← Nederland

Verordening van de raad van de gemeente Zutphen houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Zutphen)

In het kort

Deze verordening van de gemeente Zutphen regelt de fysieke leefomgeving, met een focus op de organisatie van markten en de handel op standplaatsen. Het doel is om regels voor de fysieke leefomgeving samen te voegen in één verordening.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Verordening van de raad van de gemeente Zutphen houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving De raad van de gemeente Zutphen, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van datum met numm

Artikel2

:1Inrichting van de markt, branche-indeling Het college bepaalt voor iedere markt: het aantal standplaatsen; de afmetingen van de standplaatsen; de opstelling en indeling van de markt; welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats. Het college kan voor iedere markt vaststellen: een lijst met artikelgroepen of branches; het maximum aantal standplaatsen per branche. Het college kan bepalen, dat: om bijzondere redenen er geen markt wordt gehouden; een markt incidenteel geheel of gedeeltelijk op een andere locatie wordt gehouden. Artikel2:2Nadere regels Het college is bevoegd nadere regels te stellen over het bepaalde in dit hoofdstuk. Afdeling 2.2 Vergunningen Artikel2:3Vergunning Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college. Het is verboden als standwerker op een markt op te treden zonder vergunning van het college. Artikel2:4Vereisten Voor toewijzing van een standplaats of standwerkersplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon, die een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college; gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten, en staat ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Artikel2:5Vrijgekomen standplaats, standplaatsverbeteringslijst Een vergunninghouder van een vaste standplaats, die een verzoek doet voor verbetering van de standplaats, wordt op een daartoe ingestelde standplaatsverbeteringslijst geplaatst. De vergunninghouder wordt op de in het eerste lid bedoelde lijst geplaatst in volgorde van de datum waarop hem voor het eerst een vaste standplaatsvergunning is verleend, met vermelding van de branche waartoe hij behoort of de artikelen die hij verhandelt. Zijn er twee of meer vergunninghouders aan wie op dezelfde datum een eerste vaste standplaatsvergunning is verleend, dan is de datum van het verzoek, zoals vermeld in het eerste lid, bepalend voor de volgorde. Als een standplaats vrijkomt die werd ingenomen door de houder van een vaste standplaatsvergunning, kan deze worden toegewezen aan de hoogstgeplaatste vergunninghouder op de standplaatsverbeteringslijst. Uitgangspunt hierbij is dat de vergunninghouder de afmetingen van de nieuwe standplaats moet aanhouden. Als de plaats bestemd is voor een specifieke branche of artikelgroep, komt alleen een vergunninghouder in aanmerking die aan dat vereiste voldoet. De nieuwe standplaats wordt toegewezen voor de resterende duur van de vergunning. Artikel2:6Doorhalen van plaatsing op de standplaatsverbeteringslijst De plaatsing op de standplaatsverbeteringslijst wordt doorgehaald: als de vergunning van de houder van een vaste standplaats wordt ingetrokken; als de vergunninghouder van een vaste standplaats op grond van artikel 2:5 een nieuwe standplaats toegewezen heeft gekregen. Artikel2:7Vaste standplaatsvergunning, toekenning volgens selectiestelsel Voor de toekenning van vaste standplaatsvergunningen op de markt wordt het selectiestelsel gehanteerd. Het college maakt bekend dat voor de markt: een of meer vaste standplaatsvergunningen kunnen worden verleend; voor welke branche of artikelgroep dit geldt, en binnen welke termijn gegadigden daarvoor een aanvraag kunnen indienen. De bekendmaking geschiedt door openbare kennisgeving in het Gemeenteblad, op de website van de gemeente en de Centrale Vereniging voor de Ambulante Handel. Bij de beoordeling van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximum aantal punten: of het assortiment van de gegadigde een gewenste toevoeging aan het marktassortiment vormt (maximaal 20 punten); de uitstraling van de uitstalling (maximaal 20 punten); het marktverleden van de gegadigde en de indruk die de gegadigde maakt (maximaal 10 punten). Het college legt de aanvragen om advies voor aan een selectiecommissie bestaande uit de marktmeester en twee marktvertegenwoordigers uit verschillende branches. De marktvertegenwoordigers zijn niet afkomstig uit de branche waarin de vacature is. De vaste standplaatsvergunning wordt verleend aan de gegadigde aan wie de meeste punten zijn toegekend. Als er gegadigden zijn met hetzelfde aantal punten vindt verlening plaats na loting. Als in totaal niet meer dan 20 punten worden toegekend, wordt de aanvraag niet verder in behandeling genomen. Artikel2:8Overschrijven vaste standplaatsvergunning Bij overlijden, ondercuratelestelling, het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, (gedeeltelijke) bedrijfsbeëindiging of blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder kan de vaste standplaatsvergunning op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of zijn curator worden overgeschreven op naam van de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam samenwoonde, een kind, broer of zus van de vergunninghouder. Als het bepaalde in het eerste lid geen toepassing kan vinden, kan de vergunning op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of zijn curator worden overgeschreven op een medewerker van de vergunninghouder of de mede-eigenaar van zijn bedrijf als deze ten minste één jaar in loondienst heeft gewerkt bij de vergunninghouder of als mede-eigenaar heeft gefunctioneerd. Bij overlijden, ondercuratelestelling of blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder wordt de aanvraag tot overschrijving binnen twee maanden nadien ingediend. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd of (gedeeltelijke) bedrijfsbeëindiging wordt de aanvraag tot overschrijving ten minste twee maanden van te voren ingediend. Overschrijving van de vaste standplaatsvergunning vindt plaats voor de resterende duur van de vergunning. Artikel2:9Toewijzing dagplaats Voor een dagplaatsvergunning komt in aanmerking degene, die geen vaste standplaats op de markt heeft; aan wie gedurende de voorafgaande 3 maanden niet vaker dan 4 keer een dagplaatsvergunning is verleend; die niet van toewijzing van een dagplaats is uitgesloten op grond van het bepaalde in artikel 2:13, en die zich op de betreffende marktdag vóór aanvang van de markt heeft aangemeld bij de marktmeester. Een dagplaats wordt alleen toegewezen als de aanvrager een artikel of artikelsoort verkoopt dat nog niet op de markt verkrijgbaar is. Als het aantal aanvragers het aantal beschikbare dagplaatsen overtreft, vindt toewijzing plaats na loting door de marktmeester. De loting vindt plaats om 08.00 uur. De loting vindt plaats door middel van een willekeurig gekozen getal, waarna uitgifte van de plaatsen in volgorde van aanmelding plaatsvindt. De marktmeester wijst de opengevallen plaatsen toe aan de aanvragers die zijn ingeloot. Het college kan voor een gegadigde bepalen dat een uitsluitingsgrond vermeld in artikel 2:13, of het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b. niet geldt of dat voor de toepassing daarvan een langere termijn in aanmerking wordt genomen. Artikel2:10Toewijzing standwerkersplaats Voor een standwerkvergunning komt in aanmerking degene, die: geen vaste standplaats op de markt heeft; niet van toewijzing van een standwerkersplaats is uitgesloten op grond van het bepaalde in artikel 2:13, en zich op de betreffende marktdag vóór 08.00 uur heeft aangemeld bij de marktmeester. De branches waar het maximum aantal toe te wijzen vaste standplaatsen is bereikt, kunnen worden aangevuld met ten hoogste één standwerkersplaats. Een standwerker met een artikel dat al op de markt is vertegenwoordigd mag niet met eenzelfde artikel of artikelsoort op de markt hebben gewerkt in een voorafgaande periode van vier weken. Per drie standwerkersplaatsen wordt niet meer dan één standwerker met hetzelfde artikel toegelaten. Als door deze maatregel standwerkersplaatsen open blijven, kan de marktmeester per marktdag bepalen dat dit aantal wordt uitgebreid naar twee. Wanneer het aantal aangemelde standwerkers groter is dan het aantal beschikbare plaatsen, geschiedt toewijzing via loting door de marktmeester. De loting vindt plaats om 08.15 uur. De loting vindt plaats door middel van een willekeurig gekozen getal, waarna uitgifte van de plaatsen in volgorde van aanmelding plaatsvindt. Standwerkers met een artikel of artikelsoort dat nog niet op de markt verkrijgbaar is, hebben daarbij voorrang. Artikel2:11Persoonlijk innemen standplaats, bijstand en vervanging De vaste standplaats wordt persoonlijk ingenomen door de vergunninghouder of door een in de vergunning vermelde vaste vervanger. Per vergunninghouder zijn maximaal twee vaste vervangers toegestaan. Voor vermelding als vaste vervanger op de vergunning komen uitsluitend in aanmerking: de echtgenoot of echtgenote van de vergunninghouder; de geregistreerde partner van de vergunninghouder; een meerderjarig kind van de vergunninghouder; de vennoot van de vergunninghouder; een medewerker van de vergunninghouder. De vaste vervanger kan niet tevens zelf vergunninghouder op de markt zijn en gelijktijdig een of meer vergunninghouders vervangen. De vergunninghouder kan zich laten bijstaan door een of meer personen. De vergunninghouder van een vaste standplaats neemt ten minste een keer per twee weken en tenminste tien keer per dertien weken zijn plaats in op de markt. De vergunninghouder van een vaste standplaats die verhinderd is zijn plaats in te nemen, deelt dit tijdig, indien mogelijk vóór de betreffende marktdag, mee aan de marktmeester, met vermelding van de reden en (verwachte) duur van zijn afwezigheid. Bij ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college de vergunninghouder van een vaste standplaats, als hij geen vaste vervanger heeft, op zijn verzoek voor een bepaalde periode ontheffing verlenen van de in het zesde lid vermelde verplichting. In de in het achtste lid vermelde situaties kan het college, op aanvraag van de vergunninghouder toestaan dat de standplaats wordt ingenomen door een tijdelijke vervanger. De aanvraag vermeldt de reden en de verwachte duur van de afwezigheid van de vergunninghouder en de naam van de beoogde vervanger. De vervanger treedt op namens de vergunninghouder. De rechten – behalve die tot vervanging op grond van het vorige lid – en verplichtingen die bij of op grond van dit hoofdstuk van deze verordening gelden voor de vergunninghouder, zijn van overeenkomstige toepassing op de vervanger. Afdeling 2.3 Intrekken en schorsen vergunningen, uitsluiting Artikel2:12Intrekken en schorsen vaste standplaatsvergunning Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in: op schriftelijke aanvraag van de vergunninghouder, of twee maanden na het overlijden of de ondercuratelestelling van de vergunninghouder, tenzij een aanvraag tot overschrijving is ingediend op grond van het bepaalde in artikel 2:

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vaste standplaatsvergunning, al dan niet voorwaardelijk, intrekken of telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, als: de vergunninghouder ter verkrijging van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt; de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 2:4 vermelde vereisten; de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet; de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat een bij of op grond van dit hoofdstuk van deze verordening gestelde bepaling of de voorschriften van de vergunning overtreedt; de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat direct of indirect de goede gang van zaken of orde op de markt verstoort of in gevaar brengt; de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat het gemeentelijk marktpersoneel belemmert in de uitoefening van zijn taak dan wel de door het marktpersoneel gegeven aanwijzingen niet naleeft; als van de vergunning gedurende ten minste twee maanden geen gebruik is gemaakt, tenzij ontheffing is verleend op grond het bepaalde in artikel 2:11, vijfde lid. Als degene op wie een vergunning op grond van artikel 2:8 is overgeschreven al over een vaste standplaatsvergunning voor de betrokken markt beschikt, dan wordt deze laatste vergunning ingetrokken. Artikel2:13Uitsluiting vergunninghouder van een dagplaats of standwerkersplaats Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, als deze: een bij of op grond van dit hoofdstuk van deze verordening gestelde bepaling overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet; niet als standwerker actief is op een toegewezen standwerkersplaats. Afdeling 2.4 Individuele standplaatsen Artikel2:14Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Het is verboden zonder vergunning van het college een individuele standplaats in te nemen of te hebben. Onverminderd het bepaalde in artikel 11:3 kan de vergunning worden geweigerd: als de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; als, als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente, redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan. Artikel2:15Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college een individuele standplaats wordt of is ingenomen. Artikel2:16Afbakeningsbepalingen Het verbod van artikel 2:14, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, of het Provinciaal wegenreglement. De weigeringsgrond van artikel 2:14, tweede lid, onder a. geldt niet voor bouwwerken. Hoofdstuk3Bodem Artikel3:1Status Het bepaalde in dit hoofdstuk wordt mede aangemerkt als Bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet. Artikel3:2Bodemonderzoek Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid van de Woningwet bestaat uit: de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740; als op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015nl. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk, als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toe, als voor toepassing van artikel 3:3 bij het bevoegd gezag al bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, als uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, niet rechtvaardigen. Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, moet het bodemonderzoek plaatsvinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel3:3Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, en dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel3:4Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3:3 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, als zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/ of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan, als bedoeld in artikel 39, eerste lid van die wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Artikel3:5Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in dit hoofdstuk van deze verordening wordt verwezen, als de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Hoofdstuk4Bomen en houtopstanden Artikel4:1Bomenlijst Het bevoegd gezag stelt eens per 10 jaar een Bomenlijst vast, die kan worden uitgebreid met nieuwe bomen. De Bomenlijst bevat tenminste de volgende gegevens: soort boom of bomen; aantal; straatnaam/ locatie; eigendomsgegevens. De zakelijk gerechtigde van een boom kan het bevoegd gezag verzoeken zijn boom op de Bomenlijst te plaatsen. Het bevoegd gezag stelt een bijdrageregeling vast voor een tegemoetkoming in de kosten die noodzakelijk zijn voor het duurzaam in stand houden van een beschermde boom in privaat eigendom. Artikel4:2Toepassingsbereik kapverbod Het is verboden, zonder vergunning van het bevoegd gezag, bomen met een stamomtrek van 65 cm of meer, gemeten op 130 cm hoogte boven het maaiveld te vellen. Het is verboden bomen en/ of houtopstand, met een stamomtrek van 50 cm of meer, te vellen die zich bevinden binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht. Het is verboden bomen die zijn opgenomen op de Bomenlijst te vellen. Het is verboden houtopstanden te vellen als deze is geplant op grond van artikel 4:8 van deze verordening. In afwijking van het eerste lid geldt voor deze houtopstand, waaronder een of meer bomen, geen minimale stamomtrek. Het is verboden bomen en houtopstanden te vellen die zich bevinden op erven en in tuinen zoals genoemd in het tweede lid, onder b. van artikel 11.111 Besluit activiteiten leefomgeving. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: bomen die moeten worden geveld op grond van de Plantgezondheidswet of vanwege een op grond van artikel 172, tweede lid van de Gemeentewet of artikel 4, tweede lid van de Wet veiligheidsregio’s gegeven bevel; het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan bomen met achterstallig onderhoud; dunning van de bomen; bomen binnen een vastgesteld omgevingsplan in relatie tot een herstructurering, als de uitvoering geschiedt conform dat omgevingsplan. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bomen behorend tot houtopstand als bedoeld in artikel 11.111 Besluit activiteiten leefomgeving zoals: wegbeplanting en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; fruitbomen en windschermen om boomgaarden; fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; kweekgoed; houtopstand die gelegen is buiten de bebouwingscontour, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die: ofwel een oppervlakte beslaat kleiner dan 10 are; ofwel bestaat uit rijbeplanting van minder dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen. Als zich de noodzaak tot onmiddellijke kap voordoet, kan het bevoegd gezag toestemming geven tot noodkap. Dit betreft een schriftelijke toestemming na beoordeling schriftelijke en/ of mondelinge aanvraag tot noodkap. Het besluit treedt onmiddellijk in werking en wordt zo spoedig mogelijk nadien schriftelijk bekend gemaakt. Artikel4:3Criteria ontheffing [vervallen] Artikel4:4Kapverbod overig [vervallen] Artikel4:5Criteria vergunning Het bevoegd gezag kan vergunning om te vellen als bedoeld in artikel 4:2 weigeren dan wel onder voorschriften of beperkingen verlenen. De vergunning kan worden verleend: als de boom of houtopstand gevaar of ernstige hinder veroorzaakt; vanwege een individueel of maatschappelijk belang, dat zwaarder moet wegen dan het belang van behoud van de boom of houtopstand, als bedoeld in het derde lid. De vergunning voor het vellen van een boom of houtopstand wordt geweigerd, als de belangen van verlening niet opwegen tegen het belang van behoud van de boom of houtopstand met het oog op één of meer van de volgende waarden: de ecologische waarde van de boom of houtopstand; de landschappelijke en stedenbouwkundige waarde van de boom of houtopstand; de beeldbepalende waarde van de boom of houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de boom of houtopstand; de waarde voor een goed woon- en leefklimaat. Artikel4:6Bijzondere aanvraagvereisten vergunning Bij de aanvraag om een vergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een aanduiding van de te vellen boom (met stamomtrek) of houtopstand op een kaart, foto of tekening; de reden voor het vellen van de boom of houtopstand; de mogelijkheid tot herbeplanten en, als het voornemen tot herbeplanten bestaat, de locatie daarvan, het aantal en de soorten. Bij een bouwwerk of bij technische ingrepen in het terrein binnen de invloedssfeer van de boom moeten bovendien een bomeneffectanalyse dan wel een advies van een gemeentelijk boomdeskundige en een compensatieplan worden overgelegd. Artikel4:7Bijzondere voorschriften [vervallen] Artikel4:8Herbeplanting- en instandhoudingsplicht Bij vergunningvoorschrift kan een verplichting tot herbeplanten worden opgelegd. Als niet ter plaatse kan worden herbeplant, kan tot de aan een vergunning tot vellen te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat een geldelijke bijdrage gestort moet worden in het gemeentelijke Bomenfonds. Als een boom of houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, legt het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de boom bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting op tot herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste en derde lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herbeplanting en op welke wijze niet aangeslagen herbeplanting moet worden vervangen. Als een boom of houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de boom bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om: overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen; een bomeneffectanalyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Artikel4:9Schadevergoeding [vervallen] Artikel4:10Afstand tot de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op: 0,5 meter voor bomen; nihil voor heesters en heggen in privaat eigendom, en nihil voor bomen, heesters en heggen in gemeentelijk eigendom. Artikel4:11Bestrijding van boomziekten Als zich op een terrein één of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, als hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: de houtopstand te vellen; conform de gemeentelijke richtlijnen de gevelde houtopstanden direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. Het is verboden zonder vergunning van het college gevelde houtopstanden of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, als het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor rekening en risico van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht. Artikel4:12Bescherming gemeentelijke houtopstanden Het is verboden om houtopstand, dat eigendom van de gemeente is te beschadigen, te bekladden, te vellen of te beplakken, daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door of namens ambtenaren ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak. Het is verboden één of meer voorwerpen in of aan een houtopstand in eigendom van de gemeente aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens ontheffing van het bevoegd gezag. Het is verboden binnen de kroonprojectie van een houtopstand, dat in eigendom van de gemeente is, behoudens ontheffing: te graven; grond op te hogen of weg te nemen; te verdichten; in de invloedssfeer van de houtopstand water te onttrekken. Het gestelde in het derde lid geldt niet voor de aanleg, instandhouding inclusief het nemen van maatregelen, waaronder de verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen in of op openbare gronden. Hoofdstuk5Erfgoed Afdeling 5.1 Algemeen Artikel5:1Gemeentelijk erfgoedregister Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens dit hoofdstuk onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed (gemeentelijk erfgoedregister). Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: gegevens over de inschrijving en ter identificatie van: een aangewezen gemeentelijk monument; een karakteristieke bebouwing; gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister, als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid van de Erfgoedwet. Afdeling 5.2 Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel5:2Aanwijzing als gemeentelijk monument Het college kan ambtshalve besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente door zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. Dit artikel is niet van toepassing op rijks- en/ of provinciale monumenten. Het college kan voor de aanwijzing van een gemeentelijk monument bepalen dat er een onderzoek wordt verricht. Artikel5:3Voornemen tot aanwijzing Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 5:2 maakt het college schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Kadasterwet. De zakelijk gerechtigden kunnen binnen zes weken hun zienswijzen naar voren brengen. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel5:4Voorbescherming De bescherming zoals bepaald in afdeling 5.3 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 5:3 is bekendgemaakt. De voorbescherming, als bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel5:5Advies Erfgoedadviesraad Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 5:2 advies aan de Erfgoedadviesraad. De Erfgoedadviesraad brengt binnen 14 weken na ontvangst van de adviesaanvraag een schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. In gevallen, als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid van de Erfgoedwet, brengt de Erfgoedadviesraad in afwijking van het tweede lid binnen 6 weken na ontvangst van de adviesaanvraag advies uit. Artikel5:6Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit Het college beslist binnen 20 weken na ontvangst van het advies, dan wel de zienswijze, als bedoeld in artikel 5:3, eerste lid, als deze op een latere datum dan het advies wordt ontvangen. De aanwijzing bevat in ieder geval; de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument; de datum van aanwijzing; de kadastrale aanduiding, en een beschrijving van het gemeentelijk monument. Artikel5:7Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Kadasterwet. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel5:8Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 5:5 wordt in dat geval aan de Erfgoedadviesraad geen advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, als bedoeld in artikel 5:
