Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Drenthe 2016 (Drenthe)
Waar gaat deze regeling over?
Deze verordening regelt de subsidieverstrekking voor natuur- en landschapsbeheer in Drenthe, met als doel het behoud en de ontwikkeling van natuur en landschap te ondersteunen. Het beschrijft de voorwaarden waaronder subsidies kunnen worden aangevraagd en verstrekt voor specifieke beheeractiviteiten.
Voor wie: Natuurlijke personen en privaatrechtelijke rechtspersonen (inclusief Staatsbosbeheer) die zeggenschap hebben over natuurterreinen; Verenigingen en rechtspersonen die overeenkomsten hebben met bovengenoemde personen.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 14
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De voorwaarden voor het aanvragen en verstrekken van subsidies voor natuur- en landschapsbeheer.
- De vaststelling van een natuurbeheerplan met daarin subsidiabele natuur- en landschapsbeheertypen en leefgebieden.
- De certificering van begunstigden om te waarborgen dat zij voldoen aan beheereisen.
- De procedures voor openstelling, aanvraag, besluitvorming en toezicht op de subsidies.
Voor wie geldt deze regeling?
- Natuurlijke personen en privaatrechtelijke rechtspersonen (inclusief Staatsbosbeheer) die zeggenschap hebben over natuurterreinen.
- Verenigingen en rechtspersonen die overeenkomsten hebben met bovengenoemde personen.
- Gemeenten en samenwerkingsverbanden onder bepaalde voorwaarden.
Wat zijn de kernpunten?
- Subsidies kunnen worden aangevraagd voor het beheer van natuurbeheertypen en landschapsbeheertypen.
- Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een openstellingsbesluit vast met daarin de doelgroep, subsidiabele onderdelen, subsidieplafond, openstellingsperiode, tarieven en minimum aantal hectaren.
- Een natuurbeheerplan, inclusief een elektronische kaart, wijst aan voor welke natuurterreinen en leefgebieden subsidie kan worden verstrekt en welke beheertypen van toepassing zijn.
- Aanvragers moeten beschikken over een certificaat 2023 (of een bestaand certificaat onder overgangsregeling) dat waarborgt dat zij voldoen aan beheereisen.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (14)
- Artikel 1.9a Overgangsregeling aanvragers met bestaande certificaten
- Artikel 1.10 Weigeringsgrond
- Artikel 2.10 [vervallen]
- Artikel 2.11 [vervallen]
- Artikel 2.15 Transparantie
- Artikel 3.11a Verplichtingen van de deelnemer
- Artikel 3.12a Voorziening liquiditeitsbehoefte subsidieontvanger
- Artikel 3.15 Verlagen subsidies
- Artikel 3.16 Overgangsbepalingen
- Artikel 1.1 (Gewijzigde terminologie)
- Artikel 1.3 (Natuurbeheerplan)
- Artikel 2.4 (Subsidievereisten)
- Artikel 3.8 (Verdeelcriteria)
- Artikel 3.11 (Verplichtingen van de subsidieontvanger)
Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Drenthe 2016Inhoud §1, Algemene bepalingen Artikel 1.1, Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder:
Artikel 1.2, Openstelling 1. Op subsidieverlening op grond van deze verordening is de Algemene subsidieverordening Drenthe niet van toepassing.
Artikel 1.3, Natuurbeheerplan 1. Gedeputeerde Staten stellen het natuurbeheerplan vast.
Artikel 1.4, Vereisten subsidieaanvraag Een subsidieaanvraag voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten: a. een subsidieaanvraag wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten; b. een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde aanvraagformulier.
Artikel 1.5, Bevoegdheid en beslistermijn subsidieverlening 1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een subsidie natuur- en landschapsbeheer of agrarisch natuur- en landschapsbeheer verstrekken.
Artikel 1.6, Verplichtingen algemeen De subsidieontvanger is verplicht de administratie en de daartoe behorende bescheiden die betrekking hebben op de verstrekte subsidie ten minste gedurende een periode van vijf jaar na vaststelling van de desbetreffende subsidie te bewaren.
Artikel 1.7, Toezicht 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van Gedeputeerde Staten aan te wijzen personen.
Artikel 1.8, Wijzigingen van kleine aard Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot het vaststellen van wijzigingen van kleine aard in deze verordening. Dit geldt uitsluitend voor het herstellen van kennelijke verschrijvingen, voor wijzigingen die dwingend voortvloeien uit nationale of Europese regelgeving of uit wijzigingen van de modelverordening, zoals die in IPO-verband is vastgesteld. De wijzigingen mogen geen financiële consequenties hebben. Provinciale Staten ontvangen een afschrift van de wijziging.
Artikel 1.9, Certificering 1. Gedeputeerde Staten besluiten op basis van het Programma van Eisen voor natuurbeheer en agrarisch natuurbeheer als opgenomen in de Uitvoeringsregeling Stichting Certificering SNL 2023 op een aanvraag om afgifte van een certificaat 2023: a. certificaat collectief agrarisch natuurbeheer 2023; b. certificaat collectief natuurbeheer 2023; c. certificaat natuurbeheer 2023 voor aanvragers die voor 200 of meer hectare natuurterrein subsidie hebben aangevraagd; d. certificaat natuurbeheer 2023 voor beheerders die voor minder dan 200 hectare natuurterrein subsidie hebben aangevraagd;
Artikel 1.9aOvergangsregeling aanvragers met bestaande certificaten
In zoverre in afwijking van de artikelen 2.4, 2.13, 3.4 en 3.13 mag een subsidieaanvrager op basis van een bestaand certificaat indienen, zolang de aanvrager nog niet over een certificaat 2023 beschikt.
Een subsidieaanvrager als bedoeld in het eerste lid die een subsidieaanvraag indient op basis van een bestaand certificaat: dient uiterlijk in het eerste beheerjaar van de subsidie of bijdrage waarvoor op grond van de paragrafen 2 en 3 subsidie wordt aangevraagd, een aanvraag in voor een certificaat 2023; en beschikt binnen uiterlijkj drie jaar na indiening van de onder a bedoelde aanvraag voor het certificaat 2023, over dat certificaat.
Een subsidie of bijdrage verstrekt op grond van de paragrafen 2 en 3 wordt ingetrokken indien n iet wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede lid.
Artikel 1.10Weigeringsgrond
Subsidie wordt geweigerd voor zover voor het natuurterrein of het gedeelte van het leefgebied waarvoor subsidie is aangevraagd, voor dezelfde periode of een deel van die periode, al op grond van deze of enige andere regeling een subsidie is verstrekt met betrekking tot agrarisch natuurbeheer of natuurbeheer. §2, Natuur- en landschapsbeheer Artikel 2.1, Doelgroep 1. Subsidie kan worden aangevraagd door: a. natuurlijke personen, die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd; b. privaatrechtelijke rechtspersonen en Staatsbosbeheer, die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd; c. verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid met als leden natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder a of b; d. rechtspersonen die volgens een door Gedeputeerde Staten te bepalen model een overeenkomst zijn aangegaan met natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder a of b.
Artikel 2.2, Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor: het beheer van natuurbeheertypen; het beheer van landschapsbeheertypen.
In aanvulling op de subsidie als bedoeld in het eerste lid, onder a, kan een bijdrage worden verstrekt voor: begrazing van het natuurterrein door een gescheperde schaapskudde; het uitvoeren van metingen en het vastleggen van de ontwikkelingen op het natuurterrein; het toegankelijk maken en houden voor recreatie op een natuurterrein; het toezicht houden op een natuurterrein.
Onverminderd het tweede lid, kan in aanvulling op de subsidie onder het eerste lid, een bijdrage worden verstrekt voor transport in verband met het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt.
Artikel 2.3, Weigeringsgronden 1. Subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien: a. de subsidieaanvrager een rechtspersoon is die waterwinning als doelstelling heeft; b. de subsidieaanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is die kennelijk is opgericht ten behoeve van het beheer van grond of water, waarvan de eigendom geheel of gedeeltelijk berust bij de rechtspersoon, bedoeld onder a of een publiekrechtelijke rechtspersoon niet zijnde Staatsbosbeheer; c. de subsidieaanvrager een onderneming in financiële moeilijkheden is zoals omschreven onder punt 63 van het landbouwsteunkader.
Artikel 2.4, Subsidievereisten 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten: a. de activiteiten vinden plaats op een natuurterrein dat is aangemerkt als een onderdeel waarvoor subsidie kan worden aangevraagd in het natuurbeheerplan, zoals geldend op het moment van indiening van de subsidieaanvraag; b. de activiteiten zijn gericht op de instandhouding van het natuurbeheertype of landschapsbeheertype; c. de activiteiten zijn gericht op een beheer van een minimum aantal hectates genoemd in het openstellingsbesluit; d. de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en b, beschikt over een certificaat bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, onder b, c of d; e. de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c en d, beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, onder b, of de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, die het beheer uitvoeren beschikken elk afzonderlijk over een certificaat als bedoeld in artikel 1,9, eerste lid, onder c of d; f. de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, dient bij de subsidieaanvraag afschriften in van de in dat artikel genoemde overeenkomst die hij heeft gesloten met de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, die het beheer uitvoeren.
Artikel 2.4a, EU-richtsnoeren voor staatssteun 1. Subsidieaanvragen kunnen niet worden ingediend na 1 oktober 2027.
