← Nederland

Leidraad Invordering 2026 (Cocensus)

Kort samengevat

Deze Leidraad Invordering Cocensus 2026 beschrijft de regels en procedures voor de invordering van belastingen en andere vorderingen door de ontvanger van Cocensus. Het doel is om een duidelijke handleiding te bieden voor de uitvoering van invorderingsmaatregelen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Leidraad Invordering 2026 Leidraad Invordering Cocensus 2026 De ontvanger, als bedoeld in artikel 232, vierde lid, sub b, van de Gemeentewet: Besluit vast te stellen de Leidraad Invordering Cocensus 2026 Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na bekendmaking en treedt in de plaats van de ‘Leidraad Invordering Cocensus 2025’ welke gelijktijdig wordt ingetrokken. Aldus vastgesteld door de Ontvanger van de ‘Gemeenschappelijke Regeling Cocensus’. De Ontvanger, W. Bal Adjunct Directeur Leidraad Invordering Cocensus 2026 2 Artikel 1 Inleiding en toepassingsgebied 12 1.1. Inleiding 12 1.1.1. Lijst met gebruikte afkortingen 12 1.1.2. Definities 12 1.1.3. Reikwijdte beleidsvoorschriften 12 1.1.4. Aansprakelijkgestelden en andere derden 13 1.1.5. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur 13 1.1.5a Toepassing artikel 4:84 Awb 13 1.1.5b Marginale toetsing 13 1.1.5c Verzoekschriften aan andere instelling 13 1.1.6. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen 13 1.1.7. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven 13 1.1.8. Voor de invordering minder geschikte dagen 14 1.1.9. Binnenkomst van bescheiden 14 1.1.10. Positie belastingdeurwaarder 14 1.1.11. Bewaren invorderingsbescheiden 15 1.1.12. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen 15 1.1.13. Informatieplicht 15 1.1.14. Diplomatieke status 15 1.2. Toepassingsgebied 15 Artikel 2 Begrippen 16 2.1. Woonplaats 16 Artikel 3 Bevoegdheden ontvanger 17 3.1. Fiscale en civiele bevoegdheden 17 3.2. Conservatoir beslag 17 3.2.1. Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering 17 3.2.2. Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag 17 3.3. Gerechtelijke procedures - toestemming 17 3.3.1. Juridische bijstand 17 3.3.2. Toestemming 18 3.4. Rijksadvocaat 18 3.5. Faillissementsaanvraag 18 Artikel 4 Bevoegdheid belastingdeurwaarder 19 4.1. Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder 19 4.2. Bescherming 19 4.3. Legitimatie 19 Artikel 5 20 Artikel 6 Reikwijdte van de wet 21 6.1. Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet 21 Artikel 7 Betaling en afboeking 22 7.1. Tijdstip betaling 22 7.2. De afboeking van de betaling 22 7.3. Teveelbetaling 22 7.4. Rente en kosten bij afboeking betalingen 22 7.5. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen 23 7.6. Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling is verleend 23 7.7. Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden 23 7.8. Betaling bij vergissing 23 7.9. Mededeling afboeking betaling 23 7.10. Betaling van kleine bedragen 23 7.11. Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en faillissement 24 Artikel 7a Uitbetaling van belastingteruggaven 25 7a.1. Aanwijzen bankrekeningnummer voor uitbetaling 25 7a.2. Controle van een aangewezen bankrekening op de tenaamstelling 25 7a.3. Uitbetalingsfouten 25 7b. Cessie- en verpandingsverbod uitbetaling inkomstenbelasting 25 Artikel 8 Bekendmaking aanslag 26 8.1. Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties 26 8.2. Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan 26 8.3. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet 26 8.4. Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag 26 Artikel 9 Betalingstermijnen 27 9.1. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen 27 9.2. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven 27 9.3. Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn 27 9.4. Dagtekening aanslagbiljet 27 9.5. Begrippen bij betalingstermijnen 27 9.6. Verzuim ontvanger bij uitbetaling 27 9.7. Regeling betalingstermijnen 27 9.8. Automatische incasso 28 Artikel 10 Versnelde invordering 29 10.1. Reikwijdte versnelde invordering 29 10.2. Vrees voor verduistering en versnelde invordering 29 10.3. Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering 30 10.4. Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering 30 10.5. Beslag en versnelde invordering 30 10.6. Verkoop namens derden en versnelde invordering 30 10.7. Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering 30 Artikel 11 Aanmaning 31 11.1. De geadresseerde van de aanmaning 31 11.2. Aanmaning ten onrechte verzonden 31 11.3. Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning 31 11.4. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning 31 11.5. Betalingsherinnering 31 11.6. Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg 32 Artikel 12 Dwangbevel 33 12.1. Onderwerp van het dwangbevel 33 12.2. Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel 33 Artikel 13 Betekening van het dwangbevel 34 13.1. Betekening dwangbevel per post 34 13.1.1. Adressering van per post betekende dwangbevelen 34 13.2. Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder 34 13.3. Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel 34 Artikel 14 Tenuitvoerlegging van het dwangbevel 36 14.1. Tenuitvoerlegging algemeen 36 14.1.1. [vervallen] 36 14.1.2. Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging 36 14.1.3. Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden 36 14.1.4. Volgorde van uitwinning bij beslag 37 14.1.5. Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken 37 14.1.6. Beslaglegging voor vordering van derden 37 14.1.7. Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden 37 14.1.8. Opheffing beslag tegen betaling door een derde 37 14.1.9. Opschorten van de executie 37 14.1.10. [vervallen] 37 14.1.11. [vervallen] 37 14.1.12. Strafrechtelijk beslag 37 14.1.13. Invordering en ontnemingswetgeving 38 14.2. Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn 38 14.2.1. Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken 38 14.2.2. Domiciliekeuze en beslag roerende zaken 38 14.2.3. Aanbod van betaling en beslag roerende zaken 38 14.2.4. Omvang van het beslag op roerende zaken 38 14.2.5. Beslag op roerende zaken van derden 38 14.2.6. Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken 38 14.2.7. Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger en beslag roerende zaken 39 14.2.8. Beslag roerende zaken bij derden 39 14.2.9. Wegvoeren van beslagen zaken 39 14.2.10. Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zware motorrijtuigen en beslag roerende zaken 40 14.2.11. Afsluiting en beslag roerende zaken 40 14.2.12. Bewaarder en beslag roerende zaken 40 14.2.13. Executoriale verkoop computerapparatuur 40 14.2.14. Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken 41 14.2.15. Beslag op illegale zaken 41 14.2.16. Bieden voor rekening van de gemeente en beslag roerende zaken 41 14.2.17. Opheffing van het beslag op roerende zaken 41 14.2.18. Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken 41 14.2.19. Proces-verbaal van verkoop roerende zaken 41 14.2.20. Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken 41 14.2.21 Relaas van onttrekking 42 14.2a. Administratief beslag op motorrijtuigen en aanhangwagens 42 14.3. Beslag op onroerende zaken 42 14.3.1. Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken 42 14.3.2. Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken 42 14.3.3. Verhuurde of verpachte onroerende zaken 42 14.3.4. Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken 42 14.3.5. Opheffing van het beslag onroerende zaken 42 14.4. Beslag onder derden 43 14.4.1. Beslag op vordering van een derde 43 14.4.1a. Geen beslag op coronabonus zorgprofessional 43 14.4.1b. Bankbeslag en energietoeslag 43 14.4.2. Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 43 14.4.3. Roerende zaken bij derden 43 14.4.4. Plaats beslaglegging en derdenbeslag 43 14.4.5. Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt 43 14.4.5a Derdenbeslag en kosten van levensonderhoud 44 14.4.5b. Vrij te laten bedrag en beslag onder derden bij geen adres in Nederland 44 14.4.5c. Toepassing 5%-regeling 44 14.4.6. [vervallen] 44 14.4.7. [vervallen] 44 14.4.8. [vervallen] 44 14.4.9. Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente 44 14.4.10. Retentierecht en derdenbeslag 45 14.4.11. Opheffing van het derdenbeslag 45 14.4.12. Onverschuldigde betaling en derdenbeslag 45 14.4.13. Derdenbeslag onder de Staat, de ontvanger of een openbaar lichaam en het doen van verklaring 45 14.4.14. Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf 45 14.5. Beslag op schepen 45 14.5.1. Beletten van het vertrek van het schip 45 14.5.2. De executie van schepen 45 14.5.3. Afgelasting van de verkoop van een schip 46 14.5.4. Deskundige hulp en beslag op schepen 46 14.5.5. Opheffing van het beslag op schepen 46 Artikel 15 47 Artikel 16 Doorlopend beslag 48 16.1 Voor 1 januari 2011 gelegde derdenbeslagen 48 Artikel 17 Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel 49 17.1. Aanhouden tenuitvoerlegging bij verzet 49 17.2. Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste adressering 49 Artikel 19 Doen van een vordering 50 19.1. Vordering algemeen 50 19.1.1. Bekendmaking vordering 50 19.1.2. Voldoen aan de vordering 50 19.1.3. Niet voldoen aan de vordering 50 19.1.4. Intrekken van een vordering 50 19.1.5. Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag in relatie tot vordering 50 19.1.6. Doorbreken beslagverboden en vordering 51 19.1.6a. Toepassing 5%-regeling 51 19.1.6b. Geen vordering voor corona bonus zorgprofessional 51 19.1.7. Notoire wanbetaler en vordering 51 19.1.8. Vordering ten laste van echtgenoot 51 19.2. De faillissementsvordering 52 19.2.1. Aan te melden schulden in faillissement 52 19.2.2. Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in faillissement 52 19.2.3. Opkomen in faillissement 52 19.3. Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen 52 19.3.1. Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen 52 19.3.2. Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen 52 19.3.3. Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen 53 19.3.3a. Beslagvrije voet en vakantiegeld 53 19.3.4. Beslagvrije voet voor belastingschuldige zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland 53 19.3.5. Belastingschuldige woont in buitenland en beslagvrije voet 53 19.3.6. [vervallen] 53 19.3.7. Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm 53 19.3.8. Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf 54 19.3.9. Toepassing beslagvrije voet bij AOW-gerechtigden 54 19.4. Beslagvrije voet en overheidsvordering 54 19.5. Vrij te laten bedrag en betalingsvordering bij geen adres in Nederland 54 19.6. Vordering en energietoeslag 54 Artikel 20 Lijfsdwang 55 Artikel 21 Voorrecht rijksbelastingen 56 Artikel 22 Bodemrecht 57 22.1. Werkingssfeer en reikwijdte bodemrecht 57 22.2. Bodemrecht en bestuurlijke boeten 57 22.3. Overbetekening bodembeslag 57 22.4. Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement 57 22.5. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement 57 22.6. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar 58 22.7. Bodemrecht en voorrang 58 22.8. Verzet en beroep 58 22.8.1. Verzet artikel 435, derde lid, Rv tegen bodembeslag 58 22.8.2. Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv inzake bodembeslag 58 22.8.3. Opschorting verkoop na verzet in rechte tegen bodembeslag 58 22.8.4. Beroepschrift ex artikel 22 van de wet 58 22.8.5. Beroepschriftprocedure ex artikel 22 van de wet 58 22.8.6. Taak van de ontvanger met betrekking tot beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet 58 22.8.7. Beslissing college op het beroepschrift tegen een bodembeslag 59 22.8.8. Onduidelijk bezwaar tegen bodembeslag 59 22.8.9. Samenloop administratief beroep en verzet tegen bodembeslag 59 22.8.10. Criteria voor de beslissing op het beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet 59 22.8.11. Beëindiging operationele lease-overeenkomst 59 22.8.12. Executie en bodemrecht 59 22.9. Terughoudend beleid bij reëel eigendom derde 59 22.bis Mededeling 59 Artikel 22a Bijzonder verhaalsrecht in relatie tot autoverhuurbedrijven en lease- maatschappijen 60 Artikel 23 61 Artikel 23a 62 Artikel 24 Verrekening 63 24.1. Wanneer verrekening 63 24.1.1. Voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting 63 24.2. Betwiste schuld en verrekening 63 24.3. Reikwijdte van de verrekening 63 24.4. Bekendmaking verrekening 63 24.5. Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting 64 24.6. Instemmingsregeling bij cessie en verpanding 64 24.6.1. Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding 64 24.6.2. Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragen 64 24.6.3. Instemming of weigering met een cessie of verpanding 64 24.6.4. Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb 64 24.6.5. Bekendmaking beschikking college bij cessie of verpanding 65 24.6.6. Houding ontvanger bij procedure tegen weigeren instemming met cessie of verpanding 65 Artikel 25 Uitstel van betaling 66 25.1. Algemene uitgangspunten uitstelbeleid 66 25.1.1. Houding van de ontvanger tijdens behandeling verzoek om uitstel 66 25.1.2. Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling 66 25.1.3. Redenen afwijzing verzoek om uitstel 66 25.1.4. Redenen beëindigen uitstel 67 25.1.5 Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn 67 25.1.6. Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel 67 25.1.7. Geen invordering tijdens verleend uitstel 67 25.1.8. Na (afwijzen) uitstel veertien dagen wachttijd 67 25.1.9. Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag 68 25.1.10. Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten 68 25.1.11. Uitstel voor een bestuurlijke boete 68 25.1.12. vervallen 68 25.1.13. Zekerheid bij uitstel 68 25.1.14. Tijdstip indiening verzoek om uitstel 68 25.1.15. Verzoekschriften aan andere instellingen 68 25.2. Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag 69 25.2.1. Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag 69 25.2.2. Bezwaarschrift geldt tevens als verzoek om uitstel; beroepschrift niet 69 25.2.2.A. Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschrift 69 25.2.2.B. Nadere gegevens 69 25.2.3. De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling 69 25.2.4. Uitstel in verband met een onderlinge overlegprocedure 70 25.2.5. Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar 70 25.2.6. Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden belastingschuld 70 25.2.7. Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar 70 25.2.7A Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstel 70 25.2.8. Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag 70 25.2.9. Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslag 70 25.3. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag 71 25.3.1. Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te betalen bedragen 71 25.3.2. Berekening van het uit te betalen bedrag bij uitstel 71 25.3.3. Beslissing op het verzoek om uitstel in verband met een uit te betalen bedrag 71 25.3.4. Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag 71 25.4. Uitstel in verband met betalingsproblemen 71 25.4.1. Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen 71 25.4.2. Uitstel en motorrijtuigenbelasting 72 25.4.3. Verrekening tijdens een betalingsregeling 72 25.4.4. Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseance 72 25.4.5 Uitstel van betaling erfbelasting bij verkrijgen eigen woning door broers of zussen van de erflater 72 25.5. Betalingsregeling voor particulieren 72 25.5.1. Duur betalingsregeling particulieren 72 25.5.2. Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren 72 25.5.3. Kort uitstel particulieren 73 25.5.4. Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren 73 25.5.5. Vermogen en betalingsregeling particulieren 73 25.5.6. Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren 73 25.5.7. (vervallen) 74 25.5.8. Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan derden 74 25.5.9. Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten 74 25.5.10. Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor 74 25.5.11. Betalingsregeling langer dan twaalf maanden 74 25.5a Verlengde betalingsregeling in verband met illiquide vermogen 74 25.5a.1 Betalingsregeling bij illiquide vermogen 74 25.5a.2 Onvoldoende betalingscapaciteit voor (voortzetten) betalingsregeling 74 25.5a.3 Redenen beëindigen betalingsregeling illiquide vermogen 75 25.6. Betalingsregeling voor ondernemers 75 25.6.1. Duur betalingsregeling ondernemers 75 25.6.2. Voorwaarden betalingsregeling ondernemers 75 25.6.2A Bijzondere omstandigheden betalingsregeling ondernemers 75 25.6.2B Verklaring derde deskundige 75 25.6.2C vervallen 76 25.6.2D Kort uitstel van betaling voor ondernemers 76 25.6.3. Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers 76 25.6.4. Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie 76 25.7. Administratief beroep 76 25.7.1. Toetsing uitstelbeschikking door het college 76 25.7.2. Beroepsfase uitstel 76 25.7.3. Beslissing college op beroepschrift bij uitstel 76 25.7.4. Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel 76 25.7.5. Administratief beroep of nieuw verzoek om uitstel van betaling bij de ontvanger 77 25 a Uitstel van betaling exitheffingen inkomstenbelasting 77 25 a.1. Beoordeling zekerheid bij uitstel van betaling ter zake van exitheffingen 77 25 b Uitstel van betaling exitheffingen vennootschapsbelasting 77 25 b.1. Beoordeling zekerheid bij uitstel van betaling ter zake van exitheffingen 77 Artikel 26 Kwijtschelding van belastingen 78 26.1. Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid 78 26.1.1. Kwijtschelding van betaalde belastingschulden 78 26.1.2. Het indienen van een verzoek om kwijtschelding 78 26.1.3. Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om kwijtschelding 79 26.1.4. Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om kwijtschelding 79 26.1.5. Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden 79 26.1.6. Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding 79 26.1.7. Na afwijzen kwijtschelding veertien dagen wachttijd bij voortzetting invordering 79 26.1.8. Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding 79 26.1.9. Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend 80 26.1.10. Begrip 'ex-ondernemer' en kwijtschelding 81 26.1.11. Verzoekschriften aan andere instellingen 81 26.2. Kwijtschelding van belastingen voor particulieren 81 26.2.1. Vermogen en kwijtschelding particulieren 81 26.2.2. De inboedel en kwijtschelding particulieren 81 26.2.3. De auto en kwijtschelding particulieren 81 26.2.4. Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren 81 26.2.5. De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren 82 26.2.6. Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren 82 26.2.7. Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren 82 26.2.8. [vervallen] 82 26.2.9. [vervallen] 82 26.2.10. Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren 82 26.2.11. Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren 83 26.2.12. Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren 83 26.2.13. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren 84 26.2.13a Persoonsgebonden budget en kwijtschelding voor particulieren 84 26.2.14. Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor particulieren 84 26.2.15. Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse belastingschulden 84 26.2.15.A. Woonlasten van meerpersoonshuishoudens 84 26.2.16. Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor particulieren 84 26.2.17. Kwijtschelding tijdens WSNP 84 26.2.18. [vervallen] 85 26.2.19. Normpremie zorgverzekering begrepen in de bijstandsuitkering 85 26.2.20. Onderhoud gezinsleden in het buitenland 85 26.3. Kwijtschelding van belastingen voor ondernemers 85 26.3.a Kwijtschelding van privébelastingschulden van zelfstandige ondernemers 85 26.3.1. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord 85 26.3.2. Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers 85 26.3.3. Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord 86 26.3.4. Toepassingsbereik saneringsakkoord 86 26.3.5. Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord 86 26.3.6. Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord 86 26.3.7. Rente en kosten en saneringsakkoord 86 26.3.8. Speciale crediteuren en saneringsakkoord 86 26.3.9. Betaling bedrag saneringsakkoord 87 26.4. Administratief beroep 87 26.4.1. Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding 87 26.4.2. Administratief beroep of nieuw verzoek om kwijtschelding bij de ontvanger 87 26.4.3. Beroepsfase kwijtschelding 88 26.4.4. Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding 88 26.4.5. Beslissing directeur op beroep bij kwijtschelding 88 26.4.6. Invordering tijdens administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding en ambtshalve behandeling beroepschrift 88 26.4.7. Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding 88 26.5. Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding 89 26.5.1. Invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding 89 26.6. Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om kwijtschelding 89 26.7. Geautomatiseerde kwijtschelding 89 Artikel 27 Verjaring 90 27.1. Versnelde invordering en verjaring 90 27.2. Aansprakelijkgestelden en verjaring 90 27.3. Stuiting van de verjaring 90 27.4. Schorsing van de verjaring 90 27.5. Afstand van verjaring 90 27.6. Rente en kosten en verjaring 90 27.7. Na verjaring geen civiele invordering 90 27.8. Verjaring van belastingteruggaven 91 Artikel 27a Betalingskorting 92 Artikel 28 Invorderingsrente 93 28.1. Cheque buitenland en invorderingsrente 93 28.2. Correctie berekende invorderingsrente 93 28.3. Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente 93 28.4. [vervallen] 93 28.5. [vervallen] 93 28.6. Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk 93 28.7. Verminderingen en toepassing artikel 28, zesde lid, van de wet 93 28.8. Drempelbedrag 93 28a 93 28b 94 28c 94 Artikel 29 95 Artikel 30 Beschikking invorderingsrente 96 30.1. Verzoek tot vermindering rente is bezwaar 96 30.2. Invorderingsrente - (hoger) beroep en cassatie 96 Artikel 31 en artikel 31a 97 Artikel 32 Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen 98 32.1. Keuze aansprakelijkheid 98 32.2. [vervallen] 98 Artikel 33 Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen 99 33.1. Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij aansprakelijkheid 99 33.2. Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheid 99 33.3. Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid 99 33.4. Vereffenaar bij aansprakelijkheid 99 33.5. [vervallen] 99 33.6. Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid 99 33.7 Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers 99 Artikel 33 a Aansprakelijkheid van begunstigden 101 Artikel 34 tot en met 47 102 Artikel 48 Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen 103 48.1. Beneficiaire aanvaarding 103 48.2. Invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege 103 Artikel 48a Aansprakelijkheid van derden voor uitbetaalde bedragen inkomstenbelasting of omzetbelasting 104 Artikel 49 Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling 105 49.1. Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete 105 49.2. Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente 105 49.2a Vooraankondiging aansprakelijkstelling 105 49.3. De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn 105 49.3.1. Wanneer in gebreke 105 49.3.2. In gebreke zijn en versnelde invordering 105 49.3.3. In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere invorderingsmaatregelen’ 106 49.4. Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid 106 49.5. Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden 106 49.6. Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige 106 49.7. Volgorde van aansprakelijk stellen 106 49.8. Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling 106 49.8.1. Uitstel in verband met bezwaar tegen een beschikking aansprakelijkstelling 106 49.8.2. [vervallen] 107 49.9. Overgangsrecht 107 49.9.1. Bij civiele procedure geen invordering of verrekening 107 49.9.2. [vervallen] 107 Artikel 51 Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid 108 51.1. Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar 108 Artikel 52 Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling 109 52.1. Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling 109 Artikel 53 Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding 110 53.1. Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld 110 53.2. Ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaarheid 110 Artikel 54 Mededeling aan de aansprakelijkgestelde 111 54.1. Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling 111 Artikel 55 tot en met 57 112 Artikel 58 Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde 113 58.1. Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure 113 58.2 Vervallen 113 58.3 Invorderingsonderzoek tijdens faillissement 113 Artikel 59 Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde 114 Artikel 60 Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen 115 60.1. Redelijke termijn voor verstrekken van informatie 115 60.2. Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen 115 Artikel 61 Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen 116 61.1. Niet van de administratie gescheiden (beroeps-) vertrouwelijke gegevens 116 Artikel 62 Informatieverplichtingen van de administratieplichtige 117 Artikel 63 tot en met 63ab 118 Artikel 63b Bestuurlijke boeten 119 63b.1. Algemene uitgangspunten 119 63b.2. Betalingsverzuim bij aanslagbelastingen 119 63b.3. Verzuimboete bij niet nakomen verplichting artikel 60, tweede lid van de wet 119 Artikel 63c en 64 120 Artikel 65 Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf 121 65.1. Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf 121 Artikel 65a en artikel 66 122 Artikel 67 Geheimhoudingsplicht 123 67.1. Bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige zelf 123 67.2. Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen 123 Artikel 67a 124 Artikel 68 tot en met 72 125 Artikel 73 Insolventieprocedures 126 73.1. Algemene uitgangspunten insolventieprocedures 126 73.1.1. Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement 126 73.1.2. Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of faillissement 126 73.1.3. Boedelschulden 126 73.1.4. Proceskostengarantie 126 73.1.5. Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator 127 73.1.6. Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP 127 73.1.7. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar 127 73.1.8. Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP 127 73.1.9. Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP 127 73.1.10. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot faillissement en WSNP 127 73.1.11. Toeslagenschuld in relatie tot WSNP en faillissement 127 73.1.12. Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement 127 73.2. Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering 127 73.2.1. Kwijtschelding tijdens WSNP 127 73.2.2. De WSNP is beëindigd met een schone lei 127 73.2.3 De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is ingetrokken 128 73.2.4 De WSNP is tussentijds beëindigd 128 73.3. Insolventieprocedure en surseance 128 73.3a WHOA akkoord (Wet Homologatie Onderhand Akkoord) 128 73.3a.1. Geldend beleid bij aangeboden WHOA-akkoord 128 73.3a.2. Voorwaarden WHOA-akkoord 128 73.3a.3. Gevolgen homologatie WHOA-akkoord bij instemming 129 73.3a.4. Gevolgen homologatie WHOA-akkoord zonder instemming 129 73.3.1. Uitstel en surseance 129 73.3.2. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot surseance 129 73.4. Insolventieprocedure en faillissement 129 73.4.1. Faillissementsaanvraag: algemeen 129 73.4.2. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag 129 73.4.3. Particulieren en faillissement 129 73.4.4. Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag 130 73.4.5. Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling faillissementsaanvraag door rechter 130 73.4.6. Toestemming voor faillissementsaanvraag 130 73.4.7. Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag 130 73.4.8. Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag 130 73.4.9. Verzet tegen faillietverklaring 130 73.4.10. Beroep op regresrecht in faillissement 131 73.4.11. Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement 131 73.4.12. Opkomen in faillissement 131 73.4.13. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement 131 73.4.14. Na de toepassing van het faillissement 131 73.4.15. Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure 131 73.4.16. Omzetting faillissement in WSNP 131 73.5. Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door leden van de NVVK of gemeenten 132 73.5.1. Voorwaarden voor MSNP 132 73.5.2. [vervallen] 133 73.5.3. Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen 133 73.5.4. Houding ontvanger tijdens uitstel MSNP 133 73.5.5. Intrekken uitstel gedurende MSNP 133 73.5.6. De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP 134 73.5.7 Na de toepassing van de MSNP 134 73.5a Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten 134 73.6. Insolventieprocedures en akkoorden 134 73.6.1. Buitengerechtelijk akkoord 134 73.6.2. [vervallen] 135 73.6.2a. Betaling bedrag saneringsakkoord 135 73.6.3. Gevolgen buitengerechtelijk akkoord 135 73.6.4. Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord 135 73.6.5. Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord 135 73.6.6. Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord 135 73.6.7. Schuldig nalatig en (buiten)gerechtelijk akkoord 136 73.6.8. Gevolgen dwangakkoord 136 73.6.9. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord 136 73.7. Wettelijk breed moratorium 136 Artikel 74 Uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteiten 137 Artikel 75 Kosten van vervolging 138 75.1. Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten 138 75.2. Aan derden toekomende bedragen 138 75.3. Rechtsmiddelen en vervolgingskosten 138 75.4. Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar 139 75.5. Niet in rekening brengen van vervolgingskosten 139 75.6. Onverschuldigdheid van vervolgingskosten 139 75.7. Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten 139 75.8. Versnelde invordering en vervolgingskosten 140 75.9. Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten 140 75.10. Geen kwijtschelding van vervolgingskosten 140 75.11. Limitering betekeningskosten dwangbevel 140 Artikel 76 tot en met 79 141 Artikel 80 Invordering, Awb en het moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen 142 80.1. Tenuitvoerlegging termijndwangbevel 142 80.2 Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen 142 Incasso reglement 143 Artikel 1Inleiding en toepassingsgebied Dit artikel bevat de inleiding van de Leidraad Invordering Cocensus en het beleid over het toepassingsgebied zoals opgenomen in artikel 1 van de Invorderingswet 1990. 1.1.Inleiding Net als de ‘Leidraad Invordering 2008’ van het Rijk (hierna: Rijksleidraad) bevat de Leidraad Invordering Cocensus enkel beleidsregels. Werkinstructies zijn niet opgenomen. Bij de opmaak van de Leidraad Invordering Cocensus is aansluiting gezocht bij de Rijksleidraad. Het is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk zijn bepalingen toegevoegd of aangepast aan de situatie bij Cocensus en de betreffende gemeenten. 1.1.1.Lijst met gebruikte afkortingen Afkorting Omschrijving Awb Algemene wet bestuursrecht Awir Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen AWR Algemene wet inzake rijksbelastingen BW Burgerlijk Wetboek FW Faillissementswet MSNP minnelijke schuldsanering natuurlijke personen Rv Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Sr Wetboek van Strafrecht Sv Wetboek van Strafvordering WHOA Wet homologatie onderhands akkoord WSF Wet Studiefinanciering 2000 WSNP wettelijke schuldsanering natuurlijke personen Pw Participatiewet 1.1.2.Definities - belasting(en): belastingen die door de gemeente worden geheven; - belastingdeurwaarder: de daartoe door het college aangewezen gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet; - besluit (het): het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990; - college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente; - echtgenoot: de echtgenoot, bedoeld in artikel 3 Pw of de echtgenoot bedoeld in artikel 3 van de Wet investeren in jongeren; - hoger beroep: hoger beroep bij een gerechtshof dan wel, als beroep in cassatie bij de Hoge Raad is ingesteld, cassatieberoep; - inspecteur: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de inspecteur; - ondernemer: de belastingschuldige die een onderneming drijft of zelfstandig een beroep uitoefent; - ontvanger: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de ontvanger; - particulier: de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt aangemerkt; - regeling (de): de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990; - wet (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen (Invorderingswet 1990). Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde verstaan als de wet daaronder verstaat. 1.1.3.Reikwijdte beleidsvoorschriften Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 1.1.4.Aansprakelijkgestelden en andere derden De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de invordering met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de leesbaarheid is vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften te beperken. 1.1.5.Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur In de invordering wordt zoveel mogelijk gehandeld in overeenstemming met de Awb en het Besluit Fiscaal bestuursrecht, ondanks het feit dat artikel 3:40, titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing zijn op de wet. 1.1.5aToepassing artikel 4:84 Awb Artikel 4:84 Awb is van overeenkomstige toepassing bij de invordering van gemeentelijke belastingen. Op grond hiervan is het onder omstandigheden mogelijk om af te wijken van beleidsregels zoals die zijn opgenomen in een beleidsbesluit dat van toepassing is voor de praktijk van de ontvanger, zoals deze leidraad. Afwijking van beleidsregels is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben, die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de beleidsregels dienen. Toepassing van artikel 4:84 Awb zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden waardoor onverkorte toepassing van de beleidsregels onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb. 1.1.5bMarginale toetsing Als de belastingschuldige in zijn verzoek aan de gemeente aannemelijk maakt dat er gegronde twijfels bestaan over de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, toetst de ontvanger de belastingaanslag marginaal. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer openstaat en waarbij evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in verband met termijnoverschrijding. Als bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de ontvanger in zoverre geen invorderingsmaatregelen. Onder invorderings-maatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen begrepen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven. Als de ontvanger invorderingsmaatregelen heeft genomen na indiening van het verzoek tot marginale toetsing, corrigeert hij de afboekingen op de belastingaanslag voor zover deze belastingaanslag niet materieel verschuldigd kan worden geacht. Wanneer het afboekingen betreffen die zien op de periode van vóór de ontvangst van het verzoek dan wel betalingen betreffen die de belastingschuldige uit eigen beweging heeft gedaan, corrigeert de ontvanger dit voor zover dat in redelijkheid nog mogelijk is. De ontvanger wijst het verzoek van belastingschuldige af als de inspecteur een tijdig verzoek voor ambtshalve beoordeling ook zou hebben afgewezen. 1.1.5cVerzoekschriften aan andere instelling De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij de raad, het college of de (gemeentelijke) ombudsman tot op dat verzoekschrift is beslist. Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad, kan de ontvanger toch invorderingsmaatregelen treffen. 1.1.6.Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de gemeente de voorkeur. 1.1.7.Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen die het voortbestaan (kunnen) bedreigen van een bedrijf met meer dan vijftig werknemers, dan informeert hij de opdrachtgever, de contactpersoon van de opdracht gevende gemeente. Onder een bedrijf wordt in dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep. Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de ontvanger op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel onwetend blijven. De ontvanger doet altijd mededeling als: - met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de activa van het bedrijf met meer dan vijftig werknemers wordt beoogd; - door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen van het bedrijf met meer dan vijftig werknemers geheel of nagenoeg geheel worden vastgelegd; - derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, van het bedrijf met meer dan vijftig werknemers zoals steeds het geval is bij derdenbeslag; - de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent openstaande belastingaanslagen verstrekt, van het bedrijf met meer dan vijftig werknemers, dat deze kunnen dienen als steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door die schuldeiser (zie tevens artikel 73.4.6). 1.1.8.Voor de invordering minder geschikte dagen De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die maatregelen zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven. Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot de privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als de ontvanger een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid van de wet terstond invordert. Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name: - de nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, de vijfde mei en de Goede Vrijdag, alle met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag; - regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag; - de dagen tussen beide Kerstdagen en Nieuwjaarsdag. 1.1.9.Binnenkomst van bescheiden Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van binnenkomst van die stukken de datum van binnenkomst bij Cocensus of de (opdracht gevende) gemeente. Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van derden. 1.1.10.Positie belastingdeurwaarder Belastingdeurwaarder is een door of namens het college aangewezen ambtenaar van Cocensus, dan wel een als belastingdeurwaarder van de gemeente aangewezen deurwaarder. In de uitoefening van zijn functie is de belasting-deurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de ontvanger). Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die handelingen dient. Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in welke hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden om hetgeen hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld - in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in verband daarmee - verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de heffing van enige belasting. De leiding van de invordering berust steeds in handen van de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die hij rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, slechts uitoefent nadat hij daartoe een opdracht van de ontvanger heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen. Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om een klacht in te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens hem of een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de ontvanger in wiens opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam is. 1.1.11.Bewaren invorderingsbescheiden De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt nog niet is verjaard. De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. 1.1.12.Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen Uitsluitend op een schriftelijk verzoek van de belanghebbende of zijn gemachtigde geeft de ontvanger een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen of andere vorderingen op zijn naam openstaan waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen. Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het verleden - voor wat betreft de invordering - geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden. De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belanghebbende of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de belanghebbende blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is. 1.1.13.Informatieplicht De ontvanger maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is betaald binnen de betalingstermijn(

