← Nederland

Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Drenthe 2016 (Drenthe)

Kort samengevat

Deze verordening regelt de subsidieverstrekking voor natuur- en landschapsbeheer in Drenthe, met als doel het behoud en de ontwikkeling van natuur en landschap te ondersteunen. Het beschrijft de voorwaarden waaronder subsidies kunnen worden aangevraagd en verstrekt voor specifieke beheeractiviteiten.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Drenthe 2016Inhoud §1, Algemene bepalingen Artikel 1.1, Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: - andere gebruiker van landbouwgrond: gebruiker van landbouwgrond, niet zijnde een landbouwer; - Awb: Algemene wet bestuursrecht; - beheeractiviteit: activiteit uit de koppeltabel; - beheerfunctie: functie van een cluster van beheeractiviteiten; - bestaand certificaat: certificaat dat door de Stichting Certificering Subsidiestelstel Natuur- en Landschapsbeheer vóór 2023 is afgegeven op basis van het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Programma van Eisen van 2019 of ouder; - bijdrage: monitoringsbijdrage, schapenbijdrage, toezichtbijdrage, vaarbijdrage of voorzieningenbijdrage; - certificaat 2023: namens Gedeputeerde Staten door de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer afgegeven certificaat als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, waarmee wordt gewaarborgd dat een begunstigde voldoet aan bepaalde beheereisen en het beheer op de afgesproken manier uitvoert; - deelnemer: lid van een vereniging als bedoeld in artikel 3.1; - gescheperde schaapskudde: rondtrekkende schaapskudde die niet permanent op een plaats graast en die gehoed wordt door een herder met een of meer honden; - grote onderneming: ondernemingdie niet aan de in de bijlage 1 bij Verordening (EU) 2022/2472 vastgestelde criteria voldoet; - koppeltabel: in bijlage 3 opgenomen overzicht van de subsidiabele beheeractiviteiten en maximale vergoedingen Agrarisch natuur- en landschapsbeheer; - knooppuntennetwerk: bij de Stichting Landelijk Fietsplatform of Stichting Wandelnet geregistreerd routenetwerk voor het fietsen of wandelen, bestaande uit genummerde knooppunten en bewegwijzering tussen de knooppunten; - landbouwactiviteit: produceren van landbouwproducten met uitzondering van visserijproducten als bedoeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, alsmede hakhout met korte omlooptijd, alsmede natte teelten bij wijze van paludicultuur en het in een staat houden van landbouwgrond die begrazing of teelt mogelijk maakt zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan activiteiten op basis van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines; - landbouwer: natuurlijke of rechtspersonen of groepen natuurlijke of rechtspersonen die een minimumniveau aan landbouwactiviteiten uitvoert; - landbouwgrond: grond waarop een landbouwactiviteit van de landbouwer of de andere gebruiker van landbouwgrond staan; - landbouwsteunkader: richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (Pb EU 2022/C485/1); - landelijke fietsroutes: bij de stichting landelijk Fietsplatform geregistreerde landelijke fietsroutes en ANWB-bewegwijzerde routes als onderdeel van een landelijk fietsroutenetwerk; - landelijke wandelroutes: bij de stichting Wandelnetwerk geregistreerde Lange Afstand Wandelpaden en Streekpaden als onderdeel van een landelijk wandelroutenetwerk; - landschapsbeheertype: in bijlage 1 opgenomen en nader beschreven beheertype; - leefgebied: in het natuurbeheerplan begrensde landbouwgronden die een geschikte omgeving vormen of kunnen vormen voor planten of dieren; - minister: minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - monitoringstoeslag: extra vergoeding voor het uitvoeren van metingen en het vastleggen van de ontwikkelingen op het natuurterrein. - monitoringsprogramma: door Gedeputeerde Staten vastgesteld meerjarig programma van metingen om de effecten van maatregelen en ingrepen te kunnen volgen vanuit vastgestelde beleidsdoelen en beleidstaken; - natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 1.3 waarin de overeengekomen doelen op het gebied van natuur- en landschapsbeheer en agrarisch natuur- en landschapsbeheer zijn vastgelegd; - natuurbeheertype: in bijlage 2 opgenomen en nader beschreven beheertype; - natuurterrein: binnen de provincie gelegen grond met als hoofdfunctie natuur die in het Natuurbeheerplan is aangeduid, alsmede gronden waarvoor een subsidie functieverandering is verstrekt als bedoeld in de provinciale Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap; - opslag voor de prijsstijging: op de consumentenprijsindex gebaseerde opslag van de subsidie om de kostenstijging gedurende de looptijd van de beschikking te compenseren; - regiokaart: kaart en de bijbehorende onderverdeling in regio's als bedoeld in bijlage 2, onderdeel B, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 van de minister; - schapenbijdrage: extra vergoeding voor het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen ten behoeve van de inzet van gescheperde schaapskuddes. - toezichtsbijdrage: extra vergoeding voor het houden van toezicht op een natuurterrein. - tarief: tarief voor de in artikel 2.2 genoemde subsidiabele activiteiten, dat op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder e wordt opgenomen in het openstellingsbesluit. - transactiekosten: extra kosten die verband houden met het in artikel 3.2 bedoelde project, maar niet rechtstreeks kunnen worden toegeschreven aan de uitvoering van dat project, noch vervat zijn in de kosten of gederfde inkomsten die rechtstreeks worden gecompenseerd en die op basis van standaardkosten berekend kunnen worden; - vaarbijdrage: extra vergoeding voor transportkosten in verband met het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt. - voorzieningenbijdrage: extra vergoeding voor het recreatief toegankelijk maken en houden van een natuurterrein; - Verordening (EU) nr. 2021/2115: verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk Landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L435); - Verordening (EU) nr. 2021/2116: verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013. Artikel 1.2, Openstelling 1. Op subsidieverlening op grond van deze verordening is de Algemene subsidieverordening Drenthe niet van toepassing. 2. Gedeputeerde Staten kunnen een of meerdere keren per jaar een openstellingsbesluit vaststellen voor het verstrekken van subsidies op grond van deze verordening. 3. In het openstellingsbesluit, bedoeld in het tweede lid, geven Gedeputeerde Staten nadere invulling aan: a. de doelgroep; b. de onderdelen van het natuurbeheerplan waarvoor subsidie kan worden aangevraagd; c. het subsidieplafond en de wijze van verdeling; d. de periode van openstelling; e. de tarieven; f. het minimum aantal hectaren aan activiteiten waarvoor een subsidie natuur- en landschapsbeheer kan worden verstrekt. Artikel 1.3, Natuurbeheerplan 1. Gedeputeerde Staten stellen het natuurbeheerplan vast. 2. Als onderdeel van het natuurbeheerplan stellen Gedeputeerde Staten in ieder geval een elektronische kaart met topografische ondergrond vast, waarop is aangeduid: a. voor welke natuurterreinen een subsidie natuur- en landschapsbeheer kan worden verstrekt, met daarbij de aanduiding: 1. welk natuurbeheertype in stand kan worden gehouden; 2. welke landschapsbeheertypen in stand kunnen worden gehouden; 3. of het natuurterrein in aanmerking komt voor één of meer bijdragen; b. voor welk leefgebied of onderdeel van een leefgebied een subsidie agrarisch natuur- en landschapsbeheer kan worden verstrekt, met daarbij de aanduiding: 1. open akkerland; 2. open grasland; 3. dooradering; 4. categorie water; 5. categorie klimaat. Artikel 1.4, Vereisten subsidieaanvraag Een subsidieaanvraag voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten: a. een subsidieaanvraag wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten; b. een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde aanvraagformulier. Artikel 1.5, Bevoegdheid en beslistermijn subsidieverlening 1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een subsidie natuur- en landschapsbeheer of agrarisch natuur- en landschapsbeheer verstrekken. 2. Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om subsidie binnen 13 weken na afloop van de aanvraagperiode. 3. De beslissing, bedoeld in het tweede lid, kan eenmaal met ten hoogste 13 weken worden verdaagd. Artikel 1.6, Verplichtingen algemeen De subsidieontvanger is verplicht de administratie en de daartoe behorende bescheiden die betrekking hebben op de verstrekte subsidie ten minste gedurende een periode van vijf jaar na vaststelling van de desbetreffende subsidie te bewaren. Artikel 1.7, Toezicht 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van Gedeputeerde Staten aan te wijzen personen. 2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal blad. Artikel 1.8, Wijzigingen van kleine aard Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot het vaststellen van wijzigingen van kleine aard in deze verordening. Dit geldt uitsluitend voor het herstellen van kennelijke verschrijvingen, voor wijzigingen die dwingend voortvloeien uit nationale of Europese regelgeving of uit wijzigingen van de modelverordening, zoals die in IPO-verband is vastgesteld. De wijzigingen mogen geen financiële consequenties hebben. Provinciale Staten ontvangen een afschrift van de wijziging. Artikel 1.9, Certificering 1. Gedeputeerde Staten besluiten op basis van het Programma van Eisen voor natuurbeheer en agrarisch natuurbeheer als opgenomen in de Uitvoeringsregeling Stichting Certificering SNL 2023 op een aanvraag om afgifte van een certificaat 2023: a. certificaat collectief agrarisch natuurbeheer 2023; b. certificaat collectief natuurbeheer 2023; c. certificaat natuurbeheer 2023 voor aanvragers die voor 200 of meer hectare natuurterrein subsidie hebben aangevraagd; d. certificaat natuurbeheer 2023 voor beheerders die voor minder dan 200 hectare natuurterrein subsidie hebben aangevraagd; 2. Onder een certificaat als bedoeld onder het eerste lid, onder d, wordt mede begrepen een bestaand certificaat natuurbeheer voor beheerders die voor minder van 200 hectare natuurterrein subsidie hebben aangevraagd; 3. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot de besluiten als bedoeld in het eerste lid; 4. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om de in het eerste lid en tweede lid genoemde certificaten in te trekken. Artikel 1.9a Overgangsregeling aanvragers met bestaande certificaten In zoverre in afwijking van de artikelen 2.4, 2.13, 3.4 en 3.13 mag een subsidieaanvrager op basis van een bestaand certificaat indienen, zolang de aanvrager nog niet over een certificaat 2023 beschikt. Een subsidieaanvrager als bedoeld in het eerste lid die een subsidieaanvraag indient op basis van een bestaand certificaat: dient uiterlijk in het eerste beheerjaar van de subsidie of bijdrage waarvoor op grond van de paragrafen 2 en 3 subsidie wordt aangevraagd, een aanvraag in voor een certificaat 2023; en beschikt binnen uiterlijkj drie jaar na indiening van de onder a bedoelde aanvraag voor het certificaat 2023, over dat certificaat. Een subsidie of bijdrage verstrekt op grond van de paragrafen 2 en 3 wordt ingetrokken indien n iet wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede lid. Artikel 1.10 Weigeringsgrond Subsidie wordt geweigerd voor zover voor het natuurterrein of het gedeelte van het leefgebied waarvoor subsidie is aangevraagd, voor dezelfde periode of een deel van die periode, al op grond van deze of enige andere regeling een subsidie is verstrekt met betrekking tot agrarisch natuurbeheer of natuurbeheer. §2, Natuur- en landschapsbeheer Artikel 2.1, Doelgroep 1. Subsidie kan worden aangevraagd door: a. natuurlijke personen, die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd; b. privaatrechtelijke rechtspersonen en Staatsbosbeheer, die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd; c. verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid met als leden natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder a of b; d. rechtspersonen die volgens een door Gedeputeerde Staten te bepalen model een overeenkomst zijn aangegaan met natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder a of b. 2. Onverminderd het eerste lid, kan subsidie als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdelen a en b, worden aangevraagd door gemeenten en samenwerkingsverbanden als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen, voor zover deze voor het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd, subsidie ontvangen op basis van deze regeling, waarbij: a. de periode waarvoor de subsidie overeenkomstig deze regeling is verstrekt op of na 31 december 2023 eindigt; en b. de subsidie natuur- en landschapsbeheer die op basis van deze regeling wordt verstrekt niet later ingaat dan 1 januari van het kalenderjaar, volgend op het jaar waarin de onder a bedoelde subsidie eindigt. c. de subsidie natuur- en lanschapsbeheer die op grond van de onderhavige regeling kan worden verstrekt niet later ingaat dan 1 januari van het kalenderjaar, volgend op het jaar onder a of onder b bedoelde subsidie eindigt. 