Artikel 2.5, Subsidiabele kosten 1. De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking: a. kosten voor het beheer van een natuurterrein; b. kosten voor de inzet van gescheperde schaapskuddes op een natuurterrein; c. kosten voor monitoring van een natuurterrein; d. kosten voor het recreatief toegankelijk maken en houden van een natuurterrein; e. kosten voor het houden van toezicht op een natuurterrein; f. kosten voor het transport in verband met het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt.
Artikel 2.6, Subsidiehoogte 1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.2 eerste lid, wordt bepaald door het aantal subsidiabele hectares van het desbetreffende natuurbeheertype en het aantal subsidiabele hectares, meters of stuks van het desbetreffende landschapsbeheertype, te vermenigvuldigen met het tarief vermenigvuldigd met zes jaar.
Artikel 2.7, Verdeelcriteria 1. Het beschikbare subsidiebedrag wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.
Artikel 2.8, Subsidieverlening 1. De subsidie, bedoeld in artikel 2.2, wordt verleend voor een periode van 6 aaneengesloten jaren, welke periode steeds begint op 1 januari.
Artikel 2.9, Verplichtingen van de subsidieontvanger 1. Onverminderd artikel 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: a. het verrichten van al het beheer dat noodzakelijk is voor de instandhouding van de natuurbeheertypen en landschapsbeheertypen en geen handelingen te verrichten of te gedogen die afbreuk doen aan de instandhouding daarvan; b. er voor zorgdragen dat door of vanwege Gedeputeerde Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd op het desbetreffende natuurterrein; c. indien de subsidieontvanger een monitoringsbijdrage ontvangt, wordt de monitoring verricht overeenkomstig het monitoringsprogramma van de provincie; d. het van zonsopgang tot zonsondergang kosteloos openstellen en toegankelijk houden van het desbetreffende natuurterrein op ten minste 358 dagen per jaar; e. ervoor zorg te dragen dat namens Gedeputeerde Staten audits kunnen worden uitgevoerd in het kader van de naleving van de certificeringsvoorschriften; f. voor de gehele duur van de subsidie over het vereiste certificaat te beschikken.
Artikel 2.10[vervallen]
Artikel 2.11[vervallen]
Artikel 2.12, Bevoorschotting en betaling 1. Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot op het verleende subsidiebedrag.
Artikel 2.13, Wijziging subsidieverlening vanwege vergroting areaal 1. De subsidieontvanger kan eenmaal per kalenderjaar in de aanvraagperiode een aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening met ingang van het volgend kalenderjaar, gericht op vergroting van het areaal.
Artikel 2.13a, [vervallen] Artikel 2.14, Subsidievaststelling 1. Gedeputeerde Staten stellen binnen 13 weken na afloop van de 6 aaneengesloten beheerjaren waarvoor de subsidie is verstrekt, de subsidie ambtshalve vast.
Artikel 2.15Transparantie
Ten aanzien van subsidie die op grond van deze paragraaf wordt verleend maken Gedeputeerde Staten binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend: a. de gegevens, bedoeld in deel l, afdeling 3.2.4., punt 112, onder a en b vna het landbouwsteunkader; en b. de gegevens, bedoeld in deel l, afdeling 3.2.4., punt 112, onder c van het lanbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan: € 10.000,-- voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie; of € 100.000,-- voor begunstigden in de sectoren van de verwerking van landbouwproducten, de afzet van landbouwproducten, de bosbouwsector of activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen.
Artikel 2.16, Voortijdige vaststelling wegens wijziging natuurbeheertype 1. Een ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder a, kan een aanvraag indienen voor het geheel of gedeeltelijk voortijdig vaststellen van die subsidie, als hij op het natuurterrein of deel daarvan waarvoor hij de subsidie ontvangt, maatregelen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap <naam provincie> treft die zijn gericht op een wijziging van het op dat natuurterrein in stand te houden natuurbeheertype.
Artikel 3.2, Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor een project met beheeractiviteiten gericht op behoud en versterking van een leefgebied.
Artikel 3.3, Weigeringsgronden [vervallen] Artikel 3.4, Subsidievereisten Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: a. de aanvrager beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, onder a; b. het project voldoet aan de beoordelingscriteria voor gebiedsaanvragen zoals die in het natuurbeheerplan, zoals geldend op het moment van indiening van de subsidieaanvraag, in paragraaf 4.5 zijn opgenomen, inclusief de daarbij aangeduide kaarten; c. aan het project ligt een gebiedsaanvraag ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen: het minimum en maximum aantal hectares waarvoor per leefgebied, of onderdeel van het leefgebied beheeractiviteiten worden uitgevoerd, waarbij het maximum aantal hectares niet meer dan 15% meer mag zijn dan het minimum aantal hectares; per leefgebied of onderdeel van het leefgebied een projectomschrijving op het niveau van beheerfunctie, een en ander afhankelijk van het gekozen abstractieniveau voor de beoordelingscriteria voor gebiedscriteria in het natuurbeheerplan zoals geldend op het moment van indiening van de subsidieaanvraag; de te realiseren doelen; een berekening van de kosten voor het uit voeren van het project, gesplitst naar leefgebied of onderdeel van het leefgebied waarbij uit die berekening blijkt dat rekening is gehouden met de regiokaart; één of meer topografische kaarten met een schaal van 1:5.000 waarop de buitengrenzen van de leefgebieden of onderdelen van de leefgebieden waarvoor subsidie wordt aangevraagd zijn aangegeven.
Artikel 3.5, Subsidiabele kosten De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking: a. kosten voor het uitvoeren van beheeractiviteiten; b. gederfde inkomsten voor het uitvoeren van beheeractiviteiten; c. transactiekosten.
Artikel 3.6, Niet subsidiabele kosten [vervallen] Artikel 3.7, Subsidiehoogte 1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.2, wordt bepaald door het maximumaantal hectares per leefgebied dat voldoet aan de subsidievereisten zoals opgenomen in artikel 3.4 te vermenigvuldigen met de gemiddelde kosten per hectare leefgebied, vermenigvuldigd met de periode als bedoeld in artikel 3.10.
Artikel 3.8, Verdeelcriteria 1. Indien binnen de aanvraagperiode meerdere volledige subsidieaanvragen voor dezelfde locatie binnen een leefgebied zijn ingediend, wordt voor subsidie van die locatie een aanvraag geselecteerd door te bepalen welke aanvraag het meest ecologisch effectief wordt uitgevoerd;
I. het aantal verschillende vormen van beheer dat is aangevraagd, te waarderen met maximaal 20 punten;
II. de zwaarte van het aangevraagde beheer, te waarderen met maximaal 20 punten.
Artikel 3.9, Externe adviescommissie Gedeputeerde Staten kunnen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 voor advies over artikel 3.8 voorleggen aan een adviescommissie.
Artikel 3.10, Subsidieverlening Een subsidie, bedoeld in artikel 3.2, wordt verleend voor een periode van 6 aaneengesloten kalenderjaren, welke periode steeds begint op 1 januari.
Artikel 3.11, Verplichtingen van de subsidieontvanger De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen: a.uitvoering vindt plaats in leefgebieden; b. de subsidieontvanger doet uiterlijk op 15 december voorafgaand aan het beheerjaar per leefgebied of onderdeel van een leefgebied waarvoor is beschikt een opgave van de beheeractiviteiten op perceelsniveau in het daartoe door Gedeputeerde Staten aangewezen systeem; c. de gekozen beheeractiviteit of combinatie van beheeractiviteiten past bij de beheerfunctie zoals beschikt en het bijhorende leefgebied zoals aangewezen in het natuurbeheerplan dat geldt voor het beheerjaar waarop de gekozen beheeractiviteit of beheeractiviteiten zijn. d. wijzigingen van activiteiten op perceelsniveau die gedurende het kalenderjaar optreden, en wijzigingen als bedoeld in onderdeel e, worden door de subsidieontvanger gemeld aan Gedeputeerde Staten door die wijzigingen binnen de termijnen, genoemd in Beleidsregel verlagen subsidie GLB, door te voeren via het onder b bedoelde systeem. De wijzigingen van activiteiten op perceelsniveau die gedurende het kalenderjaar optreden, kunnen tot uiterlijk 30 september van het lopende beheerjaar worden doorgevoerd; e. wijzigingen bestaande uit het toevoegen van percelen met de daarbij horende uit te voeren beheeractiviteit worden door de subsidieontvanger in het lopende beheerjaar doorgevoerd via het in onderdeel b bedoelde systeem. De subsidieontvanger voert deze wijzigingen uiterlijk door op 31 mei; f. wijzigingen bestaande uit het terug trekken van percelen met de daarbij horende beheeractiviteit zijn mogelijk tot en met 30 september, tenzij op deze percelen een controle is uitgevoerd; g.de subsidieontvanger dient uiterlijk 1 oktober van ieder kalenderjaar een verantwoording in waarin is beschreven:
Artikel 3.11aVerplichtingen van de deelnemer
Een deelnemer verplicht zich ertoe zijn recht tot gebruik en beheer van de oppervlakte waarop de beheeractiviteit in het betreffende beheerjaar wordt uitgevoerd bij te houden in het daartoe door de minister voorgeschreven systeem.