  1. en)die voor de belastingaanslag gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige betaling plaatsvindt. De ontvanger kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan komen. 1.1.14.Diplomatieke status De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken. De ontvanger richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot: Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Kabinet en Protocol, Postbus 20061, 2500 EB ’s-Gravenhage. 1.2.Toepassingsgebied Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel van de Awb niet van toepassing is op de wet. De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb (zie ook artikel 1.1.5 van deze leidraad). Artikel 2Begrippen In aansluiting op artikel 2 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over het begrip 'woonplaats'. 2.1.Woonplaats De begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' hebben bij de uitvoering van de wet niet steeds dezelfde inhoud. Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, sluit de ontvanger aan bij het begrip 'woonplaats' als bedoeld in de artikelen 1:10 en volgende van het BW. Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk VI van de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' die gelden voor de gemeentelijke verordening op grond waarvan de belastingschuld - waarvoor de aansprakelijkheid bestaat - is ontstaan. Artikel 3Bevoegdheden ontvanger Artikel 3 van de wet geeft een afbakening van de bevoegdheden van de ontvanger. De ontvanger treedt in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak als zodanig in rechte op (artikel 3, tweede lid). De bepalingen van deze leidraad zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de invordering op civielrechtelijke wijze. Dat het bestuursorgaan ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden beschikt die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft is thans geregeld in artikel 4:124 Awb. In aansluiting op artikel 3 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de fiscale en civiele bevoegdheden van de ontvanger; - het leggen van conservatoir beslag; - het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures; - de Rijksadvocaat; - Faillissementsaanvraag. 3.1.Fiscale en civiele bevoegdheden De ontvanger beschikt op grond van de wet over diverse specifieke bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft hij alle bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de ontvanger zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale bevoegdheden, als van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden om zijn doel te bereiken. De ontvanger is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die hij het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Als de ontvanger het wenselijk of noodzakelijk acht van fiscale bevoegdheden over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, dan doet hij dit alleen als het belang van de invordering opweegt tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden. 3.2.Conservatoir beslag Om de rechten van de gemeente veilig te stellen heeft de ontvanger naast de versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen. Feiten en omstandigheden bepalen de keuze van de ontvanger. 3.2.1.Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor verduistering van de goederen niet aanwezig acht, dan legt de ontvanger niet alsnog om dezelfde reden executoriaal beslag op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet. 3.2.2.Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, vraagt de ontvanger slechts verlof om conservatoir beslag te leggen aan de voorzieningenrechter als de belasting in redelijkheid materieel verschuldigd geacht mag worden. Het opleggen van de belastingaanslag wordt beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid Rv. 3.3.Gerechtelijke procedures – toestemming 3.3.1.Juridische bijstand Op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet treedt de ontvanger zelfstandig in rechte op in rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van: - beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR; - hoger beroepsprocedures op grond van artikel 27h AWR; - (hoger) beroepsprocedures op grond van artikel 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen; - kantonzaken; - kort gedingprocedures, indien de ontvanger gedaagde is. 3.3.2. Toestemming In gerechtelijke procedures voor de burgerlijke rechter waarin de ontvanger als eiser optreedt, moet hij toestemming hebben van het college. Het voorgaande geldt niet voor: - verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen; - kantonzaken; - verzoekschriftprocedures; - procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid, of artikel 708, tweede lid, Rv. In afwijking van de vorige volzin geldt voor in hoger beroep te voeren zaken dat altijd toestemming van het college nodig is. 3.4. Rijksadvocaat Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 3.5. Faillissementsaanvraag vervallen Artikel 4 Bevoegdheid belastingdeurwaarder Artikel 4 van de wet bepaalt dat voor het verrichten van deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van een ontvanger voor de invordering van (rijks) belastingen, uitsluitend een belastingdeurwaarder bevoegd is. In aansluiting op artikel 4 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de reikwijdte van die bevoegdheid. 4.1. Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden met de invorderingstaak en de hieruit voortvloeiende bevoegdheden van de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke weg, waartoe de ontvanger op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet gerechtigd is en tot die werkzaamheden die verricht moeten worden, wanneer de ontvanger zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt. 4.2.Bescherming Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180 Sr. Daardoor genieten zij strafrechtelijke bescherming, voor zover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen. 4.3.Legitimatie Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de belastingdeurwaarder op verzoek zich legitimeren aan de belastingschuldige en/of zijn/haar gemachtigden. Artikel 5 Er zijn in deze leidraad op artikel 5 van de wet geen beleidsregels gemaakt. Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. Artikel 6Reikwijdte van de wet Artikel 6 van de wet bepaalt dat de wet ook van toepassing is op: - de rente; - de kosten. In aansluiting op artikel 6 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over rente en kosten. 6.1.Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. Artikel 7Betaling en afboeking Artikel 7 van de wet schrijft voor hoe de toerekening van betalingen plaats moet vinden: - lid 1 bepaalt dat toerekening van betalingen achtereenvolgens gebeurt aan de kosten, de betalingskorting, de rente en de belastingaanslag; - lid 2 bepaalt hoe de afboeking aan de verschillende componenten van de belastingaanslag plaatsvindt; In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - het tijdstip van de betaling; - de afboeking van de betaling; - teveelbetalingen; - het rekenen van rente en kosten bij afboeking; - het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen; - de afboeking van de betaling op de bestuurlijke boete; - de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden; - betaling bij vergissing; - het verzenden van een mededeling bij een afboeking van een betaling; - betaling van kleine bedragen; - ontvangen bedragen uit de wettelijke saneringsregeling en faillissement. 7.1.Tijdstip betaling - Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van de gemeente; - Bij betaling bij een bank of betaaldienstverlener door middel van storting van contant geld of door middel van storting met een pinpas, geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van de storting of pin transactie; - Bij rechtstreekse betaling aan de gemeente door middel van een pin- of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling; - Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van (post-)ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik; - Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag en tijdstip waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling; - Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag en tijdstip waarop het bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald als tijdstip van betaling. 7.2.De afboeking van de betaling Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen: - Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen; - Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken; - Als de ontvanger ook de invordering van gemeentelijke belastingen ten behoeve van een andere gemeente uitvoert, is het bovenstaande van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verdeling van de gelden naar rato van de grootte van de belastingschuld plaatsvindt. 7.3.Teveelbetaling Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere belastingaanslagen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en dienovereenkomstig behandeld. 7.4.Rente en kosten bij afboeking betalingen Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. Onder rente als bedoeld in artikel 7 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. 7.5.Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag worden toegerekend aan een van de belastingaanslagen waarvoor de kosten zijn gemaakt. 7.6.Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling is verleend Als sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag vastgestelde bestuurlijke boete, vindt toerekening uitsluitend plaats aan de belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep). Als echter - ondanks dit uitstel - zoveel wordt betaald dat er na afboeking op de belasting nog een bedrag overblijft, dan wordt dit bedrag afgeboekt op de bestuurlijke boete. Als op de bestuurlijke boete is afgeboekt en de bestuurlijke boete wordt alsnog aangevochten, dan blijven de afboekingen gehandhaafd. 7.7.Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde, worden eerst de vervolgingskosten afgeboekt die aan de aansprakelijkgestelde zelf in rekening zijn gebracht. Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag - waarbij artikel 7 van de wet wel van toepassing is - echter met dien verstande dat de invorderingsrente en kosten die op die aanslag zelf betrekking hebben alleen worden afgeboekt indien en voor zover men hiervoor aansprakelijk is gesteld. Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden schriftelijk in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de betaling door de aansprakelijkgestelde. 7.8.Betaling bij vergissing Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van een evidente vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt bijzondere voorzichtigheid betracht. Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en invordering niet zonder meer opnieuw kan plaatshebben. In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij voor de ontvanger wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de schuld te gelegener tijd op juiste wijze zal worden voldaan. Indien een bedrag wordt betaald als gewetensgeld, wordt dit gezien als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Terugbetaling vindt dan niet plaats. 7.9.Mededeling afboeking betaling De ontvanger stelt, uitsluitend na een schriftelijk verzoek daartoe van belastingschuldige, de belastingschuldige van de afboeking van een betaling waarbij invorderingsrente of invorderingskosten in rekening is gebracht schriftelijk op de hoogte, tenzij het een slotbetaling betreft op een belastingaanslag waarbij geen kosten en rente worden afgeboekt. Een kennisgeving blijft achterwege als betaling plaatsvindt op grond van een machtiging tot automatische afschrijving en daarbij geen vervolgingskosten worden afgeboekt. 7.10.Betaling van kleine bedragen Betalingen van belastingaanslagen in kleinere bedragen dan die van de termijnen worden niet geweigerd, tenzij dit door ontvanger aangemerkt wordt als nodeloze overlast. In dat geval treedt hij in contact met de belastingschuldige om de betalingswijze aan te passen. 7.11. Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en faillissement Uit de wettelijke schuldsaneringsregeling of uit een faillissement ontvangen bedragen dienen steeds te worden afgeboekt overeenkomstig de gegevens van de uitdelingslijst, met in achtneming van artikel 7.2 van deze leidraad. Artikel 7aUitbetaling van belastingteruggaven Artikel 7a van de wet regelt de wijze waarop de ontvanger bedragen uitbetaalt. Op grond van artikel 4:89 van de Awb, dient een schuldenaar te betalen op een daartoe door de schuldeiser bestemde bankrekening. Het komt in de praktijk echter regelmatig voor dat een belastingschuldige aan wie de ontvanger een bedrag moet betalen, geen bankrekening(nummer) heeft aangewezen waarop de betaling moet plaatsvinden. Wanneer zich een dergelijke situatie voordoet, regelt artikel 7a van de wet dat de ontvanger betaalt op een bankrekening die op naam van de belastingschuldige staat. In aansluiting op artikel 4:89 Awb en artikel 7a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de aanwijzing van het rekeningnummer voor uitbetaling; - uitbetalingsfouten. 7a.1.Aanwijzen bankrekeningnummer voor uitbetaling De aanwijzing door de belastingschuldige vindt in beginsel plaats op het verzoek in verband waarmee het desbetreffende uit te betalen bedrag wordt vastgesteld. Als de belastingschuldige niet reageert op het schriftelijk ter verificatie aanbieden van het bij de Cocensus bekende bankrekeningnummer, geldt dit ook als aanwijzing. Als de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met betrekking tot hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort uit te betalen bedrag een ander bankrekeningnummer aanwijst, dan wordt laatstbedoeld bankrekeningnummer geacht ook te zijn aangewezen voor het doen van uitbetalingen voortvloeiend uit eerdere aangiften of verzoeken. Aanwijzing moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk plaatsvinden en wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee redelijkerwijze bij de uitbetaling rekening kan worden gehouden. 