Wet van 10 december 2025, houdende regels omtrent productie, transport en levering van warmte (Wet collectieve warmte) Wet collectieve warmte Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Neder
landen, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het stellen van regels noodzakelijk is in het belang van een betrouwbare, betaalbare en broeikasgassen-vrije warmtevoorziening; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: – aandeel: aandeel als bedoeld in: a. artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht, in geval van een beursgenoteerde onderneming; b. artikel 82, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in geval van een naamloze vennootschap, niet zijnde een beursgenoteerde onderneming als bedoeld in onderdeel a; c. artikel 175 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in geval van een besloten vennootschap, niet zijnde een beursgenoteerde onderneming als bedoeld in onderdeel a; – aangewezen warmtebedrijf: warmtebedrijf dat op grond van artikel 2.5, eerste lid, 2.7, eerste lid, 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of 13.
- eerste lid, is aangewezen door het college; – aansluitingsverantwoordelijke: degene op wie de verantwoordelijkheid, bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, rust; – aanwijzing: aanwijzing als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, 2.7, eerste lid, 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of 13.
- eerste lid; – aanwijzing van een warmtetransportbeheerder: aanwijzing als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid; – afleverset voor warmte: individuele of collectieve afleverset voor warmte met uitzondering van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen installatie; – Autoriteit Consument en Markt: Autoriteit Consument en Markt, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt; – betrouwbare levering van warmte: voorkomen van een onderbreking van de levering van warmte en zo snel mogelijk beëindigen van een onderbreking indien deze zich toch voordoet; – bindende gedragslijn: enkele last tot het verrichten van bepaalde handelingen als bedoeld in artikel 5:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht ter bevordering van de naleving van wettelijk voorschriften en die niet wegens een overtreding wordt opgelegd; – binneninstallatie: leidingen, installaties en hulpmiddelen die zijn gelegen in een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a en c tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken en zijn bestemd voor de toe- en afvoer van warmte ten behoeve van die onroerende zaak, met uitzondering van de afleverset voor warmte, apparatuur die gelet op de door het warmtebedrijf te specificeren kenmerken van de binneninstallatie daar geen deel van uitmaakt, de warmtemeter, of leidingen, installaties en hulpmiddelen die strekken tot levering van warmte naar een andere onroerende zaak. De binneninstallatie aan de zijde van het warmtenet of het inpandig leidingstelsel is begrensd door: a. de hoofdafsluiter waar de individuele afleverset voor warmte gekoppeld is aan het warmtenet of het inpandig leidingstelsel, of b. een in een overeenkomst over de levering van warmte overeengekomen fysiek aanwijsbaar punt indien er geen hoofdafsluiter aanwezig is; – broeikasgas: broeikasgas als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer; – centrale leveringsaansluiting: één of meer leidingen bestemd voor het transport van warmte gelegen tussen het warmtenet en het inpandig leidingstelsel, waarbij de centrale leveringsaansluiting: a. aan de zijde van het inpandig leidingstelsel is begrensd door: 1°. de hoofdafsluiters waaraan de collectieve afleverset voor warmte of het inpandig leidingstelsel gekoppeld is, of 2°. indien er geen hoofdafsluiters aanwezig zijn, een in de overeenkomst over de levering van warmte overeen te komen fysiek aanwijsbaar punt, en b. aan de zijde van het warmtenet is begrensd door: 1°. de aftakking van het warmtenet, waarna de leidingen en daaraan verbonden hulpmiddelen bestemd zijn voor het transport van warmte naar het inpandig leidingstelsel, of 2°. indien er geen aftakking aanwezig is, een in de overeenkomst over de levering van warmte overeen te komen fysiek aanwijsbaar punt; – collectieve afleverset voor warmte: afleverset voor warmte waarmee ten behoeve van de levering van warmte energieoverdracht plaatsvindt tussen een warmtenet en een inpandig leidingstelsel; – collectief warmtesysteem: systeem waarbij een of meer warmtebronnen door middel van een warmtenet ontsloten worden voor de levering van warmte; – collectieve warmtevoorziening: collectief warmtesysteem of geheel van collectieve warmtesystemen; – college: college van burgemeester en wethouders; – doorlevering van warmte: levering van warmte door: a. een verhuurder die een overeenkomst over de levering van warmte heeft gesloten met een warmtebedrijf waarbij de van het warmtebedrijf afgenomen warmte door de verhuurder wordt geleverd aan zijn huurder, of b. een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm die een overeenkomst over de levering van warmte heeft gesloten met een warmtebedrijf waarbij de van het warmtebedrijf afgenomen warmte door de vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm wordt geleverd aan haar leden; – duurzaamheid: vermindering van de uitstoot van broeikasgassen overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid; – duurzame warmtebron: hernieuwbare bron, warmtebron waar restwarmte vrijkomt of collectieve warmtepomp; – economische eigendom: samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking tot een onroerende zaak dat een belang bij die zaak vertegenwoordigt, met uitzondering van het recht op levering. Het belang omvat ten minste enig risico van waardeverandering en komt toe aan een ander dan de juridische eigenaar; – ernstige storing: a. storing die langer duurt dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen duur; b. meerdere opeenvolgende storingen samengenomen die langer duren dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen duur en tijdsperiode; – gebouw: gebouw als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1, onderdeel A, van de Omgevingswet; – gebouweigenaar: a. eigenaar van een gebouw; b. de eigenaren verenigd in een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm in het geval van gedeeld eigendom van een gebouw; – grootverbruiker: natuurlijk persoon of rechtspersoon die warmte afneemt van een collectieve warmtevoorziening of een klein collectief warmtesysteem en een individuele leveringsaansluiting heeft van meer dan 100 kilowatt of een centrale leveringsaansluiting heeft met uitzondering van de levering van warmte voor industriële processen of productieprocessen of de levering van warmte die niet hoofdzakelijk geleverd wordt ten behoeve van ruimteverwarming en warm tapwater; – hernieuwbare bron: hernieuwbare niet-fossiele bron, niet zijnde houtige biomassa, met uitzondering van het gebruik van houtige biomassa als de primaire warmtebron wegvalt of als de warmtebron onvoldoende warmte levert om te voldoen aan de tijdelijke hoge vraag om warmte, waarmee hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn 2018/2001/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328) kan worden opgewekt; – individuele leveringsaansluiting: één of meer leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen bestemd voor het transport van warmte tussen een binneninstallatie en een warmtenet of een inpandig leidingstelsel, waarbij de individuele leveringsaansluiting: a. aan de zijde van de binneninstallatie is begrensd door: 1°. de hoofdafsluiters waaraan de individuele afleverset voor warmte of de binneninstallatie gekoppeld is, of 2°. indien er geen hoofdafsluiters aanwezig zijn, een in de overeenkomst over de levering van warmte overeen te komen fysiek aanwijsbaar punt, en b. aan de zijde van het warmtenet of het inpandig leidingstelsel is begrensd door: 1°. de aftakking van het warmtenet of het inpandig leidingstelsel, waarna de leidingen en daaraan verbonden hulpmiddelen bestemd zijn voor de levering van warmte, of 2°. indien er geen aftakking aanwezig is, een in de overeenkomst over de levering van warmte overeen te komen fysiek aanwijsbaar punt; – individuele afleverset voor warmte: afleverset voor warmte waarmee ten behoeve van levering van warmte energieoverdracht plaatsvindt tussen een warmtenet of een inpandig leidingstelsel en een binneninstallatie; – inpandig leidingstelsel: één of meer van een gebouw deel uitmakende leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen ten behoeve van transport van warmte tussen een centrale leveringsaansluiting van een gebouw en de individuele leveringsaansluiting van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van de Wet waardering onroerende zaken; – klein collectief warmtesysteem: collectief warmtesysteem waarmee warmte wordt geleverd aan maximaal 1500: a. verbruikers; b. huurders met elk een individuele leveringsaansluiting van maximaal 100 kilowatt die warmte geleverd krijgen van hun verhuurder waarbij sprake is van de doorlevering van warmte; c. leden van een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm met elk een individuele leveringsaansluiting van maximaal 100 kilowatt die warmte geleverd krijgen van hun vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm waarbij sprake is van doorlevering van warmte; – kleinverbruiker: natuurlijk persoon of rechtspersoon die warmte afneemt van een collectieve warmtevoorziening of klein collectief warmtesysteem en een individuele leveringsaansluiting heeft van maximaal 100 kilowatt met uitzondering van een persoon die warmte afneemt van: a. zijn verhuurder; b. de vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm waarbij deze persoon is aangesloten; – kooldioxide-equivalent: hoeveelheid kooldioxide of hoeveelheid van een ander broeikasgas met een gelijkwaardig aardopwarmingsvermogen als kooldioxide; – koude: thermische energie die ten behoeve van ruimtekoeling wordt geleverd door middel van het transport van water of een andere vloeistof; – leveringsaansluiting: individuele of centrale leveringsaansluiting; – leveringszekerheid: leveringszekerheid als bedoeld in artikel 2.18, tweede lid; – leveringsovereenkomst: overeenkomst als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid; – omgevingsplan: omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet; – Onze Minister: Onze Minister van Klimaat en Groene Groei; – producent: natuurlijk persoon, rechtspersoon of personenvennootschap die zich bezighoudt met de productie van warmte, met uitzondering van een producent van restwarmte; – producent van restwarmte: onderneming die in zijn bedrijfsvoering restwarmte genereert; – representatieve organisatie: rechtspersoon die de belangen vertegenwoordigt van producenten, producenten van restwarmte, warmtebedrijven of verbruikers in de warmtesector; – restwarmte: thermische energie die als onvermijdelijk bijproduct in industriële of bedrijfsmatige processen overblijft en die zonder verbinding met een warmtenet ongebruikt terecht zou komen in lucht of water; – storing: onderbreking van de levering van warmte of levering van warmte onder de minimumtemperatuur van de te leveren warmte, bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, met uitzondering van een onderbreking door werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.19, tweede lid; – tariefvoorstel: onderbouwd voorstel van tarieven van goederen of diensten die worden aangeboden ten behoeve van het transport en de levering van warmte door een aangewezen warmtebedrijf; – transporttariefvoorstel: onderbouwd voorstel van tarieven en voorwaarden van de goederen of diensten die worden aangeboden ten behoeve van het transport van warmte door een warmtetransportbeheerder; – verbruiker: kleinverbruiker en grootverbruiker; – verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek: warmtekostenverdeelsystematiek ten behoeve van het vaststellen van het aandeel in de totaal gemeten warmte die niet is gebaseerd op het verbruik van de afzonderlijke verbruiker; – verhuurder: eigenaar van een voor verhuur bestemde verblijfsruimte in Nederland; – warmte: thermische energie die ten behoeve van ruimteverwarming of verwarming van tapwater wordt geleverd door middel van het transport van water of een andere vloeistof; – warmtebedrijf: onderneming of warmtegemeenschap die zich bezig houdt of voornemens is zich bezig te houden met het transport en de levering van warmte en de productie of inkoop van warmte ten behoeve daarvan, met uitzondering van: a. een verhuurder die warmte levert of doorlevert aan zijn huurders; b. een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm die warmte levert of doorlevert aan zijn leden; – warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang: warmtebedrijf als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdelen a of b; – warmtebron: installatie waar thermische energie vrijkomt of thermische energie vrijgemaakt wordt; – warmtegemeenschap: rechtspersoon of personenvennootschap die: a. ten behoeve van haar leden, vennoten of aandeelhouders actief is als warmtebedrijf; b. als hoofddoel heeft het bieden van milieuvoordelen of economische of sociale voordelen aan haar leden, vennoten of aandeelhouders of aan de plaatselijke gebieden waar ze werkzaam is; c. niet is gericht op het maken van winst, en d. gebruik maakt van duurzame warmtebronnen als belangrijkste warmtebron; – warmte joint-venture: rechtspersoon of personenvennootschap van twee of meer partijen die gezamenlijk deze rechtspersoon of personenvennootschap hebben opgericht om als warmtebedrijf actief te zijn; – warmtekavel: aaneengesloten gebied binnen een of meerdere gemeenten waarvoor op grond van artikel 2.5, eerste lid, of 2.7, eerste lid, een warmtebedrijf is of kan worden aangewezen; – warmtekostenverdeler: meetsysteem dat het warmteverbruik van elke radiator meet ten behoeve van het vaststellen van het aandeel in de totaal gemeten warmte; – warmteleveringsbedrijf: onderneming die zich bezig houdt of voornemens is zich bezig te houden met de levering van warmte en de productie of inkoop van warmte ten behoeve daarvan; – warmtemeter: warmtemeter als bedoeld in bijlage III van richtlijn 2014/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van meetinstrumenten (herschikking) (PbEU 2014, L 96) die het warmteverbruik weergeeft; – warmtenet: geheel van tot elkaar behorende met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen ten behoeve van het transport van warmte of eventueel koude, indien de levering van koude noodzakelijk is voor een efficiënte werking van een collectief warmtesysteem, van en naar een verbruiker of het transport van warmte of eventueel koude, indien de levering van koude noodzakelijk is voor een efficiënte werking van een collectief warmtesysteem, van en naar een gebouw of werk van een producent of een producent van restwarmte, met uitzondering van: a. de leidingen, installaties en hulpmiddelen die zijn gelegen in een inpandig leidingstelsel; b. een binneninstallatie; c. de leidingen, installaties en hulpmiddelen die zijn gelegen in een gebouw of werk van een producent of een producent van restwarmte of op het perceel waarop de productie-installatie is gelegen, tenzij op het perceel, in het gebouw of werk tevens warmte wordt geleverd op een leveringsaansluiting; d. een warmtetransportnet; – warmtenetbedrijf: onderneming die zich bezig houdt of voornemens is zich bezig te houden met het beheer, aanleg of onderhoud van een warmtenet en het transport van warmte over een warmtenet of een onderdeel daarvan; – warmtetransportaansluiting: deel van een warmtetransportnet dat bestaat uit één of meer leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen, tussen een warmtetransportnet en een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken; – warmtetransportnet: geheel van tot elkaar behorende en met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen ten behoeve van het voor de regionale warmtevoorziening van belang zijnde transport van warmte van de warmtetransportaansluitingen van warmtebronnen naar: a. de warmtetransportaansluitingen van afnemers van warmte van een warmtetransportnet; b. de warmtetransportaansluitingen van collectieve warmtevoorzieningen; – warmtetransportbeheerder: warmtetransportonderneming die op grond van artikel 5.1, eerste lid, of artikel 13.14, eerste lid, is aangewezen; – warmtetransportonderneming: onderneming die zich bezig houdt of voornemens is zich bezig te houden met het beheer, aanleg of onderhoud van een warmtetransportnet en het transport van warmte over een warmtetransportnet; – zeggenschap: zeggenschap als bedoeld in artikel 26 van de Mededingingswet; – zelfstandige last: last tot het verrichten van bepaalde handelingen als bedoeld in artikel 5:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.2 verbod op transport of levering van warmte 1 Het is verboden zonder aanwijzing van een warmtebedrijf warmte te transporteren en te leveren of zonder aanwijzing van een warmtetransportbeheerder warmte te transporteren met uitzondering van: a. het transport en de levering van warmte geheel of grotendeels ten behoeve van industriële processen of productieprocessen; b. het transport van warmte door middel van leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen die zijn gelegen in een gebouw of werk van een producent of een producent van restwarmte of op het perceel waarop de productie-installatie is gelegen, tenzij op het perceel, in het gebouw of werk tevens warmte wordt geleverd op een leveringsaansluiting; c. het transport en de levering van warmte door een warmtebedrijf door middel van één collectief warmtesysteem aan ten hoogste 10 kleinverbruikers gezamenlijk; d. het transport en de levering van warmte aan ten hoogste 20 natuurlijke personen of rechtspersonen met elk een individuele leveringsaansluiting van maximaal 100 kilowatt die gezamenlijk warmte afnemen van hun verhuurder of de vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm waarbij deze personen zijn aangesloten; e. het transport en de doorlevering van warmte door een verhuurder aan zijn huurder; f. het transport en de doorlevering van warmte door een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm aan haar leden. 2 De artikelen 2.37 en 2.41 tot en met 2.43 zijn van overeenkomstige toepassing op: a. het transport en de levering van warmte aan de kleinverbruikers, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en de natuurlijke en rechtspersonen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d; b. het transport en de doorlevering van warmte aan de huurder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, en de leden van een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f. 3 Indien een onderneming grotendeels warmte transporteert en levert ten behoeve van industriële processen of productieprocessen en tevens aan een warmtebedrijf, sluiten het warmtebedrijf en de onderneming een transportovereenkomst waarin is vastgelegd dat de onderneming zodanig handelt dat het warmtebedrijf de taken, bedoeld in artikel 2.13 of artikel 3.7, op een doelmatige wijze kan uitvoeren en kan voldoen aan de verplichtingen die op het warmtebedrijf op grond van deze wet rusten. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. wanneer er sprake is van transport en levering van warmte grotendeels ten behoeve van industriële processen of productieprocessen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; b. de overeenkomst, bedoeld in het derde lid; c. wanneer er sprake is van transport en doorlevering van warmte door een verhuurder aan zijn huurder als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, en transport en doorlevering van warmte door een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm aan haar leden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f. Hoofdstuk 2 Collectieve warmtevoorzieningen § 2.1 Warmtekavel Artikel 2.1 vaststelling warmtekavel 1 Het college kan een warmtekavel vaststellen waarvan: a. de omvang zodanig is dat een warmtebedrijf binnen de warmtekavel een collectieve warmtevoorziening op een doelmatige wijze kan aanleggen en exploiteren; b. de omvang zodanig is dat de leveringszekerheid binnen de warmtekavel naar verwachting voldoende kan worden verzekerd; c. de omvang zodanig is dat dit leidt tot een efficiënte warmtetransitie in een gemeente of meerdere gemeenten. 2 Het college betrekt bij het vaststellen van een warmtekavel in voorkomend geval: a. de beschikbaarheid en inzet van een warmtebron of een potentiële warmtebron in een nabij gelegen gemeente; b. de voornemens in een nabij gelegen gemeente te kiezen voor de levering van warmte aan verbruikers door een collectieve warmtevoorziening; c. de ontwikkeling van warmtegemeenschappen in het gebied van de vast te stellen warmtekavel. 3 Indien een warmtekavel betrekking heeft op het grondgebied van meerdere gemeenten of in een warmtekavel zich een warmtebron bevindt die meerdere gemeenten van warmte kan voorzien, zendt het college het ontwerp van de vaststelling van een warmtekavel aan gedeputeerde staten van de provincie of provincies op wiens grondgebied de warmtekavel ligt. 4 Gedeputeerde staten, bedoeld in het derde lid, kunnen binnen acht weken hun zienswijze over het ontwerp van de vaststelling van een warmtekavel kenbaar maken indien zij van oordeel zijn dat niet voldaan is aan het eerste of tweede lid. Het college stelt de warmtekavel vast en verantwoordt daarbij op welke wijze de zienswijze van gedeputeerde staten al dan niet heeft geleid tot aanpassing van de warmtekavel. 5 Van de vaststelling van de warmtekavel doet het college mededeling in de Staatscourant en op een andere geschikte wijze. Het college zendt de vaststelling van de warmtekavel toe aan gedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied de warmtekavel ligt. 6 Het college kan een warmtekavel wijzigen. Het eerste tot en met vijfde lid en achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 7 Indien het college een warmtekavel van een aangewezen warmtebedrijf wijzigt, wijzigt het college de aanwijzing van dit warmtebedrijf met in achtneming van artikel 2.
- 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: a. de gronden, bedoeld in het eerste en tweede lid; b. de mededeling, bedoeld in het vijfde lid. § 2.2 Aanwijzing van een warmtebedrijf § 2.2.1 Aanwijzing van een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschap Artikel 2.2 aanvraag 1 Een aanvraag om aangewezen te worden op grond van artikel 2.5, eerste lid, kan uitsluitend worden ingediend door: a. een warmtebedrijf waarvan meer dan 50% van de aandelen direct of indirect berusten bij de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam; b. een warmtebedrijf dat een warmte joint-venture is van een warmtenetbedrijf en een warmteleveringsbedrijf waarbij: 1°. meer dan 50% van de aandelen van het warmtenetbedrijf direct of indirect berusten bij de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam, en 2°. het warmtenetbedrijf meer dan 50% van de aandelen of doorslaggevende zeggenschap in de warmte joint-venture heeft; c. een warmtegemeenschap. Onder een warmtegemeenschap wordt tevens verstaan een warmtebedrijf waarvan de aandelen berusten bij één of meer rechtspersonen waarvan alle aandelen worden gehouden door een warmtegemeenschap of bij een rechtspersoon waarvan alle aandelen direct of indirect gehouden worden door één of meer rechtspersonen waarvan alle aandelen worden gehouden door een warmtegemeenschap, waarbij geldt dat het derde lid van overeenkomstige toepassing is. 2 Een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschap kan uitsluitend aangewezen worden op grond van artikel 2.5, eerste lid, indien het warmtebedrijf of de warmtegemeenschap binnen de termijn, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, het voornemen kenbaar heeft gemaakt een aanvraag om aangewezen te worden in te dienen. 3 Onder indirect berusten wordt verstaan dat meer dan 50% van de aandelen in een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtenetbedrijf berusten bij één of meer rechtspersonen waarvan meer dan 50% van de aandelen van elke rechtspersoon worden gehouden door de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam. De aandelen, bedoeld in de eerste volzin, kunnen worden gehouden door één of meerdere tussengelegen rechtspersonen, mits in elke schakel in de keten telkens meer dan 50% van de aandelen berusten bij één of meer rechtspersonen waarvan meer dan 50% van de aandelen worden gehouden door de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam. Artikel 2.3, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.3 voorwaarden aan een warmtebedrijf publiek meerderheidsbelang en warmtegemeenschap 1 Een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang treft geen statutaire afspraken en de leden, vennoten of aandeelhouders maken geen contractuele afspraken die ervoor zorgen dat de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam die afzonderlijk of gezamenlijk direct of indirect meer dan 50% van de aandelen houden of doorslaggevende zeggenschap in een aangewezen warmtebedrijf hebben, feitelijk geen doorslaggevende zeggenschap over het warmtebedrijf heeft, indien het een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang betreft: a. waarvan niet alle aandelen direct of indirect berusten bij de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam, of, b. dat een warmte joint-venture is, waaraan een warmteleveringsbedrijf deelneemt waarvan niet alle aandelen direct of indirect berusten bij de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een warmtenetbedrijf als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, waarvan niet alle aandelen direct of indirect berusten bij de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam. 3 In afwijking van het eerste lid kan een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang statutaire of contractuele afspraken treffen ten aanzien van de volgende beslissingen van het aangewezen warmtebedrijf teneinde de leden, vennoten of aandeelhouders met een minderheidsbelang te beschermen: a. de uitgifte van aandelen van het aangewezen warmtebedrijf; b. het aangaan of verbreken van een duurzame samenwerking van het aangewezen warmtebedrijf indien die samenwerking van ingrijpende betekenis is voor het aangewezen warmtebedrijf; c. de oprichting van nieuwe vennootschappen en dochtervennootschappen van het aangewezen warmtebedrijf; d. de splitsing, omzetting, fusering en ontbinding van het aangewezen warmtebedrijf; e. de overdracht van het gehele of vrijwel het gehele vermogen van het aangewezen warmtebedrijf; f. de wijziging van de statuten van het aangewezen warmtebedrijf; g. het doen van investeringen en de verstrekking van leningen of zekerheden: 1°. ter waarde van ten minste een derde van de waarde van de activa volgens de balans van het aangewezen warmtebedrijf; 2°. ten behoeve van een nieuw aan te leggen collectieve warmtevoorziening in een warmtekavel; h. de benoeming, de schorsing en het ontslag van bestuurders en commissarissen van het aangewezen warmtebedrijf. 4 Een warmtegemeenschap borgt in haar statuten, of, in geval van een personenvennootschap in een overeenkomst, ten minste dat: a. de leden, vennoten of aandeelhouders uitsluitend natuurlijke personen, micro-ondernemingen, kleine ondernemingen, middelgrote ondernemingen of gemeenten, waterschappen, provincies of gemeenschappelijke regelingen zijn; b. de participatie in de warmtegemeenschap open en vrijwillig is; c. de leden, vennoten, of aandeelhouders het recht hebben de warmtegemeenschap te verlaten; d. de feitelijke zeggenschap over de warmtegemeenschap is gelegen bij de leden, vennoten of aandeelhouders van de rechtspersoon die in de nabije omgeving van de collectieve warmtevoorziening, die in eigendom is van en ontwikkeld is door de warmtegemeenschap, zijn gevestigd. 5 Een warmtegemeenschap kan in haar statuten bepalen dat de deelnemende leden, vennoten of aandeelhouders een gelijk stemrecht hebben. 6 Het college biedt warmtegemeenschappen waar nodig ondersteuning zich te organiseren. 