De deelnemer houdt de gegevens die ingevolge het eerste lid zijn ingediend gedurende het aanvraagjaar actueel, met dien verstande dat uiterlijk vier weken nadat zich een wijziging heeft voorgedaan en niet later dan 1 september, de gegevens door middel van een door de minister vastgesteld formulier kunnen worden gewijzigd.
Artikel 3.12, Bevoorschotting en betaling 1. Gedeputeerde Staten verstrekken na afloop van elk van de eerste vijf kalenderjaren een voorschot op het verleende subsidiebedrag, naar aanleiding van de verantwoording, bedoeld in artikel 3.11, onderg 2. Gedeputeerde Staten nemen binnen 10 weken na afloop van ieder kalenderjaar een beslissing tot voorschotverlening.
Artikel 3.12aVoorziening liquiditeitsbehoefte subsidieontvanger
Gedeputeerde Staten brengen bij de voorschotbetaling, bedoeld in artikel 3.12, vierde lid, de betaling bedoeld in onderdeel a, in mindering op het voorschot.
Artikel 3.13, Wijziging subsidieverlening 1. De subsidieontvanger kan eenmaal per kalenderjaar in de aanvraagperiode een aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening met ingang van het volgend kalenderjaar. Hierbij wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van het natuurbeheerplan dat geldt voor het beheerjaar waarvoor het wijzigingsverzoek is ingediend.
Artikel 3.14, Subsidievaststelling 1. Gedeputeerde Staten stellen binnen 13 weken na afloop van de 6 aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de subsidie is verstrekt, de subsidie ambtshalve vast, waarbij tevens beslist wordt op de door de subsidieontvanger in het zesde en laatste kalenderjaar ingediende verantwoording, bedoeld in artikel 3.11, onder g.
Artikel 3.15Verlagen subsidies
Gedeputeerde Staten geven uitvoering aan de artikelen 59, vijfde lid en 84, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2021/2116.
Artikel 3.16Overgangsbepalingen
De Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Drenthe 2016 zoals die luidde de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, blijft van toepassing op subsidieaanvragen die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog niet onherroepelijk is beslist en op subsidies die zijn verleend voor de inwerkingtreding van deze verordening en nog niet zijn vastgesteld. §4, Slotbepalingen Artikel 4.1, Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst en werkt ten aanzien van artikel I, onderdeel L, onder 2, terug tot en met 1 januari 2023.
Artikel 4.2, Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Drenthe 2016.
TOELICHTING BEHORENDE BIJ DE SUBSIDIEVERORDENING NATUUR- EN LANDSCHAPSBEHEER PROVINCIE DRENTHE Aanleiding Per 1 januari 2016 gaat het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) 2016 in. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het huidige SNL hebben betrekking op het agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
Het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer 2016 gaat uit van een collectieve aanpak en de inzet van agrarisch natuur- en landschapsbeheer op de meest kansrijke gebieden. Agrarische collectieven vragen de subsidie aan; boeren vragen dus niet meer individueel subsidie aan voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
Beleidskader Het Rijk zet zich in voor versterking van de natuur en een effectieve invulling van de internationale natuurdoelen. Uitgangspunt daarbij is het in stand houden en bevorderen van plant- en diersoorten, van natuurlijke habitats met internationale betekenis, van ecologisch gezonde watersystemen en een schoon milieu.
Provinciaal beleid natuur en landschap De provincie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid. Zij treedt op als gebiedsregisseur in het landelijk gebied en brengt de partijen bij elkaar die zorgen voor de uitvoering van het natuur- en landschapsbeheer. De provincie bepaalt ook waar zij welke doelen wil realiseren en welke financiële middelen zij hiervoor inzet. Zij legt deze doelen en middelen onder andere vast in het provinciale Natuurbeheerplan. Hierin staat in welke gebieden natuur-, agromilieu- en klimaatdiensten ingezet kunnen worden.
De provincie houdt bij de uitvoering van het natuurbeleid rekening met beleidsdoelen van andere overheden en activiteiten in het landelijk gebied, zoals het waterbeleid, recreatiebeleid, economisch en milieubeleid, zodat synergie kan worden bereikt.
Via het SNL 2016 verleent de provincie subsidie voor het behoud en de ontwikkeling van (agrarische) natuurgebieden en landschappen. De natuurkwaliteit staat hierbij centraal.
Algemene uitgangspunten van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap In de Strategische Visie SNL die is vastgesteld tussen overheden en beheerders van gronden, zijn de volgende uitgangspunten bepaald.
Europa stelt regels voor staatssteun en controleert op de inzet van POP-gelden. In het SNL zijn de regels zoveel mogelijk beperkt tot het voldoen aan de Europese eisen.
Uitgangspunten van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer (SVNL)
Index Natuur en Landschap De Index Natuur en Landschap is een gemeenschappelijke, landelijk uniforme "natuurtaal " die de typen natuur, landschap en agrarische natuur in Nederland beschrijft. De Index Natuur en Landschap beschrijft welke typen natuur, agrarische natuur en landschap wij kennen in Nederland en is de basis voor de natuurbeheerplannen van de provincies (voor de operationele aansturing van het beheer op regionaal en lokaal niveau).
Voor het natuurbeheer vormen de beheertypen de basis voor afspraken over doelen en middelen tussen provincie en natuurbeheerder. Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer kunnen zowel afspraken worden gemaakt op het niveau van natuurtypen als op het niveau van beheertypen.
Catalogus groenblauwe Diensten De Catalogus groenblauwe Diensten is een overzicht van de maximale vergoedingen die Nederlandse overheden mogen geven aan grondeigenaren of beheerders van gronden die een Groenblauwe dienst (agrarische) natuur en landschap, cultuurhistorie, recreatie of waterbeheer) leveren. In de Catalogus zijn alle beheeractiviteiten beschreven waarvoor provincies in het SNL subsidie verstrekken. Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer zijn de beheeractiviteiten samengevat in een koppeltabel die aangeeft welke beheeractiviteiten binnen een leefgebied of onderdeel daarvan kunnen worden vergoed met medefinanciering vanuit Europa.
Natuurbeheerplan Het Natuurbeheerplan beschrijft de beleidsdoelen en subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. De provincie geeft subsidie voor een aanzienlijk deel van de kosten voor ontwikkeling en beheer van natuur en landschap. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor de aanvraag van deze subsidies; het geeft de kaders aan waaraan een aanvraag moet voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie.
Voor het agrarisch natuurbeheer zijn de beleidsdoelen biodiversiteit en water gekoppeld aan de agrarische leefgebieden. Begrenzing op de kaart in het Natuurbeheerplan gebeurt op basis van natuurtypen (=leefgebied) met daaronder een of meerdere beheertypen. In de tekst van het Natuurbeheerplan bepaalt de provincie welke doelsoorten waar beschermd moeten worden en welk beheer daarvoor ingezet kan worden. Ook kunnen er instapeisen worden geformuleerd per beheertype.
Beheertypenkaart en ambitiekaart: kern van het Natuurbeheerplan De beheertypenkaart geeft alle bestaande, beheerwaardige (agrarische) natuur en landschap weer. Deze kaart vormt ook de basis voor het verlenen van beheersubsidies. Voor een deel van de natuurgebieden en agrarische gebieden met specifieke natuurwaarden bestaat een ambitie om het huidige gebruik of het beheer te veranderen. Dit ligt vast op de ambitiekaart.
Openstellingsbesluit: subsidiemogelijkheden en -budget De provincie geeft de subsidiemogelijkheden jaarlijks aan op de kaarten in het Natuurbeheerplan. In het provinciale openstellingsbesluit staat of de subsidie wordt opengesteld en hoeveel subsidie beschikbaar is (in subsidieplafonds per natuurtype, leefgebied of onderdeel daarvan, al dan niet onderverdeeld naar regio's).
Certificering Natuurbeheerders en agrarische collectieven kunnen een verklaring van de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer krijgen waarmee wordt ingestemd met de manier waarop deze beheerders de kwaliteitseisen voor het uitvoeren van beheer, de organisatie en de administratie garanderen. Dit wordt een (natuur)certificaat genoemd. Vertrouwen in de beheerder staat hierbij centraal. Om voor een certificaat in aanmerking te komen, stelt de natuurbeheerder respectievelijk het agrarisch collectief een Kwaliteitshandboek op dat gebaseerd is op een Programma van Eisen. De Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer verstrekt, namens de provincies, de certificaten na beoordeling van het kwaliteitshandboek en voert audits uit bij de gecertificeerden om de kwaliteitsbewaking in de praktijk te toetsen.
Monitoring Natuurkwaliteit Er wordt jaarlijks veel geïnvesteerd in (agrarisch) natuurbeheer. Om vast te stellen of de afgesproken doelen voor in stand houden van soorten worden gehaald of dat de uitvoering bijgesteld moeten worden, hebben Rijk, provincies en beheerders van gronden een uniforme werkwijze ontwikkeld, de Werkwijze Monitoring Beoordeling Natuurnetwerk - Natura 2000/PAS. Hiermee kan worden gestuurd op de ambities voor het Natuurnetwerk Nederland en een vitaal platteland, op beheerprestaties en op een effectieve inzet van middelen. Voor het agrarisch natuurbeheer is deze werkwijze nog in ontwikkeling.
