Handboek Middelen, Inkomen en Vermogen Participatiewet 2026 Hollands Kroon Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon gelet op de artikelen 27, 28, 31, 32, 33 en 34 van de Participatiewet, gelet op artikel 1:3 lid 4 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; besluit: vast te stellen het Handboek Middelen, Inkomen en Vermogen Participatiewet 2026 Hollands Kroon. Inleiding De Participatiewet in Balans wil de huidige Participatiewet verbeteren door meer menselijke maat en vertrouwen in te bouwen, regels te vereenvoudigen, en hardheden weg te nemen. Gemeenten krijgen meer ruimte voor maatwerk, zodat oplossingen beter aansluiten bij persoonlijke situaties. Het doel is een rechtvaardiger en eenvoudiger stelsel, waarin rechten en plichten in balans zijn en iedereen kan rekenen op een toereikend bestaansminimum en wordt gestimuleerd om naar vermogen mee te doen in arbeid en samenleving. Deze herziening van de Participatiewet markeert een fundamentele koerswijziging. De regels rond middelen, vermogen en inkomen worden ingrijpend aangepast. Nieuwe definities en verruimde kaders voor giften, bijverdienmogelijkheden en bufferbudgetten vragen om een andere interpretatie van bestaanszekerheid. Daarnaast komen er aangepaste verrekeningsregels en beleidsinstrumenten die meer ruimte bieden voor maatwerk en menselijke maat, maar tegelijkertijd een uniforme toepassing vereisen om rechtsgelijkheid te waarborgen. Voor uitvoeringsprofessionals betekent dit een omslag naar meer discretionaire bevoegdheden, gecombineerd met een scherp oog voor consistentie en transparantie. Dit handboek, genaamd het Handboek Middelen, Inkomen en Vermogen Participatiewet 2026 Hollands Kroon, is opgesteld met als doel de uitvoeringspraktijk optimaal te ondersteunen bij de toepassing van de gewijzigde regelgeving. Het biedt een gestructureerde en toegankelijke toelichting op de nieuwe regels met betrekking tot onder meer vermogensvaststelling, inkomstenverrekening en giften. Daarnaast worden actuele en maatschappelijk relevante thema’s behandeld, zoals het bezit van cryptovaluta (bijvoorbeeld bitcoins) en inkomsten uit online kansspelen. Ook de regels die in het kader van de Participatiewet in Balans niet zijn gewijzigd worden uitgebreid toegelicht. Het handboek bevat tevens beleidsmatige kaders met betrekking tot onder meer giften, crowdfunding, het bufferbudget en de bijverdienregeling. Deze instrumenten bieden ruimte voor maatwerk, maar vragen tegelijkertijd om zorgvuldige afwegingen en een consistente toepassing binnen de uitvoeringspraktijk. Een belangrijk uitgangspunt bij de totstandkoming van dit handboek is de integratie van beleidsregels in één samenhangend document. Er is bewust gekozen om geen afzonderlijke beleidsregels te hanteren, maar deze te verwerken in de toelichtingen binnen dit handboek. Hiermee wordt beoogd om in circa 90% van de gevallen een eenduidige en zelfstandige uitvoering mogelijk te maken. Voor meer complexe of uitzonderlijke situaties kan de consulent gebruikmaken van aanvullende bronnen, zoals GRIP Schulinck. Met dit handboek wordt – zoals reeds vermeld- beoogd bij te dragen aan een professionele, rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Participatiewet. Het biedt houvast aan uitvoerende professionals en draagt bij aan een uniforme werkwijze binnen de organisatie, waarbij zowel de belangen van de burger als de uitvoerbaarheid van de wet centraal staan. Hoofdstuk1Middelen 1.1.Wat verstaan we onder middelen en de middelentoets Het begrip middelen staat centraal in de bijstandsverlening. Er bestaat geen recht op bijstand als er voldoende middelen zijn om zelf de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen betalen (artikel 11 lid 1 Participatiewet). De Participatiewet heeft een aanvullend karakter. Dit betekent dat de Participatiewet alleen als dat nodig is een tekort aan middelen aanvult tot een bepaald minimum. Bij een aanvraag of heronderzoek zal dus altijd beoordeeld moeten worden: of de belanghebbende over (financiële) middelen beschikt; zo ja, over welke middelen; in welke mate deze in aanmerking genomen worden of buiten beschouwing gelaten moeten worden. De beantwoording van bovenstaande vragen wordt ook wel de "middelentoets" genoemd. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden ook gerekend de middelen die voor het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. Denk aan kinderbijslag die de ouders nog ontvangen voor een 18-jarige bijstandsaanvrager. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting. Beslisboom Onderstaande beslisboom kan helpen om te bepalen of een middel onder de Participatiewet als inkomen of vermogen moet worden aangemerkt. Dit is belangrijk omdat de Participatiewet (art. 31 en 34) onderscheid maakt tussen: Inkomen: middelen die periodiek of incidenteel worden ontvangen en bedoeld zijn voor levensonderhoud. Vermogen: bezittingen en tegoeden waarover iemand beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Stap 1 – Is het een middel? Kan de belanghebbende er feitelijk over beschikken of redelijkerwijs beschikken? Nee → Geen middel (niet meetellen). Ja → Ga naar stap 2. Stap 2 – Is het een betaling of ontvangst? Wordt het periodiek of incidenteel ontvangen en is het bedoeld voor levensonderhoud? Ja → Inkomen (art. 31 PW). Voorbeelden: loon, uitkering, alimentatie, pensioen, belastingteruggave. Nee → Ga naar stap 3. Stap 3 – Is het een bezitting of tegoed? Heeft het een waarde en kan het worden aangewend voor levensonderhoud? Ja → Vermogen (art. 34 PW). Voorbeelden: spaargeld, crypto, auto, woning, aandelen. Nee → Ga naar stap 4. Stap 4 – Is er een wettelijke uitzondering of vrijlating? Valt het onder een vrijlating of uitzondering (bijv. giften onder grens, bijverdienregeling, bepaalde vergoedingen)? Ja → Niet als middel aanmerken. Nee → Toepassen als inkomen of vermogen. Verschil tussen algemene en bijzondere bijstand Hoofdregel is dat alle middelen meetellen voor de beantwoording van de vraag of er recht op algemene bijstand bestaat. Artikel 31 lid 2 Participatiewet somt echter een aantal middelen op die bij de vaststelling van het recht op algemene bijstand worden vrijgelaten. Deze vrijlating geldt in beginsel niet bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand. Het college kan hier toch van afwijken. Dit kan door in de draagkrachtregels te bepalen dat een of meer van de middelen uit de lijst van artikel 31 lid 2 Participatiewet ook bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand worden vrijgelaten. Voor meer informatie hierover worden jullie verwezen naar hoofdstuk 2 van de Beleidsregels Bijzondere Bijstand Gemeente Hollands Kroon. Netto systematiek De Participatiewet hanteert een netto-systematiek: alle bijstandsnormen zijn netto. Dit brengt onder andere met zich mee dat ook bij de inkomstenkorting rekening moet worden gehouden met het netto-inkomen. Onder netto-inkomen wordt in dit verband verstaan: het inkomen na aftrek van belastingen, sociale premies, verplichte pensioenpremies en andere verplichte inhoudingen. Het komt wel voor dat er inkomen bruto wordt uitbetaald. De betrokkene moet dan zelf zorgen voor afdracht van belastingen en premies. Is dit het geval dan wordt het daadwerkelijk uitbetaalde bruto-inkomen volledig gekort op de bijstand. Later kan dan voor belastingaanslagen en naheffingen met terugwerkende kracht bijstand worden verleend. Iedere belastingbetaler kan een voorlopige teruggaaf aanvragen. Wordt de aanvraag toegekend dan betekent dit dat de betrokkene iedere maand een bedrag van de belastingdienst ontvangt, waardoor zijn maandelijkse netto-inkomen stijgt. 1.2.Redelijkerwijs kunnen beschikken Alleen inkomen en vermogen waarover de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken wordt als middel gezien (artikel 31 lid 1 eerste volzin Participatiewet). Hiermee worden de middelen bedoeld waarover de alleenstaande of het gezin feitelijk de beschikking heeft (zie CRvB 14-05-2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE3939 en CRvB 09-07-2013, nr. 10/3394 WWB). Het begrip 'beschikken' ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om geld feitelijk te kunnen gebruiken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien (zie CRvB 20-2-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:468). In GRIP van Schulinck wordt een opsomming gegeven van middelen waarover wel en waarover niet redelijkerwijs over kan worden beschikt. WSNP Als een belanghebbende is toegelaten tot de WSNP, kan de belanghebbende alleen beschikken over middelen die buiten te boedel vallen. Een belanghebbende kan dus alleen over betalingen beschikken als deze buiten de boedel vallen. Achteraf beschikken over middelen Wanneer een bijstandsgerechtigde pas achteraf kan beschikken over in aanmerking te nemen middelen dan is dit een grond voor terugvordering. Middelen van gezinsleden Bij gezinnen worden niet alleen de middelen van de aanvrager(s)/ouder(
- s)meegeteld. Ook de middelen van de kinderen worden in beginsel meegeteld in de bijstand. Inkomsten, anders dan uit arbeid, die worden ontvangen op de bankrekening van de minderjarige, kunnen als inkomen gekort worden. De ouders(
- s)moeten dan wel over deze inkomsten kunnen beschikken. Zie CRvB 5-7-2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1638. Hierin ontving het ten laste komende kind bijschrijvingen van haar andere ouder op haar rekening. In Rechtbank Rotterdam 12-1-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:215 heeft de rechter aangegeven dat de vraag of de ouder(
- s)erover kan beschikken onder andere afhankelijk is van: de leeftijd. Heeft de minderjarige een zodanige leeftijd dat het als "normaal" kan worden gesteld dat deze zijn eigen rekening beheert? het uitgavenpatroon. Hierbij wordt er gekeken naar eventuele opnames, uitgaves en saldo of er geld naar de ouder(
- s)wordt overgemaakt. Inkomsten uit arbeid van kind Inkomsten die een ten laste komend kind uit arbeid krijgt, tellen niet mee als middel (artikel 31 lid 2 onderdeel h Participatiewet). Spaartegoed van kind Heeft een ten laste komend kind een veel spaartegoed? Dan zal het gezin niet in aanmerking komen voor bijstand als daardoor de toepasselijke vermogensgrens wordt overschreden (zie CRvB 15-6-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP4471 en CRvB 24-1-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:293). Middelen van pleegkind Middelen van het pleegkind behoren niet tot de middelen van het gezin (zie Rechtbank Zutphen 29-11-2005, nr. 05/1833). Met andere woorden, de pleegvergoeding behoort niet tot de middelen van het pleeggezin. Deze uitspraak dat middelen van het pleegkind niet tot de middelen van het pleeggezin behoren (en dus ook de pleegvergoeding niet) is gebaseerd op artikel 31, tweede lid, onderdeel a van de Participatiewet. Dit artikel bepaalt dat: “Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend: de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de bijstand begrepen persoon.” Pleegvergoeding voor meerderjarige pleegkinderen Pleegouders ontvangen ook na de 18e verjaardag van het pleegkind een pleegvergoeding, zolang er sprake is van pleegzorg. Deze vergoeding loopt standaard door tot het 21e levensjaar en kan in bijzondere gevallen worden verlengd tot 23 jaar (voortgezette pleegzorg op basis van de Jeugdwet) De pleegvergoeding is een kostenvergoeding voor verzorging en opvoeding, niet een inkomen. Voor 18 jaar en ouder bedraagt deze in 2025 ongeveer €29,76 per dag (circa €905 per maand). De vergoeding is belastingvrij en heeft geen invloed op de uitkering van de pleegouder of op toeslagen zoals huurtoeslag. Een pleegkind van 18 jaar of ouder kan zelfstandig bijstand aanvragen op grond van de Participatiewet. Daarbij geldt: Voor 18-20 jaar wordt meestal géén bijstand verstrekt, omdat de pleegvergoeding wordt gezien als voldoende voor levensonderhoud. Vanaf 21 jaar kan bijstand worden aangevraagd, maar de pleegvergoeding wordt dan verrekend met de bijstandsnorm. Door de kostendelersnorm ontvangt het pleegkind vaak weinig of niets. De pleegvergoeding behoort dus niet tot de middelen van het pleeggezin (zoals ook bij minderjarige pleegkinderen), maar speelt wél een rol bij de beoordeling van het recht op bijstand van het pleegkind zelf. Middelen voor levensonderhoud bijstandsgerechtigde die door derde worden ontvangen Ook middelen voor het levensonderhoud van een belanghebbende die door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen, worden tot de middelen van belanghebbende gerekend. Dit volgt uit artikel 31 lid 1 tweede volzin Participatiewet. Voorbeelden Een werkgever betaalt een deel van het loon niet aan de werknemer, maar rechtstreeks aan diens schuldeiser. Het loon blijft een middel van de werknemer. Een curator ontvangt alimentatie voor een kind dat bijstand ontvangt. De alimentatie is bestemd voor het levensonderhoud van het kind en wordt daarom als middel van het kind gezien. Een werkgever betaalt voorschotten op loon aan een derde (bijvoorbeeld een bewindvoerder) voor de belanghebbende. Het loon blijft een middel van de belanghebbende. Heffingskortingen De fiscale heffingskortingen behoren ook tot de middelen (artikel 31 lid 1 derde volzin Participatiewet). De invloed van heffingskortingen op het recht op en de hoogte van bijstand wordt behandeld in paragraaf 1.17 van dit handboek. In afwijking van het voorgaande is de jonggehandicaptenkorting vrijgelaten (artikel 31 lid 2 onderdeel c Participatiewet). Deze vrijlating geldt niet voor personen jonger dan 27 jaar (artikel 31 lid 5 Participatiewet). In de Participatiewet in Balans blijft dezelfde uitzondering gelden. Artikel 31 lid 2 onderdeel c PW: De jonggehandicaptenkorting wordt niet tot de middelen gerekend (dus vrijgelaten). Artikel 31 lid 5 PW: Deze vrijlating geldt niet voor personen jonger dan 27 jaar. Dit is ook in de nieuwe systematiek van de Participatiewet in Balans bevestigd: de leeftijdsgrens van 27 jaar blijft van toepassing voor deze specifieke vrijlating, ondanks dat andere vrijlatingsregels (zoals bijverdienregeling) wél voor jongeren onder 27 jaar gaan gelden. 1.3.Vrij te laten middelen De hoofdregel is dat alle middelen meetellen om te bepalen of iemand recht heeft op algemene bijstand en hoeveel bijstand diegene krijgt (artikel 19 lid 1 Participatiewet). In artikel 31 lid 2 Participatiewet staat een lijst met uitzonderingen (Lijst met vrij te laten middelen). Hierin staan inkomsten die niet meetellen bij het bepalen van het recht op en de hoogte van de bijstand. Bij de vaststelling van het recht op algemene bijstand geldt ook een vermogensvrijlating. De lijst met vrij te laten middelen van artikel 31 lid 2 Participatiewet geldt niet bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de bijzondere bijstand. Dit staat in artikel 35 lid 1 eerste volzin Participatiewet. Dit betekent dat de middelen die worden genoemd in artikel 31 lid 2 Participatiewet in principe meetellen bij het berekenen van het recht op en de hoogte van de bijzondere bijstand. Het college kan van deze regel afwijken. Het college kan in de draagkrachtregels opnemen dat sommige middelen in artikel 31 lid 2 Participatiewet niet meetellen voor de bijzondere bijstand. Voor meer informatie hierover worden jullie verwezen naar de Beleidsregels Bijzondere Bijstand Gemeente Hollands Kroon 2026. 