  2. Afdeling 5.3 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 5:7 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel5:9Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het gemeentelijk erfgoedregister is afdeling 5.2 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister, als bedoeld in artikel 3.17, derde lid van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld aangebracht in het gemeentelijk erfgoedregister. Afdeling 5.3 Bescherming gemeentelijk monument Artikel5:10Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel5:11Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen voor het uitvoeren van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, als bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen, als bedoeld in het tweede lid. Het college stelt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, eisen aan de deskundigheid en de uitvoering van het onderzoek. Het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden over nader uit te voeren onderzoek, vereiste technische deskundigheid, de uitvoering en materiaaltoepassingen. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, wordt op papier of digitaal ingediend. Het college vraagt bij een aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, de CRKC om advies. De CRKC brengt binnen vier weken na ontvangst van de adviesaanvraag een schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Artikel5:12Weigeringsgronden De vergunning, als bedoeld in artikel 5:11, kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5:11, voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. Afdeling 5.4 Rijksmonumenten Artikel5:13Advies omgevingsvergunning rijksmonument Het college zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de CRKC. De CRKC brengt binnen veertien weken na ontvangst van de afschrift van de ontvankelijke aanvraag een schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Afdeling 5.5 Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten Artikel5:14Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. Het college zendt het voorstel voor advies aan de Erfgoedadviesraad. Artikel 5:5, tweede lid is van overeenkomstige toepassing. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: de plaatselijke aanduiding; de datum van aanwijzing; de gebiedsaanwijzing van het beschermd stads- of dorpsgezicht, en een beschrijving van de daarin vervatte cultuurhistorische waarden. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan, als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld. Het college zendt een voorstel tot besluitvorming, als bedoeld in het zesde en zevende lid, voor advies aan de Erfgoedadviesraad. De Erfgoedadviesraad brengt binnen zes weken na ontvangst van de adviesaanvraag een schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Als een bestemmingsplan, als bedoeld in het zesde of zevende lid, opnieuw moet worden vastgesteld op grond van artikel 3.1, tweede lid van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening, als bedoeld in die wet, vaststellen. Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel5:15Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing, als bedoeld in artikel 5:14, eerste lid wijzigen of intrekken. Artikel 5:14, tweede en derde lid is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid van de Monumentenwet 1988, of beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel5:16Verbodsbepaling en aanvraag vergunning Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te slopen. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. De artikelen 5:11, zevende en achtste lid, 5:12 en 11:7 zijn van overeenkomstige toepassing. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen op grond van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet. Afdeling 5.6 Archeologie Artikel5:17Vangnet archeologie Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument, een archeologisch waardengebied, een archeologisch verwachtingswaardengebied of een bijzonder archeologisch verwachtingswaarden-gebied als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij: deze verstoring plaatsvindt: in een gebied binnen de grens van de binnenstad met een zeer hoge, bekende waarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 5 m2 en de verstoring niet dieper is dan 30 centimeter onder het maaiveld (straat- of terreinniveau) en geen betrekking heeft op verstoringen in kelders of souterrains; in een gebied binnen de grens van de binnenstad met een hoge, bekende waarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 10 m2 en de verstoring niet dieper is dan 30 centimeter onder het maaiveld (straat- of terreinniveau). Deze vrijstelling geldt niet voor verstoringen in kelders of souterrains; in een gebied binnen de grens van de binnenstad met een middelhoge, bekende waarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2 en de verstoring niet dieper is dan 50 centimeter onder het maaiveld (straat- of terreinniveau). Deze vrijstelling geldt niet voor verstoringen in kelders of souterrains; in een gebied binnen de grens van de binnenstad met een lage, bekende waarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 10.000 m2 en de verstoring niet dieper is dan 50 centimeter onder het maaiveld (straat- of terreinniveau); in een gebied binnen de grens van de binnenstad met een middelhoge, verwachte waarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m2 en de verstoring niet dieper is dan 50 centimeter onder het maaiveld (straat- of terreinniveau). Deze vrijstelling geldt niet voor verstoringen in kelders of souterrains; in een gebied binnen de grens van de binnenstad met een lage, verwachte waarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 10.000 m2 en de verstoring niet dieper is dan 50 centimeter onder het maaiveld (straat- of terreinniveau, bouwen op funderingspalen inbegrepen); in een gebied binnen en buiten de grens van de binnenstad met de bijzondere archeologische verwachtingswaarde IJsselbedding en het te verstoren gebied kleiner is dan 1.000 m2 en de verstoring niet dieper is dan 5,50 meter + NAP. Bovendien gelden hier de voorschriften van de gecombineerde waarde of verwachtingswaarde; in een gebied buiten de grens van de binnenstad met een zeer hoge, bekende waarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 5 m2 en de verstoring niet dieper is dan 30 centimeter onder het maaiveld (straat- of terreinniveau). Deze vrijstelling geldt niet voor verstoringen in kelders of souterrains; in een gebied buiten de grens van de binnenstad met een hoge, bekende waarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 50 m2 en de verstoring niet dieper is dan 50 centimeter onder het maaiveld (straat- of terreinniveau). Deze vrijstelling geldt niet voor verstoringen in kelders of souterrains; in een gebied buiten de grens van de binnenstad met een lage, bekende waarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 10.000 m2 en de verstoring niet dieper is dan 50 centimeter onder het maaiveld (straat- of terreinniveau). Deze vrijstelling geldt niet voor verstoringen in kelders of souterrains; in een gebied, aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart, waarvan al bekend is dat de ondergrond dusdanig is verstoord dat er geen archeologische vondsten of sporen meer verwacht worden; in een gebied buiten de grens van de binnenstad met een hoge, verwachte waarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 50 m2 en de verstoring niet dieper is dan 50 centimeter onder het maaiveld (straat- of terreinniveau). Deze vrijstelling geldt niet voor verstoringen in kelders of souterrains; in een gebied buiten de grens van de binnenstad met een middelhoge, verwachte waarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m2 en de verstoring niet dieper is dan 50 centimeter onder het maaiveld (straat- of terreinniveau). Deze vrijstelling geldt niet voor verstoringen in kelders of souterrains; in een gebied buiten de grens van de binnenstad met een lage, verwachte waarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 10.000 m2 en de verstoring niet dieper is dan 50 centimeter onder het maaiveld (straat- of terreinniveau). Deze vrijstelling geldt niet voor verstoringen in kelders of souterrains; voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; de activiteit plaatsvindt op basis van een rapport over de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Artikel5:18Opgravingen en begeleiding Als binnen het grondgebied van de gemeente onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 5.1, eerste lid van de Erfgoedwet, moet, onverminderd de overige bepalingen van deze wet: het college een programma van eisen vaststellen als bedoeld in artikel 1:5, aanhef en onder o. van Bijlage 1 bij deze verordening waarbij nadere regels worden gesteld voor het onderzoek; de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1:5, aanhef en onder n. van Bijlage 1 bij deze verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag overleggen. In de nadere regels neemt het college bepalingen op over het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek moeten aanwijzingen van het college in acht worden genomen. Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische monumentenzorg. Artikel5:19Procedure Artikel 5:11, zesde, zevende en achtste lid, artikel 5:12, eerste lid en artikel 11:7 zijn van overeenkomstige toepassing op artikel 5:17, aanhef en onder d. en e. en artikel 5:18, eerste lid, aanhef en onder b.. Afdeling 5.7 Instandhouding bovengrondse cultuurhistorische waarden Artikel5:20Bestemmingsplannen In de toelichting op een bestemmingsplan wordt ten minste opgenomen: een beschrijving van de bovengrondse cultuurhistorische waarden en monumenten in en de directe omgeving van het plangebied volgens een door het college vastgestelde werkwijze; zo nodig een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige bovengrondse cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden; een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het plan begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied. Het college vraagt, voor de behandeling in de raad, advies aan de Erfgoedadviesraad ten aanzien van de juiste weging van cultuurhistorische waarden. Het college vraagt voor de toelichting, als bedoeld in het eerste lid, de Erfgoedadviesraad om advies. Hoofdstuk 6 Havens en kades Afdeling 6.