TOELICHTING BIJ §2, NATUUR- EN LANDSCHAPSBEHEER Artikelsgewijs Artikel 1.1, Definities, Onderdeel d Binnen een beheerfunctie waren diverse beheeractiviteiten samengevoegd, waarna wordt gesproken van een cluster. Vanaf beheerjaar 2018 worden deze clusters binnen het ANLb niet meer toegepast. Deze clusters worden daarom niet meer genoemd in de SVNL.
Artikel 2.1, Doelgroep Een eigenaar die de grond in erfpacht heeft gegeven, zal geen subsidie meer kunnen aanvragen omdat hij slechts het bloot eigendom heeft en geen zeggenschap meer heeft over het grondgebruik en het beheer. Wel kunnen de genoemde gerechtigden die hun grond in pacht uitgeven subsidie aanvragen en ontvangen zolang ze de pacht zo hebben vormgegeven dat de zeggenschap over het beheer nog bij hen ligt. Pachters komen niet in aanmerking voor een subsidie natuurbeheer.
Artikel 2.9, Verplichtingen van de subsidieontvanger Tweede lid, onderdeel a en c, Toegankelijkheid Er wordt belang gehecht aan de recreatieve openstelling van natuurterreinen. Daarom bevat het tweede lid verplichtingen ten behoeve van landelijke wandelpaden, fietsroutes en knooppuntennetwerken. Van subsidieontvangers wordt niet alleen gevraagd om het natuurterrein open te stellen voor publiek, maar ook om desgevraagd medewerking te verlenen aan bewegwijzering van wandel- en fietsroutes.
Als een natuurterrein om de in het vierde lid genoemde redenen niet kan worden opengesteld, dan is dat gedeelte vrijgesteld van openstelling.
Een terrein is toegankelijk (oftewel begaanbaar) als er in het terrein gelopen, gefietst of gevaren kan worden zonder dat er gevaarlijke situaties ontstaan (bijvoorbeeld bij moerassen en trilvenen).
Een terrein is bereikbaar als het te bereiken is vanaf de openbare weg of via een aangrenzend opengesteld terrein.
TOELICHTING BIJ §3, AGRARISCH NATUUR- EN LANDSCHAPSBEHEER Algemeen gedeelte De agrarische gebieden rondom de natuurgebieden vormen een belangrijke schakel in het realiseren van de natuurdoelen vanwege de bufferfunctie die zij vervullen. Daarnaast zijn er veel soorten die hun leefgebied in het agrarisch gebied hebben. Om dit beter op elkaar aan te sluiten, is een effectiever en efficiënter agrarisch natuur- en landschapsbeheer nodig.
Het agrarisch natuur- en landschapsbeheer is gericht op het creëren van positieve omstandigheden voor biodiversiteit, waterkwaliteit en -kwantiteit. Bovendien heeft het beheer een duidelijke meerwaarde voor natuur, landschap, water en agrarisch ondernemerschap. Het nieuwe agrarisch natuurbeheer is het resultaat van een integrale toepassing in de streek.
Het maatschappelijk draagvlak en de beleefbaarheid en leefbaarheid van het platteland wordt vergroot, mede door aan te sluiten bij praktijk, omstandigheden en ervaring van ondernemers.
Artikel 3.1, Doelgroep Vanaf 2016 vragen gecertificeerde agrarische collectieven subsidie aan voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer, zij zijn de begunstigde van de subsidie. Een agrarisch collectief is een samenwerkingsverband in een bepaald gebied dat bestaat uit agrariërs en andere grondgebruikers in dat gebied die zich vrijwillig hebben verenigd voor het uitvoeren van agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
Voor deze subsidie komen alleen agrarische collectieven in aanmerking, die een SNL-certificaat bezitten.
Bepaald is dat enkel een vereniging subsidie kan aanvragen. Een coöperatie is op grond van het Burgerlijk Wetboek een bijzondere vorm van een vereniging en wordt op grond van de verordening derhalve ook als een vereniging aangemerkt.
De keuze voor een vereniging vloeit voort uit de Brusselse eis dat subsidie alleen mogelijk is aan landbouwers en groepen van landbouwers of andere grondgebruikers. Uit die eis volgt dat er een directe relatie moet zijn tussen de "groep" die aanvraagt en landbouwers of grondgebruikers daarachter. De vereniging is de enige rechtsvorm die deze relatie zichtbaar maakt. Vanuit controleerbaarheid is volledige rechtsbevoegdheid nodig.
Artikel 3.2, Subsidiabele activiteiten Uitgangspunt van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb2016) is een leefgebiedenbenadering: het creëren en in stand houden van een leefgebied voor een soort of groep van soorten die vergelijkbare beheeractiviteiten vragen in een bepaald gebied.
Er zijn vier agrarische leefgebieden en één categorie voor water. De vier leefgebieden komen overeen met de agrarische natuurtypen van de Index Natuur en Landschap: open grasland, open akkerland, natte dooradering en droge dooradering.
Artikel 3.3, Weigeringsgronden (vervallen) Artikel 3.4, Subsidievereisten Vanaf 2016 is bij het agrarisch natuur- en landschapsbeheer sprake van een projectsubsidie voor het beheer gedurende zes jaar. Een gebiedsaanvraag moet voldoen aan alle opgesomde vereisten. Een agrarisch collectief kan bijvoorbeeld een gebiedsaanvraag doen voor drie verschillende leefgebieden of drie onderdelen van een leefgebied. De gebiedsaanvraag wordt dan voor ieder van die drie leefgebieden apart getoetst aan alle subsidievereisten. Daarbij kan het voorkomen dat de gebiedsaanvraag enkel voor twee leefgebieden of onderdelen voldoet en voor een leefgebied of onderdeel niet. Het onderdeel van de gebiedsaanvraag dat op dat ene leefgebied ziet, wordt dan afgewezen en het agrarisch collectief ontvangt enkel een subsidie voor de twee leefgebieden die wel voldoen aan de vereisten.
De zesjarige subsidie wordt in de aanvraagperiode voor het SNL aangevraagd via een gebiedsaanvraag. Deze aanvraag is gebaseerd op een samenhangend ecologisch effectief en efficiënt beheerplan. In de aanloop naar het insturen van de gebiedsaanvraag bespreekt het agrarisch collectief de concept-gebiedsaanvraag met de provincie om eventuele knelpunten of provinciale afwegingen af te stemmen.
Eerste lid, onder c, eerste onderdeel, Minimum- en maximumaantal hectares per leefgebied Bij de gebiedsaanvraag is het noodzakelijk het minimumaantal hectares (bijvoorbeeld per leefgebied) te benoemen, waaronder de uiteindelijke betaalaanvragen niet mogen uitkomen. Het maximumaantal hectares mag 15% hoger zijn dan het minimum.
De begroting van de subsidiabele kosten gaat over het maximumaantal hectares; bij de betaalaanvraag wordt getoetst hoeveel hectares daadwerkelijk zijn beheerd en of de vergoeding van het gevoerde beheer niet het maximumbedrag in de Catalogus Groenblauwe Diensten overschrijdt (staatssteuntoets).
Artikel 3.5, Subsidiabele kosten Onderdeel a en b zijn de kosten die rechtstreeks met het verrichten respectievelijk leveren van de dienst te maken hebben. Onderdeel c benoemt transactiekosten. Dit zijn kosten die niet direct met de uitvoering van de dienst te maken hebben, maar kosten verbonden aan het vervullen van de randvoorwaarden zodat de dienst daadwerkelijk uitgevoerd kan worden. Denk aan kosten voor administratie, ureninzet om de aanvraag te kunnen doen etc. Hierbij wordt uitgegaan van maximaal 20% transactiekosten en streefpercentage van 15%.
Artikel 3.6, Niet subsidiabele kosten Artikel 3.7, Subsidiehoogte Derde lid, Ondergrens In dit derde lid wordt de ondergrens voor het te subsidiëren bedrag geregeld. Elke provincie kan hier een eigen ondergrens bepalen.
SCAN adviseert daarvoor een minimaalbedrag van ¿ 50.000,--.
Artikel 3.8, Verdeelcriteria In dit artikel is geregeld hoe het beschikbare geld verdeeld wordt over de ingekomen aanvragen die volledig zijn en aan de vereisten van artikel 3.4 voldoen.
Als er voor een gebied meerdere aanvragen binnenkomen, worden die aanvragen onderling gewogen.
In het tweede lid is beschreven hoe de aanvragen onderling worden gewogen. Alle aanvragen worden onderling gewogen op basis van de beoordelingscriteria en van punten voorzien. De aanvraag met de meeste punten gaat voor, totdat het geld verdeeld is.
Artikel 3.11, Subsidieverplichtingen Onder d, Wijziging van activiteiten op perceelsniveau Tijdens het beheerjaar kan blijken dat het beheerplan voor dat jaar niet helemaal uitvoerbaar blijkt of niet klopt. Bij het beheer dat gericht is op specifieke doelsoorten is het bijvoorbeeld van belang de beheeractiviteiten (zoals uitgesteld maaien) aan te passen aan de aanwezigheid van jonge dieren. Ook kunnen vogels op een ander perceel gaan zitten dan dat in het beheerplan is opgenomen, waardoor het beheer verlegd moet worden. Deze wijzigingen zijn toegestaan en moeten direct in het systeem vastgelegd worden. Tot het indienen van het jaarlijks betaalverzoek uiterlijk op 15 mei kan, als hiervoor een ecologische reden is, de locatie van het beheer verplaatst worden naar meer effectieve percelen. Nadat het betaalverzoek is ingediend, kunnen beheerlocaties niet meer wijzigen. Wel kan tot 30 september het beheer op een perceel wijzigen, bijvoorbeeld vanwege het uitvliegen van kuikens.