1.4.Giften en kostenbesparingen Inleiding In de nieuwe Participatiewet in Balans wordt de regeling voor giften en kostenbesparingen (zoals boodschappen in natura) expliciet vastgelegd: Ontvangsten uit giften en kostenbesparingen 1. Vrijstelling tot € 1.200 Giften én bijdragen die leiden tot kostenbesparing – bijvoorbeeld ouders die boodschappen verzorgen – worden vrijgesteld tot maximaal € 1.200 per kalenderjaar. Deze bedragen tellen niet mee als inkomen of vermogen in de bijstandsberekening. 2. Hoge giften en besparingen boven de € 1.200 Giften en besparingen boven de vrijstellingsgrens van € 1.200 worden met terughoudendheid meegenomen. Gemeenten moeten per individueel geval beoordelen of hoger vrijlaten wenselijk en verantwoord is: het college kan besluiten ook een deel boven de grens vrij te laten, indien dit bijstandsgericht is. 3. Melden is niet nodig tot de grens Tot de € 1.200-grens geldt een noodzaak om geen melding te doen aan de gemeente. Pas bij bedragen boven de grens is melding en nadere beoordeling relevant, terwijl vrijlaten in voorkomende gevallen mogelijk blijft. Giften zijn ondeelbaar Giften zijn in het kader van de Participatiewet ‘ondeelbaar.’ Dit betekent dat een gift in zijn geheel moet worden beoordeeld en niet in delen mag worden opgesplitst om onder de vrijlatingsgrens te blijven. Wat houdt dit concreet in? Giften tot € 1.200 per kalenderjaar worden volgens de Participatiewet in balans standaard vrijgelaten. Dit betekent dat ze niet meetellen als inkomen of vermogen voor de bijstandsverlening. Als een gift boven de € 1.200 uitkomt, mag deze niet worden opgesplitst in kleinere delen om alsnog onder de grens te blijven. De gift moet als één geheel worden beoordeeld. De gemeente moet dan kijken of het verantwoord is om de gift (deels of geheel) vrij te laten, bijvoorbeeld als het gaat om een gift voor noodzakelijke kosten die niet uit de bijstand kunnen worden betaald. Het voorkomt dat mensen strategisch giften opdelen om onder de vrijlatingsgrens te blijven. Tegelijk biedt het ruimte voor maatwerk: ook hogere giften kunnen worden vrijgelaten als dat uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. 1.4.1.Wat zijn giften? De definitie van een gift kan worden omschreven als ‘een betaling uit vrijgevigheid door een natuurlijk persoon of een instelling, waarvoor niets wordt terug verlangd’. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen giften van instellingen en giften van personen. Door giften niet volledig in aanmerking te nemen, wordt voorkomen dat de Participatiewet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen. Het uitgangspunt hierbij is dat kerkelijke, particuliere en maatschappelijke initiatieven zoveel mogelijk worden gerespecteerd. Wanneer deze giften niet leiden tot een duidelijke besparing op de kosten van levensonderhoud, zal vrijlating in beginsel mogelijk moeten zijn. Echter het mag niet leiden tot een bestedingsniveau dat onverenigbaar is met wat op bijstandsniveau gebruikelijk is. Gezien het minimumbehoeftekarakter van de bijstand kan de vrijlating daarom niet onbeperkt zijn. 1.4.2.Giften tot € 1.200,- per kalenderjaar worden vrijgelaten en er is geen meldingsplicht In de nieuwe Participatiewet is aan artikel 31, tweede lid, onderdeel m, Participatiewet een vrijlatingsbedrag van € 1.200 per kalenderjaar toegevoegd. Hiermee wordt een norm gesteld op basis waarvan het totaal aan giften tot in ieder geval € 1.200 per kalenderjaar wordt vrijgelaten. De vrijlatingen gelden per uitkering, niet per persoon. Dit houdt in dat voor een alleenstaande ouder en gehuwden (en daarmee gelijkgestelden) dezelfde vrijlating van toepassing is als voor een alleenstaande. Het drempelbedrag ad € 1.200,00 wordt toegerekend aan een kalenderjaar (1 januari tot en met 31 december). Wanneer iemand minder dan het drempelbedrag aan giften heeft ontvangen, mag het restant niet mee worden genomen naar het volgend jaar. Voor mensen die gedurende het jaar een uitkering toegekend hebben gekregen, geldt dat de drempel van € 1.200,00 geldt voor de periode van de aanvraag van de bijstandsuitkering tot en met 31 december van dat jaar. Er geldt geen meldingsplicht voor het ontvangen van giften tot een bedrag van € 1.200,--. Als het bedrag hoger is dan € 1.200,-- moet dit wel gemeld worden. De bijstandsgerechtigde wordt met deze maatregel enerzijds het voordeel gegund van vrijgevigheid, zoals ook degenen die niet op bijstand aangewezen zijn van een gift kunnen profiteren. Anderzijds wordt, gelet op het minimumbehoefte-karakter, de vrijlating beperkt tot € 1.200. Een grensbedrag biedt de bijstandsgerechtigde, meer dan de vroegere abstracte formulering, rechtszekerheid. Voor giften die cumulatief boven de vrijlatingsgrens terecht komen, geldt dat zij voor het meerdere in beginsel als middelen moeten worden aangemerkt. Op individuele basis kan de gemeente echter ook hogere giften buiten beschouwing laten indien deze – met name in verband met hun doel – nog verantwoord zijn met het oog op bijstandsverlening. Verderop in deze paragraaf worden hierover beleidsregels geformuleerd. Van de bijstandsgerechtigde wordt verwacht dat wordt bijgehouden welke giften worden ontvangen, ook voor giften onder de € 1.200. Dat is niet anders dan de bestaande praktijk. Op dit moment wordt van een bijstandsgerechtigde gevraagd dat elke gift, hoe klein ook, wordt gemeld. In de nieuwe Pwet behoeven alleen giften die cumulatief boven de € 1.200 uitkomen te worden gemeld. Dit betekent dat de bijstandsgerechtigde zelf moet bijhouden welke giften worden ontvangen en wanneer deze boven de € 1.200 uitkomen en dus gemeld moeten worden. Dit past bij de beweging die de nieuwe Participatiewet maakt om meer uit te gaan van vertrouwen. De inlichtingenplicht blijft onverkort gelden. 1.4.3.Giften versus schenkingen Hoewel beide begrippen gaan over het overdragen van vermogen zonder tegenprestatie, is er een belangrijk juridisch onderscheid. Een schenking is een overeenkomst waarbij de schenker, ten koste van zijn eigen vermogen, een ander bewust verrijkt. Het is een rechtshandeling die onder het civiele recht valt en vereist wilsovereenstemming. Voorbeelden van schenkingen: Ouders maken €5.000 over aan hun kind om te helpen bij de aankoop van een woning. Een grootouder schenkt jaarlijks een bedrag binnen de fiscale vrijstelling. Een gift is een ruimer begrip: elke overdracht van vermogen zonder tegenprestatie. Dit omvat niet alleen schenkingen, maar ook andere vormen van vermogensoverdracht. Voorbeelden van giften: Kwijtschelding van schulden: een vriend scheldt €1.000 schuld kwijt. Verkoop tegen symbolische prijs: een auto met een marktwaarde van €5.000 wordt verkocht voor €1. Duurzame gebruiksgoederen: een wasmachine, fiets of laptop wordt cadeau gedaan. De giftenvrijlating ziet op middelen en geldt zowel voor giften die als inkomen worden aangemerkt (bijvoorbeeld geld voor boodschappen) als voor giften die als vermogen worden beschouwd (bijvoorbeeld een spaardeposito of auto). 1.4.4.Natuurlijke verbintenis Een natuurlijke verbintenis is een verplichting die niet juridisch afdwingbaar is, maar wel voortkomt uit maatschappelijke normen of persoonlijke relaties (bijvoorbeeld ouders die hun kind financieel ondersteunen). Als iemand vrijwillig aan zo’n verbintenis voldoet, wordt dat vaak gezien als een gift. In de oude Participatiewet keken gemeenten of een gift voortkwam uit een natuurlijke verbintenis (bijvoorbeeld structurele steun van ouders of familie). Als de gift werd aangewend voor algemene kosten van levensonderhoud, werd deze meestal als inkomen aangemerkt en verrekend met de uitkering. Alleen giften met een specifieke bestemming (bijvoorbeeld voor een koelkast of begrafeniskosten) konden worden vrijgelaten. Met de invoering van Participatiewet in Balans is de beoordeling van giften sterk vereenvoudigd. Tot € 1.200 per kalenderjaar worden giften altijd vrijgelaten en hoeven niet gemeld te worden. Dit geldt ook voor kostenbesparingen, zoals boodschappen die door familie worden betaald. Voor hogere bedragen beoordeelt de gemeente of vrijlaten verantwoord is vanuit bijstandsverlening. De juridische constructie van een natuurlijke verbintenis (bijvoorbeeld structurele steun van ouders) speelt hierbij geen rol meer. Onder de oude wet moesten gemeenten beoordelen of een gift voortkwam uit een natuurlijke verbintenis. Dit leidde tot veel discussie en strenge handhaving. De nieuwe regels leggen de nadruk op bedrag en redelijkheid, niet op de juridische achtergrond. Praktijkvoorbeeld Ouders betalen maandelijks € 50 aan boodschappen voor hun kind dat bijstand ontvangt. Jaarbedrag: € 600 → valt binnen de vrijlatingsgrens van € 1.200. Gemeente hoeft dit niet te onderzoeken of te registreren. Onder de oude wet moest worden beoordeeld of dit een gift of een natuurlijke verbintenis was. 1.4.5.Giften in relatie tot inkomen en vermogen Of een gift als inkomen of als vermogen moet worden aangemerkt, speelt pas indien het totaal aan giften binnen een kalenderjaar de vrijlatingsgrens van € 1.200,- overschrijdt. Wordt een gift aangemerkt als vermogen, dan zal moeten worden bezien of het totale vermogen van bijstandsgerechtigde door het bedrag waarmee de gift de € 1.200 grens ontstijgt, boven de voor bijstandsgerechtigde geldende vermogensvrijlating uitkomt. Is dit laatste het geval dan zal de bijstand moeten worden beëindigd. Is daarentegen sprake van een gift die als inkomen kan worden gekwalificeerd, dan betreft dit inkomen in de maand van ontvangst en zal dit alsnog op de verstrekte bijstand in mindering moeten worden gebracht. Giften in de vorm van geld of bijdragen in het levensonderhoud hebben een direct effect op het bestedingsniveau en vallen daarom in beginsel binnen het inkomensbegrip. Dat geldt in veel mindere mate voor giften in de vorm van duurzame gebruiksgoederen. Deze zullen in beginsel als vermogen kunnen worden gekwalificeerd. Beslisregel: kwalificatie van giften in relatie tot bijstand Stap 1: Bepaal of de giftenvrijlatingsgrens is overschreden Totaal aan giften in geld of natura binnen één kalenderjaar ≤ €1.200 → geen verdere beoordeling nodig. > €1.200 → ga naar stap 2. Stap 2: Kwalificeer de gift Gift in geld of bijdrage in levensonderhoud → inkomen in de maand van ontvangst. → Trek af van bijstand in die maand. Gift in de vorm van duurzame gebruiksgoederen of vermogensbestanddelen → vermogen. → Ga naar stap 3. Stap 3: Toets vermogensgrens Tel gift op bij het bestaande vermogen van belanghebbende. Komt totaal boven de vermogensvrijlating? → Ja: bijstand beëindigen. → Nee: geen gevolgen voor bijstand. Praktische vuistregel Direct effect op bestedingsniveau (geld, boodschappen, vaste lasten) → inkomen. Geen direct effect, maar bezit toeneemt (auto, spaardeposito, wasmachine) → vermogen. 1.4.6.Beleidsregels hoe om te gaan met giften die boven de vrijlatingsgrens van € 1.200 komen? Vanaf het moment dat er meer dan € 1.200,- aan giften is ontvangen, zijn de giften van invloed op de bijstandsuitkering. Ze worden dan als volgt aangemerkt als inkomen of vermogen: Is de gift vrij besteedbaar / kan de gift worden ingezet voor de algemene kosten van het bestaan? Dan wordt het meerdere aangemerkt als inkomen. Is de gift bedoeld voor een specifieke, niet noodzakelijke, bestemming (die niet valt onder de algemene kosten van het bestaan) en wordt de gift daar ook voor gebruikt? Dan wordt het meerdere aangemerkt als vermogen. Is de gift bedoeld voor een specifieke noodzakelijke bestemming of schulden? Dan kan de gift worden vrijgelaten naast de ‘algemene’ vrijlating van € 1.200,- . Extra vrijlating van giften boven € 1.200 – Participatiewet in Balans Indien het totaal aan giften in een kalenderjaar de vrijlatingsgrens van € 1.200 overschrijdt, moet de gemeente beoordelen of de gift uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Daarbij geldt dat bepaalde giften volledig kunnen worden vrijgelaten, mits zij aantoonbaar worden aangewend voor een specifieke noodzakelijke bestemming. Categorieën van volledig vrij te laten giften: Giften met een specifieke noodzakelijke bestemming Indien de belanghebbende, zonder deze gift, aanspraak zou hebben gemaakt op bijzondere bijstand (Participatiewet) of een maatwerkvoorziening (Wmo). Voorbeeld: bijdrage voor aangepaste woninginrichting of hulpmiddelen. Giften die bijdragen aan arbeidsinschakeling Kosten die aantoonbaar noodzakelijk zijn voor toekomstige arbeidsparticipatie. Voorbeeld: bijdrage voor scholing, reiskosten naar sollicitaties, aanschaf werkkleding. Giften voor verduurzaming van de woning Subsidies of bijdragen voor energiebesparende maatregelen. Voorbeeld: isolatie, zonnepanelen. Giften voor medisch noodzakelijke kosten Kosten die niet (volledig) worden vergoed door zorgverzekering. Voorbeeld: tandartsbehandeling, hulpmiddelen. Giften voor het voldoen van betaalachterstanden Eenmalige betaling van achterstanden op huur, drinkwater, zorgverzekering, energie. Voorbeeld: gift om huisuitzetting te voorkomen. Giften ter delging van problematische schulden Indien de schuld een belemmering vormt voor sociaal functioneren en de gift aantoonbaar wordt gebruikt om deze belemmering weg te nemen. Voorbeeld: bijdrage om incassomaatregelen te stoppen. Voorwaarde voor volledige vrijlating: De gift moet aantoonbaar worden besteed aan de specifieke bestemming (bijvoorbeeld via factuur, betalingsbewijs of verklaring). Giften van charitatieve instellingen Giften vanuit de volgende charitatieve instellingen worden in ieder geval vrijgelaten: de Voedselbank, Kledingbank, Fonds Bijzondere Noden, Stichting Leergelden, Jeugdfonds Sport & Cultuur. Dergelijke giften worden dus buiten beschouwing gelaten. Voedselbank De Tweede Kamer heeft in het kader van de behandeling van de Participatiewet in balans het amendement van het lid Ceder c.s. aangenomen. Dit amendement bepaalt dat bijdragen van een voedselbank niet van invloed zijn op de hoogte van de bijstandsuitkering. Maatwerkbudget Verstrekkingen vanuit de gemeente in de vorm van het maatwerkbudget worden ook vrijgelaten. 1.4.7.Beleidsregels inzake Crowdfunding Crowdfunding is het inzamelen van geld via een online platform of netwerk om een bepaald doel te bereiken, bijvoorbeeld medische kosten of een hulpmiddel. De opbrengst wordt beschouwd als een gift in de zin van artikel 31 Participatiewet. Vrijlatingsregels onder Participatiewet in balans Tot € 1.200 per kalenderjaar: Wordt altijd vrijgelaten. Hoeft niet gemeld te worden. Boven € 1.200: Gemeente beoordeelt of vrijlaten verantwoord is vanuit het oogpunt van bijstandsverlening. Factoren: doel van de gift (bijzondere kosten), redelijkheid, menselijke maat. De volgende giften uit crowfunding met een specifieke noodzakelijke bestemming worden in ieder geval vrijgelaten: giften uit crowdfunding, indien belanghebbende, als hij deze gift niet had ontvangen, aanspraak had gemaakt op bijzondere bijstand of een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning; giften uit crowdfunding voor medisch noodzakelijke kosten; giften uit crowdfunding waarmee belanghebbende eenmalig betaalachterstanden voldoet van huur, drinkwater, zorgverzekering, elektra, gas of warmte; giften uit crowdfunding die worden verstrekt ter delging van een problematische schuld. Een problematische schuld kan een belemmering zijn in het sociaal functioneren. Door de vrijlating van het ontvangen bedrag kan deze belemmering (gedeeltelijk) weggenomen worden. 