuig waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft zonder toestemming van het college gedurende een periode langer dan 12 aaneengesloten weken buiten de gemeente verblijft; het woonschip/bedrijfsvaartuig waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft zonder toestemming van het college gedurende een periode langer dan 26 weken aaneengesloten niet tot dag- en/of nachtverblijf dient; op de ligplaats voorzieningen aanwezig zijn die niet zijn vermeld op de omgevingsvergunning. Artikel3.90Aansluiting aan drinkwaterleiding 1.De vergunninghouder is verplicht ervoor te zorgen dat het woonschip/bedrijfsvaartuig is aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding. 2.Het college kan vrijstelling verlenen van de verplichting bedoeld in het eerste lid, indien het schip is voorzien van één of meer drinkwatertanks, waarvan de gezamenlijke inhoud minimaal 250 liter bedraagt. Artikel3.91Aansluiting aan de riolering 1.De vergunninghouder is verplicht ervoor te zorgen dat het woonschip is aangesloten een openbaar riool. 2.Het eerste lid is niet van toepassing: in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is; voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd. 3.Het college kan, mits de waterkwaliteitsbeheerder hiervoor toestemming heeft verleend, vrijstelling verlenen van het eerste lid indien afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is voor woonschepen/ bedrijfsvaartuigen die op een grotere afstand dan 40 meter van een openbaar riool zijn gelegen. 4.De in het derde lid bedoelde afstand wordt gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt. Artikel3.92Nakoming aanwijzingen 1.Bij het innemen van een ligplaats en bij het uitvoeren van werkzaamheden aan of nabij de ligplaats worden de door het college gegeven aanwijzingen in acht genomen. 2.De vergunninghouder verplicht gevolg te geven aan de door het college gegeven bevelen en aanwijzingen in het belang van de openbare orde of van de vrijheid of veiligheid van het verkeer. Artikel3.93Aanvraag omgevingsvergunning Bij het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning ligplaats moet de aanvrager gebruik maken van een door het college vastgesteld formulier en worden de volgende bescheiden overgelegd: een tekening van het vaartuig en een foto, die een indruk geeft van het vaartuig in zijn omgeving; een aanduiding van de ligplaats op de betrokken ligplaatsenkaart. Afdeling 3.7 Houtopstanden §3.7.1.
Artikel3
.94Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het vellen van houtopstanden. Artikel3.95Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: Natuur- en milieuwaarden; Landschappelijke waarden; Cultuurhistorische waarden; waarden van stads- en dorpsschoon waarden voor recreatie en leefbaarheid §3.7.2.Omgevingsvergunning kappen Artikel3.96Omgevingsvergunning kappen 1.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een houtopstand te vellen of te doen vellen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op houtopstanden buiten de openbare ruimte met een dwarsdoorsnede van de stam tot 30 centimeter gemeten op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld; 3.Het eerste lid is niet van toepassing op een houtopstand die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op: een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het college, waarbij de artikelen 3.99 en 3.100 van overeenkomstige toepassing zijn. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud en het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen. een houtopstand die met toestemming van het college wordt geveld vanwege dreigend gevaar voor de directe omgeving, indien vanwege spoed de normale vergunningsverlening procedure niet kan worden afgewacht, waarbij de artikelen 3.99 en 3.100 van overeenkomstige toepassing zijn. Artikel3.97Beoordelingsregels 1.Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien de belangen van verlening opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van oogmerken van artikel 3.