3. In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, kan Staatsbosbeheer subsidie aanvragen voor een natuurterrein waarvan hij nog geen eigenaar of erfpachter is, indien dit natuurterrein op het moment van aanvragen in eigendom van het Rijk is en Staatsbosbeheer dit natuurterrein vóór 15 augustus 2009 reeds feitelijk in beheer had. Artikel 2.2, Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor: het beheer van natuurbeheertypen; het beheer van landschapsbeheertypen. In aanvulling op de subsidie als bedoeld in het eerste lid, onder a, kan een bijdrage worden verstrekt voor: begrazing van het natuurterrein door een gescheperde schaapskudde; het uitvoeren van metingen en het vastleggen van de ontwikkelingen op het natuurterrein; het toegankelijk maken en houden voor recreatie op een natuurterrein; het toezicht houden op een natuurterrein. Onverminderd het tweede lid, kan in aanvulling op de subsidie onder het eerste lid, een bijdrage worden verstrekt voor transport in verband met het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt. Artikel 2.3, Weigeringsgronden 1. Subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien: a. de subsidieaanvrager een rechtspersoon is die waterwinning als doelstelling heeft; b. de subsidieaanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is die kennelijk is opgericht ten behoeve van het beheer van grond of water, waarvan de eigendom geheel of gedeeltelijk berust bij de rechtspersoon, bedoeld onder a of een publiekrechtelijke rechtspersoon niet zijnde Staatsbosbeheer; c. de subsidieaanvrager een onderneming in financiële moeilijkheden is zoals omschreven onder punt 63 van het landbouwsteunkader. 2. Subsidie kan worden geweigerd indien het natuurterrein aan de subsidieontvanger is overgedragen door: a. een gemeente; b. een samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen; c. het Rijksvastgoedbedrijf van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; d. een waterschap; of e. een waterleidingsmaatschappij. Artikel 2.4, Subsidievereisten 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten: a. de activiteiten vinden plaats op een natuurterrein dat is aangemerkt als een onderdeel waarvoor subsidie kan worden aangevraagd in het natuurbeheerplan, zoals geldend op het moment van indiening van de subsidieaanvraag; b. de activiteiten zijn gericht op de instandhouding van het natuurbeheertype of landschapsbeheertype; c. de activiteiten zijn gericht op een beheer van een minimum aantal hectates genoemd in het openstellingsbesluit; d. de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en b, beschikt over een certificaat bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, onder b, c of d; e. de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c en d, beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, onder b, of de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, die het beheer uitvoeren beschikken elk afzonderlijk over een certificaat als bedoeld in artikel 1,9, eerste lid, onder c of d; f. de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, dient bij de subsidieaanvraag afschriften in van de in dat artikel genoemde overeenkomst die hij heeft gesloten met de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, die het beheer uitvoeren. 2. De Voorzieningenbijdrage wordt slechts verstrekt voor zover het natuurterrein niet ingevolge artikel 2.9, vierde lid, is vrijgesteld van de openstellingsplicht. 3. In afwijking van het tweede lid kan in geval van een vrijgevingsgrond als bedoeld in artikel 2.9, vierde lid, onderdelen a en d, een voorzieningenbijdrage worden verstrekt, indien de betreffende afsluiting in een jaar maxmaal zes maanden duurt. 4. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot de openstellingsbijdrage in afwijking van artikel 2.9, eerste lid, onder d. 5. De subsidieaanvraag gaat vergezeld van een kaart waarop de buitengrenzen van de natuurterreinen zijn aangegeven. 6. Indien een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c en d, niet beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, onder b, gaat de aanvraag vergezeld van een certificaat als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, onder c of d, of een afschrift van de aanvraag daartoe, van de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, die het beheer uitvoeren. 7. Indien een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, niet beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, onder c of onder d, gaat de aanvraag vergezeld van een afschrift van de aanvraag daartoe. Artikel 2.4a, EU-richtsnoeren voor staatssteun 1. Subsidieaanvragen kunnen niet worden ingediend na 1 oktober 2027. 2. Indien de aanvrager een grote onderneming is, dient de subsidieaanvraag vergezeld te gaan van een beschrijving met onderbouwing van de situatie waarin geen steun zou worden verleend. Artikel 2.5, Subsidiabele kosten 1. De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking: a. kosten voor het beheer van een natuurterrein; b. kosten voor de inzet van gescheperde schaapskuddes op een natuurterrein; c. kosten voor monitoring van een natuurterrein; d. kosten voor het recreatief toegankelijk maken en houden van een natuurterrein; e. kosten voor het houden van toezicht op een natuurterrein; f. kosten voor het transport in verband met het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt. 2. Subsidiabel gestelde kosten zijn slechts subsidiabel indien de activiteiten zijn verricht nadat de aanvraag tot subsidie is ingediend. 3. Bij een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c en d, die niet beschikt over een certificaat collectief natuurbeheer 2023, zijn de activiteiten van een natuurlijk persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, die het beheer uitvoert niet subsidiabel, indien deze niet langer over een certificaat als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, onder c of d beschikt. 4. Indien een aangevraagd certificaat als bedoeld in artikel 2.4, achtste of negende lid, niet is afgegeven binnen negen maanden na het einde van de periode van openstelling als bedoeld artikel 1.2, tweede lid, onder d, zijn de activiteiten die de desbetreffende natuurlijke persoon of rechtspersoon heeft verricht niet subsidiabel. Artikel 2.6, Subsidiehoogte 1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.2 eerste lid, wordt bepaald door het aantal subsidiabele hectares van het desbetreffende natuurbeheertype en het aantal subsidiabele hectares, meters of stuks van het desbetreffende landschapsbeheertype, te vermenigvuldigen met het tarief vermenigvuldigd met zes jaar. 2. Indien van toepassing wordt de subsidie, bedoeld in het eerste lid, verhoogd met: a. het tarief voor de monitoringsbijdrage per natuurbeheertype, vermenigvuldigd met het aantal hectares; b. het tarief voor de voorzieningenbijdrage, vermenigvuldigd met het aantal hectares; c. het tarief voor de toezichtsbijdrage, vermenigvuldigd met het aantal hectares; d. het tarief voor de schapenbijdrage, vermenigvuldigd met het aantal hectares; e. het tarief voor de vaarbijdrage, vermenigvuldigd met het aantal hectares; f. elk vermenigvuldigd met zes jaar. 3. Indien toepassing van het eerste en tweede lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan €1.200,--, wordt de subsidie niet verstrekt. Artikel 2.7, Verdeelcriteria 1. Het beschikbare subsidiebedrag wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen. 2. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst. 3. Indien het subsidieplafond op enige dag wordt bereikt, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting. Artikel 2.8, Subsidieverlening 1. De subsidie, bedoeld in artikel 2.2, wordt verleend voor een periode van 6 aaneengesloten jaren, welke periode steeds begint op 1 januari. 2. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie verlenen onder de opschortende voorwaarde dat binnen drie maanden na de datum van bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening een overeenkomst ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb tot stand komt. Artikel 2.9, Verplichtingen van de subsidieontvanger 1. Onverminderd artikel 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: a. het verrichten van al het beheer dat noodzakelijk is voor de instandhouding van de natuurbeheertypen en landschapsbeheertypen en geen handelingen te verrichten of te gedogen die afbreuk doen aan de instandhouding daarvan; b. er voor zorgdragen dat door of vanwege Gedeputeerde Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd op het desbetreffende natuurterrein; c. indien de subsidieontvanger een monitoringsbijdrage ontvangt, wordt de monitoring verricht overeenkomstig het monitoringsprogramma van de provincie; d. het van zonsopgang tot zonsondergang kosteloos openstellen en toegankelijk houden van het desbetreffende natuurterrein op ten minste 358 dagen per jaar; e. ervoor zorg te dragen dat namens Gedeputeerde Staten audits kunnen worden uitgevoerd in het kader van de naleving van de certificeringsvoorschriften; f. voor de gehele duur van de subsidie over het vereiste certificaat te beschikken. 2. Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger die een voorzieningenbijdrage ontvangt onder d, de volgende verplichtingen: a. het natuurterrein is voldoende toegankelijk en bevat voldoende wegen, vaarwegen of paden, die recreatief gebruik mogelijk maken; b. de wegen, vaarwegen of paden als bedoeld onder a, worden onderhouden; c. de subsidieontvanger verleent medewerking aan de markering en beheer van routes voor wandelen en fietsen in het kader van de landelijke wandelroutes, landelijke fietsroutes en knooppuntennetwerken voor wandelen en fietsen. 3. Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger die een schapenbijdrage ontvangt, de volgende verplichtingen: a. bij het in standhouden van het op het natuurterrein aanwezig natuurbeheertype wordt gebruik gemaakt van een of meerdere gescheperde schaapskuddes; b. het gebruik van een of meerdere gescheperde schaapskuddes strekt zich uit over de gehele oppervlakte waarvoor de toeslag door Gedeputeerde Staten wordt verstrekt. 4. De subsidieontvanger is vrijgesteld van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onder d, indien: a. sluiting nodig is bij of krachtens de Omgevingwet uitgewerkt in het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het terrein naar zijn aard buiten machte van de subsidieontvanger niet toegankelijk is; c. er bescherming van de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk is tot een maximum van een hectare; of d. het terrein vrijgesteld is op grond van het natuurbeheerplan. 5. Indien de subsidieontvanger niet kan voldoen aan een of meerdere verplichtingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, doet hij daar één keer per jaar uiterlijk op 1 november melding van. 6. Indien een melding wordt gedaan als bedoeld in het vijfde lid en sprake is van overdracht van één of meer percelen aan een nieuwe eigenaar, die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten het subsidiabele beheer kan voortzetten en tijdig over het vereiste certificaat beschikt, wordt de subsidie voor die percelen berekend tot en met het kalenderjaar waarin het perceel is overgedragen. Artikel 2.10 [vervallen] Artikel 2.11 [vervallen] Artikel 2.12, Bevoorschotting en betaling 1. Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot op het verleende subsidiebedrag. 2. Er kunnen maximaal vijf voorschotten, als bedoeld in het eerste lid, worden verleend. 3. Gedeputeerde Staten nemen binnen 10 weken na afloop van ieder kalenderjaar een beslissing tot voorschotverlening. 4. De beslissing, bedoeld in het derde lid, kan eenmaal met ten hoogste 10 weken worden verdaagd. 5. Het voorschot op het verleende subsidiebedrag wordt steeds binnen zes weken na afloop van de beslissing, bedoeld in het derde of vierde lid betaald, tenzij de beschikking tot subsidieverlening een ander tijdstip vermeldt. 6. Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen in de beschikking tot subsidieverlening afwijken van het bepaalde in het derde en het vijfde lid van dit artikel. Artikel 2.13, Wijziging subsidieverlening vanwege vergroting areaal 1. De subsidieontvanger kan eenmaal per kalenderjaar in de aanvraagperiode een aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening met ingang van het volgend kalenderjaar, gericht op vergroting van het areaal. 2. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om, overeenkomstig de aanvraag bedoeld in het eerste lid, de beschikking tot subsidieverlening te wijzigen voor de resterende looptijd van de subsidie, indien: a. de aanvraag voldoet aan de subsidievereisten genoemd in artikel 2.4, uitgezonderd het eerste lid onder; c en b. die wijziging leidt in de resterende looptijd van de verlening tot een verhoging van het subsidiebedrag van minimaal € 1.200,--. 3. De hoogte van de wijziging van de subsidie wordt bepaald op basis van het tarief dat van toepassing waren ten tijde van het nemen van de beschikking tot subsidieverlening. 4. Indien op het moment van de beschikking tot subsidieverlening nog geen tarief was vastgesteld voor het betreffende natuurbeheertype, landschapsbeheertype of bijdrage, wordt in afwijking van het derde lid het tarief en opslag voor de prijsstijging gehanteerd dat geldt in het jaar waarin voor het eerst het tarief is vastgesteld voor het betreffende beheertype of bijdrage. Artikel 2.13a, [vervallen] Artikel 2.14, Subsidievaststelling 1. Gedeputeerde Staten stellen binnen 13 weken na afloop van de 6 aaneengesloten beheerjaren waarvoor de subsidie is verstrekt, de subsidie ambtshalve vast. 2. De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten hoogste 13 weken worden verdaagd. 3. Het resterende bedrag wordt uitbetaald binnen zes weken na de subsidievaststelling. Artikel 2.15 Transparantie Ten aanzien van subsidie die op grond van deze paragraaf wordt verleend maken Gedeputeerde Staten binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend: a. de gegevens, bedoeld in deel l, afdeling 3.2.4., punt 112, onder a en b vna het landbouwsteunkader; en b. de gegevens, bedoeld in deel l, afdeling 3.2.4., punt 112, onder c van het lanbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan: € 10.000,-- voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie; of € 100.000,-- voor begunstigden in de sectoren van de verwerking van landbouwproducten, de afzet van landbouwproducten, de bosbouwsector of activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen. Artikel 2.16, Voortijdige vaststelling wegens wijziging natuurbeheertype 1. Een ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder a, kan een aanvraag indienen voor het geheel of gedeeltelijk voortijdig vaststellen van die subsidie, als hij op het natuurterrein of deel daarvan waarvoor hij de subsidie ontvangt, maatregelen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap <naam provincie> treft die zijn gericht op een wijziging van het op dat natuurterrein in stand te houden natuurbeheertype. 2. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, voortijdig naar evenredigheid geheel of gedeeltelijk vaststellen vanaf het moment dat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, van start gaan, als a. de wijziging van het natuurbeheertype op grond van het natuurbeheerplan is toegestaan; b. de wijziging van het natuurbeheertype gericht is op een versterkte natuurkwaliteit; en c. de subsidieontvanger schriftelijk verklaart ten minste zes jaar of minder in geval van eenmalige gelijktrekking van beheerperiodes na afronding van de maatregelen als bedoeld in het eerste lid, beheer gericht op de instandhouding van het gewijzigde natuurbeheertype te blijven voeren. Deze verplichting vervalt voor zover hij voor die gewijzigde instandhouding een subsidie natuurbeheer op grond van de onderhavige verordening heeft aangevraagd en ontvangt. 3. De subsidieaanvraag voor het beheer van het gewijzigde natuurbeheertype wordt ingediend in de eerstvolgende openstellingsperiode na het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 14c van de provinciale Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap. 4. Indien een subsidie voor het beheer van het gewijzigde natuurbeheertype als bedoeld in het tweede lid, onder c, wordt ingetrokken omdat de subsidieontvanger toerekenbaar niet voldaan heeft aan de subsidieverplichtingen, dan is voor de resterende periode de instandhoudingsplicht als bedoeld in het tweede lid, onder c, weer van toepassing tot de termijn van zes jaar, of minder in geval van eenmalige gelijktrekking van beheerperiodes, na afronding van de inrichtingsmaatregelen is verstreken. §3, Agrarisch natuur- en landschapsbeheer Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, voortijdig naar evenredigheid geheel of gedeeltelijk vaststellen vanaf het moment dat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, van start gaan, als Artikel 3.1, Doelgroep Subsidie kan worden aangevraagd door een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond. Artikel 3.2, Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor een project met beheeractiviteiten gericht op behoud en versterking van een leefgebied. Artikel 3.3, Weigeringsgronden [vervallen] Artikel 3.4, Subsidievereisten Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: a. de aanvrager beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, onder a; b. het project voldoet aan de beoordelingscriteria voor gebiedsaanvragen zoals die in het natuurbeheerplan, zoals geldend op het moment van indiening van de subsidieaanvraag, in paragraaf 4.5 zijn opgenomen, inclusief de daarbij aangeduide kaarten; c. aan het project ligt een gebiedsaanvraag ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen: het minimum en maximum aantal hectares waarvoor per leefgebied, of onderdeel van het leefgebied beheeractiviteiten worden uitgevoerd, waarbij het maximum aantal hectares niet meer dan 15% meer mag zijn dan het minimum aantal hectares; per leefgebied of onderdeel van het leefgebied een projectomschrijving op het niveau van beheerfunctie, een en ander afhankelijk van het gekozen abstractieniveau voor de beoordelingscriteria voor gebiedscriteria in het natuurbeheerplan zoals geldend op het moment van indiening van de subsidieaanvraag; de te realiseren doelen; een berekening van de kosten voor het uit voeren van het project, gesplitst naar leefgebied of onderdeel van het leefgebied waarbij uit die berekening blijkt dat rekening is gehouden met de regiokaart; één of meer topografische kaarten met een schaal van 1:5.000 waarop de buitengrenzen van de leefgebieden of onderdelen van de leefgebieden waarvoor subsidie wordt aangevraagd zijn aangegeven. Artikel 3.5, Subsidiabele kosten De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking: a. kosten voor het uitvoeren van beheeractiviteiten; b. gederfde inkomsten voor het uitvoeren van beheeractiviteiten; c. transactiekosten. Artikel 3.6, Niet subsidiabele kosten [vervallen] Artikel 3.7, Subsidiehoogte 1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.2, wordt bepaald door het maximumaantal hectares per leefgebied dat voldoet aan de subsidievereisten zoals opgenomen in artikel 3.4 te vermenigvuldigen met de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, vermenigvuldigd met de periode als bedoeld in artikel 3.10. 2. De gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald door de begrote kosten per leefgebied, bedoeld in artikel 3.4, onderdeel c, onder vier, te delen door de periode als bedoeld in artikel 3.10 en daarna te delen door het maximumaantal hectares dat voor dat leefgebied is aangevraagd. 3. Indien toepassing van het eerste tot en met tweede lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 50.000,--, wordt de subsidie niet verstrekt. Artikel 3.8, Verdeelcriteria 1. Indien binnen de aanvraagperiode meerdere volledige subsidieaanvragen voor dezelfde locatie binnen een leefgebied zijn ingediend, wordt voor subsidie van die locatie een aanvraag geselecteerd door te bepalen welke aanvraag het meest ecologisch effectief wordt uitgevoerd; 2. Na toepassing van het eerste lid maken Gedeputeerde Staten, indien de binnen de aanvraagperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria: a. de dekkingsgraad, zijnde de verhouding van het aantal hectares beheer dat is aangevraagd tot het totaal aantal hectares leefgebied waarop dat gedeelte van de aanvraag ziet, te waarderen met maximaal 50 punten; b.de kwaliteit van beheer, zijnde: 1. variatie in beheer, te waarderen met maximaal 40 punten; 2. intensiteit van beheer, te onderscheiden in: I. het aantal verschillende vormen van beheer dat is aangevraagd, te waarderen met maximaal 20 punten; II. de zwaarte van het aangevraagde beheer, te waarderen met maximaal 20 punten. 3. (vervallen) 4. Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt de rangschikking van die aanvragen bepaald door de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, waarbij de aanvraag met de laagste gemiddelde kosten het hoogst wordt gerangschikt. 5. Indien toepassing van het tweede en vierde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijke plek worden gerangschikt, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting. Artikel 3.9, Externe adviescommissie Gedeputeerde Staten kunnen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 voor advies over artikel 3.8 voorleggen aan een adviescommissie. Artikel 3.10, Subsidieverlening Een subsidie, bedoeld in artikel 3.2, wordt verleend voor een periode van 6 aaneengesloten kalenderjaren, welke periode steeds begint op 1 januari. Artikel 3.11, Verplichtingen van de subsidieontvanger De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen: a.uitvoering vindt plaats in leefgebieden; b. de subsidieontvanger doet uiterlijk op 15 december voorafgaand aan het beheerjaar per leefgebied of onderdeel van een leefgebied waarvoor is beschikt een opgave van de beheeractiviteiten op perceelsniveau in het daartoe door Gedeputeerde Staten aangewezen systeem; c. de gekozen beheeractiviteit of combinatie van beheeractiviteiten past bij de beheerfunctie zoals beschikt en het bijhorende leefgebied zoals aangewezen in het natuurbeheerplan dat geldt voor het beheerjaar waarop de gekozen beheeractiviteit of beheeractiviteiten zijn. d. wijzigingen van activiteiten op perceelsniveau die gedurende het kalenderjaar optreden, en wijzigingen als bedoeld in onderdeel e, worden door de subsidieontvanger gemeld aan Gedeputeerde Staten door die wijzigingen binnen de termijnen, genoemd in Beleidsregel verlagen subsidie GLB, door te voeren via het onder b bedoelde systeem. De wijzigingen van activiteiten op perceelsniveau die gedurende het kalenderjaar optreden, kunnen tot uiterlijk 30 september van het lopende beheerjaar worden doorgevoerd; e. wijzigingen bestaande uit het toevoegen van percelen met de daarbij horende uit te voeren beheeractiviteit worden door de subsidieontvanger in het lopende beheerjaar doorgevoerd via het in onderdeel b bedoelde systeem. De subsidieontvanger voert deze wijzigingen uiterlijk door op 31 mei; f. wijzigingen bestaande uit het terug trekken van percelen met de daarbij horende beheeractiviteit zijn mogelijk tot en met 30 september, tenzij op deze percelen een controle is uitgevoerd; g.de subsidieontvanger dient uiterlijk 1 oktober van ieder kalenderjaar een verantwoording in waarin is beschreven: 1. welke activiteiten als bedoeld onder b, daadwerkelijk zijn uitgevoerd; 2. welke wijzigingen als bedoeld onder d, e en f hebben plaatsgevonden en waarom; h. de subsidieontvanger beschikt voor de gehele duur van de subsidie over het certificaat bedoeld in artikel 3.4, onder a; i. de subsidieontvanger draagt er zorg voor dat er door of vanwege Gedeputeerde Staten audits kunnen worden uitgevoerd in het kader van de naleving van de certificeringsvoorschriften; j. de subsidieontvanger verleent medewerking aan een toezichthouder als bedoeld in artikel 1.7 om toezicht te houden op de naleving van de subsidieverplichtingen en verleent een toezichthouder ongehinderd toegang tot percelen; k. de subsidieontvanger draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd in het desbetreffende leefgebied. l. de subsidieontvanger meldt de in bijlage 2 van de Beleidsregel verlagen subsidie GLB genoemde activiteiten conform de daarbij genoemde termijnen en via het onder b bedoelde systeem; m. indien op een perceel meerdere activiteiten worden uitgevoerd, dienen al deze activiteiten in het onder b bedoelde systeem te worden opgenomen onder één en hetzelfde leefgebied en beheerfunctie; en n. de subsidieontvanger neemt in het in onderdeel b bedoelde systeem het relatienummer op van de deelnemer die ten tijde van het uitvoeren van de beheeractiviteit beschikt over het recht tot het gebruik en beheer van de oppervlakte waarop die beheeractiviteit in het betreffende beheerjaar wordt uitgevoerd. Artikel 3.11a Verplichtingen van de deelnemer Een deelnemer verplicht zich ertoe zijn recht tot gebruik en beheer van de oppervlakte waarop de beheeractiviteit in het betreffende beheerjaar wordt uitgevoerd bij te houden in het daartoe door de minister voorgeschreven systeem. De deelnemer houdt de gegevens die ingevolge het eerste lid zijn ingediend gedurende het aanvraagjaar actueel, met dien verstande dat uiterlijk vier weken nadat zich een wijziging heeft voorgedaan en niet later dan 1 september, de gegevens door middel van een door de minister vastgesteld formulier kunnen worden gewijzigd. Artikel 3.12, Bevoorschotting en betaling 1. Gedeputeerde Staten verstrekken na afloop van elk van de eerste vijf kalenderjaren een voorschot op het verleende subsidiebedrag, naar aanleiding van de verantwoording, bedoeld in artikel 3.11, onderg 2. Gedeputeerde Staten nemen binnen 10 weken na afloop van ieder kalenderjaar een beslissing tot voorschotverlening. 3. De beslissing, bedoeld in het tweede lid, kan eenmaal met ten hoogste 10 weken worden verdaagd. 4. Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt steeds betaald binnen 6 weken na afloop van de beslissing, bedoeld in het tweede of derde lid. 5. De hoogte van het voorschot wordt bepaald door per leefgebied het totaal aantal subsidiabele hectares waarvoor daadwerkelijk subsidiabele beheeractiviteiten zijn uitgevoerd, te vermenigvuldigen met de voor het betreffende leefgebied geldende gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, en de daaruit resulterende bedragen bij elkaar op te tellen. 6. Als het bedrag, bedoeld in het vijfde lid, hoger is dan het totaalbedrag dat voor de uitgevoerde beheeractiviteiten op grond van de vergoeding in bijlage 4 maximaal mag worden vergoed, geldt voor de berekening van het voorschot dit maximumbedrag; en 7. Het uitrijden van ruige stalmest is ten hoogste subsidiabel voor eenmaal de oppervlakte van het desbetreffende perceel, ook al maakt de subsidieontvanger in een kalenderjaar meerdere keren melding van het uitrijden van ruige stalmest op dat perceel. Artikel 3.12a Voorziening liquiditeitsbehoefte subsidieontvanger 1. Om te voorzien in de onmiddellijke liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger kunnen Gedeputeerde Staten voorafgaande aan de in artikel 3.12 bedoelde voorschotbetaling een betaling doen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: de betaling vindt plaats tussen 16 oktober en 30 november van het kalenderjaar waarop de voorschotbetaling betrekking heeft; de betaling bedraagt 30% van de totale subsidie die aan de subsidieontvanger per kalenderjaar is verleend; Gedeputeerde Staten brengen bij de voorschotbetaling, bedoeld in artikel 3.12, vierde lid, de betaling bedoeld in onderdeel a, in mindering op het voorschot. 2. Indien het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde voorschot ontoereikend is om de betaling geheel in mindering te brengen, verrekenen Gedeputeerde Staten het openstaande bedrag met de te verstrekken voorschotten voor de daaropvolgende kalenderjaren of, indien dit niet mogelijk is, bij de subsidievaststelling, bedoeld in artikel 3.14. 3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het laatste jaar van het subsidietijdvak, met dien verstande dat Gedeputeerde Staten, in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, de betaling bij de subsidievaststelling, bedoeld in artikel 3.14, in mindering brengen op de te verstrekken subsidie. Artikel 3.13, Wijziging subsidieverlening 1. De subsidieontvanger kan eenmaal per kalenderjaar in de aanvraagperiode een aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening met ingang van het volgend kalenderjaar. Hierbij wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van het natuurbeheerplan dat geldt voor het beheerjaar waarvoor het wijzigingsverzoek is ingediend. 