1.4.8.Giften in natura Een gift in natura is een schenking van goederen of een andere vorm, niet zijnde geld. Denk bijvoorbeeld aan het krijgen van een wasmachine, een auto of boodschappen. Giften in natura worden op dezelfde manier beoordeeld als een gift voor een specifieke bestemming, behalve als over de ontvangst in natura niet vrijelijk kan worden beschikt. In het laatste geval gaat het om kostenbesparingen. Giften in natura waar niet vrijelijk over kan worden beschikt (kostenbesparingen) Een voorbeeld van een ontvangst in natura waar niet vrijelijk over kan worden beschikt, zijn boodschappen. Dit is geen middel zoals bedoeld in artikel 31, lid 1 Participatiewet. De boodschappen worden daadwerkelijk ontvangen en de ontvanger kan niet zelf over het – met de ontvangen boodschappen gemoeide – bedrag beschikken en kan deze ook niet alsnog te gelde maken. Zij kunnen daarom worden aangemerkt als een gift in natura waarover niet kan worden beschikt. Een gift in natura waarover niet kan worden beschikt, kan ook zijn een gekregen vliegticket dat rechtstreeks door een derde aan het reisbureau is betaald. Het gaat hier om een geldbedrag waarover niet kan worden beschikt. Het is daarom geen middel en kan niet worden aangemerkt als een gift in geld. Beoordeling van kostenbesparingen Als er giften in natura worden ontvangen waarover niet vrijelijk kan worden beschikt, moet worden beoordeeld of deze leiden tot een (meer dan marginaal) hoger besteedbaar inkomen dan bij een ander met een bijstandsuitkering. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als structureel boodschappen, huur of de zorgverzekering wordt betaald door iemand anders. De maandelijkse bijstand kan dan hierop worden afgestemd. Het moet gaan om een substantiële besparing (CRvB 23-8-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1918). Het eenmalig ontvangen van een tas met boodschappen is niet structureel en zal niet leiden tot een afstemming van de uitkering. Nieuwe regels onder Participatiewet in Balans Vanaf de invoering van de Participatiewet in Balans geldt dat kostenbesparingen en giften (in geld of natura) tot een bedrag van € 1.200 per kalenderjaar per huishouden automatisch worden vrijgelaten. Tot deze grens hoeft de bijstandsgerechtigde niets te melden. Pas wanneer de cumulatieve waarde van giften en kostenbesparingen boven € 1.200 uitkomt, geldt de inlichtingenplicht. De bijstandsgerechtigde moet zelf bijhouden welke giften en besparingen hij in een kalenderjaar heeft ontvangen en melden zodra de grens wordt overschreden. Dit past bij de beweging die de nieuwe Participatiewet maakt om meer uit te gaan van vertrouwen. De inlichtingenplicht blijft onverkort gelden, maar wordt toegepast vanaf overschrijding van de vrijlatingsgrens. De vraag die zich nu aandient is of bovenstaande jurisprudentie (CRvB 23-8-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1918) onder de nieuwe Participatiewet nog actueel is. Antwoord De ratio blijft relevant, maar de toepassing verandert. De uitspraak ging over structurele boodschappen als kostenbesparing en afstemming van de uitkering. Dat principe (afstemming bij substantiële besparing) blijft bestaan, maar onder nieuwe wet wordt tot € 1.200 per jaar wordt niet afgestemd en hoeft niet gemeld te worden. Pas boven die grens kan afstemming spelen. De uitspraak blijft nuttig als achtergrond voor het begrip “kostenbesparing” en “substantiële besparing”, maar moet worden voorzien van een waarschuwing: “Let op: deze uitspraak is gedaan onder oude wetgeving; relevantie kan wijzigen door invoering Participatiewet in Balans.”. Giften in natura waar wel vrijelijk over kan worden beschikt Kostbare roerende en onroerende zaken kunnen wel te gelde worden gemaakt en met de opbrengst daarvan kan worden voorzien in de kosten van levensonderhoud. Denk daarbij aan een auto. Iemand kan dan zelf bepalen of hij de auto houdt of hem te gelde maakt. Daarom kunnen ontvangsten van kostbare en roerende zaken, waar vrijelijk over kan worden beschikt, aangemerkt worden als vermogensbestanddeel. Een gift in de vorm van een kostbare roerende of onroerende zaak (met een waarde van meer dan € 1.200,-) wordt dus aangemerkt als vermogen, behalve als er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan wordt geoordeeld dat de gift uit oogpunt van bijstand verantwoord is en dus wordt vrijgelaten. Giften in de vorm van algemeen gebruikelijke, dan wel in het specifieke geval noodzakelijke, gebruiksgoederen (denk bijvoorbeeld aan een wasmachine) worden vrijgelaten. Een dergelijk gebruiksgoed kan wel worden verkocht, maar moet daarna weer worden vervangen. De verkoopopbrengst van deze gebruiksgoederen is dan ook niet beschikbaar om in andere noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Voor meer informatie hierover worden jullie verwezen naar hoofdstuk 3 van dit handboek. Periodieke betalingen van derden Periodieke betalingen van derden waarover een belanghebbende vrijelijk kan beschikken en die betrekking hebben op een periode waarover een beroep op bijstand is gedaan moeten als inkomen worden aangemerkt. Dat volgt uit vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138 en ECLI:NL:CRVB: 2013:1106. Dat geldt ook voor eenmalige betalingen / bijschrijvingen van derden (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2018:2241 en ECLI:NL:CRVB:2017:1055). Als de belanghebbende stelt dat deze bijschrijvingen giften of leningen zijn. Hoe zit het dan? De bewijslast ligt bij de belanghebbende als hij stelt dat een betaling géén inkomen is, maar een gift of lening. Als belanghebbende stelt dat het een gift is, dan moet hij aantonen dat het een gift betreft (bijvoorbeeld via verklaring van de gever, omstandigheden, geen terugbetalingsverplichting). Let op: ook giften kunnen als inkomen gelden als ze betrekking hebben op levensonderhoud en structureel zijn. Als belanghebbende stelt dat het een lening is, dan moet hij bewijzen dat er een afdwingbare terugbetalingsverplichting bestaat. Schriftelijke overeenkomst, duidelijke voorwaarden, terugbetalingsschema. Ontbreekt dit? Dan wordt het niet als lening, maar als inkomen aangemerkt. 1.5Schadevergoeding Inleiding Bepaalde uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade worden vrijgelaten. Dit betekent dat deze niet meetellen bij de vaststelling van het recht op bijstand. En ook niet voor de hoogte van de algemene bijstand (artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet). Welke uitkeringen en vergoedingen dit zijn staat in Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ (hierna: Ministeriele regeling. In deze Ministeriele regeling zijn bijvoorbeeld de volgende uitkeringen en vergoedingen vrijgelaten voor de algemene bijstand: de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3 van de Uitkeringsregeling Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp (zie Bijlmerramp); de eenmalige uitkering en het voorschot, bedoeld in de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014 (zie Asbestslachtoffers); de vergoeding wegens geluidsoverlast aan omwonenden van vliegveld Maastricht (zie Omwonenden vliegveld Maastricht); de vergoeding op basis van de Uitkeringsregeling Fonds Slachtoffers Legionella-epidemie (zie Legionella-epidemie); de eenmalige uitkering toegekend aan oud-mijnwerkers in verband met silicose (zie Eenmalige uitkering in verband met silicose). Uitkeringen en vergoedingen die niet zijn genoemd in de Ministeriele regeling kunnen soms helemaal of voor een deel worden vrijgelaten. Dit kan alleen als dit volgens het college verantwoord is uit een oogpunt van bijstandsverlening (artikel 31 lid 2 onderdeel m Participatiewet). Het is aan het college om de grenzen te bepalen van wat uit het oogpunt van bijstandsverlening nog wel en wat niet verantwoord is. De rechter kan deze keuze alleen terughoudend toetsen. Schadevergoeding Materiële schadevergoeding is een vergoeding voor schade die direct in geld is uit te drukken. Het gaat om een vergoeding voor schade of verlies van iets dat belanghebbende al had. Bijvoorbeeld vervanging van een kapotte auto of brandschade in huis. Het kunnen reeds gemaakt kosten zijn of kosten die nog gemaakt moeten worden. Bij immateriële schadevergoeding, ook wel smartengeld genoemd, gaat het om een vergoeding voor gederfde levensvreugde. Deze vergoeding is bedoeld voor geleden emotionele schade, waarvan de hoogte door een rechter of schadeverzekeraar is bepaald. Binnen de bijstandsuitkering moet worden gekeken naar de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Is de vergoeding exorbitant hoog, of heeft deze een loon dervend karakter, dan kan dat deel wel als middel in aanmerking worden genomen. Voor het gedeelte van de immateriële schadevergoeding dat door de gemeente wordt vrijgelaten, is het aan de belanghebbende om te bepalen waar de vrijgelaten immateriële schadevergoeding voor wordt gebruikt. Invulling geven aan het hervinden van levensvreugde is immers een persoonlijke kwestie. Het is de verantwoordelijkheid van belanghebbende om documenten aan te leveren waaruit blijkt op welke grond aan hem een schadevergoeding is toegekend. Dit kan bijvoorbeeld een besluit van een verzekeringsmaatschappij of rechtbank zijn. De bewijslast ligt bij de belanghebbende zelf; hij/zij zal zelf de schade aannemelijk moeten maken. Materiële schadevergoeding De schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet als vermogen aangemerkt, tenzij de schadevergoeding niet wordt gebruikt voor het wegnemen van de schade. Wanneer er sprake is van ontvangst van een materiële schadevergoeding door belanghebbende, zal beoordeeld moeten worden of de vergoeding is gebruikt voor het wegnemen van de schade. Indien dit niet (helemaal) het geval is, wordt het deel dat niet is aangewend om de geleden schade weg te nemen als vermogen in aanmerking genomen. Hierbij moet rekening worden gehouden met eventuele kosten die in de toekomst nog gemaakt moeten worden, zoals fysiotherapie. Indien hier sprake van is, kan de vergoeding niet als vermogen worden aangemerkt. Schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen Schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen, wordt aangemerkt als inkomen voor de periode waarop de vergoeding betrekking heeft. Door tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid kan iemand zijn baan verliezen. Het gevolg zal in veel gevallen zijn dat het inkomen van iemand voor een bepaalde periode, of zelfs helemaal, weg valt. Een vergoeding voor loonderving is bestemd voor de kosten van levensonderhoud en wordt daarom beschouwd als inkomen binnen de bijstand (zie CRvB 10-09-2012, nr. 10/679). Het proces van afhandelen van de schade kan lange tijd duren. De uiteindelijk toegekende schadevergoeding kan dan ook over een periode gaan die in het verleden ligt. Er zal daarom beoordeeld moeten worden op welke periode de vergoeding precies betrekking heeft. Het bedrag van de toegekende schadevergoeding wordt vervolgens gedeeld door het aantal maanden waarop deze vergoeding betrekking heeft en maandelijks gekort als inkomen. In de meeste gevallen gaat het om één bedrag, waarbij het bedrag per maand niet duidelijk is. De belanghebbende zal moeten aantonen om welk verlies van arbeidsvermogen het gaat. Dit kan bijvoorbeeld door middel van salarisspecificaties of jaaropgaven, maar ook door een overzicht van de nog te lijden schade opgemaakt door een letstelschadespecialist. Immateriële schadevergoeding De schadevergoeding die de uitkeringsgerechtigde ontvangt voor immateriële schade wordt voor 1/3e deel vrijgelaten. De resterende schadevergoeding (2/3e deel) wordt als vermogen in aanmerking genomen. Een vrijlating van 1/3e deel van de immateriële schadevergoeding is gebaseerd op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep: CRvB 02-12-2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO1106 en CRvB 22-02-2011, nrs. 08/6919 WWB e.a. Het overige deel van de schadevergoeding zal als vermogen in aanmerking worden genomen op basis van artikel 34 lid 1 onder b Participatiewet. Overigens: Een besluit om een verdeling van 1/3e deel - 2/3e deel te hanteren inzake een schade-uitkering is onvoldoende gemotiveerd als enkel verwezen wordt naar de jurisprudentie met betrekking tot een redelijke verdeling van het vrij te laten en het niet vrij te laten deel van een immateriële schadevergoeding, omdat ieder geval anders is en maatwerk geboden is (Rechtbank Oost-Brabant 30-11-2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:6641). Daarbij kan gedacht worden aan de situatie dat een belanghebbende in de toekomst nog voor extra hoge (zorg) kosten komt te staan of dat een schade-uitkering ziet op iemands hele verdere leven. Beslisboom immateriële schadevergoeding. Hieronder treffen jullie een beslisboom aan voor de beoordeling van een immateriële schadevergoeding. Stap 1: Is er sprake van een immateriële schadevergoeding? Nee → Geen actie nodig. Ja → Ga naar stap 2. Stap 2: Is er een ministeriële vrijstelling van toepassing? Voorbeelden: Schadefonds Geweldsmisdrijven Uitkeringen aan oorlogsslachtoffers Nationale rampenregelingen Ja → Volledige vrijlating (wordt niet als middel aangemerkt). Nee → Ga naar stap 3. Stap 3: Heeft de vergoeding een aantoonbare specifieke bestemming? Voorbeelden: Kosten voor woningaanpassing na letsel Langdurige medische zorg of therapie Hulpmiddelen voor herstel Ja → Gemeente beoordeelt of volledige of gedeeltelijke vrijlating verantwoord is (maatwerk). Nee → Ga naar stap 4. Stap 4: Pas standaardregel toe 1/3e deel vrijlaten (smartengeld voor persoonlijke schade) 2/3e deel als vermogen (art. 34 lid 1 onder b PW) → Toets of het totale vermogen boven de vermogensgrens uitkomt. Ja → Bijstand beëindigen of herzien. Nee → Bijstand blijft. Belangrijke aandachtspunten Motivering: Een standaardverdeling 1/3 – 2/3 zonder individuele beoordeling is onvoldoende (Rb Oost-Brabant 2016). Maatwerk: Houd rekening met toekomstige kosten, levenslange schade, sociaal functioneren. Bewijs: Belanghebbende moet aantonen dat de vergoeding een specifieke bestemming heeft (facturen, offertes, medische verklaringen). Praktische voorbeelden Voorbeeld 1: Smartengeld van €15.000 na verkeersongeval → 1/3 (€5.000) vrijlaten, 2/3 (€10.000) vermogenstoets. Voorbeeld 2: Schadevergoeding van €20.000 voor medische fout → aantoonbare toekomstige zorgkosten → mogelijk volledige vrijlating. Voorbeeld 3: Uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven van €7.500 → volledig vrijgesteld. Voorbeeld 4: Vergoeding van €10.000 zonder specifieke bestemming → standaardregel toepassen. 