Onder i, Aanvraag tot betaling De subsidieontvanger vraagt in de zesjarige subsidieperiode jaarlijks tussen 1 april en 15 mei uitbetaling aan voor alle percelen waarop hij beheer uitvoert volgens de subsidiebeschikking. Hiermee wordt het maximaal te betalen subsidiebedrag vastgelegd (het aantal hectares uit de gebiedsaanvraag vermenigvuldigd met het gemiddelde bedrag per hectare). Voor beheerjaar 2016 doet de subsidieontvanger dus uiterlijk op 15 mei 2016 een betaalverzoek voor het beheer dat in 2016 plaatsvindt.
Onder j, Verantwoording Uiterlijk 1 oktober dient de subsidieontvanger jaarlijks de verantwoording van het betaalverzoek in. In de verantwoording wordt op perceelsniveau vastgelegd welk beheer is uitgevoerd (de locatie en de beheeractiviteit per oppervlakte). Samen met de actuele veldgegevens wordt dit gebruikt als basis voor het jaarlijkse evaluatiegesprek met de provincie.
De verantwoording van het betaalverzoek is de basis voor de hoogte van de betaling die steeds na afloop van een beheerjaar wordt uitgekeerd. Bij het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer hoeft dus niet jaarlijks een kostenoverzicht te worden ingediend. Bepaald wordt of de vergoedingen voor de beheeractiviteiten in het beheerplan volgens de Catalogus Groenblauwe Diensten, eventueel na correcties en sancties, gelijk of hoger zijn dan het maximaal uit te betalen bedrag. De subsidieontvanger krijgt het bedrag dat vermeld is in de betaalaanvraag uitbetaald indien aan de subsidiebeschikking wordt voldaan en indien het maximum-bedrag dat volgt uit de eerdergenoemde verantwoording niet wordt overschreden.
Artikel 3.13, Wijziging subsidieverlening vanwege vergroting areaal Een uitbreidingsaanvraag is een verzoek tot uitbreiding van de zesjarige subsidiebeschikking. Als hiervoor budget wordt opengesteld, kan het agrarisch collectief jaarlijks een uitbreidingsaanvraag indienen voor de resterende looptijd van de oorspronkelijke zesjarige subsidiebeschikking.
De uitbreidingsaanvraag moet de oorspronkelijke aanvraag versterken en passen binnen het natuurbeheerplan dat op het moment van het indienen van de uitbreidingsaanvraag geldt. De uitbreidingsaanvraag doorloopt dezelfde beoordelingsprocedure als nieuwe aanvragen.
Artikel 3.14, Subsidievaststelling Aan het einde van de zesjarige subsidieperiode wordt de afrondende subsidiebeschikking vastgesteld op basis van de jaarlijkse beschikkingen op het betaalverzoek, uitgebreid met de laatste beoordeling van het betaalverzoek. De vaststelling wordt getoetst aan de subsidiebeschikking.
Artikel 3.15, Sancties Artikel 35 van verordening (EU) nummer 640/14 bepaalt dat het bevoegd gezag een sanctiebeleid moet opstellen. Daarin wordt aangegeven hoe de provincie omgaat met de situatie dat de subsidieontvanger niet aan haar verplichtingen voldoet.
TOELICHTING op wijziging d.d. 2016-06-18 artikel 2.6 Derde lid, ambtshalve verstrekking vaartoeslag De vaartoeslag wordt ambtshalve verstrekt. Voor de andere toeslagen geldt dat deze op aanvraag worden verstrekt. Om dit onderscheid te benadrukken, is het tweede lid gesplitst in een tweede lid en een derde lid. artikel 2.13 Een uitbreidingsaanvraag is een verzoek tot uitbreiding van de zesjarige subsidiebeschikking. Als hiervoor budget wordt opengesteld, kan de subsidieontvanger jaarlijks een uitbreidingsaanvraag indienen voor de resterende looptijd van de oorspronkelijke zesjarige subsidiebeschikking. De uitbreidingsaanvraag moet passen binnen het Natuurbeheerplan dat op het moment van het indienen van de uitbreidingsaanvraag geldt. De uitbreidingsaanvraag doorloopt dezelfde beoordelingsprocedure als nieuwe aanvragen. Hierbij geldt dat de minimumomvang in hectares uit artikel 2.4 niet geldt bij de uitbreidingsaanvraag. De uitbreidingsaanvraag dient wel te leiden tot een verhoging van het totale subsidiebedrag van minimaal € 1.200,--. artikel 3.11 De term ‘schonen en/of maaien' in onderdeel n) heeft betrekking op meerjarige activiteiten waarbij een bepaald maximumpercentage, niet zijnde 100%, wordt geschoond en/of gemaaid.
TOELICHTING op wijziging 2016-11-14 artikel 2.4 Sinds 2012 vindt een herziening van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) plaats om te komen tot:
Voor particuliere beheerders heeft onderzoek tot de conclusie geleid dat de subsidieverlening SNL aan particuliere beheerders efficiënter kan door gebruik te maken van collectieven, die de aanvragen op gewenst kwaliteitsniveau opstellen.
Eerste lid, onderdeel c en d, minimum en certificaat. Tweede lid Vanaf 2016 geldt daarom dat de aanvraag een minimumaantal hectaren betreft. De aanvrager dient te beschikken over een certificaat natuurbeheer of een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer. Daarnaast is het mogelijk dat een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of een andere rechtspersoon, die zelf niet beschikt over een groepscertificaat subsidie aanvraagt. Dan geldt de eis dat de eigenaren of erfpachters van de natuurterreinen waar het beheer wordt uitgevoerd elk afzonderlijk over een individueel certificaat beschikken. Op deze wijze kan het collectief beheer op twee manieren vorm krijgen:
Beheerders die zelfstandig een aanvraag willen doen, kunnen dat doen als zij voldoen aan de minimale omvang genoemd in artikel 2.4 en over een individueel certificaat beschikken. Door deze wijziging is altijd sprake van certificering. Het gaat dan hetzij om de aanvrager, hetzij om de beheerder die zeggenschap heeft over het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd.
De subsidieaanvrager is de partij aan wie de subsidie wordt verleend. Zij is voor de subsidieverstrekker het aanspreekpunt. De doorbetaling van subsidiebedragen aan de personen die het beheer uitvoeren, is een zaak tussen subsidieontvanger en beheerders. artikel 2.5 Vierde lid, subsidiabele kosten bij niet-gecertificeerde subsidieontvanger Bij een niet-gecertificeerde subsidieontvanger waarvan de eigenaren of erfpachters van de natuurterreinen waar het beheer wordt uitgevoerd over een individueel certificaat dienen te beschikken, geldt het volgende.
De kosten zijn slechts subsidiabel als degenen die over een certificaat dienen te beschikken daar ook over beschikken. Indien het certificaat van één van hen wordt ingetrokken, zijn de kosten die voor het desbetreffende beheer worden gemaakt vanaf dat moment niet meer subsidiabel.
TOELICHTING op wijziging 2017-06-19 artikel 1.10 Dit artikel bevat de aangepaste weigeringsgrond uit het vervallen artikel 3.3. De opsomming is veralgemeniseerd. Daarnaast is de weigeringsgrond naar het algemene deel verplaatst, aangezien ook voor subsidies in het natuurbeheer geldt dat voor subsidieverlening geen plaats is indien op een terrein nog een verlening voor natuurbeheer loopt. artikel 2.3, 2.4 en 2.5 De aanpassingen (onderdeel C, onderdeel E, vierde punt) zijn ingegeven door de Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (2014/C 204/01).
Dit betreft technische aanpassingen die voornamelijk voortvloeien uit het vorig jaar ingevoerde systeem van natuurbeheer door collectieven. artikel 3.11 Bij deze wijziging draait het om enkele technische aanpassingen die noodzakelijk zijn om de SVNL provincie Drenthe 2016 te laten stroken met artikel 14bis van Verordening 809/2014 en met het daaruit voortvloeiende controle- en handhavingsregime.
Onderdelen d en e Uit onderdeel d volgt dat zowel wijzigingen van activiteiten op perceelsniveau die gedurende het kalenderjaar optreden (onderdeel d) als wijzigingen bestaande uit het toevoegen van percelen met de daarbij horende uit te voeren beheeractiviteit (onderdeel e) uiterlijk veertien dagen voorafgaand aan het ingaan van de wijziging moeten worden gemeld aan Gedeputeerde Staten. De wijzigingen van activiteiten op perceelsniveau die gedurende het kalenderjaar optreden, kunnen tot uiterlijk 30 september van het lopende beheerjaar worden doorgevoerd. De uiterste termijn om de wijzigingen bedoeld in onderdeel e door te geven ligt eerder: uiterlijk op de laatste dag waarop de Gecombineerde data inwinning kan worden ingediend. bijlage 3 De koppeltabel staat op het Portaal Natuur en Landschap. Op dat portaal staan ook eerdere versies van de koppeltabel. Op een beheerjaar is de meest recente versie van de koppeltabel van toepassing.