Artikel6

:1Toepassingsgebied Dit hoofdstuk is van toepassing op de havens, de kades langs een haven en het kadegedeelte langs de IJssel. Dit hoofdstuk is tevens van toepassing op vaartuigen die buiten een haven, maar binnen de gemeente direct of indirect gemeerd liggen aan de kades, aanlegsteigers, meerpalen of andere voorzieningen in beheer bij de gemeente. Artikel6:2Verplichtingen van houders van een vergunning of ontheffing Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, houdt deze, of een (digitale) kopie daarvan, aan boord van het schip waarop deze betrekking heeft, tenzij het een schip zonder bemanningsverblijf betreft. Artikel6:3Normadressaat Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, is de schipper verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of op grond van dit hoofdstuk. Bij afwezigheid van een schipper, is de exploitant verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of op grond van dit hoofdstuk. Artikel6:4Nadere regels Het college kan in het kader van de orde, de veiligheid, de bescherming van het milieu, de kwaliteit van de dienstverlening in of in de omgeving van de haven of de kade of ter voorkoming van gevaar, schade of hinder, nadere regels stellen over: de gegevens die aan de havenmeester moeten worden gemeld voordat: met een schip een haven wordt aangedaan; ligplaats wordt ingenomen, of bepaalde activiteiten worden ondernomen; de wijze waarop de melding, bedoeld onder a., moet plaatsvinden; de wijze waarop een aanvraag om vergunning of ontheffing moet plaatsvinden; de voorwaarden waaronder een schip zich in een door het college aangewezen gebied mag bevinden, die betrekking kunnen hebben op daar te ondernemen activiteiten en op eisen waaraan een schip of bemanning moeten voldoen om deze activiteiten te mogen ondernemen; de aanvraag om vergunning of ontheffing als bedoeld in de artikelen 6:7 en 6:23; de wijze van afmeren van een schip en het innemen van een ligplaats. Afdeling 6.2 Ordening en gebruik van de haven en de kade Artikel6:5Verkeerstekens Het college kan in de haven en aan de kade verkeerstekens plaatsen die zijn vermeld in het Binnenvaartpolitiereglement en deze voorzien van nadere aanduidingen. Een verkeersteken en de daarbij behorende nadere aanduidingen moeten worden nageleefd. Wat in het eerste en tweede lid staat, is van overeenkomstige toepassing op een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken. Artikel6:6Ligplaatsenoverzicht Het college kan per haven een ligplaatsenoverzicht vaststellen, met daarop aangegeven: de plaatsen die bestemd zijn om ligplaats te nemen; indien van toepassing, de plaatsen die bestemd zijn voor bepaalde categorieën schepen; indien van toepassing, de plaatsen die bestemd zijn voor ligplaatsvergunninghouders. Artikel6:7Verbod nemen ligplaats Het is verboden zonder vergunning een schip ligplaats te doen nemen op een plaats die: niet als ligplaats is aangewezen; is aangewezen voor een schip van een andere categorie; is aangewezen als plaats voor ligplaatsvergunninghouders. Het in het eerste lid, aanhef en onder a. bedoelde verbod geldt niet als het ligplaats nemen gebeurt in overeenstemming met de geplaatste verkeerstekens en de daarbij behorende nadere aanduidingen. Het in het eerste lid, aanhef en onder c. bedoelde verbod geldt niet als aan de exploitant of schipper van het schip voor die ligplaats vergunning of ontheffing is verleend. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel6:8Duur verblijf in haven of aan kade Het is verboden met een schip langer dan 48 uur achtereen te verblijven in de haven of aan de IJsselkade. Als een schip terugkeert in de haven of aan de IJsselkade zonder dat er sprake is geweest van bedrijfsmatig vervoer als bedoeld in artikel 1 van de Binnenvaartwet, wordt de looptijd of overschrijding van de periode, bedoeld in het eerste lid, geacht niet te zijn onderbroken of beëindigd. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel6:9Voorzieningen en voorwerpen Het is verboden in het gebied, zoals weergegeven op de bij dit hoofdstuk behorende kaart, voorzieningen of voorwerpen in, op, onder of boven openbaar water te hebben, te plaatsen of aan te brengen, als daardoor gevaar, schade of hinder kan ontstaan. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het hebben, plaatsen of aanbrengen van scheepstoebehoren en voorzieningen die dienen, en als zodanig in gebruik zijn, voor het laden en lossen van schepen. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel6:10Verhalen van schepen Het college kan een exploitant of schipper schriftelijk opdragen een schip te verhalen of te doen verhalen naar een andere ligplaats, als dit in het kader van de bescherming van de orde, de veiligheid of het milieu in of in de omgeving van de haven of de kade noodzakelijk is. Als geen gevolg wordt gegeven aan de opdracht een schip te verhalen kan het college het schip voor rekening en risico van de exploitant of schipper verhalen of doen verhalen. In spoedeisende gevallen of als de exploitant of schipper onbekend is, kan het college het schip voor rekening en risico van de exploitant of schipper direct verhalen of doen verhalen. Artikel6:11Gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven Het is verboden voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven te gebruiken als het schip: aan de grond zit; gemeerd, ten anker of op spudpalen ligt, of ter hoogte van de kade of oever wordt gaande gehouden of tegen de kade of oever wordt gedrukt, anders dan nodig voor het ontmeren of afmeren. Tijdens het gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven is een persoon die bekend is met de bediening van het schip in de stuurhut aanwezig. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als het een aan een ander schip gemeerd bunker- of bevoorradingsschip betreft, dat moet bij- of afdraaien om schade te voorkomen. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel6:12Plezier- en zeilvaart in de haven Het is verboden zich met een pleziervaartuig, waarmee al dan niet eveneens bedrijfsmatig wordt gevaren, in de haven te bevinden, tenzij: het schip ligplaats heeft genomen in overeenstemming met het ligplaatsenoverzicht, de geplaatste verkeerstekens en de daarbij behorende nadere aanduidingen, of het schip zich rechtstreeks en zonder onderbreking begeeft naar een in de haven gelegen ligplaats waar het in overeenstemming met het ligplaatsenoverzicht, de geplaatste verkeerstekens en de daarbij behorende nadere aanduidingen, ligplaats inneemt. Het is verboden met een schip dat uitsluitend door middel van zeilen wordt voortbewogen te varen in de Industriehaven, zoals deze is weergegeven op bij dit hoofdstuk behorende kaart. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen, ook bij een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zutphen. Artikel6:13Overlast aan schepen Tenzij bij of op grond van dit hoofdstuk anders bepaald, mogen alleen rechthebbenden een schip vasthouden, zich daarop bevinden of losmaken. Artikel6:14Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade Een bedrijfsstoring, gebrek en/ of schade aan of aan boord van een schip die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken aan het schip of de omgeving, moet direct aan de havenmeester worden gemeld. De in het eerste lid bedoelde melding vindt plaats per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal of per e-mail. Artikel6:15Maatregelen bij ijsgang of dichtgevroren water Bij ijsgang of dichtgevroren water in de haven is de exploitant of schipper verplicht, als hij met zijn schip een ligplaats wil innemen of verlaten, of een aanwijzing van het college daartoe ontvangt, voor zijn rekening en risico zo nodig het ijs te breken of een sleepboot te gebruiken. Artikel6:16Aanwijzen gebieden Het college kan gebieden aanwijzen waar schepen zich alleen mogen bevinden, daaronder begrepen het nemen van ligplaats, onder de door het college nader te bepalen voorwaarden. Het college kan in de aanwijzing perioden aangeven waarbinnen de aanwijzing van toepassing is. Afdeling 6.3 Veiligheid en bescherming milieu in en in de omgeving van de haven en kade Artikel6:17Verontreiniging van lucht; stank, hinder of risico veroorzakende stoffen Het is verboden stoffen uit een schip te laten ontsnappen, waardoor gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan. Artikel6:18Gebruik afvalverbrandingsoven Het is verboden aan boord van een schip een afvalverbrandingsoven te gebruiken. Artikel6:19Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of voorwerpen Degene door wiens toedoen een voorwerp of stof vrijkomt of in het openbaar water terechtkomt, waardoor gevaar, schade of hinder wordt of kan worden veroorzaakt, zorgt ervoor dat: daarvan onmiddellijk kennis wordt gegeven aan de havenmeester, en de stof of het voorwerp onmiddellijk wordt verwijderd, tenzij dit redelijkerwijs niet uitvoerbaar is. Artikel6:20Veilige toegang Een afgemeerd schip beschikt over een toegang die geen gevaar of schade kan veroorzaken. Een binnenschip hoeft niet over een toegang te beschikken als: de feitelijke situatie dit onmogelijk maakt door laad- of loshandelingen, of het afmeren van korte duur is. Artikel6:21Verbod gebruik hoofdmotor Het is verboden aan de IJsselkade en in de Industriehaven, zoals deze zijn weergegeven op de bij dit hoofdstuk behorende kaart, op een afgemeerd schip de hoofdmotor in werking te hebben, behalve direct voor vertrek of vlak na aankomst van het schip. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel6:22Laden en lossen Het is verboden te laden of te lossen op een schip dat op ondeugdelijke wijze is afgemeerd. Het is verboden om de Safe Working Load van aan de wal geplaatste bolders te overschrijden. De Safe Working Load van bolders geldt bij een verticale troshoek van maximaal 45 graden. Het college kan van het in dit artikel bepaalde ontheffing verlenen. Artikel6:23Gebruik van ankers Het is verboden een anker te gebruiken, tenzij: ligplaats wordt genomen in een boeienspan of een palenligplaats, of dit gebeurt door een drijvende kraan, waarbij zeker is gesteld dat gebruik van een anker geen schade toebrengt aan de in de onderwaterbodem aangebrachte leidingen, kabels, duikers of oever- of kadeverdedigingswerken en het voornemen daartoe overeenkomstig het tweede lid aan de havenmeester is gemeld. De in het eerste lid, onder b. bedoelde melding vindt direct plaats per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal of per e-mail. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel6:24Gebruik generator door binnenschepen Het is verboden om in een haven en aan de IJsselkade aan boord van een binnenschip een generator te gebruiken, behalve direct voor vertrek of vlak na aankomst. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel6:25Verrichten van werkzaamheden Het is verboden om aan, buitenboord of onder een schip of aan een voorwerp aan boord van een schip werkzaamheden te verrichten of doen verrichten, die verband houden met de bedrijfsgereedheid, de aanpassing, het herstel of de verbetering van het schip of het voorwerp, tenzij: het schip ligplaats heeft op of bij een scheepswerf of herstellingsinrichting waarvoor een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend, of per scheepsbezoek aan de haven de te verrichten werkzaamheden ten hoogste drie dagen in beslag nemen en er door de werkzaamheden geen gevaar, schade of hinder kan ontstaan, en: als de werkzaamheden plaatsvinden op een tankschip of aan of in een brandstoftank van een schip en er voor de reparatiewerkzaamheden door een gasdeskundige als bedoeld in artikel 4.1 van de Arbeidsomstandighedenregeling een Veiligheids- en Gezondheidsverklaring is afgegeven voor de uit te voeren werkzaamheden; doelmatige brandblusmiddelen en personen die met het gebruik van die middelen bekend zijn beschikbaar zijn, én de werkzaamheden plaatsvinden op ten minste 25 meter van gevaarlijke stoffen of brandbaar materiaal. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel6:26Ontsmetten van schepen Het is verboden een schip of de lading te ontsmetten door het te behandelen met gassen of met stoffen die gassen afstaan. In afwijking van het eerste lid is het verboden een schip, geladen met los gestorte bulklading in vaste vorm die is behandeld met gassen of met stoffen die gassen afstaan, te ontsmetten, tenzij dit wordt gedaan door een gasmeetdeskundige die in het bezit is van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, tweede en vierde lid van de Wet gewasbescherming en biociden, en er voor het schip een verklaring is afgegeven dat het schip en de lading voldoende vrij zijn van gassen of stoffen. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Afdeling 6.4 Toezicht en handhaving Artikel6:27Aanwijzingen Het college kan mondeling of schriftelijk aanwijzingen geven in het belang van de orde en veiligheid in de haven en de kade, in het bijzonder ter regeling van het scheepvaartverkeer, het nemen van ligplaats en ter voorkoming van gevaar, schade of hinder. Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is verplicht de aanwijzing onmiddellijk op te volgen. Hoofdstuk7Hemelwaterafvoer (Gereserveerd) Hoofdstuk8Omgevingshinder Afdeling 8.1 Geluidhinder Artikel8:1Aanwijzing collectieve festiviteiten De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 8:3 van dit hoofdstuk, gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. In een aanwijzing, als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen: Zutphen centrum; overig Zutphen; Warnsveld dorpskern; overig Warnsveld. Het maximum aantal dagen of dagdelen dat kan worden aangewezen is 8 voor de gebieden, vermeld in het derde lid, onder a. en c., en 4 voor de gebieden, vermeld in het derde lid, onder b. en d.. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 65 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter of op 50 meter afstand als het dichtstbijgelegen gevoelige gebouw op meer dan 50 meter afstand ligt. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt in in- en aanpandige gebouwen niet meer dan 50 dB(A) in de periode van 7.00-19.00 uur en 45 dB(A) in de periode van 19.00-24.00 uur. Bij het bepalen van de geluidswaarde, als bedoeld in het zevende lid, worden geen correcties toegepast voor tonaal en muziekgeluid. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 8:3 van dit hoofdstuk - uiterlijk om 24.00 uur beëindigd. Artikel8:2Melding incidentele festiviteiten Het is een inrichting in de delen ‘Zutphen centrum’ en ‘Warnsveld dorpskern’ toegestaan maximaal 4 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 8:3 van dit hoofdstuk niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan melding heeft gedaan. Het is een inrichting in de delen ‘overig Zutphen’ en ‘overig Warnsveld’ toegestaan maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 8:3 van dit hoofdstuk niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan melding heeft gedaan. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden voor sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan melding heeft gedaan. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 65 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter of op 50 meter afstand als het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw op meer dan 50 meter afstand van de inrichting ligt. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt in in- en aanpandige gebouwen niet meer dan 50 dB(A) in de periode van 7.00 -19.00 uur en 45 dB(A) in de periode van 19.00 - 24.00 uur. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 8:3 van dit hoofdstuk - uiterlijk om 24.00 uur beëindigd. Bij het bepalen van de geluidswaarde, als bedoeld in het zevende lid, worden geen correcties toegepast voor tonaal en muziekgeluid. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. De houder van een inrichting die een melding, als bedoeld in dit artikel, heeft gedaan, moet omwonenden minimaal een week van tevoren informeren over de te houden festiviteit. Artikel8:3Onversterkte muziek Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f. en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d. van het Besluit geluidhinder gelden; bij het bepalen van de geluidsniveaus, zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast; Tabel 7.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-7.00 uur LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) Het eerste lid geldt niet als artikel 8:1 of artikel 8:2 van toepassing is. Artikel8:4Overige geluidhinder Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, als bedoeld in het eerste lid. Het college kan vrijstelling verlenen van het verbod voor bepaalde, door het college aangewezen handelingen, mits de door het college te stellen algemene regels worden nageleefd. Afdeling 8.2 Diverse hinder Artikel8:5Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in Bijlage 1, artikel 1.8 onder i. of onderdelen daarvan, als het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. Het college kan bij de aanwijzing, als bedoeld in het eerste en tweede lid, nadere regels stellen. Artikel8:6Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, als bedoeld in het eerste lid. Onverminderd het bepaalde in artikel 12:3 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; de bescherming van een stadsgezicht. Artikel8:7Aanwijzing kampeerplaatsen Het verbod van artikel 8:6, eerste lid is niet van toepassing op een door het college aangewezen plaats. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen vermeld in artikel 8:6, vierde lid, onder a. en b.. Artikel8:8Crossterreinen Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Artikel8:9Beperking verkeer in natuurgebieden Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden; de veiligheid van het publiek. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d. bedoelde personen. Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing: op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, als bedoeld in het eerste lid. Artikel8:10Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen Onverminderd het bepaalde in artikel 8:9 kan het college ten aanzien van door hem bij besluit aangewezen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik bedoelde terreinen voorschriften stellen: in het belang van de openbare orde; in het belang van de zedelijkheid; ter voorkoming van gevaar, schade en overlast; ter bescherming van het milieu; in het belang van de volksgezondheid. Hoofdstuk9Ondergrondse infrastructuren Afdeling 9.1 Inleidende bepalingen Artikel9:1Toepasselijkheid Dit hoofdstuk is van toepassing op de procedures en voorschriften voor de aanleg, instandhouding inclusief het nemen van maatregelen, waaronder de verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen in of op openbare gronden. Artikel9:2Nadere regels Het college kan ter uitvoering van dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Deze nadere regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verlegging, verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen, het medegebruik van voorzieningen en het opstellen van voorschriften op het gebied van markering, afzetting en het toepassen van proefsleuven. Afdeling 9.2 Aanvragen en melden van graafwerkzaamheden Artikel9:3Instemmingsvereiste Het is verboden zonder of in afwijking van het door het college verleende instemmingsbesluit en zonder de afstemming van voorgenomen werkzaamheden met overige netbeheerders, kabels en/ of leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, in stand te houden, te wijzigen, te verplaatsen of op te ruimen. Ook voor werkzaamheden van minder ingrijpende aard als bedoeld in Bijlage 1, artikel 1:9, onderdeel u. is een instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, nodig. Het instemmingsbesluit vervalt als daarvan niet uiterlijk binnen 12 maanden na afgifte van het besluit gebruik wordt gemaakt. Artikel9:4Aanvragen en melden Een grondroerder die werkzaamheden wil verrichten, vraagt daarvoor een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 9:3, aan bij het college. Een grondroerder die werkzaamheden wil verrichten kan hierover vooroverleg voeren met het college om de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden. Voor het aanvragen van een instemmingsbesluit, als bedoeld in dit artikel, moet gebruik worden gemaakt van het daartoe door het college vastgestelde formulier. Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op gronden van een andere gedoogplichtige dan de gemeente Zutphen, wordt uiterlijk vier weken na ontvangst van de aanvraag, als vermeld in het eerste lid, het college schriftelijk in kennis gesteld van de uitkomsten van het (voor)overleg tussen de grondroerder en de overige gedoogplichtige(n). Het bovenstaande geldt niet voor zover artikel 5.5 van de Telecommunicatiewet van toepassing is. Bij spoedeisende werkzaamheden, als bedoeld in Bijlage 1, artikel 1:9, onderdeel p., volstaat een melding bij voorkeur voorafgaand aan de start van de werkzaamheden via het meldsysteem als bedoeld in Bijlage 1, artikel 1:9, onderdeel p.. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk binnen één werkdag na de uitvoering gemotiveerd worden gedaan aan het college, eveneens via het meldsysteem als bedoeld in Bijlage 1, artikel 1:9, onderdeel o.. Als werkzaamheden worden verricht in de gebieden die staan aangegeven op een bij dit hoofdstuk van deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart is de uitzonderingsbepaling voor spoedeisende werkzaamheden, als bedoeld in het vijfde lid, niet van toepassing. Artikel9:5Gegevensverstrekking Bij een aanvraag voor een instemmingsbesluit moeten in ieder geval de volgende gegevens worden verstrekt: een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel bij de eerste aanvraag van ieder kalenderjaar; een schriftelijke machtiging als het een aanvraag betreft voor de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels of leidingen voor of namens een netbeheerder; NAW-gegevens van de eigenaar, beheerder en exploitant van de kabels en/ of leidingen, naam en adres van de aannemer(s) en onderaannemer(s) die belast zijn met de werkzaamheden, maar ook de naam en telefoonnummer van de uitvoerder, zijnde een Nederlands sprekende contactpersoon voor de werkzaamheden; een opgave van het aantal, de soort en het beoogde gebruik van de kabels en/ of leidingen; welke belanghebbenden en instanties vooraf in kennis worden gesteld van de voorgenomen datum van aanvang, beëindiging en aard van de werkzaamheden; een uitvoeringsplan met daarin opgenomen: een opgave van het gewenste tracé; een tekening op witdruk in schaal 1:1.000 of 1:500 met daarop aangegeven het gewenste tracé en één of meerdere straatnamen ter plaatse van de werkzaamheden en een doorsnede van zowel de bestaande als de nieuwe inhoud van de sleuf inclusief een geactualiseerde ondergrond; de resultaten van het haalbaarheidsonderzoek over de beschikbare ruimte; een opgave van de objecten die ten tijde van de werkzaamheden worden geplaatst, van permanente als tijdelijke aard, maar ook van de situering daarvan; een omschrijving van eventuele opbrekingen; de maatregelen die de bereikbaarheid van in de openbare gronden aanwezige kabels en/ of leidingen waarborgen; het voorgenomen tijdstip van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden. Als de werkzaamheden betrekking hebben op kabels en/ of leidingen van elektronische communicatienetwerken moeten, aanvullend op het eerste lid, bij de aanvraag ook de volgende gegevens worden verstrekt: een opgave van het aantal kabels en/ of leidingen dat direct in gebruik wordt genomen en een opgave van het aantal kabels en/ of leidingen dat niet direct in gebruik wordt genomen; de doorsnede van de kabel(goot) en lengte en breedte van de kabelsleuf. Bij de aanvraag voor een instemmingsbesluit voor werkzaamheden van minder ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 9:3, eerste lid, moeten in ieder geval de volgende gegevens worden verstrekt: een schriftelijke machtiging als het een aanvraag betreft voor de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/ of leidingen voor of namens een netbeheerder; NAW-gegevens van de eigenaar, beheerder en exploitant van de kabels en/ of leidingen, naam en adres van de aannemer(s) en onderaannemer(s) die belast zijn met de werkzaamheden, maar ook de naam en telefoonnummer van de uitvoerder, zijnde een Nederlands sprekende contactpersoon voor de werkzaamheden; de dagtekening van de melding; de lengte van de sleuf die wordt opengebroken; het oppervlak van het lasgat dat wordt opengebroken. Het college kan nadere regels stellen over de te verstrekken gegevens en over de wijze waarop die moeten worden verstrekt. Artikel9:6Beslistermijnen Een beslissing op een instemmingsaanvraag wordt genomen uiterlijk acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag. Betreft het een aanvraag waarbij meerdere gedoogplichtigen zijn betrokken, dan beslist het college binnen acht weken na de dag van ontvangst van een volledig ingevulde aanvraag. De termijnen, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen eenmaal met ten hoogste acht weken worden verdaagd. Als van de bevoegdheid tot verdaging gebruik wordt gemaakt, stuurt het college vóór afloop van de termijnen zoals vermeld in het eerste en tweede lid, een schriftelijke bevestiging met motivering aan de grondroerder. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Artikel9:7Voorschriften en/ of beperkingen Het college kan met inachtneming van de uitvoeringsvoorschriften aan het instemmingsbesluit nadere voorschriften en/ of beperkingen verbinden in het belang van: de openbare orde; veiligheid, waaronder ook wordt verstaan: de verkeersveiligheid en/ of een goede doorstroming van het verkeer; het voorkomen of beperken van schade of overlast, waaronder ook wordt verstaan: de bescherming van eventuele archeologische vondsten, van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving; de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder ook wordt verstaan: het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen en het doelmatig beheer en onderhoud ervan en het belang van nader aan te geven grote lokale evenementen als weekmarkten en kermissen; de ondergrondse ordening, waaronder ook wordt verstaan: het zo min mogelijk hinder veroorzaken voor al in de grond aanwezige werken en het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze werken, waaronder ook verstaan worden: werken voor de riolering en de levering of het transport van elektronische informatie, gas, water en elektriciteit. De voorschriften en/ of beperkingen, zoals vermeld in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering bij aanleg, instandhouding, opruiming, onderhoud en verplaatsing van kabels en leidingen; het medegebruik van voorzieningen, zoals kabelgoten en geleidingen, die door derden of de gemeente Zutphen tegen marktconforme prijzen ter beschikking worden gesteld; een zekerheidsstelling voor de nakoming van verplichtingen die gesteld zijn bij de voorschriften en beperkingen aan het instemmingsbesluit; afmetingen van kasten en andere toebehoren behorende bij het netwerk. De wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen en medegebruik van voorzieningen moet gebeuren conform in de gemeente van toepassing zijnde uitvoeringsvoorschriften, zoals bedoeld in Bijlage 1, artikel 1:9, onderdeel q.. De grondroerder is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en beplanting terug te brengen in de oude staat, tenzij het college vooraf heeft aangegeven hier zelf zorg voor te willen dragen. De grondroerder draagt de marktconforme kosten voor herstel die gebaseerd zijn op de uitvoeringsvoorschriften zoals bedoeld in Bijlage 1, artikel 1:9, onderdeel q.. Als binnen vijf jaar na groot onderhoud of herinrichting van openbare gronden een grondroerder werkzaamheden moet uitvoeren, verlangt het college specifiek schadeherstel om de situatie terug te brengen in de oude staat. De hiermee gepaard gaande kosten zijn voor rekening van de grondroerder. De grondroerder vergoedt aan de gemeente Zutphen de schade voortvloeiend uit de werkzaamheden, waarbij de omvang beperkt is tot vergoeding van de marktconforme kosten van de door de gemeente ter beschikking gestelde voorzieningen en van de meerdere marktconforme kosten van onderhoud. Het verkrijgen van een instemmingsbesluit laat onverlet dat in voorkomende gevallen ook een omgevingsvergunning is vereist. Het college draagt zorg voor een samenhangende behandeling van vergunning en aanvraag voor een instemmingsbesluit. Het college kan, onverminderd het bepaalde in derde lid het instemmingsbesluit wijzigen of intrekken, als: de exploitant van de kabels en/ of leidingen niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het instemmingsbesluit met de werkzaamheden als omschreven in het instemmingsbesluit is begonnen; de in het instemmingsbesluit vermelde werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen; blijkt dat het instemmingsbesluit op basis van onjuiste en/ of onvolledige gegevens is verleend; het instemmingsbesluit in strijd met enig wettelijk voorschrift is afgegeven; de exploitant van de kabels en/ of leidingen het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de uitvoeringsvoorschriften niet naleeft; dit noodzakelijk is vanwege de uitvoering van werken. Het college gaat niet over tot intrekking of wijziging van het instemmingsbesluit dan nadat het college de houder van het instemmingsbesluit heeft gehoord. Aan het besluit tot wijziging of intrekking van het instemmingsbesluit kan de verplichting worden verbonden om de betreffende leiding(en) te verleggen/ verplaatsen en/ of deze te verwijderen. Artikel9:8(Mede)Gebruik van voorzieningen en vooroverleg Een grondroerder moet op verzoek van het college bij de aanleg van kabels en leidingen in openbare gronden zoveel mogelijk (mede)gebruik maken van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde, voorzieningen. Deze verplichting geldt als dit technisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid. Het vooroverleg als bedoeld in artikel 9:4, tweede lid dan wel een door het college geïnitieerd overleg naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in artikel 9:4, eerste lid is er ook op gericht te bepalen of en zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid. Als een grondroerder een marktconform aanbod wordt gedaan om gebruik te maken van vooraangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, of kabel- en leidingentunnels, is een grondroerder verplicht om voor de aanleg of uitbreiding van zijn netwerk van deze voorzieningen gebruik te maken. Als de openbare gronden geen ruimte bieden voor de aanleg van nieuwe kabels en leidingen, moet een grondroerder een alternatief tracé kiezen. Afdeling 9.3 Overige bepalingen Artikel9.9Verleggen van netten Op het nemen van maatregelen bij kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, waaronder het verplaatsen, op verzoek van de gemeente zijn de wettelijke regels van de Telecommunicatiewet van toepassing. Op het nemen van maatregelen bij kabels en/ of leidingen die ten dienste staan van een netwerk voor nutsvoorzieningen in of op openbare gronden en niet vallend onder het eerste lid, waaronder het verplaatsen op verzoek van de gemeente of het anderszins nemen van maatregelen over in of op openbare grond aanwezige kabels en/ of leidingen, zijn de door het college vastgestelde regels van toepassing, tenzij en voor zover daarover andersluidende afspraken zijn overeengekomen tussen partijen: de netbeheerder is verplicht op verzoek van de gemeente (aanwijzing) over te gaan tot het nemen van maatregelen voor kabels en/ of leidingen ten dienste van zijn netwerk, waaronder het verplaatsen, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege de gemeente; de gemeente en de netbeheerder zullen bij verwijdering, verlegging of aanpassing van kabels en/ of leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken. Na een verzoek tot het nemen van maatregelen gaat de netbeheerder zo snel mogelijk over tot de uitvoering, maar niet later dan twaalf weken na de datum van ontvangst van het verzoek; de door het college vastgestelde regels zijn van toepassing voor een op aanvraag toe te kennen financiële tegemoetkoming (bij wijze van nadeelcompensatie) in het geval dat een netbeheerder schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel tot het normale bedrijfsrisico kan worden gerekend en de vergoeding van deze schade niet op een andere wijze is verzekerd. Deze beleidsregels over nadeelcompensatie zijn vastgelegd als “Nadeelcompensatieregeling kabels en leidingen UNOG gemeente Zutphen”. Artikel9:10Breekverbod Als er sprake is van extreme weersomstandigheden is het college bevoegd een breekverbod in te stellen. Of er sprake is van extreme weersomstandigheden is naar het oordeel van het college. Tijdig of in ieder geval één dag voor beëindiging van het breekverbod, informeert het college de betrokken grondroerders hierover. Betrokken grondroerders worden schriftelijk geïnformeerd over het breekverbod. Als er sprake is van een breekverbod is het verboden breek- en graafwerkzaamheden uit te voeren in de openbare grond en/ of bestrating. Het breekverbod is niet van toepassing bij spoedeisende werkzaamheden als gevolg van een ernstige belemmering of storing en waarvan uitstel niet mogelijk is. Artikel9:11Eigendom Als het eigendom, exploitatie of beheer van de kabel of leiding wordt overgedragen aan een andere netbeheerder, gaan de rechten en plichten volgens deze verordening die betrekking hebben op de kabel of leiding van rechtswege over op de nieuwe netbeheerder. De netbeheerder stelt het college onverwijld in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert. Op het eigendom van de kabels en leidingen zijn de desbetreffende wettelijke bepalingen van toepassing. Artikel9:12Niet-openbare kabels en leidingen Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van niet-openbare kabels en leidingen in openbare wegen en wateren is het bepaalde in deze verordening van overeenkomstige toepassing. Het opnemen van het eerste lid van dit artikel in deze verordening houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente Zutphen met betrekking tot niet-openbare kabels en/ of leidingen. Artikel9:13Informatieplicht De netbeheerder stelt het college meteen en schriftelijk in kennis van het feit dat een kabel of leiding niet langer ten dienste staat van een net of netwerk in of op openbare gronden. In dit kader kan van de netbeheerder een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/ of leidingen worden verlangd. De bewijslast van ingebruikname ligt bij de netbeheerder. Artikel9:14Digitale gegevens Het college kan nadere regels stellen over de te verstrekken gegevens en de wijze waarop die worden verstrekt. Het college kan van een grondroerder verlangen dat het aanvragen van een instemmingsbesluit en het verstrekken van gegevens in digitale vorm gebeurt. Het college kan van een grondroerder verlangen dat het melden van de aanvang van de werkzaamheden in digitale vorm gebeurt. Uitgangspunt is dat gegevens die digitaal voorhanden zijn of moeten zijn ook in digitale vorm worden verstrekt. Artikel9:15Overleg Het college organiseert periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente Zutphen bekende netbeheerders en andere betrokken of belanghebbende partijen worden uitgenodigd. In dit overleg worden de plannen van de gemeente Zutphen en van de diverse netbeheerders en andere betrokken of belanghebbende partijen besproken en eventueel afgestemd in het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk. Afdeling 9.4 Handhavings- en toezichtsbepalingen Artikel9:16Naleving voorschriften Als een grondroerder zich niet houdt aan de voorschriften en beperkingen uit het instemmingsbesluit, kan het college het instemmingsbesluit intrekken. Als een grondroerder zich niet houdt aan de voorschriften en/ of beperkingen bij of krachtens dit hoofdstuk, moet hij op aanzegging van het college de oorspronkelijke situatie herstellen. Artikel9:17Bevoegdheid college Het college is bevoegd het werk stil te leggen, als er wordt gewerkt: zonder voorafgaande aanvraag of melding, als bedoeld in artikel 9:4 van dit hoofdstuk; in afwijking van de voorschriften en/ of beperkingen in het instemmingsbesluit; in strijd met het geldende breekverbod. Hoofdstuk10Stads- en landschapsschoon Afdeling 10.