- 2.In geval van een aanvraag om omgevingsvergunning vanwege overlast van een boom wordt gebruik gemaakt van een door het college hiertoe vastgesteld afwegingsmodel overlast van bijlage IX. 3.Een omgevingsvergunning voor het vellen van een monumentale boom wordt slechts bij uitzondering verleend: indien een zwaarwegend maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de monumentale boom en alle alternatieven uitputtend zijn onderzocht; of indien naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade. 4.Het college kan bij het onder voorschriften verlenen van de vergunning de in het eerste lid genoemde waarden als motivering hanteren. Het college verwijst bij de beslissing op een aanvraag zoveel mogelijk naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen. Artikel3.98Intrekken van de omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor zover deze betrekking heeft op het vellen van houtopstanden geheel of gedeeltelijk intrekken indien binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning de betrokken houtopstanden niet zijn geveld. Artikel3.99Voorschriften en beperkingen 1.Aan een omgevingsvergunning, op basis van deze afdeling, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Tot deze voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. 2.In het geval een voorschrift als bedoeld in het eerste lid aan de vergunning wordt verbonden, moet herplant die binnen drie jaar na het herplanten niet aanslaat, worden vervangen. 3.Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan tot de aan een omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat een geldelijke bijdrage gestort dient te worden. De hoogte van de geldelijke bijdrage wordt berekend op basis van de herplantwaarde. Voor deze bijdrage zullen vervangende bomen op een andere locatie binnen de gemeente worden geplant. De bijdrage kan ook worden gebruikt voor het toepassen van een zwaardere plantmaat bij het vervangen van bomen op een andere locatie binnen de gemeente. 4.Tot aan de omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat: pas tot het vellen van de houtopstand mag worden overgegaan als de termijn om, tegen andere, concreet te benoemen, vergunningen of ruimtelijke besluiten, bezwaar te maken of beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien binnen deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, dat verzoek is afgewezen en dat bij toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening pas tot vellen van de houtopstand mag worden overgegaan als op het bezwaar of beroep is beslist; de omgevingsvergunning tot vellen vervalt als andere, concreet te benoemen, vergunningen of ruimtelijke besluiten, zijn vernietigd, ingetrokken of alsnog zijn geweigerd. Artikel3.100Herplantplicht 1.Indien houtopstand waarop de vergunningsplicht voor het vellen, wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. 2.Indien niet ter plaatse kan worden herplant wordt een financiële bijdrage betaald op basis van de boomwaarde. 3.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan moet herplant die binnen drie jaar na het herplanten niet aanslaat, worden vervangen. 4.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. 5.Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Artikel3.101Verplichtingen Degene aan wie een verplichting als bedoeld in artikel 3.99 of 3.100 is opgelegd alsmede diens rechtsopvolger is gehouden dienovereenkomstig te handelen. Hoofdstuk4Overige bepalingen relevant voor de fysieke leefomgeving Afdeling 4.1 Naamgeving en nummering Artikel4.1Aanbrengen van nummer 1.De door het college toegekende namen, bedoeld in artikel 2.14, worden door of in opdracht van de gemeente blijvend zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht. 2.Aan objecten, zoals aangegeven in artikel 2.15, waarvoor een nummer is vastgesteld moet dat nummer op een doeltreffende wijze zijn aangebracht. 3.Het is eenieder die daartoe niet is bevoegd, verboden namen aan de openbare ruimte en woonplaatsen, wijken en buurten toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen. 4.Het is eenieder die daartoe niet is bevoegd, verboden aan een pand of verblijfsobject, stand- of ligplaats of afgebakend terrein nummers toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen. Artikel4.2Gedoogplicht naamborden 1.Indien het college het nodig oordeelt dat borden met een wijk- of buurtaanduiding, borden met namen van de openbare ruimte, naamverwijsborden, nummerborden, nummerverzamelborden en andere (verwijs)aanduidingen aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, draagt de rechthebbende er zorg voor dat de hier bedoelde borden vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van het college worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Indien het college het noodzakelijk acht om een naambord, waarop de vervallen naam is doorgehaald, tijdelijk naast het naambord met de nieuwe naam te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten als daaraan door het college een termijn van niet langer dan een jaar is verbonden. 