Beleidsregels Wmo en Jeugdhulp gemeente Nieuwegein 2020Het college van Burgemeester en Wethouders; gelet op de Wmo en Jeugdhulpverordening gemeente Nieuwegein 2020; besluit vast te stellen de Beleidsregels Wmo en Jeugdhulp gemeente Nieuwegein 2020 Inleiding Deze beleidsregels vormen de nadere invulling van de Wmo en Jeugdhulpverordening gemeente Nieuwegein 2020 (hierna te noemen verordening) en het Besluit Wmo en Jeugdhulp gemeente Nieuwegein 2020 (hierna te noemen besluit). De beleidsregels gaan over de ondersteuning die het college op grond van de Wmo, de Jeugdwet en de verordening aan een inwoner kan bieden ten behoeve van het gezond en veilig opgroeien, zijn zelfredzaamheid, ontwikkelkansen en maatschappelijke participatie. Daarbij wordt gekeken in hoeverre de ondersteuningsvraag op eigen kracht (waarbij ook wordt gekeken naar financiële mogelijkheden), met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk of door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen het hoofd kan worden geboden. Er worden handvatten gegeven voor de belangenafwegingen die gemaakt worden bij diverse ondersteuningsvragen en er wordt een bandbreedte aangegeven van de bepalingen die in de verordening zijn vastgelegd. Er blijft binnen deze beleidsregels voldoende ruimte om te komen tot maatwerk voor iedere specifieke situatie. Vanwege de informatieve waarde voor zowel inwoners als andere geinteresseerden worden de procedures, maatwerkvoorzieningen en belangrijke begrippen nader toegelicht. Daarnaast hebben de beleidsregels betrekking op de andere twee vormen van maatschappelijke ondersteuning die in de Wmo worden genoemd: het bieden van maatschappelijke opvang en beschermd wonen. Het gedwongen kader jeugdhulp is dwingend vastgelegd in de Jeugdwet. Het samenbrengen van de manier waarop we uitvoering geven aan de Wmo en de Jeugdwet in één verordening en daarna vertaalt naar beleidsregels heeft een integrale benadering van ondersteuningsvragen als doel. En om samen te werken voor een soepele overgang van 18- naar 18+ daar waar nodig. De toegang tot ondersteuning vanuit de Wmo en de Jeugdwet is door het college van Burgemeester en Wethoudersgemandateerd aan Geynwijs, een afdeling binnen de gemeente Nieuwegein. Zij zijn verantwoordelijk voor de uitvoering. De sociaal professionals van Geynwijs hebben de specifieke kennis en kunde om een ondersteuningsvraag te onderzoeken en hier een vakkundig oordeel over te vellen. Daar waar in deze beleidsregels het woord ‘college’ wordt genoemd, worden de sociaal professionals van de afdeling Geynwijs bedoeld. Verder zijn in deze beleidsregels de definities van begrippen zoals verwoord in artikel 1.1 van de verordening overeenkomstig van toepassing, aangevuld met de begrippen die specifiek worden gebruikt in de beleidsregels. Verder zijn in deze beleidsregels de definities van begrippen zoals verwoord in artikel 1.1 van de verordening overeenkomstig van toepassing, aangevuld met de begrippen die specifiek worden gebruikt in de beleidsregels. Aanvullende begrippen Eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner om zelf of met personen uit het sociaal netwerk de hulpvraag op te lossen (waarbij ook wordt gekeken naar financiële mogelijkheden). Ondersteuningsplan (in de verordening Ondersteuningsplan genaamd): het door het college in samenspraak met de inwoner, op te stellen plan voor de ondersteuning, passend bij de ondersteuningsbehoefte van de inwoner. Hierin wordt alle inzet die gericht is op de ondersteuning vermeld, en in ieder geval wat de inwoner op eigen kracht kan doen, gebruikelijke hulp, de inzet vanuit het sociaal netwerk, de ondersteuning vanuit andere wetgeving, algemene voorzieningen en/of het voorliggend veld en de eventueel in te zetten geïndiceerde (specialistische) ondersteuning. In het ondersteuningsplan wordt het te verwachte perspectief geschetst van de inwoner met daarbij de te behalen doelen en resultaten vermeld en binnen welke termijn deze behaald dienen te worden. Tevens worden de afspraken vastgelegd rondom casusregie en eventuele waakvlamfunctie; Perspectief/ toekomstplan (Jeugd): plan wat het college en of de Aanbieder gezamenlijk met de jeugdige/ ouders opstelt. Deze is gericht op uitstroom (perspectief) na ondersteuning. Bij jeugdigen vanaf 16,5 jaar bevat dit perspectief plan ook een toekomstplan gericht op de vijf pijlers (Big 5; support, wonen, school en werk, inkomen, welzijn) van zelfstandigheid. Leeswijzer In hoofdstuk 1 worden de doelen en uitgangspunten nader uitgewerkt en toegelicht. In hoofdstuk 2 wordt het proces bij een ondersteuningsvraag verduidelijkt. Zaken als melding, onderzoek en het ondersteuningsplan komen aan de orde. Hoofdstuk 3 beschrijft de begrippen die in het afwegingskader worden gehanteerd om te bepalen of en zo ja in welke mate ondersteuning vanuit de gemeente noodzakelijk is. Het gaat om de begrippen eigen kracht, gebruikelijke hulp, hulp van het sociaal netwerk (inclusief mantelzorg), algemeen gebruikelijke, andere en algemene voorzieningen. Hoofdstuk 4 bevat beleidsregels voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget. In hoofdstuk 5 worden verschillende maatwerkvoorzieningen Wmo besproken en de afweging voor de verstrekking van deze voorzieningen. In hoofdstuk 6 gebeurt dit voor verschillende maatwerkvoorzieningen Jeugdhulp en jeugdhulpvervoer. Hoofdstuk1.Doelen en uitgangspunten De Wmo en de Jeugdwet hebben als doel bij te dragen aan een zo hoog mogelijk niveau van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van inwoners die hier hulp bij nodig hebben. Voor jeugdigen komt daar de doelstelling van gezond en veilig opgroeien, het krijgen van ontwikkelkansen en het groeien naar zelfstandigheid bij. In dit hoofdstuk worden deze doelen nader gedefinieerd en worden de uitgangspunten beschreven die het college bij het uitvoeren van de Wmo en de Jeugdwet hanteert. 1.1Doelen 1.1.1Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is er op gericht om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven wonen en functioneren. Onder zelfredzaamheid wordt verstaan: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Dit is niet hetzelfde als zelfstandigheid, wat duidt op onafhankelijkheid. Zelfredzaamheid kan ook bereikt worden met hulp van anderen. Van zowel personen met als zonder beperkingen mag worden verwacht dat zij waar mogelijk hulp vragen en aanvaarden van naasten en derden. Iemand kan dus ondersteund worden bij het bereiken van meer zelfredzaamheid en het betreft geen statische situatie. 1.1.2Maatschappelijke participatie Bij participatie gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke- of geestelijke beperkingen of psychosociale problemen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen, kan werken (betaald of onbetaald), en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. 1.1.3Gezond en veilig opgroeien en groeien naar zelfstandigheid De Jeugdwet schrijft niet voor hoe de jeugdhulp eruit moet zien. Jeugdhulp moet de jeugdige in staat stellen om: gezond en veilig op te groeien; te groeien naar zelfstandigheid, en; voldoende zelfredzaam te zijn en deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Bij het zo gezond en veilig mogelijk opgroeien gaat het niet alleen om de lichamelijke gezondheid, maar ook om de geestelijke gezondheid, een gezonde leefstijl en continuïteit in opvoeding en verzorging. Bij de woorden 'veilig opgroeien' moet gedacht worden aan geborgenheid, liefde, respect, aandacht, grenzen, structuur en regelmaat, veiligheid thuis en buitenshuis. Onder ‘het krijgen van ontwikkelkansen’ verstaan we dat kinderen en jongeren de mogelijkheid hebben om zich te ontwikkelen op verschillende gebieden, zoals sociaal, emotioneel, cognitief en fysiek. Ontwikkelkansen worden onder meer vergroot door het verminderen van risicofactoren en het versterken van beschermende factoren die invloed hebben op de ontwikkeling van jeugdigen. Met ‘het groeien naar zelfstandigheid’ bedoelen we dat er gestreefd wordt naar zo zelfstandig mogelijk functioneren van de jeugdigen, op diverse leefgebieden die nodig zijn voor het deelnemen aan de maatschappij: wonen, werken, leren, relaties en vrije tijd, rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau. Met de woorden 'deelnemen aan het maatschappelijk verkeer' wordt niet alleen gedoeld op de mogelijkheden van de jeugdige om actief betrokken te zijn bij de maatschappij, maar ook op de wijze waarin de jeugdige zelf een steentje kan bijdragen aan de maatschappij. Hoe de jeugdige mee kan denken en mee kan doen, mogelijkheden heeft voor het beoefenen van sport en cultuur en voorbereid is op zijn toekomst door het behalen van een diploma, het vinden van werk en het zelf in zijn levensonderhoud kunnen voorzien. Bij al deze aspecten wordt rekening gehouden met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige. Daarmee wordt bedoeld dat het niet altijd mogelijk zal zijn om volledige zelfstandigheid of volledige maatschappelijke participatie te bereiken. Er zullen situaties zijn waarbij het gezien de leeftijd en de beperkingen van de jeugdige niet mogelijk is volledig zelfstandig te zijn of volledig maatschappelijk te participeren. Denk bijvoorbeeld aan een ernstig meervoudig gehandicapte jeugdige. Het college heeft een inspanningsverplichting om een zo goed mogelijk resultaat te bereiken. In alle gevallen hebben de opvoeders een belangrijke taak. Het versterken van opvoeders in hun rol (opvoedondersteuning) kan hierbij een doel zijn. De gemeente stimuleert en faciliteert dit waar mogelijk en nodig. 1.1.4Ordenen van de ondersteuning Om de ondersteuning die het college op grond van de Wmo en de Jeugdwet biedt te ordenen, zijn in de verordening een aantal gebieden geïntroduceerd waarbinnen gestreefd wordt naar een zo hoog mogelijk niveau van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de inwoner, het gezond en veilig opgroeien en groeien naar zelfstandigheid. Deze gebieden worden ook gehanteerd als opbouw voor de hoofdstukken 5 en 6 waarin de specifieke beleidsregels voor respectievelijk maatwerkvoorzieningen Wmo en maatwerkvoorzieningen Jeugdhulp worden beschreven. Gebieden Wmo De gebieden die voor ordening van de Wmo-ondersteuning worden gehanteerd, zijn: Voeren van een huishouden Wonen in een geschikt huis Verplaatsen in en om de woning Lokaal/regionaal verplaatsen per vervoermiddel Beschikken over mantelzorg die het vol kan houden Regie en structuur in het dagelijks leven Zingeving, sport, persoonlijke ontwikkeling en activering (Kortdurend) wonen met zorg Gebieden Jeugdhulp De gebieden die voor ordening van de Jeugdhulp worden gehanteerd, zijn: Opgroeien in een veilige omgeving Versterken van ontwikkelkansen van de jeugdige binnen de eigen mogelijkheden Versterken van opvoeders in hun rol (opvoedondersteuning) 1.2Uitgangspunten 1.2.1Krachtgericht werken Het college heeft de opdracht om te beoordelen in hoeverre een inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk (inclusief eventuele mantelzorg) dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen zijn ondersteuningsvraag kan oplossen. In de Wmo en de Jeugdwet wordt ook benoemd dat het college onderzoekt wat de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner zijn. Bij het bepalen van de behoefte van de inwoner hanteert het college de methodiek Krachtwerk1Krachtwerk is een basismethodiek voor mensen die tijdelijk of langdurig de grip op hun leven zijn kwijtgeraakt. Het uitgangspunt is dat inwoners ook bij tegenslag het vermogen hebben te herstellen en hun leven weer op en aan te pakken.. Het college gaat na wat precies de ondersteuningsvraag is en wat diens (ontwikkel)mogelijkheden, hulpbronnen en krachten zijn. Binnen het krachtgericht werken staan jezelf zijn, meedoen, ertoe doen en erbij horen centraal. Er wordt gewerkt vanuit de volgende zes basisprincipes: De inwoner heeft het vermogen te herstellen en zijn leven te veranderen. Er wordt gefocust op krachten en niet op tekortkomingen. De inwoner heeft de regie over de begeleiding. De werkrelatie staat centraal en is essentieel. Er wordt gewerkt in de natuurlijke omgeving. De samenleving is een belangrijke hulpbron. De meeste inwoners kennen hun eigen situatie het beste en weten doorgaans ook zelf het beste wat ze nodig hebben. Het college gaat op basis daarvan met de inwoner in gesprek. Niet vanuit een behoefte om te ‘zorgen voor’ en met een vaststaand aanbod in de hand, maar vanuit gemeende belangstelling voor een uniek mens en aansluitend bij de oplossing die deze persoon zelf voorstaat. Gekeken wordt in hoeverre aan de wensen en de behoefte van de inwoner binnen de grenzen van de Wmo, de Jeugdwet en de verordening tegemoet gekomen kan worden. Het is onmogelijk om in beleidsregels vast te stellen welke criteria per situatie gelden om bovenstaande te beoordelen. Dit strookt ook niet met het uitgangspunt van maatwerk: iedere situatie is anders en per situatie wordt beoordeeld hoe de ondervonden belemmering opgelost kan worden. Dit is afhankelijk van allerlei factoren zoals bijvoorbeeld de mate waarin het probleem voorkomt en de aanwezigheid en de omvang van een sociaal netwerk. Gekeken wordt wat redelijk is en naar aanvaardbare normen gangbaar. 1.2.2 Normaliseren Mensen zijn zelf verantwoordelijk voor hun leven; hobbels (hoogte- en dieptepunten) horen daarbij. In de hulp die we bieden aan inwoners met een hulpvraag, werken we vanuit het idee van aansluiten bij het gewone leven; ook wel normaliseren genoemd. Niet alles wat anders is of anders verloopt dan je zou willen of verwacht vraagt direct om professionele hulp of ondersteuning. Wij willen het vermogen van mensen bevorderen om tegenslagen op te kunnen vangen en er weer te boven te komen en eigen regie te voeren. Ook als er sprake is van sociale, fysieke en emotionele uitdagingen in het leven. Iedereen kan deze (in een periode) mee maken en dit is onderdeel van het leven. 1.2.2Maatwerk en rechtsgelijkheid Bij de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo vindt het college het bieden van maatwerk voor iedere individuele ondersteuningsvraag een belangrijk uitgangspunt. Wel dientwillekeur voorkomen te worden. Naast de kaders en handvatten in het beleid wordt daarom door middel van intercollegiale toetsing, toetsing op kwaliteit, casuïstiek overleg en intervisie zoveel mogelijk voorkomen dat het voor een inwoner bij de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening uitmaakt welke sociaal professional hij tegenover zich heeft. Het doel blijft een passende oplossing voor de individuele inwoner. 