← Nederland

Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland houdende regels voor ruimte Regels Ruimte voor Gelderland 2016 (Gelderland)

In het kort

Deze regeling van Gedeputeerde Staten van Gelderland stelt regels vast voor subsidies die betrekking hebben op "Ruimte voor Gelderland", met name gericht op de aanvraag, de beoordeling en de berekening van subsidiabele kosten.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst
Obsah (4)Artikel 1Artikel 2Artikel 3Artikel 4

Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland houdende regels voor ruimte Regels Ruimte voor Gelderland 2016GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND Gelet op artikel 3, zesde lid, van de Algem

Paragraaf 1.

Artikel 1

.1.1 Algemene begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 (PbEU van de Europese Commissie van 17 juni 2014; AsG: Algemene subsidieverordening Gelderland 2016; controleprotocol: instructie aan de subsidieontvanger voor het geven van aanwijzingen voor de reikwijdte en de intensiteit van de accountantscontrole; directe arbeidskosten: een vergoeding voor de inzet van gewerkte uren van personeel niet in loondienst, niet zijnde kosten van derden; directe loonkosten: het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of 13e maand, de werkgeverslasten (werkgeversdeel pensioenpremie, WW-premie, WIA/WAO-premie en bijdrage Zorgverzekeringswet) en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen; indirecte kosten: het totaal van indirecte loonkosten en kosten voor overhead; indirecte loonkosten: het totaal van de kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden en de kosten van emolumenten; kerntaken: kerntaken als bedoeld in het Coalitieakkoord Gelderland 2015-2019 “Ruimte voor Gelderland” d.d. 20 april 2015; kosten van apparatuur: gebruikskosten van bestaande apparatuur of van apparatuur die niet speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit; kosten van apparatuur die speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit; kosten van derden: de kosten voor uitbesteding van diensten en het inlenen van personeel; kosten van materialen: de kosten voor verbruiksgoederen; Landbouw groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de EuropeseCommissie van 25 juni 2014 (Pb EU L 193); onafhankelijk taxateur: erkend taxateur die op onafhankelijke wijze de marktwaarde van een onroerend goed vaststelt op grond van algemeen aanvaarde waarderingsmethoden; publiekrechtelijke rechtspersoon: rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; rechtspersoon met een wettelijke taak: rechtspersoon voor zover die een bij of krachtens de wet geregelde taak uitoefenen en daartoe geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen. Artikel 1.1.2 Toepassingsbereik Hoofdstuk 1 is ook van toepassing op andere besluiten omtrent subsidie voor het nemen waarvan Gedeputeerde Staten bevoegd zijn dan de besluiten die worden genomen met toepassing van de hoofdstukken 2 tot en met

  1. Paragraaf 1.2 De aanvraag Artikel 1.2.1 Tijdvak voor aanvragen Gedeputeerde Staten kunnen een tijdvak vaststellen waarbinnen aanvragen om subsidie kunnen worden ingediend. Artikel 1.2.2 Indieningstermijn bij verdeelplan Voor subsidie die wordt verleend op basis van een krachtens wettelijk voorschrift vastgesteld verdeelplan waarin tenminste de subsidieontvangers en de te ontvangen subsidiebedragen worden genoemd, wordt de aanvraag om subsidie in afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG uiterlijk zes maanden nadat het verdeelplan is vastgesteld ingediend. Artikel 1.2.3 Inhoud van aanvraag om subsidie 1 Bij de aanvraag om subsidie worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee beoogde doelstellingen; een begroting van de opbrengsten en kosten voor de activiteiten, voorzien van een toelichting; indien de activiteiten een tijdvak van meer dan 12 maanden beslaan: een planning van de uitvoering van de activiteiten in de eerste 12 maanden en de daaraan verbonden kosten, alsmede een planning voor het resterende deel van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd; indien de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is: zijn statuten; en indien de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is: de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel de balans en de staat van opbrengsten en kosten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van indiening van de aanvraag. 2 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het eerste lid, onderdelen d en e. 3 Gedeputeerde Staten kunnen een schriftelijke verklaring vragen van een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omtrent de getrouwheid van de in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde bescheiden dan wel een mededeling dat van onjuistheden niet is gebleken. 4 Indien voor dezelfde activiteiten tevens subsidie is aangevraagd bij een ander bestuursorgaan, doet de aanvrager daarvan mededeling in de aanvraag. Artikel 1.2.4 Boekjaarsubsidies 1 De aanvraag om een subsidie voor een boekjaar wordt ingediend voor 1 april van het jaar dat voorafgaat aan het boekjaar. 2 Indien voor het jaar voorafgaand aan het boekjaar reeds subsidie werd verkregen, kan de aanvraag tot en met 30 september worden ingediend. 3 Gedeputeerde Staten beslissen uiterlijk binnen 13 weken na ontvangst van de aanvang. Artikel 1.2.5 Ontvangstbevestiging Gedeputeerde Staten zenden de aanvrager zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag een ontvangstbevestiging, waarin de ontvangstdatum is vermeld. Paragraaf 1.3 Beslissing op de aanvraag Artikel 1.3.1 Directe vaststelling bij subsidies tot € 25.000 1 Bij een subsidie tot € 25.000 wordt geen verleningsbesluit genomen. 2 Indien sprake is van subsidieverstrekking onder opschortende voorwaarde als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de AsG wordt in het verleningsbesluit aangegeven binnen welke termijn de activiteit wordt uitgevoerd. 3 Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid bevat het verleningsbesluit tevens de datum waarop de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld. Artikel 1.3.2 Wijze van verdeling 1 Bij het verlenen van subsidie wordt de volgorde in acht genomen waarin de aanvragen om subsidie zijn ingediend. Een aanvraag wordt slechts in de volgorde opgenomen indien zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld. 2 Indien als gevolg van het verlenen van subsidie op grond van een aanvraag die is ingediend op een dag waarop meerdere aanvragen zijn ingediend het subsidieplafond zou worden bereikt, wordt de volgorde als bedoeld in het eerste lid bepaald door loting. 3 Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aanvragen op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde worden geplaatst. 4 Op aanvragen die voor een bepaalde datum moeten worden ingediend en die op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde worden geplaatst, wordt in afwijking van het eerste lid beslist op volgorde van die rangorde. 5 Bij de toepassing van het derde en vierde lid wordt onder aanvraag verstaan een aanvraag die voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld. 6 Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het vierde lid weigeren indien die niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Artikel 1.3.3 Communautair toetsingskader
  2. Indien de verstrekking van subsidie als een steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het VwEU moet worden aangemerkt en er geen andere staatssteunoplossing voor handen is, wordt de subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun (PbEU L 352).
  3. Geen subsidie wordt verstrekt indien tegen een subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.
  4. Geen subsidie wordt verstrekt onder toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening of de Landbouw groepsvrijstellingsverordening aan ondernemingen in moeilijkheden als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01). Artikel 1.3.4 Sluitende begroting Een subsidie wordt uitsluitend verstrekt als de begroting van de activiteit sluitend is. Artikel 1.3.5 Niet-subsidiabele kosten 1 Geen subsidie wordt verstrekt in verband met: kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag; kosten die worden gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen; kosten die uit anderen hoofde worden gesubsidieerd; verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten; kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, provinciale leges, boetes en sancties; legeskosten indien de aanvraag wordt gedaan door een bestuursorgaan; kosten van activiteiten die redelijkerwijs kunnen worden gedekt uit de opbrengsten die met de activiteiten verband houden; kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen; kosten van reguliere werkzaamheden van de aanvrager; kosten gemaakt na beëindiging van activiteiten met uitzondering van accountantskosten zoals bedoeld in artikel 27, derde lid, van de AsG; kosten van in natura geleverde diensten en goederen; kosten van personen of organisaties die organisatorisch, economisch of financieel zijn verbonden welke onderling in rekening worden gebracht; fooien, geschenken, gratificaties en bonussen; kosten voor representatie, personeelsactiviteiten, overboekingen, annuleringen en outplacementtrajecten; niet noodzakelijke of bovenmatige kosten. Artikel 1.3.6 Methoden voor berekening van kosten 1 De aanvrager kiest voor het berekenen van de kosten een van de volgende methoden: de vaste uurtariefsystematiek; de loonkosten plus vaste opslagsystematiek; de integrale kostensystematiek. 2 De aanvraag bevat een opgave van de gekozen systematiek. 3 Op verzoek van de aanvrager kunnen Gedeputeerde Staten in afwijking van het eerste lid een andere methode vaststellen. 4 Onverminderd het derde lid worden de subsidiabele kosten berekend op basis van een voor de subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatig toepast. 5 In afwijking van het eerste lid wordt voor publiekrechtelijke rechtspersonen en rechtspersonen met een wettelijke taak de vaste uurtariefsystematiek toegepast, ongeacht of de subsidiabele activiteit tot de wettelijke taak van de rechtspersoon wordt gerekend. 6 Gedeputeerde Staten kunnen voor rechtspersonen als bedoeld in het vijfde lid een andere methode toestaan. Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 1.3.7 Vaste uurtariefsystematiek 1 De kosten bij de vaste uurtariefsystematiek zijn: een vast uurtarief als vergoeding voor de directe loon- en arbeidskosten en de indirecte kosten; kosten van apparatuur; kosten van materialen; kosten van derden. 2 Het vaste uurtarief bedraagt ten hoogste €
  5. 3 Het aantal gewerkte uren moet in de administratie per betrokken medewerker worden vastgelegd en bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.
  6. 4 Het derde lid is niet van toepassing op subsidies waarop artikel 17, tweede lid, van de AsG van toepassing is. Artikel 1.3.8 Loonkosten plus vaste opslagsystematiek 1 De kosten bij de loonkosten plus vaste opslagsystematiek zijn: een uurtarief voor directe loonkosten; een opslag over de directe loonkosten als vergoeding voor de indirecte kosten; een vast uurtarief als vergoeding voor de directe arbeidskosten; kosten van apparatuur; kosten van materialen; kosten van derden. 2 Het uurtarief voor de directe loonkosten word bepaald door de directe loonkosten per betrokken medewerker te delen door 1.600 en bedraagt ten hoogste €
  7. 3 Het vaste uurtarief voor directe arbeidskosten bedraagt ten hoogste €
  8. 4 De opslag voor de indirecte kosten bedraagt ten hoogste 20%. 5 Het aantal gewerkte uren van de betrokken medewerker moet in de administratie met bijhorende loonkosten worden vastgelegd en bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.
  9. 6 Het vijfde lid is niet van toepassing op subsidies waarop artikel 17, tweede lid, van de AsG van toepassing is. Artikel 1.3.9 Berekeningswijzen kosten 1 Bij de toepassing van de artikelen 1.3.7 en 1.3.8 worden de kosten van apparatuur, materialen, loon- en arbeidskosten en kosten van derden, alsmede vergoedingen voor vrijwilligers berekend aan de hand van het tweede tot en met negende lid. 2 De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder i, onderdeel i, worden berekend door het werkelijke gebruik van het apparaat te vermenigvuldigen met het machine-uurtarief. 3 Het machine-uurtarief als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de normale bezetting van het apparaat en de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn. 4 Het werkelijke gebruik van het apparaat wordt vastgelegd in een controleerbare gebruiksadministratie. 5 De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder i, onderdeel ii, worden berekend door middel van lineaire afschrijving van het apparaat. 6 De lineaire afschrijving als bedoeld in het vierde lid wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn. 7 De kosten van materialen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen. 8 De kosten van vergoedingen voor vrijwilligers zijn subsidiabel voor zover: deze aan de vrijwilliger zijn uitbetaald; het aantal gewerkte uren in de administratie met bijhorende vergoeding per vrijwilliger zijn vastgelegd; de hoogte van de vergoeding bedraagt maximaal € 4,50 per uur, met een maximum van € 150 per maand en € 1.500 per jaar. Artikel 1.3.10 Integrale kostensystematiek 1 De kosten bij de integrale kostensystematiek zijn: een tarief voor de directe en indirecte kosten van de voor de uitvoering van de activiteiten ingezette kostendragers; kosten van derden. 2 De kosten per kostendrager als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden berekend in een tarief per eenheid van deze kostendrager. 3 Het tarief als bedoeld in het tweede lid wordt gebaseerd op een positief besluit dat op de datum waarop de aanvraag wordt ingediend niet ouder is dan twee jaar van het Tarieventeam van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten aanzien van de Eigen verklaring integrale kostensystematiek. 4 De kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van dat tarief. Paragraaf 1.4 Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel 1.4.1 Uitvoering van de activiteiten 1 De subsidieontvanger is verplicht om binnen 13 weken na de subsidieverlening dan wel, ingeval van subsidie die zonder voorafgaande subsidieverlening direct wordt vastgesteld, binnen 13 weken na de subsidievaststelling te beginnen met de uitvoering van de activiteiten. 2 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het eerste lid. 3 De subsidieontvanger is verplicht alle op de activiteit betrekking hebbende bewijsstukken gedurende ten minste vijf jaren na afronding van de activiteit te bewaren. Artikel 1.4.2 Administratie bij subsidies vanaf € 125.000 1 De subsidieontvanger is verplicht bij subsidieverstrekking vanaf € 125.000 een administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden kosten en inkomsten. 2 Het voeren van een administratie als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat: alle ontvangsten en kosten in de administratie zijn vastgelegd met onderliggende bewijsstukken; bewijsstukken, als onderdeel van de administratie, aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en dat daaruit de aard en hoeveelheid van de geleverde goederen en diensten blijkt, en uit de urenregistratie blijkt dat de gedeclareerde mensuren daadwerkelijk zijn gemaakt en rechtstreeks toe te rekenen zijn aan het project waarvoor de subsidie is verleend. 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG is voorgeschreven. Artikel 1.4.3 Voortgangsrapportage Als een subsidie boven € 25.000 niet binnen een jaar na de subsidieverlening wordt vastgesteld, kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger, zolang de subsidie niet is vastgesteld, eenmaal per jaar verplichten om een voortgangsrapportage over te leggen. Artikel 1.4.4 Verrichten van activiteiten 1 De subsidieontvanger is verplicht om de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen dat de inkomsten of de uitgaven afwijken van de begroting, dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig, niet geheel of gewijzigd zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. 2 De subsidieontvanger is verplicht om op eerste verzoek van Gedeputeerde Staten door het overleggen van bewijsstukken aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel 1.4.5 Vervreemding van goederen en rechten 1 De subsidieontvanger is gehouden, indien met subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na de subsidievaststelling worden vervreemd of anderszins aan derden ter beschikking worden gesteld, Gedeputeerde Staten hiervan in kennis te stellen en de verstrekte subsidie terug te betalen, tenzij anders bepaald. 2 Gedeputeerde Staten stellen het bedrag van de terug te betalen subsidie vast binnen dertien weken nadat zij kennis hebben gekregen van de omstandigheid bedoeld in het vorige lid. 3 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting de subsidie terug te betalen. Artikel 1.4.6 Vermogensvorming 1 De hoogte van de vergoeding voor vermogensvorming als bedoeld in artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de subsidieontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte van zijn totale opbrengsten dat gedurende de laatste tien jaar door de subsidie is gevormd. 2 Bij de bepaling van de waarde van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen. 3 De waarde van onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun waarde in het economisch verkeer, die van de roerende goederen op basis van hun boekwaarde. De geldmiddelen, waaronder begrepen banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde. 4 De waarde van onroerende goederen wordt voor rekening van de provincie vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen die daartoe door Gedeputeerde Staten in overeenstemming met de subsidieontvanger worden aangewezen. 5 Indien minder dan tien achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt, wordt de vergoeding berekend op basis van het aantal jaren gedurende welke subsidie is verstrekt. 6 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van subsidieontvanger beslissen dat geen vergoeding verschuldigd is indien: de activiteiten door een ander worden overgenomen; de realisatie van de doelstelling niet in gevaar komt; en de activa en passiva tegen boekwaarde, bepaald op grond van historische kostprijs, worden overgenomen door de rechtsopvolger. Artikel 1.4.7 In stand houden resultaten 1 De subsidieontvanger houdt gedurende ten minste vijf jaren na de uitvoering van de activiteiten ten behoeve waarvan de subsidie is verleend, of zolang als in de beschikking tot verlening van de subsidie is bepaald, de resultaten van de activiteiten in stand, tenzij de aard van de activiteiten zich daartegen verzet. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op subsidies als bedoeld in artikel 1.3.
  10. Paragraaf 1.5 Vaststelling Artikel 1.5.1 Vaststelling van subsidies tussen € 25.000 tot € 125.000 De subsidieontvanger geeft in de verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG aan: of de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting; of aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; wat het totaal van de subsidiabele kosten is; in voorkomend geval wat de stand van de egalisatiereserve is; wat het totaal van de opbrengsten is, inclusief bijdragen van derden is; en wat het totaal van de eigen bijdragen is. Artikel 1.5.2 Vaststelling door middel van jaarrekening bij subsidies boven € 125.000 1 Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 27, tweede lid, van de AsG gaat de aanvraag om vaststelling van de subsidie, onverminderd artikel 27, eerste, derde en vierde lid van de AsG, vergezeld van: de jaarrekening waarin de subsidie separaat wordt verantwoord; het jaarverslag; en de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen die in ieder geval strekken tot de verantwoording van onderdeel a. 2 Uit accountantsverklaring moet blijken dat het controleprotocol is toegepast. 3 De aanvraag om vaststelling als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk vier weken na het verschijnen van de jaarrekening van het jaar waarin de activiteiten zijn geëindigd. Artikel 1.5.3 Vaststelling van subsidies bij bijzonder programma 1 In afwijking van artikel 1.5.2 wordt de eindverantwoording van een subsidie op grond van artikel 12 van de AsG voorzien van een accountantsverklaring, waaruit blijkt dat het controleprotocol is toegepast. 2 In afwijking van artikel 1.5.2 kunnen gemeenten, waterschappen en rechtspersonen die zijn ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen de eindverantwoording als bijlage bij de jaarrekening opnemen onder de voorwaarden dat: de verklaring van de accountant mede strekt tot de verantwoording in de bijlage; de gehele jaarrekening en het jaarverslag worden meegezonden; het verslag van bevindingen wordt bijgevoegd, waarin de accountant een verwijzing opgenomen heeft dat de controle is uitgevoerd met inachtneming van het controleprotocol; of indien een dergelijk verslag niet door de accountant is afgegeven een mededeling van de accountant dat gecontroleerd is met inachtneming van het controleprotocol. 3 Het tweede lid is niet van toepassing op subsidies tot € 125.
  11. 4 De aanvraag om vaststelling als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk 12 maanden nadat de activiteiten zijn uitgevoerd. Paragraaf 1.6 Overige bepalingen Artikel 1.6.1 Waarderingssubsidies In afwijking van artikel 5, tweede lid, van de AsG kan waarderingssubsidie worden verstrekt aan natuurlijke personen. Artikel 1.6.2 Cofinanciering EFRO Indien subsidie wordt verstrekt als provinciale cofinanciering bij een subsidie op grond van de Uitvoeringswet EFRO, is in afwijking van artikelen 5, eerste lid, 7, 8, 9, eerste lid, 14, 17, tweede lid, 20, derde lid, 21, 29, 31 en paragraaf 7 van de AsG het bepaalde bij of krachtens de Uitvoeringswet EFRO van toepassing. Hoofdstuk 2 Duurzame ruimtelijke ontwikkeling en waterbeheer Paragraaf 2.