TOELICHTING op wijziging 2017-10-18 Artikel II, onderdeel B, leden 1, 2 (voor zover betrekking hebbend op het vervallen van onderdeel o) en 3 In het huidige artikel 3.11 van de SVNL’16 zijn voorwaarden opgenomen met betrekking tot het tijdig opvoeren van beheeractiviteiten (onderdeel d) en het tijdig melden van het uitvoeren van bepaalde beheeractiviteiten (onderdelen n en o), de zogenaamde 'actieve meldingen'. Het voorstel is om deze activiteiten met meldtermijnen op te nemen in een bijlage.
De reden hiervan is dat de kans bestaat dat er op termijn nieuwe activiteiten aan de koppeltabel worden toegevoegd waarbij een actieve melding vereist is. Het is daarom wenselijk om de SVNL’16 flexibeler te maken door de termijnen en activiteiten die actief gemeld moeten worden uit de tekst van artikel 3.11 te verwijderen en in een aparte bijlage te zetten.
Artikel II, onderdeel B, lid 2 (voor zover betrekking hebbend op het vervallen van onderdeel i) In het huidige artikel 3.11, onderdeel i, is de verplichting opgenomen dat het collectief elk jaar een voortgangsverslag moet indienen. Deze verplichting wordt geschrapt. Het verslag kan 'informeel' worden gevraagd als onderdeel van het jaarlijkse 'goede gesprek' tussen provincie en collectief.
Artikel II, onderdeel B, lid 4 Aan artikel 3.11, lid 1 worden twee onderdelen toegevoegd. De subsidievoorwaarde uit onderdeel p behelst dat alle activiteiten op een perceel door het collectief opgegeven dienen te worden onder hetzelfde leefgebied en dezelfde beheerfunctie. Anders leidt dit tot het kunstmatig vergroten van het gerealiseerde areaal leefgebied en/of het op kunstmatige manier voldoen aan (in bepaalde mate) verplichte beheerfuncties.
Er wordt een nieuw onderdeel q opgenomen. De Auditdienst Rijk van het Ministerie van Financiën is door de minister van Economische Zaken (EZ) aangewezen als certificerende instantie. De certificerende instantie is belast met het toezicht op het betaalorgaan. In het kader van die taak moet de certificerende instantie zich op grond van artikel 7, leden 3 en 4, van Verordening 809/2014 steekproefsgewijs kunnen overtuigen van de situatie ter plaatse. Dit veldbezoek is dus niet gericht op (het opnieuw controleren van) het collectief/de beheerder, maar dient om de rechtmatigheid van de betalingen door het betaalorgaan te verifiëren. In de SVNL’16 wordt nu expliciet vastgelegd dat het collectief/de beheerder medewerking moet verlenen aan deze zogenaamde ‘herverificatie’.
Artikel II, onderdeel C Activiteit 6 (SCAN-pakket 7) maakt het mogelijk om ten behoeve van het weidevogelbeheer ruige stalmest uit te rijden. Dit mag niet gedurende de rustperiode en de periode die uitgesloten is op basis van het Besluit gebruik meststoffen (september tot februari van het daaropvolgende jaar). Momenteel zijn er twee potentiële uitrijperiodes: één in het vroege voorjaar (februari-maart) en één in de nazomer (na de rustperiode tot september). Het uitrijden van ruige mest moet ecologisch effectief zijn en actief gemeld worden. De activiteit is niet bedoeld om (gesubsidieerd) het mestoverschot te verlagen.
Onder het Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer wordt subsidie verstrekt voor het uitvoeren van (bepaalde) activiteiten. Dat betekent dat zolang aan de voorwaarden wordt voldaan, de activiteit subsidiabel is. Activiteit 6 is een zogenaamde gestapelde activiteit. Dat betekent dat telkens als er volgens de voorwaarden ruige mest wordt uitgereden, deze activiteit subsidiabel is ondanks dat ze niet langer ecologisch effectief is. Dit is geen efficiënte inzet van de beschikbare middelen. Daarom wordt voorgesteld de toeslag ruige mest te limiteren tot eenmaal de oppervlakte van het desbetreffende perceel.
Artikel II, onderdeel D In artikel 3.11 van de SVNL’16 zijn voorwaarden opgenomen met betrekking tot het tijdig opvoeren van beheeractiviteiten (onderdeel d) en het tijdig melden van het uitvoeren van bepaalde beheeractiviteiten (onderdeel n), de zogenaamde 'actieve meldingen'. In de uitvoeringspraktijk bleken ook meldingen die te laat zijn gedaan nog te kunnen worden geaccepteerd, zij het dat er dan een sanctie van toepassing is. In bijlage 5, derde kolom van de SVNL’16 is in het kader van de kenbaarheid en rechtszekerheid uitgewerkt wanneer een opgegeven activiteit niet subsidiabel is doordat de opgave zodanig laat plaatsvindt dat de correcte uitvoering van de activiteit niet meer te controleren valt. Aangegeven is wat de uiterste termijnen zijn waarop nog is vast te stellen of de activiteit (correct) is uitgevoerd. Wordt de opgave later gedaan dan aangegeven in de vierde kolom van bijlage 5 van de SVNL’16, dan is de desbetreffende activiteit niet subsidiabel.
Artikel III Om het verband tussen de Beleidsregel en de SVNL’16 te handhaven, is het nodig dat deze SVNL’16 wijziging mede betrekking heeft op lopende subsidiebeschikkingen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het onderhavige wijzigingsvoorstel géén feitelijke verzwaring betreft van de voorwaarden waaraan het collectief moet voldoen.
Bijlage I BIJLAGE 1, INDEX LANDSCHAP Leeswijzer 20 L01 Groenblauwe landschapselementen 21 L01.01 Poel en klein historisch water 21 L01.01.00 Poel en klein historisch water - gemiddeld 23 L01.01.01a Oppervlakte poel < 175 m2 23 L01.01.01b Oppervlakte poel > 175 m2 23 L01.02 Houtwal en houtsingel 25 L01.02.00 Houtwal en houtsingel - gemiddeld 25 L01.02.01 Houtsingel en houtwal 25 L01.02.02 Hoge houtwal 25 L01.02.03 Holle weg en graft 25 L01.03 Elzensingel 26 L01.03.00 Elzensingel - gemiddeld 26 L01.03.01a Bedekking elzensingel 30-50% 26 L01.03.01b Bedekking elzensingel 50%-75% 26 L01.03.01c Bedekking elzensingel > 75% 26 L01.04 Bossingel en bosje (vervallen) 27 L01.04.01 Bossingel en bosje 27 L01.05 Knip- of scheerheg 27 L01.05.00 Knip- of scheerheg - gemiddeld 28 L01.05.01a Knip- en scheerheg; jaarlijks scheren of knippen 28 L01.05.01b Knip- en scheerheg; eenmaal per 2-3 jaar scheren of knippen 28 L01.06 Struweelhaag 29 L01.06.00 Struweelhaag - gemiddeld 30 L01.06.01a Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar 30 L01.06.01b Struweelhaag snoeicyclus > 12 jaar 30 L01.07 Laan 31 L01.07.00 Laan- gemiddeld 32 L01.07.01a Gemiddelde stamdiameter bomen < 20 cm 32 L01.07.01b Gemiddelde stamdiameter bomen 20-60 cm 32 L01.07.01c Gemiddelde stamdiameter bomen > 60 cm 32 L01.08 Knotboom 33 L01.08.00 Knotboom - gemiddeld 34 L01.08.01a Gemiddelde stamdiameter knotboom < 20 cm 34 L01.08.01b Gemiddelde stamdiameter knotboom 20-60 cm 34 L01.08.01c Gemiddelde stamdiameter knotboom > 60 cm 34 L01.09 Hoogstamboomgaard 35 L01.09.01 Hoogstamboomgaard 36 L01.10 Struweelrand 37 L01.10.01 Struweelrand 38 L01.11 Hakhoutbosje 39 L01.11.01a Droog hakhoutbosje (zomereik, wintereik, berk en haagbeuk dominant) 40 L01.11.01b Vochtig en nat hakhoutbosje (zwarte els en/of gewone es dominant) 40 L01.12 Griendje 41 L01.12.01 Griendje 41 L01.13 Bomenrij en solitaire boom 42 L01.13.01 Bomenrij en solitaire boom 43 L01.14 Rietzoom en klein rietperceel 44 L01.14.01a Smalle rietzoom (< 5 meter) 44 L01.14.01b Brede rietzoom (> 5 meter) en klein rietperceel 44 L01.15 Natuurvriendelijke oever 45 L01.15.01 Natuurvriendelijke oever 45 L01.16 Bossingel (nieuw per 1-1-2017) 46 L02 Historische gebouwen en omgeving 47 L02.01 Fortterrein 48 L02.02 Historisch bouwwerk en erf 50 L02.03 Historische tuin 51 L03 Aardwerken 53 L03.01 Aardwerk en groeve 53 L04 Recreatieve landschapselementen 54 L04.01 Wandelpad over boerenland 54 L04.01.01 Wandelpad over boerenland 54 LEESWIJZER Systematiek In het kader van de vereenvoudiging en transparantie van het Stelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) is een systematiek ontwikkeld die aansluit op de systematiek van de onderdelen Natuur en Agrarisch:
L = Landschap L01 = landschapselemententypen L01.01 = landschapsbeheertypen L01.01.01 = pakket L01.01.01a = pakketvariant Binnen het onderdeel Landschap zijn er 4 natuurtypen vastgesteld met daaronder 20 beheertypen. De beheertypen zijn vervolgens verder uitgesplitst in verschillende pakketten die het mogelijk maakt om ook op agrarische grond beheersubsidie aan te kunnen vragen voor landschapsbeheer.