3.De rechthebbende zorgt er voor dat de in het eerste en tweede lid bedoelde borden vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar blijven. Artikel4.3Verplichting tot aanbrengen van nummerborden 1.Tenzij het college anders heeft besloten, zorgt de rechthebbende van een object er voor dat de nummers, zoals bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, worden aangebracht op een wijze zoals krachtens artikel 5.1, vierde lid, is bepaald. 2.De rechthebbende draagt er zorg voor dat de in het eerste lid genoemde nummers binnen vier weken na kennisgeving van het besluit van het college zijn aangebracht. 3.Indien een verblijfsobject, ligplaats, standplaats of afgebakend terrein nog niet is voltooid, wordt het nummer binnen vier weken na voltooiing aangebracht. 4.Indien het college heeft besloten om een nummerbord, waarop het vervallen nummer is doorgehaald, naast het nummerbord met het nieuwe nummer te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten of daar uitvoering aan geven als daaraan door het college een termijn van niet langer dan een jaar is verbonden. 5.Het college kan de in het tweede en derde lid genoemde termijn verlengen. Afdeling 4.2 Houtopstanden Artikel4.4Schadevergoeding Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 6.3 van de Wet natuurbescherming. Artikel4.5Afstand van de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters. Artikel4.6Bestrijding van boomziekten 1.Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: de houtopstand te vellen. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. 2.Het is verboden gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. 3.Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet voor zover het college voor het uitvoeren van de genoemde activiteiten een omgevingsvergunning heeft verleend. Afdeling 4.3 Water Artikel4.7Uitbaggeren en reinigen van sloten enzovoort van gemeentewege De rechthebbende op een niet tot bewoning bestemd gebouw of erf, is verplicht personen die van gemeentewege zijn belast met het uitbaggeren en/of reinigen van openbare wateren en die zulks voor de uitoefening van hun taak noodzakelijk achten, de toegang tot dat gebouw en dat erf te verlenen en te gedogen, dat door dat gebouw of over dat erf de uitgebaggerde specie en/of andere voorwerpen of stoffen worden weggevoerd. Hoofdstuk5Procesregels Afdeling 5.1 Nadere regels met betrekking tot activiteiten in de fysieke leefomgeving Artikel5.1Nadere regels 1.Het college kan nadere regels vaststellen met het oog op de in de artikelen 3.17, 3.26, 3.42 vierde lid en 3.44 genoemde belangen. 2.Het college kan over de onderwerpen in afdeling 3.4 nadere regels stellen, waaronder regels voor het overschrijven van vergunningen. 3.Het college kan ter uitvoering van afdeling 3.5 nadere regels stellen, waarin onder meer bepalingen zijn opgenomen over de veiligheid, het ontwerp, beheer, aanleg, onderhoud en het verwijderen van leidingen. Het college stelt in de nadere regels vast welke gegevens en documenten voor de beoordeling van de aanvraag benodigd zijn. 4.Het college kan nadere regels stellen betreffende het proces van wijze van: naamgeving en van begrenzing van woonplaatsen, wijken en buurten; naamgeving en begrenzing van de openbare ruimte; nummering van verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen en afgebakende terreinen; opmaak van formulieren, besluiten en verklaringen. Afdeling 5.2 Adviescommissie Omgevingskwaliteit Artikel5.2Leden Adviescommissie Omgevingskwaliteit 1.De voorzitter en leden van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit worden benoemd door de gemeenteraad en zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur. 2.De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit wordt bijgestaan door een secretaris of diens plaatsvervanger. Artikel5.3Jaarlijkse verantwoording Adviescommissie Omgevingskwaliteit 1.De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; opmerkelijke ruimtelijke ontwikkelingen in de stad en de rol van het welstandstoezicht daarin; aard en betekenis van de belangrijkste bouwplannen en de wijze waarop het plan is behandeld en tot stand gekomen is, en feitelijke (getalsmatige) informatie. 2.De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Afdeling 5.3 Planschade §5.3.1.Aanvraag om tegemoetkoming in planschade en beschikking Artikel5.4Indiening van de aanvraag en de mededeling van ontvangst 1.Een aanvraag om tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening wordt bij het college ingediend met gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier. 2.Het college tekent de datum van ontvangst onverwijld aan op het formulier en zendt de aanvrager onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld. Artikel5.5Beschikking van het college 1.Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van het advies op het verzoek en maakt dit besluit binnen deze termijn bekend aan de aanvrager. 2.Het college kan de in het eerste lid bedoelde beslissing, onder opgaaf van redenen, eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen. §5.3.2.Adviescommissie Artikel5.6Opdrachtverstrekking Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 6.1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening verstrekt het college aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel5.7Adviseur of adviescommissie 1.Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt door het college een adviseur aangewezen die beschikt over voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade. 2.Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege inkomensderving en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid, wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is op het gebied van accountancy of van financieel economische bedrijfsvoering. 3.Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege waardevermindering van een onroerende zaak en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid, wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is ter zake van de waardering van onroerende zaken en van waardevermindering daarvan als gevolg van een planologische verslechtering. 4.Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur voorzitter is. 5.De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan. Artikel5.8Deskundigheid en onafhankelijkheid 1.Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het college verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 5.7, eerste, tweede of derde lid, bedoelde aspecten waarop deze persoon de aanvraag moet beoordelen. 2.Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de raad. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. Artikel5.9Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie 1.Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 5.6 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van: een adviseur als bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, of meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 5.7, vierde lid. 2.De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen. 3.Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs. Artikel5.10Werkwijze adviseur of adviescommissie 1.Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking. 2.Eén of meer personen die ingevolge hun functie belast zijn met de uitvoering van deze verordening zal de adviseur of de adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaan. 3.De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. 4.De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit. 5.Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt. 6.Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies. 7.De adviseur of de adviescommissie betrekt de in artikel 6.1.3.4 van het Besluit ruimtelijke ordening genoemde punten in de advisering. 8.De adviseur of de adviescommissie kan voor de advisering met inachtneming van het bepaalde in artikel 6.1.3.5 van het Besluit ruimtelijke ordening inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. 9.Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnen zestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan de gemeente, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoogste vier weken verlengen. 10.De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren. 11.In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het tiende lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. 12.In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het tiende lid bedoelde termijn een advies uit aan het college. 13.De adviseur of adviescommissie zendt een afschrift van het definitieve advies aan de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. §5.3.3Uitbetaling Artikel5.11Uitbetaling Indien het college een vergoeding van planschade vaststelt, vindt uitbetaling plaats op een door aanvrager aangegeven rekening zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van deze beschikking. Hoofdstuk6Toezicht en handhaving Artikel6.1Strafbepaling 1.Overtreding van artikel 4.1, tweede tot en met vierde lid, artikel 4.2 en artikel 4.3, eerste tot en met het vierde lid, wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. 2.Overtreding van de artikelen 3.67, tweede lid, 3.74, tweede lid, 3.76, eerste lid, 3.78, eerste lid en derde lid, tweede volzin, 3.79, eerste lid, 3.83 en 3.84 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. 3.Overtreding van het bij of krachtens afdeling 3.2 en 3.4 van deze verordening bepaalde en daarbij gegeven beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. Overtredingen bij of krachtens bepalingen uit afdeling 3.4 kunnen bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 4.Het derde lid geldt niet ten aanzien van het bepaalde bij of krachtens artikel 3.27, 3.28, 3.40 en 3.