Artikel 2

.1.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: Beleef de Waal: het deelproject van het Uitvoeringsprogramma WaalWeelde 2013-2017 zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 5 maart 2013; collectief: een groep natuurlijke personen die zich verenigd hebben in een rechtspersoon die beoogt hun belangen in een CPO-woningbouwproject te behartigen; CPO: Collectief Particulier Opdrachtgeverschap; CPO-woningbouwproject: de realisatie door een collectief van minimaal 3 woningen waarin de leden van het collectief gaan wonen; waterliniefort: een van de navolgende objecten: Complex Fort bij Asperen; Complex Fort aan de Nieuwe Steeg; Complex Fort bij Vuren; Complex Werk op de Spoorweg bij de Diefdijk; Complex Batterij onder Poederoijen; Complex Batterij onder Brakel; Complex Fort Everdingen; knooppunt in de recreatieve infrastructuur: een plaats bij een veerverbinding over de Boven-Rijn, het Bijlandsch Kanaal of de Waal waar wandel- en fietsroutes en struinpaden samenkomen en die bereikbaar is met de auto; samenwerking “Rondje Pontje”: een samenwerkingsverband van ondernemers en initiatiefnemers rond twee pontjes en de routes daartussen op de beide oevers van de Waal; vertierplek: plek aan de Waal die met minimale aanpassingen zodanig is ingericht dat er toegang is tot de oever en gelegenheid om aan het water te recreëren; WaalWeeldegebied: het gebied omvattende het grondgebied van de gemeenten Beuningen, Druten, Lingewaal, Lingewaard, Maasdriel, Millingen a/d Rijn, Neerijnen, Neder- Betuwe, Nijmegen, Overbetuwe, Rijnwaarden, Tiel, Ubbergen, West Maas en Waal en Zaltbommel. Paragraaf 2.2 Ontwikkeling forten Artikel 2.2.1 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: de restauratie of voorbereiding van de restauratie van een waterliniefort; de modernisering of fysieke verbetering dan wel de voorbereiding van de modernisering of fysieke verbetering van de infrastructuur behorend bij een waterliniefort. Artikel 2.2.2 Criteria 1 Subsidie als bedoeld in artikel 3.2.1, onder a, wordt slechts verstrekt indien: de wijze van uitvoering van de werkzaamheden voldoet aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden; en de werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een leerlingbouwplaats of opleidingsplaats voor leerlingen in de restauratiebouw. 2 Subsidie als bedoeld in artikel 3.2.1, onder b, wordt slechts verstrekt indien jaarlijks ten minste 80% van de tijd- of ruimtecapaciteit van de infrastructuur behorend bij een waterliniefort voor culturele doeleinden wordt gebruikt. Artikel 2.2.3 Aanvrager 1 Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van een waterliniefort. 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel 2.2.4 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste: 80% van de kosten met een maximum van € 1.000.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1 ten behoeve van de waterlinieforten genoemd in artikel 2.1.1, onder d, onderdelen i tot en met vi; 50% van de kosten met een maximum van € 1.000.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1 ten behoeve van het waterliniefort genoemd in artikel 2.1.1, onder d, onderdeel vii, met uitzondering van monumentnummers 531684, 531664 en