2. Onder wijziging van de beschikking tot subsidieverlening wordt verstaan: a. vergroting van de minimale en maximale oppervlakte van het leefgebied of onderdeel van het leefgebied waarvoor reeds een beschikking is afgegeven of; b. uitbreiding van de bestaande beschikking met een nieuw leefgebied of een onderdeel daarvan of; c. aanpassing van de gemiddelde kosten per hectare leefgebied of; d. een combinatie van een vergroting, zoals bedoeld onder a, met een aanpassing zoals bedoeld onder c of; e. een combinatie van een uitbreiding, zoals bedoeld onder b, met een aanpassing zoals bedoeld onder c. 3. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om, overeenkomstig de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, de beschikking tot subsidieverlening te wijzigen voor de resterende looptijd van de subsidie voor zover: a. de aanvraag voldoet aan de subsidievereisten genoemd in artikel 3.4; en b. die wijziging leidt tot een verhoging van minimaal € 1.200,--; c. de vergroting van de oppervlakte is aangevraagd in het eerste of het tweede beheerjaar. d. [vervallen] 4. In afwijking van de gegevens zoals bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder c, ten 4°, dient de subsidieontvanger een berekening in van de kosten voor het uitvoeren van het project gedurende de na wijziging resterende looptijd van de subsidie, gesplitst naar leefgebied of onderdeel van het leefgebied. 5. De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de gemiddelde kosten per hectare leefgebied. De gemiddelde kosten per hectare leefgebied worden bepaald door per leefgebied de kosten voor het uitvoeren van het project in de resterende looptijd te delen door het aantal jaren waarvoor de subsidieverlening na de wijziging nog loopt. Dit bedrag wordt gedeeld door het maximumaantal hectares waarvoor de subsidieverlening na de wijziging geldt. Het aldus berekende bedrag geldt met ingang van het kalenderjaar waarin de wijziging van kracht wordt voor de resterende looptijd van de subsidie bedoeld in artikel 3.10. 6. In afwijking van het bepaalde in het derde lid geldt dat de aanvraag in de situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a, voldoet aan de subsidievereisten genoemd in artikel 3.4, onderdelen a en b, en onderdeel c onder 1 en 4. Artikel 3.14, Subsidievaststelling 1. Gedeputeerde Staten stellen binnen 13 weken na afloop van de 6 aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de subsidie is verstrekt, de subsidie ambtshalve vast, waarbij tevens beslist wordt op de door de subsidieontvanger in het zesde en laatste kalenderjaar ingediende verantwoording, bedoeld in artikel 3.11, onder g. 2. De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten hoogste 13 weken worden verdaagd. 3. Het resterende bedrag wordt binnen 6 weken na afloop van de beslissing, bedoeld in het eerste of tweede lid, uitbetaald. 4. De hoogte van het resterende bedrag wordt bepaald door het totaalaantal hectares opgegeven in de verantwoording, bedoeld in artikel 3.11, onder g, en waarvoor daadwerkelijk beheeractiviteiten zijn uitgevoerd, per leefgebied te vermenigvuldigen met de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid. 5. Als het bedrag, bedoeld in het vierde lid, hoger is dan het totaalbedrag dat voor de uitgevoerde beheeractiviteiten op grond van de vergoeding in bijlage 4 maximaal mag worden vergoed, geldt voor de berekening van het resterende bedrag dit maximumbedrag. Artikel 3.15 Verlagen subsidies Gedeputeerde Staten geven uitvoering aan de artikelen 59, vijfde lid en 84, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2021/2116. Artikel 3.16 Overgangsbepalingen De Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Drenthe 2016 zoals die luidde de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, blijft van toepassing op subsidieaanvragen die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog niet onherroepelijk is beslist en op subsidies die zijn verleend voor de inwerkingtreding van deze verordening en nog niet zijn vastgesteld. §4, Slotbepalingen Artikel 4.1, Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst en werkt ten aanzien van artikel I, onderdeel L, onder 2, terug tot en met 1 januari 2023. Artikel 4.2, Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Drenthe 2016. TOELICHTING BEHORENDE BIJ DE SUBSIDIEVERORDENING NATUUR- EN LANDSCHAPSBEHEER PROVINCIE DRENTHE Aanleiding Per 1 januari 2016 gaat het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) 2016 in. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het huidige SNL hebben betrekking op het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer 2016 gaat uit van een collectieve aanpak en de inzet van agrarisch natuur- en landschapsbeheer op de meest kansrijke gebieden. Agrarische collectieven vragen de subsidie aan; boeren vragen dus niet meer individueel subsidie aan voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Beleidskader Het Rijk zet zich in voor versterking van de natuur en een effectieve invulling van de internationale natuurdoelen. Uitgangspunt daarbij is het in stand houden en bevorderen van plant- en diersoorten, van natuurlijke habitats met internationale betekenis, van ecologisch gezonde watersystemen en een schoon milieu. Provinciaal beleid natuur en landschap De provincie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid. Zij treedt op als gebiedsregisseur in het landelijk gebied en brengt de partijen bij elkaar die zorgen voor de uitvoering van het natuur- en landschapsbeheer. De provincie bepaalt ook waar zij welke doelen wil realiseren en welke financiële middelen zij hiervoor inzet. Zij legt deze doelen en middelen onder andere vast in het provinciale Natuurbeheerplan. Hierin staat in welke gebieden natuur-, agromilieu- en klimaatdiensten ingezet kunnen worden. De provincie houdt bij de uitvoering van het natuurbeleid rekening met beleidsdoelen van andere overheden en activiteiten in het landelijk gebied, zoals het waterbeleid, recreatiebeleid, economisch en milieubeleid, zodat synergie kan worden bereikt. Via het SNL 2016 verleent de provincie subsidie voor het behoud en de ontwikkeling van (agrarische) natuurgebieden en landschappen. De natuurkwaliteit staat hierbij centraal. Algemene uitgangspunten van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap In de Strategische Visie SNL die is vastgesteld tussen overheden en beheerders van gronden, zijn de volgende uitgangspunten bepaald. - Uniformiteit in 12 provincies (het is een landelijk stelsel met provinciale specificaties). - De provincies stellen doelen en kaders en regisseren overleg (sturing op hoofdlijnen). - Alle partijen die landschap en (agrarische) natuurgebieden beheren en kunnen bijdragen aan natuurkwaliteitsdoelstellingen stemmen met elkaar af en werken met elkaar samen. - Uitgangspunt is een gebiedsgerichte benadering. Dat betekent dat rekening wordt gehouden met regionale verschillen in het landschap, wat leidt tot regionaal maatwerk. - Er wordt afgestemd met waterschappen over de realisatie en financiering van kwalitatieve en kwantitatieve waterdoelen. - De beheerders van gronden worden afgerekend op uitgevoerd beheer. - Het stelsel is robuust: beleidswijzigingen zijn eenvoudig in te passen. - Met het SNL krijgen beheerders van gronden meer verantwoordelijkheid voor en vertrouwen in de uitvoering. - Het SNL past binnen de regels van staatssteun en POP. Europa stelt regels voor staatssteun en controleert op de inzet van POP-gelden. In het SNL zijn de regels zoveel mogelijk beperkt tot het voldoen aan de Europese eisen. Uitgangspunten van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer (SVNL) - De juridische basis voor subsidieverlening is zo simpel mogelijk. - Er zijn geen dubbelingen met de Algemene wet bestuursrecht (Awb). - Subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer (agrarische collectieven) en voor natuurbeheer (natuurbeheerders). - Onderscheid tussen gecertificeerde en niet-gecertificeerde natuurbeheerders voor natuurbeheer. - Uniformiteit in de 12 provincies. Index Natuur en Landschap De Index Natuur en Landschap is een gemeenschappelijke, landelijk uniforme "natuurtaal " die de typen natuur, landschap en agrarische natuur in Nederland beschrijft. De Index Natuur en Landschap beschrijft welke typen natuur, agrarische natuur en landschap wij kennen in Nederland en is de basis voor de natuurbeheerplannen van de provincies (voor de operationele aansturing van het beheer op regionaal en lokaal niveau). Voor het natuurbeheer vormen de beheertypen de basis voor afspraken over doelen en middelen tussen provincie en natuurbeheerder. Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer kunnen zowel afspraken worden gemaakt op het niveau van natuurtypen als op het niveau van beheertypen. Catalogus groenblauwe Diensten De Catalogus groenblauwe Diensten is een overzicht van de maximale vergoedingen die Nederlandse overheden mogen geven aan grondeigenaren of beheerders van gronden die een Groenblauwe dienst (agrarische) natuur en landschap, cultuurhistorie, recreatie of waterbeheer) leveren. In de Catalogus zijn alle beheeractiviteiten beschreven waarvoor provincies in het SNL subsidie verstrekken. Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer zijn de beheeractiviteiten samengevat in een koppeltabel die aangeeft welke beheeractiviteiten binnen een leefgebied of onderdeel daarvan kunnen worden vergoed met medefinanciering vanuit Europa. Natuurbeheerplan Het Natuurbeheerplan beschrijft de beleidsdoelen en subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. De provincie geeft subsidie voor een aanzienlijk deel van de kosten voor ontwikkeling en beheer van natuur en landschap. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor de aanvraag van deze subsidies; het geeft de kaders aan waaraan een aanvraag moet voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie. Voor het agrarisch natuurbeheer zijn de beleidsdoelen biodiversiteit en water gekoppeld aan de agrarische leefgebieden. Begrenzing op de kaart in het Natuurbeheerplan gebeurt op basis van natuurtypen (=leefgebied) met daaronder een of meerdere beheertypen. In de tekst van het Natuurbeheerplan bepaalt de provincie welke doelsoorten waar beschermd moeten worden en welk beheer daarvoor ingezet kan worden. Ook kunnen er instapeisen worden geformuleerd per beheertype. Beheertypenkaart en ambitiekaart: kern van het Natuurbeheerplan De beheertypenkaart geeft alle bestaande, beheerwaardige (agrarische) natuur en landschap weer. Deze kaart vormt ook de basis voor het verlenen van beheersubsidies. Voor een deel van de natuurgebieden en agrarische gebieden met specifieke natuurwaarden bestaat een ambitie om het huidige gebruik of het beheer te veranderen. Dit ligt vast op de ambitiekaart. Openstellingsbesluit: subsidiemogelijkheden en -budget De provincie geeft de subsidiemogelijkheden jaarlijks aan op de kaarten in het Natuurbeheerplan. In het provinciale openstellingsbesluit staat of de subsidie wordt opengesteld en hoeveel subsidie beschikbaar is (in subsidieplafonds per natuurtype, leefgebied of onderdeel daarvan, al dan niet onderverdeeld naar regio's). Certificering Natuurbeheerders en agrarische collectieven kunnen een verklaring van de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer krijgen waarmee wordt ingestemd met de manier waarop deze beheerders de kwaliteitseisen voor het uitvoeren van beheer, de organisatie en de administratie garanderen. Dit wordt een (natuur)certificaat genoemd. Vertrouwen in de beheerder staat hierbij centraal. Om voor een certificaat in aanmerking te komen, stelt de natuurbeheerder respectievelijk het agrarisch collectief een Kwaliteitshandboek op dat gebaseerd is op een Programma van Eisen. De Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer verstrekt, namens de provincies, de certificaten na beoordeling van het kwaliteitshandboek en voert audits uit bij de gecertificeerden om de kwaliteitsbewaking in de praktijk te toetsen. Monitoring Natuurkwaliteit Er wordt jaarlijks veel geïnvesteerd in (agrarisch) natuurbeheer. Om vast te stellen of de afgesproken doelen voor in stand houden van soorten worden gehaald of dat de uitvoering bijgesteld moeten worden, hebben Rijk, provincies en beheerders van gronden een uniforme werkwijze ontwikkeld, de Werkwijze Monitoring Beoordeling Natuurnetwerk - Natura 2000/PAS. Hiermee kan worden gestuurd op de ambities voor het Natuurnetwerk Nederland en een vitaal platteland, op beheerprestaties en op een effectieve inzet van middelen. Voor het agrarisch natuurbeheer is deze werkwijze nog in ontwikkeling. TOELICHTING BIJ §2, NATUUR- EN LANDSCHAPSBEHEER Artikelsgewijs Artikel 1.1, Definities, Onderdeel d Binnen een beheerfunctie waren diverse beheeractiviteiten samengevoegd, waarna wordt gesproken van een cluster. Vanaf beheerjaar 2018 worden deze clusters binnen het ANLb niet meer toegepast. Deze clusters worden daarom niet meer genoemd in de SVNL. - Creëren fourageergebied - Creëren nat biotoop - Verschralen - Optimaliseren broed- en opgroeimogelijkheden - Optimaliseren nestbescherming - Optimaliseren voortplantingsmogelijkheden - Waterberging - Bufferzone - Verbeteren waterkwaliteit - Vernatting - Water vasthouden Artikel 1.2, Openstelling In het openstellingsbesluit worden de subsidieplafonds vastgesteld en bekendgemaakt. Daarbij is het mogelijk om een deelplafond vast te stellen, specifiek voor bepaalde doelgroepen, onderdelen van het natuurbeheerplan of leefgebied. Artikel 2.1, Doelgroep Een eigenaar die de grond in erfpacht heeft gegeven, zal geen subsidie meer kunnen aanvragen omdat hij slechts het bloot eigendom heeft en geen zeggenschap meer heeft over het grondgebruik en het beheer. Wel kunnen de genoemde gerechtigden die hun grond in pacht uitgeven subsidie aanvragen en ontvangen zolang ze de pacht zo hebben vormgegeven dat de zeggenschap over het beheer nog bij hen ligt. Pachters komen niet in aanmerking voor een subsidie natuurbeheer. Artikel 