Nota Bodembeheer Gemeente Amsterdam De gemeenteraad van Amsterdam Gezien de voordracht van burgemeester en wethouders van 10 september 2019 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 1832); Gelet op: artikel 44 van het Besluit Bodemkwaliteit; artikel 108, jo. artikel 147, lid 2 van de Gemeentewet, Besluit: Tot vaststelling van het Amsterdamse bodembeleid zoals verwoord in de Nota Bodembeheer en het intrekken van de op 10 december 2013 vastgestelde Nota. De belangrijkste wijzigingen in de Nota Bodembeheer zijn: De geactualiseerde bodemkwaliteitskaart; Uitbreiding beheergebied bodemkwaliteitskaart door samenwerking met buurgemeenten; Lood: Verbeteren communicatie over lood, onderzoek naar lood in kinderspeelplaatsen, aangepaste normering en toetsing bij nieuwbouw; Toevoeging Bodemfunctie ‘wonen met siertuin’; Kennis te nemen van de zienswijzen en de nota van beantwoording. De zienswijzen hebben geleid tot tekstuele verbeteringen en een toezegging van de gemeente dat de bodemkwaliteitskaart sneller dan wettelijk noodzakelijk opnieuw wordt herzien. Nota Bodembeheer Gemeente Amsterdam Beleidskader voor grondverzet en bodemsanering Voorwoord De bodem heeft veel gebruiksdoelen, waarbij gestreefd moet worden naar een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit en ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Het doel van het Nederlandse bodembeleid is enerzijds de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant, en anderzijds het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem, zodat deze geschikt blijft om te gebruiken. Met het Besluit bodemkwaliteit en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit is in 2008 een stap gezet naar duurzaam bodembeheer. Daarin wordt een directe relatie gelegd tussen de ernst van een chemisch risico voor de bodem en de strengheid van te hanteren regels of normen. In situaties met een gering risico gelden daarom beperkte regels, en minder strenge normen, dan in situaties met een groot risico. Amsterdam probeert die afweging te maken op basis van feitelijke risico’s. Deze herziene Nota bodembeheer biedt ruimte voor lokaal maatwerk en gebiedsspecifiek beleid. Daarin is het mogelijk regels aan te scherpen om de bodem in bepaalde situaties nog sterker te beschermen, of regels juist te versoepelen waar dat verantwoord is. Daarnaast behandelt deze Nota het nieuwe beleidskader voor bodemsaneringen en -onderzoek, waarbij de aanpak van diffuus bodemlood een prominente plek inneemt. De Nota is in opdracht van de gemeente Amsterdam opgesteld door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Het document is een handvat voor aannemers, adviesbureaus, gemeentelijke diensten en stadsdelen, nutsbedrijven, projectontwikkelaars, grondeigenaren/gebruikers en iedereen die iets te maken heeft met graven in Amsterdamse grond. De Nota is conform het Besluit bodemkwaliteit vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam. Deze Nota bestaat uit drie delen. Het beleidsmatige deel bestaat uit de hoofdstukken 2 t/m 5. Daarin staan de toetsingskaders en beleidsregels voor iedereen die te maken heeft met grondverzet en/of bodemsanering. Daarna volgt een deel met achtergrondinformatie in de hoofdstukken 6 t/m 10. Daarin wordt bijvoorbeeld dieper ingegaan op de bodemfunctiekaart, de bodemkwaliteitskaart, meldingsprocedures en het opvragen van bodeminformatie. Het derde deel bestaat uit een apart document met bijlagen. De bijlagen bevatten kaartmateriaal, statistische kentallen, extra informatie over asbestonderzoek, het toepassen van baggerspecie en chloridehoudende grond. Deze herziene Nota bodembeheer vervangt de Nota bodembeheer Amsterdam van 7 november 2019. De voorliggende Nota bodembeheer 2022 bevat een aanpassing vanwege het toetreden van de gemeente Weesp tot de gemeente Amsterdam. De bodemkwaliteitskaart is hierop aangepast en heeft tevens een update gekregen, tevens zijn enkele tekstuele wijzigingen in de Nota doorgevoerd. Er zijn geen beleidswijzigingen ten opzichte van de Nota uit 2019. Samenvatting Deze Nota bodembeheer Amsterdam is een herziening en vervanging van de eerdere Nota van 7 november 2019. Het document is inhoudelijk niet veranderd ten opzichte van zijn voorganger, herziening was noodzakelijk vanwege uitbreiding van het beheergebied door de toetreding van Weesp tot de gemeente Amsterdam. De Nota bestaat uit drie delen. Het beleidsmatige deel bestaat uit de hoofdstukken 2 t/m 5. Daarin staan de toetsingskaders en beleidsregels voor iedereen die te maken heeft met grondverzet en/of bodemsanering in Amsterdam. Daarna volgt een deel met achtergrondinformatie in de hoofdstukken 6 t/m 9. Daarin wordt bijvoorbeeld dieper ingegaan op de bodemfunctiekaart, de bodemkwaliteitskaart, meldingsprocedures en het opvragen van bodeminformatie. Hoofdstuk 10 beschrijft de rol van het bevoegd gezag inzake toezicht en handhaving. Het derde deel bestaat uit een apart document met bijlagen. De bijlagen bevatten kaartmateriaal, statistische kentallen, extra informatie over asbestonderzoek, het toepassen van baggerspecie en chloridehoudende grond. Doel van de Nota De gemeente Amsterdam wil met deze Nota een praktische richtlijn bieden hoe in Amsterdam met grond, vrijkomende grond en baggerspecie moet worden omgesprongen. Het document is primair gericht aan gemeentelijke afdelingen die veel met grond werken, adviesbureaus, aannemers en andere bodemintermediairs. Daarnaast bevat de Nota ook enkele onderwerpen die direct of indirect raken aan het dagelijks leven van bewoners in de stad, zoals mensen die een kelder willen graven, mensen met tuinen en jonge kinderen. Ook beschrijft de Nota pragmatische methoden van bodemsanering die niet alleen juridisch stand houden, maar ook oog hebben voor gezond verstand, kostenbesparing en milieuwinst. Stand-still principe De Amsterdamse bodem wordt zeer intensief gebruikt. Het bodembeleid wil dan ook zoveel mogelijk ruimte geven aan maatschappelijke activiteiten op en in de bodem, zoals gebiedsontwikkeling en woningbouw, bedrijfsactiviteiten, de aanleg van wegen of het uitbaggeren van vaarwegen. Tegelijkertijd is het bodembeleid erop gericht om negatieve effecten op de bodemkwaliteit tegen te gaan, zodat deze ook op zeer lange termijn geschikt blijft om te gebruiken. Het centrale hoofduitgangspunt van de gemeente is dan ook dat de kwaliteit van de bodem binnen haar gemeentegrenzen niet verslechtert. Generiek en gebiedsspecifiek bodembeleid Deze Nota is een gemeentelijke vertaling van de bodemwetgeving en het landelijk ‘generiek’ beleid. Het generiek beleid past echter niet altijd op elke lokale situatie. Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten daarom de vrijheid om ook gebiedsspecifiek beleid te formuleren. Deze herziene Nota bodembeheer geeft invulling aan de ruimte voor lokaal maatwerk en gebiedsspecifiek beleid. In Amsterdam worden jaarlijks grote hoeveelheden grond ontgraven, bijvoorbeeld voor bouwprojecten, infrastructuur en onderhoudswerk aan kabels & leidingen. Die ontgraven grond wordt na afloop weer teruggelegd of elders nuttig toegepast. Bij toepassing elders houdt het Amsterdamse gebiedsspecifiek beleid sterk rekening met de lokale situatie. Vooral de maatschappelijke functie van de ontvangende bodem is leidend. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de eis die aan toe te passen grond wordt gesteld. Bodemfunctie en kwaliteitsklasse Elders ontgraven herbruikbare grond kan in principe in Amsterdam weer nuttig worden toegepast, bijvoorbeeld om gaten op te vullen, de bodem op te hogen of wegen op te funderen. Daarvoor gelden echter regels, om te voorkomen dat verontreinigde grond op een schone(
- re)bodem wordt aangebracht. Op ‘gevoelige functies’ (natuur, landbouw, moestuinen etc.) mag alleen grond worden toegepast die voldoet aan de zogeheten Achtergrondwaarde (lees schone grond). Op iets minder gevoelige functies (wonen met tuin, plaatsen waar kinderen spelen, groen met natuurwaarden) mag schone grond of grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ worden toegepast. Minder kwetsbare functies (zoals infrastructuur, industrie, wonen zonder tuin) mogen in bepaalde zones van de stad ook iets minder schone grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ ontvangen. Soepeler maar ook strenger Hierboven staat met opzet ‘in bepaalde zones van de stad’, want volgens het Amsterdams beleid moet dat wat schoon is ook schoon blijven. De eerdergenoemde gebiedsspecifieke normen gelden dan ook niet in de schone delen van Amsterdam (ruim 50% van het grondgebied) zoals de naoorlogse wijken buiten de Ring A10 en grote delen van Westpoort. In deze gebieden mag alleen schone grond worden toegepast. Dit laat zien dat de wettelijke ruimte voor gebiedsspecifiek beleid niet automatisch leidt tot versoepeling van de landelijke regels, maar altijd een afweging blijft en soms zelfs tot strenger beleid kan leiden. Vanwege die ruimte om steeds een afweging te maken tussen lokale normen, gezondheidsrisico’s en maatschappelijke belangen blijft het mogelijk om Amsterdam stedelijk te vernieuwen en te ontwikkelen. Werken in de grond: saneren De ondertitel van de Nota is ‘Beleidskader voor grondverzet en bodemsanering’, want het gros van de bodemactiviteiten in Amsterdam gaat om grondverzet en/of bodemsanering, hoewel dat laatste in volume is afgenomen. Afgelopen decennia was Amsterdam het toneel van grote bodemsaneringsprojecten, zoals de Diemerzeedijk, de Volgermeerpolder en drie grote gasfabriekterreinen, maar die operatie loopt af. Bodemsaneringen blijven komende jaren aan de orde, maar in de vorm van kleinere en meer incidentele projecten, als onderdeel van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor dergelijke projecten moet soms een saneringsplan worden ingediend, maar vaker gaat het om een standaard aanpak van bodemverontreiniging, die volgens het Besluit Uniforme Saneringen (BUS) wordt gesaneerd; een set van standaard handelswijzen voor bepaalde typen verontreinigingen, waarvoor geen uitgebreid saneringsplan hoeft te worden opgesteld. Veelal voldoet een melding vooraf en rapportage (evaluatie) achteraf aan het bevoegd gezag. Ook in Amsterdam beleid wordt veelvuldig gebruik gemaakt van dergelijke BUS-meldingen. Werken in de grond: grondverzet Het overgrote deel van alle werken in de grond betreft projectmatige ontgravingen, ophogingen, herschikkingen, werk aan kabels & leidingen en baggeren. Bij deze werkzaamheden is sanering geen doel, maar kan er wel sprake zijn van sterk verontreinigde grond. Voor het melden hiervan volstaat meestal de BUS-melding en bij klein graafwerk zonder afvoer van grond de 10 m3-regeling. Een fors deel van deze Nota (hoofdstuk 4) beschrijft de procedure voor het nuttig toepassen van ontgraven grond op een andere locatie in de stad. Hierbij kan in veel gevallen gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart, waarbij samengevat de volgende stappen worden doorlopen: Aantonen wat de kwaliteitsklasse is van de vrijkomende grond (weergegeven op de ‘ontgravingskaart’, onderdeel van de bodemkwaliteitskaart, waarop de verschillende bodemkwaliteitsklassen bij ontgraven worden aangeduid); Onderzoeken wat de kwaliteitsklasse is van de ontvangende bodem (af te lezen op de bodemkwaliteitskaart waarop de stad is ingedeeld in verschillende kwaliteitsklassen); Bepalen of er een ‘match’ is tussen de vrijkomende grond en de ontvangende bodem. Deze stap is complex, maar professionals die veel met bodem werken kunnen ermee uit de voeten. Deze stap bepaalt met behulp van de toepassingskaart en tabellen of de vrijkomende grond voldoet aan de functie en toepassingseisen van de ontvangende bodem. Bodemkwaliteitskaart De gemeentelijke bodemkwaliteitskaart vormt de technisch-inhoudelijke onderbouwing van het Amsterdamse bodembeleid. Afgelopen jaren zijn duizenden nieuwe bodemonderzoeken ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Wordt online ergens een perceel of locatie ‘aangeklikt’ dan geeft de kaart een beeld van de gemiddelde bodemkwaliteit van de zone waarin de betreffende locatie ligt. De kaart geeft geen informatie op adresniveau. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als wettelijk bewijsmiddel bij grondverzet is het in veel gevallen niet nodig een bodemonderzoek uit te voeren. Hiermee worden jaarlijks honderdduizenden euro’s aan bodemonderzoek bespaard. De bodemkwaliteitskaart kan ook gebruikt worden voor vrijstelling van fysiek bodemonderzoek bij kleinschalige verbouwprojecten (omgevingsvergunningvrij) en bij werken in de openbare weg. Bij dat laatste wordt gebruik gemaakt van de speciale ‘bodemkwaliteitskaart openbare weg’. Extra aandacht lood De binnenstad van Amsterdam (binnen de Ring A10) is gebouwd op een oudstedelijke ophooglaag, die vooral verontreinigd is met zware metalen en PAK. Met name het zware metaal lood is een probleemstof, die diffuus verspreid voorkomt. Op sommige plaatsen is het gehalte in de bodem zo hoog dat er risico’s zijn voor jonge kinderen die buiten spelen en grond via vieze vingers binnenkrijgen. De hersenontwikkeling van jonge kinderen is erg gevoelig voor lood. Amsterdam wil die risico’s voor kleine kinderen tegengaan en stelt dat het loodgehalte van grond die wordt toegepast op gevoelige bodemfuncties maximaal 100 mg/kg mag bedragen. Die eis is van toepassing op locaties met de bodemfuncties ‘wonen met tuin’ en ‘plaatsen waar kinderen spelen’. Daarin is Amsterdam strenger dan het landelijk generieke beleid. Het is ondoenlijk om alle tuinen in de binnenstad te saneren. Daarom kunnen bewoners de gemeente inschakelen om de tuin te laten checken op lood. Ook geeft Amsterdam advies over veilig gebruik van een loodtuin en kan de gemeente helpen – indien gewenst – bij het saneren van een tuin. Infobladen veelvoorkomende activiteiten De opstellers van deze Nota hebben getracht de complexe bodemregels, -procedures en -normen op toegankelijke wijze te vertalen naar de gemeentelijke praktijk. Om bewoners (die niet vaak met deze materie werken) en professionals een extra handreiking te doen, heeft de gemeente vier veelvoorkomende activiteiten uitgewerkt in infobladen: Uitgraven van een kelder in verontreinigde grond; Ophogen van een tuin op verontreinigde grond; Hoe omgaan met lood in de bodem van de tuin; Toepassen van vrijkomende partijen grond elders in de stad. Deze infobladen zijn als afbeelding in de Nota opgenomen. 