  1. Artikel 2.2.5 Communautair toetsingskader In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.2.1 slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 53 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening Paragraaf 2.3 Gebiedsontwikkeling Artikel 2.3.1 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de voorbereiding of uitvoering van werkzaamheden waarmee: een cultuurhistorisch object wordt gerestaureerd; bewegwijzering of straatmeubilair wordt aangeschaft en geplaatst; informatiepanelen worden aangeschaft en geplaatst; straatverlichting wordt aangeschaft en geplaatst; wandel- of rolstoelpaden worden aangelegd of aangepast; aanleg of aanpassingen worden gerealiseerd van parkeerplaatsen; landschappelijke of bouwkundige aanpassingen worden gerealiseerd ten gunste van het overwinteren, het zwermen of migreren van vleermuizen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Artikel 2.3.2 Criteria 1 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder a, wordt slechts verstrekt indien: de wijze van uitvoering van de werkzaamheden voldoet aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden; en de werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een leerlingbouwplaats of opleidingsplaats voor leerlingen in de restauratiebouw. 2 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder b, wordt slechts verstrekt indien: 3 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder c, wordt slechts verstrekt indien: de informatiepanelen worden geplaatst op openbaar terrein in de Nieuwe Hollandse Waterlinie; de informatiepanelen worden geproduceerd in de vormgeving zoals ontwikkeld voor het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie; en de informatiepanelen bevatten informatie over het historische, militaire systeem de Nieuwe Hollandse Waterlinie. 4 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder d, wordt slechts verstrekt indien: de straatverlichting wordt geplaatst op openbaar terrein aan de Diefdijk in de gemeenten Vianen en Leerdam, de Meerdijk, de Nieuwe Zuiderlingedijk of de Zuiderlingedijk in de gemeente Lingewaal; en de straatverlichting wordt geproduceerd in de vormgeving zoals ontwikkeld voor het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie. 5 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder e, wordt slechts verstrekt indien: de wandel- of rolstoelpaden openbaar toegankelijk zijn; en de wandel- of rolstoelpaden leiden naar een cultuurhistorisch object of vormen een aaneengesloten route om een cultuurhistorisch object. 6 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder f, wordt slechts verstrekt indien: de parkeerplaatsen openbaar toegankelijk zijn; en de ingang van de parkeerplaatsen is gelegen op een afstand van minder dan 200 meter van objecten die zijn aangewezen als Rijksmonumenten en die een functie hadden in de militaire werking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Artikel 2.3.3 Aanvrager 1 Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.1, onder a en g, wordt verstrekt aan de eigenaar van het cultuurhistorisch object. 2 Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.1, onder b tot en met f, wordt verstrekt aan de eigenaar van het terrein waarop de werkzaamheden plaatsvinden of de materialen worden geplaatst. 3 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel 2.3.4 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de kosten met een maximum van € 200.
  2. Artikel 2.3.5 Communautair toetsingskader In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder a, e en f, slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 53 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Paragraaf 2.4 Collectief Particulier Opdrachtgeverschap Artikel 2.4.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het opstellen van een projectplan voor de realisatie van een CPO-woningbouwproject, waarin een conclusie over de haalbaarheid is opgenomen en waar in ieder geval uit blijkt dat het collectief een vrije keuze heeft in de opdrachtverlening aan externe partijen in het bouwproces en een doorslaggevende stem heeft in het ontwerp- en bouwproces van een CPO-woningbouwproject, met inbegrip van de procesbegeleiding; of het opstellen van een programma van eisen, een voorlopig ontwerp, een definitief ontwerp en een bestek, voor het realiseren van een CPO-woningbouwproject, met inbegrip van de procesbegeleiding. Artikel 2.4.2 Criteria
  3. Subsidie wordt slechts verstrekt indien: het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente verklaard heeft geen bezwaar te hebben tegen de realisering van het CPO-woningbouwproject op de betreffende locatie; en de procesbegeleiding wordt uitgevoerd door een onafhankelijke begeleider met ervaring in procesbegeleiding.
  4. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder a, slechts verstrekt indien de eigenaar van de grond waarop of het gebouw waarin het CPO-woningbouwproject wordt gerealiseerd, de intentie heeft deze respectievelijk dit aan de leden van het collectief te verkopen of te verhuren.
  5. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder b, slechts verstrekt indien: er een projectplan is waarin een conclusie over de haalbaarheid van het CPO-woningbouwproject is opgenomen en waar in ieder geval uit blijkt dat het collectief een vrije keuze heeft in de opdrachtverlening aan externe partijen in het bouwproces en een doorslaggevende stem heeft in het ontwerp- en bouwproces van een CPO-woningbouwproject; voor de individuele leden van het collectief een financieringstoets door een bank is uitgevoerd waaruit blijkt dat zij over voldoende financiële middelen beschikken voor de realisering van het CPO-woningbouwproject; de gemiddelde stichtingskosten van de woningen binnen een CPO-woningbouwproject, indien sprake is van nieuwbouw, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie ligt; de gemiddelde stichtingskosten van de woningen binnen een CPO-woningbouwproject, indien sprake is van bestaande bouw of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie vermeerderd met €30.000 ligt; en de eigenaar van de grond waarop of het gebouw waarin het CPO-woningbouwproject wordt gerealiseerd de intentie heeft deze respectievelijk dit aan de leden van het collectief te verkopen. Artikel 2.4.3 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan een collectief. Artikel 2.4.4 Aanvraag
  6. Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag de volgende gegevens verstrekt: een verklaring van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente dat het geen bezwaar heeft tegen de realisering van het CPO-woningbouwproject op de betreffende locatie; een verklaring van de eigenaar van de grond waarop of het gebouw waarin het CPO-woningbouwproject wordt gerealiseerd, waaruit blijkt dat hij de intentie heeft de grond of het gebouw te verkopen of te verhuren aan de leden van het collectief; en een lijst van deelnemers aan het collectief.
  7. Onverminderd artikel 1.2.3 en het eerste lid worden bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder b, de volgende gegevens verstrekt: een projectplan waaruit de haalbaarheid van het CPO-woningbouwproject blijkt; een opgave van het aantal te realiseren woningen; een overzicht waaruit blijkt dat de maximale koopprijs van de woningen binnen een CPO-woningbouwproject, indien het nieuwbouw betreft, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie ligt; een overzicht waaruit blijkt dat de gemiddelde maximale koopprijs van de woningen binnen een CPO-woningbouwproject, indien sprake is van bestaande bouw of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie vermeerderd met €30.000 ligt; een verklaring van het collectief dat iedere deelnemer een toets heeft ingeleverd waaruit blijkt dat zij over voldoende financiële middelen beschikken voor de realisering van het CPO-woningbouwproject; en een beschrijving van de wijze waarop de lening afgelost gaat worden. Artikel 2.4.5 Hoogte van de subsidie
  8. De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder a, bedraagt maximaal 50% van de kosten en ten hoogste: €1.000 per woning tot een maximum van €10.000 per CPO-woningbouwproject indien het nieuwbouw betreft; €1.250 per woning tot een maximum van €12.500 per CPO-woningbouwproject indien het bestaande bouw betreft of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw.
  9. De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder b, wordt verstrekt in de vorm van een renteloze lening, met een looptijd van maximaal twee jaar, voor een bedrag van maximaal 65% van de kosten en ten hoogste: €7.500 per woning tot een maximum van €150.000 per CPO-woningbouwproject indien het nieuwbouw betreft; €10.000 per woning tot een maximum van €200.000 per CPO-woningbouwproject indien het bestaande bouw betreft of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw. Artikel 2.4.6 Verplichtingen
  10. Het projectplan als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder a, dient binnen één jaar na het verlenen van de subsidie te zijn voltooid en na voltooiing binnen een maand aan de provincie te worden overlegd.
  11. Met betrekking tot de subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder b, is de ontvanger verplicht: binnen twee jaar na het verlenen van de subsidie, te starten met de bouw van het CPO-woningbouwproject en dit zo snel mogelijk te melden aan de provincie; de lening af te lossen op het moment dat wordt gestart met de bouw van het CPO-woningbouwproject dan wel, indien niet tijdig wordt gestart met de bouw, uiterlijk twee jaar na het verlenen van de subsidie; binnen drie jaar na het verlenen van de subsidie het CPO-woningbouwproject te hebben voltooid.
  12. Gedeputerde Staten kunnen op aanvraag de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen verlengen. Artikel 2.4.7 Weigeringsgronden De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder b, wordt geweigerd indien niet is gebleken dat de realisering van het CPO-woningbouwproject haalbaar is. Paragraaf 2.5 Beleef de Waal Artikel 2.5.1 Subsidiabele activiteiten 1 Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: de voorbereiding van de aanleg en de realisatie van vertierplekken en veerstoepen en de ontwikkeling, productie en plaatsing van informatievoorzieningen; de ontwikkeling van producten en arrangementen op het gebied van duurzaam toerisme; het opzetten en ontwikkelen van de samenwerking “Rondje Pontje”; het ontwikkelen en organiseren van evenementen en manifestaties. 2 Geen subsidie wordt verstrekt voor de aanleg of wijziging van wegen of dijken. Artikel 2.5.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten die: worden uitgevoerd in het WaalWeeldegebied; passen binnen de doelstellingen van Beleef de Waal; positief zijn beoordeeld door burgemeester en wethouders van de gemeente in het WaalWeeldegebied waar de activiteit plaatsvindt, voor zover het activiteiten betreft als bedoeld in artikel 2.5.1, eerste lid, onder a, b en d; en passen in een duurzame ontwikkeling van het WaalWeeldegebied. Artikel 2.5.3 Aanvrager 1 Subsidie wordt verstrekt aan: een natuurlijk persoon die woonachtig is in het WaalWeeldegebied; een gemeente in het WaalWeeldegebied; een rechtspersoon die blijkens zijn statutaire doelen en activiteiten een bijdrage kan leveren aan Beleef de Waal. 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel 2.5.4 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een schriftelijke verklaring van burgemeester en wethouders waaruit blijkt dat de betreffende subsidiabele activiteit positief is beoordeeld, voor zover het een activiteit als bedoeld in artikel 2.5.1, eerste lid, onder a, b of d betreft; en een uiteenzetting dat de betreffende subsidiabele activiteit past in een duurzame ontwikkeling van het WaalWeeldegebied. Artikel 2.5.5 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 75.
  13. Artikel 2.5.6 Weigeringsgrond Subsidie als bedoeld in artikel 2.5.1,eerste lid, onder b, c en d, wordt geweigerd voor zover fysieke voorzieningen niet worden aangelegd of gewijzigd op grond die in eigendom is van publiekrechtelijke rechtspersonen. Paragraaf 2.6 Waalpleisterplaatsen Artikel 2.6.1 Subsidiabele activiteit 1 Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de aanleg van openbare voorzieningen aan een knooppunt in de recreatieve infrastructuur. 2 Onder openbare voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden verstaan: picknicktafel; ten minste één bank en prullenbak op de veerstoep; watertappunt; parkeerplaats liggend op of aan de veerdam of direct achter de dijk; elektriciteitsaansluiting; openbaar toilet; camperplaatsen; aanlegsteiger recreatieve vaartuigen. Artikel 2.6.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover: het knooppunt in de recreatieve infrastructuur gelegen is in het WaalWeeldegebied; niet alle openbare voorzieningen als genoemd in artikel 2.6.1, tweede lid, onderdelen i tot en met iv, reeds op het knooppunt in de recreatieve infrastructuur aanwezig zijn; alle openbare voorzieningen als genoemd in artikel 2.6.1, tweede lid, onderdelen i tot en met iv, na afronding van de subsidiabele activiteit op het knooppunt in de recreatieve infrastructuur aanwezig zullen zijn; de aan te leggen openbare voorzieningen tegen hoogwater bestand zijn, dan wel dat deze gedurende hoogwater tijdelijk verwijderd kunnen worden; en de activiteit positief is beoordeeld door burgemeester en wethouders van de gemeente in het Waalweeldegebied waar de activiteit plaatsvindt. Artikel 2.6.3 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag in elk geval een schriftelijke verklaring van burgemeester en wethouders verstrekt waaruit blijkt dat de betreffende subsidiabele activiteit positief is beoordeeld. Artikel 2.6.4 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een minimum van € 10.000 en een maximumvan € 100.
  14. Artikel 2.6.5 Weigeringsgrond Subsidie wordt geweigerd indien Gedeputeerde Staten reeds subsidie hebben verstrekt voor een soortgelijke activiteit in dezelfde gemeente. Artikel 2.6.6 Verplichtingen Onverminderd artikel 1.4.7 is de subsidieontvanger verplicht de openbare voorzieningen gedurende ten minste vijf jaar na de vaststelling van de subsidie te beheren en te onderhouden. Paragraaf 2.7 Steengoed Benutten - Tijdelijke Stimulering Sociale woningmarkt Artikel 2.7.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: gemeentelijk vastgoed: bebouwde of onbebouwde gronden die of in eigendom zijn bij de gemeente of waarover de gemeente zakelijk gerechtigde is; sociale doelgroepen: huishoudens met een inkomen beneden het norminkomen volgens artikel 14 van de Wet op de huurtoeslag; vergunninghouder: vreemdeling van 18 jaar of ouder die een verblijfsvergunning heeft ontvangen als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, b, c of d, van de Vreemdelingenwet 2000; toegelaten instelling: een verhuurder als bedoeld in Circulaire van de minister van Wonen en Rijksdienst MG 2015-
  15. Artikel 2.7.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het uitvoeren van een verkenning om te komen tot een samenhangende aanpak voor de integratie van vergunninghouders op de gebieden huisvesting, onderwijs en arbeidsparticipatie; het uitvoeren van een verkenning naar de mogelijkheden om permanente en tijdelijke huisvesting voor sociale doelgroepen, waaronder vergunninghouders, te realiseren in niet in gebruik zijnd vastgoed; het opstellen van een business case voor de tijdelijke huisvesting van sociale doelgroepen in of op gemeentelijk vastgoed; het geschikt maken van gemeentelijk vastgoed voor het tijdelijk huisvesten van sociale doelgroepen, waaronder vergunninghouders, waarbij rekening is gehouden met leefbaarheidsaspecten. Artikel 2.7.3 Criteria 1 Subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder a, wordt slechts verstrekt indien: sprake is van een samenhangende aanpak van wonen, welzijn, onderwijs en toegeleiding naar de arbeidsmarkt; er wordt gewerkt met een procesmatige aanpak. 2 Subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder d, wordt slechts verstrekt indien: het gemeentelijk vastgoed om niet ter beschikking wordt gesteld; een sluitende exploitatie voor het tijdelijk gebruik van gemeentelijk vastgoed als huisvesting van sociale doelgroepen, volgens de business case, niet mogelijk is; in bestaand gemeentelijk vastgoed ten minste 10 wooneenheden worden gerealiseerd en op nieuwe tijdelijke locaties ten minste 20 wooneenheden worden gerealiseerd door een toegelaten instelling en de maximale huurprijs van een wooneenheid minder bedraagt dan de aftoppingsgrenzen, genoemd in de Circulaire van de minister van Wonen en Rijksdienst MG 2015-05; de tijdelijke huisvesting bijdraagt aan het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. de tijdelijke huisvesting is gerealiseerd na 1 januari
  16. Artikel 2.7.4 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan gemeente en openbare lichamen in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 2.7.5 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder a, komen in aanmerking de kosten voor het inhuren van externe capaciteit voor het uitvoeren van een verkenning. 2 Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder b, komen in aanmerking de kosten voor het inhuren van externe capaciteit voor het uitvoeren van een verkenning en het opstellenvan een business case. 3 Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder c, komen in aanmerking de kosten voor het inhuren van externe capaciteit voor het opstellen van een business case. 4 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid onder b, zijn de kosten voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder a, b, en , c, gemaakt na 1 januari 2016 subsidiabel. Artikel 2.7.6 Hoogte van de subsidie 1 Subsidie aan een gemeente als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder a, bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 20.
  17. 2 Subsidie aan een gemeente als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder b, bedraagt ten hoogste 85% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 15.
  18. 3 Subsidie aan een gemeente als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder c, bedraagt ten hoogste 85% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 15.
  19. 4 Subsidie aan een gemeente als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder d, bedraagt € 2.000 per gerealiseerde wooneenheid met een maximum van € 80.
  20. 5Subsidie aan een openbaar lichaam in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef onder a, bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.
  21. 6 Subsidie aan een openbaar lichaam in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef onder b, bedraagt ten hoogste 85% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.
  22. Artikel 2.7.7 De aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt: voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder a: een beschrijving van kansen en uitdagingen op het vlak van wonen, leren werken in de gemeente of regio alsmede mogelijk te betrekken partijen; een door tenminste één gemeente, één verhuurder van wooneenheden voor sociale doelgroepen, één onderwijsinstelling voor middelbaar of hoger (beroeps)onderwijs en één werkgevers- of brancheorganisatie ondertekende intentieverklaring, waaruit blijkt dat partijen overeenstemming hebben over de verkenning en zij zich hebben verbonden aan een gezamenlijke uitvoeren van de verkenning. voor subsidies als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder c: een intentieverklaring, waaruit de gezamenlijke aanpak blijkt voor het realiseren van een beoogde locatie of een beoogd project, ondertekend door de gemeente een corporatie of een andere verhuurder; voor de subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder d: een businesscase gebaseerd op het om niet beschikbaar stellen van het gemeentelijk vastgoed; een onderbouwing van de mate waarin die het tijdelijk gebruik van het gemeentelijk vastgoed bijdraagt aan het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit en de mate waarin rekening is gehouden met aspecten van leefbaarheid; overeenkomsten die de aanvrager heeft gesloten over de in artikel 2.7.3, vierde lid, onder a tot en met d, opgenomen onderwerpen met een toegelaten instelling; een besluit van de raad over de in artikel 2.7.3, vierde lid, onder a tot en met d, opgenomen onderwerpen met een toegelaten instelling en een planning waaruit blijkt dat de te realiseren huisvesting binnen één jaar na afgifte van de beschikking tot verlening van de gevraagde subsidie zal zijn verhuurd. Artikel 2.7.8 Verplichtingen 1 Subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder a en b, wordt slechts verstrekt in de betrokken partijen bereid zijn tot het delen van hun kennis en bevindingen. 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 1.4.7, is de ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder d, verplicht de wooneenheden ten minste twee jaar en ten hoogste tien jaar in stand te houden ten behoeve van de huisvesting van sociale doelgroepen. Paragraaf 2.8 Steengoed benutten – Uitvoeringsgereed en realiseren Artikel 2.8.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: project: gecombineerde aanpak en uitvoering van maatregelen, waarbij een fysieke herontwikkeling van een concreet gebied wordt bereikt; bebouwde kom: bestaand stedenbouwkundig geconcentreerd samenhangende structuur van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Bij interpretatieverschillen geldt als bebouwde kom, de bebouwingscontour van VROM uit 2005; buitengebied: gebied buiten de bebouwde kom; exploitatiegebied: op kaart aangegeven gebied waarbinnen het project wordt gerealiseerd; herbestemmen: geven van een nieuwe functionele bestemming aan een gebouw of gebied die juridisch wordt vastgelegd in een bestemmings- of inpassingsplan; herontwikkelen: het na sloop realiseren van nieuwbouw op dezelfde locatie al dan niet in combinatie met een herinrichting van de openbare ruimte; gebouw: onder gebouw wordt tevens verstaan aaneengesloten gebouwen; transformatie gebouw: ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw naar de eisen van de tijd, noodzakelijk voor toekomstige gebruikers of doelgroepen of verlaging van de milieucategorie in het kader van het wegnemen van milieuhinder voor de woonomgeving; sloop: afbreken, afvoeren van (bouw)materialen en eventueel saneren van de bodem ten behoeve van toekomstig gebruik; j.aanloopstraten: straten met een groot aandeel in de routing naar een kernwinkelgebied; kernwinkelgebied: een aaneengesloten gebied in de binnenstad of centrum, met een hoge concentratie aan winkels, horecazaken, culturele voorzieningen en commerciële dienstverlening; transformatie gebied: door herontwikkeling gerealiseerde functiewijziging van grond, gebouwen en openbare ruimte binnen de bebouwde kom met als resultaat een andere functie; bodemsanering: bodemsanering waarbij sprake is van een ernstige verontreiniging op basis waarvan een goedgekeurd functiegericht saneringsplan is opgesteld; nominale waarde: waarden in een exploitatie op basis van prijspeil heden, waarbij geen rekening wordt gehouden met toekomstige kosten- of opbrengstenstijging en toekomstige rentewinsten of renteverliezen; monument: een gebouw dat om zijn cultuurhistorische waarde door de Rijksoverheid of gemeente is of binnen 1 jaar na subsidieverlening wordt aangewezen als beschermd monument; beeldbepalend gebouw:een gebouw, geen monument zijnde, dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, een belangrijke bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld, dan wel van het buitengebied; beeldverstorend verpauperd gebouw: een gebouw dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, en zo mogelijk ook door de slechte staat van onderhoud als gevolg van leegstand, een negatieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads-of dorpsbeeld, dan wel van het buitengebied; complex: kazerne- of fabriekscomplex, bestaande uit een of meerdere monumenten. Artikel 2.8.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: een integrale gebiedsgerichte aanpak binnen de bebouwde kom, waarbij het gaat om herbestemming, transformatie of sloop van leegstaande of leegkomende gebouwen die deel uitmaken van een concrete gebiedsontwikkeling, gecombineerd met een aanpak van de openbare ruimte of het oplossen van milieuhinder voor de woon- en leefomgeving en bodemsanering; het herbestemmen, transformeren en herontwikkelen van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen binnen de bebouwde kom, met een grote invloed op de omgeving; het herbestemmen en transformeren van monumenten met een grote invloed op de omgeving binnen de bebouwde kom; het reduceren van de bestaande woningvoorraad binnen de bebouwde kom in het kader van programmering van woningbouw; het verplaatsen van niet aan het buitengebied verbonden functies in het buitengebied naar de bebouwde kom; het herbestemmen, transformeren en herontwikkelen van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen in het buitengebied, met een grote invloed op de omgeving en waarbij de nieuwe bestemming leidt tot het vergroten van de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland; herbestemmen en transformeren van monumenten in het buitengebied, met een grote invloed op de omgeving en waarbij de nieuwe bestemming leidt tot het vergroten van de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland. Artikel 2.8.3 Criteria 1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de activiteiten leiden tot een ruimtelijke kwaliteitsimpuls van de bebouwde omgeving, met maatschappelijke meerwaarde ten bate van duurzame leefbaarheid; de activiteiten passen binnen de regionale programmering wonen, werken (bedrijventerreinen, kantoren) en detailhandel; sprake is van een functiegericht programma met een duurzaam karakter, waarvoor marktvraag is, tenzij sprake is van sloop zonder ’terugbouw’; de activiteiten bijdragen aan het voorkomen of het beperken van nieuwe structurele binnenstedelijke leegstand of ruimtelijk kwalitatieve problemen; en er sprake is van een gebiedsgerichte aanpak en onderbouwd met een visie op aanpak van leegstand. 2 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder b, slechts verstrekt indien het gaat om een gebouw, liggend in een kernwinkelgebied of aanloopstraten, dat minimaal 5 jaar leeg staat, een footprint heeft van minimaal 1000 m2 en een voorgevelbreedte heeft van minimaal 25 meter. 3 Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder c, slechts verstrekt indien het gaat om een monument dat minimaal 3 jaar leeg staat, een footprint heeft van minimaal 500 m2 en een voorgevelbreedte heeft van minimaal 15 meter. Indien een monumentonderdeel uitmaakt van een complex, dan wordt slechts subsidie verstrekt voor maximaal twee monumenten die deel uitmaken van dit complex. 4 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder d, slechts verstrekt indien er geen sprake is van een grondtransactie met derden, met uitzondering van grondtransacties ten behoeve van de aanleg van openbare ruimte of maatschappelijke doeleinden en de reductie van de woningen binnen het betreffende project minimaal 5 woningen betreft. 5 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder e, slechts verstrekt indien na verplaatsing van de functie sprake is van verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. 6 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder f, slechts verstrekt indien het gaat om een gebouw dat minimaal 5 jaar leeg staat en een footprint heeft van minimaal 2000 m2 en waarbij de aanpak gericht is op het wegnemen van een ruimtelijk kwalitatief probleem, milieu- of geluidshinder of van een onveilige situatie. 7 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder g, slechts verstrekt indien het gaat om een monument dat minimaal 3 jaar leeg staat, een footprint heeft van minimaal 500 m2 en een voorgevelbreedte heeft van minimaal 15 meter. 8 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in het tweede, derde, vierde, zesde en zevende lid opgenomen afmetingen, aantallen woningen en perioden van leegstand. Artikel 2.8.4 Aanvrager 1 Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten. 2 Per exploitatiegebied wordt slechts één keer subsidie verstrekt. Artikel 2.8.5 Vooroverleg 1 Voordat een aanvraag kan worden ingediend, vindt er een vooroverleg plaats aan de hand van het door de provincie beschikbaar gestelde vooroverlegformulier. 2 Het vooroverleg wordt gepland binnen 8 weken na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde formulier en vindt plaats binnen 12 weken. 3 Tijdens het vooroverleg wordt de haalbaarheid van de subsidiëring van het project verkend en wordt aangegeven welke informatie bij de aanvraag moet worden ingediend. Artikel 2.8.6 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag: een businesscase, waaruit blijkt dat het project, ook over de langere termijn, haalbaar is; een visie op de aanpak van leegstand, waarin wordt toegelicht hoe structurele leegstand wordt voorkomen of aangepakt. De visie bevat tenminste: een onderbouwing waarom de herbestemming, transformatie of herontwikkeling zorgt voor een levensvatbare ontwikkeling op de langere termijn en de gevolgen van de gemaakte keuzen voor andere leegstandssituaties; een onderbouwing van de passendheid van het project in regionale programmering wonen, werken bedrijventerreinen, werklocaties en detailhandel; en de manier waarop overprogrammering wordt voorkomen; een opgave van de financiële bijdragen van de aan het project deelnemende partijen; een onderbouwing van de manier waarop leegstand op vrijkomende locaties wordt voorkomen; een realistische planning die aantoont dat de uitvoering van het project kan starten en binnen 3 jaar in een aaneengesloten bouwstroom kan worden gerealiseerd en opgeleverd; een kaart waarop het exploitatiegebied is aangegeven; grond- en opstalexploitaties, waarbij uitgegaan wordt van nominale waarden, inclusief verwachte en verleende subsidies, behorende bij het exploitatiegebied; door onafhankelijke taxateurs opgestelde taxatierapporten van de gronden en opstallen die verband houden met de realisering van het project; documenten waaruit de afspraken tussen de aan het project deelnemende partijen blijken ten aanzien van planning, uitvoering, financiën en regionale programmeringsafspraken; informatie waaruit blijkt dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden; en informatie die bij het vooroverleg is verzocht overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.8.
  23. Artikel 2.8.7 Hoogte van de subsidie 1 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder a, bedraagt niet meer dan de bijdragen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 500.000 per project. 2 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder b, bedraagt niet meer dan de bijdragen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 200.000 per project. 3 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder c, bedraagt niet meer dan de bijdragen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 250.000 per project. 4 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder d, bedraagt 100% van de sloopkosten met een maximum van € 200.000 per project. 5 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder e, bedraagt ten hoogste 50% van de sloopkosten, inclusief saneringskosten, en ten hoogste 50% van de kosten van herinvulling onbebouwd met een maximum van € 200.000 per project. 6 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder f, bedraagt niet meer dan de bijdragen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 200.000 per project. 7 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder g, bedraagt niet meer dan de bijdragen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 250.000 per project. Artikel 2.8.8 Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd indien verlening ervan zou leiden tot lagere dan de actuele marktconforme prijzen van de grond en gebouwen in de omgeving van het project. Artikel 2.8.9 Niet-subsidiabele kosten Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3.5 wordt geen subsidie verstrekt voor: kosten die worden gemaakt voor planvorming; kosten die gemaakt worden voor activiteiten die buiten het exploitatiegebied van het project vallen; kosten voor kwalitatieve ingrepen in de openbare ruimte die uitstijgen boven hetgeen in de gemeente gangbaar is; waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren; verwervingen of inbrengwaarde van onroerende zaken die in de exploitatie van het project zijn opgenomen en waarvan de waarde hoger is getaxeerd dan de actuele marktwaarde op basis van het huidige gebruik of leegstand; rendementen en risicovoorzieningen hoger dan 5%; kosten van planschade; en kosten van bovenwijkse voorzieningen. Artikel 2.8.10 Verplichtingen 1 Het project moet binnen drie jaar na de datum van de verleningsbeschikking zijn gerealiseerd, tenzij in de verleningsbeschikking een andere termijn is opgenomen. 2 Indien sprake is van monumentale gebouwen, dient voldaan te worden aan de provinciale Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden. 3 Indien sprake is van monumentale gebouwen, dienen eventuele werkzaamheden aan deze gebouwen te worden uitgevoerd door een gecertificeerd aannemer in de restauratiebouw of een aannemer die zijn restauratiedeskundigheid in de praktijk bewezen heeft. Paragraaf 2.9 Gelderse Gebiedsopgaven Artikel 2.9.