7a.2.Controle van een aangewezen bankrekening op de tenaamstelling Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 7a.3.Uitbetalingsfouten Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een andere rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem is aangewezen, dan moet de ontvanger in beginsel opnieuw uitbetalen. De ontvanger verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag eerst wordt gerestitueerd. In afwijking van de vorige volzin vindt hernieuwde uitbetaling direct plaats als de belastingschuldige aantoont dat: - hij tijdig vóór de uitbetaling bij de ontvanger heeft aangegeven dat de uitbetaling niet meer op de desbetreffende rekening moet geschieden, en - hij niet over het uitbetaalde bedrag kan beschikken omdat de bankinstelling heeft aangegeven dat de rekening waarop de uitbetaling heeft plaatsgevonden, geblokkeerd is. Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan, zal de ontvanger het aldus teveel betaalde bedrag vervolgens terugvorderen uit ongerechtvaardigde verrijking. Uitbetalingsfouten die het gevolg zijn van de aanwijzing door de belastingschuldige van een niet op zijn naam staande bankrekening, blijven voor diens rekening. De ontvanger beroept zich in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (artikel 6:34 BW). Desgevraagd wordt de belastingschuldige op de hoogte gesteld omtrent de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd is betaald. 7b. Cessie- en verpandingsverbod uitbetaling inkomstenbelasting Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. Artikel 8Bekendmaking aanslag Artikel 8 van de wet regelt dat de ontvanger de belastingaanslag bekend maakt door toezending of uitreiking aan de belastingschuldige. De belastingschuldige is de belastingaanslag in zijn geheel verschuldigd. In aansluiting op artikel 8 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties; - bekendmaking van de aanslag aan een rechtspersoon die (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan; - de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet; - het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan erfgenamen. 8.1.Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met dien verstande dat: - aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde aan de curator worden gezonden; - ingeval van faillissement het aanslagbiljet aan de curator wordt gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt dan wel een boedelschuld vormt; - als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan de wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als bekend is dat verzending aan de belastingschuldige zelf al eerder problemen heeft opgeleverd; - aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend is dat hij is overleden, worden gezonden aan de executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen. 8.2.Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan Als een rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan, is de wijze van bekenmaking van de belastingaanslag ter beoordeling aan de ontvanger. Bij deze beoordeling kunnen onder andere de volgende factoren een rol spelen: - het recht waarnaar de rechtspersoon is opgericht; - het belang van een snelle bekendmaking in verband met vrees voor onverhaalbaarheid. 8.3.Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt van hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de belasting materieel is verschuldigd. 8.4.Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijk termijn te voldoen. Artikel 9Betalingstermijnen Artikel 9 van de wet regelt binnen welke betalingstermijnen belastingaanslagen moeten worden betaald. In aansluiting op artikel 9 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de afwijking van de betalingstermijnen bij voorlopige aanslagen; - de afwijking van de betalingstermijn bij voorlopige teruggaven; - de uitbetaling van een voorlopige teruggave in één termijn; - de dagtekening van het aanslagbiljet; - het begrip maand bij betalingstermijnen; - verzuim ontvanger bij uitbetaling; - regeling betalingstermijnen; - automatische incasso. 9.1.Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen In de gemeentelijke verordening kan een afwijkende termijn zijn bepaald. 9.2.Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 9.3.Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 9.4.Dagtekening aanslagbiljet De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat de belastingschuldige het biljet uiterlijk op de dag van dagtekening ontvangt doch uiterlijk op de dag van de dagtekening. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt toegepast. 9.5.Begrippen bij betalingstermijnen Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op een maand of is gesteld op zes weken, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van een maand vervalt op 30 november en de betalingstermijn van zes weken vervalt op 12 december. Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van een maand op 31 maart en de betalingstermijn van zes weken op 11 april, tenzij het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in welk geval de termijn vervalt op 28 maart dan wel 10 april. Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn een maand later (bij een betalingstermijn van een maand) op de dag die hetzelfde nummer heeft als dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15 maart is, vervalt de termijn dus op 15 april. Is de betalingstermijn zes weken en is de dagtekening 15 maart, vervalt de termijn op 26 april. 9.6.Verzuim ontvanger bij uitbetaling Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de wet wordt onder het begrip ‘invorderen van rijksbelasting’ mede verstaan het betalen van een terug te geven bedrag aan belastingen. Op grond van deze definitie is de betalingstermijn voor een belastingaanslag zoals vastgelegd in de gemeentelijke belastingverordening, of bij ontbreken daarvan in artikel 9, eerste lid, van de wet, ook van toepassing op de uitbetaling van een belastingteruggaaf. Hieruit volgt dat de ontvanger niet in verzuim is met de uitbetaling van een belastingteruggaaf zolang die binnen deze betalingstermijn plaatsvindt. 9.7.Regeling betalingstermijnen De gemeente heeft voor iedere belastingsoort de betalingstermijn(
  2. en)in de belastingverordening geregeld. Is in de belastingverordening niets geregeld, dan zijn de betalingstermijnen uit de wet van toepassing. In aansluiting op artikel 9, tiende lid, van de wet wordt de Algemene Termijnenwet in beide gevallen niet van toepassing verklaard. Op elke belastingaanslag wordt (worden) de betalingstermijn(
  3. en)aangegeven. Uiterlijk op die datum moet de belastingschuldige de aanslag (of het evenredige deel ervan bij meerdere termijnen) hebben betaald. 9.8.Automatische incasso Onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde belastingaanslagen is het mogelijk de aanslag(
  4. en)te voldoen via een automatische incasso. Hiervoor is per deelnemende of opdracht gevende gemeente een incassoreglement vastgesteld. Bij automatische incasso wordt de belastingschuldige (een) afwijkende, ruimere, betalingstermijn(
  5. en)toegestaan. Artikel 10Versnelde invordering Artikel 10, eerste lid, van de wet geeft een limitatieve opsomming van bijzondere situaties waarin de ontvanger met doorbreking van de in artikel 9 van de wet voorgeschreven betalingstermijnen een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag kan invorderen. Artikel 10, tweede en derde lid, van de wet bevatten uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de toepassing van deze versnelde invordering. In aansluiting op artikel 10 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de reikwijdte van de versnelde invordering; - de vrees voor verduistering; - het metterwoon verlaten van Nederland; - geen vaste woonplaats in Nederland; - als er al beslag ligt; - de verkoop namens derden; - de vordering ex artikel 19. 10.1.Reikwijdte versnelde invordering Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde invordering (als bedoeld in artikel 10 van de wet) over te gaan, dan vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de ontvanger op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is uitgereikt of verzonden - maar voordat de belastingaanslag (geheel) invorderbaar is - deelt de ontvanger de belastingschuldige schriftelijk mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaart en dat de op het aanslagbiljet vermelde betalingstermijnen niet meer gelden. Hij doet dit eveneens onder opgave van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling behoort. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 van de wet wordt overgegaan - als sprake is van direct contact met de belastingschuldige - deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te betalen. Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend - maar voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) - vermeldt de ontvanger op het beslagexploot of op een aparte schriftelijke kennisgeving: artikel 15 in combinatie met artikel 10, eerste lid, van de wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel. Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de tweedagentermijn die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er hoeft geen nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige wordt - als sprake is van direct contact met laatstgenoemde - eerst in de gelegenheid gesteld om onmiddellijk te betalen. Een belastingaanslag die op grond van artikel 10, eerste lid, van de wet terecht geheel opeisbaar is geworden, blijft geheel opeisbaar ook al zouden de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent de ontvanger in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met de betalingstermijn(
  6. en)die normaal zou(den) gelden. 10.2.Vrees voor verduistering en versnelde invordering Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake, als de ontvanger aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen. De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van de belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door gedragingen van derden (bijvoorbeeld crediteuren), die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd. Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde beslaglegging blijkt dat deze uitsluitend van een derde zijn, is niet voldaan aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet en is het beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden opgeheven maar de ontvanger moet de betrokkenen wel informeren over het feit dat er geen beslag ligt. 10.3.Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de belastingschuldige van plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de ontvanger - alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de wet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren - er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn niet meer verhaald kan worden op goederen van de belastingschuldige die zich in Nederland bevinden. 10.4.Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zich geen reden voor de ontvanger om de belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er moet een situatie bestaan waarin de ontvanger er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald. 10.5.Beslag en versnelde invordering Nadat de ontvanger verhaalsbeslag heeft doen leggen op bepaalde goederen, zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige - waaronder hier wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen - dadelijk en ineens invorderbaar. 10.6.Verkoop namens derden en versnelde invordering Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van