2.9, Verplichtingen van de subsidieontvanger Tweede lid, onderdeel a en c, Toegankelijkheid Er wordt belang gehecht aan de recreatieve openstelling van natuurterreinen. Daarom bevat het tweede lid verplichtingen ten behoeve van landelijke wandelpaden, fietsroutes en knooppuntennetwerken. Van subsidieontvangers wordt niet alleen gevraagd om het natuurterrein open te stellen voor publiek, maar ook om desgevraagd medewerking te verlenen aan bewegwijzering van wandel- en fietsroutes. Als een natuurterrein om de in het vierde lid genoemde redenen niet kan worden opengesteld, dan is dat gedeelte vrijgesteld van openstelling. Een terrein is toegankelijk (oftewel begaanbaar) als er in het terrein gelopen, gefietst of gevaren kan worden zonder dat er gevaarlijke situaties ontstaan (bijvoorbeeld bij moerassen en trilvenen). Een terrein is bereikbaar als het te bereiken is vanaf de openbare weg of via een aangrenzend opengesteld terrein. TOELICHTING BIJ §3, AGRARISCH NATUUR- EN LANDSCHAPSBEHEER Algemeen gedeelte De agrarische gebieden rondom de natuurgebieden vormen een belangrijke schakel in het realiseren van de natuurdoelen vanwege de bufferfunctie die zij vervullen. Daarnaast zijn er veel soorten die hun leefgebied in het agrarisch gebied hebben. Om dit beter op elkaar aan te sluiten, is een effectiever en efficiënter agrarisch natuur- en landschapsbeheer nodig. Het agrarisch natuur- en landschapsbeheer is gericht op het creëren van positieve omstandigheden voor biodiversiteit, waterkwaliteit en -kwantiteit. Bovendien heeft het beheer een duidelijke meerwaarde voor natuur, landschap, water en agrarisch ondernemerschap. Het nieuwe agrarisch natuurbeheer is het resultaat van een integrale toepassing in de streek. Het maatschappelijk draagvlak en de beleefbaarheid en leefbaarheid van het platteland wordt vergroot, mede door aan te sluiten bij praktijk, omstandigheden en ervaring van ondernemers. Artikel 3.1, Doelgroep Vanaf 2016 vragen gecertificeerde agrarische collectieven subsidie aan voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer, zij zijn de begunstigde van de subsidie. Een agrarisch collectief is een samenwerkingsverband in een bepaald gebied dat bestaat uit agrariërs en andere grondgebruikers in dat gebied die zich vrijwillig hebben verenigd voor het uitvoeren van agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Voor deze subsidie komen alleen agrarische collectieven in aanmerking, die een SNL-certificaat bezitten. Bepaald is dat enkel een vereniging subsidie kan aanvragen. Een coöperatie is op grond van het Burgerlijk Wetboek een bijzondere vorm van een vereniging en wordt op grond van de verordening derhalve ook als een vereniging aangemerkt. De keuze voor een vereniging vloeit voort uit de Brusselse eis dat subsidie alleen mogelijk is aan landbouwers en groepen van landbouwers of andere grondgebruikers. Uit die eis volgt dat er een directe relatie moet zijn tussen de "groep" die aanvraagt en landbouwers of grondgebruikers daarachter. De vereniging is de enige rechtsvorm die deze relatie zichtbaar maakt. Vanuit controleerbaarheid is volledige rechtsbevoegdheid nodig. Artikel 3.2, Subsidiabele activiteiten Uitgangspunt van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb2016) is een leefgebiedenbenadering: het creëren en in stand houden van een leefgebied voor een soort of groep van soorten die vergelijkbare beheeractiviteiten vragen in een bepaald gebied. Er zijn vier agrarische leefgebieden en één categorie voor water. De vier leefgebieden komen overeen met de agrarische natuurtypen van de Index Natuur en Landschap: open grasland, open akkerland, natte dooradering en droge dooradering. Artikel 3.3, Weigeringsgronden (vervallen) Artikel 3.4, Subsidievereisten Vanaf 2016 is bij het agrarisch natuur- en landschapsbeheer sprake van een projectsubsidie voor het beheer gedurende zes jaar. Een gebiedsaanvraag moet voldoen aan alle opgesomde vereisten. Een agrarisch collectief kan bijvoorbeeld een gebiedsaanvraag doen voor drie verschillende leefgebieden of drie onderdelen van een leefgebied. De gebiedsaanvraag wordt dan voor ieder van die drie leefgebieden apart getoetst aan alle subsidievereisten. Daarbij kan het voorkomen dat de gebiedsaanvraag enkel voor twee leefgebieden of onderdelen voldoet en voor een leefgebied of onderdeel niet. Het onderdeel van de gebiedsaanvraag dat op dat ene leefgebied ziet, wordt dan afgewezen en het agrarisch collectief ontvangt enkel een subsidie voor de twee leefgebieden die wel voldoen aan de vereisten. De zesjarige subsidie wordt in de aanvraagperiode voor het SNL aangevraagd via een gebiedsaanvraag. Deze aanvraag is gebaseerd op een samenhangend ecologisch effectief en efficiënt beheerplan. In de aanloop naar het insturen van de gebiedsaanvraag bespreekt het agrarisch collectief de concept-gebiedsaanvraag met de provincie om eventuele knelpunten of provinciale afwegingen af te stemmen. Eerste lid, onder c, eerste onderdeel, Minimum- en maximumaantal hectares per leefgebied Bij de gebiedsaanvraag is het noodzakelijk het minimumaantal hectares (bijvoorbeeld per leefgebied) te benoemen, waaronder de uiteindelijke betaalaanvragen niet mogen uitkomen. Het maximumaantal hectares mag 15% hoger zijn dan het minimum. De begroting van de subsidiabele kosten gaat over het maximumaantal hectares; bij de betaalaanvraag wordt getoetst hoeveel hectares daadwerkelijk zijn beheerd en of de vergoeding van het gevoerde beheer niet het maximumbedrag in de Catalogus Groenblauwe Diensten overschrijdt (staatssteuntoets). Artikel 3.5, Subsidiabele kosten Onderdeel a en b zijn de kosten die rechtstreeks met het verrichten respectievelijk leveren van de dienst te maken hebben. Onderdeel c benoemt transactiekosten. Dit zijn kosten die niet direct met de uitvoering van de dienst te maken hebben, maar kosten verbonden aan het vervullen van de randvoorwaarden zodat de dienst daadwerkelijk uitgevoerd kan worden. Denk aan kosten voor administratie, ureninzet om de aanvraag te kunnen doen etc. Hierbij wordt uitgegaan van maximaal 20% transactiekosten en streefpercentage van 15%. Artikel 3.6, Niet subsidiabele kosten Artikel 3.7, Subsidiehoogte Derde lid, Ondergrens In dit derde lid wordt de ondergrens voor het te subsidiëren bedrag geregeld. Elke provincie kan hier een eigen ondergrens bepalen. SCAN adviseert daarvoor een minimaalbedrag van ¿ 50.000,--. Artikel 3.8, Verdeelcriteria In dit artikel is geregeld hoe het beschikbare geld verdeeld wordt over de ingekomen aanvragen die volledig zijn en aan de vereisten van artikel 3.4 voldoen. Als er voor een gebied meerdere aanvragen binnenkomen, worden die aanvragen onderling gewogen. In het tweede lid is beschreven hoe de aanvragen onderling worden gewogen. Alle aanvragen worden onderling gewogen op basis van de beoordelingscriteria en van punten voorzien. De aanvraag met de meeste punten gaat voor, totdat het geld verdeeld is. Artikel 3.11, Subsidieverplichtingen Onder d, Wijziging van activiteiten op perceelsniveau Tijdens het beheerjaar kan blijken dat het beheerplan voor dat jaar niet helemaal uitvoerbaar blijkt of niet klopt. Bij het beheer dat gericht is op specifieke doelsoorten is het bijvoorbeeld van belang de beheeractiviteiten (zoals uitgesteld maaien) aan te passen aan de aanwezigheid van jonge dieren. Ook kunnen vogels op een ander perceel gaan zitten dan dat in het beheerplan is opgenomen, waardoor het beheer verlegd moet worden. Deze wijzigingen zijn toegestaan en moeten direct in het systeem vastgelegd worden. Tot het indienen van het jaarlijks betaalverzoek uiterlijk op 15 mei kan, als hiervoor een ecologische reden is, de locatie van het beheer verplaatst worden naar meer effectieve percelen. Nadat het betaalverzoek is ingediend, kunnen beheerlocaties niet meer wijzigen. Wel kan tot 30 september het beheer op een perceel wijzigen, bijvoorbeeld vanwege het uitvliegen van kuikens. Onder i, Aanvraag tot betaling De subsidieontvanger vraagt in de zesjarige subsidieperiode jaarlijks tussen 1 april en 15 mei uitbetaling aan voor alle percelen waarop hij beheer uitvoert volgens de subsidiebeschikking. Hiermee wordt het maximaal te betalen subsidiebedrag vastgelegd (het aantal hectares uit de gebiedsaanvraag vermenigvuldigd met het gemiddelde bedrag per hectare). Voor beheerjaar 2016 doet de subsidieontvanger dus uiterlijk op 15 mei 2016 een betaalverzoek voor het beheer dat in 2016 plaatsvindt. Onder j, Verantwoording Uiterlijk 1 oktober dient de subsidieontvanger jaarlijks de verantwoording van het betaalverzoek in. In de verantwoording wordt op perceelsniveau vastgelegd welk beheer is uitgevoerd (de locatie en de beheeractiviteit per oppervlakte). Samen met de actuele veldgegevens wordt dit gebruikt als basis voor het jaarlijkse evaluatiegesprek met de provincie. De verantwoording van het betaalverzoek is de basis voor de hoogte van de betaling die steeds na afloop van een beheerjaar wordt uitgekeerd. Bij het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer hoeft dus niet jaarlijks een kostenoverzicht te worden ingediend. Bepaald wordt of de vergoedingen voor de beheeractiviteiten in het beheerplan volgens de Catalogus Groenblauwe Diensten, eventueel na correcties en sancties, gelijk of hoger zijn dan het maximaal uit te betalen bedrag. De subsidieontvanger krijgt het bedrag dat vermeld is in de betaalaanvraag uitbetaald indien aan de subsidiebeschikking wordt voldaan en indien het maximum-bedrag dat volgt uit de eerdergenoemde verantwoording niet wordt overschreden. Artikel 3.13, Wijziging subsidieverlening vanwege vergroting areaal Een uitbreidingsaanvraag is een verzoek tot uitbreiding van de zesjarige subsidiebeschikking. Als hiervoor budget wordt opengesteld, kan het agrarisch collectief jaarlijks een uitbreidingsaanvraag indienen voor de resterende looptijd van de oorspronkelijke zesjarige subsidiebeschikking. De uitbreidingsaanvraag moet de oorspronkelijke aanvraag versterken en passen binnen het natuurbeheerplan dat op het moment van het indienen van de uitbreidingsaanvraag geldt. De uitbreidingsaanvraag doorloopt dezelfde beoordelingsprocedure als nieuwe aanvragen. Artikel 3.14, Subsidievaststelling Aan het einde van de zesjarige subsidieperiode wordt de afrondende subsidiebeschikking vastgesteld op basis van de jaarlijkse beschikkingen op het betaalverzoek, uitgebreid met de laatste beoordeling van het betaalverzoek. De vaststelling wordt getoetst aan de subsidiebeschikking. Artikel 3.15, Sancties Artikel 35 van verordening (EU) nummer 640/14 bepaalt dat het bevoegd gezag een sanctiebeleid moet opstellen. Daarin wordt aangegeven hoe de provincie omgaat met de situatie dat de subsidieontvanger niet aan haar verplichtingen voldoet. TOELICHTING op wijziging d.d. 2016-06-18 artikel 2.6 Derde lid, ambtshalve verstrekking vaartoeslag De vaartoeslag wordt ambtshalve verstrekt. Voor de andere toeslagen geldt dat deze op aanvraag worden verstrekt. Om dit onderscheid te benadrukken, is het tweede lid gesplitst in een tweede lid en een derde lid. artikel 2.13 Een uitbreidingsaanvraag is een verzoek tot uitbreiding van de zesjarige subsidiebeschikking. Als hiervoor budget wordt opengesteld, kan de subsidieontvanger jaarlijks een uitbreidingsaanvraag indienen voor de resterende looptijd van de oorspronkelijke zesjarige subsidiebeschikking. De uitbreidingsaanvraag moet passen binnen het Natuurbeheerplan dat op het moment van het indienen van de uitbreidingsaanvraag geldt. De uitbreidingsaanvraag doorloopt dezelfde beoordelingsprocedure als nieuwe aanvragen. Hierbij geldt dat de minimumomvang in hectares uit artikel 2.4 niet geldt bij de uitbreidingsaanvraag. De uitbreidingsaanvraag dient wel te leiden tot een verhoging van het totale subsidiebedrag van minimaal € 1.200,--. artikel 3.11 De term ‘schonen en/of maaien' in onderdeel

  1. n)heeft betrekking op meerjarige activiteiten waarbij een bepaald maximumpercentage, niet zijnde 100%, wordt geschoond en/of gemaaid. TOELICHTING op wijziging 2016-11-14 artikel 2.4 Sinds 2012 vindt een herziening van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) plaats om te komen tot: - een efficiënter subsidieaanvraagproces en daarmee lagere uitvoeringskosten; - kwalitatief beter beheer; - meer samenwerking in het gebied; - een eenvoudige uitvoering van het SNL. Voor particuliere beheerders heeft onderzoek tot de conclusie geleid dat de subsidieverlening SNL aan particuliere beheerders efficiënter kan door gebruik te maken van collectieven, die de aanvragen op gewenst kwaliteitsniveau opstellen. Eerste lid, onderdeel c en d, minimum en certificaat. Tweede lid Vanaf 2016 geldt daarom dat de aanvraag een minimumaantal hectaren betreft. De aanvrager dient te beschikken over een certificaat natuurbeheer of een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer. Daarnaast is het mogelijk dat een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of een andere rechtspersoon, die zelf niet beschikt over een groepscertificaat subsidie aanvraagt. Dan geldt de eis dat de eigenaren of erfpachters van de natuurterreinen waar het beheer wordt uitgevoerd elk afzonderlijk over een individueel certificaat beschikken. Op deze wijze kan het collectief beheer op twee manieren vorm krijgen: - beheerders kunnen aansluiten bij een subsidieaanvrager die beschikt over een groepscertificaat natuurbeheer; - beheerders met een individueel certificaat kunnen aansluiten bij een subsidieaanvrager die niet over een groepscertificaat beschikt. Beheerders die zelfstandig een aanvraag willen doen, kunnen dat doen als zij voldoen aan de minimale omvang genoemd in artikel 2.4 en over een individueel certificaat beschikken. Door deze wijziging is altijd sprake van certificering. Het gaat dan hetzij om de aanvrager, hetzij om de beheerder die zeggenschap heeft over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd. De subsidieaanvrager is de partij aan wie de subsidie wordt verleend. Zij is voor de subsidieverstrekker het aanspreekpunt. De doorbetaling van subsidiebedragen aan de personen die het beheer uitvoeren, is een zaak tussen subsidieontvanger en beheerders. artikel 2.5 Vierde lid, subsidiabele kosten bij niet-gecertificeerde subsidieontvanger Bij een niet-gecertificeerde subsidieontvanger waarvan de eigenaren of erfpachters van de natuurterreinen waar het beheer wordt uitgevoerd over een individueel certificaat dienen te beschikken, geldt het volgende. De kosten zijn slechts subsidiabel als degenen die over een certificaat dienen te beschikken daar ook over beschikken. Indien het certificaat van één van hen wordt ingetrokken, zijn de kosten die voor het desbetreffende beheer worden gemaakt vanaf dat moment niet meer subsidiabel. TOELICHTING op wijziging 2017-06-19 artikel 1.10 Dit artikel bevat de aangepaste weigeringsgrond uit het vervallen artikel 3.3. De opsomming is veralgemeniseerd. Daarnaast is de weigeringsgrond naar het algemene deel verplaatst, aangezien ook voor subsidies in het natuurbeheer geldt dat voor subsidieverlening geen plaats is indien op een terrein nog een verlening voor natuurbeheer loopt. artikel 2.3, 2.4 en 2.5 De aanpassingen (onderdeel C, onderdeel E, vierde punt) zijn ingegeven door de Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (2014/C 204/01). Dit betreft technische aanpassingen die voornamelijk voortvloeien uit het vorig jaar ingevoerde systeem van natuurbeheer door collectieven. artikel 3.11 Bij deze wijziging draait het om enkele technische aanpassingen die noodzakelijk zijn om de SVNL provincie Drenthe 2016 te laten stroken met artikel 14bis van Verordening 809/2014 en met het daaruit voortvloeiende controle- en handhavingsregime. Onderdelen d en e Uit onderdeel d volgt dat zowel wijzigingen van activiteiten op perceelsniveau die gedurende het kalenderjaar optreden (onderdeel