In deze paragraaf wordt verstaan onder: deelnemer: rechtspersoon, niet zijnde de aanvrager, die bij de subsidiabele activiteit samenwerkt met de aanvrager anders dan in een opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie; doelen: de doelen per gebied als bedoeld in de Uitvoeringsstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384) en daarop door Provinciale Staten aangebrachte aanvullingen; financiële bijdrage: al hetgeen een deelnemer op eigen titel en voor eigen rekening en risicovoornemens is uit te voeren; Gebied: de Achterhoek, de Veluwe, het Stedelijk Netwerk Arnhem/Nijmegen, het Stedelijk Netwerk Ede-Wageningen: Food Valley, het Stedelijk netwerk Stedendriehoek: Cleantech en de Gelderse Corridor, zoals beschreven in de Uitvoeringstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384); gebiedsbreed overleg: een gebiedsbreed maatschappelijk samenwerkingsverband dat actief is in het kader van de Gelderse Gebiedsopgaven; uitgangspunten van de gebiedsopgaven: de 15 uitgangspunten als bedoeld in de Uitvoeringsstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384); uitvoeringsagenda: een document van het gebiedsbreed overleg dat op gebiedsniveau invulling geeft aan de doelen. Artikel 2.9.2 Voorstel van gebiedsbreed overleg 1 Een gebiedsbreed overleg verstrekt periodiek aan Gedeputeerde Staten een schriftelijk voorstel met initiatieven afkomstig uit het gebied die kunnen bijdragen aan het bereiken van de doelen. 2 Het voorstel bevat ten aanzien van elk aangemeld initiatief: een omschrijving van het initiatief en door de initiatiefnemer aan het gebiedsbrede overleg overgelegde informatie; de datum van aanmelding van het initiatief; gegevens van de initiatiefnemer; een beschrijving van de wijze waarop het gebiedsbrede overleg het initiatief heeft besproken, inclusief de daarbij behorende verslagen; een gemotiveerde beoordeling van het initiatief; een gemotiveerde beoordeling van de uitvoerbaarheid van het initiatief, inclusief de planning voor de uitvoering daarvan, 3 Het gebiedsbrede overleg zorgt ervoor dat initiatieven gedurende het gehele jaar kunnen worden aangemeld. Artikel 2.9.3 Lijst met initiatieven