Artikel10

:1Aanvraag vergunning Een aanvraag om vergunning moet door middel van het daartoe vastgestelde formulier worden ingediend bij het college. Bij het aanvragen van een vergunning moeten de volgende gegevens worden overgelegd: situatietekening (schaal 1:500 of 1:1.000); een omschrijving van dat waarvoor vergunning wordt aangevraagd, onder opgave van de afmetingen, de materialen en de kleuren; geveltekeningen (schaal 1:100) (bestaande en nieuwe situatie); voor aanvragen als bedoeld in afdeling 10.2 van deze verordening tekeningen (schaal 1:10) of foto's (minimaal 9 x 12

  1. cm)die voldoende duidelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag; tekening(
  2. en)met principe-details die verband houden met het uiterlijk. Een aanvraag volgens het eerste lid moet ondertekend zijn door de rechthebbende of gebruiker van de onroerende zaak. Wordt de vergunning aangevraagd door een ander dan de rechthebbende, dan moet de aanvraag mede ondertekend zijn door de rechthebbende van de onroerende zaak. Als een aanvraag niet compleet is, stelt het college de aanvrager in de gelegenheid om de aanvraag binnen vier weken aan te vullen of te verbeteren. Artikel10:2Adviserende instanties Het college kan voordat het op een aanvraag beslist advies vragen aan de welstandscommissie, als bedoeld in artikel 12 van de Woningwet, zijnde de CRKC. De commissie adviseert binnen vier weken nadat hen daartoe om advies is gevraagd. Artikel10:3Beslissen en vergunning Het college beslist binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag. Het college kan de beslissing verdagen. Het besluit tot verdaging maakt het college schriftelijk bekend aan de aanvrager waarbij de termijn wordt vermeld, waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Een vergunning op grond van dit hoofdstuk wordt op naam gesteld van de rechthebbende of gebruiker van de onroerende zaak. Bij de vergunning wordt een door het college gewaarmerkt exemplaar van de op de vergunning betrekking hebbende documenten gevoegd. Aan een vergunning kan het college voorschriften en/ of beperkingen verbinden: in het belang van de verkeersveiligheid; ter voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken. Een vergunning op grond van artikel 10:5, geldt voor een periode van vijf jaar, gerekend vanaf de dag waarop deze is afgegeven. Na afloop van die periode wordt de vergunning geacht van rechtswege te zijn verlengd voor een nieuwe periode van vijf jaar, tenzij het college uiterlijk acht weken vóór dat tijdstip aan de vergunninghouder schriftelijk kenbaar heeft gemaakt dat de vergunning ophoudt te gelden. Artikel10:4Weigeringsgronden Een vergunning, als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden geweigerd: als hetgeen waarvoor vergunning wordt gevraagd, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersveiligheid; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast voor gebruiker van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken; als reclame niet in een functionele en/ of ruimtelijke relatie staat tot een onroerende zaak; als hetgeen waarvoor vergunning wordt gevraagd in strijd is met de volgens het tweede lid vastgestelde nadere regels. Het college kan nadere regels stellen voor de beoordeling van een aanvraag. Afdeling 10.2 Handelsreclame Artikel10:5Verbodsbepaling Het is voor zowel de rechthebbende als de hoofdgebruiker op een onroerende zaak verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning die zaak of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van handelsreclame, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is. Artikel10:6Aanvraag om omgevingsvergunning voor het plaatsen van handelsreclame In afwijking van het gestelde in artikelen 10:1 tot en met 10:5, en 12:7, derde lid, moet een aanvraag om omgevingsvergunning voor het plaatsen van handelsreclame ingediend worden bij het bevoegd gezag door middel van het daarvoor vastgestelde aanvraagformulier. In het Besluit omgevingsrecht is bepaald welke gegevens en documenten met de aanvraag ingediend moeten worden. Artikel10:7Uitzonderingen op verbodsbepaling Het in artikel 10:5 gestelde verbod geldt niet voor: handelsreclame in het inwendige gedeelte van een onroerende zaak, tenzij deze ten doel heeft om handelsreclame te maken die vanaf de weg of vanaf een andere voor publiek toegankelijke plaats zichtbaar is; handelsreclame op borden, zuilen, muren of andere constructies, die door het college zijn aangewezen; bekendmakingen van openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, voor zolang zij feitelijk betekenis hebben, mits: zij worden aangebracht op of aan de onroerende zaak, dat te koop, te huur of in pacht wordt aangeboden; maximaal 2 bekendmakingen per onroerende zaak worden aangebracht; een bekendmaking geen groter oppervlakte heeft dan 0,50 m2; handelsreclame voor het beroep, de dienst of het bedrijf, dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd, mits deze: niet is verlicht; geen groter oppervlakte heeft dan 0,25 m2 en geen grotere afmeting in één richting heeft dan 0,50 meter; direct tegen de gevel is aangebracht; tussen de begane grondvloer en eerste verdiepingsvloer van de onroerende zaak is aangebracht; aankondigingen, die volgens een wettelijke verplichting, dan wel volgens een wettelijk toegekende bevoegdheid worden aangebracht, mits de in de wet vermelde maten niet worden overschreden, of, als geen maten zijn vastgesteld, deze geen grotere oppervlakte hebben dan 0,15 m2 en geen grotere afmeting in één richting van 0,50 m; opschriften betrekking hebbend op de naam en/ of aard van het in uitvoering zijnde bouwwerk en/ of namen van degenen, die bij het ontwerp en/ of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf en niet verlicht zijn, zulks voor zover zij feitelijk betekenis hebben; opschriften en aankondigingen aan gebouwen en inrichtingen van openbaar vervoer, als deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer; handelsreclame op de perrons van de spoorwegen. Als door het bepaalde in het eerste lid geen omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is vereist, moeten de daarin bedoelde reclame-uitingen, bekendmakingen, opschriften en/ of aankondigingen zodanig worden uitgevoerd en aangebracht, dat de verkeersveiligheid gewaarborgd blijft en de zaak en/ of de omgeving niet in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Artikel10:8Handhaving Als de met vergunning aangebrachte handelsreclame in een zodanige staat verkeert, dat de zaak en/ of de omgeving hierdoor wordt ontsierd, kan het bevoegd gezag de eigenaar of de gebruiker van de zaak bij aanschrijving gelasten daarin verbetering te brengen of te verwijderen. De aangeschrevene is verplicht aan deze last te voldoen op de daarbij aan te geven wijze en binnen de daarbij te stellen termijn. Afdeling 10.3 Verlichting Artikel10:9Verbodsbepaling Het is verboden zonder vergunning van het college gevels/ gebouwen aan te lichten. Artikel10:10Uitzondering op verbodsbepaling Het verbod geldt niet voor kerken dan wel bijzondere gebouwen. Het verbod geldt eveneens niet voor de door het college aangewezen panden in het kader van een verlichtingsplan. Afdeling 10.4 Het verven, sausen, bepleisteren en beplakken van bouwwerken Artikel10:11Verbodsbepaling Het is verboden zonder vergunning van het college: het uiterlijk aanzien van een onroerende zaak met inbegrip van de ruiten, te wijzigen door dit geheel of ten dele te bepleisteren, te beplakken, te verven, te witten of anderszins van een bedekkende laag te voorzien, van een daarop aanwezige pleister- of verflaag of bedekkende laag te ontdoen dan wel de ruiten op enigerlei wijze te veranderen, één en ander indien en voor zover de onroerende zaak zichtbaar is vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is; het uiterlijk aanzien van gevels van gebouwde onroerende zaken te wijzigen als gevolg van reiniging; afrasteringen, schuttingen en andere bouwwerken te beschilderen in dat gedeelte van de gemeente dat als beschermd stadsgezicht in de zin van de Monumentenwet is aangewezen en voor zover deze zichtbaar zijn vanaf een weg of vanaf een ander voor publiek toegankelijke plaats. Artikel10:12Uitzonderingen op verbodsbepaling Het verbod is niet van toepassing: bij herstel of onderhoud van een al bestaande toestand in dezelfde kleur en met gebruikmaking van dezelfde materiaalsoort; bij het wijzigen van de kleuren van geverfde lineaire bouwkundige elementen, waaronder in ieder geval worden begrepen, kozijn- en raamhout en dakgoten voor zover het een bouwwerk betreft, dat is gelegen buiten het gebied dat is aangewezen als beschermd stadsgezicht, mits de wijziging niet in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Artikel10:13Handhaving Als bij herstel of onderhoud van een al bestaande toestand de betreffende onroerende zaak en/ of de omgeving in ernstige mate wordt/ worden ontsierd, is de eigenaar of de gebruiker van de zaak verplicht op schriftelijke last van het college die maatregelen te treffen, die voor de opheffing van deze ontsiering worden voorgeschreven. De door het college op grond van het eerste lid te geven voorschriften mogen alleen de kleur van de materialen, het materiaal zelf en de wijze van de daarmede uit te voeren bewerking betreffen. Als het college bij de schriftelijke last te kennen heeft gegeven, dat het bouwwerk niet in dezelfde kleuren opnieuw mag worden geverfd, gesausd of bepleisterd, is voor het verven, sausen of bepleisteren eveneens een vergunning van het college vereist. Afdeling 10.5 Opslag van oude materialen, caravans e.d. Artikel10:14Verbodsbepaling Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken 3 en 11 van deze verordening, het Bouwbesluit, het ter plaatse geldende bestemmingsplan, dan wel de Wet Milieubeheer is het verboden zonder vergunning van het college een onroerende zaak geheel of gedeeltelijk te gebruiken voor het opslaan, plaatsen of aanwezig hebben in de open lucht, van de volgende voorwerpen, stoffen of opslagplaatsen: mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, lof, pulp, ingekuilde landbouwproducten, puin, vuilnis, as, oude metalen, glas, afbraak, afval of lompen; onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voertuigen of vaartuigen of onderdelen daarvan; caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere voor recreatieve doeleinden bedoelde voorwerpen, als het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan, als het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel, voor zover die voorwerpen, stoffen of opslagplaatsen zichtbaar zijn vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats; opslag van bouwmaterialen terwijl er geen zicht is op verwerking binnen afzienbare tijd. Onder vuilnis of afval wordt mede begrepen: papier, resten van levensmiddelen, flessen, blikken, kratten of andere verpakkings- en emballagemateriaal, pallets, industrieel afval, huisafval en afgedankte voorwerpen. Artikel10:15Uitzonderlingen