1.2.3Zelfregie Een ander belangrijk uitgangspunt dat het college hanteert bij het bieden van ondersteuning vanuit de Wmo en de Jeugdwet, is zelfregie. Het gaat om het zelf beslissen over het leven en eventuele ondersteuning daar binnen. Inwoners die afhankelijk zijn van zorg of ondersteuning, kunnen alleen hun eigen leven leiden als ze ook invloed kunnen uitoefenen op welke zorg of ondersteuning ze krijgen en hoe deze uitgevoerd wordt. Bijvoorbeeld: Wanneer komt de hulpverlener, wie komt er, wat doet deze wel en niet en kan het ook op een andere manier als dat zo uitkomt? De geboden ondersteuning moet zoveel mogelijk passen in en aansluiten op het leven dat de inwoner wilt leiden. Hoofdstuk2.Procedure regels In dit hoofdstuk staan beleidsregels over en wordt een nadere toelichting gegeven op de procedure die gehanteerd wordt vanaf het moment dat er een melding van een ondersteuningsvraag bij het college wordt gedaan. 2.1Melding ondersteuningsvraag Wanneer het college wordt benaderd door een inwoner of een derde met een ondersteuningsvraag, wordt er telefonisch door het Geynwijs contact team (GCT) een globale uitvraag gedaan. Soms blijkt na een korte vraagverkenning dat informatie en advies voldoende is als antwoord op zijn ondersteuningsvraag. Wanneer voor de vraag op het gebied van de Wmo of de Jeugdwet verdere verdieping nodig blijkt te zijn, wordt de melding geregistreerd. Er wordt vervolgens een afspraak ingepland voor het onderzoek. Een melding mag door iedereen worden gedaan. Door de inwoner zelf, een buurman, een leerkracht, een sportcoach etc. De inwoner waar de melding over gaat dient hiervan wel door de melder op de hoogte te worden gebracht. Ook moet de inwoner het college dan toestemming geven om de melding in behandeling te nemen en te starten met het onderzoek. De melding wordt binnen zeven dagen schriftelijk of digitaal bevestigd. In deze ontvangstbevestiging wordt de vervolgprocedure beschreven, de inwoner geattendeerd op diens rechten en plichten en de mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Ook wordt vermeld dat de inwoner uiterlijk zeven dagen na de melding een persoonlijk plan kan indienen. In het persoonlijk plan omschrijft de inwoner zijn ondersteuningsvraag en hoe deze volgens hem kan worden opgelost. Een persoonlijk plan is vormvrij. Een maatwerkvoorziening Wmo of Jeugdhulp wordt niet met terugwerkende kracht toegekend. Dit betekent dat wanneer een inwoner de ondersteuning reeds vóór de melding of tijdens het onderzoek heeft gestart of aangeschaft, er geen vergoeding van die ondersteuning meer mogelijk is op grond van de Wmo of de Jeugdwet. De inwoner heeft het probleem of de ondersteuningsvraag wat zou moeten worden opgelost, dan immers zelf al opgelost. Daarnaast is met dit handelen het college de mogelijkheid ontnomen om een gedegen onderzoek te doen en een oordeel te vellen over de noodzaak om een maatwerkvoorziening Wmo of Jeugdhulp toe te kennen, te bepalen welke maatwerkvoorziening de goedkoopst passende zou zijn geweest evenals wat de omvang moest zijn. 2.1.1 Onafhankelijke cliëntondersteuning Onafhankelijke cliëntondersteuning is een algemene voorziening waar alle inwoners van Nieuwegein gebruik van kunnen maken. De cliëntondersteuner is gratis beschikbaar en onafhankelijk, dus niet in dienst bij de gemeente of een aanbieder. De cliëntondersteuner helpt inwoners op weg bij het vinden van passende zorg en ondersteuning bij hun hulpvraag. Zij doen dit o.a. door: Het bieden van informatie en advies. Ondersteunen bij het formuleren van de (hulp)vragen en het maken van keuzes. Meedenken over oplossingen. Op verzoek aanwezig zijn bij een (keukentafel)gesprek. Ondersteunen wanneer de inwoner vastloopt in het proces. De onafhankelijke cliëntondersteuning wordt integraal geboden en richt zich op alle levensgebieden (wonen, welzijn, zorg, opvoeding, jeugdhulp, onderwijs, werk en inkomen) Het college informeert inwoners over het aanbod van onafhankelijke cliëntondersteuning. Ook kunnen inwoners zelf contact opnemen met een cliëntondersteuner. De ondersteuning is kortdurend (gemiddeld 1 tot 3 gesprekken). En aanvullend als de inwoner onvoldoende mogelijkheden ziet voor ondersteuning vanuit het eigen netwerk. Voor ondersteuning specifiek over jeugdhulp kunnen inwoners ook terecht bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ). Ouders en jeugdigen kunnen kosteloos een beroep doen op de vertrouwenspersonen van het AKJ als zij vragen hebben of onvrede ervaren over de toegang tot jeugdhulp of de jeugdhulp zelf. Voor meer informatie zie: www.akj.nl. 2.1.2Andere routes melden ondersteuningsvraag Het college heeft de uitvoering van de Wmo en de Jeugdwet belegd bij de sociaal professionals van de afdeling Geynwijs. De sociaal professionals werken vanuit diverse teams: de sociale wijkteams, Geynwijs op school (GWOS), Intensieve Casus Team (IC), het Outreachteam en het Werkteam. In de teams komen meldingen op diverse manieren binnen. Dat kan bijvoorbeeld via een multidisciplinair overleg dat plaatsvindt op school, een zorgmelding van Veilig Thuis of een doorverwijzing naar het Werkteam. Meldingen van inwoners worden via het Geynwijs Contact Team (GCT) naar de teams doorgeleid of door betrokken externe professionals rechtstreeks bij hen gemeld. Denk aan politie, GGD, huisarts of een woningbouwvereniging. Het Outreachteam beoordeelt, zonder tussenkomst van het GCT, zelf of de melding bij hen op de juiste plaats is en geleidt deze anders door naar het juiste team binnen Geynwijs die met de melding aan de slag gaat. Bijvoorbeeld een sociaal wijkteam Wat doen de verschillende teams Het Werkteam biedt integrale ondersteuning samen met het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV), Werk & Inkomen Lekstroom (WIL), Wmo en Welzijn aan inwoners met vragen over het vinden of behouden van werk en begeleidt inwoners met een ondersteuningsvraag op de arbeidsmarkt. Het Outreachteam neemt meldingen in behandeling over inwoners die hulp mijden, het stellen van een ondersteuningsvraag uitstellen of er eenvoudigweg niet toe in staat zijn. Het Sociaal Team kijkt samen met de inwoner naar de ondersteuningsvraag en de mogelijke oplossingen. Geynwijs op school, een team van sociaal professionals Jeugd en leerplichtambtenaren die eigenlijk hetzelfde doen als het sociaal team. Ze werken intensief samen met scholen. Elke Geynwijs-op-school-professional en leerplichtambtenaar is verbonden aan een specifieke school of scholen. Vanuit dit team wordt samen met kind, ouders, onderwijs en jeugdhulp samengewerkt aan passende ondersteuning. Ook is er een proces afgesproken om kinderen die thuis zitten zo snel mogelijk een onderwijsplek te bieden. Op het moment dat het met een kind niet lekker loopt, initieert een intern begeleider op school een Multidisciplinair Overleg (MDO). Daar komen ouders en professionals rondom het kind samen. Intensieve Casus Team Dit team pakt de vragen op die direct actie vereisen en om intensieve regie vragen of waar met spoed een plan nodig is om de veiligheid van kinderen en volwassenen te waarborgen. Ook wordt vanuit dit team ondersteuning geboden aan de andere teams bij complexe casuïstiek. Veilig Thuis Bij zorgen over de veiligheid thuis voor jezelf of als je je zorgen maakt over iemand anders kunnen kinderen, volwassenen, ouderen en professionals terecht bij Veilig Thuis (https://www.veiligthuisutrecht.nl/) voor advies of een melding van (vermoedens van) geweld, verwaarlozing of misbruik. Daarnaast is er de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling opgesteld met het doel om geweld of mishandeling te kunnen doen stoppen en gerichte ondersteuning te kunnen bieden. De meldcode helpt professionals met het signaleren en handelen bij (vermoedens van) huiselijk en psychisch geweld, verwaarlozing of kindermishandeling. Vanaf het moment van signaleren tot aan het besluit over het al dan niet doen van een melding bij Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft de wettelijke taak na een melding te onderzoeken of er sprake is van huiselijk geweld of kindermishandeling en om, indien nodig, passende hulpverlening in te schakelen. 2.2Onderzoek Binnen twee weken na de melding start het onderzoek. Afhankelijk van het karakter van de ondersteuningsvraag wordt bepaald hoe het onderzoek het beste kan worden uitgevoerd. Er kan gebruik worden gemaakt van het keukentafelgesprek en er wordt gewerkt volgens de methodiek Krachtwerk. Indien er een persoonlijk plan is ingeleverd, wordt deze besproken en meegenomen in het onderzoek. Tijdens het onderzoek wordt de inwoner gevraagd zich te identificeren om de identiteit van de inwoner vast te stellen. Dit kan tijdens een huisbezoek, maar ook telefonisch. De gegevens zoals vermeld op een wettelijk vastgesteld identiteitsbewijs worden geverifieerd, bijvoorbeeld BSN, geboortedatum, geboorteplaats. Wanneer de inwoner een mantelzorger, een vertegenwoordiger2Wettelijke vertegenwoordiger is curator, bewindvoerder of mentor. uit het sociaal netwerk en/of wettelijk vertegenwoordiger heeft, wordt deze betrokken bij het onderzoek. Verder mag een inwoner zelf kiezen wie hij bij het keukentafelgesprek of onderzoek wil betrekken. Bijvoorbeeld ook een onafhankelijk cliëntondersteuner. Alle personen die bij het onderzoek worden betrokken, worden gevraagd zich te identificeren. Bij het gesprek is aandacht voor diverse leefgebieden (denk aan; huisvesting, geestelijke en lichamelijke gezondheid, werk en opleiding, financiën, etc.). Er wordt aandacht besteed aan activiteiten en taken die goed gaan. Op de leefgebieden waar de inwoner problemen ervaart, wordt besproken welke oplossingen gewenst en beschikbaar zijn en hoe opgedane succeservaringen hierbij kunnen helpen. Het college onderzoekt of de ondersteuningsvraag op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk (inclusief mantelzorg) of door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke, andere en/of algemene voorzieningen kan worden opgelost. Wanneer dit niet of onvoldoende een oplossing biedt, wordt onderzocht of een maatwerkvoorziening helpend kan zijn en in welke vorm (natura, pgb of een financiële tegemoetkoming). Wanneer hulp door een mantelzorger wordt geboden, onderzoekt het college ook of ondersteuning aan de mantelzorger als maatwerkvoorziening wenselijk is. Stappen te doorlopen in onderzoek binnen de Jeugdwet en Wmo Het college stelt vast wat de hulpvraag van de inwoner is en in het geval van een jeugdige, ook de ouders. Er wordt vastgesteld welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, of het kunnen meedoen in de samenleving. In het geval van een jeugdige wordt vastgesteld of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen en worden deze in kaart gebracht. Wanneer de problemen zijn vastgesteld, onderzoekt het college welke ondersteuning (aard en omvang) nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid, participatie of kunnen meedoen in de samenleving. In het geval van een jeugdige wordt ook bekeken wat er nodig is om gezond en veilig op te groeien en te groeien naar zelfstandigheid (rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau) Vervolgens onderzoekt het college in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk, algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen of andere voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover alle mogelijkheden genoemd onder 4, ontoereikend zijn, kan het college een maatwerkvoorziening toekennen. Indien tijdens het onderzoek blijkt dat de inwoner de Nederlandse taal niet vaardig is, kan een tolk ondersteunen bij gesprekken. Wanneer iemand niet beschikt over een naaste die de taalbarrière kan overbruggen, kan door de gemeente een professionele tolk worden ingezet. De inzet van de tolk wordt gemaximeerd op de duur van het onderzoek (maximaal zes weken) en eventueel tot het mededelen van het besluit van het college (aanvullend twee weken). Indien er een tolk noodzakelijk is voor de inzet van de ondersteuning, dan dient de aanbieder hier zorg voor te dragen. Indien de taalbarrière veroorzaakt wordt door een auditieve beperking, kan een inwoner een tolkvoorziening aanvragen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzeringen (UWV). 2.2.1Persoonskenmerken Bij het onderzoek gaat het college in de eerste plaats na wie de inwoner precies is. De methodiek ‘Krachtwerk’ wordt gebruikt om bij de inwoner de krachten en hulpbronnen in kaart te brengen en te bespreken. Daarnaast worden de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner in kaart gebracht. Er wordt ook naar de wensen van de inwoner gekeken en in hoeverre daaraan binnen de grenzen van de Wmo, de Jeugdwet en de verordening tegemoet gekomen kan worden. Ook wordt geprobeerd met de oplossing of de ondersteuning zoveel mogelijk aan te sluiten bij de godsdienstige richting of levensbeschouwing van de inwoner. 2.2.2(Dreigende) overbelasting Een aspect wat tijdens het onderzoek ook aan de orde komt, is (dreigende) overbelasting. Overbelasting bij de inwoner zelf of de personen in zijn omgeving waar mogelijk een beroep op zou kunnen worden gedaan bij het oplossen van de ondersteuningsvraag. Overbelasting wordt uitgelegd als ‘meer belasting hebben dan het prestatievermogen toelaat’. Ook wordt er wel gesproken over een (dis-)balans tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting). Disbalans of overbelasting kan worden ervaren in de vorm van lichamelijke of psychische klachten. Factoren die van invloed zijn op de draagkracht zijn onder meer: Lichamelijke en geestelijke conditie van de mantelzorger Wijze van omgaan met problemen (coping) Motivatie voor zorgtaak Sociaal netwerk Factoren die van invloed zijn op de draaglast zijn onder meer: Omvang en mate van (on)planbaarheid van zorgtaken De verwachte duur van de zorgtaken Ziektebeeld en prognose Inzicht van mantelzorger in ziektebeeld van de inwoner Woonsituatie Bijkomende sociale, emotionele en/of relationele problemen Er zijn diverse symptomen die zouden kunnen wijzen op (dreigende) overbelasting. Denk bijvoorbeeld aan het niet meer kunnen concentreren, emotioneel instabiel zijn, slapeloosheid. Het is mogelijk, dat slechts één symptoom waarneembaar is. Over het algemeen zullen meerdere symptomen gecombineerd optreden. Het bestaan van symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat. Indien er meerdere symptomen aanwezig zijn, is het raadzaam dat de persoon zijn huisarts raadpleegt, omdat langdurige aanwezigheid en/of verwaarlozing van dergelijke symptomen kan leiden tot andere, ernstige stoornissen. (Dreigende) overbelasting kan door het college zelf worden vastgesteld tijdens het onderzoek. Ook kan het college indien zij dat noodzakelijk acht tijdens het onderzoek hiervoor onafhankelijk medisch advies inwinnen. 