  2. d)als wijzigingen bestaande uit het toevoegen van percelen met de daarbij horende uit te voeren beheeractiviteit (onderdeel
  3. e)uiterlijk veertien dagen voorafgaand aan het ingaan van de wijziging moeten worden gemeld aan Gedeputeerde Staten. De wijzigingen van activiteiten op perceelsniveau die gedurende het kalenderjaar optreden, kunnen tot uiterlijk 30 september van het lopende beheerjaar worden doorgevoerd. De uiterste termijn om de wijzigingen bedoeld in onderdeel e door te geven ligt eerder: uiterlijk op de laatste dag waarop de Gecombineerde data inwinning kan worden ingediend. bijlage 3 De koppeltabel staat op het Portaal Natuur en Landschap. Op dat portaal staan ook eerdere versies van de koppeltabel. Op een beheerjaar is de meest recente versie van de koppeltabel van toepassing. TOELICHTING op wijziging 2017-10-18 Artikel II, onderdeel B, leden 1, 2 (voor zover betrekking hebbend op het vervallen van onderdeel
  4. o)en 3 In het huidige artikel 3.11 van de SVNL’16 zijn voorwaarden opgenomen met betrekking tot het tijdig opvoeren van beheeractiviteiten (onderdeel
  5. d)en het tijdig melden van het uitvoeren van bepaalde beheeractiviteiten (onderdelen n en o), de zogenaamde 'actieve meldingen'. Het voorstel is om deze activiteiten met meldtermijnen op te nemen in een bijlage. De reden hiervan is dat de kans bestaat dat er op termijn nieuwe activiteiten aan de koppeltabel worden toegevoegd waarbij een actieve melding vereist is. Het is daarom wenselijk om de SVNL’16 flexibeler te maken door de termijnen en activiteiten die actief gemeld moeten worden uit de tekst van artikel 3.11 te verwijderen en in een aparte bijlage te zetten. Artikel II, onderdeel B, lid 2 (voor zover betrekking hebbend op het vervallen van onderdeel
  6. i)In het huidige artikel 3.11, onderdeel i, is de verplichting opgenomen dat het collectief elk jaar een voortgangsverslag moet indienen. Deze verplichting wordt geschrapt. Het verslag kan 'informeel' worden gevraagd als onderdeel van het jaarlijkse 'goede gesprek' tussen provincie en collectief. Artikel II, onderdeel B, lid 4 Aan artikel 3.11, lid 1 worden twee onderdelen toegevoegd. De subsidievoorwaarde uit onderdeel p behelst dat alle activiteiten op een perceel door het collectief opgegeven dienen te worden onder hetzelfde leefgebied en dezelfde beheerfunctie. Anders leidt dit tot het kunstmatig vergroten van het gerealiseerde areaal leefgebied en/of het op kunstmatige manier voldoen aan (in bepaalde mate) verplichte beheerfuncties. Er wordt een nieuw onderdeel q opgenomen. De Auditdienst Rijk van het Ministerie van Financiën is door de minister van Economische Zaken (EZ) aangewezen als certificerende instantie. De certificerende instantie is belast met het toezicht op het betaalorgaan. In het kader van die taak moet de certificerende instantie zich op grond van artikel 7, leden 3 en 4, van Verordening 809/2014 steekproefsgewijs kunnen overtuigen van de situatie ter plaatse. Dit veldbezoek is dus niet gericht op (het opnieuw controleren van) het collectief/de beheerder, maar dient om de rechtmatigheid van de betalingen door het betaalorgaan te verifiëren. In de SVNL’16 wordt nu expliciet vastgelegd dat het collectief/de beheerder medewerking moet verlenen aan deze zogenaamde ‘herverificatie’. Artikel II, onderdeel C Activiteit 6 (SCAN-pakket 7) maakt het mogelijk om ten behoeve van het weidevogelbeheer ruige stalmest uit te rijden. Dit mag niet gedurende de rustperiode en de periode die uitgesloten is op basis van het Besluit gebruik meststoffen (september tot februari van het daaropvolgende jaar). Momenteel zijn er twee potentiële uitrijperiodes: één in het vroege voorjaar (februari-maart) en één in de nazomer (na de rustperiode tot september). Het uitrijden van ruige mest moet ecologisch effectief zijn en actief gemeld worden. De activiteit is niet bedoeld om (gesubsidieerd) het mestoverschot te verlagen. Onder het Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer wordt subsidie verstrekt voor het uitvoeren van (bepaalde) activiteiten. Dat betekent dat zolang aan de voorwaarden wordt voldaan, de activiteit subsidiabel is. Activiteit 6 is een zogenaamde gestapelde activiteit. Dat betekent dat telkens als er volgens de voorwaarden ruige mest wordt uitgereden, deze activiteit subsidiabel is ondanks dat ze niet langer ecologisch effectief is. Dit is geen efficiënte inzet van de beschikbare middelen. Daarom wordt voorgesteld de toeslag ruige mest te limiteren tot eenmaal de oppervlakte van het desbetreffende perceel. Artikel II, onderdeel D In artikel 3.11 van de SVNL’16 zijn voorwaarden opgenomen met betrekking tot het tijdig opvoeren van beheeractiviteiten (onderdeel
  7. d)en het tijdig melden van het uitvoeren van bepaalde beheeractiviteiten (onderdeel n), de zogenaamde 'actieve meldingen'. In de uitvoeringspraktijk bleken ook meldingen die te laat zijn gedaan nog te kunnen worden geaccepteerd, zij het dat er dan een sanctie van toepassing is. In bijlage 5, derde kolom van de SVNL’16 is in het kader van de kenbaarheid en rechtszekerheid uitgewerkt wanneer een opgegeven activiteit niet subsidiabel is doordat de opgave zodanig laat plaatsvindt dat de correcte uitvoering van de activiteit niet meer te controleren valt. Aangegeven is wat de uiterste termijnen zijn waarop nog is vast te stellen of de activiteit (correct) is uitgevoerd. Wordt de opgave later gedaan dan aangegeven in de vierde kolom van bijlage 5 van de SVNL’16, dan is de desbetreffende activiteit niet subsidiabel. Artikel III Om het verband tussen de Beleidsregel en de SVNL’16 te handhaven, is het nodig dat deze SVNL’16 wijziging mede betrekking heeft op lopende subsidiebeschikkingen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het onderhavige wijzigingsvoorstel géén feitelijke verzwaring betreft van de voorwaarden waaraan het collectief moet voldoen. Bijlage I BIJLAGE 1, INDEX LANDSCHAP Leeswijzer 20 L01 Groenblauwe landschapselementen 21 L01.01 Poel en klein historisch water 21 L01.01.00 Poel en klein historisch water - gemiddeld 23 L01.01.01a Oppervlakte poel < 175 m2 23 L01.01.01b Oppervlakte poel > 175 m2 23 L01.02 Houtwal en houtsingel 25 L01.02.00 Houtwal en houtsingel - gemiddeld 25 L01.02.01 Houtsingel en houtwal 25 L01.02.02 Hoge houtwal 25 L01.02.03 Holle weg en graft 25 L01.03 Elzensingel 26 L01.03.00 Elzensingel - gemiddeld 26 L01.03.01a Bedekking elzensingel 30-50% 26 L01.03.01b Bedekking elzensingel 50%-75% 26 L01.03.01c Bedekking elzensingel > 75% 26 L01.04 Bossingel en bosje (vervallen) 27 L01.04.01 Bossingel en bosje 27 L01.05 Knip- of scheerheg 27 L01.05.00 Knip- of scheerheg - gemiddeld 28 L01.05.01a Knip- en scheerheg; jaarlijks scheren of knippen 28 L01.05.01b Knip- en scheerheg; eenmaal per 2-3 jaar scheren of knippen 28 L01.06 Struweelhaag 29 L01.06.00 Struweelhaag - gemiddeld 30 L01.06.01a Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar 30 L01.06.01b Struweelhaag snoeicyclus > 12 jaar 30 L01.07 Laan 31 L01.07.00 Laan- gemiddeld 32 L01.07.01a Gemiddelde stamdiameter bomen < 20 cm 32 L01.07.01b Gemiddelde stamdiameter bomen 20-60 cm 32 L01.07.01c Gemiddelde stamdiameter bomen > 60 cm 32 L01.08 Knotboom 33 L01.08.00 Knotboom - gemiddeld 34 L01.08.01a Gemiddelde stamdiameter knotboom < 20 cm 34 L01.08.01b Gemiddelde stamdiameter knotboom 20-60 cm 34 L01.08.01c Gemiddelde stamdiameter knotboom > 60 cm 34 L01.09 Hoogstamboomgaard 35 L01.09.01 Hoogstamboomgaard 36 L01.10 Struweelrand 37 L01.10.01 Struweelrand 38 L01.11 Hakhoutbosje 39 L01.11.01a Droog hakhoutbosje (zomereik, wintereik, berk en haagbeuk dominant) 40 L01.11.01b Vochtig en nat hakhoutbosje (zwarte els en/of gewone es dominant) 40 L01.12 Griendje 41 L01.12.01 Griendje 41 L01.13 Bomenrij en solitaire boom 42 L01.13.01 Bomenrij en solitaire boom 43 L01.14 Rietzoom en klein rietperceel 44 L01.14.01a Smalle rietzoom (< 5 meter) 44 L01.14.01b Brede rietzoom (> 5 meter) en klein rietperceel 44 L01.15 Natuurvriendelijke oever 45 L01.15.01 Natuurvriendelijke oever 45 L01.16 Bossingel (nieuw per 1-1-2017) 46 L02 Historische gebouwen en omgeving 47 L02.01 Fortterrein 48 L02.02 Historisch bouwwerk en erf 50 L02.03 Historische tuin 51 L03 Aardwerken 53 L03.01 Aardwerk en groeve 53 L04 Recreatieve landschapselementen 54 L04.01 Wandelpad over boerenland 54 L04.01.01 Wandelpad over boerenland 54 LEESWIJZER Systematiek In het kader van de vereenvoudiging en transparantie van het Stelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) is een systematiek ontwikkeld die aansluit op de systematiek van de onderdelen Natuur en Agrarisch: L = Landschap L01 = landschapselemententypen L01.01 = landschapsbeheertypen L01.01.01 = pakket L01.01.01a = pakketvariant Binnen het onderdeel Landschap zijn er 4 natuurtypen vastgesteld met daaronder 20 beheertypen. De beheertypen zijn vervolgens verder uitgesplitst in verschillende pakketten die het mogelijk maakt om ook op agrarische grond beheersubsidie aan te kunnen vragen voor landschapsbeheer. Uitgangspunten van de typologie zijn: - Natuurtypen zijn bedoeld als sturingsinstrument op landelijk en regionaal niveau. - Natuurtypen zijn bruikbaar om afspraken op het gebied van landschapsbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu op elkaar af te stemmen zodat de nagestreefde natuurkwaliteit gerealiseerd kan worden. - Natuurbeheertypen zijn bruikbaar voor het typeren van een doelstelling van grote gebieden. - Zowel natuurlijke landschappen als groene cultuurhistorische elementen zijn geïntegreerd in de natuurtypen. - De indeling in natuurtypen zowel gebaseerd op abiotische als op biotische condities en op cultuurhistorie. - Beheertypen zijn bedoeld voor de classificering en indeling van het beheer. - Beheertypen kunnen (op regionaal niveau) beschouwd worden als eenheden met een kleine variatie in natuurwaarde en abiotische randvoorwaarden. - Beheertypen zijn geschikt om zowel actuele situaties als doelen mee te beschrijven. - Binnen een beheertype is sprake van een vergelijkbaar beheer en vergelijkbare kosten (koppeling doelen en middelen). - Pakketten zijn bedoeld voor de aansturing van het agrarisch natuurbeheer. - Pakketten zijn bruikbaar voor het typeren van de doelstelling op perceelniveau. - De indeling in pakketten is met name gebaseerd op een plaatsing in het ruimtelijk kader (als rand of vlak), beheercyclus, variatie in dichtheden en hydrologische toestand. Van alle landschapselemententypen is een algemene beschrijving opgenomen. De algemene beschrijving geeft een indruk van het voorkomen en geografische verspreiding van de beheertypen, de kenmerkende natuurwaarden en belangrijkste abiotische en ruimtelijke condities. Ook van alle landschapsbeheertypen is een algemene beschrijving opgenomen die samen met de afbakening de basis vormt voor de classificering van de beheertypen. Daarnaast zijn de afbakeningen met name gebaseerd op de minimale oppervlakte en/of afmeting in het kader van ecologische en financiële haalbaarheid van de vergoedingen. In de landschapsbeheertypen staat ook aangegeven dat vanwege de cofinanciering bij agrarisch landschapsbeheer aan bepaalde (beheer)eisen voldaan moet worden wil men in aanmerking komen voor een vergoeding voor het beheer. De algemene beheereisen vormen de basis van het (agrarisch landschaps)beheer, die verder aangevuld wordt met de onder de pakketten weergegeven specifieke beheereisen. L01, GROENBLAUWE LANDSCHAPSELEMENTEN Algemene beschrijving In de loop der eeuwen zijn in het Nederlandse landschap diverse landschapselementen verschenen. Sommige van deze landschapselementen zijn al eeuwen oud. De functie was vaak meerledig: zo dienden dergelijke landschapselementen als perceelscheiding, veekering of drinkwatervoorziening voor het vee maar ze leverden ook gebruikshout op. Door de komst van prikkeldraad, de schaalvergroting en ruilverkavelingen zijn vele kilometers en hectares van deze elementen verdwenen. Deze landschapselementen vertegenwoordigen vaak een hoge natuurwaarde, doordat veel dieren en planten er beschutting, dekking en voedsel vinden. De lijnvormige landschapselementen worden gebruikt als migratieroute door veel zoogdieren als vleermuizen en