- 5.Overtredingen van artikel 3.101, 3.4 of het bepaalde krachtens het artikel 3.5 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Bij de strafbepaling op basis van artikel 3.101 kan rekening worden gehouden met de boomwaarde. Artikel6.2Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens afdeling 3.1 zijn belast de medewerkers van het intergemeentelijk samenwerkingsorgaan Omgevingsdienst Midden Holland (ODMH) en de gemeentelijk archeoloog. 2.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens afdeling 3.2 zijn belast: medewerkers van de gemeente, voor zover zij zijn belast met een toezichthoudende taak; medewerkers van het intergemeentelijk samenwerkingsorgaan Omgevingsdienst Midden Holland (ODMH); ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering; medewerkers van de regionale brandweer Hollands Midden; buitengewoon opsporingsambtenaren van Staatsbosbeheer; buitengewoon opsporingsambtenaren van de provincie Zuid-Holland. Deze personen zijn tevens belast met de opsporing van het bepaalde bij of krachtens deze verordening voorzover hen daartoe opsporingsbevoegdheid is verleend op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering 3.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens afdeling 3.4 zijn belast de controleur openbare ruimte. 4.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens afdeling 3.5 is belast de afdeling Beheer Openbare Ruimte. 5.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens afdeling 3.7 zijn belast: de medewerkers van de afdeling Stadstoezicht; de ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, onder a en c van de Politiewet 2012 van de regionale eenheid arrondissement Den Haag. Deze personen zijn tevens belast met de opsporing van het bepaalde bij of krachtens deze verordening voor zover hen daartoe opsporingsbevoegdheid is verleend op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering. 6.Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen. Artikel6.3Bevoegdheid binnentreden woonschip of bedrijfsvaartuig Zij die belast zijn met de zorg voor de naleving van de bij of krachtens afdeling 3.6 gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woonschip of bedrijfsvaartuig zonder toestemming van de bewoner. Hoofdstuk7Overgangs- en slotbepalingen Artikel7.1Intrekking, vervallen bepalingen en hernoeming Bomenverordening 1.De volgende verordeningen worden ingetrokken: de Erfgoedverordening Gouda 2017; de Marktverordening Gouda 2009; de Bouwverordening Gouda 2019; de Vaartuigenverordening Gouda 2009; de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Gouda 2009; de Verordening naamgeving en nummering adressen Gouda
- 2.De artikelen 1 tot en met 9 en 15 van de Bomenverordening 2010 vervallen. 3.De Bomenverordening wordt hernoemd als Subsidieverordening monumentale bomen. Artikel7.2Overgangsbepalingen 1.Besluiten genomen bij of krachtens de in artikel 7.1 genoemde regels worden aangemerkt als omgevingsvergunningen genomen krachtens deze verordening. 2.Aanvragen voor vergunningen en ontheffingen op het gebied van de fysieke leefomgeving waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist worden afgehandeld krachtens deze verordening. Aanwijsbesluiten genomen op basis van de Erfgoedverordening worden eveneens aangemerkt als aanwijsbesluiten krachtens deze verordening. 3.Handhavings- en gedoogbesluiten op basis van de in artikel 7.1 genoemde regels worden aangemerkt als handhavings- en gedoogbesluiten genomen krachtens deze verordeningen. 4.Aanwijzingsbesluiten van toezichthouders bij of krachtens de in artikel 7.1 genoemde regels worden aangemerkt als aanwijsbesluiten van toezichthouders genomen krachtens deze verordening. 5.Op bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten genomen bij of krachtens de in artikel 7.1 genoemde regels wordt beslist met inachtneming van deze verordening. 6.Voor leidingen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig en in gebruik zijn geldt de schriftelijke toestemming dan wel vergunning op grond waarvan zij gelegd zijn als een vergunning krachtens deze afdeling. 7.Indien het college van oordeel is dat een schriftelijke toestemming dan wel reeds verleende vergunning als bedoeld in het zesde lid niet voldoet aan de voorschriften bij of krachtens deze verordening kan zij de leidingexploitant een termijn stellen waarbinnen hij het college nadere informatie over de leiding dient te verschaffen of een aanvraag voor een vergunning moet indienen, bij gebreke waarvan de schriftelijke toestemming bij een door het college te bepalen tijdstip komt te vervallen. Artikel7.3Samenloopbepaling [vervallen] Artikel7.4Vernummering [vervallen] Artikel7.5Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