7 Het bestuur van het warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang stelt de tarieven voor verbruikers vast. De statuten van het warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang kennen geen bepalingen die de vaststelling van de tarieven onderwerpen aan de goedkeuring of instemming van de algemene vergadering of de strekking hebben het bestuur dienaangaande een bindende instructie te geven, noch zijn contractuele afspraken van een dergelijke strekking geoorloofd hetzij tussen aandeelhouders, leden of vennoten onderling hetzij van aandeelhouders, leden of vennoten met het warmtebedrijf of het bestuur van het warmtebedrijf. 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: a. de statutaire of contractuele afspraken, bedoeld in het eerste lid, en de beslissingen in het derde lid; b. de wijze waarop een warmtegemeenschap het vierde lid, onderdeel d, borgt. Artikel 2.4 inventarisatie voornemen warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap 1 Indien het college een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschap de gelegenheid wil geven een aanvraag in te dienen om aangewezen te worden op grond van artikel 2.5, eerste lid, doet het college mededeling in de Staatscourant en op een andere geschikte wijze van de bij ministeriële regeling te bepalen termijn waarbinnen het warmtebedrijf of de warmtegemeenschap het voornemen kenbaar kan maken een aanvraag als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, in te dienen. 2 Na of tegelijkertijd met de mededeling, bedoeld in het eerste lid, doet het college mededeling in de Staatscourant en op een andere geschikte wijze van een door het college te bepalen termijn waarbinnen een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschap uiterlijk een aanvraag in kan dienen om aangewezen te worden op grond van artikel 2.5, eerste lid. 3 Het college kan opnieuw een mededeling als bedoeld in het eerste lid doen indien: a. naar aanleiding van de mededeling een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, geen voornemen als bedoeld in het eerste lid kenbaar heeft gemaakt; b. een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap niet binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, een aanvraag als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, heeft ingediend, of c. een aanvraag als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap is afgewezen. Artikel 2.5 aanwijzingsprocedure warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap 1 Het college kan op aanvraag van een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschap voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsaandeel of warmtegemeenschap aanwijzen dat de exclusieve bevoegdheid heeft binnen een warmtekavel de taken, bedoeld in artikel 2.13, uit te voeren. 2 De exclusieve bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op: a. het gebied waar het transport en levering van warmte als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdelen a tot en met f, plaatsvindt; b. het gebied waarvoor de vrijstelling op grond van artikel 3.1, vierde lid, geldt en waarop de ontheffing, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, betrekking heeft; c. het gebied waarop de aanwijzing, bedoeld in artikel 3.4, zesde lid, betrekking heeft; d. het gebied waar de levering van warmte en het transport van warmte, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, en artikel 4.3, vierde lid, plaatsvindt; e. het gebied waarop de ontheffing, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, betrekking heeft. 3 Alvorens een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap een aanvraag om aangewezen te worden op grond van het eerste lid indient, dient het warmtebedrijf of de warmtegemeenschap een aanvraag in bij de Autoriteit Consument en Markt waarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of het warmtebedrijf of de warmtegemeenschap: a. voldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor de desbetreffende warmtekavel; b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor de desbetreffende warmtekavel uit te voeren. 4 De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit, bedoeld in het derde lid, voorschriften en beperkingen verbinden. 5 Bij een aanvraag om aangewezen te worden op grond van het eerste lid overlegt het warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of de warmtegemeenschap in ieder geval: a. het besluit, bedoeld in het derde lid, waarin de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat het warmtebedrijf of warmtegemeenschap voldoet aan de gronden genoemd in het derde lid, onderdelen a en b; b. een globaal kavelplan waarin een beschrijving op hoofdlijnen is gegeven van de onderdelen van een uitgewerkt kavelplan opgenomen in artikel 2.16, tweede lid. 6 Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, indien: a. het aannemelijk is dat de in het globaal kavelplan beschreven gevolgen voor toekomstige verbruikers en verhuurders, vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm die warmte zullen afnemen van de collectieve warmtevoorziening, redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn; b. het aannemelijk is dat het globaal kavelplan voor het warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap redelijkerwijs niet uitvoerbaar is. 7 Indien er meerdere aanvragen zijn ingediend rangschikt het college de aanvragen zodanig dat een aanvraag hoger gerangschikt wordt naarmate: a. aannemelijker is dat de bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, opgenomen normen bereikt zullen worden; b. aannemelijker is dat een doelmatige en kosteneffectieve aanleg en exploitatie van de collectieve warmtevoorziening beter wordt geborgd; c. aannemelijker is dat de leveringszekerheid beter wordt verzekerd; d. aannemelijker is dat het warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of de warmtegemeenschap de toekomstige verbruikers beter zal betrekken bij de aanleg, ontwikkeling en exploitatie van de collectieve warmtevoorziening; e. aannemelijker is dat de in het globaal kavelplan beschreven gevolgen voor toekomstige verbruikers en verhuurders, vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm die warmte zullen afnemen van de collectieve warmtevoorziening beter uitvoerbaar zijn; f. aannemelijker is dat het globaal kavelplan voor het warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of de warmtegemeenschap beter uitvoerbaar is. 8 Het college kan een adviescommissie instellen en advies inwinnen van deze adviescommissie. 9 Het college kan aan de rangschikkingsgronden, bedoeld in het zevende lid, een weging toekennen waarbij geldt dat elke grond voor minimaal 5% en maximaal 50% meegewogen wordt. 10 Het college wijst het warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of de warmtegemeenschap aan dat het hoogste is gerangschikt. 11 Het college kan voorschriften en beperkingen aan een aanwijzing verbinden. 12 Het zevende tot en met tiende lid zijn niet van toepassing indien maar één warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap een voornemen als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, kenbaar heeft gemaakt. 13 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. de wijze waarop de aanvraag om aangewezen te worden op grond van het eerste lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om een aanwijzing te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen het college het besluit tot aanwijzing neemt; b. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het derde lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het besluit neemt; c. de gronden, genoemd in het derde lid; d. het globaal kavelplan; e. de afwijzingsgronden, genoemd in het zesde lid. 14 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: a. de rangschikkingsgronden, genoemd in het zevende lid; b. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vierde en achtste lid. § 2.2.2 Aanwijzing van een ander warmtebedrijf dan een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap tijdens de ingroeiperiode Artikel 2.6 mededeling start aanwijzingsprocedure tijdens de ingroeiperiode 1 Het college kan tot tien jaar na inwerkingtreding van dit artikel ook een ander warmtebedrijf dan een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschap de mogelijkheid geven een aanvraag in te dienen om aangewezen te worden op grond van artikel 2.7, eerste lid, indien: a. naar aanleiding van de mededeling, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap binnen de termijn, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, geen voornemen kenbaar heeft gemaakt een aanvraag als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, in te dienen; b. een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, een aanvraag als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, heeft ingediend, of c. een aanvraag als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap is afgewezen. 2 Indien het college gebruik maakt van de bevoegdheid op grond van het eerste lid, doet het college mededeling in de Staatscourant en op een andere geschikte wijze van de mogelijkheid voor een ander warmtebedrijf dan een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap om binnen een door het college te bepalen termijn een aanvraag in te dienen om aangewezen te worden op grond van artikel 2.7, eerste lid. Artikel 2.7 aanwijzingsprocedure warmtebedrijf tijdens de ingroeiperiode 1 Het college kan op aanvraag van een ander warmtebedrijf dan een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar een ander warmtebedrijf aanwijzen dat de exclusieve bevoegdheid heeft binnen een warmtekavel de taken, bedoeld in artikel 2.13, uit te voeren. 2 De exclusieve bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op: a. het gebied waar het transport en levering van warmte als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdelen a tot en met f, plaatsvindt; b. het gebied waarvoor de vrijstelling op grond van artikel 3.1, vierde lid, geldt en waarop de ontheffing, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, betrekking heeft; c. het gebied waarop de aanwijzing, bedoeld in artikel 3.4, zesde lid, betrekking heeft; d. het gebied waar de levering van warmte en het transport van warmte, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, en artikel 4.3, vierde lid, plaatsvindt; e. het gebied waarop de ontheffing, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, betrekking heeft. 3 Alvorens een warmtebedrijf een aanvraag om aangewezen te worden op grond van het eerste lid indient, dient het warmtebedrijf een aanvraag in bij de Autoriteit Consument en Markt waarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of het warmtebedrijf: a. voldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor de desbetreffende warmtekavel; b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor de desbetreffende warmtekavel uit te voeren. 4 De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit, bedoeld in het derde lid, voorschriften en beperkingen verbinden. 5 Bij een aanvraag om aangewezen te worden op grond van het eerste lid overlegt het warmtebedrijf in ieder geval: a. het besluit, bedoeld in het derde lid, waarin de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat het warmtebedrijf voldoet aan de gronden genoemd in het tweede lid, onderdelen a en b; b. een globaal kavelplan waarin een beschrijving op hoofdlijnen is gegeven van de onderdelen van een uitgewerkt kavelplan opgenomen in artikel 2.16, tweede lid. 6 Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, indien: a. het aannemelijk is dat de in het globaal kavelplan beschreven gevolgen voor toekomstige verbruikers en verhuurders, vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm die warmte zullen afnemen van de collectieve warmtevoorziening, redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn; b. het aannemelijk is dat het globaal kavelplan voor het warmtebedrijf redelijkerwijs niet uitvoerbaar is. 7 Indien er meerdere aanvragen zijn ingediend rangschikt het college de aanvragen zodanig dat een aanvraag hoger gerangschikt wordt naarmate: a. aannemelijker is dat de bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, opgenomen normen bereikt zullen worden; b. aannemelijker is dat een doelmatige en kosteneffectieve aanleg en exploitatie van de collectieve warmtevoorziening beter wordt geborgd; c. aannemelijker is dat de leveringszekerheid beter wordt verzekerd; d. aannemelijker is dat het warmtebedrijf de toekomstige verbruikers beter zal betrekken bij de aanleg, ontwikkeling en exploitatie van de collectieve warmtevoorziening; e. aannemelijker is dat de in het globaal kavelplan beschreven gevolgen voor toekomstige verbruikers en verhuurders, vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm die warmte zullen afnemen van de collectieve warmtevoorziening beter uitvoerbaar zijn; f. aannemelijker is dat het globaal kavelplan voor het warmtebedrijf beter uitvoerbaar is. 8 Het college kan een adviescommissie instellen en advies inwinnen van deze adviescommissie. 9 Het college kan aan de rangschikkingsgronden, bedoeld in het zevende lid, een weging toekennen waarbij geldt dat elke grond voor minimaal 5% en maximaal 50% meegewogen wordt. 10 Het college wijst het warmtebedrijf aan dat het hoogste is gerangschikt. 11 Het college kan voorschriften en beperkingen aan een aanwijzing verbinden. 12 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. de wijze waarop de aanvraag om aangewezen te worden op grond van het eerste lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om een aanwijzing te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen het college het besluit tot aanwijzing neemt; b. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het derde lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het besluit neemt; c. de gronden, genoemd in het derde lid; d. het globaal kavelplan; e. de afwijzingsgronden, genoemd in het zesde lid. 13 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: a. de rangschikkingsgronden, genoemd in het zevende lid; b. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vierde en elfde lid. § 2.3 Wijziging, intrekking en overdragen van een aanwijzing Artikel 2.8 wijziging aanwijzing 1 Het college kan een aanwijzing uitsluitend ambtshalve wijzigen waardoor de aanwijzing geldt voor een groter warmtekavel indien: a. de Autoriteit Consument en Markt in het besluit, bedoeld in het tweede lid, heeft vastgesteld dat het aangewezen warmtebedrijf voldoet aan de gronden, genoemd in het tweede lid, onderdelen a en b; b. het aangewezen warmtebedrijf hierdoor structureel nog steeds een redelijk rendement als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b, of een voor het aangewezen warmtebedrijf ander acceptabel rendement kan behalen voor zover dit acceptabel rendement lager is dan het redelijk rendement; c. dit niet leidt tot een significante verhoging van de tarieven voor verbruikers in de warmtekavel die vergroot wordt. 2 Alvorens het college een aanwijzing wijzigt op grond van het eerste lid stelt de Autoriteit Consument en Markt op aanvraag van het college bij besluit vast of het aangewezen warmtebedrijf: a. beschikt over voldoende organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor de desbetreffende vergrote warmtekavel; b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor de desbetreffende vergrote warmtekavel uit te voeren. 3 Het aangewezen warmtebedrijf verstrekt de Autoriteit Consument en Markt de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor het nemen van het besluit, bedoeld in het tweede lid. 4 De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit, bedoeld in het tweede lid, voorschriften en beperkingen verbinden. 5 Het college kan een aanwijzing uitsluitend ambtshalve wijzigen waardoor de aanwijzing geldt voor een kleiner warmtekavel indien: a. het aangewezen warmtebedrijf hierdoor structureel nog steeds een redelijk rendement als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b, of een voor het aangewezen warmtebedrijf ander acceptabel rendement kan behalen, voor zover dit acceptabel rendement lager is dan het redelijk rendement; b. het aangewezen warmtebedrijf met de wijziging van de aanwijzing heeft ingestemd. 6 Het college kan een aanwijzing uitsluitend ambtshalve wijzigen waardoor de aanwijzing ook geldt voor een ander warmtekavel indien voor dit andere warmtekavel hetzelfde warmtebedrijf is aangewezen. 7 Indien het college de aanwijzing wijzigt, kan het college de aan de aanwijzing verbonden voorschriften en beperkingen wijzigen waarbij in ieder geval geldt dat: a. de duur van de aanwijzing na wijziging op grond van het eerste lid gelijk is aan de duur van de aanwijzing die gewijzigd wordt; b. de duur van de aanwijzing, bedoeld in het zesde lid, als volgt wordt berekend: 1°. allereerst wordt de datum bepaald van de minst recente aansluitovereenkomst van de laatste 10% van de leveringsaansluitingen of voorziene leveringsaansluitingen waarvoor door het aangewezen warmtebedrijf voor de datum van de wijziging van de aanwijzing een aansluitovereenkomst is gesloten in het desbetreffende warmtekavel; 2°. vervolgens wordt het verschil berekend tussen de datum van de wijziging van de aanwijzing en de datum berekend op grond van onderdeel 1°; 3°. de duur van de aanwijzing, bedoeld in de aanhef, bedraagt 30 jaar verminderd met de duur berekend op grond van onderdeel b met een minimum van 14 jaar. 8 Onder een aansluitovereenkomst als bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, onder 1°, wordt een overeenkomst verstaan die: a. een aangewezen warmtebedrijf een recht en een plicht geeft de in de overeenkomst genoemde gebouwen of delen van gebouwen binnen vijf jaar na wijziging van de aanwijzing op grond van het zesde lid aan te sluiten op een collectieve warmtevoorziening; b. bindende financiële voorwaarden over de kosten van de aansluiting van deze gebouwen of delen van gebouwen op een collectieve warmtevoorziening bevat, en c. waarin een termijn is bepaald wanneer de levering van warmte aanvangt met enkel onvoorzienbare omstandigheden of van derden afhankelijke omstandigheden als ontbindende voorwaarde. 9 Indien een leveringsaansluiting of een voorziene leveringsaansluiting als bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, onder 1°, een centrale leveringsaansluiting is dan wordt elke zelfstandige woning als bedoeld in artikel 234 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, die warmte geleverd krijgt door middel van die centrale leveringsaansluiting, aangemerkt als één leveringsaansluiting. 10 Het college zendt de wijziging van de aanwijzing aan gedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied de warmtekavel ligt. 11 Het college kan voorschriften en beperkingen aan de wijziging van een aanwijzing, bedoeld in het eerste, vijfde en zesde lid, verbinden. 12 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend, de door het aangewezen warmtebedrijf te verstrekken gegevens en bescheiden, bedoeld in het derde lid, en de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het besluit neemt; b. de gronden, genoemd in het eerste, tweede, vijfde en zesde lid. 13 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: a. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vierde en elfde lid; b. de toepassing van het zevende en negende lid. Artikel 2.9 intrekken aanwijzing 1 De Autoriteit Consument en Markt kan aan het college melden dat een besluit als bedoeld in artikel 2.14, zevende lid, of 2.21, vijfde lid, is genomen waarin de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat er grond is de aanwijzing in te trekken omdat het aangewezen warmtebedrijf: a. niet langer in staat is een taak als bedoeld in artikel 2.13 uit te voeren met uitzondering van de taak, bedoeld in artikel 2.13, eerste lid, onderdeel g; b. in strijd handelt met artikel 2.14, vierde lid; c. vijf jaar na de eerste overschrijding van een norm, bepaald bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, nog steeds meer broeikasgassen uitstoot dan deze norm. 2 Het college trekt een aanwijzing in indien: a. het college een melding als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen; b. deze aanwijzing betrekking heeft op een warmtekavel dat op grond van artikel 2.8, zesde lid, is toegevoegd aan een ander warmtekavel. 3 Het college kan een aanwijzing intrekken indien het aangewezen warmtebedrijf: a. de aan de aanwijzing verbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt; b. in de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt; c. de verplichting op grond van artikel 2.16, eerste lid, niet nakomt; d. hierom verzoekt. 4 Het aangewezen warmtebedrijf stelt de Autoriteit Consument en Markt zo spoedig mogelijk op de hoogte van het verzoek, bedoeld in het derde lid, onderdeel d. 5 De aanwijzing wordt op grond van het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid, niet ingetrokken voordat aan een ander warmtebedrijf een aanwijzing voor het desbetreffende warmtekavel is verleend: a. tenzij het college op basis van het plan, bedoeld in het zesde lid, heeft vastgesteld dat een doelmatige en kosteneffectieve exploitatie van een collectieve warmtevoorziening binnen de warmtekavel niet meer kan worden geborgd en de verbruikers binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na publicatie van dat plan de gelegenheid hebben gehad over te gaan naar een alternatieve warmtevoorziening; b. met dien verstande dat de aanwijzing in alle gevallen wordt ingetrokken uiterlijk drie jaar te rekenen vanaf de datum dat het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in artikel 2.14, zevende lid, is gemeld aan het college op grond van het eerste lid. 6 Indien binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn geen ander warmtebedrijf een aanwijzing heeft verkregen voor het desbetreffende warmtekavel stelt het college een plan op waarin is beschreven hoe de levering van warmte aan verbruikers van het aangewezen warmtebedrijf kan worden verzekerd. 7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot: a. de gronden, genoemd in het tweede en derde lid; b. de procedure en voorwaarden die gelden als een aanwijzing wordt ingetrokken. 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot: a. de procedure waarbinnen het college een ander warmtebedrijf aanwijst; b. de inhoud van het plan, bedoeld in het zesde lid, en de termijn waarbinnen het college het plan moet hebben opgesteld. Artikel 2.10 overdragen aanwijzing 1 Het college kan op aanvraag van een aangewezen warmtebedrijf instemmen met de overdracht van een aanwijzing aan een ander warmtebedrijf. 2 Een aangewezen warmtebedrijf kan een aanwijzing alleen overdragen aan een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschap. 3 Het tweede lid is tot tien jaar na inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing als er geen warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of geen warmtegemeenschap bij het college kenbaar heeft gemaakt de aanwijzing over te willen nemen. 4 Alvorens het aangewezen warmtebedrijf een aanvraag om een instemming als bedoeld in het eerste lid indient, dient dit warmtebedrijf een aanvraag in bij de Autoriteit Consument en Markt waarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of het andere warmtebedrijf, bedoeld in het eerste lid: a. voldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor het desbetreffende warmtekavel; b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor het desbetreffende warmtekavel uit te voeren. 5 De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit op grond van het vierde lid voorschriften en beperkingen verbinden. 6 Bij een aanvraag om instemming overlegt het aangewezen warmtebedrijf in ieder geval het besluit, bedoeld in het vierde lid, waarin de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat het andere warmtebedrijf, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de gronden, genoemd in het vierde lid, onderdelen a en b. 7 Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag om instemming indien: a. niet voldaan is aan het tweede lid onverminderd het bepaalde in het derde lid; b. het andere warmtebedrijf, bedoeld in het eerste lid, niet heeft ingestemd met de overdracht. 8 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. de wijze waarop de aanvraag om instemming wordt ingediend, de bij de aanvraag om instemming te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen het college een besluit neemt; b. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het vierde lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt een besluit neemt; c. de gronden, genoemd in het vierde lid. 9 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: a. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vijfde lid; b. de afwijzingsgronden, genoemd in het zevende lid. Artikel 2.11 overdracht doorslaggevende zeggenschap 1 Een wijziging van de doorslaggevende zeggenschap in een aangewezen warmtebedrijf behoeft instemming van Onze Minister. 2 De doorslaggevende zeggenschap in een aangewezen warmtebedrijf kan alleen gewijzigd worden indien door deze wijziging deze zeggenschap direct of indirect komt te berusten of blijft berusten bij de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam. 3 Het tweede lid is tot tien jaar na inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing als de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam niet binnen een door Onze Minister bij ministeriële regeling te bepalen termijn kenbaar heeft gemaakt de doorslaggevende zeggenschap direct of indirect in het aangewezen warmtebedrijf over te willen nemen. 4 Alvorens het aangewezen warmtebedrijf een aanvraag om een instemming als bedoeld in het eerste lid indient, dient dit warmtebedrijf een aanvraag in bij de Autoriteit Consument en Markt waarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of het warmtebedrijf na wijziging van de doorslaggevende zeggenschap: a. voldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor zijn warmtekavels; b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 2.13, voor zijn warmtekavels uit te voeren. 5 De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit op grond van het vierde lid voorschriften en beperkingen verbinden. 6 Bij een aanvraag om instemming overlegt het aangewezen warmtebedrijf in ieder geval het besluit, bedoeld in het vierde lid, waarin de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat het warmtebedrijf na wijziging van de doorslaggevende zeggenschap, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de gronden, genoemd in het vierde lid, onderdelen a en b. 7 Onze Minister beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag om instemming indien niet voldaan is aan het tweede lid onverminderd het bepaalde in het derde lid. 8 Rechtshandelingen verricht in strijd met het eerste en tweede lid zijn vernietigbaar. 9 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. de omstandigheden waarin er sprake is van directe of indirecte overdracht van de doorslaggevende zeggenschap; b. de wijze waarop de aanvraag om instemming wordt ingediend, de bij de aanvraag om instemming te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen Onze Minister een besluit neemt; c. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het vierde lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt een besluit neemt; d. de gronden, genoemd in het vierde lid. 10 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: a. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vijfde lid; b. de afwijzingsgrond, genoemd in het zevende lid. Artikel 2.12 toezending aan de Autoriteit Consument en Markt 1 Het college zendt aan de Autoriteit Consument en Markt een afschrift van de aanwijzing, het globaal kavelplan, bedoeld in artikel 2.5, vijfde lid, onderdeel b, en 2.7, vijfde lid, onderdeel b, de wijziging van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2.8, eerste, vijfde en zesde lid, de intrekking van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2.9, tweede en derde lid, het plan, bedoeld in artikel 2.9, zesde lid, en de instemming met de overdracht van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid. 2 Onze Minister zendt aan de Autoriteit Consument en Markt een afschrift van de instemming met de wijziging van de doorslaggevende zeggenschap, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid. § 2.4 Taken van een aangewezen warmtebedrijf Artikel 2.13 taken 1 Het aangewezen warmtebedrijf heeft uitsluitend tot taak om binnen een gebied binnen de warmtekavel waarvoor een uitgewerkt kavelplan is opgesteld waarmee het college op grond van artikel 2.16, derde lid, heeft ingestemd: a. een collectieve warmtevoorziening op een doelmatige wijze aan te leggen, te beheren en te onderhouden; b. warmte op een doelmatige wijze te transporteren en te leveren aan degene die een leveringsaansluiting heeft op een binnen de warmtekavel aangelegd collectieve warmtevoorziening, waarbij warmteverliezen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, voorkomen worden; c. zorg te dragen voor een betrouwbare levering van warmte met inachtneming van een goede kwaliteit van dienstverlening; d. warmte te leveren tegen transparante tarieven en onder transparante en redelijke voorwaarden; e. de leveringszekerheid op een doelmatige wijze zeker te stellen; f. de veiligheid van de collectieve warmtevoorziening op een doelmatige wijze te waarborgen; g. de duurzaamheid van de collectieve warmtevoorziening op een doelmatige wijze te waarborgen; h. een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien het gebouw zich bevindt in een warmtekavel en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen, tenzij deze gebouweigenaar naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, heeft aangegeven niet aangesloten te willen worden op een nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening; i. een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien het gebouw zich bevindt in een warmtekavel en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen, en indien deze gebouweigenaar naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, heeft aangegeven niet aangesloten te willen worden op een nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening maar alsnog heeft verzocht om een leveringsaansluiting op een nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening, tenzij: 1°. het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluiting aan te brengen; 2°. door de leveringsaansluiting de overige aan het aangewezen warmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerd kunnen worden; j. een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien het gebouw zich bevindt in een warmtekavel en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen, en indien deze gebouweigenaar na de aanleg of uitbreiding van de collectieve warmtevoorziening heeft verzocht om een leveringsaansluiting, tenzij: 1°. het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluiting aan te brengen; 2°. door de leveringsaansluiting de overige aan het aangewezen warmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerd kunnen worden; k. een gebouweigenaar op verzoek op een doelmatige wijze en binnen een redelijke termijn af te sluiten van de collectieve warmtevoorziening; l. het verbruik van warmte van een op de collectieve warmtevoorziening aangesloten verbruiker te meten; m. ervoor te zorgen dat een verbruiker binnen een redelijke termijn beschikt over een warmtemeter door middel van verhuur of een warmtekostenverdeler, of dat binnen een redelijke termijn een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek wordt toegepast; n. een verbruiker de gegevens te verstrekken die deze voor een efficiënt gebruik van de geleverde warmte op grond van de leveringsovereenkomst nodig heeft; o. ervoor te zorgen dat een verbruiker binnen een redelijke termijn beschikt over een afleverset voor warmte indien: 1°. een bestaande afleverset voor warmte dient te worden vervangen; 2°. een nieuwe afleverset voor warmte dient te wordt geïnstalleerd in een nieuw of bestaand gebouw, tenzij dit voor de levering van warmte aan verbruikers niet noodzakelijk is; p. zorg te dragen voor het beheer en onderhoud van de bij een verbruiker geïnstalleerde warmtemeter, warmtekostenverdeler en afleverset voor warmte; q. het warmtenet als geheel in balans te houden en te waarborgen dat onbalans tussen warmte of koude, indien de levering van koude noodzakelijk is voor een efficiënte werking van de collectieve warmtevoorziening, op een efficiënte wijze wordt gecorrigeerd of voorkomen. 2 Indien een gebouw zich bevindt in een warmtekavel en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan geen regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem niet is aangewezen, heeft het aangewezen warmtebedrijf in plaats van de taken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen h tot en met j, tot taak de gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien deze hierom heeft verzocht, tenzij: a. het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluiting aan te brengen; b. door de leveringsaansluiting de overige aan het aangewezen warmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerd kunnen worden. 3 Het aangewezen warmtebedrijf heeft tevens tot taak het warmtenet waarmee warmte getransporteerd wordt van een warmtebron naar een gebied in de warmtekavel waarvoor het uitgewerkt kavelplan, bedoeld in het eerste lid, is opgesteld op een doelmatige wijze aan te leggen, te beheren en te onderhouden. Het eerste lid, onderdelen a en f, is van overeenkomstige toepassing. 4 Het derde lid is niet van toepassing indien de taak, bedoeld in het derde lid, reeds rust op een ander aangewezen warmtebedrijf of indien een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 1.2, derde lid. 5 Een aangewezen warmtebedrijf kan ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, werkzaamheden laten uitvoeren door een derde. Het aangewezen warmtebedrijf behoudt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze werkzaamheden, met uitzondering van: a. het aangaan van leveringsovereenkomsten, aansluitovereenkomsten als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, en overige overeenkomsten over de levering van warmte aan derden; b. het aangaan van een overeenkomt met betrekking tot de inkoop van warmte. 6 De overeenkomst waarin het aangewezen warmtebedrijf en de derde, bedoeld in het vijfde lid, zijn overeengekomen dat de derde werkzaamheden uitvoert voor het aangewezen warmtebedrijf wordt niet langer dan voor een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde termijn aangegaan. 7 Het is verboden in een overeenkomst de voorwaarde te stellen dat een investering in een aangewezen warmtebedrijf afhankelijk is van of het aangewezen warmtebedrijf de werkzaamheden, bedoeld in het vijfde lid, laat verrichten door een derde. 8 Het is een aangewezen warmtebedrijf niet toegestaan in een warmtekavel een taak als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, te verrichten als daar geen uitgewerkt kavelplan aan ten grondslag ligt waarmee het college op grond van artikel 2.16, derde lid, heeft ingestemd. 9 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over een taak als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, over de werkzaamheden en de uitvoering daarvan, bedoeld in het vijfde lid, en de overeenkomst, bedoeld in het zesde en zevende lid. § 2.5 Verplichtingen aangewezen warmtebedrijf § 2.5.1 Niet uit kunnen voeren van een taak Artikel 2.14 meldplicht bij niet nakomen taak 1 Een aangewezen warmtebedrijf meldt de Autoriteit Consument en Markt en het college dat het warmtebedrijf een aanwijzing heeft verleend, onmiddellijk als redelijkerwijs te voorzien is dat het aangewezen warmtebedrijf een taak als bedoeld in artikel 2.13 niet langer kan uitvoeren. 2 Een aangewezen warmtebedrijf meldt de Autoriteit Consument en Markt en het college op korte termijn na de melding: a. welke maatregelen het warmtebedrijf heeft genomen om de taak, bedoeld in artikel 2.13, wederom uit te kunnen voeren of te voorkomen dat het aangewezen warmtebedrijf de taak niet kan uitvoeren; b. wanneer in voorkomend geval het warmtebedrijf de taak, bedoeld in artikel 2.13, weer uit zal kunnen voeren. 3 De Autoriteit Consument en Markt kan het aangewezen warmtebedrijf opdragen maatregelen te treffen indien redelijkerwijs kan worden voorzien dat het aangewezen warmtebedrijf een taak als bedoeld in artikel 2.13 niet langer kan uitvoeren. 4 Het aangewezen warmtebedrijf volgt de opdracht op grond van het derde lid op. 5 De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen aan de opdracht verbinden. 6 Een aangewezen warmtebedrijf gaat na of de opdracht leidt tot een wijziging van het uitgewerkt kavelplan. 7 De Autoriteit Consument en Markt kan bij besluit vaststellen dat het aangewezen warmtebedrijf: a. niet langer in staat is een taak als bedoeld in artikel 2.13 uit te voeren; b. in strijd handelt met het vierde lid. 8 De Autoriteit Consument en Markt kan aan een aangewezen warmtebedrijf dat in staat van faillissement verkeert voor ten hoogste een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum dat het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in het zevende lid, is gemeld aan het college op grond van artikel 2.9, eerste lid, op aanvraag van het aangewezen warmtebedrijf een vergoeding toekennen ten behoeve van het in standhouden van het warmtenet waarover het aangewezen warmtebedrijf beschikt en ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.13, eerste lid, onderdelen b en e. 9 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. de aard, omvang en wijze van toekenning van de vergoeding, bedoeld in het achtste lid; b. de bij de hoogte van de vergoeding in aanmerking te nemen omstandigheden. Artikel 2.15 financiële monitoring 1 Een aangewezen warmtebedrijf zendt elk jaar binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn per warmtekavel aan de Autoriteit Consument en Markt informatie over: a. de organisatorische en technische bekwaamheid van het aangewezen warmtebedrijf; b. de financiële situatie van het warmtebedrijf en in voorkomend geval van de groep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe het warmtebedrijf behoort. 2 Een aangewezen warmtebedrijf meldt de Autoriteit Consument en Markt onmiddellijk als redelijkerwijs te voorzien is dat de financiële situatie van het warmtebedrijf of in voorkomend geval de groep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe het warmtebedrijf behoort significant verslechtert. 3 De Autoriteit Consument en Markt kan: a. het aangewezen warmtebedrijf opdragen de organisatorische en technische bekwaamheid te verbeteren; b. het aangewezen warmtebedrijf en een rechtspersoon of vennootschap die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe het warmtebedrijf behoort opdragen een plan op te stellen of maatregelen te treffen de financiële situatie te verbeteren. 4 Het aangewezen warmtebedrijf, de rechtspersoon of vennootschap volgen de opdracht op grond van het derde lid op. 5 De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen aan de opdracht verbinden. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. de informatie, bedoeld in het eerste lid; b. de wijze waarop het aangewezen warmtebedrijf de informatie meldt op grond van het eerste lid; c. de eisen aan de financiële situatie, bedoeld in het derde lid; d. de omstandigheden waarin sprake is van een significante verslechtering van de financiële situatie als bedoeld in het tweede lid. § 2.5.2 Uitgewerkt kavelplan en investeringsplan Artikel 2.16 uitgewerkt kavelplan 1 Een aangewezen warmtebedrijf zendt op verzoek van het college een uitgewerkt kavelplan of wijziging van een uitgewerkt kavelplan aan het college dat betrekking heeft op de warmtekavel of een deel daarvan. 2 Het uitgewerkt kavelplan bevat: a. een beschrijving op welke wijze de leveringszekerheid zal worden verzekerd; b. een beschrijving op welke wijze de bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, bepaalde normen bereikt zullen worden; c. de warmtebehoefte van gebouwen in het gebied, bedoeld in het eerste lid, en de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om de verblijfsruimte te kunnen verwarmen tot een binnentemperatuur van minimaal 20 graden Celsius, uitgaande van een buitentemperatuur die niet lager is dan -10 graden Celsius; d. de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om tapwater te kunnen leveren op een temperatuur of te kunnen verwarmen tot een temperatuur die voldoet aan een bij ministeriële regeling vastgestelde norm; e. de wijze waarop toekomstige verbruikers betrokken worden bij de aanleg, ontwikkeling en exploitatie van de collectieve warmtevoorziening; f. een voorstel voor een netontwerp, waaronder: 1°. de minimum- en maximumtemperatuur van de te leveren warmte, rekening houdend met de eisen op grond van de onderdelen c en d; 2°. de levering van tapwater of warmte ten behoeve van ruimteverwarming; 3°. de in te zetten warmtebronnen en potentiële warmtebronnen voor de korte en lange termijn; 4°. een indicatie van het tracé; g. een beschrijving van de wijze waarop warmteverliezen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, voorkomen worden; h. een voorstel voor de planning en fasering van de aanleg van de collectieve warmtevoorziening; i. een indicatie van de kosten van de aanleg, ontwikkeling en exploitatie van de collectieve warmtevoorziening; j. een indicatie van de tarieven van de te leveren goederen en diensten in verband met de levering van warmte aan verbruikers; k. de voorwaarden van de te leveren goederen en diensten in verband met de levering van warmte aan verbruikers; l. het type afleverset voor warmte dat geplaatst wordt. 3 Het uitgewerkt kavelplan of wijziging van het uitgewerkt kavelplan behoeft instemming van het college. 4 Het college kan instemming aan het uitgewerkt kavelplan of wijziging van het uitgewerkt kavelplan onthouden met dien verstande dat het college: a. uitsluitend instemming kan onthouden gelet op het tweede lid, onderdeel f, onder 3°, indien het uitgewerkt kavelplan afwijkt van het globaal kavelplan en de afwijking van het globaal kavelplan onvoldoende gemotiveerd is; b. geen instemming kan onthouden indien een wijziging van een uitgewerkt kavelplan het gevolg is van een opdracht van de Autoriteit Consument en Markt op grond van artikel 2.14, derde lid, 2.15, derde lid, 2.18, derde lid, of een bindende gedragslijn als bedoeld in artikel 10.2, eerste lid; c. instemming onthoudt indien het uitgewerkt kavelplan tot gevolg heeft dat het aangewezen warmtebedrijf geen redelijk rendement als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b, of een voor het aangewezen warmtebedrijf ander acceptabel rendement kan behalen voor zover dit acceptabel rendement lager is dan het redelijk rendement. 