  1. Gedeputeerde staten stellen naar aanleiding van het voorstel als bedoeld in artikel 2.9.2, eerste lid, periodiek en voor ieder gebied een lijst van met initiatieven vast die: in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van de gebiedsopgaven, passen binnen de kerntaken ende uitvoeringsagenda; en in aanmerking kunnen komen voor subsidie.
  2. Ter uitvoering van artikel 4 van de AsG bevat de lijst ten aanzien van elke activiteit het maximale bedrag waarvoor subsidie kan worden verstrekt.
  3. De lijst met initiatieven wordt bekend gemaakt in het Provinciaal Blad. Artikel 2.9.4 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor het uitvoeren van activiteiten die zijn opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 2.9.
  4. Artikel 2.9.5 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.
  5. Artikel 2.9.6 Verplichting De subsidieontvanger is verplicht om zijn kennis en bevindingen te delen op de in de aanvraag beschreven wijze, of in overeenstemming met de beschikking tot subsidieverlening indien Gedeputeerde Staten daarin een andere wijze van delen van kennis en bevindingen hebben bepaald of daarover aanvullende verplichtingen hebben opgelegd. Artikel 2.9.7 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag, indien deze betrekking heeft op het verrichten van subsidiabele activiteiten, waaraan door deelnemers een financiële bijdrage wordt geleverd, een document ingediend dat is ondertekend door de aanvrager en de deelnemers waaruit ten minste blijkt: de voorgenomen aanpak voor het verrichten van de activiteiten en de bijdragen hieraan door de deelnemers; overeenkomstig de in artikel 2.9.6 opgenomen verplichting op welke wijze en onder welke voorwaarden aanvrager en de deelnemers hun kennis en bevindingen delen. Artikel 2.9.8 Werking van het plafond Indien voor activiteiten die zijn opgenomen in de lijst, het maximumbedrag waarvoor, op grond van enig artikel in deze Regels, subsidie kan worden verleend, niet van toepassing is verklaard, wordt het bedrag waarmee dit maximumbedrag wordt overschreden buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling of het plafond voor deze activiteiten wordt overschreden. Paragraaf 2.10 Ondersteuning bewonersinitiatieven op het gebied van leefbaarheid en sociale samenhang Artikel 2.10.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: leefbaarheid: de mate waarin de sociale en fysieke leefomgeving aansluit bij de behoeften van de bewoners; initiatief: gezamenlijke activiteit van bewoners in een wijk of dorp zonder winstoogmerk die het algemeen belang dient en die onverplicht is; sociale samenhang: samenhang binnen bevolkingsgroepen en tussen bevolkingsgroepen, alsmedede relatie tussen burgers en de overheid. Artikel 2.10.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor nieuwe initiatieven die zich richten op het bevorderen van leefbaarheid en sociale samenhang, met inbegrip van de evaluatie daarvan. Artikel 2.10.3 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien: het gemeentebestuur geen bezwaar heeft tegen het initiatief; het initiatief aansluit bij de kerntaken en de onderliggende plandoelen van de provincie; voor het initiatief nog niet eerder subsidie is verstrekt; uit het aanvraagformulier blijkt op welke wijze het initiatief wordt geëvalueerd; het initiatief geen winstoogmerk heeft. Artikel 2.10.4 Aanvrager 1 Subsidie kan worden aangevraagd door een samenwerkingsverband van ten minste vijf natuurlijke personen en door rechtspersonen die blijkens hun activiteiten een bijdrage leveren aan de leefbaarheid. 2 Indien de aanvraag wordt ingediend door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen wordt de subsidie verstrekt aan één van deze groep deel uitmakende natuurlijke persoon. 3 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel 2.10.5 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag: indien deze wordt ingediend door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen: een schriftelijk document waarin de samenwerking is beschreven en waarin in ieder geval de afspraken zijn vastgelegd over financiën, planning en verantwoordelijkheden; een schriftelijke verklaring van het gemeentebestuur waaruit blijkt dat het gemeentebestuur geen bezwaar heeft tegen het initiatief. Artikel 2.10.6 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de kosten met een minimum van € 10.000 en een maximumvan € 24.
  6. Artikel 2.10.7 Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd indien: het aannemelijk is dat het initiatief zal leiden tot toekomstige lasten voor onderhoud of instandhouding waarvoor ten tijde van de subsidieverstrekking geen dekking bestaat; het initiatief geheel of grotendeels gericht is op het organiseren van een dorps- of buurtfeest, optocht, braderie of barbecue of daarmee gelijk te stellen activiteit; het initiatief gericht is op individuele hulpverlening of de behartiging van een persoonlijk belang; de aanvraag betrekking heeft op het beheer of het onderhoud van onroerende goederen; het initiatief zich in een onderzoeksfase bevindt. Artikel 2.10.8 Verplichtingen 1 De subsidieontvanger is verplicht publiciteit te verzorgen over het initiatief op sociale media, waaronder in elk geval de website of de facebookpagina van de subsidieontvanger en de provincie en het forum van de provincie. 2 De uitvoering van het initiatief moet binnen twee jaar na de vaststelling van de subsidie zijn afgerond. Paragraaf 2.11 Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden Artikel 2.11.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: bestuursovereenkomst: de Bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016 – 2021 regio Oost, zoals gepubliceerd in de Staatscourant op 16 december 2015; initiatiefnemer: de partij die maatregelen uit het werkprogramma uitvoert; penvoerder: de partij die namens een groep van initiatiefnemers de subsidie aanvraagt; RBO: Regionaal Bestuurlijk Overleg Rijn-Oost; Rijksbijdrage: de decentrale uitkering Deltafondsmiddelen voor Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden, zoals overeengekomen in de bestuursovereenkomst; werkprogramma: het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016 – 2021, “Wel goed water geven!”. Artikel 2.11.2 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het uitvoeren van maatregelen die zijn opgenomen in het werkprogramma. Artikel 2.11.3 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de activiteit wordt uitgevoerd in de periode 2016-2021 en binnen de provincie Gelderland, tenzij de provincie de Rijksbijdrage heeft ontvangen voor een initiatiefnemer buiten Gelderland; de aanvrager zijn toegezegde aandeel in het investeringsvolume realiseert, zijnde het Regionaal Bod zoals opgenomen in bijlage 3 van de bestuursovereenkomst. Artikel 2.11.4 Voorwaarde
  7. De subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat de Rijksbijdrage ter beschikking wordt gesteld.
  8. Het eerste lid is niet van toepassing op subsidies tot €25.
  9. Artikel 2.11.5 Niet-subsidiabele kosten
  10. In aanvulling op artikel 1.3.5 wordt geen subsidie verstrekt voor personeelskosten van de aanvrager.
  11. In afwijking van artikel 1.3.5, onderdelen b en f, kan subsidie worden verstrekt voor: kosten die zijn gemaakt vanaf 1 januari 2016 en voordat de aanvraag is ontvangen; legeskosten. Artikel 2.11.6 Aanvrager
  12. Subsidie wordt verstrekt aan een waterschap of gemeente die in het werkprogramma is aangewezen als initiatiefnemer van een activiteit.
  13. In aanvulling op het eerste lid kan subsidie ook worden verstrekt aan een groep van initiatiefnemers, waarbij één partij als penvoerder optreedt. Artikel 2.11.7 Aanvraag
  14. Een aanvraag om subsidie kan worden ingediend tot 1 juli
  15. In afwijking van artikel 1.2.3 kunnen de bij de aanvraag verstrekte gegevens bestaan uit een verwijzing naar het werkprogramma.
  16. Er kunnen meerdere aanvragen om subsidie worden ingediend tot het maximum van de beschikbare subsidie voor die subsidieontvanger. Artikel 2.11.8 Hoogte van de subsidie
  17. De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten met de volgende maxima per subsidieontvanger: Waterschap Rijn en IJssel €2.220.000; Waterschap Vallei en Veluwe €880.000; Gemeente Aalten €4.930; Gemeente Apeldoorn €276.715; Gemeente Barneveld €25.716; Gemeente Bronckhorst €15.117; Gemeente Doetinchem €91.362; Gemeente Ede €86.186; Gemeente Elburg €60.388; Gemeente Harderwijk €50.364; Gemeente Montferland €63.181; Gemeente Nunspeet €25.141; Gemeente Putten €100.646; Gemeente Renstwoude (Utrecht) € 9.120; Gemeente Rhenen (Utrecht) € 24.402; Gemeente Soest (Utrecht) € 15.117; Gemeente Voorst €45.270; Gemeente Winterswijk €84.296; Gemeente Zutphen €28.
  18. De subsidie wordt jaarlijks conform de kasreeks voor de Rijksbijdrage naar rato bevoorschot.
  19. Het tweede lid geldt niet voor een subsidie tot €25.
  20. Artikel 2.11.9 Verplichtingen Artikel 1.4.1, eerste lid, is niet van toepassing. Artikel 2.11.10 Vaststelling
  21. De subsidieontvanger dient voor 1 april 2022 een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
  22. Gedeputeerde Staten beslissen op de aanvraag tot vaststelling van de subsidie naar beschikbaarheid van de Rijksbijdrage en op volgorde van binnenkomst.
  23. Indien de aanvrager zijn toegezegde aandeel in het investeringsvolume niet heeft gerealiseerd, wordt de subsidie naar rato lager vastgesteld.
  24. Gedeputeerde Staten gaan niet eerder over tot een lagere vaststelling van de subsidie dan na advies van het RBO. Paragraaf 3.