2.2.3Medewerkings- en inlichtingenplicht De gemeente heeft de plicht om zorgvuldig onderzoek te doen naar een melding voor ondersteuning. Om het onderzoek zorgvuldig te kunnen uitvoeren heeft de gemeente informatie van de inwoner nodig. Het is belangrijk dat inwoners meewerken aan het onderzoek. Zowel de Wmo als de Jeugdwet kent een medewerkingsplicht. Dit houdt in, dat de inwoner verplicht is om de medewerking te verlenen die nodig is voor de uitvoering van de Wmo en de Jeugdwet. Alle denkbare vormen van medewerking zijn van toepassing. Het gaat om medewerking tijdens het onderzoek, maar ook daarna. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het geven van toestemming voor het inwinnen van medisch advies (niet te verwarren met toestemming geven voor inzage medische gegevens; dat is niet aan de orde) en het te woord staan van de medisch adviseur. Ook van huisgenoten wordt medewerking verwacht om bijvoorbeeld de noodzaak en omvang van de benodigde ondersteuning vast te stellen. Zo moeten huisgenoten meewerken aan een onderzoek dat het college noodzakelijk acht om te bepalen of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp. Wanneer de inwoner of een huisgenoot niet wil meewerken, kan dit tot gevolg hebben dat het college het onderzoek stopzet dan wel als er een aanvraag is ingediend de aanvraag afwijst of buiten behandeling stelt. Voordat het college hiertoe besluit, wordt de inwoner éénmaal schriftelijk geattendeerd en in de gelegenheid gesteld om binnen een daaraan door het college gestelde termijn medewerking te verlenen. Inlichtingenplicht De inlichtingenplicht ligt in het verlengde van de medewerkingsplicht. Dat wil zeggen dat de inwoner het college actief moet informeren over een wijziging van de beperkingen die hij heeft/ belemmeringen die hij ondervindt en die van invloed (kunnen) zijn op het gebruik van de maatwerkvoorziening, of over het toe- dan wel afnemen van verleende mantelzorg. Het college kan de toekenning van een maatwerkvoorziening intrekken of herzien wanneer de inwoner de inlichtingenplicht niet nakomt. Dit kan vanwege de algemene beginselen van behoorlijk bestuur echter alleen wanneer de inwoner redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat hij de voorziening ten onrechte ontving. Daarom wordt de inwoner op meerdere momenten (bij de ontvangst van de melding, tijdens het onderzoek, maar ook bij de toekenning van een maatwerkvoorziening) gewezen op zijn rechten en plichten. Voordat het college besluit tot herziening of intrekking van de maatwerkvoorziening in verband met verzuim van de inlichtingenplicht, wordt de inwoner éénmaal schriftelijk geattendeerd en in de gelegenheid gesteld om de juiste informatie binnen een daaraan door het college gestelde termijn aan te leveren of onvolledige gegevens aan te vullen. 2.2.4Inwinnen deskundig advies Indien het college van mening is dat er aanvullende onafhankelijke expertise noodzakelijk is voor het onderzoek, vraagt zij hiervoor toestemming aan de inwoner en indien van toepassing aan de personen in zijn omgeving waarop een beroep kan worden gedaan om de ondersteuningsvraag op te lossen. Zoals in paragraaf 2.2.3 te lezen is, betreft dit geen vrijblijvende toestemming. Het kan invloed hebben op de toekenning van een maatwerkvoorziening en de aard en omvang hiervan. Deskundig advies kan betrekking hebben op het onderzoek naar de persoonlijke situatie van de inwoner en diens huisgenoten, maar ook onafhankelijke expertise van een bouwkundige over de omvang van de gevraagde voorziening kan tot de mogelijkheden behoren. 2.2.5Kortdurende en langdurige ondersteuningsbehoefte Wanneer er geen sprake is van een spoedsituatie, verkent het college tijdens het onderzoek of de ondersteuningsbehoefte kortdurend of langdurig is. De volgende invulling van deze begrippen wordt gehanteerd. Kortdurend: Er is uitzicht op herstel van het probleem waarvoor ondersteuning gewenst is ten aanzien van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en/of het gezond en veilig opgroeien van een jeugdige of groeien naar zelfstandigheid. Het gaat hierbij om een periode van maximaal drie maanden en voor hulpmiddelen Wmo om een periode van maximaal zes maanden. Langdurig: Het gaat om situaties waarbij naar verwachting de ondersteuning langer dan drie maanden en voor hulpmiddelen Wmo zes maanden nodig zal zijn en mogelijk chronisch is. Dat het een langdurige zorgsituatie betreft kan al vanaf het begin duidelijk zijn. Er wordt dan niet eerst drie (voor hulpmiddelen zes) maanden ‘gewacht’ voordat het college een maatwerkvoorziening Wmo of Jeugdhulp inzet. Voor kortdurende zorgsituaties wordt een beroep gedaan op de eigen kracht, gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk en/of algemeen gebruikelijke, algemene of andere voorzieningen. Daarom kan in principe alleen voor langdurige ondersteuningsbehoeften een maatwerkvoorziening Wmo of Jeugdhulp worden ingezet. Een maatwerkvoorziening kan ook voor een korte of lange(
- re)periode worden ingezet. Kort bijvoorbeeld in de vorm van respijtzorg om een ouder of mantelzorger even te ontlasten om de zorg duurzaam te kunnen blijven bieden. Lang wanneer bijvoorbeeld een inwoner permanent aangewezen is op een rolstoel om zich te kunnen verplaatsen. De termen ‘kort’ en ‘lang’ worden voor de duur van de inzet van een maatwerkvoorziening niet nader gedefinieerd, omdat dit per situatie kan verschillen. 2.3Ondersteuningsplan Na afronding van het onderzoek verstrekt het college aan de inwoner het ondersteuningsplan (uiterlijk zes weken na de melding). Het ondersteuningsplan is één document dat altijd de persoonsgegevens van de inwoner, een verslag van het onderzoek en een objectief beschreven eindconclusie bevat. Indien van toepassing bevat het ondersteuningsplan ook de aanvraag van één of meerdere maatwerkvoorziening(
- en)en de beslissing van het college hierop (de beschikking). Hieronder volgt per onderdeel een nadere toelichting. 2.3.1Persoonsgegevens Het ondersteuningsplan omvat in ieder geval de volgende persoonsgegevens van de inwoner: Naam Geboortedatum Het woonadres Het telefoonnummer en indien aanwezig het e-mailadres van de inwoner Samenstelling van het huishouden 2.3.2Verslag Het verslag is geen volledige weergave van de tijdens het onderzoek gevoerde gesprekken. Alleen gegevens die noodzakelijk zijn om te kunnen voorzien in de ondersteuningsvraag van de inwoner, worden opgenomen. Het gaat om: De onderzoeksactiviteiten die hebben plaatsgevonden, zoals informatie over de melding, de datum van een huisbezoek, telefonische contacten, ingewonnen medisch advies etc.. Een beschrijving van de ondersteuningsvraag van de inwoner, inclusief relevante persoonskenmerken en een eventueel ingediend persoonlijk plan. Een beschrijving van de mate waarin hiervoor een beroep kan worden gedaan op de eigen kracht, gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk (inclusief de eventuele inzet van mantelzorg). Maar ook over het benutten van algemeen gebruikelijke, andere en algemene voorzieningen. Zie hoofdstuk 3, het afwegingskader. Beoogde doelen en acties. 2.3.3Aanvraag, beschikking en eindconclusie De inwoner of vertegenwoordiger kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voor het indienen van een aanvraag van een maatwerkvoorziening de handtekening van de inwoner vereist. Het college attendeert de inwoner actief op de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag tijdens het onderzoek. Vanuit het oogpunt van dienstverlening wordt de aanvraag en de beslissing van het college op een aanvraag van één of meerdere maatwerkvoorzieningen gecomprimeerd. Dit betekent dat het ondersteuningsplan, naast de persoonsgegevens en het verslag ook de aanvraag én de beschikking van het college op de aanvraag kan bevatten. Elk doelenplan bevat bovendien een objectief beschreven eindconclusie. Hierin staat beschreven waarover de inwoner en het college het wel en/of niet met elkaar eens zijn. Daardoor kan het ondersteuningsplan altijd door beide partijen worden ondertekend. Het ondertekenen van de eindconclusie en retourneren van het dondersteuningsplan door de inwoner is niet alleen gewenst omdat het een plan betreft dat in samenspraak is ontstaan, het zorgt er ook voor dat een maatwerkvoorziening snel kan worden ingezet indien daarover overeenstemming bestaat tussen de inwoner en het college. Tegen de (delen van
- de)beslissing van het college op een aanvraag (de beschikking) waar de inwoner het niet mee eens is, kan de inwoner bezwaar indienen (zie paragraaf 2.4). Dit is de reden dat een bezwaarclausule onderdeel uitmaakt van de beschikking in het ondersteuningsplan. Toestemming gezaghebbende ouder(
- s)voor inzet jeugdhulp bij jeugdige jonger dan 12 jaar Een maatwerkvoorziening Jeugdhulp ten behoeve van een jeugdige jonger dan 12 jaar kan door één gezaghebbende ouder worden aangevraagd (ondertekende aanvraag). Het is niet nodig dat beide gezaghebbende ouders de eindconclusie in het ondersteuningsplan ondertekenen. De handtekening van één ouder volstaat voor het college om te beslissen op een aanvraag (de beschikking) en een maatwerkvoorziening Jeugdhulp toe te kennen. Dat beide (gezaghebbende) ouders het ondersteuningsplan ondertekenen, is echter wel gewenst. Voor het feitelijk verlenen/ daadwerkelijk inzetten van de jeugdhulp ten behoeve van een jeugdige jonger dan 12 jaar, heeft de jeugdhulpverlener namelijk toestemming van beide gezaghebbende ouders. Het geven van die toestemming is echter vormvrij. Dit betekent dat de jeugdhulpverlener ook telefonisch toestemming kan vragen aan de gezaghebbende ouder waarvan de handtekening in het ondersteuningsplan bijvoorbeeld nog ontbrak. Het is de taak van de jeugdhulpverlener om vóór aanvang van de jeugdhulp te verifiëren of er toestemming is om de jeugdhulp te verlenen en/of deze nog alsnog te verkrijgen. Wanneer één van de gezaghebbende ouders weigert akkoord te gaan met de daadwerkelijke verlening van de jeugdhulp en de jeugdhulpverlener dit meldt bij het college, kan het college als de jeugdige hierdoor verstoken blijft van noodzakelijk geachte hulp overwegen om de jeugdbeschermingsketen in te schakelen.. Afzien van het onderzoek Naar het oordeel van het college en met instemming van de inwoner kan worden afgezien van een onderzoek. Denk bijvoorbeeld aan spoedeisende situaties, in verband met de werkwijze van het Outreachteam (zie paragraaf 2.1.1) of wanneer de inwoner reeds bekend is bij het college en de situatie onveranderd blijkt. Aanvraagformulier maatwerkvoorziening Wanneer het college vroeg in de onderzoeksfase (bijvoorbeeld tijdens het huisbezoek) van mening is dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, kan gebruik worden gemaakt van het ’aanvraagformulier maatwerkvoorziening’. Hierdoor kan de maatwerkvoorziening versneld (gedurende de normaliter geldende onderzoekstermijn) worden aangevraagd en ingezet. Het ondersteuningsplan wordt dan (inclusief het al getekende aanvraagformulier maatwerkvoorziening) binnen twee weken na het tekenen van het ‘aanvraagformulier maatwerkvoorziening’ nagezonden. Aanvraag, verlenging of uitbreiding van de ondersteuning Wanneer een inwoner een maatwerkvoorziening toegekend heeft gekregen en een aanvraag indient om de ondersteuning te verlengen of uit te breiden, dan dient de inwoner een door de zorgverlener opgesteld evaluatieverslag van de tot op dat moment ontvangen ondersteuning, bij de aanvraag te voegen. Hieruit moet het college kunnen op maken hoe aan de doelen gewerkt is, welke acties zijn ondernomen en welke resultaten zijn behaald. Wanneer een resultaat niet behaald is, moet ook worden beschreven waarom dit resultaat (nog) niet is behaald en hoe een vervolg eruit komt te zien. Eventuele nieuwe doelen worden uitgewerkt met een tijdspad. Het college gaat bij ontvangst van dit evaluatieverslag ervan uit dat de inhoud door de zorgverlener gedeeld is met de inwoner oftewel bij inwoner bekend is. Casusregie Uitgangspunt blijft dat de inwoner zoveel mogelijk eigen regie heeft en daarmee zelfredzaam is, blijft of wordt gemaakt. Het college laat dan ook zoveel mogelijk regie bij de inwoner zelf maar loopt mee bij het opstellen van doelen, het integraal verbinden van de ondersteuning indien meerdere partijen betrokken zijn en het monitoren of het benodigde resultaat van de hulp wordt behaald. Wanneer de inwoner hier onvoldoende invulling aan kan geven en/of wanneer er sprake is van meervoudige hulpvragen waarbij meerdere geïndiceerde vormen van hulp nodig zijn, dan is de casusregie belegd bij het college. Ook heeft het college de taak te beoordelen of de ingezette hulp het juiste resultaat oplevert en de juiste kwaliteit heeft. Het college, in de persoon van de sociaal professional is, als spin in het web, verantwoordelijk voor de regievoering in een gezin/huishouden. Casusregie bestaat uit: het coördineren, afstemmen en monitoren van de benodigde ondersteuning aan de inwoner, waarbij het eigen netwerk, informele partijen, onderwijs, (huis)arts, zorgaanbieders,Veilig Thuis en/of gecertificeerde instelling betrokken kunnen zijn. De mate van betrokkenheid van het college is afhankelijk van de complexiteit en duur van de ondersteuning. Waakvlam Het is van belang dat er al tijdens het ondersteuningstraject wordt nagedacht over eventuele nazorg en waakvlamfunctie bij het afsluiten van de individuele begeleiding; is er iemand die vinger aan de pols kan houden en kan opschalen indien nodig? Deze waakvlamfunctie wordt eerst gezocht in eigen kracht, eigen netwerk of voorliggend veld. Afspraken over de waakvlamfunctie worden schriftelijk vastgelegd in overleg met de inwoner. 2.4Klachten/onvrede of bezwaar Vanuit het oogpunt van een goede dienstverlening, hanteert het college een lage drempel voor de inwoner om hun ongenoegen te uiten. Naast de functie van onafhankelijke cliëntondersteuning heeft de gemeente een ombudsfunctionaris. De ombudsfunctionaris is onpartijdig en onafhankelijk en heeft een adviserende en intermediërende rol tussen de inwoner en de gemeente. De ombudsfunctionaris registreert en coördineert klachten. Bezwaren worden gecoördineerd door de secretaris van de commissie bezwaar en beroep. De secretaris legt aan de ombudsfunctionaris voor of het informele traject kan worden opgestart. Klachten Wanneer de inwoner een klacht heeft, zal de ombudsfunctionaris de leidinggevende van de desbetreffende afdeling inlichten, waarna die met de inwoner in gesprek gaat. Als de informele aanpak niet tot een oplossing leidt, kan de ombudsfunctionaris een hoorzitting organiseren waarna het college formeel een oordeel moet vellen op basis van zijn advies. Bezwaar Als een inwoner het niet eens is met een beslissing van het college, dan kan een inwoner hierover in bezwaar gaan. De route om bezwaar aan te tekenen, wordt in de beschikking gecommuniceerd. De ombudsfunctionaris kan een afspraak met de inwoner maken om het bezwaar te bespreken. Na dit gesprek (eventueel ook met aanwezigheid van een onafhankelijke cliëntondersteuner) brengt de ombudsfunctionaris schriftelijk advies uit aan de afdeling en/of de inwoner. Vaak lukt het om door bemiddeling een oplossing te vinden. Als de inwoner er door bemiddeling niet uit komt, dan kan de bezwarencommissie een oordeel vellen. Een gesprek met de ombudsfunctionaris is vrijblijvend. Een inwoner kan ook direct via de bezwarencommissie in bezwaar. Hoofdstuk3.Het afwegingskader Zoals aangegeven in hoofdstuk 2 onderzoekt het college of de ondersteuningsvraag van de inwoner op eigen kracht, met hulp van personen uit het sociaal netwerk (inclusief de inzet van eventuele mantelzorg) en door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke, andere en/of algemene voorzieningen, kan worden opgelost. Pas wanneer dit niet of onvoldoende een oplossing biedt, kan een maatwerkvoorziening Wmo of Jeugdhulp worden ingezet. In dit hoofdstuk wordt nader ingezoomd op dit afwegingskader dat het college in haar onderzoek hanteert. 