1.6a.Eigen bijdrage Wlz/ eigen bijdrage Wet forensische zorg Forensische zorg Forensische zorg is voor mensen met een psychische of psychiatrische stoornis die een strafbaar feit hebben gepleegd en bij wie het risico hoog is dat zij opnieuw een strafbaar feit gaan plegen. Een rechter kan dan een justitiabele veroordelen tot het ondergaan van zorg. Forensische zorg is geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg en verstandelijk gehandicaptenzorg die onderdeel zijn van een straf of maatregel. Tbs met dwangverpleging is de zwaarste vorm van forensische zorg. Alle andere vormen heten overige forensische zorg. Wlz Per 1 januari 2015 is de Wet langdurige zorg (Wlz) in werking getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Vanuit de Wlz wordt zorg geleverd voor mensen die fors in hun mogelijkheden zijn beperkt en die blijvend zijn aangewezen op permanent toezicht of 24-uurs zorg in de nabijheid. Het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) beoordeelt of iemand recht heeft op Wlz-zorg. De uitvoering ligt bij de zorgkantoren. Eigen bijdrage inkomen waarover redelijkerwijs kan worden beschikt De vraag is nu of de eigen bijdrage Wlz en de eigen bijdrage forensische zorg als middelen (in dit geval inkomen) kunnen worden beschouwd waarover redelijkerwijs kan worden beschikt. Een eigen bijdrage op grond van de Wet langdurige zorg of de Wet forensische zorg is een betalingsverplichting waardoor betrokkene over dit deel van zijn inkomen niet kan beschikken. Dit betekent dus dat wij de eigen bijdrage niet rekenen tot het inkomen. Bij een draagkrachtberekening in het kader van de bijzondere bijstand bijvoorbeeld wordt voornoemde eigen bijdrage dan ook buiten beschouwing gelaten. 1.6b.Voedingsgeld Wlz Het kan voorkomen dat een belanghebbende in een inrichting voedingsgeld ontvangt. Dit is ter compensatie voor eten, drinken en wassen waar iemand op grond van de Wlz recht op kan hebben. Dit wordt niet altijd in natura verstrekt. Over of het voedingsgeld voor de bijstand als inkomen moet worden aangemerkt, kunnen meerdere visies worden verdedigd. Visie 1: Voedingsgeld is inkomen Voedingsgeld van een Wlz-instelling dat rechtstreeks aan een belanghebbende wordt overgemaakt, moet als inkomen worden aangemerkt als het voedingsgeld: een terugkerend en periodiek karakter heeft, door belanghebbende kan worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten; en ziet op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Vergelijk Rechtbank Noord-Holland 3-11-2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:8773. Dit is in lijn met de vaste rechtspraak van de CRvB. In deze zaak ging het om een beoordeling over het recht op individuele inkomenstoeslag voor een persoon in een instelling met een Wajong-uitkering. Weliswaar gaat het in deze zaak niet om een persoon die recht op bijstand naar de norm van een inrichting heeft. Maar de rechtbank overweegt in zijn uitspraak ook dat de hoogte van de bijstandsnorm niet bepalend kan zijn voor de vraag of een storting als een middel kan worden aangemerkt. Alleen doet de rechtbank over het geval van een bijstandsgerechtigde in een instelling geen uitspraak omdat dat in het geschil niet aan de orde is. Voor de stelling dat voedingsgeld als inkomen in aanmerking moet worden genomen pleit ook dat het in principe gaat om periodieke stortingen en de Participatiewet niet voorziet in een specifieke vrijlating voor voedingsgeld. Ook de rechtbank Amsterdam komt tot de conclusie dat voedingsgeld inkomen is. Maar oordeelt voor de bijzondere bijstand wel dat het voedingsgeld meenemen bij de draagkracht tot onevenredige gevolgen leidt. Het grootste bezwaar is 2 zaken was dat toepassing van het gemeentelijk beleid ertoe leidt dat bewoners van een instelling de mogelijkheid wordt ontnomen om enige zelfstandigheid te ontwikkelen. Dit is in tegenspraak met de doelstelling van de instelling om bewoners waar mogelijk te ondersteunen in een ontwikkeling naar een meer zelfstandig bestaan. Zie Rechtbank Amsterdam 28-7-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4310 en Rechtbank Amsterdam 28-7-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4311 Visie 2: Voedingsgeld is géén inkomen De auteurs van Schulinck Participatiewet menen dat het ook verdedigbaar is om (zo nodig begunstigend) het voedingsgeld niet als middel in aanmerking te nemen. Uitgangspunt bij de inrichtingsnorm is dat de inrichting voorziet in de voedingskosten. In dit geval heeft de inrichting hier een bedrag voor beschikbaar gesteld aan de belanghebbende. Als de inrichting wel zou voorzien in voeding werd dat ook niet aangemerkt als inkomen in natura. Betoogd kan worden dat in het geval er niet wordt voorzien in voeding maar er wel voedingsgeld beschikbaar wordt gesteld, dit dan ook geen middel is voor de bijstand. De gemeente Hollands Kroon heeft besloten optie 2 te omarmen. Dit betekent dat voedingsgeld niet als middel in aanmerking wordt genomen. 1.7.Crypto Crypto is een verzamelnaam voor virtuele munten. Een van de bekendste is de bitcoin. De waarde van deze virtuele munten fluctueren sterk. Indien iemand crypto bezit, zijn dat middelen waarover hij kan beschikken (artikel 31 lid 1 Participatiewet). Crypto vertegenwoordigen namelijk een waarde in het economisch verkeer, kunnen te allen tijde te gelde worden gemaakt en een belanghebbende heeft de mogelijkheid om dit geld feitelijk te kunnen aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Met de waarde van crypto moet rekening worden gehouden bij de vaststelling van het vermogen (artikel 34 lid 1 Participatiewet). Onder de waarde moet dan worden verstaan de actuele waarde van de desbetreffende digitale munt. Zowel bij aanvang van de bijstand als tijdens de bijstandsverlening moet een belanghebbende op grond van de inlichtingenplicht inzage kunnen geven in (de actuele waarde van) crypto die hij bezit. Crypto worden verhandeld via speciale accounts; hiervan kan belanghebbende transactieoverzichten laten zien waarop de transacties en saldi te zien zijn. Hoe verkrijg je cryptovaluta Cryptovaluta kunnen op twee manieren worden verkregen: via een broker of een cryptocurrency exchange. Een broker fungeert als tussenpersoon, vergelijkbaar met een wisselkantoor. Hier kunnen gebruikers betalingen doen en wordt de aangekochte cryptovaluta direct in hun eigen wallet geplaatst. Het is belangrijk om te weten dat een crypto wallet geen fysieke opslagplaats is voor cryptovaluta, maar een digitale tool om crypto te versturen en te ontvangen. Elke wallet heeft een unieke reeks cijfers en letters: de public key en private key. De public key is het adres waar je cryptovaluta naartoe kunt sturen, terwijl de private key wordt gebruikt om toegang te krijgen tot de crypto die aan dat adres gekoppeld is. Een belanghebbende moet als dat door het college wordt gevraagd inzage geven in de wallet zodat kan worden vastgesteld welke transacties met de crypto zijn verricht. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag 5-2-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:917. Een cryptocurrency exchange is een online platform waar je traditionele valuta, zoals euro’s, kunt omzetten in cryptovaluta. Sinds 2021 zijn cryptocurrency exchanges verplicht om gebruikers te identificeren met een geldig identiteitsbewijs. Deze informatie wordt gedeeld met de Belastingdienst, waardoor deze inzicht krijgt in de verhandelde crypto-activa en het bezit van de gebruiker. Dit is een maatregel ter bestrijding van witwassen en belastingontduiking en maakt deel uit van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft). In sommige gevallen moet er over de crypto’s belasting worden betaald. Cryptovaluta behoren tot de overige bezittingen in box 3, waarbij de waarde op 1 januari van het belastingjaar bepalend is. Hoe stel je het bezit van cryptovaluta vast? Er zijn meerdere manieren om te achterhalen of een belanghebbende cryptovaluta bezit: Inlichtingenplicht: de belanghebbende moet het bezit uit eigen beweging doorgeven op basis van de inlichtingenplicht. Zie artikel 17 Participatiewet. Bankafschriften: transacties naar platforms voor de handel in cryptovaluta kunnen worden herkend op bankafschriften. Exchange-overzichten: cryptocurrency exchanges moeten gebruikers identificeren en transacties registreren. Het college kan deze gegevens vorderen bij de Belastingdienst. Zie artikel 64 Participatiewet. Belastingaangifte: cryptovaluta vallen onder de overige bezittingen in box 3 en moeten in de aangifte worden opgenomen. Daarbij wordt de waarde op de peildatum (1 januari van het belastingjaar) opgegeven. Bankafschriften kunnen indicaties geven dat een belanghebbende actief is in cryptovaluta. Bijvoorbeeld door overschrijvingen naar bekende handelsplatforms zoals Binance, Coinbase of Bitvavo. Ook betalingen met creditcards of andere betaalmethoden kunnen informatie bieden. Niet alle transacties zijn eenvoudig te herleiden. Sommige aanbieders bieden mogelijkheden om anoniem cryptovaluta te kopen. Bijvoorbeeld prepaid-diensten. P2P-platforms (peer-to-peer) maken het mogelijk direct van andere gebruikers te kopen. Dit zonder tussenkomst van een bank of gereguleerd platform. Het is daarom raadzaam om de herkomst van de middelen waarmee het crypto account gevoed is, goed te onderzoeken. Waardevermeerdering Waardevermeerdering van crypto tijdens de periode waarin bijstand wordt verleend, leidt tot een stijging van het vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 1 Participatiewet (vergelijk CRvB 24-05-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6676 (waardevermeerdering aandelen). Dit vermogen telt mee bij de vermogensvaststelling en is dus niet vrijgelaten op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel c Participatiewet. Alleen voor zover een waardestijging het gevolg is van door belanghebbende tijdens bijstand gedane stortingen in het crypto-account, moet de waardestijging buiten beschouwing blijven. Tijdens de bijstand gespaarde gelden zijn immers vrijgelaten op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel c Participatiewet. Handel in crypto Een bijzondere situatie kan zich voordoen wanneer een belanghebbende actief handelt in crypto. Van actieve handel in vermogensbestanddelen is sprake als de handel het normale, actieve vermogensbeheer te buiten gaat. Handel in crypto is dan een vorm van inkomstenverwerving en is dan aan te merken als werkzaamheden die op geld waardeerbaar zijn. Dit betekent dat de inkomsten uit de handel in crypto moeten worden aangemerkt als inkomsten in de zin van artikel 32 Participatiewet en dus in mindering worden gebracht op de bijstand (vergelijk CRvB 2-1-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:7 (inkomsten uit poker). Belanghebbende zal hierover verantwoording moeten afleggen middels een deugdelijke en verifieerbare boekhouding met ondersteunende bewijsstukken. Crypto staking: vrijlating? Crypto staking is het proces waarbij cryptomunten worden vastgezet in een blockchain-netwerk om transacties te valideren en het netwerk te ondersteunen. In ruil daarvoor ontvangen gebruikers beloningen in de vorm van extra cryptomunten. De experts van Schulinck Participatiewet vinden het verdedigbaar om de beloning bij crypto staking gelijk te stellen met rente op spaargeld. Spaargeld en rente zijn niet gedefinieerd. In algemeen spraakgebruik houdt rente in “vergoeding die wordt ontvangen voor het uitlenen van geld en die betaald wordt door degene die het geld leent.” Dat is ook zo bij staking. Spaargeld kan geld op een spaarrekening zijn, maar ook geld op een depositorekening of uitgeleend aan vrienden. Niet valt in te zien waarom crypto staking daar niet onder valt. Dat de beloning bij crypto staking kan worden vergeleken met rente op spaargeld, betekent dat deze beloning voor het recht op bijstand is vrijgelaten. Dit volgt uit artikel 31 lid 2 onderdeel i Participatiewet). Inlichtingenplicht Indien een klant in bezit is van crypto dient er beoordeeld te worden of er enkel sprake is van bezit van crypto of dat er sprake is van een actieve handel. Indien er enkel sprake is van bezit dan dient de klant (na de vaststelling van de waarde) in het kader van de inlichtingenplicht elk half jaar de actuele waarde hiervan door te geven. Mocht tussentijds de waardevermeerdering ertoe leiden dan de vermogensgrens wordt bereikt dan dient de klant dit binnen 7 dagen door te geven aan de gemeente. Indien er sprake is van actieve handel dan dienen de inkomsten maandelijks in mindering te worden gebracht op de uitkering. 1.8.Aandelen, obligaties opties en futures Aandelen Een aandeel is een eigendomsaandeel in een bedrijf. Als je een aandeel koopt, word je mede-eigenaar van dat bedrijf. Je kunt winst maken als de waarde van het aandeel stijgt of via dividend (een winstuitkering). Obligaties Een obligatie is een lening aan een bedrijf of overheid. Jij leent geld uit, en in ruil daarvoor krijg je rente (couponrente) en op de einddatum je inleg terug. Obligaties zijn meestal minder risicovol dan aandelen. Opties Een optie is een recht om een aandeel te kopen of verkopen tegen een vooraf bepaalde prijs, binnen een bepaalde periode. Er zijn twee soorten: Calloptie: recht om te kopen. Putoptie: recht om te verkopen. Opties worden vaak gebruikt om te speculeren of risico’s af te dekken. Futures Futures zijn verplichte contracten om een bepaald goed (zoals aandelen, olie of graan) op een vast moment in de toekomst te kopen of verkopen tegen een afgesproken prijs. Ze worden veel gebruikt in de handel en zijn risicovoller dan opties, omdat je verplicht bent tot levering of afname. Opbrengst van aandelen, obligaties, opties, futures, etc. De opbrengst van aandelen is een vermogensbestanddeel waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken (zie CRvB 27-08-2002, ECLI:NL:CRVB:200). Beursgenoteerde aandelen kunnen te allen tijde te gelde worden gemaakt. Waarde Als een belanghebbende de (beursgenoteerde) aandelen daadwerkelijk verkoopt, dan moet onder de opbrengst van aandelen worden verstaan: de actuele waarde van de aandelen, verminderd met de aan de verkoop daarvan verbonden kosten (zie CRvB 27-08-2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE7159). Als het gaat om een (spaarlease)aandelenpakket dat pas een tijd na het sluiten van de overeenkomst kan worden verkocht, dan moet onder de opbrengst van de aandelen worden verstaan: de actuele waarde van de aandelen (zie CRvB 24-05-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6676). Waardevermeerdering/-vermindering Waardevermeerdering van aandelen tijdens de periode waarin bijstand wordt verleend, leidt tot een stijging van het vermogen. Dit vermogen telt mee bij de vermogensvaststelling en is dus niet vrijgelaten op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel c Participatiewet (spaargelden opgebouwd tijdens de bijstand) (zie CRvB 27-08-2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE7159 en CRvB 24-05-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6676). Waardevermindering van aandelen leidt tot een daling van het vermogen. Waardevermeerdering/-vermindering op of na verkoopmoment Als de opbrengst van aandelen op het moment van de daadwerkelijke verkoop als gevolg van een verandering van de koers hoger of lager uitvalt, zal hiermee bij de vaststelling van het vermogen rekening gehouden moeten worden (zie CRvB 27-08-2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE7159). Een waardedaling na de daadwerkelijke verkoop is daarentegen niet relevant. Ook een waardedaling na het moment waarop het aandelenpakket verkocht kon worden, is niet relevant (zie CRvB 24-05-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6676). Aandelen in beleggingsfondsen die niet aan de beurs zijn genoteerd, kunnen doorgaans worden verkocht aan het betreffende beleggingsfonds die daarvoor dagelijks prijzen afgeeft. De redactie van Grip op neemt aan dat hetgeen de CRvB in de hiervoor aangehaalde uitspraken heeft bepaald ook geldt voor andere beleggingsinstrumenten dan aandelen, zoals obligaties, opties, futures, etc. NB In de nieuwe Participatiewet is bovengenoemde jurisprudentie met betrekking tot waardedaling van aandelen na verkoop onzes inziens niet meer relevant. In de oude Participatiewet werd gewerkt met een vermogensaanwasruimte per aangesloten bijstandsperiode. Bij aanvang van de bijstand diende de gemeente de zogenaamde vermogensaanwasruimte vast te stellen: hoeveel het feitelijke vermogen bij aanvang van de bijstand gedurende de bijstand nog kan groeien. Daarna nam de gemeente gedurende de bijstandsafhankelijkheid enkel toenames in bezittingen in aanmerking. Op het moment dat de aanwasruimte wordt overschrijden stopte in principe het recht op bijstand. In de nieuwe Participatiewet wordt het werken met een vermogensaanwasruimte losgelaten. In plaats daarvan dient de gemeente steeds het daadwerkelijke actuele vermogen van betrokkene vast te stellen voor de bepaling van (continuering van) het recht op bijstand. 