op verbodsbepaling Het verbod geldt niet voor het hebben of opslaan van: afbraak, puin en oude materialen op of in een onroerende zaak voor de uitvoering of het onderhoud van openbare werken; afbraak, puin en oude materialen op, in of in de onmiddellijke nabijheid van een onroerende zaak, waarop of waarin onderhouds-, herstel-, bouw-, of sloopwerkzaamheden worden verricht of uitgeoefend, als en voor zover deze zaken voor bedoelde werkzaamheden nodig zijn, dan wel van de onroerende zaak waarop of waaraan zij worden verricht, afkomstig zijn, doch in ieder geval niet langer dan één week na beëindiging van die werkzaamheden. Artikel10:16Handhaving Als er sprake is van het op ontoelaatbare wijze ontsieren van de zaak en/ of de omgeving kan het college de rechthebbende of hoofdgebruiker van de onroerende zaak, waarop voorwerpen, stoffen of opslagplaatsen als bedoeld in artikel 10:14 zijn aangebracht, aanschrijven hetzij om deze te verwijderen, hetzij om de door hen aan te geven voorzieningen te treffen binnen de door het college gestelde termijn. Afdeling 10.6 Rolluiken, rolhekken, markiezen, zonneschermen, vlaggen en terrassen Artikel10:17Nadere regels Het college kan ten aanzien van rolluiken, rolhekken, markiezen, zonneschermen en vlaggen nadere regels stellen. Het college kan nadere regels stellen voor terrassen die niet op openbare weg worden geplaatst. Afdeling 10.7 Overige bepalingen Artikel10:18Afwijkingsmogelijkheden Het college kan van de in dit hoofdstuk van deze verordening opgenomen bepalingen afwijken als: hieraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan; voor tijdelijke uitingen, onder meer zoals uitverkopen, waarbij een termijn kan worden gesteld. Artikel10:19Slotbepaling Het in dit hoofdstuk bepaalde geldt niet, indien en voor zover hoofdstuk 5 van deze verordening, de Woningwet, de Erfgoedwet, de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer, de Afvalstoffenwet, de Wet chemische afvalstoffen, de Wet bodembescherming of de Verordening Grondwaterbeschermingsgebieden Gelderland van toepassing is. Hoofdstuk11Wegen en water Afdeling 11.1 Wegen Artikel11:1Voorwerpen op of aan een openbare plaats Het is verboden zonder voorafgaande vergunning (objectvergunning) van het bevoegd gezag een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: standplaatsen als bedoeld in artikel 2:14; evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zutphen; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet voor de volgende voorwerpen, mits wordt voldaan aan het bepaalde in het vijfde lid en aan de nadere regels uit hoofde van het zesde lid: uitstallingen; bouwobjecten; nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen. Voor zover op grond van dit artikel een objectvergunning is vereist, verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning in plaats van een objectvergunning, als bedoeld in het eerste lid, als het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Degene die van plan is bouwobjecten te plaatsen, doet daarvan uiterlijk 5 werkdagen tevoren een melding aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag stelt nadere regels voor de categorieën vermeld in het derde lid. Een vergunning op grond van dit artikel kan worden geweigerd: als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Artikel11:2Het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Een vergunning, als bedoeld in het eerste lid, kan in ieder geval worden geweigerd als de aanleg, de beschadiging of de verandering van de weg gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als in opdracht van het bevoegd gezag of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. Artikel11:3Maken, veranderen van een uitweg Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. Een vergunning, als bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. Artikel11:4Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel11:5Voorzieningen voor verkeer en verlichting De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd, tenzij deze verplichting al op grond van andere wet- en/ of regelgeving bestaat. Afdeling 11.2 Water Artikel11:6Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen oplevert. Artikel11:7Voorwerpen op, in of boven openbaar water Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. Degene die van plan is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren melding aan het college. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. Artikel11:8Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen Het is verboden met een vaartuig een ligplaats te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen buiten de door het college aangewezen gedeelten van openbaar water, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. Het college kan aan het nemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het nemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het nemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Het is verboden een ligplaats te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens het vierde lid bepaalde. Artikel11:9Beschadigen van waterstaatswerken Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. Hoofdstuk12Procedureregels Afdeling 12.1 Aanvraag Artikel12:1Indiening aanvraag en melding Als krachtens artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht of bij of krachtens enige wettelijke bepaling een formulier is vastgesteld voor het indienen van een aanvraag of het doen van een melding als bedoeld in deze verordening, is het gebruik van dat formulier verplicht. Een aanvraag of melding, als bedoeld in deze verordening, kan in enkelvoud worden ingediend, tenzij in deze verordening of bij of krachtens enige andere wettelijke bepaling anders is bepaald. Een aanvraag of melding, als bedoeld in deze verordening, kan langs elektronische weg worden ingediend, als de elektronische weg daarvoor is opengesteld. Afdeling 12.2 Besluit Artikel12:2Beslistermijn Tenzij in deze verordening anders is bepaald, beslist het bevoegd gezag op een aanvraag voor een vergunning, ontheffing, of andere toestemming binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Het bevoegd gezag kan de termijn met ten hoogste acht weken verdagen. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een vergunning of ontheffing die ingevolge artikel 2.2, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als een omgevingsvergunning moet worden aangemerkt. Artikel12:3Weigeringsgronden Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een zorgvuldige behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Een vergunning of ontheffing kan voorts worden geweigerd als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat ter verkrijging daarvan in de aanvraag onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt dan wel als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming zal zijn met dat wat in de aanvraag is vermeld. Een vergunning of ontheffing, als bedoeld in hoofdstuk 6, kan voorts geweigerd worden als dit in het belang van de orde, de veiligheid en het milieu in of in de omgeving van de haven of de kade, of de kwaliteit van de dienstverlening in de haven of de kade nodig is. Artikel12:4Voorschriften en/ of beperkingen Aan een vergunning of ontheffing, als bedoeld in deze verordening, kunnen voorschriften en/ of beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en/ of beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en/ of beperkingen na te leven. Artikel12:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing, als bedoeld in deze verordening, is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Het eerste lid is niet van toepassing op een vergunning of ontheffing waar artikel 2.25, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op van toepassing is. Artikel12:6Geldigheidsduur De vergunning of ontheffing, als bedoeld in deze verordening, wordt verleend voor onbepaalde tijd, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. In afwijking van het eerste lid wordt een vergunning voor: een vaste standplaats als bedoeld in Bijlage 1, artikel 1:2, onder k. voor een termijn van tien jaar verleend; een individuele standplaats als bedoeld in Bijlage 1, artikel 1:2, onder c. voor een termijn van één jaar verleend; een vergunning of ontheffing als bedoeld in hoofdstuk 6, tenzij in dat hoofdstuk anders is bepaald, voor een termijn van één jaar verleend; een ontheffing voor een eenmalige gedraging of handeling als bedoeld in hoofdstuk 6, voor de duur van die gedraging of handeling verleend, waarbij de ontheffing in ieder geval voor een termijn van ten hoogste zes maanden wordt verleend. In afwijking van het eerste lid vervalt de vergunning of ontheffing tot vellen als bedoeld in hoofdstuk 4, als daarvan niet binnen maximaal drie jaar na het onherroepelijk zijn van de vergunning of ontheffing gebruik is gemaakt. Als het een vergunning of ontheffing, als bedoeld in hoofdstuk 4, voor het vellen van meer dan één boom betreft, is de vergunning of ontheffing voor alle te vellen bomen slechts drie jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één of meer bomen al geveld zijn. Het eerste lid is in ieder geval niet van toepassing op de vergunning of ontheffing, als de Dienstenwet daarop van toepassing is. Afdeling 12.3 Intrekking of wijziging Artikel12:7Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing, als bedoeld in deze verordening, kan worden ingetrokken of gewijzigd als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en/ of beperkingen niet zijn of worden nageleefd; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; de houder dit verzoekt. Een vergunning, als bedoeld in hoofdstuk 5, kan voorts worden ingetrokken: voor zover veranderende omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen de voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteiten verzetten; als de vergunninghouder de aan de vergunning verbonden voorschriften en/ of beperkingen als bedoeld in artikel 5:11, vijfde lid niet naleeft of heeft nageleefd. Een vergunning of ontheffing, als bedoeld in hoofdstuk 6, kan voorts worden ingetrokken als: dit in het belang van de orde, de veiligheid en het milieu in of in de omgeving van de haven of de kade, of de kwaliteit van de dienstverlening in de haven of de kade nodig is; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na de verlening van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan deze is vereist. Een vergunning, als bedoeld in hoofdstuk 10, kan voorts worden ingetrokken als: een onroerende zaak verandering ondergaat en door het handhaven van de vergunning volgens deze verordening, de onroerende zaak naar het oordeel van het college wordt ontsierd en aan dit bezwaar door het stellen van voorschriften en/ of beperkingen niet kan worden tegemoetgekomen; blijkt, dat de vergunning volgens een onjuiste of onvolledige opgave is verleend, terwijl vasts

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.