3.1Eigen kracht In de kern gaat eigen kracht over de mogelijkheden van de inwoner en zijn omgeving om zelf in een oplossing voor zijn ondersteuningsvraag te voorzien; wat kan een inwoner zelf nog doen en/of organiseren om in de gegeven situatie de zelfredzaamheid en participatie op peil te houden of te bevorderen of te zorgen voor het veilig en gezond opgroeien en groeien naar zelfstandigheid. Het gaat hierbij om fysieke, verstandelijke maar ook financiële mogelijkheden. De Wmo en de Jeugdwet staan het niet toe dat slechts op basis van inkomen ondersteuning wordt verleend of geweigerd. Tegelijkertijd biedt het beschikken over financiële middelen de mogelijkheid in eigen oplossingen te voorzien. Het college mag hierop een beroep doen in het gesprek met de inwoner, maar het mag geen reden zijn om passende ondersteuning te weigeren. De eigen kracht is geen statische situatie, maar afhankelijk van de leerbaarheid en veerkracht van de inwoner. Versterking/inzet van eigen kracht kan ook door nadruk te leggen op het aanpassen van de omstandigheden, of door dingen anders te doen dan men altijd gewend is geweest als dat leidt tot vermindering van de ondervonden belemmering. Bij jeugdhulp betekent eigen kracht dat ouders op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is de inzet van een (maatwerk)voorziening op grond van de Jeugdwet niet nodig. Het aanspreken van een aanvullende verzekering is een voorbeeld van eigen kracht. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat ook bovengebruikelijke hulp in beginsel van ouders mag worden verwacht. In hoofdstuk 6 wordt hier nader op ingegaan Voorbeelden van het benutten van eigen kracht: Een inwoner die door het doen van (vrijwilligers)werk zijn sociaal netwerk uitbreidt en maatschappelijke participatie versterkt. Een inwoner die de bezorgservice van een supermarkt gebruikt voor zijn boodschappen zodat er geen zware boodschappen hoeven te worden getild. Een inwoner die zijn huidige woning herinricht of verhuist naar een meer geschikte woning zodat deze beter passend wordt gezien zijn beperking(en). Een ouder van een kind met een autismestoornis die zich aanmeldt bij een oline-praatgroep voor hulp en ondersteuning van andere ouders van kinderen met autisme. Een ouder die een baan aanneemt met flexibele uren zodat ze thuis is als haar zoon met de taxi wordt gebracht; daardoor is gespecialiseerde opvang niet nodig. Een volwassen zus/broer is nog thuis om samen met haar broer met beperkingen te wachten op het leerlingenvervoer terwijl ouders al naar hun werk zijn; daardoor is gespecialiseerde oppas niet nodig. Een jongen met een autismestoornis gaat 1 avond in de week bij oma logeren zodat zijn ouders die avond onverdeeld aandacht kunnen geven hun andere kind; hierdoor is gespecialiseerde logeeropvang niet nodig. 3.2Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is de hulp die huisgenoten (zoals bijvoorbeeld een partner, ouders, inwonende volwassen kinderen) op grond van algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid geacht worden elkaar te bieden, omdat ze als leefeenheid gezamenlijk een woning bewonen en op grond daarvan een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor elkaar en het functioneren van het huishouden. Voor welk deel van de ondersteuningsvraag gebruikelijke hulp als (deel)oplossing kan worden aangemerkt, wordt bepaald door: Wat naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van een huisgenoot. De intensiteit van de ondersteuningsbehoefte. De verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte (zie ook paragraaf 2.2.5). De veerkracht, de belastbaarheid, deskundigheid en de leeftijd van de huisgenoot in relatie tot de aard, de intensiteit en verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte. Het principe van gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, studie of werk. Zo zijn de wijze van inkomensverwerving, drukke werkzaamheden, lange werkweken of persoonlijke opvattingen over het bieden van de benodigde ondersteuning (bv. het niet gewend zijn of geen ondersteuning willen verrichten) bijvoorbeeld geen redenen dat een huisgenoot geen gebruikelijke hulp kan verlenen. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten voor elkaar zorgen en een rol vervullen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperking. Hulp die in omvang en intensiteit de gebruikelijke hulp substantieel overstijgt, wordt aangemerkt als bovengebruikelijke hulp. Als deze bovengebruikelijke hulp geboden wordt door een huisgenoot, wordt dit ook als mantelzorg gezien (zie ook paragraaf 3.4.1). Maatstaven die worden gehanteerd om te bepalen wat de bovengebruikelijke hulp is, worden in hoofdstuk 5 en 6 nader beschreven. Alleen wanneer er sprake is van bovengebruikelijke hulp en/of de gebruikelijke hulp niet geboden kan worden in verband met beperkte veerkracht/overbelasting of onvoldoende deskundigheid van de huisgenoot, kan een maatwerkvoorziening Wmo en/of Jeugdhulp worden ingezet. Mits hiervoor geen beroep kan worden gedaan op de eigen kracht van de inwoner, hulp van personen uit het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen.” 3.3Algemeen gebruikelijke voorzieningen Het begrip algemeen gebruikelijk is een veelgebruikte term binnen de Wmo en komt voor naast ‘Algemene voorzieningen’ (voorzieningen in de vorm van diensten of activiteiten die vrij toegankelijk zijn) waar het verderop in dit hoofdstuk over gaat. Bij ‘algemeen gebruikelijk’ gaat het in beginsel om voorwerpen of producten (waaronder woningaanpassingen en vervoersvoorzieningen) die: niet speciaal bedoeld zijn voor personen met een beperking; verkrijgbaar zijn in de reguliere handel (en ook daadwerkelijk beschikbaar zijn); niet of niet veel duurder zijn dan vergelijkbare producten; voor een persoon zonder beperkingen in een financieel vergelijkbare positie kan worden gerekend tot het normale aanschaffingspatroon. Uiteraard dient het voorwerp of product ook een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie van de inwoner. Een fiets met lage instap of met elektrische trapondersteuning is een goed voorbeeld van een voorziening die als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Een dergelijke fiets wordt ook gebruikt door mensen zonder beperkingen (bijvoorbeeld door mensen die een lange afstand naar hun werk of school moeten fietsen) en is gewoon bij de fietsenwinkel te koop. Andere voorbeelden van voorzieningen die als algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen worden aangemerkt, zijn een verhoogde toiletpot, een buggy, één-hendel mengkraan en een elektrische of inductiekookplaat. Wat als algemeen gebruikelijke voorzieningen gezien wordt, verandert in de loop der jaren en is onderhevig aan maatschappelijke ontwikkelingen. De Jeugdwet kent het begrip ‘algemeen gebruikelijk’ niet, omdat op grond van de Jeugdwet enkel diensten en geen voorwerpen kunnen worden toegekend. Toch kunnen ook diensten aangemerkt worden als algemeen gebruikelijk. Denk bijvoorbeeld aan kinderopvang. Naast algemeen gebruikelijke voorwerpen, producten en diensten, kan er zowel bij de Wmo als Jeugdhulp sprake zijn van algemeen gebruikelijke kosten. Het gaat om kosten die een ieder heeft of een prijs die een ieder, ongeacht leeftijd of beperking, moet betalen voor een dienst, service, activiteit of andere maatregel. In relatie tot de specifieke persoonlijke situatie van de inwoner wordt bekeken of de voorziening, algemeen gebruikelijk is. Het is in principe de inwoner die moet aantonen dat een algemeen gebruikelijke voorziening voor hem niet tot de (financiële) mogelijkheden behoort. Daarbij kan het inkomen van de inwoner een rol spelen, maar ook het feit dat hij door een schuldsaneringstraject of beslag op zijn inkomen geen financiële ruimte heeft om te sparen of een lening af te sluiten. Ook als er sprake is van een plotseling optredende, onvoorziene noodzaak, kunnen voorzieningen of kosten die als algemeen gebruikelijk aangemerkt hadden kunnen worden, dat toch niet zijn. Zo zijn de kosten van een verhuizing die plotseling noodzakelijk is omdat iemand een hersenbloeding heeft gekregen, niet algemeen gebruikelijk. 3.4Sociaal netwerk Tot het sociaal netwerk van de inwoner worden personen uit de huiselijke kring gerekend, maar ook andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt. Het kan gaan om huisgenoten, familieleden, vrienden, buren, collega’s of bijvoorbeeld de trainer van de sportclub. Ook mantelzorgers vallen onder het sociaal netwerk van een inwoner. In eerste instantie kan het tijdens het keukentafelgesprek lijken dat een inwoner niet of nauwelijks over een sociaal netwerk beschikt of dat het netwerk niet kan worden ingezet. Dit kan te maken hebben met de vraagverlegenheid van de inwoner (hij/zij wil niemand tot last zijn). Indien nodig wordt tijdens het onderzoek door het college de mogelijkheid verkend tot het activeren van het eigen sociaal netwerk. 3.4.1Mantelzorg Onder mantelzorg wordt verstaan de zorg en ondersteuning die mensen vrijwillig en onbetaald verlenen aan mensen met een fysieke, verstandelijke en/of (sociaal)psychische beperking in hun huishouden, familie of anderszins sociaal netwerk. Het gaat om intensieve ondersteuning van in de regel meer dan acht uur per week voor een langdurige periode. Mantelzorg overstijgt in tijd of intensiteit gebruikelijke hulp. En betreft dus altijd bovengebruikelijke hulp. Binnen de leefeenheid van de inwoner is gebruikelijke hulp afdwingbaar. Mantelzorg is dat niet. De mate waarin mantelzorgers bereid en in staat zijn een deel van de benodigde ondersteuning te bieden, bepaalt mede of een maatwerkvoorziening nodig is en de omvang daarvan. Hierbij speelt de draagkracht van mantelzorgers een rol. Deze is niet voor iedereen gelijk. Voor de ene persoon is het bieden van anderhalf uur zorg per dag het maximum dat hij kan dragen, terwijl een ander meerdere uren ondersteuning kan bieden. Deze verschillen worden in belangrijke mate bepaald door de persoonlijke omstandigheden van de mantelzorger (leeftijd, gezinssituatie, eigen gezondheid). Bij (dreigende) overbelasting (zie paragraaf 2.2.2) van een mantelzorger of het wegvallen van de mantelzorg kan een algemene voorziening of maatwerkvoorziening worden geboden. Bij het onderzoek kan de mantelzorger zelf aangeven welke ondersteuningsbehoefte hij heeft. Vervolgens wordt gekeken welke vorm van ondersteuning passend kan zijn (zie paragraaf 5.5). Ook wanneer er sprake is van een latrelatie, kan er overigens sprake zijn van mantelzorg. Jonge mantelzorgers Kinderen onder de 18 jaar hoeven geen mantelzorgtaken uit te voeren. Dit betekent dat kinderen niet actief gevraagd worden om mantelzorgtaken te verrichten. Bovendien moet er extra gelet worden op hun (on)zichtbaarheid. Zij zijn vaak erg zorgzaam, ze hebben een groot verantwoordelijkheidsgevoel, waardoor zij zichzelf wegcijferen. Aan de andere kant hebben ze vaak wel minder geduld. Kinderen en jongeren kunnen geen kind meer zijn. Ze hebben geen tijd voor sport, vrienden of huiswerk. Ze nemen vaak de rol van ouder in (parentificatie). De problemen van jonge mantelzorgers zijn vaak niet zichtbaar. Omdat de jongere vaak niet de primaire verzorger is, zal de jongere niet snel een beroep doen op formele of informele zorg. Daarbij ziet deze groep zichzelf ook niet als mantelzorger. Het herkennen en ondersteunen van jonge mantelzorgers kan overbelasting, voortijdig schoolverlaten en (psychische) problemen op latere leeftijd voorkomen. Er is een divers ondersteuningsaanbod beschikbaar voor jonge mantelzorgers, veelal in de vorm van fysieke of digitale coaching/cursussen. 3.5Andere voorzieningen Een andere voorziening is ondersteuning waar op grond van een andere (wettelijke) regeling dan bedoeld in de Wmo of de Jeugdwet aanspraak op kan worden gemaakt/bestaat. Het college mag een maatwerkvoorziening Wmo/Jeugdhulp weigeren als aanspraak bestaat op een andere voorziening. Volgens de Wmo, omdat een inwoner de ondersteuningsvraag op eigen kracht kan oplossen door gebruik te maken van de andere voorziening. Volgens de Jeugdwet, omdat een andere voorziening voorliggend is. Voorbeelden van andere voorzieningen zijn: Ondersteuning vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Participatiewet, het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV), onderwijswetgeving of een lokale regeling, zoals Regionale huisvestingsverordening. Omdat de afbakening tussen de Wmo/ Jeugdwet met de Wlz en de Zvw veelvuldig voorkomt, worden deze hieronder uitgebreider toegelicht. De onafhankelijk cliëntondersteuner kan een inwoner helpen bij de aanvraag van een andere voorziening. 3.5.1Afbakening Wlz Een inwoner kan aanspraak maken op ondersteuning vanuit de Wlz wanneer de inwoner vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijk of zintuiglijke handicap een blijvende behoefte heeft aan: permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de inwoner, of 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstigd nadeel voor hem zelf te voorkomen, Door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of, Door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft. Wlz-zorg wordt geïndiceerd door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De coördinatie daarvan is belegd bij zorgkantoren. Een inwoner kan de ondersteuning vanuit de Wlz ontvangen in een Wlz-instelling, maar ook thuis. Middels de Wlz-registertoets kan het college checken of een inwoner een Wlz-indicatie heeft. Het CIZ is verplicht om deze informatie aan het college te verstrekken en hoeft hiervoor geen toestemming te hebben van de inwoner. Afbakening ondersteuning Wmo – Wlz De afbakening tussen de Wlz en de Wmo is wettelijk geregeld (artikel 2.3.5 lid 6 van de Wmo). Het college kan een maatwerkvoorziening Wmo weigeren als: de inwoner op grond van de Wlz aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling, dan wel; er redenen zijn om aan te nemen dat de inwoner daarop aanspraak kan maken en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande. Indien een inwoner met een WLZ indicatie een melding doet, neemt het college de melding als bedoeld in paragraaf 2.1 op gebruikelijke wijze in behandeling en start een onderzoek, ook als zij weet dat de inwoner ondersteuning vanuit de Wlz ontvangt of denkt dat de inwoner daarop aanspraak kan maken. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat de ondersteuningsvraag voldoende is/kan worden opgelost met zorg vanuit de Wlz als andere voorziening. Er is dan geen reden voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening Wmo. Wanneer een inwoner met een Wlz-indicatie thuis blijft wonen, kan de inwoner vanuit de Wmo een hulpmiddel, vervoersvoorziening en/of woningaanpassing toegekend krijgen. Dit is niet mogelijk als de inwoner in een instelling verblijft. Wanneer een inwoner verhuist naar een Wlz-instelling en er zijn eerder hulpmiddelen vanuit de Wmo verstrekt, dan kan het college contact opnemen met het Zorgkantoor om na te gaan of zij deze hulpmiddelen kan overnemen. Dit met als doel de inwoner (administratief) minder te belasten. Afbakening ondersteuning Jeugdwet - Wlz Bij jeugdigen is het vanwege de leeftijd soms lastig te beoordelen in hoeverre sprake zal zijn van een blijvende behoefte aan 24-uurs zorg. Om die reden kan het CIZ besluiten een Wlz-indicatie te weigeren. Ook is het bij meervoudige problematiek soms lastig te beoordelen of de 24-uurs zorg vooral voortvloeit uit verstandelijke/lichamelijke beperkingen of mogelijk uit psychische beperkingen. Als een jeugdige (tot 18 jaar) met een Wlz-indicatie psychische zorg nodig heeft, moet het college hiervoor jeugdhulp inzetten. Alleen wanneer de behandeling van de psychische stoornis integraal onderdeel uitmaakt van de behandeling die vanuit de Wlz geboden wordt (vanwege bijv. de verstandelijke of somatische beperking), valt de behandeling van de psychische stoornis toch onder de Wlz. Voorbeelden hiervan zijn gedragsstoornissen bij verstandelijk gehandicapten met een autisme spectrum stoornis, een depressie samenhangend met dementie en een posttraumatische stressstoornis bij een verstandelijk gehandicapte waarvoor integrale behandeling nodig is. Als de behandeling van de psychische stoornis los van de Wlz-behandeling kan worden geleverd en integrale behandeling dus niet nodig is, dan wordt de zorg voor de psychische stoornis voor jeugdigen onder de 18 jaar dus geleverd en betaald uit de Jeugdwet. De Wlz biedt een uitgebreid pakket aan zorg, waaronder verblijf en alle met dat verblijf gepaard gaande behandeling. Ook begeleiding, persoonlijke verzorging en verpleging valt bij een Wlz-indicatie onder de Wlz, evenals logeeropvang. Verder kunnen jeugdigen van 18 jaar en ouder met een licht verstandelijke beperking in een specifiek geregelde situatie tijdelijk aanspraak hebben op Wlz-zorg. De afbakening tussen de Wlz en de Jeugdwet is net als voor de Wmo met de Wlz wettelijk geregeld (artikel 1.2 van de Jeugdwet). Het college kan een maatwerkvoorziening Jeugdhulp weigeren als: de inwoner op grond van de Wlz aanspraak heeft op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz, dan wel; het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wlz en de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe. Het college neemt een melding op gebruikelijke wijze in behandeling en start een onderzoek, ook als zij weet dat de inwoner ondersteuning vanuit de Wlz ontvangt of denkt dat de inwoner daarop aanspraak kan maken. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat de ondersteuningsvraag voldoende is/kan worden opgelost met zorg vanuit de Wlz als andere voorziening. Er is dan geen reden voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening Jeugdhulp. Sommige vormen van hulp biedt de Wlz echter niet en vallen dus altijd onder het bereik van de Jeugdwet (bijv. jeugd-ggz of pleegzorg). Een Wlz-indicatie en jeugdhulp kunnen dus naast elkaar bestaan. Als de jeugdige met een Wlz-indicatie vervoer naar de locatie waar jeugdhulp geboden wordt nodig heeft, valt dat in dat geval ook onder de jeugdwet. De Wlz vergoedt namelijk enkel vervoer van en naar de locatie waar Wlz-begeleiding of behandeling wordt ontvangen. Als het college jeugdhulp wil beëindigen omdat het op grond van de Wlz geboden kan worden, dan beoordeelt het college of een jeugdige de zorg inderdaad op grond van de Wlz kan ontvangen. Als dat niet het geval is, dan wordt de jeugdhulp op grond van de Jeugdwet voortgezet. 3.5.2Afbakening Zvw De Zorgverzekeringswet (Zvw) regelt het recht op geneeskundig zorg of een hoog risico daarop. Dit recht geldt voor verzekerden van alle leeftijden. De geneeskundige zorg is vastgelegd in het basispakket. Met ‘hoog risico daarop’ wordt bedoeld dat geneeskundige zorg op grond van de Zvw ook verleend kan worden aan verzekerden bij wie nog geen sprake is van een ziekte, aandoening of beperking maar wel een ‘hoog risico’ hierop hebben. Bijvoorbeeld ouderen, mensen met een lichamelijke aandoening of mensen die snel kunnen verslechteren. Voorbeelden van zorg die voor verzekerden van alle leeftijden vallen onder de Zvw zijn verpleging, paramedische zorg (fysio-, oefen- en ergotherapie, logopedie en diëtiek) en zintuiglijke gehandicaptenzorg. Dit laatste, is zorg gericht op het psychisch leren omgaan met de handicap en interventies die de beperking opheffen/ compenseren ter vergroting van de zelfredzaamheid. Zintuiglijke gehandicaptenzorg omvat ook de ‘mede’ behandeling van ouders/ verzorgenden, kinderen en volwassenen, rondom de persoon met een zintuiglijke beperking die vaardigheden aanleren in het belang van de persoon met de beperking. Ter bevordering van de maatschappelijke participatie van de inwoner kan aanvullend op de zintuiglijke gehandicaptenzorg vanuit de Zvw begeleiding vanuit de Wmo/Jeugdwet worden ingezet. Afbakening Wmo-Zvw Naast de hierboven beschreven geneeskundige zorg kunnen hulpmiddelen die een lichaamsfunctie vervangen (hoor-apparaat, taststok, ADL3ADL zijn Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen. Het betreft de handelingen die mensen normaal dagelijks verrichten. Denk aan: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen en lopen, gaan zitten en weer opstaan, toiletbezoek, eten en drinken, medicijnen innemen, sociaal contact.-hond) en allerlei medische appraten zoals antidecubitus matrassen of ligorthesen vanuit de Zvw worden geboden. Sommige hulpmiddelen kunnen zowel vanuit de Zvw worden verstrekt als vanuit de Wmo. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is de Zvw aan zet, bij een langdurige ondersteuningsbehoefte de Wmo (zie paragraaf 2.2.5). Wanneer een inwoner voor zijn ondersteuningsvraag aanspraak kan maken op een andere voorziening (zorg/ondersteuning Zvw) kan het college een maatwerkvoorziening Wmo weigeren omdat de inwoner op eigen kracht zijn ondersteuningsvraag met de andere voorziening kan oplossen. Het kan ook voorkomen dat een combinatie van voorzieningen nodig is. In die situaties is afstemming van de maatwerkvoorziening Wmo op de andere voorziening noodzakelijk. Afbakening Jeugdwet-Zvw Als een jeugdige voor een ondersteuningsvraag recht op zorg vanuit de Zvw heeft, wordt geen maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet toegekend. Behalve als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen van de jeugdige. In dat geval gaat de maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet voor. Hiervoor geldt tevens de plicht tot afstemming. 3.6Algemene voorziening Algemene voorzieningen zijn voorzieningen in de vorm van diensten of activiteiten die vrij toegankelijk zijn, en die gericht zijn op het gezond en veilig opgroeien, groeien naar zelfstandigheid en het versterken van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de inwoner. Iedere inwoner kan van een algemene voorziening gebruik maken. Er hoeft geen onderzoek aan vooraf te gaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de inwoner. Te denken valt aan sportaccommodaties en activiteiten op buurtpleinen. Wel kunnen er globale restricties en toegangscriteria worden gesteld. Het gaat bijvoorbeeld om de frequentie waarmee de voorziening wordt bezocht of dat men behoort tot de doelgroep. Algemene voorzieningen kunnen zowel collectief als individueel van aard zijn en het kunnen zowel commerciële diensten zijn als diensten zonder winstoogmerk. Vrijwillige inzet wordt ook als algemene voorziening beschouwt. Het college streeft ernaar steeds meer algemene voorzieningen te realiseren die in de ondersteuningsvraag van inwoners voorzien, zodat minder een beroep hoeft te worden gedaan op (duurdere) maatwerkvoorzieningen. Bij een melding en tijdens het onderzoek attendeert het college de inwoner daarom waar van toepassing op de aanwezigheid en beschikbaarheid van de voor de inwoner relevante algemene voorzieningen. Indien nodig zal het college ook zorgen voor de toeleiding naar deze voorzieningen. Denk bijvoorbeeld aan de hulp die een welzijnscoach kan bieden in geval van eenzaamheid. Een niet gelimiteerd overzicht van algemene voorzieningen Wmo en Jeugdhulp is als bijlage 1 toegevoegd. 3.7Maatwerkvoorzieningen Wanneer een ondersteuningsvraag van een inwoner niet of onvoldoende op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk (inclusief eventuele mantelzorg) of door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen kan worden opgelost, kan een maatwerkvoorziening worden toegekend (zie artikel 3.2 van de verordening). Vanuit de Jeugdwet wordt een maatwerkvoorziening daarnaast enkel toegekend wanneer deze de jeugdige in staat stellen om veilig en gezond op te groeien, bijdragen aan het krijgen van ontwikkelkansen, zijn of haar deelname aan het maatschappelijk verkeer bevorderen en/of zelfredzaamheid vergroten. Dit kan dus ook door een ouder in zijn opvoedrol te versterken. Er zijn drie verschillende vormen waarin een maatwerkvoorziening kan worden toegekend, namelijk in natura, in de vorm van persoonsgebondenbudget (pgb) of als financiële tegemoetkoming. De inwoner heeft in principe vrije keuze of hij de maatwerkvoorziening in natura of in pgb wil ontvangen, let wel dat er bij pgb aanvullende criteria gelden. Slechts enkele specifieke voorzieningen kunnen toegekend worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Het is van belang om continuiteit in de zorg te behouden om deze efficient en doelmatig te kunnen uitvoeren. Om deze reden worden er grenzen gesteld aan de frequentie waarin een inwoner kan wisselen tussen een aanbieder of de financieringsvorm kan veranderen van zorg in natura naar pgb of andersom: Een inwoner kan maximaal één keer per jaar wisselen tussen aanbieders van diensten, tenzij de wisseling wordt veroorzaakt door een situatie die niet aan de inwoner te wijten is. Een inwoner kan maximaal tweemaal per jaar wisselen tussen zorg in natura en een PGB. Dat wil zeggen: één keer overschakelen van PGB naar zorg in natura en één keer weer terug. Hieronder volgt een korte toelichting op de verstrekkingsvormen. Hoofdstuk 4 is volledig gewijd aan pgb als verstrekkingsvorm van een maatwerkvoorziening. Natura Maatwerkvoorzieningen in natura zijn voorzieningen die door de gemeente zijn ingekocht. Dit kunnen zowel producten als diensten zijn (denk aan hulpmiddelen, huishoudelijke hulp, begeleiding, behandeling of vervoer). Er zijn in dit geval contract- en prijsafspraken gemaakt met aanbieders die deze diensten of hulpmiddelen leveren. De inwoner krijgt de voorziening in dit geval als het ware kant en klaar verstrekt. Pgb Bij een pgb krijgt de inwoner een bepaald bedrag voor de maatwerkvoorziening waarmee zelf het hulpmiddel of de dienst kan worden ingekocht. In geval van diensten geldt er het trekkingsrecht, dat wil zeggen dat de betaling verloopt via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Een eenmalig pgb voor bijvoorbeeld de aanschaf van een hulpmiddel of een woningaanpassing betaalt de gemeente zelf uit. Financiële tegemoetkoming Een financiële tegemoetkoming is een bijdrage in de kosten van een bepaalde dienst of hulpmiddel. Zoals is opgenomen in de verordening en in het besluit, kan deze verstrekkingsvorm slechts voor een gelimiteerd aantal van vier maatwerkvoorzieningen worden toegepast. De tegemoetkomingen kennen elk een maximum bedrag. Daarnaast worden algemeen gebruikelijke kosten, zoals lidmaatschap, materialen die elke inwoner dient aan te schaffen of ‘extra’s niet vergoed. Goedkoopst passende maatwerkvoorziening Indien een inwoner naar het oordeel van het college in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, wordt de goedkoopst passende maatwerkvoorziening toegekend. Hiermee wordt bedoeld dat in eerste instantie gezocht wordt welke voorziening adequaat is en onder de passende voorzieningen de goedkoopste voorziening wordt toegekend. Met het begrip adequaat wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Als er discussie is over welke voorziening passend is, kan onafhankelijk medisch advies worden ingewonnen. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de maatwerkvoorziening meer adequaat maken, komen in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking. Het is wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst passende maatwerkvoorziening mits de inwoner bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Hoofdstuk4.Persoonsgebonden budget Op grond van de Wmo en Jeugdwet kunnen inwoners kiezen de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) te ontvangen in plaats van zorg in natura (Zin), mits er aan enkele specifieke voorwaarden wordt voldaan. Een pgb is bedoeld om de noodzakelijke ondersteuning zelf in te kopen en dus bij uitstek geschikt voor mensen die zelf de regie over hun leven kunnen en wensen te voeren. Een pgb is niet bedoeld om een inkomen te verbeteren of een verlies van inkomsten te vergoeden/ compenseren. Zowel de Jeugdwet als de Wmo voorzien daar niet in en zijn daar evenmin voor bedoeld. De specifieke voorwaarden waaraan voldaan moet worden om een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen, zijn: De inwoner moet zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen en ten aanzien van jeugdhulp aanvullend motiveren waarom een voorziening in natura niet passend is; De inwoner moet naar oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociaal netwerk of van zijn vertegenwoordiger in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; Naar oordeel van het college moet gewaarborgd zijn dat de door de inwoner in te kopen ondersteuning, hulpmiddelen en andere maatregelen die daartoe behoren, veilig, doeltreffend en inwonergericht zijn, oftewel van goede kwaliteit. In paragraaf 4.2, 4.3 en 4.4 wordt nader op deze voorwaarden ingezoomd. Er is een verschil in procedure voor een pgb voor diensten zoals begeleiding en huishoudelijke ondersteuning en voor een eenmalig pgb voor hulpmiddelen en woningaanpassingen. Dit hoofdstuk is met name gericht op de diensten. In de laatste paragraaf wordt de procedure voor een eenmalig pgb voor de aanschaf van een hulpmiddel of aanpassing van een woning toegelicht. Op onderdelen wijkt deze af van de standaardprocedure zoals beschreven in paragraaf 4.1 tot en met 4.6. 4.1Pgb-plan Het is belangrijk dat een inwoner vooraf goed weet wat een pgb inhoudt en welke verantwoordelijkheden daarbij komen kijken. Daarom wordt tijdens de onderzoeksfase, maar ook later bij de aanvraagprocedure door het college aan de inwoner hierover voorlichting gegeven. Het schrijven van een pgb-plan helpt een inwoner om na te denken over zijn ondersteuningsvraag en de mate waarin deze met behulp van een pgb kan worden opgelost. Ook is een pgb-plan voor het college een belangrijk document om: 1) de motivatie van de inwoner voor een pgb uit af te leiden en om te toetsen of 2) de inwoner in staat is een pgb te beheren en 3) de ondersteuning die de inwoner met het pgb wenst in te kopen van goede kwaliteit is. Wanneer de inwoner weigert een pgb-plan gedeeltelijk of geheel binnen de daarvoor door het college gestelde termijn aan te leveren, kan het college niet controleren of aan de gestelde voorwaarden voor verstrekking van de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt voldaan. Het college kan dan besluiten een pgb te weigeren en de maatwerkvoorziening in natura toe te kennen. Voor het schrijven van een pgb-plan stelt het college een format beschikbaar. De inwoner beschrijft zodoende in ieder geval in zijn plan: Welk(