1.9.De afkoopwaarde van kapitaalverzekeringen, levensverzekeringen, beleggingsspaarplannen De afkoopwaarde van kapitaalverzekeringen, levensverzekeringen, beleggingsspaarplannen, etc., moet als vermogen in aanmerking worden genomen (zie CRvB 08-08-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6150, CRvB 31-07-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3358 en CRvB 24-11-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4211). Dit omdat aan de Participatiewet en de daarop gebaseerde regelgeving het beginsel ten grondslag ligt dat een belanghebbende in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan. Hetzelfde geldt voor lijfrentes die niet voldoen aan de voorwaarden die gesteld zijn in artikel 15 lid 2 onderdeel b Participatiewet en artikel 15 lid 3 Participatiewet en om die reden naar het oordeel van het college kunnen worden gezien als een voorliggende voorziening waarop een beroep moet worden gedaan. Deze lijfrentes vallen hierdoor ook niet onder de vrijlating van artikel 31 lid 6 onderdeel b Participatiewet. Let op: onder de bescherming van artikel 15 lid 2 onderdeel b Participatiewet kunnen ook zogenaamde "gemengde polissen" vallen waarin een oudedagsvoorziening en een nabestaandenpensioen gecombineerd worden. Zie hierover verder het onderdeel Bescherming van het pensioenvermogen. Hieronder wordt de regeling kort toegelicht. Vaststellen afkoopwaarde Bij het vaststellen van de afkoopwaarde is niet relevant dat de afkoopwaarde lager is dan hetgeen is ingelegd. Het enkele feit dat er hoge kosten met de afkoop zijn gemoeid, maakt niet dat eventuele afkoop niet van een belanghebbende kan worden gevergd (zie CRvB 18-06-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:709). Waardevermeerdering/-vermindering Net als bij de waarde van aandelen geldt dat stijging of daling van de afkoopwaarde gevolgen heeft voor het vermogen van belanghebbende (zie CRvB 27-08-2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE7159). Alleen voor zover een waardestijging het gevolg is van door belanghebbende tijdens bijstand gedane stortingen, moet de waardestijging buiten beschouwing blijven. Tijdens de bijstand gespaarde gelden zijn immers vrijgelaten op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel c Participatiewet. Het rendement moet wel worden meegeteld als vermogen. Netto waarde Bij het vaststellen van de afkoopwaarde van bijvoorbeeld een lijfrenteverzekering gaat het om de netto waarde, dus het bedrag waarover belanghebbende bij afkoop daadwerkelijk de beschikking krijgt; de netto waarde. Alleen deze waarde wordt als vermogen in aanmerking genomen omdat belanghebbende over dit bedrag daadwerkelijk kan beschikken (zie Rechtbank Den Haag 18-02-2016, nr. SGR 15/6179). Bescherming pensioenvermogen Doel Doel van deze regeling (artikel 15 lid 2 aanhef onder b van de Participatiewet) is om zelfstandigen (zzp’ers) in staat te stellen een toereikende oudedagsvoorziening op te bouwen. Drie pijlers De oudedagsvoorziening is gebouwd op drie pijlers. De eerste pijler is het ouderdomspensioen van de AOW. De tweede pijler is het pensioen voor werknemers binnen een door de werkgever aangeboden regeling op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Dit opgebouwde pensioen kan niet worden afgekocht. De derde pijler bestaat uit lijfrentevoorzieningen, zoals lijfrenteverzekeringen, lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten. Die kunnen in de regel wel worden afgekocht. De afkoopwaarde wordt door de gemeenten bij de aanvraag van bijstand doorgaans als vermogen waarover men redelijkerwijs kan beschikken in aanmerking genomen. Het gevolg hiervan kan zijn dat de belanghebbende feitelijk worden gedwongen op dit vermogen in te teren tot aan de voor hem geldende vermogensgrens in de Participatiewet, alvorens hij voor bijstand in aanmerking komt. Dat vermogen komt dus niet ten goede aan de oudedagsvoorziening. De regeling strekt ertoe de lijfrentevoorzieningen niet als een aan de bijstand voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet te beschouwen. Voorwaarden De voorwaarden en grenzen in de nieuwe regeling worden hieronder besproken (zie ook artikel 15 lid 2 aanhef onder b Participatiewet) De vermogensgrens De totale waarde van de lijfrente mag niet hoger zijn dan € 319.861,-. Dit is de waarde zonder de kosten van de financiële instelling in mindering te brengen en zonder aftrek van ingehouden belasting en premies. Als de totale waarde van de lijfrente hoger is dan wordt alleen het meerdere als vermogen in aanmerking genomen. Het maximale bedrag van € 319.861,-,-. wordt dus altijd vrijgelaten. Deze vrijlating acht de regering in overeenstemming met het vangnetkarakter van de Participatiewet. De toetsingsperiode Om voor de bescherming voor de vermogenstoets in aanmerking te komen dient de pensioenvoorziening ten minste 5 jaar voor de datum van aanvraag van bijstand te zijn getroffen. Deze periode wordt de toetsingsperiode genoemd. Deze voorwaarde wordt gesteld om te voorkomen dat de belanghebbende in het zicht van een bijstandsaanvraag een lijfrentevoorziening treft om langs die weg nog vermogen veilig te stellen. De inleg in het kader van de lijfrente De inleg die tijdens de toetsingsperiode van 5 jaar plaatsvindt dient in elk jaar van de toetsingsperiode te geschieden. Anders is er volgens de regering geen sprake van daadwerkelijke opbouw van pensioen. Mocht de inleg in enig jaar echter niet zijn gelukt, bijvoorbeeld vanwege een bedrijfsinvestering of privéuitgaven, dan is het college bevoegd het individualiseringsbeginsel toe te passen en de belanghebbende het niet voldoen aan deze voorwaarde niet aan te rekenen. De begrenzing van de inleg Aan de inleg die elk jaar tijdens de toetsingsperiode in principe dient plaats te vinden is een maximum verbonden van € 7.677,- - per jaar. Als in enig jaar de inleg hoger is, dan wordt alleen het meerdere als voorliggende voorziening beschouwd en dus als vermogen in aanmerking genomen. Middeling vindt niet plaats. Uitstel van de ingangsdatum tijdens de toetsingsperiode In de regeling word tevens de voorwaarde gesteld dat tijdens de toetsingsperiode de ingangsdatum van de lijfrente niet wordt uitgesteld. Wel is het college bevoegd ook hier het individualiseringsbeginsel toe te passen als voor het uitstel van de ingangsdatum een bijzondere rechtvaardiging bestaat. In dit verband kunnen worden genoemd een aanpassing van de ingangsdatum van 65 jaar naar de nu op belanghebbende van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd of in verband met het niet meer van toepassing zijn van een VUT-regeling. Voor meer informatie over deze regeling worden jullie verwezen naar GRIP op Participatiewet van Schulinck. Alleen de pensioenopbouw wordt beschermd Afgezien van de mogelijkheid van een gerechtvaardigd uitstel van de ingangsdatum van de lijfrente, eindigt de bescherming op de dag waarop de lijfrente tot uitbetaling kan komen. Hierbij wordt uitgegaan van de ingangsdatum die gold bij aanvang van de toetsingsperiode. De uitgekeerde periodieke lijfrente wordt voor de bijstand gewoon als inkomen in aanmerking genomen. Als de belanghebbende het pensioen op eigen initiatief heeft afgekocht of zelf eerder heeft laten ingaan, dan geldt ook geen bescherming en wordt de lijfrente in aanmerking genomen als middel waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken. 1.10.Uitkeringen kapitaalverzekeringen e.d. Na afloop van de looptijd van de kapitaalverzekering, levensverzekering, etc. ontvangt een belanghebbende een bedrag ineens of een periodieke uitkering. Betreft het een bedrag ineens dan is dit vrijgelaten voor zover het bedrag niet hoger is dan de afkoopwaarde die al bij het vermogen is meegeteld. De reden is dat tijdens de bijstandsverlening reeds rekening is gehouden met de afkoopwaarde en deze dus kennelijk op geen enkel moment heeft geleid tot een overschrijding van de vermogensgrens. Ontvangt belanghebbende na afloop echter een periodieke uitkering, dan betreft deze uitkering inkomen dat op de bijstandsuitkering in mindering moet worden gebracht (zie CRvB 24-02-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO4954). Het voorgaande geldt ook voor de uitgekeerde periodieke lijfrente. De uitkering zelf wordt niet beschermd door artikel 15 lid 2 onderdeel b Participatiewet. Als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, is alleen de opbouw van het pensioenvermogen niet aan te merken als een voorliggende voorziening. Ook de vrijlating van artikel 31 lid 6 onderdeel b Participatiewet geldt niet in geval van periodieke uitkering van lijfrente. 1.11.Afkoop pensioen Afkoop van kleine pensioenen Als de een belanghebbende een éénmalige pensioenuitkering bij wijze van afkoop ontvangt, dan moet het college beoordelen of het pensioen als inkomen of als vermogen moet worden aangemerkt. De criteria hiervoor zijn opgenomen in artikel 32 lid 1 Participatiewet: de bestemming van de inkomsten en de periode waarop de inkomsten betrekking hebben. Betreft het pensioen inkomen, dan dient het college dit te korten op de algemene bijstand. Verplichte of vrijwillige vroegtijdige afkoop ouderdomspensioen Afkoop ouderdomspensioen door pensioenuitvoerder Kleine pensioenen kunnen door de pensioenuitvoerder in één keer worden afgekocht. De pensioengerechtigde ontvangt dan een bedrag ineens in plaats van een (zeer lage) periodieke pensioenuitkering. Op die manier kan de pensioenuitvoerder zijn administratieve lasten beperken. Het bedrag dat wordt ontvangen, moet als vermogen worden aangemerkt. Als een belanghebbende vrijwillig zelf zijn ouderdomspensioen vroegtijdig laat afkopen, kan de afkoopsom als inkomen worden beschouwd. College kan vroegtijdige afkoop ouderdomspensioen niet verplichten Het college kan een belanghebbende niet verplichten een ouderdomspensioen vroegtijdig af te laten kopen als bedoeld in artikel 1 Pensioenwet en artikel 1 Wet verplichte beroepspensioenregeling. Afkoop ouderdomspensioen personen die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt Als de afkoop van een klein ouderdomspensioen plaatsvindt voordat de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, dan heeft het pensioen doorgaans betrekking op een toekomstige periode. In dat geval moet het ontvangen bedrag niet als inkomen worden gekort op de bijstandsuitkering, maar worden toegerekend aan het vermogen (zie CRvB 14-12-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8851, CRvB 25-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2458 en CRvB 31-07-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3329). Het middel ziet dan namelijk niet op een periode waarin bijstand is ontvangen (artikel 32 lid 1 onderdeel b Participatiewet). Periodieke ontvangst ouderdomspensioen voor bereiken AOW-leeftijd Als geen sprake is van afkoop en een belanghebbende ontvangt periodiek (maandelijks) pensioen terwijl hij de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt, dan is dat pensioen inkomen dat maandelijks op de uitkering in mindering moet worden gebracht op grond van artikel 32 lid 1 Participatiewet. Omdat de belanghebbende de AOW-leeftijd nog niet heeft bereik is de pensioenvrijlating van artikel 33 lid 5 Participatiewet niet van toepassing (zie CRvB 25-04-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2088). Let op: de belanghebbende heeft wel het recht ervoor te kiezen dat het afgekochte ouderdomspensioen pas ingaat op de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van de AOW ingaat (artikel 66 lid 10 Pensioenwet). Afkoop nabestaandenpensioen De pensioenuitvoerder heeft tegen de nabestaanden van een overledene het recht om partnerpensioen of wezenpensioen ten behoeve van de nabestaanden van een overleden deelnemer af te kopen. Afkoop geschiedt dan als het recht op dit pensioen is ingegaan. In deze gevallen wordt het afkoopbedrag als middel aangemerkt en toegerekend aan het inkomen van belanghebbende. Let op: als een belanghebbende het nabestaandenpensioen afkoopt, terwijl de (ex-)echtgenoot nog niet is overleden, dan heeft het afkoopbedrag betrekking op een toekomstige periode. Dit betekent dat het afkoopbedrag als middel moet worden aangemerkt en moet worden toegerekend aan het vermogen van de belanghebbende. Indien de (ex-)echtgenoot na het toerekenen komt te overlijden, dan kan het afkoopbedrag niet daarna alsnog worden toegerekend aan het inkomen. Afkoop levensverzekering De afkoopwaarde van een levensverzekering moet worden aangemerkt als uitgesteld vermogen en kan niet als pensioenvoorziening worden beschouwd. Een levensverzekering heeft een ander karakter dan pensioenopbouw van werknemers omdat het doel daarvan, anders dan het geval is bij een werknemerspensioen, niet vastligt (zie CRvB 12-01-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:43). Met andere woorden, afkoopwaarde levensverzekering wordt dus gezien als uitgesteld vermogen (dus vermogen dat beschikbaar komt bij afkoop).Kan niet worden aangemerkt als pensioenvoorziening, omdat: Het doel van een levensverzekering niet vastligt zoals bij een werknemerspensioen. Bij pensioen sprake is van een verplicht karakter en een sociale zekerheidsfunctie. Vermogen wordt in beginsel meegenomen bij de bijstandsverlening (art. 34 Pw). Afkoopwaarde telt dus wél mee als vermogen bij de bijstand, omdat het beschikbaar is. Alleen zolang het niet is afgekocht, kan het als niet-direct beschikbaar worden gezien, maar bij afkoop is het vrij besteedbaar. Wijze van korten pensioenafkopen Voor de wijze waarop pensioenafkoopsommen moeten worden gekort op de bijstand geldt het volgende. Het college moet vaststellen voor welke periode het pensioen is bestemd. Daarbij is het redelijk om bij die vaststelling uit te gaan van de gemiddelde levensverwachting van de groep personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt waartoe betrokkene bij de aanvang van de aanspraak op pensioen behoorde (zie CRvB 13-05-2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF8845 en CRvB 13-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4757). De afkoopsom zal over de periode van de vastgestelde gemiddelde levensverwachting verdeeld moeten worden. De gemiddelde levensverwachting is te vinden in de overlevingstafels van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Voor het berekenen van de gemiddelde levensverwachting is een handige rekentool beschikbaar. Ook rekening houden met de pensioenvrijlating Daarnaast moet rekening worden gehouden met het bedrag van de pensioenvrijlating als het gaat om een persoon die de AOW-leeftijd heeft bereikt (artikel 33 lid 5 Participatiewet) Voorbeeld Een vrouw die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, alleenstaande is en een bijstandsuitkering via de SVB ontvangt (artikel 47a lid 1 Participatiewet), heeft recht op een maandelijks particulier pensioen van € 25,00. De pensioenverzekeraar besluit dit af te kopen voor een eenmalig bedrag van € 3.250,00. De pensioenvrijlating bedraagt per maand € 25,70. De levensverwachting van deze vrouw bedraagt 19 jaar, zodat het pensioen geacht moet worden voor deze periode bestemd te zijn. Dit betekent per jaar een bedrag van € 171,00 (€ 3.250,00 gedeeld door 19). Maandelijks kan dan een bedrag van € 14,25 (€ 171,00 gedeeld door 12) als inkomsten worden aangemerkt. Dit bedrag ligt beneden de pensioenvrijlating van € 25,70, zodat geen korting op de uitkering algemene bijstand plaatsvindt. Betalingen uit pensioen ex-partner Pensioenbetalingen die de belanghebbende van de partner, van wie belanghebbende is gescheiden, ontvangt wanneer die partner de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, moeten worden aangemerkt als inkomen dat naar zijn aard overeenkomt met inkomsten in verband met arbeid op grond van een pensioenregeling (zie CRvB 23-11-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR6149 en CRvB 21-12-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AS2426). 