  7. de)executoriale verkoop, zodat de ontvanger op deze grond niet eerder maatregelen kan treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal plaatshebben. 10.7.Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering De ontvanger mag geen vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet doen, enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar wordt. Als de ontvanger met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien worden andere belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die aanslagen tot het volle bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe aanslagen nog niet zijn verstreken. Artikel 11Aanmaning Artikel 11 van de wet regelt dat als een belastingaanslag niet binnen de daartoe gestelde termijnen wordt betaald, de ontvanger overgaat tot vervolging van de belastingschuldige door de verzending van een aanmaning. In aansluiting op artikel 11 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de geadresseerde van de aanmaning; - als de aanmaning ten onrechte is verzonden; - het achterwege laten van tussentijdse vervolging; - de gedeeltelijke voldoening na aanmaning; - de betalingsherinnering; - de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg. 11.1.De geadresseerde van de aanmaning De ontvanger zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is verzonden of uitgereikt. Als naderhand blijkt dat de ontvanger de vervolging voort moet zetten voor een belastingschuldige die minderjarig is of onder curatele staat, dan zendt de ontvanger alsnog een aanmaning naar het adres van de wettelijke vertegenwoordiger. Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de ontvanger de aanmaning naar de gezamenlijke erfgenamen. Als de ontvanger weet dat de nalatenschap al is verdeeld, dan zendt hij een aanmaning aan iedere erfgenaam afzonderlijk. 11.2.Aanmaning ten onrechte verzonden Als een belanghebbende zich tot de ontvanger wendt met de mededeling dat hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de vervolging niet voortgezet voordat dit is opgehelderd. Als de ontvanger concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen, of dat de mededeling is gedaan om de invordering te traineren, dan kan hij maatregelen nemen die de rechten van de gemeente veilig stellen. 11.3.Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning Vervolging - niet zijnde de eindvervolging - blijft in het algemeen achterwege als het een voorlopig aanslagbiljet betreft en/ of het achterstallige bedrag: 1. kleiner is dan een tiende deel van de (verlaagde) belastingaanslag; 2. minder bedraagt dan € 300,00. De ontvanger kan zich gerechtigd achten de tussentijdse vervolging achterwege te laten, ook al valt het bedrag buiten de gestelde grenzen. Een tussentijdse vervolging die terecht is aangevangen, wordt ook na de verzending van de aanmaning voortgezet. 11.4.Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan. 11.5.Betalingsherinnering In bijzondere, en beoordeeld naar individuele omstandigheden en/ of als de aard of omvang van de belastingschuld dan wel het betalingsgedrag van de belastingschuldige daartoe aanleiding geven, kan de ontvanger besluiten de belastingschuldige eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering toezenden. Inzake de gemeentelijke belastingen van de gemeente Alkmaar, Den Helder, Dijk & Waard, Haarlemmermeer, Hillegom, Landsmeer, Uitgeest en Wormerland wordt, voorafgaande aan de verzending van de aanmaning, een (kosteloze) betalingsherinnering verzonden. Als er geen betalingsherinnering wordt verzonden of als deze niet of niet tijdig tot algehele voldoening van de belastingschuld leidt, verzendt de ontvanger een aanmaning. 11.6.Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg Als de ontvanger invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de ontvanger over tot het uitbrengen van een dagvaarding. De dagvaarding hoeft niet vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel verzendt de ontvanger eerst een aanmaning. De ontvanger verzendt echter geen aanmaning als reeds conservatoir beslag is gelegd. Artikel 12Dwangbevel Artikel 12 van de wet bepaalt dat de invordering van de belastingaanslag kan geschieden bij een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel. Op grond van dit dwangbevel kan de ontvanger overgaan tot invordering van de belastingaanslag. In aansluiting op artikel 12 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - het onderwerp van het dwangbevel; - tegen wie een dwangbevel wordt verleend. 12.1.Onderwerp van het dwangbevel De ontvanger vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag vermeld op een aanslagbiljet van voorkomende belastingaanslagen en beschikkingen. Als een bedrag in termijnen mag worden voldaan, vaardigt de ontvanger een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag van de termijnen waarvoor een aanmaning is verzonden. De ontvanger vermindert het bedrag van een dwangbevel met: - de inmiddels gedane betalingen; - verleende verminderingen; - bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is verleend. 12.2.Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel De ontvanger verleent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of diens rechtsopvolgers. Als de ontvanger het dwangbevel verleent tegen een ander dan de belastingschuldige, moet duidelijk blijken op welke gronden dit gebeurt. Als de ontvanger bekend is met de minderjarigheid of curatele van een belastingschuldige, dan brengt hij dit in het dwangbevel tot uitdrukking. Als de ontvanger hiermee niet bekend is, hoeft hij niet vooraf een daarop gericht onderzoek in te stellen. Als de ontvanger een belastingschuld van een overledene moet verhalen op diens onverdeelde nalatenschap, verleent hij één dwangbevel tegen de gezamenlijke erfgenamen. Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene op de voet van artikel 53 Rv niet mogelijk of niet wenselijk is, dan vermeldt de ontvanger alle erfgenamen met naam en adres alsmede met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het dwangbevel. De ontvanger brengt daarbij evenwel niet het deel van ieders aansprakelijkheid tot uitdrukking. Artikel 13Betekening van het dwangbevel In artikel 13 van de wet is de wijze van betekening van het dwangbevel beschreven. Het dwangbevel vermeldt expliciet dat de belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet kan komen. Het dwangbevel wordt bekendgemaakt door middel van betekening. De betekening van het dwangbevel met bevel tot betaling kan plaatsvinden: - door de belastingdeurwaarder; - per post door de ontvanger. In aansluiting op artikel 13 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de betekening van het dwangbevel per post; - de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder; - bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel. 13.1.Betekening dwangbevel per post De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt plaats door het ter post bezorgen door de ontvanger van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling. Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de ontvanger ter verzending aanbieden van het afschrift aan PostNL. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging. De ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te betekenen. 13.1.1.Adressering van per post betekende dwangbevelen Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de administratie van de gemeente bekende adres van de belastingschuldige. Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de basisregistratie personen is geregistreerd. Als de belastingschuldige te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de basisregistratie personen - bijvoorbeeld een postbusadres - kan verzending ook plaatsvinden aan dat adres. Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een - ten tijde van de terpostbezorging - onjuist adres is verzonden en de belastingschuldige niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen rechtsgevolg verbonden. Als het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het afschrift niet te hebben ontvangen, dan geldt het dwangbevel als betekend. Dit is niet het geval als de belastingschuldige bijzondere omstandigheden aannemelijk kan maken op grond waarvan moet worden aangenomen dat het afschrift van het dwangbevel het bestemde adres niet heeft bereikt. 13.2.Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder Als bij de betekening van een dwangbevel door de belastingdeurwaarder aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie de belastingdeurwaarder het afschrift moet achterlaten, dan betekent de belastingdeurwaarder het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 47, eerste lid, Rv. Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht dat achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan de huisgenoot er niet toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook daadwerkelijk zal bereiken. Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres van Cocensus. Dit geldt ook voor de situaties waarin het dwangbevel is uitgevaardigd door de ontvanger van een andere gemeente. 13.3.Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel Een dwangbevel dat - hetzij door terpostbezorging, hetzij door de belastingdeurwaarder - is betekend aan een minderjarige of onder curatele gestelde, moet mede worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden overgegaan. Zo nodig zal aan de laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan. Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie. Artikel 14Tenuitvoerlegging van het dwangbevel Artikel 14 van de wet gaat over de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. In aansluiting op artikel 4:116 van de Awb en artikel 14 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: - de algemene regels over tenuitvoerlegging; - beslag op roerende zaken die geen registergoederen; - beslag op onroerende zaken; - beslag onder derden; - beslag op schepen. 14.1.Tenuitvoerlegging algemeen Het dwangbevel levert een executoriale titel op. Na betekening aan de belastingschuldige, kan de belastingdeurwaarder het dwangbevel met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering ten uitvoer leggen (zie artikel 4:116 Awb). Als het dwangbevel per post is betekend moet de belastingdeurwaarder een hernieuwd bevel tot betaling betekenen, voordat hij tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaat (artikel 14, eerste lid van de wet). Als de betekening van het hernieuwd bevel tot betaling plaatsvindt conform artikel 47 Rv - dat wil zeggen door achterlating van het bevel in een gesloten envelop of door terpostbezorging van het bevel - gaat de belastingdeurwaarder pas na twee dagen na betekening van het hernieuwde betalingsbevel over tot tenuitvoerlegging (artikel 14, eerste lid van de wet). In de overige gevallen kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan. Betekening van een hernieuwd bevel tot betaling hoeft overigens niet plaats te vinden als het dwangbevel met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet, terstond ten uitvoer kan worden gelegd (artikel 14, tweede lid, van de wet). 14.1.1.[vervallen] 14.1.2.Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging De tenuitvoerlegging van verschillende dwangbevelen tegen dezelfde belastingschuldige gebeurt zoveel mogelijk tegelijkertijd. Bij de tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaarheid vermeden. Ook wordt de nodige soepelheid betracht. Dit brengt met zich mee dat de formeel voorgeschreven handelwijze wordt onderbroken, als het uit menselijk of tactisch oogpunt wenselijk is eerst persoonlijk contact met de belastingschuldige op te nemen. In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet dadelijk tot beslaglegging overgaat of deze onderbreekt of beëindigt, als hij vermoedt dat de ontvanger de beslagopdracht niet zou hebben gegeven als alle omstandigheden bekend waren geweest. Dit geldt ook als de belastingschuldige aantoont dat de betaling inmiddels heeft plaatsgevonden of dat een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in artikel 25.1.15 of 26.1.11 van deze leidraad, en de beslagopdracht elkaar hebben gekruist. Als het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag, wordt onverwijld tot uitwinning van de goederen waarop beslag is gelegd, overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag. Voorwaarde is dan wel dat met de afdoening - gelet op de omstandigheden - naar het oordeel van de ontvanger akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een minnelijke afdoening moet passen in het in deze leidraad geformuleerde beleid. 14.1.3.Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, gaat de belastingdeurwaarder pas tot tenuitvoerlegging over nadat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW, is verstreken, tenzij hiermee de belangen van de gemeente worden geschaad. Hierbij is het niet van belang of de erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. 14.1.4.Volgorde van uitwinning bij beslag Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 14.1.5.Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 14.1.6.Beslaglegging voor vordering van derden Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag heeft gelegd, gaat hij ook over tot beslaglegging voor vorderingen van derden met gelijke rangorde, waarvan de invordering aan hem is opgedragen, ongeacht de executiewaarde van de inbeslaggenomen zaken. 14.1.7.Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden De ontvanger kan een beschikking afgegeven, die inhoudt dat voor een openstaande belastingschuld geen invorderingsmaatregelen meer worden getroffen wanneer alsnog een bepaald bedrag wordt voldaan dan wel dat aan bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan. De ontvanger heft de gelegde beslagen op nadat dit bedrag is betaald of aan die voorwaarden is voldaan. 14.1.8.Opheffing beslag tegen betaling door een derde Als de ontvanger van een derde een bedrag krijgt aangeboden ter opheffing van het beslag, dan kan de ontvanger hieraan zijn medewerking verlenen als ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. Het aangeboden geldbedrag komt niet direct of indirect uit het vermogen van de belastingschuldige; 2. Het aangeboden geldbedrag is aanzienlijk hoger dan de opbrengst die naar verwachting zou zijn verkregen bij een executie; 3. De belangen van de gemeente worden niet geschaad. De ontvanger houdt bij zijn beslissing rekening met de gerechtvaardigde belangen van andere schuldeisers die op de betreffende zaken verhaal zoeken, en hij kan aan zijn medewerking nadere voorwaarden verbinden. 14.1.9.Opschorten van de executie De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het proces-verbaal van beslag een verkoopdatum vast. Op deze datum vindt de openbare verkoop plaats, tenzij de ontvanger ervan overtuigd is dat betaling van de belastingschuld alsnog op zeer korte termijn zal plaatsvinden. In dat geval kan de ontvanger besluiten de verkoopdatum op te schorten tot (in totaal) maximaal vier maanden na de datum waarop het beslag is gelegd. Als sprake is van beslag op roerende zaken, dan deelt de belastingdeurwaarder de nieuwe verkoopdatum bij exploot aan de belastingschuldige mee, tenzij deze nieuwe datum op grond van een schriftelijke overeenkomst tussen de ontvanger en de belastingschuldige is verschoven. Het opschorten van de verkoopdatum houdt op zich geen uitstel van betaling in, in de zin van artikel 25 van de wet. 14.1.10.