1Inleiding Aanleiding De bodem in Nederland wordt intensief gebruikt. Het bodembeleid wil enerzijds ruimte scheppen voor woningbouw, transformatie, aanleg van wegen, onderhoud van vaarwegen, aanleg van parken enzovoort. Anderzijds richt het bodembeleid zich op de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant, en het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem, zodat deze geschikt blijft om te gebruiken. De voorgaande Nota bodembeheer Amsterdam dateert uit 2019. Directe aanleiding om die Nota te herzien waren de volgende ontwikkelingen: Bodemkwaliteitskaart In 2022 is Weesp onderdeel geworden van de gemeente Amsterdam. Het was dus nodig om de bodemkwaliteitskaart aan te vullen met bodeminformatie van Weesp en dit gebied onderdeel te maken van de kaart. De afgelopen jaren zijn veel nieuwe bodemgegevens beschikbaar gekomen. De nu vernieuwde bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassenkaart geven samen inhoud aan de manier waarop Amsterdam het landelijke Besluit bodemkwaliteit in de praktijk brengt. Herziening gebiedsspecifiek beleid Het Besluit bodemkwaliteit, en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit, is onder meer gebaseerd op de Wet bodembescherming en stelt milieuhygiënische voorwaarden aan de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Gemeenten hebben daarbij de mogelijkheid gebiedsspecifiek beleid op te stellen als er behoefte is aan lokaal maatwerk. Amsterdam heeft daar in de afgelopen vijf jaar ervaring mee opgedaan en ziet aanleiding om het gebiedsspecifiek beleid op enkele punten aan te passen. Loodbeleid RIVM-onderzoek uit 2016 heeft nieuwe inzichten opgeleverd over de invloed van lood in de bodem op opgroeiende kinderen [Lit. 14]. Dat was aanleiding om het loodbeleid in deze Nota te actualiseren. Als verfijning in het loodsaneringsbeleid wordt in deze Nota de functie ‘wonen met siertuin’ geïntroduceerd. Asbest In deze herziene Nota wordt aandacht besteed aan een uitspraak van de Raad van State uit november 2016 over puin en asbestonderzoek. Wanneer op een locatie puin(resten) worden aangetroffen geldt de locatie als asbestverdacht en moet onderzoek conform de NEN5707 worden uitgevoerd, tenzij kan worden onderbouwd dat er geen sprake is van asbesthoudend puin. Structuurvisie Amsterdam 2040 De Structuurvisie Amsterdam 2040 is het overkoepelende ruimtelijk-planologische kader voor deze Nota. Om Amsterdam economisch sterk te houden is ruimte noodzakelijk voor (ondergronds) bouwen en bodemenergie. Daarnaast heeft de gemeenteraad op 11 maart 2015 de Agenda Duurzaam Amsterdam vastgesteld, waar een duurzaam beheer van de bodem integraal onderdeel van uitmaakt. De voorliggende Nota stelt daarvoor een aantal beleidsmatige, juridische en technische voorwaarden. Bodem in de Omgevingswet De nieuwe integrale Omgevingswet treedt naar verwachting in 2023 in werking, waarbij 26 afzonderlijke milieuwetten komen te vervallen. De nieuwe wet bevordert de integrale afweging van ruimtelijke en milieubelangen, omdat binnen één wet de onderlinge samenhang beter tot zijn recht komt. Via de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet worden bodemregels onderdeel gemaakt van de Omgevingswet en komt de aparte Wet bodembescherming te vervallen. Aangezien het Rijk meer bevoegdheden naar gemeenten sluist, zullen die bodemregels worden opgenomen in het zogeheten Gemeentelijk Omgevingsplan - een instrument onder de Omgevingswet. Het beleid uit deze Nota bodembeheer wordt zo beleidsneutraal mogelijk vertaald naar een gemeentelijk bodembeleidskader, een overzicht van zowel de landelijk geldende bodemregels als het Amsterdamse bodembeleid onder de Omgevingswet. Dit bodembeleidskader zal zo spoedig mogelijk na de ingangsdatum van de Omgevingswet in werking treden en deze Nota bodembeheer vervangen. Op enkele punten wordt in deze Nota alvast de nieuwe terminologie van de Omgevingswet gevolgd, bijvoorbeeld in plaats van de benaming Achtergrondwaarde (AW) wordt al gesproken van kwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Vooruitlopend op de Omgevingswet werkt Amsterdam, vanuit het tweede Convenant Bodem en Ondergrond (2016-2020) [Lit. 8], aan het lokaal afronden van de landelijke saneringsoperatie. Dat convenant legde ook de basis voor de transitie naar een duurzaam beheer van de bodem en ondergrond in de toekomst, waarbij nadrukkelijk breder wordt gekeken dan alleen de milieuhygiënische opgave. Na decennia van saneringen en regelgeving is de bodemwereld rijp om over de eigen grenzen heen te kijken en een rol te spelen in het bredere perspectief van integrale maatschappelijke opgaven. Kern van het Amsterdamse bodembeleid is het – waar nodig - beschermen van de bodemkwaliteit en het – waar verantwoord - optimaal benutten van de bodem met lokaal maatwerk. Doelstelling en doelgroep Doelstelling Nota Het Besluit bodemkwaliteit biedt lokale beleidsruimte voor een gebiedsspecifiek en functiegericht bodembeheer. Om die bestuurlijke afwegingsruimte concreet te maken is het noodzakelijk om het lokale bodembeleid vast te leggen in een gemeentelijke Nota bodembeheer. In de voorliggende Nota wordt dan ook beschreven wanneer, hoe, waar en waarom Amsterdam die beleidsruimte invult. Daarbij staat een zorgvuldig beheer van de bodem voorop, zodat de bodem niet zal verslechteren of op andere manier aangetast in zijn functies. Onder de Omgevingswet wordt deze Nota straks onderdeel van het integrale Amsterdamse Omgevingsplan. Dat Omgevingsplan maakt het mogelijk om sectorale kansen en belangen in meer samenhang te beschouwen. Waar mogelijk wordt daar in deze Nota al een voorschot op genomen. Doelstelling bodemkwaliteitskaart De geactualiseerde bodemkwaliteitskaart geeft een actueel en dekkend beeld van de diffuse bodemkwaliteit op het grondgebied van Amsterdam. De kaart faciliteert het veelvoorkomende grondverzet bij werkzaamheden door: Gebieden te tonen waar vrij grondverzet (zonder onderzoek) onder bepaalde voorwaarden is toegestaan; Te laten zien waar grond en baggerspecie kan worden toegepast; Te dienen als bewijsmiddel voor de kwaliteit van vrijkomende grond en de ontvangende bodem; Knelpunten weg te nemen bij grond- en/of baggerverzet; Afzetmogelijkheden van grond te vergroten door acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten. Toetsingskader grondverzet en bodemsanering Voor het uitvoeren van bodemonderzoek, grondverzet, projectmatige ontgravingen en bodemsanering heeft het Amsterdamse bodemwerkveld behoefte aan een uniform toetsingskader. Die behoefte wordt zowel gevoeld bij het bevoegd gezag als bij de uitvoerende partijen. Deze Nota bodembeheer geeft het gevraagde beleids- en toetsingskader en licht daarnaast toe hoe Amsterdam aankijkt tegen enkele saneringsbepalingen uit de Wet bodembescherming en de Circulaire. Doelgroep Doelgroepen voor de Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart zijn het bevoegd gezag voor de Wet bodembescherming, maatschappelijke organisaties, marktpartijen en initiatiefnemers (zoals bewoners, erfpachters) binnen het bodemwerkveld. Bevoegd gezag Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam zijn het bevoegd gezag voor toepassingen van grond en bagger op of in de bodem en zijn tevens bevoegd gezag voor de uitvoering van de Wet bodembescherming. Deze Nota gaat alleen over de landbodem (grond en grondwater). Voor waterbodembeheer is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag (natte bodem onder oppervlaktewater). Voor nadere informatie over bevoegde gezagen bij baggerwerkzaamheden wordt verwezen naar Bijlage 7. Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid De verantwoordelijkheid voor het naleven van de wet- en regelgeving bij handelingen 1 Onder handelingen vallen: het werken in, met, ontgraven, saneren en toepassen van grond of baggerspecie. met grond/baggerspecie ligt bij de initiatiefnemer. De initiatiefnemer is verplicht om de voorgenomen handeling te melden en - indien nodig - via een BUS-melding of het indienen van een saneringsplan. Via een privaatrechtelijke machtiging kan deze verplichting ook bij de aannemer of andere betrokkenen worden gelegd. Er bestaan uitzonderingen op de meldingsplicht (zie par. 8.2). De wetgever gaat uit van ketenaansprakelijkheid: alle betrokken partijen zijn medeverantwoordelijk en dienen te werken volgens de wet- en regelgeving en het beleid in deze Nota. De bodemkwaliteitskaart en deze Nota bodembeheer zijn zeer zorgvuldig opgesteld. Echter, de bodemkwaliteitskaart doet alleen uitspraken over de te verwachten algemene kwaliteit binnen een zone. Binnen een zone van herkomst is het dus denkbaar dat de kwaliteit van een individuele partij ontgraven grond afwijkt van het gemiddelde in die zone. De gemeente Amsterdam is echter niet aansprakelijk voor schade als gevolg van die mogelijke afwijking tussen de algemene en de individuele kwaliteit. Als men vooraf meer zekerheid wil over de bodemkwaliteit van de te ontgraven grond, staat het de initiatiefnemer vrij om zelf een bodemonderzoek te laten doen conform de geldende normen. De verantwoordelijkheid voor het toepassen van grond/baggerspecie blijft altijd bij degene die de grond/baggerspecie toepast. Diezelfde eindverantwoordelijkheid geldt ook als men gebruik maakt van de vrijstelling voor het doen van fysiek bodemonderzoek (zie par. 3.6). Afbakening De Nota bodembeheer is een leidraad voor de uitvoeringspraktijk. Daarin wordt beschreven hoe Amsterdam de bodemregelgeving vertaalt naar Amsterdamse regels en beleid. Ook staat beschreven wanneer de bodemkwaliteitskaart geldt als wettig bewijsmiddel voor de milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen partij grond en/of de ontvangende bodem. De Nota bodembeheer is van toepassing in situaties waarin sprake is van: Nuttig toepassen van grond en baggerspecie binnen de gemeente Amsterdam; Projectmatige ontgravingen in sterk verontreinigde grond (nieuwbouw, verbouw, funderingsherstel); Milieuhygiënische bodemsaneringen, het afperken van een geval van ernstige bodemverontreiniging (niet zijnde de oudstedelijke ophooglaag) en uitkeuren van een saneringswand/put; Inschatten van risico’s van bodemverontreiniging; Aanbrengen van een leeflaag bij een bodemsanering, of afdeklaag op een grootschalige bodemtoepassing, waarbij de kwaliteit moet voldoen aan de Lokale Maximale Waarden 2 Lokale Maximale Waarden (LMW): door de gemeente zelf vastgestelde toepassingsnormen in het gebiedsspecifieke beleidskader (zie par. 2.5). of generieke eisen. Hergebruik van grond en baggerspecie mag dus uitsluitend in nuttige toepassingen (art. 35 Besluit bodemkwaliteit). Is sprake van een niet-nuttige toepassing, dan wordt dit gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen. In dat geval gelden strengere regels van de Europese Kaderrichtlijn Afvalstoffen. Overigens richt de Nota zich alleen op de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Of de grond civieltechnisch, fysisch, landbouwkundig of qua natuurwaarde geschikt is voor de beoogde toepassing laat de Nota buiten beschouwing. 3 Een uitzondering wordt gemaakt voor grondtoepassingen in ecologisch waardevolle gebieden, waarbij eisen aan de grondsoort kunnen worden gesteld. De Nota is niet van toepassing op de volgende situaties: Toepassen van schone grond, zoals bedoeld in art. 4.2.2. lid 4 en 5 van de Regeling bodemkwaliteit. Deze grond is overal toepasbaar; Grootschalige bodemtoepassingen. Hiervoor geldt het landelijke kader van het Besluit bodemkwaliteit: de kwaliteit van de leeflaag moet voldoen aan de Lokale Maximale Waarden of de generieke eisen, afhankelijk van de zone waarbinnen de toepassing wordt gerealiseerd; Toepassen van grond of bagger in oppervlaktewater (hiervoor is de gemeente geen bevoegd gezag). Voor de landelijk uniforme regels wordt verwezen naar het Besluit bodemkwaliteit en bijbehorende Regeling en Handreiking [Lit. 1 en 2]. Voor nieuwe bodemverontreinigingen, die zijn ontstaan op of na 1 januari 1987 (1 juli 1993 voor asbest) geldt de zorgplicht (artikel 13 Wbb, zie ook par. 2.3). Voor PFAS-verontreinigde grond geldt de aparte Beleidsregel PFOS en PFOA Gemeente Amsterdam, 6 augustus 2018 [Lit. 18]). Dat laatste valt buiten deze Nota omdat het PFAS-beleid nog aan veranderingen onderhevig is. Vaststelling, geldigheidsduur en reikwijdte Bestuurlijke vaststelling Het beleid in deze Nota bodembeheer heeft betrekking op het grondgebied van de gemeente Amsterdam. De Nota, met bijbehorende bodemkwaliteitskaart, treden in werking nadat deze door de gemeenteraad van Amsterdam zijn vastgesteld, de termijn van terinzagelegging van de Algemene Wet Bestuursrecht is verstreken, en deze op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt (gepubliceerd): De Nota bodembeheer wordt in beginsel vastgesteld voor een periode van 10 jaar. Daarna wordt bekeken of de Nota wordt aangepast, bijvoorbeeld als Lokale Maximale Waarden moeten worden herzien. De bodemkwaliteitskaart wordt in principe elke 5 jaar opnieuw vastgesteld. Tussentijdse herziening van de Nota, of de bodemkwaliteitskaart, kan eerder nodig zijn als wetswijzigingen, actuele ontwikkelingen of voortschrijdend inzicht daartoe aanleiding geven. Kleine aanpassingen met een uitvoerend karakter (bijvoorbeeld het actualiseren van de bodemkwaliteitskaart, uitbreiding van het beheergebied, acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten of het toevoegen van nieuwe data) zijn gedelegeerd naar het college van Burgemeester en Wethouders. De gemeenteraad heeft hier bij de vaststelling van de eerste versie van de Nota bodembeheer (4 april 2012) mee ingestemd en dit wordt ook in deze nieuwe Nota gecontinueerd. Omdat de Nota bodembeheer 2022 geen beleidswijziging bevat is vaststelling door het college van B&W voldoende, conform genoemde delegatie. Met de invoering van de Omgevingswet wordt de landelijke regelgeving ingrijpend gewijzigd. Dit betekent onder meer dat de Nota bodembeheer onderdeel gaat worden van het Omgevingsplan Amsterdam. Die integratie kan aanleiding geven om de Nota wat eerder te herzien. Deze herziene Nota bodembeheer, met de nieuwe bodemkwaliteitskaart, vervangt de Nota bodembeheer Amsterdam van 7 november 2019. Met de bestuurlijke vaststelling van deze nieuwe Nota komt de eerdere Nota uit 2019 te vervallen. Uitbreiding beheergebied Gelijktijdig met de vaststelling van de bodemkwaliteitskaart en deze Nota bodembeheer, stemt de gemeenteraad van Amsterdam ook in met het streven naar regionale samenwerking met de gemeenten Haarlemmermeer, Diemen, Aalsmeer, Amstelveen, Ouder-Amstel en Uithoorn. Die samenwerking kan uitmonden in een gezamenlijk beheergebied, wat de mogelijkheden voor actief bodembeheer (stand-still beginsel op gebiedsniveau) aanzienlijk vergroot. De gemeenteraad accepteert daartoe ook de bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten Haarlemmermeer, Diemen, Aalsmeer, Amstelveen, Ouder-Amstel en Uithoorn als bewijsmiddel voor de kwaliteit van grond die in deze gemeenten wordt ontgraven en in Amsterdam wordt toegepast. Uitgangspunten nieuwe Nota Het Amsterdamse bodembeleid hanteert de volgende uitgangspunten: De kwaliteit van de Amsterdamse bodem moet zodanig zijn dat de functies wonen, werken, infrastructuur, natuur en landbouw op een verantwoorde wijze uitgeoefend kunnen worden; Milieuhygiënische risico’s worden tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht door het stellen van een helder toetsingskader in combinatie