5 Het college kan het aangewezen warmtebedrijf naar aanleiding van een door het aangewezen warmtebedrijf opgesteld uitgewerkt kavelplan of wijziging van een uitgewerkt kavelplan als bedoeld in het eerste lid, het aangewezen warmtebedrijf opdragen het uitgewerkt kavelplan te wijzigen. 6 Het aangewezen warmtebedrijf volgt de opdracht op grond van het vijfde lid op. 7 Het aangewezen warmtebedrijf voert de taken, bedoeld in artikel 2.13, en verplichtingen in dit hoofdstuk overeenkomstig het uitgewerkt kavelplan uit. 8 Het aangewezen warmtebedrijf kan uitsluitend afwijken van een uitgewerkt kavelplan indien het een wijziging van het uitgewerkt kavelplan heeft opgesteld waarmee het college heeft ingestemd. Het derde tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op deze wijziging van het uitgewerkt kavelplan. 9 Het college kan voorschriften en beperkingen aan een instemming verbinden. 10 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de termijn waarbinnen het college een besluit op grond van het derde lid neemt. 11 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud van een uitgewerkt kavelplan. Artikel 2.17 investeringsplan 1 Een aangewezen warmtebedrijf stelt periodiek binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn een investeringsplan op voor een warmtekavel waarvoor het een aanwijzing heeft verkregen. 2 Een investeringsplan bevat: a. een beschrijving en onderbouwing van de voorgenomen investeringen in de aanleg, uitbreiding of vervanging van de collectieve warmtevoorziening in het betreffende warmtekavel die het aangewezen warmtebedrijf noodzakelijk acht voor de uitvoering van zijn taken, bedoeld in artikel 2.13; b. een beschrijving van de wijze waarop de voorgenomen investeringen passen binnen een lange termijnvisie op de collectieve warmtevoorziening in het betreffende warmtekavel; c. een beschrijving van de gevolgen van de in dit plan opgenomen investeringen voor het bereiken van de bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, bepaalde normen; d. een beschrijving van de wijze waarop de leveringszekerheid zal worden verzekerd. 3 Een aangewezen warmtebedrijf legt een ontwerp-investeringsplan voor aan de Autoriteit Consument en Markt en aan het college dat het warmtebedrijf de aanwijzing heeft verleend. Het college kan een zienswijze ten aanzien van het ontwerp-investeringsplan indienen bij de Autoriteit Consument en Markt. 4 De Autoriteit Consument en Markt toetst of: a. de in het ontwerp-investeringsplan opgenomen investeringen noodzakelijk zijn voor het aangewezen warmtebedrijf om de taken, bedoeld in artikel 2.13, op doelmatige wijze uit te voeren; b. het aangewezen warmtebedrijf ook anderszins in redelijkheid tot het ontwerp-investeringsplan heeft kunnen komen. 5 De Autoriteit Consument en Markt betrekt de zienswijze van het college, bedoeld in het derde lid, bij de toets op grond van het vierde lid en verantwoordt daarbij op welke wijze de zienswijze betrokken is bij die toets. 6 Een aangewezen warmtebedrijf stelt het investeringsplan vast en verantwoordt daarbij op welke wijze de resultaten van de toets van de Autoriteit Consument en Markt op grond van het vierde lid en de zienswijze van het college al dan niet hebben geleid tot wijziging van het investeringsplan. 7 Een aangewezen warmtebedrijf voert de in het investeringsplan opgenomen investeringen uit. 8 Een aangewezen warmtebedrijf zendt een wijziging van het investeringsplan aan de Autoriteit Consument en Markt en het college dat het warmtebedrijf heeft aangewezen. Het derde tot en met zevende lid en negende tot en met elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een significante wijziging van de investeringen, bedoeld in het tweede lid. 9 Een aangewezen warmtebedrijf gaat na of het investeringsplan leidt tot een wijziging van het uitgewerkt kavelplan. 10 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. de frequentie waarmee een investeringsplan wordt opgesteld; b. de procedure voor totstandkoming van een investeringsplan; c. de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het ontwerp-investeringsplan toetst. 11 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: a. de inhoud en het aggregatieniveau van een investeringsplan; b. een wijziging van het investeringsplan; c. de wijze waarop de noodzakelijkheid van de investeringen wordt aangetoond. § 2.5.3 Leveringszekerheid Artikel 2.18 leveringszekerheidsrapportage 1 Een aangewezen warmtebedrijf dient voor een warmtekavel elk jaar binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn een leveringszekerheidsrapportage in bij het college waarvan het een aanwijzing heeft verkregen en de Autoriteit Consument en Markt met in ieder geval een beschrijving van: a. de wijze waarop gedurende de komende drie jaar de leveringszekerheid wordt verzekerd; b. welke risico’s voor de leveringszekerheid gedurende de komende drie jaar zich kunnen voordoen; c. de wijze waarop deze risico’s ondervangen zullen worden; d. de wijze waarop de leveringszekerheid op de lange termijn wordt verzekerd. 2 Onder leveringszekerheid als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt de zekerheid op de continuïteit van de levering van warmte aan verbruikers verstaan, met uitzondering van het ontbreken van deze zekerheid als gevolg van een tijdelijke onderbreking van de levering van warmte die naar verwachting niet langer duurt dan vijf dagen en incidenteel voorkomt, waarbij in ieder geval: a. de verblijfsruimte van de verbruiker te verwarmen is tot een binnentemperatuur van minimaal 20 graden Celsius uitgaande van een buitentemperatuur die niet lager is dan -10 graden Celsius voor zover er warmte ten behoeve van ruimteverwarming wordt geleverd en indien is voldaan aan de warmtebehoefte van een gebouw en de kenmerken van de binneninstallatie, bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onderdelen c en d, en artikel 2.31, eerste lid, onderdelen d en f; b. tapwater wordt geleverd op een temperatuur of te verwarmen is tot een temperatuur die voldoet aan een bij ministeriële regeling vastgestelde norm, voor zover er warmte ten behoeve van tapwater wordt geleverd; c. voldoende warmtebronnen of potentiële warmtebronnen beschikbaar zijn voor de korte en lange termijn. 3 De Autoriteit Consument en Markt kan ambtshalve of op advies van het college het aangewezen warmtebedrijf binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn opdragen de leveringszekerheidsrapportage te wijzigen. 4 De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen aan de opdracht op grond van het derde lid verbinden. 5 Het aangewezen warmtebedrijf volgt de opdracht op en voert de in een leveringszekerheidsrapportage opgenomen maatregelen uit. 6 Een aangewezen warmtebedrijf gaat na of een leveringszekerheidsrapportage of een opdracht als bedoeld in het vijfde lid leidt tot een wijziging van het uitgewerkt kavelplan. 7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud van de leveringszekerheidsrapportage. § 2.5.4 Onderbreking van de levering van warmte aan verbruikers Artikel 2.19 onderbreking van de levering van warmte 1 Het aangewezen warmtebedrijf doet al hetgeen redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om een onderbreking van de levering van warmte aan verbruikers te voorkomen en indien een onderbreking zich toch voordoet, deze zo snel mogelijk te beëindigen. 2 Het aangewezen warmtebedrijf stelt een verbruiker tenminste drie dagen van tevoren op de hoogte van de door hem geplande werkzaamheden waarbij de levering van warmte aan verbruikers moet worden onderbroken. 3 Een aangewezen warmtebedrijf houdt een storingsregistratie bij betreffende de levering van warmte aan verbruikers en publiceert deze op een geschikte wijze. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over: a. de inhoud van de storingsregistratie; b. de wijze waarop en de frequentie waarmee de storing voor verbruikers bekend wordt gemaakt. Artikel 2.20 storingscompensatie 1 Een aangewezen warmtebedrijf keert aan een verbruiker een compensatie uit bij een ernstige storing in de levering van warmte aan verbruikers waarvan de oorzaak gelegen is in: a. de collectieve warmtevoorziening van het aangewezen warmtebedrijf of het warmtetransportnet van een warmtetransportbeheerder; b. de afleverset voor warmte, indien deze de eigendom is van het aangewezen warmtebedrijf; c. de leveringsaansluiting; d. een warmtebron; e. de warmtetransportaansluiting. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de ernstige storing het gevolg is van een situatie die niet aan het aangewezen warmtebedrijf of de warmtetransportbeheerder kan worden toegerekend en zo weinig voorkomt dat daar redelijkerwijs geen rekening mee hoeft te worden gehouden. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over: a. de hoogte van de compensatie bij een ernstige storing die voor storingen van verschillende tijdsduur verschillend kan worden vastgesteld; b. het moment van aanvang en beëindiging van de verplichting tot het betalen van compensatie bij een ernstige storing. § 2.5.5 De uitstoot van broeikasgassen Artikel 2.21 normen uitstoot broeikasgassen 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven over: a. de gemiddelde toegestane uitstoot van broeikasgassen die jaarlijks ten gevolge van de levering van warmte aan verbruikers door een aangewezen warmtebedrijf in een warmtekavel is toegestaan, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt tussen een op het moment van inwerkingtreding van dit artikel bestaande dan wel een nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening; b. de wijze waarop de uitstoot van broeikasgassen wordt berekend en vastgesteld; c. het moment van aanvang van het vaststellen van de gemiddelde toegestane uitstoot van broeikasgassen, bedoeld in onderdeel a. 2 De bij of krachtens het eerste lid jaarlijks vastgestelde normen voor de gemiddelde toegestane uitstoot van broeikasgassen bestaan uit een exact getal, waarbij de uitstoot van broeikasgassen wordt uitgedrukt in kilogram kooldioxide-equivalenten. 3 De bij of krachtens het eerste lid vastgestelde normen voor de gemiddelde uitstoot van broeikasgassen zullen eens in de vijf jaren op doeltreffendheid en effecten worden geëvalueerd. 4 Een aangewezen warmtebedrijf stoot ten gevolge van de levering van warmte aan verbruikers niet meer broeikasgassen uit dan de norm, bepaald bij of krachtens het eerste lid. Indien de uitstoot van broeikasgassen meer is dan deze norm, meldt het aangewezen warmtebedrijf dit onmiddellijk aan de Autoriteit Consument en Markt. 5 De Autoriteit Consument en Markt kan bij besluit vaststellen dat het aangewezen warmtebedrijf vijf jaar na de eerste overschrijding van een norm, bepaald bij of krachtens het eerste lid, nog steeds meer broeikasgassen uitstoot dan deze norm. Artikel 2.22 ontheffing normen uitstoot broeikasgassen 1 De Autoriteit Consument en Markt kan op aanvraag van een aangewezen warmtebedrijf voor een door de Autoriteit Consument en Markt te bepalen periode ontheffing verlenen van de bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, bepaalde normen indien aannemelijk is dat het aangewezen warmtebedrijf niet kan voldoen aan deze normen doordat de realisatie van een nieuwe duurzame warmtebron niet uitvoerbaar is. 2 De Autoriteit Consument en Markt kan op aanvraag van een aangewezen warmtebedrijf ontheffing verlenen van de bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, bepaalde normen voor een door de Autoriteit Consument en Markt te bepalen periode voor een op het moment van inwerkingtreding van dit artikel bestaande collectieve warmtevoorziening indien: a. deze collectieve warmtevoorziening afhankelijk is van een niet-duurzame warmtebron die de collectieve warmtevoorziening voor een groot deel in warmte voorziet, en b. aannemelijk is dat het aangewezen warmtebedrijf niet kan voldoen aan de normen, bepaald bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, doordat de vervanging van de niet-duurzame warmtebron door een duurzame warmtebron niet uitvoerbaar is. 3 De Autoriteit Consument en Markt kan aan een ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden alsmede op aanvraag van een aangewezen warmtebedrijf de geldigheidsduur van een ontheffing verlengen. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. de wijze waarop de aanvraag wordt ingediend en de bij de aanvraag te verstrekken gegevens en bescheiden; b. de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt een besluit tot ontheffing neemt; c. de periode, bedoeld in het eerste en tweede lid; d. wanneer er sprake is van een groot deel als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a; e. de voorwaarden waaronder een aanvraag om verlenging van het tijdvak waarvoor een ontheffing geldt wordt ingewilligd. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de voorschriften en beperkingen die aan een ontheffing kunnen worden verbonden. Artikel 2.23 informatie over de uitstoot van broeikasgassen op de factuur 1 Een aangewezen warmtebedrijf verstrekt een verbruiker informatie over de uitstoot van broeikasgassen ten gevolge van de levering van warmte op de gespecificeerde factuur, bedoeld in artikel 2.37, eerste lid. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. de informatie bedoeld in het eerste lid; b. de wijze waarop een aangewezen warmtebedrijf de informatie aan verbruikers verstrekt. Artikel 2.24 openbare informatie over de uitstoot van broeikasgassen 1 Het aangewezen warmtebedrijf maakt elk jaar binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn betrouwbare informatie over de uitstoot van broeikasgassen ten gevolge van de levering van warmte aan verbruikers op inzichtelijke wijze openbaar. 2 De Autoriteit Consument en Markt kan het aangewezen warmtebedrijf verzoeken om een verklaring van een accountant waarin de informatie, bedoeld in het eerste lid, is gecontroleerd. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid. § 2.5.6 Aansluiten op of afsluiten van een collectieve warmtevoorziening Artikel 2.25 informatie bij aanbod aansluitovereenkomst op collectieve warmtevoorziening 1 Bij een aanbod aan een gebouweigenaar om te worden aangesloten op een collectieve warmtevoorziening verstrekt het aangewezen warmtebedrijf de gebouweigenaar op duidelijke en begrijpelijke wijze de volgende informatie: a. een omschrijving van de te leveren goederen en diensten en de overeengekomen kwaliteitsniveaus daarvan, die in ieder geval betrekking hebben op: 1°. de minimum- en maximumtemperatuur van de te leveren warmte; 2°. de soort geleverde warmte; 3°. de tarieven van de te leveren goederen en diensten in verband met de levering van warmte, waaronder het tarief van de aansluiting op een collectieve warmtevoorziening; b. de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om veilig gebruik te kunnen maken van de geleverde warmte; c. de warmtebehoefte van het gebouw of de eenheden in een gebouw en kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om de verblijfsruimte te kunnen verwarmen tot een binnentemperatuur van minimaal 20 graden Celsius uitgaande van een buitentemperatuur die niet lager is dan -10 graden Celsius; d. de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om tapwater te kunnen leveren op een temperatuur of te kunnen verwarmen tot een temperatuur die voldoet aan een bij ministeriële regeling vastgestelde norm; e. de verwachte datum dat de levering van warmte zal aanvangen. 2 In het geval van een aanbod voor een aansluiting op een nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening verstrekt het aangewezen warmtebedrijf in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, onder 3°, de minimale en maximale tarieven van de te leveren goederen en diensten in verband met de levering van warmte die het warmtebedrijf de eerste drie jaar na aanvang van de levering van warmte in rekening zal kunnen brengen. De minimale en maximale tarieven worden berekend op grond van de daadwerkelijk verwachte kosten van de te leveren goederen en diensten in verband met de levering van warmte. 3 Het aangewezen warmtebedrijf kan de Dienst voor het kadaster en de openbare registers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Organisatiewet Kadaster verzoeken om de naam en adresgegevens van de gebouweigenaar beschikbaar te stellen. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers verstrekt deze gegevens aan het aangewezen warmtebedrijf. 4 Het aangewezen warmtebedrijf kan een systeembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet verzoeken informatie te verstrekken ten aanzien van de grootte van de gasaansluiting van een gebouw van de gebouweigenaar, bedoeld in het eerste lid. De systeembeheerder verstrekt deze informatie aan het aangewezen warmtebedrijf. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. de informatie, bedoeld in het eerste lid; b. overige informatie die het aangewezen warmtebedrijf bij een aanbod om te worden aangesloten op een collectieve warmtevoorziening aan de gebouweigenaar verstrekt; c. de procedure volgens welke het aangewezen warmtebedrijf de informatie, bedoeld in onderdeel b, en het eerste lid, ter beschikking stelt aan een gebouweigenaar. Artikel 2.26 aanbod aansluitovereenkomst bij aanleg of uitbreiding collectieve warmtevoorziening in geval van verplicht beëindigen van gebruik fossiele brandstoffen 1 Een aangewezen warmtebedrijf doet uiterlijk op een door het college vast te stellen tijdstip voor de aanleg of uitbreiding van een collectieve warmtevoorziening een gebouweigenaar een aanbod aangesloten te worden op deze collectieve warmtevoorziening indien deze gebouweigenaar eigenaar is van een gebouw dat zich bevindt binnen een warmtekavel en waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in een gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen. 2 Bij het aanbod, bedoeld in het eerste lid, verzoekt het aangewezen warmtebedrijf de gebouweigenaar om binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn aan te geven indien deze het aanbod niet aanvaardt en niet aangesloten wil worden op de nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening. 3 Indien een gebouweigenaar binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, niet te kennen heeft gegeven het aanbod niet te aanvaarden, heeft de gebouweigenaar het aanbod voor een overeenkomst tot aansluiting op de nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening stilzwijgend aanvaard. Het aangewezen warmtebedrijf informeert de gebouweigenaar over de stilzwijgende aanvaarding van het aanbod en geeft de gebouweigenaar de gelegenheid binnen 14 dagen de overeenkomst zonder opgave van redenen en kosteloos te ontbinden. 4 In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, verstrekt het aangewezen warmtebedrijf een gebouweigenaar als bedoeld in het eerste lid, informatie over de gevolgen voor de gebouweigenaar indien deze niet binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, te kennen geeft het aanbod niet te aanvaarden en niet aangesloten te willen worden op de nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening. Artikel 2.27 nieuw aanbod aansluitovereenkomst bij niet aanvaarden in geval van situatie artikel 2.26 1 Het aangewezen warmtebedrijf doet op verzoek van een gebouweigenaar opnieuw een aanbod om aangesloten te worden als bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, indien de gebouweigenaar naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, heeft aangegeven niet aangesloten te willen worden op een nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening, alsnog verzoekt om een aansluiting op een nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien zich de situatie, genoemd in artikel 2.13, eerste lid, onderdeel i of j, onder 1° of 2°, voordoet. Artikel 2.28 algemene aansluitverplichting van drie jaar in geval van situatie artikel 2.26 1 Een gebouweigenaar die het aanbod om aangesloten te worden als bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, heeft aanvaard of stilzwijgend heeft aanvaard, kan de overeenkomst door middel van opzegging niet beëindigen tot drie jaar na aanvang van de levering van warmte van de collectieve warmtevoorziening. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien: a. een gebouweigenaar als bedoeld in het eerste lid, binnen drie jaar na aanvang van de levering van warmte van de collectieve warmtevoorziening de eigendom van het gebouw overdraagt. Op zijn rechtsopvolger zijn de artikelen 2.26 en 2.27 van overeenkomstige toepassing; b. het gebouw waarop de overeenkomst betrekking heeft gesloopt wordt. Artikel 2.29 oprichten nieuw gebouw in geval van situatie artikel 2.26 1 De artikelen 2.26 tot en met 2.28 zijn van overeenkomstige toepassing op de situatie dat een natuurlijk persoon of rechtspersoon voornemens is na de termijn, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, een gebouw op te richten dat zich bevindt in het gebied binnen een warmtekavel waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in een gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien zich de situatie, genoemd in artikel 2.13, eerste lid, onderdeel i of j, onder 1° of 2°, voordoet. Artikel 2.30 kosten van afsluiten kleinverbruikers en grootverbruikers 1 Indien de gebouweigenaar van een gebouw met een individuele leveringsaansluiting van maximaal 100 kilowatt nadat het gebouw is aangesloten op de collectieve warmtevoorziening een aangewezen warmtebedrijf verzoekt om afgesloten te worden van de collectieve warmtevoorziening, kan een aangewezen warmtebedrijf voor de afsluiting een tarief in rekening brengen dat niet meer bedraagt dan het door de Autoriteit Consument en Markt vastgestelde maximale tarief voor het afsluiten van een collectieve warmtevoorziening. De tarieven voor volledige en voor tijdelijke afsluiting zijn gelijk. Indien mogelijk beperkt afsluiting zich tot het verwijderen van de afleverset voor warmte en het afsluiten van de leidingen. 2 Indien een gebouweigenaar van een gebouw met een individuele leveringsaansluiting van meer dan 100 kilowatt nadat het gebouw is aangesloten op de collectieve warmtevoorziening een aangewezen warmtebedrijf verzoekt om afgesloten te worden van de collectieve warmtevoorziening, kan een aangewezen warmtebedrijf voor de afsluiting een tarief in rekening brengen dat niet meer bedraagt dan het door de Autoriteit Consument en Markt op grond van de artikelen 7.21, eerste lid, of 7.28, eerste lid, vastgestelde maximale tarief voor het afsluiten van een collectieve warmtevoorziening voor grootverbruikers. 3 Het aangewezen warmtebedrijf kan in aanvulling op het maximale tarief, bedoeld in het tweede lid, een op verzoek van het warmtebedrijf door de Autoriteit Consument en Markt vast te stellen opslag in rekening brengen indien door de afsluiting het aangewezen warmtebedrijf structureel geen redelijk rendement kan behalen of de afsluiting leidt tot een significante verhoging van de tarieven voor de resterende verbruikers van de collectieve warmtevoorziening. 4 Indien een gebouw van een gebouweigenaar met een individuele leveringsaansluiting van meer dan 100 kilowatt gesloopt wordt, kan een aangewezen warmtebedrijf voor de afsluiting van een collectieve warmtevoorziening een door de Autoriteit Consument en Markt vast te stellen tarief dat is gebaseerd op de werkelijke kosten van de afsluiting in rekening brengen. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden vastgesteld over: a. de wijze waarop de Autoriteit Consument en Markt het tarief berekent en vaststelt op grond van het tweede lid, en de opslag berekent en vaststelt op grond van het derde lid; b. de wijze waarop wordt bepaald dat het aangewezen warmtebedrijf structureel geen redelijk rendement als bedoeld in het derde lid kan behalen. § 2.5.7 De levering van warmte aan verbruikers Artikel 2.31 leveringsovereenkomst 1 Een in Nederland gevestigd aangewezen warmtebedrijf verstrekt een verbruiker voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst tot levering van warmte op duidelijke en begrijpelijke wijze de volgende informatie: a. een omschrijving van de te leveren goederen en diensten en de overeengekomen kwaliteitsniveaus daarvan, die in ieder geval betrekking hebben op: 1°. de minimum- en maximumtemperatuur van de te leveren warmte, bedoeld in artikel 2.16, tweede lid, onderdeel f, onder 1°; 2°. de soort geleverde warmte; 3°. de tarieven van en voorwaarden waaronder deze goederen en diensten worden geleverd; b. een omschrijving van de terugbetalingsregelingen als de geleverde goederen en diensten niet aan de overeengekomen kwaliteitsniveaus voldoen; c. de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om veilig gebruik te kunnen maken van de door het aangewezen warmtebedrijf geleverde warmte; d. de warmtebehoefte van het gebouw en de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om de verblijfsruimte te kunnen verwarmen tot een binnentemperatuur van minimaal 20 graden Celsius, uitgaande van een buitentemperatuur die niet lager is dan -10 graden Celsius, voor zover er warmte ten behoeve van ruimteverwarming wordt geleverd; e. dat warmte zal worden geleverd waarmee de verblijfsruimte van de verbruiker te verwarmen is tot een binnentemperatuur van minimaal 20 graden Celsius uitgaande van een buitentemperatuur die niet lager is dan -10 graden Celsius indien is voldaan aan de waarden en kenmerken, bedoeld in onderdeel d, voor zover er warmte ten behoeve van ruimteverwarming wordt geleverd; f. de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om tapwater te kunnen leveren op een temperatuur of te kunnen verwarmen tot een temperatuur die voldoet aan een bij ministeriële regeling vastgestelde norm, voor zover er warmte ten behoeve van tapwater wordt geleverd; g. dat tapwater wordt geleverd op een temperatuur of dat te verwarmen is tot een temperatuur die voldoet aan een bij ministeriële regeling vastgestelde norm indien voldaan is aan de kenmerken, bedoeld in onderdeel f, voor zover er warmte ten behoeve van tapwater wordt geleverd; h. het aansluitvermogen van de aansluiting voor koude op het warmte koude systeem, waarbij het aansluitvermogen dient te worden aangeven in kilowatt met minstens één cijfer achter te komma. 2 In het geval van een overeenkomst op afstand of een overeenkomst buiten de verkoopruimte als bedoeld in artikel 230m, eerste lid, Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is artikel 230v van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing op de informatieverplichtingen voor een aangewezen warmtebedrijf als bedoeld in het eerste lid. 3 Een aangewezen warmtebedrijf verstrekt een verbruiker voorafgaand aan het sluiten van een leveringsovereenkomst een samenvatting van de belangrijkste voorwaarden uit de overeenkomst in begrijpelijke taal. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. de inhoud van de leveringsovereenkomst; b. de informatie die het aangewezen warmtebedrijf al dan niet voorafgaand aan het sluiten van een leveringsovereenkomst aan verbruikers verstrekt. Artikel 2.32 wijzigen en opzeggen van een leveringsovereenkomst 1 Een aangewezen warmtebedrijf stelt een verbruiker op toereikende wijze in kennis van een voornemen tot wijziging van de: a. tarieven voor de levering van warmte; b. aan de leveringsovereenkomst verbonden voorwaarden. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het wijzigen en opzeggen van een leveringsovereenkomst tussen een aangewezen warmtebedrijf en verbruiker. Artikel 2.33 vernietigbaarheid leveringsovereenkomst Een leveringsovereenkomst met een kleinverbruiker die niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.31 en 2.32 is vernietigbaar. Artikel 2.34 gevolgen van een opzegging van een leveringsovereenkomst 1 Een aangewezen warmtebedrijf reageert schriftelijk op een opzegging en motiveert daarin in voorkomend geval waarom de beëindiging niet kan plaatsvinden. 2 Een aangewezen warmtebedrijf geeft geen gevolg aan de opzegging indien: a. het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de levering van warmte aan die verbruiker geheel te beëindigen; b. beëindiging van de levering van warmte aan een verbruiker leidt tot aanzienlijk blijvend nadeel voor een andere verbruiker. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over: a. de situaties waarin het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de levering aan een verbruiker geheel te beëindigen; b. wanneer er sprake is van een aanzienlijk blijvend nadeel. Artikel 2.35 opzeggen leveringsovereenkomst in geval van situatie artikel 2.26 1 Een verbruiker kan een leveringsovereenkomst met betrekking tot een gebouw waarvan de gebouweigenaar het aanbod om aangesloten te worden, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, heeft aanvaard of stilzwijgend heeft aanvaard, door middel van opzegging niet beëindigen tot drie jaar na aanvang van de levering van warmte nadat het gebouw op een collectieve warmtevoorziening is aangesloten. 2 Het eerste lid geldt niet in het geval: a. de verbruiker binnen drie jaar na aanvang van de levering van warmte, bedoeld in het eerste lid, verhuist; b. de gebouweigenaar wordt afgesloten van de collectieve warmtevoorziening. Artikel 2.36 opzegvergoeding 1 Een aangewezen warmtebedrijf kan een kleinverbruiker voor de opzegging van een leveringsovereenkomst alleen een opzegvergoeding in rekening brengen, indien het een tussentijdse opzegging betreft van een overeenkomst voor bepaalde duur en een vooraf of tijdens de overeenkomst vast overeengekomen prijs of vast overeengekomen kosten, en de opzegvergoeding in de overeenkomst is opgenomen. 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de voorwaarden en de hoogte van de opzegvergoeding. Artikel 2.37 factuur 1 Een aangewezen warmtebedrijf verstrekt een verbruiker periodiek en kosteloos facturen en factureringsinformatie, waarin de gegevens inzake de geleverde warmte op transparante en begrijpelijke wijze is weergegeven. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over: a. de inhoud en inrichting van facturen en factureringsinformatie; b. de frequentie van facturen en factureringsinformatie; c. het verstrekken van gegevens aan de verbruiker over het verbruik van warmte; d. het toesturen van facturen en factureringsinformatie; e. de omstandigheden waarin en termijnen waarbinnen een aangewezen warmtebedrijf de facturen en factureringsinformatie verstrekt. Artikel 2.38 betalingswijzen 1 Een aangewezen warmtebedrijf biedt een verbruiker een ruime keuze uit betalingswijzen. 2 Een aangewezen warmtebedrijf is goed bereikbaar voor een verbruiker. 3 Een aangewezen warmtebedrijf handelt correspondentie van een verbruiker binnen tien werkdagen af. Indien een oplossing in deze periode niet mogelijk is, ontvangt de verbruiker binnen vijf werkdagen bericht binnen welke termijn een adequate reactie kan worden verwacht. 4 Een aangewezen warmtebedrijf gebruikt de aan hem verstrekte gegevens over een verbruiker uitsluitend voor het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 2.13, en het nakomen van de verplichtingen op grond van dit hoofdstuk. Artikel 2.39 klachtenprocedure 1 Een aangewezen warmtebedrijf voorziet in een transparante, kosteloze en eenvoudige interne procedure voor de behandeling van klachten van zijn verbruikers. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld, die kunnen verschillen per type verbruiker, over: a. de voorwaarden en inrichting waaraan de klachtenprocedure moet voldoen; b. de termijnen die gelden voor de klachtenprocedure. Artikel 2.40 voorkomen beëindiging levering 1 Een aangewezen warmtebedrijf neemt preventieve maatregelen om het beëindigen van levering van warmte aan een kleinverbruiker wegens wanbetaling zoveel mogelijk te voorkomen. 2 Een aangewezen warmtebedrijf beëindigt: a. de levering van warmte aan een kleinverbruiker niet in verband met wanbetaling, behoudens in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen; b. de levering van warmte ten behoeve van bij ministeriële regeling aan te wijzen kleinverbruikers niet in verband met wanbetaling indien is voldaan aan bij die regeling te bepalen voorwaarden. 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over: a. de maatregelen die een aangewezen warmtebedrijf neemt om betalingsachterstanden te verhelpen of te voorkomen; b. het beperken, opschorten, beëindigen of hervatten van de levering van warmte aan kleinverbruikers. § 2.5.8 Meten van het verbruik van warmte Artikel 2.41 kosten gebaseerd op het gemeten verbruik 1 Een aangewezen warmtebedrijf baseert de aan de verbruiker in rekening te brengen kosten voor de levering van warmte op het gemeten verbruik met: a. een warmtemeter; b. een warmtekostenverdeler, of c. een voor een verbruiker inzichtelijke verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek. 2 Indien een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek wordt gebruikt kan aan een afzonderlijke verbruiker tevens worden toegerekend: a. de kosten van verbruik van warmte in het gemeenschappelijk belang; b. de redelijke kosten voor de uitvoering van de verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek indien dit door een ander dan het aangewezen warmtebedrijf geschiedt. Artikel 2.42 warmtemeter, warmtekostenverdeler en verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek 1 Een aangewezen warmtebedrijf installeert een warmtemeter bij een leveringsaansluiting waar dat technisch haalbaar en kostenefficiënt is. 2 De installatie van een warmtemeter is in ieder geval technisch haalbaar en kostenefficiënt indien: a. een bestaande warmtemeter wordt vervangen; b. een nieuwe leveringsaansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw; c. een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd. 3 Indien de installatie van een warmtemeter technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is, installeert een aangewezen warmtebedrijf een warmtekostenverdeler waar dat kostenefficiënt is. 4 Een aangewezen warmtebedrijf hanteert een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek indien de installatie van een warmtekostenverdeler niet kostenefficiënt is. 5 De verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek gaat uit van een binnen de technische en financiële mogelijkheden zo nauwkeurig mogelijke benadering van het werkelijke aandeel in het totaal gemeten verbruik van een afzonderlijke verbruiker. 6 De warmtekostenverdeler, de verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek en andere technische voorzieningen voor benadering, meting of registratie van het aandeel van een afzonderlijke verbruiker in het totale verbruik, worden aan de hand van daarvoor gangbare technische normen geïnstalleerd en toegepast. 7 Indien een onroerende zaak, die is gebouwd voor 1 juli 2019, bestaat uit meerdere verblijfsruimten kan een aangewezen warmtebedrijf het individueel gemeten warmtegebruik van de verbruiker door middel van een warmtemeter, warmtekostenverdeler of een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek corrigeren aan de hand van correctiefactoren die door het aangewezen warmtebedrijf zijn vastgesteld met in acht name van de daarvoor gangbare technische normen voor: a. de ligging van verblijfswoonruimten; b. leidingverliezen voor transportleidingen. 8 Het eerste tot en met zevende lid zijn niet van toepassing op warmte die door apparatuur van de verbruiker wordt opgewaardeerd tot een temperatuur die geschikt is voor ruimteverwarming en verwarming van tapwater en waarbij in de leveringsovereenkomst is bepaald dat deze apparatuur bij de binneninstallatie hoort. Het warmtebedrijf plaatst een meter voor het punt waar de warmte wordt overgedragen op de apparatuur van de verbruiker waarmee kan worden vastgesteld of is voldaan aan artikel 2.18, tweede lid, onderdelen a en b. 9 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop wordt bepaald: a. in welke andere situaties de installatie van een warmtemeter technisch haalbaar of kostenefficiënt is; b. in welke situaties de installatie van een warmtekostenverdeler kostenefficiënt is; c. de technische eisen waaraan een meter als bedoeld in achtste lid moet voldoen. 10 Een aangewezen warmtebedrijf geeft een afzonderlijke verbruiker of diens gemachtigde inzicht in de meetgegevens, de correctiefactor en de berekening van het aandeel van de afzonderlijke verbruiker in het totale verbruik, zoals vastgesteld op grond van het vijfde tot en met zevende lid en van de toerekening van de kosten op grond van artikel 2.41, tweede lid. Artikel 2.43 eisen aan een warmtemeter, warmtekostenverdeler en verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek 1 Indien een aangewezen warmtebedrijf een warmtemeter of een warmtekostenverdeler installeert, is deze op afstand uitleesbaar. 2 Een aangewezen warmtebedrijf leest meetgegevens van een verbruiker, die beschikt over een warmtemeter of een warmtekostenverdeler die op afstand uitleesbaar is, niet op afstand uit indien de kleinverbruiker hierom verzoekt. 3 De meetgegevens van een warmtemeter en warmtekostenverdeler die op afstand uitleesbaar zijn kunnen ten hoogste eenmaal per 15 minuten worden gecollecteerd, gevalideerd of vastgesteld. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels, die kunnen verschillen voor de meting van het verbruik van warmte door een kleinverbruiker en grootverbruiker, worden gesteld over: a. de eisen en functionaliteiten waar een warmtemeter, een warmtekostenverdeler en een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek tenminste aan moeten voldoen; b. het installeren, beheren en uitlezen van een warmtemeter en warmtekostenverdeler; c. het onderzoek naar de betrouwbaarheid van een warmtemeter, warmtekostenverdeler en verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek; d. een controlesystematiek voor warmtemeters; e. de administratie in verband met het installeren, vervangen, of verwijderen van een warmtemeter en warmtekostenverdeler; f. het collecteren, valideren en vaststellen van meetgegevens van een warmtemeter en warmtekostenverdeler die op afstand uitleesbaar zijn; g. de frequentie waarmee meetgegevens van een warmtemeter en warmtekostenverdeler die op afstand uitleesbaar zijn worden gecollecteerd, gevalideerd of vastgesteld. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de beveiliging van meetgegevens van een warmtemeter en warmtekostenverdeler die op afstand uitleesbaar is. 6 Dit artikel is niet van toepassing op warmte die door apparatuur van de verbruiker wordt opgewaardeerd als bedoeld in artikel 2.42, achtste lid. § 2.5.9 Toegang van warmtebronnen Artikel 2.44 toegang van warmtebronnen 1 Een aangewezen warmtebedrijf treedt op verzoek van een producent of producent van restwarmte in overleg over het gebruik door het warmtebedrijf van de warmtebron van de producent of producent van restwarmte. 2 Na ontvangst van een verzoek geeft het aangewezen warmtebedrijf de producent of producent van restwarmte informatie, voor zover daarom is verzocht, over: a. de vraag van het aangewezen warmtebedrijf naar productiecapaciteit nu en de verwachte productiecapaciteit in de toekomst; b. indien er vraag naar productiecapaciteit is, de kenmerken van deze productiecapaciteit; c. de technische kenmerken van de collectieve warmtevoorziening, waaronder de druk, de temperatuur, de mate waarin de uitstoot van broeikasgassen wordt verminderd en het debiet; d. het afnameprofiel en de jaarlijkse afname van de betreffende collectieve warmtevoorziening. 3 Een aangewezen warmtebedrijf doet de producent of producent van restwarmte een deugdelijk gemotiveerde schriftelijke beslissing toekomen over het gebruik van de warmtebron. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over: a. de eisen waaraan een verzoek als bedoeld in het eerste lid ten minste moet voldoen; b. de termijn waarbinnen de informatie wordt verschaft; c. de termijn waarbinnen het overleg tussen het aangewezen warmtebedrijf en de producent of producent van restwarmte wordt gestart. § 2.5.10 Overige verplichtingen Artikel 2.45 eigendom warmtenet 1 Een aangewezen warmtebedrijf beschikt over de eigendom van het warmtenet van de collectieve warmtevoorziening waarop de taken, bedoeld in artikel 2.13, van het warmtebedrijf betrekking hebben. Het is verboden de economische eigendom van het warmtenet geheel of deels over te dragen aan een derde of het warmtenet geheel of deels te bezwaren met een zekerheidsrecht ten gunste van een directe of indirecte aandeelhouder of certificaathouder van het warmtebedrijf waardoor de feitelijke zeggenschap over het warmtenet direct of op termijn niet langer bij het warmtebedrijf rust. 2 Het aangewezen warmtebedrijf draagt de eigendom van het warmtenet over aan het daarop volgende aangewezen warmtebedrijf, indien de aanwijzing: a. is gewijzigd op grond van artikel 2.8, vijfde lid; b. is ingetrokken op grond van artikel 2.9, tweede of derde lid; c. is komen te vervallen door het verloop van de termijn van de aanwijzing; d. is overgedragen op grond van artikel 2.10, eerste lid. 3 Indien in afwijking van het eerste lid het aangewezen warmtebedrijf op grond van artikel 13.10 alleen beschikt over de economische eigendom van het warmtenet van een collectieve warmtevoorziening en een openbaar lichaam over de juridische eigendom van het warmtenet, dan draagt het aangewezen warmtebedrijf de economische eigendom van het warmtenet over aan het daarop volgende aangewezen warmtebedrijf, indien de aanwijzing: a. is gewijzigd op grond van artikel 2.8, vijfde lid; b. is ingetrokken op grond van artikel 2.9, tweede of derde lid; c. is komen te vervallen door het verloop van de termijn van de aanwijzing; d. is overgedragen op grond van artikel 2.10, eerste lid. 4 Het aangewezen warmtebedrijf waarvan de aanwijzing is gewijzigd, ingetrokken, komen te vervallen of overgedragen heeft recht op een tegenprestatie van het daarop volgende aangewezen warmtebedrijf die de marktwaarde van de verschafte rechten op het warmtenet vertegenwoordigt. 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de overdracht van de eigendom van het warmtenet en de tegenprestatie. 6 Het vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de doorslaggevende zeggenschap in een aangewezen warmtebedrijf wordt gewijzigd op grond van artikel 2.11, eerste lid. Artikel 2.46 levering na overdracht van een aanwijzing Indien een aanwijzing na instemming van het college op grond van artikel 2.10, eerste lid, wordt overgedragen aan een ander warmtebedrijf neemt dit warmtebedrijf alle leveringsovereenkomsten over die het aangewezen warmtebedrijf dat de aanwijzing overdraagt met verbruikers heeft gesloten. In afwijking van het eerste