1.12.Loterijwinsten Een loterijwinst roept de vraag op of deze moet worden gezien als inkomen of als vermogen. Er zit namelijk een verschil tussen het ontvangen van een geldbedrag uit een loterij, of het ontvangen van een geldbedrag op basis van gokactiviteiten. Bij gokken, bijvoorbeeld in een casino of online, verricht iemand actieve handelingen die kunnen leiden tot inkomsten. Dergelijke opbrengsten vallen onder het begrip inkomsten. Zie artikel 32 Participatiewet. Bovendien is het mogelijk om van gokken, zoals pokeren, een beroep te maken. Bij het kopen van een lot is daar geen sprake van. Het is een eenmalige handeling, gebaseerd op geluk, en niet op inspanning of structurele deelname. Winst uit een loterij heeft niet de kenmerken van inkomsten uit arbeid of gokken en voldoet niet aan de definitie van inkomen. Daarom kan een loterijwinst worden gezien als een toename van het vermogen en niet als inkomen. Op dit punt biedt de rechtspraak nog geen duidelijkheid. 1.13.Rente over vermogen beneden de vermogensgrens en bijstandsspaargeld Rente-inkomsten zijn vrijgelaten als zij betrekking hebben op: het vermogen als dit minder is dan de toepasselijke vermogensgrens. spaargelden die zijn opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen. Het gaat hierbij alleen om echte spaargelden. De waardestijging van vermogensbestanddelen tijdens de bijstand kan hiermee niet op een lijn worden gesteld. Zie CRvB 16-6-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9813en CRvB 27-8-2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE7159. Gaat het om aanzienlijke bedragen dan moet worden gekeken voor welk deel de bijstandsuitkering noodzakelijk is. Het is mogelijk de bijstand lager vast te stellen op grond van de algemene individualiseringsbepaling. Dit volgt uit artikel 18 lid 1 Participatiewet. Het sparen van aanzienlijke bedragen uit de bijstandsuitkering kan een aanwijzing zijn dat er wordt gefraudeerd. 1.14.(on)kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk 1.14.1Algemene informatie over (on)kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk Sommige organisaties geven een vrijwilligersvergoeding voor je inzet. Dit is niet verplicht, maar natuurlijk wel een fijn extraatje. Je krijgt dan bijvoorbeeld een vaste vergoeding per uur, dag(deel) of maand. Een vrijwilligersvergoeding is niet hetzelfde als salaris, daarvoor is het bedrag dat je krijgt te laag. Dat is meteen een belangrijk kenmerk van deze vergoeding: de hoogte staat eigenlijk niet in verhouding met wat je ervoor doet en hoeveel tijd het werk je kost. Zie het meer als een bedankje. Soms zit is het ook gelijk een vergoeding voor de kosten die je maakt. Je krijgt dan eigenlijk een vrijwilligers- en onkostenvergoeding ineen. Vrijwilligersvergoeding aanvragen Niet alle vrijwilligersorganisaties bieden een vrijwilligersvergoeding aan. Men kan dan ook niet zomaar een vrijwilligersvergoeding aanvragen. Je kunt natuurlijk wel altijd aangeven dat je graag een vergoeding ontvangt, bijvoorbeeld voor de onkosten die je maakt. Soms biedt een organisatie zelf een vergoeding aan. De organisatie en vrijwilliger spreken dan samen een vaste vergoeding af, bijvoorbeeld per uur. In Nederland kun je een vrijwilligersvergoeding krijgen als je vrijwilligerswerk doet voor: een organisatie die geen vennootschapsbelasting hoeft te betalen of daarvan is vrijgesteld; een sportvereniging of sportstichting; een ANBI (Algemeen Nut Beogende Instelling). Hoeveel is een vrijwilligersvergoeding in 2025? De organisatie waar men vrijwilligerswerk doet, bepaalt zelf of iemand een vergoeding krijgt en wat de hoogte van de vrijwilligersvergoeding dan is. Boven een bepaald bedrag moet men wel belasting betalen over de vergoeding. De maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding is in 2025 € 5,60 per uur, € 210 per maand en € 2.100 per jaar. Ben je jonger dan 21 jaar en krijg je een vaste vergoeding per uur? Dan betaal je geen belasting bij een vergoeding tot € 3,30 per uur, tot een maximum van € 210 per maand en een maximum van € 2.100 per jaar. Onkostenvergoeding vrijwilligerswerk Naast een vrijwilligersvergoeding bestaat er ook een onkostenvergoeding voor vrijwilligers. Zoals de naam al aangeeft, dekt deze vergoeding de kosten die men maakt voor het vrijwilligerswerk. Denk aan reiskosten. Ook deze vergoeding is niet verplicht, maar veel organisaties vinden het belangrijk dat het vrijwilligerswerk je niets kost. Hoeveel je krijgt? Dat hangt af van hoeveel het vrijwilligerswerk je kost. Deze vergoeding dekt namelijk precies de door jou gemaakte kosten. Vrijwilligersvergoeding en de Belastingdienst De Belastingdienst kijkt mee als je vrijwilligerswerk doet. Of je daadwerkelijk belasting betaalt, hangt af van de hoogte van de vrijwilligersvergoeding. De maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding is in 2024 € 5,50 per uur en in 2025 € 5,60 per uur. De maximale vergoedingen per maand en per jaar zijn in 2024 en 2025 hetzelfde, namelijk € 210,- per maand en € 2.100 per jaar. Krijg je een hogere vergoeding? Dan betaal je daar belasting over. De organisatie waar je vrijwilligerswerk voor doet, houdt deze belasting in op je vrijwilligersvergoeding. Krijg je een onkostenvergoeding voor het vrijwilligerswerk? Zolang iemand alleen een vergoeding krijgt voor de kosten die je daadwerkelijk hebt gemaakt, betaal hij hier geen belasting over. Let op als je een onkostenvergoeding én een vrijwilligersvergoeding krijgt. De Belastingdienst telt deze bedragen bij elkaar op. Komt het totaal uit boven de € 210,- per maand of € 2.100 per jaar? Dan houdt de vrijwilligersorganisatie belasting in op je vergoeding. Meestal zorgen organisaties er daarom voor dat de vergoeding net onder deze grens blijft. Wanneer wordt de vrijwilligersvergoeding belast als loon? Het kan zijn dat een vrijwilliger meer ontvangt dan bovengenoemde vergoedingen. En dat het bedrag ook hoger is dan de door u gemaakte kosten. De hele vergoeding is dan belast voor de inkomstenbelasting. De vrijwilliger geeft deze inkomsten op in zijn aangifte inkomstenbelasting. Werkt de vrijwilliger bij verschillende organisaties als vrijwilliger? En krijgt hij per organisatie niet meer dan de maximumvergoeding, maar alles bij elkaar opgeteld wel? Dan moet hij de vergoedingen opgeven in zijn aangifte inkomstenbelasting. De vergoeding is belast met inkomstenbelasting tenzij deze zijn kosten dekt. 1.14.2.(On)kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk en bijstand Een belanghebbende kan voor het verrichten van vrijwilligerswerk een (on)kostenvergoeding ontvangen. Dit wordt voor de algemene bijstand vrijgelaten. Dat wil zeggen bij de vaststelling van het recht op bijstand. En ook voor de hoogte van de algemene bijstand. Dit volgt uit artikel 31 lid 2 onderdeel k Participatiewet. Personen jonger dan 27 jaar: vrijlating niet van toepassing Deze vrijlating geldt niet voor personen jonger dan 27 jaar (artikel 31 lid 5 Participatiewet). Van jongeren wordt verwacht dat ze op eigen kracht uitstromen. Daar is volgens de wetgever geen extra activerend instrument voor nodig (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 11). Gelet op deze specifieke situatie van jongeren, is het onderscheid naar leeftijd gerechtvaardigd. Er is dus geen sprake van leeftijdsdiscriminatie. Zie ook: CRvB 16-11-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2841. Deze regel blijft ook in Participatiewet in balans van kracht. Het vrijlaten van de (on)kostenvergoeding is bedoeld voor de arbeidsinschakeling van een belanghebbende van 27 jaar of ouder. Er is geen verband met de aard en de omvang van het vrijwilligerswerk. Ook is het niet belangrijk of de belanghebbende daadwerkelijk onkosten heeft gemaakt met het vrijwilligerswerk. Het is wel aan de belanghebbende om aan te tonen dat hij vrijwilligerswerk verricht. En daarvoor de kostenvergoeding ontvangt. Kostenvergoeding De vrijlating geldt voor een kostenvergoeding die wordt verstrekt door de organisatie waarbij de belanghebbende vrijwilligerswerk verricht. Zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 56-58. De experts van Schulinck denken dat daaronder ook wordt begrepen een kostenvergoeding die door een derde wordt verstrekt. Bijvoorbeeld de gemeente zelf. Onder een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk kan niet automatisch elk bedrag worden begrepen dat een belanghebbende in dat verband van de verstrekker ontvangt (zie CRvB 4-8-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2617). Dit betekent dat het bedrag toch wordt meegeteld bij het vaststellen van het recht op en de hoogte van de algemene bijstand als het bedrag niet kan worden begrepen onder de kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Hoogte vrijlating De hoogte van de vrijlating van een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk naast een uitkering bedraagt in 2025 ten hoogste € 210,00 per maand met een maximum van € 2.100,00 per jaar. Dit volgt uit artikel 7 onderdeel h Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ en artikel 2 lid 6 van de Wet op de loonbelasting 1964. Vrijwilligersvergoeding belastingvrij Een vrijwilligersvergoeding is onbelast als de vergoeding niet boven de hiervoor genoemde bedragen uitkomt. Productieve arbeid in plaats van vrijwilligerswerk Het is mogelijk dat een belanghebbende werkzaamheden verricht die niet als vrijwilligerswerk maar als productieve arbeid moeten worden aangemerkt. Deze werkzaamheden hebben een economische waarde. Er zal dan een inkomstenkorting plaats moeten vinden op basis van een fictief inkomen. Met het bovenstaande wordt het volgende bedoeld. Onder vrijwilligerswerk worden werkzaamheden geschaard zonder economische waarde, vaak bij maatschappelijke organisaties, zonder loon of winstdoel. Onder productieve arbeid vallen werkzaamheden die een economische waarde vertegenwoordigen, ook als er geen loon wordt betaald. Als iemand productieve arbeid verricht, moet op grond van art. 31 Participatiewet een fictief inkomen worden toegerekend, omdat de belanghebbende in feite een voordeel geniet dat vergelijkbaar is met loon. De CRvB heeft meerdere keren geoordeeld dat het niet uitmaakt of er feitelijk loon wordt betaald; als de werkzaamheden normaal gesproken tegen betaling worden verricht, is er sprake van economische waarde. Het doel is te voorkomen dat bijstand wordt verstrekt terwijl iemand in feite een verdiencapaciteit benut. Voorbeelden Voorbeeld 1 – Vrijwilligerswerk Een belanghebbende helpt één keer per week in een buurthuis koffie schenken. Dit levert geen economische waarde op (geen vervanging van betaalde arbeid). → Geen inkomstenkorting. Voorbeeld 2 – Productieve arbeid Een belanghebbende werkt 20 uur per week in een kringloopwinkel, verricht kassawerk en sorteert goederen. Normaal gesproken zou dit tegen betaling gebeuren. → Fictief inkomen toerekenen op basis van het minimumloon voor 20 uur. Voorbeeld 3 – Meewerken in bedrijf van partner Een belanghebbende helpt structureel mee in het bedrijf van de partner (bijv. administratie, klantencontact).→ Economische waarde aanwezig → fictief inkomen. Hoe bereken je fictief inkomen? Uitgangspunt: minimumloon voor het aantal gewerkte uren. Dit wordt als inkomen in mindering gebracht op de bijstand (art. 32 Participatiewet). Inlichtingenplicht De belanghebbende is verplicht om het verrichten van vrijwilligerswerk te melden aan het college. 1.14.3.Samenvatting kostenvergoeding vrijwilligerswerk Wanneer is een vrijwilligersvergoeding onbelast? Voor 2025 gelden de volgende maximumbedragen: Maximaal € 5,60 per uur Maximaal € 210 per maand Maximaal € 2.100 per jaar De vergoeding wordt belast als: De uurvergoeding hoger is dan € 5,60 (of € 3,30 voor <21 jaar) Dan wordt aangenomen dat het een marktconforme beloning is. De totale vergoeding per maand hoger is dan € 210 per maand of per jaar hoger dan € 2.100 → Dan vervalt de fiscale vrijstelling en wordt het als loon of resultaat uit overige werkzaamheden belast. De vergoeding is marktconform, ongeacht het bedrag Bijvoorbeeld als het werk lijkt op regulier betaald werk, zoals stembureauwerk met € 7,89 per uur. De vergoeding bestaat uit vrijwilligersvergoeding én onkostenvergoeding Dan worden beide bedragen bij elkaar opgeteld. Als het totaal boven de grens komt, is het belast. Bijstandsuitkering en vrijwilligersvergoeding Als iemand een bijstandsuitkering ontvangt, dan geldt: Tot € 210 per maand en € 2.100 per jaar: géén invloed op de uitkering. Boven deze bedragen: de vergoeding wordt als inkomen gezien en kan leiden tot een verlaging of beëindiging van de uitkering. 