met de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven (opvolgen gebruiksaanwijzingen); De kwaliteit van de bodem binnen Amsterdam is voldoende bekend om gebiedsspecifiek beleid te kunnen formuleren; Het beleid maakt het mogelijk om kosteneffectief en duurzaam om te gaan met de bodemkwaliteit en grondverzet; Vanuit de duurzaamheidsgedachte worden hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond optimaal gefaciliteerd; Het is wenselijk procedures en spelregels zoveel mogelijk te vereenvoudigen, opdat het bodembeleid uitlegbaar blijft, draagvlak houdt en de regeldruk vermindert; Mocht de Omgevingswet tussentijdse beleidswijzigingen noodzakelijk maken, dan kunnen deze in overleg met de betrokken instanties ambtshalve doorgevoerd worden. Draagvlak gemeentelijke spelers Om draagvlak te creëren voor de keuzes in de Nota bodembeheer is overleg gevoerd met gemeentelijke organisaties en is de Nota in 2019 ter commentaar aangeboden aan de volgende belanghebbende partijen: Afdeling Bodem van Grond en Ontwikkeling (G&O) Gemeente Amsterdam; Ingenieursbureau Gemeente Amsterdam; GGD Amsterdam (risico’s van lood in bodem); Havenbedrijf Amsterdam N.V.; Waternet/Waterschap Amstel Gooi en Vecht; Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (o.a. baggerbeleid). Om deze belanghebbenden, en andere uitvoerende stakeholders, te faciliteren wordt gestreefd naar praktische doorvertalingen van het bodembeleid, bijvoorbeeld via principe-afspraken over veelvoorkomende handelingen in de bodem. In het verlengde van deze Nota worden ook publieksvriendelijke stroomschema’s/handleidingen gemaakt om een soepele vertaling naar de praktijk te maken. DEEL 1 HET AMSTERDAMSE GEBIEDSSPECIFIEKE BODEMBELEID 2Het Amsterdamse bodembeleid In dit hoofdstuk wordt samengevat op welke punten de Amsterdamse regels en beleidsonderdelen afwijken van de landelijke regelgeving. Gebiedsspecifiek beleid Het gebiedsspecifiek beleid in Amsterdam gaat uit van het – waar nodig - beschermen van de bodemkwaliteit en het – waar mogelijk - juist verruimen van de gebruiksmogelijkheden. In de beleidsvorming over gebiedsspecifiek maatwerk kwamen de volgende behoeften naar voren: Eenduidig beleid, zo eenvoudig mogelijk, uitlegbaar en werkbaar, met duidelijke spelregels; Het beleid moet waar mogelijk faciliterend zijn voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk; Deregulering en vermindering van de lasten voor burgers; Pragmatische aanpak: de diffuus verontreinigde binnenstad hoeft niet volledig schoon te worden, maar preventie is wel belangrijk om nieuwe verontreinigingen te voorkomen; Vrijstelling van fysiek bodemonderzoek waar mogelijk en verantwoord; Mogelijkheden bieden voor hergebruik (zonder onderzoek) van licht verontreinigde grond, waardoor veel geld wordt bespaard op onnodig onderzoek en transport. De vorige Nota bodembeheer bood wat ruimere mogelijkheden voor het gebiedsspecifiek toepassen van grond. In de praktijk werd daar echter weinig gebruik van gemaakt. Daarom is besloten om de kwaliteitseisen voor toe te passen grond meer aan te laten sluiten op het generieke kader. Ook in de minder schone gebieden van Amsterdam mag daarom voortaan alleen nog grond worden toegepast met een (generieke) kwaliteit van Achtergrondwaarde, Wonen of Industrie, afhankelijk van de ontvangende bodemfunctie (daarover meer in paragraaf 2.2). Op termijn leidt dit tot verbetering van de Amsterdamse bodemkwaliteit. Het Amsterdamse gebiedsspecifieke beleid is op enkele punten strenger of ruimer dan het generieke beleid. Strenger Op gevoelige functies (natuur, landbouw, moestuin/volkstuin) zijn de toepassingseis en de kwaliteit van de aanvulgrond/leeflaag altijd Achtergrondwaarde (AW); Op bodemfuncties met humane blootstellingsrisico’s (wonen met tuin en plaatsen waar kinderen spelen) mag grond met de kwaliteit Wonen worden toegepast, mits het loodgehalte maximaal 100 mg/kg bedraagt; 4 Deze loodnorm komt voort uit de Toetsingsregel Achtergrondwaarde (Regeling bodemkwaliteit, art 4.2.2.). Volgens die regel behoudt grond de formele kwaliteit van Achtergrondwaarde als hoogstens 2 stoffen verhoogde gehalten laten zien (bij meting van 7-15 stoffen). De verhoging mag in dat geval maximaal 2x de Achtergrondwaarde (voor lood is dat 50 mg/
- kg)voor die stof bedragen. Het maximum voor lood is in dit geval dus 2 x 50 = 100 mg/kg grond. Er geldt een gebiedsspecifieke eis voor het toepassen van chloridehoudende grond; Voor asbest geldt een ‘nulnorm’ bij het toepassen van grond op locaties met een gevoelige functie of met veel bodemcontact (kinderspeelplaatsen, moes- en volkstuinen: asbest mag analytisch niet aantoonbaar in de grond aanwezig zijn. Ruimer Op de bodemfunctie ‘Wonen zonder tuin’ (bebouwing) in zone 3 t/m 7 mag grond met de kwaliteit Industrie worden opgebracht (landelijk generiek is dat ‘Wonen’); Gebiedseigen grond binnen de deelzones Landelijk Noord, de Wilmkebreekpolder en het landbouwgebied Zuidoost voldoet niet aan de norm voor landbouw, maar mag wel als zodanig binnen de deelzone worden hergebruikt op deze bodemfunctie; De zogeheten ‘puntbronnencheck’ (vereenvoudigd vooronderzoek) bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart dient alleen om vast te stellen of vrijkomende grond niet afkomstig is uit een gebied met een brongerelateerde verontreiniging; Werken in de openbare weg zijn (onder voorwaarden) vrijgesteld van fysiek bodemonderzoek; Voor klein grondverzet van sterk verontreinigde grond (zonder afvoer van grond) is een simpele melding afdoende (10 m3 regeling); Aanvragen Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zijn in de zones 1 en 2 mogelijk vrijgesteld van fysiek bodemonderzoek, met de bodemkwaliteitskaart en puntbronnencheck; Funderingsherstel zonder grondverzet is mogelijk vrijgesteld van fysiek bodemonderzoek; Grond uit de oudstedelijke ophooglaag mag over het hele perceel worden herschikt (is verruiming BUS) mits inzichtelijk gemaakt; Het baggerbeleid biedt ruimere verspreidingsmogelijkheden; Er gelden soepeler regels voor het gebruik van grond als overhoogte/voorbelasting; In zoutbelaste gebieden wordt geen chloridetoets gevraagd. Lokale Maximale Waarden De normen voor het toepassen van grond die in het gebiedsspecifieke toetsingskader worden gehanteerd, zijn de zogenoemde ‘Lokale Maximale Waarden’, waarbij rekening wordt gehouden met de daadwerkelijke gebruiksfunctie van de bodem. Zo kan het gewenste beschermingsniveau nader worden gespecificeerd en kan worden gestuurd in de toepassingsmogelijkheden voor grond en baggerspecie. Daarover meer in paragraaf 2.5. Amsterdam kiest geen Lokale Maximale Waarde op stofniveau 5 Behalve voor lood en asbest op enkele specifieke bodemfuncties., maar kiest per bodemfunctie een lokale norm gebaseerd op een generieke bodemkwaliteitsklasse. Een lokale norm gebaseerd op een bodemkwaliteitsklasse (AW, Wonen of Industrie) neemt de lokale bodemfunctie als uitgangspunt en maakt dat leidend voor de normering in dat gebied: de gekozen norm is dus getoetst aan de betreffende bodemfunctie. Zo is de lokale norm voor een bodemfunctie als moestuin of landbouw strenger dan de norm voor industrie. De norm voor wonen met tuin is op zijn beurt strenger dan de norm voor wonen zonder tuin. Voor dicht bebouwde wijken (zonder tuinen) liggen de normen dan ook wat soepeler dan in naoorlogse schonere gebieden met tuinen. In alle gevallen is en blijft het hoofduitgangspunt dat de bodemkwaliteit niet mag verslechteren. De bodemfunctiekaart Op de bodemfunctiekaart (Bijlage 2) is het grondgebied van Amsterdam toegedeeld naar de verschillende (generieke) functieklassen Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie. Dat is niet op het niveau van percelen gebeurd (zoals bij bestemmingsplannen), maar op het niveau van een groter gebied of deelzone. Voor die toedeling in klassen is veelal het huidige dominante bodemgebruik in een gebied als maatgevend genomen. In een aantal gebieden wordt echter zowel gewoond als gewerkt, zonder dat een van die functies sterk overheerst. In zulke gevallen was de meest gevoelige bodemfunctieklasse bepalend: in dit geval Wonen. De landbouw- en natuurgebieden (inclusief moes/volkstuinen) zijn vanwege hun gevoeligheid voor bodemverontreiniging ingedeeld bij de functieklasse Landbouw/Natuur. Zulke gebieden mogen alleen grond ontvangen die voldoet aan de Achtergrondwaarde. Parken, sportparken en recreatiegebieden vallen onder de bodemfunctieklasse Wonen, behalve als ze ecologisch waardevol zijn. Grote infrastructuur, zoals rijkswegen, provinciale- en hoofdverkeerswegen, spoorwegen en rangeerterreinen zijn, inclusief hun bermen, ingedeeld onder de bodemfunctieklasse Industrie. Minder forse infrastructuur kon vanwege het grove detailniveau van de kaart niet worden ingetekend, maar valt eveneens onder de bodemfunctieklasse Industrie. Generiek versus gebiedsspecifiek De bodemfunctiekaart wordt over het algemeen gebruikt in het generieke kader en gaat uit van drie generieke bodemfunctieklassen. Het gebiedsspecifieke kader (zie Tabel 2.1) maakt een scherper onderscheid met zeven bodemfuncties. In de meeste gevallen is het onderscheidend vermogen van de generieke bodemfunctiekaart voldoende om de lokale bodemfunctie te bepalen. Alleen de functie ‘Wonen zonder tuin’ wordt op de bodemfunctiekaart weergegeven als Wonen, terwijl de specifieke indeling Industrie aangeeft. Voor het toepassen van aanvulgrond/leeflaag op deze bodemfunctie moet de situatie ter plaatse (en bijpassende toepassing/kwaliteitseisen) worden vastgesteld. Tabel 2.1 Bodemfuncties en bodemfunctieklassen Bodemfunctie (gebiedsspecifiek) Bodemfunctieklasse (generiek) Natuur Landbouw Moestuin/volkstuin (inclusief schooltuin) Landbouw/Natuur Wonen met tuin/siertuin Plaatsen waar kinderen spelen Groen met natuurwaarden Wonen Ander groen Bebouwing (zoals wonen zonder tuin) Infrastructuur en industrie Industrie Wijzigingen bodemfunctiekaart De huidige bodemfunctiekaart wijkt op een paar punten af van de oudere kaart uit 2013. Enkele nieuwe en toekomstige woonwijken (zoals het Hamerkwartier en Marktkwartier) en sportparken zijn nu ingedeeld als Wonen. De (nieuwe) bedrijventerreinen op de Zuidas zijn nu weergegeven als Industrie. De bodemkwaliteit binnen de gemeente De herziene bodemkwaliteitskaart onderscheidt 7 zones op basis van de lokale bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis. Bij elke zone horen bijpassende eisen aan het grondverzet en de kwaliteit van de grond die er mag worden aangebracht, afhankelijk van de bodemfunctie. Binnen een zone liggen soms meerdere bodemfuncties die, afhankelijk van de gevoeligheid voor bodemverontreiniging elk om een ander beschermingsniveau vragen - en dus een eigen lokale normering. Tabel 2.2De bodemkwaliteitszones met aanwezige bodemfuncties en gemiddelde bodemkwaliteit in de bodemlagen 0-0,5 m-mv, 0,5-1 m-mv, 1-2 m-mv en dieper dan 2 m-mv (zie voor meer info par 7.4 en Bijlage 3 en 4 voor kaarten en statistische kenmerken) Niet alle gebieden zijn ingedeeld in een zone. Dat komt bijvoorbeeld omdat er te weinig bodeminformatie beschikbaar is, of omdat het een bodemsaneringsgebied betreft waarvoor bijzondere voorwaarden (in een sanering/nazorgplan) gelden. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Volgermeerpolder, de Diemerzeedijk, het Zeeburgereiland en de terreinen van de Westergasfabriek en Oostergasfabriek. Tabel 2.2. laat zien dat meer dan de helft van Amsterdam in de schone zone 1 valt en ruim een kwart in zone 2. Dus 80% van de bodem van Amsterdam is schoon tot licht verontreinigd. Generiek beleid in zone 1 De bodemkwaliteit in de meeste naoorlogse wijken van Amsterdam (gedefinieerd als zone 1) voldoet aan de Achtergrondwaarde (AW). Deze grond is in principe geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken. Daarom was het niet nodig om voor zone 1 gebiedsspecifiek beleid te ontwikkelen. In deze zone is de toepassingseis of kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag voor alle bodemfuncties dan ook Achtergrondwaarde, conform het generieke beleid. Het gebiedsspecifieke toetsingskader in zones 2 t/m 7 Situatie in Amsterdam Amsterdam is reeds een dichtbebouwde stad en de woningbehoefte blijft onverminderd groot. Om in die behoefte te voorzien krijgen bijvoorbeeld voormalige bedrijventerreinen een woonbestemming, worden braakliggende terreinen ontwikkeld, wordt land gemaakt in het IJmeer (IJburg) en schuiven industriegebieden op lange termijn op, om plaats te maken voor hoogstedelijke woon-werkgebieden (Haven-Stad). Bij veel van deze woningbouwprojecten is sprake van hoogbouw met appartementen (zonder tuin). Wel kan tussen de woningen sprake zijn van openbaar groen, plaatsen waar kinderen spelen en eventueel stadstuinen of -moestuintjes (urban farming). Deze verschillende vormen van bodemgebruik vragen om een bijpassende bodemkwaliteit, met eveneens bijpassende beschermingsniveaus gebaseerd op risico’s van bodemcontact (blootstelling). Die factoren bepalen per locatie de vereiste kwaliteit van toe te passen grond. Gebiedsspecifieke normering op basis van kwaliteitsklassen In de vorige Nota bodembeheer werd per stof een aparte norm gesteld voor toepassing van grond, waarbij die aparte norm afhankelijk was de ontvangende bodemfunctie, de mate van bodemcontact en de daaruit voortvloeiende risico’s. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de norm. De ervaring leert echter dat initiatiefnemers de toepassing van een partij grond nauwelijks volgens dit gebiedsspecifieke toetsingskader (per stof een aparte norm) melden. In de praktijk worden met name de bodemkwaliteitskaart (als bewijsmiddel) of een andere erkende milieuhygiënische verklaring gebruikt, waarbij de partij is ingedeeld in de generieke bodemkwaliteitsklasse (AW, Wonen of Industrie). Deze herziene Nota maakt daarom de pragmatische keuze om aan de aanbodkant voortaan te werken met de drie generieke bodemkwaliteitsklassen, maar voor de ontvangende bodem blijft een gebiedsspecifieke normering (zie Tabel 2.1) van kracht. Tabel 2.3 laat zien waar die keuze in de praktijk toe leidt. Drie belangrijke hoofdzaken uit Tabel 2.3 zijn: Op gevoelige functies (natuur, landbouw, moes-/volkstuinen) mag alleen grond worden toegepast van de klasse Achtergrondwaarde (AW); Op de bodemfuncties Wonen met tuin, Plaatsen waar kinderen spelen en Groen met natuurwaarden in de zones 2 t/m 7 mag grond worden toegepast van maximaal klasse Wonen; Op de functies Wonen met tuin en Plaatsen waar kinderen spelen mag het gehalte aan lood maximaal 100 mg/kg bedragen. Tabel 2.3 Toepassingseisen en kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag (bodemkwaliteitsklassen) voor grond en bagger Minder kwetsbare functies (laatste kolom van Tabel 2.3) mogen in zone 3 t/m 7 grond ontvangen van de kwaliteitsklasse Industrie. In de relatief schonere zone 2 vereist de ontvangende bodem echter grond van de klasse Wonen en het is niet wenselijk deze kwaliteit te verslechteren vanwege diverse vrijstellingsregelingen in zone 1 en 2 (zie par. 3.6). Bovenop deze generieke klassen geldt een aparte normering voor chloride (zie par 4.9) en asbest (zie par 3.4). Asbest wordt normaliter in grond en bouwstoffen toegestaan tot 100 mg/kg droge stof. Waar echter veelvuldig contact met grond plaatsvindt - door kwetsbare groepen - zoals kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen, mag asbest analytisch niet aantoonbaar in de grond voorkomen. Dit geldt binnen de gehele gemeente. Beleid in niet-gezoneerde gebieden en toepassen van grond van buiten Toepassen van grond in niet-gezoneerde gebieden Voor het toepassen van grond in niet-gezoneerde gebieden (op de bodemkwaliteitskaart in grijs aangeduid) kan de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt om de kwaliteit van de ontvangende bodem te bepalen. In die gebieden moet daarom een bodemonderzoek van de ontvangende bodem worden gedaan, dan wel gecheckt of de toepassing past binnen het geldende saneringsplan of beheerplan. Hierbij kan sprake zijn van maatwerk per gebied. Als het saneringsplan geen toepassingseis of kwaliteitseis voor aanvulgrond/leeflaag heeft vastgelegd, dan geldt de generieke toepassingseis - afhankelijk van de bodemkwaliteit of de lokale bodemfunctie (dubbele toets Besluit bodemkwaliteit). Toepassen grond van buiten Amsterdam, maar van binnen het beheergebied Voor het toepassen van grond van buiten de gemeentegrens van Amsterdam, maar van binnen het beheergebied (Amsterdam, Haarlemmermeer, Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn) mag de bodemkwaliteitskaart van de betreffende gemeente worden gebruikt, mits deze wederzijds als bewijsmiddel wordt geaccepteerd. Komt de grond van een depot, dan is de bodemkwaliteitskaart op die locatie niet van toepassing en moet een andere erkende kwaliteitsverklaring kunnen worden overlegd 6 De grond in het depot kan wel afkomstig zijn van een vastgestelde bodemkwaliteitskaartzone en met dit kwaliteitskenmerk zijn opgeslagen. Met dit bewijsmiddel kan de grond mogelijk wel elders worden toegepast. . Bij het toepassen van grond in zone 2 t/m 7 geldt altijd het gebiedsspecifieke toetsingskader. In die zones wordt de toepassingseis of kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag bepaald door de lokale bodemfunctie (toepassingseis in zone 1 is altijd Achtergrondwaarde), zie Tabel 2.3. Toepassen grond van buiten het beheergebied Voor grond van buiten het beheergebied moet de kwaliteit van de toe te passen grond zijn onderzocht (partijkeuring of certificaat). Voor toepassing van die grond in zone 2 t/m 7 geldt altijd het gebiedsspecifieke toetsingskader. In die zones wordt de toepassingseis of kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag bepaald door de lokale bodemfunctie (toepassingseis in zone 1 is altijd Achtergrondwaarde), zie Tabel 2.3. Risico’s van bodemverontreiniging in relatie tot het gebruik Het is voor mens en dier uiteraard wenselijk om zo min mogelijk verontreinigende stoffen binnen te krijgen. De inname terugbrengen tot nul is echter niet mogelijk; in het milieu (lucht, werkomgeving, water, voeding, bodem) zijn nu eenmaal verontreinigingen (ook van nature) aanwezig. Het milieubeleid is erop gericht om die blootstelling zoveel mogelijk te verminderen. In Amsterdam kiezen we ervoor om risico’s in ieder geval tot een ‘aanvaardbaar niveau’ terug te brengen. Wat aanvaardbaar is heeft enerzijds te maken met mogelijke (gezondheids)gevolgen en anderzijds met de maatschappelijke kosten om deze gevolgen te voorkomen. Op basis van wetenschappelijk onderzoek heeft de landelijke regelgeving bepaald wat een ‘onaanvaardbaar risico’ is. In dat geval wordt het saneringscriterium (spoedeisendheid) overschreden. Het rekenmodel Sanscrit (onderdeel van Risicotoolbox bodem) geeft aan of een bepaalde concentratie van een stof in de bodem leidt tot een onaanvaardbaar risico. Het rekenmodel neemt daarbij mee of de locatie bijvoorbeeld verhard is, of er kinderen spelen, of mensen er groenten kweken. Binnen het model is een aantal standaard gebruiksscenario’s uitgewerkt met mogelijke blootstellingsroutes. Binnen elk gebruiksscenario kan worden getoetst of de desbetreffende bodemkwaliteit geen onaanvaardbare risico’s met zich meebrengt. Vanzelfsprekend is die toetsing voor een moestuin anders dan voor een industriegebied. De standaard gebruiksscenario’s in het rekenmodel Sanscrit zijn: Wonen met tuin; Plaatsen waar kinderen spelen; Moestuinen/volkstuinen; Landbouw (zonder boerderij en erf); Natuur; Groen met natuurwaarden; Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie. Aan deze standaard bodemgebruiksscenario’s voegt Amsterdam een extra scenario toe: ‘Wonen met siertuin’ (zie ook par 5.4 diffuus lood). In de regel gaat het hierbij om statische locaties, waarbij het uitsluitend om reeds bestaande tuinen gaat, dus geen tuinen die bij nieuwbouwprojecten worden aangelegd. Amsterdamse stadstuinen worden over het algemeen anders gebruikt dan tuinen buiten de stad. Ze zijn doorgaans kleiner, beschaduwd en worden niet als moestuin gebruikt. Een typische Amsterdamse tuin is vaak voor een groot deel verhard en verder voorzien van wat gras en/of een paar struiken en wordt gebruikt als terras of opslagruimte. Dit gebruik rekenen we tot ‘Wonen met siertuin’. Verder wordt door algemene publieksvoorlichting gewezen op risico’s van lood in de bodem in de historische binnenstad en enkele plaatsen daarbuiten (o.a. Ransdorp, Zunderdorp, Sloten). Hierbij worden maatregelen genoemd die bewoners kunnen nemen om blootstelling te beperken. Het is daarom verantwoord aan te nemen dat mensen in een siertuin minder intensief bloot worden gesteld aan verontreinigingen in de bodem dan in het standaardscenario ‘Wonen met tuin’. In siertuinen krijgen kinderen minder gronddeeltjes binnen, bewoners krijgen geen groente uit eigen tuin binnen die lood bevat. Het gebruiksscenario voor ‘Wonen met siertuin’ wijkt op twee punten af van het standaardscenario ‘Wonen met tuin’: Gewasconsumptie: het standaardscenario ‘Wonen met tuin’ gaat uit van een substantiële oogst aan gewassen (volgens het rekenmodel Sanscrit jaarlijks 10% van de geconsumeerde blad- en knolgewassen) en daarmee blootstelling aan stoffen die door die gewassen zijn opgenomen. Het scenario ‘Wonen met siertuin’ gaat er van uit dat er geen blootstelling is aan stoffen via het jaarrond eten van gewassen uit eigen tuin. Ingestie grond: blootstelling door het direct binnenkrijgen van grond wordt met 50% verlaagd ten opzichte van het standaardscenario uit het rekenmodel Sanscrit voor ‘Wonen met tuin’ (en komt daarmee uit op 50 mg/dag voor kinderen en 25 mg/dag voor volwassenen). Humane risico’s bij Wonen met tuin en Wonen met siertuin In Tabel 2.4 is schematisch weergegeven hoe in diverse situaties door de Omgevingsdienst wordt getoetst op een humaan risico voor lood en overige stoffen (met wijze van aanpak). De situaties kunnen beschouwd worden als een overzicht van natuurlijke momenten, waarbij voor de duidelijkheid ook bestaande situatie is opgenomen (ofwel een situatie waarbij geen wijzingen op een perceel worden aangebracht). In de derde kolom is verwezen naar grenswaarden voor diffuus lood uit Tabel 5.2 (370 mg/kg ds voor wonen met tuin en 800 mg/kg ds voor wonen met siertuin) en die in par. 5.4 verder worden toegelicht. Tabel 2.4Toetsen humaan risico voor de gevoelige bodemfuncties ‘Wonen met tuin’ en ‘Plaatsen waar Moment van saneren bij functies Wonen met tuin en Wonen met siertuin Statische locaties: saneren is vrijwillig In het oudstedelijk gebied liggen veel statische locaties met de functie ‘Wonen met tuin’, waar tuinen verontreinigd zijn met zware metalen en PAK. Voor zulke locaties geldt dat de tuin gewoon gebruikt kan worden voor het beoogde doel, mits bodemonderzoek laat zien dat er geen sprake is van onaanvaardbare risico’s. Het gaat bij deze risico’s meestal om de stoffen lood, kwik of PAK. Mocht bodemonderzoek en het actueel gebruik wél onaanvaardbare risico’s aan het licht brengen (‘sanering is spoedeisend’), dan is het van belang om deze risico’s te vermijden of weg te nemen. Als het gaat om diffuus lood in de toplaag zijn gebruiksadviezen bijvoorbeeld een middel om risico’s tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen (zoals een zandbak, groente telen in bakken, handen wassen, zie verder par. 5.4). Voor minerale olie in grond of vinylchloride in het grondwater kan het zaak zijn om de verontreiniging volledig of zo veel mogelijk weg te halen door ontgraving of zuivering. Op statische locaties is het aan de eigenaar/bewoner om de tuin een keer aan te pakken, bijvoorbeeld op een natuurlijk moment als er werkzaamheden (zoals een bouwplan) aan de orde zijn. Op dat moment wordt de locatie dynamisch en kan de tuin in het kielzog van de bouwactiviteiten worden verbeterd met saneringsmaatregelen. Dynamische locaties: saneren is vanzelfsprekend Op locaties met fysieke ontwikkelingen zoals nieuwbouw, uitgifte van een bouwkavel of renovatie van een woonblok, ligt de afweging anders. De (her)ontwikkeling is immers een natuurlijk moment om gelijktijdig de bodemkwaliteit te verbeteren. Als de gemeente opdrachtgever is voor het bouwrijp maken van een dynamische locatie, dan wordt ingezet op een kwaliteitsverbetering die verder gaat dan het wegnemen van onaanvaardbare risico’s. Voor bouwkavels met de functie ‘Wonen met (sier)tuin’ wordt in dat geval ingezet op een kwaliteitsverbetering naar de bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’, waarbij de tuin in de bovenste meter geen (ernstige) verontreinigingen meer bevat. Op deze manier werken we gestaag aan een verbetering van de Amsterdamse bodemkwaliteit, met als ultieme doel een ‘blijvend geschikte’ bodem. Amsterdamse aanpak diffuus lood bij kinderspeelplaatsen en tuinen van woningen Loodbelasting Van alle stoffen in de Amsterdamse oudstedelijke ophooglaag is lood het grootste probleem. Dat komt met name door het hoge gezondheidsrisico voor kinderen in de leeftijd tot 6 jaar. Kinderen krijgen lood binnen bij het spelen op loodhoudende grond via hand-mond gedrag (ingestie). Deze loodbelasting heeft een nadelig effect op het leervermogen en leidt tot verlies aan IQ-punten. Nieuw onderzoek heeft aangetoond dat er geen veilige ondergrens voor lood bestaat. Amsterdam heeft zich daarom als doel gesteld om kinderen nergens bloot te stellen aan grond die met lood is verontreinigd. De meest zinvolle maatregel is het saneren van locaties met de gevoeligste bodemfuncties, te weten ‘Wonen met tuin’ en ‘Plaatsen waar kinderen spelen’. De gemeente onderzoekt daarom de locaties waar veel kinderen komen op mogelijke blootstelling aan lood en faciliteert maatregelen om deze blootstelling te beperken of te voorkomen. Voorts beoordeelt de Omgevingsdienst NZKG bodemonderzoek bij bouwaanvragen, functiewijzigingen naar gevoeliger gebruik en saneringsmeldingen op het aspect lood en stuurt desnoods aan op sanering (dringend advies of verplichting). Daarnaast geeft de GGD doorlopend publieksvoorlichting, met name gericht op ouders van jonge kinderen. Zie verder par. 5.4 en 5.5. Informatie over bodemkwaliteit Via de bodemkwaliteitskaart kan iedereen met een tuin zich informeren over de gemiddelde algemene kwaliteit van de bodem in zijn of haar buurt. Daarnaast kan in de rapportagemodule (http://odnzkg.nazca4u.nl/rapportage/ of doorklikken via www.odnzkg.nl -> Kaarten -> bodeminformatiekaart) worden bekeken of er specifieke informatie op perceelsniveau beschikbaar is. Tot slot kunnen bewoners de loodkaart op de website van de Omgevingsdienst NZKG bekijken om te zien of er in hun buurt bodemonderzoek is gedaan en welke gehalten aan diffuus lood zijn gemeten. 3Wanneer moet bodemonderzoek gedaan worden? Wanneer is bodemonderzoek noodzakelijk? Er zijn diverse aanleidingen om een bodemonderzoeksrapport op te (laten) stellen en ter toetsing voor te leggen aan het bevoegd gezag voor de Wet bodembescherming (Wbb) of de Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht (Wabo). Aanleidingen kunnen zijn: projectmatige ontgraving, funderingsherstel, nieuwbouw, verbouw, functiewijziging, herinrichting van een gebied, overdracht, starten of beëindigen van bedrijfsmatige activiteiten enzovoort. Onderstaand schema laat zien hoe de Wbb toetsing door het bevoegd gezag verloopt en in welke hoofdstukken van de wet dat toetsingskader staat beschreven. Paragraaf 3.5 gaat in op de Wabo toetsing van het bodemonderzoek. Figuur 3.1Wbb toetsingskader onderzoeksrapporten Een initiatiefnemer die in de bodem gaat werken dient bekend te zijn met de kwaliteit van de grond, of deze aan te tonen met een bodemonderzoek. Het bodemonderzoek wordt afgestemd op de verwachte verontreinigingen en op de voorgenomen bestemming van een locatie. Het bodemonderzoek bestaat meestal uit twee delen: een vooronderzoek (archiefonderzoek) en een verkennend bodemonderzoek (veld- en analytisch-chemisch). Mocht het vooronderzoek een locatie als onverdacht typeren, dan kan een verkennend bodemonderzoek veelal achterwege blijven. Daarnaast is er soms vrijstelling van bodemonderzoek (bijvoorbeeld bij werken in de openbare weg) als de locatie alleen verdacht is vanwege de oudstedelijke ophooglaag. In par. 3.6 wordt dieper ingegaan op de voorwaarden voor vrijstelling van verkennend bodemonderzoek. Het zijn vooral de volgende wettelijke kaders die een bodemonderzoek vereisen: Wet bodembescherming; vaststelling van de ernst van een geval van bodemverontreiniging, van de mate van spoedeisendheid om te saneren, en van een ingediend saneringsplan; Besluit uniforme saneringen (BUS): vaststelling van de bodemkwaliteit van grond die wordt ontgraven en teruggeplaatst, of (gedeeltelijk) afgevoerd; Wabo: bodemtoets bij het aanvragen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen), zie par. 3.5); Wabo en Besluit houdende algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit): bepaling van de bodemkwaliteit bij het oprichten en inwerking hebben van een inrichting, veranderen van een inrichting of de werking daarvan, en bij beëindiging van de inrichting. Bodemonderzoek is ook verplicht bij het beëindigen van de opslag van vloeibare brandstof, afgewerkte olie of pekel in een ondergrondse opslagtank; Besluit bodemkwaliteit: vaststelling van de bodemkwaliteit waarop (of waarin) grond/baggerspecie wordt toegepast en vaststelling van de milieuhygiënische kwaliteit van de grond/bagger die wordt toegepast; Wet Ruimtelijke Ordening: beoordeling of de bodem geschikt is voor de gewenste ontwikkeling en om na te gaan of bodemverontreiniging de (financiële) haalbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat; Privaatrecht: aan/verkoop van een terrein, erfpachtuitgifte, ARBO-regelgeving. Vooronderzoek Voorafgaand aan werkzaamheden in de bodem moet een vooronderzoek (archiefonderzoek) worden