das. De blauwe landschapselementen dienen als voortplantingsplaats van amfibieën en insecten. Veel vogels vinden nestgelegenheid in de dichtte begroeiing of juist in de ontstane holtes als gevolg van het intensieve beheer dat bij deze landschapselementen plaatsvindt. Planten en insecten profiteren optimaal van de vele microklimaten die de landschapselementen bieden. Beheertypen Dit natuurtype omvat de volgende beheertypen: • L01.01 Poel en klein historisch water • L01.02 Houtwal en houtsingel • L01.03 Elzensingel • L01.04 Bossingel en bosje (vervallen) • L01.05 Knip- en scheerheg • L01.06 Struweelhaag • L01.07 Laan • L01.08 Knotboom • L01.09 Hoogstamboomgaard • L01.10 Struweelrand • L01.11 Hakhoutbosje • L01.12 Griendje • L01.13 Bomenrij en solitaire boom • L01.14 Rietzoom en klein rietperceel • L01.15 Natuurvriendelijke oever • L01.16 Bossingel (nieuw per 1-1-2017) L01.01, POEL EN KLEIN HISTORISCH WATER Algemene beschrijving Poelen zijn natuurlijke of gegraven laagtes, gemaakt om over water voor vee te kunnen beschikken. Andere al dan niet gegraven kleine wateren met een historische betekenis zijn bijvoorbeeld voorraadbassins voor bluswater, visvijvers, schapenwasplaatsen, pingoruïnes en veenputten. Vaak vervulden poelen meerdere functies. De mens heeft altijd water nodig gehad en daarvoor zijn zowel bestaande natuurlijke wateren als zelf gegraven laagtes gebruikt. Ook uit de middeleeuwen zijn putten en kuilen bekend. Tot op de dag van vandaag worden poelen gegraven en gebruikt. Poelen en kleine wateren in het landschap kunnen dus al eeuwen oud zijn, alhoewel sommige van zeer recente datum zijn, denk aan nieuw gegraven amfibieënpoelen. Het beheertype Poel en klein historisch water is te vinden in heel Nederland. Er zijn diverse vormen bekend. In het waterrijke West-Nederland dienden de sloten veelal als veedrinkplek en waren poelen dan ook minder noodzakelijk. In dit gebied vinden we de veenputten die door het kleinschalig afgraven van veen zijn ontstaan. Als drinkplaats voor vee zijn poelen daar te vinden waar ander drinkwater niet voorhanden was. Vooral in Oost- en Zuid-Nederland zijn poelen veel voorkomende landschapselementen. In de kustgebieden zijn poelen aangelegd om in zoet water te voorzien in een zilte omgeving. Deze poelen werden dan in een kunstmatige verhoging gegraven. Dit zijn de zogenaamde hollestelles. Deze zijn vooral in Zeeland te vinden en liggen vaak buitendijks. Wateren die als bluswater dienden zijn veel nabij boerderijen en nederzettingen te vinden. Visvijvers komen vooral veel in Brabant en Zuid-Limburg voor. Het is belangrijk de historische contouren/vormen te behouden, zeker bij de visvijvers. Openheid rondom (een deel van) de poel kan de zichtbaarheid en beleefbaarheid vergroten en is van belang om een goed voortplantingsbiotoop voor amfibieën te behouden. In het verleden was zeker bij veedrinkpoelen het element bereikbaar voor vee en dus in ieder geval deels onbegroeid. Vaak stonden er wel enkele bomen bij een poel voor schaduw voor de dieren en tegen verdamping. Soms kennen poelen gemetselde randen, zoals uit Zuid-Limburg bekend is. Poelen zijn van groot belang als voortplantingsbiotoop voor amfibieën en libellen in het cultuurlandschap. Afbakening - Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door grond- en/of regenwater. Een poel mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied. - Het element heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 en maximaal 50 are. - In Zuid-Limburg heeft een voortplantingspoel voor amfibieën een oppervlakte van minimaal 0,2 are. - Vijvers die een onderdeel zijn van een park- of tuinaanleg vallen niet onder dit beheertype, maar onder beheertype Historische tuin. - Wateren die onder N06.05 'Zuur ven of Hoogveenven' of N06.06 'Zwakgebufferd ven' vallen horen niet tot dit beheertype. - Sloten behoren niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen - Minimaal de helft van het natte oppervlakte van de poel bestaat in de lente uit open water. Voor behoud van voldoende open water wordt het element periodiek opgeschoond. Incidenteel mag het element in de zomerperiode droogvallen. - Vertrapping van de oevers bij het gebruik van het element als veedrinkpoel wordt voorkomen. Bij het gebruik als veedrinkpoel is minimaal de helft van de oeverlengte uitgerasterd. - Maximaal 25% van de oeverlengte is begroeid met inheemse bomen en/of struiken. - Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het element gebruikt worden. - Er mogen geen vissen of andere dieren (zoals eenden en ganzen) worden uitgezet of gekweekt. - Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element. - Maai- en schoningswerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 september en 15 oktober. Beheerpakketten L01.01.00 Poel en klein historisch water - gemiddeld L01.01.01a Oppervlakte poel < 175 m2 L01.01.01b Oppervlakte poel > 175 m2 L01.02, HOUTWAL EN HOUTSINGEL Algemene beschrijving Houtwallen en houtsingels komen in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten zoals; graften, grubben, dykswâlen, schurvelingen of houtkaden. Houtwallen komen vooral voor in cultuurlandschappen in het Zandgebied, Heuvelland en het Duingebied. Lijnvormige landschapselementen met wallichaam in het laagveengebied worden houtkade genoemd. Ook de begroeiing op graften en holle wegen in Zuid-Limburg valt onder dit type. Deze lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Houtwallen en houtsingels zijn bepalend voor het kleinschalige kampenlandschap op de zandgronden. Deze lijnvormige elementen vormen een belangrijk biotoop voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna. Afbakening - Een houtwal of houtsingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd. - De houtwal of houtsingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. - Elzensingels bestaande uit een enkele rij horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype L01.03, Elzensingel. - Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen - Ten minste 75% van de oppervlakte van het element wordt als hakhout beheerd en periodiek afgezet. - Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt, - Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element. - Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) door middel van een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden. - Het wallichaam wordt in stand gehouden als het element daarvan is voorzien. - Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen. - Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element. - Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid. Beheerpakketten L01.02.00 Houtwal en houtsingel - gemiddeld L01.02.01 Houtsingel en houtwal - Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van eenmaal per 6-15 jaar. L01.02.02 Hoge houtwal - Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van eenmaal per 21-25 jaar. Tussentijds mogen overhangende takken gesnoeid worden; - Het wallichaam is minimaal 0,8 meter hoog en de kruidachtige vegetatie van de steile walkanten mag gemaaid worden; - Aan de voet van het wallichaam ligt een greppel die in stand wordt gehouden. L01.02.03 Holle weg en graft - Element is gelegen op talud van holle weg of graft in Zuid-Limburg.. - Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van minimaal eenmaal per 15 jaar. L01.03, ELZENSINGEL Algemene beschrijving Elzensingels zijn lijnvormige landschapselementen die bestaan uit een enkele rij zwarte elzen en vaak langs slootkanten staan. Deze elzensingels komen vooral voor in het laagveen-, zand- of rivierengebied en zijn zeer kenmerkend voor de Friese Wouden en komen in verscheidene andere delen van Nederland voor, zoals het Groninger Westerkwartier, de Gelderse Vallei, Midden-Brabant en de gebieden rond Staphorst en Vriezeveen. Elzensingels zijn van belang voor schuilmogelijkheden voor fauna in het cultuurlandschap. Afbakening - Een elzensingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten éénrijig landschapselement dat grotendeels bestaat uit Zwarte els en als hakhout wordt beheerd. - Een elzensingel is minimaal 25 meter lang. - Losse bomenrijen horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype L01.13, Bomenrij/solitaire boom. - Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen - 75% van lengte van het element wordt als hakhout beheerd. - Het hakhout wordt periodiek afgezet in een cyclus van eenmaal per 6-21 jaar. Tussentijds mogen overhangende takken worden gesnoeid. - Het snoeihout mag niet in het element verwerkt worden. - Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element. - Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) door middel van een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden. - Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen. - Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element. - Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Beheerpakketten L01.03.00 Elzensingel - gemiddeld L01.03.01a Bedekking elzensingel 30-50% L01.03.01b Bedekking elzensingel 50%-75% L01.03.01c Bedekking elzensingel > 75% L01.04, BOSSINGEL EN BOSJE [vervallen] L01.05, KNIP- OF SCHEERHEG Algemene beschrijving Heggen zijn al eeuwen te vinden in het Nederlandse cultuurlandschap. Waar in natte delen van Nederland sloten als eigendoms- of perceelscheiding dienden, werden in drogere delen veelal heggen gebruikt. De doornige meidoorn kon daarnaast ook nog een veekerende functie hebben. Ook op landgoederen en forten is het gebruik van meidoornhagen bekend. De introductie van het prikkeldraad rond 1900 heeft gezorgd voor het verdwijnen van veel heggen. Heggen komen in heel Nederland voor, maar zijn vooral te vinden rondom dorpen en boerderijen. In Zuid-Limburg is de knip- en scheerheg ook een karakteristiek landschapselement in het landelijke gebied. Door het regelmatig knippen heeft de heg een strak en recht uiterlijk. Heggen zijn van belang als leefgebied en migratieroute. Daarnaast bieden heggen schuilmogelijkheden voor de fauna in het cultuurlandschap. Afbakening - Een knip- of scheerheg is een vrijliggend lijnvormig landschapselement, met een aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen en/of struiken, dat wordt geknipt of geschoren. - Een knip- of scheerheg is minimaal 25 meter lang. - Een knip- of scheerheg kan periodiek gevlochten worden. - Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen - Snoeimateriaal mag blijven liggen voor zover dat het element of de ondergroei niet schaadt. - Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element. - Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) door middel van een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden. - Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen. - Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juni en 15 maart. Beheerpakketten L01.05.00 Knip- of scheerheg - gemiddeld L01.05.01a Knip- en scheerheg; jaarlijks scheren of knippen - De heg wordt eenmaal per jaar op minimaal 0,8 meter hoogte aan alle zijden geknipt of geschoren. L01.05.01b Knip- en scheerheg; eenmaal per 2-3 jaar scheren of knippen - De heg bestaat voor meer dan 50% uit meidoorn en wordt om de 2-3 jaar aan alle zijden geknipt of geschoren. Na het knippen/scheren heeft de heg een hoogte van tenminste 1 meter en een breedte van minimaal 0,8 meter. L01.06, STRUWEELHAAG Algemene beschrijving In de loop der eeuwen zijn in het Nederlandse landschap diverse lijnvormige landschapselementen verschenen met houtige gewassen. Sommige van deze landschapselementen zijn al eeuwen oud. De functie van dergelijke landschapselementen was perceelscheiding en veekering. Door de komst van prikkeldraad en de schaalvergroting en ruilverkavelingen zijn vele kilometers van deze elementen verdwenen. Struweelhagen komen in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten. Karakteristieke heggenlandschappen zijn terug te vinden langs de grote rivieren Maas en IJssel, in Zuid-Beveland en op Walcheren. Deze landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Het verschil met een knip- of scheerheg is dat een struweelhaag minder frequent wordt gesnoeid en daardoor meer en breder uitgroeit. Soms is er sprake van speciale beheervormen zoals bij vlechtheggen. Struweelhagen vormen een belangrijk leefgebied voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna. Afbakening - Een struweelhaag is een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken. - Een struweelhaag is minimaal 25 meter lang. - Hagen die minimaal eenmaal per 3 jaar worden gesnoeid horen tot het beheertype L01.05 Knip- of scheerheg. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen - Het snoeien kan gecombineerd worden met het vlechten van de haag. - Het snoeihout mag niet in het element verwerkt worden, behoudens bij het vlechten van de haag. - Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element. - Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) door middel van een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden. - Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen. - Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element. - Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid. - Indien snoeiwerkzaamheden machinaal worden uitgevoerd, wordt geen klepelmaaier gebruikt. Beheerpakketten L01.06.00 Struweelhaag - gemiddeld L01.06.01a Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar Het element kan vrij uitgroeien en wordt 1 maal per 5 tot 7 jaar aan drie zijden gesnoeid. Na het snoeien heeft de haag een hoogte van tenminste 1,00 meter en een breedte van tenminste 0,8 meter; L01.06.01b Struweelhaag snoeicyclus > 12 jaar Het element kan vrij uitgroeien en wordt 1 maal per 12 tot 25 jaar afgezet; L01.07, LAAN Algemene beschrijving Lanen zijn wegen die aan beide zijde met een of meerdere rijen bomen zijn beplant. Lanen vormen sinds de zeventiende eeuw belangrijke dragers van landgoederen en buitenplaatsen. Lanen werden niet alleen aangeplant uit esthetische motieven, maar dienden ook als beschutting tegen weersinvloeden en voor de houtproductie. Lanen blijven populair in de diverse tuinstijlen. Nog altijd worden nieuwe lanen aangelegd. Lanen komen voor in heel Nederland, vaak op en rond landgoederen. Soms herinneren lanen aan vroegere landgoederen op die locatie. Lanen zijn belangrijke onderdelen van landgoederen en geven vaak de structuur aan. Niet zelden bevindt zich het landhuis aan het eind van een laan, of biedt een laan een ver zicht naar een markant punt in de omgeving. Zeker oudere lanen met markante bomen kunnen zeer indrukwekkende landschapselementen zijn. Lanen zijn van belang voor aan oude bomen of boomholten gebonden vogels en vleermuizen. Verder zijn ze van belang voor op bomen groeiende mossen en korstmossen en oude lanen waar jaarlijks weinig strooisel blijft liggen zijn van groot belang voor zeldzame mycorhizapaddestoelen. Afbakening - Een laan is een weg of pad, die aan beide zijden met een of meerdere rijen bomen is beplant en is bedoeld en aangelegd als laan. - Bij een laan gaat het meestal om bomen van dezelfde soort en leeftijd en er is sprake van een herkenbaar en regelmatig plantverband. - Onder dit beheertype vallen ook dijken met een weg, bovenop de kruin van de dijk, die aan beide zijden met bomen is beplant. - Een laan is minimaal 50 meter lang. - Losse bomenrijen horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype L01.13, Bomenrij/solitaire boom. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen - De bomen worden periodiek gesnoeid. - Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element. - Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) door middel van een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden. - De bomen mogen niet beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan stammen wordt voorkomen. - Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element. - Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart. Beheerpakketten L01.07.00 Laan- gemiddeld L01.07.01a Gemiddelde stamdiameter bomen < 20 cm L01.07.01b Gemiddelde stamdiameter bomen 20-60 cm L01.07.01c Gemiddelde stamdiameter bomen > 60 cm De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en element wordt als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element. L01.08, KNOTBOOM Algemene beschrijving Knotbomen zijn bomen met een opgaande stam, waarbij periodiek de boven op die stam groeiende takken (of pruik) worden geoogst. Door die oogst ontstaat er op deze hoogte een vergroeiing van de stam: de knot. De knotboom levert gemakkelijk oogstbaar hout op dat op een plaats groeit waar het vee er niet bij kan. Knoteiken worden traditioneel een keer in de zeven tot acht jaar geknot. Bij knotessen gebeurde dat eens in de vijf tot zes jaar en knotwilgen en knotpopulieren worden meestal eens in de vier jaar geknot. Al van voor het begin van onze jaartelling zijn er vermeldingen bekend van knotbomen. Het gaat dan om de soorten wilg, populier, es, els, eik en haagbeuk. Knotessen, knothaagbeuken en knoteiken kunnen bijzonder oud worden. Ook wilgen en bijvoorbeeld populieren worden als knotboom veel ouder dan wanneer ze vrijuit groeien. Voor grote delen van vooral Laag Nederland is de knotwilg een zeer kenmerkend landschapselement. Utrecht en Zuid-Holland zijn de provincies met de meeste knotbomen, geschat wordt dat het alleen daar al om honderdduizenden exemplaren gaat. Andere knotboomrijke gebieden zijn Zuid-Limburg, de Achterhoek, de Liemers, het gebied van de grote rivieren en Zeeuws-Vlaanderen. Het silhouet van knotbomen is uit veel regio's bekend. Per gebied verschillen echter wel de boomsoorten die ervoor worden gebruikt. In het oosten van het land staan knoteiken, essen en wilgen in houtwallen en als overstaanders in heggen. Maar ze zijn daar en in het zuiden ook te vinden in graften, langs holle wegen en terras- en bosranden. Ze komen zelfs midden in bossen voor als markering van vroegere hakhoutpercelen. Knotelzen staan vaak op armere gronden, ze zijn vooral kenmerkend voor akkerranden in landschappen met kampontginningen, slagenlandschappen en esdorpenlandschappen. Ze kwamen vroeger op veel plaatsen in Nederland voor, langs slootkanten als geknotte elzenhagen, maar ook in rijen tussen akkers en weilanden. In laagveengebieden en langs rivieren en dijken staan verschillende wilgen- en populierensoorten, maar daar en vooral in het laagveengebied worden ook gewone essen gebruikt. De bodem heeft daar weinig draagkracht en essen kunnen geknot veel ouder worden dan doorgroeiende essen. Knotbomen bieden broedgelegenheid aan diverse vogels, waaronder de Steenuil en Wilde eend. Vooral oude knotbomen kunnen zeldzame hierop groeiende mossen en korstmossen herbergen. Afbakening - Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van minimaal 1,0 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot). - Knotbomen worden aangetroffen als solitaire boom, in rijen of in kleine groepen. Een kleine groep bestaat uit maximaal 20 bomen. - Vlakvormige elementen met knotbomen, behoudens kleine groepen, horen niet tot dit beheertype maar kunnen mogelijk gerangschikt worden onder het beheertype L01.12, Hakhoutbosje of L01.13, Griendje mits voldaan wordt aan de eisen van deze beheertypen. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen - Knotwilgen, -elzen, -essen en -populieren -worden in een cyclus van eenmaal per 3-8 jaar geknot. Knoteiken en -haagbeuken worden geknot in een cyclus van minimaal eenmaal per 15 jaar. - Er mag geen snoeihout verbrandt worden in de directe omgeving van de knotboom. - De boom mag niet beschadigd worden door vee. - Knotwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Beheerpakketten L01.08.00 Knotboom - gemiddeld L01.08.01a Gemiddelde stamdiameter knotboom < 20 cm L01.08.01b Gemiddelde stamdiameter knotboom 20-60 cm L01.08.01c Gemiddelde stamdiameter knotboom > 60 cm De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en als het element uit meerdere knotbomen bestaat wordt het element als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element. L01.09, HOOGSTAMBOOMGAARD Algemene beschrijving Een hoogstamboomgaard is een boomgaard of boomweide met fruitrassen of notenbomen. Hoogstamboomgaarden zijn al bekend uit de middeleeuwen bij kloosters en kastelen, zowel voor eigen gebruik als handel. Ook bij boerderijen komen boomgaarden dan ook al eeuwen voor en sommige locaties kunnen heel oud zijn. De bomen zelf worden vaak niet ouder dan honderd jaar. De stijgende prijzen voor fruit zorgden voor een ware explosie van het aantal boomgaarden tussen 1850 en 1900. Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen veel hoogstammen voor de efficiëntere teelt in eerst half- en vervolgens laagstammen. Rooipremies hebben in het hele land veel hoogstamboomgaarden doen verdwijnen. In Zeeland speelde de overstromingen tijdens de Tweede Wereldoorlog en in 1953 een belangrijke rol in het afnemen van de hoogstammen in deze provincie. Indoor middel van worden er uit landschappelijke en ecologische motieven weer hoogstambomen aangeplant, maar de oppervlakte is nog maar een fractie van de oppervlakte die kort na de Tweede Wereldoorlog bestond. Overal in Nederland komen hoogstamboomgaarden voor, vooral als onderdeel van het boerenerf. Ook bij landgoederen en buitenplaatsen waren vaak (grootschalige) boomgaarden te vinden. Niet overal in Nederland komen hoogstamboomgaarden evenveel voor. Vooral in de traditionele fruitgebieden, zoals Zuid-Limburg en het rivierengebied liggen nu nog veel restanten van oude boomgaarden. In het Hollands-Utrechtse veenweidegebied komen nog veel boomgaarden bij boerderijen voor. Hier is door afzetting van rivierklei een geschikte groeiplaats ontstaan. In noord- en oost Nederland op het zand zijn hoogstamboomgaarden relatief schaars. Boomgaarden zijn dikwijls verbonden aan boerderijen. Enkele grotere complexen horen bij landgoederen en buitenplaatsen of dateren uit de tijd van de grote groei (1850-1900). Boomgaarden worden vaak door een heg, haag of sloot afgescheiden van de omgeving. De ondergrond van de hoogstamboomgaard is vaak een begraasd grasland: de hoogte van de stammen zorgden er immers voor dat het vee geen fruit kon eten! In het rivierengebied komen oude boomgaarden op de kleigronden voor, in Zuid-Limburg is er vaak een relatie met de dorpen. Naast hun functie voor fruitproductie hebben hoogstamboomgaarden ook een belangrijke landschappelijke betekenis en vormen ze het leefgebied voor diverse diersoorten zoals bijvoorbeeld steenuil. In oude boomgaarden groeien vaak ook bijzondere zeldzame fruitrassen en in de ondergroei van de hoogstammen handhaaft zich vaak een soortenrijke kruidenvegetatie. Afbakening - Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,5 meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie. - Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 150 bomen per hectare. - Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnoten. - Een hoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen - Indien het appel of peer betreft wordt de boom tenminste eenmaal per 2 jaar gesnoeid. Andere soorten enkel vormsnoei indien nodig. - De grasvegetatie wordt jaarlijks gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd of de grasvegetatie wordt beweid. - Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van de bomen of versnipperd hout verwerkt worden in de boomgaard. - Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) door middel van een stobbenbehandeling, en de pleksgewijze bestrijding van Akkerdistel, Ridderzuring en Brandnetel in het element gebruikt worden. - De hoogstamfruitboom mag niet beschadigd worden door vee. Jonge bomen zijn voorzien van een boomkorf. - Bemesten en bekalken van de boomgaard is toegestaan. Bij bemesten van de boomgaard worden de fruitbomen en wortels niet beschadigd. - Snoeiwerkzaamheden kunnen gedurende het gehele jaar worden verricht. Beheerpakket L01.09.01 Hoogstamboomgaard L01.10, STRUWEELRAND Algemene beschrijving Struweelranden kunnen zich ontwikkelen vanuit een extensief beheerde situatie, of aangeplant worden. Afhankelijk van het beheer kunnen randen ontstaan die gedomineerd worden door ruigtekruiden, struiken of een combinatie van beide. Kenmerk van een struweelrand is dat deze zowel vrijliggend, als aansluitend aan een ander element kan liggen. Struweelranden kunnen daarmee dienen als overgangsgebied tussen agrarisch gebruikte percelen en bossen, en zijn in die vorm vooral te beschouwen als een naar voren geschoven bosrand. Met een gunstige ligging kunnen struweelranden bijdragen aan een warmer microklimaat, en zijn dan vooral van belang voor insecten, amfibieën en reptielen. Wanneer dat microklimaat ontbreekt, kunnen struweelraden vooral van belang zijn voor broedvogels en planten van een meer extensief beheer. Afbakening - Een struweelrand is een aaneengesloten rand met een mozaïek van struweel (bramen en/of andere inheemse bomen of struiken) en een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die zich spontaan kan ontwikkelen. - De rand is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. - Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door inheemse bomen en/of struiken. - De struweelrand kan langs een bosrand of een landschapselement liggen maar ook vrij in het veld, bijvoorbeeld langs een perceelsrand. Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. 2. Op landbouwgrond: Het beheerpakket landschap kent een aantal beheereisen die moeten worden nageleefd. Beheereisen - Periodiek wordt de begroeiing gemaaid en/of afgezet. - 50% van de oppervlakte van de rand bestaande uit een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden mag periodiek gemaaid worden met een cyclus van maximaal eenmaal per 5 jaar. Het maaisel wordt afgevoerd. - Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt. - Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element. - Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) door middel van een stobbenbehandeling en de pleksgewijze bestrijding van Akkerdistel, Ridderzuring en Brandnetel, en meststoffen in het element gebruikt worden. - Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element. - Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. - Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd tussen 15 juli en 15 maart en het afzetten van struweel wordt alleen verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart. Beheerpakketten L01.10.01 Struweelrand L01.11, HAKHOUTBOSJE Algemene beschrijving Boeren hebben al eeuwenlang behoefte aan hout voor allerlei doeleinden. Het kan hierbij gaan om brandhout, staken voor de groentetuin of hout voor gereedschapsstelen. Dit soort bosjes wordt in de volksmond ook wel geriefhoutbosje genoemd. In de loop der tijd zijn deze bosjes vaak in onbruik geraakt omdat er steeds minder behoefte aan het hout kwam. Ook werden in sommige regio's deze bosjes gebruikt om aan ziekten doodgegaan vee te dumpen. Afbakening - Een hakhoutbos(
  8. je)is een vrijliggend vlakvormig landschapselement, met inheemse bomen en/of struiken dat als hakhout wordt beheerd. - Een hakhoutbosje is minimaal 1,0 are en maximaal 1,0 hectare groot. - Kleine vrijliggende bosjes zonder hakhoutbeheer of met een zeer beperkte vorm van hakhoutbeheer behoren tot het beheertype L01.04 Bossingel en Bosje Subsidievoorwaarden Binnen natuurterreinen dient de beheerder het landschapstype in stand te houden om voor beheersubsidie SNL in aanmerking te komen. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf. In agrarisch gebied hebben landschapselementen een aantal verplichte beheereisen, die de basis voor de vergoeding vormen. Deze moeten dus uitgevoerd worden. Beheereisen - Minimaal 80% van de oppervlakte van het bosje wordt als hakhout beheerd. - Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van eenmaal per 6 - 25 jaar. - Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt. - Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element. - Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.