[vervallen] 14.1.11.[vervallen] 14.1.12.Strafrechtelijk beslag Als op een inbeslaggenomen goed ook een strafrechtelijk beslag ex artikel 94 Sv rust - dat wil zeggen niet zijnde een beslag in het kader van een ontnemingsmaatregel - dan wordt het beslag dat de belastingdeurwaarder heeft gelegd pas vervolgd nadat het strafrechtelijke beslag is opgeheven. Zolang niet duidelijk is wat er met het strafrechtelijke beslag gebeurt, kan het fiscale beslag blijven liggen. 14.1.13.Invordering en ontnemingswetgeving De gemeente belemmert zo min mogelijk de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen. In geval van samenloop van de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen en het nemen van invorderingsmaatregelen tot verhaal van een belastingschuld, treedt de ontvanger terughoudend op. Dit houdt in dat de ontvanger in beginsel niet direct overgaat tot uitwinning van een reeds gelegd beslag tenzij hiermee de belangen van de gemeente worden geschaad. 14.2.Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn 14.2.1.Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken Als de belastingdeurwaarder op het woonadres van de belastingschuldige niemand thuis treft en beslag op roerende zaken alleen kan plaatsvinden met gebruikmaking van artikel 444 Rv, dan blijft deze wijze van tenuitvoerlegging vooralsnog achterwege. De belastingdeurwaarder laat in dat geval een schriftelijke kennisgeving achter met vermelding van dag en uur waarop hij zich weer op het woonadres zal vervoegen. Deze handeling blijft achterwege als een belastingschuldige het stelselmatig hierop laat aankomen, dan wel van deze handelwijze misbruik wordt gemaakt of op andere wijze het belang van de invordering zich tegen deze handelwijze verzet. 14.2.2.Domiciliekeuze en beslag roerende zaken Als het beslag wordt gelegd door een belastingdeurwaarder van een andere gemeente dan de gemeente waar bij de betekening van het dwangbevel domicilie is gekozen, dan wordt in het beslagexploot tevens domicilie gekozen ten kantore van de gemeente waar de belastingdeurwaarder die het beslag legt zijn standplaats heeft. 14.2.3.Aanbod van betaling en beslag roerende zaken Als de belastingschuldige ter voorkoming van beslaglegging aan de belastingdeurwaarder aanbiedt om ter plekke te betalen, aanvaardt de deurwaarder deze betaling. Van de betaling wordt een kwitantie opgemaakt, waarvan een afschrift aan de belastingschuldige wordt gelaten. 14.2.4.Omvang van het beslag op roerende zaken 1. Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als, naar het oordeel van de belastingdeurwaarder, in elk geval nodig is voor dekking van de openstaande schuld inclusief rente en kosten. 2. Gezien het bepaalde in artikel 441, derde lid, Rv, wordt geen beslag gelegd op zaken indien redelijkerwijs voorzienbaar is dat de opbrengst die gerealiseerd kan worden door het verhaal op die zaken aanmerkelijk minder bedraagt dan de kosten van de beslaglegging en de daaruit voortvloeiende executie. De belastingdeurwaarder kan wel beslag leggen op deze zaken als de belastingschuldige door het beslag en de executie niet op onevenredig zware wijze in zijn belangen wordt getroffen. Daarvan is sprake als het aannemelijk is dat het onbetaald blijven van de belastingschulden waarvoor beslag wordt gelegd, te wijten is aan onwil van de belastingschuldige of als het aannemelijk is dat door de executoriale verkoop van de betreffende zaken kan worden voorkomen dat belastingschulden verder oplopen. 14.2.5.Beslag op roerende zaken van derden Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 14.2.6.Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken Als een derde bij de belastingdeurwaarder bezwaar maakt tegen de inbeslagname van bepaalde roerende zaken waarvan hij de eigendom claimt, wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid een beroepschrift in te dienen bij het college op grond van artikel 22, eerste lid van de wet en eventueel in verzet te gaan op grond van artikel 456 of artikel 435 Rv. Als aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en vaststaat dat de ontvanger zijn verhaalsrecht niet kan effectueren, blijft inbeslagname achterwege. 14.2.7.Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger en beslag roerende zaken De ontvanger kan het restant van de schuld van belastingschuldige aan een derde op grond van artikel 6:30 BW voldoen in afwachting van verrekening met de belastingschuldige, als de belastingdeurwaarder de volgende zaken aantreft: - zaken die niet onder het bodemrecht vallen; en - eigendom zijn van en derde; en - strekken tot zekerheid voor de voldoening van een schuld die de belastingschuldige aan de derde heeft (bijvoorbeeld huurkoop, eigendomsvoorbehoud); en - waarop de ontvanger zich na voldoening van die schuld zou kunnen verhalen. De ontvanger maakt van deze mogelijkheid slechts gebruik als de executiewaarde van de desbetreffende zaken beduidend hoger is dan het restant van de schuld. Dit geldt ook als het gaat om zaken van de belastingschuldige die bij een derde in beslag zijn genomen en waarop deze derde een retentierecht heeft. 14.2.8.Beslag roerende zaken bij derden Op zaken van de belastingschuldige die zich bij een derde bevinden, verhaalt de belastingdeurwaarder de belastingschuld zoveel mogelijk door het leggen van een beslag op roerende zaken. De deurwaarder zal in de volgende gevallen echter beslag onder derden leggen als: - de derde geen medewerking verleent aan het leggen van een beslag roerende zaken; - het voor de belastingdeurwaarder feitelijk onmogelijk is om de zaken zelf te zien, dan wel te inventariseren; - de derde een beroep doet als bedoeld in artikel 461d Rv, voordat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten. Als de derde een dergelijk beroep doet nadat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten, legt de belastingdeurwaarder geen afzonderlijk derdenbeslag maar geldt het beslag roerende zaken als derdenbeslag. De belastingdeurwaarder betekent in dat geval een formulier als bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv, binnen drie dagen nadat de derde zich erop heeft beroepen dat hij het beslag niet behoeft te dulden. Dit laatste geldt ook als de verwachting is gerechtvaardigd dat de derde voor de executoriale verkoop een beroep zal doen als bedoeld in artikel 461d Rv. 14.2.9.Wegvoeren van beslagen zaken Nadat op roerende zaken beslag is gelegd, wordt zoveel mogelijk aan de belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten. Onder bijzondere omstandigheden kan de belastingdeurwaarder beslagen zaken wegvoeren. Hij stelt daartoe een gerechtelijke bewaarder aan als bedoeld in Rv. Het aanstellen van een bewaarder ontheft de ontvanger niet van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de in beslag genomen zaken. Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van die zaken redelijkerwijze noodzakelijk is (artikel 446 Rv). Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de zaken dreigen te worden verduisterd of beschadigd. Hetzelfde geldt als er gegronde vrees bestaat dat verhaal op de zaken ernstig bemoeilijkt wordt of feitelijk onmogelijk is, indien de zaken niet worden afgevoerd. Bijvoorbeeld als de belastingdeurwaarder administratief beslag als bedoeld in artikel 442, eerste lid, Rv, heeft gelegd op een motorrijtuig of een aanhangwagen, en de geëxecuteerde het motorrijtuig of de aanhangwagen niet heeft ingeleverd, nadat de belastingdeurwaarder hem daartoe twee keer in de gelegenheid heeft gesteld. Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt slechts gebruik gemaakt: - als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet kan worden ingevorderd en; - de ontvanger na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden geacht. Het wegvoeren van zaken, waaronder motorrijtuigen naar aanleiding van een zogenoemde Automatic Number Plate Recognition-actie, gebeurt niet door de belastingdeurwaarder dan na daartoe verkregen toestemming van de ontvanger. De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de ontvanger of van een andere door hem daartoe aangewezen functionaris. Bij het in beslag nemen van een voertuig is het aan de belastingdeurwaarder ter keuze om een wielklem, of een ander middel, aan te brengen ter zekerheid tegen verduistering. 14.2.10.Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zwaremotorrijtuigen en beslag roerende zaken Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente. 14.2.11.Afsluiting en beslag roerende zaken De deurwaarder dan wel de bewaarder kan tot afsluiting van de ruimte overgaan waarin ten laste van de onderneming in beslag genomen zaken zich bevinden, als: - de omstandigheden zich voordoen als genoemd in artikel 14.2.9 van deze leidraad; en - de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar verhouding zeer hoge kosten kunnen worden afgevoerd. De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de ontvanger of van een andere door de ontvanger daartoe aangewezen functionaris. Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop worden overgegaan. 14.2.12.Bewaarder en beslag roerende zaken Als zaken op grond van artikel 14.2.9 van deze leidraad worden weggevoerd of op grond van artikel 14.2.11 van deze leidraad afsluiting plaatsvindt, stelt de belastingdeurwaarder daarbij een bewaarder aan die in staat moet worden geacht ook daadwerkelijk de taken verbonden aan het bewaarderschap met betrekking tot die zaken uit te oefenen. De aanstelling van de bewaarder wordt vermeld in het proces-verbaal dat in de betreffende situaties moet worden opgemaakt. Als een ambtenaar van de gemeente als bewaarder wordt aangesteld, is dit zoveel mogelijk een belastingdeurwaarder, niet zijnde de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Aan de ambtenaar die tot bewaarder is aangesteld, wordt hiervoor geen vergoeding gegeven. De tot bewaarder aangestelde ambtenaar draagt er zorg voor dat de beslagen zaken waarover hij tot bewaarder is aangesteld zo nodig worden vervoerd of opgeslagen op een wijze die het risico van fysiek of economisch bederf minimaliseert, meer dan voor de onderhavige zaken onder normale omstandigheden gebruikelijk is. De in dit verband te nemen maatregelen en de daaraan verbonden kosten moeten in een redelijke verhouding staan tot de aard en de waarde van de desbetreffende zaken. Tijdens de periode dat het beslag ligt, wordt in de navolgende gevallen aan de bewaarder het bewaarderschap ontnomen en een ander tot bewaarder aangesteld: - als de bewaarder geacht moet worden gedurende langere tijd lichamelijk of geestelijk niet in staat te zijn de aan het bewaarderschap verbonden taken uit te oefenen; - als de bewaarder is overleden; in dit geval hoeft het bewaarderschap niet uitdrukkelijk te worden ontnomen; - als een ambtenaar van de gemeente tot bewaarder is aangesteld en deze ambtenaar door oorzaken van personele of organisatorische aard redelijkerwijs moet worden geacht geen betrokkenheid meer te (kunnen) hebben bij het beslag. Ontslag van een bewaarder gebeurt steeds schriftelijk; in voorkomend geval kan dit bij deurwaardersexploot. 14.2.13.Executoriale verkoop computerapparatuur Als de belastingdeurwaarder beslag legt op computerapparatuur, dan valt alleen de zogenoemde 'hardware' onder dit beslag. De belastingdeurwaarder moet - voordat tot executoriale verkoop wordt overgegaan - nagaan of deze apparatuur nog de zogenoemde 'software' bevat (bestanden, programma's en dergelijke). Als dat het geval is, dan moet de belastingschuldige de mogelijkheid worden geboden om die software te verwijderen en een back-up te maken. 14.2.14.Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken De ontvanger moet er voor zorgdragen dat geen zilveren, gouden of platina werken die niet zijn voorzien van de stempeltekenen die volgens de Waarborgwet 2019 vereist zijn, in openbare verkoop worden gebracht of met dat doel worden tentoongesteld. Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of platina werken voorkomen - al dan niet met het vereiste stempelteken - moet de ontvanger aangifte doen zoals artikel 35 van de Waarborgwet 2019 dat voorschrijft. 14.2.15.Beslag op illegale zaken Als voor beslag vatbare zaken worden aangetroffen waarvan in beginsel de vervaardiging, het bezit of het gebruik strafbaar is (of het vermoeden van strafbaarheid bestaat), kan de beslaglegging op de normale wijze doorgang vinden. Wel wordt direct of zo snel mogelijk na de beslaglegging de politie ingeschakeld om te bezien in hoeverre aanleiding bestaat om strafrechtelijke maatregelen te nemen. Hierbij geldt het bepaalde in artikel 14.1.12 van deze leidraad. Als geen strafrechtelijke maatregelen worden getroffen (de voormelde zaken worden niet verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer), dan moet de ontvanger contact opnemen met het college voordat maatregelen worden getroffen om tot executoriale verkoop van de inbeslaggenomen zaken over te gaan. 14.2.16.Bieden voor rekening van de gemeente en beslag roerende zaken Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de ontvanger een andere belastingdeurwaarder dan de deurwaarder die met de verkoop belast is, opdragen voor rekening van de gemeente te bieden. Daarnaast kan de ontvanger de belastingdeurwaarder opdracht geven om de executie plaats te laten vinden via internetveiling. De regels hiervoor dienen openbaar gemaakt te worden. 14.2.17.Opheffing van het beslag op roerende zaken Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de ontvanger dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot kenbaar gemaakt. Opheffing van het beslag op roerende zaken als bedoeld in artikel 445 Rv wordt altijd kenbaar gemaakt bij deurwaardersexploot. 