Uitgangspunten van de typologie zijn:
Van alle landschapselemententypen is een algemene beschrijving opgenomen. De algemene beschrijving geeft een indruk van het voorkomen en geografische verspreiding van de beheertypen, de kenmerkende natuurwaarden en belangrijkste abiotische en ruimtelijke condities.
Ook van alle landschapsbeheertypen is een algemene beschrijving opgenomen die samen met de afbakening de basis vormt voor de classificering van de beheertypen. Daarnaast zijn de afbakeningen met name gebaseerd op de minimale oppervlakte en/of afmeting in het kader van ecologische en financiële haalbaarheid van de vergoedingen.
In de landschapsbeheertypen staat ook aangegeven dat vanwege de cofinanciering bij agrarisch landschapsbeheer aan bepaalde (beheer)eisen voldaan moet worden wil men in aanmerking komen voor een vergoeding voor het beheer. De algemene beheereisen vormen de basis van het (agrarisch landschaps)beheer, die verder aangevuld wordt met de onder de pakketten weergegeven specifieke beheereisen.
L01, GROENBLAUWE LANDSCHAPSELEMENTEN Algemene beschrijving In de loop der eeuwen zijn in het Nederlandse landschap diverse landschapselementen verschenen. Sommige van deze landschapselementen zijn al eeuwen oud. De functie was vaak meerledig: zo dienden dergelijke landschapselementen als perceelscheiding, veekering of drinkwatervoorziening voor het vee maar ze leverden ook gebruikshout op. Door de komst van prikkeldraad, de schaalvergroting en ruilverkavelingen zijn vele kilometers en hectares van deze elementen verdwenen.
Deze landschapselementen vertegenwoordigen vaak een hoge natuurwaarde, doordat veel dieren en planten er beschutting, dekking en voedsel vinden. De lijnvormige landschapselementen worden gebruikt als migratieroute door veel zoogdieren als vleermuizen en das. De blauwe landschapselementen dienen als voortplantingsplaats van amfibieën en insecten. Veel vogels vinden nestgelegenheid in de dichtte begroeiing of juist in de ontstane holtes als gevolg van het intensieve beheer dat bij deze landschapselementen plaatsvindt. Planten en insecten profiteren optimaal van de vele microklimaten die de landschapselementen bieden.
Beheertypen Dit natuurtype omvat de volgende beheertypen:
In het waterrijke West-Nederland dienden de sloten veelal als veedrinkplek en waren poelen dan ook minder noodzakelijk. In dit gebied vinden we de veenputten die door het kleinschalig afgraven van veen zijn ontstaan.
Als drinkplaats voor vee zijn poelen daar te vinden waar ander drinkwater niet voorhanden was. Vooral in Oost- en Zuid-Nederland zijn poelen veel voorkomende landschapselementen. In de kustgebieden zijn poelen aangelegd om in zoet water te voorzien in een zilte omgeving. Deze poelen werden dan in een kunstmatige verhoging gegraven. Dit zijn de zogenaamde hollestelles. Deze zijn vooral in Zeeland te vinden en liggen vaak buitendijks. Wateren die als bluswater dienden zijn veel nabij boerderijen en nederzettingen te vinden. Visvijvers komen vooral veel in Brabant en Zuid-Limburg voor. Het is belangrijk de historische contouren/vormen te behouden, zeker bij de visvijvers.
Openheid rondom (een deel van) de poel kan de zichtbaarheid en beleefbaarheid vergroten en is van belang om een goed voortplantingsbiotoop voor amfibieën te behouden. In het verleden was zeker bij veedrinkpoelen het element bereikbaar voor vee en dus in ieder geval deels onbegroeid. Vaak stonden er wel enkele bomen bij een poel voor schaduw voor de dieren en tegen verdamping. Soms kennen poelen gemetselde randen, zoals uit Zuid-Limburg bekend is. Poelen zijn van groot belang als voortplantingsbiotoop voor amfibieën en libellen in het cultuurlandschap.
Afbakening
Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.
Beheereisen
Beheerpakketten L01.01.00 Poel en klein historisch water - gemiddeld L01.01.01a Oppervlakte poel < 175 m2 L01.01.01b Oppervlakte poel > 175 m2 L01.02, HOUTWAL EN HOUTSINGEL Algemene beschrijving Houtwallen en houtsingels komen in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten zoals; graften, grubben, dykswâlen, schurvelingen of houtkaden. Houtwallen komen vooral voor in cultuurlandschappen in het Zandgebied, Heuvelland en het Duingebied. Lijnvormige landschapselementen met wallichaam in het laagveengebied worden houtkade genoemd. Ook de begroeiing op graften en holle wegen in Zuid-Limburg valt onder dit type.
Deze lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Houtwallen en houtsingels zijn bepalend voor het kleinschalige kampenlandschap op de zandgronden. Deze lijnvormige elementen vormen een belangrijk biotoop voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna.
Afbakening
Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.
Beheereisen
Beheerpakketten L01.02.00 Houtwal en houtsingel - gemiddeld L01.02.01 Houtsingel en houtwal
L01.02.02 Hoge houtwal
L01.02.03 Holle weg en graft
L01.03, ELZENSINGEL Algemene beschrijving Elzensingels zijn lijnvormige landschapselementen die bestaan uit een enkele rij zwarte elzen en vaak langs slootkanten staan. Deze elzensingels komen vooral voor in het laagveen-, zand- of rivierengebied en zijn zeer kenmerkend voor de Friese Wouden en komen in verscheidene andere delen van Nederland voor, zoals het Groninger Westerkwartier, de Gelderse Vallei, Midden-Brabant en de gebieden rond Staphorst en Vriezeveen. Elzensingels zijn van belang voor schuilmogelijkheden voor fauna in het cultuurlandschap.
Afbakening
Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.
Beheereisen
Beheerpakketten L01.03.00 Elzensingel - gemiddeld L01.03.01a Bedekking elzensingel 30-50% L01.03.01b Bedekking elzensingel 50%-75% L01.03.01c Bedekking elzensingel > 75% L01.04, BOSSINGEL EN BOSJE [vervallen] L01.05, KNIP- OF SCHEERHEG Algemene beschrijving Heggen zijn al eeuwen te vinden in het Nederlandse cultuurlandschap. Waar in natte delen van Nederland sloten als eigendoms- of perceelscheiding dienden, werden in drogere delen veelal heggen gebruikt. De doornige meidoorn kon daarnaast ook nog een veekerende functie hebben. Ook op landgoederen en forten is het gebruik van meidoornhagen bekend. De introductie van het prikkeldraad rond 1900 heeft gezorgd voor het verdwijnen van veel heggen. Heggen komen in heel Nederland voor, maar zijn vooral te vinden rondom dorpen en boerderijen. In Zuid-Limburg is de knip- en scheerheg ook een karakteristiek landschapselement in het landelijke gebied.
Door het regelmatig knippen heeft de heg een strak en recht uiterlijk. Heggen zijn van belang als leefgebied en migratieroute. Daarnaast bieden heggen schuilmogelijkheden voor de fauna in het cultuurlandschap.
Afbakening
Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.
Beheereisen
Beheerpakketten L01.05.00 Knip- of scheerheg - gemiddeld L01.05.01a Knip- en scheerheg; jaarlijks scheren of knippen
L01.05.01b Knip- en scheerheg; eenmaal per 2-3 jaar scheren of knippen
L01.06, STRUWEELHAAG Algemene beschrijving In de loop der eeuwen zijn in het Nederlandse landschap diverse lijnvormige landschapselementen verschenen met houtige gewassen. Sommige van deze landschapselementen zijn al eeuwen oud. De functie van dergelijke landschapselementen was perceelscheiding en veekering. Door de komst van prikkeldraad en de schaalvergroting en ruilverkavelingen zijn vele kilometers van deze elementen verdwenen. Struweelhagen komen in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten. Karakteristieke heggenlandschappen zijn terug te vinden langs de grote rivieren Maas en IJssel, in Zuid-Beveland en op Walcheren. Deze landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Het verschil met een knip- of scheerheg is dat een struweelhaag minder frequent wordt gesnoeid en daardoor meer en breder uitgroeit. Soms is er sprake van speciale beheervormen zoals bij vlechtheggen. Struweelhagen vormen een belangrijk leefgebied voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna.
Afbakening
Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.
Beheereisen
Beheerpakketten L01.06.00 Struweelhaag - gemiddeld L01.06.01a Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar Het element kan vrij uitgroeien en wordt 1 maal per 5 tot 7 jaar aan drie zijden gesnoeid. Na het snoeien heeft de haag een hoogte van tenminste 1,00 meter en een breedte van tenminste 0,8 meter;
L01.06.01b Struweelhaag snoeicyclus > 12 jaar Het element kan vrij uitgroeien en wordt 1 maal per 12 tot 25 jaar afgezet;
L01.07, LAAN Algemene beschrijving Lanen zijn wegen die aan beide zijde met een of meerdere rijen bomen zijn beplant. Lanen vormen sinds de zeventiende eeuw belangrijke dragers van landgoederen en buitenplaatsen. Lanen werden niet alleen aangeplant uit esthetische motieven, maar dienden ook als beschutting tegen weersinvloeden en voor de houtproductie. Lanen blijven populair in de diverse tuinstijlen. Nog altijd worden nieuwe lanen aangelegd. Lanen komen voor in heel Nederland, vaak op en rond landgoederen. Soms herinneren lanen aan vroegere landgoederen op die locatie.