- Artikel7.6Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Gouda. Aldus besloten in de openbare vergadering van 28 oktober 2020.De raad van de gemeente voornoemd,griffier mr. drs. E.J. Karman-Moerman voorzittermr. drs. P. Verhoeve BijlageI – Begrippen Algemene begrippen Adviescommissie Omgevingskwaliteit: adviescommissie voor integraal omgevingskwaliteitsbeleid, als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet, tevens commissie monumenten en cultuurhistorie als bedoeld in de Erfgoedwet; Bebouwde kom: de bebouwde kom zoals aangegeven op de in Bijlage II bij deze verordening opgenomen kaart van 28 oktober 2020, in de zin van artikel 4.1 sub a van de Wet natuurbescherming; Bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerk gebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart; Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; College: het college van burgemeester en wethouders; Goede omgevingskwaliteit: aspecten die zorgdragen voor de leefbaarheid en kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de breedste zin van het woord; Kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepaling omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; Kunstwerken: voor de geleiding van een leiding aangebrachte infrastructuur waaronder in ieder geval wordt verstaan leidingentunnels en leidingenviaducten, en in infrastructuur aanwezige voorzieningen ten behoeve van de geleiding van leidingen; Ligplaats: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig aangewezen plaats in het water al dan niet aangevuld met een op de oever aanwezig terrein of een gedeelte daarvan, die bestemd is voor het permanent afmeren van een voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikt drijvend object; Omgevingsoverleg: (voor)overleg met een initiatiefnemer voorafgaand aan een vergunningsaanvraag; Omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in de Wet
omgevingsrecht, de Erfgoedwet en de Woningwet; Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; Openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg., alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; Openbare ruimte: de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke ruimte, zoals wegen, parkeerplaatsen, stoepen, pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen; Onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt; Parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder a en c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990); Rechthebbende: een ieder die krachtens eigendom of een beperkt zakelijk recht of een persoonlijk recht zodanig beschikking heeft over een onroerende zaak dat hij naar burgerlijk recht bevoegd is om in die zaak te handelen zoals in de verordening is voorgeschreven, alsmede de beheerder; Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement; Voertuig: voertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV, 1990), met uitzondering van: kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; treinen en trams; Weg: weg met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar zijn aard daartoe behoort; Cultureel erfgoed (afdeling 3.2 en 2.1) Archeologievriendelijk bouwen: instrument voor behoud in situ/bouwwijze waarbij de schade aan het. bodemarchief tot een minimum wordt beperkt en het bodemarchief onder de nieuwbouw bewaard blijft; Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek cf. de richtlijnen van de KNA: gebiedsgericht of vindplaatsgericht onderzoek waarbij het gespecificeerde verwachtingsmodel dat op het archeologisch bureauonderzoek en/of het Programma van Eisen is gebaseerd, wordt aangevuld en getoetst door middel van waarnemingen in het veld waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied (land, water). Dit omvat de aan of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het IVO kan uitgevoerd worden als een IVO-proefsleuven (IVO-P) (waarbij veldwerk o.a. bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O) (waarbij het veldwerk kan bestaan uit kartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). Archeologische Opgraving- variant begeleiding (vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie): vorm van onderzoek – bij hoge uitzondering - waarbij archeologische waarden worden gedocumenteerd en archeologische vondsten worden veiliggesteld; Archeologische begeleiding: vorm van onderzoek waarbij archeologische waarden worden gedocumenteerd en archeologische vondsten worden veiliggesteld; Archeologisch bureauonderzoek: vorm van archeologisch onderzoek met als doel een gespecificeerde archeologische verwachting en formulering van een verdere onderzoeksstrategie dan wel planaanpassing met als doel fysieke bescherming (behoud in situ). Het bureauonderzoek wordt opgesteld aan de hand van de aan- of afwezigheid (de historische situatie en mogelijke verstoringen, de mogelijke bouwhistorische waarden), het karakter en de omvang, de gaafheid, de conservering en de relatieve kwaliteit v