14.2.18.Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken De ontvanger verhaalt de openstaande schuld waarvoor het beslag roerende zaken is gelegd op de executieopbrengst, inclusief de daarin begrepen omzetbelasting. Voordat de opbrengst op de openstaande schuld wordt afgeboekt, worden eerst de kosten van de executie verrekend. De ontvanger boekt de opbrengst vervolgens af met inachtneming van het bepaalde bij artikel 7 van deze leidraad. Als er andere schuldeisers zijn die beslag hebben gelegd of als er beperkt gerechtigden zijn van wie het recht door de executie is vervallen, dan wordt zoveel mogelijk getracht in der minne overeenstemming te bereiken over de toedeling van de netto-executieopbrengst. Als dat niet mogelijk blijkt, dan zijn de artikelen 481 en volgende Rv van toepassing. 14.2.19.Proces-verbaal van verkoop roerende zaken Als de belastingschuldige schriftelijk verzoekt om een afschrift van het proces-verbaal van verkoop, wordt hem dit zo spoedig mogelijk toegezonden, met dien verstande dat de namen en woonplaatsen van de kopers onleesbaar zijn gemaakt. 14.2.20.Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de ontvanger vraagt of een beslag nog ligt, dan verstrekt de ontvanger deze informatie tenzij het belang van de invordering zich daartegen verzet. 14.2.21Relaas van onttrekking Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken (artikel 198 Sr) kan van dat feit op grond van artikel 162 Sv aangifte worden gedaan. De ontvanger beslist over de inzending van een relaas van onttrekking aan de officier van justitie. 14.2a.Administratief beslag op motorrijtuigen en aanhangwagens 1. De belastingdeurwaarder neemt zo nodig in het proces-verbaal van inbeslagneming van een motorrijtuig of aanhangwagen op de voet van artikel 442, eerste lid, Rv, een instructie op inzake het afgeven van het motorrijtuig of de aanhangwagen, als bedoeld in artikel 442, eerste lid, onder e, Rv. Daarin vermeldt de belastingdeurwaarder de plaats, datum en het tijdstip waarop het motorrijtuig of de aanhangwagen ingeleverd moet worden. 2. Als de geëxecuteerde het motorrijtuig of de aanhangwagen niet inlevert volgens de in het eerste lid bedoelde instructie, stelt de belastingdeurwaarder eenmalig opnieuw een inlevermoment vast en stelt hij de geëxecuteerde hiervan schriftelijk op de hoogte. De belastingdeurwaarder vermeldt in de schriftelijke kennisgeving in ieder geval de plaats, datum en het tijdstip waarop het motorrijtuig of de aanhangwagen ingeleverd moet worden. 14.3.Beslag op onroerende zaken 14.3.1. Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken Indien het beslag op een onroerende zaak mede omvat de in of op die zaak aanwezige bestanddelen of natuurlijke vruchten, geldt het volgende. De belastingdeurwaarder kan die bestanddelen of die vruchten wegvoeren om in bewaring te geven indien dit voor het behoud van die bestanddelen of vruchten noodzakelijk is. Het wegvoeren vindt niet plaats dan na daartoe verkregen toestemming van de ontvanger. Het bepaalde in artikel 14.2.9 is van overeenkomstige toepassing. 14.3.2.Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag op een onroerende zaak heeft gelegd, zal hij voor een nader opgekomen belastingschuld zoveel mogelijk opnieuw tot beslaglegging overgaan. In gevallen waarin de ontvanger zelf de eerste beslaglegger is, gaat hij altijd tot beslaglegging over voor vorderingen van derden waarvan de invordering aan hem is opgedragen. 14.3.3.Verhuurde of verpachte onroerende zaken De ontvanger die beslag op de onroerende zaak heeft laten leggen en tevens de huur of pacht wil incasseren, doet hiervoor zoveel mogelijk een vordering ex artikel 19 van de wet onder de huurder of pachter. Er wordt in zo’n geval dus niet gehandeld als bedoeld in artikel 507, derde lid, Rv. 14.3.4.Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken De ontvanger vraagt de notaris een afschrift van de veilingvoorwaarden die op de verkoop van toepassing zijn en hij treedt zo nodig in overleg over de inhoud van deze voorwaarden. In overleg met de notaris wordt in de voorwaarden van verkoop bepaald dat de kosten van executie, toewijzing en eventuele rangregeling door de executant zullen worden voldaan uit de koopprijs en dat het tekort - als de koopprijs niet toereikend mocht zijn - door de executant zal worden aangezuiverd. 14.3.5.Opheffing van het beslag onroerende zaken Van de opheffing van een beslag op een onroerende zaak wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de belastingschuldige. Als het beslag aan de huurder of pachter is betekend, ontvangt deze ook een schriftelijke mededeling. Ook wordt van deze opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de (eventuele) derde-eigenaar, aan alle (eventuele) hypotheekhouders en - indien van toepassing - aan de bewaarder. 14.4.Beslag onder derden 14.4.1.Beslag op vordering van een derde In de artikelen 475 en volgende Rv is de mogelijkheid gegeven ten laste van de belastingschuldige beslag te leggen onder een derde. Als blijkt dat - na het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring - de derde geen gelden of zaken onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te hebben gelegen. De ontvanger stelt de derde hiervan op de hoogte. Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de belastingschuldige toebehoort, dan wel op naam van die ander - bijvoorbeeld door een bank - wordt geadministreerd. In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de derde-beslagene) dat zowel aan de belastingschuldige als aan degene aan wie de vordering formeel toebehoort binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden betekend, moet de ontvanger zoveel mogelijk aangeven op welke gronden hij de vordering die op naam van die ander is geadministreerd, meent te kunnen uitwinnen ter verhaal van een vordering op de belastingschuldige. 14.4.1a.Geen beslag op coronabonus zorgprofessional De ontvanger laat geen derdenbeslag leggen onder een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, voor een bonus die door de zorgaanbieder wordt uitgekeerd aan een zorgprofessional als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, voor zover aan de zorgaanbieder een subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19. Als reeds beslag is gelegd onder de zorgaanbieder, verzoekt de ontvanger niet om afdracht van de bonus of betaalt de ontvanger de bonus alsnog aan de zorgprofessional uit als de zorgaanbieder de bonus al aan de ontvanger heeft afgedragen. 14.4.1b.Bankbeslag en energietoeslag Als de ontvanger bankbeslag legt ten laste van een belastingschuldige die op grond van artikel 35, vierde of vijfde lid, Participatiewet, een energietoeslag heeft ontvangen, geldt het volgende. Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige betaalt de ontvanger het door de bank op het bankbeslag afgedragen bedrag terug, tot maximaal het bedrag van de ontvangen energietoeslag. 14.4.2.Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van artikel 19 van de wet mogelijk is, kiest de ontvanger voor het doen van een vordering. 14.4.3.Roerende zaken bij derden Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige bevinden, wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 14.2.8 van deze leidraad. 14.4.4.Plaats beslaglegging en derdenbeslag Aan de nauwkeurige vermelding in het exploot van beslag van de naam en de eventuele rechtsvorm van de derde wordt bijzondere aandacht geschonken. De situatie kan zich voordoen dat de derde een hoofdkantoor heeft en een of meerdere bijkantoren. In dat geval legt de belastingdeurwaarder het beslag zoveel mogelijk bij het hoofdkantoor dan wel het filiaal of bijkantoor dat bemoeienis heeft met de gelden of zaken waarop verhaal wordt gezocht. In spoedeisende gevallen kan het beslag worden gelegd onder een ander filiaal of bijkantoor. De executant kiest in alle gevallen domicilie bij de belastingdeurwaarder. Als er aanleiding toe bestaat, kan de ontvanger de omvang van het beslag bij de beslaglegging beperken. Voor zover niet door een andere schuldeiser beslag is gelegd, kan de omvang ook op een later tijdstip nog worden beperkt. Van de beperking wordt in het beslagexploot of in een afzonderlijk geschrift aan de derde uitdrukkelijk melding gemaakt. 14.4.5.Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e dan wel artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen, dan past de ontvanger zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de beslagvrije voet toe als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv. Indien de belastingschuldige kenbaar maakt dat de beslagvrije voet onjuist is vastgesteld, maar niet de juiste informatie verstrekt voor de goede vaststelling ervan, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid om binnen een redelijk termijn alsnog de juiste informatie te verstrekken. Indien de belastingschuldige de juiste informatie binnen de door de ontvanger gestelde termijn aanlevert, herstelt de ontvanger de beslagvrije voet met ingang van de inhouding volgend op het moment waarop de belastingschuldige kenbaar maakte dat de beslagvrije voet onjuist was vastgesteld. 14.4.5aDerdenbeslag en kosten van levensonderhoud Wanneer de ontvanger derdenbeslag legt als gevolg waarvan de belastingschuldige niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud, verleent de ontvanger zijn medewerking aan (gedeeltelijke) opheffing van het beslag dan wel stelt hij een passend deel van het door de derde betaalde bedrag beschikbaar aan de belastingschuldige. De ontvanger verleent slechts medewerking onder voorwaarde dat de belastingschuldige voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van het beslag gedurende een bepaalde periode niet meer kan voorzien in de kosten van levensonderhoud. Voor de vaststelling van het passend deel gaat de ontvanger uit van de kosten van bestaan als bedoeld in artikel 16 van de regeling. 14.4.5b.Vrij te laten bedrag en beslag onder derden bij geen adres in Nederland Als de ontvanger bankbeslag legt ten laste van een belastingschuldige die op grond van de basisregistratie personen geen adres in Nederland heeft, geldt het volgende. Als de belastingschuldige inzicht geeft in zijn leefsituatie en aannemelijk maakt dat hij door het beslag onvoldoende middelen van bestaan overhoudt, kan hij de ontvanger verzoeken alsnog rekening te houden met het voor hem geldende vrij te laten bedrag. De ontvanger stelt in dat geval het voor de leefsituatie van de belastingschuldige geldende vrij te laten bedrag vast. De ontvanger betaalt het verschil tussen het initieel vastgestelde vrij te laten bedrag en het op verzoek vastgestelde vrij te laten bedrag aan de belastingschuldige Dit doet de ontvanger nadat de bank op het beslag heeft afgedragen. 14.4.5c. Toepassing 5%-regeling De ontvanger past de zogeheten 5% regeling, bedoeld in artikel 475dc Rv, in beginsel niet toe bij het leggen van derdenbeslag. De ontvanger past die regeling alleen toe als is voldaan aan de voorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de wet en artikel 19.1.7 of als de ontvanger van mening is dat de belangen van de gemeente worden geschaad als hij de 5%-regeling niet toepast. 14.4.6.[vervallen] 14.4.7.[vervallen] 14.4.8.[vervallen] 14.4.9.Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente Bij een derdenbeslag op een polis van een levens- of spaarverzekering of lijfrente geldt - naast de voorschriften in artikel 479l en volgende Rv het volgende: - De ontvanger stelt zich terughoudend op bij het leggen van derdenbeslag als er sprake is van een niet-bovenmatige oudedagsvoorziening; - De ontvanger betrekt in zijn overwegingen de verhouding tussen de openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening van de polis. Bij de bepaling van de opbrengst houdt de ontvanger rekening met het feit dat een (voortijdige) afkoop of belening van de polis in bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden handeling die tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden als gevolg waarvan een aanslag in de inkomstenbelasting kan worden opgelegd; - Als de netto-opbrengst van de polis minder dan € 2.500 bedraagt, de polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie jaren voor de expiratiedatum, wint de ontvanger het derdenbeslag niet uit en gaat hij niet over tot afkoop of belening. In dat geval laat de ontvanger, in overleg met belastingschuldige, het beslag liggen tot de expiratiedatum; - De omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot uitkering komt, staat op zich een derdenbeslag niet in de weg; - De belastingaanslagen waarvoor het derdenbeslag wordt gelegd moeten onherroepelijk vaststaan en in redelijkheid materieel verschuldigd worden geacht. 14.4.10.Retentierecht en derdenbeslag Als de derde-beslagene een retentierecht heeft op de zaken die door het derdenbeslag van de ontvanger zijn getroffen, dan kan de ontvanger op grond van artikel 6:30 BW overgaan tot betaling van het bedrag waarvoor het retentierecht geldt in afwachting van verrekening met de belastingschuldige. Het bedrag moet dan wel beduidend lager zijn dan de executiewaarde van de desbetreffende zaak. 14.4.11.Opheffing van het derdenbeslag Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de ontvanger dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot kenbaar gemaakt aan zowel de belastingschuldige als de derde. In andere gevallen wordt van de opheffing schriftelijk kennis gegeven aan de derde-beslagene. De ontvanger zendt aan de belastingschuldige een afschrift van deze kennisgeving. 14.4.12.Onverschuldigde betaling en derdenbeslag Als een d

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.