Artikel 3

.1.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: eigenaar-bewoner: een persoon die op grond van artikel 1 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek eigenaar is van een koopwoning en zelf deze koopwoning bewoont; bodem en ondergrond: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen en antropogene resten van eertijdse bewoning en grondgebruik, inclusief het grondwater; bodem- en ondergrondaspecten: informatie over de karakteristieken van de bodem en ondergrond, de gebruiksmogelijkheden en de effecten van het mogelijke gebruik op andere functies van de bodem en ondergrond en de effecten van bovengronds ruimtegebruik op ondergrondse functies en omgekeerd; bodemverontreinigingsgegevens: gegevens afkomstig uit een bodemonderzoeksrapport dat is opgesteld door een erkende persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 9 van het Besluit Bodemkwaliteit; energielabelsprong: een verbetering van het energielabel als bedoeld in het Besluit Energieprestatie Gebouwen hernieuwbare energie: niet-fossiele energie zoals windenergie, zonne-energie, geothermische energie, golfenergie, getijdenenergie, waterkrachtinstallaties, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas; lokaal duurzaam energiebedrijf: een onderneming die hernieuwbare energie produceert waarbij de afnemers zijn gevestigd binnen een straal van 30 kilometer ten opzichte van een productielocatie van de onderneming; NOM-ready: de situatie waarin een woning direct verbeterd wordt en verantwoord voorbereid is op een NOM-renovatie door middel van latere ingrepen; NOM-renovatie: een renovatie van een woning die als rechtstreeks gevolg heeft dat de ingaande en uitgaande energiestromen voor gebouw gebonden energie (ruimteverwarming, comfort-koeling, ventilatie, monitoring, regelingen en hulpenergie voor deze installaties) bij een normaal leefpatroon op jaarbasis gelijk zijn aan of lager zijn dan nul; scan: onderzoek waar uit moet blijken of NOM-renovatie of een NOM-Ready aanpak voor een VvE een realistische optie is dan wel, indien op basis van de scan komt vast te staan dat dit niet het geval is, een advies over welke maatregelen en welke energielabelsprong haalbaar zijn en op welke wijze dit kan worden aangepakt; terugverdientijd: de subsidiabele kosten gedeeld door de verwachte jaarlijkse besparing; rd-waarde: het warmte-isolerend vermogen van een materiaallaag; VvE: vereniging van eigenaars als bedoeld in artikel 5:124 van het Burgerlijk Wetboek. Paragraaf 3.2 Energieloketten Artikel 3.2.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: actieve marktbenadering: een door de aanvrager geregisseerde planmatige aanpak met als doel om in samenwerking met ondernemingen particuliere woningeigenaren in een wijk of een buurt te benaderen om energiebesparende maatregelen aan hun woningen te treffen; digitaal: via e-mail en een via een website; energieloket: een informatiepunt gericht op het informeren van particuliere woningeigenaren over energiebesparende maatregelen aan bestaande woningen en mogelijkheden om die maatregelen te (voor-)financieren; particuliere woningeigenaar: een natuurlijke persoon die eigenaar is van de woning en er daadwerkelijk zelf in woont; professionalisering energieloket: activiteiten gericht op het vergroten van de bekendheid, zichtbaarheid, toegankelijkheid en bereikbaarheid van het energieloket, het bereiken en monitoren van concrete resultaten door middel van een klantvolgsysteem, en het opzetten of uitwerken van een businessmodel voor het energieloket. Artikel 3.2.2 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het financieren van energieloketten gedurende de periode van 1 juli 2017 tot en met 31 december

  1. Artikel 3.2.3 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien: het energieloket fysiek, digitaal en telefonisch bereikbaar is voor het verstrekken van informatie; de aanvrager met het energieloket afspraken heeft gemaakt over het uitvoeren van een actieve marktbenadering en het doorvoeren van professionalisering van het energieloket. Artikel 3.2.4 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten in Gelderland die een energieloket geheel of gedeeltelijk financieren. Artikel 3.2.5 Hoogte van de subsidie
  2. De subsidie bedraagt ten hoogste het inwoneraantal van de gemeente, vermenigvuldigd met een bedrag van € 0,35 per inwoner.
  3. Het inwoneraantal wordt bepaald aan de hand van CBS-gegevens op 1 januari
  4. Artikel 3.2.6 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een beschrijving van de wijze waarop het energieloket fysiek, digitaal en telefonisch bereikbaar is; een beschrijving van wijze waarop de actieve marktbenadering wordt uitgevoerd, zowel van particuliere woningeigenaren als van relevante marktpartijen; een beschrijving van de wijze waarop de professionalisering van het energieloket wordt doorgevoerd; een beschrijving van de inspanningen die de aanvrager in 2017 verricht om het voortbestaan van het energieloket na 2017 te garanderen; het inwoneraantal op 1 januari 2016 aan de hand van CBS-gegevens; de aanvraag kan worden ingediend vanaf 11 april
  5. Artikel 3.2.7 Verplichtingen
  6. De subsidieontvanger is verplicht ervoor te zorgen dat het energieloket gedurende de periode van 1 juli 2017 tot en met 31 december 2017 operationeel is.
  7. De subsidieontvanger is verplicht om in januari 2018 een rapportage te overleggen waarin een beschrijving wordt gegeven van de activiteiten van het energieloket in 2017 en de daarbij behaalde resultaten en de bijdrage die dit levert aan het energiezuiniger maken van 100.000 woningen. Paragraaf 3.3 Lokale hernieuwbare energieprojecten en participatie door natuurlijke personen en VvE's Artikel 3.3.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de uitvoering van lokale hernieuwbare energieprojecten. Artikel 3.3.2 Criteria
  8. Subsidie aan lokale duurzame energiebedrijven wordt slechts verstrekt indien: minimaal 50 natuurlijke personen wonend op 50 verschillende adressen deelnemen door middel van een financiële bijdrage; de financiële deelname van voornoemde personen gezamenlijk ten minste 25% van de kosten bedraagt; de bijdrage per natuurlijk persoon minimaal €50 bedraagt; en het lokale hernieuwbare energieproject een terugverdientijd heeft van minimaal vijf jaar.
  9. Subsidie aan VvE’s wordt slechts verstrekt indien: de VvE bestaat uit ten minste 50 natuurlijke personen wonend op 50 verschillende adressen; de financiële deelname van de VvE ten minste 25% van de kosten bedraagt; het lokale hernieuwbare energieproject een terugverdientijd heeft van minimaal vijf jaar; en het lokale hernieuwbare energieproject onderdeel vormt van (aard en nagelvast is verbonden met) het gebouw of groep van gebouwen van de VvE. Artikel 3.3.3 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan lokale duurzame energiebedrijven en VvE's. Artikel 3.3.4 Aanvraag
  10. Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag door een lokaal duurzaam energiebedrijf een document verstrekt met een overzicht van NAW-gegevens van de deelnemende natuurlijke personen, de hoogte van het ingezette bedrag per natuurlijke persoon en een opgave van het project of de projecten waaraan de ingezette bedragen worden of zijn besteed.
  11. Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag door een VvE verstrekt: een document met een overzicht van NAW-gegevens van haar leden en van de hoogte van het gezamenlijk via de VvE ingezette bedrag; een besluit van de VvE tot financiële deelname met een bedrag dat ten minste 25% van de kosten van het lokale duurzame energieproject bedraagt. Artikel 3.3.5 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 20% van de kosten, met een minimum van €3.500 en een maximum van €100.
  12. Artikel 3.3.6 Verplichtingen
  13. Het lokale duurzame energiebedrijf is verplicht om ervoor zorg te dragen dat de bijdragen van natuurlijke personen ten minste 5 jaar beschikbaar blijven voor de subsidiabele activiteit.
  14. De VvE is verplicht om ervoor zorg te dragen dat haar bijdrage ten minste 5 jaar beschikbaar blijft voor de subsidiabele activiteit. Paragraaf 3.4 Scan VvE Artikel3.4.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het laten uitvoeren van een scan. Artikel 3.4.2 Criteria De scan dient ten minste inzicht te geven in: de financiële positie van de VvE; de bouwkundige staat van het gebouw; het organiserend vermogen van de VvE; de bouwkundige en technische maatregelen die genomen kunnen worden om een energielabelsprong te bewerkstelligen; de bouwkundige en technische maatregelen die nodig zijn voor NOM-renovatie; een indicatie van de kosten van de maatregelen als bedoeld onder d en e; een beschrijving van de haalbaarheid van NOM in één keer of in stappen, waarbij de organisatorische en juridische bevindingen op basis van de splitsingsakte worden meegenomen; een beschrijving van het proces dat nodig is om de maatregelen onder e toe te passen of te implementeren; de energetische effecten door het uitvoeren van de maatregelen als bedoeld onder d en e; het effect van de maatregelen als bedoeld onder d en e op de financiële positie van de VvE. Artikel 3.4.3 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan een VvE. Artikel 3.4.4 Weigeringsgronden
  15. Subsidie wordt alleen verstrekt aan indien de VvE ten minste 15 wooneenheden omvat.
  16. Subsidie wordt alleen verstrekt indien het gebouw waarvoor de scan wordt gemaakt is gebouwd en opgeleverd voor
  17. Subsidie wordt alleen verstrekt indien de VvE is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Artikel 3.4.5 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een bewijs van inschrijving van de VvE bij de Kamer van Koophandel; een afschrift van het besluit van ledenvergadering van de VvE op grond waarvan de aanvraag kan worden ingediend; documenten waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de criteria als bedoeld in artikel 3.4.2; het aantal wooneenheden dat de VvE omvat; en een bewijs dat het gebouw is opgeleverd vóór
  18. Artikel 3.4.6 Subsidiabele kosten Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van de inhuur van de deskundige die de scan uitvoert. Artikel 3.4.7 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste €4.
  19. Paragraaf 3.5 Woningisolatie Artikel 3.5.1 Subsidiabele activiteit [vervallen] Artikel 3.5.2 Criteria [vervallen] Artikel 3.5.3 Aanvrager [vervallen] Artikel 3.5.4 Hoogte van de subsidie [vervallen] Paragraaf 3.6 Bodemverontreinigingsgegevens op orde Artikel 3.6.1 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het selecteren van bodemverontreinigingsgegevens en het invoeren daarvan in een digitaal bodeminformatiesysteem; het uitwisselen van bodemverontreinigingsgegevens tussen het digitale bodeminformatiesysteem van de aanvrager en dat van de provincie. Artikel 3.6.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien bij het invoeren van de bodemverontreinigingsgegevens gebruik wordt gemaakt van het uitwisselingsformat SIKB0101 of een daarvoor in de plaats tredend uitwisselingsformat. Artikel 3.6.3 Aanvrager Subsidie kan worden verstrekt aan: gemeenten; openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 3.6.4 Hoogte van de subsidie 1De subsidie als bedoeld in artikel 3.6.1, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.000 en een maximum van € 7.
  20. 2De subsidie als bedoeld in artikel 3.6.1, onder b, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.000 en maximum van € 7.
  21. 3 Een aanvrager kan tot en met het jaar 2019 maximaal € 15.000 subsidie ontvangen. Artikel 3.6.5 Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht de subsidiabele activiteit binnen 12 maanden na de subsidieverlening uit te voeren en geheel af te ronden. Paragraaf 3.7 Ondergrond in beeld ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling Artikel 3.7.1 Subsidiabele activiteiten 1 Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het opstellen van een rapport over bodem- en ondergrondaspecten in een gebied; het organiseren van bijeenkomsten om de inhoud van het onder a bedoelde rapport te verspreiden. 2 Subsidie als bedoeld in artikel het eerste lid, onderdeel b, wordt uitsluitend verstrekt indien ook subsidie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a is verstrekt. Artikel 3.7.2 Verplichtingen De ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel a, is verplicht het rapport openbaar te maken via internet. Artikel 3.7.3 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel a, komen in aanmerking de kosten voor: externe adviseurs; externe procesbegeleiding; onderzoek naar bodem- en ondergrondaspecten in een bepaald gebied; het analyseren en verwerken van onderzoeksgegevens en bestaande informatie. 2 Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel b, komen in aanmerking de kosten voor: zaalhuur en catering; externe adviseurs; externe procesbegeleiding. 3 Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel a, komen niet in aanmerking de kosten van bodemonderzoek in het kader van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. Artikel 3.7.4 Aanvrager Subsidie kan worden verstrekt aan: gemeenten; openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 3.7.5 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.000 en een maximum van € 25.000 per aanvraag. Paragraaf 3.8 Omgevingsveiligheid Artikel 3.8.1 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor activiteiten die voortvloeien uit het Gelders Uitvoeringsprogramma Omgevingsveiligheid
  22. Artikel 3.8.2 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan openbare lichamen die zijn ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en die fungeren als omgevingsdiensten. Artikel 3.8.3 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt: Omgevingsdienst Achterhoek, ten hoogste € 140.980; Omgevingsdienst Noord Veluwe, ten hoogste € 63.774; Omgevingsdienst Veluwe IJssel, ten hoogste € 73.882; Omgevingsdienst Regio Arnhem, ten hoogste € 128.877; Omgevingsdienst De Vallei, ten hoogste € 74.347; Omgevingsdienst Regio Nijmegen, ten hoogste € 79.335; Omgevingsdienst Rivierenland, ten hoogste € 103.
  23. Artikel 3.8.4 In afwijking van de artikel 1.3.6 bedraagt de subsidie voor de directe loonkosten en de indirecte kosten maximaal een bedrag per uur dat overeenkomt met het door de Omgevingsdiensten bestuurlijk vastgestelde uurtarief. Artikel 3.8.5 Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag een opgave van het bestuurlijk vastgestelde uurtarief als bedoeld in artikel 3.8.
  24. Hoofdstuk 4 Vitaal platteland, natuurbeheer en ontwikkeling natuurgebieden Paragraaf 4.