- e)doel(
- en)hij wil bereiken. Hoe hij deze doelen wil bereiken. Binnen welk tijdsbestek hij deze doelen denkt te bereiken. Waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen en ingeval van jeugdhulp waarom ondersteuning in natura niet passend is. Hoe de inwoner de taken die aan het pgb verbonden zijn, denkt te gaan organiseren. Indien van toepassing; wie hij gemachtigd heeft om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en hoe de vertegenwoordiger de aan de pgb verbonden taken gaat organiseren. Welke ondersteuning hij met het pgb wenst in te kopen (wat, waar en/of bij wie). Hoe deze ondersteuning zich verhoudt tot het eigen probleemoplossend vermogen. Wat de kwaliteit van de ondersteuning is die hij met het pgb wenst in te kopen en waaruit blijkt dat de ondersteuning van goede kwaliteit is (voldoet aan de eisen in dit hoofdstuk). Hoe hij de kwaliteit van de ondersteuning denkt te kunnen/ gaat waarborgen. Hoe hij de ondersteuning wil gaan organiseren. Wat de ondersteuning per activiteit kost (onderbouwd met een raming). 4.2 Schriftelijke motivatie Op grond van de Wmo en de Jeugdwet moet een inwoner beargumenteren waarom hij de maatwerkvoorziening als pgb wenst te ontvangen. Uit de motivatie moet blijken dat het de beslissing van de inwoner zelf is om een pgb aan te vragen. In de jeugdwet is bepaald dat voor een maatwerkvoorziening Jeugdhulp als pgb de inwoner aanvullend moet motiveren waarom de maatwerkvoorziening in natura niet passend is en hij daarom een pgb wenst. Uit deze aanvullende argumentatie moet duidelijk naar voren komen dat de inwoner zich voldoende heeft georiënteerd op de aangeboden maatwerkvoorziening in natura. Een inwoner kan ervoor kiezen een maatwerkvoorziening voor diensten gedeeltelijk in de vorm van een pgb en gedeeltelijk in natura te ontvangen. In dat geval moet in de schriftelijke motivatie duidelijk worden aangegeven hoe de inwoner deze verdeling wil maken en ligt de verplichting bij de inwoner of zijn vertegenwoordiger om de ondersteuning te coördineren en op elkaar af te stemmen. 4.3Pgb-vaardigheid budgethouder Om er zeker van te zijn dat bij toekenning een pgb goed wordt besteed, is het belangrijk dat de inwoner naar het oordeel van het college voldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen én in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Kortgezegd oordeelt het college daarom of de inwoner al dan niet met hulp uit het sociaal netwerk of hulp van zijn wettelijke vertegenwoordiger, in staat is een pgb te beheren Onder andere het afsluiten van een zorgovereenkomst en het kunnen afleggen van een verantwoording over de besteding van het budget wordt hiertoe gerekend. Het college maakt bij deze beoordeling gebruik van de checklist ‘10 punten pgb-vaardigheid’ zoals gepubliceerd door het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS). Op de volgende pagina staan vijf van de tien punten uit deze checklist waar het college in haar beoordeling zwaar aan weegt uitgewerkt met wat voorbeeld hulpvragen. Daar waar inwoner staat, kan ook met hulp uit het sociaal netwerk of hulp van een wettelijke vertegenwoordiger worden gelezen. Het overzien van de eigen situatie Hulpvragen: Weet de inwoner goed duidelijk te maken wat zijn beperkingen zijn? Weet de inwoner goed duidelijk te maken welke belemmeringen hij ondervindt in het zelfredzaam zijn, maatschappelijk participeren, opgroeien en/of opvoeden? Weet de inwoner goed duidelijk te maken welke behoeften aan ondersteuning hij heeft? Weet de inwoner in te schatten wat voor hem passende ondersteuning is? Het kunnen voeren van een eigen administratie Hulpvragen: Heeft de inwoner aantoonbaar ervaring met het voeren van een administratie? Heeft de inwoner schulden? Heeft de inwoner schuldsanering? Is er sprake van bewindsvoering, mentorschap of een curator? Het voldoende vaardig zijn om te kunnen communiceren Hulpvragen: Spreekt de inwoner de Nederlandse taal? Verstaat de inwoner de Nederlandse taal? Schrijft de inwoner de Nederlandse taal? Beschikt de inwoner over een eigen e-mailadres? Onderhoudt de inwoner zelf contact met instanties als de zorgverzekeraar, gemeente of belastingdienst? Het zelfstandig kunnen handelen en kunnen kiezen van een zorgverlener Hulpvragen: Is de inwoner zelf aan het woord tijdens het gesprek, voert hij de regie? Is de inwoner in het dagelijkse leven in staat keuzes te maken als het gaat om dagelijkse taken, grote uitgaven, sport & recreatie? Het kunnen coördineren van zorg/ de inzet van zorgverleners Hulpvragen: Welke eerdere/ andere verantwoordelijkheden, werkervaringen heeft de inwoner in een coördinerende rol? Bijv. voeren van een huishouden, rollen/functies in betaald- of vrijwilligerswerk of op het gebied van sport & recreatie? Hoe handelt de persoon bij onverwachte gebeurtenissen? Kan de inwoner afspraken maken over uren en uurtarief? Ook de andere vijf punten uit de checklist neemt het college mee in haar beoordeling van de pgb-vaardigheid van de inwoner die een pgb wenst. Het gaat om: Het op de hoogte zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of die (online) weten te vinden. Het in staat zijn om afspraken te maken en vast te leggen en dit te verantwoorden aan het college. Het kunnen beoordelen of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is. Het in staat zijn als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren. Het hebben van voldoende juridische kennis over het werk- of opdrachtgeverschap. Ter onderbouwing van bovenstaande vaardigheden, is het raadzaam om als inwoner bewijsstukken te overhandigen of bij het pgb-plan te voegen. Het gaat om documenten waaruit blijkt dat hij over bepaalde vaardigheden beschikt, maar ook medische verklaringen kunnen zinvol zijn. Daarnaast heeft het de voorkeur van het college om het gesprek waarin de pgb-vaardigheid mede getoetst wordt, zonder aanwezigheid van de zorgverlener te voeren. Wanneer het college van oordeel is dat de inwoner/vertegenwoordiger niet in staat is een pgb te beheren, kan zij besluiten een pgb te weigeren en de maatwerkvoorziening in natura te verstrekken. Belangenverstrengeling Uit een verzoek tot verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb, kan blijken dat de ondersteuning met het gewenste pgb ingekocht gaat worden bij de persoon die ook het pgb zal gaan beheren. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een ouder die namens zijn kind het pgb wil beheren en ook zelf de ondersteuning vanuit het pgb aan het kind zal bieden. Het college hanteert als uitgangspunt dat het pgb-beheer en het bieden van de ondersteuning vanuit een pgb niet bij één en dezelfde persoon mag liggen. Enkel wanneer naar oordeel van het college geen sprake is van een onacceptabele belangenverstrengeling en uiteraard ook aan alle overige criteria (inclusief de kwaliteitseisen) wordt voldaan, kan deze dubbelrol worden toegestaan. 4.4Kwaliteitstoets in te kopen ondersteuning Het is de taak van het college om er zeker van te zijn dat de ondersteuning die de inwoner vanuit een pgb wil inkopen van goede kwaliteit is. Het college toetst hierop bij de aanvraag, maar is te allen tijde bevoegd tussentijds heronderzoek te doen. Het mag dus ook lopende de bestedingstermijn van het pgb onderzoeken of het pgb juist besteed wordt en/ of de ingekochte ondersteuning nog steeds aan de kwaliteitseisen voldoet. Bij haar toets op kwaliteit, kijkt het college of de ondersteuning veilig, doeltreffend en inwonergericht is. Wanneer de ondersteuning naar het oordeel van het college niet van goede kwaliteit is, kan het college besluiten een verzoek tot verstrekking van de maatwerkvoorziening als pgb te weigeren en de maatwerkvoorziening in natura te verstrekken of een eerder genomen besluit tot verstrekking van een pgb te herzien dan wel in te trekken. Allereerst wordt in paragraf 4.4.1 beschreven wat verstaan wordt onder de begrippen ‘veilig’, ‘doeltreffend’ en ‘inwonergericht’. In de paragrafen daarna worden deze begrippen vertaald naar concrete kwaliteitseisen. 4.4.1Veilig, doeltreffend en inwonergericht Veilig Met het begrip ‘veilig’ wordt bedoeld dat de inwoner de ingekochte ondersteuning met weinig risico’s kan ontvangen/gebruiken. Het gaat om risico’s ten aanzien van zijn fysieke, sociale of psychische gesteldheid. Een aspect waarnaar gekeken wordt bij het beoordelen of de ondersteuning veilig is, is de aard van de relatie tussen de ondersteuner en de inwoner. Waaruit blijkt dat de ondersteuner de inwoner met respect behandelt? Dat deze oog heeft voor de rechten en plichten van de inwoner en in lijn met bepaalde gedrag- meldcodes handelt? Doeltreffend Bij doeltreffend gaat het om de vraag of de ondersteuning passend en toereikend is gelet op de problematiek en ontwikkelingsdoelen van de inwoner. Of de kwaliteit van de hulp toereikend is, is niet alleen afhankelijk van de bekwaamheid van de zorgverlener (opleiding, werkervaring en/of referenties) en zijn wijze van hulpverlening, maar ook van de situatie en (achtergrond van) de problematiek van de inwoner. De hulp die een zorgverlener biedt, kan immers de ene inwoner wel in staat stellen zijn doelen te realiseren, terwijl dit voor de andere inwoner (gelet op zijn problematiek) onvoldoende oplossing biedt. Het stukje maatwerk dat een zorgverlener vooraf/tussentijds aantoonbaar kan leveren, met een begeleidingsplan/ evaluatieverslag, bepaalt in grote mate of de ondersteuning passend en toereikend (doeltreffend) is voor de inwoner. De aard van de relatie tussen de zorgverlener en de inwoner is niet alleen relevant voor de veiligheid, maar ook voor de doeltreffendheid van de in te kopen ondersteuning. Kunnen de beoogde ontwikkelingsdoelen, gelet op de problematiek van de inwoner, behaald worden wanneer de ondersteuning wordt geboden door een bekende (bijvoorbeeld iemand uit het sociaal netwerk) of is hiervoor een onafhankelijk persoon (bijvoorbeeld een professional) vereist? Inwonergericht Met de term inwonergericht wordt bedoeld dat de in te kopen ondersteuning aansluit op datgene wat de inwoner nodig heeft. Vragen die daarbij centraal staan, zijn: waaruit blijkt dat de beoogde zorgverlener zich bij het bieden van de ondersteuning op de wensen, voorkeuren en behoeften van de inwoner baseert? Of dat de beoogde zorgverlener over voldoende deskundigheid en de juiste competenties beschikt om de voor de specifieke inwoner benodigde ondersteuning te bieden? Denk aan een verslag van een intakegesprek, maar bijvoorbeeld ook aan specifieke kenmerken (zoals bijvoorbeeld de godsdienstige gezindheid) of de specialisatie/deskundigheid van de persoon of organisatie waar de inwoner de ondersteuning wil inkopen. Voorbeelden waarbij de in te kopen ondersteuning (specialistische begeleiding) niet van goede kwaliteit (veilig, doeltreffend en inwonergericht) is: Een inwoner heeft naar het oordeel van het college gedurende 4 dagdelen specialistische begeleiding nodig op de locatie van dagbesteding. De locatie van de dagbesteding waar inwoner de ondersteuning vanuit een pgb wenst in te kopen, is echter maar 2 dagdelen per week open. Daarnaast blijkt op de locatie geen gekwalificeerd persoon aanwezig te zijn om de naar het oordeel van het college benodigde ondersteuning te bieden (toedienen van insuline). ECLI:NL:RBOVE:2019:2353. Naar het oordeel van het college heeft een inwoner gespecialiseerde dagbesteding met hoog intensieve ondersteuning nodig in een groepssetting gedurende 9 dagdelen per week. De partner van de inwoner is niet in staat dit te bieden. De partner is wel in staat de gebruikelijke hulp te kunnen bieden: ECLI:NL:RBAMS:2017:3998. Naar het oordeel van het college heeft een jeugdige die onder meer agressief gedrag vertoont specialistische begeleiding nodig. De expertise gericht op gedragsregulering en deskundigheid om de begeleiding te bieden, ontbreekt bij de moeder en stiefvader van de inwoner. ECLI:NL:CRVB:2019:1815. 