1.15Vergoedingen en verstrekkingen (verwervingskosten) Bepaalde vergoedingen en verstrekkingen voor verwervingskosten worden vrijgelaten voor de algemene bijstand. Deze vrijlating geldt alleen als er geen bijzondere bijstand voor de verwervingskosten is verleend. Dit volgt uit artikel 31 lid 2 onderdeel g Participatiewet. Verwervingskosten en inkomen Een ander vraagstuk is of inkomsten mogen worden verminderd met de kosten die zijn gemaakt om dit inkomen te verkrijgen. Denk bijvoorbeeld aan reiskosten of andere onkosten. Deze verwervingskosten mogen niet in mindering worden gebracht op het inkomen. Zie CRvB 20-06-2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AJ9668, CRvB 27-06-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2320 en CRvB 25-2-2020, ECLI:NL:CRVB:2020:446). Gok- en spelinkomsten worden ook als verwervingskosten in aanmerking genomen. Zie bijvoorbeeld over de kosten van deelname en inzet van een online pokerspel: CRvB 2-1-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:7. Dit geldt evenzeer voor eenmalig ontvangen gokinkomsten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-10-2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:6247). Als de opbrengsten uit onderhuur volledig worden gebruikt om contractuele verplichtingen na te komen zoals de huur en nutsvoorzieningen, kan er niet redelijkerwijs over deze inkomsten worden beschikt. Er is dan geen middel in de zin van artikel 31 lid 1 Participatiewet. Dit volgt uit Rechtbank Oost-Brabant 16-12-2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:6502. Dit blijft ook in Participatiewet in balans hetzelfde. De wetgever heeft op dit punt niets gewijzigd. Onkostenvergoedingen Onkostenvergoedingen zijn vrijgelaten als deze reëel zijn. Dit betekent dat de vergoeding niet hoger mag zijn dan de werkelijke kosten. In de praktijk kan zich de situatie voordoen dat iemand een vergoeding krijgt voor werkzaamheden die voor een deel bestaat uit een onkostenvergoeding. Dit deel is dan vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel g Participatiewet. Voor de rest moet het college de vergoeding korten als inkomsten. Dit geldt ook als het deel dat is bedoeld als onkostenvergoeding onvoldoende is om de feitelijke verwervingskosten te bestrijden (zie CRvB 16-01-2001, nr. 99/606 NABW). Als de verwervingskosten niet worden gedekt door de onkostenvergoeding kan de belanghebbende een aanvraag bijzondere bijstand indienen. Zie CRvB 27-06-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY3569. Deze regel blijft ook in Participatiewet in balans ongewijzigd.. Reiskostenvergoeding Een bruto reiskostenvergoeding die met loonheffing belast is, is géén eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31 aanhef en onder f Wet op de loonbelasting 1964. Dit kan dus niet worden vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2 aanhef en onder g Participatiewet (CRvB 30-10-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3513). Stel een belanghebbende valt onder de regeling voor artiesten en beroepssporters. Dan hoeft dat niet te betekenen dat de inhoudsplichtige de bedragen die belanghebbende heeft ontvangen voor de optredens als eindhefffingsbestanddeel heeft aangemerkt als bedoeld in artikel 31 aanhef en onder f Wet op de loonbelasting 1964 (zie CRvB 16-07-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2313). Eindheffingsloon wordt van de werkgever geheven. Dit hoort dus niet tot het loon van een werknemer en hoort dus ook niet tot zijn verzamelinkomen voor de inkomstenbelasting. Deze regel blijft ook in Participatiewet in balans ongewijzigd.. (Aanbreng)bonus Een ontvangen aanbrengbonus kan soms worden vrijgelaten. Dit is het geval als de aanbrengbonus door de werkgever is ondergebracht in de vrije ruimte van de werkkostenregeling. De bonus is dan onbelast. In dat geval is de bonus een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31 lid 1 onderdeel f Wet op de loonbelasting 1964. Daarmee valt de bonus onder artikel 31 lid 2 onderdeel g Participatiewet en telt niet mee als middel. Deze regel blijft ook in Participatiewet in balans ongewijzigd Zorgbonus Zorgprofessionals die zich tussen 1 maart tot 1 september 2020 hebben ingezet voor patiënten en cliënten met COVID-19 of hebben bijgedragen aan de strijd tegen corona, of beide, hebben mogelijk recht op de zorgbonus. De zorgbonus 2021 is voor zorgprofessionals die dat hebben gedaan tussen 1 oktober 2020 tot 15 juni 2021. Deze bonus wordt vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2 onder g Participatiewet. Deze regel blijft ook in Participatiewet in balans ongewijzigd 1.16.Schadevergoeding gedupeerden kinderopvangtoeslagaffaire De schadevergoeding die een belanghebbende ontvangt in verband met het herstel van toeslagen (toeslagenaffaire) zoals hieronder opgesomd mag niet worden meegeteld als middel voor de algemene bijstand. Dit volgt uit artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet samen met artikel 7 onderdeel p Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Een deel van de hersteloperatie vindt plaats binnen het reguliere regime van tegemoetkomingen in de zin van de Awir. Globaal kan binnen dat regime tot 5 jaar geleden zaken worden hersteld. Denk aan het opnieuw vaststellen van het recht op kinderopvangtoeslag. De betaling die daaruit volgt is vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel d Participatiewet. Geld dat wordt ontvangen op grond van de kindregeling - als onderdeel van het inmiddels aangenomen Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen - is geen middel. De kindregeling is een herstelregeling voor kinderen van vastgesteld gedupeerde ouder(s)/verzorger(s). Deze vrijlating wordt opgenomen in artikel 7 onderdeel p van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Invloed compensatie op bijzondere bijstand Voor de bijzondere bijstand kan de compensatie wel worden meegeteld als middel. Dat is afhankelijk van wat in het gemeentelijk beleid is bepaald. Echter, In het geldende bijzondere bijstandsbeleid van Hollands Kroon is hierover niets opgenomen. Voorgesteld wordt om in afwachting van eventueel nieuwe beleid dienaangaande de compensatie niet mee te tellen als middel. Vrijgelaten compensaties voor de algemene bijstand Welke compensaties in verband met het herstel van toeslagen worden vrijgelaten voor de algemene bijstand? Het betreft: de compensatie of aanvullende compensatie, bedoeld in artikel 2.1 of artikel 2.14h van de Wet hersteloperatie toeslagen. Het gaat om de compensatie die de aanvrager van kinderopvangtoeslag ontvangt, maar diens ex-partner; de O/GS-tegemoetkoming en aanvullende O/GS-tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2.6 van de Wet hersteloperatie toeslagen; het forfaitair bedrag, bedoeld in artikel 2.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen; de incidentele noodvoorziening, bedoeld in artikel 2.8 of artikel 2.14ivan de Wet hersteloperatie toeslagen. Dit geldt voor zowel voor de aanvrager van kinderopvangtoeslag als diens ex-partner; de bijzondere tegemoetkoming kinderopvangtoeslag, bedoeld in artikel 2.9 van de Wet hersteloperatie toeslagen; de eenmalige tegemoetkoming, bedoeld in artikel 49g van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, zoals dat luidde op 25 januari 2021; de tegemoetkoming voor kind, bedoeld in artikel 2.10 of artikel 2.11a van de Wet hersteloperatie toeslagen, of de tegemoetkoming voor pleegkind of voormalig pleegkind, bedoeld in artikel 2.11 of artikel 2.11b van de Wet hersteloperatie toeslagen. Dit geldt ook voor het kind en (voormalig) pleegkind van de ex-partner; de tegemoetkoming, bedoeld in Afdeling 2.5 van de Wet hersteloperatie toeslagen. Hoe werkt het vrijlaten van de schadevergoeding in de praktijk? Er kunnen twee situaties worden onderscheiden. Het gaat daarbij om het moment waarop de schadevergoeding is ontvangen: Is de schadevergoeding ontvangen tijdens de lopende bijstandsperiode? Is de schadevergoeding ontvangen voorafgaande aan de lopende bijstandsperiode? De schadevergoeding is ontvangen tijdens de lopende bijstandsperiode Als de schadevergoeding wordt ontvangen tijdens de lopende periode van bijstandsverlening geldt sowieso dat deze wordt vrijgelaten. Dit volgt uit artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet samen met artikel 7 onderdeel p Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Worden met de schadevergoeding spullen gekocht? Dan heeft dat in principe geen gevolgen voor het recht op bijstand. Er is namelijk slechts sprake van een verandering van de vorm van het vermogen. De vrijgelaten schadevergoeding wordt namelijk slechts omgezet in een goed. Er is dus geen sprake van vermogenstoename. Het is wel van belang dat te herleiden is dat het goed is gekocht met de schadevergoeding. Wordt het met de schadevergoeding gekochte goed verkocht? Dan zal dat vaak ook geen gevolgen hebben voor de bijstandsverlening. Denk aan een aangeschafte auto die weer wordt verkocht. In die gevallen geldt namelijk het ‘vervangingsvermoeden’. Dat betekent dat bij verkoop van een bezitting in natura, het vermoeden gerechtvaardigd is dat zo'n gebruiksgoed wordt vervangen. En dat met de opbrengst van de verkoop een nieuw vergelijkbaar goed wordt aangeschaft. Het geld is dan niet beschikbaar om in andere noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. De schadevergoeding is ontvangen voorafgaande aan de lopende bijstandsperiode Er kunnen 2 situaties worden onderscheiden: Staat de schadevergoeding nog op een bankrekening? Is de schadevergoeding helemaal of voor een deel besteed aan spullen? De schadevergoeding staat nog op een bankrekening Staat de schadevergoeding op een aparte bankrekening? Dan is duidelijk dat dit bedrag afkomstig is van de schadevergoeding. Dan kan dat geld worden vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet samen met artikel 7 onderdeel p Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Staat de schadevergoeding samen op een bankrekening met eigen geld? Dan heeft er vermenging van eigen geld met de schadevergoeding plaatsgevonden. Het is dan lastig om te achterhalen wat is betaald met het eigen geld en wat is betaald met de schadevergoeding. En in hoeverre de schadevergoeding nog op de bankrekening staat. In deze gevallen kan eventueel als richtlijn worden gesteld dat lopende zaken vaak geacht kunnen worden te zijn betaald met het eigen geld. Dit omdat die kosten er ook zouden zijn als geen schadevergoeding is ontvangen. Denk aan boodschappen en vaste lasten. Bijzondere uitgaven zouden in beginsel kunnen worden geacht te zijn betaald met de schadevergoeding. Denk aan de koop van een auto. Dit omdat het verdedigbaar is te stellen dat deze betalingen misschien niet mogelijk zouden zijn geweest zonder de schadevergoeding. De schadevergoeding is helemaal of voor een deel besteed aan spullen In dat geval geldt de vrijlating formeel niet. Artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet en artikel 7 onderdeel p Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ laten alleen de schadevergoeding vrij. De schadevergoeding is er niet meer als belanghebbende het geld al voor de lopende bijstand heeft uitgegeven. De gekochte zaken - bijvoorbeeld een woning of een auto - vallen officieel niet onder de vrijlating. Wel kan verdedigd worden dat het college de vrijlating van artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet en artikel 7 onderdeel p Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ oprekt. De bepaling moet dan zo worden gelezen dat ook zaken die voorafgaand aan de bijstand met de schadevergoeding zijn gekocht zijn vrijgelaten met toepassing van artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet en artikel 7 onderdeel p Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Wel is het dan nodig dat te herleiden is dat de zaak is gekocht met de schadevergoeding. Met deze lezing voorkomt het college dat gedupeerden zich beperkt zouden voelen om de schadevergoeding uit te geven uit angst later geen recht op bijstand te hebben. Ook wordt hiermee voorkomen dat deze gedupeerden nadeliger af zijn dan gedupeerden die pas in de bijstand de schadevergoeding gaan uitgeven. De gemeente Hollands Kroon heeft besloten deze lijn te volgen. Meer dan 30 dagen geen recht Voornoemde problematiek kan zich ook voordoen als iemand meer dan 30 dagen geen recht heeft op bijstand en daarna weer wel recht heeft op bijstand. Dan ontstaat er een nieuwe periode van recht op bijstand. En dat betekent onder andere dat het vermogen opnieuw moet worden vastgesteld. Dan moet formeel opnieuw beoordeeld worden wat met de schadevergoeding is gekocht en wat eventueel nog moet worden vrijgelaten. Herleidbaarheid spullen Om een zaak die is gekocht met de schadevergoeding vrij te laten bij het vaststellen van het recht op bijstand, is het nodig dat herleidbaar is dat de zaak is gekocht met het geld van de schadevergoeding. Daarom is het handig als belanghebbende hiervan een administratie heeft bijgehouden. Door uitgaven eerder een beroep op bijstand Stel: een belanghebbende heeft voorafgaande aan de bijstand veel geld uitgegeven waardoor hij (mogelijk) eerder een beroep op bijstand moet doen. Als iemand te snel zijn eigen geld opmaakt, kan dit wijzen op een gebrek aan verantwoordelijkheid voor het voorzien in zijn eigen bestaan. Dit wordt het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan genoemd. Het is dan mogelijk de bijstand af te stemmen. Of de bijstand in de vorm van een geldlening toe te kennen. In de gemeente Hollands Kroon is gekozen voor de tweede optie. . Maar stel dat iemand zijn schadevergoeding snel heeft opgemaakt? In dat geval is er geen sprake van een gebrek aan verantwoordelijkheid. De schadevergoeding is vrij te besteden en heeft geen invloed op de bijstand. Dit mag een belanghebbende dus snel opmaken. Woning Als een woning voor een deel is betaald met de schadevergoeding, kan het vermogen dat in de woning zit, lager uitvallen door het deel dat met de schadevergoeding is betaald. Er kan toch verwarring ontstaan over hoe de betaling is gedaan. Bijvoorbeeld, het is niet altijd duidelijk of de kosten voor de woning zijn betaald met eigen geld of met de schadevergoeding. Ook kan de vraag gesteld worden of het deel van de woning dat zelf is gefinancierd, met eigen geld of met de schadevergoeding is betaald. 