Artikel 4

.1.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: aanloopbeheer: beheerkosten voor agrarische natuurterreinen die gemaakt zijn in een periode direct voorafgaand aan de omvorming van agrarisch natuurbeheer tot natuurbeheer en waarvoor geen vergoeding voor agrarisch natuurbeheer is ontvangen; agrarisch natuurbeheer: natuurbeheer op landbouwgronden; agrarische onderneming: natuurlijke persoon of rechtspersoon die als economische activiteit gewassen, teelt of dieren houdt met als doel deze, of de producten die daaruit voortkomen, te verkopen; ambitiekaart: kaart behorende bij het vigerende Natuurbeheerplan Gelderland waarop de begrenzing is vastgelegd van bestaande en nieuwe natuur; asbest: vezelachtige silicaten zijnde actinoliet (CAS-nummer 77536-66-4), amosiet (CAS-nummer 12172-73-5), anthofylliet (CAS-nummer 77536-67-5), crysotiel (CAS-nummer 12001-29-5), crocidoliet (CAS-nummer 12001-28-4) en tremoliet (CAS-nummer 77536-68-6); asbest dak: dak, dakgoot of gevel welke asbest bevat; bedrijfslocatie: een terrein waarop een onderneming wordt uitgeoefend met een gebouw of meerdere gebouwen die samen een eenheid vormen vanwege eigendom of bedrijfsvoering; begrensde grond: binnen de provincie gelegen grond die in het vigerende Natuurbeheerplan is begrensd met als hoofdfunctie om te vormen naar natuur; beheereenheid: natuurterrein waarvan de gronden in samenhang met elkaar worden beheerd; Beleidsnota Actieve Soortenbescherming: de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming Gelderland zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten bij besluit van 6 januari 2015, inclusief de nadien aangebrachte wijzigingen; bos- of landgoed: een voor het publiek opengestelde onroerende zaak, geheel of gedeeltelijk bezet met bossen, natuurterreinen of landschapselementen; bos- of landgoedeigenaar: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechthebbende is op een bos- of landgoed en de instandhouding daarvan nastreeft; cultuurhistorische landschapselementen: elementen die kenmerkend zijn voor de lokale ontstaansgeschiedenis van het landschap; erfbeplanting: beplanting binnen het agrarisch bouwblok; EVZ: ecologische verbindingszone, aangeduid in het Natuurbeheerplan Gelderland; Faunafonds: Faunafonds als bedoeld in artikel 83 van de Flora- en faunawet; faunavoorziening: een voorziening inclusief toeleidende rasters die het dieren mogelijk maakt openbare infrastructuur veiliger over te steken; functieverandering: het feitelijk en publiekrechtelijk wijzigen van het gebruik van grond van landbouw naar natuur en het vestigen van een kwalitatieve verplichting op die grond; gebouwen: opstallen alsmede het kadastrale perceel waarop deze opstallen zijn gelegen; gebruiksgerechtigde: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die op grond van pacht of erfpacht zeggenschap heeft over het landbouwbedrijf; gecertificeerd bedrijf: bedrijf dat beschikt over de volgende certificering ten behoeve van het inventariseren of verwijderen van asbest: SC 530: Asbestverwijdering; SC 540: Asbestinventarisatie; gecertificeerde begunstigde: begunstigde die beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 1.11 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016; GNN: Gelders natuurnetwerk zoals begrensd door Provinciale Staten bij vaststelling van de Omgevingsverordening provincie Gelderland bij besluit van 24 september 2014 dan wel de op basis van artikel 2.7.3.1 van de Omgevingsverordening provincie Gelderland door Gedeputeerde Staten gewijzigde begrenzing; GNN-verbindingen: verbindingen tussen het GNN, voorheen genaamd EHS-verbindingen, zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Gelderland de in Structuurvisie Aanpassing EHS 2012 op 29 mei 2013; grondstrategieplan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan waarin is vastgelegd de wijze waarop ruiling , aan- en verkoop van gronden plaatsvindt ten behoeve van het bereiken van provinciale doelen in een bepaald gebied; grote onderneming: onderneming, niet zijnde een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 2, bijlage I, van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening; hagen en heggen: opgaande lijnvormige elementen bestaande uit loofhoutsoorten, niet zijnde vlecht-, knip- of scheerheggen; herstelmaatregel natte landnatuur: maatregelen ten behoeve van herstel van natte landnatuurbinnen de gebieden aangegeven op de kaart Water en natuur onderdeel van de Omgevingsvisie (PS2015-360) en gepubliceerd op 21 augustus 2015; inrichting: de uitvoering van maatregelen die de fysieke kenmerken van het natuurterrein wijzigen; inrichtingsmaatregelen: maatregelen die er toe strekken de fysieke conditie of kenmerken van het terrein te wijzigen; klein historisch water: wielen en kolken; knelpunt: een locatie waarvan door onderzoek is gebleken dat daar regelmatig dieren worden aangereden of verdrinken of waarbij het voor ter plaatse levende dieren onmogelijk is om de overkant van infrastructuur te bereiken; landbouwactiviteit: activiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b van de Verordening (EU) Nr. 1306/2013 van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de raad; landbouwbedrijf: een eenheid die grond, gebouwen en voorzieningen omvat die voor de primaire landbouwproductie worden gebruikt als bedoeld in de Landbouw groepsvrijstellingsverordening, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf; landbouwbedrijfsgebouw: een gebouw met bijbehorende voorzieningen dat gebruikt wordt ten behoeve van de uitoefening van een landbouwbedrijf; landbouwer: natuurlijke persoon of rechtspersoon die, dan wel een samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat, een landbouwactiviteit uitoefent; landbouwgrond: binnen de provincie gelegen stuk grond waarop een landbouwactiviteit wordt uitgevoerd; landschapselementen: groene opgaande elementen bestaande uit inheemse loofhoutsoorten; leefgebied: gebied waarin alle fasen in de levenscyclus van een of meer prioritaire soorten zich kunnen afspelen; modernisering: vervanging van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw of van bestaande voorzieningen op de nieuwe locatie door een nieuw, modern gebouw of nieuwe, moderne voorzieningen waarbij de betrokken productie, of technologie fundamenteel wordt gewijzigd; Nationale Landschappen: Nationale Landschappen zoals aangewezen in de Uitwerking streekplan Gelderland 2005; Natura 2000-gebied: door het Rijk aangewezen Natura 2000 gebieden op basis van de Natuurbeschermingswet; Natura 2000-doelstellingen: instandhoudings- en ontwikkeldoelstellingen van het betreffende Natura 2000 gebied; Natura 2000-herstelmaatregelen: maatregelen voor herstel van de natuurkwaliteiten zoals beschreven in Natura 2000 beheerplannen of ontwerp beheerplannen van door Gedeputeerde Staten vastgestelde Natura 2000-gebieden; natuur, groen of landschap: natuurlijk ingerichte of in te richten openbaar toegankelijke plekken of vanaf de openbare weg zichtbare plekken; natuurambitieterrein: terrein dat is opgenomen op de ambitiekaart, dat is aangeduid als N00.01 en waarvoor onder “indicatieve verhouding beheertypen” is aangegeven welke beheertypen op deze grond van toepassing zijn na functieverandering van landbouw naar natuur; natuurbeheer: beheer van een terrein met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten; natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 1.3 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016; natuurbeheertype: in bijlage 1, tweede kolom, van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 opgenomen soort natuur zoals nader beschreven in de Index Natuur enLandschap; natuurgebied: eenheid natuurterreinen weergegeven op de bij het plafondbesluit gevoegde kaart; natuurontwikkelplan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan waarin een gebied is aangemerkt als een gebied met hoge actuele natuurwetenschappelijke, landschappelijke, cultuurhistorische of bosbouwkundige waarden en waarbij het in aanmerking brengen voor subsidie noodzakelijk is voor het behoud van deze waarden; natuurterrein: binnen de provincie Gelderland gelegen grond die op de ambitiekaart is begrensd als bestaande of als nieuwe natuur en op de bij het plafondbesluit gevoegde kaart als eenheid is weergegeven; nieuwe natuur: op de ambitiekaart aangegeven nog niet ingerichte landbouwgronden of voormalige landbouwgronden aangeduid als N00.01 dan wel nog niet ingerichte natuurgronden aangeduid als N00.02, waar het natuurbeheertype of indicatieve verhouding natuurbeheertypen nog niet is gerealiseerd binnen het GNN; [vervallen] onafhankelijke taxateur: persoon die voldoet aan de eisen gesteld in de Mededeling van de Commissie betreffende staatssteunelementen bij verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties (97/C/209/03); overgangsbeheer: beheer dat nodig is na afloop van de inrichting, totdat voor de terreinen een subsidie voor natuurbeheer kan worden aangevraagd; PAS-gebiedsanalyses: ecologische analyse van een stikstofgevoelig PAS-Natura 2000-gebied, deel uitmakend van de passende beoordeling van de PAS, waarin herstel- en andere maatregelen zijn opgenomen die dienen ter verzekering dat de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van soorten niet verder achteruit gaat of verbetert; PAS-maatregel: gebied specifieke maatregel of activiteit, onderzoek of monitoring, opgenomen op de PAS-maatregelenkaarten en ter uitvoering van het PAS-programma en als zodanig opgenomen in een PAS-gebiedsanalyse; PAS-maatregelenkaarten: kaarten ten behoeve van de uitvoering van de PAS-maatregelen; poel: waterelement gelegen in een EVZ met als doeltype "kamsalamander" of waterelement dat bijdraagt aan instandhouding van de boomkikker, heikikker en kamsalamander; prioritaire soorten: soorten als genoemd in bijlage 3 bij de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming; Programma-aanvraag: een aanvraag van een voor natuurbeheer gecertificeerd begunstigde voor meerdere, niet aaneengesloten natuurterreinen; reële marktwaarde: de waarde van grond in het vrije economische verkeer vastgesteld door een onafhankelijk taxateur; lll. rijksbeschermde buitenplaatsen: buitenplaatsen aangewezen als rijksmonument; rode lijst soorten: soorten die zijn vastgesteld bij besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 28 augustus 2009, nr. 25344, houdende vaststelling van geactualiseerde Rode lijsten flora en fauna; rustgebied: rustgebied voor overwinterende beschermde inheemse ganzen dat door Gedeputeerde Staten als zodanig is vastgesteld; soortenbeschermingsmaatregelen: maatregelen gericht op behoud van een of meer prioritaire soorten en/of systeemherstel in de parels zoals opgenomen in de nota Actieve soortenbescherming Gelderland vastgesteld door gedeputeerde staten d.d. 6 januari 2015; Standaard Opbrengst (SO): gestandaardiseerde opbrengst per ha of per dier die met het gewas of de diercategorie gemiddeld op jaarbasis wordt behaald; verhoging van de productiecapaciteit: indien het landbouwbedrijfsgebouw na verplaatsing in staat is om meer producten voort te brengen; verwerving: verkrijging van het recht van eigendom of het recht van erfpacht; voorzieningen: installaties, machines en uitrusting in of aan een landbouwbedrijfsgebouw ten behoeve van de uitoefening van het landbouwbedrijf; zonnepanelen: fotovoltaïsche panelen die zonne-energie omzetten in elektriciteit; agrarisch collectief: vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere gebruikers van landbouwgrond als bedoeld in artikel 3.1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016; duurzaam functioneren van de toplaag: handhaven of herstellen van het op lange termijn functioneren van de werking van het bodem en watersysteem in de bovenlaag van de bodem; grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond, waarop het onderzoek wordt uitgevoerd, te gebruiken; leefgebied SNLG: een leefgebied als bedoeld in artikel 1.1 onder p van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland

  1. Paragraaf 4.2 Landschap en Landgoederen Artikel 4.2.1 Subsidiabele activiteit 1 Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: de aanleg van nieuwe en het herstel van bestaande landschapselementen en cultuurhistorische landschapselementen; de aanleg van poelen; het wegwerken van achterstallig onderhoud aan de volgende elementen: poelen; hagen en heggen en klein historisch water voor zover deze als identiteitsbepalend element zijn aangemerkt in het gemeentelijke landschapsbeleid; lanen ouder dan 60 jaar gelegen op landgoederen; de aanleg van eenvoudige openbaar toegankelijke onverharde paden; de aanleg van kleinschalige recreatieve voorzieningen; de aanleg van eenvoudige houten loopbruggetjes in openbaar toegankelijke routes wanneer de oorspronkelijke brug verdwenen is; burgerparticipatie en het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid bij het landschap; educatieve natuur- en landschapsvoorlichting gericht op jongeren. 2 Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die plaatsvinden op terreinen in eigendom van een publiekrechtelijke rechtspersoon met uitzondering van de terreinen in eigendom van Staatsbosbeheer. Artikel 4.2.2 Criteria 1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de activiteiten passen binnen een (inter)gemeentelijk landschapsbeleid-, landschapsontwikkel- of landschapuitvoeringsplan of een daarmee vergelijkbaar plan dat door de gemeenteraad is vastgesteld; de nieuw aan te leggen landschapselementen, niet zijnde heggen en hagen, aan de volgende omvangscriteria voldoen: de aan te leggen houtopstanden omvatten tenminste 10 are; de aan te leggen rijbeplanting, gerekend over het totaal aantal rijen, omvatten tenminste 20 bomen; de aan te leggen hoogstamfruitgaarden omvatten tenminste 15 en ten hoogste 50 bomen. poelen een minimale omvang hebben van 3 are en de poelen gelegen zijn op een locatie met grondwatertrap 3 of ondieper; heggen en hagen gelegen zijn buiten het GNN; de kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.2, onder a tot en met f, voldoen aan de normen uit het Normenboek Alterra. 2 Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie voor activiteiten die worden uitgevoerd op een bos- of landgoed slechts verstrekt indien: het bos- of landgoed tenminste 50 jaren bestaat; de activiteiten passen binnen een vastgesteld toekomstplan voor het bos- of landgoed en aantoonbaar en duurzaam bijdragen aan het behoud en de versterking van de in dat plan opgenomen landschappelijke kernkwaliteiten. Artikel 4.2.3 Niet-subsidiabele kosten Voor subsidie komen niet in aanmerking kosten voor: natuurontwikkeling binnen het GNN; projectleiding, coördinatie, rapportage, verantwoording; planvorming; aankoop of verkoop van onroerende goederen en waardedaling van grond; ambtelijke inzet. Artikel 4.2.4 Aanvrager 1 Subsidie kan worden verstrekt aan: gemeenten; bos- of landgoedeigenaren. 2 In afwijking van het eerste lid kan subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, onder h, ook worden verstrekt aan stichtingen met als statutaire doelstelling educatieve natuur- en landschapsvoorlichting. 3 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel 4.2.5 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie aan gemeenten bedraagt ten hoogste 75% van de kosten voor activiteiten binnen de begrenzing van de Nationale Landschappen. Voor activiteiten buiten de begrenzing van de Nationale Landschappen bedraagt de subsidie aan gemeenten ten hoogste 50% van de kosten. 2 Voor de subsidie aan gemeenten geldt een minimum van € 25.000 per subsidieaanvraag en een maximum van € 200.000 per gemeente. 3 De subsidie aan bos- en landgoedeigenaren bedraagt ten hoogste 75% van de kosten, met een minimum van € 7.500 per subsidieaanvraag en een maximum van € 200.000 per bos- en landgoedeigenaar. 4 De subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, onder h, bedraagt ten hoogste 25% van de kosten, met een minimum van € 7.500 per subsidieaanvraag en een maximum van € 25.000 per stichting. Artikel 4.2.6 Weigeringsgrond Subsidie wordt geweigerd indien het activiteiten betreft: binnen de begrenzing van een rijks beschermde buitenplaats, met uitzondering van activiteiten gericht op het instandhouden van rode lijstsoorten; of op agrarische bouwpercelen (erfbeplanting). Artikel 4.2.7 Verplichtingen 1 De subsidieontvanger is verplicht een voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 1.4.3 te voorzien van een topografische kaart waarop de activiteiten op een topografische ondergrond zijn vastgelegd. 2 Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor subsidie ontvangen voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, onder g en h. Paragraaf 4.3 Faunavoorzieningen Artikel 4.3.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de aanleg van een faunavoorziening. Artikel 4.3.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt: voorzover de subsidiabele activiteit op een locatie wordt gerealiseerd die gelegen is binnen de aandachtsgebieden die zijn opgenomen in het vigerende programma Ontsnippering Natuur; indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor fauna; op plaatsen binnen het GNN: indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor fauna; op plaatsen buiten het GNN: indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor rode lijst soorten en dassen; of op plaatsen binnen het GNN verbindingen: indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor rode lijst soorten en dassen. Artikel 4.3.3 Subsidiabele kosten Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor: de aanleg van de faunavoorziening; en de kosten voor procesondersteuning en begeleiding. Artikel 4.3.4 Aanvrager 1 Subsidie wordt verstrekt aan: het Rijk voor locaties genoemd in artikel 4.3.2, onder d, waarbij het Rijk eigenaar of beheerder is van openbare infrastructuur; en aan andere eigenaren en beheerders van openbare infrastructuur voor plaatsen als genoemd in artikel 4.3.2, onder a, b en c. 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook aan andere personen dan rechtspersonen worden verstrekt. Artikel 4.3.5 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval gevoegd een GIS kaart met daarop de faunavoorziening en het onderzoek waaruit blijkt dat er sprake is van een knelpunt. Artikel 4.3.6 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 150.
  2. 2 De subsidie als bedoeld in artikel 4.3.3, onder b, bedraagt ten hoogste 10% van de totale subsidie met een maximum van € 15.
  3. Artikel 4.3.7 Weigeringsgrond Subsidie wordt geweigerd indien de faunavoorziening wordt aangelegd op grond van een verplichting tot mitigatie of compensatie. Artikel 4.3.8 Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht na de realisatie van de subsidiabele activiteit een GIS-kaart te overhandigen waarop de aangelegde faunavoorziening staat aangegeven. Paragraaf 4.4 Grondverwerving ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk Artikel 4.4.1 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: de verwerving van een natuurambitieterrein; de beëindiging van pachtovereenkomsten ten aanzien van een natuurambitieterrein; verkrijging van het recht van eigendom van een natuurambitieterrein in combinatie met de waardedaling van gelijktijdig in eigendom verkregen gebouwen als gevolg van functieverandering van het natuurambitieterrein naar natuur. Artikel 4.4.2 Criteria 1 Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, wordt slechts verstrekt voor: de beëindiging van pachtovereenkomsten die reeds waren gevestigd op het moment waarop het natuurambitieterrein door de aanvrager is verworven; en beëindiging van de op het natuurambitieterrein gevestigde pachtovereenkomst indien dat noodzakelijk is vanuit het oogpunt van natuur- of landschapsbescherming, bescherming van cultuurhistorische waarden of bosbouwkundige waarden, of natuurontwikkeling. 2 Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, wordt slechts verstrekt: indien het natuurambitieterrein dat in eigendom wordt verkregen een omvang van ten minste 20 hectare heeft; indien het natuurambitieterrein en de gebouwen deel uitmaken van hetzelfde gebied waarvoor een natuurontwikkelplan is vastgesteld. Artikel 4.4.3 Subsidiabele kosten 1 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a, in aanmerking de kosten voor: verwerving van een natuurambitieterrein tegen de reële marktwaarde; een taxatie door een onafhankelijke taxateur; het kadastraal recht en het registratierecht; veiling; notaris; inschrijving in de openbare registers; overdrachtsbelasting; schenkingsrecht; het afkopen van landinrichtingsrente voor het verworven terrein; vooronderzoek of historisch bodemonderzoek volgens NEN 5725; en milieukundig bodemonderzoek volgens NEN
  4. 2 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, in aanmerking de kosten voor: het vrijmaken van pacht van genoemd terrein, blijkend uit een taxatie door een onafhankelijke taxateur; een taxatie door een onafhankelijke taxateur. 3 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, in aanmerking: de kosten voor de verkrijging in eigendom het natuurambitieterrein als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met k; en het negatieve waardeverschil van de gebouwen ontstaan door het verschil in reële marktwaarde van het natuurambitieterrein in combinatie met de gebouwen op het moment van aankoop en de reële marktwaarde van de combinatie van het natuurambitieterrein met de gebouwen bij feitelijke en publiekrechtelijke functieverandering van het natuurambitieterrein naar natuur, voor zover het aandeel hierin van de gebouwen betreft en blijkend uit een taxatie door een onafhankelijke taxateur waarin de waarde van de gebouwen is gespecificeerd. Artikel 4.4.4 Aanvrager 1 Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a en c, wordt verstrekt aan een ieder die duurzaam natuurbeheer verricht of voldoende aannemelijk maakt dat hij duurzaam natuurbeheer kan en zal verrichten. 2 Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, wordt verstrekt aan een eigenaar van een terrein die duurzaam natuurbeheer verricht of voldoende aannemelijk maakt dat hij duurzaam natuurbeheer kan en zal verrichten. 3 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel 4.4.5 Aanvraag 1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a en c, uiterlijk op de dag voor het passeren van de notariële akte van levering ingediend. 2 In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, uiterlijk op de dag voor de beëindiging van de pachtovereenkomst ingediend. Artikel 4.4.6 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a, bedraagt ten hoogste: 85% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder a; 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder b tot en met j; € 4.500 voor de kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder k. 2 De subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, tweede lid. 3 Voor zover voor verwerving of pachtvrij maken van een natuurambitieterrein subsidie is verstrekt door Gedeputeerde Staten op grond van een andere regeling of door een bestuursorgaan van een ander overheidslichaam, wordt de subsidie zoveel lager verstrekt als noodzakelijk om betaling boven de werkelijke kosten of maximale vergoeding op grond van Europese regels of deze regeling te voorkomen. 4De subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, bedraagt ten hoogste: 85% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder a; 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder b tot en met j; € 4.500 voor de kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder k; 50% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, derde lid, onder b, met een maximum van € 500.
  5. Artikel 4.4.7 Verplichtingen 1De subsidieontvanger is verplicht: zorg te dragen voor de verwerving dan wel pachtvrij maken van het natuurambitieterrein waarvoor hij subsidie ontvangt binnen twaalf weken na de subsidieverlening; het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein direct na verwerving dan wel pachtvrij maken als natuur te beheren; het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein binnen twee jaar na verwerving dan wel pachtvrij maken overeenkomstig de indicatieve verhouding beheertypen dat ingevolge het natuurbeheerplan op dit terrein in stand moet worden gehouden te beheren; zorg te dragen dat het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein tenminste 358 dagen per jaar wordt opengesteld en toegankelijk blijft voor het publiek, tenzij daarvan door Gedeputeerde Staten ontheffing wordt verleend; eventuele opbrengsten van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein uitsluitend aan duurzaam natuurbeheer te besteden; en bij het bevoegd gezag een aanvraag in te dienen tot aanpassing van de bestemming inhoudende dat het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein enkel als natuur mag worden gebruikt. 2Op verzoek van de subsidieontvanger kunnen de termijnen genoemd in het eerste lid, onder a, b en c worden verlengd. 3 Ontheffing als bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt verleend indien: gehele of gedeeltelijke sluiting van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein noodzakelijk is ter voldoening aan de bij of krachtens de Flora- en faunawet gestelde regels voor soortenbescherming of de krachtens de artikelen 10, 10a, 19, 19a en 21 van de Natuurbeschermingswet 1998 voor beschermde natuurmonumenten of Natura 2000-gebieden vastgestelde instandhouding doelstellingen en toegangsbeperkingen; het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein door buiten de macht van de subsidieontvanger gelegen oorzaken blijvend geheel of gedeeltelijk niet bereikbaar of naar zijn aard niet begaanbaar is; sluiting van ten hoogste één hectare van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein wenselijk is vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; of andere belangen gehele of gedeeltelijke sluiting rechtvaardigen. 4 Het is de subsidieontvanger niet toegestaan om het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein te vervreemden, te verpachten of daarop zakelijke rechten te vestigen, behoudens toestemming van Gedeputeerde Staten. 5 De subsidieontvanger is bij vervreemding, verpachting of vestigen van zakelijke rechten verplicht ingevolge deze regeling verstrekte subsidie binnen een termijn van zes maanden terug te betalen aan de provincie Gelderland, tenzij hiervan in de toestemming als bedoeld in het vierde lid ontheffing is verleend. 6 Binnen twaalf weken na verlening van de subsidie sluit de subsidieontvanger met de provincie Gelderland een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is opgenomen: de verplichting, inhoudende dat de subsidieontvanger het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond, het terrein beheert overeenkomstig het natuurbeheertype zoals voorgeschreven in het natuurbeheerplan en datgene nalaat wat de veiligstelling van de ecosystemen met de daarbij behorende soorten in gevaar brengt of verstoort; en dat de verplichting, als bedoeld onder a, zal overgaan op al degenen die het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn al degenen die van de rechthebbende een recht op gebruik van het terrein zullen krijgen. 7De overeenkomst als bedoeld in het zesde lid wordt uiterlijk binnen vier weken na totstandkoming daarvan op last van de subsidieontvanger als kwalitatieve verplichting ten aanzien van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein ingeschreven in de openbare registers. 8 Indien de subsidieontvanger ook andere economische activiteiten verricht dan de verwerving van terreinen ten behoeve van natuurbeheer als bedoeld in deze regeling, is hij verplicht een gescheiden boekhouding te voeren overeenkomstig punt 41 van de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2012/C 8/03). 9 In afwijking van artikel 1.4.1, derde lid, is de subsidieontvanger verplicht de administratie en alle documenten inzake een aan hem verstrekte subsidie gedurende een periode van twintig jaar nadat de subsidie is verleend. Artikel 4.4.8 Verplichtingen bij aanvraag subsidievaststelling 1 Voor zover nodig in afwijking van artikel 25, tweede lid, van de AsG dient de subsidieontvanger binnen 13 weken na afloop van de activiteiten een aanvraag om vaststelling van de subsidie in. 2 Bij de aanvraag om vaststelling wordt een afschrift van de overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.4.7, zevende lid, in de openbare registers ingeschreven kwalitatieve verplichting overlegd. 3 Bij de aanvraag om vaststelling van subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a, worden de volgende gegevens verstrekt: een afschrift van de notariële akte van levering van het terrein of een afschrift van de notariële akte van vestiging van het erfpachtrecht op het terrein; en in voorkomend geval een afschrift van een schriftelijke overeenkomst tot beëindiging van het recht van opstal, vruchtgebruik, erfdienstbaarheden of een de pachtovereenkomst of een afschrift van de uitspraak van de pachtkamer tot ontbinding als bedoeld in artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek. 4 Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, wordt in elk geval een afschrift van een schriftelijke overeenkomst tot beëindiging van de pachtovereenkomst of een afschrift van de uitspraak van de pachtkamer tot ontbinding van de pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek verstrekt. 5 Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, wordt een afschrift van de notariële akte van levering van het natuurambitieterrein en de gebouwen verstrekt. 6 Er wordt vrijstelling verleend van de verplichting genoemd in artikel 27, derde lid, van de AsG. 7 In afwijking van artikel 24, eerste lid, van de AsG dient aanvrager binnen 13 weken na inschrijving van de kwalitatieve verplichting in de openbare register

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.