4.4.2Basiskwaliteitseisen ondersteuning pgb Om te kunnen spreken van ondersteuning van goede kwaliteit (veilige, doeltreffende en inwonergerichte ondersteuning), moet de ondersteuning die een inwoner met een pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college aan de volgende basiskwaliteitseisen voldoen: De ondersteuning leidt tot het behalen van de doelen en resultaten waarvoor de maatwerkvoorziening is/ wordt toegekend. De ondersteuning is afgestemd op de reële ondersteuningsbehoefte van de inwoner en op andere vormen van zorg of hulp die de inwoner ontvangt. De ondersteuning wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de inwoner. De ondersteuning wordt tijdig en conform afspraak geboden. De ondersteuningscontinuïteit is gewaarborgd. De inwoner heeft vertrouwen in de zorgverlener. De inwoner kan zijn familie en mantelzorger betrekken in de zorg, de zorgverlener houdt daar rekening mee. De zorgverlener heeft oog voor alle levensgebieden, zoals de woon-, werk- en leefomgeving van de inwoner. De zorgverlener heeft een actieve signaleringsplicht ten aanzien van veranderingen in de gezondheid (fysiek en psychisch), de sociale situatie en de behoefte van de inwoner aan meer of andere zorg. 4.4.3Kwaliteitseisen professionele ondersteuning Wanneer de ondersteuning die de inwoner vanuit een pgb wenst in te kopen, geboden gaat worden door een professionele zorgverlener, gelden de volgende kwaliteitseisen: De zorgverlener voldoet aan de basiskwaliteitseisen zoals geformuleerd in paragraaf 4.4.2. De zorgverlener is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De zorgverlener draagt zorg voor het naleven van beroeps- en meldcodes door de medewerkers. Voor professionele jeugdhulpaanbieders betreft het in ieder geval de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling.4In geval van een zzp-er is deze eis op de zzp-er zelf van toepassing. Alle medewerkers van de zorgverlener beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG)4. De zorgverlener heeft een systeem voor het bewaken, beheersen en verbeteren van de kwaliteit. De zorgverlener heeft de meldplicht om calamiteiten en geweld te melden aan de daarvoor aangewezen toezichthoudende instantie. De zorgverlener stelt voor het bieden van de ondersteuning een plan van aanpak op hoe de doelen en resultaten gehaald gaan worden en stelt dit plan periodiek bij met een evaluatie en eventueel nieuwe aanpak. Professionele zorgverlener Jeugdhulp (oftewel jeugdhulpaanbieder) De jeugdwet kent een zelfstandig kwaliteitsregime. Dit betekent dat de kwaliteitseisen zoals vastgelegd in de Jeugdwet en de regeling Jeugdwet van toepassing zijn op alle professionele jeugdhulpaanbieders ongeacht of ze jeugdhulp bieden in natura of bekostigd worden vanuit een pgb.Veel van deze wettelijke kwaliteitseisen staan hierboven al opgesomd of beschreven als basiseis in paragraaf 4.4.2. Een wettelijke kwaliteitseis die in deze opsommingen nog ontbrak, maar dus eveneens van toepassing is op ondersteuning die geboden wordt door een professionele jeugdhulpaanbieder ongeacht of deze ondersteuning biedt in natura of vanuit een pgb, is de eis dat: De professionele jeugdhulpaanbieder5 In geval van een zzp-er is deze eis op de zzp-er zelf van toepassing. voldoet aan de norm van de verantwoorde werktoedeling, oftewel: De zorgverlener zet een SKJ of BIG6In geval van vaktherapie geldt het register Vaktherapie. -geregistreerde professional in of kan aannemelijk maken dat een niet-geregistreerde professional niet afdoet aan de kwaliteit van de hulp of deze zelfs vergroot. De zorgverlener zet professionals in met de kennis en vaardigheden die passen bij de ondersteuningsvraag van de inwoner. De zorgverlener stelt professionals in staat om te werken volgens de voor hen geldende professionele standaard7Hierbij worden beroepscodes en vakinhoudelijke richtlijnen bedoeld. Zie voor de richtlijnen jeugdhulp: www.richtlijnenjeugdhulp.nl Bij de inzet van een niet-geregistreerde professional, toetst het college of de ondersteuning van goede kwaliteit is en specifiek of aan de norm van verantwoorde werktoedeling wordt voldaan. Hiervoor maak het college onder andere gebruik van het afwegingskader uit het Kwaliteitskader Jeugd waarin beschreven staat wanneer de inzet van een geregistreerde professional vereist is. Daarnaast baseert het college zich op de uitwerking van de kwaliteitseisen in de contracten met professionele jeugdhulpaanbieders die de zorg leveren in natura. Deze inkoopdocumenten Jeugdhulp in natura zijn te vinden op de website van de Regionale Backoffice Lekstroom. Professionele zorgverlener maatschappelijke ondersteuning Voor professionele maatschappelijke ondersteuning die een inwoner vanuit een pgb wenst in te kopen, stelt het college nog aanvullend op de eisen eerder in deze paragraaf met uitzondering van de eis over de norm verantwoorde werktoedeling voor professionele Jeugdhulp, dat: De ondersteuning wordt geleverd, passend bij de behoeften, persoonskenmerken en de ondersteuningsvraag van de inwoner door gekwalificeerd personeel.5 Indien van toepassing, zijn de zorgverlener en zijn de medewerkers geregistreerd volgens de geldende beroepsregistratie.5 Het college baseert zich hiervoor mede op de kwaliteitseisen die zij bij de inkoop stelt aan professionele zorgverleners die de betreffende maatschappelijke ondersteuning in natura leveren. Zie voor de inkoopdocumenten Wmo de website van de Regionale Backoffice Lekstroom. Overige mogelijkheden om de kwaliteit van professionele ondersteuning te toetsen Om te komen tot een oordeel of de professionele ondersteuning die de inwoner met een pgb wenst in te kopen van goede kwaliteit is, kan het college ook: contact opnemen met de professionele zorgverlener en aanvullende informatie opvragen, zoals klantervaringen/-beoordelingen. jaarverslagen raadplegen. rapporten van één of meerdere inspecties of toezichthoudende instanties te raadplegen. 4.4.4Kwaliteitseisen ondersteuning sociaal netwerk Zoals gezegd is het de taak van het college om te waarborgen dat de ondersteuning die de inwoner vanuit een pgb wil inkopen van goede kwaliteit is. Wanneer de inwoner ondersteuning wil inkopen bij een persoon uit zijn sociaal netwerk, is er een verhoogd risico op belangenverstrengeling. Bovendien is een persoon uit het sociaal netwerk vaak niet specifiek gekwalificeerd om deze ondersteuning te bieden. Het college is om deze twee redenen extra kritisch bij haar toets op de kwaliteit van de ondersteuning geboden door een persoon uit het sociaal netwerk. Het college stelt de volgende kwaliteitseisen aan ondersteuning die geboden wordt door iemand uit het sociaal netwerk van de inwoner: De hulpverlener voldoet aan de basiskwaliteitseisen zoals geformuleerd in paragraaf 4.4.2. De hulpverlener heeft de in relatie tot de behoeften, persoonskenmerken en de ondersteuningsvraag van de inwoner benodigde expertise en ervaring. De ondersteuning vanuit het sociaal netwerk is beter, meer effectief en doelmatiger dan ondersteuning door een professionele aanbieder. De hulpverlener uit het sociaal netwerk is voldoende op de hoogte van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van de ondersteuning verbonden zijn. Bij de hulpverlener uit het sociaal netwerk is geen sprake van (dreigende) overbelasting. Met deze laatste bullit geeft het college aan dat zij de hulp die een (dreigend) overbelast persoon uit het sociaal netwerk bereid is te bieden, in principe niet van goede kwaliteit vindt. Dit betekent bijvoorbeeld, dat bij de toekenning van een maatwerkvoorziening Jeugdhulp in de vorm van een pgb ten behoeve van een jeugdige, de (dreigend) overbelaste ouder niet degene kan zijn die de ondersteuning vanuit het pgb gaat bieden. In een dergelijke situatie zal gezocht moeten worden naar een ander niet (dreigend) overbelast persoon uit het sociaal netwerk (die bereid is de hulp te bieden en ook aan de andere criteria voldoet) of zal hulp in natura worden ingezet. Mocht na het toekennen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb voor hulp van een persoon uit het sociaal netwerk, sprake zijn van (dreigende) overbelasting bij die hulpverlener, dan zal het college samen met de inwoner zoeken naar een passende oplossing om verdere (dreigende) overbelasting te voorkomen. (Tijdelijke) inzet van professionele hulp in natura al dan niet gecombineerd met (tijdelijk) een (andere) hulpverlener uit het sociale netwerk behoort tot mogelijke oplossingen. Zie ook de tekst bij ‘duur van de toekenning en combinatiemogelijkheid’ en ‘ondersteuning geboden door huisgenoten’. Het college neemt de kwaliteitseisen die zij stelt aan profesionele zorgverleners als uitgangspunt bij haar toets of de hulpverlener over de benodigde expertise en ervaring beschikt, evenals of de ondersteuning meer effectief en doelmatiger is dan professionele ondersteuning. Zie paragraaf 4.4.3. Goede kwaliteit individuele begeleiding (Wmo) en Behandeling en Begeleiding Zwaar (Jeugdhulp) Het college is van mening dat bij de maatwerkvoorzieningen Wmo individuele begeleiding, type ontwikkelen en/of de verzwarende omstandigheden + en ++ alsmede de maatwerkvoorzieningen Jeugdhulp Behandeling en Begeleiding Zwaar, alleen sprake kan zijn van een goede kwaliteit van de ondersteuning wanneer de hulpverlener naar het oordeel van het college: 1) beschikt over de benodigde specialistische kennis, vaardigheden en ervaring, 2) werkt aan de hand van effectief bewezen methoden én 3) volledig onafhankelijk en objectief kan handelen. Dit, gezien de complexe aard en/of zwaarte van de problematiek waarvoor deze maatwerkvoorzieningen in natura worden toegekend. Dit betekent, dat het college de maatwerkvoorziening Jeugdhulp ‘Behandeling’ niet en de maatwerkvoorziening Wmo individuele begeleiding, type ontwikkelen en/of de verzwarende omstandigheden + en ++ en Begeleiding Zwaar (Jeugdhulp) slechts in uitzonderlijke situaties zal toekennen in de vorm van een pgb voor ondersteuning uit het sociaal netwerk. Duur van de toekenning en combinatiemogelijkheid Wanneer het college enigszins twijfelt of de ondersteuning door iemand uit het sociaal netwerk van goede kwaliteit is, kan zij besluiten om een pgb eerst voor een korte duur toe te kennen. Na deze periode wordt de kwaliteit opnieuw getoetst en volgt een nieuw besluit. Ook kan het college bij lichte twijfel met de inwoner de mogelijkheid bespreken om de ondersteuning deels bij iemand uit het sociaal netwerk in te kopen en deels bij of onder toezicht van een professionele zorgverlener. Het is immers denkbaar dat bepaalde vormen van ondersteuning/ handelingen, na een periode van instructie/toezicht door een professional, zelfstandig uitgevoerd kunnen worden door een persoon die daarvoor oorspronkelijk niet is opgeleid. Ondersteuning geboden door huisgenoten Wanneer het college na haar kritische toets een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb toekent voor ondersteuning van een huisgenoot, beperkt de inzet vanuit het pgb zich tot de ondersteuning die de gebruikelijke hulp overstijgt. Voor de volledigheid wordt nogmaals genoemd dat een pgb bedoeld is om de noodzakelijke ondersteuning in te kopen en niet benut mag worden om een inkomen te verbeteren of verlies van inkomsten te compenseren. 4.5Hoogte pgb De berekeningswijze die het college als uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van een pgb hanteert, is vastgelegd in de verordening. Het college baseert zich bij het bepalen van de hoogte van een pgb op de kostprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura. Daarbij maakt zij voor de berekening van een pgb voor diensten onderscheid tussen formele en informele ondersteuning en binnen de formele ondersteuning (oftewel ondersteuning geboden door een professionele zorgverlener) tussen een zelfstandige/zelfstandig ondernemer zonder personeel (zzp-
- er)en een onderneming met personeel. De hoogte van een pgb zoals berekend op grond van de berekeningswijze, kan naar het oordeel van het college nog naar boven of naar beneden worden bijgesteld. Het pgb moet toereikend zijn om het beoogde doel te realiseren oftewel de inwoner in staat stellen om de daarvoor benodigde ondersteuning in te kopen. Desalniettemin is de hoogte van een pgb begrensd op de kostprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura. Algemeen gebruikelijke kosten komen niet voor bekostiging in aanmerking. Wanneer het college een pgb toekent voor het inkopen van ondersteuning bij iemand uit het sociaal netwerk, wordt bij het berekenen van de hoogte van het pgb het tarief voor informele ondersteuning gehanteerd. Ook wanneer de hulpverlener uit het sociaal netwerk een professional betreft die voldoet aan de eisen zoals beschreven in paragraaf 4.4.3. 4.6Uitbetaling, besteding en verantwoording pgb 4.6.1Uitbetaling Een pgb wordt uitbetaald in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het pgb niet op de bankrekening van de inwoner (budgethouder) stort, maar op rekening van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB betaalt vervolgens de zorgverlener uit, op basis van declaraties en/of facturen van de budgethouder. Voor de uitbetaling aan de zorgverlener heeft de SVB echter eerst een zorgovereenkomst nodig. Dat is een contract tussen de budgethouder en de zorgverlener. De budgethouder sluit dit contract met de zorgverlener af en legt deze voor aan het college voordat deze wordt opgestuurd naar de SVB. In een zorgovereenkomst staan de concrete afspraken tussen de budgethouder en de zorgverlener, waaronder: Wat voor zorg de zorgverlener gaat leveren. De werktijden/ -dagen. Het uurtarief, de vergoeding of het loon. De niet bestede pgb gelden worden door de SVB na afloop van de gestelde termijn voor besteding terugbetaald aan de gemeente. Voor de volledigheid wordt nog eens benadrukt dat de inwoner verplicht is om tussentijdse veranderingen in de persoonssituatie en/of de zorgovereenkomst (bijvoorbeeld wisseling van zorgverlener) onverwijld bij het college te melden omdat deze van invloed kunnen zijn op toekenning van de maatwerkvoorziening (zie ook verordening) en/of voor het college aanleiding kunnen zijn voor een nieuwe toets op de criteria voor verstrekking van de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. 