1.17.Heffingskortingen Een belangrijk aspect van de relatie tussen de Participatiewet en de heffingskortingen is dat de heffingskortingen (deels) tot de middelen van belanghebbende behoren (artikel 31 lid 1 Participatiewet). Dit geldt zowel voor de heffingskortingen die via de voorlopige teruggaaf lopen (zie CRvB 16-02-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL6380) als de loonheffingskortingen. De volgende heffingskortingen moeten als middel worden aangemerkt en derhalve worden gekort op de uitkering: algemene heffingskorting algemene heffingskorting minst verdienende partner arbeidskorting inkomensafhankelijke combinatiekorting ouderenkorting alleenstaande ouderenkorting jongehandicaptenkorting indien een belanghebbende jonger is dan 27 jaar werkbonus levensloopverlofkorting (tot 2022) korting groene beleggingen. Voor de volgende heffingskortingen moet bij de belastingdienst een (voorlopige) teruggave worden aangevraagd indien men ervoor in aanmerking wil komen: algemene heffingskorting minstverdienende partner inkomensafhankelijke combinatiekorting korting voor groene beleggingen. Ook indien de belanghebbende één van bovengenoemde heffingskortingen (via voorlopige teruggaaf of verrekening bij loon) niet ontvangt, maar wel recht heeft op de heffingskorting, moet het college deze heffingskortingen korten op de uitkering. Een voorlopige teruggave behoort ook tot de middelen van een belanghebbende, ook indien die door een verrekening met schulden aan de Belastingdienst niet of niet volledig wordt uitbetaald (zie CRvB 26-02-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX0219 en CRvB 12-12-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2471). Een belanghebbende kan ook beschikken over de heffingskorting waar beslag op rust. Dat de heffingskorting niet tot uitbetaling komt maar wordt besteed aan de aflossing van schulden maakt dit niet anders. Het zijn middelen waarover een belanghebbende op grond van artikel 31 lid 1 Participatiewet redelijkerwijs kan beschikken . De keuze voor het fiscaal partnerschap is per 1 januari 2011 vervallen. Iemand is verplicht fiscaal partner of niet, er is geen keuze meer. Middelen waarop geen recht bestaat kunnen niet worden gekort op de uitkering. Het is niet mogelijk om belanghebbenden op grond van artikel 55 Participatiewet te verplichten te voldoen aan een of meer voorwaarden voor fiscaal partnerschap waardoor er wel een mogelijk recht op heffingskorting minstverdienende partner zou kunnen bestaan. Het is ook in het voordeel van belanghebbende om een voorlopige teruggave van de heffingskorting aan te vragen als hij daar recht op heeft. Maakt belanghebbende geen gebruik van de voorlopige teruggave, dan loopt hij het risico dat hij geconfronteerd kan worden met een bruto-terugvordering (als de jaargrens wordt overschreden). De jonggehandicaptenkorting is vrijgelaten en wordt niet tot de middelen van een belanghebbende gerekend (artikel 31 lid 2 onderdeel c Participatiewet). Deze vrijlating is niet van toepassing ten aanzien van personen jonger dan 27 jaar (artikel 31 lid 5 Participatiewet). In de praktijk doet zich soms de situatie voor dat de minstverdienende partner in het buitenland verblijft en alleen over een buitenlandse bankrekening beschikt. Hij kan in dat geval zijn heffingskorting laten overmaken aan zijn in Nederland verblijvende belastingplichtige partner (overmaken naar het buitenland is sinds 2002 echter ook mogelijk). Indien die partner in Nederland bijstand ontvangt als alleenstaande of alleenstaande ouder dan is de vraag of de heffingskorting van de buitenlandse partner gekort moet worden. Het antwoord luidt als volgt: De heffingskorting voor een in het buitenland verblijvende persoon die aan een in Nederland verblijvende bijstandsgerechtigde partner wordt uitbetaald, komt toe aan de in het buitenland verblijvende persoon en kan derhalve niet op de bijstandsuitkering voor een alleenstaande of alleenstaande ouder worden gekort. Dit volgt uit artikel 32 lid 4 Participatiewet. Deze praktijkregel – dat de heffingskorting van een buitenlandse partner niet op de bijstand wordt gekort – blijft ook onder de Participatiewet in Balans van kracht. Gemeenten moeten dit blijven toepassen. Gemeentelijk beleid inzake heffingskortingen Op grond van artikel 19 lid 2 Participatiewet is de hoogte van bijstandsuitkering het verschil tussen het inkomen en de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Artikel 31 lid 1 Participatiewet jo. artikel 32 lid 1 onderdeel a Participatiewet bepaalt dat een teruggave en een voorlopige teruggave van inkomstenbelasting in verband met de toepasselijke heffingskorting van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geldt als inkomen. Gezien het feit dat artikel 31 lid 1 Participatiewet niet alleen ziet op middelen waarover daadwerkelijk wordt beschikt, maar ook op middelen waarover redelijkerwijs beschikt kan worden, betekent dit dat indien belanghebbende geen (voorlopige) teruggave aanvraagt het college de daardoor niet ontvangen heffingskorting toch als inkomen in aanmerking neemt. Vanwege het bepaalde in artikel 31 lid 2 onderdeel c Participatiewet wordt de jonggehandicaptenkorting niet tot de middelen gerekend en is dus geen in aanmerking te nemen inkomen. Deze vrijlating geldt niet voor personen jonger dan 27 jaar (artikel 31 lid 7 Participatiewet). Op grond van artikel 55 Participatiewet kan het college belanghebbende verplichten om, indien hij daar recht op heeft, een aanvraag voor (voorlopige) teruggave in te dienen. Hierdoor wordt de bijstand immers verminderd. Indien belanghebbende deze verplichting schendt, kan het college, mits de afstemmingsverordening daarin voor ziet, het recht op bijstand verlagen. Uiteraard komt een verplichting om een voorlopige teruggave aan te vragen niet meer aan de orde als het college reeds heeft geoordeeld dat het bedrag aan voorlopige teruggave beschouwd kan worden als middelen waarover belanghebbende redelijkerwijze kan beschikken en dit bedrag reeds heeft gekort op de uitkering van belanghebbende. De ontvangst van de teruggave leidt in dat geval immers niet tot een verminderde behoefte aan bijstand. NB: de heffingskorting geldt alleen maar als inkomen voor zover deze betrekking heeft op een periode waarin bijstand wordt ontvangen (artikel 32 lid 1 onderdeel b Participatiewet). De kan-bepaling in artikel 55 blijft in de Participatiewet in Balans bestaan: het college kan belanghebbende verplichten om een aanvraag voor (voorlopige) teruggave in te dienen als hij daar recht op heeft. Het doel blijft hetzelfde: vermindering van de bijstand door benutting van voorliggende voorzieningen. Er is dus geen inhoudelijke wijziging in de Participatiewet in Balans die deze verplichting opheft of fundamenteel verandert. Gemeenten kunnen dit dus blijven opleggen. Nieuwkomers algemene heffingskorting verplichting opleggen tot belastingaangifte Nieuwkomers die een bijstandsuitkering ontvangen, kunnen via de belastingaangifte recht hebben op (een deel van) de algemene heffingskorting. De vraag is of je hen verplicht kunt stellen om aangifte te doen. En zo ja, is het opportuun nieuwkomers deze verplichting op te leggen? Volgens de Belastingdienst geldt: Iedereen die een bijstandsuitkering ontvangt, moet aangifte doen als de Belastingdienst daarom vraagt (via een aangiftebrief) Ook zonder uitnodiging kan men verplicht zijn om aangifte te doen, bijvoorbeeld als men weet dat er meer dan €45 moet worden bijbetaald Als iemand geen andere inkomsten heeft en het hele jaar bijstand ontving, is aangifte niet verplicht, tenzij er sprake is van aftrekposten of recht op teruggave Waarom aangifte doen toch zinvol is: Nieuwkomers kunnen via de aangifte heffingskortingen claimen waar de uitkeringsinstantie geen rekening mee houdt. Dit kan leiden tot belastingteruggave, wat financieel voordelig is. Gemeenten en SVB houden loonbelasting in op bijstandsuitkeringen, waardoor er vaak recht is op teruggave. Kun je aangifte verplichten? Artikel 55 luidt in essentie: “Naast de verplichtingen die ingevolge hoofdstuk 2 in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan wel daaraan door het college verbonden worden, kan het college verplichtingen opleggen die: strekken tot arbeidsinschakeling, verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand, of strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand.” Pro: Als de belastingaangifte aantoonbaar leidt tot een lagere bijstandsbehoefte, zou het opleggen van deze verplichting verdedigbaar zijn. Contra: De belastingaangifte is een bevoegdheid van de Belastingdienst, en het afdwingen daarvan door de gemeente kan worden gezien als een overschrijding van bevoegdheden. Bestuurlijke afweging Uit een analyse van Berenschot in opdracht van de VNG blijkt dat gemeenten al kampen met structurele tekorten op de uitvoering van de Participatiewet. In 2026 wordt een tekort van €86 miljoen verwacht voor de begeleiding van de nieuwe doelgroep. De gemiddelde kosten voor begeleiding van een persoon uit de nieuwe doelgroep liggen tussen de €6.500 en €11.000 per jaar. Daartegenover staat: De gemiddelde belastingteruggave via de algemene heffingskorting voor mensen zonder ander inkomen ligt vaak tussen de €500 en €2.500 per jaar. De uitvoering van een verplichting tot belastingaangifte vereist voorlichting, begeleiding, mogelijk tolken, en samenwerking met de Belastingdienst. Ja, je kunt het opleggen. Maar of het verstandig is, hangt af van: De doelgroep: zijn het mensen die zelfstandig aangifte kunnen doen of is intensieve begeleiding nodig? De verwachting is dat deze mensen geen zelfstandig aangifte kunnen doen en er dus intensieve begeleiding vanuit de gemeente nodig zal zijn. De uitvoeringscapaciteit: heeft de gemeente voldoende mensen en middelen? Gelet op alle ontwikkeling in de sociale zekerheid (Participatiewet in Balans, wetsvoorstel maatwerk terugvordering etc.), staat de personele capaciteit al behoorlijk onder druk. Deze exercitie zal de druk op de ambtelijk capaciteit die al groot is alleen maar doen toenemen. De verwachte opbrengst: is de belastingteruggave substantieel genoeg om de uitvoeringskosten te rechtvaardigen? De verwachting is dat de uitvoeringskosten gelijk of misschien wel hoger zullen zijn dan de verwachte baten. Besluit Na alle belangen tegen elkaar te hebben afgewogen wordt het niet opportuun geacht om nieuwkomers te verplichten belastingaangifte te doen. 1.18.Tegemoetkoming jonggehandicapten op grond van de Wajong Wajong’ers onder de 21 jaar ontvangen een tegemoetkoming. De tegemoetkoming is een aanvulling op de inkomensvoorziening of de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit is geregeld in artikel 1a:12 lid 1 onderdeel f Wajong, artikel 2:52 Wajong, artikel 3:10 Wajong en de Regeling tegemoetkoming Wajong-ers. De tegemoetkoming wordt uitgevoerd door het UWV. De tegemoetkomingen worden maandelijks verstrekt. Dit samen met de uitkeringen op grond van de Wajong. De tegemoetkoming wordt vrijgelaten bij het vaststellen van het recht op en de hoogte van de algemene bijstand (artikel 31 lid 2 onderdeel q Participatiewet). Of deze tegemoetkoming tevens een vrijgelaten middel is als het gaat om de draagkracht bij de bijzondere bijstand hangt van het gemeentelijk beleid. NB Volgens het bijzondere bijstandsbeleid van de gemeente Hollands Kroon wordt deze tegemoetkoming vrijgelaten. Hoogte vrijlating De jonggehandicapte die op 1 januari van een kalenderjaar de leeftijd van 18, 19 of 20 jaar heeft bereikt, heeft met ingang van 1 januari van dat jaar gedurende dat jaar recht op een maandelijkse tegemoetkoming. Met ingang van 1 januari 2025 bedraagt de bruto tegemoetkoming bedraagt per maand: voor een 18-jarige: € 23,21; voor een 19-jarige: € 22,29; voor een 20-jarige: € 13,37. Participatiewet in Balans Uit de beschikbare informatie blijkt dat de tegemoetkoming voor Wajong-gerechtigden onder de 21 jaar zoals geregeld in: artikel 1a:12 lid 1 onderdeel f Wajong, artikel 2:52 en 3:10 Wajong, en de Regeling tegemoetkoming Wajongers niet is gewijzigd onder de nieuwe Participatiewet in balans. 1.19.Tegemoetkoming Anw Een tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 29a Anw moet worden vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel p Participatiewet. Mensen met een nabestaandenuitkering of met een wezenuitkering kunnen een tegemoetkoming ontvangen. Deze tegemoetkoming vult de nabestaandenuitkering en de wezenuitkering aan. Dit is geregeld in artikel 29a Anw. Regels over de hoogte, de indexering en de wijze van betaling van de tegemoetkoming staan in het Besluit tegemoetkoming Anw’ers . De tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 29a Anw wordt vrijgelaten voor de algemene bijstand (artikel 31 lid 2 onderdeel p Participatiewet). Of deze tegemoetkoming tevens een vrijgelaten middel is als het gaat om de draagkracht bij de bijzondere bijstand hangt af van het gemeentelijk beleid. NB Volgens het bijzondere bijstandsbeleid van de gemeente Hollands Kroon wordt deze tegemoetkoming vrijgelaten. Hoogte vrijlating De tegemoetkoming bedraagt vanaf 1 januari 2025 € 21,16 per maand per uitkeringsgerechtigde (artikel 2 lid 1 Besluit tegemoetkoming Anw’ers). Dit resulteert in een netto hoger bedrag van € 13,75 per maand. De betaling van de tegemoetkoming geschiedt maandelijks tezamen met de betaling van de nabestaandenuitkering en de wezenuitkering (artikel 3 Besluit tegemoetkoming Anw’ers). Participatiewet in Balans De tegemoetkoming op grond van artikel 29a Anw blijft vrijgelaten bij de toepassing van de Participatiewet, ook onder de nieuwe Participatiewet in balans. Er is geen inhoudelijke wijziging doorgevoerd op dit punt. 1.20.Uitkering voor levensonderhoud voor personen jonger dan 21 jaar Een uitkering voor levensonderhoud die een belanghebbende jonger dan 21 jaar van zijn ouder(
- s)ontvangt op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan worden vrijgelaten. Dit is de verplichte ouderlijke onderhoudsbijdrage. Vrijlaten is alleen mogelijk als deze uitkering op grond van artikel 12 Participatiewet al is meegenomen bij het bepalen van het recht op bijzondere bijstand voor het levensonderhoud. Dit volgt uit artikel 31 lid 2 onderdeel v Participatiewet). Bijzondere bijstand op grond van artikel 12 Participatiewet is voor jongeren van 18 t/m 20 jaar onder omstandigheden mogelijk om de (lagere jongerennorm aan te vullen. Bijzondere bijstand voor levensonderhoud is mogelijk als de noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongere uitgaan boven de bijstandsnorm. En hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat: de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders niet te gelde kan maken. Denk aan ouders die onvindbaar of niet bereikbaar zijn. Denk ook aan de situatie waarin de relatie tussen ouders en kind ernstig verstoord is. Participatiewet in Balans Vanaf 1 januari 2026 verandert de manier waarop jongeren tussen de 18 en 21 jaar ondersteuning krijgen via de bijstand. Deze wijziging is onderdeel van de Participatiewet in Balans en zorgt voor meer gelijkheid en duidelijkheid. Wat verandert er? Jongeren van 18 tot en met 20 jaar die geen financiële steun van hun ouders kunnen krijgen, krijgen voortaan een aanvullende bijstandsuitkering van € 634 per maand. Deze aanvulling wordt voortaan via de algemene bijstand verstrekt, en niet meer via bijzondere bijstand. De totaal ontvangen bijstand mag niet hoger zijn dan de bijstandsnorm voor een 21-jarige in dezelfde situatie. Ook in de nieuwe wetgeving geldt dat een jongere in aanmerking voor de aanvulling van € 634 als: Hij geen beroep kan doen op zijn ouders, bijvoorbeeld omdat zij onvoldoende inkomen hebben. Of als hij redelijkerwijs geen onderhoudsrecht tegenover je ouders kan afdwingen (bijvoorbeeld bij een verstoorde relatie). Aan artikel 20 van de Participatiewet zijn twee leden toegevoegd, namelijk lid 3 en lid 4. Onderhoudsbijdrage = inkomen Artikel 31 lid 2 onderdeel v Participatiewet is te beschouwen als de uitzondering op de hoofdregel. Alleen dan wordt een bijdrage in het levensonderhoud niet als middel aangemerkt. In de Participatiewet in Balans blijft artikel 31 lid 2 sub v grotendeels hetzelfde qua strekking, maar er is geen inhoudelijke wijziging aangekondigd voor dit onderdeel. Het blijft dus: “een uitkering tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die de belanghebbende jonger dan 21 jaar van zijn ou