Lanen zijn belangrijke onderdelen van landgoederen en geven vaak de structuur aan. Niet zelden bevindt zich het landhuis aan het eind van een laan, of biedt een laan een ver zicht naar een markant punt in de omgeving. Zeker oudere lanen met markante bomen kunnen zeer indrukwekkende landschapselementen zijn. Lanen zijn van belang voor aan oude bomen of boomholten gebonden vogels en vleermuizen. Verder zijn ze van belang voor op bomen groeiende mossen en korstmossen en oude lanen waar jaarlijks weinig strooisel blijft liggen zijn van groot belang voor zeldzame mycorhizapaddestoelen.
Afbakening
Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.
Beheereisen
Beheerpakketten L01.07.00 Laan- gemiddeld L01.07.01a Gemiddelde stamdiameter bomen < 20 cm L01.07.01b Gemiddelde stamdiameter bomen 20-60 cm L01.07.01c Gemiddelde stamdiameter bomen > 60 cm De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en element wordt als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element.
L01.08, KNOTBOOM Algemene beschrijving Knotbomen zijn bomen met een opgaande stam, waarbij periodiek de boven op die stam groeiende takken (of pruik) worden geoogst. Door die oogst ontstaat er op deze hoogte een vergroeiing van de stam: de knot. De knotboom levert gemakkelijk oogstbaar hout op dat op een plaats groeit waar het vee er niet bij kan. Knoteiken worden traditioneel een keer in de zeven tot acht jaar geknot. Bij knotessen gebeurde dat eens in de vijf tot zes jaar en knotwilgen en knotpopulieren worden meestal eens in de vier jaar geknot. Al van voor het begin van onze jaartelling zijn er vermeldingen bekend van knotbomen. Het gaat dan om de soorten wilg, populier, es, els, eik en haagbeuk. Knotessen, knothaagbeuken en knoteiken kunnen bijzonder oud worden. Ook wilgen en bijvoorbeeld populieren worden als knotboom veel ouder dan wanneer ze vrijuit groeien.
Voor grote delen van vooral Laag Nederland is de knotwilg een zeer kenmerkend landschapselement. Utrecht en Zuid-Holland zijn de provincies met de meeste knotbomen, geschat wordt dat het alleen daar al om honderdduizenden exemplaren gaat. Andere knotboomrijke gebieden zijn Zuid-Limburg, de Achterhoek, de Liemers, het gebied van de grote rivieren en Zeeuws-Vlaanderen.
Het silhouet van knotbomen is uit veel regio's bekend. Per gebied verschillen echter wel de boomsoorten die ervoor worden gebruikt. In het oosten van het land staan knoteiken, essen en wilgen in houtwallen en als overstaanders in heggen. Maar ze zijn daar en in het zuiden ook te vinden in graften, langs holle wegen en terras- en bosranden. Ze komen zelfs midden in bossen voor als markering van vroegere hakhoutpercelen. Knotelzen staan vaak op armere gronden, ze zijn vooral kenmerkend voor akkerranden in landschappen met kampontginningen, slagenlandschappen en esdorpenlandschappen. Ze kwamen vroeger op veel plaatsen in Nederland voor, langs slootkanten als geknotte elzenhagen, maar ook in rijen tussen akkers en weilanden. In laagveengebieden en langs rivieren en dijken staan verschillende wilgen- en populierensoorten, maar daar en vooral in het laagveengebied worden ook gewone essen gebruikt. De bodem heeft daar weinig draagkracht en essen kunnen geknot veel ouder worden dan doorgroeiende essen. Knotbomen bieden broedgelegenheid aan diverse vogels, waaronder de Steenuil en Wilde eend. Vooral oude knotbomen kunnen zeldzame hierop groeiende mossen en korstmossen herbergen.
Afbakening
Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.
Beheereisen
Beheerpakketten L01.08.00 Knotboom - gemiddeld L01.08.01a Gemiddelde stamdiameter knotboom < 20 cm L01.08.01b Gemiddelde stamdiameter knotboom 20-60 cm L01.08.01c Gemiddelde stamdiameter knotboom > 60 cm De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en als het element uit meerdere knotbomen bestaat wordt het element als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element.
L01.09, HOOGSTAMBOOMGAARD Algemene beschrijving Een hoogstamboomgaard is een boomgaard of boomweide met fruitrassen of notenbomen. Hoogstamboomgaarden zijn al bekend uit de middeleeuwen bij kloosters en kastelen, zowel voor eigen gebruik als handel. Ook bij boerderijen komen boomgaarden dan ook al eeuwen voor en sommige locaties kunnen heel oud zijn. De bomen zelf worden vaak niet ouder dan honderd jaar. De stijgende prijzen voor fruit zorgden voor een ware explosie van het aantal boomgaarden tussen 1850 en 1900. Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen veel hoogstammen voor de efficiëntere teelt in eerst half- en vervolgens laagstammen. Rooipremies hebben in het hele land veel hoogstamboomgaarden doen verdwijnen. In Zeeland speelde de overstromingen tijdens de Tweede Wereldoorlog en in 1953 een belangrijke rol in het afnemen van de hoogstammen in deze provincie. Indoor middel van worden er uit landschappelijke en ecologische motieven weer hoogstambomen aangeplant, maar de oppervlakte is nog maar een fractie van de oppervlakte die kort na de Tweede Wereldoorlog bestond.
Overal in Nederland komen hoogstamboomgaarden voor, vooral als onderdeel van het boerenerf. Ook bij landgoederen en buitenplaatsen waren vaak (grootschalige) boomgaarden te vinden. Niet overal in Nederland komen hoogstamboomgaarden evenveel voor. Vooral in de traditionele fruitgebieden, zoals Zuid-Limburg en het rivierengebied liggen nu nog veel restanten van oude boomgaarden. In het Hollands-Utrechtse veenweidegebied komen nog veel boomgaarden bij boerderijen voor. Hier is door afzetting van rivierklei een geschikte groeiplaats ontstaan. In noord- en oost Nederland op het zand zijn hoogstamboomgaarden relatief schaars.
Boomgaarden zijn dikwijls verbonden aan boerderijen. Enkele grotere complexen horen bij landgoederen en buitenplaatsen of dateren uit de tijd van de grote groei (1850-1900). Boomgaarden worden vaak door een heg, haag of sloot afgescheiden van de omgeving. De ondergrond van de hoogstamboomgaard is vaak een begraasd grasland: de hoogte van de stammen zorgden er immers voor dat het vee geen fruit kon eten! In het rivierengebied komen oude boomgaarden op de kleigronden voor, in Zuid-Limburg is er vaak een relatie met de dorpen. Naast hun functie voor fruitproductie hebben hoogstamboomgaarden ook een belangrijke landschappelijke betekenis en vormen ze het leefgebied voor diverse diersoorten zoals bijvoorbeeld steenuil. In oude boomgaarden groeien vaak ook bijzondere zeldzame fruitrassen en in de ondergroei van de hoogstammen handhaaft zich vaak een soortenrijke kruidenvegetatie.
Afbakening
Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.
Beheereisen
Beheerpakket L01.09.01 Hoogstamboomgaard L01.10, STRUWEELRAND Algemene beschrijving Struweelranden kunnen zich ontwikkelen vanuit een extensief beheerde situatie, of aangeplant worden. Afhankelijk van het beheer kunnen randen ontstaan die gedomineerd worden door ruigtekruiden, struiken of een combinatie van beide. Kenmerk van een struweelrand is dat deze zowel vrijliggend, als aansluitend aan een ander element kan liggen. Struweelranden kunnen daarmee dienen als overgangsgebied tussen agrarisch gebruikte percelen en bossen, en zijn in die vorm vooral te beschouwen als een naar voren geschoven bosrand. Met een gunstige ligging kunnen struweelranden bijdragen aan een warmer microklimaat, en zijn dan vooral van belang voor insecten, amfibieën en reptielen. Wanneer dat microklimaat ontbreekt, kunnen struweelraden vooral van belang zijn voor broedvogels en planten van een meer extensief beheer.
Afbakening
Subsidieverplichtingen 1. Op natuurterrein: De beheerder dient het landschapselement in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.
Beheereisen
Beheerpakketten L01.10.01 Struweelrand L01.11, HAKHOUTBOSJE Algemene beschrijving Boeren hebben al eeuwenlang behoefte aan hout voor allerlei doeleinden. Het kan hierbij gaan om brandhout, staken voor de groentetuin of hout voor gereedschapsstelen. Dit soort bosjes wordt in de volksmond ook wel geriefhoutbosje genoemd. In de loop der tijd zijn deze bosjes vaak in onbruik geraakt omdat er steeds minder behoefte aan het hout kwam. Ook werden in sommige regio's deze bosjes gebruikt om aan ziekten doodgegaan vee te dumpen.
Afbakening
In agrarisch gebied hebben landschapselementen een aantal verplichte beheereisen, die de basis voor de vergoeding vormen. Deze moeten dus uitgevoerd worden.
Beheereisen