4.6.2Besteding In de verordening staat beschreven dat het pgb besteed moet worden aan het doel waarvoor de maatwerkvoorziening is toegekend, onder de voorwaarden waaronder het is toegekend en binnen de termijn waarvoor het verstrekt is. Ook is in de verordening bepaald dat een beslissing tot verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling of binnen de termijn waarvoor het is verstrekt, niet is aangewend voor het doel waarvoor de maatwerkvoorziening is toegekend. De inwoner hoeft met het pgb niet exact dezelfde diensten of hulpmiddelen in te kopen als die zouden zijn toegekend in natura. Wel moet met de in te kopen ondersteuning hetzelfde doel worden behaald waarvoor de maatwerkvoorziening is toegekend. Ook hoeft het pgb niet te worden besteed conform het aantal door het college geïndiceerde uren en tegen het tarief waarop het college zich bij de berekening van het pgb heeft gebaseerd; Het is toegestaan om minder uren tegen een hoger tarief of meer uren tegen een lager tarief in te kopen. Uiteraard, mits de kwaliteit goed is en een (even) goed resultaat kan worden behaald voor minimaal de duur waarvoor de maatwerkvoorziening versterkt is (looptijd van de beschikking). Ondersteuning uit het buitenland Uitgangspunt is dat een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb in Nederland wordt besteed. Als een inwoner met een pgb voor diensten deze in het buitenland wenst te besteden, kan hiervoor in bijzondere gevallen toestemming worden verleend door het college. Denk aan specifieke hulp die vanwege zijn aard en in relatie de beperkingen van de inwoner in Nederland niet beschikbaar is. Deze moet in dat geval zijn opgenomen in de goedgekeurde schriftelijke motivatie, als onderdeel van het ondersteuningsplan. Uiteraard moet ook aan alle overige criteria die van toepassing zijn bij de toekenning van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb worden voldaan, zoals de kwaliteitseisen. De inwoner kan dan een zorgovereenkomst sluiten met een buitenlandse aanbieder of hulpverlener. De SVB accepteert deze zorgovereenkomsten en zorgt ook voor uitbetaling aan de buitenlandse zorgverlener. Oneigenlijke besteding Het persoonsgebonden budget moet besteed worden aan het doel/resultaat waarvoor het is verstrekt. Dus direct aan de maatwerkvoorziening gerelateerde kosten van zorg en ondersteuning. Dit betekent dat alleen de kosten van de activiteiten van de hulpverlener worden vergoed die rechtstreeks het doel of resultaat ondersteunen. Het pgb mag in ieder geval niet besteed worden aan: Bemiddelings- en administratiekosten. Kosten verbonden aan het opstellen van het pgb-plan. Reistijd, vervoers- en parkeerkosten van de hulpverlener. Overheadkosten van de hulpverlener waaronder mede begrepen kosten van de hulpverlener voor het opstellen van een zorg- of werkplan. Feestdagen- en/of eenmalige uitkering of cadeau aan de hu.pverlener. Kosten die te beschouwen zijn als algemeen gebruikelijk (zoals abonnementskosten, kosten verbonden aan het uitoefenen van een hobby of sport, uitstapjes en dergelijke). Kosten van zorg en ondersteuning die onder een andere of algemene voorziening vallen. Een op grond van wet- en/of regelgeving te betalen eigen bijdrage. 4.6.3Verantwoording Om de doel- en rechtmatigheid van de besteding van het pgb vast te stellen, dient uiterlijk drie maanden voorafgaand aan de einddatum van de gestelde bestedingstermijn een verantwoording te worden ingediend bij het college. Het college stelt hiervoor een format ter beschikking. De verantwoording is gerelateerd aan de voorwaarden voor toekenning zoals beschreven in de beschikking in het ondersteuningsplan en bestaat in ieder geval uit: Een beschrijving van de ingekochte ondersteuning, waaronder: soort ondersteuning aantal uren plus tarief wie de zorg heeft geleverd. Een beschrijving van de doelen die wel/niet zijn behaald met onderbouwing. Wanneer uit de verantwoording blijkt dat de beoogde doelen/ resultaten waarvoor de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is toegekend, niet/onvoldoende zijn behaald en de onderbouwing daarvoor naar het oordeel van het college tekort schiet, kan het college besluiten haar eerder genomen besluit tot toekenning van de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te herzien of in te trekken. Dit is uiteraard ook het geval wanneer het college constateert dat het pgb niet is besteed aan het doel waarvoor het is toegekend. Voorbeeld: Een inwoner zijn zou volgens het college doelen kunnen bereiken op gebied van daginvulling en huishouden. De inwoner heeft dit met de door hem gekozen ondersteuning niet bereikt. De doelen zijn door het college opgesteld en de inwoner kocht de ondersteuning in de vorm van begeleiding in bij zijn ouders. Er kon na 2 jaar niet aangetoond worden dat er een toename was in de zelfstandigheid op gebied van dagbesteding buitenshuis en het voeren van een gestructureerd huishouden. De ondersteuning door ouders heeft niet op de gewenste gebieden de zelfstandigheid vergroot. Om deze reden mag een pgb geweigerd worden op grond van artikel 2.3.6 lid 2 onderdeel c Wmo 2015. ECLI:NL:CRVB:2018:375. 4.7Pgb bij hulpmiddelen en woningaanpassingen Een inwoner hoeft voor het indienen van een verzoek tot verstrekking van de maatwerkvoorziening Wmo betreffende een hulpmiddel of woningaanpassing, geen pgb-plan in te dienen zoals beschreven staat in paragraaf 4.1. Deze maatwerkvoorzieningen worden immers als éénmalig pgb toegekend door de gemeente. Er is geen sprake van een zorgovereenkomst en de SVB is ook niet betrokken. Indien de inwoner tijdens het onderzoek aangeeft een hulpmiddel of woningaanpassing als pgb wenst te ontvangen, voert het college een korte toetst uit op de pgb-vaardigheid. Wanneer de inwoner naar het oordeel van het college in aanmerking komt voor de betreffende maatwerkvoorziening Wmo en de pgb-vaardigheid hiervoor op orde is, wordt in de beschikking als onderdeel van het ondersteuningsplan opgenomen onder welke voorwaarden de betreffende maatwerkvoorziening als pgb wordt toegekend. Het betreft in ieder geval: De hoogte van het pgb (inclusief kosten voor verzekering, onderhoud en reparatie). Het Programma van Eisen (PvE). Oftewel een beschrijving van het doel en resultaat waarvoor de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt toegekend en eventuele voorwaarden aan de invulling. De duur van de verstrekking. Eventuele verplichtingen voor het afsluiten van een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering (WA) of een onderhoudscontract. Besteding en verantwoording. Hoogte pgb Net als bij een pgb voor het inkopen van een dienst moet het pgb voor een hulpmiddel of een woningaanpassing toereikend zijn om het beoogde doel te realiseren. De hoogte van het pgb wordt gebaseerd op minimaal twee offertes van hulpmiddelenleveranciers en/of aannemers (aangeleverd door de inwoner dan/wel door het college opgevraagd) en is ten hoogste gelijk aan de kostprijs van de maatwerkvoorziening in natura. Ook kan een aanvraag voor een pgb voor een hulpmiddel of woningaanpassing geweigerd worden voor dat deel van de kosten die hoger zijn dan verstrekking in natura, maar kan een inwoner ervoor kiezen om zelf het deel bij te betalen dat hoger is. Programma van Eisen (PvE) In het PvE legt het college vast voor welk doel de maatwerkvoorziening als pgb wordt toegekend en waaraan de voorziening moet voldoen. Immers, deze wordt toegekend ten behoeve van het oplossen van een bepaalde ondersteuningsvraag. Als de inwoner een andere voorziening dan voorgesteld wil, kan hij daarvoor kiezen onder bepaalde voorwaarden, namelijk; de voorziening roept geen (andere) belemmeringen op, en de voorziening dient de beperking op hetzelfde niveau op te lossen als in het PvE wordt gesteld. Uiteraard dient de invulling ook van goede kwaliteit te zijn: veilig, doeltreffend en inwonergericht. Dat wil zeggen dat het hulpmiddel of de woningaanpassing aansluit bij datgene wat de inwoner nodig heeft, daadwerkelijk de ondersteuningsbehoefte voldoende oplost en ook veilig gebruikt kan worden. Onder veiligheid vallen ook bepaalde (brand)veiligheidskeurmerken/ISO-normeringen. De specifieke eisen die het college stelt aan de kwaliteit worden opgenomen in het PvE. Duur van de toekenning De maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt tenminste toegekend voor de normale afschrijvingstermijn van de desbetreffende voorziening (tenzij anders beschreven in de beschikking). Het college verstaat onder de normale afschrijvingstermijn de technische afschrijvingsduur. Dit houdt in, dat het college niet gehouden is een economisch afgeschreven voorziening, die nog in goede staat is en passend voor de inwoner, in te nemen en een nieuwe maatwerkvoorziening te verstrekken. De normale afschrijvingstermijnen zijn als bijlage opgenomen (zie bijlage 3). Zolang de voorziening nog goedkoopst passend is en volgens de normale afschrijvingstermijn nog niet is afgeschreven, kan de inwoner pas een nieuwe aanvraag doen wanneer de looptijd van de indicatie is verstreken. De situatie van de inwoner kan verslechteren, waardoor de voorziening niet meer als passend kan worden aangemerkt. Als wordt verwacht dat de situatie van de inwoner (langzaam) achteruit zal gaan, wordt dit ook opgenomen in het PvE. Een medisch onderzoek kan aan de orde zijn. Indien de inwoner ervoor kiest een tweedehands hulpmiddel aan te schaffen, dan is het risico dat de voorziening binnen de looptijd van de beschikking technisch wordt afgeschreven, voor de inwoner. Dit betekent dat er binnen de looptijd van de beschikking enkel om de reden dat de voorziening technisch of economisch afgeschreven is, geen nieuwe voorziening wordt toegekend. Verzekering en onderhoud Wanneer met het pgb een hulpmiddel wordt aangeschaft, omvat het pgb een bedrag voor verzekering, onderhoud en reparaties. In geval van elektrische voorzieningen betreft dit 6% van de hoogte van het pgb per jaar, en voor niet-elektrische voorzieningen 2%. Deze kosten worden vergoed op declaratiebasis en zijn gemaximeerd op het toegekende bedrag per jaar tot aan het aantal jaar van de toekenning. Indien er garantie wordt geboden op de te kopen voorziening, wordt er het 1e jaar geen bedrag gereserveerd voor onderhoud en reparatie. Besteding en verantwoording In de verordening is bepaald dat een beslissing tot verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling of binnen de termijn waarvoor het is verstrekt, niet is aangewend voor het doel waarvoor de maatwerkvoorziening is toegekend. Een omzetting van een pgb in een maatwerkvoorziening in natura is niet meer mogelijk nadat er al uitgaven zijn gedaan uit het pgb. Andersom kan ook een eenmaal verstrekte maatwerkvoorziening in natura gedurende de duur van de looptijd van de afgegeven beschikking – indien de voorziening nog goedkoopst passend is en niet is afgeschreven – niet omgezet worden in een pgb. Hoofdstuk5.Maatwerkvoorzieningen Wmo Dit hoofdstuk bevat beleidsregels over maatwerkvoorzieningen Wmo die bijdragen aan participatie en zelfredzaamheid van een inwoner. Zie paragraaf 1.1.4 voor de verschillende ondersteuningsgebieden. Een maatwerkvoorziening Wmo wordt alleen verstrekt als de ondersteuningsvraag onvoldoende op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk (inclusief eventuele mantelzorg) of door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen, kan worden opgelost. Belangrijk om nogmaals te benadrukken is, dat de Wmo niet uitgaat van de beperking, maar kijkt naar de behoefte en de mogelijkheden van de inwoner en zijn netwerk en naar het resultaat dat de inwoner wil bereiken. 5.1Voeren van een huishouden De inzet van de maatwerkvoorziening ‘Huishoudelijke ondersteuning’ (HO) ondersteunt inwoners die problemen hebben bij het voeren van een huishouden. Deze ondersteuning kan bestaan uit het schoonmaken van het huis, wassen en/of strijken van kleding, doen van boodschappen of bereiden van een broodmaaltijd of warme maaltijd. Maar ook kan ondersteuning worden geboden bij de dagelijkse organisatie van het huishouden, het aanleren van of activeren tot het uitvoeren van huishoudelijke taken of tijdelijke verzorging van inwonende (minderjarige) kinderen. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat een maatwerkvoorziening HO noodzakelijk is, wordt vervolgens de omvang van de maatwerkvoorziening bepaald om te komen tot een schoon en leefbaar huis. Bij een melding van een ondersteuningsvraag op het gebied van het voeren van een huishouden oordeelt het college zoals gezegd in eerste instantie of de problemen eventueel op eigen kracht kunnen worden opgelost. Te denken valt aan het herinrichten van de woning zodat de taken gemakkelijker kunnen worden uitgevoerd, het verdelen van de taken over de week zodat dit beter vol te houden is en/ of het bijstellen van de eigen normen. Ook indien er al jaren een huishoudelijke hulp op eigen kosten wordt ingehuurd en hiermee de ondersteuningsvraag afdoende wordt opgelost, kan het college oordelen dat er geen Wmo ondersteuning nodig is. Wel wordt onderzocht of de hulp daadwerkelijk aanwezig en toereikend is. De inzet van gebruikelijke hulp wordt toegelicht in paragraaf 5.1.1. Binnen het sociaal netwerk wordt nagegaan of bijvoorbeeld buren, kinderen of vrienden iets kunnen betekenen, zoals bij het doen van de boodschappen of de was-verzorging. Ook kan ondersteuning vanuit de Wlz aan de orde zijn. Indien het vermoeden is dat een inwoner in aanmerking komt voor een Wlz indicatie, dan kan als voorwaarde gesteld worden dat deze wordt aangevraagd (zie ook paragraaf 3.5.1). Er kan dan slechts ondersteuning vanuit de Wmo geboden worden voor de overbruggingsperiode. Bij toekenning van een Wlz-indicatie wordt op basis hiervan de HO ondersteuning vanuit de Wmo geweigerd. Er is dan sprake van een andere voorziening waarop een beroep kan worden gedaan. In principe komt een inwoner alleen in aanmerking voor een maatwerkvoorziening HO indien het een langdurige ondersteuningsbehoefte betreft. Bij bijvoorbeeld een herstelperiode na een (geplande) operatie van circa zes weken, wordt de inwoner geacht zelf, of met hulp van personen uit zijn sociaal netwerk een oplossing te zoeken voor deze kortdurende ondersteuningsbehoefte (zie ook paragraaf 2.2.5). 5.1.1Gebruikelijke hulp Indien een inwoner problemen ervaart bij het uitvoeren van huishoudelijke taken, dienen deze taken door anderen binnen de leefeenheid te worden overgenomen volgens de richtlijnen in onderstaand kader (en zie ook paragraaf 3.2). Het 'niet gewend zijn om' of 'geen ondersteuning willen en/of kunnen verrichten' zijn geen redenen om een maatwerkvoorziening toe te kennen. Wanneer vaardigheden missen, kan een tijdelijke indicatie (maximaal zes weken) worden afgegeven voor het aanleren van bijvoorbeeld huishoudelijke taken. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies aangeleerd. Ook studie, drukke werkzaamheden, lange werkweken of veel reistijd vormen geen reden om geen gebruikelijke hulp te kunnen bieden. Immers, iedereen die werkt/studeert zal naast zijn werk/studie het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor moeten zoeken. Bijdrage van huisgenoten en inwonende kinderen aan het huishouden In geval de leefeenheid van de inwoner mede bestaat uit kinderen, dan wordt ervan uitgegaan dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd/ontwikkelingsfase en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd: Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Kinderen van 5 tot en met 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand doen. Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand doen, eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen. Huisgenoten van 18 tot en met 23 jaar worden verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het gaat hierbij om de volgende taken: schoonhouden van sanitaire ruimte; keuken en één kamer; de was doen; boodschappen doen; maaltijd verzorgen; afwassen en opruimen; indien nodig kan opvang van jongere gezinsleden tot hun taken horen. Huisgenoten vanaf 23 jaar kunnen de huishoudelijke taken volledig overnemen (meerpersoonshuishouden voeren) wanneer de inwoner uitvalt. Er zijn enkele uitzonderingssituaties waarbij gebruikelijke hulp niet geboden kan worden, dit zijn: Beperkingen Als uit een objectief onderzoek blijkt