uitgevoerd. Daarmee wordt nagegaan of er bodembedreigende activiteiten op en in de onmiddellijke nabijheid van de onderzoekslocatie hebben plaatsgevonden of plaatsvinden die de locatie met een of meer stoffen kunnen hebben verontreinigd. Daarnaast worden gegevens verzameld over de bodemkwaliteit op en in de onmiddellijke nabijheid van de locatie. Het vooronderzoek beantwoordt de vraag of sprake is van een verdachte locatie en, zo ja, doet een aanbeveling over een uit te voeren fysiek bodemonderzoek. Het vooronderzoek moet zijn gebaseerd op de NEN5725 ‘Bodemrichtlijn voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek’ [Lit. 19]. Zie de ARVO [Lit. 7] voor een uitgebreide beschrijving van het vooronderzoek. De puntbronnencheck: beknopt vooronderzoek Een beknopt vooronderzoek (archiefonderzoek) is noodzakelijk bij het voornemen om grond te ontgraven/toe te passen met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel bij de volgende activiteiten: Ontgraven en toepassen van grond; Graafwerkzaamheden volgens de 10 m3-regeling. Deze ‘puntbronnencheck’ mag eenvoudig van opzet zijn, want de globale bodemkwaliteit van het herkomstgebied (bodemkwaliteitskaart) is immers al bekend. De puntbronnencheck kijkt alleen of er aanvullende gegevens bestaan over een brongerelateerde verontreiniging ter plaatse van de herkomstlocatie. Zo nee, dan is de herkomstlocatie ‘niet verdacht’ en mag worden aangenomen de bewuste partij grond inderdaad overeenkomt met de bodemkwaliteit zoals weergegeven in de bodemkwaliteitskaart. Ook de toepassingslocatie moet langs dezelfde redenering op een eventuele brongerelateerde verontreiniging worden onderzocht. De puntbronnencheck wordt ook uitgevoerd wanneer een melding volgens de 10 m3-regeling wordt gedaan. De puntbronnencheck bestaat uit 4 onderdelen: Een check in welke BKK-zone het graafwerk en de toepassing van grond plaatsvindt; Opvragen van Nazca-informatie (via de Rapportagemodule www.odnzkg.nl: via Kaarten naar bodeminformatiekaart) over bodemonderzoeken met conclusies, asbestonderzoeken, historische bedrijfsactiviteiten, ondergrondse tanks; Nagaan historische dempingen en ophogingen ter plaatse van de herkomst- en toepassingslocatie (www.amsterdam.nl/wonen-leefomgeving/bouwen-verbouwen/bodem/nota-bodembeheer/bodemkaart-dempingen/); Uitspraak over de kans op het aantreffen van asbestverdacht materiaal 7 Materiaal dat op basis van voorkennis en/of beoordeling met het blote oog een hoeveelheid asbest zou kunnen bevatten op de locatie, bijvoorbeeld op basis van eerder uitgevoerd (asbest)onderzoek. In dit kader is de oudstedelijke ophooglaag (met wisselende hoeveelheden en verschillende soorten puin) asbestverdacht. Als de puntbronnencheck geen verdenking oplevert mag de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel worden gebruikt en hoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Het resultaat van de check kan in een briefrapport worden verantwoord. Leidt de check wel tot een verdenking, bijvoorbeeld vanwege de kans op verhoogd asbest, dan moet eerst een bodem- of asbestonderzoek (NEN5707) worden uitgevoerd (bij ontgraven/toepassen van grond). Wanneer tijdens uitvoering van graafwerkzaamheden volgens de 10 m3-regeling asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen, hoeft geen asbestonderzoek te worden uitgevoerd. Wel moeten bij het aantreffen van asbestverdacht materiaal maatregelen worden genomen om verspreiding van asbest naar de omgeving te voorkomen. De puntbronnencheck is een verplicht onderdeel van de BKK-melding als men grond wil ontgraven en/of toepassen met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. De puntbronnencheck kan ook gebruikt worden als vooronderzoek bij meldingen volgens de 10 m3-regeling. Amsterdamse Richtlijn Verkennend Onderzoek (ARVO) In Amsterdam wordt een fysiek bodemonderzoek uitgevoerd volgens de Amsterdamse Richtlijn Verkennend Onderzoek (ARVO) [Lit. 7], toegespitst op de Amsterdamse verontreinigingssituatie. De ARVO gaat uit van twee onderzoeksstrategieën (gebaseerd op de NEN5740-strategieën voor onverdachte locaties en heterogeen verdachte locaties), toegespitst op vooroorlogse en naoorlogse wijken [Lit. 20]. Het analysepakket van de ARVO bestaat uit het standaardpakket landbodem, grond en grondwater overeenkomstig de NEN5740, aangevuld met chloride in grond en arseen in grondwater. De geldigheidstermijn voor bodemonderzoeken is in principe 5 jaar, maar het bevoegd gezag staat het indienen van ouder onderzoek soms wel toe. Voorwaarde is dat men kan aantonen dat er in de tussentijd geen verontreiniging is toegevoegd (bij immobiele stoffen), of bodemrapporten kan overleggen waaruit blijkt dat er sprake is van een stabiele situatie (bij mobiele stoffen). Voor locaties op de oudstedelijke ophooglaag (met een diffuse verontreiniging) bevat de ARVO een strategie voor onderzoek naar diffuus lood. Ook het doen van bodemonderzoek in de openbare ruimte is opgenomen in de ARVO. Asbest in bodem en in partijen grond Bodemonderzoek en de bepaling van de kwaliteit van een partij grond moet rekening houden met asbest. Het asbestgehalte in grond mag immers niet boven de landelijke norm van 100 mg/kg droge stof uitkomen. Asbestonderzoek wordt volgens de volgende NEN-normen uitgevoerd: ARVO/NEN5740 (bodemonderzoek), [Lit. 7 en 20]; NEN5707 (Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond), [Lit. 21]; NEN5896 (Kwalitatieve analyse van asbest in materialen met polarisatiemicroscopie of scanning elektronenmicroscoop), [Lit. 22]; NEN5897 (Asbest in puin), [Lit. 23]. In deze paragraaf worden voor asbest enkele bijzondere Amsterdamse situaties behandeld en hoe men daarin dient te handelen. In aanvulling daarop behandelt Bijlage 9 de volgende situaties: Niet boven de norm verontreinigde asbesthoudende grond (<100 mg/kg gewogen gehalte droge stof); Bodemonderzoek bij asbest op het maaiveld; Onderzoek bij asbest in de bodem; Onvolledig onderzoek; Onverwachts aantreffen asbestverdacht materiaal; Vrijstelling fysiek bodemonderzoek bij asbest in puinhoudende grond. Vooronderzoek en de relatie tussen puin en asbest In november 2016 stelde de Raad van State dat wanneer op een locatie puin(resten) aanwezig zijn, de locatie als asbestverdacht moet worden beschouwd [Lit. 11]. Vanwege deze uitspraak heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) aandacht gevraagd voor asbestonderzoek bij partijkeuringen en bodemonderzoek waarbij puin wordt aangetroffen. Daarnaast is in oktober 2017 een update van de NEN5725 – strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek [Lit. 19] verschenen. Daarin staan richtlijnen voor het doen van vooronderzoek naar asbest. Elk vooronderzoek moet voortaan een onderbouwde uitspraak bevatten of een locatie asbestverdacht is of niet. In bijlage A van de norm zijn hiervoor handvatten te vinden. Een locatie kan bijvoorbeeld als asbestverdacht worden beschouwd vanwege: Bedrijfsmatige activiteiten (asbestcementfabrieken, scheepswerven, producenten kolenkachels en elektrische apparaten, stortplaatsen); Gebruik van de bodem (beschoeiing watergangen, sloopresten van kassen); Aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op of in de bodem (halfverharding van weg, parkeerplaats). Volgens de norm is puin in principe asbestverdacht, tenzij het puin: Asfalt, bakstenen, dakpannen, cement, klinkers/straatstenen, trottoirbanden of historisch puin betreft. Deze puinsoorten worden tot de categorie ‘niet asbest verdacht’ gerekend; Geproduceerd is vóór 1945 of ná 1998; Geproduceerd is onder vastgestelde certificering. Als het vooronderzoek uitwijst dat een locatie asbestverdacht is, dan moet een fysiek bodemonderzoek worden uitgevoerd volgens NEN5707 – inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond [Lit. 21]. Vanaf 1 juli 1993 gold in Nederland een totaalverbod op het gebruik van asbesthoudende materialen. Bouwwerken ouder dan deze datum moeten worden beoordeeld op het gebruik (en de bewerking van) asbesthoudende bouwmaterialen en de mogelijkheid van lokale beïnvloeding van de bodem of de partij grond. In dat vooronderzoek wordt het bouwarchief geraadpleegd, eventuele resultaten van een asbestinventarisatie van het bouwwerk en indien raadpleegbaar het Landelijk Asbest Volg Systeem (LAVS). Enkele partijen in het landelijke bodemwerkveld waren echter kritisch over het uitgangspunt dat de aanwezigheid van puin in de bodem goed kan voorspellen of er ook asbest in de bodem of in een partij grond zal worden aangetroffen. Er zou onvoldoende informatie zijn over deze relatie. In 2017 is daarom een grootschalig landelijk onderzoek gedaan naar de relatie tussen puin in de bodem en de verdenking op asbest [Lit. 28]. Het onderzoek werd begeleid door organisaties uit het werkveld (overheden, waaronder ODNZKG, adviesbureaus, aannemers). In totaal hebben 49 partijen gegevens van asbestonderzoek aangeleverd voor een database van 12.000 records. Met die database deed TNO vervolgens statistisch onderzoek naar de relatie puin en asbest [Lit. 28]. Daaruit bleek het volgende: De database heeft voldoende geografische dekking en is representatief voor Nederland; Er wordt significant meer asbest aangetroffen op puinverdachte locaties dan op onverdachte locaties; De aanwezigheid van asbest is gerelateerd aan bouw- en sloopafval (BSA), gemengd puin, betonpuin en metselpuin; Op locaties met sporen (< 1 gewichtsprocent) van puin in de bodem wordt vaker asbest aangetroffen dan op onverdachte locaties; In landelijk gebied wordt meer asbest aangetroffen dan in stedelijk gebied; De resultaten voor de verdachte puintypen zijn grotendeels in overeenstemming met de NEN5725. Hierin zou alleen metselpuin nog als potentieel verdacht moeten worden toegevoegd. Mogelijk komt er nog een aanvulling op het TNO-rapport [Lit. 28] dat zou kunnen leiden tot gebiedsspecifiek asbestbeleid voor Amsterdam. Onderzoek bij asbest in of op het maaiveld In de praktijk doen zich regelmatig situaties voor waarin asbesthoudend of asbestverdacht materiaal in of op het maaiveld wordt aangetroffen. Dit leidt dan tot discussie of er alleen sprake is van onderzoek/vrijgave in het kader van het Asbestverwijderingsbesluit of dat ook asbestonderzoek in de grond moet plaatsvinden - en op welke wijze. Dergelijke situaties worden in Bijlage 9 beschreven en behandeld. Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen Bouwen Het indienen van een bodemonderzoeksrapport bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is in principe verplicht als er (nagenoeg) voortdurend mensen in het bouwwerk verblijven (bijvoorbeeld een kantoor of woning) en: Het bouwwerk de grond raakt (nieuwbouw op/onder het maaiveld, realiseren van een kelder), of Het gebruik wijzigt naar een gevoeliger gebruik (bijvoorbeeld opslagruimte wordt kinderdagverblijf). Figuur 3.2Bodemonderzoeksplicht bij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (bouwaanvraag) Bij een bouwaanvraag kan het gaan om nieuwbouw en bestaande bouw (verbouwing). Als het bouwwerk naar aard en omvang gelijk is aan een vergunningsvrij bouwwerk, dan hoeft er geen bodemonderzoeksrapport te worden ingediend. Een bodemonderzoeksrapport is evenmin vereist als er al voldoende bodemgegevens beschikbaar zijn. Er kan wel een bodemonderzoek nodig zijn voor het bepalen van eisen aan de verwerking van vrijkomende grond. Voor bepaalde situaties bestaat een ontheffingsmogelijkheid van de bodemonderzoeksplicht op basis van de bodemkwaliteitskaart. Dit is beschreven in par. 3.6. In Figuur 3.2 is schematisch aangegeven wanneer een bodemonderzoeksrapport bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vereist is. Op basis van het bodemonderzoekrapport (of andere gegevens) bij de vergunningaanvraag stelt het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning of er een redelijk vermoeden bestaat van ernstige bodemverontreiniging. Mocht dat het geval zijn, dan treedt de omgevingsvergunning pas in werking (volgens artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) nadat: Het bevoegd gezag Wbb in een beschikking vaststelt dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging waarvoor spoedige sanering noodzakelijk is en het desbetreffende besluit in werking is getreden; of Het bevoegd gezag Wbb in een beschikking akkoord gaat met een saneringsplan en het desbetreffende besluit in werking is getreden; of Een geldige (complete) BUS-melding is ingediend bij de Omgevingsdienst NZKG, die voldoet aan het Besluit uniforme saneringen en de termijn waarna men mag starten is verstreken. In Figuur 3.3 is dit schematisch weergegeven. Figuur 3.3Relatie tussen uitkomsten bodemonderzoek en de omgevingsvergunningvoor de activiteit bouwen In onderstaande infographic wordt als voorbeeld schematisch het proces weergegeven bij het uitgraven van een kelder. Infographic 3.1 Werkproces uitgraven kelder Uitzonderingen op de bodemonderzoeksplicht Ontgraven en toepassen van grond op basis van de Bodemkwaliteitskaart (BKK) In sommige gevallen kan de bodemkwaliteitskaart dienen als wettelijk bewijsmiddel voor de grond die wordt ontgraven en toegepast en is het niet nodig een verkennend bodemonderzoek of partijkeuring uit te voeren. Dergelijke gevallen zijn alleen aan de orde als de puntbronnencheck (zie par. 3.2) geen aanleiding geeft de locatie van herkomst en toepassing als ‘verdacht’ te bestempelen. Soms wijst de puntbronnencheck uit dat aanvullend bodemonderzoek nodig is naar verdachte stoffen die geen onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Binnen de BKK-zones 1, 2 en 3 gelden de volgende uitzonderingen op de onderzoeksplicht: BKK zone 1 Grond uit zone 1 mag, op basis van de bodemkwaliteitskaart, zonder bodemonderzoek worden ontgraven en toegepast, mits het een nuttige toepassing betreft. Voor toepassen is echter altijd een melding Besluit bodemkwaliteit vereist, ongeacht de hoeveelheid (zie Tabel 8.1, par 8.2.). BKK zones 2 en 3 Het ontgraven van grond in zone 2 en 3 kan plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart. In principe is een melding vereist, op grond van artikel 28 Wbb, als meer dan 50 m3 wordt ontgraven. Die meldingsplicht vervalt echter als er reeds een melding Besluit bodemkwaliteit is vereist voor het toepassen van die gehele hoeveelheid grond binnen de gemeente Amsterdam. Zie ook par 8.4. Vrijstelling van fysiek bodemonderzoek bij het toepassen van grond uit zone 2 en 3 geldt alleen als de 80-percentielwaarden van de zone van herkomst voldoen aan de toepassingseisen in de ontvangende zone voor de betreffende bodemfunctie. Dit kan worden afgelezen in de toepassingsmatrix (zie par. 4.5). De toepassing moet gemeld worden op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Geen vrijstelling in BKK-zones 4, 5, 6 en 7 Grond in de bodemkwaliteitszones 4, 5, 6 en 7 bevat gehalten aan stoffen die boven de Generieke Maximale Waarden voor de klasse Industrie liggen. Daarom is het niet toegestaan om grond uit deze zones zonder onderzoek te ontgraven en elders toe te passen. Zie verder par. 4.4 over de toepassingsmogelijkheden van grond uit deze zones. Hoofdstuk 4 gaat uitgebreid in op het toepassen van grond. Vrijstellingen BKK Openbare weg Op basis van de bodemkwaliteitskaart openbare weg geldt onder voorwaarden ook een vrijstelling voor fysiek bodemonderzoek bij het uitvoeren van werkzaamheden aan ‘kabels en leidingen’ in de openbare weg (zie hiervoor par. 3.7) en voor kleine graafwerkzaamheden < 10 m3 (de zogeheten 10 m3-regeling, zie par. 5.1). Omgevingsvergunning (activiteit bouwen): soms ontheffing van bodemonderzoeksplicht Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet in de meeste gevallen een bodemonderzoek worden ingediend op grond van artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht. Er zijn enkele algemene uitzonderingen op deze onderzoeksplicht, die reeds in paragraaf 3.5 zijn beschreven. Daarnaast biedt ook de Bouwverordening Amsterdam 2013 (artikelen 3.1.4, 3.1.5, 3.1.6 en 3.1.7) de mogelijkheid om ontheffing te verlenen van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. Een dergelijke ontheffing is alleen aan de orde als aan alle drie van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Uit de puntbronnencheck blijkt dat de onderzoekslocatie niet verdacht is (dus ook niet asbestverdacht); De locatie valt binnen bodemkwaliteitszone 1 of 2 op de bodemkwaliteitskaart; Er worden met het plaatsen van het bouwwerk geen sanerende maatregelen doorsneden. Voor grootstedelijke bouwprojecten, waarvoor de Omgevingsdienst NZKG zelf de vergunning verleent, beoordeelt de Omgevingsdienst of deze ontheffing geldt. Als een Stadsdeel de vergunning verleent, zal de Omgevingsdienst haar adviseren om van de ontheffingsmogelijkheid gebruik te maken, mits een verzoek daartoe aan de voorwaarden voldoet. Het Stadsdeel beslist echter of de ontheffing wordt verleend. Omdat met een ontheffing een bodemonderzoek achterwege blijft, moet men tijdens graafwerkzaamheden wel bedacht zijn op bodemvreemd materiaal of onverwachte verontreinigingen. Mocht men daarop stuiten, dan moet dit worden gemeld bij de Omgevingsdienst. De werkzaamheden mogen in dat geval niet worden voortgezet zonder voorafgaand bodemonderzoek. Daarnaast moet de Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie) zo snel mogelijk op de hoogte worden gesteld en wordt, afhankelijk van de ernst van de situatie, het veiligheidsregime van de werkzaamheden aangepast. Funderingsherstel zonder grondverzet Bij funderingsherstel zonder grondverzet kan men ontheffing krijgen van het doen van bodemonderzoek. Daarvoor gelden 5 voorwaarden waaraan allemaal moet zijn voldaan: Er wordt ‘geen grondverzet’ verricht: er wordt geen grond verplaatst, behalve door het in de grond dringen van funderingspalen, en De bestaande vloer blijft (grotendeels) intact: de vloer wordt alleen verwijderd op plaatsen waar funderingspalen worden aangebracht, en Er worden geen schroefpalen, of andere palen, gebruikt waarbij grond vrijkomt op maaiveldniveau, en De aanvrager van de ontheffing verklaart niet bekend te zijn met de aanwezigheid van ondergrondse tanks of bodemverontreiniging (anders dan de ‘normale’ verontreiniging van de oudstedelijke ophooglaag), en De Omgevingsdienst NZKG heeft de verklaring beoordeeld en is akkoord met het verlenen van ontheffing van de bodemonderzoeksplicht. De aanvrager dient het formulier Verklaring funderingsherstel zonder grondverzet volledig ingevuld en ondertekend in bij het Stadsdeel 8 In artikel 6.2c Wabo wordt de verklaring gelijkgesteld met een BUS-melding zodat de uitgestelde inwerkingtreding wordt doorbroken.. Het Stadsdeel neemt contact op met de Omgevingsdienst NZKG of de ontheffing kan worden verleend. Uiteindelijk beslist het Stadsdeel, als vergunningverlener, of de ontheffing daadwerkelijk wordt verleend. Geen verkennend bodemonderzoek bij kleine werken in sterk verontreinigde grond Voor hele kleine werken in sterk verontreinigde grond kan, onder voorwaarden, gebruik worden gemaakt van de 10 m3 regeling grondverzet. Ook de manier van melden is vereenvoudigd. Daarover meer in par 5.1. Bodemonderzoek bij werken in de openbare weg (kabels en leidingen) Bodemkwaliteitskaart van de openbare weg Voor de openbare weg is een aparte bodemkwaliteitskaart opgesteld, die in 2022 ook is herzien. Bij de herziening is de kaart uit 2019 aangevuld met veel nieuwe bodemonderzoeken van de afgelopen vijf jaar. In de nieuwe kaart (zie Bijlage 5) is nu sprake van de zones A, B, C en D: De jongere (schonere) gebieden zijn gekarakteriseerd als zone A (Achtergrondwaarde) en zone B (Wonen). Onder de wegen in deze zones worden nauwelijks gehalten boven de Achtergrondwaarde of de Maximale Waarde voor de klasse Wonen aangetroffen. Westpoort, een deel van Amsterdam Noord, Oud-Zuid en het landelijk gebied van Weesp laat een vrij homogene bodemkwaliteit zien. Veel wegen zijn hooguit licht verontreinigd, maar er worden ook hogere gehalten gemeten, waardoor deze zone gemiddeld in de klasse Industrie valt. Dit gebied is gekarakteriseerd als zone C. Het vooroorlogse deel van de stad laat een zeer heterogene bodemkwaliteit zien, met naast veel schone en licht verontreinigde bodemmonsters, ook veel sterke verontreinigingen. Dit gebied is gekarakteriseerd als zone D. Westpoort laat een vrij homogene bodemkwaliteit zien. Veel wegen zijn hooguit licht verontreinigd, maar er worden ook hogere gehalten aan minerale olie en PCB gemeten, waardoor deze zone gemiddeld in de klasse Industrie valt. Dit gebied is gekarakteriseerd als zone D. Vrijstelling voor bodemonderzoek bij werken aan de openbare weg Vrijstelling voor het indienen van een bodemonderzoeksrapport is mogelijk als aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan: Uit de puntbronnencheck blijkt dat de onderzoekslocatie niet verdacht is (incl. asbestverdacht materiaal). De oudstedelijke ophooglaag mag in dit verband beschouwd worden als ‘niet verdacht’; Het grondverzet bij de voorgenomen werkzaamheden bedraagt minder dan 150 m3; Wanneer sprake is van tijdelijke uitname geldt geen volumebeperking; De locatie valt binnen een vastgestelde zone op de bodemkwaliteitskaart voor de openbare weg. Hergebruik van grond uit zone A, B en C van de bodemkwaliteitskaart Openbare weg De bovengrond en diepere laag van openbare wegen in zone A voldoen gemiddeld aan de Achtergrondwaarde. Grond afkomstig uit de toplaag (0-0,5 meter onder maaiveld) en de iets diepere laag (0,5-2,0 meter onder maaiveld) mag uit zone A zonder onderzoek (na een puntbronnencheck) worden hergebruikt onder elke andere openbare weg en mag ook elders in Amsterdam worden toegepast, mits er geen reden is de locatie als verdacht aan te merken. De laag onder de ophooglaag (> 2 meter onder maaiveld) bestaat vaak uit veen met overschrijdingen van de Achtergrondwaarde. Deze laag valt in de klasse Wonen. Grond afkomstig uit de openbare weg van de zones B en C komt ook voor hergebruik in aanmerking, zie de toepassingsmatrix in paragraaf 4.5 (Tabel 4.3) voor de mogelijkheden. Graafwerk in zone D: met BUS-Tijdelijk Uitplaatsen (TU) of 10 m3-regeling Grond in zone D is zeer heterogeen van kwaliteit: er zijn sterke verontreinigingen gemeten, maar er zijn ook plekken waar de grond voldoet aan de Achtergrondwaarde. Daardoor kan op voorhand geen uitspraak worden gedaan over de te verwachten bodemkwaliteit. Het ontgraven van grond in zone D moet daarom worden gemeld op grond van het Besluit uniforme saneringen, categorie Tijdelijk Uitplaatsen, omdat moet worden uitgegaan van een ‘worst case scenario’. Een bodemonderzoek is hierbij niet nodig als minder dan 150 m3 wordt ontgraven. Wanneer erg weinig (minder dan 10 m3) wordt ontgraven én geen grond wordt afgevoerd, kan ook in zone D gebruik worden gemaakt van de 10 m3-regeling (zie de voorwaarden onder par. 5.1). Het opnieuw toepassen van grond, zonder bodemonderzoek, afkomstig uit de openbare weg van zone D mag alleen binnen hetzelfde werk (zonder tussentijdse bewerking, onder dezelfde condities, op of nabij de plaats van vrijkomen) of worden teruggestort in de sleuf c.q. wegcunet waar het uitkwam. Dergelijk grondverzet in deze zone vereist een BUS-melding Tijdelijk Uitplaatsen of een melding volgens de 10 m3-regeling. Inmiddels zijn er onder de openbare wegen steeds meer bodemonderzoeken uitgevoerd, ook in zone D. Mocht op een locatie een representatief bodemonderzoek zijn uitgevoerd, waaruit blijkt dat de bodem beneden de Interventiewaarde is verontreinigd, dan kan de BUS-melding achterwege blijven. Een boring van een onderzoek is representatief als deze binnen 50 meter van de graafwerkzaamheden is geplaatst. Uiteraard staat het de initiatiefnemer vrij om toch een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Aan de hand van dat onderzoek kan dan worden bepaald of een BUS-melding daadwerkelijk is vereist. Figuur 3.4Voorwaarden bij graafwerk in de openbare weg Welk soort onderzoek is noodzakelijk in welke situatie Omdat het in sommige gevallen niet altijd duidelijk is wanneer de bodemkwaliteitskaart gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de bodem of dat er een bodemonderzoek (ARVO/NEN5740) of partijkeuring moet worden uitgevoerd, zijn de meest voorkomende scenario’s wat betreft graafwerk en toepassen van grond op een rijtje gezet in Tabel 3.1. Tabel 3.1Scenario’s (graafwerk of toepassen) waarbij de bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt of een bodemonderzoek (ARVO) of partijkeuring moet worden uitgevoerd *indien vastgesteld en geaccepteerd door Amsterdam (AADUO: Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Uithoorn en Ouder-Amstel) In Tabel 3.2 staan diverse scenario’s beschreven welk onderzoek moet worden uitgevoerd indien er een onverwachte situatie optreedt en de bodemkwaliteitskaart mogelijk niet gebruikt kan worden. Tabel 3.2Scenario’s waarin een onverwachte situatie optreedt waarbij de bodemkwaliteitskaart mogelijk niet gebruikt kan worden en een bodemonderzoek (ARVO) of partijkeuring moet worden uitgevoerd Scenario Gebruik BKK mogelijk (met puntbronnencheck) ARVO/NEN5740-onderzoek vereist Partijkeuring vereist (protocol 1001, art. 4.3.3. Regeling bodemkwaliteit) Er is een verkennend onderzoek uitgevoerd op de ontgravingslocatie (ARVO/NEN5740) en de uitkomst komt niet overeen met de BKK-klasse Ja, indien uitkomst valt binnen de statistische variatie van de betreffende zone en ligt beneden de interventiewaarde - - Er is een partijkeuring uitgevoerd op de ontgravings-locatie en de uitkomst komt niet overeen met de BKK-klasse Nee - Partijkeuring is leidend Uit vooronderzoek/puntbronnencheck op de ontgravingslocatie blijkt dat sprake is van een verdachte locatie (betr. voornemen om de ontgraven grond elders toe te passen) Nee - Ja, verdachte stoffen meenemen (daarna toets op toepasbaarheid) Tijdens graafwerk wordt een onverwachte veront-reiniging aangetroffen (bijv asbest, minerale olie) Deels (onverdachte deel) Ja, op verdachte deel Nee Arbeidsomstandigheden Een andere reden voor bodemonderzoek is om te waarborgen dat werkzaamheden in de bodem veilig worden uitgevoerd, met passende veiligheidsmaatregelen. Soms is bodemonderzoek volgens de sectorale milieuwetgeving niet eens vereist, maar is het toch wenselijk om eventuele Arbo risico’s te bepalen. Voor het bepalen van bodemgerelateerde Arbo risico’s moet vanaf 2019 gebruik worden gemaakt van de CROW-400 Werken in en met verontreinigde bodem, die verontreinigingen toetst aan de zogeheten SRC-Arbo (Serious Risk Concentration). Daarbij accepteert CROW 400 ook publiekrechtelijke bodemkwaliteitskaarten om de noodzaak van veiligheidsmaatregelen te bepalen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de statistische P80-waarde van bodemkwaliteitskaartzones. De P80-waarde 9 Gekozen waarde in een dataset, zodanig dat 80% van de data kleiner of eraan gelijk is en 20% groter of eraan gelijk. van de Amsterdamse bodemkwaliteitskaart is opgenomen in de tabellen in Bijlage 4. Amsterdam maakt, als opdrachtgever en werkgever, zelf gebruik van de P90, als extra veiligheidswaarborg. De P90-waarde wordt gebruikt als invoerparameter in de CROW400 webtool ‘Bepaling veiligheidsklasse’. Zie ook Bijlage 14. Niet genormeerde stoffen Voor veel verontreinigende stoffen zijn normen vastgesteld, die laten zien of een aangetroffen stof in een bovennormaal gehalte aanwezig is, en of dat consequenties heeft. Dat geldt in ieder geval voor alle stoffen die in een standaard bodemonderzoek worden meegenomen. Toch zijn er veel meer stoffen waarvoor geen normen bestaan, en ook die niet genormeerde stoffen komen in de bodem voor - vaak in combinatie met wel genormeerde stoffen. Niet genormeerde stoffen worden zelden in een onderzoek meegenomen en daarom is ook weinig bekend over de plaatsen waar deze stoffen voorkomen en in welke mate. Dat is niet altijd erg, omdat deze stoffen vaak in combinatie met genormeerde stoffen voorkomen. Als een standaard bodemonderzoek naar genormeerde stoffen uitwijst dat er geen risicovolle verontreinigingen zijn, dan mag veelal worden aangenomen dat er dus ook geen (risicovolle) verontreinigingen van niet-genormeerde stoffen zijn. Er zijn echter uitzonderingen: Historische bedrijfslocaties Een vooronderzoek van een bedrijfslocatie moet kijken naar alle stoffen waarmee is gewerkt (ook de niet genormeerde) en of die mogelijk in de bodem terecht zijn gekomen. De bodem moet vervolgens op deze stoffen worden onderzocht. Als zij worden aangetroffen dient de aard en omvang van de verontreiniging te worden vastgesteld. In een nader onderzoek wordt een risico-inschatting gedaan op basis van de wel bekende gegevens. Uiteindelijk bepaalt het bevoegd gezag (de Omgevingsdienst NZKG) of de verontreiniging gesaneerd moet worden. Zo nodig wordt het RIVM voor advies ingeschakeld. Diffuse verontreiniging Diffuse verontreinigingen strekken zich over grote gebieden uit, waar ze in meer of mindere mate voorkomen. Lood, koper en zink komen bijvoorbeeld veel voor in binnensteden, omdat ze daar in het verleden intensief zijn gebruikt en uitgestoten. Maar het komt ook voor dat stoffen van buiten het gebied, via luchtverontreiniging, in de bodem terecht zijn gekomen. Als zo’n stof diffuus wordt aangetroffen, dus zonder duidelijke bronlocatie, en er ook geen normen voor bestaan, dan kan er grote onduidelijkheid ontstaan. Dit laatste is de afgelopen jaren het geval met de stoffen PFOS en PFOA. Het ontbreken van een normenkader bleek een probleem voor bouwprojecten en grondwerk omdat geen standaard risicobeoordeling kon worden gedaan van de gemeten verontreiniging. Mogelijk zijn er meer van dergelijke stoffen. De volgende stappen laten zien hoe Amsterdam daarmee omgaat: Er lijkt sprake van een diffuse verontreiniging, op basis van een bodemonderzoek óf een vermoeden; De risico-aspecten van de stof worden in beeld gebracht. In principe gebeurt dit in opdracht van de initiatiefnemer, maar als deze verontreiniging de initiatiefnemer niet aangerekend kan worden neemt de gemeente deze taak over; De gemeente doet een probleemanalyse, waarin de omvang van de problematiek en de risico-aspecten in kaart worden gebracht. Zo nodig wordt expertise ingehuurd. Daarbij wordt de urgentie van de problematiek doorlopend beoordeeld. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om snel maatregelen te nemen als er een groot risico bestaat als gevolg van de diffuse verontreiniging. Hoewel de stof dus overal aanwezig kan zijn, hoeft de stof niet in alle andere bodemonderzoeken te worden meegenomen. Dat is immers de afgelopen decennia ook niet gedaan. Bovendien ontstaat dan stagnatie door het ontbreken van normen; De gemeente maakt een beleidsmatige afweging hoe met de stof moet worden omgegaan. Dat kan door het vaststellen van beleid en regels, maar de gemeente kan daar ook van afzien omdat de problematiek dat in haar ogen niet rechtvaardigt. In dat geval wordt geaccepteerd dat de stof in de bodem aanwezig is en wordt vrijstelling van onderzoek verleend. 4Toepassen van grond en bagger Een partij grond of baggerspecie mag volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit alleen worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing. Anders wordt de toepassing gezien als storten van afval en gelden strengere regels op grond van de afvalstoffenwetgeving en Wet Milieubeheer. In het Besluit staat aangegeven (artikel 35) welke toepassingen als ‘nuttig’ worden aangemerkt (zie ook de Nota van Toelichting Bbk). Milieuhygiënische kwaliteitsverklaring Toepassen van schone grond met een erkende kwaliteitsverklaring Grond die voldoet aan de Achtergrondwaarde (volgens art 4.2.2, lid 4 en 5 van de Regeling bodemkwaliteit) wordt aangeduid als ‘schone grond’. Deze kan altijd worden toegepast, mits er sprake is van een nuttige toepassing (art. 5, lid 1 Besluit bodemkwaliteit) en deze toepassing wordt gemeld. Het kwaliteitsbewijs van de schone grond is een erkende kwaliteitsverklaring conform het Besluit bodemkwaliteit. Een bodemkwaliteitskaart geldt niet als een bewijsmiddel om een partij grond het predicaat ‘schone grond’ te geven, zoals bedoeld in de Regeling. Toepassen van licht verontreinigde grond met een erkende kwaliteitsverklaring Een toe te passen partij licht verontreinigde grond kan voorzien zijn van een erkende kwaliteitsverklaring conform het Besluit bodemkwaliteit, zoals een partijkeuring of een fabrikant-eigenverklaring. In dat geval gaat deze milieuhygiënische kwaliteitsverklaring boven de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel, omdat deze een nauwkeuriger uitspraak doet over de kwaliteit van de betreffende partij grond. Toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als kwaliteitsverklaring De bodemkwaliteitskaart van de gemeente Amsterdam kan als milieuhygiënische verklaring worden gebruikt bij het toepassen van grond binnen het beheergebied. Voor toepassing van Amsterdamse grond in een andere gemeente moet de kaart van Amsterdam door het betreffende bevoegd gezag erkend zijn als bewijsmiddel of moet een andere erkende milieuhygiënische verklaring worden gebruikt. De bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt als milieuhygiënische verklaring als de (volgens de kaart vastgestelde) kwaliteit in de herkomstzone voldoet aan de toepassingseis in de toepassingszone: De bodemkwaliteit van de herkomstzone staat weergegeven op de Ontgravingskaart (Bijlage 3C) waarvoor in Amsterdam de P80-waarde wordt gehanteerd; De toepassingseis staat per zone weergegeven op de Toepassingskaart (Bijlage 3D). Het ‘matchen’ van de grond uit een bepaalde zone van herkomst en de beoogde toepassing ervan in een (andere) zone hangt mede af van de lokale bodemfunctie van de ontvangende bodem. Deze match kan worden afgelezen in de Toepassingsmatrix (Tabel 4.3). De matrix laat zien dat grond afkomstig uit de zones 4 t/m 7 nooit zonder partijkeuring mag worden hergebruikt. De matrix geeft tevens aan wat de kans is dat na een partijkeuring grond uit de zones 4 t/m 7 alsnog geschikt blijkt voor hergebruik op de betreffende bodemfunctie (de percentielwaarde). Grond afkomstig uit zone 3 moet in sommige gevallen, afhankelijk van de functie van de ontvangende bodem, onderzocht worden. Voor grond afkomstig van zone 1 geldt altijd het generieke beleidskader; deze grond mag zonder bodemonderzoek overal 10 Toepassen van licht verontreinigde grond binnen sterk verontreinigde zones (4, 5, 6 en 7) kan worden gezien als een ‘saneringsmaatregel’, waarbij getoetst moet worden aan de Wbb; een saneringsplan of BUS-melding is dan noodzakelijk. binnen de gemeente Amsterdam worden toegepast, mits de puntbronnencheck geen aanleiding geeft de herkomst- dan wel de toepassingslocatie als ‘verdacht’ aan te merken. Toetsingsregels en omrekening naar standaardbodem Toetsingsregel Achtergrondwaarde Vanwege statistische keuzes bij het normeren van de Achtergrondwaarden is er bij onbelaste bodems (‘schone grond’) toch altijd een kleine kans (5%) dat na analyse van dergelijke bodems blijkt dat de Achtergrondwaarden worden overschreden. Deze kans neemt toe naarmate er meer stoffen worden geanalyseerd. Om te voorkomen dat onbelaste bodems, ten onrechte, worden gekarakteriseerd als bodem die niet voldoet aan de Achtergrondwaarde, wordt een toetsingsregel (overschrijdingsregel) toegepast. Deze toetsingsregel is terug te vinden in de Regeling bodemkwaliteit (art. 4.2.2, 4e, 5e en 8e lid) en luidt als volgt: ‘De kwaliteit van grond en baggerspecie overschrijdt niet de Achtergrondwaarden als bij meting van ten minste X stoffen* in de grond of baggerspecie de rekenkundig gemiddelde gehalten van maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de Achtergrondwaarden (zie Tabel 4.1). De verhoging mag per stof maximaal 2x de Achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de verhoogde gehalten kleiner zijn dan, of gelijk zijn aan, de Generieke Maximale Waarden voor de klasse wonen van de betreffende stof. Alleen voor Nikkel hoeft bij deze toetsingsregel niet aan de Generieke Maximale Waarde voor de klasse wonen maar uitsluitend aan 2x de Achtergrondwaarde getoetst te worden.’ Tabel 4.1X- en Y-waarden bij de toetsingsregel van de Achtergrondwaarde en van de bodemkwaliteitsklasse Wonen X* 2 7 16 27 37 Y 1 2 3 4 5 *Het aantal toetsbare gemeten stoffen (bijv. de meting van som PAK 10 wordt als één meting geteld) Deze toetsingsregel geldt zowel voor de toetsing van de kwaliteit van een toe te passen partij grond/baggerspecie als voor de ontvangende bodem (zie art. 4.10.2 van de Regeling bodemkwaliteit). Toetsingsregel Wonen Uitgangspunt bij de indeling in kwaliteitsklassen van de ontvangende bodem is dat de rekenkundige gemiddelden van gemeten stoffen (in de ontvangende bodem) moeten voldoen aan de Maximale Waarden die horen bij de klassegrenzen van de klassen Wonen en Industrie. Echter, voor het indelen van een bodemkwaliteitszone of toepassingslocatie in de klasse Wonen geldt een bijzondere toetsingsregel. Die regel moet voorkomen dat een gebied of zone door overschrijding van één parameter wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Dit zou in de praktijk de ongewenste situatie kunnen opleveren dat ook voor alle overige stoffen de minder strenge eisen van de klasse Industrie gelden en de bodemkwaliteit van het gebied over de hele linie verslechtert. De bijzondere toetsingsregel is opgenomen in artikel 4.10.2 van de Regeling bodemkwaliteit en luidt als volgt: ‘De kwaliteit van de bodem overschrijdt niet de Maximale Waarden voor de kwaliteitsklasse Wonen wanneer bij meting van ten minste X stoffen maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de Maximale Waarden voor de kwaliteitsklasse Wonen (zie tabel 5.1 voor de X- en Y-waarden). De verhoging mag per stof ten hoogste de Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse Wonen vermeerderd met de Achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de gehalten van de gemeten stoffen kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de Maximale Waarden voor de kwaliteitsklasse Industrie.’ Deze toetsingsregel geldt alléén voor de indeling van de ontvangende bodem in een kwaliteitsklasse, dus niet voor indeling van een partij toe te passen grond of baggerspecie. Omrekening naar standaardbodem De gehalten en toepassingseisen die in deze Nota en de bodemkwaliteitskaart worden gehanteerd zijn omgerekend naar een ‘standaardbodem’. Om te bepalen of een geplande toepassing is toegestaan, moeten gehalten zijn omgerekend naar een standaardbodem. De berekeningswijze staat beschreven in Bijlage G en hoort bij artikel 4.2.1 van de Regeling Bodemkwaliteit [Lit.2]. Toepassen van grond afkomstig vanuit het beheergebied Grond afkomstig uit het beheergebied (Amsterdam, Haarlemmermeer, Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn) kan op twee manieren toegepast worden op een ontvangende bodem in Amsterdam: De grond is onderzocht met een partijkeuring, of er wordt gebruik gemaakt van de bodemkwaliteitskaart van een andere gemeente in het beheergebied, of de grond heeft een andere erkende milieuhygiënische verklaring conform het Bbk. In deze gevallen wordt de uitkomst getoetst aan de lokale normen bij toepassing in zone 2 t/m 7, of aan de generieke normen bij een toepassing in zone 1 (zie Tabel 2.3). Bij toepassing op een saneringslocatie kunnen afwijkende eisen in het (goedgekeurde) saneringsplan zijn vastgelegd; De grond wordt toegepast met de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam als bewijsmiddel. In dit geval moet getoetst worden aan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3). De toets aan de lokale of generieke normen is al in de matrix verwerkt. De bijbehorende eisen en voorwaarden staan in de paragrafen 4.4. en 4.5 uitgewerkt. Ontgraven en toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart Amsterdam Toestemming voor het verrichten van grondverzet van een niet-verdachte locatie in Amsterdam, met de bodemkwaliteitskaart Amsterdam als bewijsmiddel, is afhankelijk van de volgende voorwaarden: Grondverzet zonder partijkeuring is toegestaan als de classificatie van de bodemkwaliteitszone van herkomst voldoet aan de toepassingseis in de zone van toepassing; Is op de herkomstlocatie een partijkeuring uitgevoerd (die volgens het Besluit bodemkwaliteit als bewijsmiddel mag dienen), dan kan geen gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel, maar moet gebruik worden gemaakt van de onderzoeksresultaten van de partijkeuring; De partij moet worden ontgraven uit één laag waarop de ontgravingskaart van toepassing is. Als de partij afkomstig is uit meerdere (diepere) lagen van de ontgravingskaart, dan moet ook het grondverzet op deze laaggrenzen worden afgestemd. Als een partij gemengd wordt ontgraven, uit verschillende lagen, is dat alleen toegestaan als de ontgravingskwaliteit vergelijkbaar is. Tabel 4.2De bodemkwaliteitszones met bodemfunctie, kwaliteit ontvangende bodem, ontgravingskwaliteit en gebiedsspecifieke toepassingseis. Laag 1 = 0-0,5 m-mv, laag 2 = 0,5-1,0 m-mv, laag 3 = 1,0-2,0 m-mv en laag 4 = dieper dan 2,0 m-mv. * Voor het Landelijk gebied van Amsterdam Noord, de Wilmkebreekpolder en het landbouwgebied Zuidoost (zone 2) geldt gebiedsspecifiek beleid: de ontgraven grond mag binnen de deelzone weer worden hergebruikt; ** De P80 (ontgravingskwaliteit) van het oorspronkelijk maaiveld van zone 3 voldoet niet aan de loodnorm van max 100 mg/kg voor de bodemfuncties wonen met tuin en plaatsen waar kinderen spelen; *** Restricties zones openbare weg. Hergebruik kan alleen plaatsvinden onder voorwaarden (zie par. 3.7). Op de toepassingskaart (Bijlage 3D) is af te lezen welke kwaliteit grond op welke deelzone mag worden toegepast. Deze kaart is het gevolg van het toetsen van de resultaten van de ontgravingskaart aan de toepassingseisen of kwaliteitseisen aanvulgrond/leeflaag op basis van de bodemfunctie. Zie ook Tabel 4.2. Per zone gelden de volgende regels voor het ontgraven en toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart (na puntbronnencheck en melden): Zone 1 In zone 1 is het generieke beleidskader van toepassing. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit alle lagen van zone 1 mag in het hele beheergebied vrij worden toegepast. Echter, bij toepassing in de sterk verontreinigde zones 4 t/m 7 kan sprake zijn van een saneringshandeling. In dat geval is een melding conform de Wet bodembescherming noodzakelijk. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen deze zone moet voldoen aan de Achtergrondwaarde. Grond vanuit zone 1 mag hier vrij worden toegepast. Grond van buiten deze zone mag worden toegepast mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de Achtergrondwaarde. Zone 2 In zone 2 is het gebiedsspecifieke beleidskader van toepassing. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit alle lagen van zone 2 is vrij toe te passen in de zones B, C en D van de openbare weg en in de zones 2 t/m 7 met de bodemfuncties: wonen met tuin plaatsen waar kinderen spelen groen met natuurwaarden ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen deze zone moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (Tabel 2.3). Grond vanuit zone 1 mag hier vrij worden toegepast. Grond afkomstig uit het landbouwgebied van zone 2 (Landelijk Noord, de Wilmkebreekpolder en landbouwgebied Zuidoost) mag binnen dit gebied vrij worden hergebruikt op de bodemfunctie ‘landbouw’ (alle lagen). Grond uit andere deelzones van Amsterdam, of van buiten Amsterdam, mag worden toegepast mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3) worden geraadpleegd of toepassing is toegestaan. Zone 3 In zone 3 is het gebiedsspecifieke beleidskader van toepassing. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit alle lagen van zone 3 is vrij toe te passen in de zones C en D van de openbare weg en in de zones 3 t/m 7 met de bodemfuncties: ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie Grond afkomstig van het oorspronkelijk maaiveld van zone 3 (mits deze laag apart kan worden ontgraven) mag naast bovenstaande bodemfuncties ook vrij worden toegepast in de zones B, C en D van de openbare weg, en in de zones 2 t/m 7 met de bodemfunctie: groen met natuurwaarden Echter, de 95-percentielwaarde van de toplaag en diepe laag van zone 3 overschrijdt voor een aantal stoffen de Interventiewaarde, waardoor de kans bestaat dat toch sterk verontreinigde grond wordt toegepast. Voor lood kan dat bijvoorbeeld een humaan risico opleveren bij de bodemfuncties ‘Wonen met tuin’, ‘Plaatsen waar kinderen spelen’, ‘Moestuin/volkstuin’ en ‘Landbouw’. Grond uit deze twee lagen van zone 3 moet daarom altijd eerst een partijkeuring ondergaan en getoetst worden aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen voor de betreffende bodemfunctie op de toepassingslocatie. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen deze zone moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (Tabel 2.3). Grond vanuit zone 1 mag hier vrij worden toegepast. Grond vanuit andere deelzones van Amsterdam of van buiten Amsterdam mag worden toegepast, mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3) worden geraadpleegd of toepassing is toegestaan. Zone 4 In zone 4 is het gebiedsspecifieke beleidskader van toepassing. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit zone 4 mag niet zonder onderzoek elders worden toegepast. Als een partijkeuring uitwijst dat de grond toch voldoet aan de gebiedsspecifieke norm van de toepassingslocatie, of aan het generieke toetsingskader in een toepassingsgebied met generiek beleid, dan is toepassing alsnog toegestaan. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen deze zone moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (Tabel 2.3). Grond vanuit zone 1 mag hier vrij worden toegepast. Grond vanuit andere deelzones van Amsterdam, of van buiten Amsterdam, mag worden toegepast mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3) worden geraadpleegd of toepassing is toegestaan. Toepassen van grond binnen deze sterk verontreinigde zone wordt gezien als een ‘saneringshandeling’ die getoetst moet worden aan de Wet bodembescherming. Een saneringsplan of BUS-melding kan noodzakelijk zijn. Zone 5 In zone 5 is het gebiedsspecifieke beleidskader van toepassing. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit de laag 0-0,5 m-mv en de laag 0,5-1,0 m-mv van zone 5 mag niet zonder onderzoek elders worden toegepast. Als een partijkeuring uitwijst dat de grond toch voldoet aan de gebiedsspecifieke norm van de toepassingslocatie, of aan het generieke toetsingskader in een toepassingsgebied met generiek beleid, dan is toepassing alsnog toegestaan. Grond afkomstig van de laag dieper dan 1,0 m-mv van zone 5 (mits deze laag apart kan worden ontgraven) mag zonder partijkeuring worden toegepast in de zones C en D van de openbare weg en in zone 3 t/m 7 met de bodemfunctie: ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen deze zone moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (Tabel 2.3). Grond vanuit zone 1 mag hier vrij worden toegepast. Grond vanuit andere deelzones van Amsterdam of van buiten Amsterdam mag worden toegepast mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3) worden geraadpleegd of toepassing is toegestaan. Toepassen van grond binnen deze sterk verontreinigde zone wordt gezien als een ‘saneringshandeling’ die getoetst moet worden aan de Wet bodembescherming. Een saneringsplan of BUS-melding kan noodzakelijk zijn. Zone 6 In zone 6 is het gebiedsspecifieke beleidskader van toepassing. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit zone 6 mag niet zonder onderzoek elders worden toegepast. Als een partijkeuring uitwijst dat de grond toch voldoet aan de gebiedsspecifieke norm van de toepassingslocatie, of aan het generieke toetsingskader in een toepassingsgebied met generiek beleid, dan is toepassing alsnog toegestaan. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen deze zone moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (Tabel 2.3). Grond vanuit zone 1 mag hier vrij worden toegepast. Grond vanuit andere deelzones van Amsterdam, of van buiten Amsterdam, mag worden toegepast mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3) worden geraadpleegd of toepassing is toegestaan. Toepassen van grond binnen deze sterk verontreinigde zone wordt gezien als een ‘saneringshandeling’ die getoetst moet worden aan de Wet bodembescherming. Een saneringsplan of BUS-melding kan noodzakelijk zijn. Zone 7 In zone 7 is het gebiedsspecifieke beleidskader van toepassing. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit de toplaag van zone 7 mag niet zonder onderzoek elders worden toegepast. Als een partijkeuring uitwijst dat de grond toch voldoet aan de gebiedsspecifieke norm van de toepassingslocatie, of aan het generieke toetsingskader in een toepassingsgebied met generiek beleid, dan is toepassing alsnog toegestaan. Grond afkomstig uit de diepe laag en van het oorspronkelijk maaiveld van zone 7 (mits deze lagen apart kunnen worden ontgraven) mag zonder partijkeuring worden toegepast in de zones C en D van de openbare weg en in zone 3 t/m 7 met de bodemfunctie: ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen deze zone moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (Tabel 2.3). Grond vanuit zone 1 mag hier vrij worden toegepast. Grond vanuit andere deelzones van Amsterdam of van buiten Amsterdam mag worden toegepast, mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3) worden geraadpleegd of toepassing is toegestaan. Toepassen van grond binnen deze sterk verontreinigde zone wordt gezien als een ‘saneringshandeling’ die getoetst moet worden aan de Wet bodembescherming. Een saneringsplan of BUS-melding kan noodzakelijk zijn. Zone A (BKK Openbare weg) Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit de toplaag en diepe laag van zone A van de BKK Openbare weg mag vrij worden toegepast in het hele beheergebied. Echter, toepassen van grond binnen sterk verontreinigde zones (4 t/m 7) wordt gezien als een ‘saneringshandeling’ die getoetst moet worden aan de Wet bodembescherming. Een saneringsplan of BUS-melding kan noodzakelijk zijn. Grond afkomstig van het oorspronkelijk maaiveld van zone A mag vrij worden toegepast in de zones B, C en D van de openbare weg en in de zones 2 t/m 7 met de bodemfuncties: wonen met tuin plaatsen waar kinderen spelen groen met natuurwaarden ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen deze zone moet voldoen aan de Achtergrondwaarde. Grond vanuit zone 1 en vanuit zone A (toplaag en diepe laag) en D (oorspronkelijk maaiveld) mag hier vrij worden toegepast. Grond van buiten deze zones mag worden toegepast, mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de Achtergrondwaarde. Zone B (BKK Openbare weg) Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit alle lagen van zone B van de BKK Openbare weg mag vrij worden toegepast in de zones B, C en D van de openbare weg en in de zones 2 t/m 7 met de bodemfuncties: wonen met tuin plaatsen waar kinderen spelen groen met natuurwaarden ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen deze zone moet minimaal voldoen aan klasse Wonen. Grond vanuit zone 1 en 2 en vanuit zone A en B (alle lagen) en D (diepe laag en oorspronkelijk maaiveld) mag hier vrij worden toegepast. Zone C (BKK Openbare weg) Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit zone C van de BKK Openbare weg mag vrij worden toegepast in de zones C en D van de openbare weg en in de zones 3 t/m 7 met de bodemfuncties Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie. Echter, toepassen van grond binnen sterk verontreinigde zones (4 t/m 7) wordt gezien als een ‘saneringshandeling’. Een melding conform de Wet bodembescherming is noodzakelijk. Als op de projectlocatie reeds bodemonderzoek is uitgevoerd, waaruit blijkt dat de bodem beneden de Interventiewaarde is verontreinigd, dan kan een BUS-melding achterwege blijven. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen deze zone moet minimaal voldoen aan klasse Industrie. Grond vanuit zone 1, 2 en 3 en vanuit zone A, B en C mag hier vrij worden toegepast. Zone D (BKK Openbare weg) Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit zone D van de BKK Openbare weg mag vanwege de sterke heterogeniteit niet zonder onderzoek elders worden toegepast. Als een partijkeuring uitwijst dat de grond toch voldoet aan de gebiedsspecifieke norm van de toepassingslocatie, of aan het generieke toetsingskader in een toepassingsgebied met generiek beleid, dan is toepassing alsnog toegestaan. Grond afkomstig uit de openbare weg van zone D mag zonder partijkeuring alleen opnieuw worden toegepast binnen hetzelfde werk (zonder tussentijdse bewerking, onder dezelfde condities, op of nabij de plaats van vrijkomen) of worden teruggestort in de sleuf/wegcunet waar het uit komt. Hierbij is een BUS-melding Tijdelijk Uitplaatsen of, indien van toepassing, een melding volgens de 10 m3-regeling noodzakelijk. Als op de projectlocatie reeds bodemonderzoek is uitgevoerd, waaruit blijkt dat de bodem beneden de Interventiewaarde is verontreinigd, dan kan een BUS-melding achterwege blijven. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen deze zone moet minimaal voldoen aan de klasse Industrie. Grond vanuit zone 1, 2 en 3 en vanuit zone A, B en C mag hier vrij worden toegepast. Grond toepassen op locaties binnen de zones 4, 5, 6 en 7 (sterk verontreinigd) Als de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem de Interventiewaarde overschrijdt, dan kan er sprake zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging op de toepassingslocatie. Grond van elders op zo’n locatie toepassen wordt gezien als een ‘saneringshandeling’ die getoetst moet worden aan de Wet bodembescherming (Circulaire bodemsanering of Regeling uniforme saneringen). Een saneringsplan of BUS-melding is noodzakelijk. In het stroomschema van Figuur 4.1 is af te lezen wat de werkwijze is bij het toetsen van een geplande toepassing van grond. Figuur 4.1Werkwijze toetsing bij toepassen van grond Infographic 4.1 Stappenplan toepassen van grond binnen Amsterdam Toepassingsmatrix bodemkwaliteitskaart Amsterdam Om te beoordelen of grondverzet mogelijk is tussen een niet-verdachte herkomst- en toepassingslocatie, wordt de toepassingsmatrix geraadpleegd (Tabel 4.3). In deze tabel laat de verticale en horizontale balk zien welke grondstromen tussen (en binnen) bodemkwaliteitszones denkbaar zijn. In de vakjes van de tabel staat aangegeven of een bepaalde grondstroom is toegestaan (groen vakje) en eventueel onder welke voorwaarden. Daarbij is getoetst of de ontgravingskwaliteit (P80) voldoet aan de toepassingseis (per functie) van de ontvangende bodem. Tabel 4.3 Toepassingsmatrix bodemkwaliteitskaart Amsterdam (incl. bodemkwaliteitskaart Openbare weg) Als toepassing van een zekere stroom niet wordt toegestaan zonder voorafgaande partijkeuring is het vakje geel, oranje of rood gekleurd. Dan is het is aan de initiatiefnemer van het grondverzet om in te schatten of het doen van een partijkeuring voldoende kans oplevert dat de partij alsnog mag worden toegepast. (hierbij is het vanzelfsprekend dat deze kans groter is wanneer de P75 voldoet dan wanneer slechts de P25 voldoet 11 De genoemde percentielwaarden (P25, P50, P75) zijn geen normen waaraan getoetst moet worden. Ze geven slechts een indicatie welk deel van de totale dataset aan metingen binnen de zone voldoet aan de toepassingseis van de betreffende bodemfunctie. Als slechts een kwart van de gemeten waarden (P25) voldoet aan de toepassingseis is de kans klein dat na een partijkeuring een partij alsnog mag worden toegepast en kan men zich de kosten dus beter besparen.). De toepassingsmatrix is alléén bruikbaar als grond vanuit een bodemkwaliteitskaartzone wordt toegepast in een andere bodemkwaliteitskaartzone (of binnen een zone wordt verplaatst). Wanneer sprake is van niet-gezoneerd gebied, wanneer toepassing zonder onderzoek niet is toegestaan en/of wanneer de partij grond een partijkeuring heeft ondergaan of voorzien is van een andere erkende milieuhygiënische verklaring, moet de uitkomst van deze partijkeuring of verklaring getoetst worden aan de lokale of generieke normen (Tabel 2.3). Toepassen van grond afkomstig van buiten Amsterdam Voor het toepassen van grond afkomstig van buiten het bodembeheergebied van Amsterdam (inclusief de gemeenten waarvan de BKK is geaccepteerd als bewijsmiddel) geldt dat de kwaliteit van de grond moet zijn aangetoond met een erkende milieuhygiënische verklaring, zoals een partijkeuring of productcertificaat. De grond moet bovendien voldoen aan de toepassingseisen van de betreffende bodemfunctie in de zone van toepassing (zie Tabel 2.3). Niet-gezoneerde gebieden (saneringslocaties/gesaneerde gebieden) Sommige gebieden in Amsterdam vallen buiten de werking van de bodemkwaliteitskaart (zie par. 2.6) en zijn in de kaart als ‘niet-gezoneerde’ gebieden grijs gekleurd. Het gaat meestal om grotere saneringslocaties of gesaneerde gebieden waarbij sprake is van een leeflaag (met zorgmaatregelen) óf specifieke voorwaarden voor ontgraven en toepassen van grond (beschreven in het saneringsplan of de BUS-melding). Ontgraven en/of toepassen van grond op deze saneringslocaties vallen onder de Wet bodembescherming en moeten zijn beschreven in het (raam)saneringsplan of moeten passen binnen de BUS-melding of de nazorgbeschikking. Als een leeflaag bij werkzaamheden wordt doorbroken, dan moet deze worden hersteld volgens de specificaties van het saneringsplan of BUS-melding. Zijn er geen specificaties omschreven, dan moet de leeflaag voldoen aan de (gebiedsspecifieke) toepassingseis op de plaats van handeling (volgens Tabel 2.3). Toepassen van baggerspecie op de landbodem Bevoegd gezag De gemeente, Waternet, Rijkswaterstaat, het Hoogheemraadschap en – in specifieke gevallen – ook particulieren hebben allen een baggeropgave. Wie deze onderhoudsverplichting heeft, en voor welke watergangen, is vastgelegd in de Legger Oppervlaktewater. De Legger markeert ook de grenzen waar de bevoegdheid van de gemeente ligt en waar die van de waterkwaliteitsbeheerder. Voor de toepassing van baggerspecie op landbodem binnen de gemeentegrenzen is de gemeente Amsterdam het bevoegd gezag. Voor de toepassing van baggerspecie in oppervlaktewater is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag (ingevolge de Waterwet). In de gemeente Amsterdam is dit Waternet (ten zuiden van de Waterlandse Zeedijk), Rijkswaterstaat (het IJ, het Buiten-IJ, de zijwateren tot de eerste niet doorvaarbare verbinding en het Amsterdams Rijnkanaal), het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (stadsdeel Noord ten noorden van de Waterlandse Zeedijk) en het Hoogheemraadschap van Rijnland (deel van het Westelijk havengebied). Hergebruik van bagger: generiek kader Anders dan eerdere regelgeving geeft het Besluit bodemkwaliteit meer ruimte om rekening te houden met een ‘gebiedsopgave’. Daarmee wordt bedoeld: ‘Voor welke opgave staat het gebied met betrekking tot grond- en baggerverzet?’ Regelmatig baggeren is noodzakelijk om het watersysteem goed te laten functioneren. Deze onderhoudsinspanning levert een jaarlijks terugkerend baggerverzet op, dat bij voorkeur een nuttige bestemming krijgt binnen het gebied. Het Besluit bodemkwaliteit stelt als voorwaarde dat de baggerspecie het herstellen of verbeteren van het aangrenzende perceel tot doel heeft en de initiatiefnemer moet die nuttige toepassing kunnen verantwoorden. Baggerspecie (ook wel aangeduid als slib) kan worden beschouwd als een waardevolle grondstof. Het opbrengen van bagger op één perceel, met als doel het